| Plan: | TAM-omgevingsplan woningbouw Jubbega Zuid |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0074.TAM22Ejuzuid-VG01 |
PREAMBULE
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Jubbega Zuid en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22E) van het omgevingsplan van de gemeente Heerenveen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22E van het omgevingsplan van de gemeente Heerenveen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22E' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22E’ gelezen worden.
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijkt te stellen constructiedeel;
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel;
tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijden van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren).
Bij onduidelijkheden of interpretatieverschillen betreffen de wijze van meten, is de uitleg van de NEN 2580 bepalend.
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken voor ander gebruik dan het in hoofdstuk 2 en in hoofdstuk 3 per locatie toegelaten gebruik.
Artikel 10 is van toepassing op het toegelaten gebruik ter plaatse van de functie 'Wonen'.
Gebouwen en gronden ter plaatse van de functie ‘Wonen’ mogen worden gebruikt voor:
met de daarbij behorende:
en in ondergeschikte mate voor:
Het gebruik voor wonen zoals genoemd in lid 10.2, onder a, is uitsluitend toegestaan als het aantal woningen niet meer bedraagt dan 37 ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - maximum aantal wooneenheden’.
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 10.3.1 waarbij gronden en bouwwerken worden gebruikt voor meer woningen dan 37 ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - maximum aantal wooneenheden’.
De in 10.4.1, onder a, genoemde omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
dat in overeenstemming is met de:
Artikel 11 is van toepassing op het toegelaten gebruik ter plaatse van de functie 'Groen'.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'Groen' mogen worden gebruikt voor:
alsmede voor:
en in ondergeschikte mate voor:
Artikel 12 is van toepassing op het toegelaten gebruik ter plaatse van de functie 'Verkeer - Verblijf'.
Gronden ter plaatse van de functie ‘Verkeer - Verblijf’ mogen worden gebruikt voor:
Hoofdstuk 4 bevat algemene regels voor het bouwen van bouwwerken die van toepassing zijn ongeacht het soort bouwwerk en de omvang daarvan.
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwen.
In afwijking van het bepaalde in artikel 22.7 van dit omgevingsplan mag het uiterlijk van de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd zijn de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels in de zin van artikel 4.19 van de Omgevingswet:
Dit artikel is van toepassing op het bouwen van bouwwerken ter plaatse van de functie ‘Wonen’.
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
Voor het bouwen van dakkapellen niet in het achterdakvlak of een naar het openbaar gebied gekeerd zijdakvlak gelden de volgende regels:
Voor het bouwen van dakkapellen in het achterdakvlak of een niet naar het openbaar gebied gekeerd zijdakvlak gelden de volgende regels:
Voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen bij woningen ter plaatse van de functie ‘Wonen’ gelden de volgende regels:
Voor het bouwen van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde dan erf- en terreinafscheidingen geldt de volgende regel: '
Het bouwen van gebouwen volgens het bepaalde in lid 18.2 is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat aangetoond is dat de bodem geschikt is voor de functie 'Wonen', met dien verstande dat:
In aanvulling op bepaalde in artikel 22.29, eerste lid, onder a, wordt de in artikel 22.26 genoemde omgevingsvergunning ook verleend als:
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.35 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit artikel ook de volgende bescheiden en gegevens verstrekt:
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van lid 20.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 20.1.1 met maximaal 10%.
Lid 20.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 20.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in lid 20.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Lid 20.2.1is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan