Actualisatieplan Omgevingsvisie (december 2014)    

Door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld op 11 november 2015

Beleidstekst     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

De Omgevingsvisie Gelderland is op 9 juli 2014 vastgesteld. In de Omgevingsvisie is aangekondigd dat er een actualisatie nodig is voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de doorwerking van de landelijke Deltabeslissingen. Ook de actualisatie van de Beleidsvisie Externe Veiligheid 2008 en de aanpassing van de begrenzing van natte landnatuur is in de Omgevingsvisie aangekondigd. De vastlegging van Gelders NatuurNetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelzone (GO) in de Omgevingsvisie en de vaststelling van het Natuurbeheerplan 2014 maken dat de begrenzing van de waterfunctie natte landnatuur en de bijbehorende hydrologische beschermingszones aangepast moeten worden. Ook wordt de begrenzing van de grondwaterbeschermingszones aangepast naar aanleiding van gewijzigde inzichten in de ondergrond. Daarnaast gaat het actualisatieplan over enkele kleinere wijzigingen voor andere beleidsthema's.

Het actualisatieplan wordt in twee delen door Provinciale Staten vastgesteld. Het eerste deel is op 8 juli 2015 vastgesteld. De onderdelen van dit tweede deel zijn gerelateerd aan de KRW, de Deltabeslissingen en grondwaterbescherming. Voor eerste twee onderwerpen loopt het proces van besluitvorming samen met dat voor de waterbeheerplannen van de waterschappen en het Nationaal Waterplan van het Rijk. Voor begrenzing van de grondwaterbeschermingsgebieden was meer tijd nodig om tot zorgvuldige besluitvorming te komen, mede met het oog op overgangssituaties. Besluitvorming gelijktijdig met de hiervoor genoemde drie onderdelen ligt dan voor de hand.

Leeswijzer

De hoofdstukken 2 tot en met 6 lichten per thema de beleidswijzigingen toe die na vaststelling van dit Actualisatieplan in de Omgevingsvisie worden doorgevoerd. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de kleinere wijzigingen van andere beleidsthema's. In hoofdstuk 8 wordt vervolgens aangegeven hoe deze wijzigingen worden verwerkt in de tekst van de Omgevingsvisie en de Verdieping en hoe de beleidskaarten, bijlagen en de begrippenlijst hierop worden aangepast. De onderdelen die in dit tweede deel worden vastgesteld zijn in dit Actualisatieplan "vet" gemarkeerd.

Ten opzichte van het ontwerp Actualisatieplan zijn tevens tekstuele wijzigingen ambtshalve doorgevoerd.

Hoofdstuk 2 Kaderrichtlijn Water (KRW)     

2.1 Inleiding     

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) schrijft voor dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik. De KRW onderscheidt drie planperioden van zes jaar: 2009-2015 / 2016-2021 / 2022-2027. In 2009 zijn de KRW-doelen en -grondwatermaatregelen voor Gelderland vastgesteld in het Waterplan Gelderland 2010-2015. Het Waterplan, inclusief het KRW-deel, is verwerkt in de Omgevingsvisie.

Eind 2015 loopt de eerste zes jaars-planperiode van de KRW af. De tweede generatie water(beheer)plannen moet uiterlijk 22 december 2015 door het Rijk, de provincies en de waterbeheerders zijn vastgesteld. Hiervoor is actualisatie van de Omgevingsvisie nodig. Het ontwerp-actualisatieplan heeft in dezelfde periode als de KRW-plannen van het Rijk en de waterbeheerders ter visie gelegen.

Ten behoeve van de rapportage in het kader van de KRW aan de EU heeft de provincie voor de grondwaterlichamen factsheets opgesteld. De waterschappen hebben factsheets voor de oppervlaktewaterlichamen opgesteld. Provinciale Staten stellen de grondwaterfactsheets vast, met uitzondering van de toestand 2027. Provinciale Staten stellen de oppervlaktewaterfactsheets vast voor zover zij daartoe bevoegd zijn conform de Waterwet, te weten de begrenzing, het type, de status, de doelen en de fasering van het doelbereik 2021. De factsheets voor de oppervlaktewater- en grondwaterlichamen zijn in Bijlage 1 Factsheets Oppervlaktewaterlichamen (KRW) en Bijlage 2 Factsheets Grondwaterlichamen (KRW) opgenomen en maken na vaststelling deel uit van de Omgevingsvisie. De toelichting op de factsheets wordt in de verdieping van de Omgevingsvisie opgenomen.

2.2 Actualisatie     

De wijziging van de Omgevingsvisie als gevolg van de KRW vindt u in Hoofdstuk 8 Wijzigingen en aanvullingen Omgevingsvisie.

Evenals in de eerste planperiode is het omgevingsbeleid van de provincie het uitgangspunt. Dit betekent dat doelen en maatregelen voor de tweede planperiode (2016-2021) zijn afgestemd op de huidige functies als wonen, landbouw, en natuur. Conform de landelijke afspraken blijven de ambities ten aanzien van de doelen, die voor de eerste planperiode zijn vastgesteld, voor de komende planperiode ongewijzigd. In zeer beperkte mate en onder strikte voorwaarden voorgeschreven door de KRW is actualisatie van de doelen mogelijk, zoals een beter inzicht in het functioneren van het oppervlaktewatersysteem. Dit heeft geleid tot een enkele aanpassing van de doelen en in de begrenzingen van de oppervlaktewaterlichamen. Deze aanpassingen passen volledig binnen de kaders van de Omgevingsvisie.

De belangrijkste wijziging is het nader invullen van het KRW-maatregelenprogramma 2016-2021. Er zijn wijzigingen vanwege nieuwe inzichten met betrekking tot de effectiviteit van de maatregelen. Daarnaast is bij de actualisatie van de KRW-maatregelen gestreefd naar synergie met maatregelen ten behoeve van andere beleidsdoelen of –thema’s, zoals de zoetwatervoorziening, regionale wateroverlast, begrenzing Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000.

Het regionale maatregelenpakket borduurt voort op de maatregelen die in de eerste planperiode zijn benoemd. Een deel van die maatregelen is gefaseerd en komt in de komende planperiode aan bod. Nieuwe grondwatermaatregelen voor deze planperiode volgen met name uit de gebiedsdossiers voor grondwaterbeschermingsgebieden.

Landelijk is afgesproken dat alleen bestuurlijk vastgestelde maatregelen op worden genomen in de factsheets. Daarom zijn er voor Natura 2000-gebieden geen maatregelen in de factsheets opgenomen.

De provincie is conform de Waterwet bevoegd gezag voor het vaststellen van de grondwaterfactsheets en voor vaststellen van het type, de status, de begrenzing, de doelen, en het doelbereik van de regionale oppervlaktewaterlichamen. Het gaat hier om doelen voor zover die niet zijn vastgelegd in het Besluit Kwaliteitseisen en Monitoring Water (BKMW).

In het ontwerp waren abusievelijk het Achtergronddocument grondwater Rijn-West en het Achtergronddocument grondwater Rijn-Oost als bijlagen opgenomen. Dit zijn slechts technische documenten die niet samen met de Omgevingsvisie hoeven worden vastgesteld. Daarom zijn deze bijlagen ambtshalve verwijderd.

Hoofdstuk 3 Deltabeslissing     

3.1 Inleiding     

Rijk en regio werkten de afgelopen jaren samen aan de opgave voor waterveiligheid en zoetwatervoorziening. In Gelderland zijn regionale voorkeursstrategieën en een advies van de regio aan het Rijk opgesteld. Dit advies heeft geleid tot een voorstel voor deltabeslissingen en gebiedsgerichte strategieën in het landelijke Deltaprogramma 2015. Deze zijn door het kabinet op Prinsjesdag 2014 gepresenteerd. De Minister van Infrastructuur en Milieu en de koepelorganisaties van provincies, waterschappen en gemeenten onderstreepten het commitment aan de deltabeslissingen door de Bestuursovereenkomst Deltaprogramma te ondertekenen, met de intentie dat de werkwijze wordt voortgezet en dat alle overheden de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën in hun eigen plannen verankeren. De bestuursovereenkomst geldt in aanvulling op het Bestuursakkoord Water (2011).

De Deltabeslissingen en de partiële herziening van het Nationaal Waterplan (NWP) geven aanleiding de Omgevingsvisie op onderdelen te actualiseren.

Het gaat om Deltabeslissingen over:

  • Waterveiligheid (normering, basisveiligheid en overstap op risicobenadering)
  • Zoetwater (beschikbaarheid en voorziening)
  • Nieuwbouw en herstructurering (ruimtelijke adaptatie)
  • IJsselmeergebied (peilbeheer)

3.2 Actualisatie     

Het onderstaande heeft een wijziging van de Omgevingsvisie tot gevolg. Dit vindt u in Hoofdstuk 8 Wijzigingen en aanvullingen Omgevingsvisie

3.2.1 Waterveiligheid     

Samenspel dijkverbetering en rivierverruiming

Samen met haar partners heeft de provincie in een intensief regioproces voorkeurstrategieën opgesteld voor de waterveiligheid op de lange termijn voor Waal en Merwedes, Nederrijn/Lek en IJssel. Deze voorkeursstrategieën zijn het strategisch kompas voor het realiseren van de waterveiligheidsopgave door een samenspel van dijkverbeteringen en rivierverruimingen. Gezien de tijdshorizon van de klimaatopgave, het jaar 2050, neemt de provincie nu geen ruimtelijk besluit voor de maatregelen uit de voorkeursstrategieën. Conform het principe van adaptief deltamanagement is de uitvoering afhankelijk van klimatologische en sociaal-/economische ontwikkelingen. De provincie wil de ruimte bieden voor het ontstaan van initiatieven, meekoppelkansen, samenwerkingsverbanden en innovaties. De Omgevingsvisie is dus voor wat betreft de maatregelen uit de voorkeursstrategieën (zie Bijlage 13 Maatregelen uit de voorkeursstrategieën) niet kaderstellend.

Het is nodig dat de voorkeursstrategieën uitgewerkt en geborgd worden in de ruimtelijke plannen van de betrokken overheden, naar analogie van de werkwijze die is gevolgd voor de Structuurvisie WaalWeelde-west. De provincie wil de ruimtelijke verankering van de rivierverruimende maatregelen in co-creatie vormgeven, op basis van een integrale afweging van waterveiligheid met andere (gebruiks)functies en belangen en milieueffecten.

De provincie gaat onderzoeken op welke wijze zij met bestaand en eventueel nieuw instrumentarium zelfrealisatie van de rivierverruimende maatregelen kan activeren en/of bespoedigen.

Primaire keringen

Het kabinet bereidt een wetsvoorstel voor met nieuwe waterveiligheidsnormen. Het beschermingsniveau en de bijbehorende normen voor de kering zijn bepaald op basis van de risicobenadering. Daarbij geldt: hoe groter de gevolgen, hoe strenger het beschermingsniveau en dus de norm. De provincie onderschrijft het nut en de noodzaak van de nieuwe normering en het streven dat alle waterkeringen in 2050 aan de nieuwe normen voldoen.

De provincie voorziet om die reden in het volgende:

  • De provincie wil met het Rijk, de waterschappen, gemeenten en veiligheidsregio’s onderzoeken op welke manier de nieuwe waterveiligheidsnormen en de nieuwe rekenregel voor piping doorwerken in raakvlakken tussen dijkverbetering en andere (ruimtelijke) functies en bestaande waarden.
  • De provincie wil samen met de waterschappen onderzoeken op welke wijze de provincie invulling kan geven aan toetsingskaders ten behoeve van de wettelijke vereisten voor de ruimtelijke inpassing van dijkverbetering.

Regionale keringen

Op dit moment (2015) is de provincie niet voornemens om de waterveiligheidsnorm van de regionale keringen, die is gebaseerd op overschrijdingskans, aan te passen naar een norm op basis van overstromingsrisico’s. Hiervoor ontbreekt op dit moment de urgentie. Mogelijk is aanpassing van de normen wel noodzakelijk nadat de doorwerking van de nieuwe veiligheidsnormen voor de primaire keringen in beeld is. Hiertoe voeren de provincie en de waterschappen een gezamenlijke analyse uit.

Ruimtelijke adaptatie

Overeenkomstig de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie wil de provincie met gemeenten, waterschappen en de veiligheidsregio’s de volgende drie stappen doorlopen:

  • analyse van de waterrobuustheid en klimaatbestendigheid van het binnendijkse gebied;
  • vertaling van de resultaten van deze analyse in een ambitie en adaptatiestrategie;
  • doorwerking van de ambitie en adaptatiestrategie in het provinciale beleid.

Over de ambitie voor de analyse, doel, taken, rollen en verantwoordelijkheden willen wij met deze partners expliciete afspraken maken.

3.2.2 Zoetwatervoorziening     

De provincie stelt de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft invulling aan het nieuwe instrument “voorzieningenniveaus”. Via de voorzieningenniveaus geven de overheden inzicht in de beschikbaarheid van water en de kans op watertekorten. De provincie heeft de regie op het proces om te komen tot voorzieningenniveaus. In 2018 zijn de eerste voorzieningenniveaus gereed.

3.2.3 Overstromingsrisicobeheerplannen (ROR)     

De provincie is betrokken bij de implementatie van de Europese Richtlijn overstromingsrisico's (ROR). In 2013 zijn de overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten gepubliceerd. Deze kunnen worden ingezien op de website: risicokaart.nl.

De provincie en de waterschappen willen onderzoeken of het meerwaarde heeft dat de waterschappen in plaats van de provincie de berekeningen voor deze kaarten en de onderliggende overstromingsanalyses uitvoeren.

Hoofdstuk 4 Natte landnatuur     

4.1 Inleiding     

Reden voor de actualisatie is dat de huidige begrenzing van natte natuur niet meer overeen komt met het huidige Natuurbeheerplan 2014. Daarmee geeft de huidige kaart geen goede sturing meer voor beleid en beheer van de waterschappen en voor grondwaterbeheer. Daarnaast is in de Omgevingsvisie opgenomen dat de omvang van de beschermingszones voor natte landnatuur wordt verkleind.

Met de herziening wil de provincie de schaduwwerking van het GNN verkleinen en tegelijkertijd de natte landnatuur goed beschermen en de kwaliteit ervan verbeteren.

De herziening betreft de volgende onderdelen:

  • De begrenzing van de natte landnatuur
  • Het aantal en de grootte van de beschermingszones om de natte landnatuur
  • De doorwerking van beleid voor natte landnatuur via de Omgevingsverordening
  • De totale opgave voor herstel van natte landnatuur

De natte landnatuur is altijd een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en omvat de natte natuurtypen uit het Natuurbeheerplan. De status natte landnatuur is een plus op de GNN status. Als ten gevolge van de actualisatie een gebied de status natte landnatuur verliest, dan blijft het nog wel GNN en als zodanig ruimtelijk beschermd.

Bij de actualisatie is overleg gevoerd met de Manifestpartners (terreinbeheerders, waterschappen, LTO en GNMF). Zij hebben ingestemd met de hoofdlijnen van de actualisatie.

4.2 Actualisatie     

Het onderstaande heeft een wijziging van de Omgevingsvisie tot gevolg. Dit vindt u in Hoofdstuk 8 Wijzigingen en aanvullingen Omgevingsvisie.

4.2.1 Begrenzing natte landnatuur     

Bij de actualisatie van de begrenzing van natte landnatuur is gestreefd naar robuuste eenheden waarbinnen meer onderlinge samenhang is dan in het verleden het geval was. Dit biedt betere mogelijkheden om de natuur te beschermen en te herstellen omdat de te nemen maatregelen meer effect hebben. Het leidt tot minder kleine natuurgebiedjes met beschermingszones in landbouwgebied en daardoor tot minder schaduwwerking. De ‘vervallen’ gebiedjes hebben weliswaar geen hydrologische bescherming meer, maar houden wel de GNN status met de bijbehorende kernkwaliteiten en de nee, tenzij bescherming.

In de uiterwaarden is veel natte natuur afhankelijk van rivierdynamiek die over het algemeen niet stuurbaar is. Deze natuur krijgt daarom niet de functie natte landnatuur en ook geen hydrologische bescherming. Er zijn echter plekken in de uiterwaarden waar via kwel of door het vasthouden van water na hoogwater wel sturing van de waterhuishouding mogelijk is. Deze natte natuurtypen zijn wel aangewezen als natte landnatuur. Deze krijgen geen hydrologische beschermingszone omdat de rivierdynamiek het meest bepalend is voor de grondwatersituatie.

De totale oppervlakte natte landnatuur blijft door deze actie vrijwel gelijk: ruim 13.000 ha. Door de herbegrenzing verschuift 40% daarvan van plaats. De GGOR-analyses (Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regiem) die in Oost Gelderland zijn uitgevoerd hoeven niet te worden aangepast omdat in het proces van opstellen van de GGOR natte natuur al voldoende ruim is meegenomen.

4.2.2 Beschermingszone natte landnatuur     

De kernkwaliteiten GNN en GO zijn, voor wat betreft het onderdeel natte landnatuur, ambtshalve ten opzichte van het ontwerp gewijzigd. Van de gebieden 28 Winterswijk en Vosseveld en 38 Liemers-Oost was abusievelijk aangegeven dat de kernkwaliteit natte landnatuur zou komen te vervallen. Dit is niet het geval. In beide gebieden zijn vochtige bossen met de status natte landnatuur aanwezig. De webatlas kernkwaliteiten GNN en GO is hierop aangepast.

De beschermingszones rondom de natte landnatuur worden in principe verkleind van maximaal 800 meter tot maximaal 200 meter, mits er geen opgave meer is voor natuurontwikkeling en/of hydrologisch herstel. Voor zones die al kleiner zijn dan 200 meter en die blijven bestaan verandert er niets aan de begrenzing. Voor de N2000 gebieden zijn de zones uit de beheerplannen N2000 leidend. Rondom natuurgebieden waar volgens provincie nog een opgave is voor natuurontwikkeling en/of hydrologisch herstel, komen er twee zones: de eerste 200 meter wordt gehanteerd als strikte zone, de tweede zone vanaf 200 meter naar maximaal 800 meter wordt gehanteerd als zone voor nadere uitwerking (maatwerk). Dit maatwerk kan bestaan uit aanvullende voorwaarden bij drainage om de negatieve effecten te voorkomen: ondieper aanleggen of peilgestuurd. De waterschappen werken in de komende maanden (uiterlijk 1 april) deze tweede zone verder uit: voor welke gebieden gaat dit maatwerk gaat gelden en hoe dit er uit ziet zij betrekken de manifestpartners hierbij. Op de kaart van de omgevingsvisie worden deze gebieden herkenbaar aangegeven. Na besluitvorming over de GGOR verkleind de provincie de beschermingszone tot maximaal 200 meter.

Ook verdwijnt de beschermingszone bij alle gebieden die de status natte landnatuur verliezen. Het totale areaal beschermingszone loopt terug van 41.300 ha vóór de herziening tot 19.500 ha na de herziening. Van deze 19.500 hectare ligt 5.000 ha buiten GNN en GO. Na hydrologisch herstel krimpen de zones tot 10.800 hectare, waarvan 900 hectare buiten GNN en GO.

Vanuit het soortenbeleid zijn in de huidige Omgevingsvisie al vijf gebieden toegevoegd aan het GNN. Hiervoor is 450 ha beschermingszone nodig. Deze zijn in de actualisatie toegevoegd aan de beschermingszones.

Doorwerking van de bescherming natte landnatuur

Waterschappen

De Omgevingsvisie heeft de status van waterplan volgens de Waterwet. Waterschappen nemen het provinciaal waterbeleid over in hun beheerplannen en verankeren het beleid voor natte landnatuur daarin. Daarbij gaat het om het eigen beheer van het watersysteem, de kaders voor vergunningverlening en hydrologische aspecten van ruimtelijke plannen. De waterschappen brengen die hydrologische aspecten in via de watertoets in het proces van ontwikkeling en vaststelling van ruimtelijke plannen van bijvoorbeeld gemeenten. Ten aanzien van de beschermingszones natte landnatuur geven de waterschappen in de keur aan hoe zij omgaan met beregening en drainage in de beschermingszones. Door de verkleining van de zones zal de sturing in deze zones strikter moeten zijn dan voorheen.

Gemeenten

Bij grote ruimtelijke ontwikkelingen in een gemeente wordt via de watertoets ook buiten de beschermingszones al rekening gehouden met de functie natte landnatuur. Bij kleine ontwikkelingen vindt de watertoets niet (altijd) plaats. Het kan daarbij gaan om functieveranderingen van landbouwgrond naar bijvoorbeeld bebouwing. Omdat de beschermingszone buiten het GNN kan liggen, bestaat de kans dat de hydrologische bescherming van de natte natuur niet plaatsvindt. Daarom is voor de beschermingszones die buiten het GNN vallen in de provinciale Omgevingsverordening opgenomen dat er bij bestemmingsplanwijziging van agrarisch naar bebouwing geen achteruitgang op mag treden in de grondwatersituatie.

Provincie

De provincie neemt de natte landnatuur als leidraad bij vergunningverlening voor grondwateronttrekking van grote bedrijven en drinkwaterwinningen. De natte landnatuur is ook onderdeel van de kernkwaliteiten van het GNN die een rol spelen bij de planbegeleiding bij gemeenten. De actualisering natte landnatuur wordt doorgevoerd in de kernkwaliteiten GNN. Daarnaast is de natte landnatuur richtinggevend voor het anti-verdrogingsbeleid.

4.2.3 Herstel verdroogde natuur     

De herbegrenzing natte landnatuur is mede sturend voor het bepalen in welke gebieden nog hydrologisch herstel moet plaatsvinden. Deze lijst is nu opgesteld en geeft aan wat de totale opgave is tot 2025. Dat is de datum waarop het hydrologisch herstel volledig moet zijn afgerond. De herstelgebieden hebben een totale oppervlakte van 6.765 ha. 2.900 ha daarvan is al uitgevoerd of in uitvoering.

In totaal zijn 69 gebieden onderscheiden waarin een grote concentratie natte landnatuur voorkomt en hydrologische maatregelen nodig zijn om de gebieden te herstellen, zie Bijlage 10 Natte landnatuur herstelgebieden. Voor deze gebieden is aanpassing van de waterhuishouding één van de maatregelen. Dit wordt vaak voorafgegaan door functieverandering, inrichting en interne maatregelen van de beheerder. Doel van de lijst is om duidelijkheid te geven over de totale provinciale ambitie voor anti-verdroging. De provincie maakt op basis van deze lijst afspraken met beheerders om het herstel uit te voeren.

Ook buiten deze herstelgebieden kan natte landnatuur worden hersteld. Het gaat om 6.400 ha. De provincie zal met de beheerders afspraken maken, als zij met goede initiatieven komen. Deze initiatieven kunnen zowel betrekking hebben op maatregelen binnen als buiten het te herstellen gebied.

Hoofdstuk 5 Grondwaterbescherming     

5.1 Inleiding     

Sinds de vaststelling van de beschermingszones voor de drinkwaterwinningen in 1995 is er nieuwe informatie beschikbaar gekomen over de opbouw van de ondergrond en zijn de rekenmethoden verbeterd. Daarnaast zijn er aanpassingen geweest bij enkele waterpompstations. Deze ontwikkelingen hebben aanleiding gegeven om de beschermingszones te actualiseren. De geactualiseerde begrenzing wordt via de Omgevingsverordening vastgesteld.

5.2 Actualisatie     

Het onderstaande heeft een wijziging van de Omgevingsvisie tot gevolg. Dit vindt u in Hoofdstuk 8 Wijzigingen en aanvullingen Omgevingsvisie.

Actualisering gebiedsgrenzen

In Gelderland liggen 40 drinkwaterinningen. In samenwerking met Vitens zijn voor 31 winningen nieuwe grenzen berekend van de waterwingebieden, de grondwaterbeschermingsgebieden en de boringsvrije zones. De ontwikkeling in techniek en kennis heeft er toe geleid dat de berekeningen zodanig zijn uitgevoerd dat de meer regelgeving op maat mogelijk is gemaakt. Zo gelden voor delen van gebieden waar de regelgeving voor grondwaterbeschermingsgebieden van toepassing was nu de regels voor de boringvrije zones. Deze zijn minder streng.

Nieuwe KWO-vrije zones

Conform Waterplan 2010-2015 zijn zones berekend waar effecten van bodemenergiesystemen binnen 25 jaar de drinkwaterputten kunnen bereiken. In de zone geldt zowel volgens het Waterplan 2010-2015 als de Omgevingsverordening een verbod op KWO-systemen. Daarom worden ze KWO-vrije zones genoemd. Daarnaast geldt hier regelgeving voor overige bodemenergiesystemen, boringen en handelingen met stoffen zwaarder dan water. Dat is maar een klein deel van de beperkingen die gelden in grondwaterbeschermingsgebieden. Zonder de contouren van de KWO-vrije zones zouden deze gebieden onderdeel moeten uitmaken van de gebieden met het strengere beschermingsregime van de 25-jaars grondwaterbeschermingsgebieden. In Bijlage 22 Schematisatie beschermingszones zijn de verschillende zones weergeven.

Uitgezonderd van actualisatie zijn de beschermingsgebieden Holk en Lochem. Deze worden geactualiseerd nadat GS een besluit heeft genomen over de levering van drinkwater aan andere provincies. Voor de winningen Muntberg, Heumensoord, Twello en La Cabine heeft geen actualisatie plaatsgevonden in verband met onzekerheden in het berekeningsmodel. De berekende zones voor de winning te Druten zijn dermate groot dat eerst met Vitens en de gemeente moet worden gesproken over de impact ervan. De besluitvorming van deze waterwinning zal dan ook niet worden meegenomen in de onderhavige actualisatie. Nieuwe Marktstraat te Nijmegen en Vierakker te Zutphen sluiten in respectievelijk 2015 en 2016. Daarom zijn deze niet meegenomen in de actualisatie. De verantwoording voor de afbakening van de begrenzingen van de beschermingszones voor de drinkwaterwinningen is gegeven in het rapport in Bijlage 7 Berekende zones voor de bescherming grondwater tbv drinkwatervoorziening.

Hoofdstuk 6 Externe veiligheid     

6.1 Inleiding     

De behaalde resultaten, de wijzigingen in wetgeving en de door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu ingezette modernisering van het omgevingsveiligheidsbeleid geven aanleiding om de Beleidsvisie Externe Veiligheid 2008 te actualiseren. Met deze actualisatie wordt de naam van de visie veranderd in Beleidsvisie Omgevingsveiligheid 2015. In de visie geeft de provincie Gelderland voor het thema externe veiligheid duidelijkheid over:

  • De taak- en rolopvatting van de provincie;
  • De invulling van de beleidsruimte binnen de wetgeving externe veiligheid;
  • De doorwerking van het beleid naar de provinciale organisatie.

Bij het opstellen van de beleidsvisie zijn de Gelderse omgevingsdiensten, de drie Gelderse veiligheidsregio’s en een aantal gemeenten betrokken.

6.2 Actualisatie     

Het onderstaande heeft een wijziging van de Omgevingsvisie tot gevolg. Dit vindt u in Hoofdstuk 8 Wijzigingen en aanvullingen Omgevingsvisie.

De belangrijkste wijzigingen in de Beleidsvisie Omgevingsveiligheid 2015 ten opzichte van het huidige beleid zijn:

  • Een toelichting op de Gelderse externe veiligheidsrisico’s. Uit een analyse blijkt dat vooral provinciale wegen en rijksinfrastructuur procentueel zwaar bijdragen aan het aantal aan externe veiligheid blootgestelde inwoners.
  • Verduidelijking van de rolopvatting van de provincie.
  • Aanscherping van de beleidsregels vanuit de rol bevoegd gezag. In 2008 was het beleid gericht op het saneren van risicovolle activiteiten. In de Beleidsvisie Omgevingsveiligheid 2015 zijn beleidsregels geformuleerd die onder andere bij vergunningverlening van risicovolle bedrijven nieuwe saneringen moeten voorkomen.
  • Toevoegen van een signaleringskaart externe veiligheid, die voor de gehele provincie duidelijkheid geeft over de risicozones waarbinnen een verstandig ruimtegebruik noodzakelijk is.

Om op een eenduidige en risicoreducerende wijze om te gaan met de risico’s van gevaarlijke stoffen voor de omgeving zijn door Gedeputeerde Staten de ‘Beleidsregels omgevingsveiligheid provincie Gelderland’ vastgesteld. Deze beleidsregels dienen te worden toegepast bij de besluiten omgevingsveiligheid die de provincie in de rol van bevoegd gezag neemt.

De beleidsvisie en de bijbehorende beleidsregels zijn opgenomen in Bijlage 3 Beleidsvisie omgevingsveiligheid provincie Gelderland en Bijlage 4 Beleidsregels omgevingsveiligheid provincie Gelderland.

Hoofdstuk 7 Overige wijzigingen     

7.1 Inleiding     

Naast de wijzingen die zijn beschreven in de hoofdstukken 2 tot en met 6 zijn er ook voor andere beleidsthema's kleinere wijzigingen doorgevoerd. Het gaat om het consequent doorvoeren van eerdere aanpassingen en aangekondigde aanvullingen. Voor het overzicht zijn deze wijzigingen in dit hoofdstuk op een rij gezet.

7.2 Technische wijzigingen Omgevingsvisie     

Het onderstaande heeft een wijziging van de Omgevingsvisie tot gevolg. Dit vindt u in

Hoofdstuk 8 Wijzigingen en aanvullingen Omgevingsvisie.

De wijzigingen die zijn beschreven in dit hoofdstuk betreffen geen nieuw beleid. Het gaat om eerder aangekondigde aanvullingen en het consequent doorvoeren van aanpassingen naar aanleiding van de besluitvorming over de Omgevingsvisie en -verordening op 9 juli en 24 september 2014:

  • Consequent doorvoeren amendement op Omgevingsverordening (24 september 2014) met betrekking tot Biomassavergistingsinstallaties
  • Aanpassing verwijzing 'overnachtingshaven Lobith' aan recente besluitvorming
  • Consequent doorvoeren amendement op de Omgevingsvisie (9 juli 2014) niet-grondgebonden veehouderij
  • Toelichting Omgevingsverordening over 'Groene Ontwikkelingszone' consequent doorvoeren in de verdieping bij de Omgevingsvisie
  • Verbeterde bijlage kernkwaliteiten Nationale Landschappen
  • Aangekondigde kaartaanpassingen Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone voor Nieuw Hulckesteijn en Rhederhof. Hieronder valt ook het invoegen van de meest recente Toelichtende kaart Natura 2000.

7.2.1 Biomassavergistingsinstallaties     

Bij de vaststelling van de Omgevingsverordening op 24 september 2014 hebben PS een amendement aangenomen met betrekking tot biomassavergistingsinstallaties. eis dat de installaties gebruik maken van biomassastromen uit de directe omgeving is gehandhaafd, maar dat ook sprake moet zijn van lokale afzet is geschrapt. Dat punt werkt te belemmerend voor de vestiging van biomassa-vergistingsinstallaties. Deze wijziging is al doorgevoerd in de Omgevingsverordening en wordt nu ook opgenomen in de tekst en de verdieping van de Omgevingsvisie.

7.2.2 Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie     

In de Omgevingsvisie is beschreven in paragraaf 4.2.4.1.3 Nieuwe Hollandse Waterlinie: "Voor bescherming worden in overleg tussen de verschillende overheden de kernkwaliteiten uitgewerkt voor de Ruimtelijke verordening." Inmiddels is deze uitwerking afgerond en heeft het college van Gedeputeerde Staten de betreffende kernkwaliteiten vastgesteld. Dat betekent dat de tekst hierop wordt aangepast.

7.2.3 Verdieping overnachtingshaven Lobith     

Ten behoeve van een vlotte en veilige doorstroming van de scheepvaart zijn overnachtingshavens nodig. De provincie Gelderland heeft van de minister van I&M in juli 2012 de opdracht gekregen om samen met de gemeente Rijnwaarden en Rijkswaterstaat in de nabijheid van Lobith in drie zoekgebieden op zoek te gaan naar ruimte voor circa 70 ligplaatsen. De samenwerkende partijen hebben eind 2013 een voorlopige voorkeur uitgesproken voor het realiseren van de ligplaatsen in de Beijenwaard buitendijks in combinatie met het moderniseren van de bestaande overnachtingshaven in Tuindorp. De minister heeft op 3 juli 2014 deze voorkeurslocatie vastgelegd in een Voorkeursbeslissing (MIRT2) en de Tweede Kamer hierover geïnformeerd (IenM/BSK-2014/131042). Provinciale Staten zijn hier ook over geïnformeerd (PS2014-436). De samenwerkende partijen leggen deze locaties planologisch vast in een door de Staten vast te stellen inpassingsplan en vragen daarbij ook de plandragende vergunningen aan. Medio 2016 wordt het inpassingsplan ter vaststelling aangeboden aan Provinciale Staten. De slag van drie zoekgebieden naar één voorkeurslocatie, bestaande uit twee gebieden, wordt doorgevoerd in de tekst en de kaart van de Omgevingsvisie.

7.2.4 Verdieping niet-grondgebonden veehouderij     

Bij de vaststelling van de Omgevingsvisie op 9 juli 2014 hebben PS besloten om vooralsnog vast te houden aan het oude beleid voor niet-grondgebonden veehouderij, gebaseerd op oppervlaktematen. Ter voorbereiding op een nieuwe invulling van het beleid is GS gevraagd een beoordelingssysteem uit te werken om uitbreidingsruimte voor bedrijven te koppelen aan het bieden van extra kwaliteit op het terrein van gezondheid, dierenwelzijn, duurzaamheid en landschappelijke inpassing. Deze wijziging is al doorgevoerd zoals verwoord in het amendement. In deze slag wordt het amendement consequent doorgevoerd in de verdieping bij de Omgevingsvisie.



Ook wordt in de tekst het besluit opgenomen van het rijk om de reconstructiewet in te trekken (KB van 1 juli 2014). In de oorspronkelijke tekst werd dit besluit aangekondigd. Inmiddels is het besluit genomen. De tekst wordt hierop aangepast.

7.2.5 Verdieping Groene Ontwikkelingszone     

In de verdieping over het onderdeel 'Groene Ontwikkelingszone' zijn de toelichtende teksten in lijn gebracht met de verordening. Het gaat enkel om verduidelijking van de gehanteerde termen.

7.2.6 Bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen     

De bijlage 'kernkwaliteiten Nationale Landschappen' wordt vervangen door een versie met de juiste datum en titel. De inhoud blijft gelijk.

7.2.7 Kaartaanpassingen Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone     

De beschreven kaartaanpassingen worden doorgevoerd in de kaart bij de Omgevingsvisie èn bij de Omgevingsverordening. Dat betekent dat na de actualisatie de kaarten volledig overeenkomen. De wijzigingen worden ook doorgevoerd in alle van GNN en GO afgeleide beleidskaarten en kaarten gebruikt in PDF's en webatlassen in de Omgevingsvsie. Dit betreft de beleidskaarten: Ganzenfourageergebieden, Weidevogelgebieden, Ecologische verbindingzone (toelichtend), Water als verbinder, Zoekgebied nieuwe natuur (toelichtend) , Windenergie aandachtsgebied, Windenergie niet kansrijk, Windenergie uitgesloten wegens provinciaal beleid en Windenergie mogelijk.

Rhederhof

Op basis van het vigerende bestemmingsplan heeft de gemeente een omgevingsvergunning verleend voor (woningbouw)ontwikkeling op een deel van het gebied Rhederhof. In het betreffende bouwplan is zorgvuldig met de ruimte omgegaan (bv. parkeren onder de bebouwing) en is recht gedaan aan de natuurlijke kwaliteiten met bijvoorbeeld maatregelen voor de dassen. Met de uitvoering van dit bouwplan kan nvulling gegeven worden aan de doelstelling voor woningbouw. Dit was in het verleden aanleiding voor het uit de EHS halen van Rhederhof.

Nu de (bouw)plannen kunnen worden uitgevoerd, is er reden om vanwege de kwaliteit van Rhederhof het gehele landgoed de status van Groene ontwikkelingszone te geven, met uitzondering van het bouwvlak en ontsluitingsweg zoals die in de omgevingsvergunning/NB-wetvergunning zijn opgenomen. De betreffende ontwikkeling door de ontwikkelaar moet immers uitgevoerd kunnen worden. Die situatie is daarom ingetekend op de kaarten bij de Omgevingsvisie en -verordening en daarmee kan direct de aanduiding 'in studie' vervallen.

Nieuw Hulckesteijn

De uitgangssituatie is het vigerend bestemmingsplan dat zeer gedateerd is (Bestemmingsplan Nieuw Hulckesteijn, vastgesteld door de raad 1972, goedgekeurd door GS 1973, KB 1975). In dit bestemmingsplan heeft het gebied de bestemming "Strand" wat betekent dat het gebied gebruikt mag worden voor water- en oeverrecreatie en dat er niet gebouwd mag worden. In het Streekplan 2005 en de Streekplanherziening herbegrenzing EHS (2009) lag Nieuw Hulckesteijn in de EHS. Op basis van de Green Deal werd dit RGV terrein in eerste instantie niet langer als 'natuur' ingetekend



Recreatieve ontwikkeling

In de Omgevingsvisie worden de dagrecreatieve terreinen, waaronder Nieuw Hulckesteijn, apart aangegeven als locaties waar recreatieve ontwikkelingen geconcentreerd zouden moeten worden. Er moet ruimte zijn voor het ontwikkelen van kostendragers van waaruit beheer en onderhoud van natuur en landschap en de publieke voorzieningen gefinancierd zou kunnen worden. In Nieuw Hulckesteijn is inmiddels een deel van het terrein met de kostendrager (camping) in ander handen overgegaan. De nieuwe eigenaar laat tot op heden blijken invulling te willen geven aan dit beleid. De camping is omgevormd tot recreatiepark en voorstellen ter versterking van natuur en landschap zijn onderdeel van overleg met gemeente en natuur en milieuwerkgroep.



Natuurwaarde van het westelijk deel

De rietzones die vanuit het water (N2000 gebied) doorlopen op het land zijn aardig ontwikkeld en vormen leefgebied voor doelsoorten van het N2000 gebied Randmeren: grote karekiet, en rode lijstsoorten als Baardmannetje, blauwborst en Roerdomp.

Het aangrenzend water is van belang als rustgebied voor smienten en ganzen die ook op het terrein foerageren, maar daarnaast vooral in de aangrenzende polder Arkenheem. Het grasland van het grootste deel van het terrein is relatief soortenrijk, matig voedselrijk vochtig grasland, mede doordat geen landbouwkundige bemesting heeft plaatsgevonden.

De zandstrandjes worden aanzienlijk bemest door ganzen die vanwege de afwezigheid van een rietkraag juist hier graag foerageren. Omdat er meestal ook geen recreanten zijn leidt hun aanwezigheid tot een onaantrekkelijk recreatiemilieu ( overal ganzenpoep).



Het geheel overziend is voor het westelijk deel van Nieuw Hulckesteijn de nu ingetekende begrenzing aangepast naar Groene ontwikkelingszone. Dit geeft aan dat er ontwikkelingen mogelijk zijn onder de voorwaarde van gelijktijdige versterking van de kernkwaliteiten natuur en landschap. Het biedt de ruimte aan de gemeente om met betrokken partijen de ruimtelijke ontwikkeling in het gebied verder vorm te geven vanuit de eigen gemeentelijke verantwoordelijkheid.

Hoofdstuk 8 Wijzigingen en aanvullingen Omgevingsvisie     

8.1 Wijzigingen Omgevingsvisie     

In dit hoofdstuk worden de wijzigingen en aanvullingen beschreven ten opzichte van de vastgestelde Omgevingsvisie (9 juli 2014). De wijzigingen en aanvullingen die "vet" zijn gemarkeerd treden in werking bij de vaststelling van dit tweede deel van de actualisatie van de Omgevingsvisie. De overige wijzigingen en aanvullingen zijn al door PS op 8 juli 2015 vastgesteld. Voor paragrafen die hier niet genoemd worden, treden ook geen wijzigingen op. Wijzigingen of aanvullingen kunnen betrekking hebben op de tekst, op de gehanteerde begrippen of kaarten. Dit onderscheid wordt aangegeven waar van toepassing.

8.1.1 Wijzigingen in beleidstekst     

Hieronder wordt verwezen naar de onderdelen van de Omgevingsvisie. Per onderdeel wordt aangegeven of er wat wijzigt en wat er dan wijzigt.

1.5 Aanpak opgaven

De tekst onder Status visie en aanpak wordt gewijzigd in:

Deze focus biedt de nodige ruimte om in te spelen op veranderingen in de samenleving. Zo nodig kan en zal de Omgevingsvisie (partieel) aangepast worden als blijkt dat deze toch een belemmering vormt om adequaat op nieuwe ontwikkelingen in te spelen. De provincie wil geen nieuwe separate strategische plannen naast de Omgevingsvisie, wel vinden nadere uitwerkingen plaats.

3.2.3.2 Biovergisting

De tweede bullit onder aanpak:

"het digestaat van de installaties in hoofdzaak weer wordt afgezet in de directe omgeving."



Wordt vervangen door:

"de installatie landschappelijk en infrastructureel kan worden ingepast in het bestaande landschap."



3.3.6. Bescherming van zwemwateren

De onderstaande tekst in de 1e alinea:

De provincie heeft de wettelijke taak tot aanwijzing en bescherming van zwemwateren, zie: de Lijst van zwemwateren. NB: Deze lijst wordt in april 2014 op basis van het Waterplan Gelderland geactualiseerd en vervolgens toegevoegd aan de Omgevingsvisie.

Wordt vervangen door:

De provincie heeft de wettelijke taak tot aanwijzing en bescherming van zwemwateren, zie de Lijst van zwemwateren op onze website www.gelderland.nl.

De onderstaande tekst wordt verwijderd:

De provincie zet zich in het bijzonder in voor de zwemwateren die onderdeel zijn van de recreatiegebieden van de voormalige recreatieschappen. De provincie richt zich op kwaliteitsverbetering en differentiatie van deze recreatiegebieden met behoud van de openbare (zwemwater)functie.

4.2.4.1.3 Nieuwe Hollandse Waterlinie

De derde alinea onder 'aanpak':

"Voor bescherming worden in overleg tussen de verschillende overheden de kernkwaliteiten uitgewerkt voor de Ruimtelijke verordening. Ook faciliteert de provincie de ontwikkeling van standaardregels voor de bescherming van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in bestemmingsplannen."

Wordt vervangen door:

"De provincie heeft samen met de andere betrokken overheden de kernkwaliteiten NHW uitgewerkt. De provincie ondersteunt en faciliteert de gemeenten bij het proces tot vaststelling van een bestemmingsplan waarin regels ter bescherming van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie worden opgenomen."

4.2.6.1 Natte landnatuur

De gehele paragraaf wordt vervangen door onderstaande tekst:

De natte landnatuur levert een belangrijke bijdrage aan de ecologische diversiteit van Gelderland. Daarom streven de provincie en haar partners er samen naar om de natte landnatuur als onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk duurzaam in stand te houden en zo mogelijk te versterken. Dit betekent onder andere dat de provincie de waterhuishoudkundige omstandigheden op orde willen brengen en houden. Natuurontwikkeling via functieverandering en inrichting en omvorming (bijvoorbeeld van bos naar heide) zijn erg belangrijk om natte landnatuur te versterken.

Ambitie en rol van de provincie

De natte landnatuur bevindt zich binnen het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natte landnatuur beschermen en de watercondities voor verdroogde natte landnatuur herstellen. De provincie stelt de ambities vast via de ambitiekaart van het natuurbeheerplan en via het vaststellen van de beheerplannen Natura 2000. De provincie wijst in de Omgevingsvisie de functie natte landnatuur aan.

Aanpak

De provincie heeft de functie natte landnatuur toegekend aan

  • begrensde bestaande natuur met natte beheertypen
  • begrensde algemene beheertypen op een natte standplaats
  • de functie natte landnatuur in buitendijkse gebieden waar via waterbeheermaatregelen goede omstandigheden voor natte landnatuur kunnen worden gecreëerd.

Doorwerking van beleid

Deze functietoekenning heeft via de Waterwet doorwerking naar het beleid van de waterschappen in Gelderland. De provincie gaat er van uit dat de waterschappen, gemeenten, rijk en de provincie zelf rekening houden met de functies, zoals hierboven genoemd via het stand still - step forward beginsel. Bij hun handelen zorgen zij voor geen achteruitgang en bij veranderingen in ruimte en waterhuishouding zorgen zij zo mogelijk voor verbetering. Bij verbeteringsplannen van beheerders van natte landnatuur leveren zij alle medewerking die nodig is, waarbij initiatiefnemers van de verbeteringsplannen zorgen voor een sluitende begroting.

Proces van herstel

De waterschappen bepalen via een gebiedsgericht GGOR-proces (Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regiem) de benodigde maatregelen of aanpassingen van de natuurdoelen. Vervolgens worden met de provincie de resultaten overlegd en worden er verdere afspraken gemaakt over de uitvoering. Daarna voert het waterschap de voorgestelde werken uit. Bij dit proces biedt de provincie zo nodig bestuurlijke ondersteuning.

Voor herstel en ontwikkeling van de natte landnatuur en de daarmee samenhangende grondverwerving wordt de 'Ladder van Keereweer' gevolgd. Dit geldt ook bij projecten waarbij door de beheerder alleen interne maatregelen in gebieden worden genomen. De ladder van Keerweer is er voor bedoeld om een evenwicht te vinden tussen doelrealisatie binnen het GNN en vernattingseffecten buiten het GNN. Vernatting buiten GNN en de laatste percelen binnen GNN is mogelijk, als de ladder van Keereweer wordt gebruikt.

Binnen de door het Rijk bepaalde kaders werkt de provincie in overleg met haar partners in het Natura 2000-proces de doelen en maatregelen uit in beheerplannen. De provincie contracteert bij de waterschappen en beheerders de uitvoering van PAS-maatregelen (Programmatische Aanpak Stikstof) in Natura 2000-gebieden waardoor uitvoering van de PAS-maatregelen binnen de wettelijke termijn, de eerste planperiode Natura 2000-beheerplannen, haalbaar is.

Voor de gebieden die niet onder Natura 2000 of de PAS vallen wordt gewerkt volgens de realisatiestrategie van de Beleidsuitwerking Natuur en Landschap. Herstel van natte landnatuur in projecten wordt door de trekker van het herstelproject gemonitord. De algemene trends worden door de provincie gemonitord in het beleidsmeetnet verdroging.

In totaal zijn 69 gebieden onderscheiden waarin een grote concentratie natte landnatuur voorkomt en hydrologische maatregelen nodig zijn om de gebieden te herstellen, zie Natte landnatuur herstelgebieden. Voor deze gebieden is aanpassing van de waterhuishouding één van de maatregelen. Dit wordt vaak voorafgegaan door functieverandering, inrichting en interne maatregelen van de beheerder. Doel van de lijst is om duidelijkheid te geven over de totale provinciale ambitie voor anti-verdroging. De provincie maakt op basis van deze lijst afspraken met waterschappen en beheerders om het herstel uit te voeren.

Ook buiten deze herstelgebieden kan natte landnatuur worden hersteld. Het gaat om 6.400 ha. De provincie zal met de beheerders afspraken maken, als zij met goede initiatieven komen. Deze initiatieven kunnen zowel betrekking hebben op maatregelen binnen, als buiten het te herstellen gebied. Dit betekent dat de beheerders ook de verantwoordelijkheid dragen voor het doorlopen van het benodigde proces, eventueel onderzoek, de onderbouwing, de realisatie van de positieve effecten en de mitigatie van de negatieve effecten van de ingreep in de waterhuishouding.

Rolopvatting

De provincie is:

  • normerend

Instrumenten

  • bescherming
  • contractering uitvoering
  • beheerplannen Natura 2000
  • PAS
  • toekenning waterhuishoudkundige Functie natte landnatuur
  • de Ladder van Keereweer

4.2.6.2 Beschermingszones natte landnatuur

De gehele paragraaf wordt vervangen door onderstaande tekst:

De natte landnatuur levert een belangrijke bijdrage aan de ecologische diversiteit van Gelderland. Om de natte landnatuur duurzaam in stand te houden willen de provincie en haar partners de waterhuishoudkundige omstandigheden op orde brengen en houden.

Ambitie en rol van de provincie

Het is de ambitie van de provincie om de waterhuishoudkundige omstandigheden rond de natte landnatuur op orde te houden. Negatieve effecten op de grondwaterstand en -stroming door waterhuishoudkundige en ruimtelijke ingrepen moeten worden voorkomen. Sturing op grondwaterkwaliteit gebeurt op Europees en landelijk niveau via het Actieprogramma Nitraatrichtlijn, toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen en het activiteitenbesluit. Stimuleringsprojecten gericht op verbetering van grondwaterkwaliteit worden door de provincie wel ondersteund.

 

Aanpak

Ter bescherming van de natte landnatuur zijn beschermingszones aangewezen. Deze hebben een maximale grootte van 200 meter. De bescherming van de natte landnatuur door beschermingszones natte landnatuur richt zich op activiteiten van bedrijven en particulieren. De beschermingszones van de natuurgebieden die nog niet zijn hersteld, zijn maximaal 800 m. Binnen de eerste 200 meter zone zullen de waterschappen een strikt beleid gaan voeren. In het resterende deel van de beschermingszones is beregening wel mogelijk, drainage alleen onder voorwaarden.

Na uitvoering van de herstelmaatregelen en de besluitvorming hierover vervallen deze aanvullende voorwaarden voor drainage buiten de 200 m zone. Voor de Natura 2000-gebieden worden de beschermingszones uit de beheerplannen gehanteerd.

Voor de beschermingszones nemen de waterschappen drainage en beregeningsbeleid op in hun beheerplannen en keuren. Voor ruimtelijke veranderingen in deze zones heeft de provincie regels in de Omgevingsverordening opgenomen.

Rolopvatting

De provincie is:

  • normerend.

Instrumenten

  • bescherming
  • toekenning waterhuishoudkundige functie
  • verordening

4.2.6.3.1 HEN-wateren

De onderstaande tekst:

De provincie streeft naar het ontwikkelen en veiligstellen van de HEN-wateren. De Waterwijzers zijn hierbij richtinggevend en het CEW-kompas is een handreiking om te bepalen welke samenhang er is tussen Cultuurhistorie, Ecohydrologie en Water.

wordt vervangen door:

De provincie streeft naar het ontwikkelen en veiligstellen van de HEN-wateren. De Waterwijzers die in Bijlage 15 Waterwijzer Deel A en in Bijlage 16 Waterwijzer Deel B zijn opgenomen zijn hierbij richtinggevend. Het CEW-kompas is een handreiking om te bepalen welke samenhang er is tussen Cultuurhistorie, Ecohydrologie en Water

4.2.6.3.2 SED-wateren

De onderstaande tekst:

De provincie streeft naar het veiligstellen en ontwikkelen van de SED-wateren. De Waterwijzers zijn hierbij richtinggevend en het CEW-kompas is een handreiking om te bepalen welke samenhang er is tussen Cultuurhistorie, Ecohydrologie en Water.

wordt vervangen door:

De provincie streeft naar het ontwikkelen en veiligstellen van de SED-wateren. De Waterwijzers die in Bijlage 15 Waterwijzer Deel A en in Bijlage 16 Waterwijzer Deel B zijn opgenomen zijn hierbij richtinggevend. Het CEW-kompas is een handreiking om te bepalen welke samenhang er is tussen Cultuurhistorie, Ecohydrologie en Water

4.3.6 Waterveiligheid

Paragraaf 4.3.6 wordt geheel vervangen door onderstaande tekst:

De provincie gaat uit van een langjarige en duurzame aanpak om Gelderland blijvend te beschermen tegen overstromingen vanuit de (grote) rivieren en de Veluwerandmeren. Preventie is de primaire pijler van het beleid. De realisatie van de Planologische Kernbeslissing Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken wordt gezien als de eerste stap in een doorlopend traject naar een toekomstbestendig riviersysteem dat rond 2100 is ingericht op een hogere maatgevende afvoer: voor de Rijntakken 18.000 m3/s bij Lobith en voor de Maas 4.600 m3/s bij Borgharen. Bij de inrichting wordt bovendien rekening gehouden met zeespiegelstijging. Met de Deltabeslissingen 2015 is de noodzakelijke vervolgstap genomen.

Bij een dreigende overstroming werken veiligheidsregio's, waterschappen en andere partijen samen, zodat tijdig en adequaat wordt gehandeld.

De opgaven die de provincie en haar partners zien, zijn:

  • blijvende bescherming tegen overstromingen vanuit de (grote) rivieren en de Randmeerkust;
  • waar dat vanuit het oogpunt van waterveiligheid mogelijk is: ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden;
  • versterken van de kwaliteiten voor de (vrijetijds)economie van het rivierenlandschap en de Randmeerkust.

Provinciale ambitie en rol

De provincie werkt samen met haar partners aan de waterveiligheid. Dit doet de provincie vanuit haar rol

  • als partner in (inter)nationale overleggen
  • als gebiedsregisseur
  • vanuit de verantwoordelijkheid voor onder andere ruimtelijke ordening, ruimtelijke kwaliteit en het water-, natuur- en milieubeleid.

De provincie heeft een toezichthoudende rol bij calamiteiten. De provincie ziet er op toe dat de regionale rampenbestrijdingsorganisatie bij calamiteiten goed werkt, ook grensoverschrijdend.

Aanpak

  • Waterveiligheid gaat voor de provincie bij voorkeur samen op met Natura 2000 en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
  • Voor het realiseren van de waterveiligheidsopgave fungeren de voorkeursstrategieën als gezamenlijk kompas, een samenspel van dijkverbeteringen en rivierverruimingen.
  • De te nemen maatregelen worden in gebiedsprocessen en samenspraak met partners uitgewerkt.
  • Gezien de tijdshorizon van de klimaatopgave, het jaar 2050, neemt de provincie nu geen ruimtelijk besluit over de maatregelen uit de voorkeursstrategieën. De Omgevingsvisie is dus niet kaderstellend, voor wat betreft de maatregelen uit de voorkeursstrategieën.

Om de waterveiligheid te garanderen, werkt de provincie in vier parallelle sporen.

  1. Internationale samenwerking

Door samenwerking met internationale partners wil de provincie een duurzame hoogwaterbescherming in de grote rivieren stimuleren, waarbij solidariteit een leidraad is. De focus ligt op samenwerking met Duitsland. De provincie deelt twee grensoverschrijdende dijkringen met Nordrhein-Westfalen. Beleid en ingrepen ten behoeve van waterveiligheid in Duitsland hebben invloed op de waterafvoer van de Rijn.

  1. Nationale samenwerking

Door samenwerking op nationaal niveau wil de provincie werken aan de realisatie van een evenwichtig maatregelenpakket voor zowel het Gelderse rivierengebied als de Zuidwestelijke Delta, de Drechtsteden, de kust en het IJsselmeer. Dit geldt ook voor het onderzoek aan grote systeembeslissingen, zoals de waterverdeling over de Rijntakken en de afstemming met het IJsselmeerbeheer.

  1. Regionale samenwerking:

Regionale samenwerking betreft vooral rivierverruiming en dijkverbetering. De provincie blijft volgens de beproefde aanpak met haar partners gebiedsgericht werken aan een veiliger rivierengebied door rivieren meer ruimte te geven en dijken te versterken. Hierbij:

  • gaat de provincie door met bestaande programma's als WaalWeelde;
  • blijft de provincie de Beleidslijn grote rivieren volgen;
  • borgt de provincie dat de regionale waterkeringen op orde zijn.

4. Nieuwe beschermingsconcepten:

Om de waterveiligheid ook op de lange termijn te garanderen, zijn er nieuwe concepten nodig, zoals:

  • deltadijken
  • maatregelen in de ruimtelijke inrichting, om minder kwetsbaar te zijn (meerlaagsveiligheid).

Op de korte termijn is het belangrijkste doel het op orde krijgen van de primaire en regionale keringen. Hieraan wordt gewerkt:

  • met de gebiedsaanpak in de programma's Ruimte voor de Rivier en WaalWeelde
  • via het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) voor de primaire keringen
  • door het aanwijzen en normeren van de regionale keringen.

Voor waterveiligheid op de lange termijn gaat de provincie uit van de voorkeursstrategieën Waal en Merwedes, Nederrijn/Lek en IJssel. De regionale voorkeursstrategieën zijn opgenomen De regionale voorkeursstrategieën zijn opgenomen in Bijlage 11 Tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan (ontwerpplan) en op de kaart in Bijlage 12 Verbeelding Voorkeursstrategie  verbeeld.

In 2015 vindt voor de Maas een verdiepend onderzoek plaats om de voorkeursstrategie voor deze rivier verder uit te werken. Na afronding van het onderzoek wordt het strategisch kompas hierop aangepast.

De klimaatopgave wordt bij voorkeur met rivierverruiming gerealiseerd, in samenhang met dijkversterking en/of dijkverhoging. Zo kan ruimtelijke kwaliteit worden toegevoegd en kunnen andere beleidsdoelen of ambities voor gebruiksfuncties worden meegekoppeld. Conform het principe van adaptief deltamanagement is de uitvoering afhankelijk van klimatologische en sociaal-/economische ontwikkelingen.

De waterveiligheidsopgave, die ontstaat als dijken volgens de huidige normen of de nieuwe normspecificaties niet voldoen, wordt met dijkverbetering ingevuld. Bijlage 13 Maatregelen uit de voorkeursstrategieën bevat een overzicht van de rivierverruimende maatregelen uit de voorkeursstrategieën.

Tijdens een dreigende calamiteit, zoals een overstroming, treedt de regionale rampenbestrijdingsorganisatie in werking. De veiligheidsregio's zijn primair verantwoordelijk voor rampenbestrijding en crisisbeheersing.

De provincie wil de ruimtelijke verankering van de rivierverruimende maatregelen in co-creatie vormgeven, op basis van een integrale afweging van waterveiligheid met andere (gebruiks)functies en belangen en milieueffecten. Het beoogde eindresultaat is een gezamenlijk ruimtelijk besluit van gemeenten en provincie, naar analogie van de werkwijze die is gevolgd voor de Structuurvisie WaalWeelde-west. Met de Structuurvisie WaalWeelde-west vindt de ruimtelijke verankering plaats van maatregelen uit de voorkeursstrategie in de gemeenten Lingewaal, Maasdriel, Neerijnen en Zaltbommel. Deze maatregelen zijn om die reden niet opgenomen in het overzicht van de rivierverruimende maatregelen uit de voorkeursstrategieën. Bijlage 13 Maatregelen uit de voorkeursstrategieën 

De precieze keuze van ruimtelijke maatregelen en de programmering ervan worden allereerst bepaald door urgentie vanuit waterveiligheid en daarnaast door de hydraulische effectiviteit, de milieueffecten, initiatieven voor zelfrealisatie, het ontstaan van meekoppelkansen, kosten en financieringsmogelijkheden. Voor wat betreft de uitvoeringsvolgorde van de HWBP-maatregelen gaat de provincie uit van de huidige werkwijze, waarbij de meest urgente maatregelen als eerste worden uitgevoerd.

Rolopvatting

De provincie is:

  • normerend
  • inspirerend
  • verbindend

Instrumenten

  • verordening
  • toezicht

4.3.6.1 Waterveiligheid tot 2015 (wordt Deltaprogramma)

Deze paragraaf wordt geheel vervangen door onderstaande paragraaf en de titel wordt veranderd in "Deltaprogramma".

Samenspel dijkverbetering en rivierverruiming

De provincie werkt samen met het Rijk, aangrenzende provincies, gemeenten, waterschappen, veiligheidsregio's en maatschappelijke partners aan de voorbereiding en uitwerking van maatregelen die nodig zijn om nu en in de toekomst veilig te blijven tegen hoogwater en te beschikken over een goede zoetwatervoorziening.

Provinciale ambitie en rol

De provincie werkt samen met haar partners aan de waterveiligheid voor de lange termijn. Dit doet de provincie vanuit haar rol als partner in (inter)nationale overleggen, als gebiedsregisseur en vanuit de verantwoordelijkheid voor onder andere ruimtelijke ordening, ruimtelijke kwaliteit en het water-, natuur- en milieubeleid.

Aanpak

Voor de waterveiligheid op de lange termijn gaat de provincie uit van het samenspel tussen dijkverbetering en rivierverruiming. Een aantal maatregelen wordt al door, en met regionale partners voorbereid. Deze maatregelen zijn onderdeel van de regionale voorkeursstrategieën, die zijn opgenomen in Bijlage 11 Tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan (ontwerpplan). De regio acht de uitvoering van deze maatregelen kansrijk voor 2030. Dit betreft de maatregelen Grebbedijk-Deltadijk, Rivierklimaatpark IJsselpoort en de Hoogwatergeul Varik-Heesselt. Het initiatief voor de maatregel Grebbedijk-Deltadijk ligt bij de het waterschap Vallei en Veluwe. Voor Klimaatpark IJsselpoort fungeert Natuurmonumenten als initiatiefnemer. De provincie ondersteunt Natuurmonumenten hierbij in het kader van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT).

De provincie heeft de rol van trekker/initiatiefnemer voor de maatregel Hoogwatergeul Varik-Heesselt, tot en met de vaststelling van het voorkeursalternatief. Voor deze maatregel werkt de provincie met haar partners toe naar het starten van een verkenning in 2015 in het kader van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Hiertoe wordt de veiligheidsopgave als onderdeel van een integrale gebiedsontwikkeling in co-creatie uitgewerkt tot een gemeentelijk en provinciaal ruimtelijk besluit. Op deze wijze wordt waterveiligheid waar mogelijk gekoppeld aan kansen voor ruimtelijke kwaliteit, ruimtelijk-/economische ontwikkelingen, energiewinning en natuurdoelstellingen. Als onderdeel van de gebiedsontwikkeling onderzoekt de provincie of- en op welke wijze zij haar instrumentarium kan inzetten ten behoeve van de realisatie van provinciale doelstellingen.

Integrale gebiedsontwikkeling

De provincie wil als gebiedsregisseur verschillende doelen in een gebiedsgerichte integrale aanpak realiseren als dat meerwaarde heeft. Bijvoorbeeld bij ruimtelijke maatregelen uit de voorkeursstrategieën die geografisch samenvallen met urgente dijkverbeteringen. En wanneer er raakvlakken zijn tussen dijkverbetering, ruimtelijke- en economische ambities, bestaande landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden (LNC-waarden) en ruimtelijke kwaliteit.

De provincie met de waterschappen naar mogelijkheden de maatregelen uit het HWBP te koppelen aan lopende integrale gebiedsontwikkeling zoals WaalWeelde.

De provincie heeft de rol van gebiedsregisseur en stuurt het samenspel tussen dijkverbetering en rivierverruiming. Bovendien opereert de provincie als verbinder van partijen en initiatieven. Dit doet de provincie op zodanige wijze dat dijkverbetering en rivierverruiming in samenhang worden vormgegeven en zodanig dat voor de ruimtelijke maatregelen een voorkeursalternatief (MIRT voorkeursbeslissing) wordt vastgesteld, dat kan rekenen op draagvlak bij betrokken partners en waarvoor de financiering geborgd is.

Ruimtelijke reserveringen

Voor gebieden waar in de toekomst mogelijk binnendijks ruimte aan de rivier wordt toegevoegd is door het rijk een ruimtelijke reservering in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgenomen. Deze reserveringen maken deel uit van de Voorkeursstrategie Waterveiligheid Rivierengebied uit het Nationaal Waterplan. Aanvullend op het nationaal beleid heeft de provincie de regierol voor de pilot Ontwikkelingsgericht Reserveren Rijnstrangen. In deze pilot onderzoekt de provincie met het rijk en met lokale partners hoe geborgd kan worden dat het gebied niet ‘op slot gaat’, zonder dat dit leidt tot grootschalige en/of kapitaalintensieve ontwikkelingen die toekomstige rivierverruiming onmogelijk maken. De provincie gaat er vanuit dat de resultaten van deze pilot essentieel zijn voor het planologische regime van alle reserveringen voor waterveiligheid en als zodanig hun doorwerking krijgen in het Barro.

Buitendijkse maatregelen

Om de rivierverruimende maatregelen uit de voorkeursstrategieën te realiseren onderzoekt de provincie op welke wijze zij met bestaand en eventueel nieuw instrumentarium zelfrealisatie kan activeren en/of bespoedigen.

Ruimtelijke adaptatie

Het Rijk en IPO ondertekenden samen met anderen de Intentieverklaring Ruimtelijke Adaptatie. Hierin is afgesproken dat klimaatbestendig en waterrobuust inrichten uiterlijk 2020 onderdeel is van het beleid en het handelen, zodat bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers ontstaat, als gevolg van een overstroming. Overeenkomstig de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie doorloopt de provincie met gemeenten, waterschappen en de veiligheidsregio’s de volgende drie stappen:

  • analyse van de waterrobuustheid en klimaatbestendigheid van het binnendijkse gebied;
  • vertaling van de resultaten van deze analyse in een ambitie en adaptatiestrategie;
  • doorwerking van de ambitie en adaptatiestrategie in het provinciale beleid.

Dit vindt plaats op basis van expliciete afspraken over ambitie, doel, taken, rollen en verantwoordelijkheden. Bovendien hanteert de provincie het uitgangspunt dat nieuwe ontwikkelingen en herontwikkeling niet nodeloos of ‘per definitie’ gehinderd worden.

De provincie vindt de watertoets essentieel en gaat er vanuit dat deze blijft bestaan en dat de toepassing van dit instrument geborgd is. De watertoets borgt dat risico’s voor overstroming en/of wateroverlast worden meegewogen in de locatiekeuze en/of in het betreffende ruimtelijke besluit.

Verder is afstemming met Natura 2000-gebieden essentieel. In de rijksaanwijzingsbesluiten zijn voor Natura 2000 doelstellingen vastgelegd. De provincie wil een goede afstemming van waterveiligheid en Natura 2000. Het is daarom belangrijk om vanaf het begin van de planvorming beide doelstellingen mee te nemen. Als doelstellingen strijdig blijken te zijn, zoekt de provincie naar mogelijkheden om te schuiven in de locatie voor Natura 2000- en waterveiligheidsmaatregelen. Uitgangspunt is dat de totaalopgave wordt gerealiseerd.

Rolopvatting

De provincie is:

  • inspirerend
  • verbindend

Instrumenten

  • verordening
  • plan begeleiding
  • goedkeuring projectplannen dijkverbetering en dijkverlegging

4.3.6.1.1 Primaire Keringen

Deze paragraaf wordt omgenummerd naar 4.3.6.2 en hernoemd naar "Primaire keringen". De tekst wordt vervangen door:

De provincie streeft samen met het Rijk, de waterschappen, gemeenten en veiligheidsregio's naar voldoende bescherming tegen hoogwater. Het kabinet bereidt een wetsvoorstel voor met nieuwe waterveiligheidsnormen. Het beschermingsniveau en de bijbehorende normen voor de kering zijn bepaald op basis van de risicobenadering. Daarbij geldt: hoe groter de gevolgen, hoe strenger het beschermingsniveau en dus de norm. De provincie onderschrijft het nut en de noodzaak van de nieuwe normering en het streven dat alle waterkeringen in 2050 aan de nieuwe normen voldoen. Gezien de omvang van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), met name langs de Waal, verwacht de provincie dat de waterkeringen veelal eerder aan de nieuwe normering zullen voldoen, omdat deze met het bestaande en toekomstige HWBP wordt meegenomen. Daarbij is het uitgangspunt dat de nieuwe normen in 2017 wettelijk van kracht zijn. Vanaf 2018 zullen de primaire keringen getoetst worden op basis van de nieuwe normering.

De provincie hanteert het uitgangspunt dat preventie leidend is voor het realiseren van het beschermingsniveau. Alleen in specifieke gevallen, als preventieve maatregelen onevenredig kostbaar blijken en/of leiden tot onacceptabele maatschappelijke effecten, kan wat betreft de provincie aan de orde zijn of het combineren van preventieve maatregelen met maatregelen in de tweede en derde laag een oplossing biedt (maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie). Dit is in overeenstemming met de lijn uit het Nationaal Waterplan (NWP).

Provinciale ambitie en rol

Gelderland heeft een groot belang bij voldoende bescherming tegen hoogwater. Het Rijk is de kadersteller voor de primaire keringen, de waterschappen gaan over de aanleg, verbetering, ruimtelijke bescherming (in samenwerking met de gemeenten) en toetsing van de dijken. Zij voeren het beheer en onderhoud van de waterkeringen uit. De veiligheidsregio's zijn verantwoordelijk voor de voorbereiding op de rampenbestrijding. De provincie keurt de projectplannen goed voor aanleg/verlegging en verbetering van de primaire waterkeringen en is bevoegd gezag voor de bijbehorende m.e.r.-procedures.

Naast voldoende bescherming zijn een goede ruimtelijke inpassing en een goede ruimtelijke kwaliteit van de dijklichamen belangrijk voor de provincie. De rol van de provincie ligt hierbij met name in de verbinding met de ruimtelijke ordening en de risicobeheersing (meerlaagsveiligheid, gebiedsprojecten, deltadijken) en koppeling aan andere beleidsdoelen en gebruiksfuncties.

Aanpak

In de toekomst neemt de schaal en omvang van de waterkeringen mogelijk toe, als resultaat van de nieuwe waterveiligheidsnormen en de mogelijke aanpassing van de toetsregel voor piping. De provincie voorziet om die reden in het volgende:

  1. Nieuwe normering

De provincie wil met het Rijk, de waterschappen, gemeenten en veiligheidsregio’s onderzoeken op welke manier de ruimtelijke consequenties van de nieuwe waterveiligheidsnormen en de nieuwe rekenregel voor piping doorwerken in raakvlakken tussen dijkverbetering en andere (ruimtelijke) functies en bestaande waarden. Deze informatie wil de provincie gebruiken om met het rijk, waterschappen, gemeenten en veiligheidsregio’s kansen te benutten en knelpunten om te buigen tot kansen. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot nieuwe gebiedsontwikkelingsprojecten, innovatieve dijkconcepten of nieuw (ruimtelijk) beleid, om knelpunten op te lossen en/of kansen te benutten.

  1. Ruimtelijke kwaliteit

Binnen Gelderland is door de waterschappen veel ervaring opgedaan in de ruimtelijke inpassing van dijkverbetering met bestaande landschappelijk, natuur en cultuurhistorische waarden (LNC-waarden). De provincie gaat er vanuit dat het HWBP dijkverbetering uitgevoerd wordt op basis van een ruimtelijke visie van de waterschappen voor het betreffende dijkverbeteringstraject, naar analogie van de werkwijze die door de waterschappen met de dijkverbeteringen is ontwikkeld in het kader van Ruimte voor de Rivier. De provincie onderschrijft het proces dat binnen het HWBP hiervoor uitgelijnd is in de Handreiking landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit in waterveiligheidsopgaven. De provincie wil samen met de waterschappen en de gemeenten borgen dat de ruimtelijke samenhang in stand blijft, ook als verschillende dijkverbeteringstrajecten op verschillende momenten in tijd worden uitgevoerd.

De provincie wil samen met de waterschappen onderzoeken op welke wijze de provincie invulling kan geven aan toetskaders ten behoeve van de wettelijke vereisten voor de ruimtelijke inpassing van dijkverbetering. Dit in het kader van het goedkeuringsbesluit voor dijkverbetering dat de provincie neemt.

De provincie is betrokken bij de implementatie van de Europese Richtlijn overstromingsrisico's (ROR). In 2013 zijn de overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten gepubliceerd. Deze kunnen worden ingezien op de website: risicokaart.nl.

De provincie en de waterschappen willen onderzoeken of- en op welke wijze het meerwaarde heeft dat de waterschappen in plaats van de provincie de berekeningen voor deze kaarten en de onderliggende overstromingsanalyses uitvoeren. Dit is naar verwachting efficiënt omwille van de regionale en lokale gebiedskennis van de waterschappen en de werkzaamheden die zij reeds uitvoeren in het kader van onderzoek aan wateroverlast. Het beoogde eindresultaat is heldere afspraken over regie, operationalisering en beheer.

Rolopvatting

De provincie is:

  • inspirerend
  • verbindend

Instrumenten

  • planbegeleiding
  • goedkeuring projectplannen voor dijkverbetering

4.3.6.1.2 Regionale keringen

Deze paragraaf wordt omgenummerd naar 4.3.6.3. De tekst wordt vervangen door:

Samen met de waterschappen en gemeenten zorgt de provincie voor voldoende bescherming tegen overstroming, door het op orde krijgen en houden van de regionale keringen.

Provinciale ambitie en rol

De provincie is toezichthouder op de regionale keringen. Dat zijn waterkeringen die:

  • bescherming bieden tegen overstroming uit het regionale watersysteem
  • of een functie hebben bij het beperken van de gevolgen vanuit het hoofdwatersysteem
  • of waterkeringen die behouden moeten blijven vanwege een mogelijke toekomstige functie.

Aanpak

De provincie wijst de regionale keringen aan, normeert de keringen via de verordening en beoordeelt de toetsing van de regionale waterkeringen. Dit doet zij in samenspraak met de waterschappen.

De normeringssystematiek van de regionale keringen wijkt af van de systematiek die voor de primaire keringen wordt gehanteerd. De provincie bepaalt in overleg met de waterschappen of de systematiek voor de regionale keringen hierop moet worden aangepast.

Een aantal keringen speelt een rol in relatie tot de nieuwe waterveiligheidsnorm van de primaire keringen. Op dit moment (2015) ontbreekt de urgentie de waterveiligheidsnorm van de regionale keringen, die is gebaseerd op overschrijdingskans, aan te passen. De provincie en de waterschappen ronden een intensief en zorgvuldig proces af van normeren, een eerste toetsing en waar nodig programmeren van versterking. De provincies werken in 2015/2016, samen met de waterschappen en de Stowa (binnen het Ontwikkelingsprogramma Regionale Waterkeringen III), aan een nieuwe visie op regionale waterkeringen die aansluit bij de laatste kennis en inzichten op het gebied van waterveiligheid (waaronder de normeringsmethodiek). De provincie bepaalt vervolgens in overleg met de waterschappen of voor (een deel van) de regionale keringen de overstap naar een normering op basis van overstromingsrisico’s aan de orde is.

De provincie is betrokken bij de implementatie van de Europese Richtlijn Overstromings Risico's (ROR).

Onder meer via de ROR komt meer aandacht voor de gevolgen van een overstroming (risicobenadering). Onderscheid wordt gemaakt in vier provinciale instrumenten:

  • aanwijzen van regionale keringen;
  • normering van regionale keringen: continuering van het huidige systeem van regionale keringen;
  • toezicht op beheer en onderhoud van de regionale keringen;
  • meer inzicht in de gevolgen en informatievoorziening voor mensen en bedrijven via de ROR.

De inzichten uit de ROR en uit de resultaten van de toetsing van de regionale wateroverlast kunnen leiden tot nieuwe inzichten over het aanvullend aanwijzen van regionale keringen.

Rolopvatting

De provincie is:

  • normerend

Instrumenten

  • verordening
  • planbegeleiding

4.3.6.2 Deltaprogramma

Deze paragraaf wordt verwijderd.

4.3.6.2.1 Waterveiligheid richting 2100

Deze paragraaf wordt verwijderd

4.3.7 Externe veiligheid

De tekst onder "Aanpak" wordt vervangen door onderstaande tekst:

De provincie geeft in de Beleidsvisie Omgevingsveiligheid 2015 haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s in Gelderland voor zover zij bevoegd gezag is. Daarbij gaat het om de risico’s door de opslag, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De beleidsvisie (Bijlage 3 Beleidsvisie omgevingsveiligheid provincie Gelderland) en de daaraan gekoppelde beleidsregels (Bijlage 4 Beleidsregels omgevingsveiligheid provincie Gelderland) hebben vooral een toegevoegde waarde voor een eenduidige uitvoering van de wet- en regelgeving op het gebied van de externe veiligheid. In de beleidsvisie staat op welke manier de provincie omgaat met de beleidsvrijheid op het gebied van de externe veiligheid, deze zit vooral in het afwegingskader van het groepsrisico.

De provincie, de Wgr-regio's, de veiligheidsregio's, de gemeenten en een aantal rijksonderdelen zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het beperken van de externe veiligheidsrisico's in Gelderland. Ieder heeft daarbij zijn eigen rol, verantwoordelijkheid en mogelijkheden. Voor de provincie ligt hier – ook in de toekomst – een belangrijke coördinerende taak.

De provincie maakt de Risicokaart Gelderland, in samenwerking met de gemeenten, het Rijk, de waterschappen en de veiligheidsregio's.

De provincie wijst aan welke provinciale wegen niet gebruikt kunnen worden voor transport van gevaarlijke stoffen.

4.4 Water en ondergrond

Onder "Ambitie", na de 1e alinea "De provincie stuurt...inrichting van Gelderland." wordt de volgende alinea toegevoegd:

De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit.

Onder "Aanpak", na de 5e alinea "Vanuit het landelijke Deltaprogramma...als nieuw beleid." wordt de volgende alinea toegevoegd:

In het kader van de KRW zijn in 2009 doelen voor het oppervlaktewater en maatregelen voor het grondwater vastgesteld door de provincie. Conform de Kaderrichtlijn Water vindt iedere zes jaar actualisatie plaats aan de hand van landelijke afspraken en de resultaten van de voorgaande periode. Een verdere verdieping en uitwerking is te vinden in de Verdieping.

4.4.1 Zoetwatervoorziening

Paragraaf 4.4.1 wordt vervangen door onderstaande tekst:

Zoetwater is van belang voor onze economie en maatschappij. De provincie en haar partners streven naar het veiligstellen van de zoetwatervoorziening op lange termijn, met als doel schade door watertekort zo veel mogelijk te beperken. Dit doen wij vanwege:

  • het in stand houden en het bevorderen van een gezond en evenwichtig watersysteem
  • het beschermen van cruciale gebruiksfuncties
  • effectief en zuinig gebruik van het beschikbare water
  • bevorderen concurrentiepositie van Nederland wat betreft watergerelateerde economie
  • ontwikkelen van waterkennis, - kunde en – innovatie ten behoeve van de zoetwaterdoelen

Provinciale ambitie en rol

De provincie streeft naar beperking van de negatieve gevolgen van watertekort, door nieuwe strategieën voor zoetwaterbeheer. De provincie handelt bij de zoetwatervoorziening vanuit haar rol als partner in (inter)nationale overleggen, als gebiedsregisseur en vanuit de verantwoordelijkheid voor onder andere ruimtelijke ordening en ruimtelijke kwaliteit en het water-, natuur- en milieubeleid.

De provincie zal haar rol als volgt invullen:

  • Het in stand houden en bevorderen van een gezond en evenwichtig watersysteem

De provincie stelt de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft invulling aan het nieuwe instrument “voorzieningenniveaus”. Via de voorzieningenniveaus geven de overheden inzicht in de beschikbaarheid van water en de kans op watertekorten. De provincie heeft de regie op het proces om te komen tot voorzieningenniveaus. Zij stelt in overleg met haar regionale partners spelregels op en maakt afspraken over de inzet van instrumenten, over het ambitieniveau en de borging. Dit geldt zowel voor grond- als voor oppervlaktewater.

In 2018 zijn de eerste voorzieningenniveaus gereed: voor elk waterschap worden één of meerdere pilots uitgevoerd. Direct hierna volgt een evaluatie en in 2021 zijn de voorzieningenniveaus voor alle gebieden vastgelegd in de Omgevingsvisie en waterbeheerplannen. De voorzieningenniveaus gelden voor 18 jaar.

  • Het beschermen van cruciale gebruiksfuncties

De beschermde gebieden voor het grondwater, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend, alsmede de condities voor drinkwater, speciale waterecologie en (grond)waterafhankelijke landnatuur.

  • Effectief en zuinig gebruik van het beschikbare drinkwater

De provincie stelt kaders voor alle grondwateronttrekkingen en borgt het effectief en zuinig gebruik van het beschikbare drinkwater met het operationeel beheer via vergunningen voor grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. Met de Gelderse waterschappen en landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem.

  • Bevorderen concurrentiepositie van Nederland wat betreft watergerelateerde economie

Het benutten van de kansen die bodem en ondergrond bieden en het behouden van de waarde van bodem en ondergrond voor toekomstige generaties en te komen tot een integrale, efficiënte en duurzame benutting hiervan.

  • Ontwikkelen van waterkennis, - kunde en – innovatie ten behoeve van de zoetwaterdoelen

De provincie ondersteunt met financiële middelen voor bijvoorbeeld onderzoek en pilots (kennisopbouw en experimenten) en door het meedenken over financieringsmodellen voor ontwikkelingen. Dit vindt plaats in samenwerking met partners in bedrijfsleven en onderwijs.

Aanpak

Werken volgens een nieuwe strategie van: sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren, daarmee wil de provincie bereiken dat voldoende zoetwater beschikbaar is voor de lange termijn. Daarvoor moet ook op verschillende schaalniveaus worden samengewerkt, binnen Gelderland, maar ook met Nederlandse en Duitse partners, onder andere via het Deltaprogramma. Voor de zoetwatervoorziening werkt de provincie in het Deltaprogramma via vijf parallelle sporen:

  1. Vergroten van de regionale watervoorraad

Door maatregelen in de ruimtelijke ordening en inrichting de regionale watervoorraad vergroten, zodat de zelfvoorzienendheid wordt vergroot. Dat vraagt om ingrepen die het watersysteem robuuster maken. De focus ligt hierbij op:

  • het vergroten van de zelfvoorzienendheid van de hoge zandgronden;
  • het vergroten van de zelfvoorzienendheid van het rivierengebied;
  • de zoetwatervoorziening in stedelijk gebied.

De provincie wil, via bijvoorbeeld pilots regionale zelfvoorzienendheid, de relatie tussen waterbeheer en ruimtelijke ordening vormgeven. Vooralsnog lijken grootschalige ingrepen ter bestrijding van de effecten van watertekort niet kosteneffectief. Lokaal maatwerk en het meekoppelen van maatregelen bij herinrichting van gebieden en bij beekherstel, zijn in potentie wel kosteneffectief.

  1. Faciliteren watervraag

Door ruimtelijke ontwikkelingen te sturen, zorgt de provincie ervoor dat de watervraag zo goed mogelijk gefaciliteerd kan worden. Binnen het proces van de voorzieningenniveaus wil de provincie de discussie over ruimtelijke sturing van functies ten aanzien van droogte en wateroverlast voeren.

  1. Verminderen van de watervraag

Door (het stimuleren van) zuinig watergebruik en waterinnovaties wil de provincie werken aan het verminderen van de watervraag. De provincie focust op waterinnovaties in FoodValley en op nieuwe rolverdelingen tussen private en publieke partijen in het waterbeheer en de financiering van het waterbeheer. De nadere uitwerking van het profijt- en het veroorzakingsbeginsel tussen overheden en gebruikers zal hierbij een plek krijgen.

  1. Vergroten van het wateraanbod in het hoofdsysteem

Door conserveringsmaatregelen en samenwerking op stroomgebiedniveau wil de provincie het wateraanbod in het hoofdwatersysteem vergroten, met daarin een initiërende rol. De focus ligt op de samenwerking rond de Rijn en Maas, (Inter)nationaal, en op afspraken voor de minimale Rijnafvoer.

  1. Verdelen van het beschikbare water

Door de inzet van nieuwe technieken en door samenwerking en afstemming met andere deelgebieden wil de provincie het water (in het hoofdsysteem) doelmatig, efficiënt, duurzaam en solidair verdelen. Het gaat daarbij onder meer om:

  • onderzoek naar een variabele verdeling van het Rijnwater over de Rijntakken
  • de inzet van zoetwater voor de terugdringing van zoutwater
  • afstemming met het IJsselmeerbeheer

De provincie gaat er van uit dat het IJsselmeerpeil de komende decennia niet zal stijgen.

Om in tijden van watertekort op basis van maatschappelijke overwegingen het beschikbare water te verdelen is een landelijke verdringingsreeks vastgesteld. Ook zijn regionale verdringingsreeksen opgesteld voor het Valleikanaal (is opgenomen in de Waterverordening waterschap Vallei en Veluwe) en voor de Twentekanalen (wordt opgenomen in de Waterverordening waterschap Rijn en IJssel).

Rolopvatting

De provincie is:

  • normerend
  • inspirerend
  • verbindend

Instrumenten

  • financiën
  • Deltaprogramma zoetwatervoorziening
  • verdringingsreeksen
  • waterverordening per waterschap

4.4.2 Oppervlaktewaterkwaliteit (wordt Kaderrichtlijn Water)

De titel wordt gewijzigd in "Kaderrichtlijn Water". De gehele paragraaf wordt vervangen door:

4.4.2.1 Oppervlaktewater

De provincie en haar partners streven samen naar herstel en behoud van alle oppervlaktewateren in Gelderland, waarbij de oppervlaktewateren ten minste voldoen aan de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW).

Ambitie en rol van de provincie

Uiterlijk in 2027 voldoen alle Gelderse oppervlaktewateren aan de gestelde ecologische en chemische doelen van de KRW. De provincie stelt daarvoor de doelen, begrenzing, type, status en het doelbereik 2021 van de niet-natuurlijke oppervlaktewaterlichamen vast. Voor de kleinere oppervlaktewateren die niet zijn aangemerkt als oppervlaktewaterlichaam en die niet onder de KRW-rapportageverplichting aan de Europese Commissie vallen (de zogenaamde 'overige wateren'), gelden de chemische normen uit de BKMW. De provincie stelt de ecologische streefdoelen voor deze 'overige wateren' vast in 2018.

Aanpak

De provincie stelt de oppervlaktewaterlichamen en de bijbehorende doelen voor deze waterlichamen vast, zoals weergegeven in de zogenoemde KRW-factsheets oppervlaktewater. Deze factsheets vindt u in Bijlage 1 Factsheets Oppervlaktewaterlichamen (KRW) en in de Webatlas Kaderrichtlijn Water (KRW) Grond- en Oppervlaktewater 2016-2021. In 2009 zijn deze doelen vastgesteld en in 2015 geactualiseerd, passend binnen de stringente voorwaarden van de KRW. In de komende planperiode worden ook de doelen voor overige wateren opgepakt door de waterschappen in samenwerking met de provincie. Deze worden in 2018 vastgesteld middels een partiële herziening van de Omgevingsvisie.

Rolopvatting

De provincie is:

  • normerend
  • verbindend

Instrumenten

  • Omgevingsvisie
  • financiële instrumenten
  • interbestuurlijk toezicht

4.4.2.2. Grondwater

De provincie wil in overeenstemming met de KRW dat grondwatersystemen voldoende en duurzaam functioneren voor grondwaterafhankelijke natuur en de openbare drinkwatervoorziening.

 

Ambitie en rol provincie

Uiterlijk 2027 voldoet het grondwatersysteem aan de gestelde doelen. De provincie stelt daarvoor de grondwatermaatregelen waarvoor zij verantwoordelijk is vast.

Aanpak

De provincie stelt de maatregelen vast voor het grondwater voor de planperiode 2016-2021. Deze zijn opgenomen in de factsheets in Bijlage 2 Factsheets Grondwaterlichamen (KRW) en in de Webatlas Kaderrichtlijn Water (KRW) Grond-en Oppervlaktewater (2016-2021). De maatregelpakketten om de doelen te realiseren zijn tot stand gekomen door nauwe samenwerking met partners als gemeenten, drinkwaterbedrijf, landbouworganisaties en terreinbeherende organisaties in een gebiedsproces.

Rolopvatting

De provincie is:

  • verbindend

Instrumenten

  • Omgevingsvisie
  • financiële instrumenten

4.4.4 Drinkwater

De eerste alinea wordt vervangen door:

De provincie streeft er naar om voor de lange termijn en op een verantwoorde manier Gelderland van drinkwater te voorzien. De bron van het drinkwater is grondwater. Dit betekent dat er voldoende grondwater beschikbaar is en op lange termijn blijft. Het water moet op eenvoudige wijze gebruikt kunnen worden voor de bereiding van drinkwater, dus zonder ingrijpende en kostbare zuivering. De effecten van de grondwaterwinning op andere functies zijn minimaal en maatschappelijk aanvaardbaar.

Het woord "Vitens", als laatste woord onder "Aanpak" wordt verwijderd.

4.4.4.1 Grondwaterbeschermingsgebieden

De eerste alinea en de paragraaf "Ambitie en rol van de provincie" worden vervangen door onderstaande tekst:

De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen.

Ambitie en rol van de provincie

De provincie heeft vanuit de Drinkwaterwet een zorgplicht voor een duurzame openbare drinkwatervoorziening. De provincie wil de beschikbaarheid van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening veiligstellen en houdt daar bij haar besluiten rekening mee.

De provincie moet in het kader van de Wet milieubeheer (artikel 2.1) een verordening opstellen. Deze moet regels bevatten voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Deze regels gelden in de gebieden die in de verordening zijn aangewezen. De provincie is daarmee verantwoordelijk voor de kwaliteit van de drinkwaterbronnen voor de openbare drinkwatervoorziening. Aan deze wettelijke verplichting voldoet de provincie door de vaststelling van de Omgevingsverordening met daarin de regelgeving die voor de grondwaterbeschermingsgebieden van toepassing is.

Punt 3 onder "Aanpak" wordt vervangen door:

Maatregelen op grond van de Kader Richtlijn Water: vaststellen van gebiedsdossiers en het uitvoeren van de daaruit voorkomende maatregelen aan de hand van een uitvoeringsprogramma, uitvoeren van bodemsaneringen, en reduceren of sluiten van winningen. Ook monitort de provincie de grondwaterkwaliteit en –kwantiteit.

Onder instrumenten wordt "ontheffingen" vervangen door "meldingen".

4.4.4.2 Grondwaterbescherming voor te sluiten drinkwaterwinningen

De gehele paragraaf wordt vervangen door:

De provincie streeft ernaar de drinkwaterbronnen voor de openbare drinkwatervoorziening te beschermen.

Ambitie en rol van de provincie

De provincie heeft vanuit de Drinkwaterwet een zorgplicht voor een duurzame openbare drinkwatervoorziening. De provincie wil de beschikbaarheid van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening veiligstellen en daar bij besluiten rekening mee houden.

Aanpak

Mede op grond van de overeenkomst Duurzame Drinkwatervoorziening Gelderland 2008-2015 van 18 november 2008 tussen provincie en het drinkwaterwaterbedrijf Vitens, worden twee winningen gesloten. Dit zijn de stedelijke winningen Nieuwe Marktstraat in Nijmegen (sluiting in 2015) en Vierakker in Zutphen (sluiting in 2016). In de beschermingsgebieden van Nieuwe Marktstraat en Vierakker wordt het beleid voor bodemenergiesystemen tot de sluiting van de pompstations versoepeld. Dat wil zeggen dat alle toepassingen van bodemenergiesystemen zijn verboden binnen de 5-jaarszone van die winningen (zone waarbinnen het grondwater in minder dan 5 jaar bij de winning is). Normaal gesproken is dat in de 25-jaarszone

Rolopvatting

De provincie is:

  • normerend

Instrumenten

  • verordening

4.4.4.3 Waterwingebieden

De eerste alinea en de paragraaf "Ambitie en rol van de provincie" worden vervangen door onderstaande tekst:

De provincie streeft er naar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen.

Ambitie en rol van de provincie

De provincie heeft vanuit de Drinkwaterwet een zorgplicht voor een duurzame openbare drinkwatervoorziening. De provincie wil de beschikbaarheid van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening veiligstellen en daar bij besluiten rekening mee houden.

De provincie moet in het kader van de Wet milieubeheer (artikel 2.1) een verordening opstellen. Deze moet regels bevatten voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Deze regels gelden in de gebieden die in de verordening zijn aangewezen. De provincie is daarmee verantwoordelijk voor de kwaliteit van de drinkwaterbronnen voor de openbare drinkwatervoorziening. Aan deze wettelijke verplichting voldoet de provincie door de vaststelling van de Omgevingsverordening met daarin de regelgeving die van toepassing is op onder andere de waterwingebieden.

4.4.4.4 Boringsvrije zones

De eerste alinea en de paragraaf "Ambitie en rol van de provincie" worden vervangen door onderstaande tekst:

De provincie streeft er naar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen.

Ambitie en rol van de provincie

De provincie heeft vanuit de Drinkwaterwet een zorgplicht voor een duurzame openbare drinkwatervoorziening. De provincie wil de beschikbaarheid van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening veiligstellen en daar bij besluiten rekening mee houden.

De provincie moet in het kader van de Wet milieubeheer (artikel 2.1) een verordening opstellen. Deze moet regels bevatten voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Deze regels gelden in de gebieden die in de verordening zijn aangewezen. De provincie is daarmee verantwoordelijk voor de kwaliteit van de drinkwaterbronnen voor de openbare drinkwatervoorziening. Aan deze wettelijke verplichting voldoet de provincie door de vaststelling van de Omgevingsverordening met daarin de regelgeving die van toepassing is op onder andere de boringsvrije zones.

4.4.4.5 Intrekgebieden

De eerste alinea en de paragraaf "Ambitie en rol van de provincie" worden vervangen door onderstaande tekst:

De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen.

Ambitie en rol van de provincie

De provincie heeft vanuit de Drinkwaterwet een zorgplicht voor een duurzame openbare drinkwatervoorziening. De provincie wil de beschikbaarheid van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening veiligstellen en daar bij besluiten rekening mee houden.

De provincie moet in het kader van de Wet milieubeheer (artikel 2.1) een verordening opstellen. Deze moet regels bevatten voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Deze regels gelden in de gebieden die in de verordening zijn aangewezen. De provincie is daarmee verantwoordelijk voor de kwaliteit van de drinkwaterbronnen voor de openbare drinkwatervoorziening. Aan deze wettelijke verplichting voldoet de provincie door de vaststelling van de Omgevingsverordening met daarin de regelgeving die van toepassing is op onder andere de intrekgebieden.

Aanpak

Voor een effectieve en duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening maakt de provincie onder andere gebruik van regelgeving en vergunningverlening. De provincie wil niet dat fossiele energie (aardgas, aardolie, schaliegas of steenkoolgas) gewonnen wordt in de intrekgebieden voor de drinkwatervoorziening.

4.4.4.6 Oppervlaktewater voor drinkwaterbereiding

De eerste zin van de paragraaf:

De provincie en haar partners streven er samen naar de inzet van oppervlaktewater voor

drinkwaterbereiding blijvend mogelijk te maken.

wordt gewijzigd in:

De provincie streeft er naar de inzet van oppervlaktewater voor drinkwaterbereiding blijvend mogelijk te maken.

5 Uitvoering

In de zin "Ook via thematische programma’s, zoals het Uitvoeringsprogramma Externe Veiligheid 2011-2014 of het regionaal samenwerkingsprogramma Lucht wordt uitvoering gegeven aan de opgaven van de Omgevingsvisie." wordt het jaartal 2011-2014 verwijderd.

8.1.2 Wijzigingen in toelichting (Verdieping)     

Hieronder wordt verwezen naar de onderdelen van de omgevingsvisie. Per onderdeel wordt aangegeven of er wat wijzigt en wat er dan wijzigt.

2.2.1 Overnachtingshaven Lobith

De tekst:

"Een veilige en vlotte doorstroming van het regionale scheepvaartverkeer is belangrijk. Om aan de vaar- en rusttijden te voldoen moeten schippers om de circa 30 kilometer bij een overnachtingshaven terecht kunnen. De haven bij Lobith (Tuindorp) heeft niet voldoende capaciteit. In het (MIRT-)project Overnachtingshaven Lobith (samenwerking gemeente Rijnwaarden, Rijkswaterstaat en provincie Gelderland) worden drie locaties onderzocht (Beijenwaard, Bijland, Oude Waal). De overnachtingshaven moet in 2019 gerealiseerd zijn."



Wordt vervangen door:

"Een veilige en vlotte doorstroming van het regionale scheepvaartverkeer [Link naar 3.10.4] is belangrijk. Om aan de vaar- en rusttijden te voldoen moeten schippers om de circa 30 kilometer in een overnachtingshaven terecht kunnen. De haven bij Lobith (Tuindorp) heeft niet voldoende capaciteit. In het (MIRT-)project Overnachtingshaven Lobith (samenwerking gemeente Rijnwaarden, Rijkswaterstaat en provincie Gelderland) zijn de modernisering van de bestaande overnachtingshaven bij Tuindorp en de aanleg van een nieuwe overnachtingshaven bij Spijk vastgelegd in een voorkeursbeslissing (MIRT2). De overnachtingshaven moet in 2019 gerealiseerd zijn."



3.7.10 Biovergisting

De tekst:

"De mest(co-)vergisting als agrarische activiteit maakt gebruik van agrarische biomassastromen en ligt in de directe omgeving van waar deze biomassastromen beschikbaar komen. Daarom past ze in de agrarische bedrijfsomgeving. Wanneer digestaat wordt afgezet buiten de lokale landbouw is sprake van een grootschaliger industriële activiteit die vanwege vervoerstromen en inpassing beter passen op de locaties genoemd bij B."



Wordt vervangen door:

"De mest(co-)vergisting als agrarische activiteit maakt gebruik van agrarische biomassastromen en ligt in de directe omgeving van waar deze biomassastromen beschikbaar komen. Daarom past ze in de agrarische bedrijfsomgeving. Wanneer uitvergiste biomassa (digestaat) grootschalig wordt verwerkt en voornamelijk wordt afgezet buiten de Nederlandse landbouw kan sprake zijn een grootschaliger industriële activiteit die vanwege vervoerstromen en inpassing beter passen op locaties genoemd bij 3.2.3.2 a."

3.8.4. Bescherming van zwemwateren

De gehele tekst wordt vervangen door:

De provincie inventariseert jaarlijks de wateren waarin, volgens de definitie van de Europese Zwemwaterrichtlijn, een groot aantal mensen zwemt. Dit betreft zowel rijkswateren al 'provinciale wateren'. Vervolgens moet voor deze wateren, voor zover dat al niet is gebeurd, onderzocht en afgewogen worden of het toekennen van de functie zwemwater wenselijk is. Het rijk kent de functie zwemwater toe aan de rijkswateren en de provincie aan de ‘provinciale wateren’. Het toekennen van de functie zwemwater is een (wettelijke) voorwaarde om een zwemwater aan te kunnen wijzen. De provincie wijst vervolgens jaarlijks de zwemwateren aan, zowel de rijkswateren als de ’provinciale wateren’. Deze aanwijzing bepaalt dat de waterkwaliteitsbeheerder zich inspant om de waterkwaliteit te monitoren en een beheer te voeren dat is gericht op het behouden van kwaliteitseisen voor zwemwater. Een actueel overzicht van de zwemwateren in Gelderland is opgenomen in de Lijst van zwemwateren.

Aan alle aangewezen zwemwateren is dus ook de waterhuishoudkundige functie zwemwater toegekend. Onderstaand volgt de beschrijving van deze functie.

Functie: Zwemwater

De functie ‘zwemwater’ geldt voor die wateren die opgenomen zijn in de Lijst van zwemwateren.

Voor de zwemwateren geldt dat:

  • zwemmen toegestaan is en het zwemmen niet strijdig is met andere functies;
  • het voldoende veilig is om in te zwemmen;
  • naar verwachting door een groot aantal mensen (definitie Europese Zwemwaterrichtlijn) wordt gezwommen;
  • de waterkwaliteit aan de gestelde waterkwaliteitseisen vanuit de Europese Zwemwaterrichtlijn en de Nederlandse wetgeving voldoet;
  • het gedurende het grootste deel van het zwemseizoen mogelijk moet zijn om te kunnen zwemmen zonder te veel risico’s voor de gezondheid van de zwemmers.

3.9.10 Zonering niet-grondgebonden landbouw

De tekst aan het einde van de eerste alinea:

"In 2002 is de Reconstructiewet vastgesteld. Deze wordt naar verwachting in 2014 door het Rijk ingetrokken."



Wordt vervangen door:

"In 2002 is de Reconstructiewet vastgesteld. De wet is per 1 juli 2014 door het Rijk ingetrokken. Ondank het vervallen van de wet is de zonering in het Gelders omgevingsbeleid gehandhaafd."



Onder de kop Landbouwontwikkelingsgebied

De laatste zinnen van de paragraaf:

"Het Rijk is voornemens om de Reconstructiewet in te trekken. Wanneer dit gebeurd is, kunnen de provincies de reconstructieplannen intrekken. De provincie wil de reconstructiezonering op hoofdlijnen behouden. De verschillen tussen de zones zijn kleiner geworden. Ten tijde van de vaststelling van deze Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening verwacht de provincie dat het Rijk de Reconstructiewet heeft ingetrokken."



Wordt vervangen door:

"Het Rijk heeft de Reconstructiewet per 1 juli 2014 ingetrokken In het verlengde hiervan hebben Provinciale Staten besloten om de drie Gelderse reconstructieplannen in te trekken. De provincie wenst echter de reconstructiezonering op hoofdlijnen voorlopig te behouden om lopende procedures, waaronder een aantal bedrijfsverplaatsingen, zorgvuldig af te kunnen handelen."



De tekst onder de kop Groei moet worden 'verdiend' wordt in zijn geheel vervangen door:

"De niet-grondgebonden veehouderij, met name de varkens- en pluimveebedrijven, mogen zich in Gelderland ontwikkelen op basis van bestaande rechten die deze bedrijven bezitten in het vigerend bestemmingsplan. Naast het voldoen aan de generieke wettelijke eisen wordt een goede ruimtelijke kwaliteit / landschappelijke inpassing vereist bij de uitbreiding.

Groeiende bedrijven die een groter bouwperceel (dan dat in het vigerend bestemmingsplan is toegekend) nodig hebben, krijgen in de toekomst extra eisen opgelegd. Bij elke bouwperceelvergroting in de niet-grondgebonden veehouderij is dan een 'maatschappelijke plus' vereist. Het gaat om bovenwettelijke maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit, milieu, volksgezondheid en dierwelzijn.

De provincie heeft deze aspecten nu nog niet nader uitgewerkt in de Omgevingsverordening. Deze uitwerking die zal leiden tot een beoordelingssysteem, vindt plaats in 2014 en 2015 samen met gemeenten en betrokken partijen. Het beoordelingssysteem moet vanaf 2016 gemeenten de mogelijkheid bieden om veehouderijen een groter bouwperceel toe te kennen.

Het te ontwikkelen beoordelingssysteem zal enerzijds voldoende concreet moeten zijn om planologische rechtszekerheid te bieden en om er individuele gevallen aan te kunnen toetsen maar zal ook ruimte moeten bieden voor maatwerk. Lokale omstandigheden en lokale wensen die voortkomen uit de dialoog met de omgeving kunnen leiden tot extra kwaliteit. Het uiteindelijke doel is dat maatschappelijk draagvlak, maatschappelijke prestaties en ontwikkelingsruimte samengaan.



Het te ontwikkelen beoordelingssysteem dient te kunnen rekenen op een breed draagvlak, met name bij gemeenten die straks met dit instrument moeten werken. Breed draagvlak op de schaal van de regio moet bovendien voorkomen dat er tussen gemeenten grote verschillen in beoordeling ontstaan.



Het stellen van proces-eisen voor de vergunningprocedure - zoals het vroegtijdig

inschakelen van een architect en landschapsontwerper en het voeren van een dialoog met de buren alvorens een vergunning aan te mogen vragen - kan de procedure rond agrarische vergunningen vergemakkelijken. De gemeente wordt geadviseerd deze mogelijkheden te benutten, via het uitwerken en benutten van gemeentelijke beleidsregels.



Wanneer het nieuwe beoordelingsysteem 'ontwikkelen met kwaliteit' gereed is kan het instrument van sturing op de omvang van het agrarisch bouwperceel vervallen. En met het vervallen van de bouwperceelsmaten kan de gehele reconstructiezonering verdwijnen. Dit alles vergt op dat moment een herziening van de omgevingsverordening."



4.3.1.3.1 Groene Ontwikkelingszone

Aan het eind van de alinea met als kop 'Kleinschalige uitbreiding overige functies: per saldo geen aantasting' de tekst toevoegen:

"Indien het effect op de kernkwaliteiten daarmee onvoldoende kan worden gemitigeerd en/of gecompenseerd, dan is een vorm van verevening de aangewezen weg om aantasting te voorkomen. De omvang van de verevening hangt dan samen met de aard en omvang van de uitbreiding en het effect daarvan op de kernkwaliteiten."



4.3.1.3.2 Verevening

De kop van de eerste alinea wordt veranderd in "Per saldo geen aantasting"

4.3.2.4 Nieuwe Hollandse Waterlinie

Toevoegen onderaan de tweede alinea na "… benodigde middelen.":

"Ook zijn inmiddels de kernkwaliteiten NHW gezamenlijk in beeld gebracht. De provincie ondersteunt en faciliteert de gemeenten bij het proces tot vaststelling van een bestemmingsplan waarin regels ter bescherming van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie worden opgenomen."

 

4.3.6 Klimaatbestendigheid

De volgende tekst wordt vervangen: Deze opgave pakt de provincie integraal aan: natuurgebieden en natuurlijk ingerichte wateren kunnen ingezet worden voor het vasthouden en bergen van water en zo bijdragen aan een robuuster watersysteem voor alle functies. Het gaat daarbij in eerste instantie om een kwaliteitsslag voor het verbeteren van de abiotische omstandigheden binnen de betreffende verbindingszones ter versterking van het watersysteem.

De nieuwe tekst wordt:

Deze opgave pakt de provincie integraal aan: natuurgebieden en natuurlijk ingerichte wateren kunnen ingezet worden voor het vasthouden en bergen van water en zo bijdragen aan een robuuster watersysteem voor alle functies. Het gaat daarbij in eerste instantie om een kwaliteitsslag voor het verbeteren van de abiotische omstandigheden binnen natuurgebieden en de betreffende verbindingszones ter versterking van het watersysteem. Het huidige antiverdrogingsbeleid is dus een altijd goed maatregel voor klimaatbestendigheid van het GNN.

4.3.9 Natte natuur

De tekst in 4.3.9 wordt geheel vervangen door onderstaande tekst:

Als groene provincie heeft Gelderland gekozen voor duurzame instandhouding van hoogwaardige natuurgebieden binnen het Gelders Natuurnetwerk. Natte natuurgebieden behoren tot de mooiste en waardevolste natuurgebieden van Gelderland. Zij zijn de schatkamers van de biodiversiteit. Om die waarden in stand te houden richten de provincie en haar partners zich op het behouden en herstellen van natte landnatuur binnen het Gelders Natuurnetwerk. In gebieden waar herstel nodig is worden de hydrologische condities afgestemd op de vereisten van de ecosystemen. Deze gebieden worden waar nodig uitgebreid via functieverandering, zodat zij voldoende robuust zijn om fluctuaties in de waterhuishouding op te vangen. Omdat door klimaatverandering de waterhuishouding verandert, is het extra belangrijk om de veerkracht van natuurgebieden te versterken.

Ligging natte natuur in Gelderland

De natte landnatuur is onderdeel van de natte natuur van Gelderland. In Bijlage 9 Natte natuur is de ligging van de natte landnatuur weergegeven. Deze kaart geeft de verschillende waterafhankelijke en aquatische natuur weer, zowel bestaand, als toekomstig. De onderdelen natte natuur zijn:

  • Natte landnatuur, natte landnatuurbeheertypen en algemene natuurbeheertypen op een natte standplaats
  • Riviernatuur, natuur afhankelijk van de rivierdynamiek buitendijks
  • Nieuwe natuur, onderdeel van de ontwikkelopgave GNN met als doel versterking van bestaande en nieuwe natte landnatuurbeheertype
  • Wateren met een ecologische doelstelling. Dit zijn wateren van het hoogste ecologische niveau (HEN) of wateren met een specifieke ecologische doelstelling (SED)
  • KRW oppervlaktewaterlichamen, met als doel een in de omgevingsvisie vastgelegd goed ecologisch potentieel (GEP)

Functie natte natuur

De tekst in 4.3.10 wordt geheel vervangen door onderstaande tekst:

De functie 'natte landnatuur' is opgenomen in Bijlage 9 Natte natuur. De inrichting en het beheer van het waterhuishoudkundige systeem zijn voor natte landnatuur gericht op de realisatie van de water- en milieucondities volgens de natte natuurbeheertypen zoals opgenomen in de kernkwaliteiten van het Gelderse Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Wij gaan ervan uit dat provincie zelf, waterschappen, gemeenten en beheerders van natuur in hun normale bevoegdheden en werk rekening houden behoud en herstel van natte landnatuur.

  1. Bescherming
  • het veiligstellen en zo mogelijk ontwikkelen van de natte landnatuur en minstens het handhaven van de huidige waterhuishoudkundige situatie - dit betekent minimaal een 'stand still' van de huidige gemiddelde grondwaterstand en zo mogelijk een step forward;
  • het afstemmen van het oppervlaktewaterbeheer en het beheer van het oppervlaktewater in de natuurgebieden op de natuurwaarden en –doelen.

  1. Herstel
  • het beperken van nadelige effecten van grondwateronttrekkingen;
  • het optimaliseren van ont- en afwatering ten behoeve van de natte landnatuur in de herstelgebieden.

4.3.11 Beschermingszones natte landnatuur

De tekst in 4.3.11 wordt geheel vervangen door onderstaande tekst:

Alle natte natuurgebieden staan via grond- of oppervlaktewater onder invloed van hun omgeving. Onder ideale omstandigheden liggen binnen de hydrologische beïnvloedingsgebieden bossen en natuurgebieden binnen het Gelders Natuurnetwerk. Dan zijn geen beschermingszones nodig. Beschermingszones zijn wel nodig waar natuurgebieden binnen het Gelders Natuurnetwerk beïnvloed kunnen worden vanuit aangrenzende functies.

Beschermingszones zijn zones waarbinnen ruimtelijke en waterhuishoudkundige ontwikkelingen in principe niet zijn toegestaan als deze de natte natuurwaarden negatief beïnvloeden. In geval van ontwikkelingen moet worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkelingen de te beschermen natuurwaarden niet negatief beïnvloeden.

Functie: beschermingszone natte landnatuur

De functie ‘beschermingszone natte landnatuur’ geldt in de zone rondom natuurgebieden binnen het GNN die zijn aangewezen als natte landnatuur en die zijn gelegen in gebieden met hydrologische beïnvloeding via het grondwatersysteem. Het betreft dan vooral de Gelderse zandgebieden. Bij kleigebieden met peilbeheersing en gebieden in de directe omgeving van de grote rivieren is de invloed via het grondwatersysteem nihil en wordt geheel bepaald door de rivier. Dan zijn beschermingszones gericht op effecten via het grondwatersysteem niet effectief.

Initiatiefnemers moeten rekening houden met de effecten van hun initiatief op de grondwaterstand en -stroming met het oog op de natuurwaarden en -doelen van het nabijgelegen natuurgebied

4.3.12 Herstel verdroogde natuur

De tekst in 4.3.12 wordt geheel vervangen door onderstaande tekst:

Het herstel van verdroogde natuurgebieden binnen het Gelders Natuurnetwerk wordt uitgevoerd in een samenwerking tussen de provincie, waterschappen, terreinbeherende organisaties, gemeenten, landgoedeigenaren en overige grondeigenaren. Er zijn al goede vorderingen gemaakt, maar er ligt nog een flinke opgave.

Het herstel van de waterhuishouding in de Natura 2000-gebieden wordt met voorrang opgepakt. Er is al een groot deel van de uit te voeren PAS-maatregelen in Natura 2000-gebieden uitgevoerd en gecontracteerd. Dit betekent dat de wettelijke termijn voor afronding van de PAS-maatregelen, de eerste beheerplan periode, voor de reeds gecontracteerde gebieden haalbaar is. In het Natura 2000-proces bepaalt het Rijk de kaders; de provincie werkt in overleg met haar partners de doelen en maatregelen uit in beheerplannen.

De waterschappen staan centraal bij de uitvoering van het hydrologisch herstel. Zij werken op basis van overeenkomsten met de provincie en/of op basis van beschikkingen afgegeven door de provincie waarin doelen, tijd en middelen zijn vastgelegd. De uitvoering van hydrologische herstelmaatregelen is onderdeel van de realisatie van het Gelders Natuurnetwerk. Daarom streeft de provincie ernaar om de realisatie van het Gelders Natuurnetwerk en de verdrogingsbestrijding te voltooien in 2025.

Herstel gebieden

In 69 natte natuurgebieden is er een antiverdroging (rest)opgave. Van deze gebieden zijn er 15 op orde of op orde gemaakt en in 17 gebieden zijn maatregelen in uitvoering. Voor 37 (waaronder 11 gebieden met de status Natura 2000) moeten nog herstel maatregelen worden genomen. De namen van alle 69 gebieden zijn aangegeven in Bijlage 10 Natte landnatuur herstelgebieden.

Uitvoering herstel

Het gewenste grond- en oppervlaktewaterbeheer in deze gebieden kan van geval tot geval verschillen en vraagt een uitwerking via een GGOR-traject (Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regiem). Voor het afwegen en kiezen van het waterregime voor de functie natte natuur en (grond)watergerelateerde Natura 2000-gebieden, geldt het optimale waterregime (OGOR=GGOR of ten minste 90% doelrealisatie van de natuurbeheertypen uit het natuurbeheerplan) als uitgangspunt. Als dit niet haalbaar of betaalbaar wordt geacht, wordt met de provincie overlegd over de te maken keuze op hoofdlijnen. Over de uitvoering van de specifieke herstelprojecten of programma’s maken provincie en partners afspraken en leggen die vast in overeenkomsten en beschikkingen. Ook in dit traject kan overleg over keuzes nodig zijn.

4.3.12.1 Ladder van Keereweer

De gehele tekst wordt vervangen door:

Bij de realisatie hanteert de provincie de ‘ladder van Keereweer’:

Stap 1: Stand still waarborgen: vaststellen van de dubbelfunctie (hydrologische beschermingszone natte landnatuur rond natte landnatuur);

Stap 2: Mogelijkheden voor herstel verkennen: (her)beoordelen van de fysieke uitvoerbaarheid van hydrologisch herstel van de betreffende natte landnatuur;

Stap 3: Schade voorkomen door functieverandering, goede gebiedsindeling en kavelruil;

Stap 4: Ondervangen van schade met inrichtingsmaatregelen. Indien dit niet mogelijk is:

Stap 5: Compenseren van de schade met een vrijwillige overeenkomst. Indien dit niet mogelijk is:

Stap 6: Tegemoetkomen in de schade bij onvrijwillig uitvoeren van maatregelen of onteigening.

Onteigening in stap 6 wordt alleen in uiterste gevallen gebruikt bij de realisatie van PAS-maatregelen. De mogelijkheden van de stappen 2 tot en met 5 moeten ten volle benut zijn voordat stap 6 kan worden gezet. De provincie moet door het waterschap betrokken worden bij de beoordeling en afwikkeling van vernattingschade bij de stappen 5 en 6. Het college van Gedeputeerde Staten zal per geval haar advies aan het waterschap over stap 6 voorleggen aan de betreffende provinciale Statencommissie.

4.3.12.2 Monitoring

Voor de belangrijkste natte natuurgebieden, waaronder Natura 2000 zijn meer gedetailleerde monitoringssystemen nodig. Hiermee worden de algemene trends in deze gebieden gevolgd. De provincie heeft het voortouw bij de realisatie.

4.3.13 Waternatuur

De volgende zin in de 1e alinea wordt gewijzigd:

Bovendien hebben deze wateren als karikteristieke elementen in het landschap een hoge belevingswaarde voor mensen.

De tekst wordt gewijzigd in:

Bovendien hebben deze wateren als karakteristieke elementen in het landschap een hoge belevingswaarde voor mensen.

Na deze 1e alinea "Gelderland is rijk.....belevingswaarde voor mensen." wordt de volgende alinea toegevoegd:

In Gelderland zijn HEN- en SED-wateren benoemd, die van een bijzondere waardevolle ecologische kwaliteit zijn. De HEN-wateren zijn onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk, de SED-wateren liggen er grotendeels buiten.

In de 2e alinea: "Samen met haar partners....cultuurhistorische waarden betreft." wordt een koppeling gemaakt naar de Waterwijzers (Bijlage 15 Waterwijzer Deel A en Bijlage 16 Waterwijzer Deel B) en wordt de tekst gewijzigd in:

Samen met haar partners voert de provincie al jaren een beleid voor herstel van de morfologie, de hydrologie en verbetering van de chemische en biologische waterkwaliteit. Het Sprengen- en Bekenprogramma is inmiddels afgerond. Het beleid wordt voortgezet, nu met nog meer aandacht voor waterkwaliteit en waternatuur als integraal onderdeel van het omringende landschap, zoals uitgewerkt in de Waterwijzers, zie Bijlage 15 Waterwijzer Deel A en Bijlage 16 Waterwijzer Deel B en in het CEW-kompas voor zover het cultuurhistorische waarden betreft.

4.5.2 Oppervlaktewaterkwaliteit (wordt Kaderrichtlijn Water)

De titel wordt gewijzigd in "Kaderrichtlijn Water" en de gehele tekst wordt vervangen door onderstaande tekst:

Sinds 2000 is de Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze Europese richtlijn schrijft voor dat in 2015 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik. Hiervoor zijn doelen geformuleerd, die zijn gebaseerd op haalbare en betaalbare maatregelen. Onder voorwaarden is fasering mogelijk tot uiterlijk 2027. De KRW is in Nederland vastgelegd in de Waterwet en het Besluit Kwaliteitseisen en Monitoring Water (BKMW).

De KRW onderscheidt drie planperioden: 2009-2015, 2016-2021 en 2022-2027. Het is een voortrollend proces. Iedere volgend plan is gebaseerd op de resultaten van de voorgaande periode. Zowel voor het uiteindelijk in 2027 bereiken van de doelen als voor het uitvoeren van de maatregelen per planperiode geldt voor de KRW vanuit Europa een resultaatverplichting.

De doelen en maatregelen zijn eind 2009 vastgelegd in de eerste generatie water(beheer)plannen van de provincies, de waterschappen en Rijkswaterstaat en in het landelijke Stroomgebiedbeheersplan (SGBP). Het Rijk stuurt het SGBP naar de EU. In 2009 zijn de KRW-doelen en -maatregelen voor Gelderland vastgesteld in het Waterplan Gelderland 2010-2015. Het Waterplan, inclusief het KRW-deel is opgegaan in de Omgevingsvisie.

De KRW geeft aan dat eens in de zes jaar alle informatie moet worden bijgewerkt. Voor de periode 2016-2021 moeten de doelen en de maatregelen uit 2009 worden geactualiseerd, waarna -na inspraak- eind 2015 de vaststelling plaatsvindt.

De uitvoering van de KRW vindt plaats op het niveau van deelstroomgebieden. Gelderland maakt deel uit van de deelstroomgebieden Rijn-Oost, Rijn-West en voor een heel klein stukje van Maas. Provinciale Staten zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de doelen voor het oppervlaktewater, voor de begrenzing, status, type en doelbereik 2021 van de oppervlaktewaterlichamen en voor de grondwatermaatregelen. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het opstellen van de maatregelen voor het oppervlaktewater. Het Rijk heeft de doelen van het grondwater aangegeven in de BKMW.

Dit hoofdstuk bevat een samenvattend overzicht van de herziene doelen en maatregelen voor zowel de grondwater- als de oppervlaktewaterlichamen in de provincie Gelderland.

Conform de landelijke afspraken blijven de ambities ten aanzien van doelen, die voor de eerste planperiode zijn vastgesteld, voor de komende planperiode nagenoeg ongewijzigd. Het huidige omgevingsbeleid van de provincie is evenals in de eerste planperiode uitgangspunt.

Het belangrijkste oogmerk van de tweede generatie plannen is het actualiseren en nader invullen van het maatregelenprogramma 2016-2021. In zeer beperkte mate en onder strikte voorwaarden voorgeschreven door de KRW is actualisatie van de doelen mogelijk. Beter inzicht in het functioneren van het grond- en oppervlaktewatersysteem is een reden om nu het doel bij te stellen.

De rapportage aan de EU vindt plaats op het niveau van de KRW waterlichamen. Alle relevante gegevens zijn vastgelegd in een landelijk afgesproken format, namelijk de KRW Factsheets. Gedetailleerde informatie over het oppervlaktewater is opgenomen in de beheerplannen van de waterschappen en in de SGBP van het Rijk.

4.5.2.1 Oppervlaktewater

In deze paragraaf wordt de rol van de provincie en de waterbeheerders beschreven en wordt op hoofdlijnen ingegaan op de begrenzing, status, type en doelen voor de oppervlaktewaterlichamen. Een meer uitgebreide beschrijving is opgenomen in de KRW factsheets oppervlaktewaterlichamen in Bijlage 1 Factsheets Oppervlaktewaterlichamen (KRW) en in de Webatlas Kaderrichtlijn Water (KRW) Grond- en Oppervlaktewater (2016-2021) . Daarnaast wordt in paragraaf 4.5.2.1.2 ook ingegaan op doelen voor de kleinere wateren, de niet-oppervlaktewaterlichamen. Deze oppervlaktewateren vallen niet onder de KRW-rapportageverplichting aan de Europese Commissie en worden ‘overige wateren’ genoemd.

4.5.2.1.1 Rollen provincie en waterbeheerders

De provincie is conform de Waterwet bevoegd gezag voor het vaststellen van het type, de status, de begrenzing, de doelen, en het doelbereik van de regionale oppervlaktewaterlichamen. Het gaat hier om doelen voor zover die niet zijn vastgelegd in het Besluit Kwaliteitseisen en Monitoring Water (BKMW). dat wil zeggen de ecologische doelen van niet natuurlijke, regionale waterlichamen. Verder moet de provincie, indien dit relevant is, argumentatie in haar provinciaal plan opnemen over achteruitgang en uitstel van het doelbereik 2021 (fasering). Wat onder type en status wordt verstaan wordt hieronder bij de afzonderlijke paragrafen uitgelegd.

Waterbeheerders hebben, vanuit hun rol als waterbeheerder, de relevante informatie per oppervlaktewaterlichaam vastgelegd in de factsheets. De waterbeheerders hebben de factsheets verder onderbouwd en toegelicht in hun waterbeheerplannen, nota’s en achtergrondrapporten . Deze zijn te vinden op www.wrij.nl/waterbeheerplan, www.vallei-veluwe.nl, www.waterschaprivierenland.nl en www.vechtstromen.nl. In de factsheets is gebruik gemaakt van redeneerlijnen die gezamenlijk zijn opgesteld in het deelstroomgebied Rijn-West (zie Bijlage 5 Redeneerlijnen voor fasering en doelrealisatie Rijn-West 2016-2021) en in Rijn-Oost (zie Bijlage 6 Redeneerlijnen voor fasering en doelrealisatie Rijn-Oost 2016-2021). Een verdere toelichting op de problematiek in heel Rijn-West of Rijn-Oost is weergegeven in de KRW Adviesnota Schoon Water Rijn-West (juli 2014) en KRW Agenda Rijn-Oost 2016-2021 (april 2014), zie www.helpdeskwater.nl.

De factsheets geven meer informatie dan de onderwerpen die de provincie vaststelt (bijvoorbeeld ook toestandsklasse, maatregelen en prognose 2027 van de oppervlaktewaterlichamen).

4.5.2.1.2 Oppervlaktewaterlichamen

In Gelderland bevinden zich in totaal 78 regionale waterlichamen, waarvan 33 in Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ), 20 in Waterschap Rivierenland (WsRL), 24 in Waterschap Vallei en Veluwe (WVV) en 1 in Waterschap Vechtstromen (WV).

Type

De oppervlaktewateren in Gelderland zijn binnen de KRW onderverdeeld in de volgende typen: kanalen, meren, beken en rivieren. Deze typering is gebaseerd op kenmerkende en voor organismen relevante watersysteemeigenschappen zoals stroming, diepte, breedte, bodemsoort, etc. Het toegekende watertype is sturend voor de doelen en de aard van de te nemen maatregelen. Een deel van de oppervlaktewaterlichamen overschrijdt de provinciegrenzen. Voor de ambities, doelen en maatregelen hiervan heeft afstemming plaatsgevonden met de betreffende provincies.

In Gelderland zijn 44 waterlichamen gekarakteriseerd als stromend en 34 als stilstaand. Het inzicht in stromend en stilstaand water is de afgelopen jaren toegenomen. Van 11 waterlichamen is het watertype gewijzigd; 2 zijn er gewijzigd van een stilstaand in een stromend type (WsRL) en de overige 9 van stromend naar stilstaand (6 WRIJ, 1 WsRL en 2 WVV).

Status

De KRW vereist dat aan alle waterlichamen een status wordt toegekend. De status van een oppervlaktewaterlichaam geeft informatie over de ontstaansgeschiedenis (kunstmatig versus oorspronkelijk) en over de maximaal te realiseren ecologische kwaliteit (‘natuurlijk’ versus ‘sterk veranderd’). De maximaal te realiseren ecologische kwaliteit is afhankelijk van de huidige toestand en de mogelijkheden deze verder te verbeteren.

Alle oppervlaktewaterlichamen in Gelderland zijn in de loop van de tijd aangepast aan menselijk gebruik of door de mens aangelegd. De afvoer in de beken is gereguleerd door het plaatsen van stuwen en door het rechttrekken van de beekbedding. In de meren en riviertjes wordt veelal een vast waterpeil gehandhaafd en op veel plaatsen is een harde oeverbeschoeiing aangelegd. De kanalen zijn door de mens aangelegd. Als gevolg hiervan voldoet geen enkel oppervlaktewaterlichaam aan de doelstellingen die nodig zijn voor een natuurlijke status. Maatregelen om deze status te bereiken leiden tot onevenredig hoge kosten of tot significante negatieve effecten voor andere functies. Om die reden wordt analoog aan de eerste KRW-planperiode aan alle waterlichamen de status sterk veranderd (meren en beken) of kunstmatig (kanalen en sommige beken) toegekend.

In Gelderland zijn 42 oppervlaktewaterlichamen gekarakteriseerd als sterk veranderd en de overige 36 als kunstmatig. Voor de sterk veranderde waterlichamen is de argumentatie in de factsheet opgenomen. Ten opzichte van de vorige planperiode is nu de status van 11 oppervlaktewaterlichamen veranderd (3 bij WsRL van kunstmatig naar sterk veranderd, 6 bij WRIJ van sterk veranderd naar kunstmatig, en 2 bij WVV van sterk veranderd naar kunstmatig.) Dit is het gevolg van wijzigingen in de begrenzing of samenvoeging van oppervlaktewaterlichamen om deze meer in overeenstemming te brengen conform de KRW met de kenmerken en mogelijkheden van het watersysteem en de ontstaansgeschiedenis van het waterlichaam.

Begrenzing

De begrenzing van de oppervlaktewaterlichamen is maar op een enkele plaats gewijzigd ten opzichte van de vorige planperiode. De grenzen zijn nu meer nauwkeurig ingetekend, onlogische grenzen zijn aangepast (bijv. bij droogval, WVV 2), sommige oppervlaktewaterlichamen zijn samengevoegd (WVV van 5 naar 2, WsRL 1), of juist gesplitst (WRIJ 1) en enkele oppervlaktewaterlichamen zijn nu op peilvak begrensd (WsRL 3). Alle wijzigingen zijn het gevolg van een verbeterd inzicht in het watersysteem.

Doelen

De KRW geeft aan op welke wijze de doelen voor het watersysteem moeten worden bepaald. De doelstellingen worden deels op Europees niveau vastgelegd (chemie; prioritaire stoffen), deels op nationaal niveau (chemie) en deels op regionaal niveau (ecologie voor niet-natuurlijke wateren). De KRW-doelen moeten in principe in de eerste planperiode (2015) zijn gehaald, maar fasering tot 2021 of 2027 is mogelijk. Van deze mogelijkheid van fasering is al in de eerste planperiode gebruik gemaakt, ook in Gelderland. Voor de tweede planperiode wordt dat ook gedaan.

Chemische waterkwaliteitsdoelstellingen

De doelen voor de chemische kwaliteit van het oppervlaktewater worden uitgedrukt in normen voor de concentraties van een aantal stoffen. Voor het bereiken van de goede chemische toestand zijn alleen de stoffen waarvoor de Europese Commissie (EC) de normen afleidt van belang. De doelstellingen staan verwoord in de Richtlijn Prioritaire Stoffen. Voorbeelden van deze stoffen zijn lood, naftaleen en pentachloorfenol. Een deel van deze stoffen is aangemerkt als prioritair gevaarlijk (bijvoorbeeld cadmium en verschillende PAK’s).

Daarnaast moeten lidstaten zelf normen stellen voor chemische stoffen die op nationaal niveau een probleem zijn. Voor deze overige stoffen, die een risico zijn voor het waterleven als ze in hoge concentraties voorkomen, gelden nationale normen. Voorbeelden zijn ammonium, arseen, koper en zink.

In de Nederlandse wetgeving zijn de normen voor chemische stoffen vastgelegd in het Besluit Kwaliteitseisen en Monitoring Water (BKMW) en de Ministeriële Regeling monitoring kaderrichtlijn (MR monitoring). De in deze regelgeving opgenomen normen zijn van toepassing op alle oppervlaktewateren, dus zowel op de oppervlaktewaterlichamen als op de 'overige wateren''. Voor 2016-2021 kunnen andere normen gelden dan die uit de MR monitoring van 2010, omdat de Ministeriële Regeling in 2016 wordt herzien. De specifiek verontreinigende stoffen spelen een rol bij de bepaling van de ecologische toestand van de waterlichamen. Naast deze lijst met wettelijke geldende normen is er een ‘schaduwlijst’ van normen voor stoffen die nog niet in regelgeving zijn vastgelegd, waaronder normen voor medicijnen.

Doelstellingen voor de algemeen fysisch-chemische parameters

Voor enkele algemeen fysisch-chemische parameters gelden normen als ondersteuning van de biologie in het watersysteem. De normen voor deze stoffen (zoals stikstof, fosfaat, zuurstof) zijn opgenomen in het document ‘Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen’ (STOWA, 2007; geactualiseerd: STOWA, 2012a). De normen en maatlatten voor sloten en kanalen zijn opgenomen in een maatlatrapport voor sloten en kanalen (STOWA, 2012b). De landelijk afgeleide normen zijn in principe ook geldig voor sterk veranderde en kunstmatige oppervlaktewateren. Met het vaststellen van de nieuwe maatlatten zijn voor de komende planperiode de normen voor stikstof en fosfaat aangescherpt ten opzichte van de vorige planperiode.

Ecologische doelstellingen

Het BKMW bevat ook de ecologische doelen voor natuurlijke wateren. Voor de regionale, sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen worden de ecologische doelen vastgelegd door de provincie. Deze regionale ecologische doelen worden door waterbeheerders afgeleid van de ecologische doelen voor natuurlijke watertypen in het BKMW via door STOWA ontwikkelde landelijke maatlatten.

Voor de waterlichamen in Gelderland zijn doelstellingen afgeleid die worden aangeduid met het Goed Ecologische Potentieel (GEP). Het GEP is het resultaat van een afweging van maatregelen die significant bijdragen aan het ecologische potentieel, geen significante negatieve of schadelijke effecten hebben op andere gebruiksvormen en uitgevoerd kunnen worden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De Ecologische doelen in Gelderland 2016-2021 zijn opgenomen in Bijlage 17 Ecologische doelen in Gelderland 2016-2021.

Op onderdelen zijn de doelen aangepast ten opzichte van de eerste planperiode. Belangrijkste oorzaak is de landelijk introductie van nieuwe maatlatten (beoordelingssystemen). Het toepassen hiervan blijkt in veel gevallen tot een cijfermatige aanpassing te leiden van deze onderdelen binnen de huidige GEP’s. Voor de doelen en ambities heeft dit echter inhoudelijk geen gevolgen; het gaat uitsluitend om een administratieve aanpassing.

Cijfermatig kan het GEP ook worden aangepast, mits goed beargumenteerd, als blijkt dat eerder voorgenomen maatregelen niet effectief blijken. Dit kan leiden tot zowel een lager als tot een hoger GEP. Als dit tot een lager GEP leidt dan is dat geen doelverlaging, maar het toekennen van een nieuwe GEP op basis van nieuwe, inhoudelijke inzichten in maatregel-effectrelaties (WRIJ, WVV). Ook veranderingen in het type waterlichaam (WSRL, WVV en WRIJ) en nieuwe inzichten in het functioneren van het watersysteem (WRIJ, WVV) kunnen aanleiding geven tot aanpassing van de doelen. In Gelderland geldt dit voor 23 oppervlaktewaterlichamen: 10 bij WsRL, 9 bij WRIJ en 4 bij WVV.

Er zijn nog geen ecologische doelen vastgesteld voor de 'overige wateren'. Landelijk is door IPO en Unie van Waterschappen een methodiek ontwikkeld om de ecologische doelen voor deze wateren af te kunnen leiden. De waterschappen doen voorstellen voor de ecologische doelen voor de overige wateren. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het voorkomen van beschermde vissoorten.

 

4.5.2.2 Grondwater

In deze paragraaf wordt de rol van de provincie beschreven en wordt op hoofdlijnen ingegaan op de begrenzing en de doelen voor de grondwaterlichamen. Een meer uitgebreide beschrijving en de ligging van de grondwaterlichamen is opgenomen in Bijlage 2 Factsheets Grondwaterlichamen (KRW).

4.5.2.2.1 Rol provincie

De provincie is bevoegd gezag voor het vaststellen van de huidige toestand, de trend en de maatregelen voor de grondwaterlichamen.

 

4.5.2.2.2 Grondwaterlichamen

De provincie Gelderland ligt in de deelstroomgebieden Rijn-Oost, Rijn-West en een klein stukje in Maas. In elk deelstroomgebied worden provinciegrensoverschrijdende grondwaterlichamen onderscheiden. De grondwaterlichamen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de vorige planperiode. In totaal liggen er vier grote, verschillende grondwaterlichamen binnen de provinciegrens: Zand Rijn-Oost, Zand Rijn-Midden, Zand Rijn-West en Deklaag Rijn-West..

Doelen en drempelwaarden

De doelen voor het grondwater hebben zowel betrekking op de kwaliteit van het grondwater als op de beschikbaarheid van het grondwater. Uitgangspunt is dat de grondwatervoorraad op orde blijft en dat de grondwaterkwaliteit voldoet aan de kwaliteitsnormen. De kwaliteit van het grondwater wordt beoordeeld voor stoffen met een Europees vastgestelde norm (nitraat en bestrijdingsmiddelen) of een nationaal opgestelde drempelwaarde (chloride, fosfor, nikkel, arseen, cadmium en lood). De drempelwaarden en normen zijn weergegeven in Bijlage 18 Normen en drempelwaarden grondwaterlichamen.

Naast de algemene beoordeling van de toestand van het grondwater is er gekeken of de doelen van Natura 2000-gebieden en oppervlaktewaterlichamen niet worden gehaald door een gebrek aan grondwater of door toestroming van grondwater van slechte kwaliteit. Als dit zo is, dan is het grondwater lokaal niet in goede toestand. Ook is de waterkwaliteit en de verandering van waterkwaliteit van het onttrokken grondwater ten behoeve van drinkwater beoordeeld.

4.5.2.3 Toestand en prognose 2021

4.5.2.3.1 Oppervlaktewaterlichamen

Chemische toestand oppervlaktewaterlichamen

De chemische toestand wordt bepaald door de aanwezigheid van zogenaamde prioritaire stoffen. In 2009 is de chemische kwaliteit voor veel meer waterlichamen als goed beoordeeld dan in de periode 2010-2015. Toch is de chemische kwaliteit sindsdien in feite niet verslechterd. De belangrijkste redenen voor de slechtere beoordeling zijn strengere normen voor een aantal prioritaire stoffen en verbetering van de meettechnieken. Daardoor lijkt de chemische toestand in 2015 slechter te zijn geworden. In Bijlage 19 Toestand oppervlaktewater- en grondwaterlichamen is de chemische toestand van de oppervlaktewaterlichamen opgenomen.

De overschrijdingen van de prioritaire (zeer giftige of moeilijk afbreekbare) stoffen in Gelderland worden in heel Gelderland aangetroffen.

PAK’s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) overschrijden regelmatig de norm. Een belangrijke diffuse bron van PAK is verkeer. Via de lucht (droge- en natte depositie; neerslag) komen PAK in het water terecht. Gezien de hoge verkeersdichtheid in Nederland en de import via de lucht vanuit het buitenland, zal deze problematiek blijven en een landelijke aanpak vragen. In de factsheets in Bijlage 1 Factsheets Oppervlaktewaterlichamen (KRW) is een prognose voor 2021 opgenomen.

Biologische toestand oppervlaktewaterlichamen

In heel Gelderland is in het veld ten opzichte van 2009 een verbetering te zien in de ecologie van het water. Het wordt lokaal helderder, er komen meer waterplanten en vissen en minder algen. Toch is de toestand van veel parameters en dus van waterlichamen nog niet goed. In 2009 verkeerde in Gelderland de biologie in 1% van de oppervlaktewaterlichamen in een goede toestand. Dat is toegenomen naar 9%. De prognose is dat in 2021 ruim 50 % van de oppervlaktewaterlichamen een goede biologische toestand zullen hebben.

Het aantal oppervlaktewaterlichamen met een matig/ontoereikende kwaliteit neemt af van 96% in 2009, via 68% nu, naar circa 38% in 2021. Er zijn dan ook geen waterlichamen meer van slechte/ontoereikende biologische kwaliteit. Door de Europese Commissie is voorgeschreven dat de toestand van het water gebaseerd wordt op de minst goed scorende parameter. Daardoor is er nauwelijks verandering zichtbaar ten opzichte van 2009.

De biologie wordt mede bepaald door nutriënten en andere verontreinigende stoffen, zoals gewasbeschermingsmiddelen en zware metalen, en door de hydromorfologie (bijvoorbeeld de vorm van de oever). Omdat een aantal van deze stoffen niet in een goede toestand verkeert zal het herstel ook langer op zich laten wachten.

De belangrijkste bronnen van verontreiniging zijn afspoeling van agrarische percelen, effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties, nalevering uit een voedselrijke waterbodem en lokaal riooloverstorten en de afspoeling van wegen.

In 2021 is naar verwachting de biologische toestand door de getroffen maatregelen en generiek beleid in alle waterlichamen verbeterd, maar nog niet overal goed. De gehalten stikstof en fosfaat zullen nog vaak te hoog zijn en dat heeft effect op de biologische parameters. Er is tijd nodig voor flora en fauna om zich duurzaam te vestigen en soms is de natuur wispelturig. De grootste onzekerheid betreft de precieze invulling en daarmee de effecten van het generieke beleid voor meststoffen, nitraat en gewasbeschermingsmiddelen, het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer en de vergroening van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid.

De KRW vraagt ook om te toetsen of de actuele toestand in de oppervlaktewaterlichamen achteruit is gegaan. In een aantal oppervlaktewaterlichamen in Gelderland lijkt dit zo, maar dit wordt verklaard door de aanpassing van de maatlatten op nationaal niveau. Als de actuele meetgegevens worden getoetst aan de oorspronkelijke maatlatten uit 2009 blijkt geen achteruitgang. Andere verklaringen zijn een typewijziging, natuurlijke variatie in en betere nauwkeurigheid van de meetresultaten.

4.5.2.3.2 Grondwaterlichamen

In Bijlage 19 Toestand oppervlaktewater- en grondwaterlichamen staat de beoordeling van het grondwater gebaseerd op drie generieke en drie regionale testen van 2009, van 2015 en de prognose voor 2021. Indien de prognose voor 2021 niet goed is, wordt aangenomen dat de maatregelen dan nog niet hebben geleid tot een goede toestand. De beoordeling is uitgevoerd voor het gehele grondwaterlichaam, dus over een groter gebied dan Gelderland. Mogelijke knelpunten kunnen ook buiten Gelderland liggen.

De algemene kwantitatieve toestand voor alle grondwaterlichamen is goed. De beschikbare grondwatervoorraad wordt bij geen van de grondwaterlichamen overschreden door de gemiddelde jaarlijkse onttrekking op lange termijn. Veranderingen in stromingsrichtingen, veroorzaakt door menselijk ingrijpen, leiden niet tot een verschuiving van het zoet-zoutgrensvlak en daarmee tot verzilting van het grondwater. De grondwaterkwaliteit voldoet in alle grondwaterlichamen aan de Europese en nationale normen en drempelwaarden die in Bijlage 18 Normen en drempelwaarden grondwaterlichamen zijn opgenomen. Toch is er recent vastgesteld dat de grondwaterkwaliteit slechter is dan gedacht bijvoorbeeld als gevolg van medicijnresten.

Lokaal zijn er wel knelpunten. In tien van de elf grondwaterafhankelijke Gelderse Natura 2000-gebieden is de grondwaterstand te laag waardoor de gebieden zijn verdroogd. Alleen in het Natura 2000-gebied Arkemheen zijn alle benodigde anti-verdrogingsmaatregelen uitgevoerd. Ook worden lokaal de normen voor nitraat en bestrijdingsmiddelen overschreden met als gevolg dat met name voor enkele oppervlaktewaterlichamen in de Achterhoek de doelen niet kunnen worden gerealiseerd. Het grondwater is daardoor lokaal in een slechte toestand.

De grondwaterwinningen voor de openbare drinkwatervoorziening zijn vaak kwetsbaar en bedreigd. Bij een aantal winningen heeft Vitens vanaf 2000 aanpassingen gedaan aan de zuivering of zijn winputten verplaatst. Echter de drinkwaterwinning Zutphen is niet in goede toestand. Dit is een stedelijke winning die in 2016 gesloten wordt omdat kwalitatieve bescherming op termijn niet kosteneffectief is. Deze maatregel is opgenomen in Bijlage 20 KRW maatregelen grondwater.

Vanuit de KRW is het niet toegestaan dat de toestand van de grondwaterlichamen achteruitgaat. De gewijzigde beoordeling van het grondwater in relatie tot Natura 2000-gebieden, oppervlaktewateren en drinkwater in Bijlage 19 Toestand oppervlaktewater- en grondwaterlichamen  wordt veroorzaakt door de gewijzigde systematiek bij de beoordeling in 2009 en 2015. In werkelijkheid is er geen sprake van feitelijke achteruitgang.

4.5.2.4 Evaluatie voortgang maatregelen 2010-2015

4.5.2.4.1 Oppervlaktewaterlichamen

De waterschappen zijn verantwoordelijk voor de regionale maatregelen gericht op gezond en ecologisch gezond oppervlaktewater. In de factsheets in Bijlage 1 Factsheets Oppervlaktewaterlichamen (KRW) zijn alle maatregelen opgenomen. In de eerste planperiode zijn met name de toen meest voor de hand liggende maatregelen uitgevoerd. Er zijn veel inrichtingsmaatregelen getroffen die direct de biologie in het water bevorderen zoals de aanleg van vispassages en natuurvriendelijke oevers. Natuurvriendelijk onderhoud wordt toegepast. Voorlichtings- en stimuleringsmaatregelen zijn uitgevoerd. Eind 2015 is het grootste deel van het voorgenomen maatregelenpakket van de periode 2010-2015 gerealiseerd in Gelderland. Dat geldt echter niet voor alle maatregelen. Vooral maatregelen die onderdeel uitmaken van complexe projecten waarvoor ook grondverwerving nodig is vragen meer voorbereiding. Daarnaast zijn er ook maatregelen waarbij twijfels zijn ontstaan over de effectiviteit. Deels zijn er andere maatregelen voor in de plaats gekomen, deels zijn maatregelen uitgesteld in afwachting van de discussie over de effectiviteit ervan.

4.5.2.4.2 Grondwaterlichamen

De provincie zelf is verantwoordelijk voor de regionale maatregelen gericht op het realiseren van de goede grondwatertoestand. Onderscheid kan worden gemaakt in maatregelen gericht op de verdrogingsbestrijding en maatregelen gericht op het beschermen van grondwaterwinningen ten behoeve van de drinkwatervoorziening. In de factsheets in Bijlage 2 Factsheets Grondwaterlichamen (KRW) en in Bijlage 20 KRW maatregelen grondwater  zijn de maatregelen opgenomen. Eind 2015 zijn de maatregelen uit de eerste planperiode gerealiseerd met uitzondering van de sluiting van het pompstation Zutphen. Voor alle drinkwaterwinningen zijn gebiedsdossiers opgesteld. Deze vormen de basis voor het maatregelenpakket in de komende planperiode. De onderzoeken naar verontreinigde bodemlocaties zijn afgerond en de saneringen zijn in uitvoering. De aanpassingen aan de pompstations heeft Vitens in gang gezet.

In de Natura 2000-gebieden Landgoederen Brummen, Bennekomse Meent en Rijnstrangen zijn anti-verdrogingsmaatregelen in het stroomgebiedbeheerplan opgenomen. In Brummen en Rijnstrangen zijn de maatregelen uitgevoerd. In Bennekomse Meent zijn de maatregelen nog niet uitgevoerd eind 2015.

4.5.2.5 Maatregelen planperiode 2016-2021

De periode tot 2027 wordt benut om de KRW maatregelen gefaseerd uit te voeren. Evenals in de eerste planperiode is een deel van de maatregelen die moeten leiden tot verbetering van de waterkwaliteit onderwerp van generiek rijksbeleid. Voor het terugdringen van emissies zijn brongerichte maatregelen op een groter schaalniveau nodig.

 

4.5.2.5.1 Oppervlaktewaterlichamen

In aanvulling op generieke landelijke maatregelen nemen de regionale waterpartners lokale en regionale maatregelen in (het stroomgebied van) de oppervlaktewaterlichamen. Het regionale maatregelenpakket borduurt voort op de maatregelen die in de eerste planperiode zijn benoemd. Een deel van die maatregelen is gefaseerd en komt in de komende planperiode aan bod. Daarnaast heeft het maatregelen pakket een aantal wijzigingen ondergaan, onder andere vanwege nieuwe inzichten met betrekking tot de effectiviteit van de maatregelen. De maatregelen zijn in de factsheets in Bijlage 1 Factsheets Oppervlaktewaterlichamen (KRW) opgenomen. Bovendien is bij de actualisatie van de KRW-maatregelen gestreefd naar synergie met maatregelen ten behoeve van andere beleidsdoelen of –thema’s, zoals de zoetwatervoorziening, regionale wateroverlast (WB21), Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000.

Hoofdzakelijk wordt ingezet op inrichting- en beheermaatregelen. Het gaat hierbij vooral om het herinrichten van gebieden, herprofilering van watergangen, aanleg van natuurvriendelijke oevers en het vispasseerbaar maken van stuwen en overige kunstwerken. Maar ook om waterkwantiteitsmaatregelen, natuurvriendelijk beheer, nieuwe onderzoeksmaatregelen en het beperken van emissies uit de landbouw. Eveneens worden enkele rioolwaterzuiveringsinstallaties aangepast.

4.5.2.5.2 Grondwaterlichamen

Hoewel de algemene toestand van het grondwater goed is, zijn maatregelen nodig om verslechtering van de grondwaterkwaliteit te voorkomen. Tevens worden maatregelen genomen om de doelen van de Natura 2000-gebieden te halen.

Generieke maatregelen

Te veel uitspoeling van meststoffen is de oorzaak van het slechte oordeel voor oppervlaktewateren die afhankelijk zijn van grondwater van een goede kwaliteit. Om daar verandering in te brengen zijn vooral generieke maatregelen van belang die zijn geborgd in het rijksbeleid. Voor het terugdringen van emissies vanuit de landbouw zijn brongerichte maatregelen op een groter schaalniveau nodig. Uitvoering van het landelijk mestbeleid draagt fors bij aan een verbetering van de kwaliteit van het grondwater. In de factsheets voor oppervlaktewater is het Deltaplan agrarisch waterbeheer als maatregel opgenomen. De maatregelen uit dat plan leiden eveneens tot minder emissie vanuit de landbouw naar het grondwater.

Regionale maatregelen

In aanvulling op generieke landelijke maatregelen spitsen de regionale grondwatermaatregelen zich toe op grondwaterwinningen voor menselijke consumptie, op de Natura 2000-gebieden en op puntbronnen. In Bijlage 20 KRW maatregelen grondwater zijn de grondwatermaatregelen opgenomen.

Om drinkwater van een goede kwaliteit te kunnen blijven winnen worden de maatregelen uit de gebiedsdossiers uitgevoerd. De eisen vanuit de KRW gelden ook voor de grondwaterlichamen waaraan grondwater wordt onttrokken voor menselijke consumptie, alsmede voor zogenaamde eigen consumptieve winningen (veelal campings). Deze categorieën van winningen zijn inmiddels in beeld gebracht (circa 120). De komende jaren wordt bekeken in hoeverre aanvullende bescherming tegen verontreiniging noodzakelijk is.

In de beheerplannen van de Natura 2000-gebieden worden maatregelen opgenomen om de gestelde natuurdoelen te bereiken. Een deel van de maatregelen is gericht op het verminderen van de effecten van een te hoge stikstofbelasting, zogenaamde PAS-maatregelen (Programmatische Aanpak Stikstof). Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn: plaggen om de aanwezige stikstofvoorraad te verminderen en het plaatselijk aanpassen van de waterstand. Maatregelen aan het watersysteem worden veelal door de waterschappen uitgevoerd. Maatregelen binnen de gebieden zelf worden door de terreinbeherende organisaties genomen en maatregelen op het gebied van ruimtelijke ordening door de provincie. De bestuurlijke vaststelling van deze maatregelen vindt plaats binnen het Natura 2000-spoor. Daarna kunnen deze als maatregel in de stroomgebiedsbeheerplannen worden opgenomen.

Voor de aanpak van puntbronnen wordt aangesloten bij het reguliere bodemsaneringsbeleid. Daarnaast wordt onderzoek gedaan of verontreinigingen die volgende de Wet Bodembescherming niet spoedeisend zijn toch een bedreigen vormen voor zwemwater, natuurgebieden en grondwateronttrekkingen.

4.5.2.6 Fasering

Voor zowel de grond- als oppervlaktewaterlichamen, waarvan verwacht wordt dat de toestand in 2021 nog niet goed voldoet aan de gestelde eisen kan fasering (uitstel van doelbereik tot 2027) worden aangevraagd. Van deze mogelijkheid van fasering is in de eerste planperiode breed gebruik gemaakt, ook in Gelderland. Voor de tweede planperiode wordt hier niet van afgeweken.

Artikel 4.4 van de KRW staat fasering van het bereiken van doelstellingen toe, mits de toestand niet verslechtert en voldaan wordt aan (ten minste) één van de genoemde voorwaarden (doelbereik is technisch slechts haalbaar in perioden die de planperiode overschrijden, doelbereik in huidige planperiode is onevenredig kostbaar; de natuurlijke omstandigheden beletten een tijdig doelbereik). In het deelstroomgebied Rijn-West zijn deze voorwaarden verder uitgewerkt tot standaardformuleringen, zie Bijlage 5 Redeneerlijnen voor fasering en doelrealisatie Rijn-West 2016-2021. Deze zijn ook uitgewerkt voor het deelstroomgebied Rijn-Oost, zie Bijlage 6 Redeneerlijnen voor fasering en doelrealisatie Rijn-Oost 2016-2021.

Naar verwachting wordt in de vier grondwaterlichamen als gevolg van één of meer van bovengenoemde redenen in 2021 niet alle doelen gehaald voor de Gelderse Natura 2000-gebieden en voor een aantal oppervlaktewaterlichamen die afhankelijk zijn van een goede grondwaterkwaliteit. Hiervoor wordt fasering aangevraagd. Ook voor 76 van de 78 oppervlaktewaterlichamen wordt fasering aangevraagd. De verwachting is dat de doelen voor de oppervlaktewaterlichamen “Oude Rijn” en “Wijde Wetering-Zevenaarsewetering” (beide Waterschap Rijn en IJssel) in 2021 gerealiseerd zijn.

4.5.2.7 Beschermde gebieden

De beschermde gebieden (zwemwater, Natura 2000-gebieden en grondwaterbeschermingsgebieden) horen ook bij de KRW en vallen onder de bevoegdheid van de provincie. Er is landelijk bestuurlijk afgesproken de (nieuwe) maatregelen pas op te nemen in de factsheets wanneer ze bestuurlijk zijn vastgesteld.

4.5.4 Drinkwater

Na de zin "De reden hiervoor...beschermbaar is" wordt de volgende zin toegevoegd:

De mate van kwetsbaarheid is opgenomen in Bijlage 14 Grondwaterbeschermingsgebieden.

4.5.5.1 Openbare drinkwatervoorziening

De gehele paragraaf wordt vervangen door onderstaande tekst:

De waterhuishoudkundige functie 'Grondwateronttrekking voor de openbare drinkwatervoorziening' geldt voor die grondwaterbeschermingsgebieden waar drinkwaterbedrijf Vitens grondwater wint voor de bereiding van drinkwater. Voor de onttrekking van grondwater bij die winningen heeft de provincie een grondwateronttrekkingsvergunning verleend op grond van de Grondwaterwet of de Waterwet. Op de kaart zijn de locaties van de winningen aangegeven, samen met de bijbehorende grondwaterbeschermingsgebieden (25-jaarszone). De gemeente is bevoegd gezag voor het verlenen van de benodigde Omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van de drinkwaterproductielocatie.

4.5.5.4 Regelgeving en meldingen

De gehele paragraaf wordt vervangen door:

Naast planologische bescherming krijgen drinkwaterwinningen ook milieuhygiënische bescherming via de Omgevingsverordening. In deze verordening heeft de provincie instructieregels vastgesteld voor vergunningplichtige inrichtingen en algemeen geldende regels voor niet-vergunningplichtige inrichtingen en voorschriften voor activiteiten buiten inrichtingen. Buiten inrichtingen geldt of een absoluut verbod of een meldingsplicht. De verbodsbepalingen gelden onder meer voor leidingtransport, opslag en gebruik van schadelijke stoffen, riolering, grondwerkzaamheden en aanleg of reconstructie van wegen en parkeerplaatsen. Voor inrichtingen die behoren tot een bepaalde bedrijfsbranche geldt een oprichtingsverbod.

Het gebruik van de bodem als buffer en bron van energie is niet verenigbaar met drinkwaterwinning. De provincie wil risico's van thermische, bacteriologische en chemische verontreiniging van de winputten uitsluiten.

In zijn algemeenheid geldt dat bodemenergiesystemen niet mogen worden geïnstalleerd binnen een gebied in de ondergrond waar het grondwater binnen 25 jaar de drinkwaterbronnen kan bereiken. Onder bodemenergiesystemen worden zowel gesloten systemen als open systemen (KWO of WKO) verstaan. In de Omgevingsverordening is opgenomen dat alle toepassingen van bodemenergiesystemen verboden zijn in grondwaterbeschermingsgebieden. In de boringsvrije zones gelden beperkingen. Het doel van de boringsvrije zones is het beschermen van de waterremmende lagen die boven en/of onder de laag liggen waaruit drinkwater wordt gewonnen.

Het Gelderse beleid om in zeer kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden de afspoeling van vervuiling (run-off) van provinciale wegen aan te pakken wordt voortgezet. Op termijn worden hiermee de risico's van grondwatervervuiling door run-off voor de Gelderse drinkwatervoorzienig tot een verwaarloosbaar niveau teruggebracht.

4.5.5.4.1 KWO-vrije zone

In de watervoerende laag boven het bepompte pakket zijn in een deel van de boringsvrije zone geen bodemenergiesystemen toegestaan. Deze zone wordt KWO-vrije zone genoemd, zie Bijlage 22 Schematisatie beschermingszones. In de bodemlagen onder het bepompte pakket kan de KWO-vrije zone groter zijn dan de boringsvrije zone. De begrenzingen van die zones zijn toegevoegd aan de boringsvrije zone.

4.5.5.5. Maatregelen op grond van de Kaderrichtlijn Water (was Maatregelen op grond van de Kader Richtlijn Water)

De gehele paragraaf wordt vervangen door onderstaande tekst:

De Europese Kaderrichtlijn Water omvat de volgende doelstelling voor

grondwateronttrekkingen voor menselijke consumptie:

  • de kwaliteit van het onttrokken water mag niet achteruit gaan, zodat geen toename van de zuiveringsinspanning nodig is, en moet op termijn verbeteren (KRW art. 7, lid 3).

Om de KRW-doelen te realiseren heeft de provincie in samenwerking met het drinkwaterwaterbedrijf Vitens, de Gelderse waterschappen en de gemeenten gebiedsdossiers opgesteld. Hierin zijn de risico's in beeld gebracht die veroorzaakt worden door diffuse bronnen en hierin zijn maatregelen geformuleerd om de risico's te beheersen. De belangrijkste maatregelen worden in de periode 2016-2021 uitgevoerd.

De KRW maatregelen om de bescherming van de drinkwaterwinningen te verbeteren zijn:

  • maatregelen voor diffuse bronnen,
  • sanering van puntbronnen,
  • sluiting of reductie van drinkwaterwinningen.

In Bijlage 20 KRW maatregelen grondwater is een overzicht opgenomen van alle maatregelen.

In de Overeenkomst Duurzame Drinkwatervoorziening Gelderland (ODDG) zijn afspraken gemaakt tussen de provincie en Vitens over waar deze maatregelen nodig zijn en wie deze gaat uitvoeren: provincie, Vitens of gezamenlijk.

In het kader van de Kader Richtlijn Water (KRW) is de provincie verantwoordelijk voor de bepaling van de toestand en de trend van grondwaterkwantiteit en -kwaliteit. Om de ontwikkelingen in de tijd te kunnen volgen worden op diverse locaties de grondwaterkwaliteit en/of –waterstanden gemeten. In Bijlage 21 KRW meetpunten grondwaterkwantiteit en grondwaterkwaliteit_GEWIJZIGD zijn deze locaties aangegeven.

De provincie heeft een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de kans op het voorkomen van resten van medicijnen in grond- en oppervlaktewater. Samen met de partners in het waterveld wordt een nader onderzoek uitgevoerd om meer inzicht in de situatie te krijgen. Dit kan leiden tot vervolgactiviteiten. Vanuit Europa wordt gekeken welke (nieuwe) stoffen betrokken moeten worden in de beoordeling van de toestand van het grondwater.

4.5.6 Oppervlaktewater voor drinkwaterbereiding

De tekst onder het eerste opsommingspunt: realisatie van voldoende en constante toeveoer van oppervlaktewater wordt gewijzigd in:

  • realisatie van voldoende en constante toevoer van oppervlaktewater.

4.5.8.1.4 Bodemenergiesystemen

De volgende tekst van de 3e alinea wordt gewijzigd:

Vanuit de Omgevingsverordening is toepassing van dergelijke systemen binnen grondwaterbeschermingsgebieden niet toegestaan. De provincie wil bodemenergiesystemen stimuleren, behalve op locaties waar de verblijftijd tot aan de winning voor de drinkwatervoorziening korter is dan 25 jaar. In de Omgevingsverordening zullen in een later stadium nog kaarten worden opgenomen die deze 25-jaarszones aangeven.

Deze tekst wordt als volgt gewijzigd:

De provincie wil bodemenergiesystemen stimuleren, behalve op locaties waar de verblijftijd tot aan de winning voor de drinkwatervoorziening korter is dan 25 jaar. In de Omgevingsverordening is vastgelegd waar bodemenergiesystemen niet zijn toegestaan.

De volgende tekst op blz 130 wordt gewijzigd:

Gedeputeerde Staten stellen beleidsregels op voor de wijze waarop deze masterplannen worden betrokken bij haar beslissing op een vergunningaanvraag.

Deze tekst wordt als volgt gewijzigd:

Gedeputeerde Staten hebben beleidsregels opgesteld voor de wijze waarop deze masterplannen worden betrokken bij haar beslissing op een vergunningaanvraag.

4.5.9.4.5 Opslag van afval in de ondegrond

De titel wordt gewijzigd in: Opslag van afval in de ondergrond

5 Verdieping Uitvoering

Onder "nieuwe onderwerpen nader uitwerken" is "het vaststellen van de Windvisie" verwijderd.

De volgende tekst wordt gewijzigd:

Voorziene aanpassingen van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie is geen statisch document. Op dit moment voorziet de provincie op

een aantal onderdelen al een aanpassing van de kaders:

  • vaststelling KRW-doelen en -maatregelen
  • doorvertaling nationale Deltabeslissingen
  • aanpassing Beschermingszones natte landnatuur
  • aanpassing begrenzing Natte landnatuur
  • aanpassing bescherming Grondwaterbeschermingsgebieden
  • Windvisie
  • verruiming kaders voor landbouw (loslaten zonering)

Ook de onderwerpen die nog nader uitgewerkt moeten worden geven wellicht nog aanleiding voor bijstelling van de Omgevingsvisie en - verordening. In die zin blijft het beleid dynamisch van karakter.

In de komende jaren zullen nieuwe onderwerpen zich aandienen. De inhoudelijke dialoog wordt immers in de komende periode gewoon doorgezet, het proces van co-creatie loopt door. Overigens vraagt het proces van co-creatie (van buiten naar binnen werken, transitie-denken, neweconomie, …) ook nog doorontwikkeling.

De tekst wordt aangepast aan dit actualisatieplan en wordt gewijzigd in:

Voorziene aanpassingen van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie is geen statisch document. In de komende jaren zullen nieuwe onderwerpen zich aandienen. De inhoudelijke dialoog wordt immers in de komende periode gewoon doorgezet, het proces van co-creatie loopt door. Overigens vraagt het proces van co-creatie (van buiten naar binnen werken, transitie-denken, neweconomie, …) ook nog doorontwikkeling.

8.1.3 Wijzigingen in beleidskaarten     

8.1.3.1 Beleidskaarten Water     

Op de themakaart 11 Water en ondergond wordt vanwege Hoofdstuk 2 Kaderrichtlijn Water (KRW) de beleidskaart Oppervlaktewaterkwaliteit verwijderd en Oppervlaktewaterlichamen toegevoegd

Tevens wordt op de themakaart 11 Water en ondergrond vanwege Hoofdstuk 5 Grondwaterbescherming de beleidskaart KWO-vrije zones toegevoegd en de volgende beleidskaarten aangepast:

  • Boringsvrije zone
  • Grondwaterbescherming
  • Waterwingebieden
  • Grondwaterbescherming voor te sluiten drinkwaterwinningen
8.1.3.2 Beleidskaarten Natte landnatuur     

Op de themakaart 9 Water en natuur worden vanwege Hoofdstuk 4 Natte landnatuur de volgende beleidskaarten aangepast:

  • Beschermingsgebieden natte landnatuur
  • Natte landnatuur

En als gevolg van gewijzigde GNN en GO wordt (zie 7.2.7 Kaartaanpassingen Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone) aangepast:

  • Water als verbinder
8.1.3.3 Beleidskaarten GNN en GO     

Op de themakaart 7 Natuur worden vanwege 7.2.7 Kaartaanpassingen Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone de volgende beleidskaarten aangepast:

  • Gelders Natuurnetwerk
  • Groene Ontwikkelingszone

En als gevolg van de gewijzigde GNN en GO worden aangepast:

  • Ganzenfourageergebieden
  • Weidevogelgebieden
8.1.3.4 Toelichtende kaarten Natuur     

Op de themakaart 14 Natuur-toelichtend wordt de volgende toelichtende kaart vervangen door een nieuwere versie (zie 7.1 Inleiding) :

  • Natura 2000-gebieden (toelichtend)

En als gevolg van de gewijzigde GNN en GO (zie 7.2.7 Kaartaanpassingen Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone) worden aangepast:

  • Ecologische verbindingszone(toelichtend)
  • Zoekgebied Nieuwe natuur(toelichtend)
8.1.3.5 Beleidskaarten Windenergie     

Op de themakaart 3 Windenergie worden als gevolg van de gewijzigde GNN en GO (zie 7.2.7 Kaartaanpassingen Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone) de volgende beleidskaarten aangepast:

  • Windenergie aandachtsgebied
  • Windenergie niet kansrijk
  • Windenergie uitgesloten wegens provinciaal beleid
  • Windenergie mogelijk
8.1.3.6 Beleidskaart Bescherming van zwemwateren     

Op de themakaart 4 Vrijetijdseconomie wordt de beleidskaart Bescherming van zwemwateren verwijderd. De meest actuele locaties van zwemwateren worden gevonden op de provinciale website (zie onder 3.3.6 in 8.1.1 Wijzigingen in beleidstekst).

8.1.3.7 Beleidskaart Overnachtingshaven Lobith     

Op de themakaart 1 Regionaal wordt vanwege 7.2.3 Verdieping overnachtingshaven Lobith de beleidskaart Overnachtingshaven Lobith aangepast.

8.1.4 Wijzigingen in bijlagen     

Bijlagen bij de Visie:

Bijlage 22 'Kernkwaliteiten van de Nationale landschappen' wordt vervangen door de bijgewerkte versie Bijlage 8 Kernkwaliteiten Nationale landschappen

Bijlage 24 KRW-factsheets oppervlaktewater wordt vervangen door Bijlage 1 Factsheets Oppervlaktewaterlichamen (KRW) en Bijlage 2 Factsheets Grondwaterlichamen (KRW).

Bijlage 28 Beleidsvisie Externe Veiligheid 2008 wordt vervangen door Bijlage 3 Beleidsvisie omgevingsveiligheid provincie Gelderland.

Bijlage 29 Gelders Uitvoeringsprogramma Externe Veiligheid 2011-2014 wordt verwijderd.

Bijlagen bij de Verdieping:

Bijlage 1 Lijst van zwemwateren wordt verwijderd en wordt vervangen door een link naar de provinciale website. Hierdoor is de lijst altijd actueel.

Bijlage 7 Grondwaterbeschermingsgebieden wordt vervangen door Bijlage 14 Grondwaterbeschermingsgebieden. De tabel is aangepast aan de nieuwe berekeningen van de beschermingsgebieden.

Bijlage 8 KRW maatregelen grondwater wordt vervangen door Bijlage 20 KRW maatregelen grondwater.

Bijlage 9 KRW meetpunten voor grondwaterkwantiteit en bijlage 10 KRW meetpunten voor grondwaterkwaliteit zijn samengevoegd, verduidelijkt en worden vervangen door Bijlage 21 KRW meetpunten grondwaterkwantiteit en grondwaterkwaliteit_GEWIJZIGD.

8.1.5 Wijzigingen in begrippenlijst     

Europese zwemwaterrichtlijn: de omschrijving vervangen door:

Sinds 2006 is de Europese zwemwaterrichtlijn van kracht. Deze heeft betrekking op alle zwemwaterlocaties. In Nederland zijn er ongeveer 700. De Europese Zwemwaterrichtlijn gaat uit van vier kwaliteitsklassen: 'uitstekend', 'goed', 'aanvaardbaar' en 'slecht'. Volgens de richtlijn moeten na het seizoen van 2015 alle aangewezen zwemwaterlocaties in ieder geval 'aanvaardbaar' zijn.

8.2 Aanvullingen Omgevingsvisie     

8.2.1 Aanvullingen in beleidstekst     

Na 4.4.4.4 wordt de paragraaf 4.4.4.5 KWO-vrije zones (koude-warmteopslag) toegevoegd:

4.4.4.5 KWO-vrije zones (koude-warmteopslag)

De provincie streeft er naar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen.

Ambitie en rol van de provincie

De provincie heeft vanuit de Drinkwaterwet een zorgplicht voor een duurzame openbare drinkwatervoorziening. De provincie wil de beschikbaarheid van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening veiligstellen en daar bij besluiten rekening mee houden.

De provincie moet in het kader van de Wet milieubeheer (artikel 2.1) een verordening opstellen. Deze moet regels bevatten voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Deze regels gelden in de gebieden die in de verordening zijn aangewezen. De provincie is daarmee verantwoordelijk voor de kwaliteit van de drinkwaterbronnen voor de openbare drinkwatervoorziening. Aan deze wettelijke verplichting voldoet de provincie door de vaststelling van de Omgevingsverordening met daarin de regelgeving die van toepassing is op onder andere de KWO-vrije zones. Deze zones vormen een onderdeel van de boringsvrije zones.

Aanpak

Voor een effectieve en duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening maakt de provincie gebruik van regelgeving en vergunningverlening: verbodsbepalingen en regelgeving voor activiteiten en inrichtingen in boringsvrije zones.

Rolopvatting

De provincie is:

  • normerend

Instrumenten

  • verordening

8.2.2 Aanvullingen in toelichting (Verdieping)     

8.2.3 Aanvullingen in beleidskaarten     

Op de themakaart 11 Water en ondergrond wordt vanwege Hoofdstuk 5 Grondwaterbescherming de beleidskaart KWO-vrije zones toegevoegd.

8.2.5 Aanvullingen in begrippenlijst     

De volgende begrippen worden toegevoegd:

Oppervlaktewaterlichaam: een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater.

Grondwaterlichaam: een afzonderlijke grondwatermassa in één of meer watervoerende lagen.

Piping: verzwakking van de dijk doordat er water doorheen stroomt, als gevolg van het waterstandverschil aan weerszijden van de dijk.