Omgevingsverordening Gelderland (december 2018)    

In deze geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening (moederplan vastgesteld door PS op 24 september 2014) zijn de wijzigingen ten gevolge van de volgende besluiten verwerkt:

-het actualisatieplan Omgevingsverordening (december 2014) deel I, vastgesteld door PS op 8 juli 2015)

-het besluit tot Aanpassing begrenzing GNN en GO (vastgesteld door GS op 2 juni 2015)

-het actualisatieplan Omgevingsverordening (december 2014) deel II (vastgesteld door PS op 11 november 2015)

-het actualisatieplan Omgevingsverordening (december 2016) deel A (vastgesteld door PS op 25 januari 2017, en 1 maart 2017)

-het actualisatieplan Omgevingsverordening (december 2016) (vastgesteld door PS op 1 maart 2017)

-Rectificatie Natuurbegraven Omgevingsverordening (december 2016) GS dd. 4 april 2017

-Rectificatie Plussenbeleid Omgevingsverordening (december 2016) PS dd. 12 april 2017

-het actualisatieplan Omgevingsverordening (juni 2017) (vastgesteld door PS op 28 juni 2017)

-het besluit tot Aanpassing begrenzing GNN en GO (vastgesteld door GS op 12 december 2017)

-het Actualisatieplan Omgevingsverordening (december 2017) (vastgesteld door PS op 13 december 2017)

-het Actualisatieplan 5 Omgevingsverordening met amendement 17A24 (vastgesteld door PS op 13 december 2017)

-het besluit tot Aanpassing begrenzing GNN en GO (vastgesteld door GS op 9 oktober 2018)

-het Actualisatieplan 6 Omgevingsverordening (vastgesteld door PS op 19 december 2018).

Dit is nu de meest actuele versie van de Omgevingsverordening Gelderland.

Regels     

Hoofdstuk 1 Algemeen     

Artikel 1.1 (aanwijzing gebieden)     

In deze verordening worden de volgende gebieden aangewezen, waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing zijn vastgelegd in een GML- bestand en verbeeld op de bij deze verordening behorende themakaarten:

Ammoniakbuffergebied     

gebied in een zone van 250 meter rondom zeer gevoelige natuur in het Gelders natuurnetwerk waar de emissie van ammoniak niet mag toenemen bij uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderij;

Beschermingszone natte landnatuur     

gebied in een zone rondom natte natuur in het Gelders natuurnetwerk waar ter bescherming van die natte natuur in beginsel geen ruimtelijke of waterhuishoudkundige ontwikkeling mogelijk is die door hydrologische beïnvloeding via het grondwatersysteem negatief effect heeft op de natte natuurwaarden;

Boringsvrije zone     

beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen 25 jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn en waar een kleilaag zit boven dat grondwater;

Extensiveringsgebied glastuinbouw     

gebied waar na 22 januari 2011 eenmalig een uitbreiding van een op die datum bestaand glastuinbouwbedrijf mogelijk is;

Gelders natuurnetwerk     

gebied met een samenhangend netwerk van binnen de provincie Gelderland bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten;

Glastuinbouwontwikkelingsgebied     

gebied aangewezen voor de concentratie en ontwikkeling van glastuinbouw;

Groene ontwikkelingszone     

gebied met een andere bestemming dan natuur dat ruimtelijk is vervlochten met het Gelders natuurnetwerk, waaronder weidevogelgebieden en rustgebieden voor winterganzen;

Grondwaterbeschermingsgebied     

beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen 25 jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn en waar geen afdoende beschermende kleilaag aanwezig is;

Intrekgebied     

beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen duizend jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn;

Koude-warmteopslagvrije zone     

beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen 25 jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn en waar geen afdoende beschermende kleilaag aanwezig is;

Molenbiotoop     

gebied rondom een historische of monumentale molen met een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen;

Nationaal landschap     

gebied met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten, en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten;

Nieuwe Hollandse Waterlinie     

onderdeel van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde als bedoeld in artikel 2.13.2, eerste lid, onder a, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 12,5 meter zijn vastgelegd binnen de grenzen van de provincie Gelderland;

Overig gebied glastuinbouw     

gebied buiten de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden, de Extensiveringsgebieden glastuinbouw en de Regionaal clusters glastuinbouw;

Regionaal cluster glastuinbouw     

gebied voor glastuinbouwontwikkeling buiten de glastuinbouwontwikkelingsgebieden;

Regionaal cluster glastuinbouw met verbrede reikwijdte     

gebied voor glastuinbouwontwikkeling buiten de glastuinbouwontwikkelingsgebieden met meer ruimte voor een andere bestemming dan binnen een Regionaal cluster glastuinbouw;

Reserve-glastuinbouwontwikkelingsgebied     

gebied gereserveerd voor uitbreiding van een glastuinbouwontwikkelingsgebied;

Romeinse Limes     

onderdeel van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde als bedoeld in artikel 2.13.2, eerste lid, onder b, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing zijn vastgelegd binnen de grenzen van de provincie Gelderland;

Stiltegebied     

gebied waarvoor regels gelden ter voorkoming of beperking van geluidhinder;

Tijdelijk verbodsgebied hervestiging glastuinbouw     

gebied waar een tijdelijk verbod op de hervestiging van glastuinbouwbedrijven geldt;

Tijdelijk verbodsgebied nieuwvestiging glastuinbouw     

gebied waar een tijdelijk verbod op de nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven geldt;

Tijdelijk verbodsgebied uitbreiding bestaande glastuinbouw     

gebied waar een tijdelijk verbod op de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven geldt;

Verbodsgebied varend ontgassen     

vaarwegen waar varend ontgassen niet is toegestaan;

Verbodsgebied windenergie     

gebied waar een windturbine of windturbinepark niet is toegestaan vanwege provinciale doelen;

Verkenningsgebied bijzondere voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk     

gebied binnen het Gelders natuurnetwerk waar onder bijzondere voorwaarden een natuurbegraafplaats kan worden toegestaan;

Verkenningsgebied bijzondere voorwaarden kleinschalige recreatie Gelders natuurnetwerk     

gebied binnen het Gelders natuurnetwerk waar onder bijzondere voorwaarden kleinschalige recreatie kan worden toegestaan;

Verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk     

gebied binnen het Gelders natuurnetwerk waar onder voorwaarden een natuurbegraafplaats kan worden toegestaan;

Verkenningsgebied voorwaarden kleinschalige recreatie Gelders natuurnetwerk     

gebied binnen het Gelders natuurnetwerk waar onder voorwaarden kleinschalige recreatie kan worden toegestaan;

Verkenningsgebied voorwaarden windturbines Gelders natuurnetwerk     

gebied binnen het Gelders natuurnetwerk waar onder voorwaarden een windturbine of een windturbinepark kan worden toegestaan;

Waardevol open gebied     

gebied waar grootschalige openheid als kernkwaliteit geldt;

Waterwingebied     

beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen één jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn.

Artikel 1.2 (begripsbepalingen)     

In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

Achtergrondwaarde     

achtergrondwaarde als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit;

Agrarisch gebied     

totale oppervlakte agrarische cultuurgrond in Gelderland, met inbegrip van de agrarische bouwpercelen;

Baggerspecie     

baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

Bedrijventerrein     

aaneengesloten terrein voor de bedrijfsmatige uitoefening van industriële, logistieke, ambachtelijke en dienstverlenende activiteiten en groothandel met de daarbij horende voorzieningen, bedoeld voor de vestiging van meerdere bedrijven;

Begraafplaats     

begraafplaats of een terrein voor het verstrooien van as of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of, tenzij anders is bepaald, een dierenbegraafplaats;

Beschermingsgebied grondwater     

gebied voor de bescherming van grondwater, aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a van de Wet milieubeheer, onderverdeeld in Waterwingebied, Grondwaterbeschermingsgebied, Koude-warmte-opslagvrije zone, Boringvrije zone en Intrekgebied;

Binnenschip     

schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet;

Boorput     

met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering;

Boring     

door boren, persen, spuiten, steken of op een andere manier een put maken in de grond, evenals het maken van een put voor een in de grond gecontroleerde en mechanisch aangebrachte sondering;

Buisleiding     

buisleiding voor het transport van olie, chemicaliën en gas (uitgezonderd aardgas), of een leiding voor elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën;

Diepinfiltratie     

door een geperforeerde buis rechtstreeks water infiltreren in dieper gelegen watervoerende bodemlagen;

Drinkwaterbedrijf     

bedrijf dat in een waterwingebied grondwater onttrekt voor de openbare drinkwatervoorziening;

Evaluatieverslag     

verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming;

Glastuinbouwbedrijf     

bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van een glasopstand van minimaal 2.500 vierkante meter;

Grondgebonden veehouderijbedrijf     

agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken;

Grondgebonden veehouderijtak     

onderdeel van een agrarisch bedrijf waarvoor het bedrijf beschikt over voldoende agrarische cultuurgrond in de omgeving van de bedrijfsgebouwen om de dieren binnen de veehouderijtak voor meer dan 50 procent zelf te kunnen voeren;

Grondgebruiker     

degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

Hervestiging (bij glastuinbouw)     

verplaatsing van een bestaand, in Gelderland gevestigd glastuinbouwbedrijf, naar een andere locatie in Gelderland;

Hervestiging (bij veehouderijbedrijf)     

vestiging van een nieuw op te richten of een van elders te verplaatsen veehouderijbedrijf op een bestaand agrarisch bouwperceel;

IBC-bouwstof     

IBC-bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

Inrichting     

inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer;

Kadegebonden bedrijventerrein     

terrein met een of meerdere bedrijven met minstens één openbare laad-of loskade langs voor binnenvaartschepen toegankelijk vaarwater;

Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk     

aanwezige en potentiële waarden gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied in het Gelders natuurnetwerk zoals beschreven in de atlas Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone of in bijlage 5 Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone;

Kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone     

bestaande en te ontwikkelen kwaliteiten voor het gebied in de Groene ontwikkelingszone zoals beschreven in de atlas Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone of in bijlage 5 Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone;

Kleinschalige recreatie     

vormen van recreatie, waaronder natuurkamperen, die niet leiden tot een aantasting van de kernkwaliteiten en het natuurlijk karakter van het gebied;

Kwaliteitsklasse     

kwaliteit van de bodem, grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 4.4.1 van de Regeling bodemkwaliteit;

Ladingtank     

tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd;

Meststof     

meststof als bedoeld in de zin van artikel 1, eerste lid, onder d, van de Meststoffenwet;

Natuurbegraafplaats     

terrein met als hoofdbestemming natuur en als nevenbestemming begraafplaats;

Nazorgplan     

plan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming;

Nazorgmaatregel     

maatregel bij een gesloten stortplaats als bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer;

Niet-grondgebonden veehouderijbedrijf     

agrarisch bedrijf dat hoofdzakelijk is gericht op veehouderij waarvan het voer voor de landbouwhuisdieren voor het grootste gedeelte niet geteeld wordt op de gronden die in de nabijheid van het agrarisch bouwperceel zijn gelegen en waarop de veehouderij rechten heeft;

Niet-grondgebonden veehouderijtak     

onderdeel van een agrarisch bedrijf dat is gericht op niet-grondgebonden veehouderij;

Niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting     

inrichting waarop een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 van de Wet milieubeheer van toepassing is en waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

Nieuwvestiging (bij glastuinbouw)     

vestiging van een nieuw glastuinbouwbedrijf anders dan door hervestiging;

Nieuwvestiging (bij veehouderijbedrijf)     

vestiging van of het planologisch mogelijk maken van een veehouderijbedrijf op een nieuw agrarisch bouwperceel;

Omgevingsvergunningplichtige inrichting     

inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

Ontgassen     

afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht;

Openbare weg     

weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van een fiets- en voetpad;

Perifere locatie     

locatie buiten een winkelcentrum;

Plussenbeleid     

beleid met aanvullende kwaliteitsvoorwaarden die gelden voor het ruimtelijk beleid van gemeenten die een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf mogelijk willen maken;

Plusmaatregel     

aanvullende fysieke maatregel ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving van een veehouderijtak op het gebied van het milieu, een goede landschappelijke inpassing of een verbetering van het dierenwelzijn;

Regionaal programma werklocaties     

regionale afspraken over werklocaties, opgesteld bij meerderheid van de gemeentebesturen in de regio's en door Gedeputeerde Staten vastgesteld;

Regionaal waterplan     

plan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet;

Restladingdamp     

damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft;

Saneerder     

degene die een sanering op grond van de Wet bodembescherming feitelijk uitvoert of die een saneringsplan heeft ingediend waarmee Gedeputeerde Staten hebben ingestemd;

Saneringsplan     

plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming;

Schadelijke stoffen     

stoffen of combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, maar in ieder geval de stoffen of combinaties van stoffen, vermeld in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel A, waarvan in het algemeen of in het gegeven geval, verwacht wordt dat ze de bodem en het grondwater verontreinigen of kunnen verontreinigen;

Stoffen     

chemische elementen, verbindingen daarvan of mengsels van die elementen of verbindingen;

Toestel     

toestel in de zin van de Wet geluidhinder;

Uitbreiding (bij veehouderij)     

vergroting van de agrarische bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel al dan niet gepaard gaande met een vergroting van het bouwperceel;

Vaarweg     

elk water binnen de provincie Gelderland dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of B in bijlage 1 Vaarwegen;

Vaarwegbeheerder     

het bestuursorgaan van het overheidslichaam dat is belast met het vaarwegbeheer en is vermeld op lijst A of B in bijlage 1 Vaarwegen;

Vaarwegprofiel     

voor een vlotte en veilige scheepvaart minstens noodzakelijke breedte en diepte van de vaarweg;

Watergebonden bedrijf     

bedrijf dat voor goederenoverslag of productieactiviteiten afhankelijk is van een vestigingslocatie direct aan vaarwater met een eigen kade of gebruikmakend van een in de directe nabijheid gelegen openbare kade;

Werk     

werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

Werklocatie     

bedrijventerrein of locatie voor een kantoor of voor perifere detailhandel;

Windturbine     

door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt met uitzondering van een historische of monumentale molen;

Windturbinepark     

park bestaande uit tenminste drie windturbines;

Zelfstandig kantoor     

kantoor dat geen onderdeel uitmaakt van of uitsluitend een ondersteunende functie heeft voor een bedrijf met andere bedrijfsactiviteiten dan een kantoorfunctie als inkomstenbron.

Artikel 1.3 (reikwijdte begrip bestemmingsplan en toelichting bij een bestemmingsplan)     

  1. In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, onder bestemmingsplan mede verstaan:
    1. wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening uitsluitend voor de toepassing van de artikelen 2.2, 2.9, 2.10, 2.13 en 2.14;
    2. uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening uitsluitend voor de toepassing van de artikelen 2.2, 2.9, 2.10, 2.13 en 2.14;
    3. beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening;
    4. omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, tenzij uit de betreffende bepaling uitdrukkelijk anders volgt;
    5. omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken uitsluitend ten behoeve van de vestiging van een detailhandelsvoorziening of supermarkt als bedoeld in artikel 2.14;
    6. projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet.
  2. In deze verordening wordt onder de toelichting bij een bestemmingsplan mede verstaan:
    1. de onderbouwing bij een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken ten behoeve van een project van lokaal ruimtelijk belang;
    2. de toelichting bij een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 2 Ruimte     

Afdeling 2.1 Woonlocaties en recreatiewoningen     

Artikel 2.1 (regionale woonagenda)     

  1. Per regio stellen de gemeentebesturen een regionale woonagenda op.
  2. Gedeputeerde Staten stellen de regionale woonagenda vast, als de agenda in overeenstemming is met de regionale opgave en het meest recente provinciale beleid.
  3. Als nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of een noodzakelijke actualisatie van de vigerende regionale woonagenda nog niet heeft plaatsgevonden, beoordelen Gedeputeerde Staten, totdat die regionale woonagenda is vastgesteld of na actualisering opnieuw is vastgesteld een bestemmingsplan dat nieuwe woningen mogelijk maakt aan de volgende criteria:
    1. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;
    2. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid;
    3. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling.

Artikel 2.2 (instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda)     

  1. Een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda.
  2. Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden:
    1. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;
    2. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid;
    3. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en
    4. Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling.

Artikel 2.3 (instructieregel bestemmingsplan solitaire recreatiewoningen)     

Een bestemmingsplan maakt een solitaire recreatiewoning alleen mogelijk op een reguliere woningbouwlocatie.

Artikel 2.4 (instructieregel bestemmingsplan permanente bewoning van recreatiewoningen)     

Een bestemmingsplan maakt permanente bewoning van een recreatiewoning niet mogelijk.

Artikel 2.5 (instructieregel bestemmingsplan bedrijfsmatige exploitatie van recreatiewoningen)     

  1. Een bestemmingsplan maakt nieuwvestiging of uitbreiding van een recreatiewoning alleen mogelijk voor bedrijfsmatige exploitatie.
  2. De toelichting bij het bestemmingsplan onderbouwt op welke wijze de bedrijfsmatige exploitatie van de recreatiewoning duurzaam is verzekerd.

Afdeling 2.2 Werklocaties     

§ 2.2.1 Regionaal programma werklocaties     

Artikel 2.6 (vaststelling Regionaal programma werklocaties)     
  1. Per regio stellen de gemeentebesturen een Regionaal programma werklocaties op voor de typen werklocaties, waarvan door Gedeputeerde Staten voor die regio is aangegeven dat daarover regionale afspraken nodig zijn.
  2. Gedeputeerde Staten stellen het Regionaal programma werklocaties vast.
  3. Een Regionaal programma werklocaties wordt eenmaal per vier jaar geactualiseerd en opnieuw ter vaststelling aangeboden aan Gedeputeerde Staten.
  4. Als naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in een regio een Regionaal programma werklocaties niet tijdig wordt opgesteld of geactualiseerd, of bij het opstellen van het programma onvoldoende rekening is gehouden met de inhoudelijke eisen gesteld in artikel 2.8, kunnen Gedeputeerde Staten zelf een programma voor die regio opstellen. Gedeputeerde Staten maken van deze bevoegdheid alleen gebruik, nadat zij de gemeentebesturen in die betreffende regio een redelijke termijn hebben gegeven om het programma alsnog op te stellen, te actualiseren of de kwaliteit daarvan te verbeteren.
Artikel 2.7 (overgangsregeling Regionaal Programma Bedrijventerreinen en Regionaal Programma Detailhandel)     
  1. Een voor 5 januari 2018 door Gedeputeerde Staten vastgesteld Regionaal Programma Bedrijventerreinen of Regionaal Programma Detailhandel geldt tot het moment dat dit periodiek geactualiseerd moet worden. Als in het Regionaal Programma Bedrijventerreinen of het Regionaal Programma Detailhandel een einddatum ontbreekt, geldt de actualiseringstermijn, bedoeld in artikel 2.6.
  2. Gedeputeerde Staten kunnen een termijn bepalen waarbinnen een, uiterlijk op 5 januari 2018 in voorbereiding genomen Regionaal programma werklocaties ter vaststelling aan Gedeputeerde Staten wordt aangeboden.
Artikel 2.8 (inhoud Regionaal programma werklocaties)     
  1. Het Regionaal programma werklocaties geeft voor de werklocaties binnen de regio inzicht in:
    1. de bestaande voorraad en het huidige aanbod zowel kwantitatief als kwalitatief;
    2. de toekomstige vraag rekening houdend met actuele trends, zowel kwantitatief als kwalitatief;
    3. de verhouding tussen vraag en aanbod.
  2. Het Regionaal programma werklocaties bevat een visie op:
    1. de gewenste ruimtelijk-economische ontwikkeling en regionale structuur van werklocaties;
    2. het toekomstperspectief voor de bestaande werklocaties.
  3. Het Regionaal programma werklocaties bevat afspraken over:
    1. het vitaal houden van de bestaande voorraad, bijvoorbeeld door herstructurering of revitalisering;
    2. de typen werklocaties en hoe deze zich onderling verhouden;
    3. de aanpak van het overaanbod door het faseren of wegbestemmen van plannen;
    4. de wijze van beoordeling en besluitvorming over nieuwe initiatieven voor uitbreiding van bestaande of vestiging van nieuwe bedrijven;
    5. de wijze van regionale samenwerking;
    6. de monitoring van de bestaande voorraad en de uitgifte van gronden door werklocaties;
    7. de tijdige actualisatie van het Regionaal programma werklocaties.

§ 2.2.2 Instructieregels bestemmingsplan kantoren     

Artikel 2.9 (nieuwe zelfstandige kantoren)     
  1. Een bestemmingsplan maakt zelfstandige kantoren alleen mogelijk voor zover deze ontwikkeling past binnen het vigerende Regionaal programma werklocaties.
  2. Als een ontwikkeling niet past binnen het vigerende Regionaal programma werklocaties, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie zelfstandige kantoren toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden:
    1. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;
    2. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en
    3. Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling.
  3. Als in overeenstemming met artikel 2.6, eerste lid, is aangegeven dat geen regionale afspraken over zelfstandige kantoren nodig zijn, kan een bestemmingsplan zelfstandige kantoren met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.000 vierkante meter alleen mogelijk maken na regionale afstemming over deze ontwikkeling. Regionale afstemming is niet verplicht als het gaat om zelfstandige kantoren met een lokaal vestigingsgebied.

§ 2.2.3 Instructieregels bestemmingsplan bedrijventerreinen     

Artikel 2.10 (nieuw bedrijventerrein en uitbreiding van bestaand bedrijventerrein)     
  1. Een bestemmingsplan maakt een nieuw bedrijventerrein of een uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein alleen mogelijk voor zover deze ontwikkeling past binnen het vigerende Regionaal programma werklocaties.
  2. Als een ontwikkeling niet past binnen het vigerende Regionaal programma werklocaties, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie een nieuw bedrijventerrein of de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden:
    1. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;
    2. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en
    3. Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling.
  3. Bij het maken van regionale afspraken over nieuwe bedrijventerreinen of uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen houden de gemeentebesturen rekening met artikel 2.11.
Artikel 2.11 (kadegebonden bedrijventerrein)     
  1. Een bestemmingsplan bestemt bedrijfskavels die door een kade zijn ontsloten alleen voor bedrijvigheid die voor goederenoverslag of productieactiviteiten afhankelijk is van een vestigingslocatie direct aan vaarwater met een eigen kade of in de directe nabijheid van een openbare kade.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan een bestemming voor andere dan watergebonden bedrijvigheid mogelijk maken als in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat:
    1. een bestemming tot watergebonden bedrijvigheid om ruimtelijke of milieuhygiënische redenen niet gewenst is, of
    2. uit onderzoek geen behoefte aan kavels voor watergebonden bedrijvigheid blijkt.
Artikel 2.12 (solitaire bedrijvigheid)     
  1. Een bestemmingsplan maakt geen vestiging mogelijk in het buitengebied van vormen van bedrijvigheid die naar huidige planologische inzichten wat betreft de ruimtelijke aanvaarbaarheid thuishoren op een bedrijventerrein.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingplan nieuwvestiging toch mogelijk maken als:
    1. sprake is van functieverandering, of
    2. het vigerende Regionaal programma werklocaties hierover afspraken bevat.
  3. Een bestemmingsplan maakt in het buitengebied uitbreiding van solitaire bedrijvigheid die leidt tot bedrijfsbebouwing groter dan 1.000 vierkante meter en waarbij de uitbreiding zelf groter is dan 250 vierkante meter bedrijfsbebouwing niet mogelijk, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat:
    1. verplaatsing naar een bedrijventerrein in redelijkheid niet mogelijk is;
    2. de uitbreiding regionaal is afgestemd;
    3. de uitbreiding landschappelijk goed wordt ingepast;
    4. de uitbreiding mogelijk wordt gemaakt met een maatbestemming.

§ 2.2.4 Instructieregels bestemmingsplan detailhandel     

Artikel 2.13 (algemene instructieregel detailhandel op een perifere locatie)     
  1. Een bestemmingsplan maakt detailhandel op een perifere locatie alleen mogelijk als dit past binnen het vigerende Regionaal programma werklocaties.
  2. Als een ontwikkeling niet past binnen het vigerende Regionaal programma werklocaties, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie detailhandel op een perifere locatie toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden:
    1. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;
    2. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en
    3. Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling.
  3. Als in overeenstemming met artikel 2.6, eerste lid, is aangegeven dat geen regionale afspraken over detailhandel op een perifere locatie nodig zijn, kan in een bestemmingsplan een detailhandelsvoorziening met een bovenlokale functie en een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 vierkante meter alleen mogelijk worden gemaakt na regionale afstemming over deze ontwikkeling.
  4. Bij het maken van regionale afspraken omtrent detailhandel op een perifere locatie houden de gemeentebesturen rekening met artikel 2.14.
Artikel 2.14 (instructieregel voor specifieke detailhandel op een perifere locatie)     
  1. Een bestemmingsplan maakt de vestiging van een detailhandelsvoorziening op een perifere locatie alleen mogelijk als deze voorziening vanwege specifieke ruimtelijke eisen - of veiligheidseisen binnenstedelijk moeilijk inpasbaar is.
  2. Een bestemmingsplan maakt de vestiging van een supermarkt alleen mogelijk binnen of aansluitend aan een winkelcentrum, tenzij vanwege bijzondere omstandigheden vestiging op zo’n locatie niet mogelijk is.

§ 2.2.5 Deprogrammeren overaanbod werklocaties     

Artikel 2.15 (opdracht tot aanpassing bestemmingsplannen)     
  1. Bestemde maar nog niet gerealiseerde mogelijkheden voor werklocaties in bestemmingsplannen waarvan in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Regionaal programma werklocaties, is bepaald dat die moeten worden geschrapt, worden wegbestemd.
  2. Binnen één jaar na de datum van vaststelling van het Regionaal programma werklocaties door Gedeputeerde Staten, stelt de gemeenteraad vast welke mogelijkheden voor het realiseren van werklocaties worden wegbestemd om te voldoen aan de opdracht, bedoeld in het eerste lid. Na overleg met de gemeentebesturen in de betrokken regio kunnen Gedeputeerde Staten dit besluit nemen.
  3. Binnen twee jaar na het besluit, bedoeld in het tweede lid, of binnen de daarvoor in het Regionaal programma werklocaties vastgestelde andere termijn, worden de in dit besluit benoemde mogelijkheden voor het realiseren van werklocaties met een herziening van het bestemmingsplan wegbestemd.

Afdeling 2.3 Glastuinbouw     

§ 2.3.1 Instructieregels bestemmingsplan glastuinbouw     

Artikel 2.16 (nieuw- en hervestiging glastuinbouwbedrijven binnen Glastuinbouwontwikkelingsgebied)     
  1. Een bestemmingsplan maakt nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf alleen mogelijk binnen een Glastuinbouwontwikkelingsgebied.
  2. Een bestemmingsplan maakt hervestiging van een glastuinbouwbedrijf in een Glastuinbouwontwikkelingsgebied alleen mogelijk onder de voorwaarden dat:
    1. de glasopstand op de vertreklocatie buiten het Glastuinbouwontwikkelingsgebied wordt verwijderd;
    2. de vestiging van een nieuw glastuinbouwbedrijf op de vertreklocatie planologisch onmogelijk wordt gemaakt.
  3. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Glastuinbouwontwikkelingsgebied kan een tuinbouwgelieerde activiteit alleen mogelijk maken als:
    1. die activiteit is opgenomen in het vigerende Regionaal programma werklocaties;
    2. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat die activiteit een directe relatie heeft met de bedrijfsvoering van een binnen Glastuinbouwontwikkelingsgebied bestaand glastuinbouwbedrijf en geen belemmering vormt voor een goede verkaveling van het Glastuinbouwontwikkelingsgebied.
Artikel 2.17 (andere bestemmingen binnen Glastuinbouwontwikkelingsgebied)     
  1. Een bestemmingsplan geeft aan een in een Glastuinbouwontwikkelingsgebied vrijgekomen perceel geen bestemming die de ontwikkeling van glastuinbouw binnen dat gebied kan belemmeren.
  2. Een bestemmingsplan geeft aan een in een Glastuinbouwontwikkelingsgebied gelegen perceel alleen een andere bestemming dan glastuinbouw als die andere bestemming bijdraagt aan de herstructurering van de glastuinbouwsector.
Artikel 2.18 (nieuw- en hervestiging glastuinbouwbedrijven binnen Reserve-glastuinbouwontwikkelingsgebied)     
  1. Een bestemmingsplan binnen een Reserve-glastuinbouwontwikkelingsgebied maakt nieuwvestiging of hervestiging van een glastuinbouwbedrijf alleen mogelijk als:
    1. vestiging in een aangrenzende Glastuinbouwontwikkelingsgebied niet mogelijk is;
    2. de glasopstand op de vertreklocatie buiten het Reserve-glastuinbouwontwikkelingsgebied wordt verwijderd;
    3. de vestiging van een nieuw glastuinbouwbedrijf op de vertreklocatie planologisch onmogelijk wordt gemaakt.
  2. Een bestemmingsplan binnen een Reserve-glastuinbouwontwikkelingsgebied maakt uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf met meer dan 20% alleen mogelijk als die ontwikkeling geen belemmering vormt voor een goede verkaveling van het Reserve-glastuinbouwontwikkelingsgebied.
  3. Een bestemmingsplan geeft aan een in een Reserve-glastuinbouwontwikkelingsgebied vrijgekomen perceel geen bestemming die de ontwikkeling van glastuinbouw binnen dat gebied kan belemmeren.

§ 2.3.2 Instructieregels bestemmingsplan Regionaal cluster glastuinbouw     

Artikel 2.19 (bestemming tot Regionaal cluster glastuinbouw)     

Een bestemmingsplan maakt de bestemming Regionaal cluster glastuinbouw alleen mogelijk binnen een al bestaand Regionaal cluster glastuinbouw.

Artikel 2.20 (hervestiging binnen Regionaal cluster glastuinbouw)     

Een bestemmingsplan maakt de hervestiging van een glastuinbouwbedrijf in een Regionaal cluster glastuinbouw alleen mogelijk als:

  1. de glasopstand op de vertreklocatie buiten het Regionaal cluster glastuinbouw wordt verwijderd;
  2. de vestiging van een nieuw glastuinbouwbedrijf op de vertreklocatie planologisch onmogelijk wordt gemaakt.
Artikel 2.21 (andere bestemmingen binnen Regionaal cluster glastuinbouw)     

Een bestemmingsplan geeft aan een in een Regionaal cluster glastuinbouw vrijgekomen perceel geen bestemming die de ontwikkeling van glastuinbouw binnen dat cluster kan belemmeren.

Artikel 2.21a (Regionaal cluster glastuinbouw met verbrede reikwijdte)     

In afwijking van artikel 2.21 kan het bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen het Regionaal cluster glastuinbouw met verbrede reikwijdte regels geven omtrent het gebruik van die gronden:

  1. die duurzame energieproductie door de aanleg van zonnepanelen mogelijk maken, of
  2. die de bouw van een waterzuiveringsinstallatie mogelijk maken.

§ 2.3.3 Instructieregels bestemmingsplan Extensiveringsgebied glastuinbouw     

Artikel 2.22 (uitbreiding en hervestiging binnen Extensiveringsgebied glastuinbouw)     

Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen een Extensiveringsgebied glastuinbouw:

  1. kan na 22 januari 2011 een eenmalige uitbreiding van op die datum bestaande glastuinbouwbedrijven mogelijk maken;
  2. maakt geen hervestiging van een glastuinbedrijf mogelijk.

§ 2.3.4 Overige instructieregels bestemmingsplan glastuinbouw     

Artikel 2.23 (uitbreiding glastuinbouw als neventak of gemengd bedrijf)     
  1. Een bestemmingsplan kan het voor bedrijven met glastuinbouw als neventak of in gemengde bedrijfsvoering mogelijk maken om de glasopstand eenmalig uit te breiden met maximaal 20% ten opzichte van de op 29 juni 2005 bestaande omvang.
  2. Een bestemmingsplan kan het voor bedrijven met glastuinbouw als neventak of in gemengde bedrijfsvoering mogelijk maken om de glasopstand uit te breiden met meer dan 20%, als in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat:
    1. de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf;
    2. de verplaatsing naar een Glastuinbouwontwikkelingsgebied dan wel een Regionaal cluster glastuinbouw bedrijfseconomisch niet mogelijk is.
Artikel 2.24 (eenmalige uitbreiding glastuinbouw)     
  1. Een bestemmingsplan kan het voor een glastuinbouwbedrijf gelegen in Overig gebied glastuinbouw mogelijk maken om de glasopstand eenmalig uit te breiden met maximaal 20% ten opzichte van de 29 juni 2005 bestaande oppervlakte aan glasopstand.
  2. Een bestemmingsplan kan het voor een glastuinbouwbedrijf gelegen in Overig gebied glastuinbouw mogelijk maken om de glasopstand met meer dan 20% uit te breiden, als:
    1. deze uitbreidingsmogelijkheid is opgenomen in een op 3 november 2009 vigerend bestemmingsplan dat door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd na 29 juni 2005;
    2. sprake is van uitbreiding van kassen voor onderwijs, onderzoek en ontwikkeling van een nabij gelegen onderzoeks- of onderwijsinstelling, of
    3. als in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat:
      1. de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf;
      2. verplaatsing naar een Glastuinbouwontwikkelingsgebied of een Regionaal cluster glastuinbouw bedrijfseconomisch niet mogelijk is;
      3. deze uitbreiding zich verdraagt met ter plaatse van belang zijnde gebiedskwaliteiten van natuur, landschap en water.

§ 2.3.5 Tijdelijke verboden nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw     

Artikel 2.25 (tijdelijk verbod nieuwvestiging glastuinbouw)     

Zolang geen bestemmingsplan ter uitvoering van artikel 8.1 is opgesteld en in werking is getreden, is nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven buiten de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden verboden.

Artikel 2.26 (tijdelijk verbod uitbreiding bestaande glastuinbouw)     
  1. Zolang geen bestemmingsplan ter uitvoering van artikel 8.1 is opgesteld en in werking is getreden, is uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven gelegen in Overig gebied glastuinbouw met meer dan 20% verboden, tenzij deze uitbreidingsmogelijkheid is opgenomen in een op 3 november 2009 vigerend bestemmingsplan dat door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd na 29 juni 2005.
  2. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het eerste lid als wordt aangetoond dat:
    1. de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf;
    2. verplaatsing naar een Glastuinbouwontwikkelingsgebied of een Regionaal cluster glastuinbouw bedrijfseconomisch niet mogelijk is;
    3. deze uitbreiding zich verdraagt met ter plaatse van belang zijnde gebiedskwaliteiten van natuur, landschap en water.
Artikel 2.27 (tijdelijk verbod hervestiging glastuinbouw)     

Zolang geen bestemmingsplan ter uitvoering van artikel 8.1 is opgesteld en in werking is getreden, is hervestiging van glastuinbouwbedrijven in Overig gebied glastuinbouw verboden.

Afdeling 2.4 Veehouderij     

Artikel 2.28 (instructieregel bestemmingsplan nieuwvestiging grondgebonden veehouderijbedrijf)     

  1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het agrarisch gebied maakt nieuwvestiging van een grondgebonden veehouderijbedrijf alleen mogelijk als:
    1. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de nieuwvestiging een verbetering van de landbouwstructuur oplevert en dat hervestiging op een bestaand agrarisch bouwperceel bedrijfseconomisch niet mogelijk is, of
    2. een bestaand veehouderijbedrijf moet worden verplaatst op initiatief van de overheid ten behoeve van het realiseren van ruimtelijke doelen van algemeen maatschappelijk belangen.
  2. Het bestemmingsplan voorziet in een goede landschappelijke inpassing.

Artikel 2.29 (instructieregel bestemmingsplan nieuwvestiging niet-grondgebonden veehouderijbedrijf)     

Een bestemmingsplan voor gronden binnen het agrarisch gebied maakt nieuwvestiging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf niet mogelijk.

Artikel 2.30 (uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak: handreiking beleidsregels Plussenbeleid)     

  1. Gedeputeerde Staten stellen in een handreiking een algemeen kader vast voor de door het gemeentebestuur op te stellen beleidsregels Plussenbeleid.
  2. De handreiking Plussenbeleid bevat in ieder geval als kader dat:
    1. uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of alleen mogelijk is als door de aanvrager plusmaatregelen worden getroffen;
    2. de investering in de te treffen plusmaatregelen aantoonbaar € 15,- tot € 20,- per vierkante meter bruto stalvloeroppervlakte van de uitbreiding bedraagt;
    3. de plusmaatregelen getroffen worden in de volgende rangorde:
      1. ter plaatse op het erf;
      2. in de directe omgeving van het erf;
      3. in de omgeving van de direct-omwonenden.
    4. de te treffen plusmaatregelen geborgd worden in:
      1. een privaatrechtelijke overeenkomst, inclusief een boetebeding;
      2. een voorwaardelijke plicht in het bestemmingsplan, of
      3. de voorschriften van een omgevingsvergunning.

Artikel 2.31 (instructieregel bestemmingsplan Plussenbeleid)     

  1. Een bestemmingsplan maakt een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of niet-grondgebonden veehouderijtak alleen mogelijk als de uitbreiding voldoet aan door het gemeentebestuur in overeenstemming met de handreiking Plussenbeleid vastgestelde beleidsregels.
  2. Een bestemmingsplan kan eens per vijf jaar een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak mogelijk maken met een omvang van ten hoogste 500 vierkante meter, waarop de vastgestelde beleidsregels niet van toepassing zijn.

Artikel 2.32 (vervallen)     

Artikel 2.33 (instructieregel bestemmingsplan niet-grondgebonden veehouderijtak in Ammoniakbuffergebied)     

In aanvulling op de artikelen 2.29 en 2.31, eerste lid, maakt een bestemmingsplan voor gronden binnen het Ammoniakbuffergebied:

  1. nieuw- en hervestiging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of niet-grondgebonden veehouderijtak niet mogelijk;
  2. uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijtak alleen mogelijk als de emissie van ammoniak niet toeneemt.

Artikel 2.34 (tijdelijk verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij)     

  1. Het is verboden om:
    1. een geitenhouderij te vestigen;
    2. een veehouderijbedrijf of een veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren geheel of gedeeltelijk te wijzigen in een geitenhouderij;
    3. het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden te vergroten;
    4. de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten te vergroten, tenzij het vergunde, dan wel gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit;
    5. een dierenverblijf voor een geitenhouderij op te richten en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen;
    6. bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij.
  2. Dit verbod is niet van toepassing voor zover voor die activiteit op 30 augustus 2017:
    1. een ontvankelijke melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit bij het bevoegd gezag is ingediend; of
    2. een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning bij het bevoegd gezag is ingediend, tenzij de aanvraag ziet op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
  3. Dit verbod geldt voor het betreffende plangebied zolang geen bestemmingsplan als bedoeld in artikel 8.1 voor dat plangebied in werking is getreden dat overeenstemt met het eerste lid.
  4. In afwijking van artikel 8.1, derde lid, stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan dat overeenstemt met het eerste lid uiterlijk voor 1 januari 2021 vast, tenzij door Gedeputeerde Staten uitstel is verleend om reden dat Provinciale Staten het tijdelijke verbod in heroverweging hebben genomen.

Artikel 2.35 (nevenactiviteiten agrarische bedrijven in Agrarisch gebied)     

  1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het agrarisch gebied maakt een nevenactiviteit mogelijk onder de volgende voorwaarden:
    1. er is sprake van verkoop van zelfgeteelde of -geproduceerde agrarische producten en op beperkte schaal aanverwante artikelen, eventueel aangevuld met agrarische producten afkomstig van bedrijven uit de omgeving;
    2. de nevenactiviteiten vormen geen belemmering voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.
  2. Het bestemmingsplan voorziet in een goede landschappelijke inpassing.

Afdeling 2.5 Instructieregels bescherming grond- en drinkwater     

Artikel 2.36 (instructieregel bestemmingsplan Waterwingebied)     

Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen een Waterwingebied geen bestemming mogelijk die een groter risico kan vormen voor de kwaliteit van het grondwater dan de vigerende bestemming.

Artikel 2.37 (instructieregel bestemmingsplan Grondwaterbeschermingsgebied)     

Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen een Grondwaterbeschermingsgebied geen bestemming mogelijk die een groter risico kan vormen voor de kwaliteit van het grondwater dan de vigerende bestemming, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat een groter risico niet kan worden voorkomen en compensatie van het mogelijk grotere risico wordt verankerd in hetzelfde of een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.

Artikel 2.38 (instructieregel bestemmingsplan Intrekgebied)     

Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Intrekgebied maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk.

Afdeling 2.6 Natuur en Landschap     

§ 2.6.1 Instructieregels bestemmingsplan bescherming Gelders natuurnetwerk     

Artikel 2.39 (andere bestemming dan natuur)     
  1. Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen het Gelders natuurnetwerk een andere bestemming dan natuur alleen mogelijk als er sprake is van een groot openbaar belang en
    1. er voor de realisering daarvan geen reële alternatieven zijn;
    2. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten en oppervlakte van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd in overeenstemming met bijlage 8 Gelijkwaardige natuurbeheertypen.
  2. In afwijking van het eerste lid is er voor gronden met de volgende natuurbeheertypen geen andere bestemming mogelijk: bron, gemaaid rietland, hoogveen, trilveen en zwak gebufferd ven.
  3. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voor gronden binnen het Gelderse natuurnetwerk nieuwe bebouwing of terreinverharding binnen een omheind militaire terrein mogelijk maken als:
    1. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de ecologische samenhang zoveel mogelijk worden beperkt;
    2. de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.
  4. Om te bepalen wat de effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de ecologische samenhang zijn, doet de initiatiefnemer onderzoek naar actuele waarden binnen het gebied en de effecten van het initiatief op de binnen het gebied aanwezige:
    1. natuurwaarden en potenties;
    2. in de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode lijsten;
    3. kwaliteit van lucht, water en bodem;
    4. mate van stilte, rust en duisternis;
    5. ecologische samenhang;
    6. landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische, bodemkundige waarden en het reliëf.
  5. Compensatie kan plaatsvinden door fysieke natuurcompensatie op gronden met een andere bestemming dan natuur in de nabijheid van de te compenseren locatie of door financiële compensatie.
Artikel 2.40 (uitbreiding van bestaande bestemming)     
  1. Een bestemmingsplan voor gronden die geheel omsloten worden door het Gelders natuurnetwerk kan uitbreiding van bestaande functies mogelijk maken als in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat:
    1. verplaatsing naar een locatie buiten het Gelders natuurnetwerk bedrijfseconomisch niet mogelijk is;
    2. de kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo worden versterkt, en
    3. deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitbreiding van de recreatiebedrijven in bijlage 11 Groeilocaties groei-krimpbeleid Veluwe, onder de voorwaarden dat de uitbreiding:
    1. plaatsvindt op de in deze bijlage aangegeven uitbreidingslocaties;
    2. de gereserveerde oppervlakte uit de tabel Groeilocaties niet overschrijdt;
    3. uiterlijk 1 januari 2027 is opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan.
  3. Gedeputeerde Staten sluiten ter uitvoering van een uitbreiding als bedoeld in het tweede lid een overeenkomst met het recreatiebedrijf waarin in ieder geval de hoogte van het door het recreatiebedrijf te betalen compensatiebedrag wordt vastgelegd.

§ 2.6.2 Wijzigingsbevoegdheden     

Artikel 2.41 (wijzigingsbevoegdheid college van burgemeester en wethouders)     

Een bestemmingsplan voor gronden binnen het Gelders natuurnetwerk maakt het mogelijk dat het college van burgemeester en wethouders de vigerende bestemming kunnen wijzigen in de bestemming natuur, als:

  1. de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie;
  2. een overeenkomst voor functieverandering door middel van particulier natuurbeheer is gesloten, of
  3. Gedeputeerde Staten hebben besloten aan Provinciale Staten voor te stellen om de Kroon te verzoeken een onteigeningsbesluit te nemen als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet en Gedeputeerde Staten een kopie van hun besluit aan burgemeester en wethouders hebben gezonden met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan.
Artikel 2.42 (wijziging begrenzing Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone)     

Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone wijzigen voor een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone en voor de toepassing van paragraaf 2.6.1, voor zover:

  1. de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone behouden blijven;
  2. de oppervlakte van het Gelders natuurnetwerk ten minste gelijk blijft;
  3. er op 17 oktober 2014 sprake was van een onherroepelijk bestemmingsplan met daarin bestemmingen die strijdig zijn met de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone.

§ 2.6.3 Compensatie natuur binnen Gelders natuurnetwerk     

Artikel 2.43 (fysieke natuurcompensatie)     
  1. De omvang van de fysieke natuurcompensatie is gelijk aan de oppervlakte van het door de nieuwe functie aangetaste areaal, vermeerderd met de volgende toeslag:
    1. 1/3 deel van het oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer bij natuur met een ontwikkeltijd tussen 5 en 25 jaar;
    2. 2/3 deel van het oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer bij natuur met een ontwikkeltijd tussen 25 en 100 jaar;
    3. een door Gedeputeerde Staten te bepalen oppervlak en bedrag voor kosten van het ontwikkelingsbeheer bij natuur met een ontwikkelingstijd van meer dan 100 jaar.
  2. Voor toepassing van het eerste lid geldt de ontwikkeltijd per natuurbeheertype, vermeld in bijlage 7 Ontwikkeltijd natuurbeheertypen.
  3. Planologische verankering van fysieke natuurcompensatie vindt plaats in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan als waarin de wijziging van de bestemming wordt geregeld, die de aanleiding vormt voor de compensatie.
Artikel 2.44 (compensatieplan bij fysieke natuurcompensatie)     
  1. De fysieke natuurcompensatie en mogelijke mitigerende maatregelen worden onderbouwd in een compensatieplan.
  2. Het compensatieplan bevat een digitale verbeelding van de te compenseren locatie en van de locatie waar de compensatie zal plaatsvinden.
  3. Het compensatieplan geeft inzicht in:
    1. hoe verzekerd is dat de mogelijke mitigerende maatregelen en de fysieke natuurcompensatie worden uitgevoerd;
    2. hoe de monitoring en rapportage over de uitvoering van de mitigerende maatregelen en de fysieke natuurcompensatie plaatsvindt;
    3. hoe de compensatienatuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd.
Artikel 2.45 (uitvoering compensatieplan)     
  1. De uitvoering van het compensatieplan vindt plaats binnen vijf jaar na vaststelling van het bestemmingsplan, waarin de fysieke natuurcompensatie is verankerd.
  2. Als op de te compenseren locatie sprake is van beschermde inheemse diersoorten of soorten op een Rode lijst, dan vinden de mitigerende maatregelen en de fysieke natuurcompensatie plaats voorafgaand aan de fysieke ingreep op de locatie die de aanleiding vormt voor het compensatieplan.
  3. De uitvoering van het compensatieplan wordt verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan en wanneer gewenst aanvullend met een privaatrechtelijke overeenkomst voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld.
Artikel 2.46 (financiële natuurcompensatie)     
  1. De door initiatiefnemer te betalen financiële compensatie wordt door Gedeputeerde Staten verrekend met de kosten voor de al aangelegde compensatie van natuur in een compensatiepool.
  2. De omvang van de financiële compensatie bestemd voor de compensatiepool wordt bepaald door:
    1. de aanschaf en de verwerving van vervangende grond;
    2. de inrichting van de natuur;
    3. het beheer gedurende de ontwikkelingstijd;
    4. de procedure- en plankosten.
  3. De financiële compensatie is gebonden aan de ingreep en wordt gestort op de rekening van de provincie.

§ 2.6.4 Voorwaarden toegestane activiteiten Gelders natuurnetwerk     

Artikel 2.47 (instructieregel bestemmingsplan natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk onder voorwaarden)     
  1. In afwijking van paragraaf 2.6.1 kan een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen het Verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk een natuurbegraafplaats mogelijk maken, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. de grafrust wordt gerespecteerd;
    2. er worden alleen menselijke stoffelijke resten en urnen begraven;
    3. er vinden geen bijzettingen plaats;
    4. er vindt geen as-verstrooiing plaats;
    5. er wordt alleen in vergankelijke materialen begraven;
    6. bij het dichten van een graf wordt de bodem in de oorspronkelijke volgorde teruggeplaatst;
    7. er worden geen grafmonumenten geplaatst;
    8. er worden geen nieuwe gebouwen of bouwwerken opgericht;
    9. er worden geen verhardingen of half verhardingen aangebracht;
    10. er vindt geen grondverzet plaats anders dan voor het delven van een graf of het begraven van een urn nodig is;
    11. het aantal graven bedraagt ten hoogste 500 graven per hectare;
    12. de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk worden versterkt door per 250 graven per hectare één hectare nieuwe natuur te realiseren of door het omvormen van vijf hectare bestaande natuur naar een provinciaal doeltype zoals beschreven in het natuurbeheerplan en de beheerplannen Natura2000;
    13. in het bestemmingsplan is als voorwaardelijke verplichting een beheerplan opgenomen dat inzicht geeft hoe met de ter plaatse voorkomende bijzondere soorten wordt omgegaan.
  2. De initiatiefnemer legt de wijze van versterking van de kernkwaliteiten, de wijze waarop aandacht aan voorkomende soorten wordt besteed en het dichten van graven vast in een natuurversterkingsplan dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan.
Artikel 2.48 (instructieregel bestemmingsplan natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk onder bijzondere voorwaarden)     

In afwijking van paragraaf 2.6.1 kan een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen het Verkenningsgebied bijzondere voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk een natuurbegraafplaats mogelijk maken als voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.47 en de initiatiefnemer aantoont dat:

  1. de bosbodems eerder zijn geroerd en niet meer ongestoord zijn;
  2. de zoekgebieden voor nieuwe habitat in de omgeving al zijn ingevuld buiten het initiatief.
Artikel 2.49 (instructieregel bestemmingsplan kleinschalige recreatie in Gelders natuurnetwerk onder voorwaarden)     
  1. In afwijking van paragraaf 2.6.1 kan een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen het Verkenningsgebied voorwaarden kleinschalige recreatie Gelders natuurnetwerk kleinschalige recreatie mogelijk maken, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. er worden geen nieuwe gebouwen of bouwwerken opgericht;
    2. er worden geen verhardingen of half verhardingen aangebracht;
    3. de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk worden versterkt door per hectare één hectare nieuwe natuur te realiseren of door het omvormen van vijf hectare bestaande natuur naar een provinciaal doeltype zoals beschreven in het natuurbeheerplan en de beheerplannen Natura2000;
    4. bij natuurkamperen;
      1. het aantal staanplaatsen voor kampeermiddelen is maximaal 25 per hectare;
      2. de kampeermiddelen zijn van elkaar visueel afgescheiden door natuurlijke begroeiing;
      3. de staanplaatsen zijn beschikbaar voor een periode van maximaal 27 aaneengesloten nachten.
  2. De initiatiefnemer legt de wijze van versterking van de kernkwaliteiten en de wijze waarop aandacht aan voorkomende soorten wordt besteed, vast in een natuurversterkingsplan dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan.
Artikel 2.50 (instructieregel bestemmingsplan kleinschalige recreatie in Gelders natuurnetwerk onder bijzondere voorwaarden)     

In afwijking van paragraaf 2.6.1 kan een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen het Verkenningsgebied bijzondere voorwaarden kleinschalige recreatie Gelders natuurnetwerk kleinschalige recreatie mogelijk maken als voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.49 en de initiatiefnemer aantoont dat:

  1. de bosbodems eerder zijn geroerd en niet meer ongestoord zijn;
  2. de zoekgebieden voor nieuwe habitat in de omgeving al zijn ingevuld buiten het initiatief.
Artikel 2.51 (instructieregel bestemmingsplan windturbines in Gelders natuurnetwerk)     
  1. In afwijking van paragraaf 2.6.1 kan een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen het Verkenningsgebied voorwaarden windturbines Gelders natuurnetwerk windturbines mogelijk maken, als de compensatie voor windturbines en omliggende verharding bestaat uit maatregelen waarbij de oppervlakte natuur die verloren gaat voor 200 procent wordt gecompenseerd.
  2. De initiatiefnemer legt de wijze van compensatie van de kernkwaliteiten en de wijze waarop aandacht aan voorkomende soorten wordt besteed, vast in een natuurversterkingsplan dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan.
Artikel 2.51a (instructieregel toelichting bestemmingsplan kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk)     

Bij afwijking van paragraaf 2.6.1 voor een in het Gelders natuurnetwerk toegestane activiteit als bedoeld in de artikelen 2.47, 2.48, 2.49, 2.50 en 2.51 wordt in de toelichting bij het bestemmingsplan aangetoond dat de kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk per saldo niet significant worden aangetast.

§ 2.6.5 Instructieregels bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone     

Artikel 2.52 (nieuwe ontwikkelingen in bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone)     
  1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone maakt geen nieuwe grootschalige ontwikkeling mogelijk die leidt tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone van het betreffende gebied, tenzij:
    1. er geen reële alternatieven zijn;
    2. sprake is van redenen van groot openbaar belang;
    3. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt;
    4. de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd overeenkomstig de artikelen 2.39, derde tot en met zesde lid, en paragraaf 2.6.3.
  2. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone kan een nieuwe kleinschalige ontwikkeling mogelijk maken, als:
    1. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt;
    2. deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
Artikel 2.53 (uitbreiding bestaande bedrijven of functies in Groene ontwikkelingszone)     
  1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone kan uitbreiding van bestaande functies met meer dan 30 procent mogelijk maken, als:
    1. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt;
    2. deze versterking is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan de uitbreiding van bestaande grondgebonden landbouwbedrijven en van extensieve openluchtrecreatie met meer dan 30 procent mogelijk maken, als:
    1. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast;
    2. deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde of in een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet, voor zover het daarbij opstallen betreft als bedoeld in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928.
  4. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone kan uitbreiding van bestaande functies met ten hoogste 30 procent mogelijk maken, als:
    1. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast;
    2. deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
Artikel 2.54 (vellen van een houtopstand in Groene ontwikkelingszone)     
  1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone maakt een functie, waarvoor een houtopstand als bedoeld in de Wet natuurbescherming moet worden geveld, anders dan in het kader van de normale bosexploitatie, alleen mogelijk als wordt voorzien in een extra compensatie voor het areaal bos dat verloren gaat.
  2. Compensatie kan plaatsvinden door fysieke compensatie of door financiële compensatie op basis van de volgende voorkeursvolgorde:
    1. fysieke compensatie in of grenzend aan de Groene ontwikkelingszone en voor zover mogelijk aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied, en wordt planologisch verankerd in hetzelfde dan wel in een ander gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan;
    2. financiële compensatie in een compensatiepool, als fysieke compensatie in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan niet mogelijk is;
    3. fysieke compensatie op afstand van het gebied, waar de houtopstand wordt geveld, als fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied en compensatie van gelijkwaardige natuur in een compensatiepool niet mogelijk is.
  3. De omvang van de compensatie wordt bepaald door de grootte van het aangetaste areaal vermeerderd met de volgende toeslag:
    1. bij natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag;
    2. bij natuur met een ontwikkeltijd tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer;
    3. bij natuur met een ontwikkeltijd tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer;
    4. bij natuur met een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag van tenminste 2/3 in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk.
  4. Als fysieke compensatie aantoonbaar niet, of niet volledig mogelijk is, wordt een financiële compensatie bepaald aan de hand van:
    1. de kosten van aanschaf en verwerving van vervangende grond op dezelfde plaats;
    2. de kosten van basisinrichting;
    3. de kosten van het ontwikkelingsbeheer.
  5. De financiële compensatie is gebonden aan de ingreep en wordt gestort op de rekening van de provincie.

§ 2.6.6 Instructieregels bestemmingsplan bescherming landschap     

Artikel 2.55 (ontwikkeling in Waardevol open gebied)     
  1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Waardevol open gebied maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan geen bestemming mogelijk die de openheid van een Waardevol open gebied aantast.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan binnen een Waardevol open gebied het oprichten van een windturbinepark mogelijk maken, voor zover de toelichting van het bestemmingsplan voldoet aan artikel 2.62.
  3. In afwijking van het eerste lid is uitbreiding van agrarische bebouwing binnen of aansluitend aan het bestaande agrarisch bouwperceel toegestaan.
  4. Bij een omvangrijke uitbreiding van agrarische bebouwing aansluitend aan, maar wel buiten het bestaande agrarisch bouwperceel, voorziet het bestemmingsplan in een beeldkwaliteitsplan en de toelichting bij het bestemmingsplan in een ruimtelijk landschappelijk ontwerp.
Artikel 2.56 (ontwikkeling in Nationaal landschap)     
  1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap, bedoeld in bijlage 6 Kernkwaliteiten Nationale Landschappen, niet aantasten.
  2. In afwijking van het eerste lid zijn activiteiten die deze kernkwaliteiten aantasten alleen mogelijk als:
    1. er geen reële alternatieven zijn;
    2. er sprake is van redenen van groot openbaar belang;
    3. compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zoals vastgelegd in bijlage 6.

§ 2.6.7 Nieuwe Hollandse Waterlinie     

Artikel 2.57 (beschrijving van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie)     
  1. De kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn:
    1. het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militair verdedigingssysteem, bestaande uit:
      1. inundatiegebieden;
      2. zones met verdedigingswerken als forten, batterijen, lunetten, betonnen mitrailleurkazematten en groepsschuilplaatsen in hun samenhang met de omgeving;
      3. voormalige, visueel open schootsvelden en verboden kringen met merendeels onbebouwd gebied rondom de forten;
      4. waterwerken als waterlichamen, sluizen, inlaten, duikers en dijken functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden;
      5. overige elementen als beschutte wegen, resten van loopgraven en tankgrachten, de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten;
      6. de historische vestigingsstructuur van de vestingsteden Muiden, Weesp, Naarden, Nieuwersluis, Gorinchem en Woudrichem.
    2. de grote openheid;
    3. het groene en overwegend rustige karakter.
  2. Gedeputeerde Staten geven een nadere beschrijving van de kernkwaliteiten van het binnen Gelderland gelegen deel van de Nieuw Hollandse Waterlinie.
Artikel 2.58 (instructieregel bestemmingsplan bescherming Nieuwe Hollandse Waterlinie)     
  1. Een bestemmingsplan voor gronden die onderdeel uitmaken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk die de kernkwaliteiten, bedoeld in artikel 2.57, eerste lid, daarvan aantasten.
  2. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat:
    1. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden, met gebruikmaking van de nadere beschrijving van de kernkwaliteiten, bedoeld in artikel 2.57, tweede lid;
    2. het door de gemeente te voeren beleid ter bescherming van die waarden en de onderbouwing hiervan.
  3. Een bestemmingsplan bevat regels over de wijze waarop met eventuele veranderingen wordt omgegaan.

§ 2.6.8 Romeinse Limes     

Artikel 2.59 (beschrijving van de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes)     

De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn forten (castella), burgerlijke nederzettingen, kampdorpen (vici) grafvelden, de militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken.

Artikel 2.60 (instructieregel bestemmingsplan bescherming Romeinse Limes)     
  1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Romeinse Limes maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk die de kernkwaliteiten, bedoeld in artikel 2.59, daarvan aantasten.
  2. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en kernkwaliteiten, het door de gemeente te voeren beleid en de onderbouwing hiervan.
  3. Een bestemmingsplan bevat regels over de wijze waarop met eventuele veranderingen wordt omgegaan.

§ 2.6.9 Natte Landnatuur     

Artikel 2.61 (instructieregel Beschermingszone natte landnatuur)     
  1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een Beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur, tenzij:
    1. er geen reële alternatieven zijn;
    2. sprake is van een reden van groot openbaar belang;
    3. de nadelige effecten worden gemitigeerd of gecompenseerd overeenkomstig paragraaf 2.6.3.
  2. Bij een bestemmingsplan voor gronden in een Beschermingszone natte landnatuur gelegen binnen een Groene Ontwikkelingszone, is saldering als bedoeld in artikel 2.40 alleen mogelijk als dit niet leidt tot aantasting van de kwaliteit van de natte landnatuur.

Afdeling 2.7 Energie     

§ 2.7.1 Instructieregels windturbines     

Artikel 2.62 (toelichting bestemmingsplan windturbines)     

De toelichting bij een bestemmingsplan dat de oprichting van een windturbine of windturbinepark mogelijk maakt, besteedt aandacht aan:

  1. de ruimtelijke kenmerken van het landschap;
  2. de maat, schaal en inrichting in het landschap;
  3. de visuele interferentie met een nabij gelegen windturbine of windturbines;
  4. de cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap;
  5. de beleving van de windturbine of het windturbinepark in het landschap.
Artikel 2.63 (uitsluiting locaties voor windturbines)     

Een bestemmingsplan maakt het niet mogelijk een windturbine of windturbinepark op te richten voor gronden gelegen binnen het Verbodsgebied windenergie.

§ 2.7.2 Instructieregels bestemmingsplan Molenbiotoop     

Artikel 2.64 (bescherming windvang molen)     
  1. Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen een Molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de molens in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem.

§ 2.7.3 Instructieregels installaties voor biomassavergisting, mestbewerking en mestverwerking     

Artikel 2.65 (locaties voor installaties voor biomassavergisting, mestbewerking en mestverwerking)     
  1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het landelijk gebied maakt de vestiging van een biomassavergistingsinstallatie, mestbewerkingsinstallaties en mestverwerkingsinstallatie alleen mogelijk als de installatie in hoofdzaak gebruik maakt van biomassastromen uit de directe omgeving en landschappelijk en infrastructureel goed wordt ingepast.
  2. Een bestemmingsplan kan vestiging van een biomassavergistingsinstallatie, mestbewerkingsinstallatie of mestverwerkingsinstallatie, die niet in hoofdzaak gebruik maakt van biomassastromen uit de directe omgeving mogelijk maken binnen het landelijke gebied. De toelichting bij het bestemmingsplan motiveert de locatiekeuze op basis van de volgende voorkeursvolgorde:
    1. op of grenzend aan een bedrijventerrein, een glastuinbouwgebied of locaties bij soortgelijke bedrijven, zoals rioolwaterzuiveringsinstallaties of mestverwerkers die op een solitaire bedrijfslocatie zijn gevestigd;
    2. op of aansluitend op een bestaand agrarische bouwpercelen van een agrarisch bedrijf, van een agrarisch hulp- of nevenbedrijf of een vrijkomende agrarische locatie in overig agrarisch gebied.

Afdeling 2.8 Ontheffing wegens bijzondere omstandigheden     

Artikel 2.66 (ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a Wet ruimtelijke ordening)     

Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening verlenen van de in dit hoofdstuk gestelde instructieregels.

Hoofdstuk 3 Milieu, ontgrondingen en natuur     

Afdeling 3.1 Gebruik gesloten stortplaatsen     

Artikel 3.1 (verbod gebruik gesloten stortplaats)     

  1. Het is verboden handelingen te verrichten die de uitvoering of werking van een nazorgmaatregel kunnen belemmeren of aantasten.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
    1. het treffen van een nazorgmaatregel;
    2. een vergunningplichtige activiteit.

Artikel 3.2 (ontheffing verbod gebruik gesloten stortplaats)     

  1. Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, als het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.
  2. Aan een ontheffing kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval voorschriften verbinden om:
    1. de bereikbaarheid van de nazorgmaatregel te garanderen;
    2. aantasting van de nazorgmaatregel te voorkomen;
    3. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg wordt belemmerd.

Afdeling 3.2 Grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning     

§ 3.2.1 Algemeen     

Artikel 3.3 (bebording Grondwaterbeschermingsgebied)     

Het drinkwaterbedrijf plaatst borden, waarvan het model is vastgesteld in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel C, op of nabij de gebiedsgrenzen bij alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwateren die toegang geven tot een Grondwaterbeschermingsgebied of daaraan grenzen.

Artikel 3.4 (bevoegdheid wijzigen grens beschermingsgebied grondwater)     
  1. Gedeputeerde Staten kunnen een grens van een beschermingsgebied grondwater wijzigen vanwege een:
    1. wijziging op perceelsniveau;
    2. verkleining of opheffing van een gebied bij gehele of gedeeltelijke sluiting van een drinkwaterwinning;
    3. verkleining van een gebied bij een voorzienbare gehele of gedeeltelijke sluiting van een drinkwaterwinning;
    4. vergroting van een gebied als gevolg van uitbreiding van de vergunde capaciteit van een drinkwaterwinning met maximaal één miljoen kubieke meter grondwater.
  2. Gedeputeerde Staten stellen de eigenaren en gebruikers van gronden binnen het beschermingsgebied grondwater in de gelegenheid om hun zienswijze naar voren te brengen over een grenswijziging.
  3. Gedeputeerde Staten stellen het drinkwaterbedrijf de gelegenheid om advies uit te brengen over een grenswijziging.
Artikel 3.5 (zorgplicht grondwaterbescherming)     
  1. Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een beschermingsgebied grondwater kan worden aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die schade te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
  2. Bij aantasting of dreigende aantasting van de kwaliteit van het water informeert diegene bedoeld in het eerste lid, Gedeputeerde Staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf hiervan onverwijld.
  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:
    1. voor zover artikel 9.2.1.2, artikel 10.1, van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is;
    2. voor activiteiten binnen inrichtingen, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

§ 3.2.2 Waterwingebieden     

Artikel 3.6 (reikwijdte)     

Deze paragraaf is niet van toepassing op het Waterwingebied Nieuwe Marktstraat te Nijmegen.

Artikel 3.7 (verbod oprichten inrichting)     
  1. Het is verboden in een Waterwingebied een omgevingsvergunningplichtige inrichting op te richten van een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing is op het drinkwaterbedrijf, als het oprichten noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.
Artikel 3.8 (instructieregels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen)     
  1. Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunningplichtige inrichting in een Waterwingebied de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D.
  2. Het bevoegd gezag kan afwijken van die voorschriften, voor zover dit is aangegeven in die bijlage.
Artikel 3.9 (regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen)     
  1. Het is verboden in een Waterwingebied een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting op te richten, in werking te hebben, te veranderen of de werking te veranderen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
    1. het oprichten van een inrichting als het in werking hebben daarvan noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening;
    2. het inwerking hebben van een inrichting, het veranderen van een inrichting of de werking ervan, als wordt voldaan aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D, en er geen nadelige gevolgen voor de waterwinning kunnen zijn.
  3. Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften, voor zover dit is aangegeven in die bijlage.
Artikel 3.10 (regels voor activiteiten buiten inrichtingen)     
  1. Het is verboden in een Waterwingebied:
    1. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen, waarvan degene die deze handeling verricht, weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze stoffen, wanneer deze met de bodem in aanraking komen, de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen;
    2. een constructie, werk, leiding of installatie op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken als daarmee:
      1. een schadelijke stof in de bodem wordt of kan worden verspreid of geloosd, of
      2. de beschermende werking van bodemlagen wordt aangetast of kan worden aangetast;
    3. grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt;
    4. handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd;
    5. de grond dieper te roeren dan twee meter onder het maaiveld;
    6. een begraafplaats aan te leggen of uit te breiden.
  2. Bij de toepassing van het eerste lid, onder a, worden onder schadelijke stoffen in ieder geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, meststoffen, dierlijke uitwerpselen, gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
  3. Bij de toepassing van het eerste lid, onder b, wordt onder constructie, werk, leiding of installatie in ieder geval begrepen: boringen, grond- en funderingswerken, gebouwen in de zin van de Woningwet, wegen, waterwegen en spoorwegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, kampementen, recreatiecentra, voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater, installaties, opslagreservoirs en begraafplaatsen.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het drinkwaterbedrijf als de betreffende activiteit of handeling noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.
  5. De verboden in het eerste lid, onder a, b en c, zijn niet van toepassing op:
    1. het verrichten van boringen voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;
    2. het aanleggen, hebben en gebruiken van aardgasleidingen voor huishoudelijk gebruik;
    3. het gebruiken van strooizout voor de gladheidbestrijding;
    4. het hebben of gebruiken van de schadelijke stoffen om motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen te laten functioneren;
    5. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;
    6. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen voor normaal gebruik bij woningen of gebouwen, afgezien van gewasbeschermingsmiddelen of biociden, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;
    7. het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen op grond van het Besluit bodemkwaliteit;
    8. het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming;
    9. het veranderen of vernieuwen van gebouwen.
  6. Het verbod in het eerste lid, onder b, geldt ook voor het wijzigen of uitbreiden van:
    1. voorzieningen voor de inzameling en transport van afvalwater;
    2. waterwegen en spoorwegen;
    3. parkeergelegenheden voor motorvoertuigen;
    4. kampeerterreinen, kampementen, recreatiecentra;
    5. woningen.
  7. Het verbod in het eerste lid, onder b, geldt voorts ook voor het plegen van onderhoud aan wegen en parkeergelegenheden voor motorvoertuigen buiten het bestaande wegprofiel.

§ 3.2.3 Grondwaterbeschermingsgebieden     

Artikel 3.11 (reikwijdte)     
  1. Deze paragraaf geldt, met uitzondering van de artikelen 3.13 en 3.21, niet voor het Grondwaterbeschermingsgebied Nieuwe Marktstraat te Nijmegen.
  2. De artikelen 3.16 tot en met 3.23 hebben alleen betrekking op activiteiten die in een Grondwaterbeschermingsgebied en buiten een inrichting plaatsvinden, tenzij in deze verordening anders is bepaald.
Artikel 3.12 (verbod oprichten inrichting)     
  1. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een omgevingsvergunningplichtige inrichting op te richten van een categorie die is aangewezen in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel B.
  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op het drinkwaterbedrijf als de inrichting noodzakelijk is voor de waterwinning.
Artikel 3.13 (verbod warmtetoevoeging en -onttrekking binnen een inrichting)     

Het is verboden binnen een inrichting in een Grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de grond of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.

Artikel 3.14 (instructieregels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen)     
  1. Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een Grondwaterbeschermingsgebied de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D.
  2. Het bevoegd gezag kan afwijken van die voorschriften voor zover dit is aangegeven in de bijlage.
Artikel 3.15 (regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen)     
  1. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting op te richten van een categorie die is aangewezen in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel B.
  2. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting in werking te hebben, te veranderen of de werking te veranderen, tenzij wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 4, onderdeel D, en er geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.
  3. Het bevoegd gezag kan afwijken van die voorschriften voor zover dit is aangegeven in die bijlage.
Artikel 3.16 (boringen en grond- of funderingswerken)     
  1. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied boringen te verrichten, boorputten aan te leggen, in exploitatie te nemen of te hebben.
  2. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld.
  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel F.
  4. Van het voornemen tot het verrichten van boringen, in exploitatie nemen of hebben van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerken doet degene die de activiteit wil ondernemen een melding.
  5. Op deze melding is artikel 3.35 van toepassing.
Artikel 3.17 (buisleidingen, voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater)     
  1. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding of een voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, waaronder in ieder geval riolering wordt verstaan, aan te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen.
  2. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een andere constructie of een werk op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als dat kan leiden tot verspreiding of lozing van schadelijke stoffen in de bodem of tot aantasting van de beschermende werking van bodemlagen.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op het aanleggen, hebben, vervangen, veranderen of verleggen van een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater, als voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
    1. de gemengde en dwa-riolering is vloeistofdicht zodat het uittreden van afvalwater met verontreinigingen wordt voorkomen;
    2. de gemengde en dwa-riolering wordt minimaal eens in de tien jaar geïnspecteerd;
    3. de aanleg van gemengde en dwa-riolering voldoet aan de NEN-EN 1610 (Aanleg en beproeving van leidingsystemen);
    4. de riolering wordt niet anders gebruikt dan waarvoor het is bestemd;
    5. de riolering wordt beheerd overeenkomstig de NEN-EN 752 (Drain and sewer systems outside buildings);
    6. bij indicaties voor lekkage wordt nader onderzoek verricht om aard en omvang van de lekkage vast te stellen.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het aanleggen, hebben, vervangen, veranderen of verleggen van een buisleiding, als voldaan wordt aan de volgende algemene voorschriften:
    1. er wordt geen schadelijke stof door vervoerd;
    2. een buisleiding wordt gebruikt voor het transport van schadelijke stoffen, niet zijnde aardolieproducten en afvalwater;
    3. een buisleiding als bedoeld onder b wordt zo aangelegd en onderhouden dat het gehele stelsel duurzaam vloeistofdicht is;
    4. een buisleiding als bedoeld onder b wordt voor de ingebruikname en vervolgens om de vijf jaar geïnspecteerd op vloeistofdichtheid.
  5. Het eerste lid is niet van toepassing op het hebben van een buisleiding of voorziening voor inzameling en transport van afvalwater die voor 17 oktober 2014 is aangelegd met een ontheffing op grond van bepaling 3.2.3 van bijlage 10, onderdeel B, van de Provinciale milieuverordening Gelderland.
  6. Het eerste lid is niet van toepassing op het vervangen, veranderen of verleggen van een buisleiding of een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater, als met een door een deskundige opgestelde risicoanalyse is aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door dat vervangen, veranderen of verleggen gelijk blijft of kleiner wordt ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie.
  7. Van het voornemen tot het aanleggen of het hebben, vervangen, veranderen of verleggen van een buisleiding of een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater onder de in het derde, vierde of zesde lid bedoelde voorschriften doet degene die de activiteit wil ondernemen een melding.
  8. Op deze melding is artikel 3.35 van toepassing.
Artikel 3.18 (lozen van afstromend water)     
  1. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied afstromend water van gebouwen, wegen, spoorwegen, parkeerplaatsen en andere verhardingen en terreinen voor gemotoriseerd verkeer op of in de bodem te lozen.
  2. Op een eigen terrein met meer dan vier parkeerplaatsen wordt in een Grondwaterbeschermingsgebied alleen geparkeerd of parkeergelegenheid voor motorvoertuigen aangeboden als het terrein is voorzien van een aaneengesloten verharding.
  3. Het eerste lid geldt niet voor gebouwen:
    1. waarin bouwmateriaal wordt gebruikt dat voorkomt dat potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen;
    2. waar afstromend water alleen infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem.
  4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op wegen, spoorwegen, parkeerplaatsen en andere verhardingen of terreinen voor gemotoriseerd verkeer, als voldaan wordt aan de algemene voorschriften uit bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel E.
  5. Van het voornemen tot het lozen van afstromend water als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid doet degene die de activiteit wil ondernemen een melding.
  6. Op deze melding is artikel 3.35 van toepassing.
  7. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen.
Artikel 3.19 (meststoffen en zuiveringsslib)     
  1. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied meststoffen en zuiveringsslib op of in de bodem te brengen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het op of in de bodem brengen van:
    1. dierlijke meststoffen;
    2. anorganische meststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
    3. kalkmeststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
    4. compost.
Artikel 3.20 (begraafplaatsen)     
  1. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats aan te leggen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het aanleggen van een begraafplaats voor zover het een uitbreiding van een bestaande begraafplaats betreft en die aanleg geen negatief effect heeft op de kwaliteit van het grondwater voor de waterwinning.
  3. Degene die een begraafplaats aanlegt, doet daarvan een melding aan Gedeputeerde Staten.
  4. Op deze melding is artikel 3.35 van toepassing.
Artikel 3.21 (warmtetoevoeging en -onttrekking)     

Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de grond of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.

Artikel 3.22 (IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie)     
  1. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied IBC-bouwstof toe te passen.
  2. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen als de kwaliteit daarvan de achtergrondwaarde overschrijdt.
  3. Het tweede lid geldt niet voor de toepassing op grond van het Besluit bodemkwaliteit:
    1. op of in de bodem, van grond met de kwaliteitsklasse wonen of van baggerspecie afkomstig uit het grondwaterbeschermingsgebied met de kwaliteitsklasse wonen;
    2. in oppervlaktewater, van grond of baggerspecie afkomstig uit het grondwaterbeschermingsgebied met de kwaliteitsklasse A;
    3. in een omvang van meer dan 5000 kubieke meter als wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit daarvan de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen of de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt.
  4. Het tweede lid is niet van toepassing op de verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
  5. Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid doet degene die de activiteit wil ondernemen een melding. De melding van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder c, bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de drinkwaterwinning niet toenemen.
  6. Op deze meldingen is artikel 3.35 van toepassing.
Artikel 3.23 (schadelijke stoffen)     
  1. Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren dan wel op of in de bodem te brengen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
    1. het gebruik van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;
    2. het hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen voor zover dit nodig is voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;
    3. het vervoeren van schadelijke stoffen, voor zover dit gebeurt in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;
    4. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden van schadelijke stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op het hebben, gebruiken, vervoeren van schadelijke stoffen als wordt voldaan aan de in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D, opgenomen voorschriften of relevante beschermende voorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
  4. Van het voornemen tot het hebben, gebruiken, vervoeren van schadelijke stoffen, bedoeld in het derde lid doet degene die de activiteit wil ondernemen een melding.
  5. Op deze melding is artikel 3.35 van toepassing.

§ 3.2.4 Boringvrije zones     

Artikel 3.24 (reikwijdte)     

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in een Boringsvrije zone.

Artikel 3.25 (boringen en graafwerkzaamheden binnen inrichtingen)     
  1. Het is verboden binnen een inrichting in een Boringsvrije zone werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.
  2. Het is verboden binnen een inrichting in een Boringsvrije zone:
    1. boringen te verrichten, in exploitatie te nemen of te hebben;
    2. grond- en funderingswerkzaamheden uit te voeren op een diepte van meer dan drie meter onder het maaiveld.
  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:
    1. als bij de uitvoering van de activiteit de beschermende kleilaag boven het grondwateronttrekkingspunt in de ondergrond, niet wordt doorboord;
    2. voor zover de activiteiten worden uitgevoerd:
      1. binnen een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting, met inachtneming van de voorschriften, bedoeld in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D;
      2. binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting en het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de voorschriften, bedoeld in bijlage 4, onderdeel D, heeft verbonden.
  4. Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een Boringsvrije zone in ieder geval de voorschriften bedoeld in bijlage 4, onderdeel D, en kan afwijken van die voorschriften voor zover dit is aangegeven in die bijlage.
  5. Het bevoegd gezag kan voor de activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, binnen niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen afwijkingen toestaan van de voorschriften, bedoeld in bijlage 4, onderdeel D, voor zover dit is aangegeven in die bijlage.
Artikel 3.26 (boringen en graafwerkzaamheden buiten inrichtingen)     
  1. Het is verboden in een Boringsvrije zone buiten inrichtingen werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.
  2. Artikel 3.16 is overeenkomstig van toepassing, waarbij voor 'Grondwaterbeschermingsgebied' wordt gelezen: Boringsvrije zone.
  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als de beschermende kleilaag boven het grondwateronttrekkingspunt in de ondergrond niet wordt doorboord.
  4. Van het voornemen tot het verrichten van een in dit artikel bedoelde activiteit doet degene die de activiteit wil ondernemen een melding.
  5. Op deze melding is artikel 3.35 van toepassing.

§ 3.2.5 Koude-warmteopslagvrije zones     

Artikel 3.27 (reikwijdte)     

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in een Koude-warmteopslagvrije zone.

Artikel 3.28 (bodemenergiesystemen, boringen en graafwerkzaamheden binnen inrichtingen)     
  1. Het is verboden in een Koude-warmteopslagvrije zone binnen een inrichting werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.
  2. Het is verboden binnen een inrichting in een Koude-warmteopslagvrije zone:
    1. boringen te verrichten, in exploitatie te nemen of te hebben;
    2. grond- en funderingswerkzaamheden uit te voeren op een diepte van meer dan drie meter onder het maaiveld.
  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover de activiteit wordt uitgevoerd:
    1. binnen een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting, met inachtneming van de voorschriften bedoeld in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D;
    2. binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting en het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de voorschriften, bedoeld in bijlage 4, onderdeel D, heeft verbonden.
  4. Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een Koude-warmteopslagvrije zone de voorschriften, bedoeld in bijlage 4, onderdeel D, en kan afwijken van die voorschriften, voor zover dit is aangegeven in die bijlage.
  5. Het bevoegd gezag kan voor de activiteiten, genoemd in het eerste en tweede lid, binnen niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen afwijkingen toestaan van de voorschriften, bedoeld in bijlage 4, onderdeel D, voor zover dit is aangegeven in die bijlage.
Artikel 3.29 (vloeibare stoffen zwaarder dan water binnen inrichtingen)     
  1. Het is verboden in een Koude-warmteopslagvrije zone binnen inrichtingen vloeibare stoffen zwaarder dan water te hebben, te gebruiken, te vervoeren dan wel direct of indirect op of in de bodem te brengen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de activiteit wordt uitgevoerd:
    1. binnen een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting, met inachtneming van de voorschriften, bedoeld in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D;
    2. binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting en het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de voorschriften, bedoeld in bijlage 4, onderdeel D, heeft verbonden.
  3. Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een Koude-warmteopslagvrije zone de voorschriften, bedoeld in bijlage 4, onderdeel D, en kan afwijken van die voorschriften, voor zover dit is aangegeven in die bijlage.
  4. Het bevoegd gezag kan voor de activiteiten genoemd in het eerste lid, binnen niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen afwijkingen toestaan van de voorschriften, bedoeld in bijlage 4, onderdeel D, voor zover dit is aangegeven in die bijlage.
Artikel 3.30 (bodemenergiesystemen, boringen en graafwerkzaamheden buiten inrichtingen)     
  1. Het is verboden in een Koude-warmteopslagvrije zone buiten een inrichting werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.
  2. Artikel 3.16 is overeenkomstige toepassing, waarbij voor 'Grondwaterbeschermingsgebieden' wordt gelezen: Koude-warmteopslagvrije zone.
Artikel 3.31 (vloeibare stoffen zwaarder dan water buiten inrichtingen)     
  1. Het is verboden in een Koude-warmteopslagvrije zone buiten inrichtingen vloeibare stoffen zwaarder dan water te hebben, te gebruiken, te vervoeren dan wel direct of indirect op of in de bodem te brengen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing bij een activiteit voor zover de voorschriften, bedoeld in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D, of relevante beschermende voorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer in acht worden genomen.
  3. Het bevoegd gezag kan afwijkingen toestaan van de voorschriften voor zover dit is aangegeven in de bijlage.
  4. Het eerst lid is niet van toepassing op:
    1. het gebruik van vloeibare stoffen zwaarder dan water bestemd voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;
    2. het vervoer van vloeibare stoffen zwaarder dan water, mits bewaard in een afgesloten en vloeistofdichte tank of verpakking en zijn geladen en beschermd tegen de invloeden van het weer, zodat geen gevaar bestaat op verspreiding of verstuiving van de vloeistof;
    3. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden vloeibare stoffen zwaarder dan water voor normaal huishoudelijk gebruik.
Artikel 3.32 (afstromend water)     

Het is verboden in een Koude-warmteopslagvrije zone afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen.

§ 3.2.6 Overige bepalingen     

Artikel 3.33 (verbod op winning fossiele energie in Intrekgebieden)     

Het is verboden in een Intrekgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten ten behoeve van de winning van fossiele energie.

Artikel 3.34 (beperkingen instructieplicht)     

De verplichting tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in de artikelen 3.14, eerste lid, 3.25, vierde lid, 3.28, vierde lid, en 3.29, derde lid, is niet van toepassing

op een omgevingsvergunning voor een inrichting waarvoor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat of de Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is.

Artikel 3.35 (melding activiteit in beschermingsgebied grondwater)     
  1. Een melding als bedoeld in deze afdeling wordt gedaan met een door Gedeputeerde Staten vastgesteld meldingsformulier.
  2. Degene die de activiteit wil ondernemen meldt de activiteit uiterlijk drie weken voordat de activiteit start.
  3. Een melding over een voorschrift dat aan een omgevingsvergunning voor een inrichting is verbonden, wordt gedaan aan het bevoegd gezag. In andere gevallen wordt de melding gedaan aan Gedeputeerde Staten.
  4. Het bevoegd gezag bevestigt de ontvangst van de melding en stuurt onverwijld een afschrift van de melding aan het drinkwaterbedrijf.
  5. De indiener start binnen zes maanden na melding met de activiteit of overlegt binnen die termijn met het bevoegd gezag over een nieuwe aanvangsdatum.
Artikel 3.36 (ontheffingen voor activiteiten in beschermingsgebieden grondwater)     
  1. Gedeputeerde Staten kunnen van de verboden in de artikelen 3.10, eerste lid, onder e, 3.16, 3.17, 3.18, eerste lid, en 3.22 ontheffing verlenen als het een bijzonder geval betreft en de uitvoering van de activiteit noodzakelijk is in het algemeen belang.
  2. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het verbod in artikel 3.10, eerste lid, onder b, als het een bijzonder geval betreft.
  3. Gedeputeerde Staten verbinden aan een ontheffing als bedoeld in het eerste en tweede lid voorschriften die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.
  4. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het verbod in artikel 3.28, eerste lid, als boven het voor de drinkwaterwinning bestemde grondwater een beschermende kleilaag of andere slecht doorlatende laag ligt en die laag niet wordt doorboord.
  5. De aanvrager vermeldt in de aanvraag om een ontheffing het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend.
  6. Gedeputeerde Staten stellen de volgende personen en instanties in de gelegenheid advies uit te brengen over een aanvraag om een ontheffing en over de beschikking die Gedeputeerde Staten voornemens zijn te geven op grond van artikel 6.5:
    1. de inspecteur, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;
    2. het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente;
    3. het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap;
    4. het drinkwaterbedrijf.
Artikel 3.37 (mogelijkheid tot afwijken van instructies)     
  1. Het bevoegd gezag kan afwijken van de plicht tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in de artikelen 3.14, eerste lid, 3.28, vierde lid, en 3.29, derde lid, als:
    1. in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit noodzakelijk maakt;
    2. de verplichting uit deze artikelen tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een inrichting daaraan in de weg staat, en
    3. aan de vergunning andere voorschriften zijn verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.
  2. Het bevoegd gezag stelt de volgende personen en instanties in de gelegenheid advies uit te brengen over het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid:
    1. de inspecteur, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;
    2. het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente;
    3. het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap;
    4. het drinkwaterbedrijf.

Afdeling 3.3 Bodem     

§ 3.3.1 Boringen     

Artikel 3.38 (herstel boorgaten)     
  1. Degene die buiten een inrichting een boorgat maakt of heeft met een diepte van meer dan twee meter onder het maaiveld brengt na afloop van de werkzaamheden de bodem terug in de oorspronkelijke toestand en herstelt doorboorde slecht-doorlatende lagen.
  2. Als de oorspronkelijke beschrijving van de bodem en de afstelstaal van het boorgat verloren is gegaan, wordt het gehele gat gevuld met zwelklei.
  3. In een Waterwingebied, Grondwaterbeschermingsgebied en Boringsvrije zone wordt een zwelklei afdichting van tenminste twee meter aangebracht ter hoogte van de grondwaterspiegel tenzij de grondwaterspiegel hoger ligt dan twee meter, dan is het toegestaan een laag van minder dan twee meter aan te brengen.

§ 3.3.2 Bodemsanering     

Artikel 3.39 (meldingsformulieren)     

Het rapport van het nader onderzoek, bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag, het nazorgplan en de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden met de daarbij behorende stukken bij Gedeputeerde Staten ingediend met een namens Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier.

Artikel 3.40 (besluitvormingsprocedure)     
  1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een beschikking:
    1. of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 29 eerste lid, van de Wet bodembescherming;
    2. over de instemming met een saneringsplan als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming.
  2. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de melder besluiten dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet wordt toegepast en vermelden dit dan in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, zevende lid, van de Wet bodembescherming.
Artikel 3.41 (inhoud saneringsplan)     
  1. Het saneringsplan bevat aanvullend op de op grond van de Wet bodembescherming voorgeschreven gegevens:
    1. de volgende algemene gegevens:
      1. het adres van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en de kadastrale gegevens met bijbehorende actuele kadastrale kaart;
      2. de huidige eigendomssituatie van de percelen binnen de verontreiniging en van de percelen die de sanering beïnvloedt;
      3. het huidige en voorgenomen gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;
      4. de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering plaatsvindt;
      5. een tijdschema met een planning van de werkzaamheden, waarbij in ieder geval de periode is aangegeven waarop de sanering naar verwachting begint en de datum waarop de sanering naar verwachting is afgerond;
      6. wanneer de sanering in fasen wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming: de voorgenomen fasering met verwachte periode van uitvoering per fase en de argumentatie om de sanering gefaseerd uit te voeren;
      7. wanneer een deelsanering als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt uitgevoerd: de redenen daarvoor;
      8. een overzicht van onderzoeksgegevens en onderzoeksrapporten;
      9. een kaart met daarop aangegeven de contouren van de bodemverontreiniging en de gehalten in grond en grondwater van de saneringsparameters;
      10. een tabel met de analyseresultaten in grond en grondwater van alle uitgevoerde onderzoeken;
    2. een motivering voor de keuze van de saneringsvariant en het saneringsdoel;
    3. de volgende informatie over de te nemen maatregelen:
      1. een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk maken;
      2. een beschrijving van de te treffen geologische, hydrologische en andere technische voorzieningen en de invloed hiervan op de omgeving;
      3. een beschrijving van maatregelen die milieuhygiënisch ongewenste effecten of schade als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken;
      4. wanneer verontreinigde grond wordt afgegraven of verontreinigd grondwater wordt onttrokken: de te verwachten hoeveelheden; gegevens over de kwaliteit en kwantiteit van de eventueel te gebruiken aanvulgrond; een weergave van de ontgravingscontour, de ontgravingsdieptes en het grondwateronttrekkingssysteem, inclusief de grondwaterzuiveringsinstallaties vanuit bovenaanzicht bezien en aangegeven op een kaart met controlefilters voor een eventuele monitoring;
      5. een weergave van de ontgravingscontour, de ontgravingsdieptes en het grondwateronttrekkingssysteem, inclusief de grondwaterzuiveringsinstallaties vanuit bovenaanzicht bezien en aangegeven op een kaart met controlefilters voor een eventuele monitoring;
      6. een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en gerapporteerd;
      7. een beschrijving van de wijze waarop de controle van het eindresultaat plaatsvindt;
      8. als verontreinigde grond in depot worden gezet: een beschrijving van de wijze waarop de verschillende categorieën vrijkomende grond in depot worden gezet, alsmede de beschermende voorzieningen.
  2. Het vermelden van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven als:
    1. bij het indienen van het saneringsplan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken;
    2. de reden voor het ontbreken wordt vermeld, en
    3. die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.
Artikel 3.42 (bijzondere bepalingen voor oppervlaktewaterlichamen)     
  1. In een geval als bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van de Wet bodembescherming bevat het saneringsplan de gegevens, bedoeld in artikel 3.41, eerste lid, en aanvullend de volgende gegevens:
    1. de naam en de functie van het oppervlaktewaterlichaam;
    2. de wijze waarop de beheerder van het watersysteem waarin de verontreiniging zich bevindt bij de uitvoering van de sanering wordt betrokken;
    3. de te verwachten hoeveelheid te verwijderen baggerspecie, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringsbaggerspecie.
  2. Artikel 3.41, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.43 (meldingsplicht bodemsanering)     
  1. De saneerder meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang de aanvangsdatum van de grondsanering of de grondwatersanering schriftelijk bij Gedeputeerde Staten.
  2. De saneerder meldt, als de grondsanering of de grondwatersanering niet start op de gemelde aanvangsdatum, de nieuwe aanvangsdatum onverwijld schriftelijk aan Gedeputeerde Staten, tenzij de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is: dan meldt de saneerder de nieuwe aanvangsdatum minimaal twee weken voor dit moment schriftelijk aan Gedeputeerde Staten.
  3. Als bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de saneerder Gedeputeerde Staten op de hoogte van het verwachte tijdstip waarop over het gehele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt wordt, zodra de saneerder van dat tijdstip een redelijk vermoeden heeft en voordat tot aanvulling van de ontgraving wordt overgegaan.
  4. De saneerder meldt de beëindiging van de grondsanering of de grondwatersanering binnen een week na beëindiging daarvan schriftelijk aan Gedeputeerde Staten.
  5. Als bij de grondsanering of grondwatersanering Gedeputeerde Staten hebben ingestemd met een aanpak in overeenstemming met artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, meldt de saneerder de beëindiging van iedere afzonderlijke fase binnen één week na beëindiging van iedere fase schriftelijk aan Gedeputeerde Staten.
Artikel 3.44 (melding wijziging saneringsplan)     

Een melding over het wijzigen van het saneringsplan, bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming bevat de volgende gegevens:

  1. alle gegevens die afwijken van het saneringsplan, waarmee Gedeputeerde Staten hebben ingestemd;
  2. de inhoud en reden van de wijziging;
  3. de gevolgen van de wijziging voor de oorspronkelijke saneringsdoelstelling en de ter uitvoering daarvan te treffen saneringsmaatregelen.
Artikel 3.45 (inhoud evaluatieverslag)     
  1. Het evaluatieverslag bevat aanvullend op de op grond van de Wet bodemsanering voorgeschreven gegevens:
    1. de volgende algemene gegevens:
      1. het adres van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en de kadastrale gegevens, met bijbehorende actuele kadastrale kaart, met daarop ingetekend de contour van de uitgevoerde grondsanering, of grondwatersanering;
      2. de huidige eigendomssituatie van de percelen die zijn gelegen binnen de verontreiniging en van de percelen die betrokken waren bij de uitgevoerde sanering;
      3. het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;
      4. een korte omschrijving van de kwaliteit van de bodem voor het uitvoeren van de sanering, met een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging;
    2. de volgende informatie over de genomen maatregelen:
      1. gegevens over het verloop van de sanering met: de relevante data van de uitvoering;
      2. voor zover sprake is van een wijziging van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd en die zijn gemeld op grond van artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming, een beschrijving van de uitvoering van de sanering;
      3. een beschrijving van de uitvoering van de sanering naar aanleiding van aanwijzingen uit artikel 38, vierde lid, en 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd;
      4. een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen, waaronder afmetingen van ontgravingen, de wijze van monstername, de analyseresultaten van de controlegrondmonsters, depotmonsters, influent- en effluentmonsters en monsters uit waarnemingsfilters;
      5. een kaart met daarop de situering van de controlemonsters en de daarbij gemeten gehalten;
      6. een kaart met daarop de plaats van de monitoringspeilbuizen voor de controle van de grondwatersanering;
    3. de volgende informatie over de gebruiksbeperkingen en nazorg:
      1. als na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is: een beschrijving van deze verontreiniging, bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder b, van de Wet bodembescherming;
      2. als gebruiksbeperkingen noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen, met bijbehorend kaartmateriaal met bovenaanzicht;
      3. als na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is en een maatregel als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, van de Wet bodembescherming noodzakelijk is, zoals controle van de voorzieningen, monitoring van het grondwater of actieve beheersing van de verontreiniging, een verwijzing naar het nazorgplan, bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming dat op deze verontreiniging ziet.
  2. Het vermelden van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven als:
    1. bij het indienen van het evaluatieverslag wordt aangegeven welke gegevens ontbreken;
    2. de reden voor het ontbreken wordt vermeld, en
    3. die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het evaluatieverslag.
Artikel 3.46 (inhoud nazorgplan)     
  1. Het nazorgplan bevat aanvullend op grond van de Wet bodembescherming voorgeschreven gegevens:
    1. de volgende algemene gegevens:
      1. het adres van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en de kadastrale gegevens, met bijbehorende actuele kadastrale kaart, met daarop ingetekend de contour van de resterende verontreiniging in grond of grondwater waarop de nazorg betrekking heeft;
      2. de huidige eigendomssituatie van de percelen die zijn gelegen binnen het geval van verontreiniging en van de percelen die betrokken zijn bij de uitvoering van het nazorgplan;
      3. het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;
      4. naam- en adresgegevens, taken en verantwoordelijkheden van bij de nazorg betrokken personen en instanties;
      5. als een ander dan degene die de bodem heeft gesaneerd in het nazorgplan wordt aangewezen als degene die is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen: de door betrokken partijen ondertekende contractuele afspraken die gelden en waaruit blijkt dat diegene zich tot de uitvoering hiervan verbindt;
    2. de volgende informatie over de aanvangssituatie:
      1. een globale beschrijving van de sanering en de reden voor de achtergebleven verontreiniging;
      2. een beschrijving van de aard, de omvang, de mate en de ligging van de achtergebleven verontreiniging van de grond en het grondwater;
      3. als een isolerende voorziening is aangebracht: een beschrijving van de aard van deze voorzieningen, inclusief kaartmateriaal met daarop de ligging van deze voorziening, met een dwarsdoorsnede en bovenaanzicht;
      4. als de restverontreiniging wordt gemonitord: een beschrijving van het monitoringssysteem, inclusief kaartmateriaal met daarop de plaats en filterstelling van de monitoringspeilbuizen, met een dwarsdoorsnede en bovenaanzicht;
      5. een beschrijving van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en de omgeving, met daarin in ieder geval gegevens over de bodemopbouw, de relevante geohydrologie, de aanwezigheid van kwetsbare objecten en activiteiten in de omgeving en een kaart met daarop aangegeven het grondgebied dat nu en in de toekomst mogelijk door de verontreiniging wordt beïnvloed;
    3. gebruiksbeperkingen voor zover deze noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen, met bijbehorend kaartmateriaal met bovenaanzicht;
    4. de volgende informatie over de nazorgmaatregelen:
      1. de doelstelling van de nazorg;
      2. een beschrijving van de nazorgmaatregel en de nazorgvoorziening en de verwachte bestaansduur daarvan;
      3. als een isolerende voorziening is aangebracht: een beschrijving van de wijze waarop de aangebrachte isolerende voorziening wordt beheerd en onderhouden, de wijze en frequentie van de controle op het functioneren van de voorziening en de criteria waarmee dit wordt beoordeeld, en de wijze waarop gehandeld wordt als de voorziening niet naar behoren functioneert;
      4. als de restverontreiniging wordt gemonitord: een beschrijving van de wijze waarop en de frequentie waarmee de restverontreiniging wordt gemonitord, de wijze van interpretatie van de resultaten, de wijze van beheer en onderhoud van de monitoringsinstrumenten en hoe gehandeld wordt als de doelstelling van de nazorg niet wordt bereikt;
      5. een beschrijving van hoe wordt gehandeld bij calamiteiten;
    5. het tijdstip waarop aan het bevoegd gezag over de resultaten van de nazorg verslag wordt gedaan;
    6. een begroting van de kosten van de nazorgmaatregelen, inclusief de eventueel noodzakelijke vervangingen van de voorzieningen.
  2. Het vermelden van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven als:
    1. bij het indienen van het nazorgplan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken;
    2. de reden voor het ontbreken wordt aangegeven, en
    3. die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het nazorgplan.
Artikel 3.47 (sanering door provincie)     
  1. Voordat Gedeputeerde Staten overgaan tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging, stellen zij een saneringsplan vast.
  2. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een saneringsplan.
  3. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet wordt toegepast en vermelden dit dan in de kennisgeving in overeenstemming met artikel 3.40, tweede lid.
  4. Nadat Gedeputeerde Staten de sanering of een fase van de sanering, bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming van een geval van ernstige verontreiniging hebben uitgevoerd, stellen zij een evaluatieverslag vast.
  5. Als na de uitvoering van de sanering een verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het evaluatieverslag, bedoeld in het vijfde lid, is aangegeven dat maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, van de Wet bodembescherming noodzakelijk zijn, stellen Gedeputeerde Staten een nazorgplan vast.
  6. Op de inhoud van het saneringsplan, het evaluatieverslag en het nazorgplan zijn de artikelen 39, eerste lid, 39c, eerste lid en 39d, tweede lid, van de Wet bodembescherming en artikelen 3.41, 3.45 en 3.46 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.

§ 3.3.3 Ontgrondingen     

Artikel 3.48 (vrijstelling vergunningplicht)     
  1. Geen vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet is vereist voor:
    1. ontgrondingen van ten hoogste drie meter diep met een oppervlakte van maximaal 3.000 vierkante of met een volume van ten hoogste 3.000 kubieke meter;
    2. ontgrondingen van ten hoogste drie meter diep die noodzakelijk zijn voor het realiseren van het geldende bestemmingsplan, inpassingsplan of ontheffing op grond van de Wet ruimtelijke ordening;
    3. het aanleggen, verwijderen of wijzigen van openbare wegen, spoorwegen, pleinen, parken, plantsoenen, tuinen, sport-, woningbouw-, parkeer-, speel,- vlieg- en industrieterreinen, tenzij alleen de grondlagen tot drie meter onder het oorspronkelijke niveau aangetast worden;
    4. ontgrondingen gebruikelijk in de normale uitoefening van het landbouw, - tuinbouw,- en bosbouwbedrijf;
    5. ontgrondingen ten behoeve van het realiseren of wijzigen van natuurbouwprojecten van ten hoogste een halve meter diep;
    6. het aanleggen, verzwaren en verwijderen van waterkeringen en de daarvoor noodzakelijke voorlandverbetering met uitzondering van dijken die geen waterkerende functie meer hebben;
    7. het aanleggen of verbreden van watergangen ten behoeve van de verbetering van de waterhuishouding van ten hoogste drie meter diep waar bij aanleg en bij verbreding de bovenbreedte ten hoogste tien meter bedraagt;
    8. de aanleg van natuurvriendelijke oevers tenzij deze beperkt blijft tot een strook van ten hoogste tien meter voor iedere oever uit de insteek van de watergang;
    9. het afgraven van depots van bodemmateriaal, tenzij die langer dan 10 jaar geleden zijn gebruikt voor het deponeren of het verkrijgen van bodemmateriaal;
    10. het doen van archeologische opgravingen door een bevoegde instantie;
    11. het aanleggen, verwijderen of wijzigen van buisleidingen, kabels, funderingen en bouwwerken.
  2. Voor de gevallen in het eerste lid, onder a, b en g, is het toegestaan om voor het aanbrengen van een afdichtende kleilaag te ontgronden tot vier en een halve meter diep waarbij het uiteindelijke opleveringspeil ten hoogste drie meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ligt.
  3. Een vrijstelling in overeenstemming met het eerste lid is niet van toepassing op een ontgronding die primair plaatsvindt ter verkrijging van bodemmateriaal.
Artikel 3.49 (meldingsplicht ontgrondingen)     
  1. Een ontgronding die op grond van artikel 3.48, eerste lid, onder a, b, e, g of h, is vrijgesteld van een vergunningplicht en waarvan de omvang 1.000 kubieke meter of meer is, wordt gemeld aan Gedeputeerde Staten.
  2. De melding wordt gedaan met een door Gedeputeerde Staten vastgesteld meldingsformulier.
  3. De melding wordt uiterlijk twee weken voorafgaand aan de start van de voorgenomen ontgronding ingediend.
  4. Als de werkzaamheden niet binnen twee jaar zijn uitgevoerd, wordt de ontgronding opnieuw gemeld.
Artikel 3.50 (vergunning aanvraag)     

Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend met een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier.

Artikel 3.51 (wijziging vergunning)     

Een aanvraag tot wijziging van de vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  1. het kenmerknummer van de verleende vergunning of 'wanneer niet beschikbaar' een aanduiding van de gemeente waarin de ontgronding plaatsvindt, de naam van de vergunninghouder en het karakter van de ontgronding;
  2. een aanduiding van de te wijzigen vergunningvoorschriften.
Artikel 3.52 (verzoek tot intrekken vergunning)     

Een aanvraag tot intrekking van een vergunning bevat in ieder geval het kenmerknummer van de verleende vergunning of, wanneer niet beschikbaar, een aanduiding van de gemeente waarin de ontgronding plaatsvindt, de naam van de vergunninghouder en het karakter van de ontgronding.

Artikel 3.53 (aanvraag buiten behandeling laten)     

Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag buiten behandeling laten als de aanvrager geen eigenaar is van de te ontgronden onroerende zaken en een schriftelijke verklaring van de eigenaar ontbreekt.

Artikel 3.54 (aanwijzen adviseurs)     

Gedeputeerde Staten kunnen bestuursorganen of andere adviseurs aanwijzen die de gelegenheid krijgen om advies uit te brengen over het geven van een beschikking, of hen op een andere wijze betrekken bij de voorbereiding van een beschikking.

Artikel 3.55 (procedure voor ontgrondingen van eenvoudige aard)     
  1. Gedeputeerde Staten beslissen binnen dertien weken na ontvangst op de aanvraag om verlening, wijziging of intrekking van een vergunning voor een ontgronding van eenvoudige aard.
  2. Artikel 10, eerste en tweede lid, van de Ontgrondingenwet is op een ontgronding van een eenvoudige aard niet van toepassing.
  3. Gedeputeerde Staten doen mededeling van een beschikking tot verlening, weigering, wijziging of intrekking van een vergunning voor een ontgronding van eenvoudige aard, tenzij bij deze beschikking geen andere belangen dan die van de aanvrager bij betrokken zijn.

Afdeling 3.4 Geluidhinder     

Artikel 3.56 (aanwijzing stiltegebieden)     

  1. Provinciale Staten wijzen stiltegebieden aan waar regels gelden om geluidhinder te voorkomen of te beperken.
  2. Gedeputeerde Staten kunnen de grens van een Stiltegebied nader bepalen.
  3. Gedeputeerde Staten markeren de toegang of de grens van stiltegebieden door borden te plaatsen, waarvan zij het model hebben vastgesteld.

Artikel 3.57 (toepassingsbereik)     

  1. In een Stiltegebied gelden de artikelen 3.58 en 3.59.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
    1. de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, van de Wet milieubeheer;
    2. handelingen als het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan.

Artikel 3.58 (toestellen)     

Het is verboden een toestel te gebruiken dat het ervaren van de natuurlijke geluiden kan verstoren.

Artikel 3.59 (terreinrijden)     

Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.

Artikel 3.60 (vrijstellingen)     

  1. De verboden in de artikelen 3.58 en 3.59 zijn niet van toepassing op het gebruik van toestellen of motorvoertuigen:
    1. in het kader van de bedrijfsmatige land-, tuin- en bosbouw, jacht en visserij;
    2. voor normaal onderhoud en beheer, voor het verwezenlijken van een bestemmings- of landinrichtingsplan of het effectueren van een vergunning of machtiging op grond van de Woningwet of Ontgrondingenwet;
    3. in het kader van het normale wonen en voor het uitoefenen van een aan huis gebonden ambacht of beroep;
    4. op kampeerterreinen.
  2. Het verbod in artikel 3.59 is niet van toepassing op het gebruik van motoren in of aan vaartuigen voor de normale voortstuwing van vaartuigen tot een snelheid van ten hoogste acht kilometer per uur.

Afdeling 3.5 Financiële bepalingen     

Artikel 3.61 (werkingssfeer)     

Deze afdeling is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten op grond van artikel 15.21, eerste lid, onder a, in verbinding met artikel 15.20 van de Wet milieubeheer voor de vergoeding van kosten of schade bij het van toepassing worden van de afdelingen 3.1, 3.2 en 3.3 tot en met paragraaf 3.3.3.

Artikel 3.62 (inhoud aanvraag)     

De aanvraag om een vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de volgende gegevens:

  1. het artikel uit hoofdstuk 3 Milieu, ontgrondingen en natuur op grond waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld of schade lijdt;
  2. de aard en de omvang van de kosten of de schade;
  3. de wijze waarop de kosten of de schade naar het oordeel van de aanvrager zou moeten worden vergoed en als een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 3.63 (deskundigen advies en betrokkenheid drinkwaterbedrijf)     

  1. Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die adviseren over de aanvraag om vergoeding van kosten of schade als bedoeld in artikel 3.61.
  2. Gedeputeerde Staten kunnen advies inwinnen van de deskundigen over een aanvraag om een vergoeding of over het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.
  3. Als Gedeputeerde Staten advies inwinnen van deskundigen, krijgt de aanvrager van de beschikking de gelegenheid om aan de deskundigen zijn aanvraag toe te lichten en als Gedeputeerde Staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, krijgt degene tot wie de beschikking is gericht, de gelegenheid zijn opvattingen over het voornemen aan de aangewezen deskundigen kenbaar te maken.
  4. Als de aanvraag om een vergoeding of het voornemen tot het toekennen daarvan betrekking heeft op kosten of schade, door het van toepassing worden van een artikel uit afdeling 3.2 van deze verordening en deskundigen zijn aangewezen die adviseren over het toekennen van die vergoeding, wordt het betrokken drinkwaterbedrijf in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken.
  5. De deskundigen brengen advies uit over:
    1. de vraag of de kosten zijn gemaakt of schade is geleden door het van toepassing worden van artikelen genoemd in artikel 3.61;
    2. de omvang van de kosten of de schade;
    3. de vraag of de kosten of de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren respectievelijk behoort te blijven;
    4. de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien;
    5. de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten of de schade, anders dan door een vergoeding in geld, respectievelijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;
    6. de hoogte van de toe te kennen vergoeding.
  6. De deskundigen brengen het advies zo snel mogelijk uit aan Gedeputeerde Staten, maar in ieder geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies.
  7. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking is gericht. In een geval als bedoeld in artikel 3.63, vierde lid, wordt een afschrift tevens aan het betrokken drinkwaterbedrijf verzonden, waarbij Gedeputeerde Staten een termijn stellen waarbinnen het drinkwaterbedrijf zijn opvattingen over het advies kenbaar kan maken.

Artikel 3.64 (betrokkenheid drinkwaterbedrijf zonder deskundigenadvies)     

Als artikel 3.63, tweede lid, niet van toepassing is, stellen Gedeputeerde Staten het betrokken drinkwaterbedrijf in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen, voordat zij een vergoeding van kosten of schade toekennen door het van toepassing worden van bepalingen van afdeling 3.2.

Artikel 3.65 (inhoud verzoek van ander bestuursorgaan)     

  1. Als een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten of schade door het aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden van voorschriften waarvan de inhoud als instructie is aangegeven in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D, bevat dat verzoek ten minste:
    1. als het bevoegd gezag een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken;
    2. als het drinkwaterbedrijf schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen;
    3. als het bevoegd gezag een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies;
    4. het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding of als het bevoegd gezag de beschikking al heeft gegeven: een afschrift van die beschikking.
  2. Als bij het verzoek geen afschrift van de opvattingen van het betrokken drinkwaterbedrijf is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten het betrokken drinkwaterbedrijf in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.
  3. Gedeputeerde Staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst van het verzoek of binnen zeven maanden na de ontvangst van het verzoek, als toepassing wordt gegeven aan artikel 3.63, tweede lid.

Afdeling 3.6 Natuur     

§ 3.6.1 Vrijstelling soorten     

Artikel 3.66 (vrijstelling grondgebruiker voor bestrijding van schadeveroorzakende vogels en dieren)     
  1. Als schadeveroorzakende vogels en dieren, als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, van de Wet natuurbescherming worden aangewezen de in bijlage 9 Vrijstelling storen en doden diersoorten genoemde vogels en dieren en als de middelen voor het doden en vangen van deze vogels en dieren als bedoeld in artikel 3.25, eerste lid, van die wet worden aangewezen de in bijlage 9 bedoelde middelen.
  2. In afwijking van de verboden in de artikelen 3.1, eerste en vierde lid, en 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het de grondgebruiker toegestaan de in bijlage 9 bedoelde handelingen uit te oefenen op de door hem gebruikte gronden en in of aan de door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen of in het omringende gebied.
  3. In het tweede lid wordt onder het omringende gebied verstaan:
    1. voor het doden: het gebied in een straal van twintig meter rondom het betreffende perceel;
    2. voor het storen: de direct aangrenzende percelen.
Artikel 3.67 (gebruik vrijstelling)     
  1. Een vrijstelling als bedoeld in artikel 3.66 geldt alleen voor het in de bijlage 9 Vrijstelling storen en doden diersoorten bij elk soort genoemde gebied, belang, periode en middel.
  2. Als de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming de vrijstelling door een ander laat uitoefenen, draagt die persoon gedurende die uitoefening de door de grondgebruiker afgegeven toestemming bij zich en geeft een daartoe bevoegde ambtenaar op eerste vordering inzage.
Artikel 3.68 (vrijstelling ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud)     
  1. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, onder a en b, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan de in bijlage 10 Vrijstelling vangen diersoorten genoemde soorten met de in die bijlage bedoelde middelen te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen bij handelingen in de kaders, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f en g, van de Wet natuurbescherming. Deze vrijstelling geldt alleen voor het in die bijlage aangegeven gebied en de daarin aangegeven periode.
  2. Het vrijlaten van de gevangen dieren vindt zo snel mogelijk plaats in de directe omgeving op een voor de betreffende soort geschikte plek.
Artikel 3.69 (vrijstelling bescherming tegen het verkeer)     

In afwijking van de verboden in de artikelen 3.5, 3.6 en 3.10 van de Wet natuurbescherming is het toegestaan beschermde inheemse kikkers, padden en salamanders te beschermen tegen het verkeer door deze soorten te vangen met behulp van het plaatsen van schermen en het vervoeren per emmer over een afstand van ten hoogste vijftig meter vanaf de vangplaats, waarbij de dieren onmiddellijk na het vervoeren worden vrijgelaten.

Artikel 3.70 (vrijstelling voor onderzoek en onderwijs)     
  1. In afwijking van de verboden in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming is het toegestaan de groene kikker (Rana esculenta), de bruine kikker (Rana temporaria) en de gewone pad (Bufo bufo) alsmede eieren van deze soorten te vervoeren en onder zich te hebben, voor zover deze handelingen plaatsvinden voor gebruik van deze amfibieën bij onderzoek en onderwijs.
  2. De in het eerste lid genoemde vrijstelling is niet van toepassing op de groene kikker (Rana esculenta), de bruine kikker en de gewone pad waarvan de metamorfose is voltooid.
  3. In afwijking van het verbod in artikel 3.34 van de Wet natuurbescherming vindt het uitzetten van de in het eerste lid genoemde amfibieën plaats op de locatie waar ze zijn gevangen, voordat de metamorfose is voltooid.
Artikel 3.71 (vrijstelling voor weidevogelbeheer)     
  1. In afwijking van artikel 3.1, eerste, tweede en derde lid, van de Wet natuurbescherming geldt het verbod op het rapen en onder zich hebben van eieren en het vangen en onder zich hebben van niet vliegvlugge jongen van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming niet, voor zover dit gebeurt om eieren en niet vliegvlugge jonge vogels tegen landbouwwerkzaamheden te beschermen.
  2. Het vrijlaten van de gevangen niet vliegvlugge jongen vindt onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden plaats.
Artikel 3.72 (rapportageplicht)     

Jachtaktehouders verstrekken ten minste elk kwartaal de in artikel 3.13, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bedoelde gegevens aan de faunabeheereenheid door gebruikmaking van het in artikel 3.76 bedoelde faunaregistratiesysteem.

Artikel 3.73 (opschorten van vrijstelling soorten)     

Gedeputeerde Staten kunnen een vrijstelling op grond van deze paragraaf opschorten als de weersomstandigheden dat vergen.

§ 3.6.2 Faunabeheereenheid     

Artikel 3.74 (werkgebied Faunabeheereenheid)     

Het werkgebied van de Faunabeheereenheid bevat het grondgebied van de provincie Gelderland, met uitzondering van het Kroondomein, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het Kroondomein.

Artikel 3.75 (telprotocollen)     

De Faunabeheereenheid stelt aan de wildbeheereenheden binnen haar werkgebied telprotocollen beschikbaar ten behoeve van de tellingen, bedoeld in artikel 3.82.

Artikel 3.76 (faunaregistratiesysteem)     

De Faunabeheereenheid stelt aan jachtaktehouders en valkeniersaktehouders een faunaregistratiesysteem beschikbaar om de gedode dieren, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, te registreren.

§ 3.6.3 Faunabeheerplan     

Artikel 3.77 (geldingsduur)     
  1. Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren.
  2. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van een faunabeheerplan met maximaal een jaar verlengen.
Artikel 3.78 (algemene eisen aan een faunabeheerplan)     

Een faunabeheerplan bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  1. de omvang van het totale werkgebied van de faunabeheereenheid in hectares;
  2. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;
  3. een beschrijving van de aard en omvang van de handelingen in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was en de aard en de omvang van de handelingen gedurende de geldigheidsduur van het faunabeheerplan, onderscheiden per diersoort;
  4. een vermelding van de perioden van het jaar waarin de handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft plaatsvinden;
  5. een vermelding van de wildbeheereenheid waarbinnen de handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft plaatsvinden;
  6. kwantitatieve gegevens over de ontwikkeling van de populatie van de in het faunabeheerplan omschreven diersoorten op landelijk niveau;
  7. een overzicht van de gedode dieren in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid.
Artikel 3.79 (aanvullende eisen aan een faunabeheerplan voor de beperking van de omvang van populaties)     
  1. In aanvulling op artikel 3.78 bevat een faunabeheerplan ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie op basis van een ontheffing op grond van artikel 3.17 van de Wet natuurbescherming de volgende gegevens:
    1. een onderbouwing van de noodzaak van populatiebeheer op grond van één of meerdere belangen als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming;
    2. de gewenste stand van de soorten opgenomen in het faunabeheerplan en waarvoor een ontheffing is verleend, een beschrijving wanneer sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding, de wijze waarop monitoring plaatsvindt om dat te voorkomen en de te treffen maatregelen als dit zich voordoet;
    3. een beschrijving van de mate waarin de onder a bedoelde belangen in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had zijn geschaad, inclusief de getroffen maatregelen en het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;
    4. een omschrijving van de voorgenomen handelingen en de noodzaak van deze handelingen om de gewenste stand te bereiken en belangrijke schade te voorkomen;
    5. per diersoort een beschrijving van de handelingen die in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had zijn verricht om het schaden van de onder a genoemde belangen te voorkomen, wanneer van toepassing onderscheiden per gewas;
    6. een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen handelingen en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze handelingen wordt bepaald;
    7. voor zover het plan betrekking heeft op populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen.
  2. Het eerste lid, de onderdelen c en e, is niet van toepassing op soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold.

§ 3.6.4 Wildbeheereenheid     

Artikel 3.80 (oppervlakte en begrenzing wildbeheereenheid)     
  1. De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten oppervlakte van ten minste vijfduizend hectare binnen de provincie Gelderland.
  2. De wildbeheereenheid publiceert de begrenzing van de gronden waarover haar zorg zich uitstrekt op het internet.
Artikel 3.81 (samenwerkingsovereenkomst wildbeheereenheden)     
  1. Als een wildbeheereenheid zelf geen beschikking heeft over een aaneengesloten oppervlakte van tenminste vijfduizend hectare, voldoet de wildbeheereenheid ten aanzien van de uitvoering van de in de Wet natuurbescherming genoemde taken van de wildbeheereenheid aan deze eis door een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan met een of meer andere wildbeheereenheden.
  2. Een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst wordt aan Gedeputeerde Staten verstrekt.
Artikel 3.82 (tellingen)     

De wildbeheereenheid draagt zorg voor het uitvoeren van tellingen door haar leden conform de telprotocollen van de faunabeheereenheid bedoeld in artikel 3.75.

Artikel 3.83 (uitzondering wildbeheereenheid)     

Uitzondering van de organisatieplicht, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is niet mogelijk.

§ 3.6.5 Tegemoetkoming Faunaschade     

Artikel 3.84 (aanvraag tegemoetkoming faunaschade)     
  1. Gedeputeerde Staten verstrekken een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming alleen op aanvraag.
  2. Een aanvraag om een tegemoetkoming wordt door de aanvrager ingediend binnen zeven werkdagen nadat hij de schade heeft geconstateerd, met een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier of op een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde elektronische wijze.
  3. Gedeputeerde Staten kunnen gebieden aanwijzen waarop onder daarbij te stellen voorwaarden het eerste lid niet van toepassing is.
Artikel 3.85 (beleidsregels tegemoetkoming faunaschade)     

Gedeputeerde Staten stellen beleidsregels vast voor het verlenen van tegemoetkomingen in schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming.

§ 3.6.6 Houtopstanden     

Artikel 3.86 (gegevens melding vellen houtopstand)     

Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming wordt gedaan met een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier of op een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde elektronische wijze.

Artikel 3.87 (termijnen melding vellen houtopstand)     
  1. Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming wordt ten minste zes weken en niet langer dan één jaar voorafgaand aan de velling gedaan.
  2. Gedeputeerde Staten kunnen bij onverwijlde spoed toestaan dat wordt afgeweken van de minimum termijn van zes weken.
  3. Een verzoek om afwijking van de meldingstermijn wordt ingediend met een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier of op een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde elektronische wijze.
Artikel 3.88 (bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting)     
  1. Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van de Wet natuurbescherming voldoet aan de volgende eisen:
    1. de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste gelijk aan de gevelde of teniet gegane oppervlakte;
    2. de boomsoorten van de herbeplanting zijn geschikt om, gelet op de bodemkwaliteit en waterhuishouding ter plaatse, uit te groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;
    3. door de te hanteren plantafstand van de herbeplanting ontstaat binnen een periode van tien jaar een gesloten kronendak;
    4. de herbeplanting bestaat niet uit soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse;
    5. de herbeplanting bestaat niet uit tuinsoorten en sierheesters;
    6. binnen Natura 2000 gebieden brengt de herbeplanting geen schade toe aan de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming;
    7. met de herbeplanting wordt binnen tien jaar een uitgangssituatie gerealiseerd die op termijn tenminste leidt tot vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden in verhouding tot de gevelde of teniet gegane houtopstand.
  2. In afwijking van het eerste lid, onder c, geldt voor laanbomen een maximale plantafstand van tien meter.
Artikel 3.89 (ontheffing herplantplicht)     

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, als het vellen of het tenietgaan van de houtopstand:

  1. bijdraagt aan het herstel van cultuurhistorische waarden;
  2. plaatsvindt ten behoeve van de ontwikkeling van natuurwaarden.
Artikel 3.90 (ontheffing termijn herplantplicht)     

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de termijn voor de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, tot ten hoogste zes jaren na het vellen of tenietgaan van de houtopstand als de herbeplanting plaatsvindt door natuurlijke verjonging.

Artikel 3.91 (ontheffing herbeplanting op andere grond)     
  1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, als:
    1. de te vellen of teniet gegane houtopstand wordt vervangen door heide, schraalland, een poel of een biotoop voor bijzondere planten of dieren;
    2. de te vellen of teniet gegane houtopstand gelegen is in een boskern, bestaand uit een aaneengesloten complex van houtopstanden met oppervlakte van ten minste vijf hectare, en de herbeplanting op andere grond een uitbreiding van diezelfde boskern of een elders gelegen boskern van die omvang tot stand brengt;
    3. de houtopstand geveld wordt of teniet gaat ter uitvoering van een ruimtelijke ingreep in overeenstemming met een onherroepelijk bestemmingsplan, of
    4. de herbeplanting op andere grond een gunstigere invloed heeft op het landschap dan herbeplanting op dezelfde grond.
  2. Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing als:
    1. de andere grond is gelegen buiten de provincie Gelderland;
    2. op de andere grond reeds sprake is van een verplichting tot herbeplanting;
    3. op de andere grond een plicht tot mitigerende maatregelen of compensatie rust op grond waarvan bomen worden aangeplant;
    4. voor herbeplanting op de andere grond subsidie is aangevraagd op grond van de Regels Ruimte voor Gelderland 2016, paragraaf 4.8, Inrichting van het Gelders Natuurnetwerk;
    5. de herbeplanting op andere grond een negatief effect heeft op de beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden in het gebied waarin de andere grond is gelegen;
    6. de gevelde of teniet gegane houtopstand een landschapselement betreft of een andere kleine houtopstand met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie;
    7. de gevelde of teniet gegane houtopstand bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming, of
    8. de gevelde of teniet gegane houtopstand een oude bosgroeiplaats betreft waar voorafgaand aan de velling of het teniet gaan ten minste 100 jaren onafgebroken bos heeft gestaan.
Artikel 3.92 (maatvoering brandgang)     
  1. Een brandgang als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder c, van de Wet natuurbescherming wordt aangelegd en onderhouden in een bosgebied dat voor ten minste 75% bestaat uit naaldhout en in heidegebied van ten minste 500 hectare en is alleen begroeid met lage, slecht brandbare natuurlijke vegetatie.
  2. Een brandgang heeft een breedte van ten hoogste 50 meter of, als de brandgang zich bevindt onder een hoogspanningstracé van het elektriciteitsnet, ten hoogste 70 meter.

§ 3.6.7 Beweiden en bemesten bij Natura 2000 gebieden     

Artikel 3.93 (vrijstelling vergunningplicht)     

Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing op:

  1. het weiden van vee;
  2. het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Afdeling 3.7 Varend ontgassen     

Artikel 3.94 (verbod ontgassen)     

  1. Het is de vervoerder en de schipper verboden vanaf een binnenschip op een vaarweg gelegen binnen het Verbodsgebied varend ontgassen een ladingtank te ontgassen met restladingdamp van:
    1. benzeen (UN 1114);
    2. ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN 1267);
    3. aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268);
    4. brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863);
    5. brandbare vloeistoffen N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993);
    6. koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295).
  2. Gedeputeerde Staten kunnen andere stoffen aanwijzen waarop het verbod in eerste lid van toepassing is.
  3. Gedeputeerde Staten kunnen vrijstelling verlenen van het verbod in het eerste lid, voor daarbij aan te geven categorieën van gevallen.
  4. Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

Artikel 3.95 (minimumconcentratie restladingdamp)     

Van een restladingdamp als bedoeld in artikel 3.94, eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens. Gedeputeerde Staten kunnen een lager percentage vaststellen.

Artikel 3.96 (voorafgaande belading)     

Het verbod in artikel 3.94, eerste lid, is niet van toepassing als de vervoerder of schipper aantoont dat:

  1. de drie voorafgaande ladingen in te ontgassen ladingtank niet bestonden uit de stoffen, genoemd in artikel 3.94, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel;
  2. de te ontgassen ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in artikel 3.94, eerste lid, of dan aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel.

Artikel 3.97 (veiligheidsredenen)     

Het verbod in artikel 3.94, eerste lid, is niet van toepassing, als het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is vanwege drukverevening of tijdens of na een calamiteit met het binnenschip.

Afdeling 3.8 Industriële grondwateronttrekkingen     

Artikel 3.98 (feitendossier bij aanvraag vergunning industriële grondwateronttrekkingen)     

  1. Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder a, van de Waterwet, voor het onttrekken van grondwater bestemd voor menselijke consumptie bevat een feitendossier.
  2. Het feitendossier geeft inzicht in de kenmerken van een grondwateronttrekking door een beschrijving van:
    1. de ligging en de geohydrologische gesteldheid nabij de onttrekking;
    2. de bron van het water;
    3. de waterkwaliteit van het onttrokken water, evenals de trend daarin, zo mogelijk van de afgelopen zes jaar of langer;
    4. de activiteiten in de omgeving van de onttrekking, met name de 10 tot 25-jaarszone die de kwaliteit van het bronwater negatief kunnen beïnvloeden en een inschatting van de effecten van die activiteiten op die kwaliteit;
    5. de knelpunten op basis van analyse;
    6. de noodzakelijke maatregelen om de samenstelling van het water te verbeteren of de risico’s te beheersen.

Hoofdstuk 4 Water     

§ 4.1 Vaarwegen     

Artikel 4.1 (toedeling vaarwegbeheer)     

  1. Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 4 van het reglement van het waterschap.
  2. In bijlage 1 Vaarwegen is aangegeven welk overheidslichaam is belast met het vaarwegbeheer van regionale wateren.

Artikel 4.2 (vaarwegprofiel)     

  1. Gedeputeerde Staten stellen het vaarwegprofiel vast van de vaarwegen die zijn opgenomen in de lijsten A en B van bijlage 1 Vaarwegen.
  2. Gedeputeerde Staten nemen bij de vaststelling van het vaarwegprofiel de Richtlijnen Vaarwegen RVW 2017 als uitgangspunt, tenzij dit vanwege de plaatselijke situatie niet mogelijk is.
  3. Op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een vaarwegprofiel is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.3 (vaarwegonderhoud)     

  1. De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van het vastgestelde vaarwegprofiel.
  2. Het onderhoud omvat in elk geval:
    1. het houden of brengen van de vaarweg op de vastgestelde afmetingen;
    2. het in goede staat houden of brengen van de oevers, oevervoorzieningen en kunstwerken, zodanig dat de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg gewaarborgd blijven;
    3. het schoonhouden van de vaarweg, met inbegrip van het afvoeren van vuil en waterplanten, voor zover dit voor de bruikbaarheid van de vaarweg noodzakelijk is.
  3. De vaarwegbeheerder van een op lijst B bijlage 1 Vaarwegen van voorkomende vaarweg rapporteert aan Gedeputeerde Staten elke vijf jaar over de staat van onderhoud van de vaarweg. Bij constatering van gebreken wordt aangegeven hoe deze worden opgeheven.

Artikel 4.4 (onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer)     

De vaarwegbeheerder zendt Gedeputeerde Staten een afschrift van het besluit tot het blijvend onttrekken aan het openbaar verkeer voor alle schepen van een in lijst B van bijlage 1 Vaarwegen opgenomen vaarweg of een gedeelte daarvan.

§ 4.2 Regionaal waterplan     

Artikel 4.5 (procedure regionaal waterplan)     

  1. Gedeputeerde Staten voeren ter voorbereiding van de vaststelling van het regionaal waterplan ten minste overleg met de dagelijkse besturen van de waterschappen Rijn en IJssel, Rivierenland en Vallei en Veluwe, de hoofdingenieur-directeuren van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.
  2. Gedeputeerde Staten raadplegen ter voorbereiding van de vaststelling van het regionaal waterplan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en, voor grensvormende of grensoverschrijdende watersystemen, de voor die watersystemen bevoegde Duitse autoriteiten.
  3. Op de voorbereiding van de vaststelling van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, waarbij naast de belanghebbenden ook de ingezetenen van de provincie Gelderland de gelegenheid hebben hun zienswijze op het regionaal waterplan naar voren te brengen.
  4. Gedeputeerde Staten sturen het vastgestelde regionale waterplan aan de in het eerste en tweede lid genoemde bestuursorganen.

Artikel 4.6 (uitwerking regionaal waterplan)     

  1. In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan uitwerken volgens de in dat plan gegeven regels.
  2. Het uitwerkingsbesluit van Gedeputeerde Staten maakt deel uit van het regionaal waterplan.
  3. Artikel 4.5 is van overeenkomstige toepassing op het uitwerkingsbesluit.

§ 4.3 Handelingen in watersystemen     

Artikel 4.7 (grondwaterregister)     

  1. Gedeputeerde Staten houden een grondwaterregister bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water staan ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen of aan de dagelijkse besturen van de waterschappen zijn verstrekt.
  2. Het grondwaterregister vermeldt ook de verleende vergunningen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water.

Artikel 4.8 (ambtshalve inschrijving in grondwaterregister)     

  1. Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting die niet op grond van artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is opgegeven, ambtshalve in het grondwaterregister inschrijven.
  2. Wanneer de ambtshalve inschrijving in het grondwaterregister plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is begonnen.

§ 4.4 Functies van water     

Artikel 4.9 (realisatie van waterfuncties)     

Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek afwijkingen toestaan van de waterfuncties Beschermingszone natte landnatuur, Natte landnatuur, Water als verbinder, Hoogst ecologisch niveau wateren en Specifiek ecologische doelstelling wateren, zoals is aangegeven op de themakaart waterbeleid bij de omgevingsvisie Gaaf Gelderland, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de afwijking is noodzakelijk voor het uitvoeren van een project gericht op het realiseren van waterfuncties en wordt uitgevoerd door de uitvoeringspartners in het landelijk gebied, op basis van een ondertekende overeenkomst met de provincie Gelderland;
  2. de afwijking is van ondergeschikt belang in verhouding tot de omvang van functies die in het project worden gerealiseerd;
  3. de afwijking heeft voldoende draagvlak zoals blijkt uit overleg met betrokken partijen;
  4. de haalbaarheid van de voorgeschreven functie is in het geding.

Hoofdstuk 5 Provinciale wegen en luchthavenbesluiten     

Afdeling 5.1 Onderhoud, werkzaamheden en gebruik wegen     

§ 5.1.1 Algemene bepaling     

Artikel 5.1 (reikwijdte)     
  1. Deze afdeling is alleen van toepassing op wegen in beheer bij de provincie Gelderland.
  2. Voor de toepassing van deze afdeling behoren tot de weg:
    1. de rijbanen, bromfiets-, fiets- en voetpaden, parkeer-, carpool- en halteplaatsen, vluchtstroken en andere stroken, bermen, glooiingen, grondkeringen en bermsloten;
    2. alle zich op, aan, in, onder of boven een weg bevindende voorzieningen en werken.
  3. Voor de toepassing van deze afdeling behoren tot de beschermde belangen:
    1. de bruikbaarheid en instandhouding van wegen;
    2. het doelmatig en veilig gebruik van wegen.

§ 5.1.2 Onderhoud van en werkzaamheden aan wegen     

Artikel 5.2 (onderhoud van wegen)     
  1. Tenzij krachtens wet, overeenkomst of besluit een andere regeling geldt, berust het onderhoud van de weg bij Gedeputeerde Staten.
  2. Het onderhoud omvat alle werkzaamheden om de instandhouding en een veilig gebruik van de weg te waarborgen.
Artikel 5.3 (vergunningplichtige werkzaamheden aan wegen)     
  1. Het is verboden zonder vergunning:
    1. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen;
    2. kabels of leidingen te leggen, verleggen of in stand te houden, voor zover het geen kabels voor telecommunicatie als bedoeld in de Telecommunicatiewet betreft;
    3. andere werkzaamheden te verrichten of wijzigingen aan te brengen op, aan, in, onder of boven de weg.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van werkzaamheden door of namens de provincie.

§ 5.1.3 Gebruik van wegen     

Artikel 5.4 (vergunningplichtig gebruik van wegen)     
  1. Het is verboden zonder vergunning:
    1. een weg anders te gebruiken dan voor verkeersdoeleinden waarbij geen wijziging wordt aangebracht op, aan, in, onder of boven de weg;
    2. handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf de weg;
    3. op een weg roerende zaken op te slaan;
    4. een weg te gebruiken voor het storten, plaatsen, aanbrengen of hebben van voorwerpen en stoffen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
    1. het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden door of namens de provincie;
    2. middelen waarop gedachten of gevoelens geopenbaard worden als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, voor zover dit gebruik niet strijdig is met de belangen die deze afdeling beschermt;
    3. borden of andere aanduidingen binnen de bebouwde kom, voor zover deze zijn bevestigd aan de gevels van de langs de weg gelegen bouwwerken op een hoogte van ten minste 2,20 meter en niet meer dan 1 meter uit de gevel reiken;
    4. voorwerpen en stoffen die kortstondig op de weg aanwezig zijn in verband met laad- en loswerkzaamheden, voor zover dit gebruik niet strijdig is met de belangen die deze afdeling beschermt;
    5. voor zover toestemming is verleend op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de wegenverkeerswetgeving of artikel 5.3 van deze verordening.
Artikel 5.5 (vergunningplichtige handelingen nabij een weg)     

Het is verboden zonder vergunning een activiteit te verrichten in de nabijheid van een weg voor zover die activiteit strijdig is met de belangen die deze afdeling beschermt.

§ 5.1.4 Verlening, wijziging en intrekking van een vergunning     

Artikel 5.6 (beoordelingsregels vergunningen)     

Gedeputeerde Staten stellen bij nadere regels criteria voor het verlenen, wijzigen of weigeren van een vergunning als bedoeld in de paragrafen 5.1.2 en 5.1.3.

Artikel 5.7 (beoordeling aanvraag en bevoegd gezag)     
  1. Een aanvraag om een vergunning, waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn, wordt elektronisch ingediend met een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier.
  2. Een vergunning voor een activiteit als bedoeld in de paragrafen 5.1.2 en 5.1.3 wordt alleen verleend:
    1. voor zover die activiteit verenigbaar is met de belangen, bedoeld in artikel 5.1, derde lid;
    2. na toetsing aan de door Gedeputeerde Staten gestelde nadere regels als bedoeld in artikel 5.6.
  3. Tenzij op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het college van burgemeester en wethouders als bevoegd gezag is aangewezen, beslissen Gedeputeerde Staten op de aanvraag om een vergunning.
  4. Als het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag om een vergunning, stelt dit college Gedeputeerde Staten in de gelegenheid advies uit te brengen over de aanvraag.
Artikel 5.8 (vergunningvoorschriften)     
  1. Gedeputeerde Staten verbinden aan een vergunning de voorschriften die nodig zijn voor het beschermen van de belangen, bedoeld in artikel 5.1, derde lid.
  2. Gedeputeerde Staten kunnen de voorschriften van een vergunning wijzigen als die wijziging nodig is voor het beschermen van de belangen, bedoeld in artikel 5.1, derde lid.
  3. Als het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, wijzigt dit college de voorschriften van een vergunning als Gedeputeerde Staten vanwege de belangen, bedoeld in artikel 5.1, derde lid, daarom hebben verzocht.
Artikel 5.9 (intrekking van een vergunning)     

Het bevoegd gezag kan een vergunning intrekken:

  1. als ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
  2. als de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
  3. als van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een termijn van een jaar;
  4. op aanvraag van de vergunninghouder.
Artikel 5.10 (routering vervoer gevaarlijke stoffen over de weg)     

Als provinciaal netwerk van wegen voor het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen zijn aangewezen alle provinciale wegen in de provincie Gelderland, met uitzondering van de in bijlage 2 Weg en wegdelen buiten de routering vervoer gevaarlijke stoffen genoemde wegen en weggedeelten.

Afdeling 5.2 Beperkingengebieden regionale luchthavens (gereserveerd)     

Hoofdstuk 6 Procedures     

§ 6.1 Ontheffing hoofdstuk 2 Ruimte     

Artikel 6.1 (aanvraag ontheffing college van burgemeester en wethouders wegens bijzondere omstandigheden)     

Bij een aanvraag om een ontheffing wegens bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.66 verstrekt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

  1. een beschrijving van de aard en omvang van het project waarvoor de ontheffing wordt gevraagd;
  2. een aanduiding van de locatie van het project met behulp van een situatietekening of kaart met een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding;
  3. een toelichting van de bijzondere omstandigheden waardoor naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders het gemeentelijk ruimtelijk beleid bij dit project onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de in hoofdstuk 2 gestelde instructieregels.

§ 6.2 Ontheffing hoofdstuk 3 Milieu, ontgrondingen en natuur     

Artikel 6.2 (algemene beoordelingsregel aanvraag ontheffing)     

  1. Gedeputeerde Staten verlenen een ontheffing van een regel alleen voor zover de aanvraag verenigbaar is met het oogmerk waarmee die regel is gesteld en houden bij de beslissing op de aanvraag rekening met de vigerende omgevingsvisie.
  2. Gedeputeerde Staten weigeren een ontheffing als door het stellen van voorschriften niet voldoende kan worden tegemoetgekomen aan het belang dat wordt beschermd door de regel waarvan ontheffing is gevraagd.

Artikel 6.3 (voorschriften ontheffing)     

  1. Gedeputeerde Staten verbinden aan een ontheffing de voorschriften die nodig zijn ter bescherming van het belang dat beschermd wordt door de regel waarvan ontheffing is gevraagd.
  2. Op het aan een ontheffing verbinden van voorschriften zijn de artikelen 2.22, eerste en vijfde lid en tweede lid juncto 2.14, eerste lid, onder a, onder 5°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de artikelen 5.5, eerste lid, 5.7, tweede en vijfde lid, en 5.9 van het Besluit omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.4 (gelding ontheffing)     

  1. Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald. De houder van een ontheffing draagt zorg voor de naleving van de aan de ontheffing verbonden voorschriften.
  2. Als een ontheffing gaat gelden voor een rechtsopvolger, meldt de houder dat ten minste vier weken van tevoren aan Gedeputeerde Staten en overlegt daarbij de volgende gegevens:
    1. de naam van de houder en het adres;
    2. de ontheffing, die overgaat op de rechtsopvolger;
    3. de naam, het adres en het telefoonnummer van de rechtsopvolger;
    4. een contactpersoon van de rechtsopvolger;
    5. het beoogde tijdstip waarop de ontheffing gaat gelden voor de rechtsopvolger.
  3. Een ontheffing vervalt als de houder daarvan aan Gedeputeerde Staten schriftelijk heeft verklaard van de verleende ontheffing geen gebruik te zullen maken.

Artikel 6.5 (wijzigen of intrekken ontheffing)     

  1. Gedeputeerde Staten kunnen de aan een ontheffing verbonden voorschriften wijzigen en de verleende ontheffing gedeeltelijk intrekken, als door het gebruik dat van de ontheffing ondanks de daaraan gestelde voorschriften niet voldoende wordt tegemoetgekomen aan het belang dat wordt beschermd door de regel waarvan ontheffing is verleend.
  2. Gedeputeerde Staten trekken een ontheffing in als:
    1. het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het te beschermen belang en door het stellen van aanvullende voorschriften dit belang niet voldoende kan worden beschermd;
    2. er gedurende drie jaren geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de ontheffing;
    3. er sprake is van rechtsopvolging en bij de ontheffing is bepaald dat zij niet geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend.

Artikel 6.6 (beslistermijn aanvraag ontheffing)     

Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om een ontheffing binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 6.7 (indieningsvereisten aanvraag ontheffing)     

Bij een aanvraag om een ontheffing vermeldt de aanvrager de regel waarvan ontheffing wordt gevraagd en verstrekt de aanvrager gegevens over:

  1. de activiteit waarvoor een ontheffing wordt aangevraagd;
  2. de constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken;
  3. de locatie van de activiteit door een situatietekening, kaart, foto's of andere geschikte middelen, op een schaal waarbij een duidelijk wordt waar de activiteit zal plaatsvinden;
  4. een opgave van de hoeveelheid, aard, samenstelling en emissies van bij de activiteit gebruikte stoffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan veroorzaken;
  5. een beschrijving van de maatregelen die de aanvrager treft om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Artikel 6.8 (aanvullende indieningsvereisten aanvraag ontheffing gebruik gesloten stortplaatsen)     

Bij een aanvraag om een ontheffing voor het gebruik van gesloten stortplaatsen verstrekt de aanvrager, aanvullend op de gegevens, bedoeld in artikel 6.7, de volgende gegevens:

  1. het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin nazorgvoorzieningen liggen;
  2. het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart van de gesloten stortplaats en het gebied waarvan gebruik wordt gemaakt;
  3. de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op de gronden in het gebied waarvan gebruik wordt gemaakt;
  4. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren;
  5. de getroffen maatregelen om:
    1. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;
    2. de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;
    3. de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren;
  6. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder e bedoelde maatregelen.

Artikel 6.9 (aanvullende indieningsvereisten aanvraag ontheffing houtopstanden)     

Een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.89, 3.90 en 3.91 wordt elektronisch ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier.

Hoofdstuk 7 Handhaving     

Artikel 7.1 (aanwijzing toezichthouders)     

  1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 3.7, hoofdstuk 4 en afdeling 5.1 zijn belast de bij besluit van Gedeputeerde Staten aan te wijzen personen.
  2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.

Artikel 7.2 (strafbepaling)     

Voor zover overtreding van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken 3, 5 en 6 niet is aangemerkt als strafbaar feit in de artikelen 1 of 1a van de Wet op de economische delicten:

  1. is een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze hoofdstukken verboden en een strafbaar feit;
  2. wordt overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze hoofdstukken gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen     

Afdeling 8.1 Overgangsrecht hoofdstuk 2 Ruimte     

Artikel 8.1 (doorwerking instructieregel in bestemmingsplan)     

  1. Een instructieregel in hoofdstuk 2 is van toepassing op een bestemmingsplan dat na de datum van inwerkingtreding van die regel wordt vastgesteld, tenzij het ontwerpbestemmingsplan voor de datum van inwerkingtreding van die regel ter inzage is gelegd en op dat ontwerp door Gedeputeerde Staten geen zienswijze is ingediend.
  2. In afwijking van het eerste lid is een instructieregel gesteld in de artikelen 2.15, 2.16, 2.17, 2.18, 2.22, 2.24, 2.25, 2.26, 2.27 en 2.34 van toepassing op een op de datum van inwerkingtreding van die instructieregel vigerend bestemmingsplan, voor zover dat bestemmingsplan met die instructieregel in strijd is.
  3. De gemeenteraad geeft uiterlijk binnen twee jaar na inwerkingtreding van een instructieregel als bedoeld in het tweede lid uitvoering aan die regel in een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of in een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.26 van die wet, voor zover dat bestemmingsplan of die beheersverordening met die instructieregel in strijd is.
  4. In afwijking van het eerste lid is een instructieregel gesteld in de artikelen 2.2, 2.9, 2.10, 2.13 en 2.14 van toepassing op een na de datum van inwerkingtreding van die regel ter inzage gelegd ontwerp van een wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 8.2 (specifieke overgangsbepaling Plussenbeleid)     

In afwijking van artikel 8.1, derde lid, geeft de gemeenteraad uitvoering aan de instructieregels gesteld in de artikelen 2.30 en 2.31:

  1. bij bestemmingsplannen die voor 1 januari 2007 zijn vastgesteld: voor 1 april 2019;
  2. bij overige bestemmingsplannen: voor 1 januari 2027.

Afdeling 8.2 Overgangsrecht hoofdstuk 3 Milieu, ontgrondingen en natuur     

§ 8.2.1 Overgangsbepalingen hoofdstuk 3     

Artikel 8.3 (algemene overgangsbepaling lopende procedures aanvraag ontheffingen Provinciale milieuverordening)     

Als de aanvraag om een ontheffing op grond van de Provinciale milieuverordening Gelderland of een aanvraag om wijziging daarvan, of het ambtshalve voornemen tot wijziging daarvan bekend is gemaakt voor 17 oktober 2014, blijven de regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland hierop van toepassing zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend of het voornemen tot wijziging of intrekking bekend is gemaakt tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt.

Artikel 8.4 (overgangsbepaling ontheffingen gebruik gesloten stortplaatsen)     

Een onherroepelijke ontheffing, die is verleend op grond van titel 4.4 van de Provinciale milieuverordening Gelderland, geldt als een ontheffing op grond van afdeling 3.1 van de Omgevingsverordening.

Artikel 8.5 (overgangsbepaling ontheffingen voor bescherming grondwater met oog op waterwinning)     

Een onherroepelijke ontheffing, die is verleend op grond van bijlage 10, onder b, van de Provinciale milieuverordening Gelderland, geldt als een ontheffing op grond van afdeling 3.2 van de Omgevingsverordening.

Artikel 8.6 (overgangsbepaling inrichtingen in Waterwingebieden)     
  1. De in artikelen 3.7 en 3.9 gestelde verboden tot het in werking hebben van een inrichting in een Waterwingebied zijn niet van toepassing op een inrichting die op 16 oktober 2014 in overeenstemming met de voor die inrichting op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland in werking was.
  2. Voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid blijven de op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland van toepassing:
    1. voor een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor een inrichting is verleend: totdat de in het vierde lid bedoelde voorschriften in werking zijn getreden;
    2. voor een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist: tot 17 oktober 2024.
  3. Het is verboden een inrichting als bedoeld in het eerste lid of de werking daarvan te veranderen als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering naar aard of omvang nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.
  4. Als voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid een omgevingsvergunning voor een inrichting is verleend, verbindt het bevoegd gezag uiterlijk 1 maart 2020 aan de vergunning de voorschriften die zijn bedoeld in artikel 3.8. Het bevoegd gezag bepaalt daarbij dat die voorschriften pas in werking treden met ingang van 17 oktober 2024 of zoveel eerder als dit in het belang van de grondwaterbescherming voor de waterwinning noodzakelijk is.
  5. Als voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, is artikel 3.9, derde en vierde lid, van toepassing met ingang van 17 oktober 2024.
Artikel 8.7 (overgangsbepalingen activiteiten buiten inrichtingen in Waterwingebieden)     
  1. Het in artikel 3.10, eerste lid, onder b, gestelde verbod tot het hebben en gebruiken van een constructie of een werk in een Waterwingebied is niet van toepassing op een constructie die of een werk dat op 16 oktober 2014 in overeenstemming met de daarvoor tot op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland werd gehouden of gebruikt. Als de constructie of het werk bestaat uit een gebouw, een weg of een andere verharding is artikel 3.18 van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat de constructie of het werk wordt onderworpen aan herstructurering of groot onderhoud.
  2. Het in artikel 3.10, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt tot 1 maart 2021 niet voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van beweiding door ten hoogste anderhalf grootvee-eenheden per hectare per kalenderjaar.
  3. Voor een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 6.1 van bijlage 10 van de Provinciale milieuverordening Gelderland blijven de regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland van toepassing zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan 17 oktober 2014.
Artikel 8.8 (overgangsbepalingen verboden inrichtingen in Grondwaterbeschermingsgebieden)     
  1. Het in artikel 3.12 gestelde verbod tot het oprichten van een inrichting in een Grondwaterbeschermingsgebied is niet van toepassing op een inrichting die op 16 oktober 2014 in overeenstemming met de voor die inrichting tot op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland in werking is.
  2. Artikel 8.6, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.9 (overgangsbepalingen niet-verboden inrichtingen in Grondwaterbeschermingsgebieden)     
  1. Als sprake is van een inrichting waarop het verbod tot het in werking hebben van een inrichting in een Grondwaterbeschermingsgebied niet van toepassing is en die onmiddellijk voorafgaand aan 17 oktober 2014 in overeenstemming met de op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland in werking was, blijven die regels van toepassing
    1. voor een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor een inrichting is verleend: totdat de in bijlage 4 Grondwaterbescherming bedoelde voorschriften in werking zijn getreden;
    2. voor een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist: tot 1 maart 2020.
  2. Voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid is het eerste lid eveneens van toepassing voor bezwaar en beroep ingesteld tegen een handhavingsbeschikking over deze inrichting die gericht is op naleving van de regels uit de Provinciale milieuverordening Gelderland.
  3. Als voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid een omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, verbindt het bevoegd gezag uiterlijk 1 maart 2020 aan de vergunning de voorschriften die zijn bedoeld in artikel 3.14. Het bevoegd gezag bepaalt daarbij dat deze voorschriften pas in werking treden met ingang van 17 oktober 2024 of zoveel eerder als dit in het belang van de grondwaterbescherming voor de waterwinning noodzakelijk is.
  4. Als voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, is artikel 3.15 van toepassing met ingang van 17 oktober 2024.
Artikel 8.10 (overgangsbepalingen verbod warmtetoevoeging en - onttrekking binnen inrichtingen)     
  1. De verboden gesteld in de artikelen 3.13 en 3.21 gelden niet voor een gesloten bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en het Waterbesluit, dat op 16 oktober 2014 bestond in een gebied op dat moment niet was aangewezen als milieubeschermingsgebied categorie II in de zin van de Provinciale milieuverordening Gelderland.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een open bodemenergiesysteem dat in overeenstemming met een vergunning op grond van de Waterwet in werking is of dat niet vergunningplichtig is op grond van de Waterwet, waarbij in dat artikellid voor "gesloten bodemenergiesysteem" wordt gelezen: open bodemenergiesysteem.
Artikel 8.11 (overgangsbepalingen activiteiten buiten inrichtingen in Grondwaterbeschermingsgebieden)     
  1. De artikelen 3.16, 3.18 en 3.21 zijn niet van toepassing op een activiteit die op 16 oktober 2014 wordt ondernomen in overeenstemming met de voor die activiteit op dat moment geldende regels op grond van de Provinciale milieuverordening Gelderland. Voor de activiteit blijven de op dat moment geldende regels van toepassing.
  2. Het in artikel 3.20 gestelde verbod voor een begraafplaats is niet van toepassing op een op 16 oktober 2014 in overeenstemming met de daarvoor op dat moment geldende regels op grond van de Provinciale milieuverordening Gelderland gehouden begraafplaats.
Artikel 8.12 (overgangsbepalingen inrichtingen in Boringsvrije zones)     
  1. De verboden in artikel 3.25, eerste lid, op het hebben van werken of het verrichten van handelingen waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, en in artikel 3.25, tweede lid, onder a, op het hebben van een boring zijn niet van toepassing, voor zover de activiteiten op 16 oktober 2014 werden uitgevoerd in overeenstemming met de op dat moment geldende regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland. De regels van de Provinciale milieuverordening Gelderland blijven toepassing tot 17 oktober 2024.
  2. Als voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid een omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, verbindt het bevoegd gezag uiterlijk 1 maart 2020 aan de vergunning de voorschriften die zijn bedoeld in artikel 3.25, derde lid, onder b, onderdeel ii. Het bevoegd gezag bepaalt daarbij dat die voorschriften pas in werking treden met ingang van 17 oktober 2024 of zoveel eerder als dit in het belang van de grondwaterbescherming voor waterwinning noodzakelijk is.
  3. Als voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, is artikel 3.25, derde lid, onder b, onderdeel i, van toepassing met ingang van 17 oktober 2024.
Artikel 8.13 (overgangsbepaling activiteiten buiten inrichtingen in Boringsvrije zones)     

Artikel 3.26 is niet van toepassing op een activiteit die op 16 oktober 2014 wordt ondernomen in overeenstemming met de voor die activiteit op dat moment geldende regels op grond van de Provinciale milieuverordening Gelderland. Voor die activiteit blijven die regels van toepassing tot 17 oktober 2018.

Artikel 8.14 (overgangsbepalingen lopende procedures voor omgevingsvergunningen en ontheffingen)     
  1. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning of een aanvraag tot wijziging of intrekking daarvan, of een ambtshalve voornemen tot wijziging of intrekking bekend is gemaakt voor het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt, blijven de voorschriften van de Provinciale milieuverordening Gelderland zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag was ingediend of het voornemen tot wijziging of intrekking bekend is gemaakt van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Op een vergunning die met toepassing van de vorige zin tot stand is gekomen, zijn de artikelen 8.6, 8.8, 8.9 en 8.12, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
  2. Als de aanvraag om een ontheffing op grond van een bepaling van afdeling 3.2 van deze verordening is ingediend of het wijzigen of intrekken daarvan of het ambtshalve voornemen daartoe is bekendgemaakt voor het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt, blijven de voorschriften van de Provinciale milieuverordening Gelderland hierop van toepassing zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag was ingediend of het voornemen tot wijziging of intrekking bekend is gemaakt tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Op een ontheffing die met toepassing van de vorige zin tot stand is gekomen, zijn de artikelen 8.7, 8.11 en 8.13 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.15 (overgangsbepaling ontgrondingen)     

Op aanvragen die zijn ingediend en besluiten die zijn genomen voor 17 oktober 2014 op grond van de Gelderse Ontgrondingenverordening 1997, blijft die verordening van toepassing tot het moment waarop de beslissing op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

§ 8.2.2 Overgangsbepalingen nieuwe grenzen beschermingsgebieden grondwater     

Artikel 8.16 (reikwijdte)     

Deze paragraaf is van toepassing op gebieden waarvoor, als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe begrenzingen van de gebieden als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onder a, de paragrafen 3.2.2, 3.2.3, 3.2.4 en 3.2.5 voor het eerst van toepassing zijn en daardoor voor het gebied meer gebruiksbeperkingen gaan gelden.

Artikel 8.17 (begrenzing Boringsvrije zone)     
  1. Dit artikel is van toepassing op de gebieden waarop de bepalingen van paragraaf 3.2.4 voor het eerst van toepassing zijn.
  2. De verboden in artikel 3.25, eerste lid, op het hebben van werken of het verrichten van handelingen waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd en in artikel 3.25, tweede lid, onder a, op het hebben van een boring zijn niet van toepassing tot 1 maart 2026, voor zover de activiteiten onmiddellijk voor 17 oktober 2014 al werden uitgevoerd.
  3. Het tweede lid is niet van toepassing op vervanging of verandering van de werking van de in dat lid genoemde activiteiten.
  4. Het bevoegd gezag geeft voor 1 maart 2020 uitvoering aan artikel 3.25 , vierde lid, en bepaalt daarbij dat de voorschriften in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D, in werking treden op uiterlijk 1 maart 2026.
  5. De verboden in artikel 3.26, eerste lid, op het hebben of verrichten van handelingen waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd en in artikel 3.26, tweede lid, op het hebben van een boring, zijn niet van toepassing tot 1 maart 2026, voor zover de activiteiten voor 17 oktober 2014 al werden uitgevoerd.
  6. De verboden in artikel 3.29, eerste lid, en artikel 3.31, eerste lid, op het direct of indirect in de bodem brengen van schadelijke vloeibare stoffen zwaarder dan water, zijn niet van toepassing tot 1 maart 2026, voor zover de activiteiten onmiddellijk voor 17 oktober 2014 al werden uitgevoerd.
Artikel 8.18 (begrenzing Grondwaterbeschermingsgebieden)     
  1. Dit artikel is van toepassing op de gebieden waarop de bepalingen van paragraaf 3.2.3 voor het eerst van toepassing zijn.
  2. Artikel 8.10 is van overeenkomstige toepassing.
  3. Het bevoegd gezag geeft voor 1 maart 2020 uitvoering aan artikel 3.14 en bepaalt daarbij dat de voorschriften, bedoeld in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D, in werking treden op uiterlijk 1 maart 2026.
  4. Het derde lid is niet van toepassing op de voorschriften genummerd 1, 12, 13 en 14 van bijlage 4, onderdeel D, met dien verstande dat het bevoegd gezag bepaalt dat de voorschriften genummerd 12 en 13 in werking treden op uiterlijk 1 maart 2018.
  5. Voor inrichtingen, waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is, die onmiddellijk voorafgaand aan het besluit tot vervanging van de bijlage 3 Beschermingsgebieden grondwater al inwerking waren in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland, treden de voorschriften, bedoeld in artikel 3.15, tweede lid, voor het hebben van een inrichting, in werking op de tijdstippen:
    1. 1 maart 2018: de voorschriften in bijlage 4, onderdeel D, genummerd 12 en 13;
    2. 1 maart 2026: de overige voorschriften in bijlage 4, onderdeel D, met uitzondering van de voorschriften genummerd 1 en 14, die direct in werking treden.
  6. De verboden in de artikelen 3.16, 3.17 en 3.18 op het hebben van de daar genoemde activiteiten, zijn niet van toepassing tot 1 maart 2026, voor zover de activiteiten onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van het besluit tot vervanging van bijlage 3 al werden ondernomen in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.
Artikel 8.19 (begrenzing Waterwingebieden)     
  1. Dit artikel is van toepassing op gebieden waarop de bepalingen van paragraaf 3.2.2 voor het eerst van toepassing zijn.
  2. Het bevoegd gezag geeft voor 1 maart 2020 uitvoering aan artikel 3.8 en bepaalt daarbij dat de voorschriften, bedoeld in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D, in werking treden op uiterlijk 1 maart 2026.
  3. Voor inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is, die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het besluit tot vervanging van bijlage 3 Beschermingsgebieden grondwater, al inwerking waren in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland, treden de voorschriften bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, voor het hebben van de inrichting, in werking op de tijdstippen:
    1. 1 maart 2018, de voorschriften in bijlage 4, onderdeel D, genummerd 12 en 13;
    2. 1 maart 2026, de overige voorschriften in bijlage 4, onderdeel D, met uitzondering van de voorschriften genummerd 1 en 14, die direct in werking treden.
  4. Het verbod in artikel 3.10, eerste lid, onder b, is niet van toepassing op werken en constructies die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het besluit tot vervanging van bijlage 3 al werden gehouden of gebruikt in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland. De op dat moment krachtens de Omgevingsverordening Gelderland geldende regels blijven van toepassing.
Artikel 8.20 (begrenzing Gelderse onderdelen van de boringsvrije zones Engelse Werk en Deventer)     
  1. Het bevoegd gezag geeft voor 1 maart 2020 uitvoering aan de artikelen 3.25 en 3.26 en bepaalt daarbij dat de vergunninghouder uiterlijk op 1 maart 2026 voldoet aan de voorschriften, bedoeld in bijlage 4 Grondwaterbescherming, onderdeel D.
  2. In afwijking van het eerste lid bepaalt het bevoegd gezag dat de vergunninghouder uiterlijk op 1 maart 2018 voldoet aan de voorschriften in bijlage 4, onderdeel D, genummerd 1, 12, 13 en 14.
  3. Degene die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit activiteiten uitvoerde als bedoeld in artikel 3.25 en 3.26, voldoet aan deze artikelen op 1 maart 2026.

Afdeling 8.3 Overgangsrecht hoofdstuk 4 Water     

Artikel 8.21 (algemene overgangsbepaling vervallen regels)     

De voor 17 oktober 2014 geldende besluiten die zijn genomen op grond van:

  1. de Waterverordening provincie Gelderland;
  2. de Verordening waterbeheer Gelderland;
  3. de Verordening waterkering Gelderland;
  4. de Grondwaterverordening Gelderland 1997;
  5. titel 6.2 "Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodems" van de Provinciale milieuverordening Gelderland;
  6. het Besluit Aanwijzen en normeren regionale keringen,

blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders beslist.

Artikel 8.22 (overgangsbepalingen bodemenergiesystemen)     

  1. Op een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10 kubieke meter per uur en dat geïnstalleerd is voor 17 oktober 2014, blijft het op dat moment geldende recht van toepassing.
  2. Het eerste lid is alleen van toepassing op:
    1. een bodemenergiesysteem dat is geïnstalleerd voor 22 december 2009;
    2. een bodemenergiesysteem dat is geïnstalleerd na 22 december 2009, waarvoor voor 17 oktober 2014 een melding is ingediend als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit en dat in overeenstemming met deze melding in werking is.
  3. Het beëindigen van de onttrekking en van het in de bodem terugbrengen van grondwater bestemd voor een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid, en de datum van afdichting van de bronnen en waarnemingsfilters, wordt tenminste vier weken voor de beëindiging aan Gedeputeerde Staten gemeld.
  4. Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van het in werking hebben van een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt het systeem, zonder daarbij het ondergrondse deel te verwijderen, zodanig opgevuld dat de werking van de oorspronkelijke waterscheidende lagen wordt hersteld.
  5. Na buitengebruikstelling van een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt binnen een maand na de afdichting een verslag van de afdichting aan Gedeputeerde Staten toegezonden.

Afdeling 8.4 Overgangsrecht hoofdstuk 5 Provinciale wegen en luchthavenbesluiten     

Artikel 8.23 (overgangsbepalingen wegen)     

  1. Een vergunning verleend op grond van de Wegenverordening Gelderland 2010, wordt aangemerkt als een vergunning op grond van artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van deze verordening.
  2. Een aanvraag om een vergunning ingediend krachtens de Wegenverordening Gelderland 2010, wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning op grond van artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van deze verordening.

Artikel 8.24 (overgangsbepaling vervoer gevaarlijke stoffen)     

De bij Besluit aanwijzing provinciaal wegennet vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen provinciale wegen gelden als aangewezen op grond van artikel 5.10 van deze verordening.

Artikel 8.25 (overgangsbepaling luchthavenregelingen)     

Een luchthavenregeling als bedoeld in titel 5.3, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van Actualisatieplan 6 omgevingsverordening, blijft gelden totdat:

  1. voor de betreffende luchthaven door Gedeputeerde Staten een luchthavenregeling als bedoeld in artikel 8.64 van de Wet luchtvaart is vastgesteld en die regeling onherroepelijk is geworden, of
  2. Gedeputeerde Staten besluiten voor de betreffende luchthaven geen luchthavenregeling vast te stellen en dat besluit onherroepelijk is geworden.

Afdeling 8.5 Citeertitel     

Artikel 8.26 (citeertitel)     

Deze regeling wordt aangehaald als: Omgevingsverordening Gelderland.

Toelichting op de Regels     

Hoofdstuk 1 Algemeen     

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, leggen we bij het uitvoeren van onze taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. We geven hier richting aan door gezamenlijk zeven samenhangende ambities na te streven op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid; economisch vestigingsklimaat en woon- en leefklimaat. In de verordening hebben we alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. We hebben daarom bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen. Alleen de Waterverordeningen (per waterschap) en de Gelderse Vaarwegverordening 2009 zijn (nog) niet in de Omgevingsverordening opgenomen.

De Omgevingsverordening heeft daarom de status van:

  • Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening:
  • Milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet Milieubeheer:
  • Natuurverordening in de zin van de Wet Natuurbescherming;
  • Waterverordening in de zin van de Waterwet;
  • Verkeersverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2 A van de Wegenverkeerswet.

Deze wetten worden opgenomen in de Omgevingswet, die op 1 januari 2021 in werking treedt. Door de provinciale verordeningen die gebaseerd zijn op deze wetten al vast op te nemen in één provinciale Omgevingsverordening, anticiperen we op de situatie onder de Omgevingswet.

Opbouw en doelgroepen

De thema’s van de voormalige provinciale verordeningen zijn nog herkenbaar in de opbouw van de hoofdstukken. Wel hebben we thema ‘s die van belang zijn voor dezelfde doelgroepen in één hoofdstuk ondergebracht. Dit vergroot het gebruiksgemak. De opbouw is als volgt:

HOOFDSTUK
NR. TITEL INHOUD DOELGROEP
1 Algemeen Een overzicht van de bij deze verordening aangewezen gebieden en de kaarten waarop deze zijn verbeeld. Uitleg van de begrippen die in deze verordening worden gebruikt. Uitleg van welke plannen, vergunningen en besluiten allemaal onder het begrip ‘Bestemmingsplan” vallen en wat we verstaan onder de ‘toelichting bij een bestemmingsplan. Alle doelgroepen
2 Ruimte Instructies voor bestemmingsplannen en compensatie natuur en landschap. Er zijn instructies voor woonlocaties en recreatiewoningen, werklocaties, glastuinbouw, veehouderij, Waterwingebieden, Grondwaterbeschermingsgebieden, Intrekgebieden, Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, waardevol open gebied, Nationaal landschap, Nieuwe Hollandse Waterlinie, Romeinse Limes, Beschermingszones natte landnatuur, windturbines Molenbiotoop en installaties voor biomassavergisting. Gemeentebesturen
3 Milieu, ontgrondingen en natuur Ontheffing verbod gebruik gesloten stortplaats. Instructies voor omgevingsvergunningen in Waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, Intrekgebieden, boringsvrije zones en koude-warmte-opslagvrije zones en voor de bescherming van deze zones en gebieden. Aanvullende regels voor bodemsaneringen. Verlenen ontgrondingsvergunningen. Regels voor stiltegebieden. Vergoeding schade en kosten als grondwaterbeschermingsregels van toepassing zijn. Vrijstelling bestrijding schadeveroorzakende soorten. Faunabeheer. Ontheffing herplantplicht. Kappen houtopstanden. Verbod varend ontgassen. Industriële grondwateronttrekkingen. Overheden, burgers, bedrijven, instellingen, wildbeheereenheden, vervoerders en schippers
4 Water Vaarwegen, regionale waterplannen, handelingen in watersystemen en functies van water. Vaarwegbeheerders, waterschappen en bedrijven
5 Provinciale wegen en luchthavenbesluiten Regels voor onderhoud, werkzaamheden en gebruik wegen. Aanwijzing wegen voor routering en vervoer gevaarlijke stoffen. Gebruikers van wegen en aanwonenden
6 Ontheffingen Ontheffingen van hoofdstuk 2 en 3 Alle doelgroepen
7 Handhaving Alle doelgroepen
8 Overgangs- en slotbepalingen Overgangsrecht en inwerkingtreding. Alle doelgroepen

Digitale vastlegging

De Omgevingsverordening bestaat uit kaarten en regels. De verordening is digitaal beschikbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl en op de website van de Provincie Gelderland. Op beide plekken zijn ook de wijzigingen van de verordening te vinden. Deze wijzigingen worden altijd verwerkt in de ‘geconsolideerde Omgevingsverordening’. Geconsolideerd wil zeggen dat alle in de loop van de tijd aangebrachte wijzigingen in de tekst van de verordening zijn doorgevoerd. De geconsolideerde versie bevat de actueel geldende situatie. Met publicatie op Ruimtelijkeplannen.nl voldoet de provincie aan artikel 1.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Daarin is bepaald dat ruimtelijke visies, plannen, besluiten en verordeningen langs elektronische weg beschikbaar worden gesteld. De digitale raadpleegbaarheid op Ruimtelijkeplannen.nl maakt het mogelijk dat iedereen voor elke locatie in Nederland kan zien welke mogelijkheden er zijn en welke beperkingen voor een locatie gelden.

Daarmee voldoen we dus aan de eisen die aan beschikbaarstelling van een Ruimtelijke verordening worden gesteld. Maar de Omgevingsverordening is daarnaast ook milieuverordening, natuurverordening, waterverordening en wegenverordening. Op grond van de ‘Regeling elektronische bekendmaking en beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden’ zijn we verplicht deze verordeningen in geconsolideerde vorm beschikbaar te stellen in de regelgevingsbank op Overheid.nl. De Omgevingsverordening is daarom ook in deze regelgevingsbank opgenomen. We volstaan daarbij met een link naar de geconsolideerde versie op Ruimtelijke plannen. Wel is in de regelgevingsbank een overzicht te vinden van de Provinciale Bladen waarin de wijzigingen van de Omgevingsverordening zijn gepubliceerd.

Rechtsbescherming

Een besluit tot het vaststellen van de Omgevingsverordening staat niet open voor bezwaar en beroep, omdat de Omgevingsverordening algemene verbindende voorschriften bevat. Tegen besluiten die gebaseerd zijn op de Omgevingsverordening staat wel bezwaar en beroep open.

Artikel 1.1 (aanwijzing gebieden)     

De gebieden zijn aangewezen om:

  • bepaalde provinciale en algemene belangen te beschermen, bijvoorbeeld drinkwatervoorziening, natuur en bijzondere landschappen;
  • ze voor bepaalde activiteiten te reserveren, bijvoorbeeld glastuinbouw of windenergie.

Per gebied gelden andere regels.

Bij Amendement 18A44 is de tekst over Nationaal landschap als volgt gewijzigd:

"gebied met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten, en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten."

Omdat het beschermingsregime nationaal landschap integraal is meegenomen in de regels voor het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, en Nieuwe Hollandse Waterlinie, ziet artikel 2.56 alleen op bescherming van die delen van het nationaal landschap die buiten deze drie gebieden vallen.

Artikel 1.2 (begripsbepalingen)     

Geen toelichting.

Artikel 1.3 (reikwijdte begrip bestemmingsplan en toelichting bij een bestemmingsplan)     

Voor de leesbaarheid van de vele instructieregels die betrekking (kunnen) hebben op het bestemmingplan, het wijzigingsplan, het uitwerkingsplan, de beheersverordening en de binnen- en buitenplanse omgevingsvergunning, wordt in deze verordening de reikwijdte van de termen ‘bestemmingsplan’ en ‘toelichting bij een bestemmingsplan’ opgerekt. De term heeft steeds deze bredere betekenis, tenzij uit de tekst van het artikel anders blijkt, bijvoorbeeld als uitdrukkelijk wordt vermeld ‘bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening).

Hoofdstuk 2 Ruimte     

Hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening bevat met name (instructie)regels voor bestemmingsplannen over onderwerpen die vanwege het bovenlokale of (boven)regionale belang als provinciaal belang zijn aangemerkt. Regels over wonen, bedrijvigheid (werklocaties), glastuinbouw, veehouderij, grond- en drinkwater, natuur en landschap en energie. Artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vormt de grondslag voor deze (instructie)regels en voor de aanvullende regels die rechtstreeks gelden voor burgers en bedrijven. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan, neemt het gemeentebestuur de instructieregels in acht. Onder een ‘bestemmingsplan’ verstaan we hier alle besluiten die genoemd worden in artikel 1.3. Afhankelijk van de aard van het onderwerp en de urgentie van de doorwerking van de instructieregel, is voorzien in een langere of kortere implementatietermijn (zie hiervoor het overgangsrecht in hoofdstuk 8). Veelal is rekening gehouden met bestaande rechten. Doorvertaling van de instructieregels vindt pas plaats als de gemeente een bestemmingsplan (in de hiervoor bedoelde betekenis) vaststelt of wijzigt. De bepalingen in hoofdstuk 2 gelden dus niet voor vigerende plannen, tenzij in het overgangsrecht nadrukkelijk anders is bepaald. Het hoofdstuk bevat tenslotte een artikel waarin - in overeenstemming met artikel 4.1a van de Wro aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid wordt gegeven om van de (instructie)regels in dit hoofdstuk ontheffing te verlenen.

Afdeling 2.1 Woonlocaties en recreatiewoningen     

Een goede plek om te wonen voor iedereen, nu en in de toekomst, daar draait het om. Daar willen we samen met alle partijen mee aan de slag. Wat er nodig is om dit doel te bereiken, de opgave, stellen we centraal. Deze opgave verschilt per regio en is deels regionaal. Als provincie borgen wij dat elke regio hiervoor een regionale woonagenda opstelt. Hiermee zorgen wij voor een structuur waarbinnen partijen afspraken kunnen maken om de regionale opgave verder te brengen. In afdeling 2.1 zijn artikelen met (instructie)regels voor de regionale woonagenda opgenomen. Ook bevat de afdeling een drietal artikelen met instructieregels voor recreatiewoningen.

Artikel 2.1 (regionale woonagenda)     

Eerste lid: De verantwoordelijkheid om een regionale woonagenda op te stellen, ligt bij de regio’s. De provincie is een betrokken partner en brengt bij elke woonagenda in elk geval de provinciale doelstellingen in:

  1. het energieneutraal en klimaatbestendig maken van nieuwe en bestaande woningen;
  2. de bestaande woningen aantrekkelijk houden en maken voor nieuwe bewoners;
  3. het bouwen van betaalbare, toekomstbestendige en duurzame woningen met aandacht voor flexibel programmeren en flexibele woonvormen.

Deze doelen dienen in elke regionale woonagenda terug te komen in meetbare afspraken waarbij de vorm en omvang afhangen van de regionale opgave. Deze opgave verschilt per regio. Elke regio heeft een eigen karakter en ontwikkelt zich anders. Regio’s met een hoge economische en demografische groei bijvoorbeeld, staan voor een heel andere opgave dan regio’s waar krimp plaatsvindt en waar sturen op alleen nieuwbouw niet meer mogelijk is. Ook voor klimaatadaptatie geldt dat de kwetsbaarheden en aanpak daarvan per gemeente en regio verschillen. Voor het opstellen van een regionale woonagenda hoeft niet strikt vast te worden gehouden aan de WGR-regio’s. Ook andere samenwerkingsverbanden zijn mogelijk, als het maar passend is bij de opgave. Woningmarktgebieden vormen een goed uitgangspunt voor het maken van afspraken. De regionale woonagenda is geen statisch document. Er vinden bestuurlijke overleggen plaats, waarin de stand van zaken rond de afspraken in de regionale woonagenda wordt geagendeerd. De monitoring van de uitvoering en effecten van de afspraken uit de woonagenda’s en de monitoring van de feitelijke ontwikkelingen zijn belangrijk en een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Afhankelijk van de inzichten uit deze monitoring worden de afspraken uit de regionale woonagenda bijgesteld of vindt er een gehele herziening plaats.

Tweede lid: Op het moment dat een meerderheid van de gemeenten de afspraken vaststelt, wordt de regionale woonagenda voorgelegd aan Gedeputeerde Staten. Zij gaan over tot vaststelling als de woonagenda wat betreft inhoud en draagvlak recht doet aan de regionale opgave. Bij de beoordeling is het meest recente provinciale beleid het uitgangspunt. Bij voorkeur heeft een regionale woonagenda draagvlak van alle betrokken gemeenten, maar noodzakelijk is dat niet.

Derde lid: Deze bepaling treedt in werking als er nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of als de bestaande regionale woonagenda niet meer actueel is en niet geschikt meer is als toetsingskader. Gedeputeerde Staten zullen deze bevoegdheid slechts in het uiterste geval inzetten. Ons streven is dat elke regio altijd beschikt over een actuele, regionale woonagenda en dat deze in partnerschap tot stand komt.

Artikel 2.2 (instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda)     

Tweede lid: Ten behoeve van de flexibiliteit is het in uitzonderlijke gevallen mogelijk om van een regionale woonagenda af te wijken. In dat geval moet onder andere aantoonbaar sprake zijn van afstemming met de gemeenten in de regio, omdat de ontwikkeling vooruitlopend op de actualisatie van het afsprakenkader mogelijk wordt gemaakt.

Artikel 2.3 (instructieregel bestemmingsplan solitaire recreatiewoningen)     

Geen toelichting.

Artikel 2.4 (instructieregel bestemmingsplan permanente bewoning van recreatiewoningen)     

Geen toelichting.

Artikel 2.5 (instructieregel bestemmingsplan bedrijfsmatige exploitatie van recreatiewoningen)     

Om de kwaliteit van het toeristisch product te behouden en te vergroten is de eis gesteld dat nieuwvestiging en uitbreiding van recreatiewoningen in bestemmingsplannen alleen mogelijk mag wordt gemaakt als daaraan de eis van bedrijfsmatige exploitatie wordt verbonden. Volledigheidshalve vermelden we dat de verordening geen specifieke regels meer bevat over uitbreiding en nieuwvestiging van recreatieparken. De activiteit moet net als elke andere ontwikkeling passen binnen het beleid dat voor het specifieke gebied geldt. Zo dient uitbreiding van recreatieparken in het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone te voldoen aan het beschermingsregime voor het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone (zie afdeling 2.6).

Afdeling 2.2 Werklocaties     

Een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om voldoende en geschikte ruimte voor de vestiging van nieuwe bedrijven en voor de ontwikkeling van bestaande bedrijven. Als provincie zorgen we er, samen met gemeenten, voor dat het juiste bedrijf zich op de juiste plek kan vestigen. Dit vraagt om kwalitatief goede locaties die aansluiten bij de vraag van bedrijven en de gewenste, ruimtelijk-economische ontwikkeling van de regio. Die behoefte verschilt per bedrijf en per regio. Voor een goed vestigingsklimaat werken we daarom per regio aan een divers aanbod van verschillende type werklocaties. Waar de opgave er om vraagt, maken we hierover in regionaal verband afspraken in het Regionaal programma werklocaties.

§ 2.2.1 Regionaal programma werklocaties     

Paragraaf 2.2.1 bevat bepalingen over de vaststelling, overgangsregeling en inhoud van het Regionaal programma werklocaties.

Artikel 2.6 (vaststelling Regionaal programma werklocaties)     

Eerste lid: In een Regionaal programma werklocaties worden ten minste afspraken gemaakt over de programmering van bedrijventerreinen. Gedeputeerde Staten geven per regio aan of er ook afspraken gemaakt moeten worden over perifere detailhandel of kantoren. De verantwoordelijkheid om afspraken te maken, ligt bij de regio’s. De provincie is als partner betrokken bij de uitwerking van de afspraken.

Tweede lid: Op het moment dat een meerderheid van de gemeenten de afspraken vaststelt, wordt het afsprakenkader voorgelegd aan Gedeputeerde Staten. Zij gaan over tot vaststelling als het Regionaal programma werklocaties van voldoende kwaliteit en in overeenstemming met de regionale opgave is.

Derde lid: Het Regionaal programma werklocaties is geen statisch document. Jaarlijks zal er bestuurlijk overleg met de Gelderse regio's worden gevoerd over de stand van zaken rond de afspraken in het Regionaal programma werklocaties. Daarbij speelt monitoring van de feitelijke ontwikkelingen (feitelijke uitgifte, het beschikbare aanbod en de vraag) een belangrijke rol. Afhankelijk van feitelijke ontwikkelingen, worden de afspraken uit het Regionaal programma werklocaties bijgesteld of aangescherpt. Als uitgangspunt geldt dat zo’n programma binnen vier jaar na vaststelling wordt geactualiseerd.

Vierde lid: Gedeputeerde Staten kunnen zelfstandig een programma voor een regio vaststellen als de regionale afspraken niet of niet tijdig tot stand komen, of de regionale afspraken naar oordeel van Gedeputeerde Staten van onvoldoende kwaliteit zijn. De regiogemeenten krijgen wel een termijn om alsnog tot (kwaliteitsverbetering van de) regionale afspraken te komen. Gedeputeerde Staten zetten deze bevoegdheid alleen in het uiterste geval in. Denk hierbij aan een situatie dat een regio na een lange tijd van overleg niet tot een goed voorstel komt, er geen zicht is op verbetering en nieuwe ontwikkelingen worden belemmerd. Ons streven is om in partnerschap te komen tot afspraken.

Artikel 2.7 (overgangsregeling Regionaal Programma Bedrijventerreinen en Regionaal Programma Detailhandel)     

Nog niet elke regio heeft per december 2018 een door Gedeputeerde Staten vastgesteld Regionaal programma werklocaties. Wel wordt er aan de Regionaal programma’s gewerkt. Met deze overgangsbepaling blijven voor deze regio’s de eerder gemaakte regionale afspraken in een Regionaal Programma Bedrijventerreinen of Regionaal Programma Detailhandel nog tijdelijk het geldende beleids- en beoordelingskader. Gedeputeerde Staten kunnen voor deze regio’s een termijn stellen waarbinnen het in voorbereiding genomen Regionaal programma werklocaties moet worden afgerond.

Artikel 2.8 (inhoud Regionaal programma werklocaties)     

Over de inhoud van een Regionaal programma werklocaties wordt in artikel 2.8 aangegeven welke onderdelen in zo’n programma minimaal aan de orde moeten komen. Bij de beoordeling van een Regionaal programma werklocaties door Gedeputeerde Staten (zie artikel 2.6) vormen deze onderdelen het uitgangspunt. Het doel is om op basis van een goede analyse tot heldere afspraken te komen over de gewenste, toekomstige, ruimtelijk-economische ontwikkeling van werklocaties, zodat het beschikbare aanbod aan werklocaties kwalitatief en kwantitatief goed aansluit bij de marktvraag, de regionale economische ambities en kracht van het gebied. Het zorgdragen voor een goede ruimtelijke ordening, omgevingskwaliteit, duurzaamheid en bereikbaarheid dient nadrukkelijk een integraal onderdeel uit te maken van het afsprakenkader. Ook het inbouwen van flexibiliteit in de afspraken en een goede monitoring is cruciaal om ook op (middel)lange termijn de goede ontwikkelingen mogelijk te kunnen maken.

Om aan elk type bedrijf een goede plek te kunnen bieden, is per regio een divers en samenhangend aanbod aan typen werklocaties nodig. Bedrijven stellen immers verschillende eisen aan een locatie wat betreft bereikbaarheid, uitstraling, fysieke ruimte en milieugebruiksruimte. Dit betekent onder andere dat er voldoende kavels moeten zijn voor grootschalige logistiek, watergebonden bedrijven, kleinschalige lokale bedrijvigheid en bedrijven in de hogere milieucategorie. Dit laatste is nodig, zodat er ruimte is voor industrie en recycling van grondstoffen. We spreken bewust over ‘voldoende’, omdat een overaanbod van terreinen ruimtelijk en economisch niet gewenst is. We hanteren hiervoor de volgende uitgangspunten:

  • Bedrijven die grootschalig zijn en/of milieuhinder of veel verkeersbewegingen veroorzaken, moeten een plek krijgen waar zij ruimte hebben om te ondernemen en geen hinder ondervinden van andere functies. En andere functies, zoals wonen, moeten geen hinder ondervinden van de bedrijven. Veelal betekent dit functiescheiding.
  • Bedrijven die gemengd kunnen worden met andere functies, kunnen een plek krijgen in stedelijke gebieden met gemengde milieus buiten bedrijventerreinen of op bedrijventerreinen waar dit passend is (denk aan binnensteden, gemengde werklocaties).
  • Een bedrijf moet qua aard, schaal en functie passen bij de productiestructuur, de werkgelegenheidsstructuur, de bereikbaarheid en de omvang van de kern waar het terrein ligt.

§ 2.2.2 Instructieregels bestemmingsplan kantoren     

Paragraaf 2.2.2 bevat instructieregels voor bestemmingsplannen over het type werklocaties ‘kantoren’.

Artikel 2.9 (nieuwe zelfstandige kantoren)     

Eerste en tweede lid: Kantoren kunnen alleen mogelijk worden gemaakt als zij passen binnen de hierover gemaakte afspraken in het Regionaal programma werklocaties (artikel 2.6). Ten behoeve van de flexibiliteit is het mogelijkheid om onder voorwaarden, vooruitlopend op een herziening van de afspraken in het Regionaal programma werklocaties, een kantoorontwikkeling al mogelijk te maken.

Derde lid: Voor de gemeenten die geen regionale afspraken over kantoren hoeven te hebben, geldt dat nieuwe, zelfstandige kantoren met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.000 vierkante meter alleen kunnen worden toegestaan als daarover regionale afstemming heeft plaatsgevonden. Dit geldt niet voor een kantoor met een lokaal vestigingsgebied, zoals een gemeentehuis. Regionale afstemming betekent vroegtijdig over het initiatief in overleg treden met de belanghebbende gemeenten. Regionale afstemming betekent niet dat alle gemeenten het onderling eens moeten zijn. Wel moeten de belanghebbende gemeenten in de gelegenheid worden gesteld om een reactie kenbaar te maken. De provincie wil op de hoogte worden gebracht van de afzonderlijke standpunten. De reikwijdte van de regionale afstemming kan per initiatief verschillen. De afstemming moet passen bij de aard, omvang en het verzorgingsgebied van het initiatief.

§ 2.2.3 Instructieregels bestemmingsplan bedrijventerreinen     

Paragraaf 2.2.3 bevat instructieregels voor bestemmingsplannen over het type werklocaties ‘bedrijventerreinen’ (artikel 2.10) en specifieke bepalingen over kadegebonden bedrijvigheid (artikel 2.11) en solitaire bedrijvigheid (artikel 2.12).

Artikel 2.10 (nieuw bedrijventerrein en uitbreiding van bestaand bedrijventerrein)     

bedrijventerreinen kunnen alleen mogelijk worden gemaakt als zij passen binnen de hierover gemaakte afspraken in het Regionaal programma werklocaties (artikel 2.6). Deze bepaling geldt ook voor de uitbreiding van een bedrijventerrein of als bedrijvigheid met een gemengde bestemming mogelijk wordt gemaakt. Ten behoeve van de flexibiliteit is het mogelijk om onder voorwaarden, vooruitlopend op een herziening van de afspraken in het Regionaal programma werklocaties, een bedrijventerreinontwikkeling al mogelijk te maken.

Artikel 2.11 (kadegebonden bedrijventerrein)     

De provincie streeft naar het behouden en creëren van een kwalitatief hoogwaardig aanbod aan kadegebonden bedrijventerreinen in Gelderland. Op bedrijventerreinen die ook ontsloten zijn door water, worden kavels bij voorkeur benut door watergebonden en waterverbonden bedrijven. Bedrijfskavels die door een kade zijn ontsloten, moeten in beginsel beschikbaar blijven voor watergebonden bedrijvigheid. Hiervan kan worden afgeweken als dit om ruimtelijke of milieuhygiënische redenen niet (langer) gewenst is. Bijvoorbeeld bij een kade in een stedelijk centrumgebied waar transformatie naar een woonfunctie meer voor de hand ligt of wanneer aanwezige, stedelijke functies zich moeilijk laten combineren met kadegebonden bedrijfsfuncties. Afwijken is ook mogelijk als met een behoefteonderzoek aangetoond kan worden dat er geen behoefte bestaat aan kavels voor kadegebonden bedrijventerreinen. In dat geval wordt in beeld gebracht wat in de betreffende marktregio de toekomstige vraag en verplaatsingsbehoefte is van bedrijvigheid die voor haar bedrijfsvoering afhankelijk is van vestiging aan het water.

Artikel 2.12 (solitaire bedrijvigheid)     

Eerste en tweede lid: Solitaire bedrijvigheid die volgens de huidige planologische inzichten op een bedrijventerrein thuishoort, sluiten wij uit in het buitengebied. Het verbod op nieuwvestiging geldt niet als er sprake is van functieverandering bij een bestaand bedrijf of als de ontwikkeling past binnen de afspraken over solitaire bedrijvigheid in het Regionaal programma werklocaties. Onder functieverandering verstaan wij een ontwikkeling die leidt tot hergebruik van bestaande bebouwing, zorgt voor een kwaliteitsverbetering in het gebied en daar qua aard, schaal en functie past. De regionale afspraken over functieverandering passen in elk geval binnen deze definitie.

Derde lid: Bestaande bedrijven in het buitengebied, die naar de huidige planologische inzichten thuishoren op een bedrijventerrein, zijn vaak kleinschalig begonnen en steeds verder doorgegroeid. In sommige gevallen leveren ze hinder op voor de omgeving. Als vanwege een uitbreiding van meer dan 250 vierkante meter de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing boven de 1000 vierkante meter komt, moet eerst worden gekeken of verplaatsing van (een deel van) het bedrijf naar een bedrijventerrein in redelijkheid mogelijk is. Dit vraagt een goede onderbouwing, waarvan ook de langetermijnvisie van het bedrijf deel uitmaakt.

Is verplaatsing in redelijkheid niet mogelijk, bijvoorbeeld als is aangetoond dat de verplaatsing bedrijfseconomisch niet haalbaar is of als kan worden onderbouwd dat het bedrijf aan de huidige locatie is gebonden, gelden voorwaarden voor de uitbreiding. De uitbreiding moet regionaal zijn afgestemd. De reikwijdte van de regionale afstemming kan per initiatief verschillen. Ze moet passen bij de aard en omvang en het verzorgingsgebied van het uitbreidende bedrijf. Daarnaast moet de uitbreiding landschappelijk goed worden ingepast en een maatwerkbestemming krijgen. Zo kan na bedrijfsbeëindiging niet elke andere vorm van bedrijvigheid op een locatie in het buitengebied worden gestart.

§ 2.2.4 Instructieregels bestemmingsplan detailhandel     

Paragraaf 2.2.4 bevat instructieregels voor bestemmingsplannen over het type werklocaties ‘detailhandel’.

Artikel 2.13 (algemene instructieregel detailhandel op een perifere locatie)     

Eerste en tweede lid: Detailhandel kan alleen mogelijk worden gemaakt als het past binnen de hierover gemaakte afspraken in het Regionaal programma werklocaties (artikel 2.6). Ten behoeve van de flexibiliteit is het mogelijk om onder voorwaarden, vooruitlopend op een herziening van de afspraken in het Regionaal programma werklocaties, een detailhandelontwikkeling al mogelijk te maken.

Derde lid: Voor regiogemeenten die geen afspraken hebben gemaakt in het kader van het Regionaal programma werklocaties geldt dat detailhandelsontwikkelingen groter dan 1.500 vierkante meter en met een bovenlokale functie regionaal moeten zijn afgestemd. Dit betekent dat een gemeente vroegtijdig over het initiatief in overleg treedt met de belanghebbende gemeenten. Regionale afstemming betekent niet dat alle gemeenten het onderling eens moeten zijn. Wel moeten de belanghebbende gemeenten in de gelegenheid worden gesteld om een reactie (of standpunt) kenbaar te maken. Wij willen op de hoogte worden gebracht van de afzonderlijke standpunten. De reikwijdte van de regionale afstemming kan per initiatief verschillen. De afstemming moet passend zijn bij de aard, omvang en het verzorgingsgebied van het initiatief.

Vierde lid: Bij het maken van regionale afspraken moet rekening worden gehouden met artikel 2.14 over perifere detailhandellocaties. In een Regionaal programma werklocaties is maatwerk mogelijk ten aanzien van dit artikel. Op een beperkt aantal perifere locaties in de provincie kan via regionale afspraken, onder voorwaarden, ruimte worden geboden aan grootschalige detailhandel met een wat ruimere branchering. Gedacht kan worden aan grootschalige detailhandel met een regionale verzorgingsfunctie in bijvoorbeeld sport/outdoor, elektronica/witgoed, rijwielen. Het betreft hier overwegend bestaande locaties die al dan niet in ontwikkeling zijn, uitgebreid of geherstructureerd worden. Denk hierbij aan maximaal een of enkele grote perifere locaties per regio. Hier kan aangesloten worden bij al bestaande locaties voor grootschalige detailhandel in of nabij de grote steden die een (boven-)regionaal verzorgingsgebied hebben. Over de kwalitatieve voorwaarden waaronder ruimte wordt geboden, dienen regionale afspraken gemaakt te worden in een Regionaal programma werklocaties. Daarbij gaat het om afspraken over: omvang, fasering, branche, profiel van de locatie, ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 2.14 (instructieregel voor specifieke detailhandel op een perifere locatie)     

Het doel van het beleid is het behoud van een evenwichtige en toekomstbestendige detailhandelstructuur in Gelderland, die bijdraagt aan de vitaliteit van steden en dorpen. Het vernieuwen en aanpassen van bestaande centra en winkelgebieden aan een afnemende vraag naar winkels en nieuwe marktontwikkelingen heeft prioriteit. Het doel is supermarkten te realiseren dicht bij de burgers en supermarkten dragen bij aan versterking van nieuwe en bestaande winkelgebieden. Detailhandel kan in principe alleen op een perifere locatie worden toegestaan, wanneer dit uit oogpunt van ruimte of veiligheid vereist is. Gedacht kan worden aan detailhandel in volumineuze goederen, zoals tuincentra, bouwmarkten, meubelwinkels, handel in auto's en boten en detailhandel die uit veiligheidsoverwegingen niet in winkelgebieden kan worden gevestigd. Andere vormen van detailhandel zijn op perifere locaties uitgesloten. Dit geldt ook voor supermarkten. In artikel 1.3 eerste lid onder e is geregeld dat artikel 2.14 ook van toepassing is op de zogeheten kruimelgevallen. Dit betekent dat het niet mogelijk is om via de reguliere procedure – in strijd met de Omgevingsverordening - supermarkten of andere vormen van niet-volumineuze detailhandel op perifere locaties toe te staan. Als bij internetwinkels en afhaalpunten sprake is van uitstalling van goederen ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan consumenten, dan beschouwen wij dit als detailhandel. Hierbij geldt het uitgangspunt dat, als de internetwinkels en afhaalpunten ruimtelijk inpasbaar zijn, ze een plaats moeten krijgen in bestaande binnenstedelijke winkelgebieden. Ze dragen bij aan bezoekersstromen in winkelgebieden en het voorkomen van leegstand en versterken zo de vitaliteit van winkelgebieden.

Tweede lid: Supermarkten trekken veel bezoekers en zorgen voor synergie met ander dagelijks aanbod. Ze zijn daarom van belang voor de vitaliteit en het functioneren van winkelcentra als geheel. Zoals hiervoor aangegeven is het doel supermarkten te realiseren dicht bij de burgers. Daarbij dragen supermarkten bij aan de versterking van de winkelgebieden. Het vestigen van supermarkten in bestaande winkelcentra past binnen het algemene uitgangspunt van het beleid dat detailhandel die ruimtelijk inpasbaar is in een binnenstedelijk winkelcentrum daar een plek moet krijgen. Daarnaast is het doel de beschikbaarheid en bereikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen te garanderen. Voor dagelijkse boodschappen, zoals een supermarkt, spelen centra in wijken en dorpen hierin een belangrijke rol.

Vestiging van een supermarkt (waaronder ook discountsupermarkten) is daarom slechts toegestaan binnen of aansluitend aan een winkelcentrum. Een winkelcentrum is een ruimtelijk geheel met meerdere winkels voor de dagelijkse boodschappen, eventueel in samenhang met andere consumentverzorgende voorzieningen, zoals horeca, Leisure, culturele voorzieningen, baliefuncties etc. Het betreft zowel bestaande winkelcentra in stadscentra, stadsdeelcentra, dorpscentra en wijkcentra als nieuwe wijkgebonden winkelconcentraties in nieuwe woonwijken. De gemeente heeft de vrijheid om het gebied van de winkelcentra te begrenzen mits redelijkerwijs passend binnen de bovenstaande omschrijving.

Meestal zijn supermarkten ruimtelijk goed in te passen in winkelcentra. Er zijn echter gevallen denkbaar waar redelijkerwijs geen ruimte geschikt of geschikt te maken is voor de vestiging van een supermarkt in een winkelcentrum. Bijvoorbeeld in het historische centrum van een kleine kern of een vestigingsstad. Daarom kan in bijzondere gevallen worden afgeweken van de bepaling in het tweede lid. Daarbij moet onderbouwd worden dat vestiging in een winkelcentrum redelijkerwijs niet mogelijk is. In die gevallen wordt vestiging van een supermarkt toegestaan op een, vanuit een goede ruimtelijke ordening, geschikte locatie net buiten een centrum of op een goed ontsloten plek (ook voor langzaam verkeer) in een dorp of woonwijk. In de meeste gevallen zijn supermarkten op perifere locaties vanuit een goede ruimtelijke ordening niet gewenst. Denk hierbij aan locaties op bedrijventerreinen, solitaire locaties aan de rand van een stad of perifere detailhandelslocaties die bedoeld zijn voor volumineuze goederen. Tot slot dient de omvang van de supermarkt in overeenstemming te zijn met de verzorgingsfunctie en dienen er geen (blijvende) negatieve effecten op te treden op de bestaande detailhandelsstructuur.

§ 2.2.5 Deprogrammeren overaanbod werklocaties     

Paragraaf 2.2.5 bevat een regeling die van toepassing kan zijn op alle drie de typen werklocaties (kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel). Als in een regio sprake is van overaanbod aan onherroepelijke bestemmingsplancapaciteit voor (een van) deze typen werklocaties, waarvoor vanuit de markt geen vraag meer is, kan het nodig zijn om in het Regionaal programma werklocaties afspraken te maken over deprogrammeren. Deprogrammeren is het daadwerkelijk weg-bestemmen van harde plancapaciteit. Dit wordt geregeld in artikel 2.15.

Artikel 2.15 (opdracht tot aanpassing bestemmingsplannen)     

De afspraken die in de regio worden gemaakt, zijn niet vrijblijvend. In artikel 2.15 wordt geregeld dat die afspraken door Gedeputeerde Staten worden geconcretiseerd binnen één jaar na vaststelling van het Regionaal programma werklocaties. Concretisering vindt plaats in een ruimtelijke uitwerking van de overcapaciteit op kaartmateriaal op perceelsniveau. Deze ruimtelijke uitwerking wordt benut om voor de betrokken grondeigenaren en andere zakelijk-gerechtigden voorzienbaarheid te creëren. Twee jaar na vaststelling van deze concrete uitwerking, wordt het overaanbod aan harde plancapaciteit weg-bestemd. De regiogemeenten staan zelf aan de lat om met elkaar uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken in het Regionaal programma werklocaties. Mochten gemeenten niet instemmen met de door een meerderheid gemaakte deprogrammeringsafspraken, dan kunnen Gedeputeerde Staten zo nodig voorzien in de ruimtelijke uitwerking.

Afdeling 2.3 Glastuinbouw     

De glastuinbouw is een sector met een hoge dynamiek en een relatief grote economische betekenis per oppervlakte-eenheid. Voor een duurzame ontwikkeling is concentratie van de glastuinbouw noodzakelijk. Voor zaken als energievoorziening, ontsluiting, logistiek, waterhuishouding en landschappelijke inpassing levert concentratie van glastuinbouwbedrijven voordelen op. Zo zijn de overlevingskansen vanwege betere productieomstandigheden, aanwezigheid van aanpalende bedrijvigheid en uitbreidingsmogelijkheden over het algemeen gunstiger dan die van solitair gelegen bedrijven. Ook vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zijn solitaire glastuinbouwbedrijven minder gewenst, omdat kassen een grote landschappelijke en ruimtelijke impact hebben.

Daarom krijgt de glastuinbouw voorrang in de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden rond Huissen-Angeren en in de Bommelerwaard. Daar zal de inrichting van glastuinbouwgebieden door herstructurering geoptimaliseerd worden. Wel kunnen buiten deze gebieden kleinere, regionale clusters van glastuinbouwbedrijven voorkomen.

Voor een succesvolle concentratie van de glastuinbouw binnen Gelderland stellen wij bij hervestiging in Glastuinbouwontwikkelingsgebieden of regionale clusters glastuinbouw de voorwaarde dat de glasopstanden op de vertreklocatie worden verwijderd en dat de vestiging van een nieuw glastuinbouwbedrijf op de vertreklocatie planologisch onmogelijk wordt gemaakt. Verder beperken wij ontwikkelingsmogelijkheden buiten de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden en de regionale clusters.

Met het oog op de gewenste concentratie van de glastuinbouwbedrijven worden in afdeling 2.3 regels gesteld aan de nieuw-, hervestigings- en uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven in de provincie Gelderland. Daarbij onderscheiden we Glastuinbouwontwikkelingsgebieden, Reserve-glastuinbouwontwikkelingsgebieden, Regionale clusters glastuinbouw, Extensiveringsgebieden glastuinbouw en Overige gebieden glastuinbouw.

Ook bevat deze afdeling regels voor bedrijven waarin glastuinbouw als neventak of in een gemengd bedrijf voorkomt. Afdeling 2.3 is niet van toepassing op glasopstanden kleiner dan 2.500 vierkante meter, omdat zij een kleinere impact hebben op de omgeving.

§ 2.3.1 Instructieregels bestemmingsplan glastuinbouw     

Geen toelichting.

Artikel 2.16 (nieuw- en hervestiging glastuinbouwbedrijven binnen Glastuinbouwontwikkelingsgebied)     

Eerste en tweede lid: Een van de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid is dat nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven uitsluitend mogelijk is in de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden (Huissen-Bemmel en de Bommelerwaard). In die gebieden heeft de glastuinbouw voorrang en worden geen planologische beperkingen gesteld aan de omvang (mogelijkheid tot uitbreiding) van bestaande bedrijven of aan de mogelijkheid tot nieuw- en hervestiging. Buiten deze Glastuinbouwontwikkelingsgebieden is nieuwvestiging van glastuinbouw niet mogelijk (zie ook artikel 2.25 Tijdelijk verbod nieuwvestiging glastuinbouw).

Derde lid: De mogelijkheid voor tuinbouwgelieerde activiteiten is opgenomen om de economische aantrekkingskracht van het glastuinbouwcluster te versterken en de gevestigde bedrijven de mogelijkheid te bieden voor ketenintegratie. Onder 'tuinbouwgelieerde activiteiten' verstaan wij activiteiten, die een aantoonbare bijdrage leveren aan de versterking van het tuinbouwcomplex en die hoofdzakelijk zijn gericht op het leveren van diensten en goederen aan de tuinbouwsector, bijvoorbeeld op gebied van energie of de verwerking van grondstoffen, agrarische producten of reststromen. Er moet een aantoonbare relatie zijn met de bestaande glastuinbouwbedrijven om concurrentie met bestaande regio te voorkomen. Om die reden willen we dat regionale afstemming plaatsvindt over welke tuinbouwgelieerde bedrijvigheid toegestaan wordt in Glastuinbouwontwikkelingsgebieden.

Artikel 2.17 (andere bestemmingen binnen Glastuinbouwontwikkelingsgebied)     

In Glastuinbouwontwikkelingsgebieden met een herstructureringsopgave (Bommelerwaard en Huissen-Angeren) zijn onder bepaalde voorwaarden andere bestemmingen mogelijk, als deze een bijdrage leveren aan de realisatie van de herstructurering.

Artikel 2.18 (nieuw- en hervestiging glastuinbouwbedrijven binnen Reserveglastuinbouwontwikkelingsgebied)     

Aangrenzend aan de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden liggen Reserve-glastuinbouwontwikkelingsgebieden in Huissen-Bemmel en de Bommelerwaard. Deze Reservegebieden kunnen pas worden ontwikkeld tot volwaardige Glastuinbouwontwikkelingsgebieden als alle beschikbare locaties in de bestaande Glastuinbouwontwikkelingsgebieden zijn benut en er voor nieuwe ontwikkelingen geen ruimte meer is. Bij ontwikkeling van het Reservegebied wordt dit gebied als een Glastuinbouwontwikkelingsgebied aangemerkt. Rond Angeren is rekening gehouden met een bufferzone: de begrenzing van het Reserveglastuinbouwontwikkelingsgebied is daarop afgestemd. Ten noorden van Angeren wordt bij de herstructurering rekening gehouden met een buffer tussen de glastuinbouwontwikkeling en het dorp.

§ 2.3.2 Instructieregels bestemmingsplan Regionaal cluster glastuinbouw     

Paragraaf 2.3.2 onderscheidt in het ruimtelijk glastuinbouwbeleid ook Regionale clusters glastuinbouw. Dit zijn kleinere concentraties glastuinbouwbedrijven. Ze zijn primair bestemd voor de opvang van de regionale behoefte aan bedrijfsverplaatsing met het oog op een goede verkaveling en bedrijfsontwikkeling. In een Regionaal cluster mogen alleen nieuwe bouwblokken voor hervestiging van een glastuinbouwbedrijf worden uitgegeven (artikel 2.20). Verder geldt in een Regionaal cluster een vergelijkbaar regiem als in een Reserve-glastuinbouwontwikkelingsgebied (artikel 2.18). In 2018 wordt specifiek voor het Regionaal cluster glastuinbouw in Wilp een verruiming toegestaan (artikel 2.21a). Dit met het oog op de ontwikkeling van energieopwekking met zonnepanelen (een zonneveld) en een circulaire waterzuiveringsinstallatie. Aanleiding om deze ontwikkelingen mogelijk te maken, is mede dat dit cluster niet goed van de grond is gekomen.

Artikel 2.19 (bestemming tot Regionaal cluster glastuinbouw)     

Zie toelichting bij paragraaf 2.3.2.

Artikel 2.20 (hervestiging binnen Regionaal cluster glastuinbouw)     

Zie toelichting bij paragraaf 2.3.2.

Artikel 2.21 (andere bestemmingen binnen Regionaal cluster glastuinbouw)     

Zie toelichting bij paragraaf 2.3.2.

Artikel 2.21a (Regionaal cluster glastuinbouw met verbrede reikwijdte)     

Zie toelichting bij paragraaf 2.3.2.

§ 2.3.3 Instructieregels bestemmingsplan Extensiveringsgebied     

Bij de uitvoering van het herstructureringsbeleid voor de Gelderse Glastuinbouwontwikkelingsgebieden Huissen-Angeren en de Bommelerwaard is geconcludeerd dat niet alle delen van de gebieden met een glastuinbouwbestemming perspectief bieden voor een duurzame glastuinbouwontwikkeling. De betreffende deelgebieden zijn daarvoor onder meer te kleinschalig, de verwevenheid met andere (glastuinbouw-vreemde) functies is te groot geworden of de concentratie van glastuinbouw verdraagt zich niet meer met andere gebiedskwaliteiten of de leefbaarheid in de aangrenzende woongebieden. Deze deelgebieden zijn aangeduid als Extensiveringsgebied. In deze gebieden wordt nieuwvestiging en hervestiging van glastuinbouwbedrijven niet toegestaan. Wel wordt bestaande bedrijven de mogelijkheid geboden onder voorwaarden, gerekend vanaf 22 januari 2011 (datum vaststelling van dit beleid) éénmalig met maximaal 20% uit te breiden. Deze uitbreiding kan in verschillende bouwfasen worden uitgevoerd.

Voor de Extensiveringsgebieden in de Bommelerwaard wordt voor de uitbreidingsmogelijkheden verwezen naar de in de "Samenwerkingsovereenkomst Bommelerwaard inzake de herstructurering van de glastuinbouw en de paddenstoelenteelt in de Bommelerwaard" opgenomen overgangsregeling. Deze regeling is inmiddels in het inpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard (artikel 3.8.2. Regels) vertaald in de zogeheten Maatwerkregeling Extensiveringsgebieden. De regeling is een uitvloeisel van de Omgevingsverordening Gelderland. Deze regeling geldt alleen voor specifiek benoemde en ten tijde van de Ruimtelijke Verordening Gelderland 2010 fysiek bestaande bedrijven. Om deze herstructurering uit te kunnen voeren, zijn binnen Extensiveringsgebieden op beperkte schaal onder voorwaarden andere bestemmingen mogelijk en worden functieverandering en de oprichting van nieuwe landgoederen planologisch mogelijk gemaakt. Uitvoering van dit beleid leidt tot een extensiever gebruikt gebied, dat door geleidelijke transformatie andere gebiedskwaliteiten krijgt. Het begeleiden van deze transformatie maakt onderdeel uit van de herstructureringsopgave. Daarbij wordt ook ingezet op verbetering van infrastructuur, landschap, waterbeheer en dergelijke.

Artikel 2.22 (uitbreiding en hervestiging binnen Extensiveringsgebied glastuinbouw)     

Zie toelichting bij paragraaf 2.3.3.

§ 2.3.4 Overige instructieregels bestemmingsplan glastuinbouw Artikel     

Paragraaf 2.3.4 bevat enkele aanvullende instructieregels voor uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven.

Artikel 2.23 (uitbreiding glastuinbouw als neventak of gemengd bedrijf)     

Voor bedrijven met glastuinbouw als neventak of in gemengde bedrijfsvoering geldt dat de omvang van de glasopstanden per bedrijf zoals die bestonden op 29 juni 2005 eenmalig mag worden vergroot met maximaal 20 procent. Verdergaande uitbreiding is in uitzonderlijke gevallen slechts mogelijk met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in het tweede lid.

Artikel 2.24 (eenmalige uitbreiding glastuinbouw)     

Voor bestaande solitaire glastuinbouwbedrijven geldt dat de omvang van glasopstanden per bedrijf zoals die bestonden op 29 juni 2005 eenmalig mag worden uitgebreid met 20 procent. Verdergaande uitbreiding is in uitzonderlijke gevallen slechts mogelijk met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in het tweede lid.

§ 2.3.5 Tijdelijke verboden nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw     

Deze paragraaf bevat een drietal tijdelijke verboden (artikelen 2.25, 2.26 en 2.27) op grond van artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Deze verbodsbepalingen gelden rechtstreeks voor bedrijven, totdat de voorafgaande in afdeling 2.3 opgenomen instructieregels voor de beoogde herstructurering van glastuinbouwbedrijven zijn door-vertaald in de daarvoor relevante bestemmingsplannen.

Artikel 2.25 (tijdelijk verbod nieuwvestiging glastuinbouw)     

Zie toelichting bij paragraaf 2.3.5.

Artikel 2.26 (tijdelijk verbod uitbreiding bestaande glastuinbouw)     

Zie toelichting bij paragraaf 2.3.5.

Artikel 2.27 (tijdelijk verbod hervestiging glastuinbouw)     

Zie toelichting bij paragraaf 2.3.5.

Afdeling 2.4 Veehouderij     

In ons beleid voor de veehouderij maken we onderscheid tussen grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderijbedrijven en -takken. Binnen de grondgebonden landbouw is de melkveehouderij van dominante betekenis. Niet alleen in economisch opzicht, maar ook als gebruiker van ongeveer 60 procent van het Gelderse platteland. Door dit grote ruimtegebruik is deze productietak ook van groot belang voor ecologische en landschappelijke waarden. Om deze waarden in de agrarische cultuurlandschappen te borgen, is het noodzakelijk een economisch gezonde landbouw te behouden. Grondgebonden veehouderijbedrijven (waaronder de melkveebedrijven) krijgen ruimte om zich te ontwikkelen. Daarbij moeten ze wel zorgen voor ruimtelijke kwaliteit en een goede landschappelijke inpassing. De grondgebonden landbouw zal duurzamer gaan produceren vanuit gesloten, groene kringlopen. Het is zaak dat in de kringloop bodem, gewas, veevoer, vee en de mest terug naar de bodem, zo min mogelijk verliezen optreden en de bodemkwaliteit op peil blijft. Een goede verhouding tussen het aantal dieren en de oppervlakte cultuurgrond waarover het bedrijf beschikt, is van invloed op een duurzame productie.

Een veehouderijbedrijf dient bij een verzoek tot uitbreiding aan te geven dat het over voldoende grond beschikt om de dieren in de nieuwe situatie grotendeels te kunnen voeren met de opbrengst afkomstig van de grond die tot het bedrijf behoort. Het gaat daarbij om grond in eigendom of in pacht bij het bedrijf, gelegen in de omgeving van de bedrijfsgebouwen. Een dergelijke grondgebondenheidstoets is een momentopname. Dat wil zeggen dat de grond in latere jaren kan verminderen door verkoop of beëindiging van pacht, en dat het (melk)veehouderbedrijf alsnog overgaat naar een niet-grondgebonden productie. Verdere ontwikkeling van het desbetreffende (melk)veehouderijbedrijf is dan alleen mogelijk als opnieuw aan de eis van grondgebondenheid wordt voldaan.

Afdeling 2.4 bevat instructieregels voor de omgang bij nieuwvestiging (artikel 2.28 en 2.29) en uitbreiding (artikel 2.31) van grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderijbedrijven en -takken in bestemmingsplannen. Uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven en -takken kan alleen als de aanvrager extra maatregelen neemt op het gebied van dierwelzijn, landschappelijke inpassing en milieu. Voor deze extra maatregelen (‘plusmaatregelen’) moeten gemeenten beleidsregels opstellen (artikel 2.30). Gedeputeerde Staten stellen voor dit ‘Plussenbeleid’ een handreiking met de kaders voor deze beleidsregels vast. Nieuwvestiging en uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijtakken in Ammoniakbuffergebieden is aan regels gebonden (artikel 2.33). Nevenactiviteiten van agrarische bedrijven zijn onder voorwaarden mogelijk (artikel 2.35).

Voor geitenhouderijen geldt een tijdelijk verbod op nieuwvestiging en uitbreiding (artikel 2.34).

Artikel 2.28 (instructieregel bestemmingsplan nieuwvestiging grondgebonden veehouderijbedrijf)     

Bestemmingsplannen bieden geen ruimte voor het oprichten van een grondgebonden veehouderijbedrijf. Hierop gelden enkele uitzonderingen. Als bedrijven op initiatief van de overheid moeten verplaatsen vanwege een algemeen maatschappelijk belang. Denk aan stadsuitbreiding, nieuwe natuur of infrastructuur. Of als een bestaand bedrijf moet verplaatsen om een goede landbouwstructuur (verkavelingssituatie) te creëren. Hierbij geldt dat eerst gekeken moet worden of een bestaand agrarisch bouwperceel kan worden herbenut. Wanneer dat niet mogelijk of ondoelmatig is, kan de gemeente een nieuw agrarisch bouwperceel toekennen. De ligging van de grond die tot het bedrijf behoort, de ontsluiting en de aanwezigheid van andere gevoelige functies zijn in dat geval van belang bij de uiteindelijke keuze van de nieuwe bedrijfslocatie. Ruimtelijke kwaliteit en een goede landschappelijke inpassing zijn daarbij van belang.

Artikel 2.29 (instructieregel bestemmingsplan nieuwvestiging niet-grondgebonden veehouderijbedrijf)     

Nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderij is niet toegestaan. Onder ‘nieuwvestiging’ wordt verstaan: vestiging van of het planologisch mogelijk maken van een veehouderijbedrijf op een nieuw agrarisch bouwperceel. Dit verbod is ingesteld ter bescherming van de kwetsbare natuurgebieden in Gelderland. Dit verbod ziet niet op uitbreiding van bestaande niet grondgebonden bedrijven binnen Gelderland. Aan die bedrijven worden onder voorwaarden reële uitbreidingsmogelijkheden gegeven. Met het op 22 maart 2017 vervallen van de maximale bouwmaten van 1 respectievelijk 1,5 hectare en met het daarvoor in de plaats komende Plussenbeleid (artikel 2.30) wordt de in de sector verwachte schaalvergroting op een duurzame wijze mogelijk gemaakt.

Artikel 2.30 (uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak: handreiking beleidsregels Plussenbeleid)     

Eerste lid: Uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of tak is toegestaan als het bedrijf extra maatregelen neemt ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving op het gebied van: dierwelzijn, landschappelijke inpassing en milieu. Voor deze extra maatregelen (‘plusmaatregelen’) stellen Gedeputeerde Staten voor gemeenten een Handreiking Plussenbeleid vast. Gemeenten moeten dit beleid toepassen vanaf het moment van inwerkingtreding van het Plussenbeleid (22 maart 2017) als zij bestemmingsplannen opstellen die betrekking hebben op niet-grondgebonden veehouderij. Dit kan zowel gaan om een postzegelplan voor een veehouderijtak als om een (deel)bestemmingsplan buitengebied.

Tweede lid: Provinciale Staten geven Gedeputeerde Staten een kader mee voor deze handreiking. Dat kader is ontleend aan de Omgevingsvisie (2014-2018). De tekst van de handreiking is een-op-een overgenomen uit de tekst over het Plussenbeleid in de Verdieping bij de Omgevingsvisie (2014-2018). Gemeenten stellen met gebruikmaking van die handreiking beleidsregels vast, die van toepassing zijn op een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf.

Artikel 2.31 (instructieregel bestemmingsplan Plussenbeleid)     

Eerste lid: De gemeente moet in alle gevallen eerst beleid en beleidsregels vaststellen in overeenstemming met de provinciale verordening en visie, voordat een bestemmingsplan wordt opgesteld. Het Plussenbeleid is van toepassing op niet-grondgebonden veehouderijbedrijven en -takken. Met het Plussenbeleid wordt het ontstaan van een niet-grondgebonden onderdeel van een bestaand bedrijf en uitbreiding van een niet-grondgebondenbedrijf of onderdeel van een bedrijf groter dan 500 vierkante meter gebonden aan de kwalitatieve eisen van het Plussenbeleid. Ook een van oorsprong grondgebonden bedrijf dat met een niet-grondgebonden bedrijfsdeel uitbreidt, valt dus onder het Plussenbeleid.

Tweede lid: Een beperkte uitbreiding van maximaal 500 vierkante meter is zonder toepassing van de beleidsregels, eens in de vijf jaar mogelijk.

Artikel 2.32 (vervallen)     

Geen toelichting.

Artikel 2.33 (instructieregel bestemmingsplan niet-grondgebonden veehouderijtak in Ammoniakbuffergebied)     

Artikel 2.33 geldt alleen binnen het ‘Ammoniakbuffergebied’. Dit gebied omvat een zone van 250 meter rondom zeer gevoelige natuur in het Gelders natuurnetwerk. Omdat deze zones rond de prioritaire natuurgebieden liggen, is het gerechtvaardigd dat de eis geldt dat nieuw- of hervestiging van intensieve veehouderij daar niet is toegestaan en dat bij uitbreiding van een bestaand bedrijf de emissie van ammoniak op de locatie niet mag toenemen. Met ‘toename van emissie’ wordt hier hetzelfde bedoeld als in de Wet ammoniak en veehouderij. Er wordt dus geen ontwikkelingsruimte geboden in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Deze eisen gelden bovenop het ‘Plussenbeleid’, dat ook op niet-grondgebonden (intensieve) veehouderij van toepassing is. Met het zogenoemde Reconstructiebeleid is aan perspectiefvolle bedrijven de mogelijkheid geboden te verplaatsen naar gebieden die minder gevoelig zijn voor stikstofdepositie.

Artikel 2.34 (tijdelijk verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij)     

Artikel 2.34 is de uitwerking van het op 30 augustus 2017 door Provinciale Staten genomen voorbereidingsbesluit (PS2017-510, Provinciaal Blad 2017, nr. 3851 en Staatscourant 2017, nr. 50241). Een ‘geitenhouderij’ valt in deze Omgevingsverordening onder het bredere begrip ‘veehouderij’: ‘Een inrichting, geheel of gedeeltelijk bestemd voor het fokken, mesten of houden van landbouwhuisdieren’. Van een geitenhouderij is sprake als in een veehouderij of in een veehouderijtak geiten worden gehouden. Het gaat bij dit verbod dus om het bedrijfsmatig of in een bedrijfsmatige omvang houden van geiten. Het op kleine schaal, niet bedrijfsmatig houden van geiten, zoals op kinderboerderijen of bij hobbyboeren, valt niet onder het verbod tot nieuwvestiging en uitbreiding. Voor het aantal landbouwhuisdieren dat gehouden kan worden, zonder dat sprake is van het ‘bedrijfsmatig houden’ van dieren, bieden de artikelen 1.18 en 3.111 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een duidelijk aanwijzing. In die artikelen wordt als ondergrens voor het bedrijfsmatig of in een bedrijfsmatige omvang houden van geiten het aantal van 10 genoemd. Naast de omvang van de dierstapel of het houden van landbouwhuisdieren noemt de jurisprudentie onder meer een commercieel doeleind (het genereren van inkomsten, een winstoogmerk) en de wijze van huisvesting als relevante criteria.

Eerste lid: bevat een rechtstreeks voor de veehouderij geldende verbodsbepaling. Dit verbod ziet op (nieuw)vestiging (onderdeel a) en (verschillende vormen van) uitbreiding (onderdelen c, d en e) van bestaande geitenhouderijen. Onderdeel b verbiedt de ‘omschakeling’ van een veehouderijbedrijf of -tak met andere landbouwhuisdieren in een geitenhouderij, omdat ook daardoor het aantal geiten toeneemt.

Beoogd is een bevriezing van de bestaande legale situatie per 30 augustus 2017. Het aantal op dat moment legaal aanwezige geiten mag niet toenemen. De verbodsbepaling staat op het punt van het aantal geiten geen afwijking toe.

Het uitbreidingsverbod voor een geitenverblijf geldt niet (zie onderdeel d) als de grotere huisvesting is ingegeven door dierenwelzijn (bijvoorbeeld de omschakeling naar biologisch werken met meer leefruimte voor de geiten binnen de stal), mits dit niet tot een toename van het aantal geiten leidt. Verder is ook verbouw van een verblijf mogelijk als de stal nodig toe is aan renovatie of als een asbestdak vervangen moet worden. In beginsel dient de vergrote of gewijzigde huisvesting binnen hetzelfde bouwblok te blijven. Het uitbreidingsverbod (zie onderdeel e) geldt eveneens niet voor vervangende nieuwbouw, mits dit niet tot een toename van het aantal geiten leidt.

Tweede lid: Ziet op bevriezing van de legaal geldende situatie, per 30 augustus 2017. Die legaal geldende situatie kan afwijken van de feitelijke situatie als op die datum nog geen uitvoering was gegeven aan een legale uitbreiding op grond van een voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit ingediende melding als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer of een voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning.

Ook bij een aanvraag om een bouw- of aanlegvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) die voor 30 augustus 2017 was ingediend, mag het bestemmingsplan worden toegepast zoals dat gold bij het indienen van de aanvraag, omdat op dat moment het voorbereidingsbesluit nog niet in werking was getreden (ABRvS 2 november 2011, BR 2012/19). Op deze wijze wordt overgangsrecht geboden voor de situaties, waarbij vóór het moment van kennisgeving en inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit al sprake was van een voldoende concreet – immers uit een melding of aanvraag blijkend - initiatief tot uitbreiding van een geitenhouderij.

Alleen een afwijkvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) kan niet meer worden verleend, ook al dateert de aanvraag van vóór 30 augustus 2017. De (beoogde) feitelijke situatie, die afwijkt van het geldende bestemmingsplan, is immers niet meer legaliseerbaar, gelet op het inmiddels per 30 augustus 2017 geldende verbod om het bestaande gebruik te wijzigen.

Een nieuwe aanvraag na 30 augustus 2017 om een bouw- of aanlegvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) moet bij strijdigheid met deze verbodsbepaling worden geweigerd (artikelen 2.10, eerste lid, onder c, en 2.11, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Dit geldt ook voor nieuwe aanvragen om andere (omgevings-)vergunningen, zoals een vergunning op grond van de Wet milieubeheer of de Wet natuurbescherming, of meldingen die betrekking hebben op een uitbreiding van het aantal geiten. Deze worden niet meer in behandeling genomen, omdat de aanvrager of melder geen reëel belang meer heeft bij de te weigeren aanvraag of melding. Ook in het kader van handhaving is dus de vraag of bij een illegale uitbreiding concreet zicht is op legalisering, in beginsel met een eenvoudig ‘Nee’ te beantwoorden.

Derde en vierde lid: begrenzen de looptijd van de verbodsbepaling. Beoogd is dat de verbodsbepaling (bevriezing van de status quo) maximaal drie jaar hoeft te gelden, omdat de verschillende deelonderzoeken naar het verband tussen geitenhouderijen en een groter aantal longontstekingen voor omwonenden nog tot 2021 duren. Binnen de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening moet het verbod dat tijdelijk is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening worden geïmplementeerd in de bestemmingsplannen. De wet maakt daarbij geen uitzondering voor een tijdelijk verbod. Om de gemeenten gelegenheid te geven met de aanpassing van bestemmingsplannen te wachten op de uitkomsten van de aangekondigde onderzoeken, is geregeld dat:

  • het provinciale verbod blijft gelden, zolang een bestemmingsplan niet op dit punt is geactualiseerd (derde lid);
  • de actualisering uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van het verbod (dus uiterlijk 1 januari 2021) moet worden vastgesteld, maar dat de gemeenteraden uitstel wordt verleend als Provinciale Staten op basis van de bedoelde onderzoeken dit verbod op nieuwvestiging en uitbreiding gaan heroverwegen (vierde lid).

Met de implementatie termijn van drie jaar wordt de gangbare, in artikel 8.1, derde lid, van de Omgevingsverordening bepaalde, termijn van twee jaar specifiek voor dit verbod verlengd met één jaar. Als de nadere onderzoeken geen aanleiding geven om het verbod aan te passen, dan geldt gewoon de implementatieplicht voor de gemeenteraden om dit verbod in het bestemmingsplan te verankeren, maar dus wel met een ruimere termijn dan gebruikelijk.

Door deze constructie worden onnodige administratieve lasten voor de gemeenten voorkomen, omdat zij de implementatie van het tijdelijke verbod zo lang mogelijk kunnen uitstellen. En tegelijk wordt hiermee voorkomen dat – als onverhoopt de onderzoeken geen duidelijkheid bieden over de precieze oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking – er een juridisch vacuüm valt tussen de tijdelijke verbodsbepaling in de provinciale verordening en de implementatie daarvan in de bestemmingsplannen. Uiteraard laat deze constructie onverlet dat Provinciale Staten al eerder het tijdelijk verbod kunnen heroverwegen op basis van beschikbare nieuwe onderzoeksgegevens, die daartoe aanleiding geven.

Artikel 2.35 (nevenactiviteiten agrarische bedrijven in Agrarisch gebied)     

Een nevenactiviteit is een bedrijfsactiviteit, die in ruimtelijk en bedrijfseconomisch opzicht ondergeschikt is aan de agrarische hoofdfunctie van het agrarische bedrijf. In het buitengebied is op agrarische bedrijven detailhandel als nevenfunctie mogelijk, voor zover het de verkoop van lokaal geproduceerde agrarische producten betreft eventueel aangevuld met agrarische producten uit de omgeving of wanneer de nevenactiviteiten geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.

Afdeling 2.5 Instructieregels bescherming grond- en drinkwater     

De zorg voor de bescherming van het drinkwater is een wettelijke taak van de provincie (zie waterbeleid Omgevingsvisie). Deze instructieregels voor bestemmingsplannen zijn opgenomen ter bescherming van het grondwater voor de drinkwaterwinning. De grenzen van de Waterwingebieden, Grondwaterbeschermingsgebieden en Intrekgebieden zijn op perceelsniveau aangegeven op de kaart ‘Regels water en milieu’. Deze kaart maakt deel uit van deze verordening en is juridisch bindend.

Artikel 2.36 (instructieregel bestemmingsplan Waterwingebied)     

Geen toelichting.

Artikel 2.37 (instructieregel bestemmingsplan Grondwaterbeschermingsgebied)     

Geen toelichting.

Artikel 2.38 (instructieregel bestemmingsplan Intrekgebied)     

Geen toelichting.

Afdeling 2.6 Natuur en Landschap     

Het Natuurnetwerk Nederland is een landelijk netwerk van natuur- en agrarische gebieden met een speciale natuurkwaliteit. Het netwerk bestaat zowel uit afzonderlijke natuurgebieden als uit verbindingszones die deze natuurgebieden met elkaar verbinden. Wij willen in Gelderland een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden bereiken. Hiermee beschermen wij de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur, wat bijdraagt aan een prettige leef- en werkomgeving. Wij beschermen de bestaande natuur in het Gelders natuurnetwerk en versterken de samenhang door natuurgebieden in het Gelders natuurnetwerk uit te breiden en verbindingszones aan te leggen in de Groene ontwikkelingszone. Het beleid richt zich op het versterken van de ecologische samenhang door de aanleg van verbindingszones, waaronder landgrensoverschrijdende klimaatcorridors.

Het Gelders natuurnetwerk bestaat enerzijds uit alle gebieden met een natuurbestemming binnen de voormalige Gelderse Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en anderzijds uit het zoekgebied voor nieuwe natuur. In de Groene ontwikkelingszone worden natuur- en landschapselementen aangelegd ter verbetering van de migratiemogelijkheden voor planten en dieren volgens de ontwikkelingsmodellen beschreven in de atlas Kernkwaliteiten GNN en GO, of in bijlage 5 Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone bij deze verordening. Zowel door compensatie als verevening worden er nieuwe natuurelementen gerealiseerd. Na realisatie worden deze onderdelen toegevoegd aan het Gelders natuurnetwerk.

§ 2.6.1 Instructieregels bestemmingsplan bescherming Gelders natuurnetwerk     

Geen toelichting.

Artikel 2.39 (andere bestemming dan natuur)     

Een overzicht van de behandeling van verschillende typen ruimtelijke ingrepen in het Gelders natuurnetwerk staat in onderstaand schema.



Beoordelingsschema voor Ruimtelijke ontwikkelingen in het Gelders natuurnetwerk. Uitbreiding overige functies

Als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het Gelders natuurnetwerk binnen het geldende bestemmingsplan past, geldt artikel 2.39 van de verordening niet (bestaande rechten). Pas als het bestemmingsplan moet worden herzien om die nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken, is dit artikel van toepassing. Een andere bestemming dan natuur is binnen het Gelders natuurnetwerk op voorhand uitgesloten omdat dit per definitie leidt tot verlies van oppervlakte natuur. Van een ‘andere bestemming dan natuur’ is echter ook sprake als de planvoorschriften worden verruimd. In die gevallen is de nieuwe ontwikkeling dus niet mogelijk, tenzij aangetoond wordt dat er geen reële alternatieven zijn en dat het gaat om een groot openbaar belang. Als aan beide criteria wordt voldaan, is de ontwikkeling mogelijk, onder de voorwaarde dat mitigatie en gelijkwaardige compensatie van de negatieve effecten plaatsvindt. Als voorbeeld van een groot openbaar belang kunnen worden genoemd: veiligheid, drinkwatervoorziening, winning, opslag en transport van olie of gas en windturbines.

Artikel 2.40 (uitbreiding van bestaande bestemming)     

Eerste lid: De saldobenadering is steeds gericht op het compenseren van de verloren gegane oppervlakte natuur plus de compensatietoeslag en de versterking van de ecologische samenhang tussen de natuurgebieden. Deze benadering is alleen toepasbaar als:

  1. de combinatie van bestemmingswijzigingen binnen één ruimtelijk plan wordt vastgelegd dan wel in één of meer onderling samenhangende, gelijktijdig vast te stellen plannen;
  2. juridisch bindende afspraken zijn gemaakt (zie artikel 2.39, derde tot en met zesde lid).

Tweede lid: In 2006 is de streekplanuitwerking “Groei en Krimp” vastgesteld. Hierin zijn gronden met een totale oppervlakte van 23,8 hectare aangewezen om als compensatieruimte te kunnen dienen. De daar aanwezig verblijfsrecreatie zou moeten verdwijnen. In “Groei en Krimp” heeft de provincie vastgelegd hoe zij deze destijds nog te realiseren krimp van de verblijfsrecreatie met 23,8 hectare wil inzetten voor de nog te realiseren uitbreiding van de bedrijven. De bedrijven die voor uitbreiding in aanmerking komen, staan in de bijlage 11 bij de verordening.

§ 2.6.2 Wijzigingsbevoegdheden     

Geen toelichting.

Artikel 2.41 (wijzigingsbevoegdheid college van burgemeester en wethouders)     

Geen toelichting.

Artikel 2.42 (wijziging begrenzing Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone)     

Het kan gaan om veranderingen uit ecologische motieven, zonder dat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling in het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Er kunnen ook wijzigingen ontstaan in de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone door de ontwikkeling van ruimtelijke plannen en de uitvoering van projecten. Bij ingrepen in het Gelders natuurnetwerk verdwijnen er delen met een natuurbestemming. Bij de ontwikkeling van compensatie- en vereveningslocaties komen er natuurbestemmingen bij.

§ 2.6.3 Compensatie natuur binnen Gelders natuurnetwerk     

Over ruimtelijke plannen die voorzien in een ingreep in het Gelders natuurnetwerk en de bijbehorende compensatie moet de gemeente in het voorontwerp-stadium overleg plegen met de provincie (zie artikel 3.1.1. Bro). Voor die onderdelen van het Gelders natuurnetwerk die tevens vallen onder de Europeesrechtelijke bescherming van Natura 2000-gebieden, zullen de ontwikkelingen ook moeten passen binnen het Beheerplan N2000 voor dat gebied.

Het verdient daarom aanbeveling om al bij de start van een initiatief contact op te nemen met de provincie voor een gezamenlijke eerste verkenning van de ruimtelijke mogelijkheden en de randvoorwaarden vanuit sectorale wet- en regelgeving.

Artikel 2.43 (fysieke natuurcompensatie)     

Als aangetoond is dat er geen reële alternatieven zijn voor een ontwikkeling binnen het Gelders natuurnetwerk en dat er sprake is van een groot openbaar belang, moet worden onderzocht of de significante gevolgen kunnen worden beperkt (gemitigeerd). Mogelijkheden hiervoor zijn onder andere maatregelen om de ontwikkeling in te passen in de omgeving. Als mitigatie niet of onvoldoende mogelijk is, moet worden gecompenseerd. Hierbij gaat het om de realisatie van een nieuw areaal natuur van gelijkwaardige kwaliteit en oppervlakte. De gemeente maakt een plan waarbij gronden hun natuurbestemming verliezen om een ontwikkeling mogelijk te maken: de ingreep. De gemeente zorgt ervoor dat bij de vaststelling van dat plan de effecten van de ingreep worden gecompenseerd. Er wordt tenminste dezelfde oppervlakte aan nieuwe natuur gerealiseerd met een kwaliteit die tenminste even groot is als de natuur die verloren is gegaan. Daarnaast kan er, afhankelijk van de ontwikkeltijd van het natuurbeheertype dat verloren gaat, sprake zijn van een hectaretoeslag. De ontwikkeltijd en de hectaretoeslag per natuurbeheertype is terug te vinden in bijlage 7 Ontwikkeltijd natuurbeheertypen.

Deze compensatie kan binnen hetzelfde plangebied worden gerealiseerd, maar dat hoeft niet; de compensatie kan ook elders plaatsvinden. De twee bestemmingsplannen moeten in dat geval wel tegelijkertijd worden vastgesteld. De compensatie moet plaatsvinden in de Groene ontwikkelingszone, of nabij het Gelders natuurnetwerk, en bij voorkeur in de nabijheid van de ingreep en leiden tot een duurzame situatie. Als er in de nabijheid van de ingreep geen mogelijkheden voor compensatie zijn, kan worden uitgeweken naar een locatie op afstand van de ingreep. Als optie komt dan de compensatiepool in beeld. Een compensatiepool is een vooraf door de provincie ingerichte natuurlocatie, nabij het Gelders natuurnetwerk. Nadat de grond in een compensatiepool is “verkocht’ voor een of meerdere natuurcompensaties wordt de pool na herbegrenzing onderdeel van het Gelders natuurnetwerk. Initiatiefnemers kunnen hun verplichting voldoen door het overmaken van een bedrag aan de provincie. De hoogte van het bedrag wordt bepaald door de omvang van de compensatieverplichting (grondkosten oppervlakte, inrichtingskosten inclusief hectaretoeslag en kosten overgangsbeheer). Het werken met een compensatiepool is een economische stimuleringsmaatregel. Het komt immers vaak voor dat de uitvoering van projecten vertraging oploopt, omdat de planontwikkeling voor compensatie niet tijdig is gestart. Bovendien is het voor veel initiatiefnemers een branchevreemde activiteit om natuur te ontwikkelen. De directe beschikbaarheid van natuur in een compensatiepool kan de uitvoering van dit soort projecten aanzienlijk versnellen en ontzorgt daarmee de betrokken initiatiefnemers.

Artikel 2.44 (compensatieplan bij fysieke natuurcompensatie)     

De initiatiefnemer moet een compensatieplan opstellen. Hierin moeten zijn beschreven:

  • de mitigerende maatregelen die worden getroffen om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op de kernkwaliteiten zo veel mogelijk worden beperkt;
  • de te treffen compenserende maatregelen;
  • de wijze waarop verzekerd wordt dat de mitigatie en compensatie ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd; en
  • de wijze van monitoring en rapportage van de aanleg en uitvoer van de mitigatiemaatregelen en te realiseren compensatiemaatregelen.
Artikel 2.45 (uitvoering compensatieplan)     

Derde lid: De substantiële versterking van de kernkwaliteiten kan ook worden verzekerd door het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen initiatiefnemer en bevoegd gezag (eventueel in combinatie met een boetebeding), voordat een bestemmingsplan wordt vastgesteld.

Artikel 2.46 (financiële natuurcompensatie)     

Financiële compensatie is vooral een middel om bij kleine ingrepen de uitvoerbaarheid en de uitvoeringssnelheid te vergroten. Bij grote ingrepen zal er eerder sprake zijn van effecten op het hele ecosysteem en komt de ecologische samenhang onder druk te staan. Het ligt dan meer voor de hand de mitigerende en compenserende maatregelen deel te laten uitmaken van hetzelfde project, zodat de ecologische samenhang ter plaatse hersteld kan worden.

§ 2.6.4 Voorwaarden toegestane activiteiten Gelders natuurnetwerk     

Wanneer een nieuwe natuurbegraafplaats mogelijk wordt gemaakt, moet een substantiële versterking van de kernkwaliteiten worden gerealiseerd. Deze verevening is alleszins redelijk en proportioneel bij ruimtelijke ontwikkelingen als natuurbegraven en correspondeert ook goed met het beleid in de Groene ontwikkelingszone waar wij ook een vereveningsbeleid voorstaan. Bij de bepaling van de hoogte van verevening hanteert de provincie drie criteria: het profijtbeginsel, toerekenbaarheid en proportionaliteit. Het profijtbeginsel houdt in dat de locatie nut moet ondervinden van de te treffen werken, maatregelen of voorzieningen. Toerekenbaarheid wil zeggen dat er een causaal verband moet bestaan tussen de kosten die daarmee gemoeid zijn en de betreffende ontwikkeling die planologisch mogelijk wordt gemaakt. Met name als meerdere gebieden of ontwikkelingen profijt hebben van een werk, maatregel of voorziening moeten de kosten naar evenredigheid, dus proportioneel worden verdeeld. Kortom: hoe directer en overwegender het voordeel van de voorziening geldt voor het plangebied, des te groter de dekking uit de grondexploitaties dient te zijn. Het doel voor de verevening is de versterking van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk.

Artikel 2.47 (instructieregel bestemmingsplan natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk onder voorwaarden)     

De randvoorwaarden voor het natuurversterkingsplan zijn zo gekozen dat bij natuurbegraven en kleinschalige recreatie in principe voldaan wordt aan de randvoorwaarden uit het Rijksbeleid. Er is in principe geen nader onderzoek nodig naar de aantasting van de kernkwaliteiten. Bij de bepaling van de hoogte van verevening hanteert de provincie drie criteria: het profijtbeginsel, toerekenbaarheid en proportionaliteit.

Het profijtbeginsel houdt in dat de locatie nut moet ondervinden van de te treffen werken, maatregelen of voorzieningen. Toerekenbaarheid wil zeggen dat er een causaal verband moet bestaan tussen de kosten die daarmee gemoeid zijn en de betreffende ontwikkeling die planologisch mogelijk wordt gemaakt. Met name als meerdere gebieden of ontwikkelingen profijt hebben van een werk, maatregel of voorziening moeten de kosten naar evenredigheid, dus proportioneel worden verdeeld. Kortom: hoe directer en overwegender het voordeel van de voorziening geldt voor het plangebied, des te groter de dekking uit de grondexploitaties dient te zijn.

Het doel voor de verevening is de versterking van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk.

Artikel 2.48 (instructieregel bestemmingsplan natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk onder bijzondere voorwaarden)     

Bij natuurbegraven moet rekening worden gehouden met het verbod op begraven in Grondwaterbeschermingsgebieden. Ook is de gemiddeld hoogste grondwaterstand van belang vanwege de randvoorwaarden uit het Besluit op de lijkbezorging. Dat betekent dat alleen heel droge gebieden (met grondwatertrap VII of VIII) in aanmerking komen.

Grootschalige vergraving van nattere gebieden om droge “grafheuvels” te maken is niet aan de orde, omdat er dan een significante aantasting van de bodem plaatsvindt (kernkwaliteit). Het Rijksbeleid sluit dit uit.

Natuurbegraven op oude bosbodems is mogelijk wanneer uit veldonderzoek blijkt dat de oude bosbodem verstoord is. Verstoorde bosbodems zijn minder geschikt voor natuurontwikkeling dan bosbodems met een ongestoorde bodemopbouw. De oude bosbodems liggen op plekken waar op 150 jaar oud kaartmateriaal al bossen waren ingetekend. Eventuele grondbewerkingen in de periode daarna zijn niet altijd vastgelegd. Door boringen met een grondboor kan de opbouw van het bodemprofiel worden bekeken, waarmee kan worden vastgesteld of er nog sprake is van een ongestoorde bodemopbouw. De gebieden waar natuurbegraven niet is toegestaan zijn opgenomen in de verbeelding “Natuurbegraven uitgesloten wegens wettelijke beperkingen”.

Artikel 2.49 (instructieregel bestemmingsplan kleinschalige recreatie in Gelders natuurnetwerk onder voorwaarden)     

Bij kleinschalige recreatie gaat het naast het natuurkamperen om ontwikkelingen als klimbossen en speelbossen. Een klimbos is een bos met hoofdbestemming bos of natuur, waarin beklimbare constructies zijn aangebracht met zekeringsplaatsen, zoals bij een klettersteig, en waarin met kabels verbindingen zijn aangebracht tussen bomen zodat mensen zich met een klimgordel gezekerd - boven de grond van boom naar boom kunnen bewegen. Een speelbos is een bos met hoofdbestemming natuur, waarin met uit het bos afkomstig hout speelplekken zijn ingericht en/of waarin hout als speel- en bouwmateriaal beschikbaar is.

Tweede lid: Bij deze vormen van recreatie zijn de verstorende effecten op de kernkwaliteiten aanzienlijk. Het natuurversterkingsplan heeft bij deze voorzieningen daarom vooral een compensatiekarakter.

Artikel 2.50 (instructieregel bestemmingsplan kleinschalige recreatie in Gelders natuurnetwerk onder bijzondere voorwaarden)     

Naast de toelichting op artikel 2.48 geldt hier dat in de zoekgebieden voor uitbreiding habitat dat wanneer de uitbreidingsdoelstellingen lokaal gerealiseerd zijn er de mogelijkheid is om hier ook kleinschalige recreatie te ontwikkelen onder verder dezelfde voorwaarden als in artikel 2.47 beschreven.

In de gebieden met oude bosbodems is het mogelijk om ook kleinschalige recreatie te realiseren wanneer uit nader veldonderzoek blijkt dat de oude bosbodem toch al is verstoord.

Artikel 2.51 (instructieregel bestemmingsplan windturbines in Gelders natuurnetwerk)     

Eerste lid: De Verkenningsgebied voorwaarden windturbines Gelders natuurnetwerk zijn gebieden die grenzen aan Rijkswegen. Initiatieven voor windturbines zijn uitgesloten in weidevogelgebieden, rustgebieden voor winterganzen en delen van Natura2000-gebieden.

Tweede lid: De omvang van de compensatie wordt bepaald door de effecten die de windturbines zullen hebben op de kernkwaliteiten en de ecologische samenhang en het oppervlak dat ze innemen.

Effecten van windturbines op kernkwaliteiten en ecologische samenhang zijn sterk locatie-afhankelijk. Het is daarom niet mogelijk om via algemene voorschriften vooraf te bepalen hoe significante effecten kunnen worden voorkomen. Naast het directe oppervlakteverlies door aanleg van onderhoudswegen en grondvlak van de turbines zijn er effecten als geluidsbelasting, slagschaduw, optische verstoring, aanzuigend werking op vleermuizen, aanvaringsrisico’s e.d. Per concreet project moet de omvang bepaald worden en de vraag beantwoord worden of de effecten wel of niet significant zijn. Waar nodig kan het project worden uitgebreid met compenserende maatregelen die de negatieve effecten te niet doen. De effecten van windturbines op kernkwaliteiten, ecologische samenhang en oppervlakte moet de initiatiefnemer in het natuurversterkingsplan beschrijven.

§ 2.6.5 Instructieregels bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone     

Zowel bij nieuwvestiging als bij een grootschalige uitbreiding moet er, naast een goede landschappelijk inpassing, sprake zijn van een per saldo substantiële versterking van de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone. Daarbij is zowel de invulling van het begrip "substantieel" van belang als de wijze waarop de afspraken worden vastgelegd.

Artikel 2.52 (nieuwe ontwikkelingen in bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone)     

Al in 1999 zijn met gemeenten en waterschappen afspraken gemaakt om ecologische verbindingszones volgens een aantal modellen te ontwikkelen en te beschermen. Per model is er een beschrijving van de aard en omvang van kleine natuurelementen, de zogeheten "stapstenen", en hun gewenste onderlinge afstand. In de beschrijving van de modellen is een "landschapszone" onderscheiden. Voor een goed functioneren van de verbinding is het noodzakelijk dat deze zone zoveel mogelijk vrijgehouden wordt van nieuwe ingrepen. Waar toch een ontwikkeling plaatsvindt die ingrijpt in de landschapszone - en dus de verbinding als het ware insnoert - kan de ecologische samenhang behouden blijven door de aanleg van een extra natuurelement. Voor delen van de Groene ontwikkelingszone die ook weidevogel- en rustgebied voor winterganzen zijn, is vooral een conserverend beleid van kracht, gericht op het behoud van openheid. Hier ligt geen ontwikkelingsdoelstelling. Bij ruimtelijke ingrepen in de Groene ontwikkelingszone is allereerst onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwvestiging en anderzijds uitbreiding van bestaande bestemmingen. Vervolgens is een onderscheid gemaakt naar de schaal van de ingreep en daarmee naar het effect ervan op de kernkwaliteiten.

Eerste lid: Het gaat dan bijvoorbeeld om nieuwe infrastructuur of woningbouwlocatie. In alle gevallen waarin een significante aantasting niet bij voorbaat kan worden uitgesloten, zal de initiatiefnemer van een grootschalige ontwikkeling of een combinatie van ontwikkelingen binnen het Gelders natuurnetwerk, de effecten van deze ontwikkelingen op de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders natuurnetwerk moeten onderzoeken. Van een grootschalige ontwikkeling als bedoeld in artikel 2.52 is sprake als de nieuwe ontwikkeling het karakter van het betreffende gebied verandert. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij nieuwe infrastructuur of bij een nieuwe woningbouwlocatie. Niet voldoende is dat de ontwikkeling zelf omvangrijk is. Als het gaat om een grootschalige ontwikkeling, moet worden aangetoond dat deze niet zal leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het gebied. Daarbij mag geen rekening worden gehouden met mogelijke mitigerende of compenserende maatregelen.

De kernkwaliteiten die gelden binnen het Gelders natuurnetwerk zijn neergelegd in de atlas Kernkwaliteiten GNN en GO, of in bijlage 5 Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone bij deze verordening. Hierbij gaat het niet alleen om de aanwezige natuurwaarden, maar ook om de nagestreefde natuurwaarden en de bijbehorende milieucondities. Een ontwikkeling kan een significante aantasting van de kernkwaliteiten tot gevolg hebben, als deze leidt tot een:

  • vermindering van areaal, samenhang en kwaliteit van bestaande natuur-, bos- en landschapselementen en gebieden die aangewezen zijn voor nieuwe natuur. Onder landschapselementen verstaan wij onder andere heggen, houtwallen, bosjes, poelen en solitaire bomen;
  • vermindering van de uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren tussen de verschillende leefgebieden in delen van het Gelders natuurnetwerk;
  • een vermindering van de kwaliteit van het leefgebied van alle soorten waarvoor in overeenstemming de Wet natuurbescherming ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing is vereist;
  • vermindering van het areaal van de grote natuurlijke eenheden (aaneengeslotenheid);
  • belemmering voor het verloop van natuurlijke processen in de grote eenheden;
  • verstoring van de natuurlijke morfologie, waterkwaliteit, watervoering en verbondenheid met het landschap van water met een natuurbestemming;
  • verandering van de grond- en oppervlaktewateromstandigheden (kwaliteit en kwantiteit) die de voor de natuurdoeltypen gewenste grond- en oppervlaktewatersituatie (verder) aantasten;
  • verhoging van de niet gebiedseigen geluidsbelasting;
  • toename van de verstoring door licht. Dat betekent dat het plaatsen van nieuwe lichtbronnen zoveel mogelijk voorkomen moet worden en de uitstraling naar de omgeving zo veel mogelijk moet worden beperkt.

Daar waar het geluidbelasting, licht en verstoring van rust betreft, kan het voorkomen dat bij uitbreiding van een functie een beperkte toename niet te vermijden is.

Tweede lid: Ter invulling van het begrip "substantieel" kan bij een functiecombinatie met wonen bijvoorbeeld worden gedacht aan een nieuw landgoed waarbij wij onder een substantiële versterking van de kernkwaliteiten verstaan: de combinatie van één huis van allure met ten hoogste drie wooneenheden met minimaal 5 ha natuur. Bij meer huizen of wooneenheden verwachten wij een evenredige vermeerdering van de versterking van de kernkwaliteiten. Bij de keuze voor de te ontwikkelen natuur verwachten wij dat - in geval van een ontwikkeling binnen een verbindingszone - wordt aangesloten bij de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone in het algemeen en het betreffende gebied in het bijzonder. In het geval van een ontwikkeling buiten een verbindingszone verwachten wij dat wordt aangesloten bij de kernkwaliteiten van het aangrenzende Gelders natuurnetwerk in hetzelfde deelgebied.

De substantiële versterking van de kernkwaliteiten kan ook worden verzekerd door het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen initiatiefnemer en bevoegd gezag (eventueel in combinatie met een boetebeding), voordat een bestemmingsplan wordt vastgesteld.

Artikel 2.53 (uitbreiding bestaande bedrijven of functies in Groene ontwikkelingszone)     

Artikel 2.53 ziet zowel op uitbreiding van de bebouwing als op uitbreiding van de bestemming. Voor grondgebonden landbouw, landgoedbedrijven en extensieve openluchtrecreatie wordt ontwikkelingsruimte geboden, voor zover de kernkwaliteiten per saldo niet significant worden aangetast. De bijzondere toegevoegde waarde van de functiecombinatie die bijdraagt aan de versterking van de kernkwaliteiten, maakt dat de ontwikkeling past in de Groene ontwikkelingszone.

Tweede lid: De Groene ontwikkelingszone draagt in het bijzonder bij aan de belevingswaarde van het waardevolle cultuurlandschap en heeft daardoor een bijzondere rol voor extensieve openluchtrecreatie. Daarom wordt aan uitbreiding van bestemmingen voor extensieve openluchtrecreatie dezelfde randvoorwaarde gesteld als aan grondgebonden landbouw en het landgoedbedrijf. Het gaat dan bijvoorbeeld om routegebonden voorzieningen, dagrecreatieterreinen en dergelijke.

Derde lid: De functies grondgebonden landbouw en het landgoedbedrijf - volgens de definitie van de Natuurschoonwet - verdienen een bijzondere behandeling, omdat beheer en onderhoud van het landschap deel uitmaken van hun bedrijfsvoering. Deze functies dragen direct bij aan de instandhouding van het landschap en daarmee ook aan de kernkwaliteiten. Daarom is voldoende wanneer bij uitbreiding de kernkwaliteiten per saldo niet worden aangetast.

Voor plannen en projecten op bestaande landgoederen geeft de Natuurschoonwet een goede beschrijving van bouwwerken en functies die meetellen voor de kwalificatie. Plannen en projecten die niet meetellen voor de rangschikking onder de Natuurschoonwet vallen onder het regime voor overige functies.

Vierde lid: In het algemeen zal een goede landschappelijke inpassing ter plaatse van de ingreep volstaan.

Artikel 2.54 (vellen van een houtopstand in Groene ontwikkelingszone)     

Geen toelichting.

§ 2.6.6 Instructieregels bestemmingsplan bescherming landschap     

Geen toelichting.

Artikel 2.55 (ontwikkeling in Waardevol open gebied)     

Eerste lid: Voor waardevolle open gebieden is de grootschalige openheid de belangrijkste kernkwaliteit. Daarom geldt als uitgangspunt dat ruimtelijke ingrepen die de openheid aantasten niet zijn toegestaan.

Tweede lid: Open gebieden zijn soms ook kansrijke plekken voor het opwekken van windenergie. Met het oog op de maatschappelijke opgave voor duurzame energie, is het daarom onder voorwaarden mogelijk om een windturbinepark met meer dan drie windturbines op te richten in open gebieden. De voorwaarden in artikel 2.62 worden gesteld om ervoor te zorgen dat de ingreep een kwalitatieve toevoeging aan het landschap is. Een toelichting op de voorwaarden is opgenomen bij paragraaf 2.7.1 Instructieregels windturbines. Het oprichten van windturbines is niet toegestaan in de verbodsgebied windenergie: de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen.

Vierde lid: Als het gaat om een omvangrijke uitbreiding die aansluitend, maar wel buiten het bestaande bouwblok plaatsvindt, dan is een ruimtelijk-landschappelijk ontwerp vereist. Bij een omvangrijke uitbreiding denken wij aan bebouwing met een oppervlak van circa 500 vierkante meter of meer dan wel met een nokhoogte van circa 11 meter.

Artikel 2.56 (ontwikkeling in Nationaal landschap)     

De zeven Nationale landschappen in Gelderland zijn representatief voor het Gelderse cultuurlandschap en een afspiegeling van de landschappelijke diversiteit op (inter)nationale