| Plan: | TAM-omgevingsplan H22A Buitengebied Bruggemansweg 2 Zenderen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0147.TAM22ABBRUGGEMAN2-VG01 |
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een Rood-voor-Rood ontwikkeling aan de Bruggemansweg 2 en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Borne. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Borne. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden. De bijlagen bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22a bij het omgevingsplan van de gemeente Borne.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
Bij de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
1.1 TAM-omgevingsplan:
het TAM-omgevingsplan H22A Buitengebied Bruggemansweg 2 Zenderen met identificatienummer NL.IMRO.0147.TAM22ABBRUGGEMAN2-VG01 met de daarbij behorende geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels van de gemeente Borne;
1.2 omgevingsplan:
het omgevingsplan van de gemeente Borne;
1.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.4 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.5 agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden of fokken van dieren;
1.6 bebouwing:
een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
1.7 bed and breakfast:
een nevenactiviteit bij een (bedrijfs)woning, waarbij recreatief verblijf wordt verschaft;
1.8 bedrijf-aan-huis:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend;
1.9 beroep-aan-huis:
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend;
1.10 bestaand bouwwerk:
een legaal bouwwerk dat:
1.11 bestaand gebruik:
het legale gebruik dat op het moment van de terinzagelegging van dit 'TAM-omgevingsplan H22A Buitengebied Bruggemansweg 2 Zenderen' bestaat of mag worden uitgeoefend en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime;
1.12 bijgebouw:
een gebouw dat in functioneel en ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw;
1.13 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
1.14 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
1.15 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.16 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;
1.17 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegelaten;
1.20 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.21 carport:
een overkapping met een open constructie zonder eigen wanden, aangebouwd aan het hoofdgebouw, bestemd om te dienen als overdekte stalling voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen en daarvoor ook toegankelijk;
1.22 extensieve recreatie:
recreatief gebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, vissen en daarmee gelijk te stellen activiteiten, dat geen specifiek beslag legt op de ruimte behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden alsmede rust- en picknickplaatsen met bijbehorend meubilair.
1.23 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.24 grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsvoering volledig of nagenoeg volledig is gericht op het gebruik maken van grond als productiemiddel voor de teelt van gewassen en de weidegang van vee;
1.25 hobbymatig agrarisch medegebruik:
het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren op niet bedrijfsmatige wijze. Onder hobbymatig agrarisch gebruik wordt niet verstaan een volkstuin;
1.26 hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn ligging en afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;
1.27 ingreep:
bodemroerende werkzaamheden die noodzakelijk zijn ten behoeve van het bouwen van (ondergrondse) bouwwerken;
1.28 inpandig bijgebouw, carport of overkapping:
een bijgebouw, carport of overkapping die zich onder hetzelfde dak als de woning bevindt en hiermee in ruimtelijk architectonisch opzicht één hoofdbouwmassa vormt.
1.29 karakteristieke gebouwen:
gebouwen die geen monument zijn maar wel positief bijdragen aan de bijzondere (bebouwings-)kenmerken van de plek, bijvoorbeeld door de situering, de bouwmassa, gevelcompositie en/of de bouwstijl, en waarvan de uitstraling om die reden het behouden waard is;
1.30 kelder:
een onder het peil gelegen deel van een gebouw;
1.31 landschapswaarden:
de aan een gebied eigen zijnde visueel-ruimtelijke, ecologische en/of cultuurhistorische waarden;
1.32 nevenactiviteiten:
een activiteit ondergeschikt aan de hoofdactiviteit;
1.33 ondergronds bouwwerk:
een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen op ten minste 1,75 meter beneden peil;
1.34 overkapping:
een bouwwerk dat dient ter overdekking en niet, of slechts met één wand is omgeven, waarbij ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - compensatiewoning' een inpandige overkapping door maximaal drie wanden mag worden omgeven.
1.35 paardenbak:
een onverhard en omheind terrein, niet overdekt en met een andere ondergrond dan gras, ingericht voor het africhten, trainen en berijden van paarden en pony's en het anderszins beoefenen van de paardensport;
1.36 peil:
1.37 permanente bewoning:
been gebruik van een (gedeelte van een) gebouw of kampeermiddel door eenzelfde persoon of groep van personen als hoofdverblijf;
1.38 plattelandskamers:
min of meer zelfstandige, inpandige appartementen op een (voormalig) agrarisch bedrijf ten behoeve van periodiek recreatief nachtverblijf voor ten hoogste 15 personen als ondergeschikte nevenactiviteit bij dit bedrijf;
1.39 recreatiewoning:
een gebouw, niet zijnde een stacaravan, dat dient voor periodiek recreatief (nacht)verblijf door personen die hun hoofdverblijf elders ter vrije beschikking hebben;
1.40 verblijfsrecreatie:
recreatie die mede gericht is op het verstrekken van nachtverblijf;
1.41 voorgevel:
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt;
1.42 voorgevelrooilijn:
denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen;
1.43 weg:
alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
1.44 woning:
een gebouw dat, met uitzondering van inwoning, dient voor de zelfstandige huisvesting van maximaal 1 huishouden.
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
vanaf het peil tot het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van scheidsmuren);
vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
Een locatie die op de verbeelding is aangegeven als 'Agrarisch met waarden' heeft de volgende functies:
met de daarbij behorende:
In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in lid 5.2 opgenomen beoordelingsregels.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
Het bouwen van hoofdgebouwen is niet toegestaan.
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in lid 5.1 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:
Het is verboden op of in de gronden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de onderstaande werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren:
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, zoals vermeldt onder 5.4.1, wordt alleen verleend als, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, met de hiervan te verwachten directe en/of indirecte gevolgen niet blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de specifieke gebiedskenmerken en hieraan door het stellen van voorwaarden tegemoet kan worden gekomen.
De in 5.4.1 vervatte verboden gelden niet voor het uitvoeren van de volgende omgevingsplanactiviteiten:
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies:
met de daarbijbehorende:
In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in lid 6.2 opgenomen beoordelingsregels.
In afwijking van het bepaalde in artikel 22.29 lid 1 onder b met betrekking tot het uiterlijk en situering van bouwwerken, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling, moet worden voldaan aan de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsplan Bruggemansweg 2 te Zenderen' als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:
Voor het bouwen van carports en overkappingen gelden de volgende regels:
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
Burgemeester en wethouders kunnen bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de bebouwing en/of beplanting anders wordt gesitueerd, indien en voorzover dit noodzakelijk is ter berscherming en ontwikkeling van de landschapswaarden.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 6.1 voor de uitoefening van een 'bedrijf-aan-huis' in het hoofdgebouw of de bijgebouwen. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 6.1 voor het vestigen van een bed and breakfast. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 6.1 voor het realiseren van plattelandskamers en plattelandsappartementen. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken ten behoeve van het realiseren van een groepsaccommodatie. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:
Het gebruiken of laten gebruiken van de compensatiewoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - compensatiewoning' is slechts toegestaan indien:
Het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken als bedoeld in 6.1, is slechts toegestaan indien:
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Overige zone - Archeologische verwachting 1' heeft, behalve voor de andere daar voorkomende functies, de volgende functie:
In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in lid 7.2 opgenomen beoordelingsregels.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Overige zone - Archeologische verwachting 1'.
In afwijking van het bepaalde in 7.2 kan een omgevingsvergunning worden verleend, mits:
De vergunning wordt verleend nadat advies is ingewonnen bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.
Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden voorkomende functies een omgevingsvergunning vereist:
Het verbod, als bedoeld in 7.4.1, is niet van toepassing indien:
De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien:
De vergunning wordt verleend nadat advies is ingewonnen bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
In afwijking van het bepaalde in artikel 22.7 lid 1 geldt voor het uiterlijk van de te bouwen bouwwerken in de functie Wonen, bedoeld in artikel 22.7, dat deze dienen te voldoen aan de beleidsregels 'Beeldkwaliteitsplan Bruggemansweg 2 te Zenderen' als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:
In afwijking van 9.2 sub e kan de omgevingsvergunning voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil worden verleend. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten. Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan:
voor permanente bewoning.
Indien niet op grond van een andere regel van deze regels afgeweken kan worden kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan ten behoeve van:
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen en/of gebruik van gronden, wordt niet eerder verleend dan nadat op eigen erf in voldoende mate is voorzien in de benodigde parkeerruimte.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen en/of gebruik van gronden, wordt niet eerder verleend dan nadat in voldoende mate in de behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen is voorzien.