direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Emmen, Windenergie
Status: vastgesteld
Plantype: gemeentelijke structuurvisie
IMRO-idn: NL.IMRO.0114.2015003-S701

Toelichting

Hoofdstuk 1 Samenvatting

Opgave

Het Rijk heeft de ambitie dat Nederland in 2021 minimaal 6.000 MW opgesteld vermogen aan windenergie op land heeft gerealiseerd. Van deze landelijke opgave neemt de provincie Drenthe 285,5 MW voor haar rekening. In de zomer van 2014 heeft de provincie Drenthe besloten dat er 95,5 MW in de gemeente Emmen moet worden gerealiseerd.

De gemeente Emmen is zich bewust van de weerstand van inwoners tegen windmolens. Inwoners maken zich zorgen over de effecten van windmolens op hun gezondheid en op hun woonomgeving. De gemeentelijke inzet is erop gericht om hinder en gezondheidsrisico's voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken.

De structuurvisie "Emmen, Windenergie" geeft een ruimtelijk kader voor de ontwikkeling van windparken. Met de vaststelling van de structuurvisie wijst de raad ook de locaties aan waar windparken binnen de gemeente Emmen worden toegestaan. Deze windparken kunnen vervolgens in de periode 2016 – 2021 worden ontwikkeld.

De inbreng van omwonenden en andere belanghebbenden via Platform Windkracht 3 heeft een grote rol gespeeld bij de totstandkoming van deze structuurvisie. Onder andere bij het vaststellen van ruimtelijke randvoorwaarden als het borgen van de tijdelijkheid van windmolens tot maximaal 16 of 20 jaar en de maximale ashoogte (100 meter) en tiphoogte (149 meter) van windmolens. Deze tiphoogte van maximaal 149 meter voorkomt ook lichthinder 's nachts, want rode signaallampen voor de luchtvaart zijn dan meestal niet nodig.

De gemeente hecht zeer aan een goede positie van omwonenden bij de ontwikkeling en exploitatie van windenergie in de aangewezen gebieden. Naast deze structuurvisie zal de gemeenteraad daartoe ook afzonderlijk de Gedragscode windenergie gemeente Emmen vaststellen. Deze Gedragscode regelt de instelling van een Bewonersplatform in elk aangewezen gebied. Daarbij gaat bijzondere aandacht uit naar omwonenden op minder dan 1100 meter afstand van geplande windmolens. Ook houden zowel deze Structuurvisie als de Gedragscode rekening met de instelling van een windfonds per aangewezen gebied voor windenergie voor het financieren van compenserende maatregelen.

In de structuurvisie wordt verder onder meer rekening gehouden met:

  • de uitkomsten van het planMER (dit is een milieu-effectonderzoek naar onder meer geluid, slagschaduw, landschap en natuur);
  • Gebiedsproces deel I van Platform Windkracht 3 (januari - mei 2015);
  • Zienswijzen op de ontwerp-structuurvisie en het bijbehorend planMER;
  • de uitkomsten uit het Gebiedsproces van Platform Windkracht 3 en het planMER. Gebiedsproces deel II van Platform Windkracht 3 (november 2015 - maart 2016) ;
  • Het onderzoek naar mogelijkheden windenergie voor zoekgebied Tuinbouwgebied Klazienaveen (april 2016);
  • De Deskundigentoets (april 2016) ;

Aanwijzing van gebieden voor windenergie

De gemeente Emmen wijst de volgende gebieden aan voor windenergie, uitgaande van windmolens van minimaal 3MW nominaal vermogen, op basis van de begrenzing op de Inventarisatiekaart in Bijlage 1 . Deze keuze sluit aan op het in paragraaf 4.2 beschreven Scenario 1: Minst aantal gehinderden:

Gebied   Ashoogte   Tiphoogte   Aantal MW  
N34   maximaal 100 m   maximaal 149 m   21  
Zwartenbergerweg   maximaal 100 m   maximaal 149 m   24  
Pottendijk   maximaal 100 m   maximaal 149 m   50,5  

Dit betekent dat de andere onderzochte zoekgebieden afvallen:

  • De Vennen
  • Groenedijk
  • Berkenrode
  • Tuinbouwgebied Klazienaveen
  • Noordersloot

Voor wat betreft de locatie Pottendijk komt alleen het centrale deel van de locatie Pottendijk in aanmerking voor een invulling met windmolens, op basis van het het op onderstaande afbeelding weergegeven vertrekpunt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0001.png"

Afbeelding 1.1: Vertrekpunt voor nadere invulling locatie Pottendijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0002.png"

Afbeelding 1.2: begrenzing locatie N34 (op basis van Inventarisatiekaart)

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0003.png"

Afbeelding 1.3: begrenzing locatie Zwartenbergerweg (op basis van Inventarisatiekaart)

In de structuurvisie wordt deze keuze nader onderbouwd. Daarvoor wordt in het bijzonder verwezen naar paragraaf 4.4 Aanwijzing gebieden voor windenergie.

Afwijkingsmogelijkheden

Van de randvoorwaarden voor de as- en tiphoogte in paragraaf 4.3 kan worden afgeweken, indien initiatiefnemer en bewonersplatform tot nadere afspraken komen over bijvoorbeeld extra compensatie, voor het oprekken van de as- en tiphoogte en/of het nominale vermogen per turbine. Deze afspraken moeten dan worden vastgelegd in omgevingsovereenkomsten tussen initiatiefnemer en omwonenden.

Voor de exploitatietijd wordt uitgegaan van 16 jaar. De structuurvisie biedt ruimte om de exploitatietijd te verruimen naar maximaal 20 jaar. De initiatiefnemer dient dan onomstotelijk aan te tonen dat 16 jaar in het aangewezen gebied financieel niet haalbaar is, of met omwonenden tot nadere afspraken te komen over bijvoorbeeld extra compensatie voor het oprekken van de exploitatietijd van 16 naar 20 jaar. Het Bewonersplatform kan voorstellen doen om af te wijken van een exploitatietermijn van 16 jaar naar maximaal 20 jaar. Deze afspraken moeten dan worden vastgelegd in een overeenkomst.

Aanvullende informatie

Op basis van het onderzoek naar milieu-effecten (het planMER) is duidelijk geworden dat zeven zoekgebieden in principe geschikt zijn voor de plaatsing van windmolens:

  • 1. Pottendijk
  • 2. De Vennen
  • 3. Groenedijk
  • 4. Zwartenbergerweg
  • 5. Berkenrode
  • 6. N34
  • 7. Tuinbouwgebied Klazienaveen

Op basis van het planMER blijkt dat de zuidelijke locaties Noordersloot en Veenschapsweg niet uitvoerbaar zijn. Dit komt door te omvangrijke nadelige effecten van windmolens op Natuurgebied Bargerveen (Natura2000). Deze locaties liggen te dicht bij het natuurgebied Bargerveen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0004.png"

Afbeelding 1.2: Kaart insluiting

Verder geeft onderstaande tabel in aanvulling op het planMER inzicht in het aantal woningen op minder dan 500 tot 1100 meter van windmolens. De oplopende waardes zijn met een kleurschaal gemarkeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0005.png"

Tabel 1.1: Indicatie van het aantal woningen binnen 500 en 1100 meter, en van het aantal gehinderden volgens het planMER.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0006.png"

Tabel 1.2: Integrale effectbeoordeling in het planMER bij maximale invulling van de afzonderlijke locaties

Vier scenario's

Op basis van de uitgangspunten en overwegingen uit de ontwerp-structuurvisie bleven vier scenario's over die allemaal kunnen voorzien in de plaatsing van 95,5MW aan windenergie. De gemeente volgt nu met de vaststelling van de structuurvisie de lijn van het scenario met het minst aantal gehinderden.

Hoofdstuk 2 Begrippenlijst

Begrip
 
Verklaring  
Ashoogte   Zie onderstaande afbeelding.  
Insluiting   Insluiting ontstaat wanneer een woongebied wordt omringd door twee of meer windturbineparken. Er wordt gelet op de kortste afstand tussen windparken (de meest dichtbij gelegen windmolens).  
Interferentie   Interferentie treedt op wanneer twee windparken een landschappelijk verstorende werking op elkaar hebben. Bijvoorbeeld als twee parken niet meer als zodanig afzonderlijk te herkennen zijn.  
Lden   De Lden (Engels: Level day-evening-night) is een maat om de geluidsbelasting door omgevingslawaai uit te drukken. Met ingang van 2004 is het gebruik van de Lden in alle Europese landen verplicht. Het planMER hanteert Lden 37 dB(A) als ondergrens voor geluidhinder.  
LOFAR   LOFAR (Low-Frequency Array ofwel 'lage-frequentie telescoop') is een radiotelescoop die is samengesteld uit duizenden radioantennes. Het centrale punt bevindt zich op een terp tussen de Exloo en Buinen. In de gemeente Emmen staat een LOFAR buitenstation, aan de Veenschapsweg nabij Schoonebeek.  
Natura 2000   Een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 beschermt niet alleen gebieden (habitats), maar draagt ook bij aan bescherming van soorten.  
Rotordiameter   Zie onderstaande afbeelding.  
Solitaire woning   Woningen buiten de woongebieden.  
Tiphoogte   Zie onderstaande afbeelding.  
Windpark   Een verzameling van moderne windmolens of windturbines, bedoeld om windenergie op te wekken  
Windmolen / windturbine   Een door wind aangedreven windturbinegenerator, met drie wieken, een nominaal vermogen van ten minste 3 MW, waarmee energie wordt opgewekt, inclusief de bij het bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen.  
Woongebied   Zowel woonkernen (dorpen en wijken) als linten zijn woongebieden. Hierbij is de provinciale kaart "Stedelijke Gebied" geraadpleegd. Linten zijn bepaald op basis van de Beleidsnotitie Bouwen in de Linten. Woongebieden buiten de gemeentegrenzen zijn mede bepaald aan de hand van de definities uit Bouwen in Linten.  
Exploitatieovereenkomst   Een overeenkomst die tussen gemeente en exploitant wordt afgesloten met betrekking tot gemeentelijke kosten en financiële bijdragen voor ruimtelijke ontwikkelingen.  
MW of megawatt   De megawatt (MW) is een eenheid voor vermogen. Eén megawatt is gelijk aan 1 miljoen watt. Windparken met in totaal voor 95,5 MW aan opgesteld vermogen leveren jaarlijks ongeveer 200.000 MWh op. Dit komt overeen met de hoeveelheid elektriciteit die circa 55.000 huishoudens per jaar verbruiken.  
Passende beoordeling   Een passende beoordeling is een voorwaarde voor het verlenen van een omgevingsvergunning of Nbwet vergunning voor een project dat (al dan niet in combinatie met andere projecten) significante gevolgen kan hebben op een Natura 2000-gebied. De vergunning kan worden verleend als de passende beoordeling aantoont dat er geen significante effecten zijn. Als er wel mogelijke significante effecten zijn, kan de vergunning alleen worden verleend als er geen alternatieven voor de activiteit zijn, er dwingende redenen van groot openbaar belang mee gediend zijn en de negatieve gevolgen gecompenseerd worden (de ADC-toets).  
planMER   Het planMER beschrijft de milieugevolgen van de activiteit(en) en alternatieven op globaal niveau. Van het voornemen een planMER op te stellen wordt openbaar kennis gegeven. De betrokken bestuursorganen worden geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau van de planMER. Het planMER wordt gelijktijdig met het ontwerpplan, waaraan het gekoppeld is, ter inzage gelegd.  
projectMER   Het projectMER bestudeert de uitvoeringsalternatieven van een project en gaat na welke uitvoeringsmethoden het best geschikt zijn voor ontwikkeling. Het projectMER kan pas goedgekeurd worden wanneer het planMER goedgekeurd is.  
m.e.r. beoordelingsplicht   Bij grootschalige activiteiten is een m.e.r.-procedure en het opstellen van een MER verplicht. Windparken (gedefinieerd als ten minste 3 windturbines) met een vermogen vanaf 15 megawatt of van 10 of meer turbines zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig..  
Wabo   De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) regelt de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is één geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu. Doel van de Wabo is een eenvoudigere en snellere vergunningverlening en een betere dienstverlening door de overheid op het terrein van bouwen, ruimte en milieu.
De Wabo introduceert hiervoor de omgevingsvergunning.  
Wro   In de Nederlandse Wet ruimtelijke ordening (Wro) regelt de procedures voor vaststelling van planologische besluiten en de status daarvan, waaronder gemeentelijke structuurvisies.  
Bor   Het Besluit omgevingsrecht (het Bor) bevat een aantal algemene bepalingen over het omgevingsrecht. Daarnaast bevat het een indeling in categorieën van inrichtingen en een onderverdeling naar activiteiten die vergunningplichtig en vergunningvrij zijn onder de Wabo. Het Bor bevat eveneens een verdeling in categorieën van toestemmingen uitgesplist naar het bevoegde gezag waaronder zij vallen. Dit is primair het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de activiteit plaatsvindt, tenzij er dus een uitzondering gemaakt is in het Bor.  
Cumulatief effect   Effect van verschillende vormen van milieu-invloeden tezamen, waarbij de gevolgen van de vormen afzonderlijk niet ernstig behoeven te zijn, maar van de verschillende vormen tezamen mogelijk wel.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0007.png"

Afbeelding 2.1: windmolen

Hoofdstuk 3 Inleiding

3.1 Voorwoord

De gemeente Emmen is zich bewust van de noodzaak van de overgang naar een duurzame samenleving waarin wordt ingezet op het gebruik van duurzame energie. Naast andere vormen van duurzame energie moet de gemeente Emmen 95,5 megawatt (MW) aan windenergie mogelijk maken.

De gemeente Emmen is zich ook bewust van de weerstand van inwoners tegen windmolens. Inwoners maken zich zorgen over de effecten van windmolens op hun gezondheid en op hun woonomgeving. De gemeentelijke inzet is erop gericht om hinder en gezondheidsrisico's voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken.

Omwonenden en belangenorganisaties zijn belangrijke partijen in het proces naar de totstandkoming van windparken binnen de gemeente Emmen. Met het Gebiedsproces van Platform heeft de gemeente een platform in het leven geroepen waarbinnen deze partijen de dialoog met elkaar kunnen aangaan. Door dit actief te organiseren ontstaat meer draagvlak en begrip voor elkaars standpunten. De uitkomsten van het Gebiedsproces worden betrokken bij de besluitvorming over het stellen van de voorwaarden waaronder windmolens binnen de aangewezen gebieden kunnen worden geplaatst.

3.2 Aanleiding

3.2.1 Opgave gemeente Emmen

Het Rijk heeft de ambitie dat Nederland in 2021 minimaal 6.000 MW opgesteld vermogen aan windenergie op land heeft gerealiseerd. Deze ambitie is opgenomen in het in september 2013 gesloten SER Energieakkoord voor duurzame groei. Op 22 januari 2013 zijn er tussen het Rijk en het IPO (Interprovinciaal Overleg) afspraken gemaakt over de verdeling van deze 6.000 MW aan windenergie over de twaalf provincies. Eén en ander is in 2014, op nationaal niveau, vastgelegd in de Structuurvisie Windenergie Op Land (SWOL).

Van de landelijke opgave van 6.000 MW neemt de provincie Drenthe 285,5 MW aan opgesteld vermogen voor haar rekening. In een brief van 20 december 2013 heeft de minister van Economische Zaken bevestigd dat de provincie Drenthe deze opgave heeft van 285,5 MW heeft. Voor de gemeenten Coevorden en Emmen wordt in deze brief een totale opgave van 135,5 MW aangegeven.

Het College van de gemeente Emmen zet met zijn Bestuursakkoord 2014-2018 in op een windmolenvrije gemeente. En als er toch windmolens geplaatst moeten worden, bijvoorbeeld door aanwijzing van Rijk en provincie, dan wil de gemeente zelf de regie voeren ten aanzien van de locatieskeuzes en de plaatsingsvoorwaarden.

In de zomer van 2014 heeft de provincie Drenthe besloten dat er 95,5 MW in de gemeente Emmen moet worden gerealiseerd. Op basis van de provinciale taakstelling is er overlegd gevoerd tussen provincie en gemeente. Het resultaat van dit overleg is dat de provincie vasthoudt aan de taakstelling en de gemeente Emmen een opgave van 95,5 MW windenergie opgelegd wordt, te realiseren voor 2021. Hierbij dient de gemeente Emmen voor 1 december 2014 een regieplan vast te stellen om zelf de regie te verkrijgen. Op 27 november is daartoe door de raad van Emmen het regieplan aangenomen.

3.2.2 Regieplan Windenergie Emmen

Met het vaststellen van het Regieplan door de raad op 27 november 2014 zijn de zoekgebieden voor windenergie in Emmen benoemd. Het vastgestelde Regieplan is opgenomen in Bijlage 12.

De planning voor de besluitvorming is daarbij globaal als volgt geformuleerd:

  • Fase 1: Opstellen Regieplan Windenergie Emmen (2014)
  • Fase 2: Procedure Structuurvisie "Emmen, Windenergie" en Gedragscode en vaststelling in gemeenteraad (2015)
  • Fase 3: Procedure en verlening omgevingsvergunningen en afsluiten exploitatie-overeenkomsten / realisatie (2016 - 2021)

In het Regieplan wordt geen onderscheid gemaakt in de benadering van bewoners van de gemeente Emmen en bewoners van omliggende gemeenten in Nederland en Duitsland. Dezelfde criteria zijn toegepast.

3.3 Doel Structuurvisie "Emmen, Windenergie"

De gemeente streeft in de eerste plaats naar een beperking van hinder en gezondheidsrisico's voor omwonenden. Om deze reden wordt een zo groot mogelijke afstand tussen woongebieden en windmolens aangehouden. Bij de ontwikkeling van de structuurvisie is onder meer rekening gehouden met:

  • de uitkomsten van het planMER (dit is een milieu-effectonderzoek naar onder meer geluid, slagschaduw, landschap en natuur);
  • Gebiedsproces deel I van Platform Windkracht 3 (januari - mei 2015);
  • Zienswijzen op de ontwerp-structuurvisie en het bijbehorend planMER;
  • de uitkomsten uit het Gebiedsproces van Platform Windkracht 3 en het planMER. Gebiedsproces deel II van Platform Windkracht 3 (november 2015 - maart 2016) ;
  • Het onderzoek naar mogelijkheden windenergie voor zoekgebied Tuinbouwgebied Klazienaveen (april 2016);
  • De Deskundigentoets (april 2016) ;

In deze structuurvisie "Emmen, Windenergie" wordt het ruimtelijk kader vastgesteld, op basis waarvan initiatiefnemers plannen voor de realisatie van windenergie kunnen ontwikkelen en indienen. Deze structuurvisie wijst daarbij de locaties aan waar dat mogelijk is. Overeenkomstig de afspraak met de provincie kan voor een opgesteld vermogen van in totaal maximaal 95,5 MW vergunning worden verleend.

De visie (Hoofdstuk 4) is in de eerste plaats gebaseerd op doelstellingen ten aanzien van de beperking van hinder en gezondheidsrisico's voor omwonenden en vormt daarmee het belangrijkste uitgangspunt. Zoals in het regieplan omschreven hebben het beperken van hinder van windmolens en de gezondheidseffecten voor omwonenden als criterium prioriteit boven de criteria gebiedsontwikkeling en landschap. De visie vormt na vaststelling door de raad een toetsingskader voor concrete aanvragen voor omgevingsvergunningen en eventueel voor de selectie van initiatieven. De gemeente hecht daarbij aan een goede borging van de tijdelijkheid van de te plaatsen windmolens. Dit maakt een onderbouwde ruimtelijke heroverweging van windenergie in de gemeente Emmen in de toekomst mogelijk.

Verder wordt binnen de Structuurvisie het ruimtelijk kader aan de financiële regelingen en participatiemogelijkheden gekoppeld. De exploitatieovereenkomst en Windfondsen bieden de gemeente een juridische grondslag voor kostenverhaal en bijdragen aan het gebied. Dit zorgt bovendien in een vroegtijdig stadium voor duidelijkheid voor de uitvoerende partijen.

3.4 Zoekgebieden

Binnen het Regieplan Windenergie Emmen zijn acht locaties aangewezen als zoekgebied, te weten;

  • 1. Pottendijk
  • 2. De Vennen
  • 3. Groenedijk
  • 4. Zwartenbergerweg
  • 5. Berkenrode
  • 6. Noordersloot
  • 7. N34
  • 8. Tuinbouwgebied Klazienaveen

Na vaststelling van het Regieplan is het gebied "Veenschapsweg" in beeld gekomen. Deze locatie is als negende zoekgebied meegenomen in de onderzoeken.

9. Veenschapsweg

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0008.jpg"

Afbeelding 3.1: Zoekgebieden Regieplan Windenergie Emmen, plus Veenschapsweg

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0009.png" Tabel 3.1: Maximale capaciteit per gebied op basis van 3MW en 5 MW windmolens

3.5 Uitgevoerde onderzoeken

Ter onderbouwing van de structuurvisie is een PlanMER, inclusief Passende Beoordeling, uitgevoerd om de milieueffecten (geluid, slagschaduw, ecologie, landschap, etc.) van de ontwikkeling van windenergie in Emmen in beeld te brengen. Het PlanMER en de Passende Beoordeling zijn opgenomen in Bijlage 4 PlanMER (en de bijbehorende achtergronddocumenten in bijlagen 5 tot en met 10).

3.6 Leeswijzer

In hoofdstuk 4 worden de locaties voor de ontwikkeling van windenergie- beschreven en de voorwaarden die een rol spelen bij de toekomstige realisatie.

Hoofdstuk 5 gaat in op het relevante beleidskader voor de structuurvisie. Hoofdstuk 6 gaat nader in op het proces dat in ter voorbereiding op de structuurvisie is gevoerd. In hoofdstuk 7 de bevindingen van Gebiedsproces I en II van Platform Windkracht 3, het PlanMER, de onderzoeken naar toerisme en recreatie en naar Tuinbouwgebied Klazienaveen en de Deskundigentoets beschreven. In hoofdstuk 8 is aangegeven aan de hand van welke uitgangspunten wordt gekomen tot de in hoofdstuk 4 gekozen gebieden en inrichtingsvereisten.

Hoofdstuk 9 beschrijft het vervolg van het proces na vaststelling van de structuurvisie. Hoofdstuk 10 gaat in op financiële aspecten bij de uitvoering, waaronder economische haalbaarheid en afdrachten uit de exploitatie. In hoofdstuk 11 is het Uitvoeringsprogramma opgenomen.

Hoofdstuk 4 Visie

4.1 Constateringen en uitgangspunten

De raad heeft op 27 november 2014 acht zoekgebieden voor windenergie aangewezen. De raad stelde toen het Regieplan Windenergie vast. Op basis van het onderzoek naar milieu-effecten (het planMER) is duidelijk geworden dat zeven zoekgebieden in principe geschikt zijn voor de plaatsing van windmolens. Alleen de locatie Noordersloot valt af vanwege de ligging in de buurt van natuurgebied Bargerveen (Natura2000). Ook de later in beeld gekomen locatie Veenschapsweg blijkt vanwege de ligging ten opzichte van natuurgebied Bargerveen niet uitvoerbaar.

De gemeente moet uit de zeven overgebleven zoekgebieden kiezen. De uitkomsten van het gebiedsproces van Platform Windkracht 3 en van het planMER vormen daarvoor belangrijke informatiebronnen naast het Regieplan, zienswijzen op de ontwerp-structuurvisie en bijbehorende planMER, de deskundigentoets, onderzoek tuinbouwgebied Klazienaveen en het raadsbesluit. Dit leidt tot de volgende constateringen en uitgangspunten:

  • 1. Met de uitvoering van deze structuurvisie kan worden voldaan aan de provinciale opgave van 95,5 MW aan opgesteld vermogen. Een windmolen dient daarbij minimaal 3 MW aan opgesteld vermogen te bieden. Hierdoor kunnen maximaal 32 windmolens gerealiseerd worden.
  • 2. De structuurvisie biedt na vaststelling door de raad de zekerheid dat buiten de aangewezen locaties geen windmolens komen.
  • 3. Er is in principe ruimte om binnen de kaders van de structuurvisie tot een verdere optimalisatie te komen. Binnen scenario's kan nog geschoven worden
  • 4. Afrondingseffecten zullen in de uitvoering een rol spelen op het definitieve aantal windmolens per locatie (bijvoorbeeld als windmolens van 3,3 MW worden geplaatst in plaats van 3 MW).
  • 5. Op grond van het Regieplan Windenergie Emmen dient uit te worden gegaan van zo veel mogelijk beperking van hinder voor omwonenden. Daarbij beschouwen wij als belangrijkste nadelige effecten slagschaduw en geluid.Dit weegt zwaarder dan bijvoorbeeld de inpassing van windparken in het landschap of de windmolenopstelling binnen een locatie.
  • 6. Er dient rekening gehouden te worden met Insluiting. Er dient een zo groot mogelijke afstand tot woongebieden aangehouden te worden. Een minimale afstand tussen windparken van 4 kilometer is daarbij een passend vertrekpunt. Ook bij de verdere invulling van aan te wijzen locaties voor windparken dient verder rekening te worden gehouden met insluiting, voor zover dit mogelijk is.
  • 7. Op basis van het planMER blijkt dat de zuidelijke locaties Noordersloot en Veenschapsweg niet uitvoerbaar zijn. Dit komt door te omvangrijke nadelige effecten van windmolens op Natuurgebied Bargerveen (Natura2000). Deze locaties liggen te dicht bij het natuurgebied Bargerveen. Vanuit de natuurbeschermingswet kent ook de locatie Tuinbouwgebied Klazienaveen een risico. In vergelijking met andere locaties is het risico hier het grootst en daarmee ook de onzekerheid voor ontwikkeling. Voor de locatie N34 is dit risico vrijwel nihil.
  • 8. Uit overleg met Duitse instanties en contacten met rijk en provincie is inmiddels gebleken dat de ontwikkeling van de locatie Zwartenbergerweg haalbaar is. Bij de terinzagelegging van de ontwerp-structuurvisie was de ontwikkeling van de locatie Zwartenbergerweg nog minder zeker en hier is in de scenario's (paragraaf 4.2) rekening mee gehouden. Voor ontheffing van het Verdrag van Meppen hebben de betrokken instanties in Duitsland en Nederland (Landkreis Emmen, Ministerie van Economische Zaken) aangegeven dat medewerking aan ontheffing mogelijk is, als sprake is van concreet uitgewerkte plannen voor een innovatief en grensoverscheidend windenergieproject. Met de uitvoering van het SEREH-project, dat voorziet in een grensoverschrijdend windpark, wordt daaraan voldaan.
  • 9. De locatie Tuinbouwgebied Klazienaveen heeft enkele bijzondere karakteristieken. Windenergie zou hier een bijdrage kunnen leveren aan de economische ontwikkeling en de verduurzaming van de glastuinbouw. Maar de locatie ligt ook in een gebied met betrekkelijk veel woningen binnen 500 tot 1100 meter afstand in vergelijking met de overige gebieden (zie tabel 4.1). Verder levert de ligging nabij Natura2000 gebied Bargerveen het grootste risico op in verband met natuurwetgeving. Per saldo dienen in de afweging de (extra) hinder en natuurrisico's zorgvuldig gewogen worden ten opzichte van de kansen op het gebied van duurzaamheid en innovatie.
  • 10. De locatie Berkenrode zorgt in combinatie met het geplande Duitse windpark in de Gemeinde Haren (Ems) voor insluiting.

Verder geeft onderstaande tabel in aanvulling op het planMER inzicht in het aantal woningen op minder dan 500 tot 1100 meter van windmolens. De oplopende waardes zijn met een kleurschaal gemarkeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0010.png"

Tabel 4.1*: Indicatie van het aantal woningen binnen 500 en 1100 meter, en van het aantal gehinderden volgens het planMER.

* Deze tabel is ook in groter formaat beschikbaar, zie hiervoor  Bijlage 11

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0011.png"

Tabel 4.2: Integrale effectbeoordeling in het planMER bij maximale invulling van de afzonderlijke locaties .

4.2 Vier scenario's

Op basis van de uitgangspunten en overwegingen blijven vier combinaties van zoekgebieden over die allemaal kunnen voorzien in de plaatsing van 95,5MW aan windenergie. Deze scenario's worden in deze paragraaf beschreven en toegelicht. Soms zijn binnen een scenario varianten mogelijk, bijvoorbeeld door te gaan schuiven met MW's. Dergelijke varianten zijn verder niet uitgewerkt.

Bij de terinzagelegging van de ontwerp-structuurvisie waren de ontwikkelmogelijkheden van de locatie Zwartenbergerweg nog onzeker. In de scenario's wordt nog rekening gehouden met deze onzekerheid. Bij de aanwijzing van gebieden voor windenergie als beschreven in paragraaf 4.4 zal hier nader op ingegaan worden.

4.2.1 Scenario 1: Minst aantal gehinderden

Locatie   Invulling  
N34   21 MW  
Zwartenbergerweg*   24 MW  
Pottendijk   50,5 MW  
TOTAAL   95,5 MW  
*Reservegebied: Tuinbouwg. Klazienaveen
*Reservegebied: Pottendijk
 
15 MW
50,5 + 9 = 59,5 MW  

Tabel 4.3: Scenario 1: Minst aantal gehinderden

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0012.png"

Het beperken van hinder voor omwonenden staat in dit scenario centraal. De locaties N34, Zwartenbergerweg en Pottendijk (met beperkte invulling) scoren in het planMER relatief het best op de aspecten geluid en slagschaduw. Dit wordt aangetoond in de onderzochte variant woon- en leefomgeving. De invulling wijkt iets af van deze variant in het planMER; op de locatie Zwartenbergerweg komen twee windmolens meer en op de locatie Pottendijk twee minder. Daardoor kan het aantal woningen binnen 1100 meter nog wat verder worden teruggebracht naar 67 woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0013.jpg"

Afbeelding 4.1: Verdeling opgave incl Zwartenbergerweg

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0014.jpg"

Afbeelding 4.2: Verdeling opgave excl. Zwartenbergerweg,

incl. Reservegebieden

4.2.2 Scenario 2: Spreiding (met Pottendijk)

Locatie   Invulling  
N34   21 MW  
Tuinbouwgebied Klazienaveen   15 MW  
Pottendijk   35,5 MW  
Zwartenbergerweg*   24 MW  
TOTAAL   95,5 MW  
*Reservegebied: Pottendijk   35,5 + 24 = 59,5 MW  

Tabel 4.4: Scenario Spreiding (met Pottendijk)

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0015.png"

De locatie Tuinbouwgebied Klazienaveen draagt door zijn meest zuidelijke ligging bij aan het uitgangspunt spreiding. Windenergie kan bovendien positief bijdragen aan de economische ontwikkeling en de verduurzaming van de glastuinbouw. Maar dit scenario zorgt ten opzichte van Scenario 1: Minst aantal gehinderden wel voor een verdubbeling van het aantal gehinderde woningen binnen 1100 meter van windmolens (van 67 naar 135 woningen).

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0016.jpg"

Afbeelding 4.3: Verdeling opgave inclusief Zwartenbergerweg

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0017.jpg"

Afbeelding 4.4: Verdeling opgave exclusief Zwartenbergerweg,
inclusief Reservegebied Pottendijk

4.2.3 Scenario 3: Spreiding (zonder Pottendijk)

Locatie   Invulling  
De Vennen   15 MW  
Groenedijk   29,5 MW  
N34   21 MW  
Tuinbouwgebied Klazienaveen   15 MW  
Zwartenbergerweg   15 MW  
TOTAAL   95,5 MW  

Tabel 4.5: Scenario Spreiding (zonder Pottendijk)

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0018.png"

In deze variant is er geen reserveruimte beschikbaar in het geval de locatie Zwartenbergerweg vanwege het Verdrag van Meppen onuitvoerbaar zou blijken. De locatie Pottendijk kan niet (gedeeltelijk) worden gebruikt, omdat dit insluiting veroorzaakt in combinatie met de locatie Groenedijk of De Vennen.

De locaties Berkenrode komt vanwege het aspect insluiting in combinatie met de locaties Groenedijk, Tuinbouwgebied Klazienaveen en Zwartenbergerweg niet in aanmerking voor dit scenario.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0019.png"

Afbeelding 4.5: Scenario Spreiding (zonder Pottendijk)

4.2.4 Scenario 4: Concentratie

Locatie   Invulling  
Pottendijk   80,5 MW  
Overige locatie (N34, Berkenrode, Tuinbouwgebied Klazienaveen of Zwartenbergerweg)   15 MW  
TOTAAL   95,5 MW  

Tabel 4.6: Scenario Concentratie

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0020.png"

In het scenario met maximale concentratie op de locatie Pottendijk is altijd een tweede aanvullende locatie nodig om 95,5MW mogelijk te maken. De locaties Groenedijk en De Vennen komen vanwege het aspect insluiting in combinatie met de locatie Pottendijk niet in aanmerking voor dit scenario.

Een (nagenoeg) volledige invulling van de locatie Pottendijk wordt op basis van het PlanMER als zeer nadelig aangemerkt wat betreft hinder. Binnen het Gebiedsproces van Platform Windkracht 3 is uitgesproken dat men vreest voor veel hinder en een onherkenbare en landschappelijk niet logische opstelling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0021.png"

Afbeelding 4.6: Scenario Concentratie met locaties Pottendijk en N34

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0022.png"

Afbeelding 4.7: Scenario Concentratie met locaties Pottendijk en Berkenrode

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0023.png"

Afbeelding 4.8: Scenario Concentratie met locaties Pottendijk
en Tuinbouwgebied Klazienaveen

4.3 Uitgangspunten

In paragraaf 4.3 zijn gebieden voor windenergie aangewezen. Deze paragraaf gaat in op specifieke uitgangspunten per aangewezen locatie.

Algemeen

Ashoogte en tiphoogte
Uitgangspunt is een ashoogte van maximaal 100 m, met het oog op de ruimtelijke, milieutechnische en landschappelijke inpassing. Bij een tiphoogte vanaf 150 m is onder de huidige wetgeving een lichtmarkering (rood knipperend licht) verplicht. Dit leidt tot ongewenste lichthinder. Daarom is een maximale tiphoogte van 149 m het algemene vertrekpunt. Per locatie wordt nader op de ashoogte en tiphoogte ingegaan.

De structuurvisie kent een afwijkingsmogelijkheid voor de ashoogte en de tiphoogte. Een afweging omtrent het afwijken van deze hoogtes kan op basis van nadere uitwerkingen worden gemaakt in fase 3. Het overleg tussen omwonenden en initiatiefnemers speelt hierin een rol. Ook dient bij de toepassing van hogere windmolens een totale landschappelijke afweging te worden gemaakt, in relatie tot de beoogde windmolens aan Duitse zijde.

Geluid
Een aandachtspunt bij de nadere uitwerking (fase 3) vormt geluid van windmolens en ook de opstapeling van geluid met andere geluidsbronnen (o.a. wegen als de N34, geluidsportcentrum Pottendijk, enzovoorts). In deze fase zal een extra inspanning moeten worden gedaan om de (cumulatieve) geluidhinder tot het minimum te beperken. Hiervoor zijn meerdere oplossingen denkbaar. Zo kan gekozen worden voor een stiller windmolentype, toepassing van stillere bladen, het bedrijven van de windmolen in een gereduceerde modus of het optimaliseren van de opstelling binnen een locatie. Tevens kan de toepassing van aanvullende geluidswerende voorzieningen overwogen worden.

Locatie Pottendijk

Ruimtelijke invulling van de opgave
Een maximale invulling van Pottendijk zorgt voor betrekkelijk veel hinder in vergelijking met andere zoeklocaties (met uitzondering van Tuinbouwgebied Klazienaveen). Niet alleen absoluut, maar ook gecorrigeerd voor een groter aantal windmolens (relatief).

Als Pottendijk niet volledig wordt ingevuld, kan de hinder voor omwonenden sterk worden beperkt. Op basis van gegevens uit het PlanMER kan worden geconcludeerd dat invulling aan de westzijde van het centrale gebied tot het kleinste aantal gehinderden leidt (zie afbeelding 4.1). Concentratie van de opgave in het groene en gele gebied in onderstaande afbeelding leidt tot een maximale reductie van het aantal gehinderden (tot circa drie gehinderde woningen binnen 1100 meter bij 17 windmolens van 3 MW). Daarom dient een beperkte opgave voor Pottendijk in de eerste plaats vanuit de westzijde van het centrale gebied nader ingevuld te worden in de uitvoeringsfase. De onderlinge afstand tussen windmolens dient daarbij zo klein mogelijk gehouden te worden. De snippers buiten het centrale gebied (rood gearceerd) komen dan niet in aanmerking voor plaatsing van windmolens.

Verder dient op verzoek van de provincie Drenthe rekening gehouden te worden met het door de provincie aangekondigde nieuwe Luchthavenbesluit Heli Holland Emmer-Compascuum. De gemeente heeft naar aanleiding van binnengekomen zienswijzen de provincie om meer duidelijkheid gevraagd. De provincie Drenthe heeft als bevoegd gezag imiddels voorbereidingen getroffen en de gemeente per brief daarover geïnformeerd (zie Bijlage 21). Het nieuwe Luchthavenbesluit heeft beperkingen voor het westelijke deel van het centrale gebied tot gevolg, zie onderstaande afbeelding. Uitgaande van de maximale opstelling in het planMER kunnen twee windmolens niet opgesteld worden en moet bij drie andere windmolens rekening worden gehouden met beperkingen; denk daarbij aan een stilstandsregeling voor als de wind overdag uit oost- tot noordelijke hoek komt en er op dat moment een helikopter in-of uitvliegt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0024.png"

Afbeelding 4.3: Vertrekpunt voor nadere invulling locatie Pottendijk.

Optimalisatie op de locatie Pottendijk kan leiden tot aanmerkelijk minder gehinderden (tot 3 gehinderde woningen binnen 1100 meter). Dit kan worden bereikt door de witte gebieden op afbeelding 4.3 niet in te vullen.

In het Gebiedsproces Windkracht 3 is aangegeven dat, bij een grotere opgave, ook een kleiner aantal windmolens met meer vermogen (tot 5 MW) bespreekbaar kan zijn. Zowel een 3 MW als 5 MW variant kan eventueel worden opgesteld in een herkenbare lijnopstelling die aansluit op de landschappelijke structuur met zichtlijnen in oost-west richting. Landschappelijk gezien is een kleiner aantal molens (met meer MW per molen) beter inpasbaar. Uit de PlanMER blijkt echter dat een opstelling met 5 MW met name op het aspect geluid aanzienlijk minder scoort dan een invulling met windmolens van 3 MW. Bovendien is bij 5 MW windmolens lichtmarkering vereist, omdat de tiphoogte meer dan 150 meter bedraagt. Aan beperking van hinder en lichthinder wordt meer waarde toegekend dan aan de landschappelijke inpassing. Deze afweging dient in de uitvoeringsfase in het ontwerp te worden betrokken. De structuurvisie kent een afwijkingsmogelijkheid met betrekking tot as- en tiphoogte voor deze locatie. Het Bewonersplatform kan op basis van deze afwijkingsmogelijkheid hiervoor een voorstel doen.

Het aspect insluiting (minimale vrije afstand tussen windparken van 4 kilometer) beperkt het eventuele gebruik van de locatie Pottendijk, in het het gebruik van de locaties De Vennen en Groenedijk.

Locatie De Vennen

Ruimtelijke invulling van de opgave
De locatie is relatief klein waardoor er niet veel mogelijkheden zijn ten aanzien van een opstelling. Vijf windmolens zijn het maximaal haalbare.

De wens tot een beperking van de hoogte van windmolens is uitgesproken binnen het Gebiedsproces Windkracht 3. De maximale ashoogte voor windmolens binnen het gebied bedraagt 100 meter. De maximale tiphoogte 149 meter. Windmolens met een hogere ashoogte zijn uit landschappelijke overwegingen niet gewenst.

Het aspect insluiting (minimale vrije afstand tussen windparken van 4 kilometer) beperkt het eventuele gebruik van de locatie De Vennen, in het gebruik van de locatie Pottendijk.

Locatie Groenedijk

Ruimtelijke invulling van de opgave
De wens tot een beperking van de hoogte van windmolens is uitgesproken binnen het Gebiedsproces Windkracht 3. De maximale ashoogte voor windmolens binnen het gebied bedraagt 100 meter. De maximale tiphoogte 149 meter. Windmolens met een hogere ashoogte zijn uit landschappelijke overwegingen niet gewenst.

Het aspect insluiting (minimale vrije afstand tussen windparken van 4 kilometer) beperkt het eventuele gebruik van de locatie Groenedijk, in het gebruik van de locaties Pottendijk en Berkenrode.

Geluid en Slagschaduw
Een aandachtspunt bij de nadere uitwerking (fase 3) is het aspect geluid. In de uitvoeringsfase zal een extra inspanning moeten worden gedaan om hinder van geluid te beperken. In overleg tussen omwonenden en initiatiefnemer/ontwikkelaars dienen nadere afspraken te worden gemaakt.

Locatie Zwartenbergerweg

Samenhang met aangrenzend Duits Energiepark
De ruimtelijke, economische, duurzame en innovatieve samenhang met een aangrenzend plan voor een Duits energiepark is kansrijk (Smart Energy Region Emmen-Haren, SEREH). Deze ontwikkeling sluit ook aan op recente Europese doelstellingen om te komen tot een verdere integratie van de energiemarkt in Europa. Daarbij wordt (grensoverschrijdende) regionale samenwerking expliciet gestimuleerd. Nederland en Duitsland hebben daartoe recent deze Europese verklaring ondertekend samen met negen andere landen.

Verdrag van Meppen
De gemeente heeft met de Gemeinde Haren (Ems) het initiatief genomen om met betrokken partijen te komen tot overeenstemming over plaatsing van windmolens in het grensgebied, in afwijking van het Verdrag Van Meppen. Dit overleg heeft ertoe geleid dat aan Nederlandse en Duitse zijde voldoende draagvlak is ontstaan voor een grensoverschrijdend windpark. De Nederlandse ministeries van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken en diverse Duitse instanties zijn hierbij betrokken. Daardoor kan de locatie Zwartenbergerweg als een reëel te ontwikkelen locatie worden beschouwd.

Voor ontheffing van het Verdrag van Meppen (of daarmee vergelijkbare oplossing) hebben de betrokken instanties in Duitsland en Nederland (Landkreis Emmen, Ministerie van Buitenlands Zaken) aangegeven dat medewerking aan ontheffing mogelijk is, als sprake is van concreet uitgewerkte plannen voor een innovatief en grensoverscheidend windenergieproject. Met de uitvoering van het SEREH-project, dat voorziet in een grensoverschrijdend windpark, wordt daaraan voldaan.

Ruimtelijke invulling van de opgave
In het Gebiedsproces Windkracht 3 is aangegeven dat, bij een grotere opgave, ook een kleiner aantal windmolens met meer vermogen (tot 5 MW) bespreekbaar kan zijn. Zowel een 3 MW als 5 MW variant kan eventueel worden opgesteld in een herkenbare lijnopstelling die aansluit op de landschappelijke structuur met zichtlijnen in oost-west richting. De structuurvisie kent hiertoe een afwijkingsmogelijkheid met betrekking tot as- en tiphoogte voor deze locatie. Het Bewonersplatform kan op basis van deze afwijkingsmogelijkheid hiervoor een voorstel doen.

Landschappelijk gezien is een kleiner aantal molens (met meer MW per molen) beter inpasbaar. Aan beperking van hinder wordt in beginsel meer waarde toegekend dan aan de landschappelijke inpassing. Maar onderkend wordt ook dat visuele afstemming met het nog te ontwikkelen Duitse windpark wenselijk is. Deze afwegingen dienen in de uitvoeringsfase in het ontwerp te worden betrokken. Afstemming en eventuele samenwerking met de ontwikkelende Duitse wederpartij is sterk gewenst, zo niet noodzakelijk.

Het aspect insluiting (minimale vrije afstand tussen windparken van 4 kilometer) beperkt het eventuele gebruik van de locatie Zwartenbergerweg, in het gebruik van de locatie Berkenrode.

Locatie Berkenrode

Ruimtelijke invulling van de opgave
De locatie is relatief klein waardoor er niet veel mogelijkheden zijn ten aanzien van een opstelling. Vijf windmolens zijn het maximaal haalbare. In combinatie met het geplande windpark in de Gemeinde Haren (Ems) zorgt Berkenrode voor insluiting.

De wens tot een beperking van de hoogte van windmolens is uitgesproken binnen het Gebiedsproces Windkracht 3. De maximale ashoogte voor windmolens binnen het gebied bedraagt 100 meter. De maximale tiphoogte 149 meter. Windmolens met een hogere ashoogte zijn uit landschappelijke overwegingen niet gewenst.

Het aspect insluiting (minimale vrije afstand tussen windparken van 4 kilometer) beperkt het eventuele gebruik van de locatie Berkenrode, in het gebruik van de locaties Zwartenbergerweg, Groenedijk en Tuinbouwgebied Klazienaveen.

Relatie met Recreatiesector
Bij Berkenrode speelt de aanwezigheid van meerdere gebieden met recreatieve waarde, waaronder De Runde (natuurgebied), het Veenpark (toeristisch-recreatief gebied) en het Veenparkkanaal (Veenvaart, recreatieve route).

Locatie N34

Ruimtelijke invulling van de opgave
De wens tot een beperking van de hoogte van windmolens is uitgesproken binnen het Gebiedsproces Windkracht 3. De maximale ashoogte voor windmolens binnen het gebied bedraagt 100 meter. De maximale tiphoogte bedraagt 149 meter. Windmolens met een hogere ashoogte zijn uit landschappelijke overwegingen niet gewenst.

Het gebruik van de locatie N34 veroorzaakt geen insluiting met andere locaties.

Externe veiligheid
Aandachtspunten bij de nadere uitwerking (fase 3) zijn externe veiligheidszones in het gebied. Bij de exacte locatiekeuze per windmolen zal afstemming moeten plaatsvinden rond veiligheidszones rond onder meer de hoogspanningsleiding en het lpg-tankstation. Naar verwachting staan deze aspecten de uitvoerbaarheid van de locatie niet in de weg.

Archeologie
Er zal nader onderzoek moeten worden verricht naar een terrein met een archeologische hoge waarde aan de oostkant van de N34. Er moet rekening gehouden worden met archeologisch karterend onderzoek in de uitvoeringsfase (fase 3) Dit zal de meest geschikte locaties voor windmolens moeten aantonen. Tevens dient het onderzoek inzicht te brengen in de inspanningen die ten behoeve van de instandhouding van wettelijk beschermde archeologische waarden noodzakelijk zijn. De noodzaak van opgravingen is op voorhand niet uit te sluiten.

Locatie Tuinbouwgebied Klazienaveen

Ruimtelijke invulling van de opgave
De wens tot een beperking van de hoogte van windmolens is uitgesproken binnen het Gebiedsproces Windkracht 3. De maximale ashoogte voor windmolens binnen het gebied bedraagt 100 meter. De maximale tiphoogte 149 meter. Windmolens met een hogere ashoogte zijn uit landschappelijke overwegingen niet gewenst.

Het aspect insluiting (minimale vrije afstand tussen windparken van 4 kilometer) beperkt het eventuele gebruik van de locatie Tuinbouwcentrum Klazienaveen, in het gebruik van de locatie Berkenrode.

Relatie met Tuinbouwcentrum
De locatie is kansrijk vanwege de al bestaande infrastructuur voor opgewekte stroom op het tuinbouwcentrum Klazienaveen. De stroom kan relatief eenvoudig worden afgeleverd bij een nabijgelegen hoogspanningsstation. De locatie biedt mogelijkheden voor participerende glastuinbouwbedrijven met een grote energiebehoefte en kan zo bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van glastuinbouw binnen Emmen.

Natuurcompensatie
De locatie Tuinbouwgebied Klazienaveen ligt na Noordersloot het meest nabij Natura2000 gebied Bargerveen. In het natuuronderzoek bij het planMER is geraamd dat voor compensatie van aantasting van het leefgebied van de toendrarietgans en kleine zwaan een gebied van circa 8 vierkante kilometer nodig is, tussen het Bargerveen en het tuinbouwgebied. De uitvoerbaarheid daarvan is onzeker en gaat sowieso gepaard met extra kosten. Op het moment dat dit niet mogelijk is, valt deze locatie waarschijnlijk af op basis van de natuurtoets in het licht van de Natuurbeschermingswet.

4.4 Aanwijzing gebieden voor windenergie

De gemeente Emmen wijst de volgende gebieden aan voor windenergie, uitgaande van windmolens van minimaal 3MW nominaal vermogen, op basis van de begrenzing op de Inventarisatiekaart in Bijlage 1 . Deze keuze sluit aan op het in paragraaf 4.2 beschreven Scenario 1: Minst aantal gehinderden:

Gebied   Ashoogte   Tiphoogte   Aantal MW  
N34   maximaal 100 m   maximaal 149 m   21  
Zwartenbergerweg   maximaal 100 m   maximaal 149 m   24  
Pottendijk   maximaal 100 m   maximaal 149 m   50,5  

Voor wat betreft de locatie Pottendijk komt alleen het centrale deel van de locatie Pottendijk in aanmerking voor een invulling met windmolens, op basis van het het op onderstaande afbeelding weergegeven vertrekpunt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0025.png"

Afbeelding 4.4: Vertrekpunt voor nadere invulling locatie Pottendijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0026.png"

Afbeelding 4.5: begrenzing locatie N34 (op basis van de Inventarisatiekaart)

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0027.png"

Afbeelding 4.6: begrenzing locatie Zwartenbergerweg (op basis van de Inventarisatiekaart)

Afwijkingsmogelijkheden

Van de randvoorwaarden voor de as- en tiphoogte in paragraaf 4.3 kan worden afgeweken indien initiatiefnemer en omwonenden via het bewonersplatform tot nadere afspraken komen over bijvoorbeeld extra compensatie, voor het oprekken van de as- en tiphoogte en/of het nominale vermogen per turbine. Deze afspraken moeten dan worden vastgelegd in omgevingsovereenkomsten tussen initiatiefnemer en omwonenden.

Voor de exploitatietijd wordt uitgegaan van 16 jaar. De structuurvisie biedt ruimte om de exploitatietijd te verruimen naar maximaal 20 jaar. De initiatiefnemer dient dan onomstotelijk aan te tonen dat 16 jaar in het aangewezen gebied financieel niet haalbaar is, of met omwonenden tot nadere afspraken te komen over bijvoorbeeld extra compensatie voor het oprekken van de exploitatietijd van 16 naar 20 jaar. Het Bewonersplatform kan voorstellen doen om af te wijken van een exploitatietermijn van 16 jaar naar maximaal 20 jaar. Deze afspraken moeten dan worden vastgelegd in een overeenkomst.

De gemeente Emmen baseert de locatiekeuze op de volgende algemene uitgangspunten en overwegingen:

1. Met de uitvoering van deze structuurvisie kan de gemeente Emmen voldoen aan de provinciale taakstelling van 95,5 MW aan opgesteld vermogen in de gemeente Emmen. Daarbij dient per windmolen minimaal 3 MW aan opgesteld vermogen te bieden en een windpark dient minimaal 5 windmolens groot te zijn.


2. Het beperken van hinder voor omwonenden is voor de gemeente Emmen het belangrijkste vertrekpunt bij de aanwijzing van locaties voor windenergie. Dit aspect is leidend ten opzichte van overige aspecten als de inpassing van windparken in het landschap en de ruimtelijke opstelling van windmolens binnen een locatie. We beperken hinder voor omwonenden zo veel mogelijk. Geluid en slagschaduw zijn daarbij het meest belangrijk. Ook de aantasting van het uitzicht voor omwonenden weegt mee.


3. We houden daarom een zo groot mogelijke afstand tot woongebieden aan. Zo beperken we de gevolgen van geluid en slagschaduw en de visuele hinder voor omwonenden zo veel mogelijk.


4. Wij gaan uit van windmolens met een ashoogte van maximaal 100 meter, omdat gebleken is dat dit de geluidhinder beperkt ten opzichte van hogere en vaak zwaardere windturbines. Verder speelt de landschappelijke inpassing hierbij een belangrijke rol.


5. We willen lichthinder door obstakelverlichting ten behoeve van de luchtvaart voorkomen door een tiphoogte van maximaal 149 meter voor te schrijven. Daarmee blijft de tiphoogte van windmolens beneden de wettelijke ondergrens voor obstakelmarkeringen, deze bedraagt 150 meter.


6. We houden rekening met Insluiting door uit te gaan van een minimale afstand tussen windparken van 4 kilometer. Verder willen we ook bij de invulling van de gekozen locaties windparken rekening houden met Insluiting, voor zover dit mogelijk is.

7. De structuurvisie biedt op de aangewezen locaties ruimte om tot een verdere optimalisatie in het belang van omwonenden te komen, in afstemming tussen initiatiefnemers, omwonenden, gemeente en andere belanghebbenden. Dit geldt zowel per locatie afzonderlijk als voor alle gebieden gezamenlijk (de totale 95,5 MW-opgave).


8. We constateren op basis van het planMER dat de zuidelijke locaties Noordersloot en Veenschapsweg niet uitvoerbaar zijn, vanwege het te omvangrijke nadelige effect op Natuurgebied Bargerveen (Natura2000). We constateren dat dit tot gevolg heeft dat het noordoostelijk deel van onze gemeente aanzienlijk zwaarder belast dreigt te worden dan de rest van onze gemeente, met het zwaartepunt rond het gebied Pottendijk.


9. We beschouwen de locatie Zwartenbergerweg als reëel te ontwikkelen locatie. Ontheffing van het Verdrag van Meppen (of een daarmee vergelijkbare oplossing) kan rekenen op draagvlak bij de betrokken instanties in Duitsland en Nederland. Betrokken instanties willen echter pas harde formele toezeggingen doen op basis van voldoende concrete en harde plannen. De formele ontheffing volgt dus pas nadat er voldoende planologische zekerheden zijn geboden (deze structuurvisie) en er al sprake concrete initiatieven (Sereh-project + windmoleninitiatief).


10. We geven een voorkeur aan spreiding van de totale opgave over meerdere gebieden. Dit zorgt aan de ene kant voor minder gehinderden (planMER) en de hinder wordt bovendien over een groter gebied gedeeld. Spreiding kan in het bijzonder een concentratie van windmolens rond Pottendijk enigszins beperken. Concentratie van windmolens binnen één of twee locaties, waarbij de locatie Pottendijk als grootste zoekgebied een zeer grote rol speelt, leidt tot zeer negatieve geluidseffecten voor de omgeving.


11. Door de opgave te spreiden, hoeft de locatie Pottendijk niet volledig benut te worden. Daarmee houden we rekening met wat Platform Windkracht 3 het maximaal laadvermogen van een gebied noemt.


12. We constateren dat de locaties N34, Zwartenbergerweg en Pottendijk (met beperkte invulling) in het planMER relatief het beste scoren op de aspecten geluid en slagschaduw. Dit wordt aangetoond in de onderzochte variant woon- en leefomgeving.


13. We onderkennen dat de locatie N34 het meest gunstig scoort wat betreft effect op Natura 2000. Het is de enige locatie is waar geen significante effecten worden verwacht. Zou de locatie in de structuurvisie niet worden aangewezen voor windenergie, dan komt de locatie naar verwachting later alsnog in beeld op basis van de ADC-toets Natuurbeschermingswet als realistisch Alternatief voor andere aangewezen gebieden.


14. Wij onderkennen enkele bijzondere karakteristieken van de locatie Tuinbouwgebied Klazienaveen. De relatie met de glastuinbouw is sterk, dit bleek ook al bij de vaststelling van het Regieplan. Windenergie kan hier positief bijdragen aan de economische ontwikkeling en de verduurzaming van de glastuinbouw. De locatie ligt ook in een gebied met betrekkelijk veel woningen tussen 500 tot 1100 meter afstand in vergelijking met de overige gebieden (zie tabel 4.1). De locatie Tuinbouwgebied Klazienaveen ligt verder (na Noordersloot) het dichtst bij Natura2000-gebied Bargerveen. Daardoor loopt deze locatie van alle gebieden het grootste risico in het licht van natuurwetgeving en de natuurtoets in de Natuurbeschermingswet.

Naar het oordeel van de gemeente Emmen wegen de voordelen van windenergie voor het tuinbouwgebied per saldo niet op tegen de nadelen. Windenergie op deze plek kan bijdragen aan verduurzaming van de glastuinbouw. De mogelijkheden daarvoor wegen echter onvoldoende op tegen de nadelen m.b.t. het aantal gehinderden. Er zijn op dit moment ook nog geen concrete initiatieven met een groot aantal participerende tuinders of omwonenden. Verder ligt dit gebied het dichtst bij Bargerveen. Uit het planMER blijkt dat sowieso rekening moet worden gehouden met mitigerende maatregelen. Uit de natuurtoets blijkt dat deze locatie nadelige effecten meebrengt. Ook nemen de gehinderden aanzienlijk toe.


15. De locaties Groenedijk en Berkenrode beschouwen wij als niet wenselijk, omdat er in combinatie met Pottendijk en Zwartenbergerweg insluiting ontstaat.


16. Van de randvoorwaarden voor de as- en tiphoogte in paragraaf 4.3 kan worden afgeweken indien initiatiefnemer en omwonenden via het bewonersplatform tot nadere afspraken komen over bijvoorbeeld extra compensatie, voor het oprekken van de as- en tiphoogte en/of het nominale vermogen per turbine. Deze afspraken moeten dan worden vastgelegd in omgevingsovereenkomsten tussen initiatiefnemer en omwonenden.


17. In de uitvoeringsfase (fase 3) kan per locatie naar verwachting nog geschoven worden, zodat een gunstiger opstelling mogelijk wordt. Dit is afhankelijk van medewerking van initiatiefnemers, omwonenden, grondeigenaren en overige belanghebbenden.

18. We constateren dat bij aanwijzen van vier (of meer) gebieden er meer risico op beleving van insluiting ontstaat dan bij aanwijzing van de voorgestelde drie gebieden, ook al zijn de onderlinge afstanden (net) meer dan 4 kilometer. Door aanwijzing van drie gebieden kan een optimale spreiding plaatsvinden.

Voorstellen van initiatiefnemers, deskundigentoets en Gebiedsproces deel II

De gemeente Emmen heeft initiatiefnemers met een grondpositie in zoekgebieden in november 2015 uitgenodigd (zie Bijlage 16) om hun voorstellen in te dienen voor windenergie.

Deze voorstellen moesten voldoen aan omschreven randvoorwaarden en uitgangspunten. De voorstellen zijn vervolgens beoordeeld door een commissie van deskundigen. De commissie heeft de uitgebrachte voorstellen beoordeeld op volledigheid en getoetst of de uitgebrachte voorstellen voldoen aan de in de uitvraag gestelde randvoorwaarden en uitgangspunten.

De Deskundigentoets is opgenomen in Bijlage 18. De voor de zoekgebieden uitgebrachte voorstellen zijn in het rapport Deskundigentoets opgenomen. Ook is het in opdracht van de gemeente opgestelde Onderzoek mogelijkheden windenergie voor zoekgebied Tuinbouwgebied Klazienaveen ( Bijlage 17) in de Deskundigentoets betrokken.

De deskundigen concluderen dat in geen van de uitgebrachte voorstellen onomstotelijk wordt aangetoond dat de gestelde eisen in de uitvraag niet haalbaar zijn. De voorstellen geven verder slechts summier uitleg hoe men om wil gaan met het minimaliseren van overlast en het maken van omgangsafspraken.

Op basis van de uitgebrachte voorstellen heeft Platform Windkracht 3 opnieuw een gebiedsproces georganiseerd, Gebiedsproces II. De gebiedsverslagen en bevindingen daarvan zijn opgenomen in Bijlage 19 en 20.

De uitgebrachte voorstellen, het onderzoek van het zoekgebied Tuinbouwgebied Klazienaveen, de bevindingen als resultaat van het Gebiedsproces II en de deskundigentoets kan de gemeenteraad mee laten wegen in zijn afweging welke locaties worden aangewezen en onder welke voorwaarden die gebieden ontwikkeld kunnen worden. Grondposities hebben echter geen rol gespeeld bij het aanwijzen van locaties, in lijn met de bevindingen van Windkracht 3 (Gebiedsproces II). De eisen zoals geformuleerd in de uitvraag aan initiatiefnemers worden niet bijgesteld.

De voorstellen van initiatiefnemers leiden niet tot andere inzichten wat betreft het aanwijzingen van gebieden voor windenergie. Wel ziet de gemeente in het rapport van de deskundigen voldoende aanleiding om vast te houden aan plaatsing van windmolens voor een periode van maximaal 16 jaar, gerekend vanaf de ingebruikname, met de mogelijkheid om deze periode te verlengen tot maximaal 20 jaar indien de noodzaak of wenselijkheid daartoe in voldoende mate kunnen worden onderbouwd. De uitgebrachte voorstellen hebben niet aangetoond dat 16 jaar niet mogelijk is.

4.5 Toetsingscriteria in Uitvoeringsfase (Fase 3)

Toetsingscriteria zijn harde randvoorwaarden waaraan moet worden voldaan. Door het stellen van toetsingscriteria, in zijn algemeenheid dan wel locatiegebonden, stuurt de gemeente op ruimtelijke kwaliteit bij de realisatie van windmolens. Op basis van de toetsingscriteria kan in de uitvoeringsfase sturing worden gegeven aan en toezicht worden gehouden op de daadwerkelijke realisatie en exploitatie van de windparken. De uitvoeringsfase loopt van vergunningverlening tot en met de sloop van de windmolens met bijbehorende voorzieningen.

Ontwerp en realisatie

  • 1. Landschappelijk:
    • a. Er dient sprake te zijn van een binnen de landschappelijke structuur passende opstelling binnen het windpark;
    • b. De maximale ashoogte van een windmolen bedraagt 100 m;
    • c. Er wordt geen lichthinder veroorzaakt, de maximale tiphoogte van een windmolen bedraagt daartoe 149 m;
    • d. De noodzaak tot landschappelijke inpassing wordt binnen de aanvraag overwogen;
    • e. Er dient sprake te zijn van samenhang tussen de windmolens binnen het windpark en tussen de verschillende windparken:
      • 1. Binnen een windpark worden identieke windmolens toegepast;
      • 2. De onderlinge positie van windmolens is op elkaar afgestemd;
      • 3. De draairichting van de windmolens is eenduidig;
      • 4. Beeldkwaliteitsaspecten: (eenduidige kleurstelling, geen reclameuitingen, geen reflectie van coating, passende verhouding ashoogte - rotordiameter);
  • 2. Milieutechnisch:
    • a. Een ProjectMER per aanvraag is vereist en dient betrekking te hebben op de gehele aangewezen locatie;
    • b. De Best Beschikbare Technieken (BBT) worden toegepast.
    • c. De richtwaarde voor de maximale geluidsbelasting (piekbelasting) op woningen bedraagt 47 dB (dag) en 41 dB (nacht);
    • d. In de omgevingsvergunning kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen om rekening te houden met specifieke akoestische situaties en toekomstige ontwikkelingen, zoals rond lawaaisportcentrum Pottendijk, Helihaven Heli Holland Emmer-Compascuum of stille gebieden;
    • e. De geluidseffecten (ook cumulatief) van een aanvraag worden in beeld gebracht;
    • f. De slagschaduweffecten van een aanvraag worden in beeld gebracht;
    • g. Trillingen van grond en lucht dienen te worden voorkomen;
    • h. IJsval dient te worden voorkomen, tenzij sprake is van een situering of oplossing waardoor geen hinder of gevaar voor de omgeving kan ontstaan;
    • i. De windturbine moet zijn voorzien van een antischitteringscoating.
  • 3. Gedragscode:
    • a. Een aanvraag dient te voorzien in een Klachtenregeling;
    • b. Een aanvraag dient te voorzien in een Compensatieregeling;

De gemeente Emmen hanteert de vastgestelde Gedragscode Windenergie gemeente Emmen als uitgangspunt (zie Bijlage 22)

  • 4. Vergunningsaanvraag:
    • a. Een windpark wordt aangevraagd en ontwikkeld als één geheel (ook bij meerdere aanvragers)
    • b. Er wordt een aanvraag ingediend voor een tijdelijke vergunning
    • c. De overige tot de inrichting behorende onderdelen (infrastructuur, wegen, aansluiting op stroomnet, e.d.) worden tevens in de aangevraag betrokken;

Beheer

  • 1. Er wordt inzicht gegeven in het onderhoudsplan;
  • 2. Bij onderhoud, of een initiatief tot upgraden, worden wederom rekening gehouden met de Best Beschikbare Technieken (BBT) op dat moment;
  • 3. Er wordt uitvoering gegeven aan regelingen rondom hinderbeperking, klachten, veiligheid, enzovoorts, in lijn met gedragscode(s), wettelijke bepalingen, vergunningen, enzovoorts.

Sloop
In de aanvraag wordt verklaard dat:

  • 1. Het terrein na verloop van de vergunning in de oorspronkelijke staat wordt hersteld;
  • 2. Zowel de windparken als de bijbehorende inrichting (wegen, infrastructuur, landschappelijke inpassing e.d.) worden na verloop van de vergunning worden verwijderd, tenzij op dat moment anders wordt overeengekomen met het bevoegd gezag.

4.6 Afwijkingsmogelijkheden

De gemeente kan bij de vergunningverlening voor een windpark afwijken van enkele uitgangspunten in deze structuurvisie. Daarmee kan in bepaalde situaties het ontwerp en de uitvoerbaarheid van een windpark verbeterd worden.In de afweging dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met de belangen van omwonenden.

Het college dient deze afwijkingen in de procedure voor een omgevingsvergunning voor een windpark zorgvuldig en expliciet te onderzoeken en af te wegen. Verder ziet de raad toe op een zorgvuldige afweging bij zijn besluitvorming over de Verklaring van geen bedenkingen.

De afwijkingen kunnen betrekking hebben op de volgende onderwerpen:

  • 1. Aanpassing begrenzing aangewezen gebieden
    Veranderende wetgeving op het terreinen van milieu, veiligheid en natuur kan leiden een verandering in de begrenzing van de aangewezen gebieden.
  • 2. Afwijken van de ashoogte van 100 meter en de tiphoogte van 149 meter 
    Er kan worden afgeweken van de voorgeschreven ashoogte van 100 m en de tiphoogte van 149 meter indien en omwonenden via het bewonersplatform tot nadere afspraken zijn gekomen over bijvoorbeeld extra compensatie. Deze afspraken moeten dan zijn vastgelegd in omgevingsovereenkomsten tussen initiatiefnemer en omwonenden. .
  • 3. Verlenging exploitatietermijn naar maximaal 20 jaar  
    De gemeente wil windmolens in beginsel toegestaan voor een periode van maximaal 16 jaar, gerekend vanaf de ingebruikname. Verder dient een sloopverplichting te worden opgenomen in de vergunning. De exploitatietermijn kan worden verlengd tot maximaal 20 jaar, indien de noodzaak of wenselijkheid daartoe en het maatschappelijk draagvlak daarvoor in voldoende mate kunnen worden onderbouwd.

Hoofdstuk 5 Beleidskader

5.1 Rijk

5.1.1 Structuurvisie Wind Op Land (SWOL)

Windenergie op land zal een belangrijke bijdrage leveren aan de verduurzaming van de energievoorziening in Nederland. In 2020 moet er een vermogen van ten minste 6000 MW in de vorm van windmolens op land en in zoet water productief zijn, te realiseren met grootschalige en kleinschalige windenergie. Omdat er van de huidige 2465 MW een deel zal worden gesaneerd of opgeschaald, moet er in de komende 7 jaar naar schatting 4000-5000 MW nieuw vermogen worden gebouwd.

Dit heeft een grote impact op delen van het Nederlandse landschap en de beleving ervan, maar dit biedt ook kansen voor nieuwe landschappen en economische ontwikkelingen. Op de eerste plaats zorgt concentratie van windmolens in parken en van windmolenparken in windenergiegebieden voor een beperking van de effecten op het landschap en voor het behoud van afwisseling in de Nederlandse landschappen. Ten tweede draagt plaatsing van windmolens op een consistente en voor iedereen inzichtelijke manier bij aan de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit van windenergielandschappen. Op basis van deze inzichten wijst het kabinet gebieden aan die geschikt zijn voor grootschalige windenergie. Op de derde plaats erkent het kabinet dat zorgvuldige planning van windmolenparken niet kan voorkomen dat bepaalde kenmerken van landschappen veranderen waaraan de bewoners gehecht zijn. Door het betrekken van belanghebbenden kan, gegeven de randvoorwaarden, evenwel een goede discussie worden gevoerd over verschillende plaatsingsalternatieven.

Keuze van gebieden voor grootschalige windenergie
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het rijk zijn 'kansrijke gebieden' aangewezen voor grootschalige windenergie. Dit zijn gebieden waar het relatief vaak en hard waait, en die grootschalige cultuurlandschappen bevatten alsook haven- en industriegebieden en grootschalige waterstaatswerken en andere hoofdinfrastructuur. Deze landschappen hebben merendeels ook een bevolkingsdichtheid die naar Nederlandse maatstaven laag is. In deze gebieden verhoudt de maatvoering van moderne grote windmolens zich gunstig tot de schaal van het landschap.

Inrichtingsprincipes en ruimtelijk ontwerp in samenspraak
De manier waarop een groot windmolenpark in een gebied wordt ingepast, moet inzichtelijk worden gemaakt. Andere belangrijke functies, waaronder die van een leefbare woonomgeving, moeten mogelijk blijven. Vanwege de invloed van grootschalige windmolenparken op het landschap en de leefomgeving is het aan te bevelen dat bij nieuwe windmolenparken de betrokken overheden samen met de initiatiefnemers een samenhangend ruimtelijk ontwerp maken voor het gehele (deel)gebied. Bij het maken van dit ruimtelijke ontwerp zijn de onderstaande inrichtingsprincipes van belang.

  • 1. Aansluiten bij landschap. Het verdient de voorkeur om bij de plaatsing aan te sluiten op grotere structuren zoals de grens tussen land en groot water, de hoofdverkavelingsrichting of de hoofdinfrastructuur.
  • 2. Herkenbare interne orde. Een goed herkenbare interne orde wordt hoger gewaardeerd dan een afwezige of slecht herkenbare interne orde. Hierbij zijn lijnopstellingen (ook als deze een kromming hebben) vanuit alle zichthoeken over het algemeen goed herkenbaar.
  • 3. Afstand tussen parken. Om twee afzonderlijke windparken ook als zodanig te beleven, is een zekere afstand van windparken ten opzichte van elkaar nodig. Deze minimale afstand is afhankelijk van de grootte van de windparken en de openheid van het landschap.

Bestuurlijke afspraken over doelbereiking
Het realiseren van de 6000 MW is een gedeelde verantwoordelijkheid van Rijk, provincies, gemeenten en marktpartijen zoals bekrachtigd in het Nationaal Energieakkoord van 2013. Op 18 juni 2013 heeft het IPO namens de provincies de Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken laten weten dat de provincies er in geslaagd zijn om de volledige 6000 MW te verdelen over de individuele provincies. In Drenthe is de taakstelling vastgesteld op 285,5 MW.

Aanwijzing De Drentse Veenkoloniën
Het kabinet heeft een aantal gebieden aangemerkt als "geschikt voor grootschalige windenergie'' (meer dan 100MW), waaronder een deel van de Drentse Veenkoloniën. Dit aangewezen gebied "De Drentse Veenkoloniën" is een voormalige veenontginningsgebied waardoor een grootschalig rationeel verkaveld landschap is ontstaan. Het gebied wordt doorsneden door een aantal provinciale wegen. Het gebied wordt gekenmerkt door een aantal kleine kernen, de vele bebouwingslinten en agrarisch gebruik. In dit gebied zijn nog geen windmolens opgesteld, maar er wordt wel gewerkt aan verschillende initiatieven voor grootschalige windenergie.

Aandachtspunten:

  • Horizonbeslag en aantasting karakteristieke openheid.
  • Geluidshinder en slagschaduw.
  • Beschermde gezichten Annerveensche Kanaal en Eexterveensche Kanaal
  • Netinpassing.
  • Vleermuizen (hoogste risicosoorten).
  • Ruimtelijk-visuele interferentie tussen opstellingen binnen het gebied.
  • LOFAR.
  • Verstoring defensieradar en laagvliegroute Defensie.
  • Externe Veiligheid transportleidingen.
  • Verdubbeling N33.
  • Verstoring apparatuur luchtverkeerleiding.

5.2 Provincie Drenthe

5.2.1 Omgevingsvisie Drenthe

De geactualiseerde Omgevingsvisie Drenthe is vastgesteld op 2 juli 2014. Met de geactualiseerde Omgevingsvisie is de ruimtelijke inpassing m.b.t. het onderdeel Windenergie vastgesteld.

De provincie Drenthe heeft met de rijksoverheid afgesproken in Drenthe 285,5 MW aan windenergie te plaatsen, als bijdrage aan het realiseren van de rijksdoelstelling van 6000 MW voor 2020. Voor de realisatie van windenergie in Drenthe hebben provinciale staten een zoekgebied aangewezen. Dit zoekgebied omvat de gemeente Emmen en delen van de gemeenten Coevorden, Borger-Odoorn en Aa en Hunze.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0028.png"

Afbeelding 5.1: Omgevingsvisie Zoekgebied grootschalige Windenergie

Het provinciale beleid sluit ook aan op de in maart 2014 door het Kabinet vastgestelde Structuurvisie Wind Op Land (SvWOL). Hierin is het oostelijke Veenkoloniale gebied van de gemeenten Aa en Hunze en Borger-Odoorn aangewezen als één van de elf gebieden in Nederland die zich lenen voor ontwikkeling van grootschalige windenergie (>100 MW).

Voor de ontwikkeling van windparken wordt gestreefd naar logische locaties met herkenbare opstellingen. Aan de toepassing van windenergie worden de volgende eisen gesteld:

  • Het vermogen van een windmolen dient ten minste 3 MW te bedragen.
  • Solitaire windmolens zijn niet toegestaan. Molens dienen ten minste in een cluster van vijf te worden gerealiseerd.
  • Windmolens worden in LOFAR-zone 1 uitgesloten en mogen in LOFAR-zone 2 het LOFAR-project niet hinderen. (LOFAR 1: storingsvrije zone rondom het centrale LOFAR gebied bij Exloo en Buinen I, LOFAR 2: ruimere overlegzone rondom dat gebied)
  • Er moet rekening worden gehouden met laagvliegroutes.
  • Er moet voldaan worden aan de natuur- en milieuwetgeving en de wettelijk eisen op het gebied van gezondheid (o.a. Natura 2000, rode-lijstsoorten, geluid, veiligheid).
  • De kernkwaliteiten dienen zoveel als mogelijk behouden te blijven.
5.2.2 Gebiedsvisie windenergie Drenthe

De Gebiedsvisie windenergie Drenthe is op 23 juni 2013 vastgesteld door Provinciale Staten. In de Gebiedsvisie windenergie Drenthe wordt aangegeven waar en hoe de opgave van 280 MW kan worden gerealiseerd. De locaties en gebieden die in aanmerking komen voor het plaatsen van windmolens worden nader begrensd. Ook worden de randvoorwaarden en ontwerpuitgangspunten beschreven waaronder plaatsing mogelijk is. De Gebiedsvisie is een gezamenlijk product van de vier betrokken gemeenten en de provincie.

De ontwikkeling van windenergie wordt gezien als onderdeel van een integrale gebiedsontwikkeling. Een financiële bijdrage vanuit een windpark aan gebiedsontwikkeling is een voorwaarde voor het realiseren van een windpark. Hiermee kan een impuls worden gegeven aan de leefbaarheid, omgevingskwaliteit en economische ontwikkeling. Betrokken partijen, waaronder omwonenden, dienen te worden betrokken bij het realisatieproces en de invulling van de gebiedsontwikkeling. Tevens wordt verwacht dat initiatiefnemers omwonenden de mogelijkheid bieden om financieel te kunnen participeren (zie in dit verband ook Hoofdstuk 10 Financiële aspecten).

De kenmerken van de landschapstypen en de opgeleverde adviezen zijn gebruikt voor het formuleren van ruimtelijke ontwerpuitgangspunten. Vanuit de ruimtelijke invalshoek wordt de voorkeur uitgesproken voor windmolens met een zo groot mogelijk vermogen. Deze turbines zijn in het algemeen hoger, lijken slanker en draaien trager, hetgeen een rustiger beeld geeft. Gestreefd wordt naar windparken op logische locaties met herkenbare opstellingen:

  • 1. Het landgebruik bepaalt locaties voor windparken.
  • 2. De ruimtelijke karakteristiek van de leefomgeving bepaalt de dichtheid van windparken.
  • 3. Gebiedskenmerken bepalen opstellingsvorm en inrichtingsmaatregelen.
5.2.3 Energiestrategie Drenthe

In de Energiestrategie Drenthe benoemt de provincie welke klimaat- en energiedoelstellingen worden nagestreefd. Windenergie speelt hierin een kleine, maar essentiële rol.

Geconstateerd wordt dat de klimaat- en energiedoelstellingen alleen binnen bereik kunnen komen vanuit een brede maatschappelijke transitie. De provincie wil door de organisatie van een Energiedialoog hierin een actieve bijdrage leveren.

5.2.4 Provinciale Omgevingsverordening Drenthe

Het omgevingsbeleid uit de Omgevingsvisie is vertaald naar de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (POV). De POV is juridisch bindend voor de gemeente. Binnen de POV is bepaald dat een ruimtelijk plan alleen kan voorzien in de toepassing van windenergie indien dit geschiedt via realisering van windmolenparken in gebieden die als 'Windenergie (zoekgebied)' zijn aangeduid op de kaart "Zoekgebied grootschalige windenergie" van de Omgevingsvisie Drenthe.

Overige eisen die binnen de POV ten aanzien van windenergie worden gesteld:

  • Het vermogen van een windmolen bedraagt ten minste 3 MW;
  • windmolens worden ten minste in een cluster van 5 gerealiseerd;
  • Rekening dient te worden gehouden met laagvliegroutes en laagvlieggebieden

Op dit moment wordt gewerkt aan een actualisatie van de POV. De inhoudelijke eisen ten aanzien van de realisatie van windmolenparken worden naar verwachting niet gewijzigd. Wel is er een aangepaste kaart met het zoekgebied voor grootschalige windenergie opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0029.png"

Afbeelding 5.2: Kaart zoekgebied grootschalige windenergie Provinciale Omgevingsverordening Drenthe

Bij het opstellen van de Structuurvisie Emmen, Windenergie is geanticipeerd op de geactualiseerde POV.

5.3 Gemeente Emmen

5.3.1 Structuurvisie Emmen 2020, Veelzijdigheid troef

De Structuurvisie gemeente Emmen 2020, Veelzijdigheid troef, is 24 september 2009 vastgesteld. De structuurvisie is opgesteld als ruimtelijke vertaling van de ambities gesteld in de Strategienota Emmen 2020 (vastgesteld september 2001). De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Emmen weer. In de structuurvisie wordt de ruimtelijke structuur van 2020 geschetst aan de hand van een aantal thema's, te weten landschap, duurzaamheid, verkeer, werken, wonen, voorzieningen en veiligheid.

Over windenergie wordt aangegeven dat Emmen de mogelijkheden nader onderzoekt. De voorliggende structuurvisie "Emmen, Windenergie" voorziet hier nu in.

5.3.2 Energienota, Energie voor Groene Groei

De Energienota van de gemeente Emmen, Energie voor Groene Groei, is april 2012 vastgesteld door de raad. De Energienota biedt het kader voor de gemeente op het gebied van energie met als doel reductie van CO2 uitstoot. De doelstelling van de gemeente Emmen is om rond 2050 CO2 neutraal te zijn. Emmen is CO2 neutraal als het energiegebruik volledig bestaat uit duurzame energie.

5.3.3 Bestemmingsplan Buitengebied Emmen

Het bestemmingsplan "Buitengebied Emmen" maakt de realisatie van windmolens niet mogelijk. Het bestemmingsplan is vastgesteld in de periode waarin de gemeente Emmen zich nog aan het oriënteren was op de mogelijkheden voor windenergie. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt aangegeven wordt dat de eventuele realisatie van windparken maatwerk vereist. Op basis van de voorliggende structuurvisie "Emmen, Windenergie" is dit maatwerk mogelijk.

Voor de plaatsing van windmolens zal, op basis van de Wabo, een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan verleend moeten worden. Deze structuurvisie biedt daarvoor het toetsingskader.

5.3.4 Taakstelling

Het College van de gemeente Emmen zet met zijn Bestuursakkoord 2014-2018 in op een windmolenvrije gemeente. En als er toch windmolens geplaatst moeten worden, bijvoorbeeld door aanwijzing van Rijk en provincie, dan wil de gemeente zelf de regie voeren ten aanzien van de locatieskeuzes en de plaatsingsvoorwaarden.

In de zomer van 2014 heeft de provincie Drenthe besloten dat er 95,5 MW in de gemeente Emmen moet worden gerealiseerd. Op basis van de provinciale taakstelling is er overlegd gevoerd tussen provincie en gemeente. Het resultaat van dit overleg is dat de provincie vasthoudt aan de taakstelling en de gemeente Emmen een opgave van 95,5 MW windenergie opgelegd wordt, te realiseren voor 2021. Hierbij dient de gemeente Emmen voor 1 december 2014 een regieplan vast te stellen om zelf de regie te verkrijgen.

De gemeenteraad van de gemeente Emmen heeft in een op 26 juni 2014 aangenomen motie het College verzocht het beleid met betrekking tot windenergie zo nodig aan te passen aan het Bestuursakkoord 2014-2018. Met het Regieplan Windenergie Emmen van 27 november 2014 is mede uitvoering gegeven aan deze motie.

5.3.5 Regieplan Windenergie Emmen

Het Regieplan Windenergie Emmen is op 27 november 2014 door de raad vastgesteld. Het Regieplan beschrijft hoe de gemeente uitvoering geeft aan de regie over het realiseren van de opgave om 95,5 MW aan windmolens binnen de gemeente Emmen. De Beleidsregel "Windmolenopstelling gemeente Emmen" uit 2012 is met het vaststelling van het Regieplan ingetrokken.

De uitgangspunten van het Regieplan zijn in deze paragraaf samengevat.

Beperking hinder en gezondheidsrisico's voor omwonenden
De gemeente streeft in de eerste plaats naar een beperking van hinder en gezondheidsrisico's voor omwonenden. Om deze reden wordt een zo groot mogelijke afstand tussen woongebieden en windmolens aangehouden.

Proces en betrokkenen
Het Regieplan beschrijft het vervolgtraject voor het ontwikkelen van windenergie. Zowel procedureel als over de rol van alle betrokkenen in het vervolgproces. Gewenst is een open proces waarin de belangen van alle betrokken worden gewogen. omwonenden worden betrokken bij de verdere planontwikkeling. De gemeente heeft om die reden het Platform Windkracht 3 ingericht voor het organiseren van het gebiedsproces. Het platform levert als eindproduct de concept Gedragscode Windenergie Emmen op en een bundeling van de uitkomsten uit de gebiedsprocessen.

Verantwoordelijkheid gebiedskeuze
Het Regieplan benadrukt dat de raad uiteindelijk beslist over de aanwijzing van de gebieden voor windenergie in de Structuurvisie. Inwoners dragen geen verantwoordelijkheid voor de gebiedskeuze.

Opbrengsten
De taakstelling dient te worden ingevuld op een manier waarop inwoners zoveel mogelijk kunnen profiteren van de komst van windmolens. Een deel van de mogelijke opbrengsten voor de gemeente worden aan Windfondsen toegevoegd. Er wordt gezocht naar kansen voor regionale economische versterking en financiële bewonersparticipatie.

Zoekgebieden
Het Regieplan heeft zoekgebieden voor windmolens aangewezen. Randvoorwaarden die de gemeente zich heeft gesteld bij het bepalen van de zoekgebieden zijn:

  • 1. Het hele grondgebied van de gemeente Emmen is zoekgebied.
  • 2. Een zo groot mogelijke afstand tussen windmolens en woongebieden. Hiervoor is een afstand van circa 1100 meter gehanteerd.
  • 3. Zowel woonkernen (dorpen en wijken) als linten (conform de beleidsnotitie Bouwen in de Linten) zijn woongebieden.
  • 4. Het is ongewenst dat woongebieden omringd worden door twee of meer windparken.

Geconstateerd is dat er acht gebieden zijn die voldoen aan alle wettelijke, provinciale en bestaande gemeentelijke randvoorwaarden:

  • 1. Pottendijk
  • 2. De Vennen
  • 3. Groenedijk
  • 4. Zwartenbergerweg
  • 5. Berkenrode
  • 6. Noordersloot
  • 7. N34
  • 8. Tuinbouwgebied Klazienaveen

Na vaststelling van het Regieplan is het gebied "Veenschapsweg" als negende zoekgebied door de raad aangewezen.

9. Veenschapsweg

5.3.6 Inventarisatiekaart

Bij het Regieplan hoort een Belemmeringenkaart, waarop contouren rondom woongebieden (1100 m) en solitaire woningen (500 m) staan. Tevens is rekening gehouden met diverse veiligheidscontouren en natuurgebieden.

De "Inventarisatiekaart Windenergie Emmen" is de geactualiseerde versie van de Belemmeringenkaart. De Inventarisatiekaart identificeert en begrenst de zoekgebieden. Het vormt de grondslag voor de onderzoeken en het Gebiedsproces inclusief ontwerpateliers van Platform Windkracht 3. De door B&W vastgestelde "Inventarisatiekaart Windenergie Emmen" is opgenomen in Bijlage 1.

 

Hoofdstuk 6 Proces

6.1 Platform Windkracht 3

De gemeente Emmen vindt het belangrijk dat inwoners mee kunnen praten over hoe windmolens het best in hun gebied geplaatst kunnen worden en onder welke randvoorwaarden. De gemeente wil een open proces, waarin de belangen van alle betrokkenen (omwonenden, ontwikkelaars, lokaal bedrijfsleven en de gemeente) worden afgewogen. Platform Windkracht 3 speelt een belangrijke rol in dit proces. In het platform Windkracht 3 zitten Rob Rietveld, directeur Nederlandse Vereniging omwonenden windmolens (NLVOW) en Reinder Hoekstra, directeur Natuur- en Milieufederatie Drenthe. De gemeente Emmen ondersteunt het platform. De naam Windkracht 3 is een verwijzing naar de drie partners. Platform Windkracht 3 heeft twee opdrachten:

  • 1. Het organiseren van ontwerpateliers waarin de ruimtelijke ontwerpen voor de opstelling van de windmolens wordt besproken;
  • 2. Het opstellen van een concept Gedragscode Emmen waarin de randvoorwaarden voor de projectontwikkeling worden bepaald.

De bevindingen uit de gebieden worden ter advisering aan het college van B&W voorgelegd en vervolgens aan de gemeenteraad aangeboden.

Proces
Op 15 januari 2015 is de startbijeenkomst van Platform Windkracht 3 georganiseerd. Hier is informatie over de invulling van het Gebiedsproces verschaft. Ook is er een excursie naar een windpark georganiseerd, dit om de bewoners van extra informatie te voorzien. In totaal zijn elf ontwerpateliers georganiseerd. Alle opgehaalde informatie is verzameld en gebundeld. Deze gebundelde informatie is vervolgens aan het gebied voorgelegd in een gemeentebrede sessie.

6.2 Structuurvisie

Betekenis
Een structuurvisie is een strategisch beleidsdocument voor het vaststellen van ruimtelijk beleid. Iedere gemeente is verplicht om voor haar gehele grondgebied één of meerdere structuurvisies op te stellen ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voor Emmen is dit de Structuurvisie gemeente Emmen 2020, Veelzijdigheid troef, van september 2009. Daarnaast kan de gemeente een deelstructuurvisie of een sectorale structuurvisie opstellen.

De structuurvisie Emmen, Windenergie is zo'n sectorale structuurvisie. De gemeenteraad is bevoegd tot de vaststelling van de structuurvisie. Met de vaststelling legt de gemeenteraad het ruimtelijk beleid ten aanzien van de plaatsing van windmolens in de gemeente Emmen vast. De gemeenteraad en het college van B&W zijn later bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan gehouden aan wat in de structuurvisie is opgenomen. Burgers en andere overheden zijn niet aan de structuurvisie gebonden. Beroep tegen een structuurvisie is, omdat deze niet bindend is voor burgers, niet mogelijk.

Voor plaatsing van windmolens moet worden afgeweken van de bestaande bestemmingsplannen. Dat is, op basis van de Wro en de Wabo, mogelijk met een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan. De structuurvisie biedt dan het toetsingskader. Hoofdstuk 9 gaat nader in op de procedure die dan moet worden gevolgd.

In een structuurvisie moet worden aangegeven of en hoe de in de structuurvisie beoogde ontwikkelingen kunnen worden gerealiseerd (Wro art 2.1 lid 3). De economische haalbaarheid moet worden onderbouwd. In Hoofdstuk 10 (paragraaf 10.2) wordt daarop ingegaan.

Een structuurvisie geeft de gemeente ook bevoegdheden op grond van de Grondexploitatiewet (afdeling 6.4 Wro) met betrekking tot kostenverhaal. In de structuurvisie moet dan wel worden aangegeven welke kosten hiervoor in aanmerking komen. In een overeenkomst over grondexploitatie (de zogeheten exploitatieovereenkomst) kunnen bepalingen worden opgenomen over financiële bijdragen aan gebiedsontwikkeling.

Binnen de structuurvisie wordt geen onderscheid gemaakt in de benadering van bewoners van de gemeente Emmen en bewoners van omliggende gemeenten in Nederland en Duitsland. Dezelfde uitgangspunten zijn toegepast.

Toetsing aan de structuurvisie
Een belangrijk voordeel van het formuleren van beleid in een structuurvisie is dat dit beleid niet steeds opnieuw ter discussie staat. Door vaststelling van een structuurvisie heeft de gemeente de gewenste ontwikkeling in hoofdlijnen vastgesteld. De structuurvisie Emmen, Windenergie is het toetsingskader voor de plaatsing van windmolens in de gemeente Emmen. Voor initiatiefnemers en omwonenden is hiermee duidelijk waar een concreet initiatief aan wordt getoetst en aan welke voorwaarden deze moet voldoen. Behalve aan de structuurvisie zullen initiatieven ook getoetst moeten worden aan plannen en kaders van hogere overheden en aan wettelijke bepalingen.

In concrete en goed gemotiveerde situaties kan worden afgeweken van de inhoud van de structuurvisie. Daarbij moeten alle belangen en consequenties zeer zorgvuldig worden gewogen. In gevallen waarin het gaat om een afwijking waarbij ook het beleid gewijzigd wordt, beslist de gemeenteraad door wijziging van de structuurvisie. Afwijking kan ook betekenen dat het uitgevoerde PlanMER moet worden aangevuld. Dit wordt dan gedaan via een zogenaamde oplegnotitie.

6.3 PlanMER

Het Milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Een structuurvisie die de plaatsing van 15 MW of meer aan windenergie mogelijk maakt is volgens het Besluit milieueffectrapportage (categorie D22.2) MER-beoordelingsplichtig. Gezien de mogelijke gevolgen voor het milieu heeft de gemeente Emmen besloten om ten behoeve van de structuurvisie Emmen, windenergie een PlanMER op te stellen. De procedure van het PlanMER is gekoppeld aan de procedure die moet worden doorlopen voor het betreffende plan of besluit, de zogenoemde “moederprocedure”. In dit geval is de structuurvisie Emmen, Windenergie de “moederprocedure”. Doel van het PlanMER is om de milieugevolgen in een vroegtijdig stadium in de besluitvorming te betrekken.

In het PlanMER worden de milieugevolgen en de reële alternatieven systematisch, transparant en objectief in beeld gebracht. Ook worden maatregelen beschreven om negatieve gevolgen op het milieu te voorkomen of te beperken. Het PlanMER is ondersteunend zijn aan het besluitvormingsproces van de structuurvisie Emmen, Windenergie. Het PlanMER richt zich op de mogelijkheden en effecten van een windmolenopstelling op verschillende locaties. Het PlanMER is globaal van karakter omdat in deze fase van de planontwikkeling nog veel details ontbreken.

Alternatieven
Er dienen alternatieven te worden onderzocht in het kader van een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering van het te nemen besluit. Het alternatievenonderzoek hoort dan ook tot de kern van de PlanMER procedure. Daarmee komen milieugevolgen van een activiteit beter in beeld en kunnen milieuvriendelijker opties worden overwogen. Het moet hierbij gaan om “redelijkerwijs” in beschouwing te nemen alternatieven. Het is nadrukkelijk niet zo dat alle mogelijke alternatieven onderzocht moeten worden. Bepalend hiervoor is dus het criterium “redelijkerwijs”.

Commissie voor de m.e.r.
De gemeenteraad van Emmen heeft besloten om de Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie) in te schakelen. Bij de start van het m.e.r.-onderzoek (bij de terinzagelegging van de notitie Reikwijdte en Detailniveau), is aan de commissie advies gevraagd over de opzet van het m.e.r.-onderzoek. Op 12 februari 2015 heeft de Cie haar advies over reikwijdte en detailniveau van het milieu-effectrappart (3008-17) afgeven. Op 15 september 2015 heeft de Commissie zijn toetsingsadvies over het PlanMER uitgebracht.

6.4 Natuurbeschermingswet (Passende Beoordeling)

In de Natuurbeschermingswet 1998 is aangeven dat een passende beoordeling moet worden opgesteld indien gelet op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden en Vogelrichtlijnsoorten, significante gevolgen kunnen optreden. Dan gaat het onder meer om effecten op het Natura 2000-gebied Bargerveen nabij Weiteveen. Een passende beoordeling wordt dus naast het PlanMER opgesteld en vormt een afzonderlijk toetsingskader voor de aanwijzing van locaties voor de plaatsing van windmolens.

Omdat negatieve gevolgen voor Natura 2000 gebieden en Vogelrichtlijnsoorten niet met zekerheid zijn uit te sluiten moet behoeve van de structuurvisie Emmen, Windenergie ook een passende beoordeling worden opgesteld. Indien een passende beoordeling moet worden opgesteld is er een wettelijke verplichting tot het opstellen van een PlanMER (artikel 7.2a Wet milieubeheer). De passende beoordeling is opgenomen in het PlanMER.

Als uit de passende beoordeling blijkt dat sprake is van mogelijk significant negatieve effecten kan alleen toestemming (een Nb-wetvergunning) voor de activiteit gegeven worden als er geen alternatieven voor de activiteit zijn, er dwingende redenen van groot openbaar belang mee gediend zijn en de negatieve gevolgen gecompenseerd worden (de ADC-toets). Op voorhand kan worden gesteld dat in Emmen voldoende alternatieven zijn om te voorzien in een windmolenopstelling van 95,5 MW aan windenergie. In dat geval zal een Nb-wet niet worden verleend. Locaties waarvan in de passende beoordeling is gebleken dat negatieve gevolgen met zekerheid niet zijn uit te sluiten komen dan ook niet voor aanwijzing voor een windmolenopstelling in aanmerking.

Hoofdstuk 7 Bevindingen

7.1 PlanMER

Ten behoeve van deze structuurvisie zijn een PlanMER en een Passende Beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet noodzakelijk. De PlanMER en de Passende Beoordeling zijn opgesteld door de adviesbureau's BügelHajema, Tauw, en Ecofys. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies per onderzoeksthema beschreven.

Het PlanMER en de Passende Beoordeling zijn opgenomen in Bijlage 4 PlanMER (en de bijbehorende achtergronddocumenten in bijlagen 6 tot en met 10).

Maximale invulling per zoekgebied
Het PlanMER gaat in de eerste plaats uit van een maximale invulling per zoekgebied. Een maximale invulling betekent dat wordt uitgegaan van het maximaal aantal windmolens dat je in een zoekgebied redelijkerwijs nog kwijt kan. Daarmee brengt men de maximale milieugevolgen van een windmolenopstelling in een zoekgebied in beeld. Voor elk zoekgebied zijn de gevolgen van een maximale invulling met windmolens van 3 MW onderzocht. Als een zoekgebied ook ruimte biedt voor een maximale invulling met ten minste 5 windmolens met een vermogen van 5 MW, dan is dat ook onderzocht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0030.png" Tabel 7.1 Maximale invulling per locatie (bron: planMER)

Alternatieven met circa 95,5 MW opgesteld vermogen
Na het vaststellen van de locaties en bijhorende invulling is per locatie en opstelling voor de verschillende milieuthema's in beeld gebracht wat de effecten zijn. Het combineren van de verschillende locaties heeft geleid tot de samenstelling van enkele alternatieven. Die alternatieven zijn tot stand gekomen via een trechteringsproces. Eerst is gekozen voor een thematische inslag, waarbij zijn onderscheiden:

  • 1. woon- en leefmilieu
  • 2. landschap
  • 3. opbrengst

Aanvullend hierop zijn spreidings- en concentratiealternatieven (voor beiden een 3- en 5 MW-opstellingsvariant) opgesteld. Verder is het thema natuur is in deze alternatieven verwerkt. De alternatieven zijn bovendien zo gekozen dat de opgewekte hoeveelheid zo dicht mogelijk bij de 95,5 MW uitkomt en dat er minstens 5 windturbines op één locatie staan.

Insluiting
Als randvoorwaarde voor het combineren van de locaties geldt dat woongebieden, waaronder linten, niet omringd mogen worden door twee of meer windturbineparken. Dit sluit aan op de uitgangspunten in het Regieplan. Op bewonersbijeenkomsten hebben ook omwonenden de wens uitgesproken om insluiting te voorkomen. Daarom is in het planMER getracht om insluiting nader te onderzoeken.

'Insluiting' blijkt sterk afhankelijk van landschappelijke factoren en dit is daarom kwalitatief beoordeeld in het planMER. Verder kan men op grond van woon- en leefmilieuhinder kan men een maat voor insluiting definiëren. Ook dit is beoordeeld in het planMER Geluidsbelasting is dan het meest maatgevend. Met hantering van de 37Lden-contour is een 2 km-contour ingetekend om de locaties en de bestaande en toekomstige windparken in de omgeving. Deze definitie heeft tot gevolg dat locaties die minder dan 4 kilometer uit elkaar liggen niet met elkaar verenigbaar zijn.

Mogelijkheden voor alternatieven die niet in het PlanMER zijn onderzocht
Het is uitdrukkelijk mogelijk om in deze structuurvisie af te wijken van de alternatieven die in het PlanMER zijn onderzocht. Het PlanMER is zo opgesteld dat naar believen ook andere combinaties kunnen worden samengesteld. Wel vormt zonder nader milieueffectonderzoek de maximale invulling per locatie een bovengrens.

Resultaten Geluid
Windturbines in Nederland vallen onder de geluidregelgeving van het Activiteitenbesluit. De normstelling hierin stelt dat het jaargemiddelde geluidsniveau (Lden) bij woningen en andere geluidsgevoelige objecten ten gevolge van windturbines niet meer mag bedragen dan 47 dB(A). Daarnaast geldt dat het jaargemiddelde geluidsniveau gedurende de nachtperiode (Lnight) niet meer mag bedragen dan 41 dB(A). De nachtperiode loopt van 23:00 tot 7:00 uur.

Voor opstellingen in 3 MW varianten (met een maximale invulling) leidt de locatie Pottendijk tot het hoogst aantal gehinderden. Voor de 5 MW varianten leiden de locaties Groenedijk en Pottendijk tot het hoogst totaal aantal gehinderden.

Uit de uitgevoerde geluidsberekeningen is op te maken dat uit de geselecteerde combinaties de concentratie modellen leiden tot de meeste gehinderden als gevolg van windturbine geluid. In deze varianten wordt het merendeel van de windmolens geplaatst in de locatie Pottendijk. Het gunstigst scoort het alternatief woon- en leefklimaat dat uitgaat van 3 MW-opstellingen op de locaties N34, Zwartenbergerweg en Pottendijk, met geen maximale invulling op de locaties Zwartenbergerweg (6 in plaats van 8 windmolens) en Pottendijk (19 in plaats van 31 windmolens).

Het planMER berekent het aantal gehinderden op basis van de verwachte geluidsbelasting op omliggende woningen (de Lden 37-contour). Het planMER houdt geen rekening met de 500 of 1100 metercontour uit het Regieplan. In het planMER is zowel het aantal gehinderden per zoekgebied bij een maximale invulling berekend als het totaal aantal gehinderden bij de onderzochte combinaties van zoekgebieden. De resultaten van het planMER zijn in onderstaande tabel aangevuld met tellingen van het aantal woningen binnen 500-1100 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0031.png"

Tabel 7.1*: Indicatie van het aantal woningen binnen 500 en 1100 meter, en van het aantal gehinderden volgens het planMER. In drie kolommen is een kleurmarkering aangebracht. Per kolom zijn de beste scores groen gemaakt en de slechte scores rood. 

* Deze tabel is ook in groter formaat beschikbaar, zie hiervoor Bijlage 11.

Er zijn verschillende technische mogelijkheden om geluidshinder door windturbines te beperken. Zo kan gekozen worden voor een stiller windturbinetype, toepassing van stillere bladen, het bedrijven van de windturbine in een gereduceerde modus of het optimaliseren van de opstelling (3 of 5 MW-windturbines) binnen een locatie.

Voor de locatie Pottendijk is tevens de geluidscumulatie van de windparkvarianten en het lawaaisportcentrum Pottendijk onderzocht. (Zie ook Bijlage 7 Achtergronddocument bij planMER: geluid met de daarbij behorende Appendix C). Deze berekeningen zijn gebaseerd op een aantal aannames. Uit deze berekeningen valt op te maken dat cumulatie van geluid inderdaad aandacht verdient in dit gebied.

Resultaten Slagschaduw
Slagschaduw is de schaduw van de windturbine op de ondergrond of achtergrond. Deze slagschaduw draait met de zon mee en reikt bij zonsopgang en -ondergang in de winter het verst. Als slagschaduw op het raam van een woning valt kan dat als hinderlijk worden ervaren. Vooral de wisseling tussen wel en geen schaduw kan als ergerlijk worden ervaren.

Bij een volledige invulling van de locaties met 3 MW windmolens, hebben de locaties Pottendijk en en Tuinbouwgebied het meeste aantal gehinderden. Voor 5 MW windmolens geldt dit voor de locatie Pottendijk (Veenschapsweg buiten beschouwing gelaten). Er is geen enkele locatie zonder effecten voor omwonenden.

Voor wat betreft de geselecteerde combinaties valt op dat het Alternatief concentratie 3 MW en het alternatief woon en leefomgeving 3 MW het minste aantal gehinderden hebben. De in het planMER onderzochte spreidingsmodellen scoren het minst.

Hinder door slagschaduw kan echter veelal gemakkelijk voorkomen worden door de windturbines altijd stil te zetten als er sprake is van slagschaduw op een van de omliggende woningen. Dat gaat ten koste van de opbrengst van het windpark maar is meestal niet meer dan enkele tienden procenten van de jaaropbrengst. De meeste projecteigenaren kiezen er daarom voor om hinder door slagschaduw helemaal te voorkomen

Tevens is het mogelijk om door een aanpassing van de opstelling de hinder door slagschaduw te beperken. Daarnaast kan ook de keuze van een windturbine een positieve invloed hebben op de vermindering van de slagschaduw.

Resultaten Natuur en Passende Beoordeling
Noordersloot (en Veenschapsweg)

Uit de uitgevoerde Passende Beoordeling blijkt dat voor de locaties Veenschapsweg en Noordersloot belangrijke belemmeringen gelden vanuit de natuurbeschermingswet. De haalbaarheid van de locaties Veenschapsweg en Noordersloot blijkt daardoor na onderzoek nihil te zijn.

Beide gebieden liggen op relatief korte afstand van het Natura 2000 gebied Bargerveen. Vanuit het Bargerveen pendelen beschermde vogelsoorten naar omliggende foerageergebieden. Beide locaties liggen in de zogenaamde foerageerroute van de soorten. Dit leidt mogelijk tot slachtoffers. Een significant effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze soorten kan daardoor niet worden uitgesloten. Echter, om deze nadelige effecten te voorkomen, kunnen mitigerende maatregelen worden getroffen.

Een doeltreffende mitigerende maatregel kan zijn het creëren van foerageergebied tussen het locatie en het Natura 2000 gebied. Echter, aan de westzijde van het Bargerveen is een zeer aanzienlijke oppervlakte aan foerageergebied nodig om de volledige instandhoudingsdoelstelling van beschermde vogelsoorten te accommoderen: In totaal circa 39 km2. De fysiek aanwezige ruimte tussen gebied Veenschapsweg en Noordersloot is hiervoor te beperkt. Ook met het inperken van delen van het locatie Veenschapsweg zijn mitigerende maatregelen waarschijnlijk niet afdoende.

Tuinbouwgebied Klazienaveen

Ook voor de locatie Tuinbouwgebied Klazienaveen is indicatief berekend hoeveel extra vierkante kilometer aan leefgebied moet worden gecreerd om de nadelige effecten van windmolens te compenseren. Deze locatie ligt na Noordersloot (een Veenschapsweg) het meest nabij het Bargerveen. Voor deze locatie is berekend dat circa 8 vierkante kilometer (7,81 km2) aan extra fourageergebied moet worden gecreerd. Dit maakt realisatie van windenergie op de locatie Tuinbouwgebied Klazienaveen onzeker.

N34

In de passende beoordeling worden voor de locatie N34 geen significante negatieve effecten voor de Vogelrichtlijnsoorten verwacht.

Overige locaties

De effecten van het voornemen op de Flora- en faunawet voor de verschillende overige locaties zijn niet onderscheidend. Bovendien wordt verwacht dat deze effecten voor de grondgebonden soortgroepen naar verwachting goed te mitigeren zijn. Door een zorgvuldige locatiekeuze in combinatie met passende mitigatiemaatregelen kunnen de effecten naar verwachting beperkt blijven. Voor de vliegende soortgroepen vogels en vleermuizen vormen windturbines een extra risicofactor vanwege aanvaringen, naast de mogelijke effecten door aantasting van vaste verblijfplaatsen. Aanvaringen zijn niet eenvoudig te mitigeren.

Interne effecten op de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) worden op voorhand uitgesloten, omdat EHS-gebieden worden gemeden bij de keuze van de plaatsing van de windturbines. Bij de locaties Pottendijk, Zwartenbergerweg, Noordersloot en Veenschapsweg effecten kunnen optreden op foerageergebieden van watervogels (zwanen en ganzen), omdat de landschappelijke openheid wordt aangetast.

Onderzoek naar alternatieven

Van de vier alternatieven heeft alternatief 1 (Woon- en leefomgeving) de meeste effecten op natuur vanwege de nabije ligging van EHS met directe en indirecte gevolgen op natuur, de laatste in de vorm van eventuele aanvaringslachtoffers onder vleermuizen. De effecten op alternatieven 4 (Concentratie 3 MW) en 5 (Concentratie 5 MW) zijn vergelijkbaar terwijl alternatief 3 (Opbrengst) iets minder goed scoort omdat niet een maar twee foerageergebieden van ganzen worden verstoord zodat de omvang van het pakket mitigerende maatregelen groter is. Vanuit ecologisch perspectief zijn alternatieven 4 (Concentratie 3 MW) en 5 (Concentratie 5 MW) daarom het meest kansrijk.

Resultaten Externe veiligheid
Bij de 3 MW installaties is de locatie N34 negatief onderscheidend, vooral vanwege BRZO/ BEVI-bedrijven en overige installaties met gevaarlijke stoffen (LPG Verkooppunt). Bij De Vennen, Zwartenbergerweg en Berkenrode liggen geen objecten binnen het afstandscriterium. De overige locaties worden negatief beoordeeld. Voor de 5 MW-installaties is naast de N34 ook Veenschapsweg negatief onderscheidend vanwege ondergrondse buisleidingen.

Het is heel goed mogelijk dat voor een locatie een windmolen type kan worden gekozen waarbij kan worden voldaan aan de afstandscriteria nabij hoogspanning en ondergrondse buisleidingen. Zeker omdat de afstandsoverschrijdingen in veel gevallen beperkt zijn. Soms zal het al mogelijk zijn om afstandsoverschrijdingen te vermijden door aanpassing van de positie van de windmolen die de overschrijding veroorzaakt.

Waar installaties met gevaarlijke stoffen binnen het afstandscriterium liggen, moeten kwantitatieve berekeningen uitwijzen of de door de windmolens veroorzaakte risicoverhoging toelaatbaar is. Het is aannemelijk dat risicoverhoging van installaties in het buitengebied in het algemeen toelaatbaar zal zijn.

Resultaten Cultuurhistorie
Een groot gedeelte van de locatie N 34 ligt in een gebied waar sprake is van een zeer hoge archeologische waarde (Waarde 1). Voor het overige ligt de locatie N34 in een archeologisch gebied met middelhoge of hoge archeologische verwachtingen (Waarde 4). De andere locaties kennen lagere of geen archeologische verwachtingen.

De locatie Groenedijk ligt binnen de nabijheid van de Emmerschans, een voormalig verdedigingswerk. Door de plaatsing van windmolens kan de historische context van het monument (een open zicht / schootsveld) worden verstoord.

Dit locatie N34 ligt nabij het gebied “het esdorpenlandschap rond Mars en Westerstroom”. Dit gebied wordt getypeerd door een gaaf en kleinschalig esdorpenlandschap, waar de beekdalen dominant aanwezig zijn. Eén van de doelstellingen voor dit gebied is het blijvend zichtbaar onderscheiden van de beekdalen door het grillige verloop en de kleinschaligheid te benadrukken. De locatie N34 ligt nabij het beekdal van de Sleenerstroom. Een windpark in de nabijheid van dit beekdal kan de oorspronkelijke karakteristiek negatief beïnvloeden.

Negatieve effecten op cultuurhistorische elementen en archeologische waarden kunnen worden gemitigeerd door bij de bouw van windmolens cultuurhistorische elementen te verplaatsen (indien mogelijk), of door archeologische waarden volgens de daarvoor geldende regels op te graven, te documenteren en te bewaren. Bij plaatsing van de windmolens is het mogelijk rekening te houden met aanwezige waarden en ze daarom iets te verschuiven als de situatie daarom vraagt.

Resultaten Landschap
Voor de locatie Pottendijk geldt dat het is gelegen binnen een grootschalige open ruimte, dat er belangrijke zichtlijnen aanwezig zijn, er sprake is van interferentie met drie andere bestaande (plannen voor) windparken en een hoogspanningsverbinding aan de westzijde van het gebied. Voor de locatie De Vennen geldt dat het ook is gelegen binnen een grootschalige open ruimte. Daarbij ligt het aan de rand van het beekdal van de Runde. De locatie interfereert met drie andere bestaande (plannen voor) windparken.

Er liggen een aantal landschappelijke waardevolle kenmerken in de nabijheid van de locatie Groenedijk (Emmerschans en de steilrand van de Hondsrug). Er is sprake van interferentie met één ander windpark. Aan de westzijde van het gebied loopt een hoogspanningsverbinding.

De locatie Zwartenbergerweg heeft te maken met een lange zichtlijn langs de Duitse grens en de afstemming op een aangrenzend Duits energiepark. Er is geen sprake van interferentie met andere windparken. De locatie Berkenrode ligt te midden van het beekdal van de Runde. Er is sprake van interferentie met een Duits windpark. De locatie Noordersloot beïnvloedt het landschappelijk waardevolle Bargerveen. Er is sprake van interferentie met een windpark.

De westzijde van de locatie N34 is gelegen in het landschappelijk waardevolle beekdal van de Sleenerstroom. Er is geen sprake van interferentie met andere windparken. Er bevindt zich een hoogspanningsverbinding aan de oostzijde van de N34. De locatie Tuinbouwgebied interfereert met één ander windpark. De locatie Veenschapsweg is gelegen binnen een landschappelijk besloten gebied. Het interfereert met één ander windpark.

7.1.1 Toetsingsadvies Commissie voor de m.e.r.

Op 15 september 2015 heeft de Commissie voor de m.e.r. het Toetsingsadvies over het milieueffectrapport afgegeven (rapportnummer 3008). Dit advies is als bijlage toegevoegd, zie Bijlage 13 Toetsingsadvies Commissie voor de m.e.r. over het milieueffectrapport.

De Commissie voor de m.e.r. is van oordeel dat het MER nog niet compleet is op het onderdeel natuur. Gezien het belang hiervan adviseert de Commissie om eerst de natuurinformatie aan te vullen en pas daarna een besluit te nemen.

De gemeente heeft dit advies overgenomen. Zie verder subparagraaf 7.1.2 Addendum planMER na advies Commissie m.e.r.: Berekening aanvaringsslachtoffers.

7.1.2 Addendum planMER na advies Commissie m.e.r.: Berekening aanvaringsslachtoffers

Op advies van de Commissie voor de m.e.r. zijn aanvullende berekeningen uitgevoerd om meer informatie te verschaffen ten aanzien van natuur. Dit aanvullend onderzoek is opgenomen in Bijlage 14 Addendum PlanMER na advies Commissie m.e.r.: Berekening aanvaringsslachtoffers.

Het onderzoek richt zich op de beschermde vogelsoorten kleine zwaan en toendrarietgans en de instandhoudingsdoelstellingen die gelden voor het Natura2000 gebied Bargerveen. De berekeningen verschaffen meer informatie over het mogelijk aantal aanvaringsslachtoffers als gevolg van de komst van windmolens op basis van beschikbare gegevens over vliegbewegingen.

Dit aanvullend onderzoek bevestigt en verheldert de uitkomsten in het planMER. In alle zoekgebieden (met uitzondering van locatie N34) wordt voor de kleine zwaan en toendrarietgans een aantal jaarlijkse slachtoffers berekend van meer dan de 1%-norm (significante effecten). Vooral voor de locaties Noordersloot en Veenschapsweg worden hoge aantallen berekend.

Mitigerende maatregelen

Het onderzoek geeft aan dat het toepassen van mitigerende maatregelen mogelijk is om effecten te voorkomen. Effectieve maatregelen kunnen zijn:

  • Het inrichten van extra foerageergebied
  • Locatiekeuze en aantal turbines
  • Turbinebeheer (stilstandregeling)
  • Landschappelijke afscherming

Het onderzoek geeft daarbij aan dat de plek van een locatie ten opzichte van de Natura 2000 gebieden en de mogelijkheden binnen en in de omgeving van de locatie mede bepalend zijn voor de effectiviteit van de maatregelen. Dit zal echter nader onderzocht moeten worden op het niveau van een projectMER.

7.2 Platform Windkracht 3, Gebiedsproces deel I

Platform Windkracht 3 heeft tussen december 2014 en mei 2015 het eerste gebiedsproces georganiseerd, in lijn met het Regieplan (Gebiedsproces I). De gebiedsverslagen en bevindingen zijn opgenomen in Bijlage 2 en Bijlage 3. (Van december 2015 tot maart 2016 vond Gebiedsproces II plaats, hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 7.6).

7.2.1 Gedragscode (of Windakkoord)

Windkracht 3 heeft getracht om tot een door omwonenden breed gedragen Gedragscode te komen. Maar het bleek dat dit in deze fase nog duidelijk een brug te ver ging om met een Gedragscode al te anticiperen op de komst van windmolens in een gebied; want roept men daarmee juist niet de komst van windmolens op zich af? Omwonenden wilden zich daarom niet uitspreken over een gedragscode zolang er nog geen duidelijkheid over aanwijzing van de locaties is. Windkracht 3 heeft daarop op basis van alle verzamelde input uit de gebiedsprocessen zelf een eerste uitwerking van een concept-gedragscode opgeleverd (model windakkoord), zodat er toch een basis ligt. Deze concept-gedragscode gaat in op de thema's minimalisering overlast, compensatie schade, omgangsafspraken en “mee-profteren”.

De gemeente Emmen heeft mede op basis van het voorbereidende werk vanuit Windkracht 3 op eigen titel de Gedragscode Windenergie gemeente Emmen opgesteld. De Gedragscode maakt formeel geen deel uit van de Structuurvisie, maar wordt afzonderlijk door de raad vastgesteld. De gemeente Emmen maakt met deze Gedragscode richting omwonenden, initiatiefnemers en grondeigenaren duidelijk op welke wijze zij verwacht dat deze betrokkenen in de uitvoeringsfase met elkaar omgaan en welke rol de gemeente Emmen daarbij wil spelen. Dit moet ertoe leiden dat de windmolenopgave in de gemeente Emmen zo veel mogelijk op basis van gelijkwaardigheid, zonder vertraging en op respectvolle, constructieve, open en transparante wijze wordt gerealiseerd. Zie verder paragraaf 9.2.

7.2.2 Ontwerpateliers

Deze paragraaf beoogt een samenvattend beeld te beschrijven van de uitkomsten van de ontwerpateliers. Voor meer informatie over de uitkomsten wordt verwezen naar Bijlage 2 en Bijlage 3.

Het doel van de ontwerpateliers was om vanuit bewoners en belanghebbenden aandachtspunten en planologische voorwaarden te bepalen voor de negen zoekgebieden. Alle negen zoekgebieden voor windenergie zijn nader onderzocht. In de ontwerpateliers zijn verschillende opstellingen ontworpen. Er is onder andere gekeken naar de afmetingen van de windmolens, het aantal windmolens en de opstellingsvorm van de windmolens. De ontwerpateliers hebben geleid tot verslagen per zoekgebied met algemene en locatiegebonden bevindingen.

 

7.2.2.1 Algemene bevindingen

Alle omwonenden binnen een straal van circa twee kilometer van de zoekgebieden zijn aangeschreven. Uiteindelijk hebben 250 à 300 omwonenden actief deelgenomen aan de ontwerpateliers.

De inbreng/participatie van bewoners heeft niet geleid tot gedragen ontwerpen of uitkomsten. De voorgeschiedenis en achtergrond van de besluitvorming, de beladenheid van de windopgave en de impact van plaatsing van windturbines en het gegeven dat voor veel gebieden de uitkomst 'geen windturbines' ook nog een optie is, maakt dat het in dit stadium niet mogelijk is om te komen tot mede door omwonenden gedragen ontwerpen. Van uitkomsten in de zin van gunstigste (of vanuit omwonenden perspectief gezien minst slechte varianten) kan in dit stadium geen sprake zijn. De nadrukkelijke wens en eis van de deelnemers was dat de opstellingen niet worden gepresenteerd of worden gelezen als hun uitkomst.

Inwoners zien de aanwijzing van de gebieden en de windopgave van 95,5 MW helemaal niet als een vaststaand gegeven. Het uitgangspunt van de deelnemers van de ontwerpateliers is over het algemeen om geen of zo min mogelijk windmolens in het eigen zoekgebied te plaatsen. Een dilemma waar de deelnemers tegenaan lopen is enerzijds meewerken aan de ontwerpateliers en enkele “minst slechte” ontwerpen te maken versus “het onheil over jezelf afroepen”.

Gedurende het proces van alle bijeenkomsten lijkt er bij een deel van de betrokkenen ook begrip te zijn voor de situatie waar de gemeente Emmen zich in bevindt. Een kopie van enkele citaten uit het rapport van Platform Windkracht 3: “De windturbines komen er toch, laten we dan zorgen dat we zoveel mogelijk invloed op de locatie ervan uitoefenen”, “Als er dan windturbines komen, dan onder onze voorwaarden!”.

Geadviseerd wordt om het huidige proces om omwonenden en andere inwoners van de gemeente Emmen nauw te betrekken voort te zetten Verduidelijk hierbij de rol van EOP's als vertegenwoordigers van de inwoners. Zorg voor het verder versterken van het inwonersgeluid en biedt onafhankelijke begeleiding van de omwonenden, zodat zij los van gemeente een positie kunnen behouden richting de ontwikkelaars.

Wanneer de windparken in de geselecteerde gebieden ontwikkeld gaan worden en straks echt gerealiseerd gaan worden is het raadzaam om met inwoners opnieuw een ontwerpatelier in te gaan. De deelnemers waarderen het zeer om samen aan de opstelling te werken. Begeleid daarom als gemeente het ontwerpproces, zodat dit samen met de inwoners plaats vindt en de omwonenden ook inbreng kunnen hebben in de uiteindelijke opstellingsvariant.

7.2.2.2 Algemene ruimtelijke bevindingen

Hoogte windmolens
De gebieden Berkenrode, de Vennen, Groenedijk, N34, Noordersloot, tuinbouwgebied Klazienaveen en Veenschapsweg waren bij het Gebiedsproces eenduidig afwijzend tegenover de 4MW optie in plaats van 3MW. Dit vanwege de grote impact die het op de omgeving kan hebben. Het plaatsen van hogere windturbines (4 MW), zorgt ervoor dat de landschappelijke kenmerken van het gebied uit balans raken. De hogere 4MW of 5MW optie heeft als voordeel dat er minder turbines kunnen geplaatst worden.
Tijdens de ateliers hebben

Tijdens de ontwerpateliers van Pottendijk en Zwartenbergerweg hebben omwonenden aangegeven open te staan voor hogere turbines (4MW). Dit op voorwaarden dat er minder molens worden geplaatst.

Lichthinder
Ondanks dat een deel van de omwonenden hogere windturbines acceptabel vindt (mits er minder worden geplaatst) geven omwonenden aan dat lichtjes op turbines, die in geval van hogere windturbines nodig zijn, niet wenselijk zijn. Vanaf 150 meter moeten windturbines van verlichting worden voorzien. Een aanbeveling vanuit het Gebiedsproces is dan ook om een maximale tiphoogte van 149 meter op te nemen als randvoorwaarde. Zo kan onder de huidige wetgeving verlichting worden voorkomen.

Beperking hinder
Veel betrokkenen delen het algemene uitgangspunt van de gemeente om bij ontwerpen de afstand tot woningen te maximaliseren. Dit staat dan ook bij niemand ter discussie. Voor de omwonenden zit hier echter wel het dilemma dat de gehanteerde maatstaven hebben geleid tot de voorselectie van 'hun' gebied. Het uitgangspunt moet blijven: optimaliseer de ontwerpen op basis van het hoofddoel: zo min mogelijk overlast. Ook al kan dit leiden tot opstellingen die misschien landschappelijk / visueel niet logisch zijn, maar die wel de grootst mogelijke afstand tot gevolg hebben. Ook is duidelijk aangekaart dat ten aanzien van solitaire woningen het wenselijk is om een zo groot mogelijke afstand aan te houden. De bewoners uit deze woongebieden voelen zich ongelijk behandeld en vragen dezelfde bescherming met betrekking tot mogelijke overlast.

Insluiting
Hanteer een goed onderbouwde definitie van insluiting en geef deze een duidelijk plaats in de mogelijke scenario's.

Interferentie
Geef interferentie als criterium een duidelijke plaats en kijk ook naar de samenhang en het totale landschapsbeeld dat ontstaat. Ontwerp voor de hele gemeente en in de deelgebieden ook vanuit die samenhang.

Samenhang tussen gebieden
Wij raden de gemeente aan de verschillende gebieden dan ook tegelijk en in samenhang met elkaar te ontwerpen. De gemeente zal hier ook verderop in het proces de regie moeten blijven voeren.

Natuur
Zorg ervoor dat de gemeente het belang en de feitelijke natuurwaarden van deze gebieden goed in beeld heeft. Geef duidelijke informatie over de effecten van windturbines. Voorkom dat de aanduiding van natuur als zelfstandig argument een eigen leven gaat leiden. Hier gaat het om feitelijke effecten op gebieden en daarin aanwezige soorten.

7.2.2.3 Locatiegebonden bevindingen

Pottendijk
Ruimtelijk
Pottendijk is van de zoekgebieden in het Regieplan windenergie Emmen het grootste gebied. Op grond van een technische raming kunnen hier mogelijk 5 tot 32 turbines worden geplaatst. Het Regieplan geeft als minimale ontwerpopgave 17 windturbines voor het gebied. Er zijn binnen het zoekgebied ten opzichte van de andere zoekgebieden relatief veel verschillende opstellingen mogelijk zowel qua aantal en als qua ontwerp.

Uit de inbreng van bewoners blijkt dat het ook mogelijk is om het zoekgebied in tweeën te knippen en turbines in het oosten of het westen te plaatsen. Plaatsing in oost en west levert voor solitaire woningen insluiting op, wat door omwonenden is aangegeven als niet wenselijk.

Daarnaast speelt de discussie concentratie verus spreiding van windparken over de gemeente Emmen in Pottendijk sterk. Bewoners van Pottendijk geven aan het niet eerlijk te vinden als alles of een groot deel in Pottendijk geplaatst zou worden. Voorkeur is geen windturbines in Pottendijk. Bij het intekenen werd duidelijk dat het acceptatie niveau tot een beperkt aantal windturbines gaat, hogere aantallen (17, 22 en 26) werden niet of nauwelijks ingetekend. Omwonenden hebben aangegeven een duidelijke wens te hebben een zo groot mogelijke afstand aan te houden tot woningen (linten maar ook solitaire woningen).

Ten aanzien van de opstelling zijn de volgende conclusies belangrijk:

  • Enkele lijn geeft rustig beeld.
  • Zwerm versus dubbele lijn: een zwerm is altijd een zwerm ongeacht het standpunt van de kijker. Een dubbele lijn wordt vanaf diverse gezichtspunten niet als zodanig herkend.
  • Niet meer dan twee rijen, anders wordt het té.
  • Kies voor een zo groot mogelijke afstand tot omwonenden, accepteer een 'landschappelijk niet logische'-opstelling.

De optie "minder molens van 4 MW" hoeft niet te worden uitgesloten mits er minder windturbines komen. Er dient in een dergelijke situatie een duidelijk maximum te worden bepaald voor het gebied.

In Pottendijk is volgens omwonenden al relatief veel geluidhinder vanwege het Geluidsportcentrum, de heliport, de hoogspanningsleiding en de (toekomstige verbreding van de) provinciale weg. In relatie tot de windturbines wordt dit aspect op twee manieren naar voren gebracht. De bestaande geluidhinder mag niet toenemen door windturbines, dus plaats ze hier niet (of houd hier op zijn minst rekening mee) en indien ze komen moet er iets gebeuren aan de bestaande maar ook de toekomstige overlast. Bijvoorbeeld door investeringen in het verminderen van het bestaande geluid, door geluidswerende maatregelen zoals geluidswallen of overkapping van huidige geluidsbronnen.

Daarnaast speelt er het mogelijke gegeven dat de 'natuurlijke camouflage' (het productiebos) weg zal vallen. Ook is aangeraden rekening te houden met de overheersende windrichting (zuidwest), dit zal bij plaatsing van de turbines invloed hebben op de omwonenden. Door omwonenden is aangekaart dat een aantal wijken zoals Siepelveen, Nieuw Schuttingkanaal en het Verbindingskanaal wel degelijk een woongebieden is. Tot deze woningen zou ook de afstand van 1100 meter moeten worden toegepast.

Gedragscode
Beperking van overlast ten behoeve van geluid en zicht spelen sterk. Maatregelen zoals uilenvleugels en antischitteringcoating zijn wenselijk. Daarnaast zou in Pottendijk geïnvesteerd moeten worden in vermindering van geluidsoverlast (ook van de bestaande geluidsbronnen). Ook het uitvoeren van een nulmeting is gewenst. Ondanks dat een deel van de omwonenden hogere windturbines acceptabel vindt (mits er minder worden geplaatst) geven omwonenden aan dat lichtjes op turbines, die in geval van hogere windturbines nodig zijn, niet wenselijk zijn.

Compensatie van omwonenden moet vooraf goed geregeld worden. Ten aanzien van het “meeprofiteren” staat men voor financiële participatie via aandelen of obligaties op dit moment nog niet open. Korting op elektriciteit of een omwonendenregeling heeft op dit moment meer de voorkeur mede omdat dit geen eigen inbreng van middelen vereist. In geval van Windfondsen zijn duidelijke kaders nodig. Omwonenden vragen daarnaast om zorg te dragen in het vervolgproces voor onafhankelijke, onpartijdige begeleiding en informatievoorziening.

De Vennen

Ruimtelijk
Algemene constatering tijdens de ontwerpateliers was dat de beperkte zoekruimte slechts zeer beperkt aantal opstellingen mogelijk maakt. De relatief kleine omvang van het zoekgebied maakt het moeilijk een 'herkenbare' opstelling te maken. Een aantal deelnemers aan de ateliers gaf aan dat een lijnopstelling de 'voorkeur' heeft. Een lijnopstelling is echter moeilijk te realiseren gelet op de belemmeringen. Hiervoor moeten turbines 'buiten de lijntjes' worden geplaatst. Dit kan niet op basis van het 1100 meter afstand criterium of alleen indien woningen, die binnen deze afstand vallen, onderdeel vormen van het windpark en daar afspraken over worden gemaakt. De mogelijkheid om het aantal turbines te verminderen maar daarvoor in de plaats vier hogere turbines te plaatsen van 4 MW werd niet als een optie gezien; 4 MW windturbines met as-hoogte van 120-135 meter ervaart men als te groot voor dit kleine gebied.

Door een aantal bewoners is aangekaart dat een aantal groepen van woningen niet is opgenomen als 'woongebied' wel degelijk een woongebied is. Tot deze woningen zou ook de afstand van 1100 meter moeten worden toegepast. De term 'minilinten' kwam naar voren als beschrijving voor deze linten.

Ook ten aanzien van solitaire woningen kwam de wens naar voren een zo groot mogelijke afstand aan te houden.

Door een aantal deelnemers is gesteld dat wanneer er windturbines in Potendijk komen dat dan De Vennen en Groenedijk niet moeten worden gebruikt. Andersom zou Pottendijk vrij moeten blijven als er windturbines in Groenedijk en De Vennen komen. Dit volgt uit de wens insluiting te voorkomen. Houd hierbij ook rekening met de windturbines die reeds in Duitsland staan.

Tot slot is aangegeven dat De Vennen een gebied is waar rust en natuur overhand hebben. Ook is er veel geld geïnvesteerd in het behoud van natuur. Mooie fiets- en wandelroutes hebben een grote aantrekkingskracht voor toeristen.

Gedragscode
De omwonenden van De Vennen achten het van groot belang goede afspraken te maken met initiatiefnemers mochten er windturbines komen. Aangegeven is graag een onafhankelijk orgaan bijvoorbeeld een ombudsman, in te stellen om het proces van onderhandeling te laten begeleiden maar in een latere fase als loket te functioneren tussen bewoners en de initiatiefnemer. Naast een omwonendenregelingen zou het in gevallen ook mogelijk moeten zijn te worden uitgekocht, vandaar dat omwonenden hebben gezegd dat het belangrijk is eerst een goede uitkoopregeling af te dwingen voordat er turbines kunnen komen.

Verder is minimalisering van overlast een belangrijk item; een nulmeting, het stilzetten van windturbines bij slagschaduw en geluidsreducerende maatregelen. Hogere windturbines zijn niet wenselijk.

Compensatie van omwonenden moet vooraf goed geregeld worden.

Ten aanzien van het “mee-profiteren” denk aanfinanciële participatie via aandelen of obligaties staat een aantal omwonenden open maar ook een gedeelte niet. Voor die groep heeft korting op elektriciteit of een omwonendenregeling op dit moment meer de voorkeur mede omdat dit geen eigen inbreng van middelen vereist.

Groenedijk

Ruimtelijk
In Groenedijk is de technische ontwerpruimte 5 tot 10 windturbines. Het gebied ligt relatief dicht bij Pottendijk, Berkenrode, Zwartenbergerweg en De Vennen waardoor er volgens omwonenden snel sprake is van insluiting. Windturbines in Pottendijk leiden volgens omwonenden automatisch tot insluiting met Groenedijk. Visueel tellen parken Groenedijk, De Vennen, Pottendijk en Duitsland bij elkaar op en wordt één groot windpark gezien vanuit Groenedijk.

De bewoners hebben de zorg geuit dat windturbines van 4MW dubbel zoveel geluid veroorzaken ten opzichte van de turbines van 3MW. Turbines van 4MW ervaart men als te groot voor dit kleine gebied. Aan de andere kant vindt men het gebied ook te klein voor 5 turbines (van 3MW).

De clusteropstelling werd over het algemeen als minst storend en meest rustig ervaren. Tijdens de sessies is ook een opstelling ontwikkeld waarbij de windturbines in een cirkel zijn neergezet. Deze werd qua impact positiever gewaardeerd omdat deze van alle zijden dezelfde aanblik gaf.

Visuele impact van windturbines in het gebied wordt verminderd door het omsluitende groen. Bij een opstelling dient hier in dit gebied specifiek rekening mee te worden gehouden.

In de buurt van de beoogde locatie bevindt zich een huis met kinderen die niet tegen veel drukte kunnen.

Gedragscode
Beperking van overlast ten behoeve van geluid en zicht spelen sterk. Bijvoorbeeld maatregelen zoals uilenvleugels en antischitteringcoating zijn wenselijk. Ook het uitvoeren van een nulmeting is gewenst.

Compensatie van omwonenden moet vooraf goed geregeld worden en ook het visuele effect van windparken dient gecompenseerd te worden, niet alleen compensatie op basis van afstand tot de windparken.

Ten aanzien van het “mee-profiteren” staat men voor financiële participatie via aandelen of obligaties op dit moment nog niet open. Korting op elektriciteit of een omwonendenregeling heeft op dit moment meer de voorkeur mede omdat dit geen eigen inbreng van middelen vereist.

Omwonenden vragen daarnaast om zorg te dragen in het vervolgproces voor onafhankelijke, onpartijdige begeleiding en informatievoorziening.

Zwartenbergerweg

Ruimtelijk
In het gebied is de technische ontwerpruimte 5 tot 11 windturbines. De Duitse plannen zijn van grote invloed. Omwonenden willen dat eventuele plannen in ieder geval in gezamenlijkheid worden ontwikkeld. Het is op dit moment nog niet te zeggen op welke wijze dit gebied wordt ontwikkeld. Het is bijvoorbeeld nog niet bekend in welke opstelling, met welke hoogte en rotordiameter de windturbines aan de Duitse zijde worden neergezet. Dit maakt het moeilijk om een samenhangende landschappelijke opstelling te ontwerpen. Het windpark aan de Nederlandse zijde en aan de Duitse zijde zullen ongetwijfeld visueel gaan interfereren. Indien mogelijk zouden afspraken met de Duitsers moeten worden gemaakt over de ontwikkeling, zodat men zoveel mogelijk de opstellingen op elkaar kan afstemmen.

Het gebied leent zicht voor een lijnopstelling. De lijnopstelling werd door de aanwezigen op het ontwerpatelier meer gewaardeerd dan de clusteropstelling Er is echter ook een klein cluster mogelijk in het midden van het zoekgebied. Het voordeel van dit kleine cluster (5 molens) is dat de afstand tot omwonenden relatief groot is. Het cluster leek minder steun te hebben bij de deelnemers aan de ontwerpsessie. Ook is het mogelijk windturbines te concentreren in het midden van het zoekgebied. Hierdoor is een relatief grote afstand tot omwonenden (solitaire woningen) mogelijk.

Gedragscode
Voor omwonenden van het zoekgebied Zwartenbergerweg is het van groot belang dat er in overleg met / in samenspraak met het zoekgebied in Duitsland wordt ontwikkeld o.a. om vergelijkbare afspraken met ontwikkelaars te maken, zelfde type windturbines te plaatsen en de opstellingen op elkaar af te stemmen om overlast te beperken.

Beperking van overlast ten behoeve van geluid en zicht spelen sterk. Maatregelen zoals uilenvleugels en antischitteringcoating zijn wenselijk. Ook het uitvoeren van een nulmeting is gewenst. De groep heeft aangegeven dat minder turbines erg wenselijk zijn, hogere windturbines zijn dan ook als optie te verkennen.

Compensatie van omwonenden moet vooraf goed geregeld worden. Direct omwonenden van het zoekgebied de Zwartenbergerweg hebben aangegeven indien de windturbines komen ook te willen mee profiteren (goede compensatie), mede vanwege het gegeven dat de Duitse windturbines er lijken te komen. Financiële participatie via aandelen of obligaties voert nog niet de boventoon.

De omwonendenregeling heeft op dit moment meer de voorkeur. Omwonden vragen daarnaast om zorg te dragen in het vervolgproces voor onafhankelijke, onpartijdige begeleiding en informatie.

Berkenrode

Ruimtelijk
Op basis van een technische raming kunnen in zoekgebied Berkenrode mogelijk 5 turbines worden geplaatst.

Constateringen tijdens de ateliers waren dat de zoekruimte slechts een zeer beperkt aantal opstellingen mogelijk maakt. Plaatsing binnen de grenzen van het zoekgebied leidt automatisch tot een zwerm en cluster dat qua ontwerp geheel bepaald wordt door de grenzen van het gebied. Een lijnopstelling is niet mogelijk. Hiervoor zouden turbines 'buiten de lijntjes' moeten worden geplaatst.

De reacties op de 4 MW optie in plaats van 3 MW (turbines met een ashoogte van 120 – 135 meter in plaats van 100 meter) waren eenduidig afwijzend, vanwege de grote impact die het op de omgeving heeft. Verder is onder andere gewezen op samenhang met de toeristische/recreatieve waarden en het effect op de Runde.

Bij Berkenrode speelt de aanwezigheid van onder andere De Runde (natuurgebied), het Veenpark (toeristisch-recreatief gebied) en het Veenparkkanaal (Veenvaart, recreatieve route) een rol. Deelnemers geven aan dat deze waarde hebben en dat investeringen die zijn gedaan teniet kunnen worden gedaan door de komst van windturbines.

De bewoners zien een risico van snelle insluiting (Pottendijk, Duitsland, Zwartenbergerweg). Het is een sterke wens om een zo groot mogelijke afstand te bewaren tot alle solitaire woningen.

Gedragscode
Voor omwonenden van Berkenrode zijn alle thema's van de gedragscode besproken. Onder andere werd veel waarde gehecht aan minimalisering van overlast door bijvoorbeeld het stilzetten van windturbines bij slagschaduw en het reduceren van geluidsoverlast. Ook het houden van een nulmeting is gewenst.

De groep heeft aangegeven dat minder turbines zeer wenselijk zijn. Hoger daarentegen is met klem door omwonenden aangegeven als onwenselijk.

Compensatie van omwonenden moet vooraf goed geregeld worden. Compensatie zou moeten gelden voor omwonenden die verder dan 1100m van de windparken wonen (genoemd is tot 2km).

Ten aanzien van het “mee profiteren” staat men voor financiële participatie via aandelen of obligaties op dit moment nog niet open. Korting op elektriciteit of een omwonendenregeling heeft op dit moment meer de voorkeur mede omdat dit geen eigen inbreng van middelen vereist.

Omwonenden vragen daarnaast om zorg te dragen in het vervolgproces voor onafhankelijke, onpartijdige begeleiding en informatievoorziening.

Noordersloot

Ruimtelijk
Het zoekgebied Noordersloot heeft een technische ontwerpruimte van vijf windturbines. Echter in Noordersloot spelen de natuurwaarden van Natura2000 en EHS sterk. Om deze reden is het college van B&W ook voornemens dit zoekgebied te laten vervallen. Door de omwonenden zijn redenen van natuur- , landschappelijke en archeologische waarden ook veelvuldig genoemd. Waaronder het foerageren en trekken van diverse soorten vogels.

Daarnaast zal men snel interferentie en insluiting ervaren met windparken in Duitsland bij het Bargerveen, Schoonebeek en Coevorden.

De relatief kleine omvang van het zoekgebied maakt het moeilijk een ideale (minst slechte) opstelling te bepalen. Over het algemeen werd gesteld dat een lijnopstelling de voorkeur had. De lijn onderbreken is niet wenselijk, zoals duidelijk werd bij de variant waar vier windturbines in lijn stonden en 1 molen 'opzij'. Positiever werd een opstelling gewaardeerd waarbij langs de Kommerdijk een lijnopstelling werd geplaatst.

4MW windturbines werden door bewoners als te hoog ervaren en zijn niet acceptabel.

Gedragscode
Beperking van overlast ten behoeve van geluid en zicht spelen sterk. Maatregelen zoals uilenvleugels, antischitteringcoating en het stilzetten van windturbines bij slagschaduw zijn wenselijk. Ook het uitvoeren van een nulmeting is gewenst.

De groep heeft aangegeven dat minder turbines zeer wenselijk zijn. Hoger daarentegen is met klem door omwonenden aangegeven als onwenselijk.

Compensatie van omwonenden moet vooraf goed geregeld worden.

Ten aanzien van het “mee-profiteren” staat men voor financiële participatie via aandelen of obligaties op dit moment nog niet open. Korting op elektriciteit of een omwonendenregeling heeft op dit moment meer de voorkeur mede omdat dit geen eigen inbreng van middelen vereist.

Omwonenden vragen daarnaast om zorg te dragen in het vervolgproces voor onafhankelijke, onpartijdige begeleiding en informatievoorziening.

N34

Ruimtelijk
Het gebied N34 heeft een technische ontwerpruimte voor vijf tot zeven windturbines. Zeven windturbines worden als een veel te grote impact op de omgeving ervaren, mede gezien de Sleenerstroom.

De groep omwonenden heeft veel kritiek op en twijfels over de eerder opgestelde Belemmeringenkaart en later aan de Inventarisatiekaart. Vraagtekens worden onder andere geplaatst bij de contouren van het tankstation, de aan te houden afstand tot de laagvliegroute, afstand tot woongebieden en gasleidingen. Daarnaast speelt een grote rol de Sleenerstroom. Dit gebied is cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol. Windturbines zullen dit gebied aantasten. De gemeente zou de eigen waardenkaart meer gewicht moeten geven in de afweging conform hun eigen beleidsnotitie over dit gebied. De landschappelijke waarden van Emmen dienen een duidelijke plaats te krijgen in de besluitvorming. De ruimtelijke waardenkaart is daarbij onder andere van belang.

Plaatsing in het beekdallandschap betekent dat windturbines op geen enkele wijze zijn te camoufleren voor omwonenden. Het besluit van de gemeenteraad ten aanzien van de Structuurvisie 2020 zou volgens de inbrengers bebouwing in dit gebied ook onmogelijk maken. Het zou dan niet te verklaren zijn dat er dan wel windturbines zouden kunnen worden geplaatst. Ook is het gebied een oversteekplaats voor reeën en wild richting het beekdal.

De deelnemers van het gebiedsproces zien ook economische nadelen van ontwikkeling aan de N34. Een toekomstige verbreding van de N34 zal door de bouw van het windpark worden belemmerd. Dit zal volgens de inbrengers nadelige economische effecten kunnen hebben voor de gemeente Emmen.

Verder vraagt men aandacht voor de (toekomstige) windturbines in Coevorden. Deze windparken kunnen mogelijk visueel 'samenwerken'. Ook dient rekening gehouden te worden met het zicht uit en effecten op de (solitaire) woningen in Erm, Diphoorn, Delflanden, Westenesch en de oostrand van Sleen. Slagschaduw kan ook impact hebben op Westenesch. Plaatsing rond het bos kan dienen als buffer richting de woonwijk Delftlanden. Het verminderd landschappelijke impact, maar neemt dit niet in zijn geheel weg.

Ook is geopperd 'buiten de lijntjes' te kijken, bijvoorbeeld naar het plaatsen van windturbines langs de rondweg aan de kant van het Emmtec-terrein.

Gedragscode
Beperking van overlast ten behoeve van geluid en zicht spelen sterk. Maatregelen zoals uilenvleugels en antischitteringcoating zijn wenselijk. Ook het uitvoeren van een nulmeting is gewenst.

De groep heeft aangegeven dat minder turbines zeer wenselijk zijn. Hoger daarentegen is met klem door omwonenden aangegeven als onwenselijk.

Compensatie van omwonenden moet vooraf goed geregeld worden. Ten aanzien van het “mee-profiteren” staat men voor financiële participatie via aandelen of obligaties op dit moment nog niet open. Korting op elektriciteit of een omwonendenregeling heeft op dit moment meer de voorkeur mede omdat dit geen eigen inbreng van middelen vereist. Omwonden vragen daarnaast om zorg te dragen in het vervolgproces voor onafhankelijke, onpartijdige begeleiding en informatievoorziening.

Tuinbouwgebied Klazienaveen

Ruimtelijk
In Tuinbouwgebied Klazienaveen is de technische ontwerpruimte beperkt tot vijf windturbines. Op grond van de gemeentelijke kaders is de ontwerpruimte beperkt met weinig mogelijke opstellingen. In het Tuinbouwgebied Klazienaveen ontstaat wel iets meer ontwerpruimte al omliggende grondeigenaren onderdeel uit gaan maken van het project. Deze situatie is ook onder de loep genomen.

Bewoners geven aan dat het een belangrijk toeristisch en recreatief gebied is. Het Veenpark, De Veenvaart en het sportlandgoed zouden te lijden hebben onder de ontwikkeling van de windturbines. Door deelnemers wordt de aanwezigheid genoemd van De Runde. Windturbines zijn hier ongewenst vanwege de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het gebied vormt een verbinding met Natura 2000 gebied Bargerveen en wordt onder andere gebruikt door vogels en vleermuizen. Daarom zouden in ieder geval niet aan beide zijden van de Runde windturbines moeten komen.

Ook verwachten bewoners veel overlast te ondervinden. In de omgeving is veel bewoning en er is al veel (licht)-overlast van de kassen.

Ook is de mogelijkheid bekeken om minder turbines te plaatsen maar hoger (4MW). De overheersende opinie is dat dit een te grote impact heeft op het landschap gezien het al kleine zoekgebied.

Gedragscode
Beperking van overlast ten behoeve van geluid en zicht spelen sterk. Maatregelen zoals uilenvleugels, stopzetten van de turbines bij piekoverschrijding en slagschaduw zijn wenselijk. Ook het uitvoeren van een nulmeting is gewenst.

De groep heeft aangegeven dat minder turbines erg wenselijk zijn. Hoger daarentegen is met klem door omwonenden aangegeven als onwenselijk.

Compensatie van omwonenden moet vooraf goed geregeld worden. Financiële participatie via aandelen of obligaties voert nog niet de boventoon. Korting op elektriciteit of een omwonendenregeling heeft op dit moment meer de voorkeur.

Omwonden vragen daarnaast om zorg te dragen in het vervolgproces voor onafhankelijke, onpartijdige begeleiding en informatie.

Veenschapsweg

Ruimtelijk
De Veenschapsweg heeft een technische ontwerpruimte voor vijf tot tien windturbines. Vanwege de relatie met de natuurwetgeving is het college van B&W voornemens dit zoekgebied te laten vervallen.)

Door de omwonenden zijn redenen van natuur- , landschappelijke en archeologische waarden veelvuldig genoemd. Waaronder het foerageren en trekken van diverse soorten vogels.

Daarnaast zal men snel interferentie en insluiting ervaren met windparken in Duitsland bij het Bargerveen, Schoonebeek en Coevorden.

Over het algemeen werd ook gesteld dat als er windturbines in de buurt moeten komen dat dan óf het gebied Noordersloot óf het gebied Veenschapsweg moet worden gekozen, maar niet beide gebieden.

Ten aanzien van de keuze tussen concentratie of verdeling werd geen eenduidig geluid gehoord. Bewoners benoemen enerzijds een voorkeur voor concentratie vanwege de hogere compensatie die daarmee mogelijk zou zijn. Anderzijds werd gesproken over een verdeling van de turbines over de grensgebieden.

In het gebied Veenschapsweg zijn diverse bospercelen aanwezig. Deze zijn te gebruiken als buffer. Zowel visueel als tegen geluid kunnen deze bospercelen een mitigerende rol spelen. Deze percelen zouden dus groen moeten blijven of misschien ook worden uitgebreid.

De bestaande NAM-installaties produceren geluid. Het geluid van de windturbines zal hier bijkomen. Er moet rekening worden gehouden met cumulatie van deze geluidsbronnen.

Bij het bepalen van de meest gunstige opstelling moet het uitgangspunt zijn: de afstand tot omwonenden zo groot mogelijk te maken.

In het gebied zijn duidelijke landschappelijke lijnen aanwezig waar lijnopstellingen aan gekoppeld kunnen worden zoals wegen.

Gedragscode
Beperking van overlast ten behoeve van geluid en zicht spelen sterk. Het nemen van mitigerende maatregelen zoals bossages zijn wenselijk. Ook de vermindering van geluid is gewenst door bijvoorbeeld windturbines met uilenvleugel. Ook het uitvoeren van een nulmeting is gewenst.

Compensatie van omwonenden moet vooraf goed geregeld worden.

Ten aanzien van het “mee-profiteren” staat men voor financiële participatie via aandelen of obligaties op dit moment nog niet open. Korting op elektriciteit of een omwonendenregeling heeft op dit moment meer de voorkeur mede omdat dit geen eigen inbreng van middelen vereist. Omwonden vragen daarnaast om zorg te dragen in het vervolgproces voor onafhankelijke, onpartijdige begeleiding en informatievoorziening.

7.3 Onderzoek naar toerisme en recreatie

Op verzoek van de raad is begin 2016 aanvullend onderzoek verricht door naar de effecten van windenergie op toerisme en recreatie. Op 19 november 2016 nam het college de motie “Windmolens en economisch-toeristische potentie” (Leutscher/Ensink, LEF!) over. Er is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plaatsen van windmolens voor de economisch-toeristische potentie in de gemeente Emmen. Dit onderzoek is uitgevoerd door het European Tourism Futures Institute te Leeuwarden en bureau Decisio te Amsterdam. Gelet op de korte tijd waarin dit onderzoek uitgevoerd moest worden, is de methodiek van een quick scan gebruikt. Het onderzoek is aan de structuurvisie toegevoegd in Bijlage 15 Onderzoeksrapport Toeristisch-economische potentie windparken gemeente Emmen.

In het onderzoek hebben de onderzoeksbureaus zich vooral gericht op de effecten op de bedrijven die gesitueerd zijn binnen een straal van respectievelijk 500 en 1100 meter. Binnen een straal van 500 meter zijn, uitgezonderd het geluidssportcentrum bij Pottendijk, geen locaties waar toeristische of recreatieve activiteiten plaatsvinden. Binnen een straal van 1100 meter liggen de volgende locaties die mogelijk hinder kunnen ondervinden:

  • manege De Eekwal, zoekgebied N34
  • camping Kolderweide, zoekgebied De Vennen; De Pierewaaier, tussen de zoekgebieden De Vennen en Pottendijk; Rolfer Outdoor, tussen de zoekgebieden Berkenrode en Zwartenbergerweg; Sportlandgoed, zoekgebied Tuinbouwgebied Klazienaveen
  • Het Veenpark, 1100 meter van zoekgebied Berkenrode en 1500 meter van zoekgebied Tuinbouwgebied Klazienaveen

De tijdens het onderzoek geraadpleegde (inter)nationale literatuur laat zien dat het toerisme slechts zeer beperkt reageert op de aanwezigheid van windparken. Het grootste deel van de toeristen zegt geen bezwaar te hebben tegen de aanwezigheid van windparken. Het deel dat vóór de plaatsing wel bezwaar heeft, blijft over het algemeen gewoon komen en past het gedrag dus meestal niet aan als parken eenmaal aangelegd zijn.

Voor lokale ondernemers in de directe nabijheid kunnen negatieve effecten optreden. Een windpark naast een van de campings kan voor geluidsoverlast zorgen. In stille gebieden zullen de turbines 's nachts hoorbaar zijn en de rust verstoren. Uit gesprekken met eigenaren van campings in de nabijheid van windturbines blijkt dat windturbines op een afstand van 300 tot 400 meter regelmatig tot klachten leiden. Op een afstand van 800 meter ondervond nog slechts een enkele gast last.

Binnen de gemeente Emmen ligt geen van de campings direct naast de mogelijke windparklocaties. Hierdoor verwachten de onderzoekers dat ernstige overlast beperkt zal blijven. Vier campings liggen binnen een straal van 800 – 1100 meter. De groepsaccommodatie van manege De Eekwal ligt op 600 meter van het N34 zoekgebied. De onderzoekers geven aan dat enige overlast hier niet uitgesloten is. Dit geldt ook voor de kleine en rustig gelegen campings bij de zoekgebieden Pottendijk, De Vennen en Zwartenbergerweg.

Het planMER geeft aan dat de landschappelijke impact en daarmee dus de toeristische impact het kleinst is bij een concentratie in één gebied. Bovendien leidt het concentreren van de windmolens in één gebied, dat alleen mogelijk is in het zoekgebied Pottendijk (op het moment van het onderzoek konden de onderzoeksbureaus nog niet beschikken over het door de provincie Drenthe voorgenomen luchthavenbesluit Heli Holland), ertoe dat het aantal verblijfsaccommodaties binnen een straal van 1100 meter beperkt blijft.

7.4 Onderzoek naar Tuinbouwgebied Klazienaveen

De raad heeft in de raadsvergadering van 19 november 2015 onderstaand amendement aangenomen:

Als belangrijkste grondeigenaar binnen het gehele zoekgebied Tuinbouwgebied Klazienaveen de mogelijkheden en kansen die windenergie kan bieden te laten onderzoeken door een onafhankelijke deskundige. Een marktinventarisatie zal deel uit maken van dat onderzoek, waarbij bestaande initiatieven, zoals het tuindersinitiatief, in het onderzoek worden betrokken.

Dit onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige op het gebied van windenergie, van bij Buro-RO. Omdat voor het onderzoek deels ook specifieke kennis op het gebied van energie in relatie met de tuinbouw is gewenst, is het Buro-RO in het onderzoek ondersteund door een deskundige op het gebied van tuinbouw en energie van het bedrijf DLV Glas en Energie. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 17 Onderzoek mogelijkheden windenergie voor zoekgebied Tuinbouwgebied Klazienaveen.

De uitkomsten van dit onderzoek zijn meegewogen in de besluitvorming, dit is verwerkt in paragraaf 4.4.

7.5 Deskundigentoets

De raad heeft op 19 november 2015 besloten om initiatiefnemers met een grondpositie gelegenheid te geven om met voorstellen te komen op basis van in de ontwerp-structuurvisie beschreven randvoorwaarden. Diverse initiatiefnemers zijn hebben gereageerd. Vervolgens zijn de voorstellen getoetst door deskundigen. De raad kan deze deskundigentoets meewegen bij de vaststelling van de structuurvisie. Verder hebben de deskundigen advies uitgebracht over de haalbaarheid van maximering van tiphoogte en exploitatieduur en bijdragen aan een windfonds.

Voor deze deskundigentoets is een commissie van deskundigen ingesteld, waarbij de bureaus Buro-RO, Bosch en van Rijn en Econnetic zijn betrokken. Daarnaast heeft de het bureau Bosch en Van Rijn het in paragraaf 7.4 beschreven onderzoeksrapport naar de mogelijkheden voor zoekgebied Tuinbouwgebied Klazienaveen getoetst. De Deskundigen toets is opgenomen in Bijlage 18 Deskundigentoets Windenergie Emmen

Toetsing initiatiefvoorstellen

De commissie heeft door initiatiefnemers met een grondpositie uitgebrachte voorstellen getoetst op volledigheid en getoetst of wordt voldaan aan de in de uitvraag gestelde randvoorwaarden en uitgangspunten. De commissie is niet gevraagd een rangorde aan te brengen in de voorstellen, omdat het daarbij ook gaat om de voorkeuren van de omwonenden. Platform Windkracht 3 is gevraagd de voorstellen te bespreken met de omwonenden, middels een Gebiedsproces II (zie ook paragraaf 7.6).

In de uitvraag is opgenomen dat indien er onvoldoende plannen worden ingediend om de gemeentelijke taakstelling te halen, of indien de voorstellen naar de mening van de gemeenteraad van onvoldoende kwaliteit zijn, de gemeenteraad kan besluiten locaties onafhankelijk van ingediende voorstellen vast te stellen. Dit geldt ook voor de voorwaarden waaronder medewerking aan de afgifte van de omgevingsvergunning kan worden verleend. Daarbij is aan de deskundigencommissie gevraagd ook aan te geven welke voorwaarden voor de Emmense windparken reëel zijn.

De deskundigen concluderen dat in geen van de uitgebrachte voorstellen onomstotelijk wordt aangetoond dat de gestelde eisen in de uitvraag niet haalbaar zijn. De voorstellen geven verder slechts summier uitleg hoe men om wil gaan met het minimaliseren van overlast en het maken van omgangsafspraken.

Advies haalbaarheid randvoorwaarden

Maximering tiphoogte
De beoordelingscommissie is van mening dat de tiphoogte tot 150 meter in samenwerking met de gekozen gebieden (op ruime afstand van woongebieden) leiden tot het minimaliseren van geluids- en visuele overlast. Aanbevolen wordt ruimtelijke kenmerken in de structuurvisie te benoemen om tegemoet te komen aan de wensen van de omwonenden.

Exploitatieduur en bijdragen aan windfonds
Er wordt door de commissie aanbevolen de maximaal toelaatbare exploitatieduur van 16 jaar te verleggen naar minimaal 20 jaar. Daarmee wordt enerzijds aangesloten op de technische levensduur van de turbines, anderzijds vergroot dit de mogelijkheden voor de ontwikkelaars voor het realiseren van een voldoende rendement, waarbij aanbevolen wordt een bijdrage conform NWEA gedragscode van €0,50 per MWh in de anterieure overeenkomst op te nemen.

Financierbaarheid en rendabiliteit
Voor wat betreft de financierbaarheid en rendabiliteit wordt geconcludeerd dat er op dit moment, begin 2016, windturbines van 3 MW nominaal vermogen en 150m tiphoogte bestaan die financierbaar zijn voor windparken in Emmen bij een exploitatietermijn van 20 jaar waar standaard mee gerekend wordt. Bij plaatsing van deze windturbines worden wel de randen van de financierbaarheid opgezocht.

Conclusie
Bovenstaande voorwaarden in combinatie met de ruime afstandsnorm ten opzichte van woningen, levert volgens de beoordelingscommissie een goed afgewogen compromis op van rendabiliteit versus voorkomen van hinder.

7.6 Platform Windkracht 3, Gebiedsproces deel II

Van december 2015 tot maart 2016 organiseerde Platform Windkracht 3 het Gebiedsproces deel II. Daarbij stonden binnengekomen voorstellen van initiatiefnemers met een grondpositie centraal. Het onderzoek voor het zoekgebied Tuinbouwgebied Klazienaveen is via dezelfde aanpak besproken met de omwonenden. Windkracht 3 heeft gebiedsverslagen en een bevindingenrapport opgesteld, zie Bijlage 19 en Bijlage 20.

Omwonenden konden bij de eerste bijeenkomst vragen stellen aan de initiatiefnemers in een zoekgebied en hebben suggesties tot verbetering gedaan. Ontwikkelaars hebben de mogelijkheid gekregen om naar aanleiding van de reacties een aanvulling op het voorstel te doen. Tijdens de tweede bijeenkomst stond de mening van de omwonenden centraal. Zonder aanwezigheid van de initiatiefnemers zijn de voorstellen besproken met de omwonenden. Omwonenden hebben daarbij kunnen aangeven wat zij van de voorstellen vinden en wat zij de gemeente voor de besluitvorming mee willen geven.

Platform Windkracht 3 heeft de eerste bevindingen na de gebiedsavonden gepresenteerd op de gemeente brede bijeenkomst op 3 maart 2016. Voor deze bijeenkomst waren alle deelnemers van gebiedsproces II uitgenodigd, inclusief omwonenden van de zoekgebieden Berkenrode en Groenedijk. Omwonenden, die hebben deelgenomen aan het gebiedsproces,hebben naar aanleiding van deze presentatie de gelegenheid gekregen om te reageren op de daar gepresenteerde bevindingen. Onder andere via de door Windkracht 3 rondgestuurde vragenlijst. De respons op de vragenlijst is groot. Tweederde van de aangeschreven adressen heeft de vragen ingevuld. Windkracht 3 heeft de uitkomsten gebruikt in haar rapportage.

Op de avonden is door omwonenden boosheid en frustratie geuit over de voorstellen van de initiatiefnemers, waarin volgens de deelnemers niet of nauwelijks tegemoet wordt gekomen aan de uitvraag van de gemeente en de wensen van omwonenden. De teleurstelling overheerst over wat er door de ontwikkelaars met de opbrengst is gedaan uit Gebiedsproces I. De houding van ontwikkelaars is in een aantal gevallen meerdere malen verwoord als 'arrogant'. Over het algemeen bleek uit Gebiedsproces I dat het voorkomen van hinder en overlast voor omwonenden het zwaarst weegt. Dit beeld is in Gebiedsproces II bevestigd. Veel omwonenden geven als reactie dat de gemeente haar rug recht moet houden met betrekking tot de gestelde randvoorwaarden, zoals geformuleerd in de uitvraag. Belangrijke voorwaarden zijn:

  • een afstand van 1100 meter tot woongebieden en 500 meter tot individuele woningen;
  • een ashoogte voor windturbines van maximaal 100 meter en een tiphoogte voor windturbines van maximaal 149 meter;
  • tijdelijke plaatsing van windturbines voor de duur van 16 jaar.

De bevindingen van het Gebiedsproces deel II zijn verwerkt in deze structuurvisie en in de Gedragscode Windenergie Emmen (zie ook paragraaf 11.1). Platform Windkracht 3 geeft in zijn rapport aan dat men het aantal ingediende voorstellen teleurstellend weinig vindt. Verder laat de opbrengst van de uitvraag zien dat er grote verschillen zijn in aanpak van projectontwikkeling en de mate waarin tegemoet wordt gekomen aan de gemeentelijke eisen. Het onderstreept het belang van de gemeentelijke randvoorwaarden en goede onderbouwing daarvan.

Er is als gevolg van de uitvraag meer inzicht ontstaan voor omwonenden over de rol van gemeentelijke voorwaarden en de markt bij de ontwikkeling van windenergie. De rol, betrokkenheid en houding van marktpartijen is duidelijker geworden. Daarbij heeft Windkracht 3 gevraagd aan de omwonenden of de gemeente moet meewerken aan de invulling van de windenergieopgave, zodat zij - in het belang van omwonenden - zelf de regie kan voeren? Windkracht 3 concludeert dat een overgrote meerderheid van de respondenten vindt dat de gemeente moet meewerken aan de invulling van de windenergie opgave, zodat zij in het belang van omwonenden de regie kan voeren.

Platform Windkracht 3 adviseert om in het verdere planproces een samenwerking te organiseren en faciliteren en daarbij de omwonenden te ondersteunen in hun positie. Zij zien dat veel omwonenden nu betrokken zijn bij de besluitvorming en dit ook willen blijven bij de verdere ontwikkeling, als hun omgeving wordt aangewezen. Alle ontwikkelaars geven aan samen met omwonenden de voorstellen verder uit te willen werken. Tegelijk ziet Windkracht 3 dat de onderlinge samenwerking niet gemakkelijk van de grond zal komen en dat verschillende posities en belangen daar een grote rol in spelen. Voor het vervolg vraagt dit in de ogen van Windkracht 3 een onafhankelijke begeleiding met daarbij specifieke ondersteuning van het belang van omwonenden, zodat de omwonenden los van de gemeente een positie behouden richting ontwikkelaars.

Windkracht 3 adviseert daarnaast om geen gedragscode te hanteren, maar om te streven naar een publiek, privaat en maatschappelijke samenwerking. De belangrijkste partijen bestaan uit de gemeente, ontwikkelaars en omwonenden, maar ook andere partijen (stakeholders) zouden hierin een plek kunnen krijgen. Windkracht 3 geeft aan dat een gedragscode een zelfregulerend mechanisme is en dat dat door veel omwonenden als te eenzijdig wordt ervaren. Windkracht 3 vindt dat er een minder vrijblijvend karakter als bij een gedragscode zou moeten gelden.. Als uitwerking hiervan stelt Windkracht 3 voor om de doelstellingen, die verbonden zijn aan de gedragscode, te borgen door middel van een omgevingsovereenkomst. Windkracht 3 heeft een model-omgevingsovereenkomst windenergie Emmen toegevoegd als bijlage in het rapport. Deze kan als basis gebruikt worden in fase 3.

7.7 Zienswijzen

Er zijn meer dan driehonderd zienswijzen binnengekomen op de ontwerp-structuurvisie. Uit deze zienswijzen zijn alle vragen en opmerkingen gedestilleerd en gerubriceerd. De beantwoording van de zienswijzen maakt deel uit van het raadsvoorstel bij de vaststelling van de structuurvisie. Voor de volledigheid is de beantwoording van de zienswijzen ook opgenomen als bijlage bij deze structuurvisie, zie daarvoor Bijlage 23 Beantwoording zienswijzen op ontwerp-structuurvisie Emmen, windenergie.

Hoofdstuk 8 Uitgangspunten

Windenergie heeft de afgelopen decennia in Nederland een ontwikkeling doorgemaakt van de solitaire windmolen op het boerenerf tot moderne machines met een ashoogte van 70-120 m, een rotordiameter van 40-90 m en een vermogen van gemiddeld 2 à 3 MW. Tegenwoordig worden in windrijke gebieden zelfs windmolens met een ashoogte van 135 m, een rotordiameter van 126 m en een tiphoogte van bijna 200 m gerealiseerd.

De toegenomen ruimtelijke impact vraagt om een zorgvuldige afweging van het belang van meer duurzame energievoorziening en van de belangen kwaliteit van de leefomgeving, landschap en cultuurhistorie, ecologie en aardkundige waarden. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met voorwaarden die worden gesteld vanuit de luchtvaart, defensie en externe veiligheid.

Op basis van de onderstaande vertrekpunten zijn het gebiedsproces en het planMER opgestart. Deze vertrekpunten komen voort uit de provinciale opgave, landelijke wetgeving en het door de gemeenteraad vastgestelde Regieplan Windenergie Emmen:

Provinciale opgave

  • 1. Realisatie van opgave van 95,5 MW
  • 2. Realisatiedatum voor 1 januari 2021
  • 3. Minimaal 5 windmolens van minimaal 3 MW, en minimaal 15 MW aan opgesteld vermogen per locatie / windpark

Landelijke wetgeving (Activiteitenbesluit)

  • 1. Circa 450 m vrije ruimte (geluidszone) rondom woningen

Regieplan Windenergie Emmen

  • 1. Rekening houden met wettelijke milieu- en veiligheidseisen en beschermde natuur
  • 2. Beperking hinder en gezondheidsrisico's door de aanwijzing van "woongebieden" en het hanteren van een vrije 1100 m zone rondom deze gebieden
  • 3. Geen insluiting / omringen van woongebieden door windparken
  • 4. Waar mogelijk rekening houden met natuur en landschappelijke kwaliteit
  • 5. Start Gebiedsproces / opstellen gedragscode
  • 6. Instellen gebiedsfonds (Windfonds)

Amendement Raad

  • 1. Tijdelijkheid ontwikkeling

Op basis van de uitkomsten van het gebiedsproces en van het planMER blijkt dat deze vertrekpunten goed werkbaar zijn om de opgave voor windenergie in de gemeente Emmen in te vullen. Daarbij blijft het centrale uitgangspunt: de beperking van hinder en overlast voor omwonenden.

Bij het opstellen van de structuurvisie werd verder duidelijk dat het begrip Insluiting en het Verdrag van Meppen nadere aandacht verdienen. Hiervoor willen we de volgende uitgangspunten hanteren:

Insluiting
In het kader van de vaststelling van het Regieplan Windenergie is door de raad aangegeven dat het niet gewenst is dat woongebieden worden omringd door twee of meer windmolenparken. Ook in het Gebiedsproces van Platform Windkracht 3 is naar voren dat insluiting van woongebieden ongewenst is.

Aan het aspect "insluiting" wordt in deze structuurvisie concreet invulling gegeven: Er dient minimaal 4 kilometer afstand te zijn tussen de windparken onderling. Een woongebied kan zich niet bevinden binnen twee overlappende 2 km contouren rondom windparken.

De gehanteerde afstand sluit aan bij het PlanMER, waarbinnen is geconstateerd dat een zone van 2 km rondom een windpark ongeveer overeenkomt met de 37 Lden geluidscontour. Buiten deze geluidscontour is het aantal gehinderden nihil. Verkleining van de insluitigscontouren betekent dat het aantal gehinderden op bepaalde locaties toeneemt door de ligging binnen twee 37 Lden geluidscontouren. Dit is strijd het streven naar een zo groot mogelijke beperking van hinder.

Onderstaande afbeelding geeft de 2 km contouren rondom de zoekgebieden weer. Hierbij is tevens rekening gehouden met bestaande (concrete plannen voor) windparken over de gemeentegrens.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0032.png"

Afbeelding 8.1: Kaart insluiting

In onderstaande tabel staat aangegeven welke gebieden op basis van het gehanteerde insluitingsprincipe wel of niet gezamenlijk gerealiseerd kunnen worden:

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0033.png"

Tabel 8.1: Insluiting

Verdrag van Meppen
De gemeente Emmen gaat ervan uit dat een tijdige ontheffing op of aanpassing van het Verdrag van Meppen realistisch is in het licht van de windenergie-opgave.

Uit overleg met Duitse instanties en contacten met rijk en provincie is inmiddels gebleken dat de ontwikkeling van de locatie Zwartenbergerweg haalbaar is. Er mag van worden uitgegaan van een ontheffing op het Verdrag van Meppen (of daarmee vergelijkbare oplossing) indien Zwartenbergerweg wordt aangewezen. Bij de terinzagelegging van de ontwerp-structuurvisie was de ontwikkeling van de locatie Zwartenbergerweg nog minder zeker en hier is in de scenario's (als beschreven in paragraaf 4.2) nog rekening mee gehouden.

Voor een ontheffing op het Verdrag van Meppen (of daarmee vergelijkbare oplossing) is als voorwaarde meegegeven dat er sprake is van een grensoverschrijdend windpark. Met de uitvoering van het SEREH-project dat voorziet in een grensoverschrijdend windpark wordt daaraan voldaan

Het Verdrag van Meppen dateert van 1824 en is opgenomen in het Nederlands-Duitse Grensverdrag. Het bepaalt dat bepaalt binnen een zone van 376 meter van de landsgrens geen bouwwerken mogen worden geplaatst. Het is hiermee tevens van toepassing op de plaatsing van windmolens in de grensstreek. Dit heeft als gevolg dat er op basis van het verdrag geen windmolens geplaatst mogen worden binnen een zone van 376 meter van de grens.

Hoofdstuk 9 Vervolgproces (Fase 3)

9.1 Algemeen

De ontwikkeling van windparken op de aangewezen locaties in fase 3 is in beginsel een kwestie van particuliere initiatieven. Vanaf het moment dat deze structuurvisie is vastgesteld kunnen windenergie-exploitanten, grondeigenaren, investeerders, etc. initiatieven voor de ontwikkeling van windparken bij gemeente indienen. In het algemeen zal de gemeente niet zelf windparken gaan ontwikkelen. Maar in locatie Pottendijk heeft de gemeente grondeigendommen. De rol van de gemeente bij de ontwikkeling van windparken op die locatie komt in fase 3 aan de orde. Dit geldt ook voor vormen van participatie en mogelijke aanbestedingaspecten.

De totstandkoming van windparken vereist overleg en besluitvorming met gemeente, bewoners en andere belanghebbenden. Dat proces kent enkele fasen waar in de volgende paragrafen op in wordt gegaan:

  • 1. Voorbereiding (paragraaf 9.2)
  • 2. Verlenen omgevingsvergunning (paragraaf 9.3 en 9.6)
  • 3. Eventueel beroep (paragraaf 9.6)

9.2 Voorbereiding

Gedragscode Windenergie gemeente Emmen

De gemeente zal in de voorbereidende fase een regisserende rol spelen en de vastgestelde Gedragscode Windenergie gemeente Emmen (Bijlage 22) daarbij als leidraad nemen. De gemeente heeft deze   zelfbindende Gedragscode mede op basis van het voorbereidende werk vanuit Windkracht 3 zelf opgesteld. Deze Gedragscode maakt geen formeel deel uit van de Structuurvisie, maar wordt afzonderlijk door de raad vastgesteld. De gemeente Emmen maakt met de Gedragscode richting omwonenden, initiatiefnemers en grondeigenaren duidelijk op welke wijze zij verwacht dat deze betrokkenen in de uitvoeringsfase met elkaar omgaan en welke rol de gemeente Emmen daarbij wil spelen. Dit moet ertoe leiden dat de windmolenopgave in de gemeente Emmen zo veel mogelijk op basis van gelijkwaardigheid, zonder vertraging en op respectvolle, constructieve, open en transparante wijze wordt gerealiseerd.

De gemeente Emmen zal er aldus op toezien dat bewoners en anderen in de uitvoeringsfase worden betrokken en kunnen participeren. Gemeente zal het voorbereidende proces ondersteunen en faciliteren.

Voorbereiding op vergunning
In de voorbereidende fase moet een plan voor een windpark zover ontwikkeld worden, dat deze in een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan worden verwerkt. Dit is een verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. Dat betekent dat een ontwerp moet worden gemaakt, met alle specificaties en informatie die daarbij hoort: opstelling, landschappelijke inpassing, effecten voor de omgeving, aanleg en exploitatie, enzovoorts. Bij de vergunning moet ook een m.e.r.-onderzoek worden uitgevoerd. Dit betekent ook dat in de voorbereidende fase een startnotitie voor het m.e.r.-onderzoek moet worden opgesteld.

Betrokkenheid omwonenden
De gemeente wil dat bewoners in de omgeving van een locatie en andere belanghebbenden tijdig bij planontwikkeling en -ontwerp worden betrokken, hoewel dit strikt genomen niet wettelijk is voorgeschreven in de vergunningprocedure. De gemeente is van oordeel dat al in een vroeg stadium gelegenheid zijn voor participatie. Het is ook in het belang van een exploitant dat - zo veel mogelijk - draagvlak in de omgeving wordt bereikt. In de voorbereidende fase moet er ook gelegenheid om afspraken vast te leggen over beheer en de rol van omwonenden daarbij. Denk daarbij aan een klachtenregeling en regelingen ten aanzien van (financiële) compensatie en/of participatie in de exploitatie.

Afspraken over participatie en compensatie
De betrokkenen partijen, in het bijzonder exploitanten, en omwonenden, kunnen onderling regelingen treffen met betrekking tot participatie en compensatie (omgevingsovereenkomst). De gemeente is hier voorstander van en de gedragscode is hiervoor de basis. De gemeente verwacht ook te worden betrokken bij het afsluiten van dergelijke regelingen. Gemeente wil deze regelingen kunnen beoordelen. Indien tussen exploitant en omwonenden een passende regeling wordt overeengekomen, speelt dat een belangrijke rol bij het overleg van gemeente met een initiatiefnemer over een exploitatieovereenkomst. Onder paragraaf 10.3 wordt nader op dergelijke regelingen ingegaan.

Organisatie gebiedsprocessen
Hoe dit proces vorm moet krijgen en hoe dit verder moet worden georganiseerd kan niet in het kader van deze structuurvisie worden uitgewerkt. Dit is in fase 3 aan de orde. Een en ander is afhankelijk van de specifieke situatie en belangen bij een locatie. De gedragscode biedt naar verwachting goede handvatten. Bewonersplatforms per locatie staan centraal.

Afspraken met gemeente over vergunningentraject en exploitatieovereenkomst
In de voorbereidende fase zal tussen initiatiefnemer en gemeente ook overleg plaatsvinden met het oog op de aanvraag om vergunning en met het oog op afsluiten van een exploitatieovereenkomst.

Op de vergunning wordt onder paragraaf 9.3 en op de exploitatieovereenkomst onder 10.4 ingegaan.

Overige aandachtspunten
In de voorbereidende fase zullen initiatiefnemers verder zaken als technische uitwerkingen van het ontwerp, contracten met afnemers, financiering, verzekeringen, moeten voorbereiden.

9.3 Omgevingsvergunning

De bestemmingsplannen in de gemeente Emmen staan de plaatsing van windmolens niet toe. Plaatsing vereist een besluit van de gemeente met betrekking tot het afwijken van het bestemmingsplan.

Procedureel zijn er twee mogelijkheden:

  • aanpassen van een bestemmingsplan of
  • verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan (artikel art. 2.1 lid 1 onder c Wabo).

De gemeente Emmen heeft de voorkeur voor de laatste mogelijkheid. Want dit heeft als voordeel dat één gecombineerde procedure mogelijk is voor zowel het bouwdeel, het milieudeel en het ruimtelijk deel van de besluitvorming en de omgevingsvergunning. Ook is maatwerk met betrekking tot vergunningsvoorschriften inzake geluid beter mogelijk. Op basis van deze structuurvisie zal de gemeente, naar aanleiding van aanvragen voor windparken, dan ook procedures starten voor verlenen van omgevingsvergunningen in afwijking van het bestemmingsplan.

Eén integrale aanvraag per windpark
In Hoofdstuk 4zijn locaties voor windparken in de gemeente Emmen aangegeven. Uitgangspunt is dat per locatie op projectmatige wijze één windpark wordt gerealiseerd, dus één integrale opstelling qua ontwerp, aansluiting en exploitatie. Dat betekent dus dat één integrale aanvraag, met projectMER, voor een locatie moet worden ingediend en dat per locatie één procedure wordt gevoerd.

Regierol gemeente
Met het college van B&W als bevoegd gezag, voert de gemeente de regie over de vergunningprocedure. Deze rol is wettelijk vastgelegd. De gemeente moet ervoor zorgen dat in de vergunningprocedure alle belangen worden betrokken en moet een waarborg bieden dat alle bewoners en belanghebbenden in de vergunningprocedure kunnen participeren. Daarnaast beslist het college over de omgevingsvergunning. De raad heeft daarbij een toetsende rol en moet een Verklaring van geen bedenkingen afgeven.

Rol van de raad: Verklaring van geen bedenkingen
Bij het besluit tot vergunningverlening van B&W is een zogenaamde Verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist (artikel 6.5 Bor). Aan de hand van deze verklaring van geen bedenkingen kan de gemeenteraad toetsen of het college het beleid dat de raad met de structuurvisie heeft vastgesteld, goed heeft toegepast. De raad kan ook gedragscodes betrekken bij zijn afwegingen.

De gemeenteraad heeft de mogelijkheid om, voor categorieën van overeenkomstige gevallen, een categoriale verklaring van geen bedenkingen te verlenen. Dan hoeft voor een afzonderlijke vergunning dus geen procedure via de gemeenteraad te worden gevolgd. Voor een aantal categorieën heeft de gemeenteraad eerder een dergelijke categoriale verklaring van geen bedenkingen verleend. Maar omdat een windpark een grote invloed op de omgeving kan hebben en de afwegingen bij verlenen van een vergunning van situatie tot situatie veel kunnen verschillen, wordt in deze structuurvisie niet uitgegaan van een categoriale verklaring van geen bedenkingen voor windparken.

Rol van de provincie
De Elektriciteitswet 1998 bepaalt dat de provincie als bevoegd gezag optreedt voor windmolenparken tussen de 5 en de 100 MW in het geval dat de gemeente daaraan niet meewerkt. De met de provincie gemaakte afspraak bevestigt dat gemeente medewerking verleent en dat provincie dus geen gebruik maakt van deze bevoegdheid.

Niet in strijd met “een goede ruimtelijke ordening”
De wet (artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3, Wabo) regelt dat de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan slechts kan worden verleend indien het besluit een ruimtelijke onderbouwing bevat en de activiteit niet in strijd is met “een goede ruimtelijke ordening”. Dat betekent dat een aanvraag moet passen in deze structuurvisie en het verder geldende beleid. Binnen deze kaders heeft de gemeente beleidsvrijheid om af te wegen of zij een vergunning verleent.

Wettelijke eisen en maatwerk
Bij verlenen van de omgevingsvergunning kan het college van B&W eisen opnemen. Paragraaf 4.5 vormt het uitgangspunt voor de formulering van de eisen. In ieder geval moet voldaan worden aan de eisen uit wetgeving, zoals op het gebied van geluid, veiligheid, enzovoorts. Vooral het Activiteitenbesluit Milieubeheer is van belang.

Aanvullingen op de wettelijke eisen zijn mogelijk. Dit is het zogeheten maatwerk in de omgevingsvergunning. Dit kan relevant zijn met betrekking tot bijvoorbeeld landschappelijke invulling, geluid, beperken van hinder, planologische consequenties, milieugevolgen, etc.

Verder kan een vergunning voor een bepaalde tijd worden verleend. De wet geeft daarbij geen beperking tot een maximale termijn. In deze structuurvisie zijn ook de uitkomsten van het Gebiedsproces van Platform Windkracht 3 betrokken. Hieruit kunnen eisen voortkomen voor de te verlenen omgevingsvergunningen en het daarbij vereiste “maatwerk”.

Financiële voorwaarden
Financiële voorwaarden zijn binnen bepaalde kaders mogelijk. Deze moeten dan in een exploitatieplan of in een exploitatieovereenkomst worden opgenomen. Dit geschiedt in samenhang met het verlenen van de omgevingsvergunning. Hoofdstuk 10 gaat daar nader op in.

Betrokkenheid omwonenden en andere belanghebbenden
De fase van vergunningverlening biedt wettelijke waarborgen voor betrokkenheid van omwonenden en andere belanghebbenden. Het college van B&W legt hierover openbare verantwoording af bij het besluit inzake verlenen van de vergunning. Het college motiveert zijn besluit en reageert op binnengekomen zienswijzen.

Informatie en onderzoek over het project
Wettelijk is voorgeschreven dat een aanvraag voor een vergunning is voorzien van informatie en onderzoek over het project, de bouw en alles wat daarmee samenhangt. Denk daarbij aan bijbehorende infrastructuur, het beoogde gebruik en de gevolgen daarvan voor de ruimtelijke ordening, de effecten voor het milieu, enzovoorts. Het gaat daarbij om onderzoeksrapporten over onder andere veiligheid, ontsluiting, akoestisch onderzoek, visuele effecten, eventueel archeologische onderzoek, watertoets, natuurtoets, etc. Deze eisen zijn vergelijkbaar met de eisen die worden gesteld bij een bestemmingsplan.

Evenals bij een bestemmingsplan is een zogeheten ruimtelijke onderbouwing nodig; met de vaststelling van de structuurvisie Emmen, Windenergie is voor een belangrijk deel voorzien in deze ruimtelijke onderbouwing. Wel zal een uitwerking nodig zijn per specifieke locatie en invulling.

9.4 Tijdelijke vergunning

Op basis van de Wabo en Wro kan een vergunning voor een bepaalde tijd worden verleend. De wet geeft daarbij geen beperking tot een maximale termijn.

De gemeente Emmen hecht aan zekerheid met betrekking tot de tijdelijkheid van de windmolens, zodat heroverweging na afloop van de termijn mogelijk blijft. Uit het PlanMER blijkt dat de ruimtelijke impact van windmolens groot en overwegend negatief is. Niet uit te sluiten valt dat binnen afzienbare termijn andere vormen van duurzame energie ruimtelijk (en economisch of maatschappelijk) positiever beoordeeld zullen worden dan grootschalige windparken. Zekerheid over de borging van de tijdelijkheid draagt bovendien bij aan de maatschappelijke acceptatie van windmolens.

De gemeente wil windmolens toestaan voor een periode van maximaal 16 jaar, gerekend vanaf de ingebruikname. Er wordt geen medewerking verleend aan vergunningsaanvragen zonder tijdelijkheid. Verder dient een sloopverplichting te worden opgenomen in de vergunning. Binnen deze termijn is tevens de noodzakelijke periode voor de sanering opgenomen. Aansluiting op de looptijd van de SDE-subsidie (15 jaar plus één jaar voor sloop en afronding) volstaat momenteel voor een sluitende en commercieel voldoende aantrekkelijke businesscase. De periode van 16 jaar kan worden verlengd tot maximaal 20 jaar, indien de noodzaak of wenselijkheid daartoe en het draagvlak daarvoor in voldoende mate kunnen worden onderbouwd.

De tijdelijkheid dient in de aanvraag van de omgevingsvergunning expliciet te zijn vastgelegd. Zo nodig kan dit met een bankgarantie of een andere vorm van zekerheidsstelling worden geborgd.

9.5 ProjectMER

Voor de plaatsing van windmolens met een gezamenlijk vermogen van meer dan 15 MW geldt in beginsel alleen een m.e.r. beoordelingsplicht. De gemeente zal echter bij een aanvraag om vergunning een projectMER eisen. Het college van Burgemeester en wethouders is bevoegd gezag met betrekking tot het opstellen van richtlijnen voor het m.e.r.-onderzoek en de beoordeling van een ingediende projectMER.

Bij de uitwerking van plannen voor een windpark zijn nog veel afwegingen mogelijk. Omdat de planMER bij deze structuurvisie globaal is, zullen nog veel vragen beantwoord moeten worden Daarbij zal rekening moeten worden gehouden met specifieke situaties. Daarom moeten dus de gevolgen van de invulling van een bepaalde locatie voor het milieu en omwonenden eerst gedetailleerd in beeld worden gebracht.

De initiatiefnemer moet voor het m.e.r.-onderzoek een zogeheten Startnotitie Reikwijdte en detailniveau indienen. De startnotitie wordt bekend gemaakt en iedereen kan reageren op de voorgestelde aanpak van het m.e.r.-onderzoek. Vervolgens kan de initiatiefnemer opdracht geven voor het uitvoeren van het m.e.r.-onderzoek.

9.6 Procedure

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan moet de zogeheten Uitgebreide Wabo procedure gevolgd worden. Voorafgaand aan de formele procedure dient een en ander al te zijn voorbereid. In paragraaf 9.2 is daar al op ingegaan.

Vergunningsaanvraag
De omgevingsvergunning bestaat uit drie onderdelen:

  • afwijking van het bestemmingsplan
  • milieudeel
  • bouwdeel

Toch wordt deze aanvraag als één vergunning met één procedure behandeld. Aan deze omgevingsvergunning kunnen ook andere vergunningen en instemmingen gekoppeld worden, bijvoorbeeld ontheffing natuur, uitritten, enzovoorts.

Als de aanvraag compleet is, kan deze formeel bij de gemeente worden ingediend. Dat wil zeggen: als alle vereiste gegevens en onderzoeken zijn bijgevoegd. De aanvraag wordt dan bekend gemaakt. In beginsel zijn alle stukken openbaar, maar uit een oogpunt van risico of specifieke (bedrijfs)belangen zijn uitzonderingen op dit uitgangspunt mogelijk. Tegelijkertijd wordt het m.e.r.-onderzoek uitgevoerd. Gemeente kan vervolgens de aanvraag beoordelen en eventueel nog aanvullende informatie vragen.

Ontwerpvergunning
Als ook het projectMER bij de gemeente is ingediend kan het college een ontwerp-vergunning, met alle afwegingen en voorschriften, opstellen en bekend maken. Deze ligt dan samen met de projectMER zes weken ter inzage. Gedurende die periode kunnen zienswijzen worden ingediend.

Vergunningverlening, na Verklaring van geen bedenkingen
Het college zal vervolgens, naar aanleiding van de zienswijzen, opnieuw een afweging met betrekking tot het verlenen van de omgevingsvergunning moeten maken. In deze fase moet er ook overeenstemming zijn over de exploitatieovereenkomst, met de exploitatiebijdrage.

De gemeenteraad moet daarna nog beslissen omtrent de verklaring van geen bedenkingen. Als de gemeenteraad deze verklaring heeft afgegeven kan het college een besluit nemen met betrekking tot het verlenen van de vergunning.

Beroep tegen besluit vergunningverlening
Tegen het besluit van het college is beroep mogelijk bij de rechtbank Noord Nederland en vervolgens hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Doorlooptijd uitgebreide procedure Wabo
Wat betreft de duur van de procedure geldt een termijn van 26 weken voor de periode vanaf de formele indiening van de aanvraag tot het besluit van het college. Maar dit is exclusief mogelijke uitloop in verband met het opstellen van het projectMER en de behandeling van de Verklaring van geen bedenkingen in de gemeenteraad. Verder telt de voorbereidende fase van initiatief en vooroverleg (als genoemd in paragraaf 9.2) niet mee. Want hiervoor gelden geen wettelijke termijnen gelden.

Crisis- en herstelwet
Met betrekking tot beroep is van belang dat de Crisis- en herstelwet toepasselijk is op windenergie. Dat betekent dat de behandeling van deze zaken prioriteit heeft en er van ruim een half jaar voor behandeling in beroep en hoger beroep elk afzonderlijk kan worden uitgegaan.

Hoofdstuk 10 Financiële aspecten

10.1 Inleiding

Dit hoofdstuk gaat in op de financiële aspecten. Het gaat om de financiele instrumenten die de gemeente kan en wil inzetten ten behoeve van de omwonenden en de omgeving. Daarnaast gaat het om verhaal van gemeentelijke kosten op de ontwikkelaars. De keuzes die daarbij worden gemaakt worden toegelicht.

De gemeente heeft de regie genomen over de door de provincie opgelegde taakstelling van 95,5 MW aan windenergie, met als doel om daarmee zoveel mogelijk hinder en gezondheidsrisico's voor de bewoners te voorkomen.

De gemeente heeft daarbij laten onderzoeken of de ontwikkeling van windparken in de gemeente Emmen op basis van de eisen en randvoorwaarden in deze structuurvisie economisch haalbaar is. De conclusie is dat de aangewezen locaties rendabel zijn te exploiteren en er daarbij ook ruimte is voor financiele afdrachten.

De gemeente stelt hinder voor omwonenden voorkomen voorop. Dit dient ook voorop te staan in de nadere uitwerking van windenergie in de aangewezen gebieden en dient in de overleggen met bewonersplatforms te worden uitgewerkt.

De gemeente verlangt daarnaast dat er directe afspraken tussen initiatiefnemers en bewoners worden gemaakt over compensatie en participatie.

De gemeente zal dit onder andere stimuleren en faciliteren via gebiedsprocessen en bewonersplatforms en met een model-omgevingsovereenkomst. De gedragscode Windenergie gemeente Emmen dient voor dit proces als basis.

De gemeente zal in op te stellen exploitatieovereenkomsten met de ontwikkelaars rekening houden met de afspraken die ontwikkelaars en omwonenden zijn overeengekomen.

De gemeente kan de voor een windpark gemaakte kosten verhalen op de ontwikkelaar/exploitant door middel van een exploitatieovereenkomst.

Voor het verhaal van de gemaakte kosten is er voor de gemeente ook de mogelijkheid om een exploitatieplan vast te stellen. Daarmee kan de gemeente eenzijdig een betalingsverplichting opleggen. De gemeentelijke kosten die met een exploitatieplan wettelijk verhaald kunnen worden zijn opgenomen in de kostensoortenlijst van het Bro ( eventuele grondverwerving, aanleg infrastructuur, onderzoek, procedure, planschade, verzekeringen, enzovoorts).

In een exploitatieovereenkomst kunnen ook bijdragen voor ruimtelijke ontwikkelingen worden verlangd. De Wro biedt daarvoor de mogelijkheid. Via een gemeentelijk fonds kan de besteding van de bijdragen nader worden geregeld. Daarvoor wordt een Windfonds per aangewezen gebied ingesteld. Deze fondsen kunnen in fase 3 nader worden vormgegeven. Maatwerk per gebied is dan mogelijk.

De gemeente geeft er de voorkeur aan dat omwonenden en ontwikkelaars rechtstreeks, in omgevingsovereenkomsten onderlinge regelingen m.b.t. compensatie en/of participatie treffen. Individuele compensatie kan niet in een exploitatieovereenkomst tussen exploitant en de gemeente worden geregeld. De gemeente zal in plaats daarvan bij de van de ontwikkelaar verlangde bijdrage in de exploitatieovereenkomst rekening houden met de afspraken die zijn gemaakt tussen ontwikkelaars en omwonden. De bijdrage van de ontwikkelaar/exploitant in de exploitatieovereenkomst tussen ontwikkelaar/exploitant en gemeente kan onderlinge regelingen aanvullen en omvat in elk geval de door de gemeente gemaakte kosten.

De bijdrage van een exploitant aan ruimtelijke ontwikkeling via de exploitatieovereenkomst kan als een sluitstuk van de gemeente worden gezien, voor het geval de exploitant en de omwonenden) niet tot een passende regeling komen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2015003-S701_0034.jpg"

Tabel 10.1: Schema van de financiele instrumenten en wat je er wel en niet in kan regelen. De nummering geeft de gemeentelijke voorkeursvolgorde aan

Omwonenden hebben een wettelijke aanspraak op planschade bij een besluit dat windmolens mogelijk maakt. Maar in de praktijk ligt de drempel voor planschade bij windmolens vaak te hoog om ervoor in aanmerking te komen (paragraaf 10.6 ).

10.2 Economische haalbaarheid

Deze structuurvisie biedt een planologische basis voor de ontwikkeling van windparken in de gemeente Emmen. In paragraaf 6.2 is al ingegaan op de vraag of deze beoogde ontwikkelingen ook economisch haalbaar zijn. Geconstateerd is dat met de eisen en randvoorwaarden (onder andere het beperken van hinder en het verlenen van tijdelijke vergunningen) die in deze structuurvisie zijn opgenomen een economisch aanvaardbare business case mogelijk is.

Dat betekent wel dat de uitgangspunten in deze structuurvisie niet altijd zullen leiden tot windmolenopstellingen met de hoogste financiële opbrengsten. Er is in de afwegingen voor de eisen in de structuurvisie niet gestreefd naar de hoogst mogelijke financiële afdrachten.

De door de provincie Drenthe opgelegde taakstelling van windenergie in de gemeente Emmen, komt voort uit rijksbeleid (Energieakkoord van Rijk en provincies van september 2013 en Structuurvisie Windenergie Op Land van het Rijk van maart 2014). Bij de voorbereiding daarvan is op rijksniveau de financieel economische haalbaarheid onderzocht. Daarbij stimuleert het Rijk met de SDE+ de ontwikkeling van windenergie.

Gebleken is dat er voldoende belangstelling van initiatiefnemers bestaat om op de in deze structuurvisie aangewezen locaties windparken te ontwikkelen. Nu de economische haalbaarheid van de ontwikkeling van windparken op de aangewezen locaties duidelijk is, wordt hier niet verder ingegaan op de vraag (Wro art 2.1 lid 3) of de gemeente verdere middelen of bevoegdheden voor de verwezenlijking zou moeten inzetten.

10.3 Omgevingsovereenkomst

In omgevingsovereenkomsten tussen een of meer omwonenden en een exploitant kunnen zaken met betrekking tot participatie en compensatie worden geregeld. Een exploitant kan hierover met bewoners afspraken maken en dit vastleggen in een omgevingsovereenkomst. De gedragscode biedt daarvoor uitgangspunten. Dit heeft de voorkeur van gemeente.

Het is van belang dat er een passende en evenwichtige regeling voor alle omwonenden en bedrijven in de aangewezen gebieden wordt bereikt. Compensatie, aanvullend op planschade, is daarbij een belangrijk element. De gemeente wil daarbij faciliteren en regisseren en toezien op een eerlijke opzet.

Of en hoe dergelijke regelingen tot stand komen, is afhankelijk van de wederzijdse posities en intenties en belangen van partijen (ontwikkelaars/exploitanten, grondeigenaren, omwonenden, ondernemers). Een en ander is ook afhankelijk van de specifieke situatie van een locatie en de mogelijkheden voor inplaatsing. Dit komt bij invulling van een locatie, ontwerp van een opstelling en vergunningverlening aan de orde.

Er zijn allerlei vormen van participatie en compensatie denkbaar, waaronder:

  • individuele overeenkomsten ten aanzien van een bepaalde compensatie of vergoeding;
  • (risicodragende) participatie;
  • obligaties;
  • coöperatieve regelingen;
  • kortingen op energienota;
  • financiering van voorzieningen in het gebied;
  • ruimtelijke inpassing;
  • enzovoorts.

10.4 Exploitatieovereenkomst

De gemeente kan in de exploitatieovereenkomst tussen gemeente en exploitant een bijdrage verlangen voor de kosten van "ruimtelijke ontwikkelingen" die zijn opgenomen in een structuurvisie. Dat kan ook een andere, eerder vastgestelde, structuurvisie zijn. Maar het betreffende wetsartikel (art 6.24 lid 1 onder a Wro) biedt verder weinig aanknopingspunten voor de inhoud van een exploitatieovereenkomst. Een dergelijke overeenkomst zal vooral resultaat zijn van onderhandelingen.

Met een financiële bijdrage aan de gemeente voor ruimtelijke ontwikkelingen in een exploitatieovereenkomst worden , naast de bijdrage voor “ruimtelijke ontwikkelingen”, in elk geval ook de gemeentelijke kosten verhaald.

In de exploitatieovereenkomst wordt rekening gehouden met onderlinge regelingen (omgevingsovereenkomsten) van de exploitant en de omwonenden. Met andere woorden; als exploitant en omwonenden onderling niet tot een passende regeling komen zal een exploitatieovereenkomst als sluitstuk daarvoor fungeren.

In de exploitatieovereenkomst kunnen ook regelingen met betrekking tot de exploitatieperiode (dus tijdelijkheid), ontmanteling na afloop, landschappelijke inpassing en dergelijke worden opgenomen. Ook elementen uit de gedragscode kunnen worden opgenomen. Een en ander moet wel worden afgestemd op de eisen in de te verlenen omgevingsvergunning. Er kan een kettingbeding worden opgenomen om opvolgende exploitanten aan de overeenkomst te binden.

De bijdragen voor ”ruimtelijke ontwikkelingen” die uit de exploitatieovereenkomst voortvloeien, zullen worden toegevoegd aan het betreffende Windfonds.

Het afsluiten van een exploitatieovereenkomst, maar niet de gehele inhoud daarvan, moet worden gepubliceerd.

10.5 Windfondsen

Per gebied wordt voor algemene compenserende en mitigerende maatregelen een fonds ingesteld. Dat worden dan "Windfonds N34", "Windfonds Pottendijk" en "Windfonds Zwartenbergerweg".

De Windfondsen maken de financiering van algemene compenserende en mitigerende maatregelen, in en rondom de gebieden die zijn aangewezen voor windenergie, mogelijk.

Voor de Windfondsen zijn er enkele geldstromen beschikbaar. De fondsen kunnen worden gevoed met exploitatiebijdrage van de exploitant . Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele afspraken in omgevingsovereenkomsten van initiatiefnemers omwonenden. De hoogte van het bedrag, de exploitatiebijdrage wordt in een exploitatieovereenkomst (zie voorgaande paragraaf 10.5) tussen initiatiefnemer en gemeente Emmen vastgelegd . Indien wordt uitgegaan van €0,50/MWh kan voor 32 windturbines worden gerekend op een bedrag van circa €100.000,- als bijdrage in het fonds.

De gemeente Emmen voedt de Windfondsen jaarlijks met de OZB opbrengsten van de windturbines. Voor alle windturbines wordt, voor het eerste jaar dat ze operationeel, in totaal een bedrag van circa €350.000,- verwacht. Dat is een raming gebaseerd op 32 windturbines. In de jaren daarna wordt gecorrigeerd voor technische en functionele veroudering, waardoor het bedrag zal afnemen naar een jaarlijks bedrag van circa €110.000,- aan het einde van de exploitatieperiode. De exacte bedragen worden bepaald op het moment dat de windturbines operationeel zijn. Besteden van OZB middelen voor doeleinden in Windfondsen stuit niet op fiscaal juridische bezwaren.

De provincie Drenthe heeft, met de brief van 13 mei 2016, uitgesproken bereid te zijn om de Windfondsen gedurende een periode van 10 jaar aan te vullen met een bedrag van circa €1000,- per opgestelde MW per jaar. In totaal is dit een bedrag van jaarlijks circa €100.000,- voor de Windfondsen voor de aangewezen gebieden in Emmen gedurende een periode van 10 jaar.

Aan een windfonds zal in fase 3 nader vorm gegeven moeten worden. De windfondsen zijn in beginsel gemeentelijke fondsen. De gemeenteraad heeft dus, in het kader van de begroting, de uiteindelijke zeggenschap. Hiervan uitgaande zal in fase 3 een een vorm van beheer voor een Windfonds bepaald moeten worden.

In de Gedragscode is opgenomen dat het bewonersplatform in fase 3 aan de gemeente Emmen procesvoorstellen kan doen over de vraag waaraan de middelen uit het Windfonds voor het betreffende gebied besteed kunnen worden. De gemeente stelt hiervoor kaders op.

De volgende ontwikkelingen kunnen in aanmerking komen voor financiering met een windfonds:

  • Algemene compenserende en mitigerende maatregelen;
  • Maatregelen voor verbetering van de leefomgeving en natuurcompensatie rond locaties;
  • Compensatiemaatregelen in verband met geluidhinder (met name cumulatie van geluid van geluidsportcentrum Pottendijk en windturbines).

10.6 Waardevermindering, planschade

In paragraaf 10.3 is al ingegaan op compensatie. De daar bedoelde overeenkomsten of regelingen tussen exploitanten en bewoners bieden een algemene compensatie voor aantasting van het gebied en zijn niet alleen gekoppeld aan waardedaling van woningen. Ook voor bijvoorbeeld huurders is een dergelijke compensatie van betekenis, zonder dat dit is gekoppeld aan de waarde van hun woning.

Los daarvan bestaat er de wettelijke regeling voor planschade (officieel “tegemoetkoming in schade”, art 6.1 Wro). Daarbij gaat het om de vermindering van de waarde van een woning of vastgoed, of om omzetderving van een bedrijf, als gevolg van een planologisch besluit. In dit geval het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan voor een bepaalde locatie (dus niet het besluit tot vaststellen van de structuurvisie). Als blijkt dat de waarde van een woning daalt door het besluit, moet de gemeente de waardevermindering vergoeden.

Vaststellen planschade
Voor het vaststellen van de waardevermindering geldt een wettelijke procedure. Onafhankelijke beoordeling en taxatie is vereist. De waardevermindering wordt bepaald als een percentage van de waarde van het vastgoed. De eerste 2% waardevermindering blijft voor rekening van de benadeelde.

Landelijk is tot op heden nauwelijks planschade in verband met windturbines toegekend. In het algemeen, en dat geldt zeker ook ten aanzien van de locaties in deze structuurvisie, worden windmolens op zodanige afstanden van woningen geplaatst dat geluidhinder en risico beperkt zijn. Er wordt dan zelden een waardevermindering van meer dan 2 % vastgesteld.

De gemeente kan toegekende planschade verhalen op de exploitant. Daartoe moet, in de fase van vergunningverlening, een planschadeverhaalovereenkomst met de exploitant worden afgesloten. Deze overeenkomst is veelal gekoppeld aan de exploitatieovereenkomst (zie onder 10.4).

Gebreken in de wettelijke planschaderegeling
Naast al genoemde beperkingen dat de eerste 2% waardevermindering voor eigen risico is en dat huurders niet voor planschade in aanmerking komen, zijn er nog enkele gebreken in de wettelijke regeling met betrekking tot planschade.

Er is soms discussie over de grondslag van de taxatie. De grondslagen voor WOZ, voor planschade, en voor bepalen van marktwaarde, kunnen verschillen. Bij windmolens wijkt de (subjectieve) waardering van een koper of verkoper soms af van de taxatie van de marktwaarde in het kader van planschade.

Verder komt waardevermindering als gevolg van vaststellen van bijvoorbeeld een structuurvisie niet voor vergoeding als planschade in aanmerking. De wettelijke planschadevergoeding is er alleen voor rechtstreeks bindende besluiten als een bestemmingsplan of een vergunning in afwijking van het bestemmingsplan maar niet voor een besluit tot vaststellen van een structuurvisie. Planschade kan dus pas worden vergoed nadat er voor een locatie een besluit is genomen om een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. In de praktijk blijkt echter ook vaststellen van een structuurvisie al tot waardevermindering te kunnen leiden.

Een woningeigenaar heeft ook geen aanspraak op vergoeding van planschade als het aanwijzen van een locatie voor windmolens voorzienbaar was op het moment van aankoop van de woning. Dus als dit was opgenomen in bijvoorbeeld een gemeentelijk beleidsplan dat op dat moment openbaar bekend was. Het komt erop neer dat voor woningen die na vaststellen van het Regieplan en voor het verlenen van de omgevingsvergunning zijn verkocht, geen planschade mogelijk is.

Relatie met compensatieregeling
Voor dit soort knelpunten is er geen wettelijk oplossing. Daarom ondersteunt de gemeente een regeling die ruimere mogelijkheden biedt voor compensatie. De regelingen zoals genoemd onder 10.3 bieden daarvoor een kader. Hoewel de regeling met betrekking tot planschade wettelijk is vastgelegd, kan planschade onderdeel zijn van een dergelijke onderlinge regeling. In de gedragscode worden aanknopingspunten voor een dergelijke regeling opgenomen. Er kan dus, in het kader van een vrijwillige regeling of overeenkomst van een exploitant met een bewoner, vooraf of achteraf een vergoeding worden afgesproken zodat planschade niet meer nodig is. Dit moet dan wel goed worden vastgelegd. De gemeente hoeft daar geen rol bij te hebben. Met dergelijke regelingen worden ook de (relatief hoge) procedurekosten voor planschade, die voor rekening van gemeente zijn, vermeden.

Wel kan een bewoner altijd nog verzoeken om planschade bij de gemeente, als deze meent dat de onderlinge regeling of vergoeding tekortschiet. Dan wordt beoordeeld of de onderling afgesproken vergoeding voldoende is geweest en dit kan uiteindelijk ook door de rechter getoetst worden.

Concluderend
Er bestaat geen mogelijkheid om de wettelijke regeling voor planschade met het oog op windmolens te verruimen. Maar via een onderlinge regeling van exploitanten en bewoners is er wel een oplossing voor genoemde knelpunten te bereiken en gemeente zal een dergelijke regeling ook ondersteunen.

Hoofdstuk 11 Uitvoeringsprogramma

De gemeente gaat voor de ontwikkeling van windenergie uit van zelfrealisatie op de aangewezen locaties. De uitvoering van deze structuurvisie is afhankelijk van aanvragen van derden. Vanuit het rijk zijn subsidies beschikbaar, op basis waarvan diverse aanvragen worden verwacht.

11.1 Gedragscode Windenergie gemeente Emmen

Met de Gedragscode Windenergie Gemeente Emmen (zie Bijlage 22) maakt de gemeente Emmen richting omwonenden, initiatiefnemers en grondeigenaren duidelijk op welke wijze zij verwacht dat deze betrokkenen in de uitvoeringsfase met elkaar omgaan en welke rol de gemeente Emmen daarbij wil spelen. De gemeente verwacht van initiatiefnemers dat zij in elk geval handelen naar de Gedragscode. Dit moet ertoe leiden dat de windmolenopgave in de gemeente Emmen zo veel mogelijk op basis van gelijkwaardigheid, zonder vertraging en op respectvolle, constructieve, open en transparante wijze wordt gerealiseerd. Per aangewezen gebied voor windenergie wordt een Bewonersplatform opgericht. De gemeente ondersteunt dit, onder meer door te voorzien in een (neutral) externe voorzitter. De gemeente zorgt verder voor een gemeentelijk vertegenwoordiger in elk Bewonersplatform. Deze zorgt ook voor informatie-uitwisseling met andere Bewonersplatforms.

11.2 WABO-vergunning

Aanvragen voor windenergie betreffen WABO-vergunningen met afwijking van het bestemmingsplan. De wettelijke proceduretijd is maximaal 26 weken (exclusief vooroverleg en exclusief eventueel beroep).

De raad dient per vergunningsaanvraag aan te geven of zij wel of geen bedenkingen tegen de aanvraag heeft.

Een aanvraag tot een WABO-vergunning ten behoeve van een grootschalige windenergie is tevens een aanvraag voor een vergunning in afwijking het bestemmingsplan. Dit houdt in dat de bestemming, zoals geregeld in het bestemmingsplan, ongewijzigd blijft en dat in afwijking daarvan daarnaast de specifieke activiteit bouw en gebruik ten behoeve van grootschalige windenergie kan worden verleend. De huidige bestemming blijft dus ongewijzigd bij de verlening van de vergunning voor de afwijking. Als de windmolens en bijbehorende infrastructuur worden verwijderd, vervalt de afwijking en blijft de bestemming in het bestemmingsplan onverminderd van kracht.

De gemeente wil alleen medewerking verlenen aan aanvragen voor een tijdelijke vergunning. De aanvraag dient te zijn voorzien van een projectMER.

11.3 Ruimtelijke inpassing

De structuurvisie geeft aan op welke locaties en onder welke voorwaarden ruimte gegeven kan worden aan grootschalige windenergie. Een van de voorwaarden is dat voldaan wordt aan ruimtelijke kwaliteit.

De rolverdeling hierbij is dat de gemeente de kaders bepaalt en de initiatiefnemer aangeeft hoe hij voldoet aan de eisen inzake ruimtelijke kwaliteit. Vervolgens toetst de gemeente initiatieven aan de hand van de kaders.