direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch Bedrijf
Plan: Bestemmingsplan Buitengebied 2012
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0040.bp00019-41vg

Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch Bedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een agrarisch bedrijf, met uitzondering van een intensieve veehouderij;
  • b. bedrijfswoningen met bijbehorende bijgebouwen;
  • c. cultuurgrond met bijbehorende paden, sloten en werken;
  • d. landschappelijke inpassing, onder andere in de vorm van hoogopgaand groen ter afscherming van bedrijfsgebouwen;
  • e. infrastructurele voorzieningen zoals deze bestonden op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan;
  • f. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water;
  • g. behoud, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden zoals die ter plaatse voorkomen;

met daaraan ondergeschikt:

  • wegen en paden;
  • groenvoorzieningen;
  • nutsvoorzieningen;
  • water;
  • speelvoorzieningen;
  • extensieve dagrecreatie;

met de daarbij behorende verhardingen, tuinen, erven en additionele voorzieningen;

en tevens voor:

3.1.1 agrarisch loonbedrijf

het uitoefenen van een agrarisch loonbedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf';

3.1.2 detailhandel

het uitoefenen van een winkel in babyartikelen met een oppervlakte van ten hoogste 60m², ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';

3.1.3 intensieve veehouderij

een 'intensieve veehouderij' zowel als hoofdtak als als neventak, ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij';

3.1.4 kampeerterrein

het exploiteren van een 'mini-camping' ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein', mits wordt voldaan aan hetgeen is gesteld in de Bijlage 13 Beleidsregels kamperen;

3.1.5 karakteristiek

het behoud en herstel van de hoofdvorm van boerderijpanden ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';

3.1.6 tuinbouw

de uitoefening van een kwekerijbedrijf, boomkwekerijbedrijf of fruitteeltbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'tuinbouw';

3.2 Bouwregels

Bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen, waarbij bestaande bouwwerken zijn toegestaan:

3.2.1 Bouwwerken beperking

Zie Artikel 49.

3.2.2 Bouwwerken algemeen
  • a. gebouwen, overkappingen en silo's mogen uitsluitend gebouwd worden binnen een bouwvlak, met uitzondering van:
    • 1. bijgebouwen behorend bij een bedrijfswoning, die ten hoogste 15 meter buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd uitsluitend worden gebouwd mits ten minste 3 meter achter het voorerf;
  • b. gebouwen, voedersilo's, kuilvoerplaten, sleufsilo's, voorzieningen ten behoeve van de opslag van (kunst)mest mogen uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van het beginsel van bebouwingsconcentratie;
  • c. ter plaatse van een bouwperceel mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde reële agrarisch bedrijf worden gebouwd;
  • d. ligboxenstallen (uitgezonderd uitbreiding van bestaande ligboxenstallen) mogen uitsluitend worden gebouwd indien de lichtsterkte binnen niet meer dan 150 lux bedraagt, tenzij die stal tussen 20.00 uur en 6.00 uur is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling met tenminste 90% reduceren;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' bedraagt:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, die wordt aangewend ten behoeve van intensieve veehouderijen ten hoogste de oppervlakte voor stalruimte zoals weergegeven in Bijlage 15 Stalvloeroppervlakte intensieve veehouderijen met dien verstande dat:
      • Ten hoogste één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren. Volièrestallen en stalsystemen voor legkippen zijn daarbij toegestaan.
    • 2. het aantal en soort dieren ten hoogste het aantal dat is vergund en als zodanig in Bijlage 15 Stalvloeroppervlakte intensieve veehouderijen is weergegeven.
  • f. indien een relatie is aangegeven tussen twee bouwvlakken, is er sprake van een gekoppeld bouwvlak en zijn hierop de bepalingen met betrekking tot een enkel bouwvlak van toepassing;
  • g. per bouwvlak is ten hoogste 1 bedrijfswoning toegestaan, tenzij ter plaatse de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' geldt, alwaar per bouwvlak niet meer bedrijfswoningen zijn toegestaan dan is aangeduid;
  • h. de breedte van een bedrijfswoning mag ten hoogste 15 meter bedragen;
  • i. voorzover in een bouwgrens een 'gevellijn' is aangeduid wordt tenminste 50% van de naar de weg gekeerde gevels van de bedrijfswoning in de 'gevellijn' opgericht waarbij de betreffende gevel als voorgevel moet worden beschouwd;
  • j. indien een bedrijfswoning aanwezig is, mogen gebouwen, geen bedrijfswoning zijnde, uitsluitend worden gebouwd op ten minste 3 meter achter het voorerf.
3.2.3 Bouwwerken specifiek
a specifieke bouwaanduiding -1

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding -1' mogen, in afwijking van het bepaalde in 3.2.2 uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2,50 meter.

b karakteristiek

ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' mag de uitwendige hoofdvorm, bestaande uit oppervlakte, goot- en bouwhoogte en dakhelling, van de zodanig aangeduide (delen van) gebouwen, niet meer dan 10% afwijken van de bestaande maatvoering, zie 49.1.3;

3.2.4 Oppervlakte gebouwen en overkappingen

Voor wat betreft de oppervlakte van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van kassen mag ten hoogste 200 m² bedragen, tenzij ter plaatse de aanduiding 'kas' geldt;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van teeltondersteunende kassen mag ten hoogste 1.000 m² bedragen;
  • c. ten hoogste 200 m² van het bebouwd oppervlak mag worden gebruikt voor de bedrijfswoning inclusief bijbehorende bijgebouwen, tenzij op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan een grotere inhoud aanwezig was, in welk geval die grotere inhoud als maximum geldt voor dat gebouw inclusief aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen.
  • d. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen bedraagt ten hoogste 1.000 m²;
3.2.5 Maatvoering gebouwen

Voor wat betreft de maatvoering van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte en dakhelling van gebouwen en overkappingen mogen niet meer c.q. minder bedragen dan in het volgende bouwschema is bepaald, tenzij ter plaatse anders is aangeduid:
Type gebouw
 
Goothoogte
(in meter)  
Bouwhoogte
(in meter)  
Dakhelling
 
Bedrijfsgebouwen   ten hoogste 5   ten hoogste 12   meerzijdige kap van tenminste 20° en ten hoogste 60°  
Kassen   ten hoogste 4   ten hoogste 7   -  
Bedrijfswoning   ten hoogste 4,50   ten hoogste 10   meerzijdige kap van ten minste 30° en ten hoogste 60°  
Bijgebouwen   ten hoogste 3   ten hoogste 5,50   plat of meerzijdige kap van ten hoogste 60°  
3.2.6 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. voor de bouwhoogte en situering geldt hetgeen in het volgende bouwschema is bepaald, tenzij ter plaatse anders is aangeduid:
Type bouwwerk   Maximale bouwhoogte (in meter)  
  Bouwvlak   Buiten het bouwvlak  
    Achter de naar de weg gekeerde bouwgrens   Voor de naar de weg gekeerde bouwgrens  
Torensilo's   15   Niet toegestaan   Niet toegestaan  
Sleuf- of mestsilo's en mestbassins inclusief eventuele afscheidingen   7,50   2,50   Niet toegestaan  
Erf- en terreinafscheidingen   2   2   1  
Overkappingen   5   Niet toegestaan   Niet toegestaan  
Palen en masten, niet zijnde reclamemasten   12   8   8  
Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet zijnde een reclamemast   5   Niet toegestaan   Niet toegestaan  
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan met inachtneming van 3.3.2, een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:

  • a. het bepaalde in 3.2.2 sub a voor het bouwen buiten het bouwvlak, voor zover het gaat om een uitbreiding van de bedrijfswoning achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, mits:
    • 1. het bouwen plaatsvindt binnen een afstand van ten hoogste 10 meter buiten het bouwvlak;
    • 2. de afstand van de bedrijfswoning tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 3 meter bedraagt;
  • b. het bepaalde in 3.2.2 sub i voor het bouwen op ten hoogste 10 meter achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, mits de situering van kwetsbare objecten en/of geluidsgevoelige gebouwen deze afwijking vereist;
  • c. het bepaalde in 3.2.5 sub a voor een bouwhoogte van bedrijfsgebouwen tot ten hoogste 14 meter;
  • d. het bepaalde in 3.2.5 sub a voor een minimale dakhelling van 20 en toestaan dat bedrijfsgebouwen worden gebouwd in de vorm van serrestallen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsgebouwen, mits:
    • 1. ten behoeve van de situering van de stal geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bestaande bebouwingsbeeld en een goede landschappelijke inpassing plaatsvindt;
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de natuurlijke en landschappelijke waarden en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    • 3. het bouwperceel in het groene gebied ligt als weergegeven in Bijlage 1 Schaalvergroting agrarische bedrijven;
  • e. het bepaalde in 3.2.6 sub a voor het oprichten van silo's en overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet zijnde een reclamemast, binnen het bouwvlak of 'wro-zone - ontheffingsgebied - 1' met een hoogte van ten hoogste 10 meter;
  • f. het bepaalde in 3.2.6 sub a voor het oprichten van sleufsilo's, kuilvoerplaten of foliemestbassins buiten het bouwvlak mits:
    • 1. er op grond van milieuhygiënische en/of ruimtelijke beperkingen geen mogelijkheden zijn voor plaatsing binnen het bouwvlak;
    • 2. het mestbassin uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van het eigen agrarisch bedrijf;
    • 3. er geen landschappelijke bezwaren bestaan tegen plaatsing van de bouwwerken;
    • 4. alle bouwwerken worden opgericht:
      • binnen een afstand van ten hoogste 25 meter vanaf het bouwvlak of 50 meter indien sprake is van een foliemestbassin (inclusief afscheiding) en
      • binnen de oppervlakte van het bebouwde erf van ten hoogste 1,5 hectare inclusief alle bebouwing aanwezig binnen het bouwvlak.
    • 5. de oppervlakte van een (folie)mestbassin ten hoogste 750 m² bedraagt, gemeten aan de binnenkant van het bassin 20 cm onder de opstaande rand
    • 6. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,50 meter.
  • g. het bepaalde in 3.2.2 sub a voor het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied -1', mits aangetoond wordt dat:
    • 1. dat de historisch gegroeide landschapsstructuur wordt gerespecteerd;
    • 2. rekening is gehouden met afstand tot andere ruimtelijke elementen;
    • 3. de infrastructurele ontsluiting toereikend is;
    • 4. de ordening, maatvoering en vormgeving van bedrijfsgebouwen evenwichtig is;
    • 5. de erfinrichting inpasbaar is in het landschapstype;
    • 6. de wenselijkheid wordt onderzocht om de voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen (met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen) op het bouwperceel (en bij verplaatsing op het verlaten bouwperceel) te slopen;
    • 7. alle bebouwing, inclusief aanwezig binnen het bouwvlak, wordt opgericht binnen de oppervlakte van het bebouwde erf van ten hoogste 1,5 hectare.
  • h. het bepaalde in 3.2.2 sub e voor verruiming van de stalvloeroppervlakte ten behoeve van een intensieve veehouderij, mits:
    • 1. de gronden ter plaatse zijn aangeduid als 'intensieve veehouderij';
    • 2. wordt uitgebreid om te kunnen voldoen aan aangescherpte eisen op het gebied van milieu en dierenwelzijn;
    • 3. het aantal gehouden dieren niet toeneemt t.o.v. het aantal dieren dat is vergund en als zodanig is weergegeven in Bijlage 15 Stalvloeroppervlakte intensieve veehouderijen.
3.3.2 Afwijkingsvoorwaarden

Bij de toepassing van de onder 3.3.1 genoemde afwijkingsregels zijn de voorwaarden zoals genoemd in 50.2 sub c van toepassing.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Toegestaan gebruik
  • a. Gebruik van de bedrijfswoning en daaraan verbonden gebouwen voor het uitoefenen van een bed & breakfast wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt mits wordt voldaan aan hetgeen is gesteld in Bijlage 8 Beleidsregels recreatieve verblijfsaccommodaties;
  • b. Gebruik van de bedrijfswoning en daaraan verbonden gebouwen voor het uitoefenen van administratieve werkzaamheden met betrekking tot internetwinkels en telefonische verkoop van goederen wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, mits:
    • 1. klanten niet op het perceel komen;
    • 2. geen buitenopslag van goederen, die verband houden met de internetwinkel, plaatsvindt;
    • 3. verkeersbewegingen vergelijkbaar zijn met die voor een woonfunctie.
  • c. Gebruik van de bedrijfswoning en daaraan verbonden gebouwen, een deel van de bedrijfsgebouwen en/of het erf voor het uitoefenen van een theetuin, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt mits wordt voldaan aan hetgeen is gesteld in de Bijlage 9 Beleidsregels theetuinen & verbreding agrarische bedrijven;
  • d. Gebruik van een deel van de bedrijfsgebouwen voor een agrarisch dienstverlenend bedrijf (uitgezonderd mestverwerking), caravan en/of botenstalling en/of opslag, mits:
    • 1. de functie ondergeschikt blijft aan het agrarisch bedrijf;
    • 2. de functie geen belemmering oplevert voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en woningen en beperkt blijft tot milieucategorie 1 en 2 overeenkomstig Bijlage 2 Staat van Bedrijven: Gemengd;
    • 3. de totale bebouwingsoppervlakte ten behoeve van de onder 3.4.1 sub d genoemde functies ten hoogste 500 m² bedraagt, waarbij de bebouwingsoppervlakte ten behoeve van caravan- en/of botenstalling ten hoogste 1.000 m² bedraagt.
  • e. Gebruik van de bestaande bedrijfsgebouwen voor kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen (zoals een boerderijwinkel, een boerderijterras, een zorgboerderij, een ontvangstruimte voor rondleidingen of lezingen), mits voldaan wordt aan hetgeen is gesteld in Bijlage 9 Beleidsregels theetuinen & verbreding agrarische bedrijven;
3.4.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen en gebouwen niet zijnde bedrijfswoningen voor bewoning, dan wel de mogelijkheid hiertoe door het aanwezig hebben van de benodigde essentiële woonvoorzieningen;
  • b. de opslag van aan hun gebruik onttrokken voer- of vaartuigen, werktuigen of machines of onderdelen daarvan, verpakkingsmaterialen, bouwmaterialen, bagger en grondspecie, afval, puin, grind of brandstoffen, anders dan in verband met normaal onderhoud of ter verwezenlijking van de bestemming;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de plaatsing van een mestvergistingsinstallatie of een daarmee gelijk te stellen bouwwerk;
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan met inachtneming van 3.5.2 een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:

  • a. het bepaalde in 3.1 sub a ten behoeve van het exploiteren van een 'bijzondere paardenhouderij' als nevenactiviteit , mits wordt voldaan aan het hetgeen is gesteld in de Bijlage 7 Beleidsregels paardenhouderijen;
  • b. het bepaalde in 3.1 sub a ten behoeve van het exploiteren van een groepsaccommodatie mits wordt voldaan aan hetgeen is gesteld in Bijlage 8 Beleidsregels recreatieve verblijfsaccommodaties;
  • c. het bepaalde in 3.1 sub a ten behoeve van het exploiteren van een mini-camping, mits wordt voldaan aan hetgeen is gesteld in de Bijlage 13 Beleidsregels kamperen;
  • d. het bepaalde in 3.1 sub b ten behoeve van het uitoefenen van een overig aan-huis-verbonden beroep of bedrijf mits voldaan aan hetgeen is gesteld in Bijlage 12 Beleidsregels aan huis verbonden beroepen en bedrijven;
  • e. het bepaalde in 3.4.2 sub c ten behoeve van het uitoefenen van een agrarisch bedrijf dat wordt gecombineerd met het vergisten van mest en verhandelen van de daarbij vrijkomende energie met de daarbij behorende bebouwing indien sprake is van één van de volgende methodes van mestvergisting en wordt voldaan aan de onderstaande criteria:
    • 1. het bedrijf verwerkt in hoofdzaak eigen geproduceerde mest en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe;
    • 2. de co-vergiste mest wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt en naar derden afgevoerd;
    • 3. het bedrijf verwerkt aangevoerde mest geproduceerd door derden en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe;
    • 4. de installatie wordt opgericht binnen een bouwvlak of 'wro-zone - ontheffingsgebied -1';
    • 5. de capaciteit van de vergisting ten hoogste 100 ton per dag bedraagt;
    • 6. de bouwhoogte van een mest- en/of biomassavergistingsinstallatie ten hoogste 8 meter bedraagt mits deze afwijking in combinatie met 3.3.1 sub e wordt toegepast;
    • 7. de infrastructurele ontsluiting van het bouwperceel is toereikend;
  • f. het bepaalde in 3.1 sub b ten behoeve van het gebruik van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning als 'plattelandswoning' mits:
    • 1. Er geen sprake is van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen voor omliggende (agrarische) bedrijven;
    • 2. het bijbehorende agrarisch bedrijf gehandhaafd blijft en
    • 3. ten behoeve van het agrarisch bedrijf geen nieuwe bedrijfswoning is toegestaan.
3.5.2 Afwijkingsvoorwaarden

Bij de toepassing van de onder 3.5.1 genoemde afwijkingsregels zijn de voorwaarden zoals genoemd in 50.2 sub c eveneens van toepassing.

3.6 Wijzigingsbevoegdheid
3.6.1 Wonen - 1A

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van 3.6.11 op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Wonen - 1A', onder de volgende voorwaarden:

  • a. ter plaatse is geen sprake van de aanduiding 'karakteristiek';
  • b. de woonfunctie mag uitsluitend worden uitgeoefend in de voormalige bedrijfswoning inclusief, indien aanwezig, direct aangrenzende voormalige bedrijfsruimte;
  • c. ten hoogste 1 bedrijfswoning mag worden omgezet in 1 niet-bedrijfswoning;
  • d. de geluidbelasting vanwege het wegverkeer of industrielawaai op geluidsgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde;
  • e. het wijzigen van de bestemming leidt niet tot beperking van de gebruiksmogelijkheden op aangrenzende gronden en/of binnen andere bestemmingen. Van belang daarbij kunnen zijn de bezonningssituatie, lichttoetreding, zichtlijnen, milieu-invloeden of de mogelijkheden tot voortzetting c.q. uitbreiding van een bestaand bedrijf;
  • f. op de gewijzigde bestemming zullen de regels van de bestemming 'Wonen - 1A' van toepassing zijn, waarbij in afwijking hiervan de bestaande maatvoering van het woongebouw gehandhaafd mag blijven.
3.6.2 Wonen - VAB

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van 3.6.11 op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Wonen - VAB', mits gronden binnen het bijbehorende bouwvlak zijn aangeduid als 'karakteristiek', onder de volgende voorwaarden:

  • a. de woonfunctie mag uitsluitend worden uitgeoefend in de voormalige bedrijfswoning inclusief, indien aanwezig, direct aangrenzende voormalige bedrijfsruimte;
  • b. ten hoogste 1 bedrijfswoning mag worden omgezet in 1 niet-bedrijfswoning, waarbij meerdere wooneenheden zijn toegestaan als dit past binnen het woonplan en de afspraken die zijn gemaakt tussen provincie en gemeente over de nieuwbouwruimte;
  • c. de geluidbelasting vanwege het verkeer op geluidsgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde;
  • d. het wijzigen van de bestemming leidt niet tot beperking van de gebruiksmogelijkheden op aangrenzende gronden en/of binnen andere bestemmingen. Van belang daarbij kunnen zijn de bezonningssituatie, lichttoetreding, zichtlijnen, milieu-invloeden of de mogelijkheden tot voortzetting c.q. uitbreiding van een bestaand bedrijf;
  • e. op de gewijzigde bestemming zullen de regels van de bestemming 'Wonen - VAB' van toepassing zijn, waarbij de ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande maatvoering van het hoofdgebouw, die bepaald wordt door goothoogte, dakhelling, nokhoogte, nokrichting en oppervlakte gehandhaafd blijft, behoudens geringe uitwendige aanpassingen.
3.6.3 Agrarisch - Paardenhouderij

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van 3.6.11 op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Paardenhouderij'.

3.6.4 Gemengd - 2

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van 3.6.10 en 3.6.11 op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Gemengd - 2'.

3.6.5 Gemengd - VAB

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van 3.6.10 en 3.6.11 op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Gemengd - VAB', mits gronden binnen het bijbehorende bouwvlak zijn aangeduid als 'karakteristiek'.

3.6.6 Bouwvlak vergroten

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van 3.6.11, op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' wijzigen in die zin dat een bouwvlak kan worden vergroot en/of gewijzigd, mits:

  • a. deze wijzigingsbevoegdheid niet wordt toegepast op bouwpercelen die zijn gelegen in de rode gebieden, zoals weergegeven in Bijlage 1 Schaalvergroting agrarische bedrijven';
  • b. de oppervlakte van het bouwvlak na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in overeenstemming is met de zonering zoals weergegeven in Bijlage 1 Schaalvergroting agrarische bedrijven en:
    • 1. in de geel aangeduide gebieden ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;
    • 2. in de groen aangeduide gebieden ten hoogste 2 hectare bedraagt;
  • c. er zicht is op een langdurige vergroting van de productieomvang als gevolg van schaalvergroting of extensivering/verbreding van de bedrijfsactiviteiten en de noodzaak van de bedrijfsuitbreiding is aangetoond;
  • d. met de vormgeving van het aaneengesloten bouwvlak zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de landschappelijke karakteristiek en/of de landschappelijke overwegende structuur;
  • e. is voldaan aan de eisen die door de waterbeheerder zijn gesteld.
  • f. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid aangetoond wordt dat:
    • 1. dat de historisch gegroeide landschapsstructuur wordt gerespecteerd;
    • 2. rekening is gehouden met afstand tot andere ruimtelijke elementen;
    • 3. de infrastructurele ontsluiting toereikend is;
    • 4. de ordening, maatvoering en vormgeving van bedrijfsgebouwen evenwichtig is;
    • 5. de erfinrichting inpasbaar is in het landschapstype;
    • 6. de wenselijkheid wordt onderzocht om de voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen (met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen) op het bouwperceel (en bij verplaatsing op het verlaten bouwperceel) te slopen.
3.6.7 Wro-zone - wijzigingsgebied - 2

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van 3.6.11 op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan wijzigen, voor het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied - 2', mits aangetoond wordt dat:

  • 1. dat de historisch gegroeide landschapsstructuur wordt gerespecteerd;
  • 2. rekening is gehouden met afstand tot andere ruimtelijke elementen;
  • 3. de infrastructurele ontsluiting toereikend is;
  • 4. de ordening, maatvoering en vormgeving van bedrijfsgebouwen evenwichtig is;
  • 5. de erfinrichting inpasbaar is in het landschapstype;
  • 6. de wenselijkheid wordt onderzocht om de voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen (met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen) op het bouwperceel (en bij verplaatsing op het verlaten bouwperceel) te slopen;
  • 7. alle bebouwing, inclusief aanwezig binnen het bouwvlak, wordt opgericht binnen de oppervlakte van het bebouwde erf van ten hoogste 1,5 hectare.
3.6.8 Bouwvlak verwijderen

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van 3.6.11 op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' wijzigen in die zin dat bouwvlakken kunnen worden verwijderd, mits het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd.

3.6.9 Ontheffingsgebied verwijderen

Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van 3.6.10 op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en al dan niet in combinatie met 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' de 'wro-zone - ontheffingsgebied -1' verwijderen om te voorkomen dat als gevolg van de vergroting van het bouwvlak bebouwing kan ontstaan met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 2 hectare.

3.6.10 Wijzigingsvoorwaarden

Bij de toepassing van de onder 3.6.4 en 3.6.5 genoemde wijzingsregels gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de oppervlakte van de aanwezige niet-karakteristieke bebouwing, met uitzondering van het gebouw waarin zich de woning bevindt, die mag worden aangewend voor hergebruik of vervangende nieuwbouw wordt bepaald door de hoeveelheid bebouwing die wordt gesaneerd:
    bij een hergebruik- of terugbouwgedeelte tot 500 m² moet worden gesloopt:
      • bij hergebruik diezelfde hoeveelheid;
      • bij vervangende nieuwbouw tenminste tweemaal zoveel;
    • 1. bij een hergebruik- of terugbouwgedeelte tussen 500 en 750 m² moet worden gesloopt:
      • bij hergebruik tenminste tweemaal zoveel;
      • bij vervangende nieuwbouw tenminste driemaal zoveel;
    • 2. bij een hergebruik- of terugbouwgedeelte tussen 750 en 1000 m² moet worden gesloopt:
      • bij hergebruik tenminste driemaal zoveel;
      • bij vervangende nieuwbouw tenminste viermaal zoveel.
  • b. in aanvulling op het voorgaande onder a. geldt dat karakteristieke bebouwing niet mag worden gesloopt maar wel meetelt bij de oppervlakte die wordt aangewend voor hergebruik;
  • c. de woonfunctie mag alleen worden uitgeoefend in de voormalige bedrijfswoning inclusief, indien aanwezig, aangrenzende voormalige bedrijfsruimte, waarbij geldt dat in totaal niet meer dan 1 woning is toegestaan;
  • d. de uitwendige hoofdvorm, bestaande uit goot- en bouwhoogte, nokrichting en dakhelling van het als karakteristiek aangeduide hoofdgebouw (en eventuele karakteristieke bijgebouwen) blijft, behoudens geringe uitwendige aanpassingen, handhaafd;
  • e. de landschappelijke kenmerken van het erf mogen niet worden aangetast. Er dient zorg gedragen te worden voor een goede landschappelijke inpassing van de locatie;
  • f. gebouwen die vanwege de slechte staat van onderhoud en de bijbehorende uiterlijke verschijningsvorm niet in overeenstemming zijn met de Woningwet en/of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, dienen te worden gesloopt;
  • g. er is sprake van zeer geringe verkeersaantrekkende werking, die afgestemd is op de aanwezige infrastructuur, waarbij parkeren op eigen erf plaats moet vinden. Op percelen die direct aan de Hoofdweg zijn ontsloten of op andere plaatsen met een goede ontsluiting is een beperkte verkeersaantrekkende werking niet bezwaarlijk;
  • h. het wijzigen van de bestemming leidt niet tot beperkingen op het wijzigen van de bestemming leidt niet tot beperking van de gebruiksmogelijkheden op aangrenzende gronden en/of binnen andere bestemmingen. Van belang daarbij kunnen zijn de bezonningssituatie, lichttoetreding, zichtlijnen, milieu-invloeden of de mogelijkheden tot voortzetting c.q. uitbreiding van een bestaand bedrijf;
  • i. de nieuwe functie dient beperkt te worden tot milieucategorie 1 en 2 conform de VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering, waarbij detailhandel is beperkt tot productiegebonden detailhandel en/of boerderijwinkels met in totaal een oppervlakte van ten hoogste 60 m²;
  • j. er worden geen objecten ten behoeve van minder zelfredzame personen in gebruik genomen of gebouwd ter plaatse van de aanduiding veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen;
  • k. buitenopslag van goederen die verband houden met de nieuwe functie is niet toegestaan, reclame-uitingen zijn hiervan uitgezonderd.
3.6.11 Wijzigingsprocedure

Bij de toepassing van de onder 3.6.1 genoemde wijzigingsregels zijn de voorwaarden zoals genoemd in 51.2 eveneens van toepassing.