direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Marker Wadden
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0995.BP00046-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Het Markermeer verkeert ecologisch gezien in een slechte toestand. Ten gevolge van het afsluiten van het IJsselmeer door de afsluitdijk en de Houtribdijk, is er sprake van het ophopen van slib. Dit slib, in combinatie met de turbulentie van het water, maakt het water in het Markermeer troebel en verstikt het bodemleven. Hierdoor gaat de ecologische kwaliteit van dit natuurgebied achteruit. Vissen, waterplanten en schelpdieren hebben moeite met overleven, waardoor er voor trekvogels gebrek aan voedsel dreigt te ontstaan.

Natuurmonumenten en de gemeente Lelystad willen een belangrijke bijdrage leveren aan het herstel en de ontwikkeling van het ecosysteem van het Markermeer. Zij willen het gebied weer tot bloei brengen voor de natuur en de mensen. Om dit na te streven heeft Natuurmonumenten het programma 'Marker Wadden' ontwikkeld. Hierna wordt beschreven waaruit dat programma bestaat. Omdat dit programma niet past binnen het geldende planologisch kader (beheersverordening IJsselmeer-Markermeer-Oostvaardersplassen) is voor een deel van het Markermeer een nieuw bestemmingsplan opgesteld, dat , voorziet in een adequate planologische regeling voor de ontwikkeling van Marker Wadden. In verband hiermee zijn tevens een plan-m.e.r. en Passende Beoordeling opgesteld (zie bijlage 1 en 2). Het bestemmingsplan (en de onderliggende rapporten) zal naar verwachting eind 2013 door de gemeenteraad van Lelystad worden vastgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het Markermeer behoort tot het hoofdwatersysteem van Nederland, heeft een oppervlak van circa 700 km² (70.000 hectare) en is gesitueerd in de provincies Noord-Holland en Flevoland. Een groot deel van het Markermeer ligt in de gemeente Lelystad. Het onderhavige plangebied ten behoeve van Marker Wadden beslaat het noordoostelijk deel van het Markermeer tot op een afstand van circa 700 meter van de Houtribdijk. Het plangebied omvat een oppervlakte van ruim 15.000 hectare. De ligging en begrenzing ervan zijn aangegeven op de onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0001.png"

Figuur 1.1:Ligging en begrenzing plangebied

1.3 Digitaal bestemmingsplan

Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld als digitaal bestemmingsplan, zoals de wetgeving dat voorschrijft. Dit betekent dat de ruimtelijke verbeelding en de planregels van het bestemmingsplan volgens vaste standaarden zijn opgesteld. Deze afspraken zijn onder meer opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro).

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de huidige situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie, de waterbeheerder (Rijkswaterstaat) en de gemeente uiteen gezet. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de doelstelling, achtergronden en uitgangspunten van het plan Marker Wadden. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de Milieueffectrapportage en Passende Beoordeling die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan. De effecten op het milieu die relevant zijn voor de ontwikkeling van het plan worden beschreven in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 beschrijft de juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgen in de hoofdstukken 8 en 9 een beschrijving van de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de resultaten van de inspraakprocedure en het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro.

Hoofdstuk 2 De huidige situatie

Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie van het plangebied. Aan de orde komen de ruimtelijke en functionele aspecten.

2.1 Ontstaansgeschiedenis

Het Markermeer ligt in de provincies Noord-Holland en Flevoland en tussen het IJmeer en het IJsselmeer. Met de voltooiing van de Houtribdijk tussen Enkhuizen en Lelystad in 1976 is het Markermeer ontstaan. Door deze dijk werd het water van het Markermeer-IJmeer afgesloten van het IJsselmeer. Het Markermeer heeft een oppervlak van 700 km² en is genoemd naar het schiereiland Marken, dat gelegen is in het zuidwesten van het meer.

2.2 Ruimtelijke/waterstaatkundige aspecten

Het Markermeer, IJmeer en IJsselmeer vormen samen een van de grootste natuurgebieden van Nederland en het grootste zoetwatermeer van Europa. Het Markermeer is dan ook onderdeel van Natura 2000.

Kenmerkend voor het Markermeer, met uitzondering van enkele diepe putten, is dat het relatief ondiep is, namelijk gemiddeld circa 3,5 meter diep. De oevers bestaan voor het merendeel uit dijken met stenen beschoeiing. Luwe en plaatselijk ondiepe delen, zoals bepaalde oeverzones, de Kustzone Muiden en de Gouwzee (het deelgebied tussen het eiland Marken en het vasteland van Noord-Holland), zijn belangrijke kerngebieden voor waterplanten (fonteinkruiden en kranswieren). Ze dienen als voedselbron voor diverse vogels en zijn biotoop voor in het water levende dieren en bodemorganismen.

Het water in het Markermeer is voornamelijk afkomstig uit het IJsselmeer, de Zuidelijke Randmeren en uit neerslag. Noord-Holland watert onder normale omstandigheden af op de Noordzee en de Waddenzee, maar kan onder bijzondere omstandigheden afvoeren op het Markermeer. Daarnaast wordt water uitgeslagen vanuit de provincie Flevoland. Afvoer van water verloopt via de spuicomplexen Houtrib en Krabbersgat. Het Markermeer levert ook water. Er bestaat de mogelijkheid om 's zomers vanuit het IJsselmeer via het Markermeer water op het Noordzeekanaal in te laten, om de zouttong vanuit de Noordzee tegen te gaan. Aan Flevoland wordt water geleverd om tekorten in landbouwgebieden aan te vullen. Daarnaast wordt er water ingelaten als er in Flevoland onvoldoende (kwalitatief goed) water beschikbaar is voor het kwaliteits- en kwantiteitsbeheer van de Veluwe randmeren. Dit water wordt ingelaten bij de Zuidersluis en via gemaal Lovink uitgeslagen op het Veluwemeer.

Het Markermeer is via het grondwater verbonden met het omliggende gebied. De stijghoogte rondom het Markermeer is lager dan het peil van het Markermeer, waardoor de grondwaterstroming vanuit het Markermeer gericht is op de omgeving en zorgt voor het optreden van kwel. Gezien het verleden (Zuiderzee) is er sprake van brakke kwel, dat wordt voortgeduwd door het zoete Markermeer water.

De gebieden rondom het Markermeer worden beschermd met dijken. Deze horen tot de dijkringen 8 (Flevoland), 13 (Noord-Holland) en 44 (Krommerijn). Het beschermingsniveau van de dijken varieert tussen de 1:4000 (Flevomeerdijken) tot 1: 10.000 Markermeerdijken in Noord Holland.

Door het afsluiten van het IJsselmeer is er sprake van het ophopen van slib. Door wind en golven wervelt het slib steeds op. Hierdoor is het water in het Markermeer-IJmeer troebel, terwijl het water in het IJsselmeer helder is. Het verschil in troebelheid wordt veroorzaakt door stromings-, diepte- en strijklengteverschillen. Het slib beperkt de aanwas en groei van algen en bodemfauna, driehoeksmosselen, zoöplankton en vis. Daardoor is de voedselbeschikbaarheid beperkt en neemt de hoeveelheid watervogels af.

2.3 Functionele aspecten

Natuur

Het Markermeer is onderdeel van Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Het gebied is op Europees niveau van belang voor het habitattype kranswierwateren, voor watervogels, voor de vis rivierdonderpad en voor de meervleermuis. Om deze habitats en soorten te beschermen zijn zogenaamde instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Tevens dient voor elk Natura 2000-gebied een beheerplan te worden opgesteld. Daarin wordt ingegaan op de gevolgen van het 'bestaand gebruik', dat wil zeggen alle activiteiten die mensen in en rond het IJsselmeer (inclusief het Markermeer) uitoefenen en de eventuele gevolgen daarvan op de instandhoudinghoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De belangrijkste menselijke activiteiten in en op het Markermeer staan hieronder beschreven:

Scheepvaart

Ruim honderd binnenvaartschippers varen dagelijks over het IJsselmeer, het Markermeer of de randmeren. De beroepsvaart beperkt zich in principe tot de geclassificeerde vaarwegen (en soms daarbuiten, afhankelijk van de weerssituatie), maar dit heeft geen verstorende werking op de 'instandhoudingdoelstellingen' van Natura 2000-gebieden. Op afbeelding 2.1 zijn de huidige (en toekomstige) geclassificeerde vaarwegen in het IJsselmeergebied aangegeven, alsmede de globale ligging van het plangebied (zwarte cirkel). Daaruit blijkt dat in het onderhavige plangebied geen geclassificeerde vaarwegen (komen te) liggen. Door het plangebied loopt wel de vaarverbinding Enkhuizen-Lelystad. Dit is geen geclassificeerde vaarweg, maar een informele vaarroute. Hierover vindt zowel beroepsvaart als pleziervaart plaats. , maar over het gebruik ervan zijn geen exacte cijfers beschikbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0002.jpg"

Figuur 2.1: Toekomstbeeld geclassificeerde vaarwegen IJsselmeergebied (bron: Rijkswaterstaat)

Recreatie

Recreatie is in de afgelopen decennia uitgegroeid tot een omvangrijke economische activiteit op en rond het IJsselmeer. Op het water gerichte vormen van (dag)recreatie, zoals zeilen, motorbootvaren, (kite)surfen, sportvissen, kanovaren, zwemmen en het wandelen, fietsen, en recreëren in de nabijheid van het water. Autonome ontwikkelingen in de waterrecreatie leiden naar verwachting bijna nergens tot knelpunten met Natura 2000. Dat is de conclusie van een grondige verkenning van het Rijk samen met de recreatie- en natuursector. In bepaalde delen van het IJsselmeergebied zijn de vogelgebieden in de nazomer en winter erg gevoelig voor verstoring. Uitbreiding van recreatieactiviteiten zou daar mogelijk wel tot knelpunten kunnen leiden.

Intensief beraad tussen overheden en de recreatiesector heeft geleid tot een creatieve oplossing die vooralsnog ontwikkelingen in de recreatiesector niet in de weg staat, terwijl het natuurbelang blijft gewaarborgd. De essentie van deze 'IJsselmeeraanpak' is een praktijk van zelfsturing. Recreatieorganisaties gaan hun achterbannen uitgebreid voorlichten over de kwetsbare natuur. De overheid, natuurorganisaties en de recreatiesector hebben afgesproken samen de vinger aan de pols te houden en na enkele jaren de resultaten te evalueren. Zou kwetsbaar gebied ondanks alle voorzorg toch te zeer verstoord raken, dan kan alsnog gebied voor een bepaalde (seizoens)periode worden gesloten. Daarnaast hebben de recreatie- en natuursector samen een gedragscode opgesteld om bij recreanten de bewustwording van de natuurwaarden in het IJsselmeergebied te vergroten en verstoring van nu nog rustige gebieden te voorkomen.

Beroepsvisserij

Het Markermeer wordt momenteel gebruikt voor beroepsvisserij. Langs de randen wordt gevist met fuiken. In het open water vindt zogenaamde gemene weide visserij plaats met vistuig vanaf visschepen. Voor de beroepsvisserij is in het Visplan aangegeven hoeveel vistuigen er gebruikt mogen worden ten behoeve van visserij op aal, baars- en snoekbaars, brasem, blankvoorn, kolblei, rietvoorn en spiering. De spieringvisserij wordt opengesteld als een bepaald aantal spieringen aanwezig is (conform het zogenaamde limit reference point). Alle 71 IJsselmeervissers hebben het recht op het Markermeer te vissen. Er zijn een aantal vaste opstellingen langs alle oevers van het Markermeer om met grote fuiken (hokfuiken) te mogen vissen, maar deze liggen buiten het plangebied. Verder mag in het meer met kisten, hoekwant, schietfuiken en staand worden gevist. Exacte locaties van de gemene weide visserij zijn niet te geven, men vist waar de vis zit en dit verschilt en is afhankelijk van de tijd van het jaar.

Volgens de huidige Natuurbeschermingswetvergunning (Nbw-vergunning) van de provincie Flevoland mag nettenvisserij niet plaats vinden in water van minder dan 2 meter diep en in het gebied 3 km ten zuiden van de Houtribdijk, gedurende de wintermaanden. In het concept beheerplan komt naar voren dat in het Markermeer aal- en wolhandkrabvisserij in de huidige omvang geen negatieve effecten hebben op Natura2000. Daarom worden deze vormen van visserij vrijgesteld van de Nbw-vergunningplicht. Staandwantvisserij en spieringvisserij in het Markermeer kunnen daarentegen wel negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen. Voor deze vormen van visserij blijft om die reden de vergunningplicht gehandhaafd. Voor het vergemakkelijken van de vergunningverlening is in het beheerplan een toetsingskader opgenomen voor staandwantvisserij. De voorschriften uit de Nbw-vergunning, waarvan dit toetsingskader is afgeleid, kunnen in de loop van de beheerplanperiode worden bijgesteld aan de hand van voortschrijdend inzicht in de effectiviteit van voorgeschreven maatregelen. Zo loopt momenteel een onderzoek naar de effectiviteit van maatregelen om bijvangst van vogels in staand want te voorkomen. Voor spiering blijkt het nog niet mogelijk een toetsingskader te formuleren, aan de hand waarvan negatieve effecten op spieringetende watervogels kunnen worden beoordeeld.

Zandwinning

In het Markermeer wordt zand gewonnen in de scheepvaartroutes. Op deze manier worden vaargeulonderhoud en zandwinning gecombineerd. Sinds de jaren negentig is de omvang van de zandwinning geleidelijk toegenomen met een piek in 2001, vanwege de uitbreiding van Almere en Amsterdam-IJburg en de vraag naar ophoog- en metselzand. Voor de huidige zandwinconcessies is door het bevoegd gezag al een Nbw-vergunning verleend. Bij deze toetsing is gebleken dat zandwinning onder de geldende vergunningsvoorwaarden geen significant effect heeft. Om ervoor te zorgen dat dit ook voor toekomstige zandwinningen het geval is, is het Toetsingskader voor zandwinning en het nuttig toepassen van sediment opgesteld. Dit toetsingskader iomvat onder andere een kaart die aangeeft waar in het Markermeer zandwinning met het oog op het aspect voedselbeschikbaarheid voor vogels meer of minder kansrijk is, maar gelet op de potentiële significante negatieve effecten is voor nieuwe zandwinningen altijd een Nb-wetvergunning (en Passende Beoordeling) nodig.

Hoofdstuk 3 Kader

Het beleid en de wet- en regelgeving scheppen samen het kader waarbinnen het programma Marker Wadden moet worden uitgevoerd. In dit hoofdstuk worden de relevante kaders voor het bestemmingsplan op hoofdlijn besproken. Het gaat hierbij om beleid op nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Specifiek voor de regio Amsterdam, Almere en het Markermeer wordt een rijksstructuurvisie opgesteld (RRAAM). Daarnaast is er een aantal sectorale beleidsnota's die consequenties hebben voor bestemmingsplannen.

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Begin 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteits- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit beleid heeft onder meer de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en de Structuurvisie Randstad 2040 vervangen. De structuurvisie heeft betrekking op:

  • Rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;
  • Rijksbelangen met betrekking tot (inter-)nationale netwerk van hoofdwegen en hoofdvaarwegen;
  • Rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur.

Hierbij hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan de provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven-)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk wel een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op (gebaseerd op de 'SER-ladder') waardoor er ruimte ontstaat voor regionaal maatwerk. Alleen in de stedelijke regio's met concentraties van topsectoren heeft het Rijk afspraken gemaakt met decentrale overheden over de programmering van de verstedelijking, onder andere in het Rijk-Regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM).

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0003.png"

Figuur 3.1: Kaart Noordwest-Nederland (bron: Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte)

Het MIRT-gebied Noordwest-Nederland beslaat de provincies Noord-Holland en Flevoland en het IJsselmeergebied. De opgaven van nationaal belang die relevant zijn voor het Markermeer zijn:

  • Het mogelijk maken van de drievoudige schaalsprong in het gebied Amsterdam-Almere- Markermeer (woningbouw, werkgelegenheid, infrastructuur en groen/blauw) samen met betrokken overheden (RRAAM);
  • (…) het verbeteren van het ecologisch systeem van het Markermeer-IJmeer (Natura 2000);
  • Het aanwijzen van voorkeursgebieden voor grootschalige windenergie in de kop van Noord Holland, Flevoland en het IJsselmeer/Markermeer;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000-gebieden.

Rijks-Regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM)

Rijk en regio willen dat de Noordelijke Randstad uitgroeit tot een duurzame en internationaal concurrerende Europese topregio. Om dat te bereiken zijn investeringen nodig in moderne woon- en werklocaties, goede bereikbaarheid en mogelijkheden voor recreatie en natuur. Daarom hebben Rijk en regio in het kader van het RRAAM afspraken gemaakt over de integrale ruimtelijke ontwikkeling van de noordelijke Randstad.

Voorgeschiedenis

Decennialang was het Markermeer gereserveerd voor de afronding van de Zuiderzeewerken met de beoogde aanleg van de Markerwaard. Met de vaststelling van de Nota Ruimte in 2006 werd de reservering voor inpoldering definitief ingetrokken. Eerder was het gebied al aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn en als internationaal erkend Wetlandgebied. Daarmee is het gebied behouden als grootschalig open water in het hart van Nederland. Vooruitlopend op deze beslissing hebben maatschappelijke organisaties en overheden in 2005 de Toekomstvisie Markermeer-IJmeer opgesteld. Deze stelt dat een gerichte investering in de groen-blauwe kwaliteit een essentiële voorwaarde is voor een verdere stedelijke ontwikkeling van de as Schiphol- Amsterdam- Almere.

Toekomstbeeld Markermeer-IJmeer

De provincies hebben de opdracht van het kabinet aangegrepen en in 2009 het Toekomstbeeld Markermeer-IJmeer neergelegd. Het Toekomstbeeld beschrijft hoe het Markermeer en IJmeer kan uitgroeien tot een vitaal en gevarieerd natuurgebied, krachtig genoeg om ook andere ontwikkelingen zoals klimaatverandering, verstedelijking, infrastructurele investeringen, economische groei en toenemende recreatie te kunnen accommoderen. Het ecologisch systeem van Markermeer en IJmeer moeten daarvoor kwalitatief worden verbeterd, zodat een Toekomstbestendig Ecologisch Systeem ontstaat (TBES). Om aldus het huidige, kwetsbare systeem om te vormen naar een toekomstbestendig systeem, moet aan vier ecologische vereisten worden voldaan:

  • 1. Heldere randen langs de kust
  • 2. Een gradiënt in slib van helder naar troebel water.
  • 3. Land-waterzones van formaat.
  • 4. Versterkte ecologische verbindingen.

Eind 2009 heeft het toenmalige kabinet het toekomstbeeld overgenomen in de RAAM-brief aan de Tweede Kamer. Deze bevat de Rijksbesluiten Amsterdam-Almere-Markermeer. Centraal daarin staat een drievoudige ambitie voor verstedelijking, bereikbaarheid en natuur. In de RAAM-brief wordt de totstandkoming van het Toekomstbestendig Ecologisch Systeem naar voren gebracht als het verbindend element in de integrale ontwikkeling van de Noordvleugel van de Randstad tot een internationaal concurrerende topregio. Binnen RRAAM heeft de Werkmaatschappij Markermeer- IJmeer (WMIJ) de opdracht gekregen om het Toekomstbeeld Markermeer-IJmeer zoals dat door de regionale partijen is vastgesteld haalbaar en betaalbaar te maken.

Naar een Toekomstbestendig Ecologisch Systeem

In november 2011 heeft de WMIJ het optimalisatierapport 'Naar een Toekomstbestendig Ecologisch Systeem' opgeleverd. Dit rapport benoemt de maatregelen die nodig zijn om de natuurkwaliteit van het Markermeer-IJmeer te herstellen en duurzame ecologische veerkracht te creëren:

  • de aanleg van een grootschalig moeras van op termijn 4500 ha bij de Houtribdijk
  • de aanleg van circa 12 km luwtemaatregelen bij de kust van Noord-Holland
  • de aanleg van 300 ha Vooroever Lepelaarplassen bij Flevoland
  • optimalisatie van grondstromen
  • gefaseerde aanpak
  • synergie tussen ecologie, recreatie en dijkversterking.

De WMIJ concludeert dat in deze opzet een kostenbesparing van € 350 miljoen haalbaar is op de oorspronkelijke kostenraming. Dat is circa 42%. De optimalisatie van 2011 brengt de geraamde kosten voor een totaalpakket terug naar een bandbreedte van € 631 tot 880 miljoen. Bij een uitvoeringstermijn van 40 jaar betekent dat een jaarlijkse investering van circa € 15 tot 22 miljoen. Naar aanleiding van het optimalisatierapport heeft de Tweede Kamer verzocht om een open marktuitvraag te doen voor de natuurontwikkelingsplannen binnen RRAAM. Deze Marktuitvraag Ecologie RRAAM heeft in 2012 geresulteerd in een inbreng van marktpartijen en een voorstel van de Vereniging Natuurmonumenten. Deze voorstellen schetsen nieuwe perspectieven voor de ecologische toekomst van het Markermeer-IJmeer, die uiteindelijk moet worden vastgelegd in de Rijksstructuurvisie RRAAM.

Pilot "Moeras"

Om te achterhalen of de aannames achter het TBES voor het Markermeer-IJmeer kloppen, is door het project Natuurlijk(er) Markermeer-IJmeer (NMIJ) het programma NMIJ 2009-2015 opgesteld. De uitvoering van het programma moet leiden tot meer kennis over combinaties van haalbare en betaalbare maatregelen. In het programma is daarnaast veel aandacht voor toepassingsmogelijkheden van innovatieve aanlegtechnieken en materialen. Zo is een pilot “moeras” opgenomen. De nadruk in deze pilot ligt op innovatieve aanlegtechnieken via het “learning by doing” concept. Het programma heeft een looptijd van 2009-2015. De resultaten van het programma worden gebruikt bij het bepalen van eventuele vervolgstappen om te komen tot een TBES.

Ontwerp Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer

In het recent (april 2013) gepubliceerde ontwerp van de Rijksstructuurvisie is de grondgedachte van de bovengenoemde ambitie voor verstedelijking, bereikbaarheid en natuur binnen RRAAM verder uitgewerkt. De opgave kan gerealiseerd worden door eerst te starten met het Toekomstbestendig Ecologisch Systeem vóórdat andere ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. In deze aanpak vervult Marker Wadden een belangrijke rol. Naar aanleiding van de resultaten van de ter inzage legging van het ontwerp en de behandeling in de Tweede Kamer, zal de minister van Infrastructuur en Milieu, in overeenstemming met de staatssecretarissen van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken, een definitief besluit nemen. De definitieve Rijksstructuurvisie zal naar verwachting eind 2013 worden gepubliceerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0004.png"

Figuur 3.2: Kaart ontwerp Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer

Ontwerp Structuurvisie Wind op Land

Windenergie op land zal een belangrijke bijdrage leveren aan de verduurzaming van de energievoorziening in Nederland. Op 1 januari 2020 moet er een opwekkingsvermogen van ten minste 6.000 MW in de vorm van windturbines op land en in zoet water productief zijn, te realiseren met grootschalige en kleinschalige windenergie. Omdat er van de huidige 2.100 MW een deel zal worden gesaneerd of opgeschaald, moet er in de komende 7 jaar naar schatting 5.000 MW nieuw vermogen worden gebouwd. Dit heeft een grote impact op delen van het Nederlandse landschap en de beleving ervan, maar dit biedt ook kansen voor nieuwe landschappen en economische ontwikkelingen.

Het Rijk wil grootschalige windparken concentreren in een beperkt aantal windrijke gebieden en in landschappen waar windmolens goed passen. De voorkeur gaat uit naar grote haven- en industriegebieden, grootschalige open agrarische productielandschappen, in en langs grote wateren (zoals het IJsselmeer) en langs wegen en spoorlijnen. In de ontwerp Structuurvisie zijn 11 gebieden aangewezen voor nieuwe windmolenparken op land, waaronder de Houtribdijk, op relatief korte afstand van het project Marker Wadden (zie figuur 3.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0005.png"

Figuur 3.3: Uitsnede ontwerp structuurvisie wind op land. De oranje delen zijn aangewezen als gebied waar grootschalige windenergie kan plaatsvinden.

Waar in de aangewezen gebieden de windmolenparken precies komen te staan is nog niet bekend, maar als significant negatieve effecten voor natuur niet op voorhand kunnen worden uitgesloten moet voor iedere individuele locatie van grootschalige windenergie een project-m.e.r.-procedure worden doorlopen, waarbij ook een Passende Beoordeling moet worden opgesteld. Door het treffen van maatregelen is een belangrijk deel van de negatieve effecten te mitigeren. Dan gaat het bijvoorbeeld om de ligging en opstelling ten opzichte van belangrijke natuurwaarden en het type windturbine.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Barro vormt het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid voor de borging van het nationaal ruimtelijk beleid in bestemmingsplannen. Het Barro geeft regels over bestemmingen, het gebruik van gronden en is primair gericht tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Voor het onderhavige bestemmingsplan zijn in beginsel de volgende titels van het Barro van belang:

  • Titel 2.1 Rijksvaarwegen: deze titel is echter niet van toepassing op dit bestemmingsplan aangezien binnen het plangebied geen rijksvaarwegen lopen;
  • Titel 2.10 Ecologische hoofdstructuur: in deze titel staat beschreven dat de provinciale verordening de begrenzing, het beschermingsregime, de wezenlijke kenmerken en waarden regelt, maar dit geldt niet voor de wateren genoemd in bijlage II, onderdeel 1, van het Waterbesluit, waartoe ook het Markermeer behoort;
  • Titel 2.12 IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte): in deze titel wordt aangegeven dat een bestemmingsplan in beginsel geen bestemmingen mag bevatten die nieuwe bebouwing of landaanwinning mogelijk maken. Maar dit geldt onder andere niet voor overstroombare natuurontwikkeling. In het onderhavige bestemmingsplan wordt daar rekening mee gehouden.

Natura 2000 en Natuurbeschermingswet 1998

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. De bescherming van waardevolle natuurgebieden, waaronder Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten, is in Nederland geregeld via de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet). Het doel van Natura 2000 is de achteruitgang van natuurwaarden te stoppen en de unieke aspecten ervan te behouden en zonodig te herstellen. De natuur in Nederland is onderdeel van een veel groter Europees geheel. Zo vormen de Nederlandse wateren essentiële pleisterplaatsen in de trekroutes van talloze soorten trekvogels. Vele soorten eenden en ganzen zijn mede afhankelijk van Nederlandse leef-, broed- en foerageergebieden. Voor een aantal plant- en diersoorten, die meer of minder onder druk staan, zoals de noordse woelmuis die uniek is in het land, heeft Nederland een grote internationale verantwoordelijkheid.

Om schade aan een Natura 2000-gebied ten gevolge van een plan in een vroeg stadium inzichtelijk te hebben, bepaalt artikel 19j Nbwet dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling (…) de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied, kan doen verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (…) rekening dient te houden met de gevolgen die dat plan kan hebben voor het gebied. Om te beoordelen of een plan (eventueel onder voorwaarden) kan worden toegelaten, moeten de effecten op de aangewezen habitattypen en soorten in beeld worden gebracht. Een eerste oriënterend onderzoek wordt een voortoets genoemd. Wanneer op basis van een voortoets significante verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten, is het verplicht om een Passende Beoordeling uit te voeren. Hierin wordt nauwgezet en meer gedetailleerd de gevolgen van de voorgenomen activiteit inzichtelijk gemaakt. De Passende Beoordeling kan zowel als onderbouwing dienen voor de besluitvorming over het bestemmingsplan (artikel 19j Nbwet) of voor een vergunningaanvraag voor een project op grond van artikel 19d van de Nbwet.

Ten behoeve van de besluitvorming over het onderhavige bestemmingsplan maakt de Passende Beoordeling inzichtelijk of de activiteit haalbaar is vanuit de Nbwet. Een vergunning voor een project en/of een besluit over een plan kan slechts worden verleend/genomen indien het bevoegd gezag zich er op grond van de Passende Beoordeling van heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. In afwijking van deze regel kan het bevoegd gezag, wanneer de aantasting van het Natura 2000-gebied op basis van de Passende Beoordeling niet kan worden uitgesloten, een vergunning verlenen of een besluit over een plan nemen na een toets aan de zogenaamde ADC-criteria. Aan de hand van een ADC-toets moet worden aangetoond dat 'Alternatieve' oplossingen voor het project ontbreken en er sprake is van 'Dwingende' redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Als aan beide voorwaarden wordt voldaan, is het noodzakelijk dat er compenserende maatregelen worden getroffen.

Het programma 'Marker Wadden' vindt plaats in het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Gelet op de schaalgrootte en uitvoeringsaspecten kan het optreden van significant negatieve effecten niet op voorhand worden uitgesloten. Daardoor is ter onderbouwing van het besluit over de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan een Passende Beoordeling opgesteld. In paragraaf 6.2 wordt hierop nader ingegaan.

Beheerplan Markermeer & IJmeer

Vanwege de status van het Markermeer als Natura2000-gebied is Rijkswaterstaat bezig met de voorbereiding van een Beheerplan. In dat beheerplan zal worden ingegaan op de gevolgen van het 'bestaand gebruik', dat wil zeggen alle activiteiten die mensen in en rond het IJsselmeer (inclusief het Markermeer) uitoefenen en de eventuele gevolgen daarvan op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Daarbij zal worden gekeken naar:

  • Knelpunten in het ecosysteem die negatieve gevolgen hebben voor de natuurwaarden;
  • Maatregelen uit vastgesteld beleid die een positieve bijdrage kunnen leveren aan de natuurdoelen;
  • Aanvullende maatregelen die genomen moeten worden om de doelen te kunnen realiseren;
  • Activiteiten die nu in het gebied plaatsvinden en mogelijk invloed hebben op de natuurwaarden.

De ontwikkeling van Marker Wadden gebeurt in nauwe samenwerking met Rijkswaterstaat waardoor de afstemming op het toekomstige beheerplan is gewaarborgd.

Dijkversterking Houtribdijk

De Houtribdijk met de bijbehorende kunstwerken zijn in 2006 getoetst volgens het Voorschrift Toetsen op Veiligheid. Uit deze toetsing is gebleken dat de dijk niet meer geheel voldoet aan de veiligheidsnorm. Rijkswaterstaat IJsselmeergebied, de beheerder, heeft besloten om voor 2015 de Houtribdijk te versterken. In mei 2012 is met het uitwerken van de plannen gestart. Voor het project 'Marker Wadden' is van belang dat wordt onderzocht in hoeverre er mogelijkheden zijn voor synergie met de versterking van de Houtribdijk.

Kaderrichtlijn Water (KRW)

Sinds eind 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De hoofddoelstelling van de KRW is de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater op orde te brengen. Voor alle waterlichamen gelden chemische en ecologische doelen. Dit betekent dat gekeken wordt naar de doelen voor alle individuele biologische kwaliteitselementen (bijvoorbeeld waterplanten) en alle individuele (prioritaire) stoffen. Met het bereiken van de Goede Chemische Toestand (GCT) zijn de concentraties van schadelijke chemische stoffen in water zodanig dat ze geen negatieve effecten hebben op de ecologie (flora en fauna). Een waterlichaam dat aan alle normen conform de Richtlijn Prioritaire Stoffen (RPS) voldoet, heeft de GCT bereikt. Voor de sterk veranderde en kunstmatig aangelegde wateren wordt geaccepteerd dat er menselijk beïnvloeding plaatsvindt en dat daardoor de GET niet meer te bereiken is. Het doel voor deze wateren is de ecologische toestand die maximaal kan worden bereikt met gelijk blijvende (menselijke verstoring van de) hydromorfologie. Deze toestand wordt omschreven als het Goed Ecologisch Potentieel (GEP).

De KRW hanteert als uitgangspunt dat de ecologische en chemische doelstellingen (GET, GEP en GCT) in 2015 moeten worden bereikt. Voor onhaalbare opgaven zijn uitzonderingen op dit uitgangspunt mogelijk, door fasering en doelverlaging. Fasering (artikel 4, vierde lid, KRW) houdt in dat de doelstellingen niet in 2015, maar in 2021 of in 2027 worden gehaald. Van deze uitzondering mag gebruikt worden gemaakt als het uitvoeren van de maatregelen vóór 2015 onevenredig hoge kosten met zich mee zou brengen of maatschappelijk of technisch niet haalbaar is.

Bovenstaande uitzondering is op een zelfde manier van toepassing verklaard op de chemische doelstellingen.

De KRW in het kort:

  • beschermt alle wateren – rivieren, meren, kustwateren en grondwateren;
  • stelt ambitieuze doelen om ervoor te zorgen dat alle wateren in het jaar 2015 de 'goede toestand' hebben bereikt;
  • vereist dat er per stroomgebied een beheersysteem wordt opgezet, waarin er rekening mee wordt gehouden dat watersystemen niet stoppen bij politieke grenzen;
  • vereist grensoverschrijdende samenwerking tussen landen en tussen alle betrokken partijen;
  • zorgt ervoor dat alle belanghebbenden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties en lokale gemeenschappen, actief deelnemen aan waterbeheer;
  • zorgt voor de vermindering en beperking van verontreiniging, ongeacht de bron (landbouw, industriële activiteiten, stedelijke gebieden, enz.);
  • vereist het voeren van een waterprijsbeleid en zorgt ervoor dat de vervuiler betaalt;
  • houdt de milieubelangen en de belangen van zij die afhankelijk zijn van het milieu in evenwicht. 

Als onderdeel van het opstellen van een waterwetvergunning of een projectplan Waterwet, moeten de KRW-belangen meegewogen worden.

Waterwet

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.

De Waterwet vormt de basis voor normen die aan watersystemen kunnen worden gesteld. De Waterwet maakt het mogelijk om normen te stellen voor watersystemen ter voorkoming van onaanvaardbare wateroverlast. Hiermee wordt de bestaande praktijk van peilbesluiten of streefpeilen voortgezet. Een waterpeil heeft door het grondgebruik een sterke relatie met de ruimtelijke ordening. In situaties van watertekorten geeft de Waterwet de mogelijkheid de ene functie boven de andere te laten prevaleren (de 'verdringingsreeks'). Ook geeft de Waterwet normen voor de bergings- of afvoercapaciteit van regionale watersystemen. Het regionale watersysteem dient zo te worden ingericht dat bij hoog water voldoende water kan worden geborgen of afgevoerd. De waterbeheerders zijn ook verplicht te voldoen aan een aantal belangrijke waterkwaliteitseisen. Voor de oppervlaktewaterkwaliteit gelden chemische en ecologische kwaliteitsnormen. Voor de grondwaterkwaliteit gelden alleen chemische kwaliteitsnormen. Voor bepaalde onderwerpen geldt dat deze nader moeten worden uitgewerkt in onderliggende regelgeving: het Waterbesluit (een algemene maatregel van bestuur), de Waterregeling (een ministeriële regeling) of in verordeningen van waterschappen en provincies.

Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan (NWP) is het rijksplan voor het waterbeleid voor de periode 2009-2015. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Voor het Markermeer is in het waterplan aangeven dat het peil wordt losgekoppeld van het IJsselmeer. Daarnaast wordt aangegeven dat de waterkwaliteit van het Markermeer verbetering behoeft. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding.

Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren (BPRW)

Op grond van de Waterwet zijn meerdere beleidsstukken opgesteld zoals het Nationaal Waterplan, de beleidsnota waterveiligheid, de beleidsnota IJsselmeergebied, Stroomgebiedbeheerplan Rijndelta (SGBP) en het Beheer- en ontwikkelplan Rijkswateren 2010-2015 (BPRW). In het BPRW beschrijft Rijkswaterstaat het beheer voor de rijkswateren (waaronder het Markermeer) voor de periode 2010-2015. De Waterwet, Europese richtlijnen en andere (internationale) regelgeving vormen hierbij belangrijke kaders. Onderdeel van het BPRW is een programma waarin de beheeropgave is opgenomen vanuit Waterbeheer 21e eeuw (WB21), Kaderrichtlijn Water (KRW) en Natura 2000. Hieronder wordt ingegaan op de beheeropgaven voor WB21 en de Europese zwemwaterrichtlijn zoals opgenomen in het BPRW. De onderdelen KRW en Natura 2000 zijn reeds beschreven en komen hier dus niet aan bod.

Herziening BPRW

Het BPRW wordt momenteel aangepast aan de taakstelling uit het regeerakkoord 2010: “temporisering en versobering van de Kaderrichtlijn Water”. De herziening houdt in dat KRW maatregelen opnieuw worden geprioriteerd en mogelijk uitgesteld. Uit de herziening van het brondocument voor het Markermeer blijkt echter dat geen ingrijpende wijzigingen zijn voorzien.

Waterbeheer 21e eeuw (WB21)|

WB21 heeft tot doel om het waterbeheer op korte én lange termijn op orde te hebben, zodat veiligheid en goede waterkwantiteit zijn gewaarborgd. Dit doel impliceert aanpassing van de waterhuishoudkundige inrichting, waarin de verwachte gevolgen van bodemdaling, klimaatverandering en wijzigingen in gebruiksfuncties zijn verdisconteerd.

Beleid en beheer van de rijkswateren op het gebied van veiligheid zijn vastgelegd in het BPRW. Voor de dijken in het IJsselmeergebied gelden de normen uit de Waterwet. Elke zes jaar wordt getoetst of de dijken en waterkeringen in het IJsselmeergebied aan het gestelde veiligheidsniveau voldoen en waar nodig met het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) weer op orde gebracht. Veiligheid geldt als randvoorwaarde voor het water- en natuurbeheer. In het HWBP zijn twee operationele beleidsdoelen geformuleerd die van belang zijn voor het waterkwantiteitsbeheer van het IJsselmeergebied:

  • het op orde brengen en houden van de samenhang tussen het regionaal en het hoofdwatersysteem in 2015, gericht op het tegengaan van wateroverlast en watertekort. Uitgangspunten zijn:
    • 1. uitwerking van de trits 'vasthouden, bergen en afvoeren';
    • 2. niet-afwentelen van de wateroverlastproblematiek;
    • 3. het hebben van voldoende water in de rijkswateren, aansluitend aan de eisen die de desbetreffende gebruiksfuncties stellen (verdringingsreeks)

Het WB21-doel voor het IJsselmeergebied is het behouden en versterken van de afvoer- en watervoorzieningsfunctie om situaties met wateroverlast en watertekort te voorkomen. Uitgangspunt hierbij is het water uit het IJsselmeer zo lang mogelijk onder vrij verval te blijven lozen op de Waddenzee. Tot 2015 is aanpassing van de waterhuishoudkundige inrichting in het kader van WB21 voor het IJsselmeergebied niet nodig.

Met enige regelmaat is er te weinig zoetwater van voldoende kwaliteit om te kunnen voldoen aan de vraag in het voorzieningsgebied. Volgens de KNMI-klimaatscenario's nemen perioden van droogte toe. De toevoer van zoetwater via de rivieren daalt, terwijl de verdamping van oppervlaktewater toeneemt. Het resultaat is inkrimping van de beschikbare hoeveelheid zoetwater in het IJsselmeergebied en een groeiende vraag naar zoetwater vanuit de omliggende gebieden. Onder gemiddelde omstandigheden is er echter in het IJsselmeergebied geen opgave door watertekort.

Water – Peilbesluit Rijkswateren IJsselmeergebied

In 1992 is het Peilbesluit Rijkswateren IJsselmeergebied vastgesteld. Naast het IJsselmeer heeft dit besluit betrekking op het Ketelmeer, Vossemeer, Zwarte Meer, Markermeer, IJmeer, Gooimeer, Eemmeer, Wolderwijd, Nijkerkernauw, Nuldernauw Veluwemeer en Drontermeer.

Voor al deze wateren zijn streefpeilen vastgesteld. Onder streefpeil wordt verstaan: “de onder normale omstandigheden gelet op de daarmee gemoeide belangen meest wenselijke gemiddelde boezemwaterstand, afgerond op een veelvoud van 5 cm, met een marge voor het operationeel beheer van ca. 2,5 cm”. Voor het Markermeer, het IJmeer en het IJsselmeer is hetzelfde streefpeil vastgesteld, namelijk een zomerstreefpeil van NAP -0,20 m en een winterstreefpeil van NAP -0,40 m. Voor de overgang van het ene naar het andere streefpeil is een periode van ca. 3 weken in het besluit opgenomen. Van winter- naar zomerpeil: tussen ca. 20 maart en 10 april; van zomer- naar winterpeil: tussen ca. 20 september en 10 oktober.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Flevoland 2006-2015

In het Omgevingsplan Flevoland 2006-2015 is het beleid gericht op een evenwichtige groei van Flevoland. De provincie zet daarbij in op ontwikkeling en kwaliteit. De provincie onderscheidt ontwikkelingen in twee hoofdstructuren: stedelijke en groen-blauwe hoofdstructuur. Voor dit plangebied is de groen-blauwe hoofdstructuur van belang. Deze hoofdstructuur bestaat uit de natuur en de watergebieden in de provincie.

De provincie Flevoland wil het voortouw nemen om de gewenste waterfrontontwikkelingen te combineren met een verbetering van de ecologische kwaliteit en waterkwaliteit van het Markermeer. Het Markermeer heeft een potentieel hoge natuurwaarde, maar de kwaliteit van het gebied gaat momenteel door autonome natuurlijke processen achteruit. Daarom zijn inspanningen noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstellingen te halen en om ruimte voor andere ontwikkelingen mogelijk te maken.

Voor vaarwegen kan onderscheid worden gemaakt in de functies voor beroepsvaart (goederenvervoer en personenvervoer per schip, visserij) en voor de recreatievaart (het Basis Recreatie Toervaart Net).

Het Rijk beheert de hoofdvaarwegen met een (inter-)nationale distributiefunctie. De eisen waaraan een vaarweg moet voldoen zijn allereerst van vaartechnische en nautische aard. Daarnaast spelen waterhuishoudkundige aspecten een rol zoals peilbeheer, stroming en instandhouding van de waterweg als afvoerkanaal. Voor de eerstgenoemde zaken is de vaarwegbeheerder de verantwoordelijke instantie. De functie vaarweg is met betrekking tot de waterhuishouding en de functie-eisen richtinggevend voor de waterbeheerders en de provincie zelf. Deze functie heeft betrekking op zowel de beroepsscheepvaart als de recreatiescheepvaart. Niet alle wateren die toegankelijk zijn voor de recreatiescheepvaart zijn ook toegankelijk voor de beroepsscheepvaart.

De provincie wil diverse nieuwe activiteiten in het IJsselmeergebied mogelijk maken. Lelystad, Almere, Amsterdam en Hoorn liggen aan hetzelfde Natura 2000-gebied Markermeer en IJmeer. Zeewolde, Dronten, Harderwijk en Kampen liggen alle aan het gebied Veluwerandmeren. Hun activiteiten hangen daardoor met elkaar samen en mogen cumulatief de instandhoudingdoelstellingen voor de natuurgebieden niet in gevaar brengen. Dit vereist een regionale afstemming waar potentiële spanningen worden weggenomen en kansrijke combinaties worden gezocht.

De provincie Flevoland ziet mogelijkheden om door een investering in nieuwe natuur van enkele duizenden hectares (buitendijks en zonodig ook binnendijks), het 'nee, tenzij', op een hoger planniveau dan dat van de afzonderlijke activiteiten, om te buigen naar een 'ja, want'. Met de terminologie 'ja, want' wil de provincie duidelijk maken dat het beschermingsregime gerespecteerd wordt (dus niet 'ja, mits') en dat activiteiten alleen dan doorgang kunnen vinden als de motivering daarvoor steekhoudend is ('Ja, want we kunnen aantonen dat er geen schadelijke effecten zijn.'). Binnen het kader van de Natuurbeschermingswet wordt procesmatig de nadruk gelegd op een zorgvuldige informele voortoetsing, waarbij activiteiten in een iteratief proces zo 'natuurinclusief' worden gemaakt dat ze per saldo geen significante effecten meer hebben. Het moet boven elke twijfel verheven worden dat de natuurkwaliteit van het IJsselmeergebied, ondanks plaatselijke negatieve effecten van nieuwe activiteiten, er per saldo op vooruit gaat en dat de instandhoudingdoelstellingen gerespecteerd worden. In dit opzicht heeft de provincie Flevoland een hogere ambitie dan 'slechts' instandhouding van bestaande waarden. Het ecosysteem van het IJsselmeergebied moet robuuster worden, door grootschalige ingrepen in de werkgebieden, door kwaliteitsverbetering van bestaande natuurgebieden en zonodig door toevoeging van nieuwe binnendijkse natuurgebieden. Het systeem wordt hiermee minder kwetsbaar voor menselijk handelen. De ontwikkelingen in het IJmeer en Markermeer worden bovendien zodanig vormgegeven dat het geen belemmering vormt voor de waterberging.

Hoewel de exacte stedelijke en infrastructurele ambities nog niet bekend zijn, wordt er vanuit gegaan dat een natuurinvestering van enkele duizenden hectares nodig kan zijn. De mogelijkheden van recreatief medegebruik lijken het grootst langs de randen. Bij buitendijkse natuurontwikkeling gaat de voorkeur van de provincie uit naar een grootschalige natuurontwikkeling nabij Lelystad, in de kom aan de zuidzijde van de Houtribdijk. Hier kan namelijk een grootschalig natuurgebied met luwtegebieden, vooroevers en zandplaten op een aantrekkelijke wijze gecombineerd worden met uitbreiding van de stedelijke en recreatieve functies van Lelystad. De ontwikkeling van Marker Wadden sluit op deze uitgangspunten aan. Onder de regie van de provincies Flevoland en Noord-Holland is binnen het samenwerkingsverband RRAAM een integrale langetermijnvisie voor het Markermeer en het IJmeer en het omliggende gebied ontwikkeld, die zal worden verankerd in een rijksstructuurvisie (zie paragraaf 3.1).

Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012

De verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland (VFL) is op 1 september 2007 in werking getreden als vervanging van zes losse provinciale verordeningen en sindsdien enkele malen aangepast. Op 22 december 2012 is de verordening wederom geactualiseerd vanwege de wettelijke verplichting op grond van de Waterwet en de Invoeringswet Waterwet om het vaarwegbeheer in de provincie bij verordening geregeld te hebben. Voor het onderhavige bestemmingsplan is met name hoofdstuk 4 van de VFL van belang. Op basis van titel 4.4. in dit hoofdstuk is het Markermeer aangewezen als milieubeschermingsgebied voor stilte (stiltegebied) waardoor voor het gebied een richtwaarde geldt voor de maximale geluidsbelasting ter plaats (zie verder paragraaf 6.7). Voorts is in de VFL hoofdstuk 10 gereserveerd voor de begrenzing van de provinciale delen van de EHS (de 'droge' EHS). Besluitvorming hierover wordt verwacht in 2013.

Archeologie

Aandachtsgebieden worden gedefinieerd als terreinen met een relatief hoge dichtheid aan goed geconserveerde archeologische waarden. Het beleid ten aanzien van aandachtsgebieden is het opsporen en planologisch beschermen, dan wel opgraven van archeologische vindplaatsen. Aandachtsgebieden omvatten onder andere de prehistorische stroomgebieden van de Vecht, IJssel en Eem. Van een groot deel van het archeologisch erfgoed in de bodem is de exacte locatie en waarde nog onbekend. Het plangebied ligt deels in het archeologisch aandachtsgebied (zie de gele vlakken in figuur 3.5). Daarom dient in beginsel een inventariserend onderzoek (inclusief de te nemen behoudsmaatregelen)te worden meegenomen in het planproces.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0006.jpg"

Figuur 3.3: Provinciale archeologische waardenkaart (Bron: Omgevingsplan Flevoland)

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurplan Lelystad 2015

Het structuurplan is vastgesteld op 7 april 2005 en bevat een visie op de integrale leefomgeving, waarbij behalve het ruimtelijk beleid, ook bijvoorbeeld duurzaamheid, milieu en verkeer deel van uitmaken. De beleidsuitgangspunten vanuit het provinciaal beleid zijn vertaald in het structuurplan. De identiteit van Lelystad wordt mede bepaald door de aanwezigheid van een grootschalige groenstructuur en de daarin aanwezige samenhang tussen groen en water. Het gemeentelijk beleid is er op gericht om deze identiteit te waarborgen en de stedelijke hoofdstructuur te handhaven en daar waar mogelijk te versterken. Het Markermeergebied is in het structuurplan aangewezen als natuurgebied. Het beleid richt zich vooral op het behoud van dit natuurgebied.

Het Markermeer is een multifunctioneel gebied, waarbij waterhuishouding, waterkwaliteit, recreatie en natuur de hoofdfuncties zijn. Het structuurplan richt zich vooral op het uitbouwen van de ecologische functie van het groen en het water. Ook het versterken van de oriëntatie op het water moet aan de orde komen. Deze uitgangspunten moeten vertaald worden naar een uitvoeringsprogramma.

Beheersverordening

Op 28 mei 2013 heeft de gemeenteraad van Lelystad de beheersverordening IJsselmeer-Markermeer-Oostvaardersplassen vastgesteld en deze is op 4 juli 2013 in werking getreden. Op basis van deze verordening mag het bestaande gebruik van gronden en bouwwerken ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening worden voortgezet. Omdat de beheersverordening echter geen nieuwe ontwikkelingen toestaat, is de gemeente Lelystad voornemens om de beheersverordening (op termijn) weer te vervangen door twee bestemmingsplannen: het onderhavige bestemmingsplan voor Marker Wadden en één voor het resterende deel van het Markermeer.

Houtribdijk

De gemeente beschouwt de ruimtelijke ontwikkelingen rondom de Houtribdijk als aangrijpingspunten voor een stapsgewijze ruimtelijke ontwikkeling waarbij de dijk op termijn een multifunctioneel karakter krijgt. Infrastructurele werken aan de dijk, zoals dijkversterking en wegverbreding, dienen meerwaarde te creëren voor andere functies. Dijkversterking moet (gedeeltelijk) gepaard gaan met het ontwikkelen van een zandige oeverzone voor natuur en recreatie. De ambitie is om de Houtribdijk op termijn verkeersluw te maken vanaf Lelystad tot aan de knik in de dijk waarbij de dijk in noordelijke richting afbuigt, door het aanleggen van een nieuwe (oever)verbinding voor de N23 (Structuurvisie Lelystad). Dat levert betere mogelijkheden voor een landzijdige ontsluiting van de oever van het Markermeer ter hoogte van het plangebied. Trintelhaven functioneert als tussenstop voor recreatief weg- en vaarverkeer. De gemeente staat positief tegenover het uitbouwen van de recreatieve betekenis in de vorm van eenvoudige verblijfsrecreatie en enkele aanlegmogelijkheden aan de Markermeerzijde van de dijk. Trintelhaven kan een opstapplaats worden voor de Marker Wadden. Vanuit oogpunt van verkeersveiligheid dient de verkeerskundig gevaarlijke aansluiting te worden opgelost. Aangezien de ideeën hoe Trintelhaven verder te ontwikkelen nog onvoldoende concreet zijn om opgenomen te worden in dit bestemmingsplan, is de locatie Trintelhaven buiten de begrenzing van het plangebied gehouden.

Archeologie

De gemeente Lelystad beschikt over een archeologische beleidsadvieskaart, die bestaat uit een maatregelenkaart en een archeologiekaart waarden en verwachtingen. Op de archeologiekaart staan alle bekende archeologische vindplaatsen en vondsten aangegeven en de potentiële locaties met archeologische vindplaatsen, terwijl de maatregelenkaart is gebaseerd op de archeologische beleidskaart uit het provinciale Omgevingsplan 2006.

Het gemeentelijk beleid berust op de volgende uitgangspunten:

  • archeologische resten dienen zoveel mogelijk in situ te worden bewaard;
  • archeologische waarden dienen van meet af aan in ruimtelijke plannen te worden meegewogen;
  • de verstoorder betaalt;
  • en de resultaten van archeologisch onderzoek worden voor het publiek beleefbaar en beschikbaar gemaakt.

Via het bestemmingsplan en een vergunningstelsel vindt uitvoering van de beleidsadvieskaart plaats. De kaart is attenderend maar heeft door toepassing en gebruik in het planologisch proces ook een sturende werking, mede omdat in de omgeving van het plangebied (nabij de vaarroute Lemmer-Amsterdam) onlangs een archeologisch monument (scheepswrak) aangetroffen. In het kader van de m.e.r. en het onderhavige bestemmingsplan is nader onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de eventueel aanwezige archeologische waarden (zie paragraaf 6.6.). Desondanks zijn onverwachte vondsten nooit zijn uit te sluiten. Voor dergelijke toevalsvondsten bestaat op grond van de Monumentenwet een meldingsplicht.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Doelstellingen

Ecologisch is de kwaliteit van het Markermeer en IJmeer de laatste jaren fors achteruit gegaan. Uit telgegevens blijkt dat er in de jaren negentig een dramatische terugval is opgetreden in aantallen vogels. De verklaring van de achteruitgang van de natuurkwaliteit in Markermeer en IJmeer is onderwerp van onderzoek van de zogeheten ANT-IJG-studie (Studie naar Autonome Neerwaartse Trends in het IJsselmeergebied), dat plaatsvindt onder de regie van Rijkswaterstaat als beheerder van het gebied. Op basis van tussentijdse bevindingen (Wetenschappelijk Tussentijds Advies 2009 - ANT en NMIJ, Deltares, februari 2010) wordt de belangrijkste oorzaak echter vooral gezocht in de dominante aanwezigheid van slib. Dit slib heeft verschillende effecten op het ecologisch functioneren in het Markermeer, het belemmert namelijk de ontwikkeling van fytoplankton en de driehoeksmossel en beperkt de ontwikkeling van waterplanten.

In 2008 is door de Werkgroep Ecologie en Waterkwaliteit ("Achtergronddocument Ecologie en Waterkwaliteit" Werkgroep Ecologie en Waterkwaliteit, Toekomstagenda Markermeer en IJmeer, Provincie Flevoland e.a., januari 2008) in kaart gebracht hoe behoud en versterking van natuurkwaliteiten in het Markermeer en IJmeer gerealiseerd kunnen worden. Om het huidige, kwetsbare systeem om te vormen naar een toekomstbestendig systeem zijn de vier ecologische vereisten van het natuursysteem Markermeer IJmeer in beeld gebracht. Inhoudelijk richt het TBES zich op vier vereisten waaraan het ecologisch systeem moet voldoen om toekomstbestendig te zijn en daarmee de beoogde ontwikkelingen mogelijk te maken:

  • Zones met helder water langs de Noord-Hollandse kust. Deze zone met een waterdiepte tot drie meter voorziet in ondergedoken waterplanten, het daarbij passende bodemleven en een diverse vispopulatie.
  • Slibgradiënt. Geleidelijke overgang van helder naar slibrijk water. Met heldere randen aan de Noord-Hollandse kust en troebel water aan de kant van Lelystad ontstaat een gradiënt in het slib. Die gradiënt tussen troebel en helder water is van belang voor de vispopulatie en voor visetende vogels.
  • Overgangszones tussen land en water. Het ecosysteem heeft de land-waterzone als broedkamer voor vis en leefgebied voor vele soorten planten en dieren nodig. Bij ingrepen op systeemniveau is het van belang dat deze zones grootschalig zijn en dat dit in de toekomst wordt ondersteund door een seizoensgebonden peil.
  • Versterken ecologische relaties tussen binnen- en buitendijkse natuurontwikkeling. Het Markermeer en IJmeer zijn een deelgebied in de delta van Nederland. Versterken van de ecologische relaties met de andere delen van de delta geeft een impuls aan de soortenrijkdom van het ecologisch systeem van het Markermeer en IJmeer.

Om deze ecologische vereisten te realiseren is een samenhangend pakket maatregelen opgesteld. Tezamen vormen zij de bouwstenen van TBES, dat inmiddels in de ontwerp Rijksstructuurvisie RRAAM (zie hoofdstuk 3.1) is overgenomen als toekomstperspectief voor het Markermeer-IJmeer. Het programma Marker Wadden heeft tot doel om met een combinatie van maatregelen boven en onder water te komen tot een substantiële kwaliteitsverbetering van het ecosysteem. Het slibprobleem wordt opgelost door het slib op te vangen in zandwinputten en slibgeulen en het vervolgens als bouwmateriaal te gebruiken voor de aanleg van één of meer natuureilanden in het Markermeer. Daarom speelt Marker Wadden een belangrijke rol bij het realiseren van deze ecologische doelstellingen.

4.2 Locatiekeuze Marker Wadden

Op basis van de functies natuur (aanwezige waarde en toekomstig doelbereik), landschap, cultuurhistorie en recreatie (strijdigheid bestaande waarden) en draagvlak is onderzocht wat de meest geschikte locatie voor Marker Wadden is. Hierbij zijn drie alternatieve zoeklocaties beschouwd (zoals aangegeven in figuur 4.1), te weten:

  • Kustzijde Noord-Holland;
  • Kustzijde Almere-Lelystad;
  • Lelystad-Enkhuizen.

Afweging op basis van dit onderzoek heeft geleid tot een voorkeurslocatie tussen Lelystad en Enkhuizen aan de zuidwestzijde van de Houtribdijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0007.png"

Figuur 4.1 en 4.2: Ligging zoeklocaties Marker Wadden en huidige vaarbewegingen

De locatie tussen Lelystad en Enkhuizen heeft een grote variatie in ondergrond. Ter hoogte van het Enkhuizerzand is de grond ondiep en zandig, terwijl het dieper en kleiig is ter hoogte van Lelystad. Dit gebied kent een optimale morfologische en hydraulische dynamiek: er zijn relatief grote verschillen in waterstand bij op- en afwaaiing en daarmee grote ecologische potenties voor het natuureiland. De huidige en autonome natuurwaarde in het gebied zijn gering. Vanwege het hoge percentage slib is vooral in de hoek 'Houtribdijk – Lelystad' beperkte bodemflora en fauna aanwezig. De nabijheid van het slib biedt kansen voor zowel de natuurontwikkeling als het ecologisch herstel: het is makkelijker om grotere hoeveelheden van de verstikkende slibdeken te verwijderen. Tussen Lelystad en Enkhuizen wordt in de huidige situatie beperkt door recreatie- of beroepsvaart gevaren; tegenstrijdige belangen worden hiermee zo goed als mogelijk vermeden. Vanwege de vaarafstand tot omliggende jachthavens is Marker Wadden bovendien een mooie vaarbestemming.

Vanuit het maatschappelijk proces in het kader van de 'Toekomstverkenning Markermeer – IJmeer' en RRAAM (zie ook paragraaf 3.1) bestaat een groot draagvlak voor het realiseren van maatregelen op deze locatie ter verbetering van het ecosysteem van Markermeer.

4.3 Locatiekeuze eiland

Wellicht het belangrijkste en meest innoverende en spraakmakende onderdeel van Marker Wadden binnen de bestemmingsplanperiode is het natuureiland. De keuze voor een eiland en ook de locatie daarvan is weloverwogen genomen. In deze paragraaf wordt toegelicht waarom gekozen is voor een natuureiland en niet voor een natuurgebied tegen de Houtribdijk of het vaste land van Lelystad.

Waarom een eiland?

In eerste instantie is een koppeling tussen Marker Wadden en de Houtribdijk onderzocht, waarbij het eiland als eerste golfbreker zou kunnen dienen en de Houtribdijk gebruik zou kunnen maken van het vrijkomende sediment uit de slibgeulen en zandwinputten. Helaas blijkt een fysieke combinatie met dijkversterking (Marker Wadden als golfbreker) in tijd en qua veiligheidsnormering moeilijk inpasbaar en niet verenigbaar met ecologische ambities van Marker Wadden. Als effectieve golfbreker zou Marker Wadden smal en langgerekt moeten zijn, terwijl een compacter gebied veel beter is voor de biodiversiteit. Indien wordt besloten om de versterking van de Houtribdijk 'verhard' uit te voeren, vervallen tevens de voordelen van de koppeling. Om deze reden is dit alternatief afgevallen en wordt Marker Wadden op enkele kilometers afstand van de Houtribdijk gerealiseerd. Hierdoor blijft het natuureiland Marker Wadden op voldoende afstand van de fuikenzone langs de Houtribdijk.

Een andere goede reden is dat het concept van een eiland veel meer aan een beeld van een 'vogelparadijs' appelleert. De (vaar)reis er naar toe is onderdeel van de belevenis. Een eiland is niet toegankelijk voor auto's en dus doet zich geen verkeers- danwel parkeerprobleem als gevolg van bezoekers voor. Een eiland versterkt het recreatieve profiel door als extra schakelpunt te fungeren tussen Lelystad en Enkhuizen. Dankzij de grotere afstand tot de Houtribdijk en het vaste land van Lelystad waant de bezoeker zich ook echt binnen een natuurgebied; de dijk als regionale verkeersader is minder zichtbaar.

Waarom een eiland op de voorkeurslocatie?

De keuze voor de locatie van het eiland is gebaseerd op de volgende overwegingen:

  • Afstand tot bebouwing, deze is zodanig groot (ca 6 km) dat onder normale omstandigheden geen sprake kan zijn van hinder;

De mogelijkheden om luwte te creëren op de beoogde plek van het eiland; op de gekozen locatie zijn deze mogelijkheden gunstig, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de 'oksel' tussen Lelystad en Trintelhaven.

De exacte locatie is geoptimaliseerd op basis van het MER-onderzoek. Bij de heersende windrichting uit het zuidwesten liggen de Marker Wadden aan lager wal. Zonder afdoende maatregelen slaan het zand en slib weg. Daarom krijgt de buitenkant van het moeras aan de zuidwestzijde (overheersende windrichting bij hoogste windopzet) een 'harde' rand in de vorm van een rif. Deze rand moet als eerste worden aangelegd; het markeert daarmee dus ook de toekomstige begrenzing. Vervolgfasen kunnen telkens gebruik maken van de luwte die de aangelegde eerste eilanden creëren. De luwte achter het eiland vangt veel slib in en biedt goede mogelijkheden tot herstel van het bodemleven.

4.4 Ontwerp Marker Wadden

Totstandkoming atollen

Er ligt nog geen compleet uitgewerkt plan voor Marker Wadden, maar er zijn al veel verkenningen uitgevoerd naar de manier waarop Marker Wadden gemaakt kan worden, en tot welke ruimtelijke contouren dat maakproces kan leiden. In grote lijnen wordt het natuureiland gemaakt door achter een rand het water gecompartimenteerd op te vullen met slib, afkomstig uit de te graven putten en geulen. Zo ontstaat een cluster van 'atollen' die gezamenlijk een eiland vormen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0008.png"

figuur 4.3 totstandkoming atollen

Dit gebeurt in een drietal stappen:

  • 1. De rand van het eiland wordt aangelegd, waarbinnen de luwte ontstaat die nodig is om met het slib te kunnen bouwen zonder dat het weer wegspoelt. De rand kan volledig van zand (zachte rand) of met stenen worden beschermd (harde rand) tegen golfslag. De basis van de rand bestaat uit zand dat gewonnen wordt uit de te graven put(ten). De rand wordt zo aangelegd dat deze in de beginfase voldoende bescherming biedt tegen golfslag, zonder dat hiermee alle mogelijke dynamiek van golven en peilwisselingen binnen het eiland verdwijnt.
  • 2. Het materiaal dat bij het graven van de putten en geulen vrijkomt wordt benut voor de eerste opvulling van de atollen binnen het eiland. Afhankelijk van de wijze waarop de winning plaatsvindt (knijpen of hydraulisch) wordt het (holocene) materiaal gebruikt voor de tussenkades.
  • 3. Het onderwaterlandschap van geulen en zandwinputten vangt slib uit het Markermeer in. Zodra er voldoende slib is ingevangen wordt het slib verpompt naar de atollen. Indien er onvoldoende natuurlijke aanslibbing in het geulensysteem is, wordt de natuur door middel van hydrojetten (een soort slibblazer, die het slib verplaatst naar de gewenste locatie) een handje geholpen. Doordat tegelijk aan het slib hangend water uit de atollen wordt teruggepompt in het Markermeer, neemt de dichtheid van het slib in de atollen toe. Bij een voldoende dichtheid aan slib begint een proces van korstvorming binnen de atollen en ontstaat er 'land'.

Zodra het eerste atol er ligt, ontstaat daarachter een luwte, waarna verdere atollen in de luwte kunnen worden gebouwd. Voor deze atollen is dan een minder zwaar uitgevoerde rand voldoende. Zo min er al een uitgewerkt inrichtingsplan ligt, is er in dit stadium nog geen vastomlijnd beeld over de manier waarop en de snelheid waarmee deze stappen worden uitgevoerd. Het ligt in de bedoeling om de manier van uitvoering straks plaats vindt via de markt (dus door de aannemers) te laten uitwerken. Omdat juist het maken van Marker Wadden de grootste kans heeft op het optreden van ongewenste milieueffecten, is in dit MER verkend wat de variatie in keuze van uitvoeringswijze is en in het tempo van uitvoering is (de 'bandbreedte'). Aan de hand daarvan is bepaald wat de maximale milieueffecten van de uitvoering kunnen zijn. Voor dit plan-MER is een keuze tussen de hieronder beschreven varianten nog niet aan de orde.

Welke varianten zijn er voor de uitvoering?

Voor de rand van het eiland zijn twee varianten denkbaar: een zachte variant (stranden) en een harde variant met stortstenen (dijk). Voor de rand aan de westzijde is ook een tussenvorm mogelijk, namelijk een vooroeverdam met bekleding van steen met daarachter een strand. Bij alle varianten is zand nodig. De bandbreedte in de hoeveelheid zand dat nodig is voor realisatie van de rand voor de 1e fase (500ha) ligt tussen 2 miljoen en 10 miljoen m3. Aan steen wordt minimaal 22.000 ton ingezet bij een zachte rand en maximaal 240.000 ton bij een volledig harde rand. Behalve voor de rand is er ook grond nodig voor vulling van de atollen. Deze hoeveelheid wordt bepaald door de verhouding waarin slib en klei worden ingezet bij het vullen van de atollen (inclusief het maken van tussenranden). Dit is afhankelijk van de hoeveelheid zand en klei die vrijkomt door het graven van de geulen. Om zeker te zijn van een jaarlijkse invang van slib uit het systeem is er een ondergrens vastgesteld voor het oppervlakte aan slibgeulen van 75 hectare (3 km bij 250 m) per geul. Kostentechnisch bezien lijkt de realisering van 225 ha (9 km bij 250 m) aan geulen maximaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0009.jpg"

figuur 4.4 varianten en bandbreedtes

Naast een bandbreedte van toe te passen materialen is er bij de aanleg ook sprake van varianten op het punt van in te zetten materieel en de duur van de uitvoeringsperiode. Voor het in beeld van de milieueffecten in dit plan-MER zijn vier uitvoeringsvarianten ontwikkeld. Afhankelijk van het gewenste tempo en van de - nog onbekende - meest efficiënt geachte inzet van technische en financiële middelen kan voor de uitvoering van de eerste 500 hectare gekozen worden voor de volgende opties:

  • 1. Intensief en snel; deze variant wordt gekenmerkt door de inzet van relatief veel materieel in een relatief kort tijdsbestek, waardoor snel en compact de eerste 500 hectare natuurlandschap gerealiseerd kan worden. In deze variant wordt 24 uur per dag, 7 dagen in de week gewerkt.
  • 2. Intensief en snel zonder nachtperiode. In deze uitvoeringsvariant wordt er maximaal van 07.00 tot 23.00 uur gewerkt. Hierdoor neemt de intensiteit van het materieel af, maar is de uitvoeringsperiode grofweg anderhalf keer langer dan bij uitvoeringsvariant 1 'snel en compact'.
  • 3. Intensief en snel, met zand van elders. Het kan (zowel technisch als financieel) nodig zijn om materiaal (en dan met name zand) van buiten het plangebied te gebruiken voor de bouw van het natuurlandschap. Dit materiaal wordt dan bijvoorbeeld vanuit een andere zandwinlocatie of depot aangevoerd door schepen. Aangezien er minder 'gebiedseigen zand' gebruikt wordt neemt, in vergelijking met uitvoeringsvariant 1 en 2, in deze variant het aantal cutterzuigers af en het aantal schepen met beunbakken en aantal kranen toe.
  • 4. Beperkte hoeveelheid materieel, realisatie over langere periode. Deze variant wordt gekenmerkt door de inzet van een relatief beperkte hoeveelheid materieel in een langer tijdsbestek. Er wordt circa twee jaar uitgetrokken om de randen van de atollen te bouwen; het dubbele in vergelijking met variant 1.

De beschreven varianten voor de aanleg hebben in eerste instantie betrekking op de realisering van de eerste 500 ha van Marker Wadden. Ervaringen die in deze fase met de aanleg zijn opgedaan, worden gebruikt om de aanlegmethode bij de volgende 1000 ha binnen de planperiode te verbeteren op punten zoals efficiëntie, kosteneffectiviteit en gevolgen voor het milieu.

Het basisontwerp

Momenteel is het ontwerp van de eerste 1.500 ha Marker Wadden nog niet volledig uitgekristalliseerd. Zoals hierboven staat beschreven zijn er nog bandbreedtes in de wijze waarop Marker Wadden uitgevoerd zal worden. Het natuurlandschap kan met verschillende materialen (zoals steen, zand, klei en slib) door verschillend materieel (zoals cutterzuigers, grijpers, hydrojetten) en in een gevarieerde periode (continu of 'batchgewijs/compartiment) worden gebouwd. In paragraaf 4.4 en 4.5 van de plan-MER zijn de hoofdlijnen van het voornemen en de bandbreedtes van de verdere uitwerking uitgebreider beschreven. Het basisontwerp bestaat uit een onderwaterlandschap van zandwinputten en een geulenstelsel waarin slib wordt ingevangen. Met de bouwstoffen uit de zandwinput en het slibgeulenstelsel worden vervolgens het bovenwaterlandschap in de vorm van een of meer natuureilanden 'gebouwd'. Dit bovenwaterlandschap bestaat uit slikplaten, rietvelden, vloedbossen en stranden en zal met een rif tegen golfslag worden beschermd. Aan de diepere Lelystadse zijde komt vooral voedselrijk moeras. Aan de kant van het ondiepere Enkhuizerzand komen zand- en schelpenbanken met ondiepe watervlaktes met waterplantenvegetaties.Een verbeelding van de eerste fase van het basisontwerp is weergegeven in figuur 4.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0010.jpg"

Figuur 4.5: Impressie eerste stap van het basisontwerp Marker Wadden.

Het natuureiland biedt ruimte voor de ontwikkeling van het natuurlijke land-water overgang, helder water en herstel van het onderwaterleven en nieuw leven boven water. Het slib wordt gebruikt als 'bouwmateriaal' voor een voedsel- en vogelrijk wetland dat zijn gelijke niet kent, terwijl er volop kansen voor recreatie ontstaan. In verband hiermee is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen zodat op termijn op een klein deel van het natuureiland kleinschalige recreatieve voorzieningen mogelijk kunnen worden gemaakt, zoals een bezoekerscentrum en een aanmeerhaven om het natuureiland te kunnen bezoeken en kleinschalige verblijfsrecreatie.

Voor zover deze recreatieve voorzieningen gezien kunnen worden als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' waarop de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is, is in het kader van het onderhavige bestemmingsplan globaal bezien of er potentiële behoefte bestaat aan bedoelde voorzieningen, zowel in kwantitatieve, als in kwalitatieve zin. Daaruit blijkt dat de behoefte aan verblijfsrecreatievoorzieningen de komende jaren op peil blijft en nog licht lijkt te groeien. Om aan de behoefte van de markt te kunnen blijven voldoen, is vernieuwing in de recreatiesector noodzakelijk, waarbij het accent steeds meer moet komen te liggen op bijzondere belevenissen, bijzondere locaties en bijzondere concepten. Door de unieke ligging, midden in het Markermeer sluiten de beoogde recreatieve voorzieningen binnen het concept Marker Wadden uitstekend aan bij deze potentiële kwalitatieve behoefte. Mede door de aard van het concept, kan die behoefte niet worden ingevuld op een locatie binnen het bestaand stedelijk gebied. Aangezien nog niet vaststaat dat deze voorzieningen daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd en op welke termijn, is nader onderzoek naar de concrete actuele regionale behoefte niet mogelijk. Om te waarborgen dat bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid overprogrammering op regionaal niveau wordt voorkomen, is in de planregels opgenomen dat in de toelichting op een toekomstig wijzigingsplan moet worden ingegaan op de (op dat moment) actuele regionale behoefte aan dergelijke voorzieningen en de overige treden van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' ex artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening.

Gebruiksmogelijkheden

Het Markermeer wordt voor veel verschillende functies benut (zie ook hoofdstuk 2.3). Het uitgangspunt van Marker Wadden is dan ook dat de bestaande gebruiksfuncties zo min mogelijk worden belemmerd en dat het Markermeer toegankelijk is en blijft voor de mens. Het beleefbaar maken van de vogelrijkdom is immers één van de centrale doelstellingen van het project. Het blijft een gebied met open water en een weids landschap, waarbinnen beroepsvaart, visserij en dagrecreatief medegebruik expliciet zijn toegestaan, maar er moet uiteraard wel worden voorkomen dat de realisatie van Marker Wadden onverhoopt leidt tot negatieve effecten op de natuurlijke en landschappelijke waarden en de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De aanleg van de bovenwaternatuur leidt in de loop van 10 jaar weliswaar tot een afname van het vaaroppervlak met circa 1.500 hectare, maar dat is slechts 2% van het Markermeer (en dat bovendien in de huidige situatie ter plaatse nauwelijks bevaren wordt). Daar staat tegenover dat het nieuwe vaardoel dat door Marker Wadden ontstaat, een aantrekkelijke aanvulling op de waterrecreatiemogelijkheden. De vermindering van het visserijareaal leidt echter op den duur (binnen 10 jaar) tot een verbetering van de visstand.

Winning zand, klei en slib

Ten behoeve van de realisatie van de eilanden wordt zand en grond gewonnen en daarmee tevens slibgeulen gemaakt. Het sedimenterende slib wordt weer als bouwstof voor de eilanden gebruikt. Het bestemmingsplan maakt de winning van zand, klei en slib ten behoeve van de realisatie van Marker Wadden mogelijk. De gemeente staat in beginsel ook welwillend tegenover zandwinning voor andere doeleinden, mits kan worden voldaan aan de natuurbeschermingswetgeving en voldoende rekening wordt gehouden met eventueel aanwezige archeologische waarden.

4.5 Fasering en monitoring

Toekomstperspectief

Voor het Markermeer-IJmeer is het toekomstperspectief een Toekomstbestendig Ecologisch Systeem (TBES), waardoor een kwalitatief hoogwaardige leefomgeving ontstaat met aantrekkelijke natuur- en recreatiegebieden. Het toekomstbeeld voor Marker Wadden zal zich binnen enkele decennia ontwikkelen als een archipel van moerassige natuureilanden en zand- en schelpenbanken met een omvang van tussen 1.500 en 4.500 hectare, verspreid over een gebied van zo'n 10.000 hectare. De gevolgen van de aanleg van de eerste 1.500 hectare op het ecologisch systeem staan beschreven in hoofdstuk 5 van de MER.

Fasering

Dit toekomstperspectief is echter niet in één keer te realiseren. Daarom is, mede gelet op de financiering en het voorkomen van onbedoelde negatieve effecten op de natuurlijke en landschappelijke waarden en op de gebruiksmogelijkheden, ervoor gekozen om in het onderhavige bestemmingsplan binnen de bestemming Natuur de gefaseerde aanleg van maximaal 1.500 hectare bovenwaternatuur mogelijk te maken. Daarbij is de maximale omvang van de natuureilanden in eerste instantie beperkt tot 1.000 hectare en er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarbij de oppervlakte mag worden vergroot tot 1.500 hectare. Voorts maakt het bestemmingsplan het ook mogelijk om op het Enkhuizerzand kleinschalige bovenwaternatuur te realiseren. De verwachting is dat deze bovenwaternatuur binnen 10 jaar een omvang heeft van maximaal 60 hectare.

Adaptieve ontwikkelingsfilosofie

Marker Wadden wordt een dynamisch gebied dat blootstaat aan wind, golven, peilschommelingen en ook door wind en peilvariatie gedreven stromingen. Deze dynamiek moet worden benut. Daarom wordt Marker Wadden gerealiseerd aan de hand van een adaptieve ontwikkelingsstrategie: een strategie waarbij gestuurd wordt rekening houdend met de dynamiek en de ervaringen tijdens het realiseren van het proces. De reden om voor een dergelijke ontwikkelingsstrategie te kiezen zijn:

  • De gewenste dynamiek en daarmee samenhangende natuurkwaliteit.
  • De eventuele effecten op andere gebruiksfuncties en de mogelijkheid om bij te sturen.
  • De gewenste flexibiliteit om te sturen op deels onvoorspelbare, maar wel gewenste ontwikkelingen.
  • De kosten beperken van aanleg, vooral door minder harde structuren aan te leggen en ook in beheer- en onderhoud. Stranden en kaden mogen eroderen, maar moeten wel voldoende robuust of zelfherstellend vermogen hebben.

Met name vanuit het laatste punt ontstaat er een andere balans dan gebruikelijk tussen aanleg enerzijds en beheer en onderhoud anderzijds. Naast flexibiliteit is ook experimenteren en een daaruit voorkomend pragmatisch opportunisme van belang:

  • Experimenteren en monitoren om te zien hoe ontwikkelingen verlopen, welke koers kan worden gezet.
  • Beheer en “wat als” afspraken; er is ook een flexibele kijk op beheer nodig, dit vraagt flexibiliteit van

partijen, die vooral koersen op bovengelegen doelstellingen en ook van wet- en regelgeving.

Monitoring

In het project Marker Wadden zitten innovatieve componenten waar niet of nauwelijks ervaringen mee zijn. Het ontwikkelen van een onderwaterlandschap door middel van slibgeulen en zandwinputten ten behoeve van landaanwinning vraagt om een innovatieve aanpak. Uit verschillende (model)studies en praktijkgegevens1 is gebleken dat slib in diepere delen van het Markermeer zoals oude zandwinputten en de vaargeul bezinkt. Uit de uitgevoerde modelberekeningen voor Marker Wadden2 is aangetoond dat slib daadwerkelijk wordt ingevangen in de slibgeulen, maar het is nog onzeker met welke snelheid de invang in de praktijk zal plaatsvinden. Daarom moet er ruimte zijn voor marktpartijen om met experimentele ideeën en concepten te komen. De kennis en ervaring die wordt opgegaan bij de aanleg van de eerste fase Marker Wadden draagt bij aan een kosteneffectieve aanleg van de vervolgfases. Om ruimte te laten voor deze adaptieve ontwikkelingsfilosofie is gekozen voor een tamelijk globale planregeling (zie hoofdstuk 7). Ondertussen worden de effecten van de natuurmaatregelen (TBES) op het Markermeer-IJmeer gemonitord door het Rijk (zie paragraaf 4.2 van de Ontwerp Rijksstructuurvisie RRAAM.)

Hoofdstuk 5 Milieueffectrapportage

In dit hoofdstuk wordt de aanleiding, opzet en procedure ten behoeve van de milieueffectrapportage voor het bestemmingsplan Marker Wadden beschreven. In hoofdstuk 6 wordt vervolgens ingegaan op de verschillende milieuaspecten op basis van de resultaten van de m.e.r. dan wel Passende Beoordeling. Het MER en de Passende Beoordeling zijn tevens opgenomen als bijlagen 1 en 2.

5.1 Aanleiding en procedure

Wettelijke achtergrond

Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage moet voor een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor (of een besluit neemt over) ontwikkelingen met mogelijke belangrijke milieugevolgen een zogenaamde milieueffectrapportage te doorlopen(een procedure die wordt afgekort als m.e.r.) en een milieurapport op te stellen (afgekort MER, dit betreft het uiteindelijke rapport). Het doel van een m.e.r. is het milieubelang volwaardig en vroegtijdig bij de plan- en besluitvorming te betrekken. Dit om ten behoeve van het ontwikkelen van plannen en bij het nemen van besluiten voldoende inzicht te krijgen in de effecten van de voorgenomen activiteit op de omgeving en om onderzoek te kunnen doen naar mogelijke maatregelen om eventuele negatieve effecten op de omgeving te verminderen en/of te compenseren.

Een m.e.r.-plicht voor Marker Wadden

Bepalend voor een m.e.r.-plicht is de activiteit (of activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) bepaalt of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r. moet worden doorlopen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in m.e.r.-plicht en m.e.r.-beoordelingsplicht.

Voor diverse onderdelen van het plan Marker Wadden is in het Besluit m.e.r. bepaald dat deze activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Het betreft de volgende activiteiten:

  • D29.2 'winning van mineralen door afbaggering van de zee-, meer- of rivierbodem'. Er geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht in de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 50 hectare of meer en plaatsvindt in een gevoelig gebied, zoals een Natura2000-gebied
  • D18.3 'De oprichting van een inrichting bestemd voor het storten van slib en baggerspecie, of het in de diepe ondergrond brengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen'.

Aangezien het bestemmingsplan Marker Wadden kaderstellend is voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten, is het bestemmingsplan m.e.r.-plichtig. Daarnaast schrijft de Wet milieubeheer voor dat plannen waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt, m.e.r.-plichtig zijn. Aangezien het voornemen Marker Wadden in het Natura2000-gebied 'Markermeer&IJmeer' ligt en significante effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, is het uitvoeren van een passende beoordeling conform artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig. Ook op basis van deze bepaling in de wet geldt voor het bestemmingsplan Marker Wadden de m.e.r.-plicht.

De m.e.r.-procedure tot nu toe

Op 13 maart 2013 heeft het college van de gemeente Lelystad als initiatiefnemer een kennisgeving gepubliceerd in de Flevopost, editie Lelystad. In deze kennisgeving heeft het college aangegeven te starten met de m.e.r.-procedure voor de het bestemmingsplan 'Marker Wadden'. Daartoe heeft het college van B&W een Notitie Reikwijdte en Detailniveau opgesteld. Deze notitie beschrijft welke aspecten in het milieueffectrapport aan de orde zullen komen en op welk detailniveau het milieuonderzoek wordt uitgevoerd. Betrokken bestuursorganen en (wettelijke) adviseurs zijn op de hoogte gesteld van het voornemen en zijn in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. Ook de Commissie voor de milieueffectrapportage is als onafhankelijk adviesorgaan om advies gevraagd. De adviezen van de betrokken bestuursorganen, Commissie voor de milieueffectrapportage en de gemeenteraad zijn door het college van B&W als initiatiefnemer van het bestemmingsplan en Natuurmonumenten als initiatiefnemer van de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit overgenomen. Het advies is opgenomen als bijlage bij het MER.

M.e.r.-procedure (vervolg)

Voor dit bestemmingsplan Marker Wadden moet als gezegd een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Deze procedure bestaat uit meerdere stappen. In figuur 5.1 is dit schematisch weergegeven. Daaronder zijn de verschillende stappen kort omschreven. In hoofdstuk 8 van deze toelichting wordt nader ingegaan op de vraag hoe deze stappen zich verhouden tot de procedure voor het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0011.png"

Figuur 5.1: Stappen m.e.r.-procedure.

Kennisgeving en zienswijzen

De gemeente Lelystad als bevoegd gezag kondigt via een openbare kennisgeving aan dat zij een besluit over een bestemmingsplan voorbereidt. Een ieder kan zijn/haar zienswijze op het voornemen geven. Status: gereed.

Notitie Reikwijdte en detailniveau

In deze notitie wordt het detailniveau van het MER, het plan- en studiegebied, de tijdshorizon, de referentiesituatie en permanente en tijdelijke effecten van het voornemen beschreven. Daarnaast komen het beoordelingskader en de milieuthema's van het MER aan bod.

Advies en raadpleging reikwijdte en detailniveau

De gemeente Lelystad raadpleegt haar adviseurs en andere bestuursorganen over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER. Samen met de Notitie reikwijdte en detailniveau vormen deze adviezen de basis voor het op te stellen MER.

Milieueffectrapport

Natuurmonumenten stelt als initiatiefnemer van de m.e.r.-plichtige activiteit een plan-MER op. De eindverantwoordelijkheid voor de inhoud van het plan-MER ligt bij het college van de B en W van de gemeente Lelystad als initiatiefnemer voor de bestemmingsplanprocedure. De eisen die gesteld worden aan de inhoud van het plan-MER zijn beschreven in artikel 7.23 van de Wet milieubeheer. De opzet, resultaten en belangrijkste conclusies uit het MER worden in samenvatting opgenomen in de toelichting op het bestemmingsplan en maken deel uit van de voorbereiding van het bestemmingsplan.

Kennisgeving, zienswijzen en toetsingsadvies Commissie voor de milieueffectrapportage.

Het plan-MER wordt minimaal tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. In deze fase wordt door de gemeente Lelystad openbaar kennis gegeven van het plan-MER in een dag- of huis-aan-huisblad. Hierin wordt aangegeven waar en voor hoelang het plan-MER ter inzage wordt gelegd. Tevens wordt vermeld op welke wijze zienswijzen kunnen worden ingediend. De Commissie voor de milieueffectrapportage toetst als onafhankelijke instantie in deze periode het plan-MER op volledigheid en juistheid.

Besluit, motivering, bekendmaking en mededeling

Het bestemmingsplan wordt door de gemeenteraad van Lelystad vastgesteld nadat de m.e.r.-procedure correct en volledig is doorlopen. In het bestemmingsplan wordt gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de resultaten en conclusies van het plan-MER en de Passende Beoordeling.

5.2 Uitgangspunten milieueffectrapportage / Passende Beoordeling

De totale oppervlakte van het bestemmingsplangebied bedraagt ruim 15.000 hectare. Het eindbeeld van Marker Wadden als natuurlandschap, verspreid over circa 10.000 hectare, is niet in één keer te realiseren. Uitgaande van een planhorizon van het bestemmingsplan van 10 jaar (een wettelijk maximum) is ervoor gekozen om in het bestemmingsplan de aanleg van maximaal 1.500 hectare bovenwaternatuur mogelijk te maken. Het plan-MER geldt daarom als onderbouwing voor de ruimtelijke vastlegging van de eerste 1.500 hectare.

Momenteel is het ontwerp van de eerste 1.500 hectare nog niet volledig uitgekristalliseerd. In het plan-MER wordt daarom uitgegaan van bandbreedtes ten aanzien van (onder meer) de omvang van de eilanden en het aantal eilanden. Er worden daarnaast bandbreedtes aangehouden inzake de wijze waarop Marker Wadden wordt aangelegd. Het natuurlandschap kan namelijk met verschillende materialen, zoals steen, zand, klei en slib worden gecreëerd. Daarbij kan verschillend materieel worden ingezet, zoals bijvoorbeeld cutterzuiger, grijpers en hydrojetten. Ook kan de periode van aanleggen verschillen: continu of opgedeeld in compartimenten (batches).

Voor het plan-MER is als uitgangspunt genomen dat er wordt gewerkt in cycli van 5 jaar. Daarbij ontstaat in de eerste cyclus het eerste eiland van de te realiseren archipel, ongeveer 500 hectare bovenwaterlandschap. In de eerste 2 jaar worden de rand, de geulen en de put aangelegd en in de 3 jaar daarna worden de compartimenten binnen het natuureiland opgevuld met slib. Zo wordt Marker Wadden stapsgewijs en gefaseerd ontwikkeld, met een planologische 'knip' in het beoogde areaal bij 1.000 ha. Tijdens de aanleg worden de effecten gemonitord en de informatie die dat oplevert wordt benut om onderweg bij te sturen. Het maken van Marker Wadden is dus ook een leerproces dat waardevolle inzichten gaat opleveren voor vervolgstappen en mogelijk ook voor toepassingen elders.

Het is nadrukkelijk de bedoeling dat mensen van Marker Wadden kunnen genieten. Het bestemmingsplan biedt daarom de ruimte om via een wijzigingsbevoegdheid de ontwikkeling van bescheiden recreatieve voorzieningen op het natuureiland mogelijk te maken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een kleine passantenhaven, een klein bezoekerscentrum, vogelkijkhutten en dergelijke. De bedoeling is wel dat er ook grote delen van het gebied rustig blijven. Daarom zijn deze voorzieningen vooral op de zuidwestzijde van het toekomstige natuureiland gedacht.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de bovengenoemde uitgangspunten eveneens zijn gehanteerd bij het opstellen van de Passende Beoordeling.

5.3 Bepaling milieueffecten

Ofschoon Marker Wadden tot doel heeft om een betere toestand van het milieu te bereiken, is het nodig om voor het bereiken van dit doel fors in te grijpen in het bestaande systeem. Dit kan tot gevolg hebben, dat bestaande, kwetsbare natuurwaarden in omvang en /of kwaliteit achteruit gaan. Ook al gaat het bij de aanleg om tijdelijke - zij het over meerdere jaren optredende - effecten, een dergelijke achteruitgang kan ook juridische gevolgen hebben wanneer deze in strijd zou zijn met wet- en regelgeving van Nederland en Europa. Een tweede mogelijk effect kan zijn, dat de aanwezigheid van Marker Wadden blijvend ten koste gaat van bestaande kwetsbare natuurwaarden, kwaliteiten en functies in het en om het Markermeer.

In het MER wordt het voornemen, namelijk het bestemmingsplan Marker Wadden, beoordeeld op doelbereik en milieueffecten. Daartoe wordt de (milieu-)situatie in het studiegebied indien de eerste 1.500 hectare van Marker Wadden wordt uitgevoerd, vergeleken met de situatie waarin dat niet gebeurt. De realisering van de eerste 1.500 hectare van Marker Wadden is datgene wat het bestemmingsplan maximaal ruimtelijk mogelijk maakt. Binnen de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan is de invulling van de wijzigingsbevoegdheid met betrekking tot recreatieve ontwikkeling op en om Marker Wadden meegenomen. Overigens is in het MER wel een doorkijk gegeven naar het eindbeeld en beheer van 10.000 hectare in 2050.

De situatie zonder Marker Wadden is de zogenaamde referentiesituatie, deze bestaat uit de huidige situatie plus de autonome ontwikkeling. Tot de autonome ontwikkeling behoren, behalve de huidige situatie, alle toekomstige ontwikkelingen waarover in maart 2013 een besluit is genomen. De referentiesituatie wordt gekoppeld aan de planperiode van het bestemmingsplan Marker Wadden van de gemeente Lelystad. Een bestemmingsplan omvat een doorlooptijd van maximaal tien jaar. De referentiesituatie is daarom bepaald in het jaar 2023.

Om inzichtelijk te maken wat de verwachte effecten zijn van Marker Wadden op de omgeving zijn in het MER per thema de effecten beschreven en beoordeeld. De effecten zijn kwalitatief dan wel kwantitatief beoordeeld. De positieve en negatieve effecten van Marker Wadden zijn in het MER uitgedrukt aan de hand van een 5-punts schaal, waarmee inzichtelijk wordt in welke mate het voornemen een positieve dan wel negatieve bijdrage levert ten opzichte van de referentiesituatie. Daarbij is rekening gehouden met leemten in kennis. Van belang is ook dat in het MER een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen de effecten tijdens de fase van aanleg en de effecten van het gebruik van de (eenmaal aangelegd zijnde) eilanden.

De beoordeelde thema's betreffen:

  • Bodem en water
  • Natuur (inclusief Passende Beoordeling)
  • Visserij
  • Veiligheid
  • Landschap
  • Cultuurhistorie / Archeologie
  • Recreatie
  • Leefomgeving
  • Kabels en leidingen

Voor een inhoudelijke beschrijving van deze thema's en de resultaten c.q. conclusies van de effectenbepaling wordt verwezen naar de volgende paragraaf, naar hoofdstuk 6 van deze toelichting alsmede naar het MER c.q. de Passende Beoordeling. In paragraaf 5.5 is beschreven op welke wijze deze resultaten in meer of mindere mate doorwerken in het bestemmingsplan.

5.4 Conclusies milieueffectrapportage

De verwachting is, dat Marker Wadden langs verschillende wegen positieve effecten voor het Markermeer gaat opleveren. Belangrijke veranderingen die worden verwacht zijn onder andere:

  • Het graven geulen en putten levert een meer afwisselend onderwaterlandschap op. De diepe putten kunnen fungeren als koel refugium voor spiering in warme perioden en als relatief warm refugium tijdens koude perioden. De aanleg van (overspoelbare) zand- en schelpenbanken ter hoogte van het Enkhuizerzand zorgt voor een toename van luwte en voor meer geschikt milieu voor de ontwikkeling van driehoeksmosselen en waterplanten.
  • Er wordt slib aan het systeem onttrokken. Het doorzicht van het water neemt toe. Dit is gunstig voor de ontwikkeling van groenalgen in het water, een belangrijke voedselbron voor vis zoals spiering Er ontstaan aan de rand van de geulen slibvrije randen waar het bodemleven met onder meer driehoeksmosselen zich kan herstellen.
  • Er wordt slib aan het systeem onttrokken. Het doorzicht van het water neemt toe. Dit is gunstig voor de ontwikkeling van groenalgen in het water, een belangrijke voedselbron voor vis zoals spiering. Er ontstaan aan de rand van de geulen slibvrije randen waar het bodemleven met onder meer driehoeksmosselen zich kan herstellen.
  • Door de aanleg van het eiland ontstaan andere stromingspatronen en opwaaiingscondities ter plaatse van Marker Wadden. Toenemende stroming langs de randen van het eiland leidt plaatselijk tot erosie van de sliblaag met betere kansen voor ontwikkeling van bodemleven. Het ontstaan van grotere oppervlakten luw en helder water is gunstig voor de ontwikkeling van waterplanten. Zeker op het ondiepe Enkhuizerzand mag deze ontwikkeling worden verwacht. Met Marker Wadden krijgt de autonome ontwikkeling van waterplanten in het Markermeer een extra impuls.
  • Het natuureiland zelf geeft een impuls aan ontwikkeling van water- en moerasvegetaties. Voor een breed scala aan soorten krijgt dit moeras een functie als voedsel-, rust- en ruihabitat. Bovendien kan het moeras als kraamkamer voor vis gaan fungeren.

Daarnaast worden diverse secundaire effecten verwacht, zowel positieve, negatieve als neutrale. Voor een overzichtelijke presentatie daarvan wordt verwezen naar de tabel uit paragraaf 0.7 van het MER.

5.5 Doorwerking

De doorwerking van het MER vindt enerzijds plaats in de planopzet van het bestemmingsplan en anderzijds in de motivering van het plan (waarbij het logischerwijs met name om de milieu en omgeving gerelateerde thema's gaat). In deze paragraaf is puntsgewijs vermeld op welke wijze de resultaten van het MER zijn betrokken en/of vertaald in het bestemmingsplan. Daarbij wordt een focus gelegd op die effecten die het meest van invloed op het milieu zijn.

Planopzet

  • Het plangebied van het bestemmingsplan volgt het plangebied van het MER. In het plan zijn bestemmingen aangewezen, conform de situering en de maximum omvang van de verschillende plandelen in het MER.
  • De toedeling van deze bestemmingen sluit aan bij de uitgangspunten van het MER.
  • In het bestemmingsplan is de (bij het MER betrokken) wijzigingsbevoegdheid voor kleinschalige recreatieve ontwikkelingen opgenomen.

Water en bodem

  • Eén van de effecten betreft vertroebeling van het water tijdens de aanleg. Afhankelijk van de wijze en het moment waarop graaf- en transportwerkzaamheden worden uitgevoerd, verschilt de aard en omvang van dit effect. In de gebruiksfase neemt dit effect af. In het bestemmingsplan hoeven in dezen geen nadere regels of voorzieningen te worden opgenomen.

Natuur

  • Het bestemmingsplan waarborgt enerzijds de ecologische betekenis van de aanwijzing als Natura 2000-gebied en is anderzijds specifiek toegesneden op de nieuwe natuurontwikkeling.
  • Op grond van de Natuurbeschermingswet zijn significant negatieve effecten op kwetsbare soorten (met name fuut en kuifeend) niet met zekerheid uit te sluiten. Het effect betreft mogelijke aantasting van ruigebieden van watervogels. In hoeverre dit effect daadwerkelijk zal optreden, is in dit stadium echter lastig te zeggen. Daarom is het in dit stadium niet zinvol om beperkingen ten aanzien van het gebruik op te nemen in het bestemmingsplan. Tijdens de bestemmingsplanperiode zal, gelet op de onzekerheden, wel nauwlettend in de gaten worden gehouden hoe de recreatie zich ontwikkelt en in hoeverre zich dit terug vertaalt in aantallen en het gedrag van futen en kuifeenden. Daarom is monitoring van de effecten noodzakelijk. Mocht blijken dat de geschiktheid als ruigebied daadwerkelijk afneemt, dan moeten deze effecten in eerste instantie worden voorkomen door het treffen van inrichtingsmaatregelen waarbij rustige ruiplekken ontstaan. Mocht uit monitoring blijken dat dit onvoldoende effectief is, dan komen als allerlaatste maatregelen in beeld om (delen van) het ruigebied van beide soorten gedurende de ruiperiode te vrijwaren van verstoring door recreatie. Dit kan door beperking van de toegang via artikel 20 van de Natuurbeschermingswet 1998.
  • Aan de vaststelling van dit bestemmingsplan staat de Flora- en faunawet niet in de weg.

Visserij

  • Het plan zelf leidt tot veranderingen van het visserijareaal. Dit heeft zowel positieve als (beperkt) negatieve effecten voor de visserij. Op den duur (binnen 10 jaar) zal het plan echter een positief effect op de visstand hebben.
  • Behalve de regels en voorzieningen die de Marker Wadden mogelijk maken, hoeven op dit punt geen aanvullende regels of voorzieningen te worden opgenomen.

Veiligheid

  • Het ontwikkelen van Marker Wadden heeft naar verwachting beperkte effecten op de scheepvaart. Het projectgebied valt buiten de belangrijkste vaarroutes en recreatiegebieden. De mate waarin een effect op de nautische veiligheid optreedt, hangt af van de uiteindelijke inrichting en uitvoering van de aanleg. Waarschijnlijk zijn dan enige (operationele) maatregelen noodzakelijk, die de scheepvaart informeren en geleiden. Dit valt echter buiten het kader van het bestemmingsplan.

Landschap

  • Het plan zelf leidt tot verandering van het landschap. Behalve de regels en voorzieningen die de Marker Wadden mogelijk maken, hoeven op dit punt geen aanvullende regels of voorzieningen te worden opgenomen.

Cultuurhistorie en archeologie

  • Zodra de locaties van de slibgeul(en) en zandwinput(ten) bekend is, zal nader onderzoek verricht moeten worden. Dit is in de regels geborgd door middel van een omgevingsvergunningsplicht.

Recreatie

  • Er zijn beperkt negatieve effecten op de bestaande recreatiemogelijkheden tijdens de uitvoering. Geen specifieke regels of voorzieningen noodzakelijk.
  • In het MER wordt uitgegaan van beperkte recreatieve voorzieningen op het natuureiland, in de vorm van een bezoekerscentrum en een aantal ecolodges. Deze voorzieningen zijn in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt door middel van een wijzigingsbevoegdheid.

Leefomgeving (luchtkwaliteit en geluid)

  • De uitstoot van het benodigde materieel leidt tot een hogere geluidbelasting dan de streefwaarde van 35 dB(A) voor stiltegebieden, zoals opgenomen in de Omgevingsvisie van de provincie Flevoland. Van deze streefwaarde kan gemotiveerd worden afgeweken.
  • Tijdens de gebruiksfase zal er naar verwachting niet of nauwelijks sprake zijn van geluidhinder of verstoring vanwege bezoekers van het eiland (bezoekerscentrum, ecolodges).
  • Op het gebied van luchtkwaliteit is aannemelijk gemaakt dat het voornemen zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase voor de verontreinigende stoffen stikstofdioxide en fijn stof onder de wettelijke drempelwaarde blijft.
  • Concluderend: vanwege luchtkwaliteit en geluidhinder zijn geen specifieke regels of andere voorzieningen noodzakelijk.

Kabels en leidingen

  • Het is niet noodzakelijk nadere regels op te nemen of andere voorzieningen te treffen in verband met bovenlokale, planologisch relevante kabels en leidingen (bestaand dan wel geprojecteerd).

Hoofdstuk 6 Effecten op het milieu

Dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van het bestemmingsplan beknopt beschreven. Voor een uitgebreide beschrijving van het relevante wettelijke, beleids- en beoordelingskader en de beoordelingsmethode, de huidige situatie en autonome ontwikkeling en de effectbeschrijvingen gedurende de aanleg- en gebruiksfase wordt verwezen naar de relevante paragrafen in hoofdstuk 6 van het MER en indien van de toepassing de Passende Beoordeling (zie ook bijlage 1 en 2).

6.1 Water en bodem

Wettelijk kader

Het wettelijke kader staat beschreven in paragraaf 3.1 van het bestemmingsplan en in paragraaf 6.2.1 van het MER. Daarnaast maakt sinds 2003 ook de watertoets verplicht deel uit van de planologische procedure. De watertoets is een bestuurlijk instrument waarmee ruimtelijke plannen worden getoetst op waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is om waterhuishoudkundige problemen (nu en in de toekomst, bijvoorbeeld als gevolg van klimaatverandering) te voorkomen en kansen te benutten. De watertoets verplicht daarom bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die invloed hebben op de waterhuishouding te toetsen in hoeverre bij de planvorming rekening wordt gehouden met water. Hierbij wordt ook het onderdeel grondwater betrokken. Als onderdeel van de watertoets moet ook onderzoek worden gedaan naar de effecten van initiatieven op de waterveiligheid. De invloed van bijvoorbeeld verhoogde golfslag op waterkeringen moet dus worden onderzocht. Dit zal moeten worden getoetst aan het wettelijke toetsinstrument.

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

In paragraaf 6.2.3 van het MER wordt de huidige situatie en de autonome ontwikkeling van het water en de bodem beschreven aan de hand van de parameters oppervlaktewaterkwantiteit, stroming, slibhuishouding, opbouw van de bodem, waterkwaliteit, waterbodemkwaliteit, grondwaterhuishouding en waterveiligheid.

Effectbeschrijving

De belangrijkste effecten op bodem en water worden veroorzaakt door het graven van putten en geulen en het verplaatsen van slib. Een in het oog springend effect is vertroebeling van het water. De mate waarin dit optreedt, is afhankelijk van het weer. In geval van windstil weer is de vertroebeling verhoudingsgewijs groot, maar de verspreiding juist weer klein. Bij omstandigheden met meer wind neemt het beïnvloedingsgebied toe, maar is het water al troebel van zichzelf. Het areaal water dat door Marker Wadden maximaal wordt vertroebeld, bedraagt 55 tot 95 ha. Deze vertroebeling zal, gezien de afstand, niet leiden tot meer onderhoudsbaggerwerk in de vaargeul Amsterdam-Lemmer. Het proces van het invangen van mobiel slib begint al in de aanlegfase, wanneer delen van het onderwaterlandschap gemaakt zijn. Het proces tot verbetering van het doorzicht van het Markermeer komt dan ook al in de aanlegfase op gang.

Het graven van putten en geulen heeft een tijdelijke toename van kwel in de Flevopolder tot gevolg. Het effect is tijdelijk, omdat het slib in het water ervoor zorgt, dat de doorlatendheid van de meerbodem (en daarmee de extra kwel) snel afneemt. De tijdelijke toename van kwel leidt tot een toename van de hoeveelheid te verpompen water van minder dan 1 %. Aanleg van Marker Wadden heeft geen effect op de chemische kwaliteit van water en bodem. De waterbodem van het Markermeer is schoon en voldoet nu aan klasse A of aan de achtergrond waarden. Tijdens de aanleg neemt lokaal de fosfaatconcentratie toe door het slibvrij maken van de waterbodem. In paragraaf 6.2.4. staan deze effecten uitgebreider beschreven.

Conclusies

De conclusies ten aanzien van de verschillende toetscriteria uit paragraaf 6.2.5. luiden als volgt:

Oppervlaktewaterkwantiteit

Marker Wadden zorgt door de toename in land-waterovergangen voor een kleine afname van het waterbergend vermogen (<2%). Daarnaast verandert het stromingspatroon, aangezien het water om de natuureilanden zal stromen. De snelheden kunnen lokaal rondom de randen van Marker Wadden iets toenemen (tot 0,4 m/s). Na aanleg van 1500ha Marker Wadden wordt het gebied tot aan de Houtribdijk beïnvloed. De gemiddelde snelheid neemt hier toe. Aanleg van Marker Wadden zorgt gezien de afstand tot de vaargeul niet tot een toename van de aanslibbing. Door vermindering van het mobile slib in het Markermeer is een afname in aanslibbing van de vaargeul te verwachten.

Slibhuishouding

Met het onderwaterlandschap van geulen en zandwinputten wordt mobiel slib uit het Markermeer ingevangen en gebruikt voor het vullen van de atollen. Indien de natuurlijke aanslibbing niet snel genoeg verloopt, wordt door middel van hydrojetten van het gebied rondom de geulen de "slibinvang" verhoogd. Daarnaast sedimenteert slib in de luwte gebieden achter Marker Wadden. Met een slibmodel is getracht de hoeveelheid in te vangen slib te modelleren. De modeluitkomsten vallen lager uit dan gegevens vanuit de praktijk over aanslibsnelheden in oude zandwinputten. Daarnaast bestaan er onzekerheden over de hoeveelheid slib dat door erosie jaarlijks mobiel wordt. Binnen de termijn van het bestemmingsplan neemt de hoeveelheid mobiele slib af met 9 tot 30 miljoen m3, (9% tot 30 % van totale mobiele slib in Markermeer). Hierbij wordt zowel het fijnere mobiele slib dat zorgt voor vertroebeling van de waterkolom als het grovere mobiele slib dat als een verstikkende deken voor het bodemleven werkt ingevangen.

Oppervlaktewaterkwaliteit

Door aanleg van Marker Wadden ontstaat lokaal vertroebeling, met name door de vaarbewegingen met cutterzuigers, hydrojetten en het lozen van proceswater vanuit de atollen. De mate waarin vertroebeling optreedt, is afhankelijk van het weer. In geval van windstil weer is de vertroebeling verhoudingsgewijs groot, maar de verspreiding juist weer klein. Bij omstandigheden met meer wind neemt het beïnvloedingsgebied toe, maar is het water al troebel van zichzelf. Het areaal dat door Marker Wadden tegelijk wordt vertroebeld, bedraagt 55 tot 95 ha. Na realisatie van het onderwaterlandschap van geulen en zandwinputten, dus al tijdens de aanlegfase, wordt mobiel slib ingevangen en worden zwevend stof concentraties en daarmee het proces tot verbetering van het doorzicht van het Markermeer geïnitieerd.

Momenteel is er geen fosfaatbalans van het Markermeer beschikbaar, waardoor er onzekerheden bestaan over de effecten van Marker Wadden op de fosfaatconcentratie. Tijdens de aanleg neemt lokaal de fosfaatconcentratie toe door het slibvrij maken van de waterbodem door aanleg van het onderwaterlandschap en het hydrojetten. De verwachting is dat door Marker Wadden het doorzicht verbetert (verhoogde primaire productie) en meer luwte ontstaat voor de ontwikkeling van waterplanten. Gevolg hiervan is dat de fosfaatconcentratie in de waterkolom iets toeneemt. Vanuit het perspectief van de Kaderrichtlijn Water (KRW) is dit een positief effect.

Marker Wadden heeft tevens een positief effect op de ecologische KRW-maatlatten. Toename van het doorzicht zorgt voor de groei van waterplanten. De vestiging van waterplanten wordt tevens versterkt door toename in luwte en land-waterovergangen. Door afname van de sliblaag ontstaan verbeterde omstandigheden voor macrofauna. Door het onderwaterlandschap verbetert het habitat voor de spiering. Daarnaast fungeert Marker Wadden als kraamkamer voor vissen. De mate en snelheid waarmee bovenstaande effecten zullen plaatsvinden is lastig in te schatten en verdienen adequate monitoring.

Door de buffercapaciteit van het Markermeer zijn ook geen effecten op de pH te verwachten. De waterbodem van het Markermeer voldoet aan klasse A of aan de achtergrond waarden. Aanleg van Marker Wadden heeft hierdoor geen effect op chemische parameters voor zowel oppervlaktewater als grondwater. Met de aanleg van zandwinputten wordt de bestaande deklaag doorsneden. Dit zorgt voor een tijdelijke toename in stijghoogte van het watervoerende pakket en heeft een tijdelijke kleine toename van kwel in de omgeving tot gevolg. In de Flevopolder zal per dag het te verpompen debiet toenemen met minde dan 1%. Het slib in het water van het Markermeer zorgt ervoor dat het zand "dichtslibt", waardoor de stijghoogte en de toename in kwel binnen een aantal weken afneemt.

Waterveiligheid

De geulen in het onderwaterlandschap komen niet loodrecht op de Houribdijk te liggen. Hierdoor zijn geen effecten op de golfoploop te verwachten. Door de zandwinputten aan te leggen conform de richtlijnen voor "oeverstabiliteit voor zandwinputten" wordt het ontstaan van een hoogwatergolf door inzakkende taluds uitgesloten. Na verloop van tijd komen de natuureilanden van Marker Wadden dichter bij de Houtribdijk te liggen waardoor de golfoploop afneemt tot maximaal 0,5 meter.

Vergunningen

Regulieren handelingen van waterbeheerders voor beheer en onderhoud zijn vrijgesteld van een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden (niet zijnde bouwen). Dit betekent dat voor onder meer onderhoudsbaggerwerk en werkzaamheden aan nautische verkeersvoorzieningen geen omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden nodig is. Voor het bouwen wordt de vergunningplicht bepaald door het Besluit omgevingsrecht.

6.2 Natuur

Wettelijk kader

De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Het Markermeer&IJmeer is aangewezen als Natura 2000-gebied en Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Daarnaast komen in het plangebied via de Flora- en faunawet beschermde soorten voor. Daarom moet voor deze drie thema's worden onderzocht welke effecten optreden, welke (Europese) natuurdoelen met het voornemen zijn gediend en tot welke wettelijke risico's het voornemen kan leiden. In paragraaf 6.3.1 van het MER wordt uitgebreider ingegaan op het wettelijke kader.

Soortenbescherming

Het doel van de Flora- en faunawet is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Flora- en faunawet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Er bestaan drie beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen beschermde soorten (tabel 1) geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de overige beschermde soorten (tabel 2) is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten (tabel 3) kan enkel afgeweken worden na een uitgebreide toetsing.

Gebiedsbescherming

Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk onderdeel van de Natuurbeschermingswet is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet.

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

In paragraaf 6.3.3 van het MER wordt de huidige situatie en de autonome ontwikkeling van de natuur in het plangebied beschreven aan de hand van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Markermeer&IJmeer, de Flora- en faunawet en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Effectbeschrijving

In paragraaf 6.3.4 van het MER en in de Passende Beoordeling wordt uitgebreid ingegaan op de effecten van het voornemen op het Natura 2000-gebied en de instandhoudingsdoelstellingen. Voor de EHS is beoordeeld of er significante effecten optreden op de wezenlijke kenmerken en waarden. Voor via de Flora- en faunawet beschermde soorten is beoordeeld in hoeverre het bestemmingsplan Marker Wadden kan leiden tot effecten op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten en of de Flora- en faunawet mogelijk een risico vormt voor het realiseren van de bestemmingen.

Conclusie

Uit de effectbeoordeling (zie paragraaf 6.3.5 van het MER) blijkt dat aanlegeffecten beperkt negatief (-/0) scoren voor het Natura 2000-gebied en EHS-gebied Markermeer & IJmeer. Omdat er niet of nauwelijks via de Flora- en faunawet beschermde soorten voorkomen binnen de grenzen van het bestemmingsplangebied, scoort deze neutraal (0). Als Marker Wadden is gerealiseerd ontstaat er ruimte voor de ontwikkeling van natuurwaarde die zodanig is dat dit positieve effecten heeft voor Natura 2000 instandhoudingsdoelen, de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten en de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS. Dit effect is sterker positief in het geval er 1500 ha wordt ontwikkeld. Voor de effecten op de EHS en Natura 2000 geldt dat de permanente effecten van 500 of 1500 hectare van dien aard zijn dat deze de tijdelijke negatieve effecten te niet doen. Voor de Flora- en faunawet ontstaat leefgebied voor beschermde soorten op een plek waar dit in de huidige situatie nagenoeg afwezig is. Per saldo is er dus natuurwinst in termen van instandhoudingsdoelen, wezenlijke kenmerken en waarden en de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten.

Het optreden van significante effecten op de kuifeend en fuut kan niet worden uitgesloten omdat ten gevolge van waterrecreatie gedurende de ruiperiode van beide vogels (juli tot en met september) de ruifunctie van het Markermeer & IJmeer ten dele kan verdwijnen in het gebied tussen het natuureiland en de zone tussen Lelystad en Trintelhaven. Dit risico doet zich voor tijdens de aanlegfase en zet zich voort gedurende de gebruiksfase (i.e. na 2023). Het is niet zeker in hoeverre er aan het eind van de bestemmingsplanperiode sprake zal zijn van een per saldo groter of kleiner oppervlak en kwaliteit aan ruigebied in vergelijking met de huidige situatie. Hierdoor is - mede omdat er nu al sprake is van schaarste aan ruigebied - in beginsel niet uit te sluiten dat er een afname optreedt van de aantallen kuifeenden en futen aan het eind van de bestemmingsplanperiode van Marker Wadden. Concluderend: of en in hoeverre er effecten optreden ten gevolge van recreatie is nog onzeker.

Daarom is het in dit stadium niet zinvol om nu beperkingen ten aanzien van het gebruik op te nemen in het bestemmingsplan. Tijdens de bestemmingsplanperiode zal, gelet op de onzekerheden, wel nauwlettend in de gaten moeten worden gehouden in welke mate recreatie zich ontwikkelt en in hoeverre zich dit terugvertaalt in aantallen en het gedrag van futen en kuifeenden. Daarom is monitoring van de effecten noodzakelijk. Mocht blijken dat de geschiktheid als ruigebied daadwerkelijk afneemt, dan moeten deze effecten in eerste instantie worden voorkomen door het treffen van inrichtingsmaatregelen waarbij rustige ruiplekken ontstaan. Mocht uit monitoring blijken dat dit onvoldoende effectief is, dan komen als allerlaatste maatregelen in beeld om (delen van) het ruigebied van beide soorten gedurende de ruiperiode te vrijwaren van verstoring door recreatie. Dit kan door beperking van de toegang via artikel 20 van de Natuurbeschermingswet 1998. Op basis van deze effectbeoordeling en met inbegrip van het treffen van mitigerende maatregelen in het kader van Natura 2000 (zonering recreatie), staan de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en het EHS-beleid de vaststelling van het bestemmingsplan Marker Wadden niet in de weg.

6.3 Visserij

Wettelijk kader

Het wettelijke (en beleids)kader voor het beheer van de visstand en de visserij staat beschreven in paragraaf 6.4.1 van het MER. De rijksoverheid is verantwoordelijk voor een duurzame visserij op het Markermeer: het ministerie van Economische Zaken als verlener van visvergunningen op basis van de Visserijwet en Rijkswaterstaat als waterbeheerder.

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

In paragraaf 6.4.3 van het MER wordt de huidige situatie en de autonome ontwikkeling van de visserij beschreven aan de hand van de parameters visserijareaal en visstand (zie ook paragraaf 2.3 van het bestemmingsplan).

Effectbeschrijving

Voor de effectbeschrijving voor het thema visserij is uitgegaan van de ontwikkeling van natuureilanden met een totaal oppervlak van 500 hectare in de eerste fase en 1500 hectare in de uiteindelijke fase. De verschillende bandbreedtes van materiaal, materieel en uitvoeringsperiode zijn voor de effectbeoordeling van het thema visserij niet relevant geacht.

Conclusie

Door de realisatie van Marker Wadden zal het visserijareaal afnemen, doordat dit minder is dan 2% van het totaaloppervlak van het Markermeer is het effect beperkt negatief. Tijdens de uitvoering zullen vissers rondom de werkzaamheden hinder ondervinden en niet kunnen vissen. Dit leidt tot een tijdelijk beperkt negatief effect (- / 0). Zodra de eerste 500 ha zijn gerealiseerd is de verwachting dat de waterkwaliteit zal verbeteren, er meer paaigebied voor vissen ontstaat en er een toename zal zijn van de visstand, daardoor scoort dit criterium beperkt positief (0/+). Na 10 jaar, planhorizon van het bestemmingsplan, is de verwachting dat bij de realisatie van 1500 ha eiland(en) de positieve effecten van Marker Wadden zullen leiden tot een groei van de (commerciële) vispopulatie en daardoor leidt tot een positieve score ( + ) op de visstand. Indien delen van Marker Wadden niet volledig worden gerealiseerd betekent dit dat er minder visserijareaal verdwijnt. En zal dit dus qua areaal positiever scoren. Echter zal het effect van Marker Wadden op het ecologische systeem dan ook kleiner zijn en, naar verwachting, een minder positieve bijdrage hebben op de visstand.

6.4 Veiligheid

Op het Markermeer vindt zowel beroepsvaart als pleziervaart plaats. De ligging van de huidige vaarwegen is van belang om te bepalen welke knelpunten er kunnen optreden met betrekking tot de geplande locatie van Marker Wadden. Om inzichtelijk te maken wat Marker Wadden aan invloed zou kunnen uitoefenen op de nautische veiligheid, wordt in deze paragraaf een nautische effectbeoordeling van de voorgenomen ingreep beschreven. Daarnaast wordt een doorkijk gegeven van mogelijke mitigerende maatregelen.

Wettelijk kader

De nationale wetgeving en het beleid van Rijkswaterstaat ten aanzien van de (nautische) veiligheid en doorvaart van de scheepvaart staan beschreven in paragraaf 6.5.1 van het MER.

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

In paragraaf 6.5.3 van het MER wordt de huidige situatie en de autonome ontwikkeling omtrent de vaarwegen in het plangebied beschreven (zie ook paragraaf 2.3 van het bestemmingsplan). Hierbij wordt ook ingegaan op de externe veiligheid als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de vaarverbinding Lelystad - Enkhuizen. Aangezien de vaarverbinding geen onderdeel uitmaakt van bijlage 3 van de Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (CRNVGS) gelden voor deze vaarverbinding geen vaste afstanden voor het plaatsgebonden risico. Er mag van uit worden gegaan dat het plaatsgebonden risico op deze vaarverbinding kleiner is dan 10-6 per jaar. Voor het groepsrisico betekent dit dat het groepsrisico niet beoordeeld en verantwoord hoeft te worden. De hoeveelheden gevaarlijke stoffen die over deze vaarverbinding worden vervoerd zijn namelijk niet of nauwelijks van invloed op het groepsrisico. In het plangebied komen verder geen andere transportroutes en risicovolle inrichtingen voor. Daarnaast zijn plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.

Effectbeschrijving

Onderstaande figuur 6.1 geeft aan waar effecten van Marker Wadden op de scheepvaart te verwachten zijn. Het projectgebied Marker Wadden valt buiten de belangrijkste scheepvaartroutes. De route Lelystad - Krabbersgat (Enkhuizen) wordt minder intensief bevaren, maar kruist wel het projectgebied (effect 1). Daarnaast is in de uitvoeringsvariant 'zand van elders' sprake van zandwinning buiten het Markermeer, en daarmee een mogelijke toename in het gebruik van de Houtribsluizen (effect 2). Deze effecten worden in paragraaf 6.5.4 van het MER verder toegelicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0012.png"

Figuur 6.1 mogelijke effecten van Marker Wadden op de scheepvaart

Conclusies en aanbevelingen

Conclusie

Uit de effectbeoordeling (zie paragraaf 6.5.5 van het plan-MER) blijkt dat de effecten op de nautische veiligheid naar verwachting beperkt zijn. De vaarroute Lelystad - Krabbersgat wordt niet intensief gebruikt (ook niet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen) en er zijn goede mitigerende maatregelen aan te wijzen. Er zijn geen verschillen tussen de uitvoeringsvarianten en daarom scoren alle varianten beperkt negatief op nautische veiligheid ( - / 0 ).

De aanleg van Marker Wadden heeft naar verwachting geen significant effect op de vlotheid van de beroepsvaart. De vaarweg Lelystad - Krabbersgat wordt nauwelijks gebruikt. Bij uitvoeringsvariant 'zand van elders' is een toename in het gebruik van de Houtribsluizen mogelijk door zandschepen. Dit leidt naar verwachting niet tot hogere wachttijden voor de beroepsvaart. Daarom scoort dit criterium voor alle uitvoeringsvarianten neutraal ( 0 )

Aanbevelingen

Het ontwikkelen van Marker Wadden heeft naar verwachting beperkte effecten op de scheepvaart. Het projectgebied valt buiten de belangrijkste vaarroutes en recreatiegebieden. De mate waarin een effect op de nautische veiligheid optreedt, hangt af van de uiteindelijke inrichting en uitvoering van de aanleg. Waarschijnlijk zijn enige (operationele) maatregelen noodzakelijk, die de scheepvaart informeren en geleiden. Hierbij kan aan de volgende maatregelen worden gedacht:

  • Informeren van de beroepsvaart met betrekking tot de uitvoeringswerkzaamheden;
  • Informeren van de recreatievaart met betrekking tot de uitvoeringswerkzaamheden, vooraf (bv.aankondigingen in jachthavens) én ter plekke (bv. bebording, betonning)

Ten behoeve van de vlotheid van de beroepsvaart kan het bij de Houtribsluizen incidenteel nodig zijn voorrang te geven aan doorgaande beroepsvaart boven projectgerelateerde zandschepen.

6.5 Landschap

Wettelijk kader

In paragraaf 6.6.1 van het MER wordt ingegaan op het beleid inzake het landschap van het Markermeer en de kernkwaliteiten daarvan. Het beleid op rijks- en provinciaal niveau geeft aan dat de openheid één van de belangrijkste kernkwaliteiten van het gebied is. Daarnaast is de belevingswaarde van het gebied van grote waarde.

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

In paragraaf 6.6.3 van het MER wordt de huidige landschappelijke waarden van het Markermeer beschreven en verbeeld. Ook wordt ingegaan op de autonome ontwikkeling.

Effectbeschrijving

Voor de effectbeschrijving op landschap zijn de zichtbare delen van Marker Wadden en de inrichting het meest bepalend. In deze beoordeling is uitgegaan van een landschap van 1500 hectare bestaande uit natuureilanden met slikplaten, rietvelden, vloedbossen, stranden en een voedselrijk moeras dat grotendeels open is. De bandbreedtes van materiaal, materieel en uitvoeringsperiode zijn bij dit thema niet van belang.

Openheid en schaal;

Uitgaande van een verwachte vegetatie op de natuureilanden van 3 à 4 meter hoog zal deze vegetatie tot maximaal 7 km afstand zichtbaar zijn. Dit houdt in dat Marker Wadden vanaf de Oostvaardersdijk bij Lelystad en een deel van Houtribdijk beperkt zichtbaar zal zijn. Zichtlijnen vanaf deze plekken worden korter, waarmee de openheid en schaal van het Markermeer in de directe omgeving van het plangebied enigszins afnemen. De harde randen van Marker Wadden zijn het meest gevoelig voor de ontwikkeling van struiken en wilgenbomen. Als deze randen niet beheerd worden, kunnen er relatief grote bomen op ontwikkelen met als gevolg een grotere impact op schaal en openheid. Vanwege deze verslechtering van de openheid en schaal van het Markermeer scoort het voornemen op dit toetsingscriterium beperkt negatief ( - / 0 ).

Landschappelijke patronen;

Marker Wadden beïnvloedt bestaande landschappelijke patronen en elementen en de herkenbaarheid daarvan niet, de kustlijnen blijven onveranderd, de Houtribdijk blijft die strakke lijn tussen het IJsselmeer en het Markermeer. De komst van Marker Wadden betekent een extra landschapselement dat zijn eigen waarde krijgt en onderdeel wordt van de geschiedenis van het Markermeer. Hierdoor wordt het Markermeer als landschapselement herkenbaarder en ontstaat er contrast tussen het IJsselmeer en het Markermeer. Het voornemen draagt daarom beperkt positief ( 0 / +) bij aan bestaande landschappelijke patronen en elementen.

Belevingswaarde.

Door de komst van Marker Wadden verandert de beleving van de oostkant van het Markermeer enigszins, met name binnen een zone van 7 km rondom het bovenwaterlandschap. Vanaf het IJmeer, langs de Waterlandse kust en een groot deel van de Westfriese kust blijft de beleving onveranderd. Het gebied is het beste zichtbaar vanaf de Houtribdijk tussen de Houtribsluizen en Trintelhaven. Op een deel van het traject is de afstand tot Marker Wadden ongeveer 3 km. Afhankelijk van het ontwikkelingsstadium en de beheersinspanning wordt een deel van de horizon ingenomen door Marker Wadden. Op langere zichtafstanden verdwijnt het gebied steeds meer naar de achtergrond. Vanaf het water wordt de zone waarbinnen een 'lege' horizon zichtbaar is, kleiner. Men komt eerder een kustlijn tegen, maar beleving van het grote open water blijft echter bestaan.

Marker Wadden zal qua schaal, inrichting en natuurwaarden uniek zijn voor het hele Markermeer- en IJsselmeergebied. Ook wordt de diversiteit van het Markermeer vergroot, naast water zullen er ook ondieptes, zandbanken en verschillende watergebonden vegetatietypen zichtbaar zijn. Marker Wadden heeft bovendien naar verwachting een positief effect op de natuurwaarden van het gehele Markermeer. Aan deze natuurbeleving ontleent het Markermeer straks zijn eigen karakter en identiteit. Beleving van rust, duisternis en weer en wind blijft onveranderd. Op het natuureiland zullen niet of nauwelijks activiteiten plaatsvinden die rust en duisternis verstoren.

Ondanks het plaatselijk verlies van weidsheid, draagt het voornemen positief bij aan de belevingswaarde van het Markermeer door het toevoegen van natuurbeleving, diversiteit en het vergroten van de identiteit. Het voornemen scoort daarom positief ( + ).

Conclusies

Uit de effectbeschrijvingen en impressies (zie paragraaf 6.6.4 van het MER) blijkt dat de openheid en schaal van het Markermeer verandert met de komst van Marker Wadden. Het wateroppervlak wordt zowel fysiek als visueel kleiner. De schaal van het Markermeer wordt kleiner en de openheid neemt af. Met de komst van Marker Wadden wordt er een extra landschapselement gevormd. Het Markermeer wordt als landschapselement herkenbaarder. Door het toevoegen van natuurbeleving, diversiteit en het vergroten van de identiteit neemt de belevingswaarde toe.

6.6 Cultuurhistorie en archeologie

Wettelijk kader

In hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan en in paragraaf 6.7.1 van het MER staat het relevante wettelijke en beleidskader op het gebied van cultuurhistorie en archeologie beschreven.

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

In het kader van de ontwikkeling van Marker Wadden is in 2011 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Periplus/Archeomare). De resultaten daarvan staan beschreven in paragraaf 6.7.3 van het MER. Voorts is eerder een referentiestudie uitgevoerd naar de landarcheologie bij Swifterbant, Noordoostpolder, gemeente Dronten, waarvan mag worden aangenomen dat aspecten hiervan ook betrekking hebben op het landschap in het huidige plangebied. Uit deze onderzoeken blijkt dat zich binnen het plangebied geen bekende cultuurhistorische en/of archeologische monumenten bevinden. Wel zijn er reeds objecten gerelateerd aan de scheepvaart en de Tweede Wereldoorlog aanwezig. Verwachte archeologische waarden kunnen worden aangetast wanneer de meerbodem wordt opgehoogd of vergraven.

Effectbeschrijving

De te realiseren harde rand en de atollen hebben in cultuurhistorisch perspectief invloed op de ervaring van het Markermeer als 'meer'. Gezien de geschiedenis van het ontstaan van het gebied van het Markermeer (eerst land, dan langzame uitbreiding tot moeras, zee en later meer) kan worden gezegd dat de nieuwe inrichting een positief effect heeft op de 'herinneringswaarde', waardoor het verhaal van het ontstaan van het gebied een hernieuwde gelaagdheid verkrijgt en beter kan worden verteld. Dit is in lijn met het beleid zoals geformuleerd door het rijk, de provincie en de gemeente Lelystad. Hiermee vergroot Marker Wadden de cultuurhistorische waarde van het Markermeer. Dit effect is gematigd positief ( 0 / +) beoordeeld. Synergie met de dijkversterking Houtribdijk kan worden gevonden door aandacht te besteden aan cultuurhistorie en archeologie van Marker Wadden op een 'toeristenlocatie' op de dijk of het 'vaste' land.

Vooralsnog is de aanwezigheid van archeologisch behoudenswaardige wrakken niet bekend. De kans erop wordt laag geacht. Omdat aantasting als gevolg van het samendrukken van eventuele aanwezige historische schepen niet is uit te sluiten, wordt het voornemen beperkt negatief ( - / 0 ) beoordeeld. Om de kans van eventueel aanwezigheid van archeologische behoudenswaardige scheepswrakken (en eventueel vliegtuigwrakken) die mogelijk aan- en/of deels dicht onder het oppervlak zijn aan te treffen, kan een verkennend onderzoek op water worden overwogen (side scan sonar/magnetometer). Bij daadwerkelijke aanwezigheid van (behoudenswaardige) objecten zijn vervolgens gepaste maatregelen in het kader van de archeologische monumentenzorg aan de orde.

Vanwege de beperkte kans op een ondiepe verstoring van de meerbodemoppervlak wordt het voornemen beperkt negatief ( - / 0 ) beoordeeld. Om de kans op eventueel aanwezigheid van archeologische behoudenswaardige scheepswrakken (en eventueel vliegtuigwrakken), die mogelijk aan- en/of dicht onder het oppervlak zijn aan te treffen, kan een verkennend onderzoek op water worden overwogen (side scan sonar/magnetometer) zodra de daadwerkelijk te vergraven locaties (slibgeulen/zandwinput) bekend zijn. Bij daadwerkelijke aanwezigheid zijn gepaste maatregelen in het kader van de archeologische monumentenzorg aan de orde of kan voor een andere locatie worden gekozen. De kans op het aantreffen van betekenisvolle objecten wordt, gezien de omvang van de slibgeulen/zandwinput, relatief laag ingeschat.

Aangezien het initiatief in principe als archeologievergunningplichtig zal zijn aan te merken, is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting de eerste stap in het verdere archeologisch proces. Wanneer deze verwachting vroegtijdig wordt opgesteld voor het hele plangebied, kan deze een rol spelen bij het bepalen van de minst verstorende positie van de slibgeulen en/of de zandwinput in relatie tot de archeologie.

Conclusie

Bij cultuurhistorie is beoordeeld in hoeverre het initiatief invloed heeft op cultuurhistorische waarden. Bij het aspect archeologie is beoordeeld wat het effect van de planrealisatie is op de degradatie of verstoring van bekende en verwachte archeologische waarden. Gezien de geschiedenis van het ontstaan van het gebied van het Markermeer (eerst land, dan langzame uitbreiding tot moeras, zee en later meer) heeft de nieuwe inrichting een positief effect heeft op de cultuurhistorische waarde. Uit eerder uitgevoerde metingen zijn weinig archeologische bekende waarden aangetoond. Gezien het oppervlak van de verstoring door de slibgeulen en de zandwinput in verhouding tot het totale plangebied en de mogelijke menselijke aanwezigheid wordt niet uitgesloten dat het voornemen tot een verstoring leidt, maar de kans daarop wordt echter klein geacht. Indien objecten door vergraving verstoord dreigen te worden, dient een archeologische waardestelling plaats te vinden. Bij aangetoonde behoudenswaardigheid zijn gepaste vervolgmaatregelen in het kader van de archeologische monumentenzorg aan de orde.

In het kader van het MER voor dit bestemmingsplan is met een bureaustudie volstaan. Bij de verdere uitwerking van het project is aanvullend inventariserend onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd zodra de locaties van de slibgeul(en) en zandwinput(ten) bekend zijn De aanwezigheid van eventuele archeologische waarde is geen belemmering voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan.

6.7 Recreatie

Wettelijk kader

In paragraaf 6.8.1 van het MER wordt ingegaan op het beleid inzake de recreatievaart en de ontwikkeling daarvan.

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

In paragraaf 6.8.3. wordt de huidige situatie en de autonome ontwikkeling op het aspect recreatie beschreven. Het Markermeergebied voorziet de gehele regio en daarbuiten in de behoefte aan recreatiewater (Bron: markermeerijmeer.nl). De recreatieve waarden van het gebied worden door een groot aantal gebruikers sterk gewaardeerd en dragen bij aan de regionale economie. Hierin kan onderscheid worden gemaakt tussen het toervaartnetwerk dat op het grote water is gericht en de kustgebonden recreatie met bijbehorende voorzieningen. Deze aspecten zijn ook betrokken bij de effectbeoordeling.

Effectbeschrijving

Zowel het eindbeeld als tijdelijke effecten tijdens de uitvoering zijn beoordeeld. De bandbreedtes van materiaal, materieel en uitvoeringsperiode zijn bij dit thema niet van belang.

Toervaartnetwerk: Eindbeeld

Het totale oppervlak aan vaargebied vermindert als gevolg van Marker Wadden. Aangezien het deel van het toekomstig natuureiland in de huidige situatie het minst wordt bevaren, heeft het voornemen een minimaal effect op het huidige toervaartnetwerk. Met de komst van Marker Wadden ontstaat er een aantrekkelijke bestemming aan de oostkant van het Markermeer15. Zodoende kan dit leiden tot een andere spreiding van vaarbewegingen op het water, waardoor bepaalde routes rustiger worden en de oostkant meer wordt benut. Boten kunnen beperkt aanleggen op Marker Wadden. De verwachting is dat er meer toervaarders richting de jachthavens van Lelystad en Almere worden getrokken. Door de extra mogelijkheden die Marker Wadden biedt, draagt het eindbeeld van het voornemen bij aan het toervaartnetwerk en scoort daarom positief ( + ).

Toervaartnetwerk: Uitvoering

Tijdens de uitvoering zullen er (plaatselijk) extra vaarbewegingen van aanvoerschepen komen. Omdat het plangebied niet druk bevaren wordt zijn de effecten beperkt en ondervinden toervaarders maar in beperkte mate hinder van het extra scheepverkeer. Ook kan de uitvoering een aantrekkende werking hebben waardoor er extra toervaarders naar het gebied komen. Het verdient de aanbeveling tijdens de aanleg duidelijk aan te geven welke zones toegankelijk zijn en welke afstand toervaarders moeten houden tot aan het werkgebied. Tijdens de uitvoering leidt het voornemen tot een beperkte verslechtering van het toervaartnetwerk en scoort het beperkt negatief (- / 0).

Recreatieve voorzieningen: Uitvoering

De aanleg van Marker Wadden zal zichtbaar zijn vanaf een deel van de Houtribdijk en vanaf de dijk bij Lelystad, voornamelijk de werkzaamheden van sleephopperzuigers. Het gebied transformeert van open water naar een slibeiland waarop natuur zich gaat ontwikkelen. Dit beeld zal voor sommige recreanten als onprettig kunnen worden ervaren, maar kan aan de andere kant juist ook mensen naar het gebied trekken om de transformatie te bekijken. Om dit te kunnen faciliteren zou er een (tijdelijk) bezoekerscentrum kunnen worden aangelegd, met de mogelijkheid voor excursies naar het plangebied. Omdat er tijdens de uitvoering slechts beperkt mogelijkheden zijn voor uitbreiding van recreatieve voorzieningen, leidt deze periode niet direct tot verandering van recreatieve voorzieningen ( 0 ) buiten het plangebied.

Recreatieve voorzieningen: Eindbeeld

Marker Wadden biedt allerlei kansen voor het vergroten van recreatieve voorzieningen aan de oostkant van het Markermeer. In de eerste plaats dragen luwtemaatregelen bij aan een betere waterkwaliteit en kan het vaarwater rustiger worden, waardoor dit veiliger en aantrekkelijker is voor de waterrecreanten. Daarnaast kunnen er op Marker Wadden en in de directe omgeving daarvan voorzieningen worden ontsloten die passen bij het natuurlijke karakter van het gebied, zoals wandel- en vogelkijkexcursies. De Houtribdijk en Lelystad kunnen een belangrijke rol spelen als schakel tussen Marker Wadden en het vaste land op het gebied van horeca, aanlegplekken en verbinding met fiets- en wandelroutes. Hierdoor vergroot de diversiteit van het Markermeergebied, zonder dat ze afdoen aan bestaande voorzieningen en draagt het voornemen bij ( + ) aan mogelijkheden voor recreatieve voorzieningen.

Conclusie

Tijdens de uitvoering zal de toervaart enige hinder ondervinden vanwege de schepen die bezig zijn met de werkzaamheden. Daardoor is hier sprake van een beperkt negatief effect (- / 0). Zodra de eerste 500 ha zijn gerealiseerd zullen er nog steeds enkele werkzaamheden plaatsvinden voor de realisatie naar de volgende stap van 1500 ha. Zodra 1500 ha zijn gerealiseerd zal er geen effect meer optreden op het toervaartnetwerk. Tijdens de uitvoering zullen er slechts beperkte mogelijkheden zijn voor uitbreiding van recreatieve voorzieningen. Daardoor leidt deze periode niet direct tot verandering van recreatieve voorzieningen ( 0 ) buiten het plangebied. Marker Wadden draagt bij aan een grotere diversiteit aan mogelijke recreatieve voorzieningen in het Markermeergebied. Daardoor is er sprake van een positief effect.

6.8 Leefomgeving

Voor het thema leefomgeving is in het MER onderzocht in hoeverre er effecten optreden op de luchtkwaliteit en of er sprake is van overschrijding van de geldende geluidsnormen. De effecten op luchtkwaliteit en geluidhinder treden vooral op tijdens de uitvoeringsperiode. Aangezien de exacte uitvoeringswijze nog niet bekend is, is op basis van expert judgement en aan de hand van vuistregels een bandbreedte van de effecten van de verschillende uitvoeringsvarianten beschreven.

Wettelijk kader

In paragraaf 6.9.1 van het MER is het wettelijke kader op het gebied van luchtkwaliteit en geluid beschreven. De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit in de buitenlucht is opgenomen onder 'Titel 5.2. Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer (Wm) (StB. 2007, 434). Per 1 augustus 2009 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (implementatie en derogatie luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Voor geluid is van belang dat de Wet geluidhinder op het onderhavige bestemmingsplan niet van toepassing is omdat het plangebied niet is gelegen binnen de geluidzone van wegen, spoorwegen of industrieterreinen. In de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 van de provincie Flevoland is het Markermeer aangewezen als stiltegebied. Dat heeft tot gevolg dat een richtwaarde van 35 dB(A) wordt gehanteerd. Ook is het Markermeer aangewezen als een Natura2000 gebied. Ten behoeve van de woningen is aangesloten op de Circulaire Bouwlawaai. Om de geluidproductie te beperken kan het bevoegd gezag (de gemeente) voorschriften opstellen ten aanzien van de uitvoering. Hierbij kan worden aangesloten op de het toetsingskader in de Circulaire Bouwlawaai 2010. Hiervoor wordt een voorkeurswaarde van 60 dB(A)-etmaalwaarde gehanteerd.

Beoordelingskader en -methode

Luchtkwaliteit en stikstofdepositie

Om aannemelijk te maken dat de aanleg van Marker Wadden binnen het wettelijk kader luchtkwaliteit past, is de worst case situatie van de totale uitstoot van stikstofoxiden berekend. Vervolgens zijn de uitstoot van stikstofoxiden met een verspreidingsmodel omgerekend naar concentraties. Deze concentraties zijn opgeteld bij de achtergrondconcentratie. Indien de som van de achtergrondconcentraties met de bijdrage onder de grenswaarden blijft, is aannemelijk gemaakt dat de aanleg binnen het wettelijk kader past.

Aangezien er vanwege de inzet van het materieel tijdens de aanlegfase altijd sprake zal zijn van een toename van emissies, zal er geen sprake kunnen zijn van een (zeer) positief effect. In de onderstaande tabellen is het beoordelingskader voor de toetscriteria NO2 en PM10 opgenomen. Er hoeft niet op alle locaties in de buitenlucht getoetst te worden aan de grenswaarden. Alleen die locaties waar burgers, voor over het algemeen langere periode, verblijven dienen beoordeeld te worden. Dit sluit onder andere Marker Wadden zelf als toetsingslocatie uit. In het onderzoek is daarom vooral gekeken naar de luchtkwaliteit in de steden en dorpen in de directe omgeving van Marker Wadden.

Geluid

Aangezien er vanwege de inzet van het materieel altijd sprake zal zijn van een toename van het geluid, zal er vanwege de aanlegfase geen sprake kunnen zijn van een (zeer) positief effect. In de onderstaande tabellen is het beoordelingskader voor de geluideffecten opgenomen voor het stiltegebied en voor de geluidseffecten voor gevoelige bestemmingen

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

Over het Markermeer loopt een aantal informele vaarroutes voor beroeps- en pleziervaart (Amsterdam - Krabbersgat, Lelystad - Krabbersgat, Amsterdam - Houtribsluizen). Daarnaast bevindt zich ten oosten van Marker Wadden de Houtribdijk (N302) en aan de zuidzijde de Houtribweg/Oostvaardersdijk (N701). De achtergrondconcentraties NO2 zijn in het gebied rondom Marker Wadden relatief laag, ongeveer tussen de 15-18µg/m3. Rond de regio Amsterdam liggen de concentraties hoger.

Effectbeschrijving

In paragraaf 6.9.4 van het MER zijn de verschillende effecten op de luchtkwaliteit en geluid gedurende de aanleg- en gebruiksfase onderzocht en beschreven. Voor beide aspecten geldt dat de effecten tijdens de aanlegfase het grootst zijn.

Uitgangspunten luchtkwaliteit

De emissies die in het luchtkwaliteitonderzoek zijn gebruikt beschrijven de situatie in de worst case uitvoeringsvariant voor luchtkwaliteit, namelijk variant 1 'intensief en snel'. In deze variant is aangenomen dat alle activiteiten die nodig zijn bij de aanleg gelijktijdig plaatsvinden. In de praktijk zullen veel activiteiten echter gevolgtijdelijk worden uitgevoerd waardoor de emissies per jaar lager zijn dan in het onderzoek is aangenomen.

Resultaten aanlegfase

Voor het uitvoeren van de luchtkwaliteitberekeningen is gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel OPS Pro versie 4.3.16. Wanneer de berekende bijdragen worden opgeteld bij de achtergrondconcentraties wordt duidelijk dat de totale NO2 concentraties in het studiegebied ruim onder de grenswaarde van 40 ?g/ m³ blijven. De fijn stof concentraties zijn niet specifiek berekend. Uit vergelijkbare studies (Zeetoegang IJmond, Aanleg Maasvlakte 2) blijkt dat de fijn stof emissies door schepen, bulldozers, cutters etc. vele malen lager zijn dan de NOx emissies. Ook al zijn de achtergrondconcentraties van PM10 iets hoger dan die van NO2, toch zijn de concentraties ver onder de grenswaarde van 40 ?g/ m³. Hieruit blijkt dat de aanleg van Marker Wadden niet zal leiden tot overschrijding van de PM10 grenswaarde.

Aangetoond is dat de NO2 en PM10 grenswaarden als gevolg van de aanleg van Marker Wadden niet worden overschreden. Uit het onderzoek blijkt dat de varianten verschillen in de bijdrage aan de luchtverontreiniging. De varianten waarbij de activiteiten over een langere periode worden uitgesmeerd is de bijdrage aan de luchtkwaliteit gemiddeld over een jaar lager dan in variant één 'Snel en compact'. De variant waarbij zand van elders wordt gehaald scoort nagenoeg gelijk aan uitvoeringsvariant één. Daarom wordt de aanlegfase voor alle uitvoeringsvarianten als neutraal ( 0 ) beoordeeld. Indien gekozen wordt voor een andere aanlegvariant is het niet aannemelijk dat grenswaarden ten aanzien van luchtkwaliteit worden overschreden. Hiermee is luchtkwaliteit geen beperkende factor voor de realisatie van het project.

Resultaten gebruiksfase

Het natuureiland, het bezoekerscentrum en de eco-lodges zullen bezoekers trekken. De bezoekers zullen met een vaartuig naar het eiland toe komen. Dit kan met een motorvaartuig of een zeilboot zijn. Uitgaande van 25 ligplaatsen zullen, in mei t/m september, gemiddeld per vaardag 25 vaartuigen naar het eiland heen en weer varen. Dit zijn dus 50 vaarbewegingen per dag (ongeveer tussen 09:00 uur en 19:00 uur). Ingeschat wordt dat 25% hiervan een motorboot zal betreffen, oftewel circa 13 vaarbewegingen per vaardag. Gezien het geringe aantal vaarbewegingen zijn de effecten op de gebieden waar wettelijk getoetst moet worden minimaal. De gebruiksfase valt onder de Amvb 'Niet in betekende mate bijdragen' en kan worden aangeduid als NIBM. Dit is getoetst in de NIBM-tool, waarbij als worst-case uitgangspunt is gehanteerd dat de emissie van één pleziervaartboot overeen komt met 3 vrachtwagens. Conclusie is dat er geen wezenlijk effecten zijn op de algehele luchtkwaliteit. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De gebruiksfase wordt voor dit toetscriterium neutraal ( 0 ) beoordeeld.

Uitgangspunten geluid

Het doel van dit onderzoek is om per variant te bepalen wat de geluideffecten zijn vanwege de aanlegfase van Marker Wadden. Om de geluideffecten inzichtelijk te maken, is uitgegaan van de vier uitvoeringsvarianten. In het onderzoek is de akoestisch meest kritische situatie beschouwd waarin het materieel tegelijkertijd in bedrijf zal zijn op de uiterste locaties van het werkgebied. De bronvermogens zijn ontleend aan beschikbare meetgegevens van vergelijkbaar materieel. De berekeningen zijn uitgevoerd volgens de Handleiding Meten en Rekenen industrielawaai 1999, zoals opgenomen in het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Voor stiltegebieden/Natura2000 gebieden en ter plaatse van woningen zijn de geluidniveaus berekend in verschillende dosismaten.

Resultaten aanlegfase op stiltegebied

Het materieel dat ingezet wordt om Marker Wadden te realiseren produceert geluid. Omdat het materieel in het stiltegebied zelf worden ingezet, vindt er altijd een toename plaats van geluid binnen het stiltegebied. Bij alle vier de varianten produceert het materieel een geluidemissie van meer de 35 dB(A) en wordt de richtwaarden voor stiltegebieden zoals genoemd in de Omgevingsverordening van de provincie Flevoland overschreden. De vier varianten scoren daarom conform beoordelingstabel 6.9.3 negatief ( - ). De geluidsbelasting van de verschillende uitvoeringsvarianten zijn onderling niet onderscheidend.

Resultaten aanlegfase op woningen

Ten aanzien van de geluideffecten ter plaatse van woningen blijkt dat in alle varianten de 60 dB(A) contour niet ter plaatse van woningen ligt. Alle varianten scoren hierdoor 'neutraal' ( 0 ). Vanwege de inzet van extra zandschepen komen geluidcontouren in de uitvoeringsvariant 3 'zand van elders' het dichtst in de buurt van geluidgevoelige bestemmingen.

Resultaten gebruiksfase

Op het eiland is het voornemen een bezoekerscentrum met 25 ecolodges re realiseren. Een dergelijke inrichting valt onder categorie 1 volgens de VNG-publicatie "Bedrijven en mileuzonering". Dit is de laagste categorie. Voor deze categorie geldt voor geluid een hinderafstand van maximaal 10 meter. Deze hinderafstand is dermate klein dat er van het bezoekerscentrum met de ecolodges geen geluidhinder danwel verstoring te verwachten is. Het aantal vaarbewegingen van en naar het eiland, het bezoekerscentrum en de ecolodges is dermate laag dat redelijkerwijs gesteld kan worden dat dit aantal vaarbewegingen zal opgaan in het heersende recreatieve verkeersbeeld op het Markermeer en niet zal leiden tot (extra) geluidhinder of verstoring. De gebruiksfase wordt voor dit toetscriterium neutraal ( 0 ) beoordeeld.

Conclusie

Vanuit de Wet geluidhinder treden er geen knelpunten op, ondanks de (tijdelijke) toename van geluid. De uitstoot van het benodigde materieel leidt echter wel tot een hogere geluidbelasting dan de richtwaarde van 35 dB(A) zoals opgenomen in de Verordening van de provincie Flevoland. Van deze richtwaarde kan gemotiveerd worden afgeweken. Omdat de geluidsuitstoot met name wordt veroorzaakt door het materieel tijdens de aanlegfase, is deze overschrijding van tijdelijke aard. Op het gebied van luchtkwaliteit is aannemelijk gemaakt dat het voornemen zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase voor de verontreinigende stoffen stikstofdioxide en fijn stof onder de wettelijke drempelwaarde blijft.

6.9 Kabels en leidingen

Wettelijk kader

In paragraaf 6.10.1 van het MER is het beleidskader omtrent kabels en leidingen beschreven, te weten de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de Omgevingsvisie Flevoland.

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

Uit de Rijksstructuurvisie Buisleidingen (2012) blijkt dat er geen grote buisleidingenstroken liggen in het Markermeer. Uit de omgevingsvisie provincie Flevoland (2006) blijkt dat in het Markermeer geen bovenlokale hoofdtransportleidingen (hoofd kabels en leidingen) liggen. Het kan echter niet uitgesloten worden dat in het Markermeer ter hoogte van Marker Wadden kabels en leidingen liggen. Er is geen informatie beschikbaar over de ligging van kleinere kabels en leidingen.

Ten noorden van de Houtribdijk is een gebied aan gewezen voor windenergie in de structuurvisie Wind op Land. Ervan uitgaande dat dit gebied wordt ontwikkeld zullen in de toekomst kabels gelegd worden om de energie te transporteren. Concrete plannen zijn nog niet bekend. Als dit het geval is zullen de kabels langs de Houtribdijk en ten noorden van de Houtribdijk lopen en geen invloed hebben op het plangebied van Marker Wadden.

Effectbeschrijving

De effecten zijn beoordeeld voor zowel de aanleg- als de beheerfase, waarbij wordt uitgegaan van de bandbreedtes voor Marker Wadden.

Conclusie

In het plangebied Marker Wadden liggen geen hoofdtransportleidingen of leidingenstroken. Er zal daarom tijdens de aanleg dan wel gebruikfase geen noodzaak zijn voor het verleggen van grote kabels en leidingen. Het voornemen wordt daarom voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase neutraal ( 0 ) beoordeeld.

Hoofdstuk 7 Juridische planopzet

7.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen van gronden worden vastgelegd. In een bestemmingsplan wordt door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden.

Het bestemmingsplan is een digitaal bestand in gml-formaat, waarin geometrisch bepaalde planobjecten zijn vastgelegd. Technisch gezien is een bestemmingsplan zodoende een verzameling objecten (zoals bestemmingsvlakken), waaraan informatie (zoals ligging en naam) is gekoppeld. Om het plan te kunnen raadplegen zijn in feite drie onderdelen van belang:

  • een digitale en analoge verbeelding van de geometrisch bepaalde planobjecten (verbeelding);
  • de juridisch bindende regels van het bestemmingsplan (planregels);
  • een bijbehorende toelichting (plantoelichting).

Het bestemmingsplan kan geraadpleegd worden door middel van computersoftware; in ieder geval via de internetpagina www.ruimtelijkeplannen.nl. Met de software kunnen verschillende kaarten van het bestemmingsplan opgeroepen worden door het aan- of uitvinken van planobjecten. Door interactie met het kaartbeeld worden de regels van de betreffende bestemmingen weergegeven. Ook kan de toelichting worden opgeroepen.

Om de vergelijkbaarheid te bevorderen bestaat er een landelijke standaard voor de verbeelding van bestemmingsplannen (SVBP2012). De toepassing van de SVBP2012 is verplicht. Hiermee wordt geborgd dat alle bestemmingsplannen overeenkomen voor wat betreft kleurgebruik, naamgeving, gebruik van arceringen en dergelijke.

Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de koppeling tussen de regels en de kaart. In de volgende paragraaf staat uitgelegd welke systematiek voor dit bestemmingsplan gehanteerd is en hoe de eigenschappen van het plangebied zich hebben vertaald in de toegekende bestemmingen. De paragraaf daarna geeft een korte toelichting per artikel van de planregels. In de laatste paragraaf wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan.

7.2 Plansystematiek

Het voorliggende bestemmingsplan legt vast wat de bestemming in een bepaald gebied is en waarvoor de daarbinnen gelegen gronden (inclusief water) mogen worden gebruikt. Binnen het bestemmingsplan 'Marker Wadden' worden de hoofdfuncties 'Water', 'Water - Natuur 1', 'Water - Natuur 2' en 'Natuur' planologisch mogelijk gemaakt. Het gebied blijft open voor beroepsvaart, visserij en recreanten. Voorwaarden hiervoor worden beschreven in de planregels. Op basis van de resultaten van het MER en de Passende Beoordeling is de exacte begrenzing van het totale plangebied en de bestemmingen bepaald.

7.3 Artikelsgewijze toelichting

Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008). Hierin zijn regels opgenomen over onder andere de indeling van de planregels en de naamgeving van bestemmingen. De planregels kennen standaard vier hoofdstukken.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1: Begrippen

In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Artikel 2: Wijze van meten

In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3: Natuur

In deze bestemming staan de natuurwaarden centraal. Binnen dit gebied wordt bovenwaternatuur mogelijk gemaakt met een omvang van maximaal 1.000 hectare in de vorm één of meer natuureilanden. Het artikel bevat tevens een wijzigingsbevoegdheid voor een bezoekerscentrum, aanmeerhaven en gebouwen voor kleinschalige verblijfsrecreatie. Omdat recreatief medegebruik nadrukkelijk de bedoeling is van het project de Marker Wadden en van de gemeente Lelystad, zal de gemeente concrete initiatieven en uittwerking op dit punt zo mogelijk actief ondersteunen.

Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden zal de waterbeheerder vooraf om advies worden gevraagd. Daarnaast is opgenomen dat middels een omgevingsvergunning nog maximaal 500 hectare bovenwaternatuur mogelijk gemaakt kan worden. Ook hierbij geldt dat de waterbeheerder om advies gevraagd wordt inzake de nautische aspecten alvorens de vergunning kan worden verleend.

Artikel 4: Water

In deze bestemming zijn de basisfuncties van het hoofdwatersysteem toegestaan, alsmede beroepsvaart en beroepsvisserij. Daarnaast is recreatief medegebruik, bijvoorbeeld in de vorm van recreatievaart toegestaan, alsmede zandwinputten en slibgeulen ten behoeve van de realisatie van de bovenwaternatuur.

Artikel 5: Water - Natuur 1

In deze bestemming staan de natuurwaarden centraal. Naast de basisfuncties van het hoofdwatersysteem zijn onder andere zandwinputten en slibgeulen toegestaan. Recreatief medegebruik is slechts toegestaan, indien de natuurlijke en landschappelijke waarden hierdoor niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 6: Water - Natuur 2

Dit deel betreft het Enkhuizerzand, waar in beperkte mate bovenwaternatuur in de vorm van zand/schelpenbanken mogelijk wordt gemaakt. Kleinschalige zandwinputten en slibgeulen zijn toegestaan.

Artikel 7: Waarde - Archeologie

Dubbelbestemming ten behoeve van de bescherming van eventuele archeologische waarden.

Artikel 8: Waarde - Ecologie

Dubbelbestemming ten behoeve van de bescherming van de ter plaatse aanwezige ecologische waarden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9: Anti-dubbeltelbepaling

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat een stuk grond dat al eens was betrokken bij het verlenen van een omgevingsvergunning bij de beoordeling van latere bouwplannen nogmaals wordt betrokken.

Artikel 10: Algemene gebruiksregels

De Wet ruimtelijke ordening bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Een algemeen gebruiksverbod hoeft derhalve niet meer in de planregels te worden opgenomen. Het is wel mogelijk om in het bestemmingsplan aan te geven wat onder verboden gebruik in ieder geval wordt verstaan. In dit artikel is opgenomen dat onder verboden gebruik wordt verstaan: onbebouwde gronden te gebruiken als staanplaats voor onderkomens als opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan of als stortplaats voor puin en afvalstoffen.

Artikel 11: Algemene afwijkingsregels

Ten behoeve van kleine wijzigingen zoals het wijzigen van een bestemmingsgrens zijn toegestaan mits dit voor de technische uitvoerbaarheid van bestemmingen en bouwwerken noodzakelijk is.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12: Overgangsrecht

Indien de in het plan opgenomen regels. voor wat betreft gebruik of bebouwing, afwijken van een bestaande legale situatie, dan zijn daarop de overgangsbepalingen van toepassing. De overgangsbepaling heeft tot doel bestaande belangen te respecteren totdat realisering van de nieuwe regels plaatsvindt.

Artikel 13: Slotregel

In dit artikel is de naam van het bestemmingsplan, de citeertitel, omschreven.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van de Wro en het Bro moet in de toelichting onder andere inzicht worden verschaft in de wijze waarop binnen het plangebied is omgegaan met het kostenverhaal en in de (economische) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Daarom wordt in onderstaande paragrafen op beide aspecten ingegaan.

8.1 Grondexploitatie

In het kader van de Grondexploitatiewet (opgenomen in afdeling 6.4 van de Wro) moet in sommige gevallen gelijktijdig met het bestemmingsplan door de gemeenteraad een exploitatieplan worden vastgesteld. Met de wet is beoogd om de positie van de gemeente qua kostenverhaal en regie te versterken in het geval van particuliere grondexploitatie. Het uitgangspunt van de wet is dat een gemeente verplicht is om de door haar gemaakte en nog te maken kosten verband houdende met ontwikkelingen door een particuliere grondeigenaar te verhalen indien deze tot exploitatie van de gronden overgaat, dat wil zeggen bouwplannen realiseert in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Dit kostenverhaal vindt plaats via een exploitatieplan. Op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro kan van de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren:

  • het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd en
  • het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen niet noodzakelijk is.

Exploitatieplan

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een passende planologisch-juridische regeling voor de realisatie van het project Marker Wadden, maar omdat het bestemmingsplan geen directe bouwtitel schept voor bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 Bro (woningen en/of andere hoofdgebouwen) behoeft in casu geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Het bestemmingsplan omvat wel enkele wijzigingsbevoegdheden op grond waarvan in de toekomst mogelijk bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1. Bro kunnen worden opgericht. Daardoor zal bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden moeten worden vastgesteld of voor het verhaal van de kosten die verbonden zijn aan de exploitatie van de gronden binnen het wijzigingsplan alsnog een exploitatieplan moet worden vastgesteld of dat dit kostenverhaal anderszins is verzekerd.

8.2 Financiële uitvoerbaarheid

In het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan dient de gemeenteraad zich te vergewissen van het feit dat de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, (financieel) uitvoerbaar is en gerealiseerd kan worden. In verband daarmee wordt hieronder ingegaan op de begrootte kosten voor de realisatie van het project Marker Wadden (binnen de planperiode) en de wijze waarop deze kosten door de initiatiefnemer (Natuurmonumenten) worden gedragen.

Kostenraming

Door de bijzondere aard van het project, bestaan de kosten voor dat deel van Marker Wadden dat met onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, voor 95% uit de kosten die zijn gemoeid met de aanleg van een of meer natuureilanden (met een gezamenlijke oppervlakte van 1.500 ha) en enkele kleinschalige zand- en schelpenbanken. De realisatie hiervan vergt een grondverzet van ca. 60 miljoen m³. De hiermee gemoeide kosten (inclusief plankosten, toezicht, beheer, onderhoud en nadeelcompensatie) zijn globaal geraamd op 115 - 140 miljoen euro.

De 1e fase van Marker Wadden omvat de aanleg van een stelsel van slibvangende geulen, een beschermende vooroeverdam en de realisatie van circa 500 ha bovenwaternatuur. Het daarvoor benodigde materiaal (zand, klei, veen en slib) is grotendeels afkomstig uit de slibgeulen en zandwinputten in het plangebied, maar parallel hieraan wordt ook een uitvoeringsstrategie opgezet waarbij ook bij zandwinning elders in het Markermeer vrijkomende 'reststromen' (in de vorm van klei, zavel, veen en fijne zanden) 'om niet' worden afgezet in Marker Wadden. Het totaalvolume qua zandvraag uit het Markermeer bedraagt ca. 40 miljoen m³. De inschatting is dat voor elke m³ gewonnen zand ongeveer een 0,5 m³ onbruikbare bovengrond moet worden afgevoerd. Binnen de bestemmingsplanperiode is dat dus maximaal 20 miljoen m³. Omdat niet bij alle zandwinningen de bovengrond naar Marker Wadden zal worden afgevoerd, is in de kostenraming uitgegaan van een voorzichtige inschatting dat circa 10 miljoen m³ bovengrond 'om niet' beschikbaar komt vanuit zandwinning elders.

Naast dit actieve grondtransport zal binnen het plangebied ook natuurlijke sedimentatie plaatsvinden doordat in de luwte van de (verharde) vooroever slib zal neerslaan. Volgens berekeningen van Deltares bedraagt deze sedimentatie vanaf het jaar 2016 ongeveer 1,5 miljoen m³ per jaar. Dat betekent dat gedurende de planperiode circa 12 miljoen m³ slib op natuurlijke wijze zal sedimenteren. Met dit slib en de 10 miljoen m³ bovengrond die vrijkomt bij de zandwinning elders, kan nog eens 500 hectare bovenwaternatuur worden gerealiseerd. Daarmee komt de omvang van de 1e fase op grofweg 1.000 ha (inclusief zand- en schelpenbanken nabij Enkhuizerzand), tegen een geraamde investering van circa 75 miljoen euro.

Financiering

Van de benodigde 75 miljoen euro is reeds 45 miljoen beschikbaar door bijdragen van de Nationale Postcode Loterij en het Rijk. De resterende 30 miljoen euro komt beschikbaar via subsidies vanuit Europese, provinciale en regionale fondsen en bijdragen van burgers en bedrijfsleven. Het areaal bovenwaternatuur dat op basis hiervan kan worden gerealiseerd, kan hoger uitvallen indien meer vrijkomende grondstromen van elders 'om niet' naar Marker Wadden kunnen worden getransporteerd dan wel omdat door bijdragen van partijen meer gelden beschikbaar komen dan bij vaststelling van het bestemmingsplan is voorzien.

Deze financiering sluit aan bij de in het bestemmingsplan opgenomen faseringsregeling (zie paragraaf 4.5) die erop neerkomt dat dat binnen de bestemming 'Natuur' een of meer natuureilanden mogen worden aangelegd met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 1.000 ha, alsmede een afwijkingsbevoegdheid op grond waarvan burgemeester en wethouders onder voorwaarden bevoegd zijn om dit oppervlak te vergroten naar 1.500 hectare.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te achterhalen of de maatschappij het plan uitvoerbaar vindt. De bestemmingsplanprocedure kent meerdere momenten waarop burgers en instanties hun mening over het bestemmingsplan kenbaar kunnen maken.

9.1 Bestemmingsplanprocedure

In figuur 9.1 is de bestemmingsplanprocedure, zoals opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening weergegeven (in rood) in samenhang met de m.e.r.-procedure (in blauw, zie de beschrijving in Hoofdstuk 5):

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00046-VG01_0013.jpg" Figuur 9.1: Bestemmingsplan- en m.e.r.-procedure.

Inspraak

Voor het concept ontwerpbestemmingsplan wordt een inspraakprocedure doorlopen met een daarbij behorende terinzageleggingstermijn van 6 weken. In die periode kan een ieder een reactie geven op het concept ontwerpbestemmingsplan.

Vooroverleg

Het concept ontwerpbestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening tevens voorgelegd aan de besturen van de betrokken buurgemeenten, waterschappen en betrokken rijks- en provinciale diensten. Overeenkomstig artikel 3.1.6. Bro dienen de resultaten van dit overleg in de toelichting te worden verwerkt.

Zienswijzen

Na de inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt het ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbestemmingsplan, met de daarop betrekking hebbende stukken (waaronder het MER) worden dan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Een ieder wordt daarbij in de gelegenheid schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op de stukken naar voren te brengen bij de gemeenteraad. Eventueel ingediende zienswijzen worden voorzien van een passend antwoord. Naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen vinden waar nodig aanpassingen aan de stukken plaats.

Vaststelling

Vervolgens wordt het bestemmingsplan door de gemeenteraad vastgesteld. De publicatie van het vaststellingsbesluit vindt (over het algemeen) plaats binnen twee weken na de vaststelling. Tijdens de daarop volgende inzagetermijn van zes weken is het voor belanghebbenden mogelijk om beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Het bestemmingsplan treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij er een voorlopige voorziening is aangevraagd.

Crisis- en herstelwet

Omdat de uitvoering van Marker Wadden enerzijds bijdraagt aan de ondersteuning van de Nederlandse economie, met name in de weg- en waterbouwsector en anderzijds een belangrijke bijdrage levert aan de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied IJsselmeer & Markermeer en aan de versterking van de Ecologische Hoofdstructuur, heeft de gemeente Lelystad eind maart 2013 in het kader van de 7e tranche het project Marker Wadden aangemeld voor vermelding op de lijst van bijlage II behorende bij de Crisis- en herstelwet. Als deze aanvraag door de Minister wordt gehonoreerd dan is vanaf het moment van publicatie van dat besluit hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op de vaststelling van het bestemmingsplan maar ook op alle latere besluiten die voor de uitvoering van het project noodzakelijk zijn.

9.2 Resultaten inspraak en vooroverleg

Inspraak

Na voorafgaande aankondiging in de Flevopost heeft het concept ontwerpbestemmingsplan in het kader van de Inspraakverordening Lelystad 2008 met ingang van 11 april 2013 gedurende zes weken (tot en met 22 mei 2013) ter inzage gelegen in de Stadswinkel en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze termijn zijn twee inspraakreacties ontvangen..

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan:

  • Ministerie van Infrastructuur en Milieu
  • Ministerie van Economische Zaken
  • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
  • Rijkswaterstaat IJsselmeergebied
  • Provincie Flevoland
  • Provincie Noord-Holland
  • Waterschap Zuiderzeeland
  • Gemeente Enkhuizen
  • Gemeente Stedebroec
  • Gemeente Drechterland.

Van Rijkswaterstaat Midden-Nederland en de gemeente Enkhuizen is een reactie ontvangen. Beiden zijn als bijlage opgenomen in het bestemmingsplan. Van de overige instanties is geen reactie ontvangen. Overeenkomstig artikel 3.1.6. Bro zijn de resultaten van dit overleg in de toelichting verwerkt en indien nodig is in het bestemmingsplan rekening gehouden met de ingekomen reacties. De reactienota inspraak/vooroverleg is als bijlage 3 opgenomen in het bestemmingsplan.

Naar aanleiding van de inspraak- en vooroverlegreacties is het ontwerpbestemmingsplan op diverse punten aangepast. Het betreft grotendeels aanpassingen in de toelichting, bijvoorbeeld naar aanleiding van onduidelijkheden over vaarroutes en vaarweggebruik, het (duidelijker) beschrijven van enkele relevante aspecten, zoals de toegankelijkheid en gevolgen voor beroepsvaart, visserij en recreanten, de technische haalbaarheid en de economische uitvoerbaarheid van het plan. Ook de beleidsparagrafen zijn aangevuld met relevante informatie inzake de beleidsmatige en bestuurlijke inbedding van het project op rijks- en regionaal niveau. Uiteraard is de toelichting ook aangevuld met de resultaten van het MER c.q. de Passende Beoordeling en de daaraan ten grondslag liggende onderliggende onderzoeken. Tot slot zijn redactionele aanpassingen doorgevoerd om de leesbaarheid en begrijpelijkheid van het bestemmingsplan te vergroten.

Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van Rijkswaterstaat is besloten om de plangrens aan de noordzijde zodanig aan te passen dat de bestaande betonde vaargeul van het naviduct nabij Enkhuizen buiten het plangebied valt. Ook de overige aanduidingen 'vaarweg' zijn geschrapt omdat de vaarroute Enkhuizen-Lelystad geen formele status heeft. De planregels zijn op enkele punten aangepast. Zo zijn enkele begripsbepalingen en bestemmingsomschrijvingen toegevoegd en aangepast en is een faseringsregeling ingevoegd ten aanzien van de maximale omvang van de bovenwaternatuur. Tot slot is de wijzigingsbevoegdheid voor recreatieve voorzieningen aangepast naar aanleiding van de vooroverlegreacties van Rijkswaterstaat en de gemeente Enkhuizen.