direct naar inhoud van Toelichting
Plan: 14e herziening Chw bestemmingsplan Kernen gemeente Dalfsen, woningbouw noordzijde Wieken
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Dalfsen heeft het voornemen om de gronden in Nieuwleusen ten oosten van de Burgemeester Backxlaan en ten zuiden van het tankstation te ontwikkelen voor woningbouw. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen de huidige planologische regeling, zoals dat is bepaald in het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Kernen gemeente Dalfsen 2016 ". Om die reden is het nodig om een bestemmingsplanherziening procedure te voeren. De gronden hebben nu een agrarisch gebruik.

1.2 Plangebied

Het plangebied betreft de agrarische gronden gelegen tussen de percelen Burgemeester Backxlaan 204 en Omloop 1 tegenover de percelen Burgemeester Backxlaan 271 tot en met 285. Het plangebied wordt begrensd aan de oostgrens op ongeveer 100 m evenwijdig aan de Burgemeester Backxlaan. De volgende afbeelding geeft de globale ligging van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0001.jpg"

Afbeelding: Globale ligging plangebied

1.3 Planologisch-juridische regeling

De huidige juridische regeling van de betreffende gronden is neergelegd in het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Kernen gemeente Dalfsen 2016". De gronden hebben de bestemming "Agrarisch". Op de volgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0002.png"

Afbeelding: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan

1.4 Voorliggend bestemmingsplan

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de gewenste bestemmingswijziging mogelijk. Voor het plangebied is aansluiting gezocht bij de gedetailleerde bestemmingsregeling van het moederplan "Chw bestemmingsplan Kernen gemeente Dalfsen 2016". Het plan is afgestemd op de Wet ruimtelijke ordening en voldoet aan de meest recente inzichten betreffende de digitale uitwisseling en raadpleging (RO-Standaarden). Hierdoor is het bestemmingsplan een goed leesbaar en bruikbaar plan.

1.5 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "14e herziening Chw bestemmingsplan Kernen gemeente Dalfsen, woningbouw noordzijde Wieken" bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek. nr. NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01);
  • regels.

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten samen "gelezen" worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt toch een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

Hoofdstuk 2 Huidige en toekomstige situatie

2.1 Huidige situatie

Zoals gemeld hebben de gronden een agrarisch gebruik. Het plangebied wordt aan de noord-, west- en zuidzijde begrensd door bebouwing en aan de oostzijde door agrarische gronden. Voor het meest noordelijk deel van het plangebied geldt boven een gebiedsaanduiding "veiligheidszone - lpg". Binnen het aangegeven gebied moeten de veiligheidsrisico's van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten worden tegengegaan. Op navolgende afbeeldingen wordt een impressie gegeven van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0003.jpg"

Afbeelding: Impressie plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0004.jpg"

Afbeelding: Impressie plangebied

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie worden de agrarische gronden ontwikkeld voor woningbouw. Daarvoor moet de huidige bestemming "Agrarisch" vervangen worden door een bestemming die woningbouw op deze locatie toestaat. In de toekomstige situatie zijn er op de locatie maximaal 22 appartementen toegestaan en circa 20 grondgebonden woningen. Deze woningen sluiten in de stedenbouwkundige opzet aan op de bouwstijl van de omliggende straten.

Door de gemeenteraad is een stedenbouwkundig plan voor het plangebied vastgesteld op 25 maart 2020. Dit stedenbouwkundig plan is opgenomen in Bijlage 7 en vormt het uitgangspunt van dit bestemmingsplan. Een uitsnede van dit stedenbouwkundig plan is opgenomen op onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0005.jpg"

Afbeelding: Uitsnede stedenbouwkundig plan

In het kader van dit bestemmingsplan is er ook een Beeldkwaliteitsplan opgesteld specifiek voor het plangebied. Dit beeldkwaliteitsplan is opgenomen als Bijlage 3 en dient als uitgangspunt bij de uiteindelijke architectonische invulling van het plangebied.

Tot slot wordt er binnen het plangebied rekening gehouden met de veiligheidszone van lpg. De woningen vallen buiten deze zone.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de bestuurlijke drukte te beperken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een meer selectieve inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

3.1.2 Rijksdoelen en regionale opgaven

Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt:

  • vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • verbeteren van de bereikbaarheid;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Met bovengenoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in het SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.

De MIRT-regio Oost-Nederland bestaat uit de provincies Overijssel en Gelderland. Opgaven van nationaal belang in dit gebied zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (wegen, spoorwegen en vaarwegen) die door Oost-Nederland lopen. Dit onder andere voor de Mainports Rotterdam en Schiphol. Hiervoor wordt onder meer een MIRT-onderzoek naar het goederenvervoer over spoor op de lange termijn uitgevoerd, evenals het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer;
  • Versterking van de primaire waterkeringen (hoogwaterbeschermingsprogramma) en het samen met decentrale overheden uitvoeren van het gebiedsgerichte deelprogramma Rivieren van het Deltaprogramma voor het formuleren van een integrale strategie voor het rivierengebied. In Oost-Nederland gaat het deelprogramma Rivieren over de Waal, Neder-Rijn, Lek, IJssel en IJssel-Vechtdelta;
  • Het samenwerken met decentrale overheden in de generieke deelprogramma's Veiligheid, Zoet water en Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS (nu NNN), inclusief de Natura 2000-gebieden;
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet en het buisleidingennetwerk.

Oost-Nederland omvat veel natuurgebieden en levert daarmee een belangrijke bijdrage aan het (inter-)nationale natuurnetwerk voor biodiversiteit. Daarnaast kent de regio belangrijke cultuurhistorische waarden. Tegelijkertijd zijn er in Oost-Nederland een aantal gebieden waar de effecten van bevolkingsdaling nu al voelbaar zijn en gebieden waar deze effecten nu nog niet voelbaar zijn, maar naar verwachting op termijn wel (zogenaamde anticipeergebieden).

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van onderwerpen van nationaal belang, zoals Rijksvaarwegen, kustfundament, de Waddenzee, buisleidingen van nationaal belang en de Ecologische hoofdstructuur. Geen van de in het Barro geregelde onderwerpen heeft invloed op het voorliggende bestemmingsplan. De betreffende onderwerpen zijn namelijk niet aan de orde in of nabij het plangebied.

3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking

Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, is in 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe stedelijke ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en multimodale bereikbaarheid. De Ladder is derhalve een instrument voor de borging van een efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Stedelijke ontwikkeling

Wat is een stedelijke ontwikkeling? De definitie voor een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1, lid 1, Bro) luidt als volgt: Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. 

Er is geen ondergrens bepaald voor wat een 'stedelijke ontwikkeling' is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat één of enkele woningen niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling:

  • drie woningen rechtstreeks, drie woningen via een wijzigingsbevoegdheid bij bestaande lintbebouwing (ABRvS 18 december 2013, 201302867/1/R4 (Weststellingerwerf)
  • één woning (ABRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4 (Midden-Delfland)

Het begrip "woningbouwlocatie" (zoals opgenomen in de omschrijving van het begrip "stedelijke ontwikkeling" in artikel 1.1.1 Bro) is niet nader gedefinieerd. Gelet op de kleinschalige woningbouw die bovenstaande plannen mogelijk maken, is de Afdeling van oordeel "dat de plannen niet voorzien in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1 Bro. De plannen kunnen dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling".


De beoogde herontwikkeling op de agrarische gronden staat de ontwikkeling tot maximaal 22 appartementen en circa 20 grondgebonden woningen toe. Hieruit volgt de conclusie dat met dit totaal aantal woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Behoefte

Een stedelijke ontwikkeling dient in een actuele regionale behoefte te voorzien. In het kader van de Structuurvisie kernen Dalfsen is in de gemeente Dalfsen een woonbehoefteonderzoek uitgevoerd. De structuurvisie van de gemeente Dalfsen strekt zich uit over de periode van 2010 tot aan 2025. Om te bepalen welke hoeveelheid ruimte moet worden gereserveerd bij de verschillende kernen moet eerste bekend zijn om hoeveel woningen het gaat per kern voor die periode. Om dat te achterhalen is eerst gekeken naar wat er op dit moment al aan beleid, beleidsnota's en voorbereidende stukken aanwezig is.

Een belangrijke rol voor de eerste periode (2010 tot 2015) is weggelegd voor de “prestatieafspraken wonen gemeente Dalfsen 2010 tot 2015” (1). Hierin zijn afspraken vastgelegd tussen de gemeente Dalfsen en de provincie Overijssel over het woningbouwprogramma voor de eerstkomende periode. Daarnaast is gebruik gemaakt van de nota “Demografische ontwikkelingen en maatschappelijke trends in Dalfsen” (2) van het SGBO (oktober 2008). Verder is de notitie “Woningbouwprogramma 2010-2012” (3), die aan de raad is aangeboden, een belangrijke gegevensbron geweest.

Ad 1.Prestatieafspraken

Het bouwprogramma is gebaseerd op een bevolkingsontwikkeling, zoals die is geprognosticeerd op basis van PRIMOS 2007 van 2010 tot 2015 en ziet er als volgt uit.

netto toevoeging aan de woningvoorraad   79  
opgave sloop / vervangende nieuwbouw   60  
totaal bruto programma 2010 tot 2015   850  
waarvan binnenstedelijk (30%)   255  
waarvan uitleg (70%)   595  

De toename van woningen voor bijzondere doelgroepen valt buiten genoemde aantallen en kan als extra daarbij worden opgeteld. Voor de periode daarna ziet de gemeente nog maar weinig locaties vrijkomen, die gebruikt kunnen worden voor het binnenstedelijk programma. Daarom wordt voor de periode van 2015 tot 2025 uitgegaan van een verdeling 10% binnenstedelijk en 90% uitleg.

Ad 2. Demografische ontwikkelingen

Ook deze is gebaseerd op PRIMOS 2007. Geeft bevolking per 5 jaar vanaf 01-01-2010. De bevolkingsgroei wordt vooral veroorzaakt door de natuurlijke groei en een gering binnenlands migratieoverschot. Uit het rapport blijkt dat Dalfsen als geheel relatief veel kinderen telt in de leeftijd van 0 tot 15 jaar, relatief veel paren met kinderen heeft en relatief weinig alleenstaanden en eenoudergezinnen. In Dalfsen leidt dit er toe dat gedurende de gehele periode van vooruitberekenening van PRIMOS (2040) nog niet zal worden toegegeven aan het verschijnsel van bevolkingskrimp, zoals in veel andere gemeenten wel het geval is. Dit duidt op een relatief jonge en dynamische bevolking met als gevolg dat dit leidt tot een hogere woningbehoefte dan gemiddeld wordt waargenomen.

Ad 3. Woningbouwprogramma

In deze notitie wordt een overzicht gegeven van de restcapaciteit per 01-01-2010, zowel van de binnenstedelijke plannen als de uitlegplannen, alsmede van de plannen voor de bijzondere doelgroepen. Uitgangspunt is de prestatieafspraak met de provincie Overijssel voor de periode 2010 tot 2015. Voor de periode 2015-2025 wordt uitgegaan van de verdeling 10% binnenstedelijk en 90% uitleggebied. Dit betekent het volgende:

  2010-2014   2015-2019   2020-2024   2010-2024  
netto toevoeging aan de woningvoorraad   790   680   570   2040  
opgave sloop/vervangende nieuwbouw   60   70   80   210  
totaal bruto programma   850   750   650   2250  
waarvan binnenstedelijk   255   75   65   395  
waarvan uitleg   595   675   585   1855  

De netto toevoeging aan de woningvoorraad is iets meer dan hetgeen uit de PRIMOS-berekening 2007 blijkt. Dit komt enerzijds door hetgeen onder ad 2 al is aangegeven, maar anderzijds ook, omdat het beleid van de gemeente om jongeren aan zich te binden door het aanbieden van een aantrekkelijk en betaalbaar woningaanbod nadrukkelijk in de woningbehoefte tot uitdrukking wil laat komen. Uit het rapport van SGBO blijkt dat Dalfsen als geheel relatief veel kinderen telt in de leeftijd van 0 tot 15 jaar, relatief veel paren met kinderen heeft en relatief weinig alleenstaanden en eenoudergezinnen. Aangezien de gemeente Dalfsen als beleid heeft om maximaal te streven naar het behouden van de jongeren in de gemeente, onder andere door ze optimale huisvestingsmogelijkheden te bieden, berekent de gemeente een hogere woningbehoefte. Dit woningbouwprogramma moet nu over de kernen verdeeld worden. Uitgangspunt is het aandeel van de kern (inclusief omliggend buitengebied) in het gemeentelijk totaal, gerelateerd aan de nu bekende afspraken.

Dat komt er op neer dat Dalfsen ongeveer 40% voor zijn rekening neemt, Nieuwleusen 38%, Lemelerveld 18% en Oudleusen en Hoonhorst allebei 2%. Het bruto woningbouwprogramma ziet er dan per kern als volgt uit:

Kern   bruto programma   wv binnenstedelijk   wv uitleg  
Dalfsen   900   158   742  
Oudleusen   50   (8) nvt*   42+8  
Hoonhorst   50   (8) nvt*   42+8  
Lemelerveld   400   71   329  
Nieuwleusen   850   150   700  
Gemeente   2250   379   1871  

* Gezien de geringe omvang van deze kernen wordt alleen uitgegaan van uitleggebieden

Regionale afstemming

Samen met alle gemeenten in West-Overijssel heeft de gemeente woonafspraken gemaakt met de provincie Overijssel. Hierin zijn onder andere afspraken gemaakt over programmeren en zuinig ruimtegebruik. Dit zijn de onder andere de volgende hoofdafspraken (dit is niet een uitputtend overzicht van alle woonafspraken):

  • De te hanteren prognose is vastgelegd in het programmeringsdocument.
  • Gemeenten en provincie spreken af dat een balans op de lokale woningmarkt maximaal 100% plancapaciteit ten opzichte van de te hanteren prognose inhoudt.
  • Gemeente zorgen voor balans tussen vraag en aanbod op de woningmarkt binnen een periode van 3 jaar.
  • Gemeente maken afspraken binnen de subregio.

De voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in Nieuwleusen in een behoefte aan ouderenhuisvesting.

Inbreiding

Wanneer in een actuele regionale behoefte wordt voorzien, dient een ontwikkeling in eerste instantie binnen bestaand stedelijk gebied plaats te vinden (volgens het principe inbreiding vóór uitbreiding).


Aan de Burgemeester Backxlaan is sprake van verschillende woningen aan weerskanten van de weg. De betreffende agrarische gronden vormen in feite een open plek in de vrij gesloten woonbebouwing en andere functies in deze straat. Door woningbouw op deze locatie ontstaat een meer gesloten bebouwingsbeeld. Gesteld kan worden dat een open plek wordt ingevuld met woningbouw. Hiervan uitgaande wordt zorgvuldig en zuinig omgegaan met de beschikbare ruimte. Binnen de Omgevingsvisie Overijssel is het gebied aangeduid als gebied Verspreide woonbebouwing. Binnen de Structuurvisie Kernen gemeente Dalfsen is het gebied verder aangeduid als een locatie waar ontwikkelingen voor gepland zijn.

Uit de beschrijving onder volgt dat de stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied plaatsvindt.

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat de woningbouwontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking, omdat het plan:

  • Past binnen het afgestemde programma van woningen voor de gemeente Dalfsen.
  • Een woningbouwaanbod heeft dat aansluit op het marktsegment waar op basis van de woonvisie de meeste behoefte aan is.
  • Bijdraagt aan het behoud en de versterking van de kenmerkende woonkwaliteiten van de kern Nieuwleusen.
  • Gebruik maakt van een inbreidingslocatie.

3.1.5 Water

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW), is een Europese richtlijn. Deze richtlijn is bedoeld om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in Europa op goed niveau te houden en te krijgen. Het doel is om in 2015 een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewateren te hebben en een goede chemische en kwantitatieve toestand voor alle grondwateren. Voor grondwater betekent dit onder meer dat er geen directe lozingen mogen plaatsvinden en de toename van chemische verontreiniging moet worden voorkomen.

Het grondgebied van de gemeente Dalfsen behoort tot het stroomgebied van de Rijn, deelgebied Rijn-Oost. Voor dit deelgebied is in 2009 het stroomgebiedsbeheerplan vastgesteld.

Nationaal Waterplan

De Vierde Nota Waterhuishouding is op 22 december 2009 vervangen door het Nationaal Waterplan. Dit is de nieuwe planvorm op Rijksniveau op basis van de nieuwe Waterwet. Het Nationaal Waterplan vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding, waarbij veel van het ingezette beleid uit deze nota's wordt voortgezet. Het Nationaal Waterplan heeft de status van een structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Er komen nieuwe normen op basis van overstromingskansen die per dijkringgebied zullen worden vastgesteld.

Waterbeleid 21e eeuw

Met het Waterbeleid 21e eeuw wordt ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen die hogere eisen stellen aan het waterbeheer. Het gaat hierbij om onder andere de klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelrijzing. Het Waterbeleid 21e eeuw heeft twee principes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd, te weten de tritsen: vasthouden, bergen en afvoeren;- schoonhouden, scheiden en zuiveren.

De trits vasthouden, bergen en afvoeren houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren gaat het erom dat het water zoveel mogelijk wordt schoongehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aanbod.

Watertoets

In de paragraaf 4.11 wordt verder ingegaan op de wateraspecten met betrekking tot de watertoets.

3.1.6 Natuur

Vogel- en Habitatrichtlijn

Natura 2000 is een netwerk van beschermde natuurgebieden, dat door de lidstaten van de Europese Unie wordt opgezet. Het Natura 2000-netwerk dient ter bescherming van zowel de gebieden (natuurlijke habitatten) als wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten. Natura 2000 wordt op zijn beurt weer gevormd door de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen richten zich op de (directe) bescherming van soorten en op de instandhouding van hun leefgebieden en andere natuurlijke habitatten. Sinds 1 oktober 2005 vallen de Natura 2000-gebieden samen met de beschermde natuurmonumenten (voorheen (staats)natuurmonumenten) onder de Natuurbeschermingswet 1998. Daarnaast was het soortenbeleid uit de Vogel- en Habitatrichtlijn vertaald in de Flora- en faunawet. Per 1 januari 2017 is deze wetgeving opgenomen in de Wet Natuurbescherming.

Wet natuurbescherming

Vanaf 1 januari 2017 is de wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

Gebiedsbescherming

Met het onderdeel gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb) worden waardevolle, kwetsbare Natura 2000-gebieden beschermd. Hiermee voldoet de provincie aan internationale verdragen en de Europese regelgeving voor de beschermde natuurgebieden en beschermde soorten planten en dieren in die gebieden. De provincie Overijssel kent 25 Natura2000-gebieden.

Er is een vergunning nodig als u een project of handeling wilt uitvoeren die schadelijk kan zijn voor een beschermd natuurgebied. Dit zijn met name activiteiten waarbij stikstof vrijkomt, zoals het uitbreiden van een bestaand veehouderijbedrijf of het bouwen van een nieuwe fabriek. Soms is een vergunning nodig voor de uitstoot van stikstof of kan worden volstaan met een melding.

Naast de zogeheten stikstofdepositie kunnen ook andere verstorende factoren leiden tot vergunningplicht. Voorbeelden daarvan zijn:

  • geluidsbelasting;
  • wijziging van grondwaterstanden of –stromen;
  • opzetten peil of peilverlagingen;
  • aanzuigende werking verkeer;
  • uitstoot van schadelijke stoffen;
  • lichthinder of versnippering van gebied.

Soortenbescherming

De aanwezigheid van veel verschillende planten- en dierensoorten in voldoende aantallen, in ecologisch gezonde natuurgebieden, zorgen ervoor dat de natuur tegen een stootje kan. Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen, steenuilen en huismussen, zijn kwetsbaar. In een dichtbevolkt land als Nederland is daarom goede bescherming voor de aanwezige natuur belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, kunnen we economische en andere maatschappelijke activiteiten meer ruimte te bieden.

Via het onderdeel soortenbescherming in de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt de provincie plant- en diersoorten die in het wild voorkomen. Alle vogels en ruim 230 plant- en diersoorten vallen onder de bescherming van deze wet, met als doel de biodiversiteit te bevorderen. In de wet is een aantal verboden opgenomen. Het is bijvoorbeeld verboden om beschermde dieren opzettelijk te doden, te verstoren of te verjagen of om voortplantingsplaatsen en rustplaatsen te beschadigen en vernielen. In bepaalde situaties is het mogelijk deze verboden te overtreden, maar daarvoor is dan wel een vrijstelling of een ontheffing nodig.

Zorgplicht: Of dieren en planten nu beschermde soorten zijn of niet: de Wnb schrijft voor dat we nadelige gevolgen voor planten en dieren moeten voorkomen. We moeten dus zorgvuldig omgaan met onze omgeving. Deze zogenoemde zorgplicht geldt voor iedereen

Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS)

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Welke natuurgebieden vallen onder het Natuurnetwerk Nederland?

In het Natuurnetwerk Nederland liggen:

  • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
  • gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd;
  • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
  • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;
  • alle Natura 2000-gebieden.


Binnen de provincie Overijssel heeft de begrenzing van deze gebieden op perceelsniveau vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie. De bescherming is geregeld in de provinciale Omgevingsverordening Overijssel.

3.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie- en de daarbij behorende verordening Overijssel. Op 12 april 2017 zijn de nieuwe omgevingsvisie- en verordening door Provinciale Staten vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden.

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

Uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overijssel, Beken kleur

De Omgevingsvisie is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele belangrijke beleidskeuze waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:

  • goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst door een passend en flexibel aanbod van woonmilieus (typen woningen en woonomgeving) die voorzien in de vraag (kwantitatief en kwalitatief);
  • versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijke, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel. Dit door behoud en versterking van leefbaarheid en diversiteit van het landelijk gebied, stedelijke netwerken versterken, behoud en versterken van cultureel erfgoed als drager van identiteit.
  • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan;
  • beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur door multifunctioneel en complementair ruimtegebruik (zowel boven- als ondergronds), hergebruik en herbestemming van vrijkomend vastgoed (in stedelijk en landelijk gebied) en het concentreren van ontwikkelingen rond bestaande infrastructuurknooppunten;
  • ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.

De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan.

Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.

 

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • 1. Generieke beleidskeuzes.
  • 2. Ontwikkelingsperspectieven.
  • 3. Gebiedskenmerken

  • 1. Generieke beleidskeuzes

Maatschappelijke opgaven zijn leidend in ons handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoren locaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen.

In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.

Gebiedsspecifieke beleidskeuzes

Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende belangen. Het gaat dan bijvoorbeeld om:

  • Het beschermen tegen overstromingen en wateroverlast
  • Het veilig stellen van ons drinkwater
  • Het behoud van plant- en diersoorten (biodiversiteit)
  • De bescherming van zeldzame of unieke landschapskwaliteiten
  • Het beperken van risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen

Het plangebied bevindt zich niet binnen de gebieden waar gebiedsspecifieke beleidskeuzes gelden. De generieke beleidskeuzes worden opgevolgd.

  • 2. Ontwikkelingsperspectieven

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voordat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.

Het plangebied ligt binnen het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschapsluit' maar sluit aan bij het ontwikkelingsperspectief 'Woon - en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

De voorgenomen ontwikkeling betreft woningbouw, die aansluit op de bestaande woningbouw vanaf 1955 tot nu aan de Burgemeester Backxlaan. Hiermee wordt een meer gesloten woningbouw gerealiseerd. Daarnaast vindt woningbouw plaats, die voorziet in de lokale behoefte aan wonen.

  • 3. Gebiedskenmerken

Tenslotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.

De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarische cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Ze zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.

Natuurlijke laag

Op het plangebied is de natuurlijke laag "hoogveengebieden" van toepassing. Het is de ambitie om de hoogveenrestanten in stand te houden en op plekken het hoogveen opnieuw tot groei te brengen.

Laag van het agrarische cultuurlandschap

Het plangebied ligt binnen het landschapstype "Veenkoloniaal landschap". De ambitie is de aantrekkelijkheid, de leefbaarheid en kwaliteit van de veenkoloniale landschappen te versterken. De opgave is aan de grote maat, de vergezichten en de schoonheid van de moderne landbouw, nieuwe, op leefbaarheid en economische veerkracht gerichte, ontwikkelingen te koppelen. Daarmee kan tevens het contrast tussen de grote open ruimtes en verdichte zones (linten en kanaaldorpen) worden versterkt.

Stedelijke laag

De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dopen en de landelijke wegen en paden. De ligging van een stad of dorp in het landschap, op een kruispunt van infrastructuur of in de nabijheid van grondstoffen speelt een belangrijke rol in het functioneren ervan. Efficiëntie en bereikbaarheid zijn belangrijke vestigingsfactoren, mar de kwaliteit, eigenheid en het onderscheidend vermogen van de regio is ook steeds belangrijker. De stedelijke leefwijze en cultuur waaiert meer en meer uit over het agrarisch cultuurlandschap. Burgers op getransformeerde boerenerven houden er een stedelijke leefwijze op na; weinig (economische) binding met grond en landschap, genietend van de onafhankelijkheid op eigen erf. De ruimtelijke kwaliteitsambitie is om een brede waaier aan woon-, werk-, en mixmilieus te creëren: elk buurtschap, dorp en stad heeft zijn eigen kleur. Daarnaast ligt er de ambitie om het contrast tussen dynamische en luwe gebieden te versterken door het infrastructuurnetwerk.

Het plangebied wordt omringd door "Woonwijken 1955 tot nu" . Normen worden hier niet voorgeschreven. Wel wordt als richting aangegeven dat nieuwe bebouwing zich voegt in de aard, maat en karakter van het grotere geheel.

Laag van de beleving

Het plangebied ligt binnen het gedeelte dat wordt aangeduid als "Donkerte". Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de ‘lichte’ gebieden.

Conclusie
Het perceel heeft altijd een agrarisch gebruik gehad. De heeft vooral een waarde vanuit het agrarisch landschap. Verdichting door woningbouw wordt vanuit de stedelijke laag als mogelijkheid gegeven. De nieuwe bebouwing zal zich naar de aard, maat en karakter voegen naar de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskeuzes en uitgangspunten van de provincie Overijssel welke zijn vertaald in de omgevingsvisie.

3.2.2 Omgevingsverordening

De uitgangspunten uit de omgevingsvisie zijn vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen in de Omgevingsverordening Overijssel. Het plan is in overeenstemming met de regels uit de verordening.

3.2.3 Prestatieafspraken

Provincie en gemeenten maken prestatieafspraak

De provincie geeft samen met gemeenten invulling en uitvoering aan het woonbeleid in Overijssel. De hoofdlijnen van het provinciale woonbeleid zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie maakt daarnaast met elke gemeente afspraken over de (kwalitatieve) woningbouwopgave. Deze betreffen zowel nieuwbouw, bestaande woningbouw en herstructurering. Met de afspraken werken provincie en gemeenten samen aan de hoofddoelstelling van het Overijssels woonbeleid: Voldoende woningen voor iedereen in de juiste kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu.


Prestatieafspraak gemeente Dalfsen

De gemeente Dalfsen heeft prestatieafspraken gemaakt. De provincie staat toe dat de komende 10 jaar (2016-2026) 1.022 woningen aan de voorraad worden toegevoegd. Dat zijn voor de periode van deze woonvisie gemiddeld 120 woningen per jaar. De concretisering van de woonvisie vindt - wat de sociale huisvesting betreft - plaats in de nieuwe prestatieafspraken die de gemeente maakt met de woningcorporaties en de huurdersorganisaties.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Missie/visie gemeente Dalfsen 2020

Behouden van het goede door herkenbaar profiel

In 2009 is het strategisch document Missie/visie gemeente Dalfsen 2020 "Bij uitstek Dalfsen" opgesteld. Het document bevat de strategische koers van de gemeente Dalfsen voor de periode tot 2020. Het behouden van al het goede dat Dalfsen te bieden heeft, is de komende jaren de belangrijkste opgave voor de gemeente, maatschappelijke partners, ondernemers en bewoners. Om dit te bereiken moet de gemeente een herkenbaar en onderscheidend profiel ontwikkelen. Dit profiel is verwoord in de toekomstvisie Missie/visie gemeente Dalfsen 2020 "Bij uitstek Dalfsen". De centrale missie van de gemeente Dalfsen is: "Het ontwikkelen van vitale gemeenschappen in een onderscheidende woonplaats van groene signatuur".


Een van de projecten die voortvloeit uit het strategisch document is het maken van een ruimtelijke structuurvisie. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op deze structuurvisie.

3.3.2 Structuurvisie

De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) verplicht de gemeente om ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, één of meerdere structuurvisies vast te stellen. De Structuurvisie Kernen gemeente Dalfsen is in september 2010 vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de ruimtelijke plannen voor de toekomst opgenomen. In het bijzonder voor woningbouw en bedrijventerreinen, maar ook voor recreatie en toerisme. De structuurvisie heeft een looptijd van 10 jaar en zal de komende jaren de basis vormen voor bestemmingsplannen die de gemeente maakt, maar ook voor investeringsbeslissingen, bijvoorbeeld op het gebied van bouwen en wonen. Omdat ruimtelijke ontwikkelingen zich niet beperken tot een periode van 10 jaar, is ook gekozen voor een doorkijk tot 2025.

Het plangebied wordt omringt door verschillende functies op basis van de visiekaart van de Structuurvisie Kernen gemeente Dalfsen. Dit is op de volgende afbeelding te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0006.png"

Afbeelding: Uitsnede structuurvisiekaart

Het plangebied ligt hoofdzakelijk binnen het gedeelte waar in de toekomst maatschappelijke dienstverlening is gedacht. Door verschillende ontwikkelingen is besloten om op deze locatie te kiezen voor een andere invulling, namelijk woningbouw. Hierop is dieper ingegaan in paragraaf 3.1.4. De ontwikkeling heeft echter nog altijd een maatschappelijk karakter. De woningen zullen namelijk met name bedoelt zijn voor ouderen.

Toekomstvisie 2025

De berekening van de woningbehoefte voor de periode van deze structuurvisie is opgenomen in Bijlage 2 van deze structuurvisie. De conclusies voor de kern Nieuwleusen zijn de volgende:

Inclusief vervangende woningbouw is voor Nieuwleusen een woningbehoefte berekend van 850 woningen (bruto programma) in de periode van 2010 tot 2025. Conform de meest recente prestatieafspraken met de provincie Overijssel (2010 tot 2015) zal voor de periode 2010-2015 de woningbouw voor 70% gerealiseerd gaan worden in uitleggebieden en 30% als stedelijke vernieuwing. Na realisering van deze inbreiding zijn de mogelijkheden voor inbreiding binnen de kern beperkt. Een verdergaande inbreiding doet afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit van een kern als Nieuwleusen. Daarom wordt voor de periode van 2015 tot 2025 uitgegaan van een verdeling van nieuwbouw van 10% in inbreidingslocaties en 90% in uitleggebied.

De verdeling wordt dan: 700 woningen in uitleggebieden en 150 woningen als stedelijke vernieuwing. Laatstgenoemde wordt nu als eerste uitgewerkt. Daarna wordt ingegaan op de uitleggebieden.

Stedelijke vernieuwing / Bestaand woongebied

Het beleid voor de toekomst van het bestaande woongebied van Nieuwleusen kenmerkt zich door het handhaven van de verschillende karakteristieken van het noordelijke en zuidelijke deel aangezien deze de kwaliteit bepalen van de verschillende delen.

Plaatselijk is herstructurering gepland. Bepalend bij de herstructurering van deze gebieden zijn het handhaven van de kwalitatief waardevolle stedenbouwkundig ruimtelijke structuur en de bestaande groenelementen, waardoor vervanging in principe zal plaatsvinden binnen het bestaande stedenbouwkundig raster. Dit sluit aan bij de ambities uit de Omgevingsvisie voor gebiedskenmerk 'Woonwijken 1955 – nu'. Hiervoor wordt als richting voor nieuwe ontwikkelingen aangegeven dat deze zich voegt in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.

Op bijgevoegde kaart zijn de locaties die voor sloop/vervangende nieuwbouw in aanmerking komen in de planperiode 2010-2015 aangeduid. Onderstaande tabel geeft het aantal woningen aan, die in betreffende gebied wordt voorzien binnen de planperiode 2010-2015.

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0007.jpg"

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er op 1 januari 2010 nog een restcapaciteit voor inbreiding in diverse plannen aanwezig is van 72 woningen, zodat er nog ruimte gezocht moet worden voor 78 woningen (150 minus 72). Op dit moment zijn of worden alle mogelijkheden voor inbreiding in de kern benut. Dit betekent dat alleen nieuwe inbreidingslocaties beschikbaar komen als er sprake is van verplaatsing van functies. Immers de nog bestaande open groene plekken in de kern dienen te worden gehandhaafd om de ruimtelijke kwaliteit van het dorp te behouden.

Op dit moment is het daarom niet aan te geven waar deze inbreiding in Nieuwleusen kan plaatsvinden.

Naast de voorgaande aantallen moet ook nog rekening worden gehouden met de extra toename met 30 woningen, die zijn gereserveerd voor bijzondere doelgroepen (plan Hulstkampen).

Uitleggebieden/ Toekomstig woongebied

De toekomstige woningbouw voor Nieuwleusen vindt in de eerste jaren plaats aan de westzijde van de kern, direct aan de noordzijde van de huidige nieuwbouwlocatie Westerbouwlanden. Op 1 januari 2010 is er nog een restcapaciteit in Westerbouwlanden (Noord) van 1 + 415 = 416 woningen, zodat er nog ruimte moet worden gereserveerd voor 284 woningen (700 minus 416). Hiervoor is circa 19 hectare nodig.

Op het moment dat Westerbouwlanden Noord volgebouwd is, wordt de overstap gemaakt naar de oostzijde van de kern.

Vanuit de Omgevingsvisie worden beide ontwikkelingsgebieden aangemerkt met het gebiedskenmerk "Veenkoloniaal landschap". Als hier ontwikkelingen plaatsvinden dan dienen deze bij te dragen aan behoud en versterking van bijzondere architectuur, de linten door het landschap en de open ruimtes. Bestaande stelsels van waterlopen, wegen en bebouwingslinten blijft of wordt weer gezichtsbepalend.

Bij het bouwen binnen bestaande lintbebouwing dient de identiteit van een lint behouden te blijven. Dit houdt in dat voldoende voor lintbebouwing kenmerkende open stukken behouden blijven.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de Structuurvisie Kernen gemeente Dalfsen.

3.3.3 Welstandsnota

De gemeente Dalfsen heeft in 2004 voor haar grondgebied een Welstandsnota opgesteld. In de kernen (bebouwde kommen) van de gemeente Dalfsen heeft het ruimtelijk beleid vastgelegd in bestemmingsplannen, met name een conserverende en beherende insteek. In de bestemmingsplannen voor de verschillende kernen wordt vermeld dat de stedenbouwkundige karakteristiek van de bebouwing niet mag worden aangetast of dat de uiterlijke kenmerken van de woonsfeer van het betreffende perceel zoveel mogelijk gehandhaafd dienen te blijven.

Het plangebied ligt volgens de Welstandsnota in het gebied dat wordt aangeduid als "Bebouwingslinten". In de welstandsnota staat aangegeven dat de Burgemeester Backxlaan voornamelijk bestaat uit (half )-vrijstaande woningen (herenhuizen en villa’s), met daarnaast een enkele (voormalige) boerderij, strookbebouwing of appartementengebouwen. Het lint kenmerkt zich door een ‘ritmisch’ straatbeeld met doorzichten.

In het kader van dit bestemmingsplan is er een Beeldkwaliteitsplan opgesteld specifiek voor het plangebied. Dit beeldkwaliteitsplan is opgenomen als Bijlage 3 en dient als uitgangspunt bij de uiteindelijke architectonische invulling van het plangebied.

Conclusie

Voor de voorgenomen ontwikkeling is een Beeldkwaliteitsplan opgesteld. De ontwikkeling past daarmee binnen de Welstandsnota van de gemeente Dalfsen.

3.3.4 Woonvisie 2016-2020

Algemeen

De Woonvisie 2016-2020 geeft een overzicht van vraag en aanbod op de woningmarkt van de gemeente Dalfsen en vormt het afstemmingsdocument voor overleg met buurgemeenten. Deze woonvisie heeft hetzelfde hoofddoel als de huidige en vorige woonvisie:

  • Voorzien in de lokale woonbehoefte.
  • Bevorderen van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat.


Of in één zin samengevat: "Ervoor zorgen dat alle inwoners van de gemeente Dalfsen prettig wonen".


In deze geactualiseerde woonvisie is voor een beperkt aantal thema's en maatregelen gekozen. Op die manier is de focus bij de belangrijkste opgaven gelegd. Daarmee is de woonvisie vooral een visiedocument in plaats van een uitvoeringsplan. De thema's zijn, betaalbaarheid, bestaande woningvoorraad, nieuwbouw, wonen en zorg en doelgroepen. Verder is aangegeven dat alle instrumenten en maatregelen die worden ingezet op de vijf thema's de leefbaarheid moeten bevorderen, duurzaam moeten zijn, waarbij initiatieven vanuit de samenleving zoveel mogelijk worden ondersteund.

Prestatieafspraken

De provincie staat toe dat de komende 10 jaar (2016-2026) 1.022 woningen aan de voorraad van de gemeente Dalfsen worden toegevoegd. Dat zijn voor de periode van deze woonvisie gemiddeld 120 woningen per jaar. De concretisering van de woonvisie vindt - wat de sociale huisvesting betreft - plaats in de nieuwe prestatieafspraken die de gemeente maakt met de woningcorporaties en de huurdersorganisaties.

Inbreiding en herstructurering

Kansen voor de invulling van de nieuwbouwambitie liggen er in de eerste plaats door benutting van inbreidings- en herstructureringslocaties en transformatie van bebouwing. Belangrijke randvoorwaarde hierbij is dat de invulling een verbetering oplevert van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Groene locaties in bestaand gebied blijven zoveel mogelijk behouden. Concrete inbreidings- en herstructureringsplannen voor de periode 2016- 2020 zijn opgenomen. Andere mogelijk voor herstructurering in aanmerking komende locaties zijn opgenomen in de Structuurvisie Kernen gemeente Dalfsen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de Woonvisie 2016-2020.

3.3.5 Duurzaamheid

Algemeen

De gemeente Dalfsen zet in op een "duurzaam Dalfsen", met als doelstelling een CO²-neutrale gemeente in 2025.

Duurzaamheid betekent letterlijk: geschikt om lang te bestaan.

Het begrip wordt ook wel omschreven als een situatie waarbij voorzien wordt in de behoefte van de huidige generatie zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.

Er zijn drie verschijningsvormen van duurzaamheid te onderscheiden:

  • 1. ecologische duurzaamheid als het gaat om ecologische waarden;
  • 2. economische duurzaamheid als het gaat om een zo efficiënt mogelijke productie en;
  • 3. sociale duurzaamheid als het gaat om de leefkwaliteit van de mens. Hiermee worden zaken als sociale veiligheid en een schone woonomgeving bedoeld.

Voor ruimtelijke maatregelen in de vorm van bestemmingsplannen, projectbesluiten en vrijstellingen zijn in beginsel alle drie verschijningsvormen van duurzaamheid relevant. De uiteindelijke keuze is een ruimtelijke afweging die op basis van bestuurlijke afwegingen wordt bepaald.

Speerpunten

De gemeente Dalfsen heeft een convenant afgesloten met de provincie Overijssel. In dit convenant is een aantal overwegingen en uitgangspunten benoemd. De provincie Overijssel en de gemeente Dalfsen willen de duurzaamheidsgedachte uitdragen in de samenleving. De ambitie van de provincie Overijssel is gericht op een groene, duurzaam schone provincie. "Duurzaamheid" is met "ruimtelijke kwaliteit" de groene draad in de provinciale omgevingsvisie.

De speerpunten die worden genoemd "Investeren in duurzaam Overijssel" sluiten naadloos aan bij de gemeentelijke doelstellingen. Het gaat daarbij met name om de volgende speerpunten:

  • energie en klimaat;
  • veilige en gezonde leefomgeving;
  • duurzaam ondernemen;
  • biodiversiteit en integrale gebied- en plattelandsontwikkeling;
  • innoveren in duurzaamheid;
  • voorlichting en educatie.

In de onderbouwing van ruimtelijke plannen zal aan de uitgangspunten uit dit convenant aandacht worden besteed, voor zover dat ruimtelijk relevant is voor dat bestemmingsplan. In de plantoelichting zullen de mogelijkheden volgens de genoemde drie verschijningsvormen van duurzaamheid worden benoemd om de duurzaamheidsgedachte uit te dragen. De nadruk wordt gelegd op energiezuinig bouwen.

In dit plan is hiermee rekening gehouden door een inbreidings-/herstructureringslocatie te benutten. Groene locaties blijven op die manier zoveel mogelijk behouden. Daarnaast worden de nieuwe woningen gasloos gebouwd.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de de ambities ten aanzien van duurzaamheid van de gemeente.

Hoofdstuk 4 Onderzoek

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan.

Archeologie

Het plangebied bevindt zich volgens de archeologische beleidsadvieskaart in Archeologisch onderzoeksgebied in een groot gebied, waarbij er sprake is van een lage verwachtingswaarde. Op grond van deze constatering kan archeologisch onderzoek verder achterwege blijven.

Cultuurhistorie

Het is verplicht om in het bestemmingsplan aandacht te schenken aan de cultuurhistorische waarden in het plangebied. Het kan nodig zijn om cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan te beschermen. Hieronder vallen bijvoorbeeld monumenten, karakteristieke panden, maar ook cultuurhistorisch waardevolle landschappen. Het plangebied is niet aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig.

Conclusie

Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

Uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet bij nieuwe ontwikkelingen worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen voor gevoelige functies als wonen. Daarnaast dient te worden bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (de 'omgekeerde werking').

Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid aansluiting te zoeken bij de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom kan deze publicatie worden gebruikt voor het op verantwoorde wijze inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving. De VNG-handreiking geeft op systematische wijze informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op gemeentelijk niveau op elkaar af te stemmen.

In de publicatie zijn richtafstanden gegeven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De afstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd, dan kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Van plangebied naar omgeving

Binnen het plangebied worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Het gaat hierbij enkel om woningbouw. Vanuit het plangebied naar de omgeving zijn daarom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Van omgeving naar plangebied

Een woning wordt beschouwd als een milieugevoelige functie. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal bedrijven gevestigd. Een aantal bedrijven in de directe omgeving zijn omringd door woningen. Echter er vinden geen milieubelastende activiteiten plaats, waarmee rekening moet worden gehouden bij de voorgenomen ontwikkeling. Uitzondering hierop vormt het tankstation op het perceel Burgemeester Backxlaan 204. Hierbij is sprake van een Bevi-inrichting. Op dit aspect zal worden ingegaan bij het onderdeel Externe veiligheid, paragraaf 4.6.

Conclusie

Omliggende bedrijven en milieuzonering leveren geen belemmeringen op voor het plan.

4.3 Besluit m.e.r.

Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Er zijn drie onafhankelijke sporen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht:

  • a. Uit toetsing aan de hand van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) blijkt dat het plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planMER-plichtig, besluitm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelings- plichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor (bestemmings)plannen dient te worden getoetst aan de activiteiten en drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r.. In het geval de activiteit genoemd wordt in onderdeel D, maar die onder de drempelwaarden vallen, dan is een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' nodig. Bij de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kenmerk potentieel effect). Indien belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten, dan is niet alsnog een (plan)m.e.r. (-beoordeling) op grond van het Besluit m.e.r. noodzakelijk.
  • b. In het geval van een (bestemmings)plan: indien een 'passende beoordeling' op grond van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de in het plan opgenomen activiteiten. Een passende beoordeling is verplicht indien significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten;
  • c. Wanneer Provinciale Staten in haar provinciale milieuverordening activiteiten hebben aangewezen, aanvullend op de activiteiten in het Besluit m.e.r., die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht.

Toets MER-plicht

Het bestemmingsplan biedt een juridische-planologische regeling voor de realisatie van maximaal 22 appartementen en circa 20 grondgebonden woningen. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt (wonen) valt onder categorie 'D 11.2 uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 200 hectare of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer). Dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen. In de volgende paragraaf is de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' behandeld. De afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden "Olde Maten & Veerslootslanden" en Uiterwaarden "Zwarte Water en Vecht", is circa 11 kilometer. Gelet op de soort activiteit (wonen), de huidige bestemming en de afstand tot aan het Natura 2000-gebied, is geoordeeld dat is uit te sluiten dat er significante negatieve effecten optreden op het Natura 2000-gebied. Dit betekent dat er geen 'passende beoordeling' op grond van de Wet Natuurbescherming voor dit plan verplicht is en er derhalve, via dit spoor, ook geen sprake is van een planMER-plicht.

De Provinciale Staten van Overijssel hebben momenteel geen activiteiten aangewezen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Derhalve is er via dit spoor ook geen sprake van een planMER-plicht voor dit bestemmingsplan.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Dit is het geval bij het voorliggend bestemmingsplan. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kenmerk potentieel effect).

Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten is geoordeeld dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling is het relevant om te melden dat het plangebied niet in een Belvedere-gebied, een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied ligt.

Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.-procedure noodzakelijk op grond van het Besluit m.e.r.

Conclusie

Dit bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die grote nadelige gevolgen hebben voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure is dan ook niet verplicht. Er is daarom geen MER opgesteld.

4.4 Bodem

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.

Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s).


Naar aanleiding van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en ontwikkeling van nieuwbouw is in het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 4.


Samengevat luidt de conclusie van dit onderzoek dat er op basis van de onderzoeksresultaten er, milieutechnisch gezien, geen belemmeringen voor de voorgenomen planontwikkeling.


In de periode tussen 2006 en nu is het plangebied slechts in gebruik geweest als agrarisch land. De grond is niet gebruikt voor activiteiten die de bodem zouden kunnen verontreinigen. Daarmee is te veronderstellen dat de staat van de bodem hetzelfde is als in 2006. De conclusie dat er milieutechnisch gezien geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en ontwikkeling van nieuwbouw blijft daarmee overeind.

Conclusie

Het aspect bodem levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De nieuwe Wet natuurbescherming heeft per 1 januari 2017 de Boswet, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. Taken en verantwoordelijkheden voor bescherming van natuur worden zoveel mogelijk bij provincies neergelegd, overeenkomstig het uitgangspunt 'decentraal tenzij'. De grootste veranderingen treden op bij de soortenbescherming. Zo vervalt de beschermingsstatus van een groot aantal planten en van soorten als Kleine modderkruiper en Bittervoorn. Daarnaast krijgt een aantal bijzondere niet eerder beschermde libellen, dagvlinders, planten en één vissoort (Kwabaal) juist een beschermde status. Provincies krijgen meer bevoegdheid bij het benoemen van beschermde soorten. Bij gebiedsbescherming vervalt de status van Beschermde Natuurmonumenten. De bescherming van Natura 2000-gebieden verandert niet.


Uitgangspunt van de wetgeving is een integrale bescherming van de aangewezen natuurwaarden en -gebieden. Dit betekent dat in beginsel elke aantasting, die schadelijke gevolgen kan hebben voor het aangewezen waarden dient te worden gereguleerd. Dit kan worden omschreven als een algehele zorgplicht. Het is verboden om, zonder vergunning, projecten of andere handelingen te realiseren/verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op aangewezen waarden.

Algemeen

Door Eco Reest BV is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd ter plaatse van de Burgemeester Backxlaan te Nieuwleusen. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 5. Aanleiding tot het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van woningbouw met bijbehorende infrastructuur op de onderzoekslocatie. Doel van de quickscan Wet natuurbescherming is een beeld te krijgen van de aanwezige habitats en de voorkomende beschermde dier- en plantensoorten ter plaatse van het onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Nieuwleusen aan de Burgemeester Backxlaan. Het terrein bestaat uit (een tijdens het veldwerk) recent geploegde akker. In de noordwesthoek is sprake van een vangkooi voor vee. Op de scheiding van twee percelen is voorts sprake van een smal en onbewerkte groenstrook van minimaal een halve meter tot maximaal twee meter in breedte. Hier staan enkele kleine bomen (zomereik en ruwe berk). De locatie is geheel onverhard.


Soortenbescherming

Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten als beschreven in de Wet natuurbescherming aangetroffen. Daarnaast zijn er geen beschermde soorten of potentiële nest – of verblijfplaatsen voor beschermde soorten aangetroffen.

De te verwachten diersoorten zijn aangemerkt als vrijgestelde soorten of soorten die alleen onder de zorgplicht vallen waarvoor in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, onderhoud aan infrastructuur of ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt. Dit houdt in dat in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing noodzakelijk is voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden. Daarnaast worden populaties van vrijgestelde soorten niet in gevaar gebracht. Het zal voornamelijk gaan om verstoring van individuen.


Het voorkomen van bodembroedende vogelsoorten kan op voorhand niet uitgesloten worden. Alle in gebruik zijnde nesten zijn beschermd. Indien er geen ontwikkelingswerkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen (globaal van 1 maart t/m 1 september), of wanneer de werkzaamheden starten voor het broedseizoen en doorlopen tot in het broedseizoen, wordt er geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht wat betreft nestlocaties voor vogels. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen starten moet voorafgaand hieraan de locatie worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog. Indien bij de controle nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. Wij merken op dat te allen tijde de zorgplicht blijft gelden. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Deze zorg geldt voor alle individuen van in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend.

Gebiedsbescherming

De onderzoekslocatie is gelegen ten oosten van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden Olde Maten & Veerslootslanden en Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. De afstand tussen de onderzoekslocatie en dit Natura 2000-gebied bedraagt circa elf kilometer. Gelet op de afstand tot het gebied, de kernopgave van het gebied en de aard van de geplande ingreep is er geen onderzoek in het kader van gebiedsbescherming binnen de Wet natuurbescherming uitgevoerd.


Daarnaast is de locatie gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland. Daar er geen sprake is van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN is verder onderzoek naar invloeden op het NNN niet van toepassing.

Stikstof

In het kader van dit bestemmingsplan is een AERIUS-berekening uitgevoerd, deze berekening is opgenomen in Bijlage 1. Uit de AERIUS-berekeningen voor het beschouwde plan komt naar voren dat, zowel in de aanleg- als de gebruiksfase, géén sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (<0,00 mol/ha/jr). Het maken van een verschilberekening met de bestaande situatie is dan ook niet nodig.


De AERIUS-berekeningen zijn als losse bijlagen bij de notitie gevoegd:

  • Aanlegfase – kenmerk: Rzc9MncTbo9F (d.d. 4 mei 2020);
  • Gebruiksfase – kenmerk: RoTA1o2vAkJx (d.d. 1 mei 2020).


Het beoogde plan voor nieuwbouw heeft géén negatief effect als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Het stikstofaspect staat vaststelling van het plan in het kader van de Wet natuurbescherming daarmee niet in de weg. Voor de uitvoering van het plan geldt ten aanzien van het aspect stikstof in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunningplicht.

Conclusie:

Het aspect ecologie levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheidsvisie gemeente Dalfsen

In het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Dalfsen is uiteengezet op welke manier met het aspect externe veiligheid moet worden omgegaan in ruimtelijke plannen en in milieuvergunningen. In ruimtelijke zin is in het beleid onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen binnen de gemeente. Zo is er onderscheid gemaakt in woongebieden, bedrijventerreinen, recreatiegebieden en het overige gebied van de gemeente. Daarnaast is onderscheid gemaakt in bestaande en nieuwe situaties. In het kort komt het erop neer dat in woongebieden geen nieuwe risicobronnen worden geïntroduceerd en dat op bedrijventerreinen een nieuwe risicobron kan worden geïntroduceerd indien de veiligheidscontour binnen de eigen inrichtingsgrens blijft.

Aanvaardbaarheid groepsrisico ter beoordeling bestuur

Over het groepsrisico is in dit document aangegeven dat het bestuur van de gemeente hierin een belangrijke rol vervult. Het bestuur van de gemeente Dalfsen moet namelijk verantwoorden of een bepaalde situatie aanvaardbaar wordt geacht. Een beslissing op het wel of niet aanvaardbaar zijn van een bepaald risico is in de regel niet eenvoudig, vanwege de verschillende belangen die hierin spelen. Naast het veiligheidsbelang speelt vanzelfsprekend ook een economische belangenafweging.

In elke ruimtelijke onderbouwing in de bijlage is de risicozonering en beoordeling van de hierna genoemde risicobronnen opgenomen die in de gemeente Dalfsen aan de orde kunnen zijn.

Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking:

  • inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor.

Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de risicokaart weergegeven met daarop het plangebied en de betreffende risicobronnen (rood) weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0008.jpg"

Afbeelding: Uitsnede risicokaart

Inrichtingen

De risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daartoe zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) regels gesteld. Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient onderzocht te worden:

  • of voldoende afstand in acht worden genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico;
  • of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico.

Aanwezige risicobronnen:

  • Zwembad De Meule met chloorbleekloog en zwavelzuur;
  • LPG tankstation Oosterveen met opslag van gasflessen.


Hieronder wordt per risicobron eerst ingegaan op de plaatsgebonden risico’s en daarna op de groepsrisico.

Zwembad De Meule

Plaatsgebonden risico

Op meer dan 500 meter buiten het plangebied is zwembad De Meule aan de Burgemeester Backxlaan 115 gelegen. In het zwembad is 2500 kg chloorbleekloog en 1500 liter zwavelzuur opgeslagen. Zwembaden met zuur en loog opslag hebben geen PR 10-06 contour.

Groepsrisico
Volgens de gevarenkaart nr. 9 van de Leidraad risico inventarisatie 6.1 ligt de contour tot waar gewonden kunnen vallen door een calamiteit met chloorbleekloog op circa 983 meter. Het plangebied ligt op meer dan 500 meter van het zwembad. Gedeeltelijk valt deze laatste contour dus over het plangebied.


Verantwoording groepsrisico

Bij de verantwoording van het groepsrisico komen volgens artikel 12 van het Bevi de volgende onderwerpen aan bod: Bereikbaarheid, bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en risicocommunicatie.


De nieuwbouwlocatie ligt binnen de contour waar mensen door toxische wolk nog gewond kunnen raken. De Veiligheidsregio adviseert de omwonenden door middel van risicocommunicatie op de hoogte te brengen van de handelingsperspectieven en zelfredzaamheid.


Door het treffen van maatregelen kan de kans op gewonden ten gevolge van een toxische wolk worden teruggebracht. Te denken valt hierbij aan maatregelen in de vorm van:

Gezamenlijke voorbereiding op een eventuele calamiteit door middel van risicocommunicatie en/of een calamiteitenplan. Dit in samenwerking met de BHV’ers van de bedrijven, BHV’ers van de appartementencomplex, omwonenden en veiligheidsregio. Een andere maatregel dat de gevolgen zal beperken is tijdige alarmering. Daarnaast is het erg belangrijk om de nieuwe woningen en appartementen te voorzien van centraal afsluitbare ventilatie.

Gasflessenopslag Oosterveen en LPG tankstation


Plaatsgebonden risico

De gasflessen opslag (2499 gasflessen en 65000 liter) ligt op meer dan 40 meter van het plangebied. De PR 10-6 contour van het depot ligt volgens de risicokaart op 20 meter Indien de gasflessen volgens de vergunningseisen worden opgeslagen zijn de risico’s voor het plangebied relatief klein.


Het gasflessendepot ligt naast de opstelplaats van de LPG tankwagen en het vulpunt. Bij een brand in het gasflessendepot moet worden voorkomen dat de eventueel aanwezige LPG tankwagen kan worden aangestraald.


Voor de LPG tankstation geldt dat volgens de risicokaartprof de plaatsgebonden contour ligt op:

  • 15 meter van het afgiftepunt
  • 40 meter van het vulpunt
  • 25 meter van de ondergrondse tank.


Het plangebied ligt tussen de 60 en 160 meter van de tankwagen/vulpunt. Er wordt daarmee voldaan aan het plaatsgebonden risico.


Groepsrisico

De circulaire “effectafstanden LPG tankstations” is van toepassing. Daarbij geldt een effectafstand van 60 meter (fakkelbrand) en 160 meter (BLEVE).

De ontwikkeling ligt binnen het invloedgebied van 150 meter en effectgebied van 160 meter van het vulpunt. Op grond van artikel 13 van het BEVI dient er een berekening en verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

Verantwoording van het groepsrisico

In Bijlage 6 is een QRA berekening opgenomen.


Personendichtheid

De personendichtheid is berekend met de vereenvoudigde LPG rekentool. De berekening is als bijlage toegevoegd. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico wel gaat toenemen maar beneden de oriënterende waarde blijft. Die toename is ook wel te verwachten omdat er meer mensen in het invloedgebied komen te wonen.


De berekening is uitgevoerd met en zonder gebruik van een hitte werende coating op de tankwagen. Zelfs als er geen hitte werende coating op de tankwagen aanwezig is blijft het groepsrisico net beneden de oriënterende waarde.


Zelfredzaamheid

In het bestemmingsplan is rekening gehouden met het LPG tankstation. Zo is de veiligheidszone van het tankstation op de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - lpg' geldt dat een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare objecten moet worden tegengegaan en binnen deze cirkel worden dan ook geen woningen mogelijk gemaakt. Overeenkomstig het advies uit de Circulaire effectafstanden LPG tankstations worden er dus geen kwetsbare objecten toegestaan binnen een afstand van 60 meter van het vulpunt.

Verder bevinden er zich binnen een afstand van 160 meter van het vulpunt ook geen zeer kwetsbare objecten. Het appartementencomplex ligt namelijk buiten deze cirkel en dit appartementencomplex is bedoelt voor senioren. De grondgebonden woningen in het noorden liggen wel binnen deze cirkel, maar deze zijn niet specifiek bedoelt voor senioren. Daarom vallen deze woningen onder de groep 'beperkt kwetsbare objecten'. Daarvoor geldt een minimale afstand van 60 meter waaraan wordt voldaan.

Op de volgende afbeelding (uitsnede van het stedenbouwkundig plan) is ook goed te zien dat de geplande woningen buiten de twee hindercirkels liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0009.jpg"

Afbeelding: Uitsnede stedenbouwkundig plan met daarom de hindercirkels LPG weergegeven

Buiten deze afstand zijn (beperkt) kwetsbare personen binnen voldoende beschermd. De Veiligheidsregio IJsselland adviseert ook bovenstaande afstanden bij de genoemde type objecten aan te houden.


Het scenario (type ramp) waarmee rekening wordt gehouden is een warme BLEVE. Hierbij wordt een tankwagen door een andere bron (bijvoorbeeld een brand in het naastgelegen bedrijfspand) kunnen worden aangestraald. Door de warmtestraling zal de druk in de tank oplopen en gelijktijdig zal de constructie van de tank worden aangetast. Hierdoor kan een warme BLEVE ontstaan. Door de aanwezigheid van vuur/ brand/ hitte zal de tank bezwijken en de aanwezige opgewarmde LPG ontsteken. Dit resulteert in een grote vuurbal met hoge warmtestraling naar de omgeving. De effecten van een warme BLEVE zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking.


Bereikbaarheid

De dichtstbijzijnde brandweerkazerne bevindt zich aan het Westeinde 19B in Nieuwleusen. De verwachte opkomsttijd is circa 10 12 minuten. Alleen door een snelle opkomst en daarop volgende onmiddellijke inzet valt het BLEVE scenario te bestrijden.


Bestrijdbaarheid

De nadruk zal hierbij komen te liggen op het koelen van de tank en tijdig informeren van de omwonenden en aanwezigen in de directe omgeving.


Van belang hierbij is dat LPG tankwagen is voorzien van een hitte werende bekleding. Als de tankwagen is voorzien van intacte hitte werende bekleding zal naar verwachting de tankwagen pas na 75 minuten kunnen bezwijken. Indien de tank niet is voorzien van hitte werende bekleding zal de tank na circa 20 minuten kunnen bezwijken.


Risicocommunicatie

Bij de verdere ontwikkeling is het advies de bestaande omwonenden, maar ook de nieuwe bewoners te informeren over de risico’s van de diverse risicobronnen.


Buisleidingen

In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. De dichtstbijzijnde leiding betreft een aardgastransportleiding. Deze leiding ligt op een afstand van ongeveer 290 m. De veiligheidszone ligt op 5 m aan weerszijden van de transportleiding.


Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor

Het dichtstbijzijnde vervoer vind plaats over de weg. De weg, de N377 ligt op circa 550 meter afstand. Hierdoor speelt vervoer van gevaarlijke stoffen geen rol.


Conclusie verantwoording groepsrisico

Het gemeentebestuur is zich er van bewust dat zij verantwoordelijk is voor een goede afweging over de aanvaardbaarheid van het groepsrisico. Zij is van mening dat het groepsrisico voor dit plan aanvaardbaar is.


Bij de verantwoording worden naast de veiligheidsbelangen ook onder meer de economische belangen, de zelfredzaamheid van de aanwezige personen en de bereidbaarheid en bestrijdbaarheid door de hulpdiensten beoordeeld

4.7 Geluid

Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidshinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. In de wet is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft, waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. De Wgh onderscheidt geluidsgevoelige objecten enerzijds en niet-geluidsgevoelige objecten anderzijds. De Wgh stelt dat op de gevels van geluidsgevoelige objecten voldaan moet worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Voor de realisatie van de nieuwe woningen is akoestisch onderzoek verricht. De geluidsbelasting van de nieuwe woningen wordt getoetst aan de normen uit de Wet geluidhinder (Wgh). Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2.

Toetsing aan de Wet geluidhinder

De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Burgemeester Backxlaan, bedraagt 51 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB wordt niet overschreden.


Verlening hogere grenswaarden

Het doel van de Wgh is geluidhinder te voorkomen. Maatregelen om de voorkeursgrenswaarde te bereiken zijn bijvoorbeeld het toepassen van stil wegdek op de Burgemeester Backxlaan, het vergroten van de afstand tussen de woningen en de weg of het toepassen van dove gevels. Gezien de beperkte schaal van dit plan is het niet mogelijk of gewenst om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.


Op basis van de Wgh kan de gemeente Gemeente een hogere waarde verlenen afkomstig van de Burgemeester Backxlaan. De verlening van de hogere waarde vindt plaats in een aparte hogere waarde-procedure gelijktijdig met de ruimtelijke procedure. De te verlenen hogere waarden zijn weergegeven in de onderstaande tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0010.jpg"

Tabel: Te verlenen hogere grenswaarden


Eindconclusie Wgh

De woningen kunnen na de verlening van hogere waarden worden gerealiseerd.

Toetsing aan het Bouwbesluit 2012

Op grond van het Bouwbesluit 2012 dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai gegarandeerd te worden. Volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB.


De hoogste cumulatieve geluidsbelastingen en de minimaal benodigde gevelwering per nieuwe woning zijn weergegeven in de onderstaande tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0011.jpg"

Tabel: Cumulatieve geluidsbelastingen en de minimaal benodigde gevelwering

Ter indicatie: volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. In een aanvullend bouwakoestisch onderzoek moet worden onderzocht of aanvullende gevelmaatregelen nodig zijn om de binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit 2012 te halen.

Conclusie

Het aspect geluid levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Kabels en leidingen

In of bij het plangebied zijn geen kabels of leidingen op bestemmingsplanniveau gelegen die een risico vormen voor de veiligheid.

Conclusie

Vanuit het aspect kabels en leidingen zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen.

Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien:

  • a. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde, of
  • b. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of
  • c. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen of
  • d. het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (in werking getreden per 01-08-2009).

Ruimtelijk-economische besluiten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht van stoffen waarvoor bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde bevat, worden niet individueel getoetst aan die grenswaarden. De effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit worden verdisconteerd in de trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, zoals beschreven in het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL).

Bij besluitvorming is het dus van belang om te bepalen of een initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Vooralsnog geldt dat:

  • voor woningbouwlocaties met minder dan 1.500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) of 3.000 woningen (in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden;
  • voor infrastructuur dat bij minder dan 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie) ook geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden;
  • voor kantoorlocaties is dat bij minder dan 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, of 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen

De voorgenomen ontwikkeling betreft een woningbouwlocatie met minder dan 1.500 woningen en valt hiermee onder het begrip 'niet in betekenende mate'. Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan achterwege blijven.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Parkeren

De mate van verstedelijking van Nieuwleusen is volgens de CBS-indeling "niet stedelijk". In het plangebied mag tot maximaal 22 appartementen en 20 woning worden gebouwd worden. De parkeernorm van de gemeente Dalfsen in vastgelegd in de 'Kadernota Parkeernormen' waar de normen uit deze nota in navolgende schema zijn weergeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.NKernen2016hz14-Vs01_0012.jpg"

Er zal dus voldaan moeten worden aan de parkeernormen van de gemeente Dalfsen. In het plangebied is voldoende ruimte gereserveerd om het benodigde aantal parkeerplaatsen aan te leggen.

Conclusie

Vanuit het aspect parkeren zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11 Water

Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden toegepast. Dit houdt in dat alle ruimtelijke plannen een waterparagraaf moeten bevatten. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is om waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het kader van de watertoets is vanaf 1 november 2003 wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

Watertoets

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te 'toetsen op water', de zogenaamde Watertoets. De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. De digitalie watertoets en het advies van het waterschap Drents- Overijsselse Delta is opgenomen in Bijlage 10. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast.

Uitganspuntennotitie

Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft een uitgangspuntennotitie opgesteld. In dit bestemmingsplan moet rekening gehouden worden met deze uitgangspunten. Daarom zijn de uitgangspunten verwerkt in een waterhuishoudkundig plan

Waterhuishoudkundig plan

Het waterhuishoudkundig plan is opgenomen in Bijlage 9. De waterparagraaf (hoofdstuk 5) uit dit plan is opgenomen in deze paragraaf.

Invloed op waterhuishouding

De aan te leggen wegen, parkeerplaatsen en bebouwing zorgen voor een toekomstig netto verhard oppervlak van circa 9.934 m². Om het plangebied robuust in te richten is een wadi ontworpen met bodemoppervlak van 2.115 m², een talud van 1:4 en een diepte van 0,50 m inclusief 0,10 m waakhoogte. De wadi heeft een verlaagde drempel aan de zijde van de greppel langs de Burgemeester Backxlaan en kan zo vrij overstorten. In de wadi is ruimte voor circa 935 m3 waterberging.


Voorkeursbeleid hemel- en afvalwater

In de toekomstige situatie zal het regenwater vertraagd worden afgevoerd volgens de trits ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. Dit betekent dat de voorkeur uit gaat naar een bovengrondse afvoer (al dan niet in combinatie met een wadi). De gemeente hanteert de stelregel dat regenwater zichtbaar afgevoerd wordt naar het oppervlaktewater of een wadi. Voor alle kavels geldt dat minimaal 20 mm neerslag per m2 op eigen terrein geborgen moet worden. Na berging op eigen terrein moet het overige regenwater van panden en terreinverhardingen bovengronds worden aangeboden op het openbaar gebied.

Afvalwater van de woningen wordt aangesloten op het rioleringsstelsel in de te verlengen Wieken.


Wateroverlast

Wateroverlast wordt voorkomen door de inrichting van het plangebied af te stemmen op de (geo)hydrologische situatie binnen het plangebied. De GHG in het plangebied is vastgesteld op NAP+1,95 m. Om aan de ontwaterings- en droogleggingseis te voldoen en (grond)wateroverlast te voorkomen dient het plangebied aangelegd te worden op een hoogte van minimaal NAP+2,90 m. Bebouwing dient boven de weg aangelegd te worden zodat regenwater altijd onbelemmerd naar een punt kan stromen waar het niet tot overlast leidt. Dit leidt tot een vloerpeil van NAP+3,20 m.


Beschermingszone

Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een A-watergang. De functie van deze watergang moet te allen tijde worden gegarandeerd. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd bij WDOD.

Overstromingsrisico

Het plangebied ligt binnen dijkring 9. Volgens risicokaart.nl ligt het plangebied niet in een overstromingsgebied waardoor een overstromingsrisicoparagraaf voor dit plan niet noodzakelijk is.


Beheer en onderhoud

Wadi’s dienen regelmatig te worden gemaaid voor het behoud van een gezonde grasmat. Daarnaast is het zeker in de herfst noodzakelijk om regelmatig bladafval uit de wadi’s te verwijderen om verstopping van de slokop en een slechte grasmat te voorkomen.

Conclusie

Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels

5.1 Algemeen

In dit hoofdstuk worden de, van het bestemmingsplan deel uitmakende, regels voor zover nodig van een nadere toelichting voorzien.

De regels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd kan of mag worden. Bij de opzet van de regels is getracht het aantal zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen, wat werkelijk noodzakelijk is.

De bij dit plan behorende regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:

  • Hoofdstuk 1 Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels;
  • Hoofdstuk 3 Algemene regels;
  • Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

5.2 Nadere toelichting op de regels

De groenbestemming

Dit is de bestemming voor groenvoorzieningen. Daarnaast zijn binnen deze bestemming fiets- en voetpaden, speelvoorzieningen, parkeerstroken, water, vijvers, steigers en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Hier mogen geen gebouwen worden gebouwd.

De tuinbestemming

Dit is de bestemming voor de gronden rondom de woningen, die niet als erf mogen worden gebruikt. Hier mogen dus geen gebouwen worden gebouwd

De verkeersbestemming

Binnen deze bestemming is de wijkontsluiting geregeld. Ook zijn er regels voor de bouw van andere bouwwerken, zoals lantarenpalen, geregeld.

De waterbestemming

Dit is de bestemming voor de gronden bedoeld als water.

De woonbestemming

Het plan kent primair de woonbestemming. De woningen mogen naast het primaire gebruik voor wonen, worden gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep. Hiervoor is een definitie gegeven.

De woon (woongebouw) bestemming

In het plan komt de bestemming 'Wonen - Woongebouw' voor. Deze bestemming is bedoelt voor wonen in een woongebouw.

Algemene regels

In deze artikelen worden de aanduidingen opgenomen die voor meerdere bestemmingen gelden. In de algemene afwijkingsregels zijn een aantal regels opgenomen om het mogelijk te maken dat het plan op ondergeschikte punten wordt aangepast. Omdat een en ander zich niet beperkt tot één bestemming maar bij diverse bestemmingen gewenst of noodzakelijk kan blijken, zijn deze regels in beginsel op alle bestemmingen van toepassing. Het verlenen van een omgevingsvergunning mag geen automatisme zijn. Het bevoegd gezag zal het verlenen van die vergunning zorgvuldig moeten afwegen en motiveren.

Voor het plangebied is de algemene gebiedsaanduiding "veiligheidszone lpg". Deze aanduiding stelt regels aan het bouwen en gebruiken van de hoofdbestemmingen die op de gronden van toepassing zijn.

Voor de overgangsregels geldt het Besluit ruimtelijke ordening. Bebouwing die niet voldoet aan de bepalingen van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing wordt mogelijk gemaakt.

Het gebruik van gronden en opstallen dat in strijd is met dit bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot.

Indien het strijdig gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is gesteld dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan/wijzigingsplan onderzoek moet worden uitgevoerd naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. In de Wet ruimtelijke ordening is opgenomen dat een gemeente de gemaakte kosten op een particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar tot ontwikkeling van een bouwplan overgaat. Daarnaast kan de gemeente eisen stellen met betrekking tot de te ontwikkelen locatie, zoals kwaliteitseisen van het openbaar gebied of eisen met betrekking tot woningbouwcategorieën (particulier opdrachtgeverschap en sociale woningbouw). De kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van dit besluit en de bouw, ontsluiting en aansluiting van de woningen zijn voor rekening van initiatiefnemer. Dit geldt eveneens voor eventuele verzoeken voor planschade.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader heeft de gemeente onderzocht of er mogelijk belangen van derden worden geschaad. Ook heeft er vooroverleg met de betrokken overheidsinstanties plaatsgevonden.

Inspraak

Er is een inloopbijeenkomst georganiseerd waar buurtbewoners de voorgenomen plannen konden inzien. Een verslag van deze bijeenkomt is opgenomen in Bijlage 8.

Overleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet in het kader van het overleg als bedoeld in art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening overleg worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan is aan de daartoe aangewezen instanties toegezonden.

Ontwerp

Het voorliggende plan "14e herziening Chw bestemmingsplan Kernen gemeente Dalfsen, woningbouw noordzijde Wieken" is conform artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening voorbereid met de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat er gedurende de periode van 6 weken gelegenheid is gegeven tot het indienen van zienswijzen.

28 september 2020