direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch - Bedrijf
Plan: Bestemmingsplan Bellingwolde
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0007.030403-VG01

Artikel 3 Agrarisch - Bedrijf

 

3. 1.       Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Agrarisch - Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    gebouwen ten behoeve van:

1.    agrarische bedrijven met een in hoofdzaak grondgebonden bedrijfsvoering;

2.    een kwekerij- c.q. hoveniersbedrijf, al dan niet in combinatie met detailhandel in tuininrichtingsartikelen en -benodigdheden, voorzover ten dienste van en ondergeschikt aan de bedrijfsfunctie, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - kwekerijbedrijf’;

3.    bedrijfswoningen;

4.    een tweede bedrijfswoning, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning’;

b.    een gebouw ten behoeve van agrarische bedrijven met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, al dan niet in combinatie met ruimte voor:

1.    bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;

2.    dienstverlenende bedrijven en/of instellingen;

3.    detailhandel in streekeigen producten;

4.    educatieve doeleinden;

ter plaatse van de aanduiding ‘gemengd’;

c.    aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen;

d.    het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een LPG-station, ter plaatse van de aanduiding ‘veiligheidszone - lpg’;

e.    de bescherming van de functie van de in het aanliggende gebied gesitueerde molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element, ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’;

f.     een straalpad, ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - straalpad’;

waarbij, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschapstuin’, de instandhouding van de landschappelijke waarden van de landschapstuin wordt nagestreefd;

met de daarbijbehorende:

g.    wegen, straten en paden;

h.    groenvoorzieningen;

i.      parkeervoorzieningen;

j.      nutsvoorzieningen;

k.    water;

l.      torensilo’s;

m.   tuinen, erven en terreinen;

n.    bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3. 2.       Bouwregels

3. 2. 1. Voor het bouwen van de in lid 3.1. sub a. genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

a.    een gebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b.    een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;

c.    een tweede bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning’;

d.    de goothoogte en bouwhoogte van een gebouw zullen ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ aangegeven hoogte bedragen;

e.    de dakhelling van een gebouw zal ten minste 20° bedragen;

f.     de dakhelling van een gebouw zal ten hoogste 60° bedragen.

3. 2. 2. Voor het bouwen van het in lid 3.1. sub b. genoemde gebouw gelden de volgende regels:

a.    het gebouw mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘gemengd’;

b.    het gebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;

c.    de goothoogte van het gebouw zal ten hoogste 5,00 m bedragen;

d.    de dakhelling van het gebouw zal ten minste 20° bedragen;

e.    de dakhelling van het gebouw zal ten hoogste 60° bedragen.

3. 2. 3. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

a.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 70 m² bedragen;

b.    de goothoogte van een aan- of uitbouw of een bijgebouw zal ten hoogste 3,00 m bedragen;

c.    de bouwhoogte van een overkapping zal ten hoogste 3,00 m bedragen.

3. 2. 4. Voor het bouwen van torensilo’s gelden de volgende regels:

a.    er zullen ten hoogste 2 torensilo’s per agrarisch bedrijf worden gebouwd;

b.    de bouwhoogte van een torensilo zal ten hoogste 15,00 m bedragen.

3. 2. 5. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:


a.    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning c.q. het verlengde daarvan ten hoogste 1,00 m zal bedragen;

b.    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak, zal ten hoogste 10,00 m bedragen;

c.    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

3. 3.       Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveilig­heid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden na­dere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing.

3. 4.       Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd dorpsgezicht, het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van:

 

a.    het bepaalde in lid 3.2.1. sub a. en lid 3.2.2. sub b. en toestaan dat de gebouwen gedeeltelijk buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits:

1.    de oppervlakte van het buiten het bouwvlak gebouwde gedeelte van de gebouwen ten hoogste 20% van de oppervlakte van het bouwvlak be­draagt;

2.    de totale oppervlakte van de gebouwen niet groter is dan de oppervlakte van het bouwvlak;

3.     de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeurgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;

b.    het bepaalde in lid 3.2.1. sub e. en toestaan dat de goot- en/of bouwhoogte van een gebouw wordt verhoogd;

c.    het bepaalde in lid 3.2.1. sub f. en 3.2.2. sub d. en toestaan dat de dakhelling van een gebouw wordt verlaagd c.q. dat een gebouw (gedeeltelijk) wordt voorzien van een plat dak.

3. 5.       Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van bedrijfsgebouwen voor bewoning;

b.    het gebruik van bijgebouwen bij een bedrijfswoning voor bewoning;

c.    het gebruik van het in lid 3.1. sub b. genoemde gebouw voor bewoning;

d.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een in­tensief veehouderijbedrijf;

e.    het gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatieve doeleinden;

f.     het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de uitoefening van detailhandel en/of dienstverlening, tenzij de gronden ter plaatse zijn aangeduid als ‘gemengd’;

g.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een horecabedrijf;

h.    het gebruik van de gronden en bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding ‘gemengd’, ten behoeve van bedrijven die niet zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2.

3. 6.       Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd dorpsgezicht, het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van:

 

a.    het bepaalde in lid 3.5. sub e. en toestaan dat de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een minicamping, mits:

1.    ten hoogste 15 kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, per bouwperceel, worden geplaatst;

2.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het gebied;

3.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woon- of bedrijfssituatie op nabijgelegen percelen;

4.    het kamperen niet binnen de periode van 1 november - 15 maart zal plaatsvinden;

5.    het kamperen direct aansluitend op de erven van de agrarische percelen zal plaatsvinden;

6.    sanitaire voorzieningen zoveel mogelijk zullen worden onderge­bracht in de bestaande (agrarische) bebouwing;

7.    het perceel waarop gekampeerd zal worden op een afstand van ten minste 50 meter van geluidsgevoelige objecten is gelegen;

8.    er een goede landschappelijke inpassing gewaarborgd wordt;

b.    het bepaalde in lid 3.5. sub f en toestaan dat de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor productiegebonden detailhandel, mits:

1.    de vestiging plaatsvindt in de bestaande gebouwen;

2.    het vormen van detailhandel betreft met een lokaal verzorgingsge­bied;

c.    het bepaalde in lid 3.5. sub h. en toestaan dat, ter plaatse van de aanduiding ‘gemengd’, bedrijven worden gevestigd die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, mits:

-       het geen geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle in­richtingen en/of vuurwerkbedrijven betreft.

3. 7.       Aanlegvergunning

3. 7. 1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschapstuin’, is het verboden zonder een schriftelijke vergun­ning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a.    het verwijderen van erfbeplanting;

b.    het graven en/of dempen van watergangen en waterpartijen;

c.    het ontgronden, het afgraven, egaliseren en ophogen van gron­den en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodem­structuur.

3. 7. 2. Het in lid 3.7.1. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

a.    het normale onderhoud betreffen;

b.    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

c.    noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare voorzieningen.

3. 7. 3. De in lid 3.7.1. genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de land­schappelijke waarden van het gebied.

3. 8.       Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, het plan wijzigen in die zin dat:

 

a.    de oppervlakte van een aangegeven bouwvlak wordt vergroot, dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits:

1.    de vergroting ten hoogste 25% van de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen;

2.    de afstand ten opzichte van de zijdelingse perceelgrens ten minste 3,00 m zal bedragen;

3.    de karakteristieke hoofdvorm van het boerderijpand gehand­haafd blijft;

4.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd dorpsgezicht;

5.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ontwikkelingsmogelijkheden van functies in de om­geving;

6.    er een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing van de gebouwen zal worden gerealiseerd;

b.    de bestemming ‘Agrarisch - Bedrijf’ wordt gewijzigd in de bestemming ‘Agrarisch - Dienstverlenend bedrijf, mits:

1.    de bedrijfsactiviteiten uitsluitend in de bestaande gebouwen plaatsvinden;

2.    na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de betreffende gronden de regels van artikel 5 van toepassing zijn, met dien verstande dat:

-       de bouwregels zoals opgenomen in de bestemming ‘Agrarisch - Bedrijf’ van toepassing blijven, indien de nieuwe functie in de bestaande bebouwing plaatsvindt;

c.    de bestemming ‘Agrarisch - Bedrijf’ wordt gewijzigd in de bestemming ‘Bedrijf, mits:

1.    uitsluitend bedrijven zijn toegestaan die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;

2.    de bedrijfsactiviteiten uitsluitend in de bestaande gebouwen plaatsvinden;

3.    na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de betreffende gronden de regels van artikel 8 van toepassing zijn, met dien verstande dat:

-       de bouwregels zoals opgenomen in de bestemming ‘Agrarisch - Bedrijf’ van toepassing blijven, indien de nieuwe functie in de bestaande bebouwing plaatsvindt;

d.    de bestemming ‘Agrarisch - Bedrijf’ wordt gewijzigd in de bestemming ‘Wonen - 3’, mits:

1.    er per vrijkomend agrarisch bedrijf ten hoogste 1 woning zal worden gerealiseerd;

2.    de woonfunctie in het oorspronkelijke, karakteristieke hoofdgebouw wordt ondergebracht;

3.    na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de betreffende gronden de regels van artikel 28 van toepassing zijn, met dien verstande dat:

-       de bouwregels zoals opgenomen in de bestemming ‘Agrarisch - Bedrijf’ van toepassing blijven, indien de nieuwe functie in de bestaande bebouwing plaatsvindt;

e.    de in sub b. tot en met d. genoemde wijzigingsbevoegdheden zullen uitsluitend worden verleend met inachtneming van de volgende voorwaarden:


1.    ten eerste zal beoordeeld worden of een wijziging naar een gebiedseigen functie, bijvoorbeeld als agrarisch dienstverlenend bedrijf, dan wel een functie in het kader van het beheer van de natuur-, de landschaps- en/of de bosfunctie mogelijk is;

2.    vervolgens zal worden beoordeeld of een wijziging naar uitsluitend een woonfunctie mogelijk is;

3.    tot slot zal worden beoordeeld of een niet-agrarische bedrijfsfunctie aanvaardbaar is;

4.    de karakteristieke hoofdvorm van het boerderijpand blijft gehandhaafd;

5.    de te realiseren functies mogen geen onevenredige afbreuk doen aan de ontwikkelingsmogelijkheden van functies in de omgeving;

6.    een te realiseren woonfunctie is afgestemd op het moment van wijziging vigerende gemeentelijke en provinciale woningbouwbeleid;

7.    er zal een goede landschappelijk en stedenbouwkundige inpassing van de gebouwen worden gerealiseerd;

8.    erfbebouwing in de vorm van torensilo’s, mestopslag en dergelijke zullen worden gesloopt;

9.    de te realiseren bedrijfsfunctie(s) mogen geen sterk verkeersaantrekkende werking hebben, dan wel veel zwaar verkeer genereren;

10.  het parkeren zal op het eigen terrein plaatsvinden;

11.  de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de daarvoor gelden voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;

12.  er mag geen negatieve invloed ontstaan op het milieu, in het bijzonder de kwaliteit van bodem en grond- en oppervlaktewater.