direct naar inhoud van 4.5 Ecologie
Plan: Loon 2012
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0106.99BP20095500-C001

4.5 Ecologie

4.5.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied in het kader van bijvoorbeeld de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan er ook nog sprake zijn van gebiedsgericht beleid. Gebiedsgericht beleid vindt onder meer plaats op basis van de Ecologische Hoofdstructuur.

Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hier wordt de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. De Flora- en faunawet gaat uit van het "nee-tenzij" principe, waarbij de mogelijkheid wordt geboden bepaalde ingrepen toe te staan middels ontheffing of vrijstelling. Daarnaast kent de wet een zorgplichtbepaling voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. In die bepaling staat: 'Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving'. Handelingen die nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen veroorzaken, moeten achterwege gelaten worden of zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan gemaakt.

4.5.2 Onderzoek

Sinds 1 april 2002 regelt de Flora- en faunawet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren (beschermde flora- en faunasoorten). Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen tot gevolg hebben dat beschermde soorten in het geding komen. Als dergelijke soorten aanwezig zijn en door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling bedreigd worden, moet een ontheffing aangevraagd worden.

Het plangebied is grotendeels in gebruik als bebouwd gebied. Aangezien het onderhavige bestemmingsplan een consoliderend plan betreft en geen sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die gevolgen kunnen hebben voor beschermde soorten, behoeft in het kader van dit bestemmingsplan geen nader onderzoek plaats te vinden. Wel zal, indien wordt gebouwd of een andere activiteit plaats vindt, op basis van de zorgplicht uit de Flora- en faunawet rekening moeten worden gehouden met de aanwezige beschermde soorten.

Gebiedsbescherming

Vanaf oktober 2005 vindt de gebiedsbescherming in Nederland plaats via de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998. De Natuurbeschermingswet kent de volgende beschermde gebieden:

  • de Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden);
  • beschermde natuurmonumenten.

Gebiedsgericht beleid

Daarnaast is sprake van gebiedsgericht beleid op basis van aanwijzing als ecologische hoofdstructuur en als nationaal landschap. Dit beleid wordt eveneens besproken.

  • de Ecologische Hoofdstructuur;
  • Nationale Landschappen.

Natura 2000-gebieden

Voor beschermde Natura 2000-gebieden geldt dat voor projecten en handelingen geen verslechtering van de kwaliteit van de habitats of een verstorend effect op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen mag optreden. Binnen de Natura 2000- gebieden zijn de Vogelrichtlijngebieden en Habitatrichtlijngebieden te onderscheiden. De Vogelrichtlijn heeft tot doel alle in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De Habitatrichtlijn is zowel gericht op de bescherming van soorten als natuurlijke habitats.

In de omgeving van de stad Assen liggen enkele Natura 2000-gebieden; het Fochteloƫrveen, het Witterveld en de Drentsche Aa. Het plangebied grenst in het zuidoosten aan het Natura 2000-gebied de Drentsche Aa'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0106.99BP20095500-C001_0021.jpg"

Afbeelding 20. Natura 2000 gebied Drentsche Aa.

Wettelijke grondslag toetsing Natura 2000

De wettelijke grondslag voor de toetsing aan de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden is de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel 19j eerste lid van deze wet bepaalt dat "een bestuursorgaan houdt bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000 gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied". In dit verband dient stikstofdepositie vanwege de agrarische bestemmingen nader te worden beschouwd.

Stikstofproblematiek

Nederland heeft op grond van Europese richtlijnen de plicht om maatregelen te nemen om de doelen van Natura 2000 te behalen. Stikstof verzuurt en verrijkt de bodem, en is daarmee een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van Natura 2000-gebieden. Zolang onzeker is of de verslechtering van Natura 2000-gebieden - door stikstofdepositie - gestopt kan worden en of op termijn de doelen voor Natura 2000 behaald gaan worden, is ook onzeker of activiteiten door kunnen blijven gaan en nieuwe activiteiten kunnen worden gestart (zoals de uitbreiding van veehouderijbedrijven of de aanleg van extra rijstroken bij een snelweg).

Om mede dank zij afname van stikstofdepositie de instandhoudingdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden te halen en tegelijkertijd enige ontwikkelingsruimte te bieden voor ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie bereidt het rijk een programmatische aanpak stikstof voor (PAS). De concept-PAS gaat ervan uit dat voor de vaststelling van plannen als bedoeld in artikel 19j van de Nbw 1998 ontwikkelingsruimte kan worden gereserveerd. In het bijzonder betreft dit bestemmingsplannen die stikstofveroorzakende projecten mogelijk maken. De definitieve toedeling van ontwikkelingsruimte vindt plaats in het kader van de toestemmingverlening voor de projecten waarin het bestemmingsplan voorziet. Aangezien de programmatische aanpak stikstof nog niet in werking is getreden, kan in het kader van dit bestemmingsplan geen ontwikkelingsruimte worden geboden.

Het bestemmingsplan houdt rekening met de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden. Door afname van de stikstofdepositie wordt bijgedragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Binnen het plangebied vigeren 24 agrarische bouwpercelen. Veel van die percelen worden herbestemd voor woondoeleinden. Het nieuwe bestemmingsplan respecteert de bestaande vergunde bedrijfsvoering voor de vijf agrarische bouwpercelen die nog wel als zodanig worden gebruikt. De agrarische bouwvlakken zijn op een logische wijze strak om de bestaande bebouwing getrokken. Uitbreiding van de bestaande bedrijfsvoering wordt met dit bestemmingsplan niet voorzien en dat is in overeenstemming met het uitgangspunt van het plan dat slechts voorziet in actualisatie. In het vorige bestemmingsplan was immers ook al geen onbenutte ontwikkelruimte meer aanwezig.

De conclusie is dat nieuwe ontwikkelruimte voor stikstofveroorzakende activiteiten in dit bestemmingsplan niet mogelijk wordt gemaakt. Integendeel, 19 agrarische bouwpercelen worden herbestemd voor woondoeleinden. De doeleindenomschrijving van de agrarische bestemming met bouwperceel is beperkter en slechts toegesneden op de vergunde bedrijfsvoering. Bovendien zijn de bouwvlakken voor de agrarische bedrijven niet groter dan in het vigerende plan.

Dit alles maakt dat vaststelling van dit bestemmingsplan juist bijdraagt aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden, Met name het nabij het plangebied gelegen Natura 2000 Drentse Aa kan hiervan profiteren.

Beschermde natuurmonumenten

Beschermde natuurmonumenten hebben als doel om gebieden met een natuurwetenschappelijke of landschappelijke betekenis te vrijwaren tegen ingrepen. Het kan gaan om gebieden met zeldzame plant- en/of diersoorten, maar ook om gebieden die door hun ontstaansgeschiedenis, bodembouw of landschappelijke schoonheid waardevol zijn. In het plangebied bevindt zich geen beschermd natuurmonument. Het plangebied grenst ook niet aan een beschermd natuurmonument. Voor dit plan hoeft hier niet verder op worden ingegaan.

Ecologische Hoofdstructuur

In het besluit voor de begrenzing van de EHS zijn vooralsnog geen wijzigingen aangebracht ten opzichte van de EHS, zoals die is weergegeven en vastgelegd in de provinciale omgevingsvisie. De onbebouwde percelen aan de noord, zuid en oostelijke randen van de kern vallen binnen het EHS-gebied.

De provincie is echter voornemens om de begrenzing van de EHS in 2013 ter herzien (zie afbeelding 21). Rondom de kern Loon komen daarmee een aantal percelen buiten de begrenzing van de EHS 2013 te liggen. EĆ©n perceel ten zuiden van de Lonerbroekweg wordt hoogstwaarschijnlijk toegevoegd aan de EHS.

afbeelding "i_NL.IMRO.0106.99BP20095500-C001_0022.jpg"

Afbeelding 21. Uitsnede provinciale herijking EHS 2013.

Nationaal Landschap Drentsche Aa

Het stroomgebied van de Drentsche Aa is aangewezen als Nationaal Landschap. De kern Loon maakt hiervan onderdeel uit.

Nationale landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Het Nationaal Landschap Drentsche Aa kenmerkt zich door hoge natuurwaarden en cultuurhistorische waarden. Doel van het Nationaal Landschap is de kwaliteiten te behouden, duurzaam te beheren en te versterken.

Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, maar de zogenaamde kernkwaliteiten moeten daarbij worden behouden of versterkt. Voor de Drentsche Aa zijn de volgende kernkwaliteiten benoemd:

  • grote mate van kleinschaligheid;
  • vrij meanderende beken;
  • samenhangend complex van essen, bossen, heides en moderne ontginningen.

Binnen Nationale Landschappen is ruimte voor ten hoogste de eigen bevolkingsgroei (migratiesaldo nul). Op basis hiervan maken provincies afspraken met gemeenten over de omvang en locatie van woningbouw. Nationale Landschappen bieden daarnaast ruimte voor de aanwezige regionale en lokale bedrijvigheid (inclusief niet-grondgebonden landbouwbedrijven en intensieve veehouderijen). Ook hier maken provincies en gemeenten afspraken over aard en omvang van locaties voor bedrijventerreinen. Grootschalige ontwikkelingen ten aanzien van wonen en bedrijvigheid vinden niet plaats in en nabij de kernen. De ruimte die er is voor de ontwikkeling van wonen, werken en recreatie past bij de schaal en het karakter van de plattelandskernen.

In dit bestemmingsplan is sprake van de herbestemming van bestaande woonfuncties en bedrijfsmatige functies. Dit plan voorziet niet in nieuwvestiging van dergelijke functies. Voor de cultuurhistorische en landschappelijke waarden in de kern voorziet dit bestemmingsplan in een planologische bescherming. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 3.4.

Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa (Nationaal Park)

Binnen Nationaal Landschap Drentsche Aa ligt het Nationaal Park 'Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa'. Het park is eerder vastgesteld (eind 2002) dan het Nationaal Landschap Drentsche Aa. Het nationale park ligt grofweg in de driehoek Assen - Gieten - Glimmen. Het Nationaal Landschap omvat ook het gebied ten zuiden en oosten hiervan. Het grenst marginaal aan de noordoosthoek van het plangebied. Het Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa heeft een speciaal beschermingsmodel gekregen (afwijkend van andere Nationale Parken), waarin natuur en cultuurlandschap evenveel aandacht krijgen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0106.99BP20095500-C001_0023.jpg"

Afbeelding 22. Globale begrenzing Nationaal Landschap en Nationaal Park Drentsche Aa.

De bestaande cultuurhistorisch waardevolle esdorpen dragen bij aan de beleving van de landschappelijke kwaliteit en moeten beschermd worden. Hierbij speelt de overgang van de kern naar het omliggende landschap een belangrijke rol.

Het Nationaal beek- en esdorpenlandschap kenmerkt zich verder door een grote diversiteit aan natuurdoeltypen. Voor het grootste deel van het plangebied zijn geen natuurdoeltypen vastgesteld. Langs de noordgrens en de westgrens van het plangebied liggen delen van percelen waarvoor natuurdoeltypen zijn vastgesteld. Het betreffen de volgende natuurdoeltypen:

  • akker (essen met akkerkruiden en -dieren in de akkers en op de perceelsgrenzen);
  • dotterbloemgrasland van beekdalen/nat schraalgrasland (dotterbloemgrasland met lokaal natte schraallandvegetaties).

Afbeelding 23 toont een fragment van de kaart met natuurdoeltypen in het plangebied en de directe omgeving daarvan. Snippers van het plangebied vallen binnen de begrenzing van de natuurdoeltypen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0106.99BP20095500-C001_0024.jpg"

Afbeelding 23. Natuurdoeltypen in plangebied Loon.

4.5.3 Conclusie

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de regelgeving en het beleid voor het milieuaspect ecologie.