Provinciale omgevingsverordening Drenthe    

"De Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018 is op 3 oktober 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. In deze geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening zijn de wijzigingen ten gevolge van de volgende besluiten verwerkt:

  • Besluit van Gedeputeerde Staten van 16 juni 2020 tot wijziging van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (Planidentificatie: NL.IMRO.9922.NNNpovDrenthe20WG-VA01).
  • Besluit van Provinciale Staten van 29 september 2021 tot wijziging van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018 (planidentificatie: NL.IMRO.9922.WPOVDrenthe2018-VA01

De geconsolideerde Omgevingsverordening is de meest actuele versie van de Omgevingsverordening van de provincie Drenthe. Aan deze geconsolideerde versie kunnen geen rechten ontleend worden.”

Regels     

Hoofdstuk 1 Algemeen     

Artikel 1.1 Begripsbepalingen     

In deze verordening wordt verstaan onder:

achtergrondwaarde, baggerspecie, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse wonen, kwaliteitsklasse A en werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit;

afschotregistratie: het registreren van geschoten dieren naar soorten en aantal of aanvullende wettelijke vereisten binnen de daarvoor gestelde termijn in een daarvoor bedoeld registratiesysteem;

bedekkingsgraad: het percentage van de bosbodem dat vanaf boven wordt bedekt door een kroonprojectie;

bedrijvenregio: de binnen Drenthe bestaande regio’s Groningen – Assen (in Drenthe: gemeenten Assen, Noordenveld, Tynaarlo), Vierkant voor Werk (Dutch Techzone) (gemeenten Hoogeveen, Coevorden, Emmen) en Meppel-Zwolle (gemeenten Meppel, De Wolden, Westerveld);

bedrijventerrein: cluster van aaneengesloten percelen met een minimumoppervlakte van ten minste 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van terreinen voor agrarische doeleinden en terreinen voor afvalstort;

bedrijvigheid: de economische dynamiek binnen of in de directe omgeving van het plangebied voor zover deze zich vertaalt in een bijdrage aan de vitaliteit, waaronder mede begrepen de werkgelegenheid;

beeldkwaliteitsplan: plan dat eisen en aanbevelingen bevat met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied en met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, met het oogmerk de kwaliteit van die ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast en dat juridisch deel uitmaakt van het ruimtelijk plan waarop het betrekking heeft;

bestaande bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden op grond van een verleende bouw- of omgevingsvergunning, met uitzondering van bebouwing die gebouwd is zonder bouw- of omgevingsvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van genoemde planvormen;

bestaande activiteiten: gebruik van grond en bebouwing dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestond, met uitzondering van gebruik dat op dat tijdstip in strijd was met het geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan;

bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies dat onderdeel is van de Vereniging Interprovinciaal Overleg (IPO);

bodemenergie-systeem: een verzamelnaam van systemen en technieken die de bodem of ondergrond gebruiken als thermische energiebron of buffer (warmte en/of koude);

boorput: met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering;

boskern: een aaneengesloten houtopstand met in totaal een oppervlakte van ten minste 5 hectare bos. Singels en houtwallen die aansluiten op een bos zijn geen onderbreking van de boskern. Een beplanting is aansluitend wanneer er geen onderbrekingen in zitten die groter zijn dan 8 meter van stam tot stam gemeten aan de binnenkant van beide stammen;

bouwlaag: het gedeelte van een bouwwerk tussen twee vloeren in, met uitzondering van het souterrain en de zolder met dien verstande dat bij bouwen de bouwlaag de verdieping is waarmee een bouwwerk wordt verhoogd;

centrumgebied: concentratiegebied met 5 of meer winkels of andere voorzieningen op korte afstand van elkaar, zoals bijvoorbeeld een binnenstad of buurt- en wijkcentrum;

dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een waterschap in de provincie Drenthe;

doelmatig gebruik van bodemenergie: het optimaal gebruik maken van de potentie van de bodem om energie te leveren. Daarbij gaat het enerzijds om een zo goed mogelijk rendement van een systeem op een bepaalde locatie waarbij een goed ontwerp en goed beheer bepalend zijn en anderzijds om de totale energieproductie van meerdere systemen in een gebied. Bij dit laatste gaat het in praktische zin om het voorkomen van negatieve interferentie en om een optimale onderlinge ordening van bodemenergiesystemen;

doelmatig gebruik van de bodem: het zodanig gebruiken van de bodem dat dit leidt tot een minimale verandering van de bodem, efficiënt ruimtegebruik, het behoud of de verbetering van de huidige kwaliteit en kwantiteit en het voorkomen dat andere belangrijke functies in het geding komen;

evaluatieverslag: het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming;

gedeputeerde staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe;

een geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder;

gemeentelijke werklocatievisie: een beleidsdocument van een gemeente waarin - op basis van een analyse tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale werklocatie(s) in de desbetreffende gemeente en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen;

geothermie-systeem: een bodemenergie-systeem waarmee warmte wordt onttrokken aan water uit de (diepe) ondergrond, ten behoeve van de verwarming van gebouwen of processen of voor het opwekken van elektriciteit, waarna het afgekoelde water weer in dezelfde laag in de ondergrond wordt teruggebracht. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen ondiepe geothermiesystemen (tot maximaal 500 meter beneden maaiveld) en diepe geothermiesystemen (dieper dan 500 meter beneden maaiveld);

gesloten WKO-systeem: installatie waarmee, zonder grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van bijbehorende warmtepomp, circulatiepompen en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig;

gewasbeschermingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

grond- of funderingswerken: een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies;

grondgebonden agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden, met uitzondering van varkens-, pluimvee- en geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen;

informatiewaarde: de betekenis van een kernkwaliteit als bron van kennis over het verleden;

insteek van het oppervlaktewater: de lijn waar talud en maaiveld elkaar ontmoeten;

intensieve veehouderij: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, of geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van melkrundveehouderij, rundveemesterij waarbij de feitelijke bedrijfsvoering grondgebonden is, vleeskalverhouderij waarbij de feitelijke bedrijfsvoering grondgebonden is, en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet;

kernwinkelgebied: het aaneengesloten gebied in het bestaand stedelijk gebied dat als het belangrijkste winkelcentrum kan worden aangemerkt, zowel wat betreft aantal winkels als winkelassortiment;

kernkwaliteiten: de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe voor wat betreft:

  1. archeologie;
  2. aardkundige waarden;
  3. cultuurhistorie;
  4. landschap;
  5. rust;
  6. natuur;

kleinschalige winkels bij recreatiebedrijven: kleinschalige winkels die een functie hebben voor en qua assortiment aansluiten bij de aard en functie van recreatiebedrijven;

landgoed: een landschappelijk ontwikkeld gebied met één wooneenheid, eventueel in combinatie met ondergeschikte functies, die het voornamelijk door architectonische verbintenis met een landgoedontwerp allure en uitstraling verkrijgt;

landschappelijk inpassingsplan: juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt;

lijst A: de in de bij deze verordening behorende bijlage II opgenomen lijst van vaarwegen in beheer bij de provincie Drenthe;

lijst B: de in de bij deze verordening behorende bijlage II opgenomen lijst van binnen de provincie gelegen vaarwegen in beheer bij andere overheidslichamen, het Rijk uitgezonderd;

locatie voor kantoren: perceel of cluster van aaneengesloten percelen waarop gebouwen gerealiseerd dan wel te realiseren zijn met een minimale bruto vloeroppervlakte van 3.000 m2 uitsluitend of hoofdzakelijk voor kantoren en daarbij behorende voorzieningen;

lokale werklocatie: een bedrijventerrein dat:

  1. plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig is) vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties;
  2. bedrijven huisvest die kleinschalig zijn;
  3. plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving;
  4. geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3.1 volgens VNG-uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering'), waarbij geldt dat op basis van duidelijke gemotiveerd uitzonderingsbeleid de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk is;

maatschappelijk belang: een belang dat educatief, sociaal-medisch, sociaaleconomisch, sociaal-cultureel, recreatief of levensbeschouwelijk van aard is, de duurzaamheid bevordert, dan wel gerelateerd is aan sport of aan openbare dienstverlening;

minimaal benodigde vaarwegdiepte: de vaarwegdiepte op basis van de scheepstype indeling conform CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd met de benodigde kielspeling;

nader onderzoek: het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wet bodembescherming;

Natuurnetwerk Nederland: stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot veiligstelling van ecosystemen met daarbij behorende soorten;

nazorgplan: het nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming;

neventak: activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van de agrarische hoofdactiviteit behoren en die op basis van de standaardopbrengst (SO) norm daaraan ondergeschikt zijn;

omgevingsvisie: de Omgevingsvisie Drenthe, zoals vastgesteld door provinciale staten;

ondergeschikte detailhandel: detailhandel die in ruimtelijk, functioneel en inkomens wervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge het ruimtelijk plan toegestane hoofdfunctie (activiteit) en uitsluitend plaatsvindt als niet zelfstandig onderdeel van een onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de onderneming;

open WKO-systeem: installatie waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik (geheel of deels) in de bodem terug te brengen, met inbegrip van bijbehorende bronpompen, warmtewisselaar en, voor zover aanwezig, warmtepomp en regeneratievoorziening;

openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip ‘wegen’, met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers en fietsers;

oranje gebied: een gebied als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid;

peilbesluit: een besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet;

permanente bewoning van recreatiewoning: gebruik van een recreatiewoning als feitelijk hoofdverblijf;

plancapaciteit: de directe vestigingsmogelijkheden voor detailhandel die zijn vastgelegd in een juridisch bindend planologisch kader, zoals vastgestelde ruimtelijk plannen, gebieden zonder ruimtelijk plan (witte vlekken) en verleende (kruimel) omgevingsvergunningen;

projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet;

recreatiewoning: woning ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf;

regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet;

regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening;

regionale werklocatie: een bedrijventerrein of locatie voor kantoren die plaats biedt aan bedrijven met een bovenlokale oriëntatie, zowel qua arbeidsmarkt als qua toelevering- en afnemersrelaties, en die is gelegen in een bedrijvenregio dan wel het VAM/MERA-terrein te Wijster betreft;

regionale werklocatievisie: een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale werklocatie(s) en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen;

rood gebied: een gebied als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid;

ruimtelijk plan: in deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder ruimtelijk plan verstaan:

  1. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening;
  2. een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening;
  3. een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening;
  4. een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
  5. een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet;

ruimte-voor-ruimte regeling: regeling ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied door het verwijderen van landschapsontsierende agrarische bedrijfsgebouwen, die geen agrarische functie meer hebben en waarvoor ter compensatie van de sloop een of meerdere woning(en) mag (mogen) worden gebouwd;

saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming;

schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen;

schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet;

temperatuur opslag-systeem: een bodemenergie-systeem waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem of de ondergrond voor de (tijdelijke) opslag van (rest)warmte ten behoeve van de verwarming van ruimten in bouwwerken of processen. Er zijn drie typen te onderscheiden: Lage temperatuuropslag (LTO: tot 30 °C) Middelhoge (MTO: 30-60 °C) en Hoge temperatuuropslag (HTO: 60-90 °C);

trendtellingen: een jaarlijks op uniforme wijze uitgevoerde telling die inzicht geeft in de minimaal aanwezige aantallen dieren;

vaarweg: elk binnen de provincie gelegen oppervlaktewaterlichaam dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B;

vaarwegbeheer: de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;

vaarwegbeheerder: het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of lijst B;

vakantiepark: een terrein of een plaats van enige omvang, al dan niet geheel of gedeeltelijk met gemeenschappelijke voorzieningen ingericht en blijkens die inrichting en juridische bestemming bedoeld om meerdere recreatiewoningen of campings te plaatsen of geplaatst te houden;

vrijkomende agrarische bebouwing: bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door (gedeeltelijke) beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor invulling met een niet-agrarische functie, dan wel gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een voormalige overeenkomstige bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn geweest, maar inmiddels een niet-agrarische functie hebben;

waterleidingmaatschappij: een bedrijf dat grond- of oppervlaktewater wint met het doel dit te gebruiken voor de bereiding van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening;

weidevogels: alle grondbroedende vogelsoorten op percelen die in agrarisch gebruik zijn;

weidewinkel: een solitaire, los van het bestaand stedelijk gebied gelegen, winkelvestiging of cluster van vestigingen;

wegen: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet, met inbegrip van verhardingen, bermen, glooiingen en bermsloten, met alle bijbehorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen.

werk: elk kunstwerk of ander bouwwerk, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen;

werklocatie: bedrijventerrein en/of een locatie voor kantoren;

wezenlijke kenmerken en waarden: aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden met een bestemming natuur, tevens potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities, voor zover deze natuurwaarden en condities in het licht van de internationale biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn;

windturbine: door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit;

WKO-systeem: Warmte- Koude Opslag-systeem, een bodemenergiesysteem dat kan bestaan uit een open of een gesloten systeem;

zone 1: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen het maaiveld en een diepte van 25 m beneden maaiveld;

zone 2: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen een diepte van 25 m beneden maaiveld en een diepte van 500 m beneden maaiveld.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk omgevingsbeleid     

Titel 2.1 Algemeen     

Met deze wijziging vervalt titel 2.1 van de POV 2018. Deze titel bevatte instellingsbepalingen voor de Commissie Leefomgeving (cieL). De Omgevingsverordening is in de eerste plaats bedoeld als verordening die regels stelt ten aanzien van de fysieke leefomgeving. Deze titel valt buiten dat kader. Daarom wordt deze titel uit de POV 2018 gehaald en vervolgens vastgelegd in een separate verordening.

Titel 2.2 Ruimtelijke Kwaliteit     

Paragraaf 2.2.1 Kernkwaliteiten     

Artikel 2.1 Vervallen - Instelling commissie Leefomgeving     
Artikel 2.2 Vervallen - Samenstelling commissie Leefomgeving     
Artikel 2.3 Vervallen - Ondersteuning commissie Leefomgeving     
Artikel 2.4 Vervallen - Benoeming commissie Leefomgeving     
Artikel 2.5 Vervallen - Openbaarheid vergadering commissie Leefomgeving     
Artikel 2.6 Werken met kernkwaliteiten     
  1. Als kernkwaliteiten worden aangewezen de thema’s en gebieden zoals die zijn neergelegd op de bij deze verordening behorende kaart A (kaartlaag stilte), kaart D3 (kaartlaag Natuurnetwerk Nederland), kaarten D4 t/m D7 waarbij voor de kaart D7 (Kernkwaliteit landschap) geldt dat van een provinciaal belang alleen sprake is in de situaties zoals in de omgevingsvisie (hoofdstuk 4) omschreven.
  2. Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn:
  3. wordt in het ruimtelijk plan uiteengezet hoe het desbetreffende plan zich verhoudt tot het behoud en de ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform het provinciaal beleid, en de strategische opgaven en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de omgevingsvisie;

  4. maakt het desbetreffende ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die deze kernkwaliteiten significant aantasten.

Artikel 2.7 Combinatiemodel     

Artikel 2.6, lid 2 sub b is niet van toepassing voor zover de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan aantoont dat het niet mogelijk is een of meerdere van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten in het plan met elkaar te verenigen op een manier die aan behoud en ontwikkeling

van ieder van die kernkwaliteiten afzonderlijk ten goede komt, mits:

  1. de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan tussen de strategische opgaven zoals genoemd in de Omgevingsvisie en de kernkwaliteiten een zorgvuldige planologische afweging maakt, en;
  2. voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk veilig gesteld wordt, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Erfgoedwet of de in het betreffende beleidsveld geldende onderzoeksnormen.
Artikel 2.8 Wijzigingsbevoegdheid kernkwaliteitenkaart     

Gedeputeerde staten kunnen de bij deze verordening behorende kaarten A, D3, t/m D7 voor wat betreft de Kernkwaliteiten wijzigen:

  1. op grond van feitelijke informatie die nader inzicht verschaft in de waarden of verwachtingen (archeologische) die op de kaart zijn vastgelegd en die tot een correctie van die kaart noopt of;
  2. om de kaart aan te passen aan de feitelijke situatie die ontstaat doordat de onder artikel 2.7 beschreven situatie zich voordoet op het moment dat het desbetreffende ruimtelijk plan onherroepelijk is geworden.

Titel 2.3 Bruisend Drenthe     

Paragraaf 2.3.1 Algemene bepalingen     

Artikel 2.9 Aanwijzing bestaand stedelijk gebied     
  1. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangewezen het gebied dat als zodanig staat aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart D1 ‘Bestaand stedelijk gebied’.
  2. Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing zoals is aangegeven op de in het eerste lid bedoelde kaart wijzigen wanneer via onherroepelijk geworden ruimtelijke plannen of een inpassingsplan nieuwe bebouwingsmogelijkheden zijn gecreëerd en voorts ter correctie van feitelijke onjuistheden.
Artikel 2.10 Basisbepalingen Bruisend Drenthe     

In een ruimtelijk plan wordt uiteengezet hoe de met het plan beoogde ontwikkelingen passen binnen de strategische opgaven - voor zover van provinciaal belang - zoals weergegeven op de kaart Strategische Opgaven 2030 die in de omgevingsvisie voor het desbetreffende gebied is neergelegd.

Paragraaf 2.3.2 Thematische bepalingen     

Artikel 2.11 Ondergrond     
  1. In een ruimtelijk plan waarin realisering van woonwijken, bedrijventerreinen en/of glastuinbouw is voorzien, wordt aangegeven hoe dat plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor bodemenergie.
  2. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van afvalstoffen in de ondergrond, met uitzondering van de mogelijkheid tot de injectie van formatiewater uit gas- en oliewinning.
  3. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van gevaarlijk of radioactief afval in de ondergrond.
  4. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de injectie van CO2 in aquifers.
  5. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe voor de injectie van CO2 in 'lege' gasvelden met als oogmerk permanente opslag tenzij deze ontwikkelingen in overeenstemming zijn met hetgeen daarover is opgenomen in de door provinciale staten vastgestelde Structuurvisie ondergrond.
Artikel 2.12 Agrarische bedrijvigheid     

Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op locaties die op de bij deze verordening behorende kaart D9 zijn aangeduid als ‘Landbouwgebied’, voorziet niet in ontwikkelingen die een structureel negatief effect op het functioneren van de agrarische sector in het gebied hebben.

Artikel 2.13 Grondgebonden agrarisch bedrijf     
  1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat op de bij deze verordening opgenomen kaart D9 als ‘Bouwvlak grondgebonden agrarisch bedrijf’ is aangeduid, kent aan een grondgebonden agrarisch bedrijf een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare toe, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan in een groter bouwvlak voorzien, mits deze ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan.
  3. In afwijking van het eerste en tweede lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en sleuf- en mestsilo's alsmede mestplaten in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een agrarisch bedrijf betekent.
Artikel 2.14 Intensieve veehouderij     
  1. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwvestiging van intensieve veehouderijen en evenmin in het omschakelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij. Dit geldt niet voor agrarische bedrijven waar door toepassing van de neventakbepaling, planologisch gezien de intensieve veehouderij niet meer als neventak kan worden beschouwd. Peildatum voor deze bepaling ligt op 20 augustus 2014.
  2. Een ruimtelijk plan staat aan een intensieve veehouderij een bouwvlak toe met een omvang van maximaal 1,5 hectare, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan, waarbij geldt dat de bedrijfsbebouwing – de bedrijfswoning uitgezonderd – uit 1 bouwlaag bestaat.
  3. Een ruimtelijk plan kan, onverlet de randvoorwaarden uit het tweede lid van dit artikel, het bouwvlak voor een intensieve veehouderij vergroten tot maximaal 2 hectare, mits dit samengaat met winst voor het milieu en de landschappelijke inpassing berust op een landschappelijk inpassingsplan.
  4. In afwijking van het tweede en derde lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en mestsilo's ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent.
  5. Een ruimtelijk plan kan voorzien in verplaatsing van intensieve veehouderijen naar de op kaart D9 aangegeven als ’Landbouwgebied’ in het geval sprake is van sanering, samenvoeging of het oplossen van een knelpunt binnen Drenthe, waarbij geldt dat:
    1. het bouwvlak voor een intensieve veehouderij maximaal 1,5 hectare bedraagt, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan;
    2. het bouwvlak, onverlet de randvoorwaarden uit sub a van dit artikellid, voor een intensieve veehouderij bij maatwerk en landschappelijke inpassing blijkens een landschappelijk inpassingsplan tot maximaal 2 hectare kan worden vergroot;
    3. de bedrijfsbebouwing uit 1 bouwlaag bestaat.
  6. In afwijking van het vijfde lid, onder a en b, kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en mestsilo's in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent.
  7. In afwijking van het derde en vijfde lid onder b. kan, onverlet de randvoorwaarden uit het derde lid, een ruimtelijk plan in een groter bouwvlak voor intensieve veehouderij voorzien, indien:
    1. de noodzaak daartoe aanwezig is voor een verdere verduurzaming (zoals bijvoorbeeld mest, energie en emissies) van het bedrijf en daarvoor voorzieningen nodig zijn (waaronder bebouwing) die ten gevolge van het ruimtegebrek niet kunnen worden gerealiseerd binnen het bouwvlak van 2 hectare, of
    2. het gaat om samenvoeging in combinatie met sanering van een intensieve veehouderij. Het te saneren bedrijf moet grenzen aan het Natuurnetwerk Nederland of liggen in lintbebouwing of in een cluster van bebouwing;waarbij geldt dat er sprake moet zijn van een aantoonbaar provinciaal belang, waarbij:
      1. het uit te breiden bedrijf ligt in op locaties die op de bij deze verordening behorende kaart D9 zijn aangeduid als ‘Landbouwgebied’;
      2. de te saneren locatie planologisch wordt weg bestemd;
      3. er sprake is van winst op het gebied van milieu, volksgezondheid en dierenwelzijn op de uit te breiden locatie;
      4. er sprake is van landschappelijke inpasbaarheid die berust op een landschappelijk inpassingsplan;
      5. de uitbreiding samengaat met investering in duurzame energievoorziening en;
      6. de uitbreiding van de oppervlakte van het bouwvlak met stallen niet groter is dan de oppervlakte die de te saneren locatie volgens een ruimtelijk plan bij recht mogelijk maakt.
Artikel 2.15 Overige agrarische activiteiten     
  1. Een ruimtelijk plan kan voorzien in de nieuwvestiging van glastuinbouw als de locatie is opgenomen op de in de bij deze verordening opgenomen kaart D9 benoemde glastuinbouwlocaties in de gemeente Emmen.
  2. Een ruimtelijk plan kan voorzien in alternatieve gebruiksmogelijkheden voor vrijkomende agrarische bebouwing als in dat ruimtelijk plan wordt aangetoond dat:
    1. de nieuwe (bedrijfs)activiteit niet milieubelastend van aard is; en
    2. de woonfunctie van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing gehandhaafd blijft.
  3. Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in realisering van vergistingsinstallaties bij agrarische bedrijven wanneer uit het ruimtelijk plan blijkt dat die ontwikkeling zich positief verhoudt tot het 'Beleidskader Co-Vergisting'.
Artikel 2.16 Ruimte-voor-ruimte regeling     
  1. Een ruimtelijk plan voor een gebied, niet gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig is.
  2. De ruimte-voor-ruimte regeling wordt vormgegeven met inachtneming van het volgende:
    1. toepassing van de regeling is alleen mogelijk voor agrarische bedrijfsbebouwing die op 2 juni 2010 al aanwezig was;
    2. de randvoorwaarde dat de sloopnorm voor 1 compensatiewoning tenminste 750 m2 en tenminste 2.000 m2 voor maximaal 2 compensatiewoningen aan agrarisch bedrijfsbebouwing bedraagt;
    3. een beperkte afwijking van de onder b genoemde randvoorwaarde is mogelijk mits sprake is van een extra kwaliteitsslag;
    4. in het ruimtelijk plan mag de mogelijkheid worden geboden tot het samenvoegen van agrarische bebouwing op meerdere percelen (saldering) om te kunnen komen tot de sloopnorm van 750 m2 of tot 2.000 m2;
    5. randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de compensatiewoning worden vastgelegd;
    6. de randvoorwaarde dat bouw van een compensatiewoning niet plaatsvindt in gebieden die op kaart D3 (Natuurnetwerk Nederland) en/of kaart D11 (Beekdal en bergingsgebied) zijn aangeduid, tenzij de oorspronkelijke agrarische bedrijfsbebouwing wordt verwijderd in de betreffende gebieden.
Artikel 2.17 Woningbouw     
  1. Een ruimtelijk plan kan voorzien in nieuwe woningbouw mits de behoefte op basis van de gemeentelijke woonvisie kan worden aangetoond en aansluit bij bestaand stedelijk gebied. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad:
    1. draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's;
    2. benoemt tenminste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur.
    3. schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad;
    4. geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd;
    5. geeft een lange termijn beeld.
  2. Een ruimtelijk plan kan voorzien in incidentele bouwmogelijkheden buiten het bestaand stedelijk gebied in de gevallen:
    1. bedrijfswoningen, een tweede woning bij een agrarisch bedrijf, het splitsen van boerderijen in twee of meer woningen, en nieuwbouw die past binnen de kaders van de ruimte-voor-ruimte-regeling;
    2. incidentele nieuwbouw van een enkele woning buiten bestaand stedelijk gebied is mogelijk, mits:
      1. de bebouwing is gelegen in een bebouwingslint of een cluster van bebouwing;
      2. er sprake is van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;
      3. er sprake is van een landschappelijke inpassing passend bij de gebiedskenmerken die zijn vastgelegd in een landschappelijk inpassingsplan, en;
      4. het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie.
  3. In uitzonderlijke gevallen kan een ruimtelijk plan buiten het bestaand stedelijk gebied voorzien in de realisatie van bijzondere woonmilieus, mits
    1. deze kleinschalig zijn;
    2. deze gericht zijn op woonwensen en leefstijlen van kleine specifieke doelgroepen;
    3. het uitgangspunt bij de ontwikkeling van deze woonmilieus een landschappelijk kader is dat aansluit bij de kernkwaliteiten van het gebied, en;
    4. het woonmilieu alleen kan worden ontwikkeld samen met het verbeteren van andere functies, zoals het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit, het vergroten van het cultuurhistorische karakter, het verbeteren van voorzieningen, het realiseren van de water- en natuuropgave en het versterken van de recreatie.
Artikel 2.18 Bedrijvigheid     
  1. Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in nieuwe regionale werklocaties of uitbreiding van een bestaande regionale werklocatie indien dit past in een regionale werklocatievisie, dan wel in een gemeentelijke werklocatievisie mits deze regionaal is afgestemd, en indien in het desbetreffende ruimtelijk plan wordt onderbouwd dat deze werklocatievisie voldoende actueel is.
  2. Een ruimtelijk plan dat niet betrekking heeft op het bestaand stedelijk gebied van de plaatsen Hoogeveen, Emmen, Meppel, Assen en Coevorden kan alleen voorzien in nieuwe of uitbreiding van lokale werklocaties wanneer het desbetreffende ruimtelijk plan vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan en wanneer de locatie wordt bestemd voor kleinschalige en lokaal georiënteerde bedrijvigheid.
  3. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de mogelijkheid dat een ruimtelijk plan voorziet in vestiging of significante uitbreiding van een solitair buiten bestaand stedelijk gebied gelegen regionaal georiënteerd bedrijf. Deze regels hebben geen betrekking op bedrijven binnen de sector recreatie en toerisme en overige functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijvigheid.
  4. Een ruimtelijk plan voorziet alleen in de vestiging van nieuwe bedrijven voor zover deze niet volgens de VNG systematiek 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' zouden vallen in de milieucategorieën 4, 5 en 6, tenzij op regionale werklocaties.
  5. In afwijking van het vierde lid kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe bedrijvigheid die volgens de VNG systematiek 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' valt in de categorie 4 voor zover dit gebeurt via door de betreffende gemeente vastgesteld uitzonderingsbeleid.
  6. Een ruimtelijk plan dat voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe werklocatie dient vergezeld te gaan van een beeldkwaliteitsplan dat juridisch is verbonden aan het desbetreffende ruimtelijke plan.
Artikel 2.18a detailhandel     
  1. Een ruimtelijk plan kan binnen bestaand stedelijk gebied uitsluitend in nieuwe Plancapaciteit voorzien binnen of direct in aansluiting op het centrumgebied.
  2. Een ruimtelijk plan voorziet binnen bestaande stedelijk gebied uitsluitend in nieuwe Plancapaciteit buiten het centrumgebied, indien één (of meer) van de volgende aspecten van toepassing is:
    1. het een supermarkt betreft in een kleine kern (< 5.000 inwoners), die ruimtelijk niet (goed) inpasbaar is in het Centrumgebied, waarbij in dat gebied nauwelijks sprake is van een concentratie van winkels;
    2. het detailhandel betreft in branches die niet essentieel zijn voor het functioneren van centrumgebieden en die door de grootte van de winkel of de aard en omvang van het assortiment niet of minder goed passen binnen centrumgebieden; detailhandel in de branchegroep dagelijkse goederen en de branchegroep mode & luxe zijn essentieel en daarom uitgesloten;
    3. het kleinschalige ondergeschikte detailhandel aan huis betreft, of;
    4. het detailhandel betreft met een kleiner winkelvloeroppervlak dan 500 m² op trafficlocaties of bij toeristische voorzieningen waarbij de detailhandel aansluit bij de aard van die voorzieningen.
  3. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwe Plancapaciteit buiten bestaand stedelijk gebied, tenzij:
    1. wordt aangetoond dat de Plancapaciteit naar aard en omvang niet inpasbaar is in bestaand stedelijk gebied. Detailhandel in de branchegroepen dagelijks en mode & luxe zijn uitgesloten;
    2. het detailhandel betreft met een kleiner winkelvloeroppervlak dan 500 m² op trafficlocaties of bij toeristische voorzieningen waarbij de detailhandel aansluit bij de aard van die voorzieningen, of;
    3. het Ondergeschikte detailhandel met een kleiner winkelvloeroppervlak dan 200 m² bij een bedrijf betreft, waarbij de aard van de verkochte goederen in verband staat met de hoofdactiviteit van dat bedrijf.
  4. Ten behoeve van een ruimtelijk plan dat voorziet in Plancapaciteit met een groter winkelvloeroppervlak dan 1.500 m² (wvo) vindt regionale afstemming plaats met naburige gemeenten, waarvan het ruimtelijk plan een schriftelijke samenvatting van het proces en de overwegingen van verschillende gemeenten bevat.
Artikel 2.19 Mobiliteit     

Ruimtelijke plannen met nieuwe woningbouwlocaties, voorzieningen, kantoren, (dag)recreatieve voorzieningen of bedrijven, die verkeersbewegingen kunnen veroorzaken die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur, geven in de plantoelichting inzicht in:

  1. de mogelijkheden van bestaande verkeers- en vervoersvoorzieningen om de extra mobiliteit veilig en adequaat op te vangen;
  2. de wijze waarop binnen het plan wordt voorzien in een adequate en veilige aansluiting op het bestaande wegen- en fietspadennet;
  3. de wijze waarop aansluiting op het Basisnetwerk openbaar vervoer wordt gerealiseerd.
Artikel 2.20 Functiewijziging verblijfsrecreatie naar wonen     
  1. Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in functiewijziging van verblijfsrecreatie naar wonen indien:
    1. het gehele vakantiepark dan wel ruimtelijke samenhangende recreatiewoningen onderdeel is van één plan;
    2. de functiewijziging betrekking heeft op een gedeelte van, of gehele parken dan wel ruimtelijk samenhangende onderdelen daarvan en niet op losse recreatiewoningen;
    3. in het ruimtelijk plan inzicht wordt gegeven in de problematiek van het betreffende vakantiepark en wordt onderbouwd dat een functiewijziging naar wonen bijdraagt aan de oplossing van deze problematiek;
    4. de bestaande recreatiewoningen geen stacaravans of vergelijkbare bouwwerken zijn, tenzij in het ruimtelijk plan wordt geborgd dat de functiewijziging naar wonen in ieder geval gepaard gaat met een verbetering van de uiterlijke verschijningsvorm en de randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de woning in het ruimtelijk plan worden vastgelegd;
    5. de betreffende woningen voldoen aan de minimale wettelijke eisen en in het ruimtelijk plan gemotiveerd wordt dat de functiewijziging past binnen de gemeentelijke woonvisie ofwel de balans tussen vraag en aanbod in de woningvoorraad, zodat deze aansluit bij de demografische behoefte, en;
    6. in het ruimtelijk plan wordt onderbouwd dat er een ruimtelijke, maatschappelijke en/of landschappelijke meerwaarde ontstaat, en het ruimtelijk plan vergezeld gaat van een uitvoeringsplan waarin de maatregelen staan die gericht zijn op de genoemde meerwaarde, dat juridisch verbonden is aan het betreffende ruimtelijk plan.
  2. Gedeputeerde staten hechten er voor de beoordeling aan dat het ruimtelijk plan door en met betrokkenen tot stand is gekomen en zullen dit in hun afweging betrekken.

  3. Bij toepassing van dit artikel zijn de bepalingen van artikel 2.17 niet van toepassing.

Artikel 2.21 Nieuwe verblijfsrecreatie en uitbreiding verblijfsrecreatie     

Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in een nieuw park of uitbreiding van een park indien het ruimtelijk plan regels stelt ter waarborging van levensvatbare langjarige bedrijfsmatige exploitatie van het park, zodat permanente bewoning van recreatiewoningen wordt voorkomen

Artikel 2.22 Windenergie     
  1. Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in de toepassing van windenergie indien uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap, waarbij:

    1. de windturbine(s) op logische locaties komen waar het dynamische en technische karakter van de turbines aansluit bij verwante functies en, of in landschappen waar turbines minder waarneembaar of dominant zijn, en/of;

    2. er bij windturbines sprake is van een afzonderlijk waarneembare opstelling zodat er geen tot nauwelijks interferentie tussen de opstellingen ontstaat.

    3. geborgd is dat op de gebruikte locatie de installatie(s) na uit gebruik name worden verwijderd.

  2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een ruimtelijk plan, wanneer het gaat om kleine installaties met een ashoogte van maximaal 15 m, voorzien in de toepassing van windenergie wanneer uit het desbetreffende plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap.

Artikel 2.23 Windenergie specifieke afspraken     
  1. In de gemeente Coevorden wordt conform bestaande afspraken uiterlijk in 2020 windenergie in ruimtelijke plannen vastgelegd zodat tenminste 40 MW aan capaciteit wordt gerealiseerd, waarbij het vermogen van een windturbine ten minste 3 MW bedraagt en de windturbines ten minste in een cluster van 5 (en één cluster van 4) worden gerealiseerd.
  2. In de gemeente Emmen wordt conform bestaande afspraken uiterlijk in 2020 aan windenergie in ruimtelijke plannen vastgelegd zodat tenminste 95,5 MW aan capaciteit wordt gerealiseerd, waarbij het vermogen van een windturbine ten minste 3 MW bedraagt en de windturbines ten minste in een cluster van 5 worden gerealiseerd.
Artikel 2.24 Zonne-energie     
  1. Een ruimtelijk plan dat voorziet in de realisatie van zonne-akkers met een grotere oppervlakte dan 140 m² neemt de maximale gemeentelijke oppervlakte in acht conform bijlage X bij deze verordening.
  2. Een ruimtelijk plan kan, onverminderd het bepaalde in lid 1, uitsluitend voorzien in de realisatie van zonne-akkers met een grotere oppervlakte dan 140 m² indien:
    1. uit het ruimtelijk plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap;
    2. er sprake is van een combinatie met andere functies of van een meerwaarde voor andere provinciale doelen en belangen;
    3. het ruimtelijk plan, voor zover dit voorziet in zonne-akkers op agrarische landbouwgronden, aantoont dat niet in de behoefte kan worden voorzien binnen bestaand stedelijk gebied;
    4. met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik rekening wordt gehouden met de beschikbare netcapaciteit en de afstand van de zonne-akker tot beschikbare aansluitingspunten;
    5. rekening wordt gehouden met de uitgangspunten van de Regionale Energiestrategie Drenthe;
    6. in het ruimtelijk plan wordt vastgelegd hoeveel oppervlakte is vereist voor zonnepanelen, onderhoudspaden, voertuigpaden anders dan onderhoudspaden, schaduwval, transformatoropstellingen, omvormers, schakelstations, infrastructuur, onderhoudsgebouwen, en hekwerken;
    7. het ruimtelijk plan vergezeld gaat van een participatieverslag waaruit blijkt dat concrete inspanningen zijn verricht om draagvlak voor het initiatief te genereren, en
    8. het ruimtelijk plan een maximale termijn van ten hoogste 25 jaar bevat, waarna de installaties dienen te worden verwijderd en de oorspronkelijke situatie dient te worden hersteld.
  3. Bij het aanwenden van hun bevoegdheden nemen Gedeputeerde Staten de Beleidsregel Zon in acht met betrekking tot de uitleg van lid 2, sub a, b en f van dit artikel.
Artikel 2.24a ontheffing     
  1. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van Burgemeester en Wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 2.24, lid 1, voor zover in dat geval de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Van bijzondere omstandigheden is uitsluitend sprake indien naar het oordeel van Gedeputeerde Staten:
    1. sprake is van meervoudig ruimtegebruik ten behoeve van een concreet omschreven en actuele gebiedsopgave die hiermee in overwegende mate aantoonbaar wordt geoptimaliseerd;
    2. de hoeveelheid zonne-akkers op land in een evenwichtige verhouding is met de hoeveelheid zonnepanelen op daken, dan wel dat wordt verzekerd dat de zonne-akkers gepaard gaan met een significante ontwikkeling voor zon op dak, en;
    3. wordt voldaan aan de regels van artikel 2.24, lid 2.
  2. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van Burgemeester en Wethouders ontheffing verlenen van de regels in artikel 2.24, lid 1, ten behoeve van een ruimtelijk plan dat voorziet in een zonne-akker van ten hoogste 2,5 hectare, voor zover in dat geval de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.
Artikel 2.25 Radioastronomie     
  1. Een ruimtelijk plan kan, voor zover deze gebieden bestrijkt die op de bij deze verordening behorende kaart D8 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone I', alleen voorzien in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden.
  2. Een ruimtelijk plan kan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op de bij deze verordening behorende kaart D8 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone II', alleen voorzien in bedrijfsvestiging, -uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden.
Artikel 2.26 Koloniën van Weldadigheid     

Gereserveerd.

Artikel 2.27 Nationaal Park Drentsche Aa     
  1. Een ruimtelijk plan kan, voor zover dit plan betrekking heeft op gronden aangeduid op kaart D2 (Nationaal Park Drentsche Aa), alleen voorzien in ruimtelijke ontwikkelingen voor zover deze bijdragen aan het behoud en het versterken van en niet in strijd zijn met de doelstellingen, kwaliteiten en kenmerken van het Nationaal Park Drentsche Aa zoals deze zijn opgenomen in het BIO-plan Drentsche Aa 2.0 (2012 - 2020).
  2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voor zover dit plan betrekking heeft op een gebied dat onderdeel uitmaakt van het Nationaal Park Drentsche Aa in ruimtelijke ontwikkelingen voorzien wanneer:

    a. de kenmerken van het landschap worden versterkt en er rekening wordt gehouden met het draagvermogen van het landschap gelet op de bouwvolumes, schaalgrootte en verschijningsvormen, en;

    b. het ruimtelijk plan vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan en landschappelijk inpassingsplan die juridisch verbonden zijn aan het desbetreffende ruimtelijke plan.
  3. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voor zover dit plan betrekking heeft op een gebied dat onderdeel uitmaakt van het Nationaal Park Drentsche Aa in ruimtelijke ontwikkelingen voorzien wanneer:
    1. er sprake is van een groot maatschappelijk belang met het oog op duurzame energieontwikkeling;
    2. er geen reële andere mogelijkheden zijn;
    3. er rekening wordt gehouden met het landschap en de eventuele nadelige gevolgen voor het landschap en tot de verhouding van het rendement;
    4. de nadelige effecten op het behoud of de versterking van de kwaliteiten kenmerken van het Nationaal Park Drentsche Aa als bedoeld in het eerste lid waar mogelijk worden gemitigeerd en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij:
      1. de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de kenmerken en kwaliteiten; en
      2. de compensatie plaatsvindt:
        • aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij het aangetaste gebied;
        • door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied;
        • of op financiële wijze;
    5. de aard van de effectbeperkende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied en de compensatie duurzaam zijn verzekerd.
Artikel 2.28 Natuurnetwerk Nederland     
  1. De gronden aangeduid op kaart D3 (Natuurnetwerk Nederland) vormen het Natuurnetwerk Nederland waarvoor geldt dat:
    1. een ruimtelijk plan, indien het een bestemmingsplan betreft voor gronden die in het Natuurbeheerplan zijn begrensd als nieuwe of bestaande natuur, een wijzigingsbevoegdheid bevat die bepaalt dat burgemeester en wethouders een bestemming kunnen wijzigen in een natuur- of bosbestemming vanaf het moment dat:
      1. eigenaren van de desbetreffende gronden daarom verzoeken;
      2. de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie; of
      3. gedeputeerde staten besluiten dat zij provinciale staten zullen verzoeken om het besluit tot het verzoek tot onteigening aan de Kroon, als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet, te nemen en dat ter voorbereiding van dit besluit van provinciale staten, gedeputeerde staten een kopie van hun besluit hiertoe aan burgemeester en wethouders zenden met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan;
    2. een ruimtelijke plan, indien het een bestemmingsplan betreft, geen bestemmingen en regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland significant aantasten.
  2. In aanvulling op het eerste lid beschrijft de toelichting van het ruimtelijk plan:
    1. de wezenlijke kenmerken en waarden van het desbetreffende deel van Natuurnetwerk Nederland, zoals aangegeven in het Natuurbeheerplan;
    2. hoe de wezenlijke kenmerken en waarden worden beschermd; en
    3. hoe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden worden voorkomen.
  3. Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing van Natuurnetwerk Nederland wijzigen:
    1. ten behoeve van een verbetering van de samenhang of de planologische inpassing van Natuurnetwerk Nederland;
    2. ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling; of
    3. ten behoeve van de krachtens artikel 2.29 gestelde regels.
  4. Een wijziging als bedoeld in het derde lid is mogelijk voor zover:
    1. de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland worden behouden; en
    2. de oppervlakte van Natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft.
  5. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in het tweede lid om deze nader te specificeren of aan te vullen in het belang van de instandhouding en verdere ontwikkeling van de natuurdoelen van Natuurnetwerk Nederland.
Artikel 2.29 Afwijking Natuurnetwerk Nederland     
  1. In afwijking van artikel 2.28, eerste en tweede lid, kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten voor zover:
    1. er sprake is van een groot maatschappelijk belang;
    2. er geen reële andere mogelijkheden zijn; en
    3. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd waarbij;
      1. de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke waarden en kenmerken; en
      2. de compensatie plaatsvindt:
        • aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij Natuurnetwerk Nederland;
        • in Natuurnetwerk Nederland wanneer deze gronden beleidsmatig niet zijn aangeduid als natuur, inclusief nieuwe natuur;
        • door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; of
        • op financiële wijze.
  2. In aanvulling op het eerste lid kan het ruimtelijk plan hier alleen in voorzien indien in het ruimtelijk plan wordt opgenomen:
    1. op welke wijze schade aan Natuurnetwerk Nederland zoveel mogelijk wordt voorkomen en resterende schade wordt gecompenseerd;
    2. hoe wordt geborgd dat de maatregelen ten behoeve van de compensatie als bedoeld onder het eerste lid, onder c, sub 1, daadwerkelijk wordt uitgevoerd en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd.
  3. Een ruimtelijk plan kan tevens in afwijking van artikel 2.28, eerste en tweede lid, een activiteit of een combinatie van activiteiten mogelijk maken indien uit een in een provinciale of intergemeentelijke structuurvisie neergelegde gebiedsvisie blijkt dat die activiteit of combinatie van activiteiten mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van Natuurnetwerk Nederland per saldo te verbeteren, waarbij in samenhang met een of meer andere ruimtelijke plannen die eveneens behoren tot de desbetreffende structuurvisie:
    1. de kwaliteit van Natuurnetwerk Nederland verbetert, waarbij de oppervlakte van Natuurnetwerk Nederland niet afneemt;
    2. het areaal van Natuurnetwerk Nederland wordt vergroot, ter compensatie van het gebied dat door de ontwikkeling verloren gaat, indien daarmee een beter functionerend Natuurnetwerk Nederland ontstaat, en;
    3. in dat ruimtelijk plan verantwoord wordt waaruit de aard, wijze en het tijdstip van realisatie van de kwaliteits- of kwantiteitswinst bestaat.
Artikel 2.30 Bijzonder provinciaal natuurgebied of landschap     
  1. Het is verboden binnen Landgoed Overcingel op de bij deze verordening behorende kaart D12 ‘werkingsgebied Landgoed Overcingel’ zonder vergunning van Gedeputeerde Staten handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen die schadelijk kunnen zijn voor de in het aanwijzingsbesluit genoemde natuurwaarden en aanwezige cultuurhistorische kenmerken.
  2. Dit verbod is niet van toepassing op handelingen die verricht worden overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 2.31 dan wel handelingen ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 2.2 Wet natuurbescherming.
Artikel 2.31 Beheerplan     
  1. Gedeputeerde Staten kunnen, in overeenstemming met de eigenaar of de gebruiker, voor Landgoed Overcingel, dan wel een gedeelte daarvan, een beheerplan vaststellen. Dit beheerplan heeft tot doel de beschrijving te geven van het beheer dat noodzakelijk is voor het behoud, het herstel of de ontwikkeling van de in het aanwijzingsbesluit genoemde natuurwaarden en aanwezige cultuurhistorische kenmerken. Het beheerplan kan een beschrijving bevatten van handelingen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.30.

  2. Gedeputeerde Staten kunnen een bedrag beschikbaar stellen voor de uitvoering van het beheerplan met een maximum van € 2.500,-- per jaar.

  3. Gedeputeerde Staten brengen het beheerplan ter kennis van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarin het bijzondere provinciale natuurgebied dan wel het bijzondere provinciale landschap is gelegen.

  4. De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht zorg te dragen voor de naleving van het beheerplan.

  5. Gedeputeerde Staten kunnen een vastgesteld beheerplan in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker wijzigen.

  6. Het beheerplan wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaren.

Artikel 2.32 Landgoederen     

De provincie staat de ontwikkeling van nieuwe landgoederen met een huis van allure toe onder de volgende voorwaarden:

  1. het landgoed bevat minimaal vijf hectare nieuw aan te planten bos waarbij voldaan moet worden aan artikel 2.33. Het verbod om te vellen uit artikel 4.2 Wet natuurbescherming is van toepassing;

  2. de oppervlakte van het landgoed is minimaal tien hectare;

  3. het landgoed is openbaar toegankelijk;

  4. het landgoed vormt een ecologische, economische en esthetische eenheid. Dit houdt in dat er samenhang is tussen bebouwing, beplanting, infrastructuur en landgebruik;

  5. het landgoed past in het aanwezige landschap en houdt rekening met de cultuurhistorie en bodemgesteldheid.

Artikel 2.33 Bosclustering     

Bij de aanleg van nieuw bos moet het nieuwe bos grenzen aan één van de volgende gebieden:

  1. een bestaand bos dat groter is dan 50 hectare, of aan een kleinere waardevolle bosgemeenschap;

  2. een natuurgebied dat groter is dan 50 hectare;

  3. een bestaand of toekomstig recreatiegebied, dat groter is dan 10 hectare;

  4. een woonkern waarbij bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden niet worden aangetast.

Artikel 2.34 Water     
  1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart D11 (Beekdal en bergingsgebied) zijn aangeduid als ‘Beekdal’, voorziet voor de desbetreffende gebieden niet in nieuwe kapitaalintensieve functies.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan in nieuwe kapitaalintensieve functies voorzien wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. er is sprake van een zwaarwegende maatschappelijk belang;
    2. er zijn geen reële alternatieven;
    3. de functie vormt op die locatie geen feitelijke belemmering om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem te vergroten; en
    4. het negatieve effect op het watersysteem wordt in het desbetreffende ruimtelijke plan gecompenseerd.
  3. Een ruimtelijk plan dat gebied bestrijkt dat op de bij deze verordening behorende kaart D11 (Beekdal en bergingsgebied) is aangeduid als ‘Bergingsgebied’, strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.
  4. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebied dat een grondwaterwinningfunctie heeft, strekt mede tot bescherming van die functie als grondwaterwingebied.
Artikel 2.35 Provinciale wegen     
  1. Een ruimtelijk plan maakt binnen een zone van 400 meter aan weerszijden van een op de bij deze verordening behorende kaart A aangegeven provinciale weg geen handelingen, activiteiten of bestemmingen mogelijk die strijdig zijn met het meest doelmatige en efficiënte huidige of toekomstige gebruik van deze wegen.
  2. De in het eerste lid genoemde zone wordt gemeten vanaf het hart van de weg.

Titel 2.4 Tegemoetkoming in schade     

Artikel 2.36 Aanwijzing adviseur(s)     

  1. Gedeputeerde staten kunnen 1 of 3 adviseurs voor de voorbereiding van een besluit inzake toekenning van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aanwijzen.
  2. Indien gedeputeerde staten 3 adviseurs aanwijzen, vormen deze 3 adviseurs een schadebeoordelingscommissie. In dat geval wijzen gedeputeerde staten eveneens de voorzitter van genoemde commissie aan.
  3. De aan te wijzen adviseurs mogen niet uit anderen hoofde verbonden zijn met belangen van de provincie of van een andere belanghebbende. Gedeputeerde staten waken tegen de schijn van belangenverstrengeling.
  4. Aan te wijzen adviseurs zijn op grond van opleiding, kennis en ervaring gekwalificeerd om te adviseren over een besluit inzake de toekenning van een tegemoetkoming in schade.
  5. Het voornemen tot de aanwijzing van de adviseur of de adviseurs wordt bekendgemaakt aan de aanvrager en aan andere belanghebbenden. Binnen 2 weken na de bekendmaking kunnen de aanvrager en de andere belanghebbenden hun zienswijzen schriftelijk aan gedeputeerde staten kenbaar maken.
  6. Indien gedeputeerde staten na ontvangst van een zienswijze hun voornemen herzien, zijn de leden 2 tot en met 5 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.37 Werkwijze één adviseur     

  1. De adviseur hoort de aanvrager, de eventueel betrokken bestuursorganen en in voorkomend geval de belanghebbende, bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, over de aanvraag.
  2. De adviseur bepaalt de dag, tijd en plaats van de hoorzitting en bepaalt tevens de wijze waarop deze zal plaatsvinden.
  3. De adviseur draagt er zorg voor dat van de hoorzitting een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het definitieve rapport met bevindingen en advies.
  4. Alvorens de adviseur zijn advies uitbrengt, dient hij de aanvrager en in voorkomend geval de belanghebbende als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de Wet ruimtelijke ordening, gedurende 6 weken in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op het verslag van de hoorzitting en op het ontwerpadvies.
  5. Gedeputeerde staten voegen een afschrift van het advies bij hun besluit op de aanvraag.

Artikel 2.38 Werkwijze schadebeoordelingscommissie     

Indien een aanvraag wordt voorgelegd aan een schadebeoordelingscommissie is het gestelde in artikel 2.37 van overeenkomstige toepassing.

Titel 2.5 Slotbepalingen     

Artikel 2.39 Overgangsbepaling     

De bepalingen van dit hoofdstuk in deze verordening zijn niet van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht, vrijstellings- dan wel ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat vóór het moment van inwerkingtreding van deze verordening als ontwerp ter inzage heeft gelegen voor zover daarop door de provincie positief is geadviseerd.

Artikel 2.40 Aanpassingstermijn bestemmingsplan, beheersverordening     

In afwijking van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt het tijdstip waarop een ruimtelijk plan in overeenstemming met dit hoofdstuk moet zijn vastgesteld, gesteld op het tijdstip bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, met uitzondering van het bepaalde in artikel 2.23.

Hoofdstuk 3 Natuurbescherming     

Titel 3.1 Gebiedsbescherming     

Artikel 3.1 Vrijstelling vergunningplicht     

Als categorieën van handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming zijn aangewezen:

  1. het weiden van vee;
  2. het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Titel 3.2 Soortenbescherming     

Paragraaf 3.2.1 Vrijstelling soortenbescherming     

Artikel 3.2 Soortenvrijstelling ruimtelijke inrichting, bestendig beheer en onderhoud     
  1. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, wordt vrijstelling verleend, voor de soorten genoemd in bijlage IV, voor het verrichten van handelingen in het kader van de volgende belangen:
    1. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
    2. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
    3. bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
    4. bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.
  2. Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde vrijstelling mag enkel gebruik worden gemaakt van de in bijlage V bedoelde vangmiddelen.
  3. De soorten die zijn gevangen met gebruikmaking van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling mogen worden uitgezet. Uitzetting dient zo spoedig mogelijk op een voor de betreffende soort geschikte locatie plaats te vinden.
  4. Het vangen van soorten als bedoeld in het eerste lid, is slechts toegestaan wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om de soorten te verdrijven van de locatie waar de handeling(en) plaatsvinden.
  5. Het opzettelijke doden van soorten als bedoeld in het eerste lid, is slechts toegestaan wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is de soorten te verdrijven of te vangen van de locatie waar de handeling(en) plaatsvinden.
Artikel 3.3 Vrijstelling veiligstelling tegen het verkeer     
  1. De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid, van de Wet natuurbescherming, alsmede het verbod om amfibieën te vangen, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming, gelden niet ten aanzien van amfibieën indien de betrokken handelingen plaatsvinden ter veiligstelling van deze amfibieën tegen het verkeer.
  2. De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van amfibieën over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats onder de voorwaarde dat de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.
Artikel 3.4 Vrijstelling voor onderzoek en onderwijs     
  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10 en 3.34 van de Wet natuurbescherming geldt het verbod op het vangen en uitzetten van deze gevangen soorten niet ten aanzien van eieren van de meerkikker (Pelophylax ridibundus), bastaardkikker (Pelophylax esculenta), bruine kikker (Rana temporaria) en gewone pad (Bufo bufo) voor zover deze handelingen plaatsvinden met het oog op gebruik van deze dieren bij onderzoek en onderwijs.
  2. De in het eerste lid bedoelde uit het ei voortgekomen dieren moeten voordat de metamorfose is voltooid, worden uitgezet op de locatie waar ze zijn gevangen.
Artikel 3.5 Vrijstelling voor bescherming weidevogels     

De verboden bedoeld in artikel 3.1, tweede, derde en vierde lid van de Wet natuurbescherming, gelden niet ten aanzien van weidevogels, ten behoeve van activiteiten bestemt en geschikt voor de bescherming van weidevogels, hun eieren en hun niet-vliegvlugge jongen binnen het betreffende territorium tegen landbouwwerkzaamheden en vee.

Paragraaf 3.2.2 Vrijstelling grondgebruiker     

Artikel 3.6 Vrijstelling schadesoorten aan grondgebruiker     
  1. Als soorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, van de Wet natuurbescherming, worden aangewezen de soorten genoemd in bijlage VI.
  2. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor het opzettelijk verstoren van de in bijlage VI bedoelde schadesoorten op de door hen gebruikte gronden, dan wel in of aan door hen gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied.
  3. Ter uitvoering van de in het tweede lid genoemde vrijstelling mag enkel gebruik worden gemaakt van de in bijlage VII bedoelde middelen.
  4. De in het eerste lid bedoelde vrijstelling mag niet gebruikt worden om overwinterende ganzen in de periode van 1 oktober tot 1 april opzettelijk te verstoren in de aangewezen rustgebieden zoals opgenomen in bijlage VIII.
  5. Indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming de ingevolge de vrijstelling toegestane handelingen door een ander laat uitvoeren, dient deze persoon de schriftelijke en gedagtekende toestemming van de grondgebruiker bij zich te dragen en op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage te geven.
  6. De in het tweede lid bedoelde schade heeft uitsluitend betrekking op schade als bedoeld in artikel 3.15, zesde lid, sub a, onder 1° dan wel sub b, onder 2° van de Wet natuurbescherming.

Titel 3.3 Faunabeheer     

Paragraaf 3.3.1 Faunabeheereenheid Drenthe     

Artikel 3.7 Aanvullende eisen     

Aanvullend op de eisen gesteld in artikel 3.12 van de Wet natuurbescherming voldoet de faunabeheereenheid Drenthe aan de volgende eisen:

  1. bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid Drenthe worden de rechten en plichten als genoemd in § 3.4 van de Wet natuurbescherming opgenomen die de leden van de wildbeheereenheden in Drenthe hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid Drenthe toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid Drenthe toegestane handelingen; en
  2. de binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid Drenthe gelegen gronden, waarop de in de faunabeheereenheid Drenthe samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht, zijn gelegen in Drenthe.
Artikel 3.8 Bestuurssamenstelling     
  1. In het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe zijn bestuurszetels beschikbaar voor de volgende organisaties:

    1. drie zetels voor jachthouders of jachthouder vertegenwoordigende organisaties, landbouw en grondbezit;

    2. drie zetels voor terrein beherende, dier, vogel, milieu en/of landschap beschermende organisaties.

  2. Elke organisatie als genoemd in het eerste lid kan slechts één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel.

  3. Een bestuurszetel kan worden ingevuld door een bestuurslid die meerdere organisaties vertegenwoordigt.

Artikel 3.9 Voorzitter     

Het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter.

Artikel 3.10 Informatieverstrekking     

De Faunabeheereenheid Drenthe informeert de achterban van alle in artikel 3.8, eerste lid genoemde organisaties en jachthouders over de uitvoering van haar werkzaamheden.

Artikel 3.11 Jaarlijks verslag     
  1. Het jaarlijks verslag van de Faunabeheereenheid Drenthe, bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de Wet natuurbescherming, bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    1. cijfermatige rapportages over de uitvoering van de opdrachten en ontheffingen op basis van § 3.4 van de Wet natuurbescherming en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort, naar wildbeheereenheid;

    2. telcijfers voor iedere in het faunabeheerplan beschreven diersoort;

    3. rapportages van de toepassing van preventieve en alternatieve middelen ten aanzien van het voorkomen van schade.

  2. Het verslag als bedoeld in het eerste lid, dient uiterlijk op 1 mei van het daaropvolgende kalenderjaar te worden verstrekt.

  3. Het jaarlijks verslag wordt door de faunabeheereenheid Drenthe gepubliceerd op haar website en is daar voor een ieder raadpleegbaar gedurende de looptijd en tot tenminste twee jaren na het verstrijken van de looptijd van het faunabeheerplan waarop een jaarverslag betrekking heeft.

Paragraaf 3.3.2 Faunabeheerplan     

Artikel 3.12 Eisen     
  1. Een faunabeheerplan beschrijft:
    1. een planmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, en
    2. een planmatige, gecoördineerde en duurzame bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers.
  2. Op basis van het faunabeheerplan vindt het beheer van populaties en de bestrijding van schadeveroorzakende dieren uitsluitend plaats met het oog op de belangen, bedoeld in:
    1. artikel 3.3, vierde lid, sub b, onder 1° tot en met 4°,
    2. artikel 3.8, vijfde lid, sub b, onder 1° tot en met 3°,en
    3. artikel 3.10, tweede lid, sub b tot en met h, van de Wet natuurbescherming.
  3. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen waar een faunabeheerplan aan moet voldoen voor zover het gaat om regels voor reeën.
Artikel 3.13 Werkgebied     
  1. Een faunabeheerplan geldt voor het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid Drenthe.
  2. Uitgezonderd van het eerste lid zijn de luchthavens Eelde en Hoogeveen.
  3. en behoeve van een planmatige en doelmatige aanpak (vanwege bijvoorbeeld de verspreiding van de soort, populatie en leefgebied) kan afgeweken worden van het eerste lid.
Artikel 3.14 Geldigheidsduur     
  1. In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste 6 jaren heeft.

  2. De faunabeheereenheid Drenthe kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

  3. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid Drenthe de in het eerste lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met 12 maanden verlengen.

Artikel 3.15 Basis vereisten faunabeheerplan     
  1. Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens:
    1. de omvang van het werkgebied van het faunabeheerplan;
    2. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van het faunabeheerplan is aangegeven;
    3. een kaart waarop de begrenzing van alle in het werkgebied van het faunabeheereenheid gelegen wildbeheereenheden is aangegeven;
    4. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten:
      1. indien die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen;
      2. voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in artikel 3.16, onderdeel h omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is.
  2. Een faunabeheerplan voldoet voorts aan het navolgende:
    1. gebruikte telgegevens van voorgaande jaren zijn gecontroleerd en gevalideerd;
    2. relevante wetenschappelijke literatuur is gebruikt om conclusies te ondersteunen;
    3. bronvermeldingen en referenties zijn conform wetenschappelijke richtlijnen op heldere en gestructureerde wijze vermeld en een literatuurlijst is aanwezig.6
Artikel 3.16 Eisen bij duurzaam beheer van populaties     

Onverminderd artikel 3.15 bevat een faunabeheerplan indien sprake is van duurzaam beheer van populaties op basis van artikel 3.17 of 3.18 van de Wet natuurbescherming, tevens:

  1. een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van het duurzaam beheer van populaties is gewaarborgd;
  2. kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van verspreidingsgegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar en trends van de Drentse populaties over de langere termijn;
  3. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van populaties van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de belangen als bedoeld in artikel 3.12, tweede lid;
  4. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;
  5. de gewenste stand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten in relatie tot omvang van schades aan de belangen als bedoeld in artikel 3.12, tweede lid;
  6. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht om het schaden van de in artikel 3.12, tweede lid genoemde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;
  7. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel e, te bereiken;
  8. een gemotiveerde beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;
  9. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die geen lid zijn van een wildbeheereenheid in de provincie Drenthe, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel h omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is;
  10. beschrijving van de wijze waarop een gunstige staat van instandhouding per diersoort gewaarborgd wordt.5
Artikel 3.17 Eisen bij schadebestrijding     

Onverminderd artikel 3.15 bevat een faunabeheerplan indien sprake is van schadebestrijding tevens:

  1. een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van schadebestrijding is gewaarborgd;

  2. kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding door grondgebruikers met inbegrip van verspreidings-gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar en trends van de Drentse populaties over de langere termijn;

  3. een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de belangen als bedoeld in artikel 3.12, tweede lid;

  4. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;

  5. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

  6. een beschrijving van de gunstige staat van instandhouding en hoe deze gewaarborgd wordt;

  7. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals bedoeld in onderdeel c te voorkomen dan wel te beperken;

  8. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;

  9. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald;

  10. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

  11. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in sub j omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is;

  12. per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, zoals uiteengezet in artikel 3.3, vierde lid, en 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming, deze activiteit dient, waarbij wordt aangegeven of sprake is van het behartigen van een publiek belang dan wel een privaat belang en welke organisaties hierbij belanghebbend zijn;

  13. een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen.

Artikel 3.18 Eisen bij jacht     

Het faunabeheerplan bevat naast hetgeen dat is vereist op grond van artikel 3.16 met betrekking tot de uitoefening van de jacht, tevens:

  1. kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de wildsoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt, waarbij inbegrepen verspreidingsgegevens en trends van de Drentse populaties op langere termijn;
  2. een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per wildsoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan;
  3. de wijze waarop de faunabeheereenheid de jaarlijkse afschotgegevens van wildsoorten rapporteert en openbaar maakt.
Artikel 3.19 Goedkeuring gedeputeerde staten     
  1. Een faunabeheerplan kan ter goedkeuring worden aangeboden aan gedeputeerde staten nadat het bestuur van de Faunabeheereenheid Drenthe zich achter het plan heeft geschaard.

  2. Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de Wet natuurbescherming in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de artikelen 3.14 tot en met 3.18.

  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan.

Paragraaf 3.3.3 Wildbeheereenheden     

Artikel 3.20 Werkgebied     
  1. De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van tenminste 4.000 hectare binnen de provincie Drenthe.

  2. Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot het grondgebied van andere provincies.

  3. Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt.

  4. De begrenzing van een wildbeheereenheid wordt door de desbetreffende wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een topografische kaart.

  5. Een wildbeheereenheid kan, in overeenstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen.

  6. De betrokken wildbeheereenheden informeren gedeputeerde staten schriftelijk indien sprake is van het wijzigen van een begrenzing zoals bedoeld in het vijfde lid.

  7. Gedeputeerde staten kunnen als overgangsmaatregel ontheffing verlenen van de eisen genoemd in het eerste lid voor de duur van ten hoogste 1 jaar.

Artikel 3.21 Begrenzing werkgebied     
  1. Het bestuur van iedere wildbeheereenheid zorgt voor het vastleggen van de begrenzing van de WBE alsmede de begrenzing van ingelegen jachtvelden in een faunaregistratiesysteem.

  2. Grenswijzigingen van de WBE of de ingelegen jachtvelden worden door het bestuur van iedere WBE binnen één maand aangepast in het systeem als bedoeld in het eerste lid.

  3. De begrenzing van het werkgebied en grenswijzigingen van de WBE’s in Drenthe worden gepubliceerd op de website van de provincie Drenthe.

Artikel 3.22 Verplicht lidmaatschap wildbeheereenheid     

Ingevolge artikel 3.14, tweede lid, sub b van de Wet natuurbescherming, worden geen uitzonderingen gemaakt op de wettelijke verplichting voor jachthouders met een jachtakte om zich te organiseren in een wildbeheereenheid.

Artikel 3.23 Jaarlijkse activiteiten     
  1. De WBE neemt voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de WBE uitstrekt in het kader van het faunabeheerplan jaarlijks deel aan;

    1. trendtellingen van diersoorten waarvoor op basis van het faunabeheerplan ontheffingen zijn verstrekt;|

    2. trendtellingen van diersoorten welke in verband met de schadehistorie zijn opgenomen in het faunabeheerplan;

    3. afschotregistratie van diersoorten waarvoor op basis van het faunabeheerplan ontheffingen zijn verstrekt;

    4. afschotregistratie van diersoorten waarvoor aan de WBE ontheffingen en opdrachten zijn verstrekt, en

    5. registratie van dood gevonden dieren.

  2. Trendtellingen voor diersoorten, niet zijnde ree, worden uitgevoerd conform de meest recente ’Instructie voor WBE’s bij de organisatie van faunatellingen’ uitgegeven door de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging.

  3. De verzamelde gegevens vanuit het eerste en tweede lid worden voor 1 september van het jaar waarin is geteld, door de WBE’s ingevoerd in een faunaregistratiesysteem.

Paragraaf 3.3.4 Tegemoetkoming faunaschade     

Artikel 3.24 Aanvraag om tegemoetkoming     
  1. Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.

  2. De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen 7 werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.

  3. Schade welke die niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Artikel 3.25 Taxatie van de schade     
  1. De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.

  2. Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.

Titel 3.4 Houtopstanden     

Artikel 3.26 Vereisten melding van voorgenomen velling houtopstand     

Een melding als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voldoet aan de volgende vereisten:

  1. een melding wordt tenminste 4 weken en niet langer dan 1 jaar voorafgaande aan de velling gedaan;

  2. een melding wordt gedaan door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. Het formulier dient aangevuld te worden met een topografische kaart met een schaal van 1:25000 waarop de locatie van de velling is weergegeven. Het formulier wordt digitaal ingediend.

Artikel 3.27 Bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten     

Onder bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten als bedoeld in artikel 4.3, eerste en derde lid, van de Wet natuurbescherming, wordt in deze verordening verstaan:

  1. een herbebossing die gericht wordt uitgevoerd om de doelen van houtproductie, natuur, landschap en/of cultuurhistorie te realiseren. De herbebossing dient binnen een termijn van 3 jaar een bedekkingsgraad te hebben van 80%, met boomsoorten die geschikt zijn om gelet op de bodemkwaliteit en waterhuishouding ter plaatse uit te groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;

  2. een spontane natuurlijke verjonging die de onder a genoemde doelen realiseert.

Artikel 3.28 Voorwaarden aanvraag ontheffing herbeplanting op andere grond     

Een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.29 voldoet aan de volgende vereisten:

  1. de aanvraag geschiedt uiterlijk 2 jaar na de velling, en
  2. de aanvraag wordt gedaan door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld aanvraagformulier. Het aanvraagformulier wordt digitaal ingediend29

Artikel 3.29 Voorwaarden ontheffing herbeplanting op andere grond     

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, ten behoeve van herbeplanting op andere grond onder de volgende voorwaarden:

  1. het perceel of in voorkomende gevallen de percelen waar de herbeplanting wordt gerealiseerd voldoet aan de volgende vereisten:
    1. de grond die de eigenaar wil beplanten is gelegen in provincies Drenthe, Groningen of Friesland;
    2. de grond die de eigenaar wil beplanten is minimaal van gelijkwaardige kwaliteit als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond;
    3. de grond die de eigenaar wil beplanten heeft minimaal dezelfde oppervlakte als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond;
    4. als de gevelde opstand deel uitmaakte van een boskern dan dient er gecompenseerd te worden in of aansluitend aan een boskern;
    5. de grond waarop geplant wordt moet landbouwgrond zijn indien de herplantplicht ontstaat door een omvorming van bos naar landbouwgrond;
    6. de grond waarop de herplant plaats vindt is vrij van bos- en natuurcompensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van de Wet natuurbescherming en andere wet- en regelgeving, waaronder ook de voormalige Boswet moet worden verstaan;
  2. de compensatie vindt plaats op een bosbouwkundig verantwoorde wijze, zoals beschreven in artikel 3.27;

  3. met de herbeplanting op andere grond worden de waarden van houtproductie, natuur, landschap en cultuurhistorie niet onevenredig geschaad.

Artikel 3.30 Vrijstelling herplantplicht productiebos     

  1. Voor bos dat na inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming wordt aangelegd wordt vrijstelling verleend van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.2, eerste lid, en artikel 4.3, eerste lid, tweede lid en vijfde lid, van de Wet natuurbescherming, als voldaan is aan de volgende vereisten:

    a. voordat tot aanleg van het bos wordt overgegaan, is het tijdstip en de plaats van aanleg op de wijze als bedoeld in het tweede lid gemeld bij gedeputeerde staten en is de mededeling als bedoeld in het derde lid ontvangen.

    b. de grond waarop de beplanting plaats vindt is vrij van bos- en natuurcompensatie-verplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van de Wet natuurbescherming en andere wet- en regelgeving, waaronder ook de voormalige Boswet moet worden verstaan.
  2. De melding als bedoeld in het eerste lid, sub a wordt gedaan door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. Het formulier dient te worden aangevuld met een topografische kaart met een schaal van 1:25.000 waarop de locatie wordt aangegeven waar tot aanleg van het bos wordt overgegaan. Het formulier wordt digitaal ingediend.
  3. Binnen een termijn van 8 weken na ontvangst van het formulier als bedoeld in het tweede lid doen gedeputeerde staten mededeling over de vrijstelling.
  4. De in het eerste lid bedoelde vrijstelling komt 40 jaar na het op het formulier als bedoeld in het tweede lid vermelde tijdstip van aanleg te vervallen.
  5. Gedeputeerde staten informeren de gemeente waarin de te bebossen grond is gelegen, over de vrijstelling.
  6. De eigenaar van de grond dient op het moment van velling de mededeling over de vrijstelling als bedoeld in het derde lid te kunnen overleggen.

Titel 3.5 Slotbepalingen     

Artikel 3.31 Discretionaire bevoegdheid     

Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens hoofdstuk 3 buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing hiervan gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 3.32 Wijziging bijlagen     

Gedeputeerde staten kunnen de bijlagen IV, V, VI, VII en VIII wijzigen.

Hoofdstuk 4 Bodemenergie     

Paragraaf 4.1 Gebieden     

Artikel 4.1 Aanwijzing rode en oranje gebieden     

  1. Als rode gebieden worden aangewezen de gebieden die als gebieden ter bescherming van het grondwater zijn aangewezen in hoofdstuk 6 en als zodanig staan aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten C1 en C2.

  2. Als oranje gebieden worden in het kader van dit hoofdstuk aangewezen de intrekgebieden van de openbare grondwaterwinningen die als oranje gebieden staan aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten C1 en C2. Deze gebieden worden aangewezen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning.

Paragraaf 4.2 Warmte- en koude opslag     

Artikel 4.2 Gesloten WKO-systemen buiten inrichting     

  1. Het is verboden om in een gesloten WKO-systeem buiten een inrichting dat is gelegen binnen een oranje gebied een ander koelmedium toe te passen dan water van minimaal drinkwaterkwaliteit.
  2. Het is verboden om in zone 2 buiten een inrichting een gesloten WKO-systeem aan te leggen door middel van een methode waarbij het systeem in de bodem wordt gedrukt.

Artikel 4.3 Gesloten WKO-systemen binnen vergunningvrije inrichting     

  1. Het is verboden om in een gesloten WKO-systeem binnen een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist dat is gelegen binnen een oranje gebied een ander koelmedium toe te passen dan water van minimaal drinkwaterkwaliteit.
  2. Het is verboden om in zone 2 binnen een inrichting een gesloten WKO-systeem aan te leggen door middel van een methode waarbij het systeem in de bodem wordt gedrukt.

Artikel 4.4 Instructies voor omgevingsvergunning binnen inrichtingen     

  1. Indien een gesloten WKO-systeem aanwezig is of wordt aangelegd binnen een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht die is gelegen binnen een oranje gebied, verbindt het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning in ieder geval het voorschrift dat er geen ander koelmedium in het WKO-systeem mag worden toegepast dan water van minimaal drinkwaterkwaliteit.
  2. Indien een gesloten WKO-systeem wordt aangelegd binnen een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht binnen zone 2, verbindt het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning in ieder geval het voorschrift dat het WKO-systeem niet mag worden aangelegd door middel van een methode waarbij het systeem in de bodem wordt gedrukt.

Paragraaf 4.3 Temperatuuropslag     

Artikel 4.5 Verbod temperatuuropslag     

  1. Het is verboden een Temperatuur Opslag-systeem voor middelhoge of hoge temperatuur te hebben of te installeren op een zodanige wijze dat de warmte wordt toegevoegd op een diepte die is gelegen boven de zone ‘Formatie van Breda’ zoals deze is aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart C3.
  2. Het is verboden een Temperatuur Opslag-systeem voor lage temperatuur te hebben of te installeren in zone 2.

Paragraaf 4.4 Geothermie-systemen     

Artikel 4.6 Verbod ondiepe geothermie     

Het is verboden een ondiep Geothermie-systeem te hebben of te installeren op een zodanige wijze dat grondwater wordt onttrokken of retourwater wordt teruggebracht op een diepte die is gelegen boven de zone ‘Formatie van Breda’ zoals deze is aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart C3.

Paragraaf 4.5 Vergunning     

Artikel 4.7 Weigeringsgronden vergunning     

Een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 6.22 van de Waterwet, geweigerd:

  1. indien de realisatie van een bodemenergie-systeem in strijd is met de doelstellingen op grond waarvan het oranjegebied is aangewezen;
  2. indien het bodemenergie-systeem thermische of hydrologische effecten veroorzaakt in een rood gebied.

Artikel 4.8 Intrekking vergunning     

Gedeputeerde staten kunnen de vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet, onverminderd het bepaalde in artikel 6.22, derde lid, van de Waterwet, geheel of gedeeltelijk intrekken indien zich omstandigheden en feiten voordoen waardoor de handeling of handelingen waarvoor de vergunning is verleend niet langer toelaatbaar worden geacht met het oog op het belang waarmee deze regeling is opgesteld.

Artikel 4.9 Overgangsbepaling     

De bepalingen uit dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op bodemenergiesystemen die voor 1 januari 2011 reeds aanwezig waren.

Hoofdstuk 5 Bodemsanering     

Artikel 5.1 Meldingen en aanvragen     

  1. De melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid en derde lid, van de Wet bodembescherming, het rapport van het nader onderzoek, het saneringsplan, het plan gebiedsgerichte aanpak, een melding van wijziging van het saneringsplan, een melding van wijziging van het plan gebiedsgerichte aanpak, het evaluatieverslag en het nazorgplan worden met de daarbij behorende stukken in drievoud bij gedeputeerde staten ingediend, waarbij gebruik wordt gemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.
  2. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot gegevens die moeten worden vermeld bij de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, en derde lid, van de Wet bodembescherming, in het rapport van het nader onderzoek, in het saneringsplan, bij een melding van wijziging van het saneringsplan, in het evaluatieverslag en in het nazorgplan.

Artikel 5.2 Evaluatieverslag     

Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk 13 weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan.

Hoofdstuk 6 Gebieden     

Titel 6.1 Aanwijzing gebieden     

Artikel 6.1 Aanwijzing gebieden ter bescherming van het grondwater     

  1. Als gebieden ter bijzondere bescherming van het grondwater met het oog op de winning van grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening worden aangewezen de gebieden die als gebieden ter bescherming van het grondwater zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart A.

  2. Een gebied ter bescherming van het grondwater kan bestaan uit de volgende zones:

    1. waterwingebied;

    2. grondwaterbeschermingsgebied

    3. verbodszone diepe boringen;

    4. grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa.

  3. In de gebieden ter bescherming van het grondwater gelden de in titel 6.3 opgenomen regels voor zover dat voor de verschillende zones is aangegeven.

Artikel 6.2 Aanwijzing stiltegebieden     

Als gebieden ter voorkoming of beperking van geluidhinder worden aangewezen de gebieden die als stiltegebieden zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart A. In deze gebieden gelden de in titel 6.4 opgenomen regels.

Titel 6.2 Zorgplicht     

Artikel 6.3 Zorgplichtbepaling     

  1. Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 6.1 is aangewezen kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

  2. In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater behoort tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten, terstond gedeputeerde staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf informeert.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    a. voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is;

    b. met betrekking tot inrichtingen tenzij in deze verordening anders is bepaald.

Titel 6.3 Grondwaterbescherming     

Paragraaf 6.3.1 Bevoegdheid     

Artikel 6.4 Bevoegd gezag     

Waar in titel 6.3 sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld:

  1. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag;
  2. in alle andere gevallen: gedeputeerde staten.

Paragraaf 6.3.2 Waterwingebieden     

Artikel 6.5 Inrichtingen in waterwingebieden     
  1. Het is verboden in een waterwingebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien het in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.

Artikel 6.6 Activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden     
  1. Het is in waterwingebieden verboden:

    1. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;

    2. een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan;

    3. grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt;

    4. handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd;

    5. een lozing in de bodem uit te voeren.

  2. Onder schadelijke stoffen worden in elk geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet en gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

  3. Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputten, grond- en funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as.

  4. Het in het eerste lid onder a, b en c gestelde verbod geldt niet voor:

    1. het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

    2. het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;

    3. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

    4. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een ongeopende verpakking;

    5. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een afgesloten verpakking en beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;

    6. het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit;

    7. het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming.

  5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien de desbetreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening of als de activiteit of gedraging is opgenomen in een beheerplan als bedoeld in artikel 6.7.

Artikel 6.7 Beheerplannen     
  1. De waterleidingmaatschappij stelt, voor de bij haar in gebruik zijnde waterwingebieden, beheerplannen op waarin is aangegeven op welke wijze de waterwingebieden zijn of worden ingericht en beheerd en op welke wijze de bodem en het grondwater worden beschermd met het oog op de waterwinning. In de beheerplannen kan worden aangegeven welke activiteiten en handelingen als bedoeld in artikel 6.6 in het voor dat gebied opgestelde beheerplan naar de mening van de waterleidingmaatschappij in dat gebied toegestaan zijn.

  2. Het in het eerste lid bedoelde beheerplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten.

Paragraaf 6.3.3 Grondwaterbeschermingsgebieden     

Artikel 6.8 Inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden     

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een of meer van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage I.

Artikel 6.9 Boorputten en grond- of funderingswerken     
  1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben. Het verbod geldt niet voor:
    1. boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;
    2. het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming;
    3. tijdelijke bronbemaling;
    4. veedrinkputten die niet dieper gaan dan 10 meter beneden maaiveld.
  2. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden grond- of funderingswerken sonderingen dan wel een methode waarbij een bodemenergiesysteem in de bodem wordt gedrukt uit te voeren of te hebben op een diepte van 3 m of meer onder het maaiveld. Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften:
    1. bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd, wordt het bodemprofiel aangevuld tot ten minste 3 m onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken;
    2. voor het inbrengen van palen: indien uitsluitend gebruikgemaakt wordt van:
      1. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;
      2. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken; of
      3. schroefpalen.
  3. Van het voornemen tot het oprichten van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerken, waarbij toepassing wordt gegeven aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 6.20 van toepassing.
Artikel 6.10 Buisleidingen     

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgasleiding bestemd voor het plaatselijke transport van en naar particulieren en bedrijven), olie of chemicaliën, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen.

Artikel 6.11 Gebouwen, wegen en andere verhardingen     
  1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water van gebouwen en verhardingen op of in de bodem te lozen. Het verbod geldt niet voor oppervlakkige infiltraties:
    1. ten aanzien van gebouwen: indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen en afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem;
    2. ten aanzien van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem.
  2. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen.
  3. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, anders dan voor privégebruik, aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding.
  4. Van het voornemen tot het lozen van afstromend water op of in de bodem als bedoeld in het eerste lid, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 6.20 van toepassing.
Artikel 6.12 Begraafplaatsen     

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of uitstrooiveld, als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben.

Artikel 6.13 Warmtetoevoeging en -onttrekking     

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd.

Artikel 6.14 IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie     
  1. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied IBC-bouwstof toe te passen.

  2. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie:

    1. op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie:de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel;de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

      1. de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel;

      2. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

    2. in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie;

      1. de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel;

      2. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

    3. bij toepassing in een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de desbetreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie:
      1. bij een toepassing op of in de bodem de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt;

      2. bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt;

    4. voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen: op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.
  4. Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder c, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. De melding bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 6.20 van toepassing.

Paragraaf 6.3.4 Verbodszone diepe boringen     

Artikel 6.15 Reikwijdte en diepte verbodszone diepe boringen     
  1. De artikelen 6.9, 6.11, tweede lid, en 6.13 zijn van toepassing in verbodszones diepe boringen, met dien verstande dat in die artikelen voor ‘grondwaterbeschermingsgebied’ wordt gelezen: verbodszone diepe boringen.

  2. De in het eerste lid van toepassing verklaarde verboden gelden niet indien de activiteiten of handelingen waarop deze verboden betrekking hebben niet dieper gaan dan de voor die zone geldende en op kaart A aangegeven maximale diepte.

Paragraaf 6.3.5 Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa     

Artikel 6.16 Verbod vullen en spoelen spuitmachines     

Het is verboden om vanuit de op kaart A als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa aangegeven waterlopen oppervlaktewater in te nemen bestemd voor het (rechtstreeks) vullen en spoelen van machines voor het verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen.

Artikel 6.17 Spuitvrije zones Drentsche Aa     
  1. Het is verboden om binnen een afstand van 4 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater van de waterlopen als bedoeld in artikel 6.16 gewasbeschermingsmiddelen toe te passen of te laten toepassen.

  2. Het verbod in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op het gebruik van op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden toegelaten gewasbeschermingsmiddelen door middel van de pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring en jacobskruiskruid op gronden in gebruik als grasland, wegbermen, plantsoenranden en/of bermen langs spoorwegen.

Paragraaf 6.3.6 Aanduiding gebieden     

Artikel 6.18 Bebording     
  1. De waterleidingmaatschappij moet de grondwaterbeschermingsgebieden en de waterwingebieden aanduiden door middel van borden, waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld.

  2. De borden met het opschrift ’grondwaterbeschermingsgebied’ respectievelijk ‘waterwingebied’ worden geplaatst langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwegen die de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk de waterwingebieden doorkruisen c.q. daaraan grenzen en wel bij de buitenste grens van de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk waterwingebieden.

Paragraaf 6.3.7 Overige bepalingen     

Artikel 6.19 Relatienotagebied     

Deze titel is niet van toepassing op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer.

Artikel 6.20 Meldingen     
  1. Indien in deze titel het doen van een melding is voorgeschreven, wordt in de melding aangegeven:
    1. de naam en het adres van degene die de melding doet;
    2. de dagtekening;
    3. een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;
    4. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden;
    5. op welke wijze aan de bodembeschermende voorschriften wordt voldaan.
  2. De melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag uiterlijk 9 weken voordat tot de handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgaan.
  3. Het bevoegd gezag bevestigt de ontvangst van de melding en stuurt onverwijld een afschrift van de melding aan de waterleidingmaatschappij. De waterleidingmaatschappij geeft uiterlijk binnen 6 weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft.
  4. De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal 2 weken van tevoren schriftelijk aan het bevoegd gezag gemeld.
  5. Indien de voorgenomen toepassing niet binnen 6 maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde melding is aangevangen, dient opnieuw een melding te worden gedaan.
Artikel 6.21 Ontheffingen     
  1. Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen van de in de artikelen 6.6, 6.9, 6.10 voor zover sprake is van transport van niet verontreinigd aardgas, 6.11 en 6.14 opgenomen verboden. Aan de ontheffing worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.
  2. De aanvrager vermeldt in de aanvraag om ontheffing het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend.
  3. Het bevoegd gezag stelt de waterleidingmaatschappij in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om ontheffing.
Artikel 6.22 Overgangsrecht     

Het verbod genoemd in de artikelen 6.5, 6.8, 6.9, eerste en tweede lid, 6.10, 6.12 en 6.13 is niet van toepassing op een inrichting of een activiteit die is opgericht of al werd uitgevoerd voor de inwerkingtreding van die artikelen.

Titel 6.4 Stilte     

Paragraaf 6.4.1 Verbodsbepalingen     

Artikel 6.23 Grootschalig evenement     

Het is verboden in een stiltegebied een grootschalig evenement te houden of te organiseren waarbij gebruik wordt gemaakt van:

  1. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;

  2. een modelvliegtuig, modelboot, of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;

  3. een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan geluidversterker.

Artikel 6.24 Motorvoertuig of bromfiets buiten openbare weg     

Het is verboden in een stiltegebied zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.

Artikel 6.25 Toertocht motorvoertuigen of bromfietsen     

Het is verboden in een stiltegebied een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen.

Paragraaf 6.4.2 Vrijstellingen en ontheffingen     

Artikel 6.26 Vrijstelling stiltegebied     

De verboden in artikelen 6.24 en 6.25 gelden niet voor zover deze betrekking hebben op:

  1. een motorvoertuig of bromfiets dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin-, bosbouw of vervening of ten behoeve van het onderhoud van het stiltegebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies;
  2. motorvoertuigen en bromfietsen voor zover sprake is van elektrische aandrijving.
Artikel 6.27 Ontheffing stiltegebied     
  1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 6.23, onder a en c, opgenomen verbod.
  2. Indien er gelet op het belang waarom de stiltegebieden zijn aangewezen redelijkerwijs geen zienswijzen zijn te verwachten, kunnen gedeputeerde staten besluiten afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing te verklaren.

Paragraaf 6.4.3 Aanduiding gebieden     

Artikel 6.28 Bebording stiltegebied     

Gedeputeerde staten duiden een stiltegebied aan door middel van borden.

Hoofdstuk 7 Ontgrondingen     

Artikel 7.1 Vrijstellingen     

  1. Het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet geldt niet voor de hierna genoemde werkzaamheden, die zijn of omvatten:

    1. het aanleggen, onderhouden en verwijderen van waterstaatswerken door of op last van Rijk, waterschap of provincie, het uitvoeren van door het bevoegde gezag goedgekeurde bodemsaneringen en het uitvoeren van werken door of op last van de provincie Drenthe;

    2. het aanleggen en wijzigen van watergangen, deel uitmakend van een stelsel van waterlopen, voor zover deze een bovenbreedte van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m en een diepte van niet meer dan 3 m beneden het maaiveld ter plaatse hebben of zullen verkrijgen;

    3. het delven, openen en ruimen van graven, het leggen, onderhouden en opruimen van buisleidingen en kabels met toebehoren, het plaatsen, aanbrengen, oprichten, wijzigen, onderhouden en opruimen van bouwwerken en hun funderingen, beplantingen, palen en andere in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen en het doen van grondboringen en sonderingen;

    4. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van tuinen, vijvers, putten, reservoirs en bassins, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd op erven bij woningen of bedrijven, de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijk maaiveld ongemoeid blijven en er niet meer dan 1.000 m3 bodemmateriaal wordt ontgraven en er geen (mogelijke) pingoruïne aanwezig is;

    5. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van mestbassins, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

    6. het aanleggen, onderhouden en wijzigen van openbare werken zoals, wegen, waterkeringen, spoorwegen, vliegvelden, industrieterreinen, bouwterreinen, sport- en recreatieterreinen, plantsoenen, parken, vijvers en andere waterpartijen, mits:

      1. de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld, dan wel bij bestaande waterpartijen 3 m beneden het vlak dat wordt gevormd door denkbeeldige horizontale lijnen die het maaiveld ter plaatse van de tegenover elkaar liggende oevers met elkaar verbinden, ongemoeid blijven;

      2. de hoogteligging van de terreinen na beëindiging van de werkzaamheden, behoudens ter plaatse van waterpartijen, met niet meer dan 1,5 m zal zijn verminderd, en;

      3. de werken plaatshebben ter uitvoering van een geldend bestemmingsplan of krachtens een op grond van dat geldende bestemmingsplan ter uitvoering van het werk noodzakelijke omgevingsvergunning;

    7. het oprichten en veranderen van een inrichting, waarvoor krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vergunning is verleend voor het op of in de bodem brengen van afvalstoffen of voor het opslaan van bodemmateriaal, mits de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

    8. het verrichten van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op ontgrondingen die geheel of gedeeltelijk het winnen van bodemmateriaal tot doel hebben, met uitzondering van ontgrondingen voor zover die bestaan uit de werkzaamheden genoemd in het eerste lid, onder d, e en h.

  3. Het verbod van artikel 3, eerste lid van de Ontgrondingenwet geldt eveneens niet voor:

    1. werkzaamheden aan en in gronden, gebezigd voor de uitoefening van een land-, tuin- of bosbouwbedrijf, mits

      1. deze werkzaamheden uitsluitend geschieden ten dienste van het bedrijf en de daartoe behorende gronden;

      2. er geen archeologische of aardkundige waarden worden aangetast;

      3. de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden niet wordt verminderd;

      4. de grondlagen dieper dan 2 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

      5. de werkzaamheden niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan;

      6. er geen afvoer van bodemmateriaal plaatsheeft voor gebruik buiten het bedrijf waartoe de gronden behoren, en;

      7. de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen;

    2. werkzaamheden verricht door of in opdracht van natuurterreinbeherende instanties aan en in gronden die door deze instanties worden beheerd, mits:

      1. er geen archeologische of aardkundige waarden worden aangetast;

      2. de werkzaamheden niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan;

      3. de werkzaamheden zijn gericht op behoud of ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;

      4. de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden met niet meer dan 0,5 m zal zijn verminderd;

      5. er geen afvoer van ander dan humeus bodemmateriaal plaatsheeft, en;

      6. de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen.

Artikel 7.2 Meldingen     

Degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren als bedoeld in artikel 7.1, waarbij 1.000 m3 of meer bodemmateriaal wordt afgevoerd of in depot gezet, meldt dit uiterlijk 4 weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan gedeputeerde staten met gebruikmaking van een door hen vastgesteld formulier. Bij de melding worden de gegevens verstrekt die op het meldingsformulier worden gevraagd.

Artikel 7.3 Vergunningen     

  1. Een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning wordt met gebruikmaking van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier ingediend, vergezeld van de op grond van het aanvraagformulier verlangde gegevens en bescheiden.
  2. Een aanvraag tot intrekking van een vergunning bevat een aanduiding van de vergunning waarop de aanvraag betrekking heeft en de reden van de aanvraag.
  3. Gedeputeerde staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het eerste lid buiten behandeling laten indien de aanvrager geen eigenaar is van alle onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft en hij geen verklaring van toestemming van de eigenaar overlegt.

Artikel 7.4 Aanwijzen adviseurs     

Gedeputeerde staten kunnen bestuursorganen, instanties en organisaties aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking betreffende het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning, of die op een andere wijze worden betrokken bij de voorbereiding van zodanige beschikking.

Artikel 7.5 Eenvoudige procedure     

  1. Gedeputeerde staten kunnen artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van de Ontgrondingenwet buiten toepassing laten, indien de aanvraag als bedoeld in artikel 7.3, eerste lid, of de ambtshalve te geven beschikking, betrekking heeft op een ontgronding van geringe omvang of op een geringe uitbreiding van een ontgronding waarvoor reeds vergunning is verleend, indien andere belangen hierbij niet of nauwelijks zijn betrokken.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van een vergunning betreffende verlenging van de geldigheidstermijn, de tenaamstelling, de in de vergunningsvoorschriften genoemde zekerheidstelling en wijziging van ondergeschikte betekenis van vergunningsvoorschriften.
  3. Het eerste lid is eveneens van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder.

Hoofdstuk 8 Vaarverbod Drentsche Aa     

Artikel 8.1 Aanwijzing gebied     

Als gebied Vaarverbod Drentsche Aa wordt ter bijzondere bescherming van natuur en landschap aangewezen het gebied dat op de bij deze verordening behorende kaart A is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa. In het gebied Vaarverbod Drentsche Aa gelden de in de artikelen 8.2, 8.3, 8.4 en 8.5 opgenomen regels.

Artikel 8.2 Vaarverbod     

Het is verboden in een waterloop te varen of een vaartuig te leggen, te laten drijven of te laten liggen.

Artikel 8.3 Uitzondering op het vaarverbod     

Het verbod als bedoeld in artikel 8.2 geldt niet voor zover het betrekking heeft op een vaartuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het onderhoud van de waterloop en het aangrenzende gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.

Artikel 8.4 Ontheffing     

  1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 8.2 gestelde verbod;
  2. Een ontheffing kan alleen worden verleend voor zover deze betrekking heeft op het verrichten van onderzoek.

Artikel 8.5 Bebording     

Staatsbosbeheer duidt de waterlopen, waarvoor het in artikel 8.2 bedoelde verbod geldt, aan door middel van borden.

Hoofdstuk 9 Water     

Paragraaf 9.1 Normen     

Artikel 9.1 Aanwijzen regionale waterkeringen     

Als regionale keringen gelden de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart A.

Artikel 9.2 Veiligheidsnorm     

  1. Op de bij deze verordening behorende kaart A is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren.
  2. Indien een regionale waterkering is gelegen in meer dan 1 provincie, kunnen gedeputeerde staten van die provincies besluiten, dat het toezicht op die waterkering wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen.

Artikel 9.3 Regionale verdringingsreeks     

  1. In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:
    1. onttrekking voor proces- en gietwater;
    2. doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt;
    3. beregening van akker- en tuinbouwgewassen, waarvoor in het tweede lid, onder b, een uitzondering wordt gemaakt.
  2. In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de artikel 2.1, eerste lid, onder 4°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:
    1. doorspoeling van stedelijk en landelijk gebied ter voorkoming van botulisme en blauwalgen, ingeval sprake is van een risico voor de volksgezondheid;
    2. beregening van akker- en tuinbouwgewassen, sportvelden en greens;
    3. doorspoeling tegen verzilting en verontreiniging ten behoeve van beregening akker- en tuinbouw;
    4. peilhandhaving klei- en zandgebieden;
    5. peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;
    6. beregening gras/mais;
    7. afvoer voor visintrek;
    8. doorspoeling tegen botulisme en blauwalgen voor zover de volksgezondheid niet in het geding is;
    9. het onnodig verlies van water tijdens het schutten van schepen.

Artikel 9.4 Afwijking watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht     

  1. In afwijking van hetgeen is opgenomen in artikel 9.3, eerste lid, wordt in geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort bij het beheer binnen het watersysteem Twenthekanalen/Overijsselsche Vecht zoals is aangegeven op de in bijlage III opgenomen kaart, bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:
    1. onttrekking voor proces- en gietwater;
    2. doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt;
    3. beregening van kapitaalintensieve gewassen.
  2. In afwijking van hetgeen is opgenomen in artikel 9.3, tweede lid, wordt in geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort bij het beheer binnen het watersysteem Twenthekanalen/Overijsselssche Vecht zoals is aangegeven op de in bijlage III opgenomen kaart, bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 4°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:
    1. doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid;
    2. scheepvaart;
    3. peilhandhaving en beregening ten behoeve van akkerbouw;
    4. beregening gras/maïs;
    5. peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;
    6. doorspoeling ten behoeve van aquatische ecologie (KRW).

Artikel 9.5 Normen waterkwantiteit     

  1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, een gemiddelde overstromingskans van eens in de 100 jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van eens in de 10 jaar.
  2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, een gemiddelde overstromingskans van niet vaker dan:
    1. eens in de 50 jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben;
    2. eens in de 25 jaar voor akkerbouw, waarbij 1% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben;
    3. eens in de 10 jaar voor grasland, niet zijnde natuur, waarbij 5% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.
  3. Op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart B is voor verschillende te onderscheiden gebieden de norm aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht.
  4. Voor de teelt van mais en roulerende teelten (bollen en dergelijke) geldt voor de in het tweede lid bedoelde overstromingskans dat wordt aangesloten bij de gemiddelde overstromingskans voor het overwegende grondgebruik in de directe omgeving.
  5. Gedeputeerde staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren.
  6. De bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voldoen uiterlijk in 2015 voor de eerste keer aan de in het eerste en tweede lid opgenomen normen. Zo nodig kunnen gedeputeerde staten op verzoek van het dagelijks bestuur ontheffing van deze termijn verlenen.

Paragraaf 9.2 Toedeling beheer en vaarwegenbeheer     

Artikel 9.6 Toedeling beheer en vaarwegen     

In lijst A en lijst B is aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van het Rijk, is belast met het vaarwegbeheer.

Artikel 9.7 Belangenbescherming     

  1. Deze titel en de daarop berustende bepalingen hebben tot doel:
    1. regels te stellen in het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken;
    2. nadere regels te stellen in het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen.
  2. Deze titel kan mede strekken ter bescherming van ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen.

Artikel 9.8 Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud     

  1. Gedeputeerde staten kunnen de minimaal benodigde vaarwegdiepten wijzigen van de vaarwegen op de lijsten A en B;
  2. De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de minimaal benodigde vaarwegdiepten, vastgesteld krachtens het eerste lid.

Artikel 9.9 Afmetingen scheepvaart     

Gedeputeerde staten kunnen voor de scheepvaart nadere regels stellen voor de lengte, breedte en diepgang.

Artikel 9.10 Bedieningstijden van bruggen en sluizen     

  1. Gedeputeerde staten stellen de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de vaarwegen op de lijsten A en B.
  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor spoorbruggen en voor bruggen en sluizen in beheer bij het Rijk.
  3. De beheerders van de bruggen en sluizen dragen er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door gedeputeerde staten vastgestelde tijden.

Artikel 9.11 Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer     

Het besluit van een vaarwegbeheerder tot het blijvend geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het openbaar verkeer van een vaarweg van lijst B voor alle schepen, behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.

Artikel 9.12 Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken     

Het is verboden:

  1. het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij vaarwegen te belemmeren;
  2. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarweg in gevaar te brengen;
  3. vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg te brengen, dan wel vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken.

Artikel 9.13 Verboden met ontheffingsmogelijkheid voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken     

  1. Het is verboden om:

    1. zodanig te handelen of na te laten dat aan vaarwegen schade wordt of kan worden toe­gebracht;

    2. zodanig te handelen of na te laten dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van vaarwegen in de ruimste zin wordt of kan worden belet;

    3. veranderingen aan te brengen aan de vaarweg;

    4. enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een afstand van 10 meter landinwaarts van de vaarweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn;

    5. onverminderd het bepaalde in artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement, een vaarweg te gebruiken voor het houden van wedstrijden of evenementen.

  2. De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten vaarwegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die vaarwegen in het geding is.

  3. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen van het eerste lid, indien de belangen bedoeld in artikel 9.9 zich daartegen niet verzetten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

  4. Een ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:

    1. de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend;

    2. de ontheffing gedurende twee jaar niet is gebruikt;

    3. gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de houder verstrekte onjuiste gegevens;

    4. de in het derde lid bedoelde voorschriften of beperkingen niet of niet voldoende worden nageleefd.

Artikel 9.14 Provinciaal belang     

Het in de artikelen 9.12 en 9.13 opgenomen verbod geldt niet voor handelingen die worden uitgevoerd in het belang van een goed provinciaal vaarwegenbeheer.

Artikel 9.15 Aanwijzing andere ligplaats     

Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheer een andere ligplaats innemen indien onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.

Artikel 9.16 Procedurebesluit     

Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, artikel 9.10, eerste lid en artikel 9.11, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Paragraaf 9.3 Regionaal waterplan en beheerplannen     

Artikel 9.17 Voorbereiding regionaal waterplan     

Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 9.18 Uitwerking regionaal waterplan     

  1. In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat gedeputeerde staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.
  2. Het besluit van gedeputeerde staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan.

Artikel 9.19 Inhoud beheerplan     

Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de Waterwet, ten minste:

  1. het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;
  2. de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren;
  3. een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode.

Artikel 9.20 Voorgangsrapportage uitvoering beheerplan     

Het dagelijks bestuur informeert gedeputeerde staten ten minste eenmaal per jaar over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

Paragraaf 9.4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken     

Atikel 9.21 Legger waterstaatswerken     

  1. Op grond van artikel 5.1, derde lid, van de Waterwet, geldt in het geval van meanderen van een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor in de legger wordt opgenomen ten minste de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel.
  2. Op de overzichtskaart bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet is ten aanzien van de primaire- en regionale waterkeringen tevens aangegeven het profiel van vrije ruimte inhoudende de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering.
  3. In afwijking van artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, wordt in het geval van bergingsgebieden in de legger alleen opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen.
  4. Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan.
  5. Gedeputeerde staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet met betrekking tot vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen.

Artikel 9.22 Opstellen peilbesluiten     

Het algemeen bestuur van een waterschap stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die deel uitmaken van provinciegrensoverschrijdende peilvakken waarvoor een door de provincie Groningen, Overijssel of Friesland opgestelde verplichting geldt als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwet.

Artikel 9.23 Projectprocedure voor waterstaatswerken     

Gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen kunnen, mede op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap, paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op:

  1. projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen;
  2. projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringe

Paragraaf 9.5 Handelingen in watersystemen     

Artikel 9.24 Grondwaterregister     

  1. Gedeputeerde staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van water uit een grondwaterlichaam en infiltraties in een grondwaterlichaam worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van het tweede lid en artikel 9.26, eerste lid worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt.
  2. Het dagelijks bestuur van de waterschappen verstrekt aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of infiltratie plaatsvindt de gegevens die door toepassing van artikel 6.25, derde lid worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt.
  3. Het dagelijks bestuur maakt voor de uitvoering van het gestelde in het vorige lid gebruik van het Landelijk Grondwaterregister (LGR).
  4. De in het tweede lid bedoelde gegevens, meldingen en vergunningen worden door het dagelijks bestuur binnen 3 maanden nadat deze door hen zijn ontvangen dan wel zijn verleend, verstrekt aan gedeputeerde staten.

Artikel 9.25 Registratieplicht     

  1. Degene die water onttrekt aan of infiltreert als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet is verplicht:
    1. de onttrekking op te geven aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies, waarin de onttrekking geschiedt;
    2. de hoeveelheden water die worden onttrokken, te meten en daarvan aantekening te houden;
    3. telkenmale in de maand januari of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen 1 maand na die beëindiging, aan gedeputeerde staten van de provincie of provincies, waarin de onttrekking geschiedt, opgave te verstrekken van de in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar per kwartaal onttrokken hoeveelheden water;
    4. bij de onder c bedoelde opgave kennis te geven van wijzigingen die zich in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de bij de opgave, als bedoeld onder a, verstrekte gegevens.
  2. Gedeputeerde staten kunnen, nadere regels stellen omtrent de wijze van meting en registratie.
  3. Het algemeen bestuur van de waterschappen regelt bij verordening dat ten minste degene die meer dan 10 m3 water per uur of meer dan 5.000 m3 water per kwartaal onttrekt uit een grondwaterlichaam en degene die water infiltreert in een grondwaterlichaam voor andere doeleinden of in kleinere hoeveelheden dan genoemd in het eerste lid, de gegevens bedoeld in het eerste lid verstrekt aan het dagelijks bestuur.

Artikel 9.26 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister     

  1. Gedeputeerde staten kunnen een inrichting en/of infiltratie die niet ingevolge artikel 9.25 is opgegeven, ambtshalve in het register, genoemd in artikel 9.24, inschrijven.
  2. Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.

Artikel 9.27 Onttrekking van grondwater en infiltratie van water     

  1. Bij het beslissen op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet houden gedeputeerde staten in ieder geval rekening met:
    1. de thermische en hydrologische effecten op de omgeving;
    2. de (micro)biologische of chemische veranderingen van de grondwaterkwaliteit.
  2. Een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet wordt door gedeputeerde staten niet verleend indien:
    1. er geen sprake is van een hoogwaardige toepassing van het opgepompte water;
    2. er door het verlenen van de vergunning strijd ontstaat met de belangen van andere reeds verleende vergunningen en toekomstige belangen;
    3. bij infiltratie deze niet plaatsvindt in dezelfde diepte als waar het grondwater wordt onttrokken;
    4. voor een industriële onttrekking of de aanleg van een bodemenergiesysteem de locatie van de boring is gelegen binnen een gebied als bedoeld in artikel 6.1.

Paragraaf 9.6 Financiële bepalingen grondwater     

Artikel 9.28 Instelling commissie van deskundigen     

Gedeputeerde staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet.

Artikel 9.29 Procedure advies     

  1. Gedeputeerde staten kunnen een verzoek als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet in handen van de commissie van deskundigen stellen. Indien zij de commissie een verzoek voorleggen, zenden zij daarvan een afschrift aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten. Zij doen daarvan mededeling aan de verzoeker en, in geval het verzoek verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.
  2. De commissie van deskundigen brengt zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak.
  3. De commissie van deskundigen zendt het ontwerp van haar advies toe aan degene op wiens verzoek zij een onderzoek heeft ingesteld en aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders.

Artikel 9.30 Indienen zienswijzen     

  1. Gedurende 6 weken na de verzending van het ontwerpadvies kunnen de betrokkenen, bedoeld in artikel 9.29, derde lid, schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen bij de commissie van deskundigen. De commissie stelt degenen die een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid hun zienswijze in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor een of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen.
  2. Van hetgeen op de zitting, bedoeld in het eerste lid, naar voren wordt gebracht wordt een verslag gemaakt.
  3. Indien zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies al dan niet gewijzigd vast en zendt dat gelijktijdig met het verslag van de hoorzitting en haar beschouwingen omtrent de zienswijzen toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 9.29, derde lid.
  4. Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies binnen 4 weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, vast en zendt dat toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 9.29, derde lid.
  5. De in het derde en vierde lid genoemde stukken worden tevens toegezonden aan gedeputeerde staten en, in geval het verzoek, bedoeld in 7.14, eerste lid, van de Waterwet, verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.

Hoofdstuk 10 Wegen     

Paragraaf 10.1 Algemene bepalingen     

Artikel 10.1 Toepassing     

  1. Dit hoofdstuk is van toepassing op wegen in beheer bij de provincie Drenthe en tevens op situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.
  2. Op de bij deze verordening behorende kaart A zijn deze wegen aangegeven.

Paragraaf 10.2 Bepalingen inzake instandhouding en dergelijke     

Artikel 10.2 Bescherming     

  1. Dit hoofdstuk kan mede strekken ter bescherming van ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen.
  2. Gedeputeerde staten kunnen ten behoeve van de in het eerste lid genoemde belangen nadere regels stellen.
  3. De geboden en verboden worden voor zover noodzakelijk aangegeven door middel van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Artikel 10.3 Dijken     

  1. Provinciale staten stellen de afmetingen vast van de dijken met een waterkerende functie.
  2. Gedeputeerde staten dragen zorg voor de handhaving van deze afmetingen.

Paragraaf 10.3 Gebods- en verbodsbepalingen     

Artikel 10.4 Bevoegd gezag     

Waar in dit hoofdstuk sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld:

  1. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 10.7: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag.
  2. in alle andere gevallen: gedeputeerde staten.

Artikel 10.5 Verboden handelen of nalaten     

  1. Het is verboden zodanig te handelen of na te laten:
    1. dat aan wegen schade wordt of kan worden toegebracht;
    2. dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van wegen in de ruimste zin wordt of kan worden belemmerd of belet.
  2. De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.

Artikel 10.6 Verboden werk of beplanting     

  1. Het is verboden enig werk aan te brengen, te hebben of te wijzigen, beplantingen aan te brengen of te hebben binnen een dusdanige afstand uit de grens van de weg, indien daardoor het vrije zicht op de weg zodanig wordt belemmerd dat daardoor de verkeersveiligheid in het gedrang komt of kan komen.
  2. De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.

Artikel 10.7 Verbod handelen zonder omgevingsvergunning     

Als verbod om te handelen zonder omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden aangemerkt de verboden als bedoeld in artikel 10.6 voor zover er sprake is van:

  1. het aanleggen van een weg of veranderingen te brengen in de aanleg van een weg;
  2. het maken van een uitweg of deze te veranderen;
  3. het als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats.

Artikel 10.8 Uitzondering ten behoeve van provinciaal belang     

Het in de artikelen 10.5 en 10.6 genoemde geldt niet voor handelingen ten behoeve van het provinciaal belang.

Paragraaf 10.4 Ontheffing     

Artikel 10.9 Ontheffing     

  1. Het bevoegd gezag kan schriftelijk ontheffing verlenen van de in de artikelen 10.5 en 10.6 genoemde bepalingen.
  2. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een ontheffing.
  3. Een ontheffing kan worden ingetrokken indien:
    1. de omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou zijn verleend;
    2. de ontheffing gedurende een aaneengesloten periode van 2 jaar niet is gebruikt;
    3. de aan de ontheffing verbonden voorschriften en/of beperkingen niet of niet behoorlijk worden nageleefd;
    4. gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de aanvrager verstrekte onjuiste gegevens.

Artikel 10.10 Adviseur     

  1. Met betrekking tot een aanvraag voor een omgevingsvergunning waar sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 10.7 worden gedeputeerde staten als adviseur aangewezen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn.

Hoofdstuk 11 Vergoeding van schade en kosten     

Artikel 11.1 Reikwijdte     

  1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van gedeputeerde staten met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van de hoofdstukken 4, 5, 6 en 8.
  2. De bepalingen in dit hoofdstuk betrekking hebbende op ‘de waterleidingmaatschappij in wiens belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd’ zijn slechts van toepassing voor zover het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft op bepalingen op grond van hoofdstuk 6, titel 6.3.

Artikel 11.2 Aanvraag vergoeding kosten en schade     

De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de volgende gegevens:

  1. de bepalingen door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt;
  2. de aard en omvang van de kosten dan wel de schade;
  3. de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 11.3 Aanwijzen deskundigen     

  1. Gedeputeerde staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 11.1.
  2. Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het gestelde in het eerste lid, brengen deze deskundigen advies uit inzake:
    1. de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening;
    2. de omvang van de kosten dan wel de schade;
    3. de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de aanvrager behoren onderscheidenlijk behoort te blijven;
    4. de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien;
    5. de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;
    6. de hoogte van de toe te kennen vergoeding.
  3. Alvorens een advies aan gedeputeerde staten uit te brengen horen de aangewezen deskundigen de aanvrager. Tevens stellen de aangewezen deskundigen de waterleidingmaatschappij in welker belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd in de gelegenheid haar opvattingen over de voorliggende aanvraag aan hen kenbaar te maken.

Artikel 11.4 Verzoek vergoeding kosten of schade door bestuursorgaan     

Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeputeerde staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 6, titel 6.3, dient dat verzoek ten minste vergezeld te gaan van:

  1. indien het bestuursorgaan een verzoek om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van dat verzoek en de daarbij gevoegde stukken;
  2. een afschrift van de schriftelijke opvattingen die de waterleidingmaatschappij over het verzoek of het voornemen een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt aan het bestuursorgaan;
  3. indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 15.20, vierde lid, van de Wet milieubeheer heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies;
  4. het ontwerp van de beschikking houdende een toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking.

Hoofdstuk 12 Handhaving     

Artikel 12.1 Strafbaar feit     

Een gedraging in strijd met artikel 4.2, 4.3, 4.5, 4.6, 6.5, eerste lid, 6.6, eerste lid, 6.8, 6.9, 6.10, 6.11, 6.12, 6.13, 6.14, 6.16, 6.17, 6.23, 6.24, 6.25, of 8.2 is een strafbaar feit.

Artikel 12.2 Strafbaarstelling     

Overtreding van de artikelen 9.12, 9.13, 10.5 of 10.6 wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste 2 maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 12.3 Toezicht     

  1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in hoofdstukken 9 en 10 zijn belast de daartoe door gedeputeerde staten aangewezen personen.
  2. Met de opsporing van overtredingen van het bepaalde in hoofdstukken 9 en 10 zijn belast de krachtens de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren en de door gedeputeerde staten aangewezen personen.

Hoofstuk 13 Overgangs- en slotbepalingen     

Artikel 13.1 Intrekking oude verordeningen     

De Provinciale Omgevingsverordening Drenthe, vastgesteld bij besluit van provinciale staten van Drenthe van september 2015 en laatstelijk gewijzigd bij besluit van provinciale staten van 9 oktober 2017 in het Provinciaal Blad met nummer prb-2017-4729, wordt ingetrokken.

Artikel 13.2 Verleende besluiten     

Een ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing op grond van een van de in artikel 13.1 genoemde verordening wordt gelijkgesteld aan een ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing op grond van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018.

Artikel 13.3 Aanvraag ontheffing     

Indien de aanvraag tot het geven van een ontheffing van het bepaalde in een verordening als bedoeld in artikel 13.1 is ingediend voor het tijdstip waarop dat artikel ten aanzien van die verordening in werking treedt, blijft die verordening op de aanvraag van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

Artikel 13.4 Inwerkingtreding     

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in het Provinciaal Blad.

Bijlagen bij regels     

Bijlage I Aanwijzing van categorieën van inrichtingen die niet in grondwaterbeschermingsgebied mogen worden opgericht of in werking worden gehouden     

Aanwijzing van categorieën van inrichtingen die niet in grondwaterbeschermingsgebied mogen worden opgericht of in werking worden gehouden

Het in artikel 7.5 opgenomen verbod geldt voor de volgende categorieën van inrichtingen.

a.

Inrichtingen voor het winnen van aardolie, aardgas, aardwarmte, mergel, zand, grind, kalkzandsteen, kalk, zout, steenkolen, turf of andere delfstoffen.

b.

Inrichtingen voor het opslaan, overslaan of bewerken van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen.

c.

Inrichtingen voor het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen.

d.

Inrichtingen voor het voorbereiden van recycling bestaande uit metaal- en autoshredders, puinbrekerijen en –malerijen en afvalscheidinginstallaties.

e.

Inrichtingen voor het storten, het op- en overslaan, het composteren, het verbranden, het anderszins op of in de bodem brengen of op een andere wijze verwijderen of verwerken van afvalstoffen.

f.

Inrichtingen voor het opslaan of storten van baggerspecie op land of op of in oppervlaktewateren.

g.

Inrichtingen voor het vergisten van dierlijke meststoffen en organische afvalstoffen.

h.

Zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwater­zuiveringen die zelfstandig een inrichting vormen.

i.

Inrichtingen voor het vervaardigen, onderhouden, repareren, verfspuiten of het anderszins behandelen van (de oppervlakte) van auto’s, motorfietsen of schepen.

j.

Inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer of aan vaartuigen.

k.

Inrichtingen waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen en waar afgewerkte olie, bilgewater, huishoudelijk afvalwater of andere afvalstoffen worden opgeslagen.

l.

Inrichtingen voor de opslag van vloeibare brandstoffen, afgewerkte olie, gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of andere bodembelastende stoffen in ondergrondse opslagtanks.

m.

Inrichtingen voor het inwendig reinigen van mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers, bulkcontainers of tankschepen.

n.

Groothandel in vloeibare chemische producten en vloeibare brandstoffen.

o.

Inrichtingen voor oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, of het aanbrengen van gesmolten metaal waarbij de gebruikte behandelingsbaden direct in of op de bodem zijn geplaatst.

p.

Inrichtingen voor het vervaardigen van chemische producten.

q.

Inrichtingen voor schieten in de open lucht zonder gebruikmaking van kogelvangers, met vuurwapens of wapens werkend met luchtdruk of gasdruk.

r.

Inrichtingen voor de bewerking van splijt- en kweekstoffen.

s.

Inrichtingen voor het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen.

t.

Inrichtingen voor het recreatievissen of het kweken van siervis of consumptievis in een bassin dat in contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater.

u.

Inrichtingen voor het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht.

Bijlage II Lijsten A en B als bedoeld in artikel 9.6 onder a en b     

Lijsten A en B als bedoeld in artikel 9.6, onder a en b

Lijst A : Vaarwegen in beheer bij de provincie Drenthe

Vaarweg

Beheerder

Functionaliteit

Kilometer / opmerking

CEMT/specificatie diepgang

BRTN

Doorvaart- hoogte obv kanaalpeil

Noord-Willemskanaal voor zover in Drenthe

Provincie Drenthe

II 1,90m – kp

2,50m – kp

BM

5,30 m + kp

5.40 m + kp

0,0 – 6,7

6,7 – 19,6

Drentsche Hoofdvaart

Provincie Drenthe

- 1,55m – kp

IV 2,50m – NAP

BM

5,30 m + kp

Geen beperking

2,4 – 43,7

43,7 – 44,2 klasse IV *

Meppelerdiep voor zover in Drenthe

Provincie Drenthe

Va 3,25m – NAP

2,75m – NAP

BM

Geen beperking

Geen beperking

9,2 – 10,5 *

10,5 – 11 ,2

*deels gemandateerd aan Meppel:

zie Prov. Blad 27/2010

Hoogeveensche Vaart

Provincie Drenthe

II 2,50m – NAP

2,20m – kp

BM

5,80 m + kp

5,20 m + kp

0,0 – 9,5

9,5 – 28,4

Verlengde Hoogeveensche Vaart tot aan Klazienaveen

Provincie Drenthe

I 1,50m – kp

1,90m – kp

1,90m – kp

1,10m – kp

BM

5,10 m + kp

5,30 m + kp

5,30 m + kp

4,20 m + kp

28,4 – 51,8

51,8 – 56,5

56,5 – 60,9

60,9 – 62,0,

Stieltjeskanaal

Provincie Drenthe

II 1,90m – kp

BM

5,40 m + kp

0,0 – 12,9

Coevorden-Vechtkanaal vanaf de Coevorder Binnengracht tot de Vecht in Ovl

Provincie Drenthe

II 2,50m – kp

1,90m – kp

BM

6,00 m + kp

6,00 m + kp

31,7 – 36,3

36,3 – 36,8

Coevorder Binnengracht (tussen Afwateringskanaal en Stieltjeskanaal)

Provincie Drenthe

II 1,90m – kp

BM

6,00 m + kp

Verbindingskanaal (tussen Coevorder Binnengracht en Kan. Coevorden-Zwinderen)

Provincie Drenthe

II 1,90m – kp

6,00 m + kp

Zijtak van het Stieltjeskanaal in Nieuw Amsterdam

Provincie Drenthe

- 1,50m – kp

2,50 m + kp

41,0 – 43,0

Bladderswijk

Provincie Drenthe

I 1,90m – kp

BM

4,20 m + kp

0,0 – 4,4

Oranjekanaal van Bladderswijk tot de Bargersluis

Provincie Drenthe

-

BM

Hondsrugkanaal

tussen Bladderswijk en Scholtenskanaal (onderdeel van De Veenvaart)

Provincie Drenthe

-

BM

Witte Wijk

Provincie Drenthe

- 1,50m – kp

DM

5,30 m + kp

52,9 – 55,0

Afwateringskanaal in Coevorden tot einde woonbotenhaven

Provincie Drenthe

I 1,90m – kp

6,00 m + kp

0,0 – 1,4

Veenparkkanaal (onderdeel van De Veenvaart)

Provincie Drenthe

-

BM

Lijst B : Vaarwegen in beheer bij andere overheidsorganen, het Rijk uitgezonderd

Vaarweg

Beheerder

Functionaliteit

Kilometer / opmerking

CEMT/specificatie diepgang

BRTN

Doorvaart- hoogte obv kanaalpeil

Havenkanaal vanaf Noord-Willemskanaal

tot aan de Zwaaikom

Gemeente Assen

II 2,50m – kp

BM

5,40 m + kp

De Vaart (van de Drentsche Hoofdvaart tot De Kolk)

Gemeente Assen

1,50m – kp

BM

3,50 m + kp

Het Kanaal (van de Vaart tot het Havenkanaal)

Gemeente Assen

1,50m – kp

BM

3,50 m + kp

Industriehaven Hoogeveen

(= verlenging van de Hoogeveenschevaart)

Gemeente Hoogeveen

II 2,20m – kp

BM

5,20 m + kp

Vaarweg eindigt bij oostzijde Bekinkbrug

Bargermeerkanaal van Bargersluis tot eindpunt in Emmen

Gemeente Emmen

I 1.90m – kp

BM

4,20 m + kp

Binnenhaven Coevorden

(centrum)

Gemeente Coevorden

-

BM

Haven ROC (bij Nijhof-Wassink, Europark)

Gemeente Coevorden

II

BM

Haven Veenoord

Gemeente Emmen

I/II 1,90m – kp

BM

5,30 m + kp

Havens Meppel: Sethehaven en 2 havens bij De Kaap

Gemeente Meppel

Va 3,25m – kp

Geen beperkingen

Wachthaven Meppel

in Staphorst / niet in Drenthe

Gemeente Meppel

Va 3,25m – kp

Geen beperkingen

Stads-Compascuumkanaal vanaf prov.grens Groningen tot Emmercompascuum (onderdeel van De Veenvaart)

Waterschap Hunze en Aa’s

- 1,50m – kp

BM

3,50 m + kp

Oosterdiep van Emmer-Compascuum tot Barger-Compascuum (onderdeel van De Veenvaart)

Waterschap Hunze en Aa’s

- 1,50m – kp

BM

3,50 m + kp

Scholtenskanaal

vanaf Veenpark tot nieuw prov. kanaal (onderdeel van De Veenvaart)

Waterschap Hunze en Aa’s

- 1,50m – kp

BM

3,50 m + kp

Vaargeulen Zuidlaardermeer vanaf provinciegrens tot Havenkanaal

Waterschap Hunze en Aa’s

- 1,50m – kp

BM

Havenkanaal Zuidlaren-Zuidlaardermeer

Gemeente Tynaarlo

- 1,50m – kp

BM

3,20m + kp

Grevelingskanaal

in Anner- en Eexterveensche kanaal

Waterschap Hunze en Aa’s

- 1,20m - kp

CM

3,20m + kp

Vaargeul Leekstermeer: Leeksterhoofddiep-Munnikesloot

Waterschap Noorderzijl-vest

- 1,20m – kp

(kp = 0.93)

BM

2,40m + kp (kp = - 0.93)

Bijlage III Watersysteem Twenthekanalen/Overijsselse Vecht als bedoeld in artikel 9.4     

Watersysteem Twenthekanalen/Overijsselssche Vecht als bedoeld in artikel 9.4.

Bijlage IV Provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer     

In artikel 3.2, eerste lid, van de POV worden de soorten in bijlage IV bij de POV vrijgesteld van de vergunningplicht voor de in dat artikel genoemde belangen. In deze toelichting wordt aangegeven waarom welke soorten zijn opgenomen in bijlage IV (hierna: de provinciale vrijstellingslijst).

Voor het plaatsen van een soort op de provinciale vrijstellingslijst moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Een van de voorwaarden voor het kunnen opnemen van een soort is dat de vrij te stellen soort zich in een gunstige staat van instandhouding bevindt (artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel c, Wet natuurbescherming).

Aan de hand van deze voorwaarde is gekeken naar de soorten die in de huidige Flora- en faunawet zijn vrijgesteld (voormalige tabel 1 soorten) en de soorten die in de Wet natuurbescherming op de bijlage (onderdelen A en B) behorend bij artikel 3.10 zijn geplaatst. Het resultaat van deze inventarisatie is dat voor negen soorten een nadere analyse nodig is. Twee amfibieënsoorten (alpenwatersalamander en kleine watersalamander) en vijf zoogdiersoorten (bunzing, egel, eekhoorn, hermelijn en wezel) omdat de staat van instandhouding mogelijk ongunstig is. Daarnaast is de staat van instandhouding van twee soorten mogelijk gunstig (das, steenmarter), maar zorgen deze soorten voor overlast. Deze negen soorten zijn individueel behandeld.

Uiteindelijk leidt de analyse per soort tot een conclusie om de betreffende soort al dan niet op de provinciale vrijstellingslijst te plaatsen. Voor het bepalen van de trends van de verschillende soorten is gebruikgemaakt van de meest recente informatie. Verrassend genoeg is de beschikbare informatie slechts beperkt beschikbaar. Goede informatie is schaars. Zoogdieren en watersalamanders leiden een verborgen bestaan en zijn lastig waar te nemen. Van de negen nader bekeken soorten verkeren er drie in een gunstige staat van instandhouding, van één soort is de staat van instandhouding ongunstig en van de overige vijf is de status onzeker, vooral door gebrek aan voldoende gegevens. Om te komen tot een goede onderbouwing van de staat van instandhouding is in viertal gevallen betere informatie nodig. Nader onderzoek is gewenst. Zo kan beter beoordeeld worden of een soort al dan niet een vrijgestelde status verdient. Ook kan het veranderen van de status van ‘vrijgesteld’ naar ’beschermd’ leiden tot onnodige regeldruk. Het probleem van achteruitgang ligt vaak niet bij een gebrek aan beschermde status maar aan andere oorzaken zoals het verminderen van geschikt leefgebied, verkeer en verminderd voedselaanbod. Het heeft weinig zin om een soort te beschermen als ook niet tegelijkertijd zijn leefgebied beschermd wordt. Actieve bescherming in de vorm van verbeteren van het leefgebied is in een aantal gevallen dan ook effectiever dan het niet vrijstellen van de beschermde status voor bepaalde ingrepen.

De vrijstelling als bedoeld in Artikel 3.2, lid 1 van de Omgevingsverordening betreft de volgende soorten:

Aardmuis

Microtus agrestis

Bastaardkikker (oude naam: middelste groene kikker)

Pelophylax klepton esculenta (oude naam: Rana esculenta)

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Bruine kikker

Rana temporaria

Bunzing

Mustela putorius

Dwergmuis

Micromys minutus

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Egel

Erinaceus europeus

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Gewone pad

Bufo bufo

Haas

Lepus europeus

Hermelijn

Mustela erminea

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris (oude naam: Triturus vulgaris)

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Meerkikker

Pelophylax ridibundus (oude naam: Rana ridibunda)

Ondergrondse woelmuis

Pitymys subterraneus

Ree

Capreolus capreolus

Rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Veldmuis

Microtus arvalis

Vos

Vulpes vulpes

Wezel

Mustela nivalis

Woelrat

Arvicola terrestris

Hieronder staan de individueel behandelde soorten.

Amfibieën

Alpenwatersalamander (Ichthyosaura [Mesotriton] alpestris)

De alpenwatersalamander was in de Flora- en faunawet opgenomen als ’tabel-II soort’. De soort werd dus op populatieniveau beschermd. In de Wet natuurbescherming is de soort opgenomen op de bijlage behorend bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming.

De alpenwatersalamander komt in Nederland in het zuiden en oosten voor, vaak in de buurt van bos en/of houtwallen. Hij heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. De alpenwatersalamander is niet kieskeurig i.v.m. zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Alpenwatersalamanders overwinteren op het land. In februari trekken ze naar het water. Anders dan zijn naam doet vermoeden komt de alpenwatersalamander ook in Drenthe voor. Met name in en om Assen is de alpenwatersalamander behoorlijk algemeen. Vanuit Assen breidt de soort zich langzaam uit over de rest van Drenthe. In Rheebruggen bevindt zich een uitgezette populatie die zich daar goed lijkt te handhaven. De soort is niet bedreigd en de staat van instandhouding dan ook gunstig.

Kanttekening hierbij is de recente intrede van ranavirussen (o.a. CMTV - Common Midwife Toad Virus) die in korte tijd tot massale sterfte van amfibieën kunnen leiden. In Nederland zijn nog geen met ranavirussen besmette alpenwatersalamanders gevonden, maar in andere landen (Spanje) is dit wel het geval. Een nieuwe bedreiging voor salamanders wordt gevormd door een recent ontdekte schimmel –Bsal- (zie 2.2. bij kleine watersalamander).

Verspreiding alpenwatersalamander in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Alpenwatersalamander

De alpenwatersalamander wordt niet op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst om de volgende redenen: De alpenwatersalamander komt in Drenthe sterk lokaal voor (met name Assen en omgeving). De soort doet het goed en lijkt zich zelfs enigszins uit te breiden. Incidenteel is sprake van problemen met de alpenwatersalamander in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen. De huidige beschermde status zal dan ook gehandhaafd blijven (beleidsarm).

Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris)

De kleine watersalamander was onder de Flora- en faunawet op de landelijke vrijstellingslijst opgenomen.

De kleine watersalamander is de meest algemene salamander in Nederland. Hij komt veel voor in sloten en poelen. De kleine watersalamander stelt weinig eisen aan zijn biotoop. Hij komt zowel voor in stadstuinen als in kleinschalige cultuurlandschappen en bos- en heidegebieden. Het voortplantingsbiotoop bestaat uit allerlei soorten ondiep stilstaand en zwak stromend water.

De ecologische atlas van de Nederlandse amfibieën en reptielen (Creemers en van Delft, 2009) geeft aan dat kleine watersalamander in Nederland zeer algemeen voorkomt en niet bedreigd is. De Nederlandse populatie vertoont een matige toename. Daar waar nog geen met ranavirussen besmette alpenwatersalamanders zijn gevonden is dat wel het geval bij kleine watersalamanders. Ranavisussen hebben ook in Drenthe al her en der geleid tot grote sterfte onder kleine watersalamanders. Een bekend voorbeeld is de uitbraak van het virus in 2010 in het Dwingelderveld[1] . Een nieuwe bedreiging van de salamanders doemt op in de vorm van een schimmel (Batrachochytrium salamandrivorans – Bsal) die in korte tijd hele populaties kan uitroeien. De voor Nederland unieke populatie vuursalamanders in Limburg is als gevolg van deze schimmel zo goed als verdwenen. Vooralsnog is deze schimmel alleen nog maar in Duitsland, België, Limburg en Gelderland aangetroffen[2] maar de kans dat ook de rest van Nederland hier mee te maken zal krijgen is aannemelijk.

[1] Kik et al., 2011

[2] Spitzen-van der Sluis et al. 2016

Verspreiding kleine watersalamander in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Kleine watersalamander

De kleine watersalamander wordt wel op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst om de volgende redenen: De kleine watersalamander komt in Drenthe algemeen voor en heeft een groot verspreidingsgebied. De staat van instandhouding is gunstig en er is sprake van een matige toename. Om die reden stond de kleine watersalamander dan ook op de landelijke vrijstellingslijst van de Flora- en faunawet. Vooralsnog is er geen aanleiding om hiervan af te wijken. Net als voor alpenwatersalamander geldt ook voor de kleine watersalamander dat virus- en schimmelepidemieën op de loer liggen die zeer ingrijpende consequenties kunnen hebben voor de staat van instandhouding van deze soort. Goede monitoring is daarom voor kleine watersalamander noodzakelijk.

Zoogdieren

Bunzing (Mustela putorius)

Onder de voormalige Flora- en faunawet was de bunzing opgenomen op de landelijke vrijstellingslijst.

Hoewel geen verandering in verspreiding in Nederland te zien is, vertoont het aantal waargenomen bunzingen in het NEM-meetnet Dagactieve Zoogdieren over de periode 1997-2013 een negatieve trend. In 2014 was sprake van een onverwachte piek in het aantal waarnemingen, waarschijnlijk een gevolg van het uitzonderlijke muizenjaar. Hierdoor is de trend over de periode 1997-2014 ‘neutraal’. Internationaal nemen de aantallen bunzingen af. Verkeer, bestrijdingsmiddelen (rodenticiden) en verschraling van het landschap door intensivering in de landbouw vormen de belangrijkste bedreigingen voor de bunzing. Meldingen van overlast of schade veroorzaakt door bunzingen zijn er niet of nauwelijks.

De gegevens voor bunzing zijn echter ontoereikend om een verantwoorde trendanalyse mogelijk te maken. Door de onzekerheid over aantallen en trend is de bunzing wel op de rode lijst geplaatst met als kenmerk ‘onbekend’. In 2016 is door de Zoogdiervereniging gestart met het opzetten van een NEM meetnet voor bunzing (en boommarter), zodat beter inzicht wordt verkregen in de verspreiding, trend en aantallen bunzingen.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de verspreiding van bunzing in Drenthe diffuus is en niet direct te koppelen aan bepaalde landschapstypen. Bunzingen worden zowel binnen als buiten de NNN aangetroffen, zij het in lage aantallen.

Een en ander geeft aan dat de staat van instandhouding van bunzing in Nederland, op zijn minst onzeker is en waarschijnlijk ongunstig.

Verspreiding bunzing in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Bunzing

De bunzing wordt op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst met de kanttekening dat ambtelijk geadviseerd zal worden nader onderzoek te doen naar de staat van instandhouding in Drenthe. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Wanneer de waarnemingskaart van de bunzing in Drenthe bekeken wordt dan lijkt de soort vooral voor te komen langs rijks- en provinciale wegen. Deze waarnemingen betreffen echter alleen dode dieren, wat aangeeft dat het verkeer een van de voornaamste bedreigingen vormt voor deze soort. Het zegt echter niets over de versprei­ding van en de dichtheden in de leefgebieden. Het aantal waarnemingen neemt echter af en dat doet vermoeden dat de staat van instandhouding van de bunzing op zijn minst onzeker is. Goede gegevens zijn echter schaars. Het gebrek aan voldoende gegevens is ook de oorzaak dat de soort is opgenomen op de rode lijst. In de voormalige Flora- en faunawet was de bunzing op de landelijke vrijstellingslijst geplaatst. Aan de voorwaarde dat de staat van instandhouding niet in het geding is kan op dit moment getwijfeld worden. Het niet plaatsen op de provinciale vrijstellingslijst betekent dat bij ruimtelijke ingrepen onderzoek naar de aanwezigheid van de bunzing vereist is. Dergelijk onderzoek is lastig, kostbaar en tijdrovend en leidt lang niet altijd tot een bruikbare en voor de bunzing zinvolle uitkomst. Actieve bescherming daarentegen in de vorm van het beschermen en ontwikkelen van kleinschalig landschap en het plaatsen van faunarasters en faunaovergangen bij wegen legt voor de bescherming van de bunzing (en de andere kleine marterachtigen) meer gewicht in de schaal.

Voor het kunnen bepalen van de staat van instandhouding van de bunzing in Drenthe moet gezorgd worden voor betere gegevens. Op grond van onderzoek kan bepaald worden of de soort op de provinciale vrijstellingslijst thuishoort. Vanuit het Flora- en faunabeleidsplan kan actief beleid voor bescherming en herstel van het leefgebied van kleine marters (waaronder bunzing) worden geïnitieerd.

Hermelijn (Mustela erminea)

Onder de voormalige Flora- en faunawet was de hermelijn opgenomen op de landelijke vrijstellingslijst.

Net als de andere marterachtigen heeft ook de hermelijn een sterke voorkeur voor structuurrijke landschappen met veel overgangen. Daarbij heeft de hermelijn een voorkeur voor vochtige tot natte gebieden. Monotone landschappen zoals weidegebieden, grootschalige akkers en bossen worden gemeden.

Consequent noteren van aangebrachte prooidieren op buizerdnesten in West-Drenthe in 1974-2003 duidt op achteruitgang[1]. De zoogdieratlassen voor Zeeland (De Kraker, 2010), Limburg (Morelissen, 2010) en Overijssel (Van der Weele, 2011) tonen een ijlere verspreiding ten opzichte van voorgaande perioden. Het is aannemelijk dat de combinatie van ingrijpende landschappelijke veranderingen en afname van woelmuizenplagen zorgen voor algehele afname van de Hermelijn. Mogelijk bijkomende factoren zijn verdroging en klimaatverandering, gezien de binding aan waterrijke en koele streken. Ook de voortdurende lage konijnenstand in delen van het land speelt mogelijk parten. Lokaal kan een populatie tijdelijk toenemen bij hogere woelmuisstanden, zoals in 2014 is gebleken.

[1] Bijlsma, 2004

Verspreiding hermelijn in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Hermelijn

De hermelijn wordt op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst met de kanttekening dat ambtelijk geadviseerd zal worden nader onderzoek te doen naar de staat van instandhouding. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Net als de bunzing en de wezel zijn ook de beschikbare gegevens over verspreiding en voorkomen van de hermelijn in Drenthe beperkt. Ook voor hermelijn geldt dat de indruk is dat de aantallen aan het afnemen zijn, maar dat de verspreiding in tact blijft. Er is dus reden om aan te nemen dat de staat van instandhouding van hermelijn ook in Drenthe onzeker is.

Net als bij bunzing en wezel geldt ook voor de hermelijn dat de soort meer gebaat is bij actieve bescherming dan bij passieve bescherming in de vorm van een beschermde status in de Wet natuurbescherming. Het verminderen van het aantal verkeersslachtoffers en verbetering van het leefgebied door het herstel en ontwikkeling van kleinschalig landschap zijn voorwaarden voor een goede staat van ontwikkeling van hermelijnen. Lokaal onderzoek naar de stand van de hermelijn is erg lastig en zorgt niet voor het oplossen van de problemen die hermelijnen ondervinden, maar wel voor extra regeldruk.

Het is van belang door middel van onderzoek meer te weten te komen over trends en ontwikkelingen van hermelijnen. Op grond van onderzoek kan bepaald worden of de soort op de provinciale vrijstellingslijst thuishoort.

Wezel (Mustela nivalis)

Onder de voormalige Flora- en faunawet was de wezel opgenomen op de landelijke vrijstellingslijst.

Wezels zijn de kleinste roofdieren van Nederland. Ze leven in structuurrijk terrein met veel ruigtes, bosjes en overhoekjes. Ze komen voor in droge gebieden maar ook in rietland, op erven en in de groene delen van steden en dorpen. Ze jagen op alles wat ze kunnen krijgen maar het hoofdvoedsel bestaat uit woelmuizen (veldmuis, aardmuis, bosmuis). De aantallen wezels fluctueren sterk, afhankelijk van het voedselaanbod. Net als andere roofdieren werden ook wezels in het verleden fel bestreden.

Ten opzichte van de voorgaande periode (1970 -1988) zijn tussen 1989 en 2012 minder atlasblokken met waarnemingen, vooral in de oostelijke helft van het land. Bijlsma (2004), constateerde over de periode 1974-2003 in Drenthe en de Zuidwest Veluwe een afname van wezels als prooi op buizerdnesten. Aantalsschattingen ontbreken echter. Een afname van de wezel wordt ook in andere landen in Noordwest Europa geconstateerd.

Door de sterke afhankelijkheid van het voedselaanbod is het lastig om een trend in populatiegrootte te bepalen. Veel woelmuizen levert veel wezels en weinig woelmuizen zorgt voor weinig wezels. Als kortlevende soort (wezels worden gemiddeld niet veel ouder dan een jaar) zonder vaste verblijfplaats en een grotendeels verborgen leefwijze zijn ze ook bijzonder lastig te inventariseren.

Verspreiding wezel in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Wezel

De wezel wordt op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst met de kanttekening dat ambtelijk geadviseerd zal worden nader onderzoek te doen naar de staat van instandhouding in Drenthe. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Net als bij bunzing en hermelijn bestaat veel twijfel over de staat van instandhouding van de wezel. Dit geldt voor Nederland als geheel en ook voor Drenthe. Er zijn veel aanwijzingen dat de staat van instandhouding van de wezel achteruit gaat. Het gaat dan met name om afname van de dichtheden. De verspreiding lijkt vooralsnog niet aangetast. Om die redenen is de wezel op de rode lijst geplaatst. Harde cijfers ontbreken echter. Daarnaast is de wezel een kortlevende soort die sterk afhankelijk is van het prooiaanbod. De natuurlijke variatie in populatieomvang is dan ook groot. Er is dus reden om aan te nemen dat de staat van instandhouding van wezel in Drenthe onzeker is.

Net als bij bunzing en hermelijn geldt ook voor de wezel dat de soort meer gebaat is bij actieve bescherming dan bij passieve bescherming in de vorm van een beschermde status in de Wet natuurbescherming. Wel is het ook hier zaak om door middel van onderzoek meer te weten te komen over trends en ontwikkelingen van de wezel. Op grond van onderzoek kan bepaald worden of de soort op de provinciale vrijstellingslijst thuishoort. Ondertussen kan met actieve bescherming zoals het plaatsen van rasters en faunapassages langs wegen en het herstel en ontwikkelen van goed leefgebied het nodige gedaan worden om de omstandigheden voor de wezel te verbeteren.

Egel (Erinaceus europaeus)

Onder de voormalige Flora- en faunawet was de egel opgenomen op de landelijke vrijstellingslijst.

De egel heeft een brede verspreiding over Nederland. In alle provincies komt de egel voor. Egels prefereren kleinschalig, afwisselend landschap met veel structuur. In open landschappen is de egel veel minder algemeen. Egels voelen zich vooral thuis in het buitengebied maar zijn ook binnen de bebouwde kom aan te treffen. Tuinen met voldoende structuur zijn geliefde plaatsen om te overwinteren.

De trend van de egelpopulatie is over de periode 1980-2015 onzeker. Uit het veld is aangegeven dat sprake is van een afname van de egel. De gegevens uit de NDFF lijken echter een ander beeld te geven.

De voornaamste oorzaak van mortaliteit is het verkeer. Dit beeld wordt bevestigd door de kaart uit de voorlopige zoogdierenatlas van Drenthe waar het zwaartepunt van de waarnemingen ligt bij op of langs wegen gevonden (dode) egels. Andere bedreigingen zijn het verlies aan leefgebied en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voor een soort die insecten, slakken, wormen etc. eet, zorgen gewasbeschermingsmiddelen voor een afname van het voedselaanbod en de aanwezigheid van toxische stoffen in de prooien.

Verspreiding egel in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Egel

De egel wordt op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst met de kanttekening dat ambtelijk geadviseerd zal worden nader onderzoek te doen naar de staat van instandhouding. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Het verkeer is ook in Drenthe de hoofdoorzaak van sterfte onder egels. Doordat de egel vrijwel overal in Drenthe te vinden is en ook nog frequent wordt waargenomen bestaat de indruk dat het wel goed gaat met de egel. Vanuit het veld zijn echter signalen te horen die minder positief zijn over de egelstand. Als tuindier zorgt de toenemende ‘verharding’ van tuinen voor minder leefgebied en het gebruik van gewas beschermende middelen zorgt voor minder aanbod van insecten, het hoofdvoedsel van egels. De oorzaken van fluctuaties in de egelstand die in het verleden zijn onbekend[1].

Nog steeds is de egel een algemeen voorkomende soort, met een groot verspreidingsgebied maar fluctuaties in de egelstand zijn echter legio. De goede staat van instandhouding is dan ook onzeker. Meer onderzoek naar de specifieke oorzaken van deze fluctuaties is nodig om beter begrip te krijgen van gedrag en ontwikkeling van de egel. Egels komen overal voor, zowel in het buitengebied als binnen de bebouwde kom. Het niet plaatsen van de egel op de provinciale vrijstellingslijst zou betekenen dat voor nagenoeg alle ruimtelijke ingrepen onderzoek nodig is naar het voorkomen en de staat van instandhouding van de egel.

Het is verantwoord om de egel, in navolging van de voormalige Flora- en faunawet, op de lijst van vrij te stellen soorten te zetten. Wel is het hierbij zaak om beter inzicht in het voorkomen en de ontwikkeling van de egel te krijgen zodat betere uitspraken gedaan kunnen worden over de populatietrend van egels in Drenthe. Op basis van de aldus verkregen inzichten kan in een later stadium bekeken worden of het nodig is om de egel van de provinciale vrijstellingslijst te halen. Daarnaast is het belangrijk om actief in te zetten op verbetering van de omstandigheden voor egels in het verkeer. Net als voor de das zorgt het plaatsen van rasters op strategische plaatsen voor minder verkeersslachtoffers. Ook actief propageren van “groene” tuinen en vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dragen bij aan een beter leefgebied voor de egel.

(Rode) Eekhoorn (Sciurus europaeus)

De eekhoorn was in de Flora- en faunawet opgenomen als ’tabel-II soort’. De soort werd dus op populatieniveau beschermd. In de Wet natuurbescherming is de soort opgenomen op de bijlage behorend bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming.

De populatie van de eekhoorn is in Nederland over de periode 1996-2014 matig afgenomen. De verwachting dat in 2014 de eekhoornpopulatie zich vanwege een redelijke hoeveelheid mast van eik en beuk in de herfst van 2013 en de zachte winter van 2013/2014 zou herstellen, is maar deels uitgekomen. Met name landelijk is het herstel gering. Mogelijk is dit te verklaren door een ziekte (toxoplasmose) die in 2014 optrad. Toen werden in de zomer en herfst enkele honderden dode dieren gemeld en werden zelfs eekhoorns gemeld die dood uit de boom vielen.

Voor de provincie Drenthe zijn onvoldoende gegevens voorhanden om op provinciaal niveau betrouwbare trends te bepalen. Uit gegevens van de NDFF lijkt een positieve trend in Drenthe waarneembaar. Wanneer gekeken wordt naar de landelijke trends over de laatste tien jaar, dan blijkt er een matige tot plaatselijk sterke afname te zijn. De afname wordt ook in het veld gesignaleerd.

[1] Hoekstra in Broekhuizen et al., 2009

Verspreiding (rode) eenkhoorn in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie (Rode) Eekhoorn

De eekhoorn wordt niet op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Voor de eekhoorn geldt dat veel zaken onbekend zijn. Zo lijkt er sprake te zijn van een stabiele trend tot 2006 waarna een daling intrad. Het is belangrijk om hierbij de forse fluctuaties in populatiegrootte goed te interpreteren. Eekhoorns reageren sterk op het voedselaanbod. Eekhoorns hebben ook te lijden van uitbraken van ziektes, het uitzetten van uitheemse eekhoornsoorten en ook vallen eekhoorns regelmatig ten prooi aan het verkeer. De goede staat van instandhouding is dan ook onzeker met een waarschijnlijk licht dalende trend.

In Drenthe heeft de eekhoorn een ruime verspreiding. Signalen uit het veld en de gegevens uit de werkversie zoogdieratlas Drenthe 2010 geven aan dat er mogelijk sprake is van een afname. Door een netto toename van bos lijkt meer leefgebied beschikbaar te komen. Ingebruikname hiervan door de eekhoorn lijkt te worden bevestigd door de gegevens uit de NDFF: er lijkt sprake van een grotere verspreiding van de soort. De oorzaak van de mogelijke achteruitgang is dan ook onduidelijk. Actief beheer van bossen door te zorgen dat een gevarieerd aanbod van jonge, oude en dode bomen beschikbaar is werkt gunstig voor eekhoorns.

Het aantal aanvragen van de voormalige Flora- en faunawet waarin eekhoorns betrokken zijn is gering. Het gaat dan meestal om te kappen bomen waar eekhoorns in nestelen. Dergelijke situaties zijn vaak goed op te lossen maar het gaat dan altijd om het leveren van maatwerk. Een vrijstelling is dan ook niet nodig. Het plaatsen van de Eekhoorn op de provinciale vrijstellingslijst levert ook nauwelijks vermindering van regeldruk op.

Das (Meles meles)

De das was in de Flora- en faunawet opgenomen als ’tabel-III soort’ en kende dus een zware bescherming. In de Wet natuurbescherming is de soort opgenomen op de bijlage behorend bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming.

De populatie dassen is na een dieptepunt rond 1960 in Nederland herstellende. Ondanks dat de das in verschillende gebieden, ook in Drenthe, geen zeldzaamheid meer is omvat de huidige dassenpopulatie in Nederland nog maar de helft van het aantal dassen dat rond 1900 in Nederland verbleef. Ze zitten dus nog steeds niet op het oude niveau. De voornaamste bedreiging tot circa 1960 was rechtstreekse vervolging (afschot, vergiftiging, klemmen, enz.). Het herstel van de das is te danken aan de strikte bescherming en aan maatregelen om slachtoffers door het verkeer te beperken (rasters, dassentunnels, ecoducten). Deze investeringen zijn voor de das een uitkomst geweest. Het verkeer vormt nog steeds een belangrijke doodsoorzaak, maar de populatie in Drenthe is inmiddels zo groot dat dit het herstel wel kan vertragen maar niet meer stopt.

De strikte bescherming van de das in de Flora- en faunawet is onder de Wet natuurbescherming iets soepeler geworden. Het verstoren van dassen of van hun leefomgeving is niet langer verboden (artikel 3.10 soort, bijlage A van de Wet natuurbescherming). Dat maakt het gemakkelijker om preventieve maatregelen te treffen om bijvoorbeeld landbouwschade te beperken, beheer en onderhoud uit te voeren of om bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren.

Verspreiding das in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Das

De das wordt niet op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Op landelijke schaal is de das momenteel geen bedreigde soort meer. Aan een gunstige staat van instandhouding (soort komt in het natuurlijke verspreidingsgebied duurzaam voor in alle geschikte biotopen[1]) wordt echter nog niet voldaan. De dassenpopulatie is immers nog steeds herstellende en nog lang niet alle potentiele leefgebieden (ook in Drenthe) zijn bezet.

Op grond van het voorgaande voldoet de das niet aan de wettelijke criteria om deze soort te kunnen vrijstellen conform artikel 3.10. Bovendien is het niet langer onder bepaalde omstandigheden verboden om dassen verstoren. In voorkomende situaties kan van geval tot geval een ontheffing worden aangevraagd.

Steenmarter (Martes foina)

Steenmarter en boommarter zijn sterk op elkaar lijkende martersoorten. Boommarter leeft in bossen op zowel zand-, klei-, en veengrond. Steenmarter leeft vooral in kleinschalige landschappen en in toenemende mate ook in bewoonde gebieden, waar boommarters niet of nooit voorkomen. In de loop van de eeuwen zijn beide soorten, net als vrijwel alle andere roofdieren, altijd streng vervolgd.

Voor 1980 was de steenmarter een zeldzame verschijning. Met name vanaf de jaren 80 van de 20e eeuw namen de aantallen en de verspreiding echter sterk toe. Het leefgebied van de steenmarter in Nederland breidt zich gestaag van oost naar west uit. Het zal een kwestie van tijd zijn voordat de soort in heel Nederland (met uitzondering van de Waddeneilanden) voorkomt. De bestaande leefgebieden raken voller wat leidt tot onderlinge concurrentie tussen territoriale steenmarters. Ook de overlast en schade als gevolg van steenmarters neemt toe. Waarschijnlijk is Drenthe nu ‘vol’, zodat de aantallen steenmarters stabiel zullen blijven.

Steenmarters zorgen in toenemende mate voor overlast. De provinciale vrijstelling waarvoor bijlage IV geldt (te weten artikel 3.2 van de POV) is echter niet gericht op het voorkomen van overlastsituaties. De vrijstelling uit artikel 3.2 is alleen (kort gezegd) gericht op het vrijstellen van soorten voor de belangen van ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer en onderhoud. Overlastsituaties vallen hier niet onder. Het plaatsen van de steenmarter op de provinciale vrijstellingslijst biedt zodoende voor overlast situaties geen uitkomst.

[1] "conservation status of a species means the sum of the influences acting on the species concerned that may affect the long-term distribution and abundance of its populations within the territory referred to in Article 2. The conservation status will be taken as 'favourable' when:

- population dynamics data on the species concerned indicate that it is maintaining itself on a long-term basis as a viable component of its natural habitats, and

- the natural range of the species is neither being reduced nor is likely to be reduced for the foreseeable future, and

- there is, and will probably continue to be, a sufficiently large habitat to maintain its populations on a long-term basis.”

Bron: http://ec.europa.eu/environment/nature/conservation/species/guidance/pdf/guidance_en.pdf

Verspreiding steenmarter in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Steenmarter

De provinciale vrijstelling geldt niet voor overlastsituaties maar voor (kort gezegd) ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer en onderhoud. Voor overlastsituaties is een generieke ontheffing aan gemeenten mogelijk (en dit is in de praktijk ook al diverse keren verleend). Voor het plaatsen van de steenmarter op de provinciale vrijstellingslijst is om deze reden op dit moment geen aanleiding.

Bijlage V Middelen soortenvrijstelling voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer     

Omdat voor de soorten die zijn opgenomen in de lijsten behorende bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming verstoren niet verboden is hoeven middelen die een preventieve werende werking hebben zoals vlaggen, linten en kunstmatige lichtbronnen niet aangewezen te worden. Bij de bepaling van de middelen is gebruik gemaakt van de Handreiking Faunaschade. Hieruit komt naar voren dat voor het vangen buidels-, fretten-, kastvallen en vangkooien gebruikt kunnen worden. Om de opties open te houden is ook een kunstbouw zonder vangmechanisme en specifiek voor amfibieën (schep)netten, amfibieënfuik en livetraps aangewezen.

Bij de bepaling van de middelenlijst is gebruik gemaakt van de Handreiking Faunaschade. Alle daar bekende vangmiddelen die gebruikt kunnen worden zijn opgenomen. Daarnaast zijn voor amfibieën een drietal vangmiddelen aangewezen.

De volgende middelen als bedoeld in Artikel 3.2, lid 2 van de Omgevingsverordening wijzen wij aan:

  • Amfibieënfuik
  • Buidels
  • Fretten
  • Kastvallen
  • Kunstbouw zonder vangmechanisme
  • Livetraps
  • Schepnet
  • Vankooien

Bijlage VI Aangewezen schadesoorten grondgebruiker     

Voor de toelichting naar de totstandkoming van deze lijst wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3.6, eerste lid, POV.

Als schadesoorten bedoeld in Artikel 3.6, lid 1 van de Omgevingsverordening wijzen wij aan:

Brandgans

Branta leucopsis

Grauwe gans

Anser anser

Knobbelzwaan

Cygnus olor

Kolgans (Europese)

Anser albifrons

Rietgans (Toendra- / Taigarietgans)

Anser serrirostris / Anser fabalis

Roek

Corvus frugilegus

Smient

Anas penelope

Spreeuw

Sturnus vulgaris

Bijlage VII Middelen voor het verstoren van aangewezen schadesoorten     

Bijlage VIII Aangewezen rustgebied     

Op dit moment is in het Flora- en faunabeleidsplan één rustgebied weergegeven, te weten: nabij het Leekstermeer. Gelet op een beleidsarme implementatie blijft dit gebied aangewezen.

Bijlage IX Insteek     

Ter verduidelijking van het begrip insteek (artikel 1.1) is onderstaande afbeelding toegevoegd.

Weergave diverse situaties insteek oppervlaktewater.

Bijlage x max. oppervlakte zonneparken in hectares     

Gemeente Zon op land
Aa en Hunze 64
Assen 100
Borger-Odoorn 252
Coevorden 187
Emmen 253
Hoogeveen 238
Meppel 5
Midden-Drenthe 143
Noordenveld 74
Tynaarlo 101
Westerveld 28
De Wolden 38

Toelichting op de omgevingsverordening drenthe     

Algemeen     

Voorliggende verordening wijzigt de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Deze verordening is speciaal opgesteld voor het geval de Omgevingswet niet in werking treedt. Deze verordening bevat de onderwerpen die niet op inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen wachten en die daarmee ook zonder Omgevingswet in werking moeten treden. Deze verordening voorziet in deze behoefte. De teksten zijn afkomstig uit de Omgevingsverordening Drenthe 2022 die tegelijkertijd met deze verordening ter inzage is gelegd, met dien verstande dat specifieke Omgevingswet termen zijn vervangen met een term die van toepassing is onder de Wet ruimtelijke ordening. Concreet betekent dit dat deze verordening spreekt van ruimtelijk plan, terwijl de Omgevingsverordening Drenthe 2022 spreekt van ‘omgevingsplan’. Onderstaand wordt per artikel een toelichting gegeven.

Grondslag     

De Omgevingsverordening is gebaseerd op meerdere wetten met elk een eigen doel en werkingssfeer. Hieronder is per hoofdstuk (voor zover van toepassing) aangegeven waar de verordenende bevoegdheid van Provinciale Staten is neergelegd.

Hoofdstuk 2 (Ruimtelijk Omgevingsbeleid)

De verordening bevoegdheid voor dit onderdeel is neergelegd in de Wet ruimtelijke ordening, artikel 4.1. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening mag de provincie regels opleggen aan gemeenten over hun ruimtelijke plannen. Inhoudelijk gezien vormen de regels een juridische doorvertaling van het actuele ruimtelijke beleid van de provincie.

Hoofdstuk 4 (Bodemenergie)

De verordenende bevoegdheid ligt bij deze regeling zowel in de Waterwet als ook de autonome bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 105 van de Provinciewet. Grofweg kan de scheiding worden gemaakt tussen open systemen (Waterwet) en gesloten systemen (Provinciewet).

Hoofdstuk 5 (Bodemsanering)

In dit hoofdstuk kan worden verwezen naar de Wet bodembescherming.

Hoofdstuk 6 (Gebieden)

De verordenende bevoegdheid voor dit onderdeel ligt vast in de Wet milieubeheer. Artikel 1.2 van de Wet milieubeheer bepaalt dat Provinciale Staten regels stellen met betrekking tot de bescherming van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning en regels ter inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden.

Hoofdstuk 7 (Ontgrondingen)

De verordenende bevoegdheid ligt hier in de Ontgrondingenwet.

Hoofdstuk 8 (Vaarverbod Drentsche Aa)

Deze regeling is volledig gebaseerd op de autonome regelende bevoegdheid die Provinciale Staten heeft op grond van artikel 105 van de Provinciewet.

Hoofdstuk 9 (Water)

Voor dit hoofdstuk kan worden verwezen naar de Waterwet.

Hoofdstuk 10 (Wegen)

Voor dit hoofdstuk is de bevoegdheid gebaseerd op artikel 105 van de Provinciewet.

Hoofdstuk 1 Begripsbepaling     

Voor de inhoud van verschillende van de in de verordening gehanteerde begrippen (zoals bijvoorbeeld inspecteur) behoeft geen omschrijving te worden gegeven, omdat veelal de afzonderlijke wetten waarop deze verordening is gebaseerd, bepalen dat de daar gegeven omschrijvingen doorwerken in de verordening. Begrippen waarbij in een van de wetten geen begripsbepaling is opgenomen, zijn opgenomen in dit artikel. De begrippen genoemd in dit artikel zijn van toepassing op de gehele verordening. Daarnaast kan het zijn dat in een specifiek hoofdstuk begripsbepalingen zijn opgenomen die slechts van toepassing zijn binnen dat ene hoofdstuk.

Insteek

Ter verduidelijking van het begrip insteek in artikel 7.17 zijn afbeeldingen in de bijlage IX toegevoegd.

Bodemenergie-systeem

Een verzamelnaam van systemen en technieken die de bodem of ondergrond gebruiken als energiebron of buffer. Er zijn verschillende systemen te onderscheiden: bodemenergie-systeem, WKO-systeem, Geothermie-systeem, Temperatuuropslag-systeem.

Geothermie-systeem

Het winnen van energie (80-250 graden Celsius) tussen de 1,5 en circa 7 kilometer onder maaiveld. Ook wel genoemd: aardwarmte.

Bij geothermie of aardwarmte wordt de warmte (25 tot 250 °C) uit de bodem of diepere aardlagen gebruikt om huizen of kassen te verwarmen. De warmte wordt direct gebruikt. Het afgekoelde water wordt vervolgens weer terug de bodem in gebracht. Boven de 100 C is het mogelijk om elektriciteit te maken.

Grondgebonden agrarisch bedrijf

Dit is een agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden, met uitzondering van varkens-, pluimvee- en geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen. Wanneer een bedrijf vanaf de start handelt naar de eisen voor biologische landbouw volgens de landbouwkwaliteitswet in aanloop naar daadwerkelijke certificering zou het biologische landbouwbedrijf als nieuwvestiging van een grondgebonden bedrijf beschouwd kunnen worden. Aandachtspunt daarbij is dat, uiteraard, door de gemeente moet worden toegezien of het uiteindelijk daadwerkelijk een biologisch/grondgebonden bedrijf betreft.

Intensieve veehouderij

Op de onderdelen rundveemesterij en vleeskalverhouderij is een nuancering aangebracht. Niet altijd hoeft bij rundveemesterijen sprake te zijn van intensieve veehouderij. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het extensief weiden van rundvee. In een bedrijfsplan zal dat moeten worden aangetoond. Dit is ook incidenteel het geval als het gaat om vleeskalverhouderijen en dan specifiek als het gaat om rosé-kalveren. Voor de goede orde, dit geldt uitdrukkelijk niet voor geitenhouderijen, deze zijn altijd intensieve veehouderij.

Openbare weg

Voor het begrip openbare weg is aansluiting gezocht bij de Wegenverkeerswet 1994. Krachtens de Wegenverkeerswet 1994 wordt onder het begrip wegen verstaan alle wegen en paden die voor het openbaar verkeer open staan. Derhalve ook op die wegen welke alleen open staan voor voetgangers en fietsers. Wegen die alleen open staan voor voetgangers en fietsers worden uitgezonderd van het begrip openbare weg. Op deze wegen en paden dienen motorvoertuigen worden geweerd in verband met een stiltegebied. Bij overtreding kan handhavend worden opgetreden op grond van artikel 6.24.

Oranje gebied

Binnen oranje gebieden is de toepassing van bodemenergie-systemen met aanvullende voorschriften toegestaan omdat er andere maatschappelijk zwaarwegende belangen spelen. Voor de toepassing van bodemenergie-systemen zijn dit de intrekgebieden waar grondwater wordt onttrokken voor de openbare drinkwatervoorziening. Deze gebieden zijn in dit hoofdstuk aangewezen als de gebieden zoals deze in oranje staan aangegeven op de bij de Omgevingsverordening behorende kaarten C1 en C2. In hoofdstuk 7, onderdeel verbodszone diepe boringen, zijn ook regels gesteld met betrekking tot de toepassing van bodemenergiesystemen. Binnen de verbodszones diepe boringen zijn deze leidend.

Rood gebied

Binnen rode gebieden is de toepassing van bodemenergie-systemen niet toegestaan. Dit zijn de gebieden waar grondwater wordt onttrokken voor de openbare drinkwatervoorziening. De drinkwatervoorziening is een groot maatschappelijk belang. Deze rode gebieden zijn aangewezen op grond van hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarnaast zijn ze tevens opgenomen op de bij deze Omgevingsverordening behorende kaarten C1 en C2.

Temperatuur opslag-systeem

Het opslaan van (rest)warmte (25-90 graden Celsius) in de ondergrond.

Bij een temperatuur opslag-systeem wordt overtollige laagwaardige warmte, bijvoorbeeld afkomstig van een kas (Warmte Kracht Koppeling (WKK)), koelmachine of zonnepanelen, met een lage, middelhoge of hoge temperatuur (circa 25 tot 90 °C) tijdelijk opgeslagen in een fijn zandige laag in de bodem. Bij een warmtevraag wordt de warmte weer uit de bodem onttrokken.

WKO-systeem (Warmte- Koude Opslag systemen)

Het winnen en opslaan van energie (5-25 graden Celcius) tussen 0 en circa 500 meter onder maaiveld. Ook wel genoemd: WKO, ondergrondse energieopslagsystemen, KWO, UTES, bodemwarmtewisselaars.

Warmte- Koude Opslag (WKO) is een duurzame methode om energie in de vorm van warmte of koude op te slaan in de bodem. De techniek wordt gebruikt om gebouwen, woningen, kassen en processen te verwarmen en/of te koelen. Waterhoudende lagen in de bodem laten zich uitstekend gebruiken om warmte en koude in op te slaan. In de zomer gebruikt men het koele grondwater om gebouwen te koelen, het opgewarmde water slaat men op in de bodem totdat het in de winter wordt gebruikt om gebouwen te verwarmen.

Er zijn twee verschillende WKO-systemen, te weten:

  1. Open WKO-systeem: Een open systeem staat in open verbinding met watervoerende pakketten en gebruikt grondwater dat via een beperkt aantal filterbuizen wordt onttrokken en geïnfiltreerd. Het grondwater wordt via een warmtewisselaar geleid om daarna weer in de bodem te worden geïnfiltreerd. Het onttrekken en infiltreren, gebeurt op enkele tientallen tot ruim honderd meter diepte, afhankelijk van waar zich een geschikt watervoerend pakket bevindt;
  2. Gesloten WKO-systeem: Bij een gesloten systeem staat de bodemwarmtewisselaar niet in open verbinding met grondwater, maar maakt gebruik van een techniek waarbij vloeistof, vaak met een antivries (glycol) erin opgelost, door gesloten bodemlussen wordt geleid om warmte en koude aan de bodem te onttrekken. Het systeem bestaat uit buizen van polyethyleen, zogenaamde collectoren, die in de bodem worden geplaatst. De thermische energie in de bodem wordt door middel van geleiding via de buiswanden en het medium in de collector overgedragen aan een warmtewisselaar. Collectoren (bodemwarmtewisselaars) kunnen horizontaal en verticaal worden geplaatst, waarbij de verticale tot wel meer dan honderd meter kunnen reiken. Dergelijke systemen zijn over het algemeen kleinschalig en worden vooral in de woningbouw en kleine utiliteitsbouw toegepast.

Zone 1 en zone 2

Voor de toepassing van de regels in paragraaf 4.2 is een verdeling in de ondergrond gemaakt in twee zones: een zone 1 die ligt tussen maaiveld en 25 meter beneden maaiveld en een zone 2 die ligt tussen 25 meter beneden maaiveld en 500 meter beneden maaiveld. De reden hiervoor is dat beleidsmatig er anders met deze twee zones wordt omgegaan.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk omgevingsbeleid     

Algemeen     

Met dit hoofdstuk van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe vertaalt de provincie Drenthe haar Omgevingsvisie 2010, geactualiseerd door Provinciale Staten in 2014, en gereviseerd door Provinciale Staten in 2018, deels door naar een verordening voor zover het planologisch relevante aspecten betreft. De Omgevingsvisie als structuurvisie bindt alleen de provincie zelf, al moeten gemeenten er in hun planvorming altijd rekening mee houden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) kent de provincie een scala van instrumenten toe om haar beleid daarnaast meer direct extern te laten doorwerken. Vaststelling van een verordening ex artikel 4.1 Wro is een van die instrumenten.

Drenthe wil haar visie realiseren op een manier die recht doet aan de provinciale sturingsfilosofie. Hierin gaat de provincie uit van gelijkwaardigheid en samenwerking met haar partners 'in het veld'. Dit betekent tevens dat de provincie terughoudend omgaat met het neerleggen van provinciale ruimtelijke belangen in een verordening.

Het is vanuit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) verplicht de verordening voor erin opgesomde thema's te hanteren. Dit betreft met name de regeling voor het Natuurnetwerk Nederland. De voorliggende verordening beperkt zich niet tot slechts hetgeen het Rijk via het Barro voorschrijft. Er zijn ook provinciale belangen opgenomen waarvoor geen ministeriële verplichting tot doorvertaling in een verordening bestaat. In de verordening treft u ook bepalingen aan over provinciale belangen waarover:

  • wij op voorhand volstrekte helderheid over ons standpunt willen geven;
  • wij willen verankeren welke belangen in elk geval bij een afweging op gemeentelijk niveau moeten worden betrokken alvorens een gemeente een ruimtelijk plan in procedure brengt.

Vanuit onze provincie voegen wij inhoudelijke voorschriften en procedurele voorschriften aan de verplicht gestelde onderwerpen vanuit het Barro toe. Een voorbeeld van een inhoudelijke uitspraak is het verbod op weidewinkels.

Binnen de verordening komt aan gemeenten een belangrijke rol toe. Inhoudelijke bepalingen zijn veelal positief en als verantwoordingsplicht ingericht en niet direct normstellend. Evenmin wil de provincie in details treden. Menig bepaling laat daartoe interpretatieruimte. Aan gemeenten komt dus ruimte toe om inhoudelijk - tot op zekere hoogte - een eigen invulling te geven, mits deugdelijk onderbouwd.

Bij procedurele regels leggen wij niet vast wát een uitkomst van een planologische overweging moet zijn, maar wel de afwegingen die daarbij betrokken moeten worden. Hierbij zij opgemerkt niet uit te sluiten valt dat, ook al onderbouwt een gemeente een plan conform de eisen, gedeputeerde staten de gemaakte belangenafweging niet dragend achten, in welk geval eventueel het verdere Wro-instrumentarium kan worden aangesproken.

De provincie beoogt niet uitputtend te zijn in het vastleggen van provinciale belangen in een verordening. Dit betekent ook dat niet alle thema's uit de Omgevingsvisie een plek hebben gekregen. Dat geldt slechts voor die onderwerpen van provinciaal belang waarin voor vastlegging in een verordening een duidelijke meerwaarde bestaat. Het al dan niet voorkomen van een thema in de verordening vormt evenmin een indicatie voor het gewicht dat een beleidsthema heeft. De criteria leggen daarmee dan ook geen relatie. Het is dus niet uit te sluiten dat wij het formeel Wro-instrumentarium aanwenden voor provinciale belangen die niet zijn neergelegd in deze verordening. Dat zal in alle gevallen in principe niet gebeuren dan nadat alle mogelijkheden om in onderling overleg met de betrokken partner(s) tot overeenstemming te komen, verbruikt zijn. Zo blijft de provinciale sturingsfilosofie uitgangspunt voor het handelen. Uitwerking van beleid voor een aantal thema's uit de Omgevingsvisie is in ontwikkeling. Het is dan een optie om binnen de geldende kaders nadere regels op te stellen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan zonne-energie en aan windenergie.

Dit hoofdstuk van de verordening kent een opbouw die bestaat uit bepalingen over ruimtelijke kwaliteit en een titel waarin we regels geven over ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor wij staan, of die wij juist afwijzen. Het hoofdstuk kent eveneens een titel over de wijze van afdoening van verzoeken om een tegemoetkoming in schade. Enige afrondende bepalingen zijn noodzakelijk. In het hiernavolgende vindt u dit hoofdstuk van de verordening titel- en artikelsgewijs toegelicht. De uitleg van alle bepalingen, en vooral het beleid er achter, is allerminst uitputtend. Het is niet de bedoeling de Omgevingsvisie hier over te nemen. Een verwijzing naar onderliggend beleid kan vaak volstaan. Waar in de verordening begrippen worden gehanteerd die niet gedefinieerd zijn in de begripsbepalingen of in de Omgevingsvisie, kan worden teruggevallen op de andere door Provinciale Staten vastgestelde beleidsdocumenten, Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening dan wel, in tweede instantie, geldende jurisprudentie. Ook het Barro biedt soms aanvullende inzichten, met name daar waar dit hoofdstuk hiervan een doorvertaling vormt. Mogelijk ten overvloede wijzen wij nog op de verhouding van dit hoofdstuk tot (inter)nationale wet- en regelgeving. Dit kan van belang zijn voor bijvoorbeeld de wijze waarop met kernkwaliteiten moeten worden omgegaan.

Titel 2.1 Algemeen     

Met deze wijziging vervalt titel 2.1 van de POV 2018. Deze titel bevat instellingsbepalingen voor de Commissie Leefomgeving (cieL). De Omgevingsverordening is in de eerste plaats bedoeld als verordening die regels stelt ten aanzien van de fysieke leefomgeving. Deze titel valt buiten dat kader. Daarom wordt deze titel uit de POV 2018 gehaald en vervolgens vastgelegd in een separate verordening.

Titel 2.2 Ruimtelijke kwaliteit     

Titel 2.2 handelt over de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe. Deze heeft volgens de Revisie Omgevingsvisie Drenthe drie aspecten: kernkwaliteiten, zorgvuldig ruimtegebruik en milieu- en leefomgevingskwaliteit. Elk van de drie elementen is terug te vinden in de bepalingen van dit hoofdstuk. Hieronder worden ze afzonderlijk toegelicht. Overigens zal duidelijk zijn dat deze drie - voor de provincie Drenthe - basiselementen van ruimtelijke kwaliteit ook een rol in Titel 2.3 (Bruisend Drenthe) hebben, want ruimtelijke kwaliteit willen we behouden en versterken, juist ook wanneer nieuwe ontwikkelingen worden ontplooid.

Paragraaf 2.2.1 Kernkwaliteiten     

Regeling

In de begripsbepalingen zijn de kernkwaliteiten gedefinieerd. Op de kaarten A Stilte, voor wat betreft de kernkwaliteit stilte (kaartlaag stilte), D3 voor natuur (vermeld op kaartlaag Natuurnetwerk Nederland) en de specifieke kernkwaliteitenkaarten D4 t/m D7 van deze verordening, worden de kernkwaliteiten weergegeven.

In principe ligt binnen het bestaand stedelijk gebied de verantwoordelijkheid voor kernkwaliteiten bij de gemeente. Het provinciaal belang voor archeologie en cultuurhistorie kent hierop een uitzondering: het provinciaal belang is ook van toepassing binnen bestaand stedelijk gebied als de kernen zijn opgenomen op de kaarten D4 en D6. De afzonderlijke kaarten zijn het vertrekpunt voor het provinciaal beleid. Om praktische redenen komt aan gedeputeerde staten de bevoegdheid toe om de kaarten met Kernkwaliteiten (inclusief de kaart A voor wat betreft Stilte en kaart B voor wat betreft natuur) bij deze verordening te wijzigen.

In ruimtelijke plannen wordt uiteengezet hoe het plan zich verhoudt tot behoud en ontwikkeling (hiermee wordt bedoeld: versterking) van de kernkwaliteiten in relatie tot een dynamisch en ondernemend Drenthe. De bepalingen voor kernkwaliteiten zijn niet in beton gegoten. De regels zijn als verantwoordingsplicht ingericht. Gemeenten zullen binnen de kaders van de Omgevingsvisie de kernkwaliteiten ook moeten uitwerken naar hun ruimtelijke plannen. Ze zijn daarbij gebonden aan de kaders van het provinciaal beleid die zijn neergelegd in de Omgevingsvisie en uitwerkingen zoals het Cultuurhistorisch Kompas en de beleidsnotitie Aardkundige waarden, ‘waardevol Drenthe’ (waarop inmiddels een toelichting is verschenen ‘Op pad met wAARdevol Drenthe’, 2018).

Het begrip informatiewaarde is omschreven in de begripsbepalingen.

Informatiewaarde van een kernkwaliteit speelt ingevolge de bepalingen in de verordening bij de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden. Informatiewaarde wordt bepaald door de mate waarin een kernkwaliteit een bijdrage kan leveren aan nieuwe kennisvorming over het verleden. De informatiewaarde is gebaseerd op landelijk gehanteerde waarderingscriteria zoals ensemblewaarde (1), zeldzaamheid (kennislacune), wetenschappelijke waarde, kwaliteit, gaafheid en belevingswaarde. Alle onderdelen van de kernkwaliteiten archeologie en cultuurhistorie zijn zo geselecteerd dat de informatiewaarde of –verwachting (archeologische verwachtingsgebieden) ‘hoog’ is.

Archeologische kernkwaliteiten kennen een eigen dynamiek omdat hier zowel sprake is van bekende (soms zichtbare) archeologische waarden als van gebieden waar een archeologische verwachting op rust. Dat wil zeggen dat archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, maar nog niet in kaart gebracht. Archeologische kernkwaliteiten behoren zowel tot het onroerend erfgoed (wanneer ze nog in de bodem zitten [= behoud in situ]) als tot het roerend erfgoed (wanneer ze opgegraven zijn [= behoud ex situ]). Uitgangspunt voor de archeologische kernkwaliteiten van provinciaal belang is behoud in situ. Als dat niet mogelijk is, dient de in de bodem aanwezige archeologische informatie(waarde) te worden veiliggesteld door middel van een opgraving. Over de wijze waarop die opgraving wordt uitgevoerd willen wij vroegtijdige afstemming met de gemeenten. Ons uitgangspunt is dat afstemming leidt tot wederzijdse instemming. Wordt dit ondanks alle inspanningen niet bereikt, dan stelt de provincie de (onderzoeks-)norm. Daarbij zal altijd de geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie leidend zijn.

(1) Ensemblewaarde betekent dat er sprake is van samenhangende waarden. Bijvoorbeeld een archeologische vindplaats die bestaat uit zowel een nederzetting als het bijbehorende grafveld of een beeldbepalende, veenkoloniale lintbebouwing. Wanneer een of meerdere onderdelen van de samenhang wegvalt, gaat mogelijk alle informatie verloren.

Een ruimtelijk plan kan in principe geen nieuwe activiteiten toestaan die kernkwaliteiten significant aantasten. Wat 'significant' (een term uit artikel 2.6) is, wordt bepaald door de contouren die de Omgevingsvisie voor de omgang met kernkwaliteiten stelt. Een ontwikkeling leidt dus niet tot significante aantasting, wanneer rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten conform de Omgevingsvisie en uitwerkingen als het Cultuurhistorisch Kompas. Wordt buiten het provinciaal beleid getreden, dan is in principe wél sprake van een significante aantasting. Te denken valt aan een ingreep die de samenhang van een robuust natuursysteem aantast of een onomkeerbare ingreep in een gebied met grote cultuurhistorische en/of archeologische waarde. Wij verwachten dat een gemeente dan in overleg met gedeputeerde staten treedt om een gezamenlijk gedragen oplossing te vinden binnen de kaders van het provinciaal beleid. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan het verplichten van mitigerende of compenserende maatregelen.

De provincie schrijft in dit hoofdstuk niet rechtstreeks voor hoe kernkwaliteiten behouden en ontwikkeld moeten worden. Het doel staat voorop en gemeente moeten daaraan een eigen invulling geven. Voor de archeologische kernkwaliteiten die niet in situ behouden kunnen blijven is wel een procesvoorschrift van toepassing (zie hierboven). Doorgaans is een regeling van kernkwaliteiten in de voorschriften hiervoor onontbeerlijk.

Combinatieregeling

In artikel 2.7 is het combinatiemodel opgenomen. De werking van het combinatiemodel is omschreven in paragraaf 3.1 en 3.2.4 van de omgevingsvisie. Met dit artikel kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 2.6 lid 2 onder b. Het combinatiemodel betreft het samen met relevante stakeholders ontwerpen van een integrale gebiedseigen oplossing voor onze strategische opgaven. Daarbij zoeken wij naar een oplossing die (nieuwe) waarden creëert in het perspectief van de Drentse ruimtelijke identiteit.

Het Combinatiemodel betreft het samen met relevante stakeholders ontwerpen van een integrale gebiedseigen oplossing voor onze strategische opgaven of majeure ontwikkelingen waarbij een of meerdere provinciale belangen in het geding zijn. Daarbij zoeken wij gezamenlijk naar een oplossing die (nieuwe) waarden creëert en zoveel mogelijk belangen dient. De Drentse kernkwaliteiten zijn kaderstellend en vormen onze inspiratie om te komen tot een ontwikkeling die passend is bij Drenthe. Het proces van het combinatiemodel wordt nader uitgewerkt in een handreiking welke onderdeel wordt van de Inspiratiebron Drentse Ruimtelijke Identiteit.

Achtergrond

Bij de totstandkoming van de Omgevingsvisie haalde de provincie onder een zo breed mogelijk publiek die aspecten op die volgens hen de ruimtelijke identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe vormen. Deze 'Kernkwaliteiten' zijn in paragraaf 2.3.1 van de Omgevingsvisie opgenomen. Ze vormen voor de provincie Drenthe de belangrijkste basis voor het begrip ruimtelijke kwaliteit. In hoofdstuk 4 van de Omgevingsvisie worden de kernkwaliteiten ontrafeld. Het gaat om stilte en duisternis, openheid van het landschap, natuur binnen het Natuurnetwerk Nederland, diversiteit en gaafheid van landschappen, cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden, sociale externe en verkeersveiligheid, leefbaarheid en een maat passend bij Drenthe.

Meer achtergrondinformatie over onze visie op het Drentse landschap is opgenomen in de Nota Landschap. In hoofdstuk 3 van de Omgevingsvisie wordt toegelicht hoe het provinciebestuur behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten in de praktijk zal nastreven.

Een bijzondere positie wordt ingenomen door het Hondsruggebied, dat de status UNESCO Global Geopark heeft. De status is een erkenning van de bijzondere kernkwaliteiten van dit gebied en de onderlinge samenhang van die kernkwaliteiten. Vooral het Hondsrug-complex, het beekdal van de Drentsche Aa en diverse aardkundig waardevolle gebieden (geosites) zijn van internationaal belang. Voor dit gebied geldt eens te meer dat de kernkwaliteiten en vooral de aardkundige waarden worden behouden, duurzaam beheerd en waar mogelijk versterkt. De Stichting Geopark de Hondsrug heeft in samenspraak met partners een toekomstvisie vastgesteld, het Masterplan 2017-2027. Gemeenten en provincies hebben de doelstellingen in dit document onderschreven. Uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid is behoud door ontwikkeling. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, mits de kwaliteiten worden behouden of versterkt.

Titel 2.3 Bruisend Drenthe     

Artikel 2.9 Aanwijzing bestaand stedelijk gebied     

Regeling

Bij de verordening is de kaart Bestaand stedelijk gebied vastgelegd. Door ontwikkelingen zal het nodig zijn met enige regelmaat de begrenzing aan te passen. De begrenzing is feitelijk van aard en heeft daardoor géén directe consequenties. Indirect is daarvan wel sprake. In de begripsbepalingen is een definitie van het bestaand stedelijk gebied opgenomen.

Achtergrond

De provincie moet algemene regels formuleren gericht op zorgvuldig ruimtegebruik. Deze algemene regels richten zich op de inhoud van of toelichting bij bestemmingsplannen die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe bebouwing kan toestaan binnen het bestaand stedelijk gebied, aansluitend op het bestaand stedelijk gebied, of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten. De in dit artikel vastgelegde begrenzing dient primair als geografische referentie voor de uitvoering van regels met betrekking tot bouwen in landelijk gebied.

Voor het vastleggen van het bestaand stedelijk gebied is de in opdracht van het toenmalige ministerie VROM door de TU Delft opgestelde (concept) handreiking bestaand stedelijk gebied (26-3-2010) gebruikt. De daarin neergelegde criteria voor aanwijzing van het bestaand stedelijk gebied zien op een stappenplan met inhoudelijke afwegingen waarmee tot een afgewogen begrenzing kan worden gekomen. Dit houdt eveneens in dat niet elke bebouwing automatisch tot het stedelijk gebied wordt gerekend. De kaart is in afstemming met gemeenten opgesteld.

Artikel 2.10 Basisbepalingen Bruisend Drenthe     

Regeling

Artikel 2.10 daagt gemeenten uit om na te denken over de wijze waarop een ruimtelijk plan bijdraagt aan de in de Omgevingsvisie Drenthe gestelde beleidsdoelen. Hieronder wordt mede verstaan de bijdrage aan vitaliteit en kwaliteit van de groene ruimte, in elk geval waar het de mogelijkheden voor herbestemming van bestaande bebouwing betreft en hoe met het plan beoogde ontwikkelingen passen binnen de opgavenkaart moet worden meegenomen.

Achtergrond

De eisen waaraan voor ruimtelijke kwaliteit moet worden voldaan, zijn bij de toelichting op Titel 2.2 reeds verwoord. Deze verwijst deels weer door naar de tekst van de omgevingsvisie waarin de diverse kernkwaliteiten worden toegelicht. Voor meerdere kernkwaliteiten gelden beschermingsregimes die gelijken aan het gedachtegoed van het Cultuurhistorisch Kompas.

Artikel 2.11 Ondergrond     

Regeling

In de Omgevingsvisie Drenthe en als uitwerking daarvan in de Structuurvisie Ondergrond is uitgebreid uiteen gezet hoe de provincie Drenthe aan ambities voor de ondergrond invulling gaat geven. Drenthe is ambitieus waar het WKO en geothermische energie betreft. Wij willen gemeenten uitdagen om op dit gebied ambities te vormen en achten het in dat kader gepast om voor deze thema's een verantwoordingsplicht in dit hoofdstuk neer te leggen. Onze Structuurvisie Ondergrond is terughoudend waar het opslag van allerhande afvalstoffen in de ondergrond betreft. In zijn algemeenheid wijst de provincie dit af en in het bijzonder geldt dit voor gevaarlijk en radioactief afval. Dat is in dit hoofdstuk opgenomen. Bij 'gevaarlijke afvalstoffen' gaat het om de stoffen die onder de in de Wet milieubeheer opgenomen definitie worden begrepen.

De provincie spant zich met gemeenten in om de emissie van CO2 te reduceren, duurzame energie te ontwikkelen en te besparen op het gebruik van fossiele brandstoffen. Met het oog op mogelijk toekomstig rijksbeleid inzake CO2-opslag in de diepe ondergrond op land heeft de provincie eveneens een duidelijk beleid. Dit is verwoord in motie M2010-40, bijlage VIII, van de Structuurvisie Ondergrond. Voorkeurskaart 3 uit de Structuurvisie Ondergrond dient in samenhang met deze motie te worden gezien voor wat betreft het onderdeel CO2-opslag. In het zesde lid van artikel 2.11 gaat het om ruimtelijke ontwikkelingen die de conventionele winning van olie en gas in de weg kunnen staan.

Achtergrond

De Omgevingsvisie Drenthe gaat slechts summier in op de provinciale ambities voor de ondergrond. Uit hoofdstuk 5 van de Omgevingsvisie blijkt wel de terughoudendheid bij opslag van afvalstoffen in de ondergrond. In de Structuurvisie Ondergrond 'Met Drenthe de diepte in' zijn deze beleidskeuzes voor de ondergrond alomvattend neergelegd. De ondergrond wordt daarbij onderscheiden naar de occupatielaag, contactlaag, de waterlaag en de diepe ondergrond. Het beleidsstuk richt zich op Warmte- Koude Opslag (WKO), verband houdend met ruimtegebruik van de contactlaag en de waterlaag, en de diepe ondergrond (dat is vanaf 500 meter tot kilometers diep onder het aardoppervlak). Het provinciaal beleid voor de contactlaag en waterlaag is voor het overige in beleidsdocumenten als de Omgevingsvisie verwoord. De structuurvisie behelst de thema's:

  • winning en opslag van energie via open of gesloten Warmte- Koude Opslag systemen (WKO);
  • opslag van energie in de vorm van warmte in grondwater (Hoge Temperatuur Opslag (HTO));
  • (verbeterde) winning van gas uit huidig producerende velden;
  • nieuwe gaswinning uit een aantal nog te exploiteren kleine gasvelden;
  • verbeterde oliewinning uit het veld Schoonebeek;
  • winning van zout uit zoutkoepels;
  • winning van geothermische energie in de vorm van elektriciteit en/ of warmte;
  • strategische (= tijdelijke) opslag van aardgas en opslag van biogas of industriële gassen in lege gasreservoirs of zoutcavernes;
  • (tijdelijke) opslag van energie in de vorm van perslucht of H2 (waterstof) in zoutcavernes;
  • permanente opslag van vloeibare afvalstoffen in lege gasreservoirs;
  • permanente opslag van gas (CO2) in ‘lege’ gasreservoirs of diepe zoutwaterlagen (aquifers).

De in de Structuurvisie Ondergrond gemaakte beleidskeuzes zijn bijzonder helder en voor elk van de deelonderwerpen in concrete opgaven vertaald. Een aantal van de in de Structuurvisie neergelegde keuzes heeft bovendien duidelijke ruimtelijke ordening componenten. Waar dit het geval is, zijn ze in dit hoofdstuk vertaald. Ook hier blijft dit hoofdstuk dus beleidsneutraal van aard.

Dit hoofdstuk blijft ook voor de ondergrond terughoudend in de wijze waarop regels aan ontwikkelingen worden gesteld. Een aantal thema's dat op zich ruimtelijk te vertalen is op dit moment daarom niet terug te vinden in dit hoofdstuk. Een en ander hangt ermee samen dat de provincie primair inzet op het 'zachte instrumentarium'. Een provinciaal belang is hier nadrukkelijk aanwezig zodat de provincie ter behartiging ervan eventueel op het verdere Wro-instrumentarium terugvalt.

Artikel 2.12 - 2.15 Agrarische bedrijvigheid     

Regeling

Landbouw krijgt maximale speelruimte daar waar gebieden op Kaart D9 als ‘Landbouwgebied’ zijn aangeduid. Bepaling 2.12 staat buiten kijf. Tegelijkertijd moet deze bepaling in redelijkheid gelezen worden. Bij elke ontwikkeling die een andere is dan landbouw kan een vorm van beperkend effect worden verondersteld. Het gaat hier om effecten die het huidige functioneren en de toekomstbestendigheid van landbouwbedrijven ter plaatse aantoonbaar aantasten.

Globaal gelden er in de landbouwgebieden de volgende regels met betrekking tot het bouwvlak:

  1. In de gebieden ’Bouwvlak grondgebonden agrarisch bedrijf’ is een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare toegestaan. In afwijking hiervan is onder de voorwaarde van een goede landschappelijke inpassing (aangetoond met een landschappelijk inpassingsplan) een groter bouwvlak toegestaan.

  2. Voor intensieve veehouderij in geheel Drenthe is een maximaal bouwvlak van 1,5 hectare van toepassing. Ook hier kan een afwijking worden toegestaan maar dit is tot maximaal 2 hectare.

  3. Voor grondgeboden agrarische bedrijven in andere gebieden dan bedoeld onder a gelden in de Omgevingsverordening geen beperkingen met betrekking tot de maximale omvang van het bouwvlak.

Bepaling 2.14 over agrarische bedrijvigheid sluit nieuwvestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij uit. Voor de vraag wanneer sprake is van omschakeling van neventak naar hoofdtak hanteren wij de SO benadering. Agrarische bedrijven die voor 20 augustus 2014, het moment van het hanteren van de SO norm, al op basis van de SO norm een hoofdtak intensief hadden, kunnen in een ruimtelijk plan positief bestemd worden.

Het is belangrijk om te duiden dat het opstarten van een nieuwe intensieve neventak niet mogelijk is. Uitbreiding van een bestaande intensieve neventak is wel mogelijk. Wil sprake zijn van een neventak, dan blijft op basis van de SO norm de hoofdfunctie altijd bestaan uit grondgebonden agrarische bedrijvigheid. De definitie van een landschappelijk inpassingsplan vindt u in de begripsbepalingen. Deze kan niet slechts een vrijblijvend karakter hebben. Nieuwe glastuinbouw is beperkt mogelijk. 'Ondersteunend glas' is wel in princip

Bij intensieve veehouderij is onder voorwaarden een groter bouwvlak toegestaan (artikel 2.14). Onder artikel 2.14, lid 7 zijn er twee situaties mogelijk waarbij een groter bouwvlak dan 2 ha is toegestaan:

  1. Als bij verduurzaming voorzieningen (waaronder bebouwing) nodig zijn en daarvoor geen ruimte meer is binnen het bouwvlak van 2 ha. De ervaring leert dat veelal met minder dan ¼ ha kan worden volstaan. Van een mega bouwperceel is geen sprake.
  2. Als er sprake is van sanering van een bedrijf (algehele ontmanteling van de locatie) en de sanering en/of samenvoeging met een bestaand bedrijf, is gekoppeld aan een verplaatsing. Het verplaatsen van een IVH-locatie is al mogelijk volgens de huidige POV. Wat nieuw is, is dat bij de verplaatsing dit gekoppeld kan worden, ook qua situering, aan een bestaand bedrijf. Hiermee worden beide bedrijven samengevoegd. Op deze manier kan een aanzienlijk groter bouwvlak dan 2 ha ontstaan. Wel is bepaald dat het bouwvlak niet groter mag zijn dan de oppervlakte die de te saneren locatie volgens het vigerende ruimtelijke plan bij recht mogelijk maakt. In deze zin kan een bouwvlak van ca. 3 tot ca. 4 ha ontstaan. Wij vinden dit gerechtvaardigd gelet op de te behalen winst voor de woon- en leefomgeving en/of winst voor de natuur.

Wat betreft de landschappelijke inpassing zijn het eerste en tweede lid van artikel 2.13 van belang. Ruimtelijke kwaliteit vergt ruimte. Daarmee bedoelen we niet méér oppervlakte voor bebouwing, maar een benadering waarbij de gebouwen en de sleuf- en mestsilo’s en mestplaten in het belang van de bedrijfsvoering goed ten opzichte van elkaar worden gesitueerd en waarbij de erfbeplanting voor landschappelijke inpassing optimaal wordt aangelegd. Erfbeplanting hoort daarbij altijd op het bouwvlak zelf thuis, wat niet uitsluit dat buiten het bouwvlak eveneens groen kan worden aangelegd.

Een benadering die hieraan in ieder geval voldoet, staat beschreven in de brochures 'Boerderijen om trots op te zijn' (december 2011) en 'Boerderijen om trots op te zijn: deel 2' (februari 2014), die tot stand zijn gekomen tussen Natuur en Milieufederatie Drenthe en de LTO Noord. Centrale elementen van deze benadering vormen een gemeentelijke regierol (waarbij de gemeente wordt betrokken vanaf het eerste moment tot de planvorming), keukentafelgesprekken en het uitgaan van een agrarische bouwkavel in plaats van een bebouwingsvlak.

In het tweede lid van artikel 2.15 gaat het om het gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. 'Niet milieubelastend' refereert aan de ruimtelijke impact. Activiteiten die vallen onder de categorieën 1 en 2 van de VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' vormen in ieder geval geen beletsel. Verkeersaantrekkende werking en buitenopslag spelen voor de ruimtelijke impact ook mee. Uitgangspunt is dat het gebruik niet met extra bebouwing gepaard gaat. Dit is echter niet in dit hoofdstuk neergelegd, omdat ruimte moet blijven voor lokaal maatwerk binnen de in artikel 2.15 gestelde randvoorwaarden.

De ruimte-voor-ruimte regeling maakt het onder voorwaarden mogelijk dat twee compensatiewoningen mogen worden gebouwd als landschapsverstorende agrarische bedrijfsbebouwing wordt verwijderd in het landelijk gebied. Het gaat om de bebouwing die voor de vaststelling van de Omgevingsvisie (2 juni 2010) bestond. Minimaal 750 m2 aan agrarische bebouwing dient gesloopt te worden om voor de compensatieregeling in aanmerking te komen. Om maatwerk mogelijk te maken, is een beperkte afwijking toegestaan. Als uitgangspunt denken wij daarbij aan een afwijking van maximaal ongeveer 5%.

Voorts zijn er voorwaarden voor compensatiewoningen (artikel 2.16, tweede lid, onder e), waarvoor de verantwoordelijkheid primair ligt bij de gemeenten die ze gebiedsgericht moeten invullen. Het betreft de inpassing, omvang, inhoud en vormgeving van de compensatiewoning(en). Om tot een goede beoordeling te kunnen komen, zijn minimaal een landschappelijk inpassingsplan en een welstandsbeoordeling nodig. Voor het bepalen van de omvang en inhoud van de woning is ook van belang de omvang van de verwijderde opstallen. Hoe meer gesloopt wordt, hoe meer aanspraak een aanvrager in principe kan maken op een grotere compensatiewoning. Indien de landschappelijke inpassing op de voormalige bedrijfslocatie niet in voldoende mate mogelijk is, mag de woning elders worden gebouwd (bijvoorbeeld op een ander agrarisch perceel, een bouwlocatie in een lint of in een kleine kern). Hoe een gemeente wil omgaan met deze voorwaarden, kan deze zelf verder vormgeven.

De bouw van een compensatiewoning is in beginsel uitgesloten in gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart met de functie ‘Natuur’ en ‘Beekdalen’ zijn aangeduid, tenzij wezenlijke kenmerken of waarden niet significant worden aangetast (artikel 2.28, eerste lid) respectievelijk de beekdalfunctie in de toekomst niet wordt belemmerd (artikel 2.29, eerste lid, onder c). Dat kan soms het geval zijn, zoals in landbouwgebieden met een natuurdoelstelling (beheersgebieden). Bij deze beoordeling moet worden meegewogen of de bedrijfswoning blijft bestaan, want daarvoor geldt de Ruimte-voor-ruimte regeling niet.

Bij de toepassing van deze regeling moet rekening worden gehouden met de kernkwaliteiten, want artikel 2.6, eerste lid, is onverkort van toepassing. Of dat is gebeurd, zal blijken uit het ruimtelijk plan zoals dat primair aan de orde zal komen in het Relatiebeheer tussen gemeente en provincie.

Achtergrond

In de Omgevingsvisie (Hoofdstuk 6) wordt uitvoerig ingegaan op het beleid voor de Robuuste Landbouw. Hetgeen in dit hoofdstuk is opgenomen, vormt een doorvertaling van de beleidskeuzes. In de paragraaf zijn ook de locaties in Emmen (Klazienaveen, het Rundedal en Erica) voor concentratie van glastuinbouw benoemd.

Artikel 2.17 Woningbouw     

Regeling

Met de bepalingen voor woningbouw wil de provincie dat gemeenten gelegen in eenzelfde woonregio hun plannen voor woningbouwontwikkeling op dit gebied onderling afstemmen, strategisch beleid voeren op het handhaven van een passende woningvoorraad op de lange termijn en met de gebiedspartners afspraken maken over onder andere de programmering. De basis daarvoor is de gemeentelijke woonvisie. Dorpen, steden en het landelijk gebied functioneren binnen de woningmarkt als aanvulling op elkaar of soms als concurrerend, de provincie beoogt met de bepalingen een gezonde woningmarkt in stand te houden met ruimte voor regionale verschillen. Met 'afstemmen' wordt in principe overeenstemming bedoeld.

Achtergrond

In de Omgevingsvisie (paragraaf 5.3) is de provinciale visie op het wonen uiteengezet. In dit hoofdstuk is vooralsnog het principe neergelegd dat de provincie geen bemoeienis heeft met de gemeentelijke woonvisie zelf, maar wil acteren op het zoveel mogelijk in stand houden van balans tussen vraag en aanbod in een markt waarop de demografische transitie sterk van invloed is. Bundeling- en doelgroepprincipes en kwantitatieve plafonds zijn in deze verordening evenmin vastgelegd.

Voor de doelstellingen per gemeente op het gebied van kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur worden op bestuurlijk niveau afspraken gemaakt waarmee kan worden ingespeeld op wijzigende (markt)omstandigheden waardoor bijstelling van afspraken noodzakelijk kan zijn. Hiermee beoogt de provincie een overaanbod of een niet passend aanbod te voorkomen, teneinde verlies van de ruimtelijke kwaliteit (door o.a. leegstand) tegen te gaan.

De wijze waarop invulling wordt gegeven aan het behalen van de doelstellingen en de mate van detailniveau van de woonvisie, is des gemeente. Wat betreft de kwantitatieve onderbouwing van plannen betreft het de afstemming in woningaantallen en plancapaciteit tussen de gemeenten.

Het ligt in de rede om in een cyclus van meerdere jaren programmeringsafspraken te evalueren op actualiteit en eventuele bijstelling. Eventueel worden hiervoor andere Wro-instrumenten gehanteerd.

Nieuwbouw binnen het kader van de ruimte-voor-ruimte regeling valt buiten de provinciale woningbouwbepalingen. Voornoemd beleid is geen zelfstandige grondslag voor een bouwvergunning/ omgevingsvergunning. De gemeente moet het vertalen naar eigen ruimtelijke plannen om er concreet gebruik van te kunnen maken.

Voor nieuwe woningbouwplannen geldt dat deze conform de Ladder voor duurzame verstedelijking dienen aan te sluiten bij bestaand stedelijk gebied. De nieuwe uitbreiding wordt als bestaand stedelijk gebied aangemerkt nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden.

Wat betreft incidentele woonmilieus beoogt de provincie te faciliteren in de behoefte om in zeer bijzondere gevallen recht te kunnen doen aan de ruimtelijke kwaliteit van bebouwingslinten- en clusters. In deze gevallen wordt de kwaliteit van het buitengebied en de bebouwingsstructuur niet aangetast maar versterkt.

Om zeer incidenteel wonen in het buitengebied buiten de bestaande bebouwingslinten- en clusters toe te staan, is hiertoe een extra paragraaf in de Omgevingsverordening opgenomen. Hiermee wordt de huidige praktijk ook beleid.

Artikel 2.18 Bedrijvigheid     

Regeling

Met de bepalingen voor bedrijvigheid wil de provincie garanderen dat gemeenten gelegen in eenzelfde stedelijk netwerk hun plannen voor regionale bedrijvigheid onderling afstemmen. Met 'afstemmen' wordt overeenstemming bedoeld. Om het voornoemde te concretiseren, zijn in de begripsbepalingen de relevante definities terug te vinden, zoals voor een regionale werklocatie. Deze afstemmingsbepalingen zijn per 1 juli 2012 in werking getreden. Dit laat overigens onverlet dat het beleid zoals neergelegd in de Omgevingsvisie onverkort van toepassing is. Naast bepalingen over de afstemming zijn bepalingen opgenomen die zien op lokale werklocaties, inpassing (of uitsluiting) van milieuhinderlijke bedrijvigheid, alsmede bepalingen die zien op de mogelijkheid bedrijven te vestigen of uit te breiden buiten bestaand gebied. Voor wat betreft de mogelijkheden tot vestiging en significante uitbreiding van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid is het beleid uit de Omgevingsvisie van toepassing. Op basis van dat beleid hebben GS regels geformuleerd waarbinnen bij uitzondering niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid kan worden toegestaan dan wel uitgebreid. Het beleid voor Agroparken valt vooralsnog nadrukkelijk buiten het gestelde in deze verordening.

In de begripsbepaling (lokale werklocatie) is aangegeven op welke wijze een lokale werklocatie dient te worden getypeerd. De genoemde elementen vormen geen harde sturingscriteria. Wel dient beleidsmatig te worden gewaarborgd dan wel te worden bespoedigd dat de ontwikkeling van een lokale werklocatie zoveel mogelijk aansluit bij deze typering. De verder gestelde randvoorwaarden dienen onvoorwaardelijk in acht te worden genomen en eventueel te worden geconcretiseerd binnen het desbetreffende ruimtelijke plan. Die randvoorwaarden geven op het niveau van het provinciaal belang een goede aanzet tot waarborging van de kenmerken 'kleinschalig en lokaal georiënteerd'. 'Kleinschaligheid en lokale oriëntatie' hangen vooral samen met de zwaarte van bedrijvigheid (in elk geval categorie 1 tot en met 3 van de VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' en op basis van gemotiveerd uitzonderingsbeleid is eventueel ook vestiging van categorie-4-bedrijven mogelijk) en de ruimtelijke impact ervan. 'Regionaal georiënteerd' is een bedrijf wanneer deze boven de criteria van een lokaal georiënteerd bedrijf uitstijgt. Het gaat hier niet om sociaaleconomische elementen die als sturingscriteria worden gebruikt, maar om criteria met betrekking tot de ruimtelijke impact, met name in termen van aard en omvang. Het gaat hier niet om bedrijven uit de agrarische sector, de sector recreatie en toerisme en functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijven, zoals loonbedrijven en grondverzetbedrijven. Wat een 'zwaarwegend' argument is, valt op voorhand niet sluitend te duiden. De term geeft wel een duidelijke gradatie aan. Hetzelfde geldt de factor werkgelegenheid.

Er zijn op grond van lid 3 nadere regels vastgesteld: Vaststelling Regeling Vestiging solitair bedrijf in buitengebied. Deze zijn op 28 augustus 2014 gepubliceerd in het Provinciaal Blad.

Achtergrond

Van provinciewege wordt, zo blijkt uit de Omgevingsvisie Drenthe, ingezet op een dynamische, vitale en zichzelf vernieuwende regionale economie. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsvisie is dit doel uitgewerkt. Een robuust sociaaleconomisch systeem is het doel waarbij het onderscheid stedelijke en groene omgeving centraal staat.

Qua regulering van de bedrijfsmatige activiteiten in dit hoofdstuk zal de provincie zich terughoudend opstellen. De regels verankeren primair de afstemming tussen gemeenten over de regionale werklocatievisie. Het is denkbaar dat gemeenten onderling niet tot een vergelijk komen over afstemming van de visie. In dat geval zal de provincie met de desbetreffende gemeente overeenstemming moeten bereiken. Voor het handelen van gedeputeerde staten is het 'Convenant Bedrijventerreinen 2010-2020' verder uitgangspunt.

De provincie gaat ervan uit dat gemeenten in ruimtelijke plannen de VNG uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' toepassen. Dat betekent overigens óók dat waar een bedrijf volgens die uitgave in een bepaalde categorie valt, doch de gemeente kan onderbouwen dat die feitelijk in een lagere categorie thuishoort, de gemeente van die lagere categorie mag uitgaan. De uitgave voorziet daarin.

Voor nieuwe detailhandel buiten de bestaande kernwinkelgebieden geldt het 'nee, tenzij' principe. Dit betekent dat nieuwe initiatieven buiten de kernwinkelgebieden in principe niet zijn toegestaan, tenzij kan worden gemotiveerd dat dit niet ten koste gaat van het kernwinkelgebied. Het voorzichtig omgaan met nieuwe detailhandelsinitiatieven is noodzakelijk en evenredig, omdat:

  • het detailhandelsbeleid van de provincie Drenthe al jaren voorzichtig omgaat met uitbreiding van detailhandel buiten de bestaande kernwinkelgebieden, om zodoende een mix van winkels in de kernwinkelgebieden te behouden of te bevor-deren, waarbij het aanbod is afgestemd op de behoefte en het koopgedrag van de consument. Daarmee wordt beoogd om aantrekkelijke centrumgebieden in de provincie te behouden, om de leefbaarheid te behouden en leegstand te voorkomen. De huidige regels zetten daardoor voor een belangrijk deel bestaand consequent beleid voort;

  • een verdere uitbreiding van ongewenste detailhandelsontwikkelingen (buiten de kernwinkelgebieden) zal leiden tot meer leegstand. De distributieve uitbreidingsruimte is beperkt en de leegstand in de provincie Drenthe is met circa 8,6% van het winkelvloeroppervlak bovengemiddeld (landelijk circa rond de 7% leegstand blijkens Locatus Online, peildatum september 2018). De effectiviteit van dit duidelijke en noodzakelijke beleid blijkt onder andere uit het feit dat de leegstand de laatste jaren weer afneemt (circa 5% van de winkelruimte).

Voor nieuwe detailhandel buiten de bestaande kernwinkelgebieden geldt het 'nee tenzij' principe. Dit betekent dat nieuwe initiatieven buiten de kernwinkelgebieden in principe niet zijn toegestaan, tenzij kan worden gemotiveerd dat dit niet ten koste gaat van het kernwinkelgebied. Het voorzichtig omgaan met nieuwe detailhandelsinitiatieven is noodzakelijk en evenredig, omdat:

  • het detailhandelsbeleid van de provincie Drenthe al jaren voorzichtig omgaat met uitbreiding van detailhandel buiten de bestaande kernwinkelgebieden, om zodoende een mix van winkels in de kernwinkelgebieden te behouden of te bevor-deren, waarbij het aanbod is afgestemd op de behoefte en het koopgedrag van de consument. Daarmee wordt beoogd om aantrekkelijke centrumgebieden in de provincie te behouden, om de leefbaarheid te behouden en leegstand te voorkomen. De huidige regels zetten daardoor voor een belangrijk deel bestaand consequent beleid voort;

  • een verdere uitbreiding van ongewenste detailhandelsontwikkelingen (buiten de kernwinkelgebieden) zal leiden tot meer leegstand. De distributieve uitbreidingsruimte is beperkt en de leegstand in de provincie Drenthe is met circa 8,6% van het winkelvloeroppervlak bovengemiddeld (landelijk circa rond de 7% leegstand blijkens Locatus Online, peildatum september 2018). De effectiviteit van dit duidelijke en noodzakelijke beleid blijkt onder andere uit het feit dat de leegstand de laatste jaren weer afneemt (circa 5% van de winkelruimte).

Voor de volledigheid merken wij tot slot op dat onder 'weidewinkel' niet wordt verstaan verkoop bij de boer. Bij verkoop bij de boer moet het in hoofdzaak gaan om de verkoop van diens zelf geproduceerde producten.

Artikel 2.18a detailhandel     

Om te voldoen aan de Dienstenrichtlijn worden nieuwe regels gesteld met betrekking tot Detailhandel. Inhoudelijk betekenen deze regels geen beleidswijziging. Wel brengen ze een concretisering met zich mee.

We streven naar toekomstbestendige en vitale centrum- en winkelgebieden die aan de basis liggen van leefbare, aantrekkelijke steden en dorpen met een optimaal verzorgingsniveau voor de inwoners. Hiervoor wordt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nagestreefd conform de systematiek van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Waarom dit beleid?

Toekomstbestendige en vitale centrumgebieden zijn essentieel voor de leefbaarheid van de steden en dorpen in Drenthe. Centra hebben een belangrijke sociaal-maatschappelijke functie als ontmoetingsplekken. Door de combinatie van verschillende functies versterken de aanwezige commerciële functies elkaar onder andere door combinatiebezoek. Dit is positief voor het economisch functioneren van bedrijven en resulteert in gemak en efficiëntie en minder mobiliteit voor de consument.

Uitgangspunten voor het beleid

Wij streven naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en zorgvuldig ruimtegebruik waarin detailhandel wordt geconcentreerd in de bestaande centrumgebieden, waarbij de vitaliteit van de bestaande detailhandelsstructuur centraal staat. Om dit te bereiken bieden wij ruimte voor dynamiek, innovatie en vernieuwing binnen deze centrumgebieden. Initiatieven die moeten worden aangemerkt als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ dienen te voldoen aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

De toename van de online verkoop en andere trends maken dat het winkelaanbod in met name de niet dagelijkse sector in centrumgebieden van dorpen en steden afneemt, waardoor de kans op leegstand toeneemt. Wij vragen gemeenten hierop in te spelen door centrumgebieden kleiner en compacter te maken onder andere door transformatie van delen van centrumgebieden naar andere functies. Vanuit verschillende provinciale fondsen stimuleren en faciliteren wij gemeenten om dit beleid tot uitvoering te brengen.

Centrumgebieden hebben invloed op elkaars functioneren. Daarom stimuleren wij regionale afstemming bij plannen voor grootschalige ontwikkelingen, die mogelijk effect hebben op de koopstromen tussen kernen en gemeenten.

Beleidsdoelen

Daarom kiezen wij voor het beperken van de plancapaciteit voor detailhandel buiten de centrumgebieden, om de vitaliteit van deze centra te borgen en versnippering van voorzieningen en leegstand te voorkomen. Wij geven gemeenten ruimte om maatwerk te kunnen bieden.

In kleine kernen is vaak sprake van een ruimtelijk kleinschalig centrumgebied, waar het winkelaanbod vaak beperkt is. Voor deze kleine kernen is een supermarkt van groot belang voor de leefbaarheid en het verzorgingsniveau. Wanneer een supermarkt met een toekomstbestendige maat, ten behoeve van de lokale verzorging en de leefbaarheid, ruimtelijk niet inpasbaar is in het centrumgebied van een kleine kern, is het mogelijk om deze op een locatie buiten het bestaande centrumgebied te realiseren binnen het stedelijk gebied van de kleine kern.

Om het ondernemerschap en de leefbaarheid te ondersteunen worden geen nadere eisen gesteld aan kleinschalige ondergeschikte detailhandel aan huis. Om tegemoet te komen aan consumentenwensen en ten behoeve van een optimaal verzorgingsniveau, wordt een uitzondering gemaakt voor de plancapaciteit voor specifieke vormen van detailhandel die niet of minder goed passen binnen bestaande centrumgebieden (door grootte van de winkel en/of de aard en omvang van het assortiment) en die niet essentieel is voor het functioneren en de vitaliteit van centrumgebieden. Hiervoor bieden wij mogelijkheden in geconcentreerde winkelgebieden voor perifere en grootschalige detailhandel. Dit ligt in het verlengde van het voormalige PDV- en GDV-beleid van het Rijk. Dit geldt onder andere ook voor trafficlocaties. Onder ‘trafficlocaties’ verstaan wij een locatie waar sprake is van een hoge concentratie van een of meerdere verkeersmodaliteiten (bijvoorbeeld auto’s, fietsers of voetgangers) met een wisselend piek- en dalpatroon.

Nieuwe plancapaciteit voor detailhandel buiten bestaand stedelijk gebied is in principe niet toegestaan. Deze beperking ligt in het verlengde van het verbod op weidewinkels, zoals in het verleden werd gehanteerd in Drenthe. Een uitzondering wordt gemaakt voor zeer specifieke vormen van detailhandel die door aard en omvang aantoonbaar niet passen binnen bestaand stedelijk gebieden (bijvoorbeeld tuincentra). Gelet op de wenselijkheid van een vitaal platteland, waar recreatie een belangrijk element is en waar meerdere verdienmodellen mogelijk moeten zijn voor agrariërs, wordt daarnaast een uitzondering gemaakt voor ondergeschikte detailhandel bij agrarische bedrijven, trafficlocaties en voor kleinschalige winkels bij (verblijfs)recreatiebedrijven. In de bijlage bij deze toelichting wordt een nadere onderbouwing gegeven van de in deze verordening gemaakte keuzen.

Artikel 2.19 Mobiliteit     

Regeling

Artikel 2.19 regelt daarom een ‘mobiliteitstoets’. Onder verkeersbewegingen die ‘van wezenlijke invloed op de verkeersafwikkeling zijn’ wordt verstaan: een aanzienlijke verandering in intensiteit en/of samenstelling van het verkeer die niet zonder extra maatregelen vlot en veilig kan worden afgewikkeld op de bestaande infrastructuur en met het regulier openbaar vervoer.

Achtergrond

Wij willen dat Drenthe goed en veilig bereikbaar is en blijft. Daarom beogen wij dat ontwikkelingen met een grote aantrekkende werking op het verkeer van goederen en/of personen terecht komen op plekken met goede verkeer- en vervoerverbindingen voor verschillende modaliteiten.

Artikel 2.20 Functiewijziging verblijfsrecreatie naar wonen     

Regeling

De regeling met betrekking tot de transformatie van verblijfsrecreatie naar wonen wordt aangevuld met een bepaling die specifieke eisen formuleert voor de transformatie van stacaravans, gelet op de specifieke ruimtelijke uitstraling die stacaravans kennen.

Bij een transformatieopgave zijn de gemeenten en de (vereniging van) eigenaren aan zet. Het uitgangspunt voor transformatie van een vakantiepark met de functie verblijfsrecreatie naar een nieuwe functie is ‘Ja, mits’, waarbij voldaan moet worden aan het vigerende provinciaal beleid en wettelijke normen. Wij stimuleren een gebiedsgerichte, integrale aanpak en een zorgvuldig gebiedsproces. Voor het toestaan van een woonfunctie geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit maakt het mogelijk om, op basis van een goed plan met ruimtelijke, maatschappelijke en/of landschappelijke meerwaarde, maatwerk op parkniveau te leveren. Hiervoor stellen wij aanvullende voorwaarden.

Wij zijn voorstander van een gebiedsgerichte, integrale aanpak waarbij binnen een vakantiepark dan wel gebied gedragen keuzes worden gemaakt en daaropvolgend een integraal bestemmingsplan wordt opgesteld met bindende afspraken met partijen om de beoogde transformatie ook daadwerkelijk te realiseren. De taskforce Vitale Vakantieparken Drenthe heeft samen met de Drentse gemeenten, de provincie en de HISWA-RECRON een leidraad opgesteld voor het transformatieproces. Samengevat beslaat het transformatieproces vier fasen:

1) de verkenningsfase aan de hand van een Quick Scan;

2) het bepalen van het Streefbeeld;

3) het opstellen van het Transformatieplan;

4) de bestemmingsplanprocedure en uitvoering van het transformatieplan.

Wij vragen de gemeenten om ons vroegtijdig te betrekken bij het transformatieproces en hechten waarde aan het doorlopen van de fasen zoals toegelicht in de leidraad.

Het uitgangspunt bij een functiewijziging is dat deze betrekking heeft op een gedeelte van, of gehele vakantiepark dan wel het gehele gebied of onderdelen daarvan en niet op losse recreatiewoningen. Voor solitaire woningen gelden regels voor het wonen in het buitengebied. Een functiewijziging moet bijdragen aan het oplossen van de sociale, maatschappelijke en/of ruimtelijke problematiek op het betreffende vakantiepark dan wel gebied. De problematiek van het betreffende vakantiepark dan wel gebied zal in beeld gebracht moeten worden en de daarbij behorende oplossingsrichtingen uitgewerkt. Een functiewijziging naar wonen is het sluitstuk van het transformatieproces en zal substantieel bij moeten dragen aan een oplossing van de problematiek. Wij vragen van gemeenten om zich bewust te zijn van de effecten van een functiewijziging van recreatie- naar woonbestemming op de woningmarkt, in relatie tot de demografische verandering in Drenthe. Transformatie kan soms betekenen dat er extra aanbod ontstaat terwijl er elders al sprake is van een overaanbod. Andersom kan transformatie echter ook knelpunten in de woningmarkt helpen oplossen. Daarom zal onder andere in beeld gebracht moeten worden wat de invloed van de functiewijziging zal zijn op het kwalitatieve en kwantitatieve woningaanbod. Bij een functiewijziging van recreatie naar een woonbestemming is het vertrekpunt dat het feitelijk aantal woningen niet toeneemt.

Ook moet gemotiveerd worden hoe de ruimtelijke, maatschappelijke en/of landschappelijke meerwaarde behaald kan worden. Voor de beoordeling van meerwaarde spelen locatie specifieke afwegingen een rol. Er wordt gekeken naar de provinciale belangen en beleidsambities in relatie tot de uitgangspunten en inspanningen voor transformatie. Onder ruimtelijke meerwaarde kan verminderen van de verstening in het buitengebied worden verstaan. Ten aanzien van maatschappelijke meerwaarde kan gedacht worden aan het zoeken van aansluiting bij de opgaven vanuit de Drentse Woonagenda, namelijk de woningmarkt in balans, wonen voor vitale ouderen en levensloopbestendig wonen, betaalbaar wonen, duurzaam wonen, prettige fysieke leefomgeving en bouwen voor herstructurering. Ook kan gedacht worden aan het versterken van het recreatieve gebruik en de beleefbaarheid van het omliggende gebied. Onder landschappelijke meerwaarde kan gedacht worden aan het versterken van de Drentse kernkwaliteiten zoals ingrepen ter verbetering van de inpassing, het versterken van (cultuur)historische groen-, infrastructuren en gebouwen, versterking en borging van de huidige natuurwaarden, het bevorderen van de soortenrijkdom en het klimaatadaptief vermogen van de leefomgeving, circulair en natuurinclusief bouwen etc. De transformatie van een vakantiepark naar een woonbestemming en het realiseren van de genoemde meerwaarde kan leiden tot noodzakelijke investeringen. Deze investeringen kunnen als onderdeel van het plan voor de betreffende locatie (deels) worden bekostigd uit de waardestijging van de recreatiewoningen als gevolg van een bestemmingswijziging. Ten aanzien van verevening hebben Drentse gemeenten als vertrekpunt geformuleerd dat de relatie wordt gelegd tussen de (getaxeerde) potentiële waardestijging en de te maken kosten om te komen tot een bestemmingswijziging. De gemeente onderbouwt in hoeverre er aanleiding is om te komen tot verevening.

Een functiewijziging betekent overigens niet dat het gehele vakantiepark dan wel het gehele gebied met ruimtelijk samenhangende recreatiewoningen zonder meer als stedelijk gebied wordt aangewezen. Hierbij spelen locatie specifieke afwegingen een rol. Deze hebben te maken met de ligging ten opzichte van de bebouwde omgeving en het parkachtige, landelijke karakter van het gebied.

Artikel 2.21 Nieuwe verblijfsrecreatie en uitbreiding veblijfsrecreatie     

Het uitgangspunt voor nieuwvestiging en uitbreiding van een park is ‘Ja, mits’ waarbij voldaan moet worden aan het vigerende provinciaal beleid en wettelijke normen. Met de regeling kan een ruimtelijk plan alleen voorzien in nieuwvestiging of uitbreiding van een park als gemotiveerd wordt hoe permanente bewoning van recreatieverblijven wordt voorkomen. Te denken valt aan centraal beheer via een bedrijf of Vereniging van Eigenaren. Er is sprake van een bedrijfsmatige exploitatie als via een bedrijf, stichting of een ander rechtspersoon, een zodanig beheer of exploitatie wordt gevoerd, dat in de recreatiewoningen daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt.

Artikel 2.22 Windenergie en 2.23 Windenergie specifieke afspraken     

Regeling

In de omgevingsvisie is opgenomen dat de provincie inzet op duurzame energievoorziening en CO2-reductie. De inpassing in het landschap van ruimtelijke ontwikkelingen behorende bij de energietransitie vraagt om een zorgvuldige benadering. Wij streven ernaar om windturbines in afzonderlijk herkenbare opstellingen te plaatsen, waarmee het horizonbeslag van windturbines wordt gereguleerd. Met een heldere opstelling kan ook een ruimtelijke structuur benadrukt worden. Een opstelling is herkenbaar als zij niet ten opzichte van elkaar interfereren, dus afzonderlijk, als opstelling waarneembaar zijn. Een opstelling kan over één of meer turbines gaan, dus solitair, een cluster, een lijn of een andere herkenbare vorm.

Met artikel 2.22 lid 2 geven we aan dat we vinden dat bovenstaande niet voor kleine installaties geldt. Een ashoogte van 15 meter komt in de praktijk vaak neer op een tiphoogte van 20 meter.

De provincie Drenthe heeft in 2010 in de Omgevingsvisie geschikte locaties in beeld gebracht en heeft deze op de 'Zoeklocatie grootschalige windenergie' vastgelegd. Met de regeling in artikel 2.23 wordt beoogd dat grootschalige windturbineparken daar tot stand komen conform de geldende afspraken.

Het Activiteitenbesluit (paragraaf 3.2.3) stelt verder eisen aan windturbines. Deze zien o.a. op (externe) veiligheid, (cumulatie van) geluidemissie, lichtschittering en slagschaduw.

In het ruimtelijk plan moet worden geborgd dat de gebruikte windturbines worden opgeruimd als zij niet meer worden gebruikt voor het opwekken van windenergie. De installaties moeten worden verwijderd, dit betekent ook de ondergeschikte onderdelen en hetgeen hiervoor in de bodem is aangebracht. Landschapselementen die landschappelijke meerwaarde opleveren, dienen te worden gehandhaafd. Het borgen kan bijvoorbeeld in de paragraaf over uitvoerbaarheid, waar is aangegeven hoe het op-

ruimen is geborgd, eventueel tezamen met borging in een privaatrechtelijk contract.

Artikel 2.24 Zonne-energie en artikel 2.24a Ontheffing     

Regeling

Met de nieuwe artikelen met betrekking tot zonne-akkers wordt een regeling getroffen voor de vestiging van zonne-akkers in de provincie Drenthe. De regeling is noodzakelijk gelet op het provinciale belang bij het behoud van het landschap. Zonne-akkers kunnen een bijzonder groot ruimtebeslag met zich meebrengen en hebben hiermee effecten op het landschap in Drenthe. Dit belang kan onvoldoende doeltreffend en doelmatig worden behartigd wanneer dit zonder toereikende kaders aan de gemeenten afzonderlijk wordt overgelaten. Het behoud van het landschap is immers meer dan de som der gemeenten. De gestelde regels beogen te bewerkstelligen dat de vestiging van zonne-akkers in Drenthe niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het landschap in Drenthe. Daarbij worden kansen gezien om de daken te benutten. Tot op heden is de grootste ontwikkeling van zonne-energie terug te zien op land, maar blijft de ontwikkeling van zon op dak hierbij achter. Met de regeling wordt ook beoogd in deze situatie verandering te brengen, omdat met zon op dak grote delen van de duurzaamheidsdoelstellingen kunnen worden bereikt zonder dat deze doelstellingen ten koste gaan van het provinciaal belang bij het behoud van het landschap.

Uitgangspunt van de regeling is tweeledig. In de eerste plaats wordt met het artikel bewerkstelligd dat per gemeente een maximale oppervlakte voor zonne-akkers wordt ingesteld. In de tweede plaats wordt bewerkstelligd dat de zonne-akkers die binnen dit maximum worden mogelijk gemaakt het gevolg zijn van kwalitatief hoogwaardige besluitvorming waarbij, naast eventueel vastgesteld gemeentelijk beleid, het provinciaal belang zorgvuldig wordt meegewogen. Daarnaast wordt beoogd de ontwikkeling van zon op dak te stimuleren, nu dit een wijze is om duurzame energie op te wekken die niet gepaard gaat met grote effecten op het Drentse landschap.

GS verwacht daarnaast van ontwikkelaars van zonne-akkers dat zij de gedragscode van de eigen branchevereniging ondertekenen en minimaal voldoen aan de daarin gestelde eisen. Indien wetgeving wijzigt waarmee ruimere sturingsmogelijkheden ontstaan wat betreft, bijvoorbeeld, participatie of zon op dak, zal de onderhavige regeling worden aangepast om van deze mogelijkheden gebruik te kunnen maken.

Zoals vermeld voorziet het eerste lid in een maximering van de oppervlakte die kan worden gebruikt ten behoeve van zonne-akkers. De maximale oppervlakte heeft betrekking op de functionele ruimte waar een zonne-akker uit bestaat. Concreet gaat het dan om zonnepanelen, onderhoudspaden, voertuigpaden anders dan onderhoudspaden, schaduwval, transformatoropstellingen, omvormers, schakelstations, infrastructuur, onderhoudsgebouwen, en hekwerken. Eventuele overige aanverwante zaken, zoals landschappelijke inpassing en groenstructuren, worden niet meegeteld. De oppervlaktematen zelf zijn terug te herleiden naar de beleidsvoornemens van de Drentse gemeenten. Deze beleidsvoornemens zijn in de RES cijfermatig weergegeven in bijlage 3.3 ‘Feiten en cijfers per gemeente RES 1.0 regio Drenthe’. Deze tabel (ook onderstaand weergegeven) is met de huidige inzichten vertaald naar de tabel in bijlage X met specifieke oppervlaktematen bij deze regeling.

Tabel 1: Bijlage 3.3 bij de RES Drenthe 1.0. Zie voor een volledige tabel https://www.energievoordrenthe.nl/themas/res10/HandlerDownloadFiles.ashx?idnv=1917125

Voor kleinschalige lokale initiatieven gelden in de basis dezelfde voorwaarden als voor grootschalige commerciële initiatieven. In de praktijk blijkt dat in goed overleg tussen partijen kleinschalige lokale initiatieven ook passende oplossingen gevonden worden. Voor initiatieven kleiner dan 140 m² zijn de regels niet van toepassing. Deze zonne-akkers zijn zo kleinschalig dat zij te weinig energie opwekken om bij te kunnen dragen in de RES-ambitie.

Het tweede lid stelt regels voor de zonne-akkers die nog kunnen worden ontwikkeld binnen het in lid 1 gestelde maximum. De eisen zijn cumulatief, wat inhoudt dat aan alle eisen moet worden voldaan.

Als eerste stelt sub a de eis dat de zonne-akker passend moet zijn in het landschap. Hiermee wordt gedoeld op de locatie specifieke aspecten (waaronder de mate van openheid) en het omliggende gebied. Deze aspecten vormen de ruimtelijk-fysieke context voor een zonne-akker. Deze locatie specifieke aspecten dienen te worden betrokken bij de ruimtelijke en landschappelijke inpassing.

Voorts is vereist dat met de realisering van de zonne-akker een combinatie wordt gemaakt met andere aanwezige functies of dat tegelijkertijd een ander provinciaal belang dan het belang bij duurzame energie wordt gediend. Deze voorwaarde is omschreven in sub b.

Voor zowel sub a als b geldt dat in de beleidsregel Zon nader staat uitgewerkt hoe GS deze voorwaarden beoordeelt. De beleidsregel is terug te vinden op: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2020-8155.html. Specifiek voor sub b wordt opgemerkt dat van ‘een ander provinciaal belang’ met name sprake kan zijn wanneer de zonne-akker het gevolg is van een breed gedragen lokaal initiatief dat in lokaal eigendom wordt ontwikkeld. Deze werkwijze past goed bij het Landelijk Klimaatakkoord, waar de provincie Drenthe zich bij heeft aangesloten. Om die reden wordt deze werkwijze gezien als van provinciaal belang.

Sub c regelt dat een ruimtelijk plan dat voorziet in zonne-akkers op landbouwgronden moet aantonen dat hiervoor geen ruimte bestaat binnen bestaand stedelijk gebied. Aantonen behelst dat feiten en gegevens worden verstrekt waaruit dit gebrek aan ruimte blijkt. De bepaling betreft wat dat betreft een concretisering van artikel 3:2 van de Awb. https://maxius.nl/algemene-wet-bestuursrecht/artikel3:2

Tevens wordt van belang geacht dat het ruimtelijk plan rekening houdt met de beschikbare netcapaciteit en de afstand van een zonne-akker tot beschikbare aansluitingspunten (sub d). ‘Rekening houden met’ duidt erop dat afwijking slechts gemotiveerd mogelijk is. Met deze bepaling wordt beoogd dat de locatiekeuze goed wordt afgewogen en dat hierbij ook wordt stilgestaan bij de beschikbare energie-infrastructuur alsmede de vervolgingrepen die nodig zijn om de zonne-akker aan te sluiten.

Sub e bepaalt dat een ruimtelijk plan tevens onderbouwt dat rekening is gehouden met de Regionale Energiestrategie (RES). De RES bevat de belangrijkste Drentse afspraken met betrekking tot de ontwikkeling van duurzame energie. ‘Rekening houden met’ duidt er in dit verband op dat slechts gemotiveerd kan worden afgeweken van de RES.

Met de voorwaarde van sub f wordt verzekerd dat de functionele ruimte van een zonne-akker ook wordt vastgelegd in het ruimtelijk plan. Met deze bepaling wordt ook buiten twijfel gebracht waar een zonne akker uit bestaat en wat meetelt in het maximum als bedoeld in lid 1.

Sub g bepaalt dat het ruimtelijk plan vergezeld gaat van een participatieverslag waarin de inspanningen worden benoemd die zijn gepleegd ten behoeve van de zonne-akker. Bij de beoordeling van dit onderdeel maakt GS gebruik van het beleidskader als opgenomen bij de beleidsregel zon. Daarnaast wordt in de Handreiking Participatie nader ingegaan op de wijze waarop participatie kan vormgegeven. Deze handreiking is te vinden op https://www.provincie.drenthe.nl/drenthedichtbij/@137844/handreiking/.

Tot slot bepaalt sub h dat een ruimtelijk plan een maximumperiode van 25 jaar stelt voor de zonne-akker. Voorheen is in de POV bepaald dat een zonne-akker ‘na uitgebruikname’ moet worden verwijderd. Deze regel komt echter te veel neer op een onbepaalde tijd, nu van verwijdering geen sprake is zolang de zonne-akker wordt gebruikt. Met de bepaling dat de oorspronkelijke situatie moet worden hersteld, wordt gedoeld op de functionele ruimte behorende bij de zonne-akker. Hierbij horen ook de ondergeschikte onderdelen en hetgeen hiervoor in de bodem is aangebracht. Landschapselementen die landschappelijke meerwaarde opleveren, dienen te worden gehandhaafd.

Dat het mogelijk is een zonne-akker voor 25 jaar toe te staan, maakt niet dat dit ook per definitie moet. Deze termijn is korter wanneer, bijvoorbeeld, blijkt dat de uitvoerbaarheid voor de volledige periode van 25 jaar niet is geborgd. Mocht het na 25 jaar wenselijk zijn de zonne-akker voort te zetten, dan dient tegen die tijd een nieuw besluit te worden genomen dat wordt getoetst aan de omgevingsverordening van dat moment.

Lid 3 brengt, tot slot, tot uitdrukking dat GS gebruik maken van de beleidsregel zon bij het aanwenden van hun bevoegdheden. Juridisch gezien vloeit dit al voort uit artikel 4:84, van de Algemene wet bestuursrecht https://maxius.nl/algemene-wet-bestuursrecht/artikel4:84. In die zin verschilt een beleidsregel dan ook van een algemeen verbindend voorschrift, doordat deze interne werking kent. Zie in dat verband ook artikel 1:3, lid 4, van de Awb https://maxius.nl/algemene-wet-bestuursrecht/artikel1:3/lid4 Voor de volledigheid worden gemeenten en initiatiefnemers hier met dit lid op gewezen, zodat zij kennis kunnen nemen van deze beleidsregel.

Ontheffing op grond van artikel 2.24a

Wanneer het gestelde maximum is bereikt is een zonne-akker slechts mogelijk wanneer hiertoe ontheffing wordt verkregen door het college van Burgemeester en Wethouders bij GS. Hiertoe zijn twee mogelijkheden in het leven geroepen.

Beide mogelijkheden kennen hun grondslag in artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening https://maxius.nl/wet-ruimtelijke-ordening/artikel4.1a. Dit betekent dat ontheffing mogelijk is, maar slechts in uitzonderlijke gevallen wordt verleend en dan enkel wanneer bijzondere omstandigheden hier aanleiding toe geven. Om wat voor bijzondere omstandigheden het kan gaan, wordt omschreven in leden 1 en 2 van artikel 2.24a. Het wettelijk kader waarbinnen de ontheffingsbevoegdheid zich bevindt, maken dat deze zeer terughoudend wordt ingezet.

Dit uitgangspunt komt onder andere tot uitdrukking in lid 1, sub a, waarin wordt bepaald dat sprake moet zijn van meervoudig ruimtegebruik ten behoeve van een gebiedsopgave. De ontheffingsmogelijkheid is bedoeld voor bijzondere, uitzonderlijke situaties die zich incidenteel voordoen, waarbij zwaarwegende maatschappelijke belangen een rol spelen. Dientengevolge wordt pas aan dit criterium voldaan wanneer sprake is van een gebiedsopgave van groot belang. Of hiervan sprake is blijft in overwegende mate een situatiegebonden afweging waarbij alle omstandigheden van het geval door GS worden meegewogen. Doel van de maximering van zon op land is bescherming van het landschap. Een ontheffing is slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Het moet dan gaan om een plan dat zoveel ruimtelijke meerwaarde heeft dat het provinciale belang bij een verbod niet opweegt tegen het belang bij het door laten gaan van dit plan. Zonnepark-initiatieven kunnen ingezet worden om serieus werk te maken van andere gebiedsopgaven. Wanneer een ontheffing wordt aangevraagd is het onvoldoende om algemene verwachtingen uit te spreken over de te verwachte positieve effecten van het initiatief. De bijdrage die wordt geleverd aan het optimaliseren van de gebiedsopgave moet concreet worden onderbouwd.

Sub b vereist dat binnen een gemeente de hoeveelheid zon op dak in evenwichtige verhouding is met de hoeveelheid zonneakkers op land. Er zijn geen harde richtlijnen waarbij in ieder geval sprake is van een evenwichtige verhouding. De afweging kan met name worden gebaseerd op de vraag of sprake is van een stijgende lijn. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat een gemeente méér zon op land heeft dan zon op dak, maar wel grote vooruitgang heeft geboekt met zon op dak. De eis moet dan ook worden bezien vanuit de achtergrond dat van gemeenten wordt gevraagd zon op dak te stimuleren. Naarmate kan worden aangetoond dat hier voortuitgang in is geboekt, zal sneller sprake zijn van een evenwichtige verhouding. Wanneer deze verhouding niet evenwichtig is, kan eventueel alsnog ontheffing worden verleend indien wordt verzekerd dat de zonne-akkers gepaard gaan met een significante ontwikkeling voor zon op dak. Hierbij kan worden gedacht aan een overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemers waarbij initiatiefnemers zich verplichten financiële middelen te storten in een gemeentelijk fonds ten behoeve van de ontwikkeling van zon op dak. Bij deze laatste constructie moet er duidelijkheid bestaan binnen welke termijn tot realisatie kan worden overgegaan, waarbij ook moet worden onderbouwd dat een en ander uitvoerbaar is.

Tot slot maakt sub c duidelijk dat bij het verkrijgen van de ontheffing ook moet worden voldaan aan de reguliere eisen van artikel 2.24. De eisen die worden gesteld in lid 1 zijn cumulatief, wat inhoudt dat aan alle eisen moet worden voldaan.

Naast de ontheffingsbevoegdheid die is opgenomen in lid 1, bestaat er nog een bevoegdheid om ontheffing te verlenen in lid 2. Deze tweede ontheffingsbevoegdheid kan worden gezien als mogelijkheid voor kleinschalige plannen die wenselijk zijn, maar toch net niet blijken te passen binnen de provinciale regelgeving. Indien sprake is van een bijzondere omstandigheid kan voor een dergelijk plan alsnog ontheffing worden verleend. Van een bijzondere omstandigheid kan met name sprake zijn wanneer het plan het gevolg is van een breed gedragen lokaal initiatief en de akker in lokaal eigendom wordt ontwikkeld. Ook hier zij er echter op gewezen dat van de ontheffing met grote terughoudendheid gebruik wordt gemaakt.

Artikel 2.25 Radioastronomie     

Regeling

Met de bepalingen voor de radioastronomie wil de provincie garanderen dat de radioastronomie zich kan blijven ontwikkelen en dat verstoring van activiteiten die daarmee samenhangen wordt voorkomen. Om dat te bewerkstelligen, liggen er beschermingszones rondom de radiotelescoop in Dwingeloo en Hooghalen en de LOFAR-radiotelescoop in Oost-Drenthe, waar beperkingen gelden inzake de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden ter voorkoming van elektromagnetische straling.

Een kernbegrip hierbij is het begrip 'verstoring'. Elektrische en elektronische apparatuur zendt, onbedoeld, radiogolven uit en kan ASTRON systemen storen. Deze soort storing valt in de categorie Elektro-Magnetische Compatibiliteit (EMC). Ook al voldoet de apparatuur aan de geldende EMC emissie normen, toch kunnen ze zwakke signalen uit het heelal storen. Echter, voor dit soort zwakke signalen heeft LOFAR nu juist zijn grote gevoeligheid gekregen. Deze zeer zwakke signalen uit het heelal worden dan als het ware overstemd door de, op aarde geaccepteerde, signalen. Vanwege genoemd effect is er een veilige minimumafstand nodig radiogolven uitzendende apparatuur en LOFAR.

De mate van verstoring is dus gekoppeld aan elektromagnetische straling van een bron. Er is sprake van twee zones met elk een verschillend beschermingsniveau.

In Zone I, de 'storingsvrije zone', wordt, buiten de verharde wegen Eursinge-Lhee en Hooghalen-Amen, slechts bij uitzondering gemotoriseerd verkeer en activiteiten die elektromagnetische straling opwekken toegelaten. Noodzakelijk landbouwverkeer wordt daartoe gerekend.

Zone II geldt als 'overlegzone'. In principe geldt daar eveneens het uitgangspunt dat elektromagnetische straling die de waarneming middels de radiotelescopen verstoord, moet worden voorkomen. Er kan natuurlijk onduidelijkheid bestaan over de vraag wanneer van dergelijke verstoring sprake is. Wij verwachten daarom dat wanneer een ruimtelijk plan binnen deze zone voorziet in nieuwe bebouwings- of gebruiksmogelijkheden, er in een vroeg stadium overleg wordt gepleegd met het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) om hierover helderheid te verkrijgen en te bezien op welke wijze de ontwikkeling kan worden ingepast.

Een ruimtelijk plan dat een gebied bestrijkt dat valt binnen zone I en II van de radiotelescoop of LOFAR, dient te worden voorzien van een advies van ASTRON. Dit geldt eveneens voor ruimtelijke plannen die voorzien in ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer rondom een LOFAR-buitenstation.

Achtergrond

In de Omgevingsvisie Drenthe is aangegeven dat veel waarde wordt gehecht aan de ontwikkeling van de radioastronomie in Drenthe. De economische spin-off van de radioastronomie voor de economie van Drenthe is groot. Wij willen de ontwikkelingen die daarmee samenhangen dan ook volop de ruimte geven en verstoringen van waarnemingen voorkomen. De bepalingen opgenomen in dit hoofdstuk moeten dat bewerkstelligen. In paragraaf 5.1.4 van de Omgevingsvisie Drenthe is de provinciale visie hieromtrent uitgewerkt. Deze visie en de bepalingen in dit hoofdstuk waarborgen consistentie van het beleid omtrent de radioastronomie.

Artikel 2.28 Koloniën van Weldadigheid     

Dit artikel is gereserveerd. De verwachting is dat het Werelderfgoedcomité in juli 2018 de Koloniën van Weldadigheid zal aanwijzen als UNESCO werelderfgoed. Mogelijk wordt het daarna opgenomen in het Barro, waarin dan zal worden bepaald dat in de provinciale omgevingsverordening regels moeten worden opgenomen omtrent de bescherming van dit werelderfgoed. De bestaande afspraken met gemeenten worden gecontinueerd, inhoudelijk worden de afspraken niet veranderd.

Artikel 2.27 Nationaal Park Drentsche Aa     

Regeling

Het gehele stroomgebied – van brongebied tot benedenloop - van de Drentsche Aa is als Nationaal Park aangewezen, inclusief het Groningse deel in de gemeente Haren. De Drentse begrenzing (artikel 2.27) sluit op de Groningse aan. Doel van een Nationaal Park is de kwaliteiten te behouden, duurzaam te beheren en te versterken. Uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid is behoud door ontwikkeling. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, mits de kwaliteiten worden behouden of versterkt. Het is verder belangrijk om de verhouding van deze bepaling tot het gestelde in Titel 2.2 Ruimtelijke Kwaliteit te verhelderen. Die bepalingen zijn immers onverkort van toepassing op Titel 2.3 (artikel 2.10, eerste lid). Het gebied kenmerkt zich bovendien door aanwezigheid van veelal zeer waardevolle kernkwaliteiten. Dit kan voor regelgeving met betrekking tot het Nationaal Park Drentsche Aa tot verwarring leiden. De bepalingen voor Nationaal Park Drentsche Aa gelden bovenop de bepalingen uit Titel 2.2 en hebben - bij strijdigheid - voorrang daarop. Nationaal Park Drentsche Aa en het Natuurnetwerk Nederland vallen ook deels samen. Beide bepalingen gelden in dat gebied.

De voornaamste kenmerken van het Nationaal Park Drentsche Aa zijn uitgewerkt in de Landschapsvisie Drentsche Aa. Daarenboven hechten wij eraan de cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden van het gebied te benadrukken. Dit Nationaal Park is een gebied met een grote cultuurhistorische tijddiepte, zoals ook blijkt uit de kaarten met Kernkwaliteiten. De beekdalen zelf kenmerken zich door, met vaak door wallen en singels omzoomde, weiden en hooilanden. Op de hogere gronden bevinden zich de essen en dorpen, omgeven door grotere ontginningen en de vroegere woeste gronden in de vorm van bossen en heides. De agrarische geschiedenis is goed te herkennen in dit landschap door de samenhang tussen verschillende elementen. Zeer bijzonder zijn de opvallend lineair gegroepeerde grafheuvels langs prehistorische wegen.

In lid 3 wordt gerefereerd aan een 'groot maatschappelijk belang' met het oog op duurzame energieontwikkeling. Hierbij denken we specifiek aan de opslag van duurzame energie in zoutkoepels. Dit wordt ook in de Structuurvisie Ondergrond genoemd. Compensatie moet bij vaststelling van een ruimtelijk plan 'hard' worden geregeld. Vast moet staan dat deze daadwerkelijk uitgevoerd wordt.

Achtergrond

De kernkwaliteiten van het Nationaal Park Drentsche Aa zijn vanuit het Beheer-, Inrichtings- en Ontwikkelingsplanplan (BIO-plan) uitgewerkt in de Landschapsvisie Drentsche Aa voor het gehele stroomgebied. Het BIO-plan blijkt in combinatie met de landschapsvisie in de praktijk een goed kader te bieden voor beoordeling van activiteiten in het gehele Drentsche Aa-gebied. Het vormt het fundament voor uitvoering en beoordeling van plannen in het nationaal park en past binnen de beleidsmatige kaders.

Als basisfilosofie geldt 'kwaliteit in ontwerp'. Een ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie. In de aanloop naar de oprichting van het nationaal beek- en esdorpenlandschap is als een van de uitgangspunten een basisfilosofie ontwikkeld, die erop neer komt dat het behoud van het gebied gebaat is bij een verdere ontwikkeling in plaats van conservering. Het bestaande landschap is in deze filosofie het vertrekpunt voor het nieuwe. Ontwikkelingen zijn toegestaan en zelfs gewenst, maar moeten in het verlengde liggen van de ontstaansgeschiedenis en de onderliggende structuren. De kenmerken van het landschap worden versterkt in plaats van afgevlakt door een vermenging met oneigenlijke elementen. Wij verwachten ook van gemeenten dat ze opkomen voor de doelen die voor het gebied zijn gesteld. De voorliggende bepalingen kunnen daaraan bijdragen.

Artikel 2.28 en 2.29 Natuurnetwerk Nederland     

Algemeen

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een landelijk netwerk van natuur- en agrarische gebieden met een speciale natuurkwaliteit. We streven naar een goed werkend robuust natuursysteem dat zorgt dat de kwaliteit van natuur zich duurzaam verbetert. Het NNN bestaat zowel uit afzonderlijke natuurgebieden als uit ecologische verbindingen die deze natuurgebieden met elkaar verbinden. Ecologische verbindingen vormen een waardevol onderdeel van het NNN. Via bermen, natuurstroken langs watergangen en ecoducten zoals die over de A28 kunnen dieren van het ene gebied naar het andere trekken. Dat komt ten goede aan de kwaliteit van de natuurgebieden. Bovendien vormen deze verbindingen een belangrijk onderdeel van de groene dooradering van onze provincie.

De grote boswachterijen, de uitgestrekte heidevelden en de oude hoogveenkernen maken deel uit van het NNN. De 14 Drentse Natura 2000-gebieden vormen een belangrijk onderdeel van de bestaande natuur. Het behalen van Europese natuurdoelen voor deze gebieden vormen de belangrijkste natuuropgave voor het NNN.

De provincie past bij het ontwikkelen van het NNN de 'Spelregels Ecologische Hoofdstructuur', zoals door de provincies en het Rijk gezamenlijk zijn overeengekomen, toe. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2007/08/20/spelregels-ehs

Artikelsgewijs

Artikel 2.28 Natuurnetwerk Nederland

Dit artikel is relevant voor de vaststellingsprocedure van het NNN en de doorwerking daarvan in gemeentelijke ruimtelijke plannen.

Lid 1 Nieuwe natuur

Conform de gemaakte afspraken in het Natuurpact tussen het Rijk en de provincie heeft de provincie de taak om binnen het NNN nieuwe natuur te ontwikkelen. Op de ambitiekaart in het Natuurbeheerplan Drenthe is nieuwe natuur aangegeven als N00.01.

Het bestaande instrumentarium en de gebiedsprocessen bieden over het algemeen voldoende mogelijkheden om gronden op vrijwillige basis te verwerven c.q. veilig te stellen voor de gestelde doelen. Vrijwilligheid blijft daarbij het belangrijkste uitgangspunt. In ons “Grondbeleid volgens provincie Drenthe 2016-2022” staat aangegeven hoe wordt omgegaan met het bewerkstelligen van de transformatie van een agrarische functie naar een natuurfunctie binnen het begrensde NNN.

https://www.provincie.drenthe.nl/onderwerpen/bouwen-wonen/natuurlijkplatteland/

Om nieuwe natuur door middel van functiewijziging te realiseren kunnen eigenaren gebruik maken van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur- en landschap. https://www.provincie.drenthe.nl/natuurbeheerplan.

Lid 2 Wezenlijke kenmerken en waarden

Nieuwe activiteiten zijn niet toegestaan voor zover deze de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN significant schaden. Op voorhand is niet uitputtend aan te geven wanneer sprake is van een 'significante' invloed. Dit is afhankelijk van het soort bedrijvigheid waar het om gaat, de plek in de NNN en de natuurwaarden ter plaatse. Als voorbeeld van ruimtelijke initiatieven die significante gevolgen kunnen hebben kunnen genoemd worden:

  • aanleg van nieuwe en uitbreiding van bestaande woningbouw;

  • aanleg van nieuwe infrastructuur of uitbreiding van bestaande infrastructuur;

  • vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven;

  • nieuwe voorzieningen voor en omvangrijke uitbreiding van permanente verblijfsrecreatie;

  • ontgrondingen ten behoeve van oppervlaktedelfstofwinning;

  • aanleg en bouw van afvalstort;

  • bouw of uitbreiding van drijvende objecten;

  • opstelling van windturbines;

  • nieuwvestiging of toevoeging van recreatieverblijven.

Artikel 2.29 Afwijking Natuurnetwerk Nederland

Dit artikel dient een tweeledig doel. De leden 1 en 2 zijn van toepassing op grootschalige ingrepen waarbij sprake is van compensatie. Het lid 3 is bestemd voor ruimtelijke plannen die leiden tot verbetering van de kwaliteiten van het NNN waardoor er geen sprake is van compensatie.

Lid 1 sub a Groot maatschappelijk belang

Onder 'groot maatschappelijk belang' wordt in elk geval verstaan: de veiligheid, de drinkwatervoorziening, de plaatsing van installaties voor de winning, opslag of transport van aardgas of de plaatsing van installaties voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie.

Lid 1 sub c Compensatie

In het algemeen vindt de compensatie buiten het NNN plaats en aansluitend aan het bestaande NNN in Drenthe. Op deze manier wordt een robuust natuurnetwerk ontwikkeld dan wel in standgehouden.

Binnen het NNN is beperkte ruimte voor compensatie aangezien daar vaak al sprake is van de functie natuur. Bij compensatie binnen het NNN kan het bijvoorbeeld gaan over recreatieterreinen, landbouwgronden en parkeerplaatsen.

Artikel 2.30 Bijzonder provinciaal natuurgebied of landschap en artikel 2.31 Beheerplan     

Met het voorgestelde artikel wordt een correctie aangebracht met betrekking tot de regelgeving omtrent het Landgoed Overcingel. Hierin stond ten onrechte dat van een vergunningplicht alleen sprake was op het Landgoed zelf. De vergunningplicht geldt nu niet alleen binnen de begrenzing van het Landgoed Overcingel zelf, maar ook daarbuiten. Dit was oorspronkelijk ook de bedoeling, maar per abuis niet goed overgezet uit de Natuurbeschermingswet 1998. Met de bijgevoegde kaart wordt duidelijk gemaakt waar de vergunningplicht precies geldt

Het artikel is zo gewijzigd dat het alleen geldt voor het Landgoed Overcingel. Er zijn geen andere bijzondere provinciale natuurgebieden of landschappen.

Artikel 2.32 Landgoederen     

In de Omgevingsvisie Drenthe is vastgelegd dat de provincie de ontwikkeling van nieuwe landgoederen als vorm van kleinschalige, nieuwe woonmilieus stimuleert. In deze verordening zijn de eisen uitgewerkt waaraan de ontwikkeling van landgoederen moet voldoen zodat een duurzame instandhouding gewaarborgd is.

Onder huis van allure wordt een huis verstaan welke qua uitstraling en vormgeving past bij het gehele landgoed.

De provincie gaat ervan uit dat een bos een onlosmakelijk onderdeel is van het landgoed en daarmee in stand moet blijven. In de praktijk wordt de bestemming landgoed vastgelegd in een bestemmingsplan waarmee de instandhouding is gewaarborgd.

Artikel 2.33 Bosclustering     

In de Omgevingsvisie Drenthe is vastgelegd dat de provincie de aanleg van nieuwe bossen en landgoederen stimuleert. Aangezien de aanleg van nieuwe bossen een middel is om grotere, aaneengesloten natuurgebieden en ecologische verbindingen te realiseren is in deze verordening bepaald dat nieuwe bossen dienen aan te sluiten bij bestaande bos- en natuurgebieden. De provincie streeft naar robuuste natuur- en robuuste landbouwgebieden. De bosclustering is een middel om hieraan inhoud te geven.

Sub 1

Waardevolle bosgemeenschappen zijn bossen met zeldzame planten en dieren, landschappelijk waardevolle beplantingen en zeer fraaie bomen, zoals aangegeven in het Bosbeleidsplan Drenthe, juli 1996.

In dit beleidsplan worden de volgende bosgemeenschappen worden aangeduid als waardevol:

Bosgemeenschap

Locatie

Korstmossen-Dennenbos

Dwingeloo

Kussentjes mos-Dennenbos

Dwingeloo

Kraaihei-Dennenbos

Dwingeloo

Kraaihei-Dennenbos

Berkenheuvel

Berken-Zomereikenbos

Kremboong

Berken-Zomereikenbos

Dwingeloo

Vochtig Berken-Zomereikenbos

Elim

Vochtig Berken-Zomereikenbos

Kremboong

Vochtig Berken-Zomereikenbos

Dwingeloo

Vochtig Berken-Zomereikenbos

Zeyer Strubben

Wintereiken-Beukenbos

Oeverse bosje

Wintereiken-Beukenbos

Mantingerbos

Wintereiken-Beukenbos

Norgerholt

Vochtig Wintereiken-Beukenbos

Tonckensbos

Vochtig Wintereiken-Beukenbos

Lieverense Noordbos

Vochtig Wintereiken-Beukenbos

Mensingerbos

Gierstgras-Beukenbos

Bosje van Anloo

Gierstgras-Beukenbos

De Braak

Eiken-Haagbeukenbos

Geelbroek

Eiken-Haagbeukenbos

Gasterense Holt

Eiken-Haagbeukenbos

Kleibos

Vogelkers-Essenbos

Burgvallen

Sub 4

Een woonkern is de begrenzing van de bebouwde kom zoals bedoeld in de Wegenverkeerswet.

Artikel 2.34 Water     

Regeling

De beken en het daarop aangesloten oppervlaktewatersysteem verzorgen de waterafvoer van het Drents Plateau. Als gevolg van klimaatverandering zullen er meer en zwaardere perioden met neerslag komen. Bij ongewijzigd beleid leidt dit tot meer wateroverlast, die zich over het algemeen het eerst en het heftigst in de beekdalen manifesteert en gevolgen heeft voor het grondgebruik. Met name bij kapitaalintensieve functies is de schade bij wateroverlast het grootst. Als het voorkomen van schade leidt tot aanpassing van het watersysteem met een versnelling van de afvoer, wordt wateroverlast op benedenstrooms gelegen gebieden afgewenteld. De provincie wil bij veel neerslag zoveel mogelijk water vasthouden en indien het niet anders kan water bergen om grote wateroverlast aan de randen van de provincie zoals bijvoorbeeld in Meppel of de stad Groningen te voorkomen. De ruimte voor water in de beekdalen moet daarom behouden blijven.

Het eerste en tweede lid van artikel 2.34 geven bescherming aan belangrijke beekdalen. Kapitaalintensieve functies worden daar geweerd. Het gaat daarbij om onder andere woon- en werkgebieden, (energie)installaties en kapitaalintensieve vormen van agrarisch grondgebruik, zoals glastuinbouw, intensieve veehouderijen en kwekerijen. Uitzonderingen op het vrijwaren van het gebied van kapitaalintensieve functies kunnen gemaakt worden in geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen en een drietal andere voorwaarden. De voorwaarden zijn cumulatief bedoeld. Op voorhand is niet te benoemen of sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Van geval tot geval zal afzonderlijk beoordeeld moeten worden of er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang.

Toepassing van de genoemde criteria kan ertoe leiden dat bijvoorbeeld de negatieve effecten van de aanleg van windturbines en zonnepanelen in beekdalen of waterbergingsgebieden goed gemitigeerd kunnen worden door bij de aanleg rekening te houden met water op het maaiveld.

Dit hoofdstuk van de verordening dwingt via het derde lid van artikel 2.34, voor zover nodig, ruimtelijke bescherming van waterbergingsgebieden af. In de praktijk betekent dit dat een zogenaamde dubbelbestemming moet worden gehanteerd. Andere functies dan waterberging kunnen dan worden toegekend en uitgeoefend als deze aan het gebruik van het gebied voor waterberging niet in de weg staan.

Ruimtelijke bescherming van het functioneren van een grondwaterwingebied (artikel 2.34, vierde lid) maakt minimaal het overnemen van de begrenzing van deze bescherming in het betreffende ruimtelijk plan nodig. Meer specifiek gaat het om gebieden die in Hoofdstuk 6 van deze verordening zijn aangewezen als Waterwingebied, Grondwaterbeschermingsgebied, Verbodszones diepe boringen en Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa en als zodanig op de bij deze verordening behorende kaart zijn aangeduid. Wij verwachten van gemeenten dat ze in een ruimtelijk plan aangeven in hoeverre het plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor grondwaterbeschermingsgebieden.

Aan de ontwikkeling van een grondgebonden landbouwbedrijf (zonder kapitaalintensieve tweede tak) worden geen beperkingen opgelegd. Ook kunnen nieuwe grondgebonden landbouwbedrijven opgericht worden, waarbij het voor de hand ligt niet in de laagste delen van het beekdal te bouwen en bij de hoogteligging van de bedrijfsgebouwen rekening te houden met mogelijke wateroverlast. Het waterschap heeft hierin een adviserende rol.

Achtergrond

De provincie streeft naar een robuust watersysteem dat voldoende schoon grond- en oppervlaktewater biedt voor waterafhankelijke functies. Het watersysteem moet in staat zijn om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen, waardoor wateroverlast en watertekort tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Ook moet het watersysteem voldoen aan de kwaliteitseisen die voortvloeien uit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW). Onderdelen van ons waterbeleid lenen zich voor dit hoofdstuk van deze verordening. Het gaat dan om bescherming van de beekdalen ('Nee tenzij beleid'), het afdwingen van bescherming voor waterbergingsgebieden en bescherming van grondwaterwinningsgebieden.

Artikel 2.35 Provinciale wegen     

Voor de op kaart A aangegeven provinciale wegen is de provincie wegbeheerder. Dit betekent dat de provincie, zowel bestuurlijk als financieel, verantwoordelijk is voor het onderhoud van de weg alsmede voor het aanbrengen van voorzieningen. Het kan hier bijvoorbeeld betreffen geluidsreducerende maatregelen of maatregelen in het kader van de Wet Natuurbescherming. Tevens valt hier te denken aan toekomstige aanpassingen van deze wegen in het kader van kwaliteitsverbetering of gewenste toekomstige doorstroming en verkeersafwikkeling. Gelet op deze belangen wil de provincie graag zicht houden op de (planologische) ontwikkelingen in de directe nabijheid van deze wegen. Op deze wijze kan worden voorkomen dat de provincie te maken krijgt met onvoorziene planologische ontwikkelingen rondom deze wegen die de uitvoering van gewenste maatregelen belemmeren dan wel extra kosten tot gevolg hebben.

Titel 2.4 Tegemoetkoming in schade     

De provincie Drenthe kan gebruikmaken van het instrument inpassingsplan (3.26 Wro), projectbesluit (3.27 Wro) en artikel 3.41 Wro. Dergelijke besluiten kunnen volgens artikel 6.6 Wro leiden tot verzoeken om tegemoetkoming in schade zoals bedoeld in afdeling 6.1 Wet ruimtelijke ordening.

Als het tot dergelijke aanvragen komt, dient de provincie te beschikken over regels die werkwijze en afhandeling van zo'n verzoek conform wettelijke vereisten bewerkstelligen. Titel 2.4 voorziet in die bepalingen. De Titel is opgezet conform gebruiken die in den lande voor wat betreft afhandeling om verzoeken tot tegemoetkoming in schade gebruikelijk zijn.

In afdeling 6.1 Wro is bepaald dat degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een provinciaal inpassingsplan, projectbesluit of door toepassing van artikel 3.41 Wro om een tegemoetkoming in die schade kan vragen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Een verzoek om tegemoetkoming in schade moet worden ingediend bij en wordt afgedaan door gedeputeerde staten (artikel 6.6, juncto artikel 6.1 Wro).

Titel 2.5 Slotbepalingen     

Voor het functioneren van dit hoofdstuk zijn enige afrondende bepalingen nodig.

Inwerkingtreding van dit hoofdstuk gebeurt voor twee bepalingen met vertraging. Dit heeft ermee te maken dat gemeenten tijd nodig hebben om aan de voor woningbouw en realisering van regionale werklocaties vereiste regionale afstemming invulling te geven. Tot dat moment blijft het mogelijk om geldende, met de provincie afgestemde, woonplannen en werklocatievisies plannen uit te voeren, tenzij duidelijk is dat een plan binnen een regio bestuurlijke discussie kan opleveren. Een en ander laat onverlet dat het provinciaal beleid op dit punt met vaststelling van de Omgevingsvisie in werking is getreden en in materiële zin dus van toepassing is.

Artikel 2.39 voorziet in overgangsrecht voor bestaande ruimtelijke plannen.

Artikel 2.40 geeft gemeenten een (zeer ruime) aanpassingstermijn waarbinnen ze hun bestemmingsplannen moeten aanpassen aan de voorliggende verordening. Het komt erop neer dat aangesloten wordt bij het verplichte herzieningsritme van 10 jaar dat voor bestemmingsplannen geldt. De provincie vindt het niet reëel en ook niet gewenst om gemeenten, bovenop de actualiseringsslag die al gaande is, nóg een actualisatieplicht op te leggen.

Wij realiseren ons dat daar waar geldende bestemmingsplannen bij recht ontwikkelingen toestaan die zich negatief verhouden tot onze Omgevingsvisie, deze door de ruime aanpassingstermijn buiten de beïnvloedingssfeer van de provincie vallen. Zodra een ontheffingsmogelijkheid of andere weigeringsgrond in het spel is, verwachten wij dat ons provinciaal beleid in een afweging daarbij wordt meegenomen. Zo nodig zal de provincie daartoe andere Wro-instrumenten inzetten.

Hoofdstuk 3 Natuurbescherming     

Titel 3.1 Gebiedsbescherming     

Artikel 3.1 Vrijstelling vergunningplicht     

Inleiding

Op grond van artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming wordt in de voorliggende verordening opgenomen dat de vergunningplicht als voorzien in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming niet van toepassing is op het weiden van vee en het gebruik van meststoffen. Omdat het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 waarin deze vrijstelling was verleend per 1 januari 2017 vervalt en de bevoegdheid overgaat naar Provinciale Staten wordt de vrijstelling op deze wijze beleidsarm voortgezet.

Achtergrond

Artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming verbiedt om zonder vergunning handelingen te verrichten of projecten te realiseren die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Artikel 2.9, vierde lid, van de Wet natuurbescherming bepaalt dat de aanwijzing van categorieën van projecten of andere handelingen alleen kan plaatsvinden als ten aanzien van projecten op voorhand kan worden uitgesloten dat er sprake zal zijn van aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied (onderdeel a), of – indien het andere handelingen betreft – op voorhand rekening is gehouden met de gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Aan deze aanwijzing kan als voorwaarde worden verbonden dat aan nader gestelde regels wordt voldaan (artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming).

Op grond van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 was het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen op grond van artikel 3a van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 vrijgesteld van de vergunningplicht als voorzien in artikel 19d van die Wet natuurbescherming. Artikel 19d is de voorganger van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. De aanwijzing van het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen in artikel 3.1 van de Omgevingsverordening leidt er in samenhang met artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming toe dat de eerdere vrijstelling wordt gecontinueerd. De aanwijzing in artikel 3.1 van de Omgevingsverordening ziet op het weiden van alle soorten vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen, te weten: dierlijke meststoffen, overige organische meststoffen en kunstmest. Bij het gebruik van meststoffen gaat het, overeenkomstig de begripsomschrijving in artikel 1 van het Besluit gebruik meststoffen, om het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Zoals in de nota van toelichting bij de wijziging van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 uitvoerig is onderbouwd, waar voor de motivering naar wordt verwezen[1], leidt de vrijstelling voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen niet tot negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Zoals in de toelichting gelezen kan worden is dit gebaseerd op de algemene tendensen (plafonnering mestgebruik door mestgebruiksnormen, regels over de aanwending van meststoffen, de voorziene verdere aanscherping van deze normen en regels, de afname van het landbouwareaal en de teruggang van de weidegang) en de uitvoering van het programma aanpak stikstof 2015-2021. Uit de nota van toelichting blijkt verder dat het Europees en nationaal wettelijk kader voor een vrijstelling voldoende mogelijkheden biedt. Voorgaande geldt ook voor de vrijstelling in artikel 3.1 van de Omgevingsverordening; derhalve is voldaan aan artikel 2.9, vierde lid, van de Wet natuurbescherming. Tevens ontbreekt de noodzaak om nadere voorwaarden te stellen waaraan de vrijgestelde activiteiten moeten voldoen.

Als koeien buiten lopen, veroorzaken ze minder ammoniakuitstoot dan in een stal. Indien de weidegang toeneemt, heeft dat positieve gevolgen voor de daling van ammoniakemissies waarmee het te rechtvaardigen is dat deze activiteit wordt vrijgesteld.

[1] Zie voor een uitgebreide toelichting Stb. 2016, 75.

Titel 3.2 Soortenbescherming     

Paragraaf 3.2.1 Vrijstelling soortenbescherming     

Artikel 3.2 Soortenvrijstelling ruimtelijke inrichting, bestendig beheer en onderhoud     

Het wordt niet wenselijk geacht dat voor zeer algemeen voorkomende soorten voor elke ruimtelijke ontwikkeling of ingreep in het kader van beheer en onderhoud een ontheffing moet worden aangevraagd. Om deze reden wordt voor bepaalde soorten vrijstelling verleend. De Wet natuurbescherming geeft aan Provinciale Staten de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de verboden voor bepaalde soorten voor bepaalde belangen. Onder de voormalige Flora- en faunawet waren door het Rijk vrijstellingen vastgelegd in het Besluit vrijstelling[1]. Over het algemeen gebeurde dit voor soorten waarvan werd aangenomen dat ze veel voorkomen en de soort niet bedreigd was. Vanwege de voormalige vrijstelling was het voor deze soorten niet verboden om bijvoorbeeld hun verblijfplaatsen te vernielen als dit nodig is om een bestemmingsplan uit te voeren, bijvoorbeeld bij de bouw van een huis. Ook mocht een vliegveld, een dijk of een spoorweg worden onderhouden zonder dat daarvoor een ontheffing nodig was als deze soorten daar voorkomen. De reden voor het Rijk om deze vrijstelling in te voeren was dat veel weerstand bestond tegen het steeds moeten aanvragen van ontheffingen voor deze soorten. Dit terwijl van deze soorten werd aangenomen dat ze veel voorkwamen. Met de invoering van de Wet natuurbescherming is deze bevoegdheid grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Provinciale Staten hebben besloten deze voormalige vrijstelling voor zover mogelijk voort te zetten. Indien deze vrijstelling niet zou worden verleend zou dat als gevolg hebben dat allerlei werkzaamheden in het kader van beheer, gebruik, onderhoud en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling worden opgehouden, hetgeen zeer onwenselijk is. Wat dat betreft bestaat voor deze vrijstelling geen ander bevredigend alternatief. De destijds door het Rijk gevoerde argumenten voor invoering van de vrijstelling gelden nog steeds. Wel is het nodig om waarborgen in te bouwen dat de vrijstelling voor het vangen en opzettelijk doden niet lichtzinnig wordt gebruikt. Om deze reden zijn in de leden 4 en 5 enkele waarborgen ingebouwd. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij die leden.

Lid 1

In de voormalige Flora- en faunawet en bijbehorende Besluit en Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten was een aantal soorten vrijgesteld. Deze soorten mochten worden gevangen en gedood indien dit nodig was in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud. Het betrof algemeen voorkomende soorten waarvan de goede staat van instandhouding niet in het geding was. Een aantal van deze soorten wordt door de Wet natuurbescherming beschermd in artikel 3.10. In dit artikel is een verbod opgenomen om:

  1. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij de Wet natuurbescherming, opzettelijk te doden of te vangen;

  2. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als hierboven bedoelt opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

  3. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij de Wet natuurbescherming, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In het tweede lid van artikel 3.10 Wet natuurbescherming is bepaald dat Provinciale Staten vrijstelling kunnen verlenen van de verboden bedoeld in het eerste lid. Dit artikel dient als grondslag voor deze vrijstelling. In de Wet natuurbescherming worden deze soorten ‘overige soorten’ genoemd in deze toelichting wordt gesproken over ‘nationaal beschermde soorten’, waarmee hetzelfde wordt bedoeld. Dit heeft ermee te maken dat deze soorten niet zijn beschermd op grond van internationale verdragen zoals de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wet natuurbescherming), de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn (artikel 3.5 Wet natuurbescherming).

Provinciale Staten hebben in de Wet natuurbescherming de bevoegdheid gekregen om vrijstelling te verlenen voor zowel de Europees/internationaal beschermde soorten als voor de nationaal beschermde soorten. Een vrijstelling voor de Europese/internationale soorten kan slechts worden verleend voor een aantal in de Wet natuurbescherming genoemde belangen. Ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud behoren hier niet toe. Voor de nationaal beschermde soorten (3.10) kan wel vrijstelling verleend worden voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer en onderhoud. De mogelijkheid is hiertoe gegeven in de artikelen 3.10, tweede lid, in combinatie met 3.8, tweede lid Wet natuurbescherming. Omdat de vrijstelling van de 3.10 soorten een beleidsarme voortzetting is van de vrijstelling onder de Flora- en faunawet is in artikel 3.2 van de Omgevingsverordening vrijstelling gegeven voor een aantal soorten die zijn beschermd op grond van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming.

Opzettelijk

Artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming verbiedt alleen ‘opzettelijk’ handelen, bijvoorbeeld ‘opzettelijk doden’. Onder de voormalige Flora- en faunawet was alleen ‘doden’ verboden. Hieronder moest worden verstaan ‘opzettelijk doden’ en ‘niet opzettelijk doden’. Het nieuwe verbod gaat derhalve minder ver dan het voormalige verbod onder de vorige wet. Omdat onder de vorige wet doden was vrijgesteld en opzettelijk doden minder ver gaat, is in de provinciale vrijstelling opzettelijk doden vrijgesteld. Dit mede als gevolg van een beleidsarme implementatie. Maar wat moet verstaan worden onder ‘opzettelijk doden’? Als iemand per ongeluk (zonder opzet) een dier van de 3.10 lijst doodt levert dit geen overtreding op. Het kan echter de vraag zijn wanneer opzet aanwezig is. Omdat de term opzettelijk nieuw is onder de Wet natuurbescherming wordt hieronder enige uitleg over deze term gegeven. In de memorie van toelichting bij de Wet natuurbescherming is aangegeven dat het Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijk opzet moet worden begrepen. Hieruit moet geconcludeerd worden dat de ruime uitleg die in Europa gegeven is aan de term opzettelijk ook geldt voor de nationale beschermde soorten.

Van ‘voorwaardelijke opzet’ is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen kan hebben voor een dier of een plant, zoals de vangst of de dood van een dier, het verstoren van een dier, en het afsnijden, ontwortelen of vernielen van een plant. Er moet dus een duidelijk ‘wilselement’ aanwezig zijn voor opzet. Dit is niet altijd makkelijk aan te tonen en de grens is niet heel zwart wit. Zo weet iedereen dat je niet mag stelen, mishandelen of doden, maar dat kitesurfen niet overal is toegestaan ter voorkoming dat vogels, behorende tot een kwalificerende habitatsoort, verstoord worden, is minder bekend. Van deelnemers in het economisch verkeer (ondernemers, TBO’s e.d.) mag verwacht worden dat ze zich voldoende laten voorlichten welke regels van toepassing zijn op hun economisch handelen, zodat geen onderscheid gemaakt hoeft te worden tussen degenen die dat wel serieus nemen en degenen die dat niet doen. De burger daarentegen die geen verwijt treft, zou bij de rechter een beroep kunnen doen op de afwezigheid van alle schuld, waardoor hij –bij honorering van het verweer- ontslagen kan worden van rechtsvervolging. Deze doelgroep wordt derhalve voldoende beschermd door het strafrechtelijk beginsel: geen straf zonder schuld. Het is aldus aan de strafrechter in de concrete strafzaak om alle relevante omstandigheden te wegen en een rechtvaardige beslissing te nemen, zoals tot op heden ook het geval is.

Belangen

De vrijstelling wordt gegeven ten behoeve van een viertal belangen. Alleen als één van deze belangen zich voordoet mag van de vrijstelling gebruik worden gemaakt. Kort samengevat zijn dit het belang van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en een drietal vormen van bestendig beheer en onderhoud. Uit de memorie van toelichting bij de Wet natuurbescherming blijkt dat de uitzondering voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling, zowel ziet op grote projecten, zoals werkzaamheden in het kader van landinrichting, de aanleg van wegen, bedrijventerreinen, havens of woonwijken, als op relatief beperkte activiteiten, zoals de bouw van een schuur of de verbouwing van een huis. Ook natuurontwikkeling kan hieronder vallen. Verder blijkt uit de memorie van toelichting dat het bij ‘bestendig beheer en onderhoud’ gaat om het voortzetten van de ter plaatse bestaande praktijk. Om te beoordelen of beheer, gebruik en onderhoud bestendig is, dient de aard van de activiteiten en de middelen in ogenschouw worden genomen, alsmede het tijdstip, de frequentie en de schaal waarop de activiteiten worden ondernomen. Gedacht moet worden aan regelmatig terugkerend beheer, gebruik of onderhoud dat al langere tijd plaatsvindt zonder dat dit beheer, gebruik of onderhoud in de weg heeft gestaan aan de vestiging en het behoud van individuen van beschermde soorten in de gebieden waar het beheer, gebruik of onderhoud plaatsvindt. De activiteiten zijn gericht op het handhaven van de bestaande situatie, hetgeen bijvoorbeeld kan blijken uit een beheer- of onderhoudsplan. Voorbeelden van beheer en onderhoud zijn het maaien om bepaalde vegetaties in een natuurgebied in stand te houden, beheer van waterlopen in het kader van de keur, het maaien van bermen vanwege de verkeersveiligheid en het maaien van weilanden voor kuilvoer.

Lid 2

In artikel 3.25, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat in het geval Provinciale Staten vrijstelling geven van de verboden uit artikel 3.10, tweede lid, Wet natuurbescherming ook de middelen moeten worden aangewezen voor het vangen en doden. Omdat in het eerste lid van deze bepaling vrijstelling is verleend voor de 3.10 soorten is Provinciale Staten zodoende verplicht ook de middelen die ervoor gebruikt mogen worden vast te stellen.

Zoals blijkt uit artikel 3.2, tweede lid, van de Omgevignsverordening zijn alleen ‘vangmiddelen’ op de lijst geplaatst en geen middelen die geschikt zijn voor het doden. Dit heeft ermee te maken dat het niet de bedoeling is dat de vrijstelling gebruikt gaat worden om actief dieren te doden (zie hiervoor de leden 4 en 5). De vrijstelling kan primair gebruikt worden om actief soorten te vangen en te verplaatsten (als blijkt dat verjaging redelijkerwijs niet werkt). Als verjaging redelijkerwijs niet gevraagd kan worden geldt subsidiair de vrijstelling ook voor het opzettelijk doden van de dieren. Zoals gezegd dus niet met aangewezen middelen maar in de zin van bijkomende slachtoffers bij werkzaamheden. Denk hierbij aan ploegwerkzaamheden waarbij een veldmuis die in de grond verscholen zit om komt.

Lid 3

In het derde lid wordt geregeld dat gevangen dieren weer uitgezet mogen worden. In het dagelijkse spraakgebruik wordt vaak gesproken over verplaatsen. In juridisch zin van vangen en weer uitzetten. Op grond van artikel 3.34 Wet natuurbescherming geldt een verbod op het uitzetten van dieren of eieren van dieren. Aangezien in het eerste lid vrijstelling gegeven wordt om dieren te vangen zou zonder een vrijstelling om ze weer uit te mogen zetten een impasse ontstaan. In dat geval zou voor elke gevangen dier een ontheffing aangevraagd moeten worden om deze weer uit te zetten. Op grond van artikel 3.34, derde lid, van de Wet natuurbescherming mogen Provinciale Staten ontheffing geven van dit verbod. Hiervan is in lid 3 gebruik gemaakt. De vrijstelling voor het uitzetten is beperkt tot het uitzetten van soorten die gevangen zijn met gebruikmaking van het eerste lid.

Lid 4 en 5

De vrijstelling, zoals geregeld in het eerste lid, wordt in het vierde en vijfde lid enigszins ingeperkt. Deze inperking is een uitvloeisel van de algemene zorgplicht. De inperking is opgenomen om te voorkomen dat de vrijgestelde dieren worden gedood zonder dat alles in het werk is gesteld om dat te voorkomen. Feitelijk is vastgelegd dat een ieder die de vrijstelling wil gebruiken zijn gezonde verstand gebruikt en stil staat bij het voorkomen van dode dieren.

In het vierde lid wordt geregeld dat voordat tot het vangen van dieren overgegaan mag worden beoordeeld moet worden of verjaging redelijkerwijs tot de mogelijkheden behoord. Daarnaast is in het vijfde lid geregeld dat voordat tot het opzettelijk doden (door de werkzaamheden) overgegaan mag worden beoordeeld moet worden of vangen en verplaatsen dan wel verjaging redelijkerwijs tot de mogelijkheden behoord.

Daarnaast blijkt uit het feit dat in lid 2 alleen vangmiddelen (en dus geen dodingsmiddelen) zijn aangewezen al dat de vrijstelling niet zonder meer gebruikt mag worden om dieren te doden. Opzettelijk doden is met gebruikmaking van de vrijstelling wel toegestaan als het redelijkerwijs niet mogelijk is om de dieren te verjagen of weg te vangen.

[1] Besluit vrijstelling, laatstelijk gewijzigd bij 2012, Stb. 2012, 615.

Artikel 3.3 Vrijstelling veiligstelling tegen het verkeer     

Het onder de voormalige Flora- en faunawet geldende Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten bevatte een bepaling die bedoeld was om soorten veilig te stellen voor het verkeer. In het kader van de beleidsarme voortzetting van huidige regelgeving wordt deze vrijstelling ook in de verordening opgenomen. Onder de Wet natuurbescherming is het mogelijk voor het belang ‘bescherming van wilde flora en fauna’ vrijstelling te verlenen. Dit belang is nu als vrijstellingsgrond opgenomen in artikel 3.8, vijfde lid, onder b, onder 1, van de Wet natuurbescherming. Een vrijstelling kan zodoende verleend worden op grond van respectievelijk artikel 3.8, vijfde lid, en artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. Gelet op deze vrijstelling kan ook na het inwerkingtreden van de Wet natuurbescherming de vrijgestelde soorten beschermd worden tegen het verkeer zonder ontheffingenprocedures.

Artikel 3.4 Vrijstelling voor onderzoek en onderwijs     

Het onder de voormalige Flora- en faunawet geldende Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten bevatte een bepaling (artikel 16) die bedoeld was om eieren te kunnen onderzoeken in het onderwijs. In het kader van de beleidsarme voortzetting van huidige regelgeving wordt deze vrijstelling ook in de verordening opgenomen. Onder de Wet natuurbescherming is het mogelijk voor het belang ‘onderzoek en onderwijs’ vrijstelling te verlenen. Dit belang is nu als vrijstellingsgrond opgenomen in artikel 3.8, vijfde lid, onder b, onder 4, van de Wet natuurbescherming. Een vrijstelling kan zodoende verleend worden op grond van artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. Door het opnemen van dit artikel wordt bewerkstelligd dat de huidige praktijk van onderwijs en onderzoek zonder ontheffingenprocedures kan worden voortgezet.

Artikel 3.5 Vrijstelling voor bescherming weidevogels     

Het onder de voormalige Flora- en faunawet geldende Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten bevatte een bepaling (artikel 16a) die bedoeld was om activiteiten toe te staan waarmee de nesten van weidevogels konden worden beschermd tegen landbouwwerkzaamheden. Het onderliggende belang van deze bepaling was de bescherming van fauna. Dit belang is nu als vrijstellingsgrond opgenomen in artikel 3.3, vierde lid, onder b, onder 4, van de Wet natuurbescherming. Een vrijstelling kan zodoende verleend worden op grond van artikel 3.3, vierde lid van de Wet natuurbescherming. In het kader van de beleidsarme voortzetting van huidige regelgeving wordt deze vrijstelling ook in de verordening opgenomen, omdat deze nestbeschermingsactiviteiten nog steeds voor kunnen komen. De in dit verband vrijgestelde handelingen zijn het opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van beschermde vogelsoorten te vernielen, te beschadigen, of weg te nemen. Daarnaast is vrijgesteld het onder zich hebben van eieren van beschermde vogelsoorten en het opzettelijke storen van beschermde vogelsoorten.

Paragraaf 3.2.2 Vrijstelling grondgebruiker     

Artikel 3.6 Vrijstelling schadesoorten aan grondgebruiker     

Lid 1

Op basis van artikel 3.15, derde lid, van de Wet natuurbescherming kunnen Provinciale Staten soorten aanwijzen die in de provincie schade veroorzaken. Het moet dan gaan om soorten die niet al door het Rijk zijn aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of gevaar lopen en die in hun provincie schade veroorzaken.

Door het rijk zijn in artikel 3.1 van de Regeling natuurbescherming Canadese ganzen, houtduiven, kauwen, zwarte kraaien, konijnen en vossen al vrijgesteld voor de bestrijding van landbouwschade. Deze soorten zijn zodoende niet opgenomen in de vrijstellingslijst voor schadesoorten.

Gelet op de beleidsarme insteek van deze verordening is het vertrekpunt geweest om de soorten zoals die onder de voormalige Flora- en faunawet waren aangewezen in de Verordening vrijstelling grondgebruiker in deze verordening opnieuw aan te wijzen. De handeling die in de Verordening vrijstelling grondgebruiker werd vrijgesteld was het opzettelijk verontrusten ter voorkoming van schade aan onder meer gewassen. De Wet natuurbescherming kent echter in artikel 3.1, vijfde lid, Wet natuurbescherming al een uitzondering op het verbod op het opzettelijk storen van Vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1, vierde lid, Wet natuurbescherming). Voorwaarde hierbij is dat het opzettelijk storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Voor het aanwijzen van schadesoorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, Wet natuurbescherming geldt een minder zware eis. Hiervoor geldt immers dat de dieren niet in hun voortbestaan worden bedreigd. Om een discussie over de mate van de verstoring (is deze van wezenlijke invloed of niet?) in de praktijk te voorkomen, zijn de vogelrichtlijnsoorten uit de Verordening vrijstelling grondgebruiker (te weten: kolgans, grauwe gans, smient, brandgans, rietgans, knobbelzwaan, roek en spreeuw) aangewezen in bijlage VI. In alle gevallen gaat het om soorten die niet in hun voortbestaan worden bedreigd en dat gevaar ook niet lopen.

De vrijstelling zoals geregeld in artikel 3.6, tweede lid, Omgevingsverordening geldt dus alleen in het geval dat het verbod van artikel 3.1, vierde lid, Wet natuurbescherming van toepassing is. De provinciale vrijstelling geldt dus niet als de verstoring al is vrijgesteld op grond van de 3.1, vijfde lid, Wet natuurbescherming.

Gelet op de eis dat alleen soorten mogen worden aangewezen die in de provincie Drenthe schade veroorzaken zijn alleen de bekende schadeveroorzakende soorten aangewezen. Er is voor gekozen om soorten aan te wijzen welke in de afgelopen 6 jaar aantoonbaar belangrijke schade hebben veroorzaakt in Drenthe. Dit is gebaseerd op de evaluatie FBP Drenthe. Om deze reden zijn ten opzichte van de Verordening vrijstelling grondgebruiker de volgende vogelrichtlijnsoorten niet meer op de lijst opgenomen: Ekster, Holenduif, Meerkoet, Ringmus, Wilde eend. Zoals eerder al aangegeven mogen deze vogelsoorten, en ook de niet aangewezen ganzen, wel verstoord worden indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. De doelstelling uit het Flora- en faunabeleidsplan om alle soorten ganzen te mogen verjagen ten behoeve van het voorkomen van landbouwschade (m.u.v. de rustgebieden) wordt hierdoor gehaald.

De haas is niet meer opgenomen omdat dit een nationaal beschermde soort is geworden. De nationale beschermde soorten kennen minder bescherming op grond van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Voor 3.10 soorten (zoals de haas) is het niet langer verboden om deze te verstoren. Een ontheffing hiervoor is zodoende niet meer noodzakelijk. Daarnaast is de Spreeuw opgenomen omdat hiervoor de laatste jaren ontheffingen zijn verleend om belangrijke schade te voorkomen.

Lid 2

Op grond van artikel 3.1, vierde lid, Wet natuurbescherming is het verboden om opzettelijk vogels als bedoeld in het eerste lid te verstoren. In juridisch zin wordt gesproken over ‘opzettelijk verstoren’ terwijl in het normale taalgebruik het woord ‘verjagen’ hiervoor gebruikt wordt. In het normale taalgebruik wordt daaronder verstaan verstoren met het doel om de vogels naar een andere plek te laten vliegen. Dit verjagen wordt door deze vrijstelling vrijgesteld als het al niet op grond van artikel 3.1, vijfde lid, Wet natuurbescherming is vrijgesteld. Zie voor meer hierover de toelichting bij eerste lid van dit artikel.

De wettelijke grondslag voor deze vrijstelling is gegeven in artikel 3.15, vierde lid, van de Wet natuurbescherming. Hierin is bepaald dat Provinciale Staten vrijstelling kunnen geven voor de bestrijding van schadeveroorzakende vogels en dieren (zoals opgenomen in bijlage VI bij de Omgevingsverordening) uitsluitend aan de grondgebruiker. Hiermee is ook duidelijk dat van de vrijstelling alleen gebruik mag worden gemaakt om een reële (dreigende) landbouwschade te voorkomen. De vrijstelling mag niet gebruikt worden om zonder doel ganzen te verstoren.

Voor de vrijstelling geldt daarnaast op grond van artikel 3.3, vierde lid, sub a, Wet natuurbescherming het criterium dat geen andere bevredigende oplossing beschikbaar mag zijn in de vorm van effectieve middelen of methoden om de betrokken schade te voorkomen zonder overtreding van de verbodsbepalingen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan effectieve middelen voor het weghouden of verjagen van de betrokken vogels en andere dieren. Aangezien de provinciale vrijstelling voor grondgebruikers alleen het opzettelijk verstoren van de aangewezen schadesoorten vrijstelt (en dus niet vangen of doden) kan gebruikmaking van deze vrijstelling als andere bevredigende oplossing worden beschouwd.

Lid 3

In artikel 3.25, derde lid, van de Wet natuurbescherming is geregeld dat het verplicht is om bij verordening middelen aan te wijzen die mogen worden gebruikt ter uitvoering van het de vrijstelling voor de grondgebruiker. In dat artikel is daarnaast verplicht gesteld dat voor het bestrijden van vogels slechts middelen mogen worden aangewezen die nadelige gevolgen voor het welzijn van vogels voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken. Hiermee is rekening gehouden bij het vaststellen van de middelenlijst. Voor zover het gaat om preventieve middelen zal hier overigens snel aan zijn voldaan.

Lid 4

De vrijstelling zoals geregeld in tweede lid is, volgens het vierde lid, niet van toepassing in de aangewezen rustgebieden. Deze uitzondering is opgenomen als gevolg van hetgeen hierover in het Flora- en faunabeleidsplan 2014 is geregeld. In dat beleidsplan is het rustgebied Leekstermeer al aangewezen. De opname van het rustgebied Leekstermeer in bijlage VIII betreft zodoende een formalisatie van bestaand beleid

Ter compensatie van de landbouwschade in het rustgebied is in het Flora- en faunabeleidsplan bepaald dat de grondgebruiker in geval van schade 100% van zijn getaxeerde schade vergoedt krijgt en geen taxatiekosten hoeft te betalen.

Lid 5

De verplichting voor een zogenoemde grondgebruikersverklaring is opgenomen voor de handhaafbaarheid van de bepaling. Een toezichthouder kan bij een vermeende overtreding vragen om een dergelijke verklaring waarmee direct duidelijk kan worden of wel of geen overtreding plaatsvindt.

Lid 6

In dit lid wordt uitgelegd voor welke soort schade de in het tweede lid bedoelde vrijstelling geldt. Kortheidshalve is verwezen naar de wettelijke bepaling waarin de keuzemogelijkheden voor schade staan. Dit betreft feitelijk belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren.

Titel 3 3. Faunabeheer     

Paragraaf 3 3.1 Faunabeheereenheid Drenthe     

Artikel 3.7 Aanvullende eisen     

In Drenthe is op dit moment één faunabeheereenheid actief. Dit artikel voorziet erin dat de huidige situatie zich kan voortzetten.

In artikel 3.7, sub a Omgevingsverordening, is bepaald dat de rechten en plichten, die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben ten aanzien van de faunabeheereenheid met betrekking tot de uitoefening van de op grond van de Wet natuurbescherming verleende bevoegdheden, bij of krachtens de statuten van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of stichting dienen te worden opgenomen. Verwezen zij naar boek 3, artikel 27, vierde lid, onderdeel c en boek 3, artikel 286, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Immers het zijn de bij de faunabeheereenheid Drenthe aangesloten jachthouders die feitelijk de verleende bevoegdheden uitoefenen. Gedacht kan onder meer worden aan de wijze van uitoefenen van de bevoegdheden en rapportage. Artikel 3.7 sub a Omgevingsverordening, beoogt een voldoende mate van toezicht op de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders te bewerkstelligen bij de feitelijke uitoefening van de aan de faunabeheereenheid Drenthe verleende bevoegdheden. Dit bevordert de jaarlijkse rapportage van de faunabeheereenheid Drenthe aan gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de Wet natuurbescherming.

Artikel 3.8 Bestuurssamenstelling     

Een evenwichtige verdeling van bestuurszetels tussen natuurbeherende en beschermende organisaties enerzijds en organisaties vanuit de jacht, landbouw en grondbezit biedt de meeste kans op een maatschappelijk breed gedragen faunabeheer.

Lid 1 sub b doet recht aan de verplichting genoemd in artikel 3.12 lid 2 juncto lid 9 sub d wet natuurbescherming.

Wegens de wettelijke taken en uitvoerende rol van de WBE’s bij het faunabeheer is het wenselijk dat een vertegenwoordiger van deze organisaties in het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe zitting heeft.

De zetels van de organisaties kunnen enkel worden toebedeeld aan organisaties welke actief betrokken zijn bij het faunabeheer in Drenthe.

Artikel 3.9 Voorzitter     

Het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter. De bestuursleden bepalen in gezamenlijkheid of sprake is van een onafhankelijk voorzitter.

Artikel 3.10 Informatieverstrekking     

In het FBE bestuur kunnen bestuursleden zitten welke meerdere partijen vertegenwoordigen. Hiermee kan een brede achterban ontstaan. Deze achterban zal geïnformeerd moeten worden door de FBE om het draagvlak van de door de FBE uitgevoerde werkzaamheden te behouden.

Artikel 3.11 Jaarlijks verslag     

Om zorg te dragen voor de maatschappelijk gewenste openbaarheid van het faunabeheer zullen de jaarlijkse verslagen van de FBE voor een ieder toegankelijk moeten zijn.

Paragraaf 3.3.2 Faunabeheerplan     

Algemene toelichting

Eisen aan het faunabeheerplan waren voorheen opgenomen in de Flora- en faunawet en het Besluit faunabeheer. Deze eisen hadden uitsluitend betrekking op populatiebeheer. In de Wet natuurbescherming is de reikwijdte van het faunabeheerplan uitgebreid met schadebestrijding en jacht. De bevoegdheid eisen te stellen aan Faunabeheerplannen is op grond van de Wet natuurbescherming gedecentraliseerd aan provincies.

Het faunabeheerplan voorziet in een samenhangende aanpak van populatiebeheer door faunabeheereenheden, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht op de door de minister aangewezen wildsoorten. Het door het bestuur van de faunabeheereenheid vast te stellen faunabeheerplan vervult hiermee een centrale rol in de Wet natuurbescherming. Provinciale Staten stellen vast aan welke eisen het faunabeheerplan moet voldoen. Het faunabeheerplan behoeft vervolgens nog de goedkeuring van gedeputeerde staten.

Artikel 3.12 Eisen en 3.13 Werkgebied     

Uitgangspunt van het systeem van faunabeheer is dat in een bepaald gebied gedurende een langere periode integraal beheer wordt gevoerd. Om dat te bereiken moet het faunabeheerplan gelden voor een deel van het werkgebied van de faunabeheereenheid dat groot genoeg is om een verantwoord en duurzaam faunabeheer te kunnen voeren in samenhang met schadebestrijding en de uitoefening van de jacht. In artikel 3.13, lid 3 is de bevoegdheid om nadere regels te stellen aan een faunabeheerplan overgedragen aan gedeputeerde staten. Op deze wijze is geborgd dat gedeputeerde staten de in het Flora- en faunabeleidsplan opgenomen aanvullende eisen voor het ree vast kan leggen. Er zijn echter situaties waarbij het wenselijk is om hiervan af te wijken. Dit is in lid 3 van artikel 3.13 Omgevingsverordening geregeld. Om de bestaande situatie met betrekking tot de provinciale luchthavens vast te leggen is daarnaast een uitzondering gemaakt in lid 2 Omgevingsverordening.

Artikel 3.14 Geldigheidsduur     

Ingevolge het voorheen geldende Besluit faunabeheer gold dat het faunabeheerplan een geldigheidsduur heeft van ten hoogste 5 jaar (artikel 11 Besluit faunabeheer). Deze eis is met de intrekking van het Besluit faunabeheer komen te vervallen. Gelet op de samenhangende aanpak van populatiebeheer, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht waarin het faunabeheerplan voorziet, is het van belang dat het faunabeheerplan voor verschillende jaren geldig is. Artikel 3.14 van de Omgevingsverordening bepaalt daarom dat in het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het een maximale geldigheidsduur heeft van maximaal 6 jaar. Hiermee wordt aangesloten op de looptijd van andere planperioden, zoals Natura 2000-beheerplannen, zodat het faunabeheerplan hierop afgestemd kan worden.

De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan ook tussentijds wijzigen, bijvoorbeeld als ontwikkelingen in dierenpopulaties of ontwikkelingen in schade daartoe aanleiding geven. Om te komen tot een besluit het faunabeheerplan aan te passen zal een evaluatie van de verstreken jaren plaats moeten vinden.

In uitzonderlijke gevallen kunnen gedeputeerde staten de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met 12 maanden verlengen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het ontbreken van tel- en afschot gegevens welke noodzakelijk zijn voor het opstellen van een nieuw faunabeheerplan.

Artikel 3.15 Gegevens, 3.16 Aanvullende gegevens, 3.17 Eisen bij schadebestrijding en 3.18 Eisen bij jacht     

De eisen zijn grotendeels dezelfde eisen die voorheen golden op grond van artikel 10 van het Besluit faunabeheer. Als extra eis is opgenomen dat in het faunabeheerplan moet worden ingegaan op preventieve middelen welke de schade kunnen voorkomen en zal de gunstige staat van instandhouding omschreven moeten worden. Deze punten werden onder de Flora- en faunawet pas omschreven in de ontheffing welke op basis van een faunabeheerplan werd verleend. Het betreft derhalve geen extra eis maar een verschuiving van verantwoordelijkheden. Zoals in het algemeen deel toegelicht, heeft het faunabeheerplan, naast populatiebeheer, ingevolge de Wet natuurbescherming een bredere functie en tevens betrekking op schadebestrijding en de uitoefening van de jacht. Voor schadebestrijding en jacht voorziet het faunabeheerplan in een samenhangende aanpak van populatiebeheer door de faunabeheereenheid, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht. Onder regie van de faunabeheereenheid worden deze inspanningen bij het opstellen van het faunabeheerplan op elkaar afgestemd.

Voor populatiebeheer fungeert het faunabeheerplan als basis voor ontheffingverlening. Dit onderdeel van het faunabeheerplan bevat daarom een exacte uitwerking van de eisen in artikel 3.16, eerste lid, van deze Omgevingsverordening. Voor schadebestrijding en jacht zijn deze zelfde eisen van toepassing, maar fungeert het faunabeheerplan als koepel. Het is aan de grondgebruikers om binnen het kader van het faunabeheerplan te bepalen wat aan schadebestrijding nodig is.

De jachthouder moet, met inachtneming van het faunabeheerplan, bepalen wat in zijn jachtveld nodig is om een redelijke wildstand te handhaven.

Artikel 3.19 Goedkeuring gedeputeerde staten     

Faunabeheerplannen moeten om voor goedkeuring door gedeputeerde staten in aanmerking te komen, voldoen aan de voorschriften van artikelen 3.14 t/m tot en met 3.18 van de Omgevingsverordening.

Paragraaf 3.3.3 Wildbeheereenheden     

Algemene toelichting

Op grond van de Wet natuurbescherming geldt dat jachthouders met een jachtakte zich met anderen verplicht organiseren in een wildbeheereenheid, ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en om te bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders. In de Wet natuurbescherming hebben de wildbeheereenheden een meer prominente rol gekregen dan in de Flora- en faunawet. Het zijn over het algemeen de wildbeheereenheden die uitvoering zullen geven aan het faunabeheerplan. Zij zullen in de praktijk de beheerdaden verrichten op grond van de provinciale ontheffing voor beheer en zij bevorderen dat de aangesloten jachthouders de jacht en de schadebestrijding uitvoeren overeenkomstig het faunabeheerplan en ten dienste van de grondgebruikers.

Daarnaast adviseren de wildbeheereenheden de faunabeheereenheid over de inhoud van de faunabeheerplannen en leveren zij – op basis van tellingen en een afschotregistratie – de gegevens aan ten behoeve van het faunabeheerplan.

De toekenning van deze taken en verantwoordelijkheden aan de wildbeheereenheden vindt haar rechtvaardiging in het feit dat deze samenwerkingsverbanden bij uitstek streekgebonden zijn. Om de wildbeheereenheden deze taken effectief te kunnen laten uitvoeren, is in de Wet natuurbescherming voorzien dat alle van het geweer gebruikmakende jachthouders – jachthouders met een jachtakte – binnen het werkgebied van een wildbeheereenheid zich bij deze eenheid moeten aansluiten. Dit versterkt het streekgebonden karakter van schadebestrijding, beheer en jacht met het geweer nog verder. De wildbeheereenheden zijn gehouden uitvoering te geven aan het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 3.20 Werkgebied     

De werkgebieden van de wildbeheereenheden dienen van voldoende omvang te zijn voor een effectieve invulling van de werkzaamheden. De provincies stellen bij verordening regels aan de omvang van de werkgebieden. Van belang is daarbij de grootte van de leefgebieden van de diersoorten die worden beheerd op grond van het faunabeheerplan. Wanneer de werkgebieden van de wildbeheereenheden te klein zijn, dan zal de uitvoering van het beheer onvoldoende samenhangend zijn en onvoldoende kunnen worden gecoördineerd. Er zijn wildbeheereenheden met een werkgebied dat provinciegrensoverschrijdend is. Dit is mogelijk wanneer ze voor het deel van het werkgebied dat is gelegen in de provincie Drenthe aan de bij deze verordening gestelde eisen voldoen. De wildbeheereenheden hebben een aaneengesloten werkgebied; dat wil zeggen dat er geen delen van het werkgebied zijn die niet zijn verbonden met de rest van het werkgebied.

Artikel 3.21 Begrenzing werkgebied     

De werkgebieden van de wildbeheereenheden dienen van voldoende omvang te zijn voor een effectieve invulling van de werkzaamheden. De provincies stellen bij verordening regels aan de omvang van de werkgebieden. Van belang is daarbij de grootte van de leefgebieden van de diersoorten die worden beheerd op grond van het faunabeheerplan. Wanneer de werkgebieden van de wildbeheereenheden te klein zijn, dan zal de uitvoering van het beheer onvoldoende samenhangend zijn en onvoldoende kunnen worden gecoördineerd. Er zijn wildbeheereenheden met een werkgebied dat provinciegrensoverschrijdend is. Dit is mogelijk wanneer ze voor het deel van het werkgebied dat is gelegen in de provincie Drenthe aan de bij deze verordening gestelde eisen voldoen. De wildbeheereenheden hebben een aaneengesloten werkgebied; dat wil zeggen dat er geen delen van het werkgebied zijn die niet zijn verbonden met de rest van het werkgebied.

Artikel 3.22 Verplicht lidmaatschap wildbeheereenheid     

Er worden geen uitzonderingen gemaakt op het verplichte lidmaatschap van een jachthouder met een jachtakte op het lidmaatschap van een wildbeheereenheid.

Artikel 3.23 Jaarlijkse activiteiten     

In het faunabeheerplan is geregeld welke gegevens verzameld dienen te worden ter onderbouwing van ontheffingen voor faunabeheer. Deze gegevens worden voor een belangrijk deel verzameld door de wildbeheereenheden en hun leden.

De verzamelde gegevens dienen door de WBE’s aangeleverd te worden aan het Servicepunt Faunabeheer Drenthe. Dit gebeurt door de gegevens in te voeren in een faunaregistratiesysteem. Op dit moment is dit het NDFF voor ree en FRS voor alle andere diersoorten. Voor de trendtellingen voor ree wordt verwezen naar de regel Beheer van reeën in Drenthe.

Paragraaf 3.3.4 Tegemoetkoming faunaschade     

Algemene toelichting

Artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming bepaalt dat gedeputeerde staten in voorkomende gevallen tegemoetkomingen verlenen in geleden schade door natuurlijk in het wild levende:

  1. vogels van vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of

  2. dieren die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of de bijlage, onderdeel a, bij deze wet.

Ter invulling van deze bevoegdheid stellen gedeputeerde staten beleidsregels vast.

In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Uit oogpunt van efficiëntie is een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. In een afzonderlijk besluit worden de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen gemandateerd aan BIJ12.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 3.24 Aanvraag om tegemoetkoming     

In dit artikel wordt de elektronische wijze van indiening van een aanvraag om tegemoetkoming in schade veroorzaakt door natuurlijk in het wilde levende beschermde diersoorten geregeld. Op grond van artikel 4:1 Algemene wet bestuursrecht moet de voorwaarde van elektronische indiening van een aanvraag bij wettelijk voorschrift worden geregeld.

Vereist is dat de schade zo spoedig mogelijk (binnen 7 werkdagen) bij BIJ12 wordt gemeld. BIJ12 is dan in de gelegenheid een taxateur ter plaatse een onderzoek naar de schadeveroorzakende diersoorten en de omvang van de schade te laten instellen. Een consulent faunazaken van BIJ12 kan dan ook adviseren hoe verdergaande schade kan worden voorkomen of beperkt. Aanvragen die later dan 7 werkdagen na constatering van de schade zijn ingediend worden afgewezen. Onder werkdagen worden verstaan: maandag tot en met vrijdag met uitzondering van algemeen erkende feestdagen als bedoeld in de Algemene termijnenwet.

Artikel 3.25 Taxatie van de schade     

Dit artikel regelt in samenhang met de beleidsregels de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde dieren taxeren.

De taxateur zal zijn bevindingen direct na de eindtaxatie bij de grondgebruiker achterlaten of deze zo spoedig mogelijk toesturen. Voorzien is in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn opmerkingen over de taxatie kan vermelden, dat de taxateur die opmerkingen van commentaar voorziet en dat de aanvrager kennis kan nemen van het commentaar van de taxateur.

Titel 3.4 Houtopstanden     

Algemene toelichting

In het hoofdstuk houtopstanden van de Wet natuurbescherming zijn meerdere zaken waarvoor een verordening door Provinciale Staten kan worden vastgesteld. Een afweging is gemaakt tussen de wens om beleidsarm de Wet natuurbescherming te implementeren en het efficiency voordeel van het vaststellen van een verordening. Daarnaast is rekening gehouden met de wensen van diverse stakeholders. Met het nu vastleggen van regels in een verordening kan voorkomen worden dat straks onduidelijkheden ontstaan bij de uitvoering welke weer extra werk opleveren.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 3.26 Vereisten melding van voorgenomen veiling houtopstand     

In artikel 4.2, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat Provinciale Staten in een verordening kan vastleggen op welke wijze een kapmelding gedaan moet worden en welke gegevens verstrekt moeten worden. Hoewel niet verplicht, vergemakkelijkt het vastleggen van deze vereisten in artikel 3.26 zowel het melden van voorgenomen kap als het beoordelen hiervan.

Artikel 3.27 Bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten     

In artikel 4.3, derde lid, van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat Provinciale Staten in een verordening regels kunnen stellen over een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting. Met de term bosbouwkundig wordt ervan uitgegaan dat houtproductie nog steeds het belangrijkste doel is van het bos. Veel Drentse bossen en beplantingen zijn belangrijk ook vanwege de waarden van natuur, cultuurhistorie en landschap. Om de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie onder bosbouwkundig verantwoord te laten vallen is het noodzakelijk om de term bosbouwkundig verantwoord verder uit te werken en vast te leggen in een verordening.

Op oude landgoederen en landschappen zijn beplantingen de dragers van de ruimtelijke structuren. Gezien het grote maatschappelijke belang van de herkenbaarheid van deze structuren is het belangrijk dat bij de herbebossing hiermee rekening gehouden wordt. Bij landschappelijke en cultuurhistorische waarden van bossen en beplantingen valt de denken aan beeldbepalende laanbeplantingen in bossen, wegbeplantingen, houtwallen en groepen met oude bomen. Het kan noodzakelijk en gewenst zijn deze beplantingen te vellen vanwege ouderdom, sterfte of dat de beplanting gevaar oplevert in verband met windworp of doodhout. Wanneer deze beplantingen hoge landschappelijke waarden hebben, dan is het gewenst dat een herbebossing ook deze waarden weer voort kan brengen.

Opgenomen is dat de herbebossing binnen een termijn van 3 jaar 80% dient te zijn. Om dit te bereiken is het noodzakelijk dat voldoende plantmateriaal gebruikt wordt. Bij naaldhout zal dit in het algemeen minimaal 3500 st/ha zijn, bij loofhout 5000 st/ha en bij laanbeplantingen zal de plantafstand maximaal 4 meter zijn. Met natuurlijke verjonging zal het in het algemeen niet lukken op in de genoemde korte periode een hoge bedekkingsgraad te realiseren. Daarom is het mogelijk, wanneer het voldoende aannemelijk is dat de herbebossing voldaan kan worden, uitstel te krijgen voor de boven genoemde termijn.

Artikel 3.28 Voorwaarden aanvraag ontheffing herbeplanting op andere grond     

Het is op grond van 3.29 Omgevingsverordening mogelijk om een ontheffing aan te vragen voor herbeplanting op andere gronden. De voorwaarden zijn in dat artikel opgenomen. In dit artikel zijn de vereisten voor een aanvraag opgenomen. Hoewel het niet verplicht is om dit te regelen, vergemakkelijkt het vastleggen van deze vereisten zowel aanvragen als het beoordelen hiervan.

Artikel 3.29 Voorwaarden ontheffing herbeplanting op andere grond     

In artikel 4.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat boscompensatie op andere grond alleen kan als Provinciale Staten de regels hiervoor vastlegt in een verordening. Aangezien het gewenst is dat boscompensatie mogelijk blijft zullen de regels hiervoor vastgelegd moeten worden in de Omgevingsverordening. Onder de voormalige Boswet zijn de regels voor compensatie vastgelegd in het Besluit herbeplanting artikel 3 Boswet. Deze regels zijn grotendeels overgenomen waarbij de volgende aanvulling is opgenomen:

Uitgangspunt voor de provincie is dat het natuur- en bosareaal beschermd zijn. Daarom wil de provincie bij een omvorming van bos naar landbouwgrond alleen meewerken aan een ontheffing herplantplicht op andere gronden indien de compensatie op landbouwgrond wordt gerealiseerd (dit is vastgelegd in sub a, onder 5°).

Daar waar reeds een verplichting tot aanplant geldt mag niet nogmaals gecompenseerd worden. Dit wordt aangemerkt als stapeling en is onwenselijk omdat daardoor minder natuur zou worden gecompenseerd (dit is vastgelegd in sub a, onder 6°).

In bepaalde gevallen is het wenselijk om bos op de betreffende locatie te behouden. Om in een dergelijk geval het verzoek om verplaatsing te kunnen weigeren is sub c opgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan voor vleermuizen belangrijke lijnbeplanting, bossen op oude groeiplaatsen of cultuurhistorische beplantingen, zoals lanen, esrandbeplantingen, beekdalbeplantingen, houtwallen, karakteristieke wegbeplantingen.

Artikel 3.30 Vrijstelling herplantplicht productiebos     

In artikel 4.2, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat Provinciale Staten in een verordening een vrijstelling mogen geven van de meld- en herplantplicht. Deze vrijstelling maakt het mogelijk om op landbouwgronden waar geen verplichting tot herbebossing ligt tijdelijk bos aan te leggen. Tijdelijk bos kan aangelegd worden en dient binnen 40 jaar gekapt te worden. Na 40 jaar vervalt de vrijstelling. De grondeigenaar dient de afgegeven mededeling zorgvuldig te bewaren, zodat hij bij velling kan bewijzen te beschikken over de vrijstelling. Onder de voormalige Boswet had ook de minister in de Regeling meldings- en herplantplicht vrijstelling verleend voor de aanplant van tijdelijk bos. Tijdens het overleg met stakeholders is aangegeven dat de wens bestaat om deze vrijstelling door te laten gaan. Om deze reden is de regeling op vergelijkbare wijze opgenomen.

Het artikel regelt alleen de vrijstelling van de herplantplicht. Voor de aanplant van het bos zal de initiatiefnemer, naast een melding bij de provincie, bij de gemeente moeten nagaan of een aanlegvergunning en/of een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is. Alleen een melding bij de provincie volstaat dus niet. Alleen een mededeling van gedeputeerde staten, zoals bedoeld in het derde lid, is dus niet voldoende om over te gaan tot aanplant.

Voor de aanleg en instandhouding van tijdelijk productiebos bestaan geen provinciale subsidies. Het opnemen van dit artikel brengt hierin geen verandering.

Titel 3.5 Slotbepaling     

Artikel 3.31 Discretionaire bevoegdheid     

In zeer bijzondere omstandigheden kan afgeweken worden van hetgeen geregeld is in hoofdstuk 3 van de Omgevingsverordening.

Artikel 3.32 Wijziging bijlagen     

In artikel 3.32 wordt de bevoegdheid om de bijlagen IV tot en met VIII te wijzigen gedelegeerd aan gedeputeerde staten. De bevoegdheid om te delegeren bestaat op grond van artikel 1.3, zevende lid, van de Wet natuurbescherming. Er is gekozen voor het delegeren van de bevoegdheid omwille van de flexibiliteit van de bijlagen. Op deze manier kan sneller worden ingesprongen op de ontwikkelingen in de natuur welke weer gevolgen kunnen hebben voor het ondernemerschap.

Op de ‘provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer’ (bijlage IV) staan op dit moment de egel en de ‘kleine marters’, zoals wezel, hermelijn en bunzing. Deze soorten kennen een verborgen levensstijl en het is onvoldoende duidelijk hoe de populatieontwikkeling van deze soorten is. Ambtelijk is geadviseerd nader onderzoek te verrichten naar het voorkomen van deze soorten zodat een beter gefundeerd oordeel geveld kan worden over de wenselijkheid van een beschermde status. Wanneer deze gegevens voorhanden zijn dan kan dit aanleiding zijn om de ‘provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer’ aan te passen. De lijst moet immers voldoen aan de criteria genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, sub c, van de Wet natuurbescherming. Hierin is de eis geformuleerd dat het alleen soorten mag betreffen waarbij een vrijstelling geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Als blijkt dat de staat van instandhouding van een soort aannemelijk verslechtert, kan de lijst worden aangepast. Ook in het geval dringend behoefte is aan een nieuw vrijgestelde soort (omdat in de praktijk deze soort zorgt voor veel overbodige ontheffingsaanvragen) kan de lijst worden aangepast.

In het Flora- en faunabeleidsplan (vastgesteld door Provinciale Staten in 2014) is vastgelegd dat de bevoegdheid voor het wijzigen van de schadesoortenlijst (bijlage VI) gedelegeerd zal worden aan gedeputeerde staten. Op deze wijze kan flexibeler ingesprongen worden op wijzigingen van landelijke vrijstellingen. Ook kan sneller ingesprongen worden op ontwikkelingen, bijvoorbeeld als andere soorten aantoonbaar schade veroorzaken. Door het opnemen van deze bepaling wordt uitvoering gegeven aan deze visie uit het Flora- en faunabeleidsplan.

Ook de middelenlijst voor het verstoren van aangewezen schadesoorten (bijlage VII) kan door gedeputeerde staten gewijzigd worden. Door verloop van tijd kan anders gedacht worden over wat voor soort middelen effectief en nodig zijn. Op dit moment is bijvoorbeeld nog niet duidelijk of het gebruik van drones een effectief middel is. Wellicht worden in de toekomst wel drones ontwikkeld die effectief kunnen worden ingezet om schade te voorkomen door middel van verstoren. Op dat moment kan de middelenlijst snel worden aangepast. Bovendien wordt door deze delegatiebepaling, net als de delegatiebepaling voor ruimtelijke ingrepen eenduidigheid in regelgeving gecreëerd.

Daarnaast is de bevoegdheid om nieuwe rustgebieden toe te voegen gedelegeerd aan gedeputeerde staten (bijlage VIII). Dit is gedaan omdat in het provinciaal Flora- en faunabeleidsplan 2014 de ambitie is opgenomen om een of twee nieuwe rustgebieden te realiseren voor de Kolgans en de Grauwe gans met maximaal 500 hectare (overwegend) grasland per gebied. Om dit juridisch goed en snel te kunnen vertalen is gekozen voor delegatie.

Hoofdstuk 4 Bodemenergie     

Algemeen     

Op 1 juli 2013 is het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen in werking getreden. Met dit besluit wordt beoogd de toepassing van bodemenergiesystemen te stimuleren omdat bodemenergiesystemen een bijdrage kunnen leveren aan de transitie naar een duurzame energiehuishouding. Het besluit is tot stand gekomen in nauw overleg met overheden en het bedrijfsleven.

Naast de bevordering van de toepassing van bodemenergie stelt het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen ook de randvoorwaarde voor toepassing van bodemenergiesystemen. Er moet namelijk sprake zijn van een duurzaam gebruik van grond en grondwater. Dit betekent dat de toepassing niet ten koste mag gaan van het belang van de bescherming van bodem en (grond)water en dat andere belangrijke functies die de bodem kunnen vervullen niet in het geding mogen komen.

Met het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen is op nationaal niveau uniformiteit gec