direct naar inhoud van 3.5 Milieu
Plan: Bestemmingsplan Ruskenveen 2012
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0014.BP522Ruskenveen-vg01

3.5 Milieu

De volgende paragrafen gaan in op de milieuaspecten die relevant zijn voor dit conserverend bestemmingsplan. Achtereenvolgens wordt ingegaan op bedrijven(terreinen), geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en bodem.

3.5.1 Bedrijven(terreinen)

Bedrijven kunnen hinder (geur, stof of geluid) of gevaar veroorzaken en daardoor de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Dit moet zoveel mogelijk worden voorkomen, vooral bij woongebieden of gevoelige bestemmingen. Anderzijds is het zaak, dat bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden.

Op het bedrijventerrein zijn bedrijven toegestaan tot en met categorie 3.2 conform de beschrijving van de VNG in “Bedrijven en milieuzonering”. Binnen dit deel van het plangebied is nog 1 bedrijf aanwezig met een hogere categorie. Dat is DSM Biologics Company BV; Zuiderweg 72, categorie 4. Dit bedrijf bevindt zich van oudsher op dit bedrijventerrein. Op dit moment veroorzaakt deze inrichting geen overlast voor de omgeving. Bij vertrek van deze inrichting heeft het de voorkeur dat maximaal een categorie 3 inrichting hiervoor terugkomt.

In de woonwijk Ruskenveen zijn bedrijven toegestaan tot en met categorie 2.

De voorschriften van dit bestemmingsplan staan geen nieuwe bedrijven toe die vanwege de aard van de bedrijvigheid een risicocontour hebben die buiten het eigen terrein is gelegen.

De Wet Ruimtelijke ordening schrijft de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voor. Bedrijfsmatige activiteiten kunnen invloed hebben op de leefomgeving. Het aanhouden van een bepaalde afstand tussen een bedrijfsmatige activiteit en een woonbestemming is een middel om overmatige hinder te voorkomen. De VNG uitgave “Bedrijven en milieuzonering”geeft hiervoor een handreiking. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet Milieubeheer stellen regels aan de milieugevolgen die ontstaan als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten. Het gaat daarbij om regels ten aanzien van het voorkomen of beperken van bijvoorbeeld geluidhinder, bodemverontreiniging en risicovolle situaties. In artikel 2.1 Wabo is aangegeven dat het verboden is een inrichting op te richten zonder daarbij in het bezit te zijn van een oprichtingsvergunning. Dit verbod is niet van toepassing indien de inrichting in het activiteitenbesluit (Barim) genoemd is als een type A of B inrichting. Indien het een type A of B inrichting is, dan is respectievelijk geen melding of het doen van een melding verplicht.

IMR-contour

Begin 2008 is er voor de suikerfabrieken een nieuwe IMR-contour vastgesteld (zie figuur 1). IMR staat voor Integratie Milieu en Ruimtelijke ordening. Binnen de IMR-contour hanteert de gemeente een restrictief beleid voor de bouw van nieuwe woningen. De IMR-contour heeft geen consequenties voor bestaande woningen of vervangende nieuwbouw. Het plangebied Ruskenveen valt gedeeltelijk binnen de IMR-contour.

afbeelding "i_NL.IMRO.0014.BP522Ruskenveen-vg01_0015.png"

Figuur 1: IMR-contour 2008

3.5.2 Geluid (industrie, spoor en weg)

Geluid is één van de factoren die invloed kan hebben op de beleving van de leefomgevingskwaliteit. Daarom moet er bij nieuwe ruimtelijke- of verkeersontwikkelingen akoestisch onderzoek plaatsvinden om de geluidsituatie in beeld te brengen.

Hierbij moet de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen worden getoetst aan de wettelijke geluidnormen. Hierbij worden drie bronnen van geluidhinder onderscheiden:

  • wegverkeerslawaai
  • industrielawaai
  • spoorweglawaai

Voor de bestaande situatie in dit plangebied zijn alle drie de bronnen relevant.

1. Wegverkeerslawaai

In en langs het plangebied liggen wegen met een geluidszone. Wegen met een geluidzone vallen onder de werkingssfeer van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting vanwege deze wegen op nabijgelegen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen kan op een aantal drukke punten hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Deze wet heeft geen gevolgen voor de bestaande situatie. Een maatregel om het wegverkeerslawaai te beperken is het toepassen van stil asfalt. Waar nodig en (technisch) mogelijk kan een wegdek bij groot onderhoud worden vervangen door stil asfalt.

2. Industrielawaai

Een gedeelte van het plangebied betreft het voormalige Suiker Unie terrein. Dit gedeelte was onderdeel van het gezoneerde industrieterrein Groningen West Hoogkerk. De geluidzone rondom dit industrieterrein is vastgesteld bij Koninklijk Besluit. Met het verdwijnen van de Suiker Unie bevinden zich er binnen dit plangebied geen grote lawaaimakers (inrichtingen genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer) meer. Nieuwe grote lawaaimakers zijn in verband met de mogelijk toekomstige woningbouw langs de randen van het industrieterrein ook niet gewenst. Met dit bestemmingsplan wordt het terreingedeelte van de voormalige Suiker Unie onttrokken aan het gezoneerde industrieterrein. De geluidzone rondom het overige gedeelte van het gezoneerde industrieterrein blijft gehandhaaft. Dit betekent dat het volledige plangebied in de geluidzone van het industrieterrein Groningen West Hoogkerk blijft liggen.

3. Spoorweglawaai

Het plangebied ligt langs de spoorlijn Leeuwarden-Groningen. Zoals in veel binnenstedelijke gebieden wordt de voorkeursgrenswaarde van 53 dB voor woningen langs het spoor overschreden. Voor de huidige situatie heeft de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde geen gevolgen. Dit in tegenstelling tot nieuwe situaties. Bouwactiviteiten voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van de spoorlijn mogen niet zonder meer plaatsvinden. Hiervoor moet de gemeente een hogere waarde vast stellen.

3.5.3 Luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit geeft het kwaliteitsniveau aan waaraan de buitenlucht moet voldoen om ongewenste effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid van mensen te voorkomen. In deze wet zijn luchtkwaliteitsnormen vastgelegd voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10).

De voornaamste bron van luchtverontreiniging in Groningen is het wegverkeer. De bijdrage van het lokale verkeer aan de luchtverontreiniging wordt berekend met behulp van een wettelijk voorgeschreven model. Voor het bestemmingsplan Ruskenveen is nagegaan wat de concentraties zijn van de luchtverontreinigende stoffen en of er luchtkwaliteitsnormen worden overschreden. Hierbij is gekeken naar de jaren 2011 en 2020. De concentraties zijn berekend voor de meest drukke wegen in het plangebied Ruskenveen, te weten: Zuiderweg en Laan 1940 - 1945. Als input voor de berekeningen zijn verkeerscijfers gebruikt uit het verkeersmodel Regio Groningen - Assen (RGA), versie 1.2. Daarnaast zijn voor de Laan 1940 – 1945 de luchtkwaliteitsgegevens bij Rijkswaterstaat opgevraagd.

Uit de berekeningen volgt dat de onderzochte situaties voldoen aan de luchtkwaliteitsnormen. Dit betekent dat er vanwege de luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Voor meer informatie over luchtkwaliteit en de resultaten van de modelberekeningen wordt verwezen naar de “Notitie luchtkwaliteit”. Deze wordt als losse bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.

3.5.4 Externe Veiligheid (transport, bedrijven/instellingen en buisleidingen)

Externe veiligheid gaat over overlijdensrisico's die mensen lopen vanwege productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, vaarwegen en buisleidingen. Gevaarlijke stoffen zijn bij voorbeeld vuurwerk, lpg, chloor, ammoniak en munitie. De term 'externe' veiligheid wordt gehanteerd omdat het overlijdensrisico van derden centraal staat. Het gaat om mensen die zelf niet deelnemen aan de activiteit die het overlijdensrisico met zich meebrengt.

De minister van Infrastructuur & Milieu (I&M) is verantwoordelijk voor de coördinatie van het externe veiligheidsbeleid voor gevaarlijke stoffen. Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen(BEVI, VROM, 2004, laatst gewijzigd 2009) bevat veiligheidsnormen voor bedrijven. Het beleid voor gevaarlijk transport staat in de nota 'Vervoer gevaarlijke stoffen', opgesteld door het ministerie van Verkeer en Waterstaat (2005) in nauwe samenwerking met I&M. Voor aardgastransportleidingen geldt het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (1-1-2011). Op dit moment wordt nieuw wettelijk instrumentarium ontwikkeld voor het transport van gevaarlijke stoffen (Besluit Transport Externe Veiligheid (BTEV), verwacht in 2012 en Basisnetten Weg, Spoor en Water).

De genoemde kaders verplichten gemeenten om bij het opstellen van ruimtelijke plannen veiligheidsafstanden toe te passen en het externe veiligheidsrisico zo laag mogelijk te houden.

Veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en in het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico vormt het basisbeschermingsniveau voor individuele burgers, het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een ramp. Bij negatieve veranderingen van het groepsrisico moet de gemeente een verantwoording van het groepsrisico afleggen.

De Milieudienst van de gemeente Groningen heeft voor het bestemmingsplan een risico-inventarisatie uitgevoerd. Hieruit blijkt dat binnen het plangebied verschillende risicobronnen aanwezig zijn die invloed hebben op de veiligheidssituatie binnen het plangebied, te weten:

  • hoge druk aardgasleidingen, N-507-50-KR, N-507-51 en N507-30,
  • provinciale weg N370, (Laan 1940 – 1945).

Er zijn vier risicobronnen buiten het plangebied die van invloed zijn op de externe veiligheid in het plangebied, te weten:

  • BIM Tankstation LPG Hoendiep,
  • Smurfit Kappa Solidboard, lokatie Hoogkerk,
  • Rijksweg A7 (Groningen-Drachten),
  • spoorlijn Onnen-Sauwerd.

Uit nader onderzoek is gebleken dat aan veiligheidsnormen wordt voldaan. Dat wil zeggen dat voor risicobronnen wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico, alsmede voor het plasbrandaandachtsgebied (PAG).

Voor het groepsrisico van de drie hoge druk aardgasleidingen geldt dat, voor zowel de bestaande als de nieuwe situatie (invulling bestemmingsplancapaciteit) het groepsrisico geheel beneden de oriëntatiewaarde ligt. Het CAROLA –rapport (berekening) is als bijlage toegevoegd.

Ook voor het BIM tankstation LPG aan het Hoendiep geldt dat het groepsrisico beneden de oriëntatiewaarde blijft. Deze conclusie is gebaseerd op tabellen van het RIVM waarin de maximaal toelaatbare personendichtheden in het invloedsgebied van een LPG-tankstation staan omschreven.

In het kader van het bestemmingsplan 'Kranenburg e.o.'(2011) is geconcludeerd dat het groepsrisico van de A7 en de N370 van de totale route nagenoeg gelijk is aan de oriëntatiewaarde. Op basis van deze berekening kan gesteld worden dat het groepsrisico vanwege een lagere personendichtheid (ter hoogte van het relevante plangebied) lager is en dus onder de oriëntatiewaarde ligt. Het groepsrisico voor de A7 en N370 is voor het bestemmingsplan 'Kranenburg e.o.' in 2011 verantwoord. De groepsrisicoberekening is als bijlage toegevoegd (bijlage:'Rapportage Kranenburg A7 en N370').

Voor de spoorlijn Onnen-Sauwerd geldt dat in het kader van het bestemmingsplan 'Busbaan Paterswoldseweg – Emmabrug' (2011), de Milieudienst van de gemeente Groningen het groepsrisico heeft berekend voor dit traject. Op basis van deze berekening kan geconcludeerd worden dat de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

Conform het RNVGS bestaat er bij overschrijding van de oriëntatiewaarde een verantwoordingsplicht. Deze verantwoording is tevens gedaan in het bestemmingsplan 'HOV 3e fase Busbaan Paterswoldseweg – Emmabrug').

De verantwoording groepsrisico (bestaande uit een beoordeling van de aspecten 'bestrijdbaarheid' en zelfredzaamheid') is nader uiteengezet in de veiligheidsstudie die als bijlage is toegevoegd.

De regionale brandweer heeft uit beoordeling van de aspecten 'bestrijdbaarheid' en zelfredzaamheid' het volgende geconstateerd.

De aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid maken onderdeel uit van deze verantwoording. Uit de beoordeling van het aspect bestrijdbaarheid blijkt, dat de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen onvoldoende zijn ter plaatse de voormalige vloeivelden en gronddepots van het suikerbedrijf. Op dit moment vormt dit geen probleem, aangezien geen mensen in dit deel van het plangebied verblijven. Bij eventuele toekomstige ontwikkelingen dient dit deel van het plangebied wel tweezijdig bereikbaar te worden gemaakt en te worden voorzien van adequate bluswatervoorzieningen.

Uit de beoordeling van het aspect zelfredzaamheid blijkt, dat in de invloedsgebieden nauwelijks sprake is van langdurig verblijf van verminderd zelfredzame personen. Het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om van de risicobronnen weg te vluchten. Wel blijkt dat grote delen van het plangebied buiten het sirenebereik van het WAS liggen. De regionale brandweer adviseert om de bevolking hier bij een ramp op een andere wijze te alarmeren (radio, sms, televisie, geluidswagen, enz.).

Samenvattend kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheidssituatie geen belemmering vormt voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

3.5.5 Bodem

In het bestemmingsplan Ruskenveen wordt de bestaande situatie vastgelegd. Er zijn geen ontwikkellocaties benoemd. Voor dit bestemmingsplan is een inventarisatie uitgevoerd. De inventarisatie is als bijlage bij dit plan gevoegd.

In het gebied komen voornamelijk de functies: ander groen, bebouwing, infrastructuur, industrie, oppervlaktewater, wonen met tuin en landbouw voor. De bodemkwaliteit voldoet over het algemeen aan de normen die gekoppeld zijn aan het gebruik of de huidige functie. Bodemverontreiniging kan bestaan uit bronverontreiniging of diffuse verontreiniging.

Bronverontreiniging

Eventuele bronverontreiniging wordt veroorzaakt door huidige of voormalige bedrijfsfuncties en/ of dempingen en ophogingen met verontreiniging.

Binnen het plangebied bevinden zich diverse locaties die verdacht zijn van een (ernstige) bodemverontreiniging. De verdachtmaking kan het gevolg zijn van bodembedreigende activiteiten in het verleden of een eerder bodemonderzoek. Binnen het plangebied bevinden zich voornamelijk (voormalige) bedrijventerreinen, dempingen en ophogingen. waardoor de bodem plaatselijk verontreinigd kan zijn.

Bij twee locaties in het plangebied is een geval van ernstige bodemverontreiniging vastgesteld, te weten Peizerweg 97 en op de spoorbaan Peizerweg/ Laan 1940-1945. Op drie andere locaties is inmiddels de (deel)sanering gestart en afgerond

Bij de aanpak van de bodemverontreiniging moet aangesloten worden bij de geplande ontwikkelingen. De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van een bodemonderzoek en voor een sanering ligt bij de veroorzaker, de eigenaar en/of de belanghebbende. Het uitgangspunt is dat de locatie geschikt wordt gemaakt voor het beoogde gebruik.

Voordat met de sanering kan worden begonnen, moet de gemeente Groningen als bevoegd gezag op grond van de Wet bodembescherming instemmen met de voorgestelde sanering. De gemeente ziet toe op de juiste uitvoering van de sanering en van grondverzet in het algemeen.

Voor de locaties die verdacht zijn van (ernstige) bodemverontreiniging is een bodemonderzoek bij de aanvraag van een Wabo-vergunning in ieder geval noodzakelijk.

Diffuse verontreinigingen

Eventuele diffuse bodemverontreiniging ontstaat door jarenlang gebruik en is niet tot een specifieke bron te herleiden. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Groningen blijkt dat in dit plangebied een diffuse (lichte) bodemverontreiniging voorkomt ten aanzien van PAK's (10 VROM).

Bij het toepassen en hergebruik van grond dient de “Nota Bodembeheer: Beleidsregels voor de toepassing van grond en baggerspecie op landbodem” in acht genomen te worden.