direct naar inhoud van Artikel 4 Bedrijf
Plan: Noordscheschut 2009
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0118.BP20098015001-OH01

Artikel 4 Bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. handel in auto's en motorfietsen, reparatie en servicebedrijven, voor zover de gronden op de verbeelding zijn voorzien van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf handel in auto's en motorfietsen, reparatie en servicebedrijven';
  • b. houthandel, voor zover de gronden op de verbeelding zijn voorzien van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-houthandel';
  • c. camperverhuur, voor zover de gronden op de verbeelding zijn voorzien van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-camperverhuur';
  • d. e-commerce;
  • e. productiegebonden detailhandel als ondergeschikte activiteit van de ter plekke gevestigde bedrijfsactiviteit;
  • f. bedrijven, behorende tot categorie 1 en 2, zoals genoemd in Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten;

met daarbij behorende:

  • g. bedrijfsgebouwen;
  • h. bijgebouwen;
  • i. bedrijfswoning, ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning' ;
  • j. bijgebouwen en aan- en uitbouwen ten behoeve van bedrijfswoningen;
  • k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • l. verhardingen;
  • m. groenvoorzieningen;
  • n. parkeervoorzieningen;
  • o. nutsvoorzieningen;
  • p. geluidwerende voorzieningen;
  • q. tuinen, erven en terreinen
  • r. water;
  • s. opslag van aan de aard van het bedrijf gerelateerde goederen op open terrein, met dien verstande dat opslag op deze gronden uitsluitend achter en aan weerszijden van het bedrijfsgebouw en niet aan de wegzijde van het perceel mag plaastvinden;

met inachtneming van het volgende

  • t. inrichtingen en installaties die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) d.d. 27 oktober 2004 zijn niet toegestaan, met uitzondering van inrichtingen en installaties die op dit moment van terinzagelegging van het ontwerpplan reeds aanwezig zijn;
  • u. kantoren zijn niet toegestaan;
  • v. leisureactiviteiten zijn niet toegestaan;
  • w. brandstofverkooppunten zijn niet toegestaan;
  • x. Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Bedrijfsgebouwen en bijbehorende bijgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bijbehorende bijgebouwen de volgende bepalingen gelden:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de gebouwen dienen qua functieaanduiding zoals weergegeven op de verbeelding en welke overeenkomt met de functieaanduiding zoals genoemd in onderstaande matrix, en de daarbij behorende maatvoering te voldoen aan de eisen die in de volgende matrix zijn gesteld:
Bouwaanduiding   Goot-
hoogte ( m)  
Bouw-
hoogte (m)  
Dak-
helling ( o )  
bebouwings-
percentage (%)  
  min   max   min   max   min   max   min   max  
sba-1     4     8     45     45  
sba-2     4     8     45     30  
sba-3     4     8     45     30  
sba-4     4     8     45     80  

  • c. de goothoogte van de bijgebouwen mag niet meer dan 3 meter bedragen.
4.2.2 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen de volgende bepalingen gelden:

  • a. een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd, ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning';
  • b. het aantal bedrijfswoningen mag niet meer dan één per functieaanduiding 'bedrijfswoning' bedragen;
  • c. de goothoogte van niet-inpandige bedrijfswoningen met de bouwaanduidingen sba - 1 en
    sba - 3 mag niet meer dan 3,5 meter bedragen;
  • d. de goothoogte van niet-inpandige bedrijfswoningen met de bouwaanduiding sba - 4 mag niet meer dan 7 meter bedragen;
  • e. de bouwhoogte van niet-inpandige bedrijfswoningen met de bouwaanduidingen sba - 1 en
    sba - 3 mag niet meer dan 9 meter bedragen;
  • f. de bouwhoogte van niet-inpandige bedrijfswoningen met de bouwaanduiding sba - 4 mag niet meer dan 11 meter bedragen;
  • g. de dakhelling van niet-inpandige bedrijfswoningen met de bouwaanduidingen sba - 1, sba - 3 en sba - 4 bedraagt minimaal 300 en maximaal 600 .
4.2.3 Bijgebouwen bij een bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijgebouwen, waaronder begrepen aan- en uitbouwen, bij een bedrijfswoning de volgende bepalingen gelden:

  • a. bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd bij vrijstaande/niet-inpandige bedrijfswoningen;
  • b. bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen mag per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² bedragen;
  • d. de goothoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen;
  • e. de bouwhoogte mag niet meer dan 7,5 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte niet hoger mag zijn dan 80 % van de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
  • f. indien een bijgebouw voorzien wordt van een kap, bedraagt de dakhelling minimaal 300 en maximaal 600 .
4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende bepalingen gelden:

  • a. de hoogte van erf-/terreinafscheidingen mag niet meer dan 3 meter bedragen, met dien verstande dat de hoogte voor erf-/terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel ten hoogste 1 meter mag bedragen;
  • b. de hoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen.
4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de waarborging van de brand- en externe veiligheid en ter bevordering van zelfredzaamheid van aanwezigen en van beheersbaarheid en bestrijdbaarheid bij incidenten;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
4.4 Afwijken van de bouwregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van:
    • 1. het bepaalde in lid 4.2.1 sub a en toestaan dat een bedrijfsgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen buiten het bouwvlak niet meer dan 10 m² bedraagt.
  • b. De in lid 4.4 sub a genoemde vergunning kan slechts worden verleend mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de verkeersveiligheid;
    • 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • 6. de brandveiligheid, in die zin dat er uit ingewonnen advies bij de brandweer blijkt dat er voldoende en bruikbare ruimte aanwezig blijft voor brandbestrijding.
4.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 4.1 jo artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden voor opslag van goederen op open terrein;
  • b. het gebruik van de gronden en/of bouwwerken ten behoeve van:
    • 1. inrichtingen en installaties die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) d.d. 27 oktober 2004;
    • 2. bewoning, met uitzondering van de (bedrijfs)bovenwoningen en de ter plaatse opgenomen functieaanduiding 'bedrijfswoning' op de verbeelding;
    • 3. detailhandelsbedrijven;
    • 4. leisureactiviteiten;
    • 5. brandstofverkooppunten.
4.6 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen , met inachtneming van de milieusituatie, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 4.1 en toestaan dat tevens bedrijven worden gevestigd die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de toegestane bedrijven, mits het geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen betreft.