Actualisatieplan Omgevingsverordening (december 2016) deel A    

Dit actualisatieplan met het identificatienummer NL.IMRO.9925.PVOVa2-vst1, bevat wijzigingen op de laatste geconsolideerde versie van de omgevingsverordening: Omgevingsverordening Gelderland (december 2015), NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc02.

Het Ontwerp-actualisatieplan is door Gedeputeerde Staten 12 juli 2016 vastgesteld. De inzagetermijn was van 19 augustus tot en met 30 september 2016.

Het Actualisatieplan is door Provinciale Staten op 1 maart 2017 vastgesteld.

Toelichting op de wijzigingen     

Inleiding Actualisatie Omgevingsverordening 2016

Sinds 18 oktober 2014 zijn de Gelderse Omgevingsvisie en -verordening van kracht. De Omgevingsvisie vervangt vijf strategische provinciale plannen op het gebied van ruimte, water, natuur, milieu en mobiliteit. De Omgevingsverordening vervangt 27 provinciale verordeningen.

Het Omgevingsbeleid van de provincie is daarmee eenvoudiger geworden en kent meer samenhang. De Omgevingsvisie en –verordening zijn ook dynamische instrumenten. Ze worden bijgesteld als ontwikkelingen daarom vragen. Actualiseren en anticiperen, kortom. Actualiseren doen wij samen, door in gesprek te gaan met partijen en partners.

Voor 2016 is er een scala aan onderwerpen dat aanpassing behoeft. Deze onderwerpen zijn opgenomen in een ontwerp-actualisatieplan. De wijzigingsvoorstellen voor de Omgevingsverordening hebben betrekking op de volgende beleidsterreinen:

  • Water;
  • Detailhandel;
  • Energietransitie;
  • Geluid;
  • Natuur;
  • Landbouw;
  • Overig (onder andere: technische wijzigingen in kaarten).

Het ontwerp-actualisatieplan Omgevingsverordening heeft van 19 augustus tot en met 30 september 2016 ter visie gelegen. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is besloten de besluitvorming in Provinciale Staten op te schuiven naar maart 2017. Aangezien de nieuwe Wet Natuurbescherming per 1 januari 2017 van kracht is, wordt over de aanpassingen die hieruit voortkomen eerder een besluit genomen.

Het voorliggende Actualisatieplan Omgevingsverordening (december 2016) deel A beperkt zich tot alleen het onderwerp Natuurbeschermingswet.

Leeswijzer

Voor dit wijzigingsvoorstel voor de Omgevingsverordening is in dit actualisatieplan aangegeven:

  • De aanleiding voor wijziging.

Het betreft hier een korte beschrijving van de reden achter de wijziging die hieruit voortvloeit.

  • De wijziging in het kort.

Het gaat hier om een korte samenvatting van de onderdelen van de Omgevingsverordening waaopr het aanpassingsvoorstel betrekking heeft. Dit kan zijn op:

  • de Regels van de Omgevingsverordening;
  • de Bijlagen bij de regels van de Omgevingsverordening;
  • de Toelichting bij de Omgevingsverordening;
  • of de Kaarten bij de Omgevingsverordening.
  • De concrete tekst- en kaartwijzigingsvoorstellen.

Hier gaat het om de concrete tekstwijzigingen die worden geduid met behulp van doorhaling in geval van vervallen tekst en arcering in geval van nieuwe tekst. Voor de kaarten geldt dat er bij ieder kaartwijzigingsvoorstel op de eerste kaart is aangegeven wat de oude situatie was en op de tweede kaart welke wijzigingen er zijn ten opzichte van de oude situatie.

Wet Natuurbescherming     

Aanleiding voor wijziging: nieuwe wetgeving

In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wet Natuurbescherming (Wnb) geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, wordt vervangen door deze wet. Binnen de nieuwe wet krijgen wij meer bevoegdheden. Wij worden het bevoegd gezag voor uitvoeringstaken en maken afwegingen voor vergunningen en ontheffingen. Om dat te borgen, stellen wij een aantal regels vast in onze Omgevingsverordening. Het betreft regels voor gebieden, soorten en houtopstanden, inclusief de verplichtingen die in de Wet Natuurbescherming zijn opgenomen. De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De voorgestelde wijzigingen zijn niet MER-plichtig.

Wijziging in het kort

De voorgestelde wijzigingen in de Omgevingsverordening hebben betrekking op:

  • Opname van regels: in de Omgevingsverordening worden regels voor gebieden, soorten en houtopstanden inclusief de verplichtingen die in de Wet Natuurbescherming zijn opgenomen toegevoegd. Het betreft regels ten aanzien van:
    • de vrijstelling van verboden ten aanzien van soorten;
    • de in Gelderland werkzame faunabeheereenheid;
    • de door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplannen;
    • de in Gelderland werkzame wildbeheereenheden;
    • houtopstanden;
    • beweiden en bemesten;
  • Artikel 8.6.1 Inwerkingtreding van de Omgevingsverordening aanpassen omdat titel 3.7 pas in werking moet treden bij inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming.

Voor de wijzigingen zie:

Wijziging in Regels Wet Natuurbescherming

Wijziging in Toelichting Wet Natuurbescherming

bijlage 27 Vrijstelling soorten inzake schade en overlast (naam gewijzigd)

bijlage 28 Vrijstelling soorten inzake ruimtelijke inrichting (verbeterd)

Wijzigingen in de Regels     

Wijziging in Regels Wet Natuurbescherming     

hoofdstuk 3 Milieu en Ontgrondingen en Natuur

Paragraaf toevoegen in hoofdstuk 3, ná 3.6 Vergoeding van kosten en schade

3.7 Natuur

Een nadere toelichting vindt u onder Toelichting, 3.7 ( link naar toelichting toevoegen)

subparagraaf 3.7.1 Algemeen

artikel 3.7.1.1

In deze titel wordt verstaan onder:

  1. boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met oppervlakte van tenminste 5 hectare;
  2. de wet: de Wet natuurbescherming;
  3. grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
  4. natuurlijke verjonging: het op natuurlijke wijze ontstaan van een bosbouwkundig verantwoorde houtopstand;
  5. omringende gebied: voor doden het gebied in een straal van 20 meter rondom het betreffende perceel en voor storen de direct aangrenzende percelen;
  6. taxateur: een onafhankelijk taxateur;
  7. laanbomen: bomen langs wegen, paden en lanen.

subparagraaf 3.7.2 Vrijstellingen van verboden ten aanzien van soorten

artikel 3.7.2.1 Vrijstelling grondgebruiker voor bestrijding van schadeveroorzakende vogels en dieren

  1. Als soorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, van de wet en als middel voor vangen en doden als bedoeld in artikel 3.25, eerste lid, van de wet worden aangewezen de soorten en middelen genoemd in bijlage 27 Vrijstelling soorten inzake schade en overlast (link)
  2. In afwijking van de verboden in de artikelen 3.1 eerste en vierde lid, en 3.10, eerste lid, van de wet is het de grondgebruiker toegestaan de soorten genoemd in bijlage 27 op de door hem gebruikte gronden dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen te storen of te doden ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen of in het omringende gebied.

artikel 3.7.2.2 Voorschriften en beperkingen

Aan de vrijstelling bedoeld in artikel 3.7.2.1 zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:

  1. de vrijstelling geldt enkel ten behoeve van het in bijlage 27 Vrijstelling soorten inzake schade en overlast (link) bij de betreffende soort genoemde gebied, onder gebruik van de hierin genoemde middelen en onder de hierin genoemde voorschriften en beperkingen;
  2. indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de wet de vrijstelling door een ander laat uitoefenen, dient die persoon gedurende die uitoefening de door de grondgebruiker afgegeven toestemming bij zich te dragen en op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage te geven.

artikel 3.7.2.3 Vrijstelling ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud

  1. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de wet is het toegestaan de soorten genoemd in bijlage 28 Vrijstelling soorten inzake ruimtelijke inrichting (link) te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen in verband met handelingen genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f en g van de wet.
  2. De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt voor het in bijlage 28 genoemde gebied
  3. De in het eerste lid genoemde vrijstelling voor het vangen geldt alleen onder gebruik van de in bijlage 28 genoemde middelen.
  4. De met toepassing van het eerste lid gevangen dieren dienen zo snel mogelijk in de directe omgeving op een voor de betreffende soort geschikte plek te worden losgelaten.

artikel 3.7.2.4 Veiligstelling tegen het verkeer

  1. In afwijking van de verboden in artikel 3.5, 3.6 en 3.10 van de wet is het toegestaan beschermde inheemse kikkers, padden en salamanders te vangen door middel van het plaatsen van schermen en met behulp van emmers, onder zich te hebben en te vervoeren indien deze handelingen plaatsvinden ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer.
  2. De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoeren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats en voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.

artikel 3.7.2.5 Vrijstelling voor onderzoek en onderwijs

  1. In afwijking van de verboden in artikel 3.10 van de wet is het toegestaan de groene kikker (Rana esculenta), de bruine kikker (Rana temporaria) en de gewone pad (Bufo bufo) alsmede eieren van deze soorten te vervoeren en onder zich te hebben, voor zover deze handelingen plaatsvinden met het oog op gebruik van deze dieren bij onderzoek en onderwijs.
  2. De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt niet ten aanzien van groene kikkers, bruine kikkers en gewone padden waarvan de metamorfose is voltooid.
  3. In afwijking van het verbod in artikel 3.34 van de wet dienen de in het eerste lid genoemde dieren weer uitgezet te worden op de locatie waar ze zijn gevangen, voordat de metamorfose is voltooid.

artikel 3.7.2.6 Vrijstelling voor weidevogelbeheer

  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1, eerste, tweede en derde lid, van de Wet natuurbescherming geldt het verbod van het rapen en onder zich hebben van eieren en het vangen en onder zich hebben van niet vliegvlugge jongen van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming niet voor zover dit geschiedt ten behoeve van activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van eieren en niet vliegvlugge jonge vogels tegen landbouwwerkzaamheden.
  2. De op grond van het eerste lid gevangen niet vliegvlugge jongen worden onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden bedoeld in het eerste lid weer in vrijheid gesteld.

artikel 3.7.2.7 Rapportageverplichting

Jachtaktehouders verstrekken ten minste elk kwartaal de in artikel 3.13 eerste lid van de wet bedoelde gegevens aan de faunabeheereenheid door gebruikmaking van het in artikel 3.7.3.3 tweede lid bedoelde faunaregistratiesysteem.

artikel 3.7.2.8 Opschorting

Gedeputeerde Staten kunnen de vrijstellingen op grond van deze paragraaf opschorten zolang bijzondere weersomstandigheden dat vergen.

subparagraaf 3.7.3 Faunabeheereenheid

artikel 3.7.3.1 Werkgebied Faunabeheereenheid

  1. Er is in Gelderland één faunabeheereenheid.
  2. Het werkgebied van de faunabeheereenheid bevat het grondgebied van de provincie Gelderland, met uitzondering van terreinen waar de kroondrager als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het Kroondomein gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht.

artikel 3.7.3.2 Telprotocollen

De faunabeheereenheid stelt aan de wildbeheereenheden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid telprotocollen beschikbaar ten behoeve van de tellingen als bedoeld in artikel 3.7.5.6.

artikel 3.7.3.3 Faunaregistratiesysteem

De faunabeheereenheid stelt aan jachtaktehouders en valkeniersaktehouders een faunaregistratiesysteem beschikbaar om de gedode dieren als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van de wet te kunnen registreren.

subparagraaf 3.7.4 Faunabeheerplan

artikel 3.7.4.1 Geldigheidsduur

  1. Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 6 jaren.
  2. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de in het eerste lid genoemde geldigheidsduur van een faunabeheerplan met maximaal 12 maanden verlengen.

artikel 3.7.4.2 Algemene eisen aan een faunabeheerplan

  1. Een faunabeheerplan bevat in ieder geval de volgende gegevens:
    1. de omvang van het totale werkgebied van de faunabeheereenheid in hectares;
    2. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;
    3. een beschrijving van de aard en omvang van de handelingen die zijn verricht in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was en de aard en de omvang van de handelingen die zullen worden verricht gedurende de geldigheidsduur van het faunabeheerplan, onderscheiden per diersoort;
    4. een vermelding van de perioden van het jaar waarin de handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft zullen plaatsvinden;
    5. een vermelding van de wildbeheereenheid waarbinnen de handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft zullen plaatsvinden;
    6. kwantitatieve gegevens over de ontwikkeling van de populatie van de in het faunabeheerplan omschreven diersoorten op landelijk niveau;
    7. een overzicht van de gedode dieren in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid.

artikel 3.7.4.3 Aanvullende eisen aan een faunabeheerplan met betrekking tot de beperking van de omvang van populaties

  1. In aanvulling op artikel 3.7.4.2 bevat een faunabeheerplan ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie op basis van een ontheffing in de zin van artikel 3.17 van de wet de volgende gegevens:
  1. een onderbouwing van de noodzaak van populatiebeheer, bestaande uit een onderbouwing van één of meerdere belangen als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid van de wet;
  2. de gewenste stand van de soorten opgenomen in het faunabeheerplan en waarvoor een ontheffing is verleend, een beschrijving wanneer sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding, de wijze waarop monitoring plaatsvindt teneinde dat te voorkomen en de te treffen maatregelen als dit zich voordoet;
  3. een beschrijving van de mate waarin de onder a bedoelde belangen in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had zijn geschaad, inclusief de getroffen maatregelen en het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;
  4. een omschrijving van de voorgenomen handelingen en de noodzaak van deze handelingen om de gewenste stand te bereiken en belangrijke schade te voorkomen;
  5. per diersoort een beschrijving van de handelingen die in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had zijn verricht om het schaden van de onder a genoemde belangen te voorkomen, indien van toepassing onderscheiden per gewas;
  6. een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen handelingen en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze handelingen zal worden bepaald;
  7. voor zover het plan betrekking heeft op populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;
  1. Het eerste lid, onderdelen c en e, geldt niet voor soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold.

subparagraaf 3.7.5 Wildbeheereenheid

artikel 3.7.5.1 Oppervlakte en begrenzing

  1. De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5000 hectare binnen de provincie Gelderland.
  2. De wildbeheereenheid publiceert de begrenzing van de gronden waarover haar zorg zich uitstrekt op het internet.

artikel 3.7.5.2 Samenwerkingsovereenkomst

  1. Indien een wildbeheereenheid niet zelf de beschikking heeft over een aaneengesloten oppervlakte van tenminste 5000 hectare, kan aan deze eis worden voldaan doordat de wildbeheereenheid ten aanzien van de uitvoering van de in de wet genoemde taken van de wildbeheereenheid een samenwerkingsovereenkomst aangaat met een of meer andere wildbeheereenheden.
  2. Een afschrift van de in het eerste lid bedoelde samenwerkingsovereenkomst wordt aan Gedeputeerde Staten verstrekt.

artikel 3.7.5.3 Ontheffing

Gedeputeerde Staten kunnen voor de duur van ten hoogste twee jaren ontheffing verlenen van artikel 3.7.5.1, eerste lid.

artikel 3.7.5.4 Tellingen en registratie

De wildbeheereenheid draagt zorg voor het uitvoeren van tellingen door haar leden conform de telprotocollen van de faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 3.7.3.2.

artikel 3.7.5.5 Uitzondering

Er zijn geen gevallen waarin jachthouders zijn uitgezonderd van de verplichting in artikel 3.14, eerste lid, van de wet.

subparagraaf 3.7.6 Tegemoetkoming Faunaschade

artikel 3.7.6.1 Aanvraag

  1. Gedeputeerde Staten verstrekken een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de wet alleen op aanvraag.
  2. Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt door de aanvrager ingediend binnen zeven werkdagen nadat hij de schade heeft geconstateerd, met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier of op een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde elektronische wijze.
  3. Gedeputeerde Staten kunnen gebieden aanwijzen waarop het bepaalde in het eerste lid onder daarbij te stellen voorwaarden niet van toepassing is.

artikel 3.7.6.2 Beleidsregels

Gedeputeerde Staten stellen beleidsregels vast ten aanzien van het verlenen van tegemoetkomingen in schade als bedoeld in artikel 6.1 van de wet.

subparagraaf 3.7.7 Houtopstanden

artikel 3.7.7.1 Gegevens melding

Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet wordt gedaan via een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier of op een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde elektronische wijze en bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  1. naam, adres en woonplaats, contactgegevens en indien van toepassing bedrijfsgegevens van de melder en de eigenaar van het perceel waarop de velling plaatsvindt;
  2. topografische kaart op een schaal van 1:25.000 of groter van het perceel waarop de velling plaatsvindt;
  3. plaatsnaam en straatnaam van het perceel waarop de velling plaatsvindt;
  4. de kadastrale gegevens van het perceel waarop de velling plaatsvindt;
  5. de oppervlakte van de velling en, indien sprake is van rijbeplanting, het aantal te vellen bomen;
  6. een specificatie van de boomsoort en leeftijd van de te vellen bomen;
  7. de reden van de velling;

artikel 3.7.7.2 Termijnen melding

  1. Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet wordt ten minste een kalendermaand en niet langer dan 1 jaar voorafgaand aan de velling gedaan.
  2. Gedeputeerde Staten kunnen, indien onverwijlde spoed daartoe noopt, op verzoek afwijken van de termijn als bedoeld in het eerste lid.

artikel 3.7.7.3 Bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting

  1. Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van de wet voldoet aan de volgende eisen:
  1. de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste gelijk aan de gevelde of teniet gegane oppervlakte;
  2. de boomsoorten van de herbeplanting zijn geschikt om gelet op de bodemkwaliteit en waterhuishouding ter plaatse uit te groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;
  3. door de te hanteren plantafstand van de herbeplanting dient binnen een periode van 10 jaar een gesloten kronendak gevormd te kunnen worden;
  4. de herbeplanting bestaat niet uit soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse;
  5. de herbeplanting bestaat niet uit tuinsoorten en sierheesters;
  6. binnen Natura 2000 gebieden dient de herbeplanting geen schade toe te brengen aan de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de wet; en
  7. met de herbeplanting dient binnen 10 jaar een uitgangssituatie gerealiseerd te zijn die op termijn tenminste leidt tot vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden in verhouding tot de gevelde of teniet gegane houtopstand.
  1. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder c, geldt voor laanbomen een maximale plantafstand van 10 meter.

artikel 3.7.7.4 Ontheffing plicht tot herbeplanting

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de plicht tot herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet indien:

  1. het vellen van de houtopstand plaatsvindt in verband met of het tenietgaan van de houtopstand bijdraagt aan het herstel van cultuurhistorische waarden; of
  2. het vellen of tenietgaan van de houtopstand plaatsvindt ten behoeve van de ontwikkeling van natuurwaarden.



artikel 3.7.7.5 Ontheffing termijn plicht tot herbeplanting

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de termijn voor de plicht tot herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet tot ten hoogste zes jaren na het vellen of tenietgaan van de houtopstand ingeval de herbeplanting geschiedt door middel van natuurlijke verjonging.

artikel 3.7.7.6 Ontheffing herbeplanting op andere grond

  1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet indien:
    1. de te vellen of teniet gegane houtopstand wordt vervangen door heide, schraalland, een poel of een biotoop voor bijzondere planten of dieren;
    2. de te vellen of teniet gegane houtopstand gelegen is in een boskern en de herbeplanting op andere grond een uitbreiding van diezelfde boskern of een elders gelegen boskern tot stand brengt;
    3. de houtopstand geveld wordt of teniet gaat ter uitvoering van een ruimtelijke ingreep in overeenstemming met een onherroepelijk bestemmingsplan, of
    4. de herbeplanting op andere grond een gunstigere invloed heeft op het landschap dan herbeplanting op dezelfde grond.
  2. De ontheffing als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt niet verleend indien:
    1. de andere grond is gelegen buiten de provincie Gelderland;
    2. op de andere grond reeds sprake is van een verplichting tot herbeplanting;
    3. op de andere grond een verplichting tot mitigatie of compensatie rust op grond waarvan bomen dienen te worden aangeplant;
    4. voor beplanting op de andere grond subsidie is aangevraagd op grond van de Regels Ruimte voor Gelderland 2016, paragraaf 4.8, Inrichting van het Gelders Natuurnetwerk;
    5. de herbeplanting op andere grond een negatief effect heeft op de beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden in het gebied waarin de andere grond is gelegen;
    6. de gevelde of teniet gegane houtopstand een landschapselement betreft of een andere kleine houtopstand met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie;
    7. de gevelde of teniet gegane houtopstand bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de wet, of
    8. de gevelde of teniet gegane houtopstand een oude bosgroeiplaats betreft waar voorafgaand aan de velling of het teniet gaan ten minste 100 jaren onafgebroken bos heeft gestaan.

artikel 3.7.7.7 Verzoek afwijking termijn melding

Het verzoek om afwijking van de termijn voor melding als bedoeld in artikel 3.7.7.2, tweede lid, wordt ingediend via een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier of op een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde elektronische wijze.

artikel 3.7.7.8 Brandgang

Bij toepassing van de wet hanteren Gedeputeerde Staten de volgende definitie van de term brandgang als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder c, van de wet: een strook grond van 12 tot 20 meter breed gelegen in een bos- en heidegebied van minimaal 1000 hectare en voor ten minste 75% bestaande uit naaldhout, vrijgehouden van brandbare vegetatie en bedoeld om uitbreiding van bos- en heidebrand te beperken.

subparagraaf 3.7.8 Beweiden en bemesten bij Natura 2000 gebieden

artikel 3.7.8.1 Vrijstelling vergunningplicht

Het verbod bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de wet is niet van toepassing op:

  1. het weiden van vee;
  2. het op of in de bodem brengen van meststoffen.

hoofdstuk 6 Ontheffingen

6.2 Ontheffingsbepalingen ten behoeve van hoofdstuk 3 Milieu en Ontgrondingen en Natuur

subparagraaf 6.2.4 toevoegen , ná 6.2.3

6.2.4 Ontheffingsbepaling houtopstanden

artikel 6.2.4.1 Aanvraag ontheffing

De aanvraag voor ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.7.7.4, 3.7.7.5 en 3.7.7.6 wordt ingediend via een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier ofop een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde elektronische wijze en bevat in ieder geval:

  1. de wettelijke bepaling waarvan ontheffing wordt aangevraagd; en
  2. een onderbouwing waarin gemotiveerd wordt aangegeven met het oog op welk belang ontheffing wordt aangevraagd.

Wijzigingen in Toelichting     

Wijziging in Toelichting Wet Natuurbescherming     

hoofdstuk 1 Algemeen

De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening is er een van. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur ,water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. In dit kader wordt opgemerkt dat besloten is de huidige Waterverordeningen die gelden per waterschap en de Gelderse Vaarwegverordening 2009 op dit moment nog niet op te nemen in de Omgevingsverordening nu dit in verband met de afstemming met de diverse waterschappen en provincies meer tijd zal vergen. Opname van de waterschapsverordeningen en de Vaarwegverordening in de huidige verordening zal echter wel onderwerp zijn van een verder ontwikkeltraject.

De Omgevingsverordening heeft de status van:

  • Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening
  • Milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet Milieubeheer
  • Natuurverordening in de zin van de Wet Natuurbescherming
  • Waterverordening in de zin van de Waterwet
  • Verkeersverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2 A van de Wegenverkeerswet

Opbouw

  • Hoewel de Omgevingsverordening beoogt verschillende regelgeving te integreren is voor wat betreft indeling besloten om geen onderverdeling te maken in thema' s doch in doelgroepen. Dit vergroot het gebruikersgemak voor de diverse doelgroepen. Zo hoeft bijvoorbeeld een gemeente of waterschap niet de gehele verordening door te lopen op zoek naar regels die door hen in acht moeten worden genomen.
  • Dit leidt er toe dat de Omgevingsverordening onderverdeeld is in de navolgende hoofdstukken:
  • Hoofdstuk 1 Algemeen
  • Hoofdstuk 2 Ruimte (richt zich tot gemeenteraden en bevat instructies voor de toelichting op bestemmingsplannen)
  • Hoofdstuk 3 Milieu, en ontgrondingen en natuur (richt zich tot overheden, gemeenten burgers, bedrijven en instellingen en bevat instructies voor omgevingsvergunningen en voor de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden)

Kopje aanpassen:

hoofdstuk 3 Milieu, ontgrondingen en natuur ( kopje aanpassen)

Na 3.6 Vergoeding van kosten en schade, deze nieuwe paragraaf invoegen:

Nieuw: 3.7 Natuur

Vrijstelling van verboden ten aanzien van soorten (par. 3.7.2)

Vrijstelling grondgebruiker voor bestrijding van schadeveroorzakende vogels en dieren (artikel 3.7.2.1 (link naar artikel..)

De Wet Natuurbescherming kent als uitgangspunt dat beschermde in het wild levende dieren zo veel mogelijk met rust gelaten moeten worden.

Indien bepaalde soorten belangrijke schade veroorzaken en het gaat om soorten die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, kunnen provinciale staten bij verordening aan de grondgebruiker vrijstelling verlenen om schade aan door hem gebruikte gronden of aan hem gebruikte opstallen te voorkomen.

Verjagen door middel van storen zal veelal effectief zijn. Voor enkele soorten zal dit onvoldoende zijn en is het toegestaan de soort te doden.

Afscherming kan in specifieke gevallen effectief zijn om schade te voorkomen maar kan ook onevenredige kosten met zich meebrengen. Weren of verjagen merken wij daarom in algemene zin niet aan als andere bevredigende oplossing. Als voorheen blijft het gebruik van het geweer in veel gevallen een praktisch uitvoerbare en noodzakelijke aanvulling daarop.

Door het stellen van beperkingen bij het gebruik van deze vrijstelling ten aanzien van vogels wordt het risico voor behoud van de vogelstand beperkt.

Om te mogen doden dient de grondgebruiker in het bezit te zijn van een geldige jachtakte, of dient hij een jachtaktehouder te machtigen.

Vrijstelling ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer of onderhoud (artikel 3.7.2.3(link naar artikel..)

Op grond van de Flora- en faunawet en bijbehorende Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten en Regeling vrijstelling dier- en plantensoorten was een aantal soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen zoals opgenomen in artikel 10 tot en met 12 van de Flora- en faunawet. Het betreft algemeen voorkomende soorten die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd. Bij ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud, kan het zijn dat ondanks het naleven van de zorgplicht het onvermijdelijk is dat soorten worden verstoord, de verblijf- en rustplaatsen worden vernietigd en de eieren worden beschadigd of vernietigd.

De zorgplicht genoemd in artikel 1.11 van de wet dient te allen tijde in acht te worden genomen. Het is mogelijk dat voor het voldoen aan de zorgplicht, specifiek het tweede lid, onderdeel b van artikel 1.11, dieren gevangen moeten worden om te voorkomen dat ze tijdens het uitvoeren van werkzaamheden worden gedood. Voor die situatie is tevens ontheffing verleend voor het vangen. Na het vangen dienen de dieren zo snel mogelijk in de directe omgeving te worden losgelaten zodanig dat het doden dan wel verwonden tijdens uitvoering van de werkzaamheden waarvoor de vrijstelling geldt wordt voorkomen.

Een aantal van deze soorten wordt ook door de Wet natuurbescherming beschermd. Het betreft hier uitsluitend soorten die zijn beschermd op grond van artikel 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming, de zogenaamde nationaal beschermde soorten. Deze soorten zijn niet beschermd op grond van internationale verdragen zoals de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn. Daarom is op grond van art.3.10, lid 2 van de wet een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen, bestendig beheer of onderhoud mogelijk.

Voor deze soorten handhaaft de provincie Gelderland de vrijstellingen die onder de Flora- en faunawet golden. De populaties van deze soorten verkeren in een gunstige staat van instandhouding.

Tevens is het, juist bij deze soorten die zeer algemeen voorkomen, niet gewenst dat voor elke ruimtelijke ontwikkeling of ingreep in het kader van bestendig beheer of onderhoud een ontheffing aangevraagd moet worden.

Rapportageverplichting (artikel 3.7.2.6 (link naar artikel..)

Deze verplichting sluit aan bij de werkwijze die Faunabeheereenheid hanteert bij de verleende ontheffingen.

Faunabeheereenheid (par 3.7.3

Algemeen

Faunabeheereenheden vervullen in het huidige faunabeleid een essentiële rol, omdat zij zorgen voor een maatschappelijke en gebiedsgerichte inbedding van het faunabeheer. De inzet van de FBE is gericht op het in stand houden van de inheemse wilde diersoorten en gelijktijdig het voorkomen of beperken van de schade die zij kunnen veroorzaken. De daadwerkelijke uitvoering van het faunabeheer wordt gedaan door de jachthouders die verenigd zijn in wildbeheereenheden (WBE’s).

Op dit moment bestaat het bestuur van de Faunabeheereenheid uit organisaties die terreinen bezitten of jachtrechten hebben en daarmee voor de wet jachthouder zijn. Het gaat om vertegenwoordigers van de landbouw, terreinbeheerders, particulier grondbezit, jacht en overheden met veel gronden. De Wet natuurbescherming schrijft voor dat ook maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort, lid van het bestuur moeten zijn.

Artikelsgewijze toelichting

Werkgebied Faunabeheereenheid (artikel 3.7.3.1(link..)

Gelderland kent door fusie sinds 1 januari 2013 één faunabeheereenheid, uitgezonderd de gronden van het Kroondomein. Voor de gronden van het Kroondomein is het Rijk namelijk het bevoegd gezag.

Telprotocollen en faunaregistratiesysteem (artikel 3.7.3.2(link…) en artikel 3.7.3.3(link..)

Ten behoeve van het opstellen van faunabeheerplannen is informatie noodzakelijk, die met name van de wildbeheereenheden en aangesloten jachthouders afkomstig is. De faunabeheereenheid dient daarom het verzamelen van dergelijke informatie te faciliteren met in ieder geval het beschikbaar stellen van telprotocollen en een fauna registratiesysteem, waarin de telgegevens, gedode dieren en dood gevonden dieren geregistreerd worden.

Faunabeheerplan (par.3.7.4)

Algemeen

Eisen aan het faunabeheerplan waren voorheen opgenomen in de Flora- en faunawet, het Besluit faunabeheer en de Beleidsregels faunabeheer en schadebestrijding Gelderland. Deze eisen hadden uitsluitend betrekking op schadebestrijding en populatiebeheer. In de nieuwe Wet natuurbescherming is de reikwijdte van het faunabeheerplan uitgebreid met het gebruik van vrijstelling voor schadebestrijding en het uitoefenen van de jacht. Het faunabeheerplan vervult hiermee een centrale rol in de wet.

De bevoegdheid eisen te stellen aan faunabeheerplannen is op grond van de nieuwe Wet natuurbescherming gedecentraliseerd aan provincies. Het faunabeheerplan wordt opgesteld door de Faunabeheereenheid en behoeft vervolgens nog de goedkeuring van Gedeputeerde Staten. In Gelderland wordt niet gewerkt met één faunabeheerplan maar met aparte plannen voor de verschillende diergroepen.

Artikelsgewijze toelichting

Geldigheidsduur (atikel 3.7.4.1(link..)

Voor het bepalen van de geldigheidsduur van het faunabeheerplan is aangesloten bij looptijd van andere planperioden, zoals de verhuur van de jacht, de Natura2000-beheerplannen alsmede de overeenkomsten in het kader van het (agrarisch) natuurbeheer. Derhalve is deze gesteld op zes jaar. De faunabeheereenheid kan een faunabeheerplan ook tussentijds wijzigen, bijvoorbeeld als ontwikkelingen in dierenpopulaties of ontwikkelingen in schade daartoe aanleiding geven. Dan is sprake van een nieuw plan dat goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft.

Algemene eisen aan een faunabeheerplan (artikel 3.7.4.2(link)

Het faunabeheerplan voorziet in een samenhangende aanpak van populatiebeheer door faunabeheereenheden, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht door jachthouders op de door de minister aangewezen wildsoorten. Onder regie van de faunabeheereenheid worden deze inspanningen bij het opstellen van de faunabeheerplannen op elkaar afgestemd. Voor schadebestrijding en jacht zijn deze zelfde eisen van toepassing. Het is aan de grondgebruikers om binnen het kader van het faunabeheerplan te bepalen wat aan schadebestrijding nodig is. Op basis van de op grond van artikel 3.13 van de wet verplicht door jachtaktehouders te overleggen afschotgegevens en de op grond van artikel 4.2 van deze regeling te verstrekken gegevens over bijvoorbeeld wildtrends, wordt in het faunabeheerplan richting gegeven aan de nodige inspanningen. De jachthouder moet, met inachtneming van het faunabeheerplan, bepalen wat in zijn jachtveld nodig is om een redelijke wildstand te handhaven. Ook als gewerkt wordt met meerdere faunabeheerplannen per diergroep, zoals in Gelderland gebruikelijk is, dienen deze plannen in de basis dezelfde algemene gegevens te bevatten.

Aanvullende eisen aan een faunabeheerplan met betrekking tot de beperking van de omvang van populaties (artikel 3.7.4.3 (link..)

Voor populatiebeheer fungeert het faunabeheerplan als basis voor jachtveld overstijgend planmatig beheer op basis van een ontheffing. Het faunabeheerplan bevat daarom met betrekking tot populatiebeheer nadere uitwerkingen ten opzichte van de algemene eisen. Zo moet aan de hand van zorgvuldig tegen elkaar afgewogen belangen duidelijk zijn wat de gewenste wildstanden zijn en moet worden uitgewerkt hoe wordt gehandeld om dit te bereiken en te bewaken. Voor de grote hoefdieren geldt bovendien dat ook een relatie wordt gelegd met de kenmerken van het leefgebied en in het bijzonder voedselaanbod en ontsluiting.

Wildbeheereenheid (par. 3.7.5)

Algemeen

Op grond van de Wet natuurbescherming geldt dat jachthouders met een jachtakte zich verplicht organiseren in een wildbeheereenheid. De wildbeheereenheid bevordert dat de aangesloten jachthouders de jacht en de schadebestrijding uitvoeren overeenkomstig het faunabeheerplan en ten dienste van de grondgebruikers. Daarnaast adviseren de wildbeheereenheden de faunabeheereenheid over de inhoud van de faunabeheerplannen en leveren zij – op basis van trendtellingen - de gegevens aan ten behoeve van het faunabeheerplan. De toekenning van deze taken en verantwoordelijkheden aan de wildbeheereenheden vindt haar rechtvaardiging in het feit dat deze samenwerkingsverbanden bij uitstek streekgebonden zijn.

Artikelsgewijze toelichting

Oppervlakte en begrenzing (artikel 3.7.5.1(link)

De werkgebieden van de wildbeheereenheden dienen van voldoende omvang te zijn voor een effectieve invulling van de werkzaamheden. De provincies stellen daarom bij verordening regels aan de omvang van de werkgebieden. Van belang is daarbij de grootte van de leefgebieden van de diersoorten die worden beheerd op grond van een faunabeheerplan. Wanneer de werkgebieden van de wildbeheereenheden te klein zijn, dan zal de uitvoering van het beheer onvoldoende samenhangend zijn en onvoldoende kunnen worden gecoördineerd.

De gemiddelde grootte van de WBE’s in Gelderland is circa 10.000 hectare, de door ons gestelde minimale oppervlakte van 5.000 hectare is een grootte die in de voorgaande jaren zich in Gelderland in de praktijk heeft bewezen als een goede omvang waarbij enerzijds de lokale kennis en betrokkenheid goed tot zijn recht komt en er anderzijds voldoende jachthouders kunnen deelnemen om de verenigingstaken goed uit te kunnen voeren.

Er zijn wildbeheereenheden met een werkgebied dat provinciegrensoverschrijdend is. Dit is mogelijk wanneer ze voor het deel van het werkgebied dat is gelegen in de provincie Gelderland aan de bij deze verordening gestelde eisen voldoen.

Samenwerkingsovereenkomst (artikel 3.7.5.2 (link)

Op grond van deze verordening is het mogelijk dat wildbeheereenheden die te klein zijn om te voldoen aan de oppervlakte-eis een samenwerkingsovereenkomst aangaan met een naburige wildbeheereenheid.

Ontheffing (artikel 3.7.5.3 (link)

Omdat er bij de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming enkele wildbeheereenheden mogelijk nog niet voldoen aan de oppervlakte-eis, kunnen Gedeputeerde Staten - als overgangsmaatregel - ontheffing verlenen van deze eisen, om de betreffende wildbeheereenheden de gelegenheid te geven de samenwerking te zoeken met een naburige wildbeheereenheid.

Tellingen en registratie (artikel 3.7.5.4(link)

In een faunabeheerplan is geregeld welke gegevens verzameld dienen te worden. Deze gegevens dienen ter onderbouwing van monitoring en toekomstig faunabeheer.

Uitzondering (artikel 3.7.5.5 (link..)

In Gelderland zijn de terreinbeherende organisaties reeds bij wildbeheereenheden aangesloten. Deze aanpak werkt naar tevredenheid.

Tegemoetkoming faunaschade (par. 3.7.6)

De provincies hebben ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Uit oogpunt van efficiëntie is een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. In een afzonderlijk besluit worden daarom de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen gemandateerd aan BIJ12.

Aanvraag (artikel 3.7.6.1) (link)

Een tegemoetkoming wordt in beginsel slechts op aanvraag verstrekt.

Op grond van het derde lid kan hierop een uitzondering worden gemaakt voor door Gedeputeerde Staten aan te wijzen gebieden.

Op 29 april 2016 hebben wij opdracht gegeven aan het Faunafonds voor het automatisch taxeren en uitbetalen van geconstateerde schade in rustgebieden voor overwinterende ganzen zoals opgenomen in de Regels Ruimte voor Gelderland 2016. Omdat sprake is van gebiedsgerichte taxatie namens en op initiatief van Gedeputeerde Staten vereisen wij geen voorafgaand verzoek van de betrokkenen. Achterliggende reden is het beperken van administratieve lasten waarbij de betreffende agrariërs geen behandelkosten betalen.

Houtopstanden (par. 3.7.7) (link)

Algemeen

In de Wet wordt het beschermingsregime zoals dit voorheen was vastgelegd in de Boswet gehandhaafd. De uitoefening van de bevoegdheden komen echter bij de provincie te liggen. Provinciale Staten kunnen hier regels voor stellen.

Artikelsgewijze toelichting

Gegevens melding (artikel 3.7.7.1(link)

Om te kunnen beoordelen of de gemelde velling wordt geaccepteerd of dat er een kapverbod wordt opgelegd is het mede van belang dat de wijze van herbeplanting wordt weergegeven bij de melding. Gedeputeerde staten zullen hiertoe een meldingsformulier vaststellen waarin de genoemde gegevens verwerkt kunnen worden.

Bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting (artikel 3.7.7.3(link)

Met het stellen van eisen aan herbeplanting wordt de hoofddoelstelling vorm gegeven om de oppervlakte houtopstanden in Nederland niet achteruit te laten gaan. Daarbij wordt gelet op de doelstellingen (natuur, landschap, houtproductie, recreatie) die de betreffende houtopstand kent. Gelet hierop dient het begrip “bosbouwkundig verantwoord”, breed uitgelegd te worden. Het gaat niet alleen om de houtteeltkundige kwaliteit van de houtopstand, maar ook om de natuur- en landschappelijke waarde.

De herplant (of herbebossing door natuurlijke verjonging) dient in gelijke verhouding te staan tot het gevelde. Hiermee wordt niet bedoeld dat er precies dezelfde soorten geplant moeten worden als er voor de velling aanwezig waren, wel is het de bedoeling dat de herbebossing van de gevelde of tenietgegane houtopstand weer een vergelijkbare houtteeltkundige en ecologische waarde kan ontwikkelen.

onder a,b,c

De eisen die in deze onderdelen gesteld worden zorgen ervoor dat het herstel van de gevelde houtopstand gegarandeerd wordt. Dit betekent dat er voldoende en kwalitatief goed plantmateriaal gebruikt dient te worden.

onder d

Een soort die een gevaar voor de biodiversiteit vormt kan bijvoorbeeld zijn de Amerikaanse vogelkers (prunus serotina), die gezien het woekerende karakter inheems vegetaties volledig kan verdringen.

onder f

Onder ‘gelijke verhouding’ wordt bijvoorbeeld verstaan dat boomvormers niet vervangen dienen te worden door struikvormers.

Ontheffing plicht tot herbeplanting (artikel 3.7.7.4(link)

De ontheffing van de plicht tot herbeplanting kan slechts in bijzondere gevallen worden verleend ten behoeve van herstel van cultuurhistorische waarden of natuurwaarden. Hiermee blijven de huidige ontheffingsmogelijkheden zoals opgenomen in het Gelders bosbeleid en de Boswet in stand en wordt invulling gegeven aan het beleidsarm invoeren van dit onderdeel van de wet. Er kan ontheffing worden verleend voor het herstel van cultuurhistorische waarden zoals herstel van zichtassen en dergelijke op buitenplaatsen. Ook kan ontheffing worden verleend voor natuurontwikkeling zoals herstel van hoogveen, moerassig laagveen, stuifzand en stilstaand water. Stil staande wateren kunnen in hun ontwikkeling worden bedreigd door bladval en beschaduwing. Daarnaast is ontheffing mogelijk voor achterstallig onderhoud van heideterreinen.

Ontheffing termijn plicht tot herbeplanting (artikel 3.7.7.5(link)

Natuurlijke verjonging slaagt meestal niet binnen drie jaar na de velling. Een verzoek tot ontheffingverlening van de termijn voor herbeplanting kan verleend worden als natuurlijke verjonging ook redelijkerwijs te verwachten is. Het bos dient daarbij niet oneigenlijk gebruikt te worden en de natuurlijke verjonging dient niet tegengewerkt te worden door beweiden, bemesten, rooien etc.

Ontheffing herbeplanting op andere grond (a rtikel 3.7.7.6 ...link)

eerste lid,onder a, b, c en d

Een aanvraag voor een ontheffing voor herbeplanting op andere gronden wordt getoetst aan de natuurdoelenkaarten en de natuurgebiedsplannen. Het natuurgebiedsplan geeft aan of er sprake is van een kansrijke situatie. Bij herstel van biotopen voor bijzondere soorten dieren en planten zijn soortenbeschermingsplannen maatgevend.

Bij verzoeken voor ontheffing van de plicht tot herbeplanting van houtopstanden in de nabijheid van poelen geldt dat de urgentie van dergelijke poelen hoog dient te zijn. Als in redelijkheid niet kan worden verwacht dat de herbeplanting op andere grond plaatsvindt, kan in uitzonderingsgevallen ontheffing worden verleend van de plicht tot herbeplanting.

tweede lid, onder a, b, c

Indien reeds sprake is van een plicht tot (her)beplanting op een bepaalde locatie kan hier niet nogmaals gecompenseerd worden, omdat daarmee de totale bosoppervlakte zou verkleinen. Zo is het ook niet toegestaan om te compenseren op plaatsen waar reeds compensatieverplichtingen voor andere gevallen liggen, die ontstaan zijn uit andere regelgeving.

tweede lid , onder e

Het bebossen van heideterreinen of andere hoogwaardige natuurterreinen is niet toegestaan. Het gaat daarbij over het algemeen over percelen waar reeds een natuurbestemming op ligt, maar ook weidevogelgebieden e.d. vallen hieronder. Gedeputeerde Staten kijken bij de beoordeling hiervan of bijzondere soorten en habitats in het gebied voorkomen.

tweede lid, onder h

Oude bosgroeiplaatsen zijn zeldzaam in Nederland. Op deze plaatsen is sprake van een langdurige ongestoorde ontwikkeling van de bosbodem. De bodem krijgt hierdoor specifieke kenmerken die gunstig zijn voor soorten die slechts groeien in langdurig ongestoorde bossystemen. Om deze reden dienen deze bodems bescherming te krijgen en is het niet mogelijk om houtopstanden op deze bodems elders te compenseren. Het bepalen of het gaat om een oude bosbodem kan op verschillende manieren. Via (oude) topografische kaarten, kadastrale kaarten en/of foto’s kan dit veelal worden vastgesteld. Deze gegevens kunnen ondersteund worden door vegetatiegegevens of gegevens over het voorkomen van nadere soorten, waaruit blijkt dat er sprake is van soorten die kenmerkend zijn voor oude bosbodems of oude minimaal verstoorde bossystemen.

Beweiden en bemesten bij Natura 2000 gebieden (par. 3.7.8) (link)

Algemeen

Inleiding

Op grond van artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming wordt in de voorliggende verordening opgenomen dat de vergunningplicht als voorzien in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming niet van toepassing is op het weiden van vee en het gebruik van meststoffen.

Achtergrond

In artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is een verbod opgenomen om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten, of in uitzonderingsgevallen de Minister, handelingen te verrichten of projecten te realiseren die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Op grond van artikel 2.9, tweede lid, van de Wet natuurbescherming geldt een uitzondering op de vergunningplicht voor 'bestaand gebruik'. Veelal is sprake van sinds jaar en dag bestaand gebruik van de betrokken percelen.

Op 4 februari 2015, zaaknummer 201305073, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het weiden van koeien en het uitrijden van mest nabij een Natura 2000-gebied vergunningplichtig is, omdat deze activiteiten kunnen leiden tot verslechtering van de kwaliteit van de habitats in het Natura 2000-gebied. Veelal is sprake van sinds jaar en dag bestaand gebruik van de betrokken percelen. Onduidelijk is echter welke onderbouwing noodzakelijk is om een beroep te kunnen doen op de vrijstelling van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. In de gebiedsanalyses van de Programmatische Aanpak Stikstof 2015-2021 is rekening gehouden met de stikstofdepositie als gevolg van bestaande beweiding en bemesting, en is vastgesteld dat deze depositie in het licht van de voorziene maatregelen in het programma niet leidt tot verslechtering van de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen. Ook op basis van het programma is echter nog discussie mogelijk over al dan niet gewijzigd gebruik en nieuw gebruik. Voorgaande betekent dat in veel gevallen een vergunningprocedure aangewezen kan zijn. Deze onzekerheid voor de agrarische sector en de lasten voor de sector en de bevoegde gezagen zijn voor de staatssecretaris van Economische Zaken aanleiding geweest op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 het weiden van vee en het gebruik van meststoffen vrij te stellen van de vergunningplicht in het Besluit van 9 februari 2016, houdende wijziging van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 in verband met vrijstelling van de vergunningplicht voor weiden van vee en gebruiken van meststoffen (hierna: Besluit). Dit besluit wordt met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming op 1 januari 2017 ingetrokken.

Vanaf 1 januari 2017 zijn Provinciale Staten bevoegd bij verordening categorieën van projecten en andere handeling aan te wijzen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming niet van toepassing is. Voorliggende verordening voorziet in een continuering van de vrijstelling zoals deze was opgenomen in het Besluit.

Artikelsgewijze toelichting

Vrijstelling vergunningplicht (artikel 3.7.8.1(link)

In onderhavige verordening wordt op grond van artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming een vrijstelling opgenomen van het verbod om zonder vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, vee te weiden en meststoffen te gebruiken. De vrijstelling ziet op het weiden van alle soorten vee en het op of in de bodem brengen van organische en dierlijke meststoffen en kunstmest.

Voor dergelijke activiteiten schrijft artikel 6, tweede lid, van de richtlijn uitsluitend de verplichting voor om passende maatregelen te treffen ten behoeve van het voorkomen van verslechtering van de kwaliteit van natuurlijke habitats (en van verstoring van soorten) in Natura 2000-gebieden. Dit is de basis voor de generieke vrijstellingsmogelijkheid die is opgenomen in artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming. Voor zover een dergelijke verslechtering aan de orde zou kunnen zijn, zijn er voldoende instrumenten naast de vergunningplicht om tijdig te kunnen ingrijpen. Provincies hebben de mogelijkheid om generieke regels te stellen of een aanschrijvingsbevoegdheid te gebruiken. Daarnaast kunnen provincies gebruik maken van subsidiekaders, beheerovereenkomsten, grondverwerving en de inzet van het ruimtelijke ordeningsinstrumentarium.