direct naar inhoud van Artikel 30 Algemene gebruiksregels
Plan: Bestemmingsplan Buitengebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0063.030506-DE01

Artikel 30 Algemene gebruiksregels

 

30. 1.    Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermid­delen;

b.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een prostitutiebedrijf, tenzij de gronden zijn voorzien van de bestemming “Bedrijf - Prostitutie”;

c.    het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, af­braak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bedrijfs­activiteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;

d.    het storten van puin en afvalstoffen;

e.    de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik ont­trokken) voer-, vaar- of vliegtuigen;

f.     het gebruik van de gronden voor het plaatsen en/of aanbren­gen van niet-perceelsgebonden handelsreclame en of reclame voor ideële doeleinden of overtuigingen;

g.    het gebruik van perceelsgebonden lichtreclame tussen zonson­dergang en zonsopgang;

h.    het gebruik van gronden voor het plaatsen van meer dan één evenementenbord per dorp.

30. 2.    Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van:

a.    het bepaalde in lid 30.1. onder a en toestaan dat de gronden bij een voormalige boerderij, een woonhuis of een agrarisch be­drijf worden gebruikt als standplaats voor kampeermiddelen, mits:

1.    er niet meer dan 15 kampeermiddelen per kam­peerterrein worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;

2.    binnen de zones, zoals weergegeven op de Zoneringskaart kleinschalig kamperen in bijlage 5 bij deze regels, ten hoogste het volgende maximale aantal kampeerterrei­nen per zone wordt toegestaan:

-       zone 1, maximaal 3 kampeerterreinen;

-       zone 2, maximaal 4 kampeerterreinen;

-       zone 3, maximaal 4 kampeerterreinen;

3.    er per voormalige boerderij, woonhuis of agrarisch bedrijf ten hoogste één kam­peerterrein wordt toegestaan;

4.    de oppervlakte van het erf behorende bij het agrarisch be­drijf of het woonhuis een minimale oppervlakte van 3000 m² zal hebben;

5.    deze ontheffingsbevoegdheid in ieder geval niet wordt toe­gepast indien er onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woon- of bedrijfssituatie op nabijgelegen erven. Aange­nomen wordt dat deze woon- of bedrijfssituatie onevenre­dig wordt geschaad, als het perceel waar gekampeerd zal gaan worden, op minder dan 50 m afstand is gelegen van de bestemmingsgrenzen van nabijgelegen (bedrijfs)wo­ningen, agrarische bedrijven of niet-agrarische bedrijven;

6.    het perceel waarop het kleinschalig kamperen plaats zal vin­den gelegen is op een afstand van maximaal 50 m vanaf de eigen bebouwing, waarvan het woonhuis of de bedrijfswoning deel uitmaakt;

7.    deze ontheffingsbevoegdheid niet wordt toegepast indien het erf of perceel grenst aan een ander kampeerterrein, dan wel dat er een onderlinge afstand ontstaat met een ander kampeerterrein op minder dan 500 m;

8.    het kleinschalig kamperen inpasbaar is in het landschap en niet wordt toegestaan binnen de gebieden die zijn voor­zien van de bestemming “Bos” of “Natuur”;

 

b.    het bepaalde in de bestemmingsregels en toestaan dat, al dan niet gepaard gaande met interne bouwactiviteiten, in combinatie met een bestaande functie een zorgfunctie wordt toegestaan, mits:

1.    de zorgfunctie uitsluitend binnen een bestaande bedrijfswoning of een bestaand woonhuis, inclusief de aan- en uitbouwen, wordt ondergebracht;

2.    de gezamenlijke vloeroppervlakte voor de zorgfunctie niet meer bedraagt dan 30% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het woonhuis of de bedrijfswoning, inclusief de aan- en uitbouwen;

3.    de ruimtes voor de zorgfunctie niet in vrijstaande bijgebouwen worden ondergebracht;

4.    de zorgfunctie gekoppeld is aan het gebruik van een bedrijfswoning of een woonhuis en daaraan ondergeschikt is;

5.    er voldoende gelegenheid is voor het parkeren;

6.    er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

7.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.