direct naar inhoud van Artikel 26 Wonen - B3
Plan: Kleine dorpen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0015.BPKD09BEHE1-OH01

Artikel 26 Wonen - B3

 

26. 1.    Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen - B3’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbon­den beroep en bestaande kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

b.    gebouwen en aangebouwde overkappingen ten behoeve van het wonen;

c.    per bouwperceel één hobbymatige, landschappelijk ingepaste paardrijdbak voor eigen gebruik met een oppervlakte van ten hoogste 800 m², waarvoor geldt dat de afstand tussen de paardenbak en een woning van derden ten minste 25,00 m zal bedragen;

met daaraan ondergeschikt:

d.    tuinen;

met de daarbijbehorende:

e.    erven en verhardingen;

f.     bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

26. 2.    Bouwregels

26. 2. 1. Voor het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak gelden de volgen de regels:

a.    de goothoogte zal ten hoogste 7,00 m bedragen;

b.    de bouwhoogte zal ten hoogste 11,00 m bedragen;

c.    een gebouw zal worden voorzien van een kap;

d.    in afwijking van het bepaalde in sub c. mogen gebouwen worden voorzien van een plat dak, indien binnen het bouwvlak reeds een gebouw is gebouwd met een kap en de oppervlakte van de gebouwen met een plat dak niet meer bedraagt dan 30% van het bouwvlak;

e.    het bouwvlak zal voor minimaal 50% worden bebouwd met ge­bouwen welke een goothoogte van meer dan 3,00 meter en een bouwhoogte van meer dan 6,00 meter hebben;

f.     het aantal woonhuizen zal per bouwvlak ten hoogste twee bedra­gen;

g.    de gebouwen zullen voor meer dan de helft van de voorgevel van het woonhuis in de voorbouwgrens worden gebouwd.

26. 2. 2. Voor het bouwen van gebouwen en aangebouwde overkappingen buiten een bouwvlak gelden de volgende regels:

a.    de goothoogte zal ten hoogste 3,00 meter bedragen;

b.    de bouwhoogte zal ten hoogste 6,00 meter bedragen;


c.    de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en aangebouwde overkappingen zal respectievelijk ten hoogste 50 m² en ten hoogste 25 m² bedra­gen, met dien verstande dat niet meer dan 50% van het buiten het bouwvlak gelegen gedeelte van een bouwperceel mag worden bebouwd met gebouwen en aangebouwde overkappingen, tenzij de bestaande oppervlakte groter is, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximale oppervlakte geldt.

26. 2. 3. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gel­den de volgende regels:

a.    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorbouwgrens ten hoogste 1,00 m zal bedragen;

b.    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 3,00 m bedragen.

26. 3.    Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van vrijstaande gebouwen buiten het bouwvlak voor zelfstandige bewoning;

b.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van detailhandel;

c.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten, anders dan in de vorm van een aan-huis-verbonden beroep of bestaande kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

d.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep, zodanig dat:

1.    de bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane grondvloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel;

2.    de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep meer bedraagt dan 50 m²;

e.    het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning;

f.     het gebruik van de gronden en bouwwerken voor meer woningen dan het bestaande aantal.

26. 4.    Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van:

 

-       het bepaalde in lid 26.3. sub c. en toestaan dat de gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen worden gebruikt ten behoeve van de uitoefening van kleinschalige bedrijfs­ma­tige activiteiten, mits:

1.    het gebruik van ondergeschikte betekenis is, in die zin dat de gebouwen in overwegende mate de woonfunctie blijven behouden;

2.    het uiterlijk van de betreffende gebouwen niet wordt aan­ge­tast;

3.    geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de aan­gren­zende gronden;

4.    het gebruik geen afbreuk doet aan het karakter van de buurt;

5.    geen detailhandel van betekenis plaatsvindt;

6.    er voldoende parkeergelegenheid op het eigen erf voor de werknemers en bezoekers aanwezig is;

7.    degene die de activiteiten verricht tevens de gebruiker van de woning is;

8.    de activiteiten niet milieuhinderlijk zijn;

9.    de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dat 30% van de totale gezamenlijke begane grondvloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen.

26. 5.    Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden van het gebied en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, het plan wijzigen in die zin dat:

 

a.    de oppervlakte van een aangegeven bouwvlak aan één zijde wordt vergroot tot maximaal 4,00 meter vanuit de bouwgrens, met dien verstande dat de afstand van het bouwvlak ten opzichte van de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 3,00 meter mag bedragen;

b.    de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, met dien verstande dat de afstand van het bouwvlak ten opzichte van de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 3,00 meter mag bedragen;

c.    de bestemming ‘Wonen - B3’ wordt gewijzigd in de bestemming ‘Wonen - B1’, mits:

-       na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 25 van overeenkomstige toepassing zijn.