direct naar inhoud van 3.2 Ecologie
Plan: Zwartemeer
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0114.2009069-0701

3.2 Ecologie

Normstelling en beleid

Gebiedsbescherming

Ten aanzien van de gebiedsbescherming is met name de op 1 oktober 2005 in werking getreden Natuurbeschermingswet van belang. In deze wet is de bescherming van natuurgebieden die zijn aangewezen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen geregeld (de zogenaamde Natura 2000-gebieden). Daarnaast kunnen op grond van de Natuurbeschermingswet gebieden van nationaal belang worden aangewezen: Beschermde Natuurmonumenten. Ten aanzien van activiteiten in de omgeving van deze gebieden, dient te worden beoordeeld of deze activiteiten "significant negatieve effecten" kunnen veroorzaken.

Ecologische Hoofdstructuur

Naast gebieden die zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet dient rekening te worden gehouden met het provinciaal beleid ten aanzien van gebieden die zijn gelegen binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS heeft als doel natuurgebieden te vergroten en te verbinden. Voor ontwikkelingen binnen de EHS geldt het "nee-tenzij principe", hetgeen betekent dat ontwikkelingen geen afbreuk mogen doen aan de natuurlijke kenmerken van het gebied. Indien vernietiging of verstoring van de EHS plaats vindt, dient ten allen tijde compensatie plaats te vinden.

Soortenbescherming

De Flora- en faunawet is in werking getreden op 1 april 2002. Op grond van de wet geldt een algemeen verbod op het verwijderen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten. Artikel 75 van de wet voorziet in een aantal gevallen in een mogelijkheid tot ontheffing. Deze gevallen zijn verder uitgewerkt in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantsoorten.

Beschermd gebied Bargerveen

De zuidzijde van Zwartemeer grenst aan het Milieubeschermingsgebied Bargerveen. Dit gebied is tevens aangewezen als Natuur-, Stilte- en Habitat/Vogelrichtlijngebied. Dit betekent dat planontwikkelingen en -uitwerkingen nader getoetst dienen te worden aan Europese- en nationale wetgeving. Het Bargerveen maakt onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), het plangebied zelf valt buiten deze begrenzing.

Het Bargerveen is een binnen Nederland uniek restant hoogveen. In het gebied komt een groot aantal zeldzame soorten voor, die kenmerkend zijn voor hoogveen. De aanwezigheid van de bijzondere milieus en van open water, gecombineerd met de openheid van het landschap en de rust in het gebied, maken het gebied van internationaal belang voor onder meer vogels. De bijzondere beschermingsstatus en de aanwezigheid van bijzondere plant- en diersoorten hebben de volgende consequenties:

  • Het resterende hoogveen is erg gevoelig voor verdroging. In het gebied worden en zijn diverse maatregelen getroffen om verdere verdroging te voorkomen. Maar ook activiteiten buiten het gebied kunnen effecten hebben op de waterstand in het Bargerveen. In overleg met het waterschap en de terreinbeherende organisatie zal de reikwijdte van ingrepen in het hydrologische systeem in en rondom het Bargerveen bepaald en op kaart ingetekend moeten worden. De reikwijdte is de afstand tot waar een bepaalde ingreep in het hydrologische systeem invloed heeft op het Bargerveen. Deze afstand wordt bepaald door hydrologische parameters als de weerstand van (eventueel aanwezige) slecht doorlatende lagen in de bodem en het doorlatend vermogen van het watervoerend pakket.
  • Om de stilte in het gebied te bewaren heeft de provincie een geluidscontour rond het gebied aangegeven. Activiteiten die de waarden van de contour overschrijden, zijn verboden.
  • Om het Bargerveen donker te kunnen houden, moeten activiteiten die lichtverstoring in het gebied kunnen veroorzaken, hierop onderzocht worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanbrengen van straatverlichting of de verlichting van sportvelden.
  • Activiteiten die de overige abiotische omstandigheden negatief beïnvloeden, zijn niet toegestaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om vervuiling en vermesting.
  • Een deel van de vogels foerageert in de omgeving van het Bargerveen. Om deze vliegbewegingen niet te belemmeren wordt het oprichten van hoge windmolens niet toegestaan.

Voor het Bargerveen zal een beheerplan door de provincie worden opgesteld. In dit beheerplan wordt vastgelegd welke bestaande activiteiten zonder vergunning zijn toegestaan en welke activiteiten niet.

Aanwezige beschermde soorten Bargerveen

De bebouwde kom vormt voor diverse soorten planten en dieren een geschikt leefgebied. Hieronder zijn veel soorten die door de Flora- en faunawet beschermd worden. Voor een deel van deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze soorten zijn in een wetswijziging (AmvB) op de Flora- en faunawet geplaatst in tabel 1. Voor de soorten die in deze AmvB in tabel 2 en 3 zijn genoemd, geldt geen ontheffing bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Tabel I. Soorten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd

Roofvogels   Uilen   Overige soorten  
Boomvalk   Kerkuil*   Gierzwaluw*  
Buizerd*   Oehoe   Grote gele kwikstaart  
Havik   Ransuil*   Huismus*  
Slechtvalk*   Steenuil*   Ooievaar*  
Sperwer     Roek*  
Wespendief      
Zwarte wouw      

* Soorten die mogelijk kunnen broeden binnen de bebouwde kom

Tabel II. Soorten waarvan de nesten niet jaarrond zijn beschermd, inventarisatie wel gewenst

Spechten   Overige soorten  
Groene specht*   Blauwe reiger*  
Grote bonte specht*   Bonte vliegenvanger*  
Kleine bonte specht*   Boomklever*  
Zwarte specht   Boomkruiper*  
Draaihals   Ekster*  
Uilen   Gekraagde roodstaart*  
Bosuil*   Glanskop*  
Ruigpootuil   Grauwe vliegenvanger*  
Roofvogels   Hop*  
Torenvalk*   Ijsvogel*  
Zeearend   Kleine vliegenvanger*  
Eenden   Koolmees*  
Brilduiker*   Kortsnavelboomkruiper  
Eidereend   Pimpelmees*  
Zwaluwen   Raaf  
Boerenzwaluw*   Spreeuw*  
Huiszwaluw*   Tapuit  
Oeverzwaluw   Zwarte kraai*  
  Zwarte mees  
  Zwarte roodstaart*  

* Soorten die mogelijk kunnen broeden binnen de bebouwde kom

Bij ruimtelijke ingrepen moet vooraf onderzocht worden of de ingreep negatieve gevolgen heeft voor soorten uit tabel 2 of 3. In Zwartemeer gaat het dan om vleermuizen, vogels, steenmarter, poelkikker, levendbarende hagedis, veldspitsmuis en adder. Hierover het volgende:

  • In de bebouwde kom van Zwartemeer kunnen vleermuizen een verblijfplaats hebben. Diverse soorten hebben een kraam-, zomer- en/of winterverblijfplaats in huizen of andere gebouwen. Andere soorten hebben verblijfplaatsen in bomen;
  • Een groot aantal vogels broedt binnen de bebouwde kom. Zij hebben nesten in tuinen, groenvoorzieningen en gebouwen. Veel van deze soorten zijn weinig storingsgevoelig en bouwen elk jaar een nieuw nest. Enkele soorten, waaronder bijvoorbeeld de kerkuil, maken jaarrond gebruik van hetzelfde nest;
  • De steenmarter komt steeds meer voor in de bebouwde kom. Deze bouwt nesten in huizen en schuurtjes. Zijn verblijfplaats bevindt zich vooral in huizen, leegstaande gebouwen en rommelhoekjes;
  • In (de directe omgeving van) Zwartemeer zijn waarnemingen gedaan van rugstreeppad. Dit is een pioniersoort. Braakliggende terreintjes in het dorp kunnen (tijdelijk) geschikte leef- en zelfs voortplantingsgebieden vormen;
  • Aanwezige waterelementen (sloten, poeltjes) kunnen (tijdelijke) voortplantings- of verblijfplaatsen van heikikker en poelkikker vormen;
  • In de directe omgeving van Zwartemeer komen adders voor. Adders zijn zeer plaatstrouw en migreren weinig. Het lijkt daarmee onwaarschijnlijk dat de soort in het dorp voorkomt;
  • De levendbarende hagedis is waargenomen in de nabije omgeving van Zwartemeer. Deze soort leeft bij voorkeur op enigszins vochtige heide of heide met vennen en in structuurrijke weg- en spoorbermen en ruigten. Omdat geschikte biotopen voor de levendbarende hagedis zeer waarschijnlijk ontbreken in het dorp Zwartemeer, is het aannemelijk dat de soort hier niet voorkomt;
  • Veldspitsmuizen kunnen in Zwartmeer met name aangetroffen worden langs bermen, in tuinen, bij composthopen en in struikgewas.

De aanwezigheid van bovengenoemde soorten betekent dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen onderzocht moet worden of de ingreep een negatief gevolg heeft voor één van deze soorten. Het gaat daarbij vooral om:

  • het slopen of verbouwen van een woning of gebouw;
  • het kappen van bomen met holtes of vogelnesten;
  • het dempen van natte landschapselementen;
  • het bouwrijp maken en bebouwen van braakliggende grond;
  • het verwijderen van groenvoorzieningen.

Ten aanzien van de omgang met de steenmarter heeft de gemeente een beheerplan opgesteld. De initiatiefnemer van een ingreep is verantwoordelijk voor het onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten.