direct naar inhoud van 6.3 Overleg
Plan: Bestemmingsplan Dorpskern Ten Boer
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0009.BP022DorpskernTenB-vg01

6.3 Overleg

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp-bestemmingsplan toegezonden aan een aantal (overheids)instanties. De volgende instanties hebben gereageerd:

  • NV Nederlandse Gasunie (10 mei 2011);
  • Brandweer Regio Groningen (16 mei 2011);
  • Provincie Groningen (15 juni 2011);
  • Ministerie van Infrastructuur en Milieu, VROM-Inspectie (15 juni 2011);
  • Waterschap Noorderzijlvest (28 juli 2011).

De brieven, zijn in het navolgende samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.

Ad 1. NV Nederlandse Gasunie d.d. 10 mei 2011

Het plan is getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het ministerie van Infrastructuur en Milieu voor de aardgastransportleidingen van de Gasunie, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing komt de Gasunie tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitsgrens van zijn dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding een invloed heeft op de verdere planontwikkeling.

Reactie gemeente:

De reactie van de Gasunie wordt voor kennisgeving aangenomen.

Ad 2. Brandweer, regio Groningen d.d. 16 mei 2011

Het bestemmingsplan Dorpskern Ten Boer is beoordeeld in het kader van externe veiligheid, specifiek het groepsrisico. In de externe veiligheidsparagraaf van het bestemmingsplan wordt nog verwezen naar de oude circulair 'Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen 1984'. Deze circulaire is per 1 januari 2011 vervangen door het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen'. De Brandweer adviseert dit tekstueel aan te passen.

In de externe veiligheidsparagraaf wordt verwezen naar de externe veiligheidsstudie. Deze bijlage is echter niet opgenomen in het plan. De brandweer adviseert om deze rapportage alsnog bij te voegen.

De Milieudienst heeft de veiligheidsstudie opgesteld. De Brandweer heeft hieraan meegewerkt door te adviseren over de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Door de nauwe betrokkenheid bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn alle externe veiligheidsaspecten in de veiligheidsstudie opgenomen. Indien de veiligheidsstudie c.q. de verantwoording groepsrisico onverkort worden overgenomen is een nadere advisering vanuit de Brandweer niet aan de orde.

Wel adviseert de Brandweer om de acceptatie van de externe veiligheidsrisico's door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ten Boer te laten vaststellen. Het college is immers eindverantwoordelijk voor de (externe) veiligheid in het plangebied.

Tot slot merkt de Brandweer nog op dat in de regels, onder lid 6.5.b is aangegeven dat ter plaatse van de aanduiding 'openbaar vervoer' één verkooppunt voor motorbrandstoffen mag worden uitgeoefend. Hierbij is detailhandel in motorbrandstoffen en de uitoefening van een autoverkoopbedrijf toegestaan. Volledigheidshalve adviseert de Brandweer om hieraan toe te voegen dat motorbrandstoffen zijn toegestaan met uitzondering van LPG. Dit om te voorkomen dat een risicovolle inrichting wordt toegestaan.

Reactie gemeente:

De teksten in de externe veiligheidsstudie en in de externe veiligheidsparagraaf zijn, overeenkomstig het advies van de Brandweer, aangepast aan de nieuwe regelgeving op het gebied van buisleidingen (Bevb). De externe veiligheidsstudie is als bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan. De veiligheidsstudie c.q. de verantwoording groepsrisico van de Brandweer is onverkort overgenomen in de externe veiligheidsstudie en de externe veiligheidsparagraaf. De opmerking over de acceptatie van de externe veiligheidsrisico's door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ten Boer blijkt volledigheidshalve gemaakt door de brandweer. Het is inderdaad zo dat het gehele bestemmingsplan wordt vastgesteld door het college danwel de gemeenteraad van Ten Boer. Het aspect externe veiligheid wordt daarin meegenomen. Tot slot is de tekst van lid 6.5.b verduidelijkt in die zin dat de verkoop van lpg is uitgesloten.


Ad 3. Provincie Groningen d.d. 15 juni 2011

Het doel van overleg is om te voorkomen dat het bestemmingsplan het ruimtelijke beleid van de provincie doorkruist. In hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening van de provincie Groningen 2009 is de doorwerking van essentiele onderdelen van het ruimtelijke beleid geborgd. Daarnaast zijn de wet- en regelgeving omtrent externe veiligheid, de provinciale milieudoelstellingen, de provinciale taken en bevoegdheden omtrent het gebruik, het beheer en het onderhoud van provinciale (vaar)wegen en de juridische plankwaliteit voor zover van provinciaal belang in de beoordeling betrokken.

De in het bestemmingsplan voor "Agrarisch" bestemde gronden zijn onder andere bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering inclusief additionele voorzieningen. Het gebruik van de gronden voor een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering wordt als met het bestemmingsplan strijdig gebruik aangemerkt. In de begripsbepalingen ontbreekt echter een omschrijving wat onder (in hoofdzaak) grondgebonden agrarische bedrijfsvoering/niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering wordt verstaan. Op grond van artikel 4.18 van de Omgevingsverordening voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwvestiging van een hoofd- of neventak van intensieve veehouderij. Onder intensieve veehouderij wordt verstaan een agrarische bedrijfsvoering, zelfstandig of als neventak, gericht op het geheel of nagenoeg geheel in gebouwen houden van varkens, pluimvee, vleeskalveren en pelsdieren, met uitzondering van het biologisch houden van dieren overeenkomstig de Landbouwkwaliteitswet. De provincie verzoekt de begripsbepalingen in het bestemmingsplan hierop af te stemmen en nieuwe intensieve veehouderij uit te sluiten overeenkomstig de Omgevingsverordening.

Tevens verzoekt de provincie om de bepalingen in artikel 4.21 van de Omgevingsverordening omtrent duisternis en stilte in acht te nemen. Overigens vraagt de provincie zich af of er op het agrarisch perceel aan de Rijksweg feitelijk nog sprake is van een agrarische bedrijfsvoering en of de bestemming overeenkomt met het huidige bestaande gebruik.

Voorts is het provinciaal beleid erop gericht om agrarische bedrijfsbebouwing te concentreren binnen daartoe op de verbeelding aangewezen agrarische bouwpercelen. Op grond van artikel 4.19a, lid 5, van de Omgevingsverordening voorziet een bestemmingsplan niet in de mogelijkheid tot oprichting van nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing en bouwwerken buiten de aangewezen agrarische bouwpercelen. De bouwregels in artikel 4.2 in samenhang met artikel 4.4.1 (afwijkingsbevoegdheid) van de planregels behorende bij de bestemming "Agrarisch" verzetten zich er echter niet tegen dat ook agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken, zoals melk- en schuilstallen en andere bouwwerken buiten de daartoe aangewezen bouwpercelen kunnen worden opgericht. De provincie verzoekt het bestemmingsplan op dit punt aan te passen.

Reactie gemeente:

In het bestemmingsplan zijn begripsbepalingen van de begrippen grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering opgenomen. Het vestigen van nieuwe intensieve veehouderij is expliciet uitgesloten en ook van het begrip intensieve veehouderij is een begripsbepaling opgenomen.

Om duisternis te waarborgen is binnen de bestemming Agrarisch een bepaling opgenomen die regelt dat de lichtsterkte binnen nieuw te bouwen ligboxenstallen niet meer dan 150 lux mag bedragen, tenzij de stal tussen 20.00 uur en 6.00 uur is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling tenminste met 90% reduceren.

Het agrarisch perceel aan de Rijksweg is in gemeentelijk eigendom en wordt gebruikt als paardenweide. Er zijn geen plannen met dit perceel, dus het bestaande gebruik is met een bestemming Agrarisch, zonder bouwmogelijkheden, vastgelegd.

De afwijkingsbevoegdheid uit artikel 4.1.1 die het oprichten van agrarische bedrijfsgebouwen van ondergeschikte aard buiten het bouwvlak, zoals melk- en schuilstallen, mogelijk maakte is uit het bestemmingsplan geschrapt.

Ad 4. VROM-Inspectie d.d. 15 juni 2011

De VROM-Inspectie refereert aan de brief van 26 mei 2009 aan alle colleges van burgemeester en wethouders waarin de minister van VROM heeft aangegeven over welke nationale belangen uit de Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid (RNRB, TK 2007-2008, 31500 nr.1) gemeenten altijd overleg moeten voeren met het Rijk. Gemeenten verzoeken zelf de afzonderlijke rijksdiensten om advies. De VROM-Inspectie coordineert de rijksreactie over onder meer voorontwerp-bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan Dorpskern Ten Boer geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen, gelet op de nationale belangen zoals verwoord in de RNRB.

Reactie gemeente:

De opmerking van de VROM-Inspectie wordt voor kennisgeving aangenomen.

Ad 5. Waterschap Noorderzijlvest d.d. 28 juli 2011

Het bestemmingsplan Dorpskern Ten Boer betreft een actualisatie van de oude plannen in het gebied. Er zijn geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voorzien. Het waterbeleid staat goed in het bestemmingsplan verwoord. Het waterschap Noorderzijlvest gaat akkoord met het bestemmingsplan.

Reactie gemeente:

De opmerking van het waterschap Noorderzijlvest wordt voor kennisgeving aangenomen.

Naar aanleiding van de overlegreacties op het voorontwerp-bestemmingsplan zijn de volgende aanpassingen gedaan:

  • De teksten in de externe veiligheidsstudie en in de externe veiligheidsparagraaf zijn, overeenkomstig het advies van de Brandweer, aangepast aan de nieuwe regelgeving op het gebied van buisleidingen (Bevb).
  • De externe veiligheidsstudie is als bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan.
  • De veiligheidsstudie c.q. de verantwoording groepsrisico van de Brandweer is onverkort overgenomen in de externe veiligheidsstudie en de externe veiligheidsparagraaf.
  • De tekst van lid 6.5.b is verduidelijkt in die zin dat de verkoop van lpg is uitgesloten.
  • Er zijn begripsbepalingen van de begrippen grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en intensief veehouderijbedrijf opgenomen.
  • Het vestigen van nieuwe intensieve veehouderij is expliciet uitgesloten.
  • Binnen de bestemming Agrarisch is een bepaling opgenomen die regelt dat de lichtsterkte binnen nieuw te bouwen ligboxenstallen niet meer dan 150 lux mag bedragen, tenzij de stal tussen 20.00 uur en 6.00 uur is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling tenminste met 90% reduceren.
  • De afwijkingsbevoegdheid uit artikel 4.1.1, die het oprichten van agrarische bedrijfsgebouwen van ondergeschikte aard buiten het bouwvlak, zoals melk- en schuilstallen, mogelijk maakte is uit het bestemmingsplan geschrapt.