Verordening Romte Fryslân 2014    

Algemene toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro), in werking getreden op 1 juli 2008, zijn instrumenten opgenomen passend bij het stelsel van verantwoordelijkheden voor de drie bestuurslagen rijk, provincies en gemeenten. Doel van de wet is een slagvaardiger doorwerking en uitvoering van het ruimtelijke beleid. De Wro maakt een onderscheid tussen strategische visie en juridisch bindend beleid. De strategische visie staat in de structuurvisies van de verschillende overheidslagen. Voor de formulering van het provinciale ruimtelijke beleid is de provinciale structuurvisie in de plaats gekomen van het streekplan. Op basis van het overgangsrecht van de Wro, heeft het geldende Streekplan Fryslân 2007 (hierna: Streekplan) de status van provinciale structuurvisie. Bij de totstandkoming van het Streekplan is hiermee rekening gehouden. De juridisch bindende elementen ter uitvoering van beleid staan voor wat betreft de gemeenten in bestemmingsplannen en voor wat betreft rijk en provincies in algemene regels in AMvB's en verordeningen.



Binnen dat wettelijke kader hebben Provinciale Staten op 15 juni 2011 de Verordening Romte Fryslân vastgesteld. Deze is per 1 augustus 2011 in werking getreden. Op grond van een aantal ontwikkelingen is aanpassing van die verordening noodzakelijk.

Zo is sinds medio 2011 door Provinciale Staten nieuw beleid geformuleerd inzake de veehouderij, intensieve veehouderij, landschap en cultuurhistorie (Grutsk op `e Romte) en weidevogels. In de 'Tuskentiidske evaluaasje Streekplan Fryslân', van 23 januari 2013, heeft ook een eerste evaluatie van de toepassing van de verordening plaatsgevonden. Daarin is een aantal onderwerpen benoemd waarvan aanpassing in de verordening gewenst werd geacht. Ook op grond van de inwerkingtreding van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is aanpassing van de verordening vereist.

Omdat al met al veel hoofdstukken zijn aangepast is deze aanpassing gegoten in de vorm van een integrale herziening van de verordening.

Decentraal wat kan, centraal wat moet

Uitgangspunt in de Wro is dat ruimtelijke normstelling geschiedt door het meest geschikte overheidsorgaan. Dat is in beginsel het gemeentelijke niveau omdat op dit niveau het beste rekening kan worden gehouden met de lokale omstandigheden. De aard van de ruimtelijke problematiek of het schaalniveau waarop een aangelegenheid moet worden geregeld, kan echter met zich meebrengen dat provincie of rijk tot normstelling overgaan. In het Streekplan is als provinciale variant het principe gehanteerd: 'lokaal wat kan, provinciaal wat moet'.

Politieke, sociaaleconomische of maatschappelijke opvattingen bepalen of de behartiging van een bepaald belang op het gemeentelijke, provinciale of rijksniveau dient te geschieden. Deze opvattingen kunnen in de loop van de tijd wijzigen op basis van nieuwe inzichten en ontwikkelingen.

Vervallen goedkeuringsvereiste bestemmingsplannen

Onder de Wro is voor vastgestelde bestemmingsplannen geen provinciale goedkeuring meer vereist.

Voor de doorwerking van provinciale (en nationale) belangen in gemeentelijke ruimtelijke plannen zijn andere instrumenten beschikbaar. Zo kunnen een provinciale verordening en een algemene maatregel van bestuur (AMvB), algemene regels stellen over de inhoud en plantoelichting van bestemmingsplannen. Daarnaast kunnen Gedeputeerde Staten een zienswijze indienen met betrekking tot een ontwerpbestemmingsplan. Zo nodig kunnen Gedeputeerde Staten een reactieve aanwijzing geven met betrekking tot een vastgesteld bestemmingsplan indien onvoldoende aan de zienswijze is tegemoetgekomen.

Provinciale Staten van Fryslân hebben in 2008 besloten een provinciale verordening ruimte op te stellen. Enerzijds om de provinciale belangen te borgen. Anderzijds om vooraf duidelijkheid richting gemeenten te geven over de provinciale belangen en de wijze waarop deze doorwerken naar gemeentelijke ruimtelijke plannen.

Inwerkingtreding Barro

Ten behoeve van de doorwerking van het rijksbeleid is in twee tranches het Barro in werking getreden, waarvan de 2e tranche op 1 oktober 2012. In het Barro worden de nationale belangen op twee verschillende manieren geborgd: allereerst werken normen t.a.v. de nationale belangen direct door. Gemeenten dienen bij het vaststellen van de bestemmingsplannen rekening te houden met deze belangen. Waar directe doorwerking niet mogelijk is, is gekozen voor indirecte, 'getrapte' doorwerking: ten aanzien van die belangen wordt provinciaal medebewind gevorderd. Voor Fryslân is daarvan de EHS relevant.

Provinciaal belang

In artikel 4, eerste lid van de Wro staat het aldus: 'indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld…'.

Provinciale Staten hebben in juni 2008 ingestemd met de door Gedeputeerde Staten vastgestelde notitie 'Gedragslijn invoering nieuwe Wro provincie Fryslân' en tevens besloten:

  • om ten behoeve van de doorwerking van de provinciale belangen en doelen in het gemeentelijk ruimtelijk beleid, de transparantie en de rechtsgelijkheid, zo spoedig mogelijk een provinciale verordening vast te stellen;
  • dat bestuurlijk overleg het hart vormt van de Friese bestuurscultuur, uitgaande van heldere provinciale kaders uit het Streekplan vooraf en goede juridische bescherming van bovenlokale provinciale belangen.

De provinciale ruimtelijke belangen zijn na een uitgebreid interactief proces met de Friese samenleving vastgelegd in het Streekplan. Daarnaast staan provinciale ruimtelijke belangen in andere documenten die door Provinciale Staten zijn vastgesteld, zowel in het spoor van de ruimtelijke ordening, als in de andere provinciale omgevingsplannen zoals het provinciaal waterhuishoudingsplan, het provinciaal milieubeleidsplan en het provinciaal verkeers- en vervoersplan. Zoals gezegd is na medio 2011 aanvullend provinciaal beleid geformuleerd inzake de veehouderij, intensieve veehouderij, landschap en cultuurhistorie (Grutsk op `e Romte) en weidevogels.

De verordening regelt slechts die zaken die expliciet als provinciaal belang zijn te duiden.

Hoofdstuk 2 Provinciale sturingsfilosofie     

De sturingsfilosofie van het Streekplan is gebaseerd op een tweesporenbenadering, met als uitgangspunt het beginsel van de Wro; lokaal wat kan, centraal wat moet. Deze twee sporen zijn:

  1. Heldere, transparante rechtsgelijke afbakening van provinciale en gemeentelijke belangen, vast te leggen in de Verordening Romte Fryslân.
  2. Ontwikkelinggerichte samenwerking gebaseerd op gezamenlijke belangen die bij voorkeur vorm worden gegeven in een planologische samenwerkingsagenda en daarop gebaseerde afspraken en die, voor zover nodig, juridisch worden geborgd door middel van de verordening.



Ad1

Gemeenten kunnen lokale belangen naar eigen inzicht regelen, binnen de context van provinciale belangen. Wat deze provinciale belangen zijn, is in het Streekplan ca. aangegeven. Deze vormen voor ons dan ook leidraad voor het opstellen van de verordening. Uitgangspunt daarbij is de gezamenlijke inzet. Deze inzet laat echter onverlet dat er een onderscheid is tussen lokale en provinciale belangen. De Verordening Romte Fryslân regelt de provinciale belangen die op voorhand door moeten werken naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het gaat dan om belangen die niet doelmatig of doeltreffend op gemeentelijk niveau kunnen worden afgewogen en behartigd, omdat de effecten het lokale niveau overstijgen.



Uitgangspunt is dat niet meer geregeld wordt dan noodzakelijk is. Dubbele regelgeving wordt vermeden. Wat elders al goed geregeld is (zoals in het Barro of in sectorale wet- en regelgeving) doen we niet over in de verordening. Verder is bij de wijze van regeling rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van gemeenten. Binnen kwantitatieve en kwalitatieve randvoorwaarden is ruimte voor lokaal maatwerk.

Ad2

Voorop staat dat ruimtelijke ontwikkelingen niet bepaald worden door één partij. Gezamenlijk bepalen overheden, maatschappelijke organisaties, burgers en bedrijven hoe Fryslân zich ruimtelijk ontwikkelt. Provincie en gemeenten onderkennen dat zij gezamenlijke belangen hebben, maar ook naar aard en schaal onderscheiden belangen. Wij vinden het gewenst dat gemeenten en provincie heldere afspraken maken over ruimtelijke onderwerpen waarin zowel het gemeentelijke belang als het provinciale belang aanwezig is.

Hiervoor is in de opmaat naar de verordening van 2011 samen met gemeenten een planologische samenwerkingsagenda opgesteld, waarin onderwerpen zijn benoemd die zich goed lenen voor bestuurlijke afspraken. Voorbeelden zijn de beleidsafspraken die tussen provincie en gemeenten gemaakt zijn over de regionale programmering van woningbouw en bedrijventerreinen. In de planologische samenwerkingsagenda is ook benoemd dat het nuttig kan zijn om afspraken te maken over onderwerpen die naar hun aard moeilijk in de verordening te borgen zijn. Voorbeelden daarvan zijn kwaliteitsonderwerpen zoals landschap en cultuurhistorie.

De planologische samenwerkingsagenda en de provinciale Verordening Romte vullen elkaar aan. Het doel is een evenwicht tussen juridische borging voor zover dat nodig is, en bestuurlijke borging voor zover dat mogelijk is.



In het ontwikkelingsgerichte spoor wil de provincie actief haar bijdrage blijven leveren met kennis en inzichten, investeringen, provinciale programma's en projecten, organisatie- en regiekracht. Voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid steken wij veel energie in vooroverleg met gemeenten en afstemming tussen gemeenten. Wij zullen deze manier van werken voortzetten en intensiveren, omdat dit zeer effectief is. Door te agenderen, mee te denken, te ondersteunen met kennis en inzichten, onderling af te stemmen en afspraken te maken, kan veel kwaliteitswinst worden bereikt. Na overlegrondes met gemeenten hebben Gedeputeerde Staten in de brief van 31 januari 2012 de afspraken neergelegd met betrekking tot de communicatie tussen gemeenten en provincie over gemeentelijke plannen en voornemens. Daaruit blijkt onder meer over welke plannen en voornemens tijdig overleg tussen gemeente en provincie gewenst is, in afstemming tot de bepalingen in de verordening. Met de vaststelling van de aangepaste verordening zal die brief worden geactualiseerd.

Hoofdstuk 3 Onderwerpen voor de verordening     

Voorafgaand aan de verordening van 2011 hebben wij in een Realisatieparagraaf schematisch voor alle beleidsuitspraken uit het Streekplan – de provinciale belangen – aangegeven op welke manieren deze gerealiseerd worden. De provinciale belangen die door moeten werken in gemeentelijke ruimtelijke plannen komen in potentie in aanmerking voor regeling in de verordening.

Vervolgens hebben wij voor de belangen die door moeten werken in gemeentelijke ruimtelijke belangen, nader afgewogen of het ook nodig en uitvoerbaar is om deze belangen in de verordening te borgen. We willen bijvoorbeeld niet meer regelen dan noodzakelijk is en dubbele regelgeving voorkomen. Ook op de doelmatigheid en handhaafbaarheid hebben we gelet.



Ook bij het formuleren van nieuw beleid volgen wij deze systematiek. Zo hebben wij in de opmaat naar nieuw beleid inzake de veehouderij en intensieve veehouderij gecommuniceerd met betrokken partijen en gemeenten over de meest optimale wijze waarop ons beleid zou kunnen doorwerken. Ook in de voorbereiding van 'Grutsk op 'e Romte', hebben wij met gemeenten en andere betrokken partijen specifiek gekeken naar de wijze waarop ons beleid, en daarmee onze provinciale belangen het best kunnen doorwerken.

In deze aanpassing van de verordening hebben wij, mede op basis van de inzichten opgedaan bij de toepassing vanaf 2011, opnieuw gekeken naar de noodzaak en doelmatigheid van bepalingen.

De wijziging van de verordening vloeit voort uit het volgende.

In de verordening die op 15 juni 2011 is vastgesteld kwamen de onderwerpen voort uit het bestaande provinciaal beleid en daarnaast uit de te verwachten inzet van de toenmalige ontwerp-AMvB Ruimte. Veel onderwerpen van het rijks- en provinciaal beleid overlapten elkaar. Op grond van het Barro mag de verordening nog slechts 'getrapte' regels bevatten over de ecologische hoofdstructuur. Dat vraagt wel om aanpassing van de bestaande regels. Daarnaast zijn in het Barro bepalingen opgenomen ('Ladder voor duurzame verstedelijking'; kustfundament) die overlappen met de huidige regeling in de verordening). Dat vraagt ook om aanpassing van de verordening.

Bij de evaluatie van het Streekplan heeft ook een eerste evaluatie van de werking van de verordening plaatsgevonden. Op grond daarvan zijn onderwerpen benoemd die in aanmerking komen voor wijziging van de verordening.

Daarnaast is de 'Spoedwet reparatie Wro', net als de 2e tranche van het Barro per 1 oktober 2012 in werking getreden. Daarin is de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen alsnog expliciet wettelijk geregeld. Daarbij is echter bepaald dat het instrument van ontheffing slechts als ultimum remedium kan worden ingezet, voor onvoorzienbare situaties. Daar waar sprake is van voorzienbaarheid van ontwikkelingen moet de verordening ter zake directe regels stellen. Bij vaststelling van de eerste verordening was al op die wettelijke regeling geanticipeerd en het aantal ontheffingsbepalingen beperkt. In deze wijziging worden specifieke ontheffingsbepalingen geschrapt en wordt volstaan met een algemene ontheffingsbepaling voor niet voorzienbare ontwikkelingen.

De wijziging die nu voorligt is niet meer, zoals het geval was bij de eerste verordening, 'beleidsneutraal' verbonden aan het Streekplan Fryslân 2007. In de wijziging wordt nieuw tussentijds vastgesteld beleid van Provinciale Staten (grondgebonden veehouderij; 'Grutsk op 'e Romte) vertaald in regels in de verordening. Tegelijk met de verordening wordt nieuw beleid inzake intensieve veehouderij vastgesteld, alsmede de Nota Weidevogels. De aanpassing van de bepalingen inzake de recreatie leiden impliciet tot een nuancering van dat beleidsonderdeel van het streekplan. Ook zijn, anticiperend op het definitie-ve beleid inzake windturbines, enkele aanvullende bepalingen opgenomen inzake het opschalen van bestaande turbines.

De verordening blijft wel binnen de denkrichting en concepten van het streekplan. Een integrale heroverweging van het ruimtelijk beleid, als onderdeel van het provinciaal omgevingsbeleid is later aan de orde en kan dan ook leiden tot een integrale heroverweging van de verordening.



De wijziging, voortvloeiend uit bovenstaande, heeft al met al met name betrekking op:

  • de bepalingen inzake hergebruik van bebouwing in het landelijk gebied (hoofdstuk Bundeling).
  • de bepalingen inzake zuinig ruimtegebruik (voormalig hoofdstuk 2, nu geschrapt, onderdelen verplaatst naar de hoofdstukken Ruimtelijke kwaliteit en Landbouw))
  • de bepalingen inzake landschap en cultuurhistorie (hoofdstuk Ruimtelijke kwaliteit)
  • de bepalingen inzake veehouderij (hoofdstukken Ruimtelijke Kwaliteit en Landbouw).
  • nuances en vereenvoudigingen in het hoofdstuk Werken.
  • de bepalingen inzake verblijfs- en dagrecreatie in het hoofdstuk Recreatie.
  • de bepalingen inzake de EHS in het hoofdstuk Natuur.
  • het schrappen van ontheffingen en aanpassing van bepalingen over het kustfundament in het hoofdstuk Kustverdediging.
  • aanpassing en aanvulling van bepalingen inzake windturbines, hoofdstuk Windturbines.

Hoofdstuk 4 Opbouw en werking verordening     

De verordening bevat instructies ingevolge artikel 4.1, eerste lid Wro, over de inhoud van gemeentelijke ruimtelijke plannen en over de onderbouwing en motivering in de plantoelichting. Deze instructies zijn gericht aan het gemeentebestuur en binden de burgers niet rechtstreeks.

Wij gaan er, zoals ook eerder in de verordening van 2011, van uit dat geldende ruimtelijke plannen in het algemeen in voldoende mate zijn afgestemd op het provinciale beleid, zodat er geen directe aanleiding is voor aanpassing van deze plannen aan de verordening. Artikel 11.2.2 van de verordening bepaalt daarom dat - behoudens de regeling van de EHS - de verordening niet van toepassing is op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht en via een ontheffing (de voormalige vrijstellingsbevoegdheid uit de WRO) in een geldend ruimtelijk plan staan. Wij kiezen mede voor deze lijn om de bestuurlijke lasten voor gemeenten te beperken. De verordening verplicht de gemeenten ook niet om bestaande rechten te beperken. Van planschade kan dan ook geen sprake zijn.

Bij de toepassing van wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsbepalingen in een geldend bestemmingsplan, is het gebruikelijk om met nieuwe inzichten en ontwikkelingen rekening te houden. Daarom is de verordening wel van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die in een nieuw wijzigings- of een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, sub a en b van de Wro worden opgenomen.

Bij de actualisatie van bestemmingsplannen, die volgens artikel 3.1, lid 2 van de Wro elke 10 jaar na de laatste vaststelling dient plaats te vinden, dienen de bepalingen van de verordening wel in acht te worden genomen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden. Daarom is volgens artikel 11.2.1 van de verordening de hoofdregel, dat het tijdstip waarop een bestemmingsplan in overeenstemming met deze verordening moet zijn vastgesteld, gelijk aan het tijdstip in artikel 3.1, lid 2 van de Wro. Dit tijdstip is 10 jaar na laatste vaststelling.

De inhoudelijke bepalingen van de verordening zijn onderverdeeld in:

  • een algemeen deel (de hoofdstukken 1 en 2), met algemene bepalingen over bundeling en ruimtelijke kwaliteit;
  • een themadeel (de hoofdstukken 3 tot en met 9), met bepalingen die vanuit een bepaald thema gelden (zoals wonen, werken, natuur of landbouw).

De algemene bepalingen zijn op de meeste gemeentelijke ruimtelijke plannen van toepassing. Aanvullend zijn, indien een thema in een ruimtelijk plan speelt, de thematische bepalingen van toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij het toepassen van bepalingen in de hoofdstukken over wonen, werken en recreatie ook rekening moet worden gehouden met de bepalingen over ruimtelijke kwaliteit.

Uit de formulering van de bepalingen blijkt, dat in de verordening voor veel onderwerpen de provinciale 'bovenruimte' wordt aangegeven. Dan gaat het om de ontwikkelingsruimte die door gemeenten kan worden toegestaan. Dit betekent dat indien lokale omstandigheden en afwegingen daartoe aanleiding geven, gemeenten die ruimte niet hoeven op te vullen. In hun ruimtelijke plannen kunnen gemeenten nadere beperkingen opnemen.

Waar in de verordening over 'provinciale structuurvisie' wordt gesproken, wordt het Streekplan bedoeld tenzij dit anders is aangegeven.

Ruimtelijk plan

Onder 'ruimtelijk plan' wordt in deze verordening verstaan: een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de wet, een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet, een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de wet, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid juncto artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet, tenzij de aard van de bepaling zich daartegen verzet.

Onder 'plantoelichting bij een ruimtelijk plan' wordt in deze verordening verstaan de toelichting of ruimtelijke onderbouwing bij een ruimtelijk plan als hiervoor bedoeld.

De verordening bevat basisbepalingen omtrent hetgeen in een ruimtelijk plan wel (toestemming) of niet (verbod) is toegestaan. Als sprake is van een verbodsbepaling bevat de verordening veelal een daarop aansluitende afwijkingsbepaling. Daaruit blijkt dat een ontwikkeling in afwijking van de verbodsbepaling wel kan, onder voorwaarden ('ja, mits'). De gemeente zal bij de toepassing van die afwijkingsbepaling afdoende moeten motiveren dat aan de voorwaarden wordt voldaan. Dat is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Bij het vooroverleg over ruimtelijke plannen kunnen gemeenten tijdig met de provincie afstemmen over invulling van die voorwaarden.

Ten behoeve van de nodige flexibiliteit bevatte de eerste verordening specifieke ontheffingsbepalingen. Daarmee konden Gedeputeerde Staten toch medewerking verlenen aan ontwikkelingen die in eerste instantie in strijd zijn met de basisbepalingen en waarvoor ook de afwijkingsbepalingen geen ruimte boden. Die vorm van flexibiliteit is vanwege de wettelijke aanpassing verminderd. In de gewijzigde verordening is op diverse onderdelen meer ruimte opgenomen binnen de afwijkingsbepalingen. Voor niet voorzienbare situaties, waarvan toch, na overleg tussen gemeente en provincie, door Gedeputeerde Staten kan worden geoordeeld dat deze niet wezenlijk in strijd zijn met provinciale belangen, is een algemene ontheffingsbepaling opgenomen. Daaronder kunnen bijvoorbeeld innovatieve projecten worden gerekend, zoals die rond KH 2018 kunnen gaan spelen. Gedeputeerde Staten doen jaarlijks achteraf verslag van de toepassing van die ontheffingsbepaling aan Provinciale Staten.

Werkingsgebied verordening; positie Waddenzee en Waddeneilanden

De verordening heeft betrekking op het hele grondgebied van de provincie Fryslân, dus inclusief de Waddeneilanden, de Waddenzee en het IJsselmeer.

Voor de Waddenzee (excl. de havenkom bij Harlingen) en het Waddengebied (Waddenzee en het grondgebied van aangrenzende gemeenten) staan in het Barro bouw- en gebruiksbepalingen die direct doorwerken naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Deze bepalingen regelen o.a. buitendijkse ontwikkelingen bij de Waddeneilanden (waaronder de zeewaartse uitbreiding van jachthavens) en nabij Harlingen. De bepalingen zijn gebaseerd op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de PKB Waddenzee van het rijk, en zijn afgestemd op het provinciale beleid. De artikelen van de verordening over nieuwe buitendijkse ontwikkelingen (8.2), hebben daarom alleen betrekking op het IJsselmeer en de bestaande havenkom van Harlingen. De artikelen die betrekking hebben op de reserveringszones langs de primaire waterkeringen (8.1), zijn wel op de Waddenzee van toepassing.

Vanwege de specifieke situatie op de Waddeneilanden, zijn voor de Waddeneilanden enkele afwijkende bepalingen opgenomen. De thematische toelichting gaat hier afzonderlijk op in.

Kaarten

Daar waar de regels van deze verordening verwijzen naar kaarten, zijn deze opgenomen in een afzonderlijke Kaartenbijlage die onderdeel uitmaakt van deze verordening.

Hoofdstuk 5 Procedure     

Het voorontwerp van de verordening van 2011 is tot stand gekomen met de inbreng van een externe klankbordgroep bestaande uit een vertegenwoordiging van Friese gemeenten en de VFG. Verder heeft over het voorontwerp een bestuurlijk overleg met de portefeuillehouders ruimtelijke ordening van de Friese gemeenten plaatsgevonden. Daarna heeft de formele consultatie over het ontwerp plaatsgevonden.



De procedure voor de Verordening Romte 2014 is beperkt tot de formele consultatie over het ontwerp. Een bredere consultatie over een voorontwerp is gelet op de aard van de aanpassingen achterwege gelaten. In de voorbereiding van nieuw beleid inzake de veehouderij, weidevogels en Grutsk zijn diverse betrokken partijen en gemeenten geraadpleegd. Bovendien zijn in de evaluatie van het streekplan, op basis waarvan de verordening ook aanpassing ondergaat, diverse stakeholders uit de mienskip betrokken. Daarbij is ook de wijze van doorwerking aan de orde geweest.



Aanhef     

Provinciale Staten van Fryslân;

Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 15 april 2014, nr. 01121823, inzake het vaststellen van de Verordening Romte Fryslân;

Gelet op artikel 4.1 en artikel 4.3 van de Wet ruimtelijke ordening juncto de artikelen 145 en 152 van de Provinciewet;

Overwegende dat het wenselijk is ter uitvoering en doorwerking van het provinciale

ruimtelijke beleid in het gemeentelijk ruimtelijk beleid algemene regels vast te stellen als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening;

Besluiten vast te stellen de Verordening Romte Fryslân 2014.

Begripsbepalingen     



Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen     

1.1 Agrarisch bedrijf     

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of door middel van het fokken of houden van dieren.

1.2 Agrarisch bouwperceel     

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van een ruimtelijk plan, zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing, verharding en bijbehorende voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf zijn toegelaten.

1.3 Agrarisch hulpbedrijf / agrarische hulpactiviteit     

een bedrijf dat c.q. een activiteit die goederen of diensten levert overwegend aan agrarische bedrijven, of overwegend agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen), grondverzetbedrijven, het houden of (medisch) verzorgen van dieren, grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, veetransportbedrijven en veehandelsbedrijven, met uitzondering van landbouwmechanisatiebedrijven.

1.4 Agro-locatie     

een cluster van agrarische bedrijven, of agrarische hulpbedrijven, met bijbehorende voorzieningen.

1.5 Barro     

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

1.6 Bebouwing     

gebouwen en andere bouwwerken.

1.7 Bebouwingscluster:     

een vlakvormige verzameling van gebouwen, gesitueerd op meerdere bouwpercelen, bij een kruispunt van (vaar-)wegen in het landelijk gebied.

1.8 Bebouwingslint:     

een lijnvormige verzameling van gebouwen, gesitueerd op meerdere bouwpercelen, langs een weg of vaart in het landelijk gebied met geringe afstanden tussen de bouwkavels.

1.9 Bedrijf:     

inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van industrie, ambacht, handel, vervoer of nijverheid, waaronder niet begrepen een horeca-inrichting of maatschappelijke voorziening.

1.10 Bedrijfsconcentratiekern     

een bedrijfsconcentratiekern als bedoeld in de provinciale structuurvisie, te weten Dronrijp, Heeg, Marrum, Stiens, Veenwouden en Winsum.

1.11 Bedrijfsgebonden reclamemast:     

een reclamemast voor de diensten of producten van een of enkele bedrijven die op of aangrenzend aan het perceel waarop de reclamemast staat, aanwezig zijn.

1.12 Bedrijfsterrein of bedrijventerrein:     

een perceel of een cluster van aaneengesloten percelen ten behoeve van een of meer bedrijven en dienstverlenende functies en de daarbij behorende voorzieningen.

1.13 Bedrijventerreinenplan:     

een door de gemeenteraad vastgesteld, gemeentelijk dan wel intergemeentelijk plan waarin de behoefte, fasering, aanleg en invulling van bedrijventerreinen voor een bepaalde periode binnen een of meerdere gemeenten is aangegeven, inclusief de relatie met herstructurering en revitalisering van bestaande bedrijventerreinen en dat tot stand is gekomen in onderlinge afstemming met gemeenten in een regio.

1.14 Beeldverstorende bebouwing:     

bebouwing die door de staat waarin ze verkeert of door de verschijningsvorm, een negatieve invloed heeft op de landschappelijke waarden in de omgeving.

1.15 Bestaand stedelijk gebied     

het gebied dat de bestaande of bij bestemmingsplan toegelaten en voorziene woon- of bedrijfsbebouwing waaronder mede begrepen de daarbij behorende openbare voorzieningen en verkeersinfrastructuur van een kern bevat, zoals begrensd op de van deze verordening deel uitmakende kaarten Begrenzing bestaand stedelijk gebied, of zoals sinds 1 januari 2010 opgenomen in een onherroepelijk ruimtelijk plan voor nieuwe stedelijke functies, met uitzondering van de stedelijke functies die pas kunnen worden gerealiseerd op grond van in dat ruimtelijk plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden ex artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening.

1.16 Bestaande bebouwing:     

bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig is of waarvoor een bouwvergunning is verleend dan wel een aanvraag om bouwvergunning is ingediend die kan worden verleend.

1.17 Bestaand gebruik / bestaande functies:     

gebruik dat, respectievelijk functies die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig is respectievelijk zijn of waarvoor een bouwvergunning of ontheffing is verleend dan wel een aanvraag om bouwvergunning of ontheffing is ingediend die kan worden verleend.

1.18 Bestemmingsplan:     

een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de wet

1.19 Bovenregionale behoefte:     

de behoefte aan nieuwe woningen, bedrijven of voorzieningen die de regionale behoefte overstijgt.

1.20 Bouwperceel:     

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van een ruimtelijk plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.21 Buitendijks gebied     

het gebied dat niet tegen buitenwater wordt beschermd door de primaire waterkering.

1.22 Buurtwinkelcentrum:     

een clustering van winkels die geheel of nagenoeg geheel de bewoners van een buurt of wijk waar de winkels zijn gevestigd, primair voorzien van dagelijkse behoeften en in beperkte mate van niet-dagelijkse behoeften.

1.23 CEMT-klassen III, IV en Va     

de classificatie van vaarwegen volgens de provinciale vaarwegenverordening.

1.24 Complex van recreatiewoningen:     

een terrein van enige omvang, blijkens de inrichting bestemd om meerdere recreatiewoningen in samenhang te plaatsen of geplaatst te houden, inclusief bijbehorende gemeenschappelijke faciliteiten.

1.25 Cultuurhistorische waarden:     

het samenspel van historische landschappen, historisch geografische elementen en structuren, cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en archeologische vindplaatsen, waaruit de historie van een gebied te herleiden is.

1.26 Dagrecreatieve inrichting:     

een inrichting, anders dan een verblijfsrecreatieve inrichting of een jachthaven, waar de mogelijkheid wordt geboden om te recreëren; hieronder worden mede begrepen van de inrichting deel uitmakende sportvelden en sporthallen, culturele voorzieningen, alsmede ondergeschikt winkels en horeca-inrichtingen, alle in de vorm van een niet-zelfstandige voorziening.

1.27 Detailhandel:     

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.28 Dienstverlening:     

inrichtingen ten behoeve van het bedrijfsmatig verlenen van commerciële en niet-commerciële diensten.

1.29 Ecologische hoofdstructuur (EHS):     

het op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur begrensde, samenhangende stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten;

1.30 Famke:     

de Friese archeologische monumentenkaart extra, zoals deze laatstelijk door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.

1.31 Gebruiksgerichte paardenhouderij:     

een paardenhouderij die op een bedrijfsmatige schaal wordt uitgeoefend, niet zijnde een productiegerichte paardenhouderij, en waar het rijden met paarden primair gericht is op de ruiter/amazone/menner inclusief de bijbehorende huisvesting van paarden; hiermee ligt de nadruk op het recreatieve en sportieve aspect van paardrijden.

1.32 Gestapelde stal:     

een stal waarin vee gehuisvest wordt in twee of meer bouwlagen boven elkaar.

1.33 Glastuinbouwbedrijf:     

een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat is gericht op het telen van gewassen, waarbij de productie in kassen plaatsvindt.

1.34 Groepsaccommodatie:     

een groepsverblijf met meer dan tien slaapplaatsen, niet zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, bestemd voor verblijfsrecreatieve doeleinden.

1.35 Grondgebonden agrarisch bedrijf:     

agrarisch bedrijf waarbij het gebruik van agrarische gronden in de omgeving van het bedrijf noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, in de vorm van akkerbouw, vollegronds-tuinbouw, fruitteelt en boomteelt, grondgebonden veehouderij, en naar de aard daarmee vergelijkbare bedrijven.

1.36 Grondgebonden veehouderij:     

een veehouderij waarbij voldoende grond in de omgeving van het bedrijf aanwezig is om overwegend te voorzien in de mestafzet en het benodigde ruwvoer van de veehouderij, inclusief een neventak niet-grondgebonden veehouderij die wat betreft aard en schaal ondergeschikt is aan de grondgebonden bedrijfsvoering.

1.37 Herstructurering:     

het proces waarbij verouderde woonwijken, bedrijventerreinen en recreatieterreinen opnieuw worden ingericht en waarbij de bestaande functie van het terrein gehandhaafd blijft.

1.38 Hoofdgebouw:     

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

1.39 Jachthaven:     

haven die naar zijn aard en inrichting bedoeld en geschikt is voor het in hoofdzaak aanleggen van pleziervaartuigen, met bijbehorende voorzieningen.

1.40 Kampeerterrein:     

een terrein met standplaatsen voor kampeermiddelen inclusief de bij die kampeermiddelen behorende gemeenschappelijke faciliteiten, niet zijnde een kleinschalig kampeerterrein.

1.41 Kantoor:     

inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van administratieve diensten.

1.42 Kantorenplan:     

een door de gemeenteraad vastgesteld, gemeentelijk dan wel intergemeentelijk plan waarin de behoefte, fasering, aanleg en invulling van kantoorruimte voor een bepaalde periode binnen de gemeente of meerdere gemeenten is aangegeven, inclusief de relatie met herstructurering en revitalisering van bestaande kantoorruimte; het kantorenplan kan als onderdeel worden opgenomen in een bedrijventerreinenplan.

1.43 Kantorenterrein:     

een perceel of een cluster van aaneengesloten percelen ten behoeve van een of meer kantoren en de daarbij behorende voorzieningen.

1.44 Karakteristiek gebouw:     

een gebouw met zodanige kenmerken of een zodanige verschijningsvorm, dat het een positieve invloed heeft op de landschappelijke waarden in de omgeving, of typerend en gezichtsbepalend is voor een zekere historische tijdsperiode. Het betreft in ieder geval gebouwen die zijn opgenomen op de monumentenlijst van rijk of gemeente, en gebouwen die in een bestemmingsplan buitengebied zijn opgenomen in een inventarisatie van aanwezige karakteristieke gebouwen.

1.45 Karakteristiek van omgeving / kern / landschap / functioneel:     

elementen in of fysieke of functionele kenmerken van de omgeving van een functie of van een gebouw, die medebepalend zijn voor de fysieke, esthetische of functionele kwaliteit van het gebied.

1.47 Kernwinkelgebied:     

het aaneengesloten gebied in een kern dat als het belangrijkste winkelcentrum van de kern kan worden aangemerkt, zowel wat betreft aantal winkels als winkelassortiment.

1.48 Kleine windturbine:     

een installatie c.q. bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind,

  • met een horizontale as en waarvan de rotor een oppervlakte beschrijft van maximaal 40m² (een maximale wiek van ongeveer 3,5 m);
  • met een horizontale as in andere vormen dan twee of drie wieken, waaronder de zogenaamde niet-wiekturbines;
  • met een verticale as.

1.49 Kleinschalig kampeerterrein:     

een terrein in een kleinschalige opzet met een beperkt aantal standplaatsen voor kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, inclusief de bij die kampeermiddelen behorende gemeenschappelijke faciliteiten, welk terrein uitsluitend in het toeristische seizoen opengesteld is en op welk terrein de kampeermiddelen ook alleen in het toeristische seizoen aanwezig zijn.

1.50 Kustfundament:     

het gebied op een Waddeneiland dat de primaire waterkering en het bijbehorende duingebied omvat, zoals bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

1.51 Ladder voor duurzame verstedelijking:     

de verantwoording van het ruimtegebruik zoals bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening.

1.52 Landelijk gebied     

het gebied buiten het bestaand stedelijk gebied.

1.53 Landelijke wooncluster:     

een cluster van ongeveer 20 tot 50 woningen met een eigen, attractieve woonsfeer en een hoge beeldkwaliteit, met eventueel daarbij passende kleinschalige en milieuvriendelijke vormen van werken aan en bij huis, evenals zorgvoorzieningen en recreatieve voorzieningen.

1.54 Landgoed:     

een aaneengesloten bosof natuurgebied, al dan niet met overige gronden, met daarin een geconcentreerde vorm van karakteristieke bebouwing, dat als een samenhangende ruimtelijke en functionele eenheid kan worden aangemerkt en waarvan een groot deel openbaar toegankelijk is voor het publiek.

1.55 Landschappelijke waarden:     

aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied.

1.56 Landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten:     

de gebiedsoverschrijdende en per deelgebied onderscheiden landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van de bijbehorende adviezen, zijn omschreven in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte en zijn weergegeven op de daarbij behorende kaarten.

1.57 Lokale behoefte:     

de behoefte aan nieuwe woningen, bedrijven of voorzieningen die hoofdzakelijk voortkomt uit de aanwezige bevolking, bedrijvigheid en voorzieningen in één of enkele dorpsgebieden.

1.58 Masthoogte van een windturbine:     

hoogte gemeten vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

1.59 Mestbewerking:     

de behandeling van dierlijke mest zonder veranderingen aan de samenstelling van het product teweeg te brengen, zoals mengen, roeren, homogeniseren, verhitting of het verwijderen van vreemde objecten.

1.60 Mestvergisting:     

toepassing van (proces)technieken gericht op het opwekken van energie uit mest of andere organische stoffen.

1.61 Mestverwerking:     

de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting of indamping van mest.

1.62 Methodiek Nije Pleats:     

een methode van planvorming waarbij een team van deskundigen in een vroeg stadium integraal adviseert over alle aspecten die relevant zijn voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van een concrete ruimtelijke ontwikkeling, zoals de vestiging of uitbreiding van een agrarisch bedrijf of de vestiging of uitbreiding van een recreatieve inrichting.

1.63 Milieucategorieën bedrijven:     

de onderverdeling van bedrijven in milieucategorieën als genoemd in lijst 1, Bijlage 1 van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering van 2009.

1.64 Natuurbeheerplan:     

het Natuurbeheerplan zoals laatstelijk vastgesteld door Gedeputeerde Staten.

1.65 Niet-grondgebonden veehouderij (intensieve veehouderij):     

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals varkens-, pluimvee-, pelsdier-, of vleeskalverhouderij, rundveemesterij, niet grondgebonden geiten-, schapenhouderij, of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden veehouderijen.

1.66 Nieuw gebruik:     

het veranderen van gebruik van grond of bebouwing, anders dan het vervangen van bestaand gebruik door gebruik van gelijke aard, omvang en karakter.

1.67 Nieuwe bebouwing:     

het oprichten van bebouwing, anders dan het vervangen van bestaande bebouwing door bebouwing van gelijke aard, omvang en karakter.

1.68 Nieuwe functie:     

het veranderen van een functie, anders dan het vervangen van een functie door een functie van gelijke aard, omvang en karakter.

1.69 Opstelling voor zonne-energie:     

een samenstel van bouwwerken op het maaiveld, ten behoeve van het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon.

1.70 Overige kern     

een overige bestaande kern als bedoeld in de provinciale structuurvisie, geen stedelijk of regionaal centrum zijnde, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Kernenstructuur en netwerkverbindingen.

1.71 Perifere detailhandel:     

detailhandel die wat betreft volumineuze aard van de goederen, gevaar en hinder of dagelijkse bevoorrading niet meer goed inpasbaar is in de bestaande winkelcentra, waaronder uitsluitend worden begrepen:

  • detailhandel in brandbare of explosiegevaarlijke stoffen;
  • detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten, keukens, badkamers, meubelen, bouwmaterialen, landbouwwerktuigen, tuincentra, plant- en dierbenodigdheden, fietsen en autoaccessoires, en supermarkten;
  • detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van industrie en ambacht in ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen.

1.72 Plantoelichting:     

de toelichting bij een ruimtelijk plan.

1.73 Productiegerichte paardenhouderij:     

een paardenhouderij die op een bedrijfsmatige schaal wordt uitgeoefend en waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden.

1.74 Provinciaal Werkplan weidevogels in Fryslân:     

het provinciaal Werkplan weidevogels in Fryslân zoals door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 28 september 2010.

1.75 Provinciale structuurvisie:     

het Streekplan Fryslân 2007 zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 13 december 2006, zijnde een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de wet.

1.76 Recreatiekern     

een stedelijk of regionaal centrum als bedoeld in de provinciale structuurvisie, een recreatiekern als bedoeld in de provinciale structuurvisie, te weten Appelscha, Akkrum, Bakkeveen, Earnewâld, Echtenerbrug/Delfstrahuizen, Heeg, Hindeloopen, Holwerd, Idskenhuizen, Koudum, Langweer, Noordwolde, Oldeberkoop, Oosterzee, Oostmahorn, Oudega (gemeente Súdwest Fryslân), Oudemirdum, Sloten, Stavoren, Terherne, Wergea, Woudsend, alsmede de kernen Birdaard, Oudega (gemeente Smallingerland) en Witmarsum.

1.77 Recreatieve voorziening:     

een dagrecreatieve inrichting, een verblijfsrecreatieve inrichting, of een jachthaven.

1.78 Recreatiewoning:     

een gebouw of deel van een gebouw dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor verblijfsrecreatieve bewoning door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft.

1.79 Regionaal centrum     

een regionaal centrum als bedoeld in de provinciale structuurvisie, te weten Balk, Bolsward, Buitenpost, Burgum, Franeker, Gorredijk, Grou, Joure, Kollum, Lemmer, Makkum, Oosterwolde, St. Annaparochie, Surhuisterveen, Wolvega, Workum.

1.80 Regionale behoefte:     

de behoefte aan nieuwe woningen, bedrijven of voorzieningen die hoofdzakelijk voortkomt uit de aanwezige bevolking, bedrijvigheid en voorzieningen in een samenhangende regio die uit enkele gemeenten bestaat.

1.81 Ruimtelijk plan:     

een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de wet, een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet, een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de wet, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid juncto artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en Herstelwet, tenzij de aard van de bepaling zich daartegen verzet.

1.82 Schuilgelegenheid:     

een gebouw of bouwwerk dat noodzakelijk is voor het schuilen van dieren in verband met het welzijn van de dieren.

1.83 Standplaats:     

een plaats bestemd voor het plaatsen van een tent, een tentwagen, een camper, een caravan, een stacaravan, of een tenthuisje geen recreatiewoning zijnde.

1.84 Stedelijk bundelingsgebied     

het stedelijk bundelingsgebied rond een stedelijk centrum als bedoeld in de provinciale structuurvisie, zoals begrensd op de van deze verordening deeluitmakende kaart Kernenstructuur en netwerkverbindingen.

1.85 Stedelijk centrum     

een stedelijk centrum als bedoeld in de provinciale structuurvisie, te weten Leeuwarden, Drachten, Heerenveen, Sneek, Harlingen, Dokkum.

1.86 Stedelijke functies:     

functies die gekoppeld zijn aan het functioneren van kernen (dorpen en steden), waaronder worden verstaan woningen, functioneel niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijven, zakelijke en commerciële dienstverlening, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen en sportvoorzieningen, met bijbehorend stedelijk water en groen en bijbehorende infrastructuur en nutsvoorzieningen, daaronder niet begrepen windturbines of opstellingen voor zonne-energie.

1.87 Structuurvisie Grutsk op 'e Romte:     

structuurvisie zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 26 maart 2014, met bijbehorende kaarten.

1.88 Transformatie:     

het proces waarbij verouderde woonwijken, bedrijventerreinen en recreatieterreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie.

1.89 Trekkershut:     

een gebouw in de vorm van een lichte constructie voor recreatief verblijf, met een maximum oppervlakte van 40m² en maximum hoogte van 3.80m, met beperkt sanitaire voorzieningen.

1.90 Uitbreidingslocatie:     

een locatie voor de uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied van een kern ten behoeve van nieuwe stedelijke functies.

1.91 Verblijfsrecreatieve inrichting:     

een kampeerterrein of een complex recreatiewoningen.

1.92 Verruimde perifere detailhandel:     

detailhandel buiten of aansluitend op bestaande winkelcentra met een aanbod van niet-dagelijkse goederen waaronder worden verstaan de hoofdbranches huishoudelijke en luxe artikelen, sport en spel, hobby, media, tuincentra, plant- en dierbenodigdheden, wit- en bruingoed doe-het-zelf, wonen alsmede overige detailhandel met uitzondering van de hoofdbranches warenhuizen, kleding en mode, schoenen en lederwaren, juwelier en optiek.

1.93 Voorziening:     

een private of publieke functie die voorziet in een maatschappelijke behoefte - niet zijnde bedrijf, winkel, horeca of kantoor - zoals een school, zorginstelling, theater, bibliotheek, stadion, sport(veld)complex, ziekenhuis, instelling van openbaar bestuur.

1.94 Wet:     

de Wet ruimtelijke ordening.

1.95 Wezenlijke kenmerken en waarden:     

aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden met een bestemming natuur, tevens potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities, voor zover deze natuurwaarden en condities in het licht van de internationale biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn, overeenkomstig de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan.

1.96 Windturbine:     

een installatie c.q. bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind, niet zijnde een kleine windturbine.

1.97 Winkelcentrum:     

een aaneengesloten en samenhangend gebied in een bestaande kern met overwegend een winkelfunctie, dat zich manifesteert als wijkwinkelcentrum of kernwinkelgebied.

1.98 Woning     

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of daarmee gelijk te stellen woonvormen.

1.99 Woonplan:     

een door de gemeenteraad vastgesteld, gemeentelijk dan wel intergemeentelijk plan waarin de behoefte, fasering, aanleg, aantallen woningen en kwaliteit van woningen van woningbouwlocaties voor een bepaalde periode binnen de gemeente of meerdere gemeenten is aangegeven inclusief de relatie met herstructurering van de bestaande woningvoorraad, dat - met uitzondering van de Waddeneilanden - tot stand is gekomen in onderlinge afstemming met gemeenten in de woningbouwregio.

Regels     

Hoofdstuk 1 Regels     

Artikel 1 Bundeling algemeen     

1.1 Algemeen     

Algemeen 

1.1.1     
  1. In een ruimtelijk plan voor landelijk gebied mogen geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies.
  2. In afwijking van het eerste lid kan in een ruimtelijk plan een uitbreidingslocatie aansluitend op bestaand stedelijk gebied worden toegestaan.

1.2 Hergebruik vrijkomende (niet-)agrarische bebouwing     

1.2.1     
  1. In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid kunnen nieuwe stedelijke functies in landelijk gebied worden toegestaan indien sprake is van hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen, met dien verstande dat op de omzetting van de bestemming van recreatiewoningen naar een woonbestemming voor permanente bewoning de artikelen 5.8.1 en 5.8.2 van toepassing zijn.
  2. Bij hergebruik als bedoeld in het eerste lid kunnen op het perceel de volgende functies worden toegestaan:
    1. wonen en zorg, met dien verstande dat woningen - voor zover deze geen verband houden met zorgverlening - slechts zijn toegestaan in de voormalige bedrijfswoning en in aanwezige karakteristieke gebouwen;
    2. dagrecreatie, verblijfsrecreatie met inachtneming van artikel 5.5.1, functies op het gebied van natuur- en landschapsbeheer, cultuur, kunst, educatie, restaurants, logies of daarmee vergelijkbare horecavormen;
    3. detailhandel, voor zover deze verband houdt met de hoofdfunctie van het perceel en daaraan bedrijfsmatig en wat betreft omvang ondergeschikt is;
    4. dienstverlening en niet-industriële bedrijven behorende tot de milieucategorieën 1, 2 en 3 of naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbare bedrijven, mits ruimtelijk en functioneel passend in de karakteristiek van de omgeving.
  3. Bij een functie als bedoeld in het tweede lid kan enige aanvullende nieuwbouw worden toegestaan mits deze wat betreft omvang duidelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
  4. Aan hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen en aanvullende nieuwbouw worden in een ruimtelijk plan voor landelijk gebied zodanige regels gesteld, dat:
    1. bestaande karakteristieke en monumentale gebouwen behouden blijven;
    2. de plaatsing, omvang, vorm en het gebruik van gebouwen passen in de karakteristiek van de omgeving
    3. geen beperkingen ontstaan voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving.

1.3 Verbetering bebouwingslinten en bebouwingsclusters in het landelijk gebied     

1.3.1     

In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid kan een nieuwe stedelijke functie in of aansluitend op een bestaand bebouwingslint of een bestaande bebouwingscluster worden toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. de nieuwe stedelijke functie leidt tot een landschappelijk aanvaardbare afronding of verdichting van een bebouwingslint of bebouwingscluster en doet geen afbreuk aan de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten;
  2. een nieuw bedrijf behoort tot de milieucategorieën 1 of 2, tenzij aangetoond kan worden dat het bedrijf wat betreft aard, schaal, milieuhinder, en fysieke uitstraling past in de omgeving;
  3. detailhandel houdt verband met de hoofdfunctie van het perceel en is daaraan bedrijfsmatig en wat betreft omvang ondergeschikt;
  4. in geval van woningbouw gaat het per lint of cluster om één of enkele woningen, waarvan de oppervlakte per woning inclusief bijgebouwen niet meer bedraagt dan 300m². Artikel 3.1.1 is mede van toepassing.

1.4 Nieuwe landgoederen     

1.4.1     

In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid en artikel 3.1.1 kan een nieuw landgoed worden toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. het landgoed ligt in een stedelijk bundelingsgebied en is door Gedeputeerde Staten geselecteerd als pilot landgoed;
  2. de oppervlakte van het landgoed bedraagt minimaal 10 hectare en meer dan 90% van deze oppervlakte is openbaar toegankelijk;
  3. woningen zijn toegestaan in één hoofdgebouw of in een aaneengesloten complex of samenstel van gebouwen dat als een eenheid oogt, tot een maximum van 10 woningen per landgoed;
  4. in gebouwen kunnen in ondergeschikte mate andere functies worden toegestaan die passen binnen de karakteristiek van het landgoed, waarbij bedrijven behoren tot de milieucategorieën 1 of 2, of naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbare bedrijven;
  5. op het landgoed worden landschappelijke en natuurlijke waarden ontwikkeld, waarvoor landbouw en bosbouw als beheersfunctie kunnen dienen.

1.5 Saldoregeling woningen     

1.5.1     
  1. In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid kan een nieuwe woning in het landelijk gebied worden toegestaan in geval van verplaatsing of vervanging van een aldaar bestaande woning, indien:
    1. per saldo het aantal woningen in het landelijk gebied gelijk blijft of afneemt, en
    2. in geval van vervanging de bestaande woning wordt gesloopt, en in geval van verplaatsing de locatie van de woning aan de woonbestemming wordt onttrokken, en
    3. het oppervlak van de nieuwe woning inclusief de bijgebouwen niet meer bedraagt dan 300 m², dan wel niet meer dan het oppervlak van de bestaande woning inclusief de bestaande bijgebouwen indien dit oppervlak meer bedraagt dan 300 m², en
    4. de nieuwe woning qua omvang en uitstraling wordt ingepast binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een karakteristiek gebouw, tenzij de bouwtechnische en functionele staat van het gebouw zodanig slecht is dat doelmatig hergebruik daarvan redelijkerwijs niet reëel is.

1.6 Ruimte-voor-ruimte voor sloop beeldverstorende bebouwing     

1.6.1     

In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid kan maximaal één nieuwe woning in het landelijk gebied worden toegestaan op een bestaand solitair bouwperceel , mits:

  1. minimaal 1.000 m² aan beeldverstorende bebouwing van een voormalig agrarisch bedrijf of minimaal 3.000 m² aan kassen van een voormalig glastuinbouwbedrijf in het landelijk gebied wordt gesloopt,
  2. in de plantoelichting is onderbouwd dat de ruimtelijke kwaliteit op en rond het perceel aanzienlijk zal verbeteren en dat geen beperkingen ontstaan voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving, en
  3. de oppervlakte per woning inclusief bijgebouwen niet meer bedraagt dan 300m², of de maat die het bestemmingsplan buitengebied als algemene regel hanteert voor bestaande burgerwoningen. Artikel 3.1.1 is mede van toepassing.

1.7 Ruimte-voor-ruimte voor verplaatsing agrarische bedrijven     

1.7.1     

In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid kan een nieuwe woning in het landelijk gebied worden toegestaan op een bestaand solitair bouwperceel ten behoeve van de verplaatsing van een agrarisch bedrijf, mits:

  1. verplaatsing van het agrarisch bedrijf nodig is om redenen van groot openbaar belang, en
  2. bestaande financieringsmogelijkheden voor verplaatsing ontbreken of ontoereikend zijn, en
  3. in de plantoelichting is onderbouwd dat de ruimtelijke kwaliteit op en rond het perceel aanzienlijk zal verbeteren en dat geen beperkingen ontstaan voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving.
  4. de oppervlakte per woning inclusief bijgebouwen niet meer bedraagt dan 300m². of de maat die het bestemmingsplan buitengebied als algemene regel hanteert voor bestaande burgerwoningen.



Artikel 3.1.1 is mede van toepassing.

1.8 Schuilstallen     

1.8.1     
  1. In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid, kan in een ruimtelijk plan een regeling worden opgenomen voor het beperkt toestaan van schuilgelegenheden ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren met inachtneming van de volgende voorwaarden:
    1. de oppervlakte van een schuilstal bedraagt maximaal 30m²,
    2. het plan staat niet meer dan één schuilstal toe per dierhouder, en
    3. het plan staat niet meer dan één schuilstal toe per kavel met een minimum oppervlakte van 5.000m².
  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kan in een ruimtelijk plan een andere regeling worden opgenomen, mits het aantal locaties voor schuilstallen in de gemeente in dat geval beperkt wordt. De regeling in het eerste lid is dan niet van toepassing.
  3. De regeling zoals bedoeld in het eerste en tweede lid stelt eisen aan de verschijningsvorm en de inpassing binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.

Artikel 2 Ruimtelijke kwaliteit     

2.1 Ruimtelijke kwaliteit     

2.1.1     
  1. De plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor het landelijk gebied omvat een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze:
    1. het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen;
    2. het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de structuurvisie Grutsk op 'e Romte.
  2. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op landelijk gebied stelt zo nodig regels die ertoe strekken dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid, sub b, herkenbaar blijven.
  3. Een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van:
    1. een uitbreidingslocatie;
    2. nieuwe infrastructuur of aanpassing van infrastructuur;
    3. een nieuwe recreatieve voorziening of uitbreiding van een recreatieve voorziening;
    4. agrarische bedrijven, inclusief glastuinbouwbedrijven;
    5. overige nieuwe of uitbreiding van bestaande, al dan niet aan het landelijk gebied gebonden functies,

binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, sub b.

2.2 Archeologie     

2.2.1     
  1. In de plantoelichting van een ruimtelijk plan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de Famke.
  2. Indien in een ruimtelijk plan wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid wordt onderbouwd op welke wijze in een vergelijkbare bescherming van archeologische waarden is voorzien.

2.3 Zorgvuldig ruimtegebruik     

2.3.1     
  1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke functie buiten bestaand stedelijk gebied bevat een verantwoording waaruit blijkt dat toepassing is gegeven van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, waaruit in ieder geval blijkt waarom die functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.

2.4 Overschrijding grootschalige infrastructuur     

2.4.1     
  1. Ruimtelijke plannen voorzien niet in uitbreidingslocaties, die ertoe leiden dat een stroomweg, een vaarweg in de CEMT-klassen III, IV en Va, of een spoorlijn, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Kernenstructuur en netwerkverbindingen, door een kern wordt overschreden.
  2. In afwijking van het eerste lid kan overschrijding plaatsvinden indien in de plantoelichting is gemotiveerd dat:
    1. alternatieve locaties redelijkerwijs niet beschikbaar zijn en een goede landschappelijke inpassing mogelijk is,
    2. schaal en omvang van de uitbreidingslocatie passen bij de overschrijding, en
    3. voldoende verbindingen tussen de uitbreidingslocatie en de kern tot stand komen.

2.5 Reclame-uitingen     

2.5.1     
  1. Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied of voor gronden binnen een afstand van 400 meter gemeten vanaf de grens van de bestemming verkeersdoeleinden of een vergelijkbare bestemming voor een autosnelweg of een autoweg, bevat geen bouwmogelijkheid voor een reclamemast met een hoogte van meer dan 6 meter.

Artikel 3 Wonen     

3.1 Woonplan     

3.1.1     
  1. Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan, indien:
    1. het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat dan wel, voor zover gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, niet meer dan 11 woningen bevat, en
    2. in de plantoelichting is gemotiveerd dat en op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma van het woonplan kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten.
3.1.2     

In afwijking van artikel 3.1.1 kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet past in een woonplan, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. de woningbouwcapaciteit van het ruimtelijk plan wordt ingepast in het regionale woningbouwprogramma, via uitwisseling van woningbouwcapaciteit op gemeentelijk of regionaal niveau, of door fasering van plannen;
  2. indien het gaat om een Waddeneiland, wordt de woningbouwcapaciteit van het ruimtelijk plan ingepast in het gemeentelijke woningbouwprogramma, via uitwisseling van woningbouwcapaciteit op gemeentelijk niveau of door fasering van plannen;
  3. de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw passen bij aard en schaal van de overige kern, het regionaal centrum of het stedelijk centrum;
  4. voorafgaand aan het voorgeschreven wettelijk overleg over het ruimtelijk plan, is met Gedeputeerde Staten overleg gevoerd over de noodzaak van toevoeging van het project aan het woningaanbod in de gemeente.

3.2 Landelijke wooncluster     

3.2.1     

In afwijking van artikel 4.1.1, eerste lid kan in een ruimtelijk plan voor gronden in of aansluitend op het bestaand stedelijk gebied van een kern een landelijke wooncluster worden toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. het landelijke wooncluster is door Gedeputeerde Staten geselecteerd als pilot landelijke wooncluster;
  2. als onderdeel van het wooncluster worden nieuwe landschappelijke en natuurlijke elementen ontwikkeld in een verhouding van minimaal 1:1 tot de oppervlakte van het woongebied.

Artikel 4 Werken     

4.1 Programmering bedrijventerreinen en kantorenterreinen     

4.1.1     
  1. Een ruimtelijk plan kan een nieuw bedrijfsterrein of uitbreiding van een bestaand bedrijfsterrein bevatten, indien dit wat betreft oppervlakte en invulling van bedrijfstypen in overeenstemming is met een bedrijventerreinenplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een nieuw bedrijfsterrein of uitbreiding van een bestaand bedrijfsterrein bevatten voor een of enkele bedrijven, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
    1. er is sprake van een directe, concrete behoefte van bedrijven die naar aard en schaal passen bij aard en schaal van de overige kern, de bedrijfsconcentratiekern, het regionaal centrum of het stedelijk centrum;
    2. aangetoond is dat de behoefte waarin wordt voorzien niet inpasbaar is op een bestaand bedrijfsterrein of een in ontwikkeling zijnd bedrijfsterrein in de regio;
    3. het totale ruimtebeslag van deze bedrijven staat in een redelijke verhouding tot de schaal van de kern;
    4. gewaarborgd is dat de bedrijven goed worden ingepast wat betreft milieu, ontsluiting en landschap.
  3. In afwijking van het eerste lid kan in een ruimtelijk plan voor een Waddeneiland een bedrijfsterrein worden opgenomen, indien het bedrijfsterrein wat betreft oppervlakte en invulling in overeenstemming is met een structuurvisie waarover met Gedeputeerde Staten schriftelijk overeenstemming is bereikt.
4.1.2     
  1. Een ruimtelijk plan kan een nieuw kantorenterrein of uitbreiding van een bestaand kantorenterrein bevatten indien dit wat betreft oppervlakte en invulling van kantoortypen in overeenstemming is met een kantorenplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een nieuw kantorenterrein of uitbreiding van een bestaand kantorenterrein bevatten voor een of enkele kantoren, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
    1. er is sprake van een directe, concrete behoefte van kantoren die naar aard en schaal passen bij aard en schaal van de overige kern, het regionaal centrum of het stedelijk centrum;
    2. aangetoond is dat de behoefte waarin wordt voorzien niet inpasbaar is op een bestaand of in ontwikkeling zijnd terrein in de regio;
    3. het totale ruimtebeslag van deze kantoren staat in een redelijke verhouding tot de schaal van de kern;
    4. gewaarborgd is dat de kantoren goed worden ingepast wat betreft milieu, ontsluiting en landschap.

4.2 Werkfuncties en voorzieningen per type kern     

4.2.1     

In een ruimtelijk plan voor een regionaal centrum zijn niet toegestaan:

  1. een kantoor met een grotere vloeroppervlakte dan 1.200 m²;
  2. een bedrijf in de milieucategorieën 5.1, 5.2, 5.3 of 6;
  3. een bedrijf met een kavelomvang groter dan 10.000 m²;
  4. een voorziening met een bovenregionaal verzorgingsgebied.
4.2.2     

In een ruimtelijk plan voor een bedrijfsconcentratiekern zijn niet toegestaan:

  1. een kantoor met een grotere vloeroppervlakte dan 600 m²;
  2. een bedrijf in de milieucategorieën 3.2, 4.1, 4.2, 5.1, 5.2, 5.3 of 6;
  3. een bedrijf met een kavelomvang groter dan 5.000 m²;
  4. een voorziening met een regionaal of bovenregionaal verzorgingsgebied.
4.2.3     

In een ruimtelijk plan voor een overige kern zijn niet toegestaan:

  1. een kantoor met een grotere vloeroppervlakte dan 600 m²;
  2. een bedrijf in de milieucategorieën 3.1, 3.2, 4.1, 4.2, 5.1, 5.2, 5.3 of 6;
  3. een bedrijf met een kavelomvang groter dan 2.500 m²;
  4. een voorziening met een bovenlokaal, regionaal of bovenregionaal verzorgingsgebied.
4.2.4     

Van de artikelen 4.2.1 tot en met 4.2.3 kan ten behoeve van een incidenteel kantoor, bedrijf, of voorziening worden afgeweken, mits in de plantoelichting is onderbouwd dat aard en schaal van de functie aansluiten bij aard en schaal van de overige kern, het regionaal centrum of het stedelijk centrum.

4.3 Niet agrarische bedrijven in landelijk gebied     

4.3.1     
  1. In een ruimtelijk plan voor landelijk gebied kan uitbreiding worden toegestaan van een bestaand, niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijf tot maximaal 50% van het bestaande bebouwde oppervlak en maximaal 50% van het bestaande bestemmingsvlak, indien in de plantoelichting is onderbouwd dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en het plan voorziet in een goede inpassing binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.
4.3.2     
  1. In afwijking van artikel 1.1.1, eerste en tweede lid kan in een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied een nieuwe horeca-inrichting worden toegestaan aansluitend op bestaand stedelijk gebied of nabij een stedelijk centrum, regionaal centrum of recreatiekern.
  2. Van het bepaalde in artikel 4.3.1. kan van het toegestane uitbreidingspercentage voor bedrijven worden afgeweken ten behoeve van uitbreiding van agrarische hulpbedrijven.
  3. Bij toepassing van het eerste en tweede lid:
    1. wordt in de plantoelichting onderbouwd dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en
    2. dient het plan te voorzien in een goede inpassing binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.

4.4 Detailhandel     

4.4.1     
  1. Onverminderd de mogelijkheden voor ondergeschikte detailhandel op grond van de artikelen 1.2.1, 1.3.1 en 6.2.1, kan in een ruimtelijk plan detailhandel buiten het bestaande kernwinkelgebied en het gebied direct daarop aansluitend slechts worden toegestaan indien sprake is van perifere detailhandel.
  2. In dat geval is in de plantoelichting gemotiveerd dat:
    1. de detailhandel geen afbreuk doet aan de functionele en ruimtelijke kwaliteit van het bestaande kernwinkelgebied,
    2. de detailhandel wat betreft schaal en functionele en ruimtelijke kwaliteit aansluit bij aard en schaal van de kern, en
    3. vestiging in het kernwinkelgebied of de centrumrand redelijkerwijs niet mogelijk is, voor zover sprake is van detailhandel in fietsen, autoaccessoires en supermarkten.
4.4.2     

In afwijking van artikel 4.4.1, eerste lid kan in een ruimtelijk plan nieuwe detailhandel worden toegestaan:

  1. als onderdeel van een buurtwinkelcentrum mits in de plantoelichting wordt gemotiveerd dat de detailhandel geen afbreuk doet aan de functionele en ruimtelijke kwaliteit van het bestaande kernwinkelgebied, of
  2. als solitaire kleinschalige winkelvestiging in een woonbuurt of gemengde buurt.

4.4.3     
  1. In afwijking van artikel 4.4.1, eerste lid kan in en aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied van de kern Leeuwarden buiten het kernwinkelgebied verruimde perifere detailhandel worden toegestaan, mits in de plantoelichting wordt gemotiveerd dat dit geen afbreuk doet aan de functionele en ruimtelijke kwaliteit van het kernwinkelgebied van Leeuwarden.
  2. In afwijking van artikel 4.4.1, eerste lid kan detailhandel worden toegestaan, indien deze direct verband houdt met een grootschalige voorziening in een stedelijk centrum en daar een ondergeschikt deel van uitmaakt, tot een maximum vloeroppervlakte van 1.000 m² per voorziening.

4.5 Natte bedrijventerreinen     

4.5.1     
  1. Indien een ruimtelijk plan een bedrijventerrein bevat dat wordt ontsloten door een vaarweg voor de beroepsvaart, worden op dat bedrijventerrein uitsluitend vaarweggebonden bedrijven of bedrijven met van watertransport afhankelijke omvangrijke goederenstromen, toegestaan.
  2. In afwijking van het eerste lid kunnen op dat bedrijventerrein andere bedrijven worden toegestaan, indien in de plantoelichting is gemotiveerd dat op het terrein voldoende ruimte beschikbaar is voor de in het eerste lid genoemde bedrijven.

Artikel 5 Recreatie en toerisme     

5.1 Recreatiewoningen     

5.1.1     
  1. In een ruimtelijk plan kan een uitbreiding van een bestaand complex van recreatiewoningen worden toegestaan, waarbij het aantal recreatiewoningen mag toenemen tot 50, dan wel met 50% van het bestaande aantal recreatiewoningen tot een maximum van 75.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een uitbreiding plaatsvinden tot een maximum aantal van 200 recreatiewoningen, mits:
    1. in het ruimtelijk plan is vastgelegd dat van het extra aantal woningen dat kan worden gerealiseerd ten opzichte van hetgeen in het eerste lid is toegestaan, minimaal 75% wordt verhuurd, in de vorm van een bedrijfsmatige exploitatie en
    2. in geval van een bestaand complex van recreatiewoningen dat niet is gelegen in, aansluitend aan of nabij een recreatiekern, sprake is van minimaal 50 bestaande recreatiewoningen.
5.1.2     
  1. In een ruimtelijk plan kan een nieuw complex van recreatiewoningen uitsluitend worden toegestaan in, aansluitend aan of nabij een recreatiekern, tot een maximum aantal van 50 recreatiewoningen.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een maximum aantal van 200 recreatiewoningen worden toegestaan, mits in het ruimtelijk plan is vastgelegd dat minimaal 75% van de recreatiewoningen wordt verhuurd in de vorm van een bedrijfsmatige exploitatie.
5.1.3     

In afwijking van artikel 5.1.2 kan een ruimtelijk plan op een bestaand kampeerterrein recreatiewoningen toestaan ter vervanging van standplaatsen.

5.2 Kampeerterreinen     

5.2.1     

In een ruimtelijk plan kan een uitbreiding van een bestaand kampeerterrein worden toegestaan, waarbij het aantal standplaatsen mag toenemen tot 200, dan wel het bestaande aantal standplaatsen met 100 mag toenemen, mits in de plantoelichting is onderbouwd dat de uitbreiding bijdraagt aan kwaliteitsverbetering van het kampeerterrein.

5.2.2     

In een ruimtelijk plan kan een nieuw kampeerterrein uitsluitend worden toegestaan in, aansluitend aan of nabij een recreatiekern, tot een maximum aantal van 200 standplaatsen.

5.3 Jachthavens     

5.3.1     

In een ruimtelijk plan kan een uitbreiding van een bestaande jachthaven worden toegestaan in, aansluitend aan of nabij een recreatiekern, waarbij het aantal ligplaatsen mag toenemen tot 250, dan wel het bestaande aantal ligplaatsen met 100 mag toenemen.

5.3.2     

In een ruimtelijk plan kan een nieuwe jachthaven uitsluitend worden toegestaan in, aansluitend aan of nabij een recreatiekern, tot een maximum aantal van 250 ligplaatsen.

5.4 Dagrecreatieve inrichtingen     

5.4.1     
  1. In een ruimtelijk plan kan een uitbreiding van een bestaande dagrecreatieve inrichting worden toegestaan, tot een maximaal aantal van 150.000 bezoekers per jaar.
  2. In een ruimtelijk plan kan een nieuwe dagrecreatieve inrichting worden toegestaan in, aansluitend aan of nabij een recreatiekern, tot een maximaal aantal van 150.000 bezoekers per jaar.
  3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan in een ruimtelijk plan een nieuwe of uitbreiding van een bestaande dagrecreatieve inrichting worden toegestaan in, aansluitend aan of nabij een stedelijk centrum, met een aantal van meer dan 150.000 bezoekers.

5.5 Kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie     

5.5.1     
  1. In afwijking van de artikelen 5.1.2, 5.2.2, en 5.3.2 kunnen in een ruimtelijk plan buiten een recreatiekern de volgende recreatieve voorzieningen worden toegestaan:
    1. een kleinschalig kampeerterrein van maximaal 15 standplaatsen op of aansluitend aan het erf van een agrarisch bedrijf, woning of bedrijf;
    2. kleinschalige vormen van logies in bestaande bebouwing op het erf van een agrarisch bedrijf, woning of bedrijf;
    3. maximaal 15 recreatiewoningen in bestaande bebouwing op het erf van een agrarisch bedrijf, woning, of bedrijf;
    4. maximaal 15 recreatiewoningen in de vorm van nieuwe bebouwing binnen of aangrenzend aan bestaand stedelijk gebied, mits die onderdeel zijn van één fysiek samenhangend project dat leidt tot herbestemming en -gebruik van bestaande bebouwing in bestaand stedelijk gebied;
    5. maximaal 10 trekkershutten op het erf van een agrarisch bedrijf of voormalig agrarisch bedrijf, aansluitend op bestaande bebouwing;
    6. groepsaccommodatie op het erf van een agrarisch bedrijf of voormalig agrarisch bedrijf, in of aansluitend op bestaande bebouwing.
  2. In afwijking van het eerste lid, onder a, kunnen op een kleinschalig kampeerterrein maximaal 25 standplaatsen worden toegestaan op of aansluitend aan het erf van:
    1. een agrarisch bedrijf;
    2. een woning of bedrijf indien sprake is van een woon- of bedrijfsperceel dat wat betreft oppervlakte en uitstraling vergelijkbaar is met een agrarisch perceel,

mits de gemeente het aantal kleinschalige kampeerterreinen met 16 tot maximaal 25 standplaatsen beperkt, of zones of gebieden aanwijst waar deze terreinen zijn toegestaan.

5.5.2     

In afwijking van de artikelen 5.3.1 en 5.3.2 kan in een ruimtelijk plan de uitbreiding van een bestaande jachthaven of een nieuwe jachthaven worden toegestaan buiten een recreatiekern tot een maximum van 50 ligplaatsen per jachthaven in of aansluitend aan een kern en tot een maximum van 25 ligplaatsen daarbuiten.

5.5.3     
  1. In afwijking van artikel 5.4.1 kan in een ruimtelijk plan buiten een recreatiekern, op of aansluitend aan een verblijfsrecreatieve voorziening of jachthaven, een nieuwe dagrecreatieve inrichting of voorziening worden opgenomen, mits deze naar aard en schaal past bij die recreatieve voorziening en in ieder geval daaraan wat betreft ruimtebeslag en uitstraling ondergeschikt is.
  2. In afwijking van het eerste lid en van artikel 5.4.1 kan in een ruimtelijk plan buiten een recreatiekern een nieuwe kleinschalige dagrecreatieve inrichting of voorziening worden toegestaan tot een maximale terreinomvang van 1 ha.

5.6 Bijzondere bepalingen recreatieve voorzieningen     

5.6.1     
  1. In een ruimtelijk plan waarin een uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening of de vestiging van een nieuwe recreatieve voorziening is toegestaan, zoals bedoeld in de artikelen in dit hoofdstuk, wordt in de plantoelichting onderbouwd dat de inrichting milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en wat betreft schaal en verschijningsvorm inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.
  2. Voor de landschappelijke inpassing van een recreatieve voorziening zoals bedoeld in de artikelen 5.1 tot en met 5.4 wordt een ruimtelijk inrichtingsplan opgesteld volgens de methodiek ‘Nije Pleats’, waarvan de uitvoering zo nodig als voorwaardelijke bepaling in het ruimtelijk plan is opgenomen.
5.6.2     

In een ruimtelijk plan waarin een uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening of de vestiging van een nieuwe recreatieve voorziening is toegestaan, zoals bedoeld in de artikelen in dit hoofdstuk, wordt in de plantoelichting onderbouwd dat de beoogde ontwikkeling:

  1. bijdraagt aan verbreding of kwaliteitsverbetering van het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio, en
  2. voor zover het betreft de uitbreiding van een bestaande voorziening, deze bijdraagt aan kwaliteitsverbetering van die voorziening.

5.7 Waddeneilanden     

5.7.1     
  1. Het bepaalde in de artikelen 5.1, 5.2 en 5.4 geldt, voor zover betrekking hebbend op de situering van recreatieve voorzieningen in, aansluitend of nabij recreatiekernen, niet voor de Waddeneilanden.
  2. Het bepaalde in de artikelen 5.3.1 en 5.3.2 geldt niet voor de Waddeneilanden.
5.7.2     

In de toelichting op een ruimtelijk plan waarin een nieuwe of een uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening op of bij een Waddeneiland is opgenomen, wordt onderbouwd op welke wijze is gezorgd voor stabilisatie van de totale recreatiedruk per eiland en rekening is gehouden met de landschappelijke en natuurlijke waarden.

5.8 Permanente bewoning van recreatiewoningen     

5.8.1     

In een ruimtelijk plan kan de bestemming voor verblijfsrecreatief gebruik van recreatiewoningen die buiten het bestaand stedelijk gebied liggen en die primair als recreatiewoningen zijn gebouwd, niet worden omgezet in een woonbestemming voor permanente bewoning.

5.8.2     

In afwijking van artikel 5.8.1 kan een ruimtelijk plan voorzien in de omzetting van de bestemming van recreatiewoningen naar een woonbestemming voor permanente bewoning, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. de recreatiewoningen sluiten aan op bestaand stedelijk gebied;
  2. de recreatiewoningen liggen buiten de ecologische hoofdstructuur;
  3. de recreatiewoningen voldoen aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;
  4. aard en schaal van de bestemmingswijziging passen bij de kern, en de woningen zijn als nieuwe woningen voorzien in het woonplan als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid;
  5. de recreatiewoningen worden sinds 1 november 2003 onafgebroken permanent bewoond;
  6. in geval van een complex van recreatiewoningen is sinds 1 november 2003 minimaal 50% van de recreatiewoningen permanent bewoond en wordt het complex niet bedrijfsmatig geëxploiteerd.

Artikel 6 Landbouw     

6.1 Agrarische bedrijven     

6.1.1     

Een ruimtelijk plan kan uitsluitend een nieuw agrarisch bouwperceel bevatten indien:

  1. het bouwperceel is bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, of voor een bestaande niet grondgebonden veehouderij die om dringende redenen van maatschappelijke aard verplaatst moet worden, en
  2. redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van bestaande bouwpercelen voor agrarische bedrijven of voormalige agrarische bedrijven in het landelijk gebied,



met dien verstande dat met betrekking tot de oppervlakte van het bouwperceel voor grondgebonden agrarische bedrijven artikel 6.1.2, eerste en tweede lid, en voor niet grondgebonden veehouderijen artikel 6.1.3, eerste lid van toepassing is.

6.1.2     
  1. In een ruimtelijk plan kan een bestaand bouwperceel voor een grondgebonden agrarisch bedrijf een uitbreiding krijgen tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een groter bouwperceel worden toegestaan, mits:
    1. het agrarisch bedrijf grondgebonden blijft, en
    2. de oppervlakte van het agrarisch bouwperceel niet meer bedraagt dan 3 ha.
  3. In afwijking van het tweede lid kan in een incidenteel geval een bouwperceel van meer dan 3 ha worden toegestaan indien:
    1. het bedrijf al een bouwperceel van bijna 3 ha of meer dan 3 ha heeft en de bedrijfsuitbreiding redelijkerwijs niet binnen dat bouwperceel is te realiseren,
    2. de uitbreiding van het bouwperceel beperkt blijft, en
    3. de nieuwe situatie een aanzienlijk maatschappelijk voordeel oplevert voor een of meer van de volgende aspecten:
  1. verbetering van dierenwelzijn,
  2. vermindering van milieubelasting en van uitstoot van milieubelastende stoffen;
  3. een innovatieve bedrijfsvoering die bijdraagt aan duurzaamheid en daardoor een voorbeeldfunctie heeft,
  4. aanmerkelijke landschappelijke verbetering, waaronder begrepen het elders slopen van minimaal een gelijke oppervlakte aan bebouwing.
6.1.3     
  1. In een ruimtelijk plan kan een bestaand bouwperceel voor een niet grondgebonden veehouderij een uitbreiding krijgen tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha, met dien verstande dat in geval op het bouwperceel bedrijfsactiviteiten plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 6.2.1, eerste lid, van een extra oppervlak tot maximaal 0,5 ha mag worden uitgegaan.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een groter bouwperceel worden toegestaan indien:
    1. het bedrijf al een bouwperceel van bijna 1,5 ha of meer dan 1,5 ha heeft en de bedrijfsuitbreiding redelijkerwijs niet binnen dat bouwperceel is te realiseren,
    2. de uitbreiding van het bouwperceel beperkt blijft, en
    3. de nieuwe situatie een maatschappelijk voordeel oplevert voor een of meer van de volgende aspecten:
  1. verbetering van dierenwelzijn,
  2. vermindering van milieubelasting en van uitstoot van milieubelastende stoffen;
  3. een innovatieve bedrijfsvoering die bijdraagt aan duurzaamheid en daardoor een voorbeeldfunctie heeft,
  4. aanmerkelijke landschappelijke verbetering, waaronder begrepen het elders slopen van minimaal een gelijke oppervlakte aan bebouwing,
6.1.4     
  1. Een ruimtelijk plan kan een regeling bevatten waarmee de bestemming van een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt omgezet naar een bestemming voor een niet grondgebonden veehouderij ten behoeve van volledige verplaatsing of gedeeltelijke verplaatsing van een bestaande niet grondgebonden veehouderij, met dien verstande dat:
    1. in geval van volledige verplaatsing sprake dient te zijn van dringende redenen van maatschappelijke aard en de bestemming voor een niet grondgebonden veehouderij op de oude locatie wordt verwijderd;
    2. ten aanzien van de omvang van het bouwperceel het gestelde in artikel 6.1.3 van overeenkomstige toepassing is.
  2. Een ruimtelijk plan kan een regeling bevatten waarmee de bestemming van een niet grondgebonden veehouderij wordt omgezet naar een bestemming voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat ten aanzien van de omvang van het bouwperceel het gestelde in artikel 6.1.2 van toepassing is.
6.1.5     
  1. In een ruimtelijk plan waarin een uitbreiding van een agrarisch bedrijf naar een bouwperceel groter dan 1,5 hectare of een nieuw agrarisch bouwperceel is toegestaan, wordt in de plantoelichting onderbouwd dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en wat betreft schaal, verschijningsvorm en lichtuitstoot inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.
  2. Voor de landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf zoals bedoeld in het eerste lid wordt een ruimtelijk inrichtingsplan opgesteld volgens de methodiek Nije Pleats, waarvan de uitvoering als voorwaardelijke bepaling in het ruimtelijk plan is opgenomen.

6.2 Nevenactiviteiten en aan de landbouw gerelateerde bedrijfsactiviteiten     

6.2.1     
  1. In een ruimtelijk plan voor landelijk gebied kunnen bij agrarische bedrijven, met inachtneming van het bepaalde in het derde lid, de volgende bedrijfsactiviteiten worden toegestaan:
    1. mestverwerking, mestbewerking, mestvergisting;
    2. verbranding, vergisting of vergassing van biomassa;
    3. verwerking of bewerking van eigen agrarische producten,

of daarmee naar de aard vergelijkbare activiteiten.

  1. In een ruimtelijk plan voor landelijk gebied kunnen bij agrarische bedrijven, met inachtneming van het bepaalde in het vierde lid, de volgende nevenactiviteiten worden toegestaan:
    1. detailhandel in streekeigen producten;
    2. zorgactiviteiten;
    3. natuur- en landschapsbeheer;
    4. bedrijfsactiviteiten behorende tot de milieucategorieën 1 en 2 of naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbare bedrijfsactiviteiten, alsmede agrarische hulpactiviteiten;
    5. het africhten, onderbrengen en verzorgen van dieren;
    6. kleinschalige horeca, dagrecreatie, of verblijfsrecreatie met inachtneming van artikel 5.5.1,



of daarmee naar de aard vergelijkbare activiteiten.

  1. De in het eerste lid genoemde bedrijfsactiviteiten kunnen worden toegestaan, indien:
    1. deze ten dienste staan van of verband houden met de bedrijfseigen agrarische activiteiten,
    2. deze worden gerealiseerd op het agrarisch bouwperceel, en
    3. aan het gebruik en de bebouwing zodanige regels worden gesteld dat deze ondergeschikt zijn aan de agrarische activiteiten en een zorgvuldige inpassing in de omgeving gewaarborgd is.
  2. De in het tweede lid genoemde nevenactiviteiten kunnen worden toegestaan, indien:
    1. deze worden uitgeoefend binnen het agrarisch bouwperceel, met uitzondering van een kleinschalig kampeerterrein zoals bedoeld in artikel 5.5.1.
    2. aan het gebruik en de bebouwing zodanige regels worden gesteld dat deze ondergeschikt zijn aan de agrarische activiteiten en een zorgvuldige inpassing binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten is gewaarborgd.
6.2.2     

In afwijking van artikel 1.1.1 en artikel 6.2.1, eerste lid kunnen in een ruimtelijk plan voor landelijk gebied de in artikel 6.2.1, eerste lid genoemde bedrijfsactiviteiten worden toegestaan die niet in hoofdzaak bedrijfseigen zijn, alsmede agrarische hulpbedrijven, indien:

  1. redelijkerwijs geen geschikte locatie gevonden kan worden op of aansluitend op een bedrijventerrein, een glastuinbouwlocatie of een terrein voor openbare nutsvoorzieningen,
  2. vestiging plaatsvindt op een bestaand bouwperceel voor een voormalig agrarisch bedrijf of een voormalig bedrijf, of bij het ontbreken van een geschikt perceel, op een goed ontsloten agro-locatie, en
  3. aan het gebruik en de bebouwing zodanige regels worden gesteld dat een zorgvuldige inpassing in de omgeving gewaarborgd is.

6.3 Goothoogte stallen     

6.3.1     
  1. Een ruimtelijk plan bevat geen bouwmogelijkheid voor een stal voor de huisvesting van vee met een grotere goothoogte dan 5 meter.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een hogere goothoogte worden toegestaan mits het geen gestapelde stal betreft en in de plantoelichting is gemotiveerd dat een grotere goothoogte inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.

6.4 Glastuinbouw     

6.4.1     
  1. In een ruimtelijk plan kan vestiging van glastuinbouwbedrijven buiten de glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân, niet worden toegestaan.
  2. Voor een bestaand glastuinbouwbedrijf buiten de glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân kan een ruimtelijk plan een uitbreidingsmogelijkheid bevatten tot maximaal 20% van de bestaande omvang van de glasopstanden.
  3. Voor een agrarisch bedrijf, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, buiten de glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân kan een ruimtelijk plan een mogelijkheid bevatten voor een ondersteunende tak glastuinbouw tot maximaal 1.500 m² aan glasopstanden per bedrijf binnen het agrarische bouwperceel.
6.4.2     

In afwijking van artikel 6.4.1, tweede lid kan een grotere uitbreiding worden toegestaan tot een maximum van 50%, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. uit een bedrijfsplan blijkt dat sprake is van een economisch levensvatbare bedrijfsontwikkeling en dat verplaatsing van het bedrijf naar de glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân niet haalbaar is;
  2. door de uitbreiding zal ter plaatse geen clustering van meerdere glastuinbouwbedrijven ontstaan;
  3. het ruimtelijk plan voorziet in een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de uitbreiding.

6.5 Gebruiksgerichte paardenhouderijen     

6.5.1     

Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied kan een nieuw bouwperceel bevatten voor een gebruiksgerichte paardenhouderij indien in de plantoelichting is gemotiveerd dat:

  1. geen geschikte locatie gevonden kan worden in aansluiting op het bestaand stedelijk gebied en redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaand bouwperceel voor een voormalig agrarisch bedrijf of een voormalig bedrijf in het landelijk gebied;
  2. sprake is van een economisch levensvatbare bedrijfsontwikkeling zoals blijkt uit een bedrijfsplan;
  3. de paardenhouderij landschappelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar in de omgeving is.



Artikel 7 Natuur     

7.1 Ecologische hoofdstructuur     

7.1.1     
  1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur zoals begrensd op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur voorziet in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gronden.
  2. Een ruimtelijk plan voor gronden zoals bedoeld in het eerste lid maakt geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gronden, of tot significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur.
  3. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden nabij de ecologische hoofdstructuur kan nieuwe, niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur.
7.1.2     

In afwijking van artikel 7.1.1, eerste lid, is voortzetting van het bestaande gebruik inclusief de bijbehorende bestemmingsregeling mogelijk, voor zover gronden binnen de ecologische hoofdstructuur nog niet zijn verworven voor natuurontwikkeling.

7.1.3     
  1. In afwijking van artikel 7.1.1, tweede lid, kan een ruimtelijk plan nieuwe activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, indien:
    1. sprake is van een groot openbaar belang,
    2. er geen reële alternatieven voor de beoogde ontwikkeling zijn,
    3. schade door mitigerende maatregelen zoveel wordt beperkt als fysiekruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is, en
    4. resterende schade wordt gecompenseerd door het treffen van zodanige maatregelen dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang van de ecologische hoofdstructuur.
  2. In afwijking van artikel 7.1.1, tweede lid kan een ruimtelijk plan onderling samenhangende activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken die mede tot doel hebben de kwaliteit of kwantiteit van de ecologische hoofdstructuur op gebiedsniveau te verbeteren, indien:
    1. in een provinciale, gemeentelijke of intergemeentelijke gebiedsvisie, de effecten van verschillende maatregelen en ingrepen op de natuurwaarden van het gebied in beeld worden gebracht en afgewogen,
    2. per saldo sprake is van verbetering van de natuurwaarden in en rond het gebied, waarbij de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur gelijk blijft of toeneemt,
    3. in de plantoelichting een verantwoording wordt opgenomen over de aard, omvang, locaties en het tijdvak van realisatie van de verbetering van de natuurwaarden en
    4. de wijze waarop tenuitvoerlegging van de daartoe benodigde maatregelen en ingrepen plaatsvindt feitelijk en planologisch gewaarborgd is.
  3. In afwijking van artikel 7.1.1, derde lid, kan een ruimtelijk plan nieuwe activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur, mits:
    1. er geen reële alternatieven voor de beoogde ontwikkeling zijn,
    2. schade door mitigerende maatregelen zoveel wordt beperkt als fysiekruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is, en
    3. resterende schade wordt gecompenseerd door het treffen van zodanige maatregelen dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden in termen van kwaliteit en samenhang van de ecologische hoofdstructuur.
7.1.4     
  1. In geval van compensatie als bedoeld in artikel 7.1.3, eerste lid onder d en derde lid onder c, wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
    1. inrichting en bestemming van vervangend areaal voor de ontwikkeling van natuurwaarden aansluitend op of nabij het gebied waar de beoogde ontwikkeling plaatsvindt;
    2. ontwikkeling van kwalitatief gelijkwaardige waarden in bestaand natuurgebied, of inrichting en bestemming van vervangend areaal voor de ontwikkeling van natuurwaarden op afstand van het gebied waar de beoogde ontwikkeling plaatsvindt, met behoud van voldoende samenhang in de ecologische hoofdstructuur;
    3. storting van een financiële bijdrage in een compensatiefonds, die voldoende hoog is om het netto verlies te compenseren door de ontwikkeling van natuurwaarden.
  2. In geval van compensatie als bedoeld in het eerste lid:
    1. wordt in de plantoelichting een verantwoording opgenomen over de aard, omvang en het tijdvak van realisatie van de mitigerende en compenserende maatregelen, en de begrenzing van het compensatiegebied, en
    2. wordt de wijze waarop tenuitvoerlegging van de daartoe benodigde maatregelen en ingrepen plaatsvindt feitelijk en planologisch gewaarborgd.
7.1.5     

Wanneer het ruimtelijk plan, waarvoor een afwijking is toegepast als bedoeld in artikel 7.1.3 of waarvoor areaalcompensatie is toegepast zoals bedoeld in artikel 7.1.4, onherroepelijk is geworden, doen Burgemeester en Wethouders hiervan melding aan Gedeputeerde Staten.

7.1.6     
  1. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de grenzen van de ecologische hoofdstructuur zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur aan te passen.
  2. Aanpassing van de grenzen van de ecologische hoofdstructuur als bedoeld in het eerste lid, is mogelijk ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling mits:
    1. de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van de ecologische hoofdstructuur beperkt is,
    2. de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur, of een vergroting van de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur, en
    3. de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur ten minste gelijk blijft.
  3. Aanpassing van de grenzen van de ecologische hoofdstructuur als bedoeld in het eerste lid, is eveneens mogelijk ten behoeve van een ontwikkeling als bedoeld in artikel 7.1.3, eerste, tweede en derde lid.
7.1.7     
  1. De artikelen 7.1.1 tot en met 7.1.5 zijn niet van toepassing op de één op één begrensde beheergebieden zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur.
  2. Voor de gebieden als bedoeld in het eerste lid geldt dat in een ruimtelijk plan:
    1. wordt voorzien in een bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, met inbegrip van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, met dien verstande dat normaal agrarisch gebruik en daarbij behorende bebouwing, waaronder begrepen nevenactiviteiten zoals bedoeld in artikel 6.2.1, mogelijk zijn;
    2. een eventuele onvermijdelijke ruimtelijke ingreep wordt afgewogen ten opzichte van de wezenlijke kenmerken en waarden, waarbij de mogelijkheden voor mitigatie en vervolgens compensatie van natuurwaarden en herbegrenzing van beheergebieden worden betrokken.

7.2 Natuur buiten de Ecologische hoofdstructuur     

7.2.1     

Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur, voorziet in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden.

7.2.2     

Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelbieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan.

7.2.3     

In de plantoelichting bij een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op agrarische gronden met bestaande natuurwaarden, wordt aangegeven op welke wijze met deze natuurwaarden in het ruimtelijk plan rekening is gehouden.

7.2.4     

Van artikel 7.2.1 en artikel 7.2.2 kan worden afgeweken voor een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep;
  2. schade aan natuurwaarden door mitigerende maatregelen wordt zoveel beperkt als fysiek-ruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is;
  3. indien sprake is van een natuurgebied als bedoeld in artikel 7.2.1, wordt resterende schade aan natuurwaarden zoveel gecompenseerd als fysiekruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is;
  4. indien sprake is van het verloren gaan van gebied groter dan 0,5 ha dat vanwege rust en openheid voor weidevogels geschikt is als bedoeld in artikel 7.2.2, wordt dit financieel gecompenseerd door storting van een bedrag in een weidevogelfonds, volgens door Gedeputeerde Staten vast te stellen regels. De plantoelichting dient te verantwoorden op welke wijze financiële compensatie is geborgd.

Artikel 8 Kustverdediging     

8.1 Reserveringszones voor versterking primaire waterkeringen     

8.1.1     
  1. In een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een reserveringszone voor versterking van een primaire waterkering buiten aaneengesloten bebouwd gebied, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaarten Reserveringszones versterking primaire waterkeringen, wordt de grens van de reserveringszone vastgelegd.
  2. Binnen de in het eerste lid genoemde reserveringszones mogen uitsluitend worden toegestaan:
    1. uitbreiding van bestaande, aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijven, mits dit geen onomkeerbare belemmering vormt voor de versterking van de waterkering en hierover advies is gevraagd aan de waterkeringbeheerder;
    2. uitbreiding van een bestaande woning, een bestaande recreatiewoning, of een bestaand, niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijf, met maximaal 10% van het bestaande bebouwde oppervlak;
    3. bebouwing voor openbare nutsvoorzieningen, voor beheer van natuur of van hulpdiensten en voor waterstaatkundig beheer en onderhoud, voor zover deze bebouwing redelijkerwijs niet buiten de reserveringszone kan worden opgericht.
8.1.2     
  1. In afwijking van artikel 8.1.1, tweede lid kan nieuwe bebouwing binnen een reserveringszone worden toegestaan, indien:
    1. sprake is van redenen van groot openbaar belang,
    2. versterking van de waterkering niet onomkeerbaar wordt belemmerd, en
    3. advies is gevraagd aan de waterkeringbeheerder.
8.1.3     
  1. In een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een reserveringszone voor versterking van een primaire waterkering binnen aaneengesloten bebouwd gebied, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaarten Reserveringszones versterking primaire waterkeringen, wordt de reserveringszone vastgelegd.
  2. In een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op de gronden binnen deze reserveringszone, mogen nieuwbouw en uitbreiding van bestaande bebouwing worden toegestaan mits dit geen onomkeerbare belemmering oplevert voor versterking van de waterkering en hierover advies is gevraagd aan de waterkeringbeheerder.

8.2 Buitendijks bouwen     

8.2.1     

In een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op buitendijks gebied in het IJsselmeer, of in de bestaande havenkom van Harlingen zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Havenkom Harlingen, worden geen bouw- en gebruiksmogelijkheden opgenomen voor nieuwe recreatieve voorzieningen, nieuwe stedelijke functies of voor nieuwe bedrijven.

8.2.2     

In een ruimtelijk plan kunnen in afwijking van artikel 8.2.1 bouw- en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor:

  1. een jachthaven, watergebonden bedrijven, kleinschalige voorzieningen voor strand- en waterrecreatie, en vergelijkbare watergebonden functies;
  2. nieuwe functies waaronder woningbouw, op een bestaande bedrijven-, woon-, of recreatielocatie die wordt geherstructureerd of getransformeerd,

met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. de mogelijkheden worden afgewogen ten opzichte van het risico op calamiteiten bij overstroming, waarbij de risico's worden beperkt door risicobewust te bouwen en rekening wordt gehouden met toekomstige stijging van het waterpeil;
  2. versterking van de waterkering niet onomkeerbaar wordt belemmerd;
  3. er geen beperkingen optreden voor de beroepsscheepvaart;
  4. de mogelijkheden geen afbreuk doen aan de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten en de natuurlijke waarden van de omgeving;
  5. de waterkwaliteit niet nadelig wordt beïnvloed;
  6. advies is gevraagd aan de waterbeheerder en voor zover van toepassing de vaarwegbeheerder.
8.2.3     

In afwijking van artikel 1.1.1 en artikel 8.2.1 kan een ruimtelijk plan bouw- en gebruiksmogelijkheden bieden voor nieuwe bijzondere stedelijke en recreatieve functies op en bij de Afsluitdijk, met inachtneming van de voorwaarden in artikel 8.2.2, mits de betrokken gemeente en Gedeputeerde Staten daarover overeenstemming hebben bereikt en deze functies passen binnen een beleidskader waarmee Provinciale Staten hebben ingestemd.

8.3 Kustfundament Waddeneilanden     

8.3.1     
  1. Ter zake van de herbouw en verbouw van een bestaand bouwwerk in het kustfundament, al dan niet gepaard gaande met een uitbreiding van het grondoppervlak, geldt dat bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht of ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening in werking is getreden en onherroepelijk is, mogen worden benut met dien verstande dat een uitbreiding van het bestaande grondoppervlak met ten hoogste 10% in ieder geval is toegestaan.
  2. In afwijking van het eerste lid mogen in een ruimtelijk plan voor gronden die in het kustfundament liggen nieuwe en uitbreiding van bestaande bebouwing met meer dan 10% worden toegestaan, mits in de plantoelichting is gemotiveerd dat hierdoor geen belemmering kan ontstaan voor de instandhouding of versterking van het zandige deel van het kustfundament, hierover advies is gevraagd aan de waterkeringbeheerder en de overige bepalingen van deze verordening voor het oprichten van bebouwing in acht worden genomen.

Artikel 9 Duurzame energie     

9.1 Nieuwe windturbines     

9.1.1     

Een ruimtelijk plan bevat geen bouwmogelijkheid voor nieuwe windturbines.

9.2 Opschalen bestaande windturbines     

9.2.1     

Een ruimtelijk plan mag geen regeling bevatten op grond waarvan bestaande windturbines kunnen worden vervangen, anders dan door turbines met dezelfde masthoogte en wiekdiameter, op dezelfde locatie.

9.3 Kleine windturbines     

9.3.1     
  1. Een ruimtelijk plan bevat geen bouwmogelijkheid voor kleine windturbines in het landelijk gebied.
  2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een regeling bevatten voor een innovatieve pilot voor:
    1. kleine windturbines met een horizontale as in andere vormen dan twee of drie wieken, waaronder de zogenaamde niet-wiek turbines, en een rotordiameter van maximaal twee meter;
    2. kleine windturbines met een verticale as en een rotordiameter van maximaal twee meter,



mits het innovatieve karakter van de pilot middels een rapportage aannemelijk wordt gemaakt en de kleine windturbines zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.



9.4 Opstellingen voor zonne-energie     

9.4.1     
  1. Een ruimtelijk plan in het landelijk gebied kan slechts voorzien in een opstelling voor zonne-energie:
    1. aansluitend op bestaand stedelijk gebied van een stad of dorp of als onderdeel van een uitbreidingslocatie, of nabij bestaand stedelijk gebied, mits het zonnepark een redelijke aansluiting heeft of krijgt op het stedelijk weefsel van stad of dorp;
    2. op het bouwperceel van een bestaand agrarisch of niet-agrarisch bedrijf, van een bestaande maatschappelijke voorziening of van een bestaande woning, mits het op te stellen vermogen is gericht op de energiebehoefte die samenhangt met de bestaande functie van dat perceel;
    3. op gronden met een bestemming voor bestaande nutsvoorzieningen of voor infrastructuur voor weg, spoor, water en vliegverkeer, voor zover het niet gaat om historische infrastructuur en groene grasdijklichamen, zoals benoemd en aangewezen in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte;
    4. op gronden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur of zijn aangewezen als natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur, alleen voor zover de opstelling wat betreft functie en vermogen is gericht op de energiebehoefte die samenhangt met het fysieke beheer en onderhoud van dat natuurgebied.
  2. In afwijking van het eerste lid, onder a, kan een opstelling voor zonne-energie worden toegestaan op een locatie die niet aansluit op stedelijk gebied, mits aangetoond wordt dat deze naar redelijke verwachting van gemeente en provincie binnen tien jaar onderdeel zal uitmaken van de stedelijke woon- of werkuitbreiding of daarop zal aansluiten.
  3. In een ruimtelijk plan op de Waddeneilanden kan worden afgeweken van het gestelde in het eerste lid, onder a en d.
  4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder c, is een opstelling op historische infrastructuur en groene grasdijklichamen mogelijk, mits de opstelling in omvang beperkt blijft, de historische en landschappelijke kwaliteiten, waaronder het groene karakter van de dijk, voorop blijven staan en de specifieke behoefte om een opstelling te plaatsen op die locatie is onderbouwd.
  5. Bij toepassing van het eerste lid, onder a, het tweede, derde en vierde lid worden de locatie van de opstelling en de omvang daarvan in de plantoelichting onderbouwd op grond van:
    1. de gemeentelijke ambitie inzake zonne-energie,
    2. de daaraan verbonden analyse van en visie op mogelijkheden binnen en buiten bestaand bebouwd gebied,
    3. de energiebehoefte van een kern, of van enkele samenwerkende kernen en de mogelijkheid van participatie van bewoners, en
    4. aard en schaal van een kern.
  6. Bij toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt in de plantoelichting onderbouwd dat de opstelling inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten en wordt een ruimtelijk inrichtingsplan opgesteld, waarvan de uitvoering zo nodig als voorwaardelijke bepaling in het ruimtelijk plan is opgenomen.



Artikel 10 Algemene bepalingen ontheffing en afwijking     

10.1 Algemene ontheffing     

10.1.1     
  1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van Burgemeester en Wethouders een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de wet verlenen van het bepaalde in de artikelen 1.1.1, 5.1 tot en met 5.4, 6.1.1 tot en met 6.1.3, 6.2.1 en 6.4.1, voor een ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied van stedelijke of recreatieve of agrarische functies, in die gevallen waarin de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.
  2. De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan worden verleend indien:
    1. de ontwikkeling gelet op aard, schaal en uitstraling past binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, en in een evenredige verhouding nieuwe kwaliteiten van natuur, water, landschap of recreatieve dan wel agrarische mogelijkheden toevoegt, of bijdraagt aan een goede ruimtelijke kwaliteit in het landelijke gebied of bestaand stedelijk gebied,
    2. de ontwikkeling bijdraagt aan de sociale of economische vitaliteit van het platteland,
    3. de ontwikkeling niet leidt tot onevenredige milieubelasting en niet onevenredig veel verkeer aantrekt in relatie tot het onderliggende wegennet, en
    4. de ontwikkeling niet leidt tot beperkingen voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving.
  3. Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing als bedoeld in artikel 10.1.1 voorschriften verbinden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, waaronder in ieder geval voorschriften met betrekking tot beeldkwaliteit en landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en natuurlijke waarden.
  4. Provinciale Staten worden geïnformeerd over door Gedeputeerde Staten verleende ontheffingen als bedoeld in het eerste lid.

10.2 Inhoud aanvraag ontheffing     

10.2.1     

Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval:

  1. een beschrijving van de activiteit en situatie waarvoor de ontheffing wordt gevraagd;
  2. de ruimtelijke onderbouwing, met inachtneming van artikel 10.1.1, tweede lid;
  3. een digitale verbeelding, dan wel een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft;
  4. een beschrijving van de redenen waarom ontheffing wordt aangevraagd;
  5. een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.

10.3 Weigering     

10.3.1     

Een ontheffing wordt geweigerd indien door het stellen van voorschriften niet voldoende kan worden tegemoetgekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.

10.4 Wijziging en intrekking     

10.4.1     

Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien:

  1. het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend;
  2. gedurende drie jaar na inwerkingtreding van het besluit waarbij de ontheffing is verleend, geen gebruik is gemaakt van de ontheffing.

10.5 Beslistermijn     

10.5.1     
  1. Gedeputeerde Staten beslissen binnen 12 weken nadat de aanvraag om ontheffing is ontvangen op het verzoek om ontheffing.
  2. Indien Gedeputeerde Staten niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kunnen beslissen, delen zij dit aan de aanvrager van de ontheffing mede onder vermelding van de termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

10.6 Bijzondere bepalingen omtrent afwijking     

10.6.1     

In afwijking van artikel 5.1.2 kan een ruimtelijk plan een complex recreatiewoningen toestaan binnen de gebieden Driesum en Westergeest, zoals begrensd op de van deze verordening deel uitmakende kaart Bijzondere afwijkingen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. gebied Driesum: de ontwikkeling betreft een hoogwaardig verblijfsrecreatief project met maximaal 150 recreatiewoningen met bijbehorende voorzieningen, met dien verstande dat in het ruimtelijk plan is vastgelegd dat minimaal 75% van de recreatiewoningen wordt verhuurd in de vorm van een bedrijfsmatige exploitatie;
  2. gebied Westergeest: de ontwikkeling betreft een kleinschalig verblijfsrecreatief terrein met maximaal 22 recreatiewoningen met kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen.
10.6.2     

In afwijking van artikel 1.1.1 kan een ruimtelijk plan een stedelijke ontwikkeling toestaan binnen het gebied Woonzone Peinder Mieden, zoals begrensd op de van deze verordening deel uitmakende kaart Bijzondere afwijkingen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. De ontwikkeling maakt maximaal 50 woningen mogelijk, met bijbehorende kleinschalige voorzieningen, als onderdeel van een hoogwaardige, duurzame landschappelijke inrichting van het gebied De Peinder Mieden, gelegen tussen de Hegewei/de Kletten, het Opeinderkanaal en de Burmaniasloot, met behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.
  2. Bij de situering van de woningen wordt aangesloten op de kenmerkende landschappelijke structuren, in de vorm van een aantal clusters of korte linten.
  3. In de toelichting op het ruimtelijk plan wordt beschreven hoe is geborgd dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het onder a bedoelde gebied De Peinder Mieden gedurende een periode van minimaal 30 jaar als een eenheid worden beheerd en onderhouden op basis van beheersafspraken en dat het gebied een openbare functie heeft.
10.6.3     

Bij toepassing van de bepalingen in artikel 10.6.1 en 10.6.2 gelden, onverminderd het daar bepaalde, de volgende voorwaarden:

  1. de ontwikkeling past gelet op aard, schaal en uitstraling binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, en voegt in een evenredige verhouding nieuwe kwaliteiten van natuur, water, landschap of recreatieve dan wel agrarische mogelijkheden toe, of draagt bij aan een goede ruimtelijke kwaliteit,
  2. de ontwikkeling draagt bij aan de sociale of economische vitaliteit van het platteland,
  3. de ontwikkeling leidt niet tot onevenredige milieubelasting en trekt niet onevenredig veel verkeer aan in relatie tot het onderliggende wegennet, en
  4. de ontwikkeling leidt niet tot beperkingen voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving.

Artikel 11 Overgangs- en slotbepalingen     

11.1 Algemeen     

11.1.1     
  1. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot wijziging van deze verordening voor zover het betreft de nummering van hoofdstukken, artikelen en bijlagen en de bijbehorende verwijzingen.
  2. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd kennelijke onjuistheden in de begrenzing van gebieden in de bij deze verordening behorende kaarten of op de digitale verbeelding ervan te wijzigen.
  3. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de grenzen en aanduidingen op de kaarten die behoren tot de verordening aan te passen op grond van nieuw onderzoek en nieuwe inzichten, indien de aanpassing beperkt is en het belang dat is gediend met de aanpassing opweegt tegen handhaving van de oorspronkelijke grenzen en aanduidingen.
  4. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de Famke en de kaart Weidevogelgebieden die behoren tot de verordening aan te passen op grond van nieuw onderzoek en nieuwe inzichten.
  5. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de grenzen van de gebieden Driesum en de Peinder Mieden, zoals aangeduid op de kaart Bijzondere afwijkingen die behoort tot de verordening, aan te passen op grond van nieuw onderzoek en nieuwe inzichten, indien het belang dat is gediend met de aanpassing opweegt tegen handhaving van de oorspronkelijke grenzen.
  6. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van een gemeenteraad een of meer bepalingen van deze verordening buiten toepassing verklaren of daarvan afwijkingen toestaan, voor zover toepassing gelet op het doel en het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot onbillijkheden van overwegende aard en deze onbillijkheden voortvloeien uit de ligging van grenzen en aanduidingen op de kaarten die deel uitmaken van deze verordening.

11.2 Aanpassing bestemmingsplan     

11.2.1     

In afwijking van artikel 4.1, tweede lid, van de wet wordt het tijdstip waarop een bestemmingsplan in elk geval in overeenstemming met deze verordening moet zijn vastgesteld, gesteld op het tijdstip als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de wet.

11.2.2     
  1. De bepalingen van deze verordening zijn niet van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht of ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening in werking is getreden en onherroepelijk is, of in een ruimtelijk plan dat voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening formeel in ontwerp ter inzage is gelegd volgens de daarvoor geldende wettelijke procedures.
  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op artikel 7.1.1, eerste lid, juncto artikel 7.1.2.

11.3 Inwerkingtreding en toepassing     

11.3.1     

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

11.4 Citeertitel     

11.4.1     

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Romte Fryslân 2014.

11.5 Intrekking     

11.5.1     

De Verordening Romte Fryslân wordt ingetrokken.

Artikelsgewijze toelichting     

Hoofdstuk 1 Bundeling algemeen     

1.1 Algemeen     

In het eerste hoofdstuk staan bepalingen over bundeling van verstedelijking. Het concentreren van nieuwe stedelijke functies bij kernen bevordert een doelmatig gebruik van de ruimte, draagt bij aan sterke steden en vitale dorpen, en voorkomt onnodige verrommeling en versnippering van het landelijk gebied. In het rijksbeleid is bundeling verwerkt in de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het rijk laat de verdere uitwerking van het bundelingsbeleid over aan de provincies.

1.2 Begrenzing bestaand stedelijk gebied     

Belangrijk voor de toepassing van de regels en de effectiviteit van het bundelingsbeleid, is het onderscheid tussen landelijk gebied en bestaand stedelijk gebied. Om hierover geen onduidelijkheid te laten bestaan, hebben wij de grens van het bestaand stedelijk gebied voor iedere kern geometrisch op kaart bepaald. Tot het bestaand stedelijk gebied van een kern rekenen wij het (aaneengesloten) gebied met stedelijke functies (woonbebouwing, bedrijfsbebouwing in brede zin en maatschappelijke functies), waaronder mede begrepen de daarbij behorende voorzieningen (inclusief groenvoorzieningen) en verkeersinfrastructuur. Naast bestaande bebouwing gaat het ook om de mogelijkheden voor nieuwe bebouwing en functies en mogelijkheden voor uitbreiding die in onherroepelijke bestemmingsplannen zijn opgenomen. Daaronder vallen ook de mogelijkheden die besloten liggen in uit te werken bestemmingen. Mogelijkheden voor uitbreiding via planwijziging zijn niet als bestaand stedelijk gebied opgenomen. Evenmin de zoekgebieden voor nieuwe uitbreidingslocaties die (nog) niet in bestemmingsplannen zijn opgenomen (maar bijvoorbeeld al wel in structuurvisies).

Aan de hand van deze definitie en van een aantal criteria, hebben wij op de kaarten 'Begrenzing bestaand stedelijk gebied' voor de Friese kernen de grenzen van het bestaand stedelijk gebied aangegeven (bij de kaarten is een toelichting op de gehanteerde methodiek opgenomen). Deze grenzen zijn in 2011 in nauwe samenspraak met de gemeenten bepaald. Het gebied buiten het bestaand stedelijk gebied vormt het landelijk gebied. Wij zijn voornemens de begrenzing periodiek aan te passen. Gelet op de beperkte ruimtelijke ontwikkelingen tussen 2011 en 2014 hebben wij er voor gekozen om dat in de verordening 2014 nog niet te doen. Wel is de begripsbepaling aangepast: tot bestaand stedelijk gebied wordt ook gerekend de gebieden die daaraan grenzen en sinds 1 januari 2010 zijn opgenomen in een onherroepelijk ruimtelijk plan voor nieuwe stedelijke functies. Dit opnieuw met uitzondering van de stedelijke functies die pas kunnen worden gerealiseerd op grond van in dat ruimtelijk plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden ex artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening.



Voor 48 'overige kernen' uit het Streekplan bleek het niet mogelijk om een aaneengesloten stedelijk gebied te begrenzen. Dit zijn kleine kernen die slechts uit enkele, niet geclusterde woningen en (agrarische) bedrijven bestaan, nabij een kerk of bijvoorbeeld een klokkenstoel. Binnenstedelijk bouwen is hier niet mogelijk, en het zou vanuit ruimtelijk oogpunt ook niet gewenst zijn om een aaneengesloten bebouwde kom te creëren. Voor deze kernen is - in overleg met de betreffende gemeente - geen bestaand stedelijk gebied begrensd. Dit betreft overwegend kernen die ook in het gemeentelijk planologisch beleid tot het landelijk gebied worden gerekend. De aanleg van een nieuwe woningbouwlocatie of een nieuw bedrijventerrein wordt hier eveneens niet beoogd. Onder de noemer van bebouwingslint of bebouwingscluster (zie hierna) kan in deze kernen wel een beperkte ontwikkeling worden toegestaan, zoals de toevoeging van een woning of een klein bedrijf.

1.3 Landelijk gebied     

Artikel 1.1.1, eerste lid, kan worden beschouwd als het basisartikel van de verordening. Op grond van dat artikel zijn nieuwe stedelijke functies - zoals omschreven in de begripsbepalingen - in het landelijk gebied in principe niet toegestaan, tenzij op grond van artikel 1.1.1, tweede lid sprake is van een uitbreidingslocatie bij een kern. Onder 'uitbreidingslocatie' valt ook een enkele bouwkavel voor een woning of een bedrijf waarmee het bestaand stedelijk gebied van een kern wordt uitgebreid.



In artikel 1.1.1, tweede lid staat dat een uitbreidingslocatie aansluit op het bestaand stedelijk gebied van een kern. Van aansluiting kan in dit verband ook worden gesproken indien een uitbreidingslocatie infrastructuur (zoals een ontsluitingsweg) die een kern omsluit overschrijdt, maar verder wel op de kern aansluit. Op de overschrijding van grootschalige infrastructuur is echter artikel 2.4.1 van toepassing (zie hierna).



Van aansluiting is dus, zie hiervoor, volgens de nieuwe begripsbepaling van bestaand stedelijk gebied, eveneens sprake indien een nieuwe uitbreidingslocatie direct grenst aan een uitbreidingslocatie die is opgenomen in een ruimtelijk plan dat na 1-1-2010 onherroepelijk is geworden, maar op de kaart van de verordening die nog niet binnen de grens van bestaand stedelijk gebied is getrokken.



De gemeente weegt de noodzaak, locatie en inpassing van de uitbreidingslocatie af en onderbouwt dat in de plantoelichting. Hierbij houdt de gemeente rekening met de voorwaarden voor nieuwe stedelijke functies in de overige artikelen, waaronder de criteria voor ruimtelijke kwaliteit, inclusief zorgvuldig ruimtegebruik in hoofdstuk 2, alsmede de afstemming met het woonplan, bedrijventerreinenplan en kantorenplan volgens de hoofdstukken 3 en 4.



Onder 'aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijven', die op grond van artikel 1.1.1 wel in het landelijk gebied kunnen worden toegestaan, zijn begrepen:

  • agrarische bedrijven;
  • bedrijven voor het beheer en onderhoud van natuurlijke en landschappelijke waarden, water en waterwerken, infrastructuur en kunstwerken, en die voor dat beheer en onderhoud ter plekke aanwezig moeten zijn;
  • bedrijven voor de winning op locatie van water, grondstoffen, olie en windenergie;
  • naar de aard hiermee vergelijkbare bedrijven.



Recreatiebedrijven en horecabedrijven vallen hier niet onder. Voor recreatiebedrijven zijn bijzondere bepalingen opgenomen in hoofdstuk 5. Voor horecabedrijven zijn eveneens bijzondere bepalingen opgenomen in artikel 4.3.2.

1.4 Kwaliteitsarrangementen     

Op het basisartikel 1.1.1, eerste lid staan de artikelen 1.2.1 tot en met 1.8.1, alsmede artikel 4.3.2 (zie hierna) vervolgens uitzonderingen toe. Dit zijn de 'kwaliteitsarrangementen' volgens hoofdstuk 2.2 in het Streekplan. Een kwaliteitsarrangement is een concreet project in het landelijk gebied waarin nieuwe passende vormen van wonen, werken, recreëren, verzorging, cultuur, educatie of de wijziging van bestaande functies, gelijktijdig worden gecombineerd met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied. Omdat het Streekplan onder voorwaarden meerdere uitzonderingen mogelijk maakt - en daarmee ook ontwikkelingsruimte met het oog op een mooi en vitaal landelijk gebied -, zijn hiervoor meerdere artikelen opgenomen.



De voorwaarden zijn beperkt tot de voorwaarden die op provinciaal niveau noodzakelijk zijn om gewenste ontwikkelingen te bevorderen en ongewenste situaties te voorkomen. Hieraan wordt door de gemeente nader invulling gegeven om lokale belangen te kunnen borgen.

1.5 Hergebruik vrijkomende (agrarische) bebouwing     

Een belangrijke categorie is het hergebruik van voormalige (agrarische) gebouwen. Passend hergebruik draagt bij aan het behoud van karakteristieke bebouwing en zorgt voor nieuwe sociale en economische dragers in het landelijk gebied waarmee kapitaalvernietiging kan worden voorkomen. Artikel 1.2.1 regelt dit hergebruik. Het artikel biedt ruimte voor een vervangende woon- of zorgfunctie. De woonfunctie blijft beperkt tot het voormalige hoofdgebouw, omdat het streekplan niet beoogt ruimte te bieden voor woonclusters in het landelijk gebied. De woonzorgfunctie vinden we belangrijk en kansrijk als nieuwe drager voor de plattelandseconomie en kan ook ruimte krijgen in daartoe geschikte bijgebouwen. Niet-industriële bedrijven in de milieucategorieën 1, 2 en 3 zijn als hergebruik toegestaan, mits deze ruimtelijk en functioneel passen in de omgeving. Dit betekent dat een omgeving waar bijvoorbeeld al meerdere bedrijven aanwezig zijn, geschikt kan zijn voor een bedrijf in milieucategorie 3. Bij een vervangende functie kan volgens het Streekplan enige aanvullende nieuwbouw worden toegestaan, indien deze qua omvang duidelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw (in de meeste gevallen de oorspronkelijk boerderij) en ingepast is in het landschap.



Aan het gebruik, de verbouw en vervanging van bebouwing, en aan aanvullende nieuwbouw, stelt de gemeente op basis van lokaal maatwerk nadere regels om ongewenste situaties te voorkomen. Bij het stellen van nadere regels moeten enkele kwalitatieve criteria in acht worden genomen. Deze criteria zijn gebaseerd op par. 2.2.4 van het Streekplan. Centraal staat de silhouet van een erf (de compositie van meerdere gebouwen) die in belangrijke mate de waarden van het erf voor het landschap bepaalt. Behoud van de (boeren)maat van het erf is hiervoor van belang. Onder de karakteristiek van de omgeving verstaan wij ook de bebouwingskarakteristiek.

1.6 Verbetering bebouwingslinten/ bebouwingsclusters     

Bij een aantal bebouwingslinten en bebouwingsclusters in het landelijk gebied is sprake van een slechte tot matige (beeld)kwaliteit en dreigt fysiek en functioneel verval. Het Streekplan biedt de mogelijkheid om door het toevoegen van passende, streekeigen woon- en werkfuncties, verval te voorkomen. Artikel 1.3.1 regelt deze mogelijkheid met bijbehorende criteria.

In de begripsbepalingen is omschreven wat wij onder bebouwingslint en bebouwingscluster verstaan. Gemeenten vullen dit nader in op basis van lokaal maatwerk.



Tot de landschappelijke karakteristiek van een bebouwingslint of bebouwingscluster behoren onder andere voldoende doorzichten en het ritme in massa en ruimte.



Dit artikel biedt ook de mogelijkheid voor de bouw van een nieuwe woning of enkele nieuwe woningen in of aansluitend op een bestaand bebouwingslint of een bestaande bebouwingscluster. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als een gemeente een eigen ruimte voor ruimte regeling toepast, maar kan ook in een incidenteel geval, binnen de onder a van artikel 1.3.1 genoemde kwalitatieve randvoorwaarden. Voorwaarde is dat incidentele woningbouw leidt tot een landschappelijk aanvaardbare afronding of verdichting van het bebouwingslint of de bebouwingscluster. Daarnaast is het gewenst dat kan worden aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit verbetert. In ieder geval mag geen afbreuk worden gedaan aan de landschappelijke karakteristiek.

1.7 Nieuwe landgoederen     

In het onderdeel 'Fryslân als woonprovincie' van het Streekplan (par. 2.1.4) wordt ingezet op het benutten van de woonkwaliteiten van Fryslân als sociaaleconomische impuls. Met de ontwikkeling van bijzondere woonprojecten (pilots landelijk wonen) willen we stimuleren, dat mensen uit andere provincies naar Fryslân verhuizen. Een bijkomende doelstelling is om nieuwe (landelijke) woonvormen optimaal in te zetten voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering op het gebied van landschap, natuur, water en recreatie. De mogelijkheid om nieuwe landgoederen op te richten vormt een onderdeel hiervan. Nieuwe landgoederen dienen in de stedelijke bundelingsgebieden te liggen. Daardoor dragen landgoederen bij aan de ontwikkeling van aantrekkelijke stedelijke uitloopgebieden. Binnen een stedelijk bundelingsgebied mag de woningbouw op een nieuw landgoed echter in landelijk gebied worden gerealiseerd, mits wordt voldaan aan de voorwaarden voor een nieuw landgoed (waaronder de belangrijke voorwaarde van een minimale oppervlakte met nieuwe natuur- en landschapselementen).



Ten behoeve van de selectie van de nieuwe landgoederen in de stedelijke bundelingsgebieden hebben wij de procedure gevolgd die in het Streekplan staat. De selectie is inmiddels afgerond.



Artikel 1.4.1 sluit hierop aan. Voor de bouw van woningen op een nieuw landgoed, kiezen wij voor een iets ruimere insteek dan het Streekplan. Het realiseren van de woningen in één hoofdgebouw blijkt voor een aantal initiatieven te beperkend. Zonder afbreuk te doen aan concentratie en allure van de bebouwing, kunnen woningen ook worden gerealiseerd in een aaneengesloten complex of samenstel van gebouwen dat als een eenheid oogt.

1.8 Saldoregeling woningen     

Op grond van artikel 1.5.1 kan van artikel 1.1.1 worden afgeweken indien een bestaande woning wordt verplaatst of vervangen en per saldo het aantal woningen in het landelijk gebied niet toeneemt. Dit biedt flexibiliteit voor bijvoorbeeld gewenste woningverplaatsingen in verband met milieuproblemen of andere knelpunten. Hoewel deze mogelijkheid niet expliciet in het Streekplan staat, sluit dit wel aan bij de doelstelling van het Streekplan: geen toename van stedelijke functies in landelijk gebied, tenzij onder specifieke condities.



We willen echter voorkomen dat een kleine woning wordt gesloopt en dat daarvoor in de plaats een veel grotere woning wordt gebouwd die qua omvang en uitstraling niet past in het landschap. Daarom mag het oppervlak van de nieuwe woning inclusief de bijgebouwen niet meer bedragen dan 300 m². Indien de oorspronkelijke bebouwing ruimer is, mag tot aan de maatvoering van die oorspronkelijke bebouwing worden vervangen. Aanvullend is een algemeen landschappelijk toetsingscriterium opgenomen. Gemeenten betrekken dit criterium bij de lokale afweging.

1.9 Ruimte voor ruimte     

Om de sloop van overtollige, beeldverstorende bebouwing in het landelijk gebied te stimuleren, is in het Streekplan een ruimte voor ruimte regeling opgenomen. Met deze regeling is het mogelijk om - onder specifieke voorwaarden - nieuwe woningbouw in het landelijk gebied te realiseren ter compensatie van de sloop van beeldverstorende bebouwing van voormalige agrarische bedrijven. De voorwaarden van deze ruimte voor ruimte regeling staan in artikel 1.6.1



Ten opzichte van het streekplan is de regeling vereenvoudigd en versoepeld. Hoewel uitgangspunt blijft dat de compensatiewoning bij voorkeur wordt gebouwd in een bestaand bebouwingslint of een bestaande bebouwingscluster in het landelijk gebied, laten we die afweging aan de gemeente. Voor plaatsing in een lint of cluster geeft de verordening geen sloopnormen meer. In een lint of cluster kunnen, onder de kwaliteitsvoorwaarden van artikel 1.3.1, zie hiervoor, een of enkele woningen worden gebouwd. De regeling in artikel 1.6.1 biedt de ruimte om maximaal één compenserende woning op het voormalige, solitaire bouwperceel te plaatsen. In dat geval dient de gemeente te motiveren, dat de ruimtelijke kwaliteit op en rond het perceel met de sloop van beeldverstorende bebouwing en de bouw van de compensatiewoning per saldo aanzienlijk zal verbeteren. De woning dient in ieder geval goed aan te sluiten bij het ruimtelijke bebouwingspatroon en de landschappelijke kwaliteit van de omgeving. De sloopnormen zijn, op verzoek van enkele gemeenten in het kader van de streekplanevaluatie, versoepeld tot 1.000m² aan beeldverstorende bebouwing of 3.000m² aan kassen. Saldering van sloop met andere locaties in het landelijk gebied is mogelijk. Onder sloop van bebouwing vallen ook andere bouwwerken waarvan de sloopkosten aanzienlijk zijn, zoals grote (sleuf)silo's.



Ter financiering van de verplaatsing van een agrarisch bedrijf kan op grond van artikel 1.7.1 eveneens een compensatiewoning worden gebouwd. Het dient in dat geval te gaan om een bedrijf dat een wezenlijke belemmering vormt voor de realisering van een groot openbaar belang. Bij een groot openbaar belang gaat het om de realisering van een ontwikkeling die maatschappelijk zeer gewenst is en waarvan de positieve effecten het lokale schaalniveau overstijgen. Voorbeelden hiervan zijn de verplaatsing van een agrarisch bedrijf om:

  • de realisering van een deel van de ecologische hoofdstructuur mogelijk te maken;
  • de gewenste natuur- en milieukwaliteit te bereiken in een deel van de ecologische hoofdstructuur, respectievelijk Natura 2000-gebied;
  • de noodzakelijke waterveiligheid of versterking van een primaire waterkering tot stand te brengen;
  • essentiële voorzieningen voor het functioneren van de samenleving te realiseren, zoals energie- en vervoersvoorzieningen;
  • een of meer recreatieve voorzieningen met minimaal een regionale functie te realiseren.



Op het vrijkomende bouwperceel van het te verplaatsen agrarische bedrijf zijn ook de hergebruikmogelijkheden van artikel 1.2.1 van toepassing. In sommige situaties zal men echter - met het oog op de gewenste eindsituatie waarvoor het agrarische bedrijf wordt verplaatst - streven naar het geheel of gedeeltelijk verwijderen van het bouwperceel en de bebouwing.

1.10 Schuilstallen voor hobbydieren     

De verordening bevat geen bepalingen met betrekking tot schuilstallen die behoren bij agrarische bedrijven. Dat is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. De laatste jaren neemt echter de discussie over de noodzaak van schuilstallen voor het hobbymatig houden van dieren in het landelijk gebied toe. Wij zien schuilstallen voor hobbymatig gehouden dieren als onderdeel van de niet agrarische woonfunctie en daarmee als stedelijk functie die valt onder artikel 1.1.1. Voor zover die stallen staan op of aansluiten op de kavel van een al in het landelijk gebied wonende hobbyboer voorzien de meeste bestemmingsplannen in bouwmogelijkheden via de bijgebouwenregeling. Daarvoor laat de verordening ruimte. De landschappelijke invloed van schuilstallen voor hobbymatig gehouden dieren wordt echter groter als sprake is van stallen op solitaire, niet aan de woonkavel van hobbydierhouders aansluitende percelen. Ook komt het voor dat de hobbydierhouder in stad of dorp woont en dieren houdt op een solitaire kavel in het landelijk gebied. Dat kan leiden tot versnippering van kavels en ‘verrommeling’ van het landschap. Het tegengaan daarvan zien we als provinciaal belang.



In de brochure 'Schuilstallen in het buitengebied'voetnoot: Stichting levende Have, januari 2009 wordt er op gewezen dat weidegang voor dieren goed is uit een oogpunt van dierwelzijn en ook vanuit het oogpunt van diergezondheid.



Op grond hiervan vinden wij een absoluut verbod op schuilstallen te ver gaan; de verordening biedt ruimte voor een gemeentelijke regeling binnen aanvaardbare grenzen. Artikel 1.8.1, eerste lid regelt dat een ruimtelijk plan een algemene regeling kan bevatten voor het toestaan van schuilstallen op solitaire percelen. Bepaald is dat een schuilstal niet groter mag zijn dan 30m², niet meer dan één stal per dierhouder is toegestaan en niet meer dan één stal per kavel met een kaveloppervlakte van 5.000m². We onderkennen echter dat behoefte kan bestaan aan een afwijkende regeling. Dit vanwege de landschappelijke structuur, de mate waarin sprake is van het houden van hobbydieren alsmede het soort hobbydieren. Het tweede lid voorziet erin dat de gemeente niet kiest voor de algemene regeling, maar in de plaats daarvan voor een meer specifieke, locatiegerichte regeling. In dat geval kan van normen in het eerste lid worden afgeweken, maar dan met een maximum van het aantal locaties per gemeente. Daarbij denken wij aan 10-20, mede afhankelijk van de omvang van de gemeente. Daarmee blijft het landschappelijk effect beperkt. Gedacht worden aan het realiseren van enkele grotere (verzamel)locaties.



Hoofdstuk 2 Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf     

2.1 Ruimtelijke kwaliteit     

Ruimtelijke kwaliteit staat in het Streekplan centraal (paragraaf 1.2.1 en 2.7.2). Met ruimtelijke kwaliteit bedoelen wij dat ruimtelijke plannen expliciet gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaardevoetnoot: Gebruikswaarde: functionele geschiktheid, doelmatig gebruik, aanleg en beheer, samenhang en bereikbaar-heid; Belevingswaarde: identiteit, diversiteit, herkenbaarheid, beleving en zingeving; Toekomstwaarde: doelmatigheid in tijd, flexibiliteit, robuustheid, duurzame structuur aan de omgeving toevoegen. Deze drie waarden waarborgen op de langere termijn een doelmatig gebruik en herkenbaarheid van de ruimte. Een goede manier om aan ruimtelijke kwaliteit invulling te geven, is door de samenhang van de ondergrond, de netwerken en het nederzettingspatroon als basis voor ruimtelijke planvorming op de lange termijn te nemen. Het tot stand brengen van ruimtelijke kwaliteit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van rijk, provincie, gemeenten, waterschappen, marktpartijen, belangengroeperingen en burgers. Het is vooral een manier van werken, waarbij niet enkel naar de ruimtelijke ontwikkeling sec wordt gekeken, maar waarbij de ruimtelijke ontwikkeling in de bredere context van z'n omgeving en in de tijd wordt geplaatst.

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen passen binnen het generieke ruimtelijke beleid, komt ruimtelijke kwaliteit vervolgens tot stand in een gebied of op locatie. Dit gebeurt op basis van goede ontwerpen die optimaal rekening houden met omgevingsfactoren. Gemeenten leveren dit maatwerk.



Volgens het Streekplan (paragraaf 2.7.2) wordt in de plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor landelijk gebied, een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf opgenomen. In artikel 2.1.1, eerste lid is dit procesvereiste opgenomen. De ruimtelijke kwaliteitsparagraaf geeft een verantwoording over de wijze waarop het plan rekening houdt met respectievelijk invulling geeft aan de genoemde aspecten van ruimtelijke kwaliteit. Hierbij kan ook worden verwezen naar andere instrumenten en plannen, zoals de gemeentelijke welstandsnota.

De inhoud van een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf kan worden afgestemd op de inhoud van het plan. Bij een weinig ingrijpend plan of een plan voor een of enkele percelen, kan de ruimtelijke kwaliteitsparagraaf zich beperken tot de aspecten die direct relevant zijn voor een goede ruimtelijke inpassing. Daarom is in het artikel de zinsnede 'voor zover noodzakelijk' opgenomen.

De ruimtelijke kwaliteitsparagraaf kan goed gebruikt worden als brede onderbouwing van het plan. Daarin kunnen meerdere zaken worden opgenomen, zoals de omgang met landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten (zie hierna), ecologische aspecten, water en bodem.

2.2 Landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende structuren     

Een belangrijk inhoudelijk uitgangspunt van het Streekplan is dat de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen in Fryslân herkenbaar blijven. In de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte (hierna: Grutsk) is, als nadere uitwerking van het streekplan, een verdiepingsslag gemaakt waarin de landschappelijke kernkwaliteiten zijn verbonden aan cultuurhistorische kwaliteiten. In Grutsk zijn op basis daarvan ‘gebiedsoverschrijdende’ en ‘per deelgebied onderscheiden’ ‘landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende structuren van provinciaal belang’ benoemd. Ook is elke structuur van provinciaal belang van een richtinggevend advies voorzien. De verordening werkt met het begrip ‘landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten’. Dat begrip is in artikel 2.1.1, eerste lid en in de begripsbepaling verbonden aan de ‘gebiedsoverschrijdende en per deelgebied onderscheiden landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende structuren van provinciaal belang’, inclusief de daarbij behorende adviezen, zoals in Grutsk opgenomen. Daarmee is de verordening nu afgestemd op de beschrijvingen in Grutsk en de daarbij behorende kaarten. Het eerste lid van artikel 2.1.1 bepaalt dat het plan rekening houdt met de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang. Dat is een procesvereiste. Dat houdt in dat bij het opstellen van een ruimtelijk plan een analyse heeft plaatsgevonden van de aanwezige waarden. Dat geldt in het bijzonder voor genoemde landschappelijke en cultuurhistorische structuren. De gemeente weegt af en dient te motiveren op welke wijze in het plan rekening is gehouden met die waarden en structuren. De verordening stuurt dus niet zelf op basis van normering en objectieve instructies. Kwaliteit vergt naar zijn aard lokaal maatwerk. Dat past ook in ons uitgangspunt van samenwerking met gemeenten. Grutsk moet bij voorkeur inspirerend en stimulerend werken. De verordening is echter op dit punt niet vrijblijvend: van de gemeente verwachten wij een zorgvuldige analyse en motivering.



Het tweede lid bepaalt dat in een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied, zo nodig ook regels worden opgenomen die ertoe strekken dat die kernkwaliteiten/structuren van provinciaal belang herkenbaar blijven. Het ‘zo nodig stellen van regels’ wil niet zeggen dat iedere omschreven kwaliteit door middel van een voorschrift (zoals een omgevingsvergunningvereiste) moet worden beschermd. Het gaat er om dat met het geheel van bestemmingen, bouw-, gebruik- en aanlegvoorschriften voor een gebied, voldoende kan worden gegarandeerd dat de kwaliteiten van dat gebied herkenbaar blijven. Gemeenten zijn naar onze mening goed in staat om dat maatwerk op gebiedsniveau in te vullen.



Grutsk is mede gebaseerd op de Cultuurhistorische kaart (CHK) en op de kaart/analyse Landschapstypen. Die gegevens zijn als achtergronddocumenten raadpleegbaar ten behoeve van de analyse in het ruimtelijke plan van de gemeente. Hoe CHK, landschapstypenkaart en FAMKE gebruikt moeten worden in relatie tot Grutsk staat vermeld in het stappenplan in hoofdstuk 2 “opbouw en gebruik” van Grutsk.

2.3 Nationale Landschappen     

Nationale Landschappen (NL) waren in het rijksbeleid aangewezen als gebieden met internationaal zeldzame en nationaal kenmerkende kwaliteiten van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke aard. Doel was deze kernkwaliteiten te behouden, duurzaam te beheren en waar mogelijk te versterken. Hierbij was het uitgangspunt ‘behoud door ontwikkeling’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt. Het recreatief benutten en beleven van deze kernkwaliteiten, is mede een belangrijke doelstelling van de NL. In Fryslân liggen twee NL: de Noardlike Fryske Wâlden en Zuidwest Fryslân. Beide zijn begrensd op perceelsniveau. Als basis daarvoor is de planologische begrenzing uit het Streekplan gehanteerd. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte worden de NL genoemd, maar niet meer gezien als rijksbelang met planologische doorwerking. Het Barro bevat terzake geen bepalingen. Het rijk had overigens ook binnen het oude beleidskader ingestemd met de benadering in het streekplan: geen onderscheid in beleid tussen de NL en de overige landschappen. Het generieke beleid uit het Streekplan en de vertaling daarvan in de verordening, boden voldoende waarborgen voor een verantwoord ruimtelijk beleid.

De provincie blijft de NL zien als provinciaal belang, zowel landschappelijk als recreatief. Met de Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte is de waardering van alle landschappen, en daarmee ook de NL, nog explicieter benoemd. De kernkwaliteiten van de NL zijn vooral gebaat bij het stimuleren en ondersteunen van goede initiatieven en van organisaties voor landschapsbeheer. Dit kan ook nieuwe impulsen geven aan passend recreatief medegebruik. Binnen de begrensde NL wordt deze proactieve lijn door middel van subsidiëring en ondersteuning ingevuld. Omdat er geen relatie (meer) ligt met de planologische regelingen maken de kaarten NL geen deel meer uit van de verordening.

2.4 Zorgvuldige landschappelijke inpassing     

Het Streekplan hecht specifiek belang aan een zorgvuldige landschappelijke inpassing van uitbreidingslocaties, infrastructuur, recreatieve voorzieningen, agrarische bedrijven en overige, niet aan het landelijk gebied gebonden functies. Artikel 2.1.1, derde lid regelt deze inhoudelijke voorwaarde. Het ruimtelijk plan dient een zorgvuldige inpassing binnen de 'landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende kernkwaliteiten (de structuren zoals Grutsk die benoemt) te borgen.



Borging van de inpassing is relevant. Dat kan, zoals voorheen, door het opnemen van bestemmings- en bebouwingsbepalingen. Voor het realiseren van beoogde ruimtelijke kwaliteit kan het beeldkwaliteitsplan ondersteunend werken. Effectief is de borging van de aanleg van benodigde landschappelijke inpassing door middel van een zogenaamde ‘voorwaardelijke bepaling’. Nieuwe jurisprudentie biedt daartoe expliciet de ruimte. Als voor de planologische aanvaardbaarheid van een ontwikkeling de landschappelijke inpassing een vereiste is, dient zelfs een voorwaardelijke bepaling in de planregels te worden opgenomen. De verordening schrijft zo’n bepaling niet voor, maar de gemeente zal moeten overwegen of zo’n bepaling wenselijk is. Het overleg tussen provincie en gemeente kan daarop betrekking hebben.

2.5 Cultuurhistorie en archeologie     

Het Streekplan streeft naar het in stand houden en waar mogelijk verder ontwikkelen van de belangrijke cultuurhistorische kwaliteiten en waarden in de provincie. Deze vormen een wezenlijk onderdeel van de identiteit, de leefbaarheid, en de toeristische aantrekkelijkheid van de provincie. Cultuurhistorische waarden vormen volgens ons geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen, maar kunnen juist als inspiratiebron dienen om de kwaliteit van ruimtelijke ontwikkelingen te versterken. Het is daarom belangrijk, dat in een vroegtijdig stadium van de planvorming bekend is welke waarden in een gebied aanwezig zijn zodat hiermee rekening kan worden gehouden. Cultuurhistorische waarden maken nu deel uit van de hiervoor genoemde 'landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende structuren' in Grutsk en vallen onder het toepassingsbereik van artikel 2.1.1.



Artikel 2.2.1 bevat de aanvullende bepalingen met betrekking tot archeologie. Wij verzoeken gemeenten om de Friese archeologische monumentenkaart extra (Famke) te gebruiken als informatiebron, en rekening te houden met de daarop aangegeven elementen en structuren. Dit betekent dat voor een ruimtelijk plan een analyse van de archeologische gegevens heeft plaatsgevonden. De gemeente weegt vervolgens af en dient te motiveren op welke manier rekening is gehouden met archeologische waarden en verwachtingswaarden. Gemeenten zijn op basis van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) verplicht om archeologische waarden zoveel mogelijk ter plekke (in situ) te behouden en daarvoor beheermaatregelen te treffen. Volgens de Wamz geven gemeenten invulling aan archeologiebeleid. Om gemeenten daarin te ondersteunen heeft de provincie de Famke als informatiebron opgesteld. De Famke is dynamisch. De bestaande Famke is vastgesteld door Provinciale Staten op 15 juni 2011. Gedeputeerde Staten hebben de bevoegdheid tot bijstelling van de Famke. De actuele Famke is te raadplegen op de provinciale website (www.fryslan.nl).



Op grond van artikel 11.1.1, vierde lid kunnen Gedeputeerde Staten de grenzen en aanduidingen op enkele kaarten die deel uitmaken van de verordening, waaronder de kaarten van de Famke, aanpassen op basis van nieuwe inzichten. Op deze manier is flexibiliteit ingebouwd. In de Famke staat per gebied en tijdsperiode (advieskaart steentijd-bronstijd; advieskaart ijzertijd-middel-eeuwen) informatie over de kans op het aantreffen van archeologische waarden (archeologische verwachtingswaarden) en over archeologische waarden en monumenten die al bekend zijn (archeologische waarden). Daarbij wordt een geschikte wijze van onderzoek naar en behoud van archeologische (verwachtings-)waarden aangegeven. Hiervan kan worden afgeweken indien in een vergelijkbare bescherming wordt voorzien. De gemeente onderbouwt dit in de plantoelichting.



Over de ontwikkeling en afstemming van het gemeentelijke en provinciale archeologisch beleid willen wij afspraken maken in het samenwerkingsspoor, inclusief de doorontwikkeling van de Famke. Op basis van de invulling van gemeentelijk archeologiebeleid, willen we bekijken of er reden is om provinciale attentiegebieden op grond van de Wamz aan te wijzen.

2.6 Zorgvuldig ruimtegebruik     

Vanwege het feit dat de zogenaamde “Ladder voor duurzame verstedelijking” nu in het Besluit ruimtelijke ordening is geregeld (artikel 3.1.6 Bro), is de regeling in het voormalige hoofdstuk 2 van de verordening 2011 komen te vervallen. Genoemd artikel in het Bro heeft als strekking dat een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro, dienen overheden – indien zij een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk willen maken – standaard een aantal stappen te zetten op de ladder, die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen. Deze stappen zijn geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen. Dat zou voorbij gaan aan de specifieke lokale omstandigheden die van invloed zijn op de inpassing van ruimte vragende functies en het regionale maatwerk dat de overheden moeten kunnen leveren. De stappen die worden gevraagd, bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, en voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Overeenkomstig het streekplan blijft ook de provincie de toepassing van dit principe van zorgvuldig ruimtegebruik zien als provinciaal belang, als basis voor een goede ruimtelijke kwaliteit. Daarom is in artikel 2.3.1 geregeld dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke functie buiten bestaand stedelijk gebied een verantwoording bevat waaruit blijkt dat toepassing is gegeven van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, en waaruit in ieder geval blijkt dat die functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Daarnaast is ook relevant dat de gemeente vanuit ruimtelijke kwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik een verantwoording geeft van de bebouwingsdichtheid.



In de Friese situatie maken we met gemeenten afspraken over de programmering van de stedelijke functies wonen, bedrijventerreinen en kantoren. Zie hierna onder hoofdstuk 3 en 4. In die afspraken ligt besloten dat de betreffende programma’s mogen worden aangemerkt als regionale behoefte, conform de eerste trede van de Ladder. In de gemeentelijke woonplannen en in de gemeentelijke of regionale bedrijventerreinenplannen en kantoorplannen kan een vervolgstap worden gezet door na te gaan welke binnenstedelijke locaties beschikbaar zijn voor nieuwe woningen, bedrijven en kantoren, alvorens wordt besloten tot nieuwe stedelijke uitbreiding.

2.7 Mobiliteitstoets     

De laatste trede van de Ladder voor duurzame verstedelijking bepaalt dat de gemeente aandacht besteed aan de bereikbaarheid en mobiliteitseffecten van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarmee kan de voorheen in de verordening opgenomen ‘mobiliteitstoets’ nu vervallen als provinciale regel.



De redenen voor deze mobiliteitstoets staan in par. 2.4.3 van het Streekplan. Onder 'verkeersbewegingen die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur' verstaan wij een zodanige toename van de verkeersintensiteit en/of wijziging van de verkeerssamenstelling op bestaande verkeer- en vervoervoorzieningen, dat zonder extra maatregelen of voorzieningen problemen kunnen optreden met betrekking tot de doorstroming, de (verkeers)veiligheid of de milieusituatie (luchtkwaliteit, geluidhinder). Het gaat dus om aanzienlijke veranderingen en niet om veranderingen die zonder problemen in de reguliere stroom van verkeersafwikkeling kunnen worden opgenomen.



Wij gaan ervan uit dat gemeenten bij de uitvoering van de mobiliteitstoets rekening houden met de vier werkmilieus in par. 2.3.4 van het Streekplan en hun geschiktheid voor verschillende werkfuncties. Voor de invulling van deze werkmilieus op het niveau van een kern, zijn primair de gemeenten verantwoordelijk.

2.8 Grootschalige infrastructuur     

Vanuit landschappelijke overwegingen is volgens het Streekplan overschrijding van grootschalige infrastructuur door stads- en dorpsuitbreidingen in principe niet gewenst. Artikel 2.4.1, eerste lid regelt dit. Onder voorwaarden kan hiervan, zowel bij stedelijke als regionale centra, gemotiveerd worden afgeweken. Het criterium dat schaal en omvang van de uitbreidingslocatie in dat geval passen bij de overschrijding, houdt in dat de uitbreidingslocatie voldoende massa zal moeten hebben waardoor de overschrijding een aanvaardbaar en overtuigend ruimtelijk beeld oplevert en de uitbreidingslocatie landschappelijk zorgvuldig kan worden ingepast binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.

2.9 Reclame-uitingen     

In het Streekplan staat dat reclame-uitingen in zones langs autosnelwegen beperkt blijven en niet grootschalig zijn. De basis hiervoor vormt een amendement dat Provinciale Staten bij de vaststelling van het Streekplan hebben aangenomen. Gelet op de strekking van dit amendement, bepaalt artikel 2.5.1 dat een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied en voor gronden binnen bestaand stedelijk gebied in een zone van 400 meter vanaf autosnelwegen, geen bouwmogelijkheden mag bevatten voor nieuwe grootschalige reclamemasten. Dit is ook voor autowegen bepaald, gelet op de status van autoweg die aan delen van rijksweg 31 en 32 is en wordt toegekend. Ook andere autowegen hebben, als het gaat om de beleving van zichtzones, het karakter van autosnelweg. Binnen een afstand van 400 meter oefenen grotere objecten nog invloed uit op de visuele beleving vanaf auto(snel)wegen, ook rekening houdend met kruisingen en kunstwerken. Als grootschalig worden aangemerkt masten hoger dan 6 m. Die maat was opgenomen in het ontwerp streekplan, waarop het amendement betrekking had.

De regeling voor reclame-uitingen is aangescherpt ten opzichte van de regeling zoals die was opgenomen in artikel 3.5.1 van de verordening van 2011. Voorheen waren reclamemasten via een afwijkingsmogelijkheid toegestaan tot een maximale hoogte van 20 meter, indien de reclamemast bedrijfsgebonden was en geen onevenredige afbreuk werd gedaan aan landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Die mogelijkheid is nu vervallen.

Hoofdstuk 3 Wonen     

3.1 Algemeen     

Wij maken met de woningbouwregio’s bestuurlijke afspraken over de regionale woningbouwprogramma’s. De afspraken die liepen tot 2016 zijn op ons voorstel met instemming van de regio’s afgelopen jaar verlengd tot 2020. De regionale woningbouwafspraken worden door de gemeenten vertaald in gemeentelijke woonplannen.

In de regionale woningbouwafspraken en de doorvertaling daarvan in de gemeentelijke woonplannen, worden de ruimtelijke doelstellingen in het Streekplan voor de woningbouw verwerkt:

  • de woningbouwmogelijkheden voor de stedelijke bundelingsgebieden, de regionale centra, en de overige kernen (inclusief kernen met een goede openbaar vervoerontsluiting);
  • het streven naar een evenwichtige regionale woningbouwverdeling; en
  • het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik (optimale benutting bestaand stedelijk gebied).

De systematiek is dat Gedeputeerde Staten, na vooroverleg over het (voor)ontwerp woonplan, een bestuurlijk standpunt innemen over het vastgestelde woonplan.

De systematiek van werken met woonplannen is een effectieve manier om de gemeentelijke woningbouwplannen in te passen in het provinciaal beleid en in de regionale behoefte. Door voldoende flexibiliteit in woonplannen in te bouwen, kunnen gemeenten inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Wij gaan er vanuit dat gemeenten ook de afspraken over plafondloos bouwen in bestaand stedelijk gebied, verwerken in hun woonplannen (zie ook hierna, 'Plafondloos bouwen en begrenzing bestaand stedelijk gebied').



Een woonplan bevat in principe de volgende onderdelen:

  • een actueel overzicht van de omvang en de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad, waarbij aandacht wordt geschonken aan het aanbod van en de vraag naar de verschillende woonmilieus;
  • inzicht in de benodigde herstructurering van de bestaande woningvoorraad;
  • de ontwikkeling van de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte op basis van de demografische ontwikkelingen, en ontwikkelingen op de woningmarkt c.q. in de woonwensen van mensen;
  • de inpassing van de gemeentelijke woningbehoefte in de regionale woningbouwafspraken;
  • in relatie tot de voorgaande onderdelen, een overzicht van de lopende en voorgenomen herstructureringsplannen en woningbouwplannen, inclusief de fasering daarvan, met een duiding van de locaties als binnenstedelijk of buitenstedelijk;
  • inzicht in de doelstellingen en inspanningen inzake het bevorderen van duurzaam bouwen.



Artikel 3.1.1 sluit aan op de systematiek van woningbouwafspraken en woonplannen. In principe moeten alle woningbouwmogelijkheden in een ruimtelijk plan passen in een woonplan. Dit geldt ook voor het realiseren van nieuwe woningen in het kader van bijvoorbeeld hergebruik van vrijkomende boerderijen en toepassing van de ruimte voor ruimte regeling. Wij gaan ervan uit, dat gemeenten voor dit soort verspreide ontwikkelingen een algemene reservering binnen hun woningbouwprogramma opnemen. Een uitzondering wordt gemaakt voor pilots landelijke woonclusters (zie hierna) en pilots landgoederen (artikel 1.4.1; zie hiervoor), omdat deze specifiek gericht zijn op het aantrekken van nieuwe inwoners van buiten Fryslân.



Ten behoeve van programmatische flexibiliteit is een bijzondere regeling getroffen voor een kleinschalig woningbouwproject dat niet in een woonplan is opgenomen (artikel 3.1.1, tweede lid). In dat geval moet de gemeente aantonen dat via uitwisseling of fasering van projecten, de woningbouwcapaciteit van het project in het woonplan kan worden ingepast. Voor het bestaand bebouwd gebied hanteren wij hiervoor een wat ruimer maximum dan voor het daarop aansluitende landelijke gebied. Het maximum van 11 woningen voor een project in het bestaand bebouwd gebied, is gebaseerd op de ondergrens in de Crisis- en Herstelwet.



Artikel 3.1.2 biedt een algemene afwijkingsmogelijkheid voor een woningbouwproject dat niet past in een woonplan. Dit is ook het geval indien een (actueel) woonplan ontbreekt. Uitgangspunt is dat geen inbreuk wordt gemaakt op de regionale woningbouwprogramma's en op de kernenstructuur: aantallen en kwaliteit van de woningbouw dienen aan te sluiten bij de aard en schaal van de kern. Dit laatste betekent onder andere dat een overige kern niet de regionale behoefte van een regionaal centrum en niet de (boven)regionale behoefte en taakstelling van een stedelijk centrum kan opvangen. Bij een voorgenomen afwijking zal de gemeente voorafgaand aan het wettelijk overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, met ons moeten overleggen over de noodzaak om het project aan het gemeentelijk woningaanbod toe te voegen.



Op grond van artikel 3.2.1 kan voor een pilot landelijke wooncluster worden afgeweken van artikel 3.1.1, lid 1. De landelijke woonclusters zijn opgenomen in het onderdeel Fryslân woonprovincie van het Streekplan (par. 2.1.4), zoals hiervoor bij 'nieuwe landgoederen' omschreven. Evenals de nieuwe landgoederen zijn ze gericht op het aantrekken van nieuwe inwoners van buiten Fryslân. Voor de selectie van de woonclusters hebben Gedeputeerde Staten een procedure gevolgd op basis van het Streekplan. De selectie is inmiddels afgerond.

3.2 Plafondloos bouwen en begrenzing bestaand stedelijk gebied     

Met de regio's Noordwest en Noordoost, de Stadsregio en met de meeste gemeenten in de regio's Zuidoost en Zuidwest hebben wij in de periode 2008-heden in het kader van de regionale woningbouwafspraken de afspraak gemaakt dat maximaal 70% (stedelijke centra) respectievelijk 60% (overige kernen) van het afgesproken woningbouwprogramma buiten de grenzen van stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Daar staat tegenover dat die gemeenten binnen de grenzen van het stedelijke gebied 'plafondloos' kunnen bouwen. Dit houdt in dat de binnenstedelijke plannen niet zijn gebonden aan een maximum capaciteit. Met deze afspraak stimuleren we het binnenstedelijke bouwen.

Uitgangspunt was en is dat het gaat om transformatie en herstructurering. Wij beogen uiteraard niet dat dit gepaard gaat met het opofferen van elk stuk stedelijk groen. De verantwoordelijkheid daarvoor leggen wij bij de gemeenten neer. Omdat in het kader van de verordening het bestaand stedelijk gebied is begrensd (zie hiervoor, onder 1. Bundeling algemeen, Begrenzing bestaand stedelijk gebied), is daaraan ook de afspraak over ‘plafondloos bouwen’ gekoppeld. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke plannen binnen het op de kaarten aangegeven bestaand stedelijk gebied die het mogelijk maken dat door herstructurering en/of transformatie extra woningen kunnen worden gebouwd, vallen onder de afspraak ‘plafondloos bouwen’. Daarbij gelden echter twee randvoorwaarden:

  • Ten eerste: Als de functie op de transformatielocatie (bijv. sportvelden) wordt uitgeplaatst naar het landelijk gebied, aangrenzend aan de kern, valt de vrijkomende binnenstedelijke locatie niet onder de afspraak over plafondloos bouwen. Immers, in dat geval is evenzeer sprake van buitenstedelijk ruimtebeslag en wordt de doelstelling van zuinig ruimtegebruik niet gehaald. Als de uitgeplaatste functie minder areaal beslaat dan het areaal dat binnenstedelijk werd benut kan, door het verrekenen van areaalbeslag, wel een deel als plafondloos areaal worden aangemerkt.
  • Ten tweede geldt een beperking voor goedgekeurde bestemmingsplannen (oude WRO) respectievelijk vastgestelde en door ons niet bestreden bestemmingsplannen (nieuwe Wro) voor stedelijke woonuitbreidingen. Die zijn in de systematiek van de begrenzing opgenomen in bestaand stedelijk gebied. Duidelijk mag zijn dat die locaties desondanks aangemerkt moeten worden als uitbreiding, en niet vallen onder de afspraak over plafondloos bouwen.

Hoofdstuk 4 Werken     

4.1 Algemeen     

Een belangrijk uitgangspunt in het Streekplan is dat bedrijfsontwikkelingen en kantoorontwikkelingen aansluiten bij het type kern, in casu een stedelijk centrum, een regionaal centrum, een bedrijfsconcentratiekern of een overige kern. Hierdoor komt een ruimtelijke verdeling tot stand die bijdraagt aan sterke steden en een vitaal platteland. Dit uitgangspunt wordt geregeld in hoofdstuk 4. Onderscheid is gemaakt tussen de programmering van bedrijventerreinen en kantorenterreinen, en de vestigingsvoorwaarden voor afzonderlijke bedrijven, kantoren en voorzieningen.

4.2 Programmering bedrijventerreinen en kantorenterreinen; regionale afstemming     

Over de programmering van bedrijventerreinen hebben wij bestuurlijke afspraken gemaakt met gemeenten. Dit is gebeurd op regionaal niveau en gaf uitvoering aan het Convenant Bedrijventerreinen 2010-2020 dat tussen het rijk, IPO en VNG is afgesloten over de herstructurering en regionale afstemming van bedrijventerreinen. In een situatie van afnemende behoeften aan nieuwe bedrijventerreinen en hogere eisen die bedrijven en de samenleving stellen aan de kwaliteit en de ruimtelijke inpassing van bedrijventerreinen, wordt regionale afstemming steeds belangrijker. Op deze wijze wordt onnodig ruimtegebruik voorkomen en kunnen bestaande bedrijventerreinen beter benut en eerder gerevitaliseerd/geherstructureerd worden. De afspraken zijn onder andere gebaseerd op het provinciale onderzoek 'Herstructureringsopgave Fryslân in beeld' en de provinciale Behoefteraming Bedrijventerreinen. Op grond van het herstructureringsonderzoek is een provinciaal herstructureringsprogramma opgesteld.De regionale afspraken hebben betrekking op:

  • de regionale vervangings- en uitbreidingsvraag naar bedrijventerreinen;
  • de mogelijkheden om deze vraag op bestaande bedrijventerreinen op te vangen, waarbij de herstructurering en revitalisering van bestaande terreinen worden betrokken;
  • de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan nieuwe terreinen die per saldo overblijft en de fasering daarvan, met inbegrip van de ruimtevraag van bedrijven met speciale locatie-eisen (vanwege watergebondenheid, onveiligheid/ hinder, goederenstromen of verkeersaantrekkende werking, het aantrekken van grote aantallen werknemers/ bezoekers);
  • zeehaventerreinen als bedoeld in het Barro (feitelijk speelt dit alleen bij Harlingen).

Deze afspraken zijn voor alle regio's op het vaste land (regio's conform indeling plattelânsprojecten) in de periode 2010-2012 neergelegd in intergemeentelijke bedrijventerreinenplannen. Daarin is de behoefte aan en invulling van nieuwe bedrijventerreinen afgezet tegen de regionale vervangings- en uitbreidingsvraag en de herstructurering en revitalisering van bestaande terreinen.



Met betrekking tot kantoor: zijn nog geen intergemeentelijke afspraken gemaakt. Een enkele gemeente beschikt wel over een eigen kantorenplan. Met de vier grotere gemeenten (F4) worden intergemeentelijke afspraken gemaakt. Basis daarvan zal onder meer zijn de behoefteberekening die in 2012 door het Economisch Instituut voor de Bouw heeft plaatsgevonden.



De verordening sluit aan op deze gemaakte en te maken bestuurlijke afspraken. Uitgangspunt van de regeling in het eerste lid van artikelen 4.1.1 en 4.1.2 is dat de programmering van bedrijventerreinen en kantorenterreinen verloopt via een structurele, planmatige, bij voorkeur intergemeentelijke of regionale aanpak. Ruimtelijke plannen met ontwikkelingen die passen in een bedrijventerreinenplan of kantorenplan, waarmee Gedeputeerde Staten hebben ingestemd, voldoen in programmatisch opzicht aan de verordening.



Het tweede lid van de artikelen 4.1.1 en 4.1.2 geeft de mogelijkheid om incidenteel af te wijken van een bedrijventerreinenplan of kantorenplan, en/of voor de situatie dat een gemeente niet beschikt over een bedrijventerreinenplan of kantorenplan. Die afwijkingsmogelijkheid beperkt zich tot één of enkele bedrijven/ kantoren: immers, grotere ontwikkelingen ‘op voorraad’ moeten zijn verantwoord in het bedrijventerreinen- of kantoren plan. Voor wat betreft kantoren blijven grotere ontwikkelingen in feite beperkt tot de F4-gemeenten. In de andere gemeenten zal dan ook minder behoefte bestaan aan een kantorenplan en zal in voorkomend geval de afwijkingsbepaling kunnen worden toegepast.

Die afwijkingsruimte is gebonden aan voorwaarden en begrensd:

Ten eerste moet het gaan om de behoefte van concrete bedrijven. Dat maakt het mogelijk om in te spelen op een zich plotseling voordoende vraag, waar in het regionale bedrijventerreinenplan geen rekening mee is gehouden. Het moet daarbij gaan om de behoefte van bedrijven en kantoren die passen bij de overige kernen en bedrijfsconcentratiekernen (lokale vraag), regionale centra (regionale vraag) en stedelijke centra.



Tweede voorwaarde is dat het totale ruimtebeslag van de bedrijven in een redelijke verhouding staat tot de schaal van de kern. In artikel 4.2 zijn maximum kaveloppervlaktes per bedrijf geregeld. Dat beperkt daarmee ook het totale ruimtebeslag, uitgaande van één of enkele bedrijven. Van belang is verder dat aangetoond wordt dat de behoefte waarin wordt voorzien niet inpasbaar is op een bestaand of in ontwikkeling zijnd terrein in de regio. Dat is in feite een specificatie van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’, zoals die is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening en in artikel 2.3.1 onder zorgvuldig ruimtegebruik is vertaald in deze verordening. Dit zal in voorkomend geval vroegtijdig overleg noodzakelijk maken met regiogemeenten en met Gedeputeerde Staten. Tenslotte moet in het ruimtelijk plan gewaarborgd zijn dat de bedrijven goed worden ingepast wat betreft milieu, ontsluiting en landschap (artikel 2.1.1, lid 3 is mede van toepassing).

4.3 Vestigingsvoorwaarden voor afzonderlijke bedrijven, kantoren en voorzieningen.     

In de artikelen 4.2.1 t/m 4.2.3 staan de vestigingsvoorwaarden voor afzonderlijke bedrijven, kantoren en voorzieningen per type kern. Deze voorwaarden zijn zowel van toepassing op het bestaand stedelijk gebied van een kern als op een uitbreidingslocatie bij een kern, en zijn gebaseerd op het hoofdstuk Werken van het Streekplan. Hiervan kunnen gemeenten op grond van artikel 4.2.4 gemotiveerd afwijken. In dat geval moet de gemeente aantonen dat aard en schaal van de functie in het concrete geval aansluiten bij aard en schaal van de kern. Zo mag men bij een agrarisch dienstverlenend bedrijf - waarvan de oppervlakte/schaal en milieucategorie groter kunnen zijn dan bij een vergelijkbaar bedrijf - rekening houden met het feit dat een dergelijk type bedrijf vaak plaatsgebonden is (vanwege de binding met de landbouw) en daardoor bij de aard van een kleine kern kan passen. En bij overige kernen die momenteel al een aanzienlijke concentratie van bedrijfsvestigingen kennen, mogen 'aard en schaal' meebewegen met de omvang van de bestaande kern. Deze kernen zijn met name genoemd in de gebiedsgerichte uitwerkingen van hoofdstuk 3 van het Streekplan. Deze maatwerkbenadering sluit aan op paragraaf 2.3.3 van het Streekplan. Uitgangspunt is dat geen inbreuk wordt gemaakt op de kernenstructuur. Dit betekent onder andere dat een overige kern niet de regionale behoefte van een regionaal centrum en niet de (boven)regionale behoefte van een stedelijk centrum kan opvangen.



De vestigingsvoorwaarden hebben geen betrekking op bestaande vestigingen. Artikel 11.2.2 bepaalt namelijk dat de verordening niet van toepassing is op bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht of ontheffing (de voormalige vrijstellingsbevoegdheid uit de WRO) in een geldend bestemmingsplan zijn opgenomen. De vestigingsvoorwaarden hebben wel betrekking op de verplaatsing van een bedrijf in een kern (bijvoorbeeld om milieuhygiënische redenen) of op de uitbreiding van een bestaand bedrijf die niet meer past in een geldend ruimtelijk plan. Bij invulling van het aard- en schaalprincipe mag rekening worden gehouden met het feit, dat sprake is van een bestaand bedrijf en van een historisch gegroeide situatie.

4.4 Niet agrarische bedrijven en voorzieningen in landelijk gebied     

Bestaande bedrijven in het landelijke gebied die daaraan functioneel niet gebonden zijn, hebben op grond van artikel 4.3.1 een gelimiteerde uitbreidingsruimte tot een maximum van 50%, mits het bedrijf inclusief de uitbreiding ruimtelijk inpasbaar is. De eerder in de verordening 2011 opgenomen tussenmaat van 15% is geschrapt, om reden van eenvoud. We gaan er vanuit dat gemeenten tot verantwoorde keuzes komen. Ook hier telt het vereiste van landschappelijke inpassing (zie ook artikel 2.1.1, lid 3) en de borging daarvan in het ruimtelijk plan zwaar.



Horeca is enerzijds een stedelijke functie, maar voorziet tegelijk in het toeristisch-recreatieve aanbod. Daarom zijn voor horecabedrijven specifieke, afwijkende bepalingen opgenomen. Ten eerste kan op grond van artikel 4.3.2, eerste lid een nieuw horecabedrijf ook gevestigd worden nabij een recreatiekern. Dat is een ruimere formulering dan ‘aansluitend aan’, waartoe artikel 1.1.1 in zijn algemeenheid verplicht bij stedelijke functies. In die zin is een horecabedrijf qua mogelijkheden gelijkgesteld aan andere recreatiebedrijven, waarvoor ook geregeld is dat deze niet alleen aansluitend, maar ook nabij een recreatiekern kunnen worden gevestigd. Zie hoofdstuk 5. Het tweede lid van artikel 4.3.2 geeft bovendien de mogelijkheid dat een horecabedrijf meer dan 50% kan uitbreiden, mits uiteraard met een goede landschappelijke inpassing.



Ook ‘Maatschappelijke voorzieningen’ vallen niet onder de begripsbepaling van ‘bedrijven’. De verordening biedt daarmee ruimte voor uitbreiding van bestaande voorzieningen, zonder vooraf bepaalde limiet.

4.5 Detailhandel     

Om de kwaliteit en aantrekkelijkheid van bestaande kernwinkelgebieden te behouden, staan in het Streekplan beperkingen voor winkels buiten de kernwinkelgebieden. Deze beperkingen worden geregeld in de artikelen 4.4.1 tot en met 4.4.3.



De begripsomschrijving van 'kernwinkelgebied' spreekt van een aaneengesloten winkelgebied. In de verordening zijn echter geen grenzen van de kernwinkelgebieden van kernen opgenomen. Gemeenten bepalen de omvang van het kernwinkelgebied op basis van lokaal maatwerk. De bepaling moet zo worden gelezen dat een perceel of een pand dat aansluit op het bestaande kernwinkelgebied en waarin een winkelfunctie komt, tot het kernwinkelgebied kan worden gerekend.



Buiten bestaande kernwinkelgebieden kan de gemeente op grond van artikel 4.4.1 perifere detailhandel (zoals omschreven in de begripsomschrijving) toestaan die niet in bestaande kernwinkelgebieden inpasbaar is. Daarbij moet de schaal van detailhandel aansluiten bij aard en schaal van de kern. Dit betekent bijvoorbeeld dat in overige kernen geen of beperkte mogelijkheden zijn voor perifere detailhandel met een (boven)regionaal marktbereik, zoals detailhandel in keukens en woninginrichting. Wij vragen van gemeenten ook om branchevervaging te voorkomen



Daarnaast zijn uitzonderingen opgenomen voor:

  • Winkels als onderdeel van een buurt- of wijkwinkelcentrum (artikel 4.4.2, onder a). Hierbij gaan wij ervan uit dat in dat winkelcentrum zeer beperkt ruimte wordt geboden voor detailhandel in de niet-dagelijkse recreatieve branches, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan de recreatieve winkelfunctie van het kernwinkelgebied.
  • Een enkele solitaire kleinschalige winkel in een woonbuurt of gemengde buurt (artikel 4.4.2, onder b). We denken daarbij aan winkels met een vloeroppervlakte tot circa 250m². Supermarkten worden niet bedoeld.
  • Verruiming van perifere detailhandel met andere branches zoals omschreven in de begripsbepalingen (artikel 4.4.3, eerste lid). Deze uitzondering is alleen bij de kern Leeuwarden toegestaan. Een voorbeeld hiervan is de clustering van grootschalige winkelformules op De Centrale. De branches voor recreatief winkelen zijn hiervan uitgesloten, omdat anders teveel afbreuk wordt gedaan aan de recreatieve winkelfunctie van het kernwinkelgebied. De gemeente vult deze uitzonderingsmogelijkheid nader in.
  • Ondergeschikte detailhandel die direct verband houdt met een grootschalige voorziening in een stedelijk centrum, zoals een voetbalstadion of een ziekenhuis (artikel 4.4.3, tweede lid). Een voorbeeld hiervan is een winkel met supportersartikelen bij een voetbalstadion.



De plantoelichting dient te motiveren, dat detailhandel buiten het bestaande kernwinkelgebied geen afbreuk doet aan de functionele en ruimtelijke kwaliteit van het bestaande kernwinkelgebied. Dit betekent niet dat iedere winkel in het kernwinkelgebied beschermd moet worden. Wel zal onderbouwd moeten worden dat de functionele en ruimtelijke kwaliteit van het kernwinkelgebied als geheel in stand blijft. Bij een verruiming van perifere detailhandel in Leeuwarden en bij winkels in een buurt- of wijkwinkelcentrum, zal in dat verband ook de recreatieve winkelfunctie van het kernwinkelgebied betrokken worden.



Sinds de vaststelling van het streekplan is de positie van de detailhandel onder invloed van marktontwikkelingen nog kwetsbaarder geworden. Toevoegingen aan het winkelareaal betekenen veelal verdringing elders. Wij gaan er vanuit dat gemeenten de lokale afweging zorgvuldig invullen. Het is immers juist ook een gemeentelijk belang dat de bestaande winkelgebieden aantrekkelijk blijven. Daarnaast gaan wij ervan uit dat gemeenten onderling afspraken maken c.q. in goed overleg met elkaar afstemmen indien detailhandelsontwikkelingen consequenties kunnen hebben voor kernwinkelgebieden in buurgemeenten. Waar nodig zal onderzoek naar de kwantitatieve en kwalitatieve vraag en aanbodsituatie noodzakelijk zijn om te kunnen bepalen in hoeverre verruiming van winkelareaal – en dus extra ruimtebeslag - nog aanvaardbaar is. Daarbij dient zo nodig ook over de grenzen van de eigen gemeente te worden gekeken. Het winkelaanbod zal in een regionaal perspectief dienen te worden geplaatst.

4.6 Natte bedrijventerreinen     

Om het vervoer over water te stimuleren, gaat het Streekplan in par. 2.4.3 (stimuleren goederenvervoer over water en spoor) uit van een optimale benutting van natte bedrijventerreinen door watergebonden bedrijvigheid. Op deze manier kan tevens worden voorkomen dat relatief schaarse terreinen die specifiek voor een categorie van bedrijven met de bijbehorende voorzieningen zijn aangelegd, door andere bedrijven in beslag worden genomen.



Artikel 4.5.1, eerste lid regelt het gebruik van deze natte bedrijventerreinen. Vaarweggebonden bedrijven zijn bedrijven die voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van een ligging aan vaarwater. Onder bedrijven met omvangrijke goederenstromen die over water getransporteerd kunnen worden, vallen bedrijven die zich bij uitstek (op termijn) lenen voor aan- en afvoer van goederen per schip.



Van het eerste lid kan de gemeente op grond van het tweede lid gemotiveerd afwijken indien zij onderbouwt:

  • dat er een overmaat is aan nat bedrijventerrein in relatie tot de behoefte, ook op lange termijn, of
  • dat er sprake is van aanvullende behoefte voor niet watergebonden bedrijven op bedrijfspercelen die niet direct door vaarwater worden ontsloten.

Hoofdstuk 5 Recreatie & toerisme     

5.1 Algemeen     

Een belangrijk principe in het Streekplan is dat de meer grootschalige en intensieve recreatieve voorzieningen worden geconcentreerd bij de stedelijke centra, de regionale centra en de recreatiekernen. Concentratie bevordert de synergie tussen recreatieve functies, biedt schaalvoordelen en draagt daarmee bij aan de aantrekkingskracht en herkenbaarheid van een kern c.q. van een gebied voor toeristen. Daarnaast voorkomt het versnippering van recreatief aanbod en de bijbehorende nadelige landschappelijke consequenties. Dat concentratieprincipe is in de verordening overeind gebleven, maar de bepalingen in het hoofdstuk ‘recreatie’ zijn aangepast, op grond van een aantal ontwikkelingen. Zo is in de streekplanevaluatie geconcludeerd dat enige verruiming gewenst is waarmee kleine verblijfsrecreatieve bedrijfsuitbreidingen mogelijk zijn, zonder dat daarvoor telkens een ontheffing nodig is. Uit de aanpassing van de Wro vloeit bovendien voort dat de procedure van ontheffing, voorheen opgenomen onder (vml.) artikel 6.3, alleen kan worden opgenomen voor niet voorzienbare situaties. Daarnaast hebben wij onderzoek laten doen naar de 'Verblijfsrecreatie in Fryslân'voetnoot: 'Verblijfsrecreatie in Fryslân', Bureau voor Ruimte en Vrije Tijd, april 2013, Onderzoek en advies ten behoeve van ruimtelijk en toeristisch beleid. (hierna: het onderzoek). Dat onderzoek doet enkele aanbevelingen die in de verordening zijn vertaald. We blijven daarbij binnen de denkrichting van het streekplan, overeenkomstig hetgeen bij de streekplanevaluatie is afgesproken.

5.2 Nadruk op kwaliteit, methodiek 'Nije Pleats'     

Belangrijk is de in het onderzoek beschreven notie van de ‘verblijfsrecreatieve paradox’: het accent zou moeten liggen op kwaliteitsverbetering. Groei van het aanbod is in principe niet nodig. Die kwalitatieve ontwikkeling kan echter niet zonder enige ruimte voor nieuwe initiatieven. Dat leidt dan toch tot verruiming van het aanbod. Dat zou gepaard moeten gaan met sanering van het bestaande aanbod. ‘Koude’ sanering kan immers negatieve gevolgen hebben voor de recreatieve en ruimtelijke kwaliteit. Wij willen op dit moment als provincie niet zo ver gaan om aan initiatiefnemers de verplichting op te leggen dat bedrijfsuitbreiding gepaard gaat met het saneren van recreatie-eenheden elders. Op gemeentelijk niveau kan dat wellicht wel gestalte krijgen. Met de verordening blijven wij ruimte bieden voor ‘beheerste’ groei.



In het algemeen is de constructie dat met ontheffing kon worden meegewerkt, vervangen door een iets ruimere regeling in de verordening, op grond waarvan gemeenten ‘bij recht’ kunnen meewerken aan plannen. Dat betekent enerzijds minder formele betrokkenheid van provinciale kant. Dat legt anderzijds een zwaardere verantwoordelijkheid voor de afweging en motivering van de recreatieve kwaliteitsverbetering en regionale meerwaarde bij de gemeente.

We vragen daarom in artikel 5.6.1, eerste lid bij alle nieuwe recreatieve ontwikkelingen om een goede ruimtelijke, waaronder landschappelijke inpassing. Voor de niet kleinschalige ontwikkelingen, zoals bedoeld in de artikelen 5.1 t/m 5.4 vragen wij daarbij in artikel 5.6.1, tweede lid om toepassing van de methodiek Nije Pleats.

In artikel 5.6.2 is bepaald dat in de plantoelichting moet worden onderbouwd hoe de recreatieve ontwikkeling bijdraagt aan de kwaliteit van de recreatieve voorziening en/of de kwaliteit van het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio.

Wij gaan, vanwege de vrijwel altijd spelende belangen inzake landschap, natuur en water, bij de meer ingrijpende plannen uit van gezamenlijke betrokkenheid van gemeente en provincie in dat Nije Pleats-proces. Wij voelen namelijk niet voor het op voorhand vastleggen van kwaliteiten in normen omtrent bebouwingsdichtheid e.d., zoals het onderzoek aanbeveelt, maar willen samen met de gemeente en de ontwikkelende partij kwaliteiten afspreken.

De methodiek ‘Nije Pleats’ is in de begripsbepalingen omschreven. Van belang is dat alle relevante ruimtelijke inpassingsaspecten (landschap, water, natuur en ontsluiting/verkeer) aandacht krijgen, door een analyse door deskundigen. De gemeente is er voor verantwoordelijk dat de benodigde deskundigheid wordt ingeschakeld.

5.3 Begrenzing en uitzonderingen     

De vraag is telkens welke ruimte de provincie op voorhand wil bieden. Daarop wordt hierna, per onderdeel ingegaan. Zonder nieuwe grenzen zijn de provinciale belangen niet te borgen. Dilemma is dat met het trekken van nieuwe grenzen de ruimte voor kansrijke uitzonderingen, waaraan nu met ontheffing kan worden meegewerkt, wordt beperkt. Wij nemen in de verordening een algemene ontheffingsbepaling op waarmee Gedeputeerde Staten niet voorziene, kansrijke en aanvaardbare projecten, toch bij uitzondering kunnen faciliteren, met provinciale betrokkenheid. Mogelijk is ook om een kansrijk project dat buiten de beleidskaders gaat, te faciliteren door middel van een provinciaal inpassingsplan, waarvoor de bevoegdheid bij Provinciale Staten ligt. Daarmee kan de ‘belemmering’ van de verordening worden doorbroken.



Het voorstel uit het onderzoek voor ruimer beleid voor nieuwe recreatieve inrichtingen buiten de ‘recreatiekernen’ (hieronder ook te verstaan de stedelijke en regionale centra) nemen wij, juist gegeven genoemde verblijfsrecreatieve paradox, in zijn algemeenheid niet over. Wij zijn van mening dat ons beleid, gericht op fysieke bundeling en synergie zijn waarde bewijst. Voor kleinschaliger voorzieningen buiten recreatiekernen is en blijft wel ruimte. En daarvoor verruimen we de mogelijkheden iets. In die lijn past het ook om de vestigingsmogelijkheden bij ‘recreatiekernen’ te verruimen: een recreatieve ontwikkeling behoeft niet meer ‘direct aan te sluiten’ aan het bestaand stedelijk gebied van de recreatiekern, zoals voorheen verordend. In de artikelen 5.1 t/m 5.4 wordt nu gesproken over ‘in, aansluitend aan of nabij’. Een locatie ‘nabij’ een recreatiekern dient een te motiveren functionele en fysieke samenhang met die kern te hebben (vgl. bijv. It Soal-Workum, De Potten-Sneek, Hildenberg-Appelscha en Groene Ster Leeuwarden).

5.4 Recreatiekernen     

De stedelijke centra, regionale centra en recreatiekernen uit het streekplan zijn in deze gewijzigde verordening kortheidshalve samen gedefinieerd als ‘recreatiekernen’. Wij hebben als uitvloeisel van recente ontwikkelingen en bestuurlijke afspraken de kernen Oudega (Smallingerland), Witmarsum en Birdaard toegevoegd aan de lijst van recreatiekernen.

5.5 Recreatiewoningen     

Aan bestaande complexen van recreatiewoningen, binnen en buiten de recreatiekernen, is in artikel 5.1.1 als basis een uitbreidingsruimte toegekend, met 50%, dan wel tot maximaal 75 eenheden. Dat biedt enige groeiruimte, met als voorwaarden een goede landschappelijke inpassing en een motivering van de recreatieve kwaliteit.

Een verdere groei, voorheen vervat in een ontheffing, is nu op grond van 5.1.1, tweede lid zonder ontheffing mogelijk, onder voorwaarden. Fundamenteel, aanbevolen in het onderzoek, is de voorwaarde dat de toevoeging overwegend in het huursegment plaatsvindt. Dat geeft de grootste economische meerwaarde. In voorkomende gevallen hebben wij en vaak ook de gemeente, die inzet op het huursegment al ingebracht. Die inzet krijgt nu een juridische basis.

Wij kiezen hierbij voor een bovengrens van maximaal 200 recreatie-eenheden. De ontheffing bevatte voorheen geen bovengrens, maar in de praktijk van het overleg over projecten richtte zich onze inzet, en meestal ook die van gemeenten, op die schaal. Bij die schaal kan blijkens het onderzoek, sprake zijn een volwaardig recreatiepark met voorzieningen.

Voor bestaande complexen buiten de recreatiekernen gaan we bovendien uit van een groeimodel: een complex kan in eerste instantie groeien tot 50 eenheden. Bij gebleken bedrijfsmatige kwaliteit is een latere uitbreiding naar 200 eenheden mogelijk. Uiteraard is voorwaarde dat een complex wat betreft schaal en verschijningsvorm inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Zo zal ook beoordeeld moeten worden of de schaal van een dorp de schaal van het complex redelijkerwijs toelaat.

Ook initiatieven voor nieuwe complex van recreatiewoningen: willen wij, zoals voorheen, blijven faciliteren, maar dan alleen bij recreatiekernen. Als basis tot 50 eenheden, eventueel tot max. 200 woningen in een verhuurformule. Artikel 5.1.2 voorziet hier in.

Wij voorzien ook op grond van de ervaringen in de afgelopen jaren en op grond van het onderzoek geen nieuwe recreatieve woonprojecten buiten de nabijheid van recreatiekernen. Voor het unieke geval dat zich toch een grootschalig initiatief aandient dat wel als kansrijk en aanvaardbaar kan worden aangemerkt vanwege de regionale meerwaarde, behouden wij de mogelijkheid tot ontheffing, op grond van de algemene ontheffingsclausule, of een provinciaal inpassingsplan.

Uitzondering op voorhand maken wij voor projecten bij Driesum en Westergeest, waarover eerder bestuurlijke afspraken zijn gemaakt. Artikel 10.6 voorziet in een Bijzondere afwijkingsbepaling voor die projecten.



Vanwege de gewijzigde opzet van het recreatiehoofdstuk is nu in artikel 5.1.3 expliciet geregeld dat op een bestaand kampeerterrein recreatiewoningen zijn toegestaan ter vervanging van standplaatsen. Het streekplan verbindt daaraan de voorwaarde dat de gemeente die omzetting motiveert in het licht van het totale regionale aanbod in de verschillende segmenten. Die voorwaarde is, net als voorheen, niet in de verordening opgenomen.

5.6 Kampeerterreinen     

Blijkens het onderzoek is met name in het segment kampeerterreinen per saldo geen behoefte aan groei. Wij willen daarom vooral ruimte bieden voor kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijven, die gepaard kan gaan met beperkte groei.

Er is ruimte voor areaaluitbreiding met behoud van het aantal standplaatsen, ten behoeve van kwaliteitsverbetering (ruimere standplaatsen). Daarnaast blijven we ruimte bieden voor enige groei van het aantal standplaatsen, om daarmee extra voorzieningen te kunnen financieren. Zoals voorheen kunnen alle bestaande recreatiebedrijven in ieder geval doorgroeien naar 200 standplaatsen, de omvang waarbij voldoende massa en draagvlak ontstaat voor kwalitatieve voorzieningen op het kampeerterrein. Wij vervangen de mogelijkheid om uit te breiden boven de 200 standplaatsen, voorheen alleen mogelijk via ontheffing van ons college, door de mogelijkheid (artikel 5.2.1) voor elk bestaand bedrijf om bij recht uit te breiden met 100 standplaatsen. Dat biedt ook de grotere bestaande bedrijven mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering.

Hoewel de behoefte, per saldo, aan nieuwe kampeerterreinen en standplaatsen dus in het algemeen gering is, willen wij vooralsnog, binnen de kaders van het huidige beleid toch ruimte blijven bieden voor nieuwe terreinen, maar dan alleen bij recreatiekernen, tot maximaal 200 standplaatsen. Wij gaan er vanuit dat de markt die ruimte benut voor kwalitatief hoogwaardige(r) concepten, zoals 'Glamping'.

Voorheen konden wij ook ontheffing verlenen voor nieuwe kampeerterreinen, boven 200 standplaatsen, zonder vooraf bepaald maximum aantal standplaatsen. Gelet op het onderzoek en onze ervaringen in de afgelopen jaren menen wij dat de nu te geven ruimte met uitbreidingsmarge voldoende is.

Ook konden wij voorheen ontheffing verlenen voor nieuwe kampeerterreinen buiten recreatiekernen. Wij voorzien gelet op het onderzoek en op de ervaringen in de afgelopen jaren geen grootschalige initiatieven buiten de nabijheid van recreatiekernen.

Voorheen konden wij ook via die ontheffing meewerken aan een nieuw kampeerterrein buiten een recreatiekern, in de vorm van omzetting van een 'kleinschalig kampeerterrein' (vml. 'kamperen bij de boer') naar een reguliere camping. Met het schrappen van de ontheffingsmogelijkheid vervalt ook die ruimte. Dat past bij de onderzoekaanbevelingen en bij ons streven om het contrast tussen reguliere, professionele campings en het kleinschalig kamperen duidelijker zichtbaar te houden.

5.7 Jachthavens     

Blijkens het onderzoek is ook in het segment jachthavens per saldo vrijwel geen behoefte aan groei. Wij willen daarom ook voor dit segment vooral ruimte bieden voor kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijf:, die gepaard kan gaan met beperkte groei.

Er is ruimte voor areaaluitbreiding met behoud van het aantal ligplaatsen, als dat leidt tot kwaliteitsverbetering. Daarnaast blijven we ruimte bieden voor enige groei van het aantal ligplaatsen, om daarmee extra voorzieningen te kunnen financieren. Zoals voorheen kunnen alle bestaande bedrijven bij recreatiekernen doorgroeien naar 250 ligplaatsen, de omvang waarbij voldoende massa en draagvlak ontstaat voor kwalitatieve voorzieningen. Wij vervangen de mogelijkheid om uit te breiden boven de 250 ligplaatsen, voorheen via ontheffing van ons college, door de mogelijkheid (artikel 5.3.1) om bij recht uit te breiden met 100 ligplaatsen. Dat biedt ook bestaande grotere bedrijven mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering.

Hoewel, blijkens het onderzoek, de behoefte aan nieuwe jachthaven:s/ligplaatsen in het algemeen gering is, willen wij binnen de kaders van het huidige beleid toch ruimte blijven bieden voor nieuwe jachthavens bij 'recreatiekernen', tot maximaal 250 standplaatsen (artikel 5.3.2). Wij gaan er vanuit dat de markt die ruimte benut voor kwalitatief hoogwaardige(r) concepten.

Buiten recreatiekernen handhaven we ook de mogelijkheid voor kleinere jachthavens (uitbreiding/nieuw) tot maximaal 50 ligplaatsen bij kernen of 25 ligplaatsen buiten kernen. Dit is nu geregeld onder 'Kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie', in artikel 5.5.2. Dat kan bijdragen aan het pakket van kleinschaliger ontwikkelingen buiten de recreatiekernen, ook als onderdeel van recreatieve, natte netwerken en routes.

Voorheen konden wij ontheffing verlenen voor verdere uitbreiding en voor nieuwe jachthavens, boven 250 standplaatsen, zonder vooraf bepaald maximum aantal ligplaatsen. Ook konden wij voorheen ontheffing verlenen voor nieuwe jachthavens buiten recreatiekernen. Gelet op het onderzoek en onze ervaringen in de afgelopen jaren menen wij dat de nu te geven ruimte met uitbreidingsmarge voldoende is. Wij voorzien geen grootschalige initiatieven buiten de nabijheid van recreatiekernen.

5.8 Dagrecreatie     

Voorheen bood de verordening alleen bij ‘recreatiekernen’ ruimte voor uitbreiding of nieuwe vestiging van dagrecreatieve voorzieningen, tot 100.000 bezoekers per jaar. Aan grootschaliger dagrecreatieve voorzieningen (uitbreiding van bestaande of nieuwe) bij ‘recreatiekernen’, aan uitbreiding van bestaande voorzieningen buiten de recreatiekernen of aan nieuwe voorzieningen buiten die recreatiekernen kon slechts via ontheffing door ons college medewerking worden verleend (streekplan: grootschalig recreatief kwaliteitsarrangement). Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen voorzieningen beneden en boven de 250.000 bezoekers: die laatste zouden bij voorkeur in/bij de stedelijke centra moeten worden gesitueerd.

Met de noodzaak om het principe van ontheffing te schrappen hebben we de regeling vereenvoudigd. Uitbreiding van alle bestaande voorzieningen, zowel bij (in, aansluitend aan en nabij) recreatiekernen, als daarbuiten, kan nu op grond van artikel 5.4.1, eerste lid ‘bij recht’, tot een iets verhoogde maximum omvang, uitgedrukt in bezoekersaantallen, van 150.000 per jaar. Ook maakt artikel 5.4.1, tweede lid ‘bij recht’ nieuwe dagrecreatieve voorzieningen bij ‘recreatiekernen’ mogelijk tot dezelfde, iets verruimde omvang. Artikel 5.4.1, derde lid laat bij stedelijke centra dagrecreatieve voorzieningen toe met een omvang boven de 150.000 bezoekers per jaar.



Wij voorzien, gelet op onze ervaring in de afgelopen decennia, geen initiatieven voor dagrecreatieve voorzieningen die buiten deze bandbreedte treden wat betreft locatie en omvang. Mochten zich buiten die verwachting toch initiatieven voordoen die provinciale of regionale meerwaarde zouden kunnen hebben, dan behouden wij de mogelijkheid tot ontheffing, op grond van de algemene ontheffingsclausule, of door het maken van een provinciaal inpassingsplan.

5.9 Recreatieve combinaties     

Het streekplan bevatte geen expliciet beleid voor bedrijven die kiezen voor een mix van voorzieningen (huisjes, standplaatsen, ligplaatsen, dagrecreatieve voorzieningen). De verordening 2011 liet die mix niet toe, terwijl bedrijven die toch soms willen kunnen aanbieden. Met de nieuwe opzet zijn combinatiebedrijven wel mogelijk bij recreatiekernen, als optelsom van de afzonderlijke bepalingen ten aanzien van recreatiewoningen, kampeerterreinen en jachthavens.

Buiten recreatiekernen is die combinatiemogelijkheid beperkter. Een bestaand kampeerterrein kan (art. 5.1.3) standplaatsen vervangen door woningen en eventueel nadien, bij gebleken bedrijfsmatige kwaliteit, op grond van artikel 5.1.1 doorgroeien. Onder de noemer ‘kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie zijn kleinschaliger combinaties mogelijk, ook buiten recreatiekernen. Zie hierna.

5.10 Kleinschalige recreatie buiten 'recreatiekernen'     

Buiten de recreatiekernen blijft de ontwikkelruimte beperkter. De desbetreffende mogelijkheden zijn in de verordening bij elkaar gebracht en iets verruimd ten opzichte van de verordening 2011.

Allereerst blijven (artikel 5.5.1, eerste lid), gekoppeld aan bestaande bebouwing van agrarische bedrijven, bedrijven of woningen, kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen mogelijk, op of bij het erf: kleinschalig kamperen, logies, recreatiewoningen binnen bestaande bebouwing, trekkershutten op het erf en groepsaccommodatie in of aansluitend op bestaande bebouwing op het erf.

Toegevoegd (artikel 5.5.1, eerste lid, onder d) is de mogelijkheid om, expliciet verbonden aan herbestemming/hergebruik van bestaande, lege en/of vervallen bebouwing in/bij een 'overige kern', enkele (maximaal 15) nieuwe recreatie-eenheden te realiseren. Dat kan, zeker ook in de 'anticipatiegebieden krimp', enige ruimte geven voor financiering van de noodzakelijke herbestemming. Juist in de tijd van krimpende groei en toenemende leegstand is het de uitdaging om nieuwe initiatieven te realiseren binnen bestaande bebouwing en leegstaande panden en terreinen binnen bestaand stedelijk gebied. Voorwaarde is dat het gaat om één, fysiek samenhangend project.

Daarnaast laat artikel 5.5.1, tweede lid, ruimte voor het enige groei van het kleinschalige kamperen (voorheen: kamperen bij de boer) van 15 naar 25 standplaatsen, onder voorwaarde dat de gemeente op dat vlak een selectief beleid voert om wildgroei en 'verrommeling' van het landschap te voorkomen. Expliciet is bepaald in de begripsomschrijving dat stacaravans niet toegestaan zijn opdat het landschap 's winters weer schoon is. Zoals gezegd is doorgroei naar een groter kampeerterrein niet meer mogelijk.

De ruimte voor kleine jachthavens buiten 'recreatiekernen' is gehandhaafd (artikel 5.5.2). Dat maakt het ook mogelijk dat bij een bestaand recreatiewoningen- of kampeerterrein 25 dan wel 50 ligplaatsen worden gevoegd als recreatieve combinatie.

Artikel 5.5.3 voorziet ook in een mogelijkheid van een kleinschalige recreatieve combinatie: bij een verblijfsrecreatief terrein of jachthaven buiten een recreatiekern kunnen dagrecreatieve voorzieningen worden gevoegd, mits daaraan ondergeschikt en naar aard en schaal passend. Die bepaling is niet afgebakend wat betreft aantal bezoekers. Afbakening van de omvang is primair een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Duidelijk moet zijn dat het niet kan gaan om grootschaliger dagrecreatieve voorzieningen met een grote bezoekersstroom.

Artikel 5.5.3, lid 2 tenslotte voorziet in de mogelijkheid om, los van bestaande recreatievoorzieningen, een kleinschalige dagrecreatieve voorziening of inrichting te realiseren. Met als limiet een terreinoppervlakte van 1 ha. Gedacht wordt aan kleinschalige voorzieningen die een functie hebben, als 'stepping stone' in een toeristisch netwerk of toeristische route. Veelal zullen dit soort voorzieningen behoren bij bestaande bebouwingsfuncties.

5.11 Waddeneilanden     

Artikel 5.7.1, eerste lid regelt dat de situering van nieuwe recreatieve voorzieningen op de Waddeneilanden niet is gekoppeld aan recreatiekernen. Immers op de eilanden zijn geen recreatiekernen aangewezen. Het gehele eiland is in principe aan te merken als recreatieve zone. We gaan er vanuit dat de gemeenten bij de locatiekeuze van een nieuwe voorziening zorgvuldigheid betrachten. Bovendien is de natuurwetgeving van kracht. Dat geeft voldoende sturing aan de ruimtelijke keuzes en inpassing.

Artikel 5.7.1, tweede lid regelt dat artikel 5.3 met betrekking tot jachthavens geen betrekking heeft op de jachthavens op de eilanden. Het Barro stelt daarvoor regels.

Artikel 5.7.2 geeft een bijzondere bepaling voor recreatie op de Waddeneilanden, waarin het streekplanprincipe van 'stabilisatie recreatiedruk is neergelegd. In de praktijk wordt daartoe als hulpmiddel de 'beddenboekhouding' toegepast. Overeenkomstig het streekplan is een andere onderbouwing van het stabilisatieprincipe mogelijk. Hierover zijn de samenwerkende eilandgemeenten met de provincie in gesprek.

5.12 Omzetting naar woonbestemming voor permanente bewoning     

Buiten bestaand stedelijk gebied is omzetting van de bestemming van recreatiewoningen naar een woonbestemming voor permanente bewoning, op grond van artikel 5.8.1 niet toegestaan. Dat artikel heeft geen betrekking op recreatiewoningen in voormalige boerderijen of in voormalige woningen; deze recreatiewoningen zijn namelijk niet primair als recreatiewoningen gebouwd. Daarvan is omzetting naar de woonfunctie wel aanvaardbaar.

Bij uitzondering kan door de gemeente van artikel 5.8.1 worden afgeweken. Het Streekplan formuleert criteria voor de omzetting van de bestemming van recreatiewoningen in een woonbestemming voor permanente bewoning (par. 2.5.2). Voorkomen moet worden dat door omzetting teveel verblijfsrecreatieve capaciteit verdwijnt, en dat aan de recreatieve aantrekkelijkheid van verblijfsrecreatieterreinen afbreuk wordt gedaan. Extra ruimtebeslag op het landelijk gebied als gevolg van compensatie met nieuwe recreatieterreinen, vinden wij eveneens ongewenst. Daarnaast hebben de meeste recreatieparken geen geschikte ontsluiting en ligging voor permanente bewoning. De voorwaarden voor afwijking zijn overgenomen uit het streekplan en opgenomen in artikel 5.8.2 Het moet gaan om woningen aansluitend aan bestaand stedelijk gebied en niet gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur. Het criterium dat de recreatiewoningen voldoen aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen, heeft met name betrekking op het Bouwbesluit. Daarin staan bouwtechnische eisen, gebruikseisen, veiligheidseisen en energetische eisen voor woningen.

Het moet bovendien gaan om gevallen van langdurige, onafgebroken bewoning, met als peildatum 1 november 2003. Met een persoonsgebonden ontheffing kan een gemeente in specifieke situaties permanente bewoning van een recreatiewoning tijdelijk toestaan zonder wijziging van de bestemming.

Hoofdstuk 6 Landbouw     

6.1 Algemeen     

Het hoofdstuk landbouw in de verordening is gebaseerd op het streekplanhoofdstuk, maar aangevuld met de nadien genomen besluiten door Provinciale Staten over de grondgebonden veehouderij en de intensieve veehouderij. Op 21-12-2011 en 27-2-2013 hebben Provinciale Staten nieuw provinciaal beleid vastgesteld voor grootschalige melkveehouderijen. Gelijktijdig met de vaststelling van de verordening hebben Provinciale Staten nieuw beleid vastgesteld voor de intensieve veehouderij.

6.2 Nieuwe agrarische bouwpercelen     

Artikel 6.1.1 laat in principe nieuwe agrarische bouwpercelen alleen toe voor grondgebonden veehouderijen. Omdat wij niet verwachten dat er een toestroom van intensieve veehouderijen naar Fryslân zal plaatsvinden en vanwege de ruime beschikbaarheid van vrijkomende agrarische bouwpercelen, zijn nieuwe bouwpercelen voor niet grondgebonden veehouderijen niet nodig. Daarom is volgens artikel 6.1.1 een nieuw bouwperceel alleen, bij uitzondering toegestaan voor een bestaande intensieve veehouderij die om dringende maatschappelijke redenen verplaatst moet worden en waarvoor geen geschikt bestaand bouwperceel te vinden is. Een voorbeeld van een dringende maatschappelijke reden is een intensieve veehouderij die teveel stikstof uitstoot op een kwetsbaar natuurgebied in de omgeving.



Ook in het landelijk gebied streven we naar zorgvuldig ruimtegebruik, om verrommeling, verstening en versnippering zoveel mogelijk te voorkomen. Op grond van artikel 6.1.1 kijkt de gemeente daarom eerst naar de mogelijkheden van bestaande, vrijkomende bouwpercelen, alvorens een nieuw bouwperceel wordt aangewezen. Hierbij betrekt de gemeente:

  • een inventarisatie van bestaande of voormalige agrarische bouwpercelen in de omgeving van de beoogde (agrarische) bedrijfsvestiging die beschikbaar zijn of beschikbaar kunnen komen voor vestiging van het bedrijf;
  • eventuele beperkingen op het gebied van financiën, eigendomssituatie, milieu, landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden of daarmee naar de aard vergelijkbare beperkingen die in de weg staan aan vestiging van het bedrijf op één van deze bouwpercelen.

6.3 Begripsbepaling agrarisch bouwperceel     

Volgens de begripsomschrijving liggen binnen het agrarisch bouwperceel de bebouwing (waaronder bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning en silo's) en de verharding van het agrarisch bedrijf. Beplanting niet. Uitgangspunt is echter dat de gemeente bij de begrenzing van een agrarisch bouwperceel uitgaat van logische grenzen. Dit kan soms betekenen dat ook een beplantingssingel bij een bedrijf in het bouwperceel wordt opgenomen. Wij vinden het van belang dat de verharding en voorzieningen (zoals silo's) ten behoeve van het bedrijf binnen het agrarisch bouwperceel komen te liggen. De verharding betreft in ieder geval de verharding rondom de bedrijfsgebouwen (de manoeuvreerruimte voor landbouwvoertuigen). Erfverharding ten behoeve van de bedrijfswoning evenals de tuin behoeven daar niet onder te vallen, net zo min als de toegangsweg/ landbouwweg naar een bedrijf. Bij voorzieningen gaat het om (bouw)werken zoals silo's die logistiek en functioneel bij de concentratie van bedrijfsgebouwen op het erf horen. Waar het om gaat is dat de gemeente de begrenzing van een agrarisch bouwperceel baseert op zorgvuldig maatwerk en daarbij deze aspecten betrekt.

6.4 Schaalvergroting en de methodiek Nije Pleats     

De verordening biedt ruimte voor schaalvergroting van agrarische bedrijven. Voor schaalvergroting (geregeld in artikel 6.1.2 en 6.1.3) is voorwaarde dat het bedrijf in de beoogde bedrijfsomvang ter plekke kan functioneren qua ligging en ontsluiting en inpasbaar is binnen de kwaliteiten van landschap en natuur. Wij vragen gemeenten deze zorgvuldige inpassing te realiseren door toepassing van de Nije Pleats methodiek. Hierbij laat de gemeente zich in een vroeg stadium door deskundigen integraal adviseren over de ruimtelijke inpassing van een agrarisch bedrijf. Deze maatwerkmethode levert winst voor de boer en winst voor de inpassing van het boerenerf in het landschap op. Daarnaast is er sprake van tijdswinst als de deskundigen op één moment en gezamenlijk tot een integraal advies komen. Het expertiseteam van De Nije Pleats, waarvan het contactpunt bij Hûs en Hiem zit, is een serviceteam richting gemeenten dat snel het gewenste maatwerk kan leveren. Wij adviseren gemeenten nadrukkelijk om hiervan gebruik te maken.

Een gemeente kan deze integrale advisering en onderbouwing ook zelf organiseren. In dat geval zal verzekerd moeten zijn dat alle relevante deskundigen tijdig worden ingeschakeld.

Uiteraard mag sprake zijn van maatwerk: bij kleinschalige perceelsverruiming in niet complexe situaties kan de Nije Pleats-methodiek ook eenvoudiger vorm gegeven worden.



Artikel 6.1.5 borgt die Nije Pleats methodiek bij bouwpercelen > 1,5 ha en bij nieuwe bouwpercelen. In de begripsbepalingen staat een omschrijving van de methodiek Nije Pleats. In een bestemmingsplan kan de gemeente dit regelen door een afwijkings-/ontheffingsbepaling of een wijzigingsbevoegdheid met passende criteria. Als bouwmogelijkheden 'bij recht' worden toegekend doet zich de noodzaak voor van het opnemen van een 'voorwaardelijke bepaling' wat betreft de borging van de landschappelijke inrichting. Het maatwerk kan aan toepassing van deze bevoegdheden gekoppeld worden. Voor zorgvuldige inpassing van een agrarisch bedrijf zijn de volgende aspecten relevant:

  • omvang en vorm van het agrarische bouwperceel;
  • bestaande en te realiseren beplanting op en rond het boerenerf;
  • inrichting van het boerenerf, waaronder de plaatsing van bouwwerken en opslagplaatsen, en de wenselijkheid om overtollige bebouwing te slopen;
  • afmetingen, bouwvorm, materiaalkeuze, beeldkwaliteit en lichtuitstoot van bebouwing.

Het Werkboek van De Nije Pleats biedt hiervoor praktische handreikingen.

LTO Noord en de milieufederaties van Groningen en Fryslân willen een convenant afsluiten over vermindering van de lichtuitstoot uit stallen. Op basis van deze afspraken komen we medio 2014 met provinciaal beleid voor lichthinder. In de tussentijd kunnen gemeenten aan de hand van praktijkvoorbeelden (zoals lichtbeleid stallen, gemeente Tytsjerksteradiel) maatwerk leveren om de lichthinder per bedrijf te beperken.

In 2012 hebben we met de agrarische sector en gemeenten een kwaliteitsnetwerk van wegen voor zwaar landbouwverkeer in beeld gebracht (Nota kwaliteitsnetwerk wegen voor landbouwverkeer). Bij de beoordeling van de verkeerskundige inpassing kunnen gemeenten dit kwaliteitsnetwerk betrekken.

De Nije Pleats methodiek kan ook bij een bouwperceel kleiner dan 1,5 ha veel voordelen bieden. Voor de inpassing van die kleinere bouwpercelen schrijft de verordening de methodiek Nije Pleats niet voor, maar is wel, op grond van artikel 2.1.1, lid 3, onder d, aandacht voor de inpassing noodzakelijk. Dit kan op verschillende manieren in een bestemmingsplan geregeld worden, bijv. via een voorwaardelijke bepaling of een nadere eisenregeling. Schaalvergroting heeft eveneens consequenties buiten het boerenerf, zoals voor verkavelingsstructuren en -beplantingspatronen. Voor deze aspecten gelden de algemene principes van landschappelijke en cultuurhistorische inpassing van artikel 2.1.1.

6.5 Schaalvergroting grondgebonden veehouderijen     

Basis (artikel 6.1.2, eerste lid) is een bouwperceel van maximaal 1,5 ha (of, in geval het bestaande perceel al groter is, de bestaande maat). Schaalvergroting is mogelijk, onder kwalitatieve voorwaarden. Eerste voorwaarde is dat een grootschalige melkveehouderij volgens artikel 6.1.2, tweede lid, sub a grondgebonden dient te blijven. Grondgebonden wil zeggen dat er een relatie is tussen de omvang van een bedrijf en de oppervlakte grond die het bedrijf in de omgeving in beheer en onderhoud heeft. Dit betekent op grond van de gehanteerde begripsbepaling dat er voldoende grond bij het bedrijf moet horen voor ruwvoervoorziening en mestafzet: het voortbrengend vermogen van de bij het bedrijf behorende landbouwgrond vormt de basis van het bedrijf. Wij zijn, net als de LTO en de zuivelindustrie ook voorstander van weidegang, maar leggen dat niet planologisch-juridisch vast als eis. Handhaving van dat criterium door de gemeente zou heel lastig zijn. De begripsbepaling laat dus geen ruimte voor ‘footloose’ melkveehouderijen; dat zijn intensieve en grootschalige bedrijven die geen enkele relatie meer hebben met de grond rondom. Zulke bedrijven vinden wij in Fryslân ongewenst. De verordening bevat bewust geen normstelling ten aanzien van grondgebondenheid. Wij verwachten dat de gemeente in het ruimtelijke plan het principe van grondgebondenheid in de planregels opneemt en in de plantoelichting beschrijft hoe daaraan invulling wil geven. Wij geven wel een beeld/indicatie van een mogelijke benadering, maar met de aantekening dat andere benaderingen mogelijk zijn.



Een veehouderij is grondgebonden wanneer het voor het vee benodigde ruwvoer overwegend - d.w.z. in ieder geval meer dan de helft - afkomstig is van de bij het bedrijf behorende landbouwgrond. Uit landbouwkundige productiegegevens blijkt dat bij een veebezetting van ca. 3 grootvee-eenhedenvoetnoot: Groot Vee Eenheid (GVE): rekeneenheid voor het vaststellen van de veebezetting zoals vastgelegd door de Europese Commissie (EU 2009, L329/3). Melkkoe = 1,0 GVE, kalf = 0,4 GVE, paard = 0,8 GVE, schaap of geit = 0,1 GVE). (GVE) of minder per hectare gras en voedergewassen aan deze voorwaarde wordt voldaan; ook de meeste mest kan dan bij het bedrijf worden afgezet. Omgerekend komt dit uit op ruim 0,3 hectare of meer per GVE. Dit richtgetal is een gemiddelde voor efficiënt producerende veebedrijven. Het getal houdt geen rekening met individuele omstandigheden, bijv. een veehouder die veel ruwvoer per ha produceert. Onder de bij het bedrijf behorende landbouwgrond wordt verstaan landbouwgrond in de directe omgeving van het bedrijf waar het bedrijf structureel, bij voorkeur op basis van eigendom of langdurige pacht, over kan beschikken. In de regel is 20 km een afstand waarbinnen een agrarisch bedrijf nog adequaat de bijbehorende grond kan verzorgen en benutten, en daarop toezicht kan uitoefenen.

Naast deze GVE methode kan een gemeente grondgebondenheid als volgt beoordelen:

  • Per veehouder op basis van individuele gegevens bepalen hoeveel hectares de veehouder in gebruik/beheer moet hebben voor de gewenste mate van zelfvoorziening. Deze methode houdt rekening met individuele omstandigheden en biedt ruimte voor maatwerk. Per bedrijf zijn gegevens nodig over de omvang van de veestapel en de hoeveelheid grond in gebruik en beheer, productie en samenstelling van melk, mest en ruwvoer en mestafzet. Deze gegevens staan meestal in het bedrijfsplan. Met uitzondering van de ruwvoerproductie, betreft het gegevens die de veehouder standaard bijhoudt en jaarlijks aanlevert bij het Ministerie van EZ (Dienst Regelingen).
  • Een combinatie van verschillende gegevens/ indicatoren, bijv. voldoende areaal grond in de omgeving voor ruwvoerproductie, mestafzet en weidegang, ligging van stallen t.o.v. aangrenzende gronden, type stalsysteem en feitelijke inrichting van de stal, milieuvergunning/melding, meitellingen. Ook gemiddelde verhoudingsgetallen van aantal dieren per ha of gemiddelde grondoppervlak per bedrijfsomvang kunnen indicaties geven; fijnregulering vindt vervolgens plaats via de mest- en milieuregelgeving. Dit vergt een goede onderbouwing per geval.

We onderkennen dat een groeiend bedrijf soms niet meteen over de benodigde grond beschikt. In dat geval zal aannemelijk gemaakt moeten worden dat het bedrijf binnen redelijke tijd over de grond kan beschikken. Dit kan op basis van het bedrijfsplan.



De verordening geeft in de lijn van het nieuwe veehouderijbeleid, anders dan het streekplan, wel een begrenzing van de toelaatbare schaalvergroting. De oppervlakte van het bouwperceel bedraagt volgens artikel 6.1.2, tweede lid, sub b maximaal 3 ha.

In een incidenteel geval is op grond van 6.1.2, derde lid een beperkte overschrijding van dit maximum mogelijk. 'Beperkt' is niet nader gekwantificeerd om maatwerk te kunnen leveren, maar wij denken hierbij aan maximaal ca. 10%. Het gaat dan om een bijzondere situatie: een bedrijf zit al tegen de 3 ha grens aan (of is al groter dan 3 ha) en kan alleen nog uitbreiden door beperkte uitbreiding van het bestaande bouwperceel. De schaalvergroting is redelijkerwijs niet binnen 3 hectare te realiseren door bijvoorbeeld het spreiden van bedrijfsonderdelen over meerdere locaties of het slopen van oude bebouwing. Verder moet sprake zijn van een aanzienlijk maatschappelijk voordeel op één of meer van de genoemde aspecten:

  • Bij de aspecten 'dierenwelzijn' en 'milieu' zullen de verbeteringen verder moeten gaan dan de wettelijke eisen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de milieuwetgeving voor o.a. ammoniak, fijnstof en geur, of de Meststoffenwet. Bijvoorbeeld door te voldoen aan de Maatlat Duurzame Veehouderij van de Stichting Milieukeur. Of door het vergroten van de beschikbare ruimte per dier volgens het 'beter leven sterrensysteem' van de Dierenbescherming. Of door de toepassing van Beste Beschikbare Technieken (Plus) waardoor hindercontouren, ammoniakuitstoot, fijnstofuitstoot, geurhinder of gezondheidsrisico's aanzienlijk afnemen;
  • Bij het aspect 'innovatieve bedrijfsvoering' gaat het erom dat het bedrijf aantoonbaar vernieuwend is vanuit een oogpunt van duurzaamheid. Een voorbeeld is de toepassing van nieuwe energiebesparende of energieopwekkende technieken; technieken die verder gaan dan op dat moment (maatschappelijk) gebruikelijk is;
  • Bij het aspect 'aanmerkelijke landschappelijke verbetering' zal in de nieuwe situatie sprake moeten zijn van een veel betere landschappelijke inpassing van het bedrijf ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Of op een andere plek wordt minimaal dezelfde oppervlakte aan bebouwing gesloopt.

Naast deze afwijkingsregeling kunnen wij via de algemene ontheffingsregeling in artikel 10.1.1 in een incidenteel geval een groter bouwperceel toestaan. Het gaat dan om een zeer bijzondere situatie waarmee vooraf geen rekening kon worden gehouden. Hierdoor kunnen vooraf geen inhoudelijke criteria worden geformuleerd. Doorslaggevend is dat de norm in dat bijzondere geval onbillijk uitpakt.

Onder grondgebonden veehouderij valt volgens de begripsomschrijving ook een ondergeschikte neventak niet-grondgebonden veehouderij (intensieve veehouderij). De gemeente bepaalt in het ruimtelijk plan wat in dit verband ondergeschikt is.

6.6 Niet-grondgebonden veehouderijen (intensieve veehouderijen)     

Tegelijk met deze herziening van de Verordening Romte hebben Provinciale Staten nieuw beleid voor intensieve veehouderijen vastgesteld (Beleidsnotitie Intensieve Veehouderij). Onder intensieve veehouderijen vallen de veehouderijen die niet-grondgebonden zijn waarbij de dieren overwegend in stallen worden gehouden. Dit betreft in Fryslân voornamelijk varkens- en pluimveehouderijen. Een omschrijving van ‘niet grondgebonden veehouderij' staat in de begripsbepalingen. Het provinciale beleid biedt bestaande intensieve veehouderijen ontwikkelingsruimte om aan de nieuwe regels en eisen op het gebied van dierenwelzijn, gezondheid en milieu te voldoen, mits een zorgvuldig ruimtelijke inpassing van de bedrijven gewaarborgd is.



Artikel 6.1.3, eerste lid geeft ruimte tot een maximum van 1,5 ha bouwperceel. Dat komt overeen met de basismaat voor grondgebonden bedrijven. Meer ruimte vinden we alleen aanvaardbaar als het gaat om grondgebonden bedrijvigheid. Omdat een intensief bedrijf per definitie niet grondgebonden is, willen we meer ruimte niet bieden. Die maat van 1,5 ha is voor de meeste intensieve veehouderijen overigens voldoende ruim en correspondeert met ca. 300-400 NGE. Bestaande bouwpercelen die groter zijn kunnen gehandhaafd blijven. Verder kan voor een mestvergistingsinstallatie c.a., (zie artikel 6.2.1, eerste lid) nog extra ruimte tot maximaal 0,5 ha benut worden. Met deze mogelijkheid bieden we ruimte voor duurzame energieopwekking.



Artikel 6.1.3, tweede lid maakt wel een beperkte overschrijding van dat maximum mogelijk als een bedrijf redelijkerwijs niet binnen 1,5 ha uit de voeten kan. Zo kan een bestaande intensieve veehouderij al dicht tegen het oppervlak van 1,5 ha aanzitten en een beperkte uitbreiding nodig hebben om te voldoen aan wettelijke eisen op het gebied van dierenwelzijn/milieu. In dat geval is een beperkte uitbreiding, waarbij gedacht kan worden aan maximaal circa 10%, denkbaar. Dat biedt slechts beperkt ruimte voor toename van het aantal dierplaatsen. Een ander voorbeeld is innovatie: een kernfokbedrijf dat niet gesplitst kan worden omdat alle bedrijfsonderdelen vanwege certificeringseisen bij elkaar moeten zitten. De noodzaak hiervan en de mate van de dan noodzakelijke, beperkte overschrijding zullen onderbouwd moeten worden. Ook bij de combinatie van akkerbouw of melkveehouderij met een tak intensieve veehouderij (gemengd bedrijf) kan een oppervlakte van meer dan 1,5 ha nodig zijn; in dat geval is de hoofdtak bepalend voor de maximale omvang van het bouwperceel, zie hierna. Ook als sprake is van een bedrijf met een al bestaande oppervlakte bouwperceel groter dan 1,5 ha, waarvan toch, om bovengenoemde redenen, een geringe uitbreiding nodig is, kan artikel 6.1.3, tweede lid worden toegepast.



Als een bestaand intensief veehouderijbedrijf een groter oppervlak dan 1,5 ha nodig heeft, is bovendien splitsing van het bedrijf in onderdelen en spreiding daarvan over twee of meer locaties mogelijk. Daarbij moet wel gebruik worden gemaakt van een bestaand bouwperceel. Daartoe maakt artikel 6.1.4, eerste lid, omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf op een bestaand bouwperceel naar een intensieve veehouderij mogelijk, maar alleen ten dienste van gedeeltelijke verplaatsing (opsplitsing) of algehele verplaatsing van een bestaand niet grondgebonden bedrijf. Voorwaarde voor algehele verplaatsing is dat daarvoor dringende redenen van maatschappelijke aard aanwezig moeten zijn. Gedacht kan worden aan verplaatsing vanwege de milieusituatie of natuurbelangen.



In het Kabinetsstandpunt omvang intensieve veehouderij en schaalgrootte (brief van 14 juni 2013) kondigt het rijk nieuwe regelgeving aan op grond waarvan provincies en gemeenten grenzen kunnen stellen aan de omvang van veehouderijen om de volksgezondheid te beschermen. Samen met gemeenten zullen we op grond van de nieuwe regelgeving bekijken of nadere invulling van dit aspect gewenst is.

6.7 Gemengde bedrijven     

Hier en daar komen gemengde bedrijven (akkerbouw/intensieve veehouderij; melkveehouderij/ intensieve veehouderij) voor. In die gevallen is voor de toekenning van de maatvoering van het bouwperceel bepalend wat de hoofdtak van het bedrijf is. Als de intensieve tak de hoofdactiviteit is, kan het bouwperceel maximaal 1,5 ha bedragen. Als de melkveehouderij/akkerbouw de hoofdactiviteit is, kan het bouwperceel maximaal naar 3 ha groeien. Ook als sprake is, zoals een enkele keer voorkomt, van twee vrijwel gelijkwaardige hoofdactiviteiten, is een groei naar 3 ha mogelijk. In dat geval kan het intensieve bedrijfsonderdeel nooit meer dan tot 1,5 ha ruimtebeslag innemen.

6.8 Verbreding landbouw     

Actueel is de verbreding van agrarische bedrijfsactiviteiten met nevenactiviteiten en aan de landbouw gerelateerde bedrijfsactiviteiten zoals duurzame energieopwekking. Het Streekplan formuleert hiervoor beleid in paragraaf 2.3.3 en 2.6.3. Dit beleid is vertaald in artikel 6.2.1. Uitgangspunt is dat bedrijfsactiviteiten en nevenactiviteiten die aan de landbouw gerelateerd zijn, wat betreft aard en schaal ondergeschikt blijven aan de agrarische bedrijfsactiviteiten die de hoofdfunctie van het perceel vormen. Wanneer bijvoorbeeld het opgewekte vermogen en de inkomsten van energieopwekking, de schaal en inkomsten van de agrarische bedrijfsactiviteiten overstijgen, is deze activiteit niet meer als bedrijfseigen aan te merken. Gemeenten vullen het criterium van 'bedrijfseigen' voor concrete situaties nader in. Voor een ondersteunende tak glastuinbouw bij een agrarisch bedrijf, is in artikel 6.4.1, lid 3 een specifieke, afzonderlijke bepaling opgenomen. Voor (kleinschalige) verblijfsrecreatie en groepsaccommodatie als nevenactiviteit bij agrarische bedrijven, staan in hoofdstuk 5, Recreatie en toerisme aanvullende bepalingen.



Voor een bedrijfsactiviteit die aan de landbouw gerelateerd is en die niet meer 'agrarisch bedrijfseigen' is, kan een gemeente op grond van artikel 6.2.2 afwijken. Dit is ook mogelijk voor een agrarisch hulpbedrijf zoals een agrarisch loonbedrijf en een grondverzetbedrijf. Het beleid hiervoor staat in par. 2.3.3 (onder 'landelijk gebied') en par. 2.6.2 van het Streekplan. Dergelijke bedrijven dienen in principe op een bedrijventerrein te worden gevestigd vanwege de te verwachten verkeersbewegingen, milieuhinder, aard en schaal van de bedrijfsvoering, en uitstraling. Als dat niet mogelijk is, kan de gemeente een locatie in een dorpsrand of op een vrijkomend agrarisch bouwperceel of bedrijfsperceel in het landelijk gebied mogelijk maken. Vestiging op een nieuwe locatie in het landelijk gebied is in principe niet gewenst, tenzij een goed gesitueerde en goed ontsloten agro-locatie ontwikkeld kan worden waar dergelijke bedrijvigheid geclusterd en gecombineerd kan worden met agrarische bedrijvigheid. Landbouwmechanisatiebedrijven (vaak met een showroom voor landbouwwerktuigen), horen naar onze mening op een bedrijventerrein thuis, gelet op hun uitstraling, schaal en ontsluitingsbehoefte. Daarom vallen deze bedrijven niet onder de definitie van agrarisch hulpbedrijf. Op deze bedrijven zijn de artikelen 1.1.1 (geen nieuwvestiging) en 4.3.1 (uitbreiding bestaand bedrijf 50%) van toepassing.

6.9 Goothoogte stallen     

De goothoogte van stallen is sterk bepalend voor de landschappelijke inpassing van agrarische bebouwing. Dit geldt met name voor melkveebedrijven, waarop de meeste aanvragen voor schaalvergroting betrekking hebben (ca. 90%). De afweging over de goothoogte van reguliere stalsystemen kan plaatsvinden in de maatwerkafweging volgens de werkwijze van het project De Nije Pleats (zie hiervoor). Gestapelde huisvestingsystemen zoals varkensflats willen we echter op voorhand voorkomen omdat dergelijke industrieel ogende bouwvormen niet in het Friese landschap passen, zowel wat betreft schaal als uitstraling. Dit is in de lijn van onze notitie Agrarische megabedrijven uit 2008. Daarin hebben wij een standpunt ingenomen over zeer grootschalige agrarische bedrijven (zogenaamde megabedrijven/ megastallen).



In artikel 6.3.1, lid 1 staat daarom een maximale goothoogte voor stallen. Hoewel de ervaring is dat een goothoogte tot 3,5 m in de meeste gevallen voldoende is, is een maximale goothoogte van 5 m voorgeschreven. Hiermee kunnen de gangbare stalsystemen worden gerealiseerd, terwijl gestapelde huisvestingssystemen zoals varkensflats worden voorkomen. Afwijking is mogelijk (lid 2), mits de stal landschappelijk inpasbaar en het geen gestapelde stal betreft zoals omschreven in de begripsbepalingen. Overigens gaat het om stallen voor de huisvesting van vee. Andere agrarische bedrijfsgebouwen (zoals loodsen voor landbouwwerktuigen en opslag akkerbouw) vallen niet onder deze bepaling.

6.10 Glastuinbouw     

Concentratie van glastuinbouw zorgt voor schaal- en synergievoordelen binnen de glastuinbouw, en voorkomt verspreiding en versnippering van kassen met de bijbehorende nadelige landschappelijke consequenties. Op grond van artikel 6.4.1, lid 1 is vestiging (ook na verplaatsing) van glastuinbouwbedrijven alleen mogelijk binnen de glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân. In de 'Partiële herziening van het Streekplan ten behoeve van Glastuinbouw Noordwest Fryslân', is het globale zoekgebied uit het Streekplan ingeperkt. Aan de zuidkant van Sexbierum is een nieuwe ontwikkelingslocatie voor glastuinbouw aangegeven. Daarnaast is er ontwikkelingsruimte voor glastuinbouw binnen het bestaande glastuinbouwgebied bij Berlikum, zoals begrensd in het bestemmingsplan. Deze glasbouwlocaties staan op de kaart Glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân.



Buiten de glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân is de ontwikkelingsruimte voor glastuinbouw beperkt. Dit ondersteunt het concentratiebeleid en voorkomt aantasting van landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden.



Reguliere uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven is volgens het Streekplan mogelijk. In artikel 6.4.1, tweede lid is dit vertaald in een uitbreiding tot maximaal 20% van de bestaande oppervlakte aan kassen. Van dit percentage kan op grond van artikel 6.4.2 in een concreet geval worden afgeweken, tot een maximum van 50%, indien aan de inhoudelijke voorwaarden wordt voldaan.



Glastuinbouw bij overige agrarische bedrijven is (6.4.1, lid 3) beperkt tot een ondersteunende tak/ondersteunende teelt van maximaal 1.500 m². Deze oppervlaktemaat staat in het Streekplan.

6.11 Paardenhouderijen     

Paragraaf 2.6.3 van het Streekplan vraagt aandacht voor inpassing van nieuwe voorzieningen voor de paardensector. Paardenhouderijen zijn er in diverse vormen: van paardenfokkerijen en hengstenhouderijen die op de productie zijn gericht en als agrarisch bedrijf kunnen worden aangemerkt, tot maneges en verenigingsaccommodaties die op de recreatie zijn gericht. Gemeenschappelijk is dat de betekenis van paardenhouderijen in het landelijk gebied is toegenomen, zowel economisch als landschappelijk.



We maken onderscheid tussen productiegerichte paardenhouderijen - zoals paardenfokkerijen en paardenhandel - die vanuit die productiegerichtheid vaak een bepaalde mate van functionele binding met het landelijk gebied hebben, en gebruiksgerichte paardenhouderijen waar het recreatieve aspect en de ruiter/amazone centraal staan, zoals maneges. De verordening richt zich in artikel 6.5.1 alleen op gebruiksgerichte paardenhouderijen. De begripsomschrijving hiervan sluit aan bij de VNG Handreiking Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening van 2009. Stads- en dorpsranden vormen volgens het Streekplan de primaire zoekgebieden voor recreatieve voorzieningen als maneges en rijhallen. Daarnaast heeft het gebruik maken van bestaande accommodaties zoals voormalige boerderijen de voorkeur boven nieuwe vestigingen in het landelijk gebied. In artikel 6.5.1 is een motiveringsvereiste voor de locatiekeuze van gebruiksgerichte paardenhouderijen opgenomen.



Hoofdstuk 7 Natuur     

7.1 Begrenzing Ecologische hoofdstructuur (EHS)     

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS), in het huidige rijksbeleid benoemd als Robuust Netwerk Natuur, is een samenhangend netwerk van natuurgebieden dat voldoende robuust is om de biodiversiteit duurzaam te behouden en te versterken. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben minder kans op uitsterven. De EHS is samengesteld uit reeds bestaande natuurkernen en uit gebieden die begrensd zijn met het doel die om te vormen tot nieuwe natuur. Zodoende kan het systeem op de langere termijn robuuster en dus sterker worden. Door de natuur in een robuust systeem te concentreren ondervinden andere functies hier bovendien minder beperkingen van.

Het kabinet heeft een bezuiniging doorgevoerd op het budget van de EHS. Deze bezuiniging maakt het noodzakelijk de ambitie tot 2027 in relatie tot de beschikbare financiën te herzien. Dit proces is landelijk benoemd als de "Herijking van de EHS". Deze herijking houdt in dat aangegeven wordt welke delen van de EHS niet meer als ambitie nagestreefd worden. Dit herijkingsproces is doorlopen in het kader van de Nota Natuer en Lanlik Gebiet. Met dit beleidsstuk is een werkkaart van de herijkte EHS vastgesteld (27 juni 2012). Hierop staat aangegeven welke delen van de EHS niet meer gerealiseerd gaan worden, waar internationale verplichtingen (Natura 2000, Kaderrichtlijn water) nagekomen moeten worden, waar verdere verplichtingen rusten op gronden en welke onderdelen als provinciale ambitie beschouwd worden. Hierin is de ambitie vanuit het Grien Manifest, die door Provinciale Staten is onderschreven, verwerkt, rekening houdend met de mogelijkheden van het in september 2013 tussen Rijk en provincies gesloten Natuurpact.

Het Barro (artikel 2.10.3) verplicht provincies tot het geometrisch vastleggen en begrenzen van deze herijkte EHS, het vastleggen van de wezenlijke kenmerken en waarden van de (deel)gebieden) van de EHS en de bescherming van die kenmerken en waarden.

Op de kaart Natuur is de provinciale EHS in Fryslân op perceelsniveau geometrisch begrensd. Daarbij is aangesloten op de oorspronkelijke begrenzing in het Streekplan, maar dan met een actualisatie op grond van de nieuwe afspraken met betrekking tot natuur en de ecologische hoofdstructuur die met het rijk zijn gemaakt. Voor enkele gebieden heeft nu nadere detaillering plaatsgevonden en zijn nadere keuzes gemaakt in overleg met de gebiedscommissies.

Wij hebben er voor gekozen om in de planologische vertaling in de verordening geen onderscheid te maken tussen de delen van de EHS die (verplicht) voortvloeien uit de internationale opgave en de delen die voortkomen uit de 'Provinciale afronding: ambitie'. Dat was mogelijk geweest, maar voor de eenvoud kiezen wij voor één planologisch regime. In de uitvoering van het beleid moet blijken welke delen van onze eigen ambitie haalbaar zijn.

Met die actualisatie heeft, na overleg met de gemeenten, tevens een correctie van onjuistheden plaatsgevonden. De gerealiseerde ecologische verbindingszones zijn hierin opgenomen.

De grote wateren de Noordzee, de Waddenzee, het IJsselmeer en het Lauwersmeer maken deel uit van het Natura 2000-netwerk en worden beschermd op basis van de Natuurbeschermingswet. De bescherming van de Waddenzee wordt daarnaast geregeld in het Barro. Deze grote wateren zijn wel opgenomen als EHS op de kaart Natuur om de samenhang van de EHS te handhaven en als basis voor subsidiëring van natuurbeheer. Daar waar sprake is van overlap van regelgeving, geldt de hogere regelgeving (Barro, Natuurbeschermingswet).

7.2 Bescherming EHS     

Voor de gronden die behoren tot de EHS, dient volgens artikel 7.1.1, eerste lid in een ruimtelijk plan een passende bestemmingsregeling te worden opgenomen die voorziet in bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden.

De wezenlijke kenmerken en waarden zijn voor gebieden met de bestemming natuur de aanwezige en potentiële natuurwaarden, inclusief de daarvoor vereiste bodem- en watercondities. De potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities zijn gebaseerd op de internationale biodiversiteitdoelstellingen. Voor gebieden met een andere bestemming betreffen de wezenlijke kenmerken en waarden enkel de aanwezige natuurwaarden. De provincies bepalen op lokaal niveau welke beheertypen moeten worden gerealiseerd. Daarbij wordt gekeken naar de potenties en kansen, mede gelet op de omgeving en de internationale biodiversiteitdoelstellingen. De beoogde beheertypen worden door de provincies vastgelegd in hun natuurbeheerplannen.

De wezenlijke kenmerken en waarden zijn in Fryslân vastgelegd in het provinciale Natuurbeheerplan 2014. De begripsbepaling verwijst daar naar. Op de beheertypenkaart worden alle bestaande natuur en nog te ontwikkelen (begrensde) natuur, alle agrarische natuur en de landschapselementen aangegeven en getypeerd volgens de Index Natuur en Landschap. In een aantal situaties is dit niet op perceelsniveau vastgelegd maar zijn "zoekgebieden" aangegeven. Met de beheertypenkaart stimuleert de provincie de instandhouding of realisatie van de op die kaart aangegeven beheertypen.

Op de ambitiekaart kunnen hogere of andere doelen staan vermeld dan op de beheertypenkaart. Op enig moment kan het beheertype van de ambitiekaart wel worden bereikt. De beheertypenkaart zal daarom periodiek worden aangepast en geactualiseerd en uiteindelijk steeds dichter bij de gewenste eindsituatie komen zoals opgenomen in de ambitiekaart

Artikel 7.1.1, lid 2 staat in de EHS geen ontwikkelingen toe die significante negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS, of tot een significante vermindering van de oppervlakte of significante aantasting van de samenhang tussen (deel)gebieden van de EHS leiden.

Of een ontwikkeling in een concreet geval daadwerkelijk significante gevolgen heeft, is afhankelijk van de wezenlijke kenmerken en waarden per gebied en zal per geval moeten worden beoordeeld.

Medegebruik van de EHS is toegestaan zolang dit geen afbreuk doet aan die kenmerken en waarden. In het hoofdstuk Natuur van het Streekplan is voor dit medegebruik een functiezonering opgenomen (kaart 13 met toelichting).

7.3 Ontwikkelingen in de nabijheid van de EHS     

Volgens het streekplan mogen op grond van (inter)nationale regelgeving ontwikkelingen in of in de nabijheid van de EHS geen significante negatieve effecten hebben op de EHS. In de Verordening Romte 2011 hadden de beschermende bepalingen echter alleen betrekking op (ontwikkelingen op) gronden die deel uitmaken van de EHS. Volgens bestendig provinciaal beleid heeft de EHS geen externe werkingvoetnoot: Dat geldt niet voor EHS-gebieden die tevens Natura2000-gebied zijn. Daarvoor geldt wettelijk wel de plicht om activiteiten buiten de aangewezen gebieden zelf te beoordelen op hun effecten voor die aangewezen gebieden. , voor zover het betreft agrarische ontwikkelingen nabij de EHS. Uitgangspunt in het Streekplan is ook dat de onderdelen van de EHS voldoende groot zijn om negatieve effecten van buiten te ondervangen zodat buffering van natuurgebieden niet nodig is. Relevant is dat bij nieuwe 'rode' en recreatieve ontwikkelingen aan de rand van de EHS wordt nagegaan of deze negatieve effecten kunnen hebben op aangrenzende EHS. Bij de evaluatie van het Streekplan is gebleken dat het vooral gaat om plannen voor recreatieve ontwikkeling grenzend aan/in de nabijheid van de EHS. Artikel 7.1.1, derde lid bevat daarom de bepaling dat niet-agrarische ontwikkelingen buiten de EHS mogelijk zijn, mits die geen significante negatieve effecten op de EHS tot gevolg hebben ('ja, mits' principe). Anders dan binnen de EHS beperken de effecten zich waarschijnlijk tot verstoring door betreding of door geluid of licht. Betreding kan relevant zijn als er sprake is van een fundamentele toename van recreanten in een natuurgebied dat daarvoor wat betreft het gevoerde beheer minder geëigend is. Dat kan in samenspraak met de beheerder worden beoordeeld. Verstoring door geluid of licht kan relevant zijn in relatie tot bepaalde diersoorten. De Flora- en faunatoets kan hier uitsluitsel over geven.

7.4 Voortzetting bestaand gebruik tot verwerving     

Artikel 7.1.2 regelt de situatie vóórdat gronden zijn aangekocht voor natuurontwikkeling. Voortzetting van het bestaande gebruik (inclusief de bij dat bestaande gebruik behorende bestemmingsregeling) is mogelijk. Bestaande functies, veelal agrarische bedrijven, en activiteiten kunnen dus normaal worden voortgezet.

Onomkeerbare nieuwe ontwikkelingen, die in de weg zullen staan aan realisering van de EHS, zijn niet mogelijk en al op grond van artikel 7.1.1, tweede lid, uitgesloten. Voorbeelden hiervan zijn wegaanleg, een uitbreidingslocatie bij een kern, of vestiging van een nieuw agrarisch bedrijf.

7.5 Ontwikkelingen in / nabij de EHS via afwijking     

Op grond van artikel 7.1.3, eerste lid, kan de gemeente, in afwijking van artikel 7.1.1, tweede lid, toch meewerken aan ontwikkelingen in de EHS die significant negatieve effecten hebben op de natuurwaarden (waarden en kenmerken, reaal, samenhang). Afwijking is alleen onder strikte voorwaarden moge-lijk. Hierbij geldt het ‘nee tenzij’ principe uit het Streekplan en het rijksbeleid (Barro). Ten eerste is voorwaarde dat de ontwikkeling een groot openbaar belang vertegenwoordigt. De interpretatie van het begrip ‘groot openbaar belang’ is afhankelijk van veranderingen in tijd en politieke en maatschappelijke opvattingen. Het Barro rekent tot groot openbaar belang in ieder geval de veiligheid, de drinkwatervoorziening, de plaatsing van windturbines of de plaatsing van installaties voor de winning, opslag of transport van aardgas. In algemene zin dient het te gaan om een algemeen c.q. maatschappelijk belang - zoals werkgelegenheid, huisvesting, water- en kustveiligheid, civiele veiligheid, volksgezondheid, en essentiële voorzieningen voor het functioneren van de samenleving zoals energie- en vervoersvoorzieningen, en bijvoorbeeld niet een golfterrein - dat verder reikt dan de lokale situatie ter plaatse. Gedeputeerde Staten beoordelen met de gemeente of een ontwikkeling van groot openbaar belang is. Voorwaarde is ook dat er voor de betreffende fysieke ontwikkeling geen reële locatie-alternatieven zijn. Alternatieven hangen af van de locatie (op de Waddeneilanden is de beschikbare ruimte anders dan op het vaste land), op de mate van grondgebondenheid van de beoogde ontwikkeling (bijvoorbeeld uitbreiding van een bestaande functie) en op de mate van plaatsgebondenheid (voorbeeld: een maatschappelijke voorziening voor een specifieke kern).

Vervolgens dient natuurschade door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk te worden beperkt. Tenslotte dient resterende natuurschade te worden gecompenseerd.



Artikel 7.1.3, tweede lid biedt de mogelijkheid voor een saldobenadering volgens het Streekplan. Het gaat om een combinatie van onderling samenhangende ontwikkelingen in en rond een EHS-gebied – meestal in de vorm van gebiedsontwikkeling – waarbij (vaak recreatieve) ontwikkelingen samengaan met verbetering van de natuurwaarden van het gebied. Het voordeel van zo’n saldobenadering is dat meerdere ontwikkelingen in en rond een gebied in één samenhangend plan kunnen worden opgenomen. Bovendien hoeft er geen sprake te zijn van ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarvoor reële alternatieven ontbreken, mits per saldo sprake is van een verbetering van de natuurwaarden van het gebied. Bij de toepassing van de voorwaarden moet rekening worden gehouden met de ‘Spelregels EHS, beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzing EHS’ van de ministeries LNV en VROM, de provincies en VNG van 10-9-2007. Hierin zijn de criteria voor deze saldobenadering uitgewerkt voor concrete situaties.



In een gebiedsvisie wordt gemotiveerd waarom het noodzakelijk is om de EHS-saldobenadering toe te passen, en op welke wijze deze toepassing leidt tot een kwaliteitsslag voor de EHS. De gebiedsvisie bestaat uit een combinatie van alle samenhangende plannen, projecten en/of handelingen binnen één ruimtelijk samenhangende visie. De omvang van het gebied waarop de gebiedsvisie betrekking heeft, wordt bepaald op basis van de ruimtelijke problematiek, de geplande ruimtelijke ingrepen en de beoogde ecologische doelen. Relevant is dat het gebied in ecologisch opzicht één geheel vormt. De kwalitatieve en/of kwantitatieve meerwaarde voor de EHS op gebiedsniveau wordt onderbouwd, evenals de landschappelijke en natuurlijke inpassing van de projecten. Bij een beschrijving van de effecten op de natuurwaarden gaat het ook om de cumulatieve effecten. De gebiedsvisie kan zich tevens richten op het wegnemen van knelpunten en/of het onderling verbinden van delen van de EHS.



Indien een ontwikkeling buiten de EHS leidt tot significant negatieve effecten biedt artikel 7.1.3, derde lid, de mogelijkheid om toch mee te werken, in afwijking van artikel 7.1.1, derde lid. In dit geval is sprake van een ‘ja, mits-formule’: de noodzaak van een ‘groot openbaar belang’ ontbreekt. Het kan ook gaan om particuliere activiteiten die in redelijkheid nabij de EHS een plek moeten kunnen krijgen. Voorwaarde is wel dat er voor die activiteit/ontwikkeling geen redelijk alternatief bestaat. Ook in dit geval is mitigatie en vervolgens zo nodig compensatie noodzakelijk.

7.6 Compensatie EHS     

Paragraaf 2.9.3 van het Streekplan formuleert voor natuurcompensatie enkele uitgangspunten, die zijn verwerkt in artikel 7.1.4. Bij de toepassing daarvan moet rekening worden gehouden met de 'Spelregels EHS, beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzing EHS' van de ministeries LNV en VROM, de provincies en VNG van 10-9-2007. Hierin zijn de uitgangspunten voor natuurcompensatie uitgewerkt voor concrete situaties. In de plantoelichting moet een verantwoording worden opgenomen over de wijze van compensatie, inclusief de garanties voor realisatie; indien voor de compensatie een wijziging van het planologische regime nodig is (veelal een bestemmingswijziging), zal gelijktijdig met het besluit over de ontwikkeling deze wijziging verzekerd moeten zijn. Als grondslag voor de verantwoording in de plantoelichting dient een compensatieplan, waarvan de onderdelen in de Spelregels EHS staan.



Niet alleen de actuele natuurwaarden van een gebied zijn bij compensatie belangrijk, maar ook de beoogde natuurdoelen. Dit betekent dat compensatie van hetzelfde natuurdoeltype met bijbehorend kwaliteitsniveau moet worden nagestreefd en dat rekening wordt gehouden met de betekenis van het gebied voor het EHS-kerngebied waarvan het gebied deel uitmaakt. Wanneer het niet mogelijk is om hetzelfde natuurdoeltype te realiseren als het natuurdoeltype dat verloren gaat, verdient het aanbeveling om een natuurdoeltype te realiseren waarvan de beleidsdoelstelling relatief ambitieus is (groot verschil tussen aanwezig en beoogd areaal in Nederland) of in ieder geval niet minder ambitieus is. Verder valt het natuurdoeltype in principe binnen dezelfde hoofdgroep (van mate van natuurlijkheid).



Financiële compensatie vindt plaats indien zowel fysieke compensatie als compensatie door kwalitatief gelijkwaardige waarden redelijkerwijs onmogelijk is. Compensatie geschiedt in dat geval door storting van een financiële bijdrage in het Nationaal Groenfonds. Het rijk en de provincies beheren dit fonds. De bijdrage blijft gelabeld aan de betrokken ingreep. De hoogte van de financiële bijdrage wordt bepaald door de kosten van aanschaf van vervangende grond, de kosten van basisinrichting, en de kosten van ontwikkelingsbeheer.

7.7 Natura 2000-gebieden     

Delen van de EHS zijn extra beschermd als speciale beschermingszones in de zin van de Natuurbeschermingswet. Daaronder vallen ook de Europese Natura 2000 gebieden. Voor deze gebieden gelden op grond van de Natuurbeschermingswet afzonderlijke regels die van toepassing zijn naast deze verordening. Daaronder valt ook de externe werking van ontwikkelingen buiten de ecologische hoofdstructuur, bijvoorbeeld vanwege de effecten op de waterhuishouding of de depositie van ammoniak.

Het regime 'Groot openbaar belang-alternatieven-compensatie' zoals dat onder de Natuurbeschermingswet van kracht is heeft een andere uitwerking. Met name aan 'groot openbaar belang' en 'alternatieven' worden zwaardere eisen gesteld dan hiervoor beschreven.

7.8 Melding compensatie en herbegrenzing     

Ontwikkelingen als hiervoor genoemd in de EHS met areaalconsequenties leiden tot de daarop volgende noodzaak om de EHS op de provinciale EHS-kaart up to date te houden en dus her te begrenzen. Op grond van het Barro kan herbegrenzing plaatsvinden bij provinciale verordening. Op grond van de Provinciewet delegeren wij die bevoegdheid aan Gedeputeerde Staten. Artikel 7.1.6 geeft daartoe de bevoegdheid. Artikel 7.1.5 vraagt van gemeenten om na het onherroepelijk worden van de betreffende bestemmingsplannen waarin met toepassing van artikel 7.1.3 ontwikkelingen in en nabij de EHS hebben plaatsgevonden en waarvoor met toepassing van artikel 7.1.4 compensatie van areaal heeft plaatsgevonden, hiervan melding te doen aan Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten zullen met toepassing van artikel 7.1.6, derde lid de EHS periodiek herbegrenzen op grond van de meldingen zoals bedoeld in artikel 7.1.5. Artikel 7.1.6, tweede lid voorziet bovendien in de bevoegdheid om de EHS her te begrenzen ten behoeve van een ‘kleinschalige ontwikkeling’, die de waarden en kenmerken van de EHS slechts in beperkte mate aantast. Voorwaarde in dat geval is dat zodanige mitigatie en compensatie plaatsvinden dat per saldo sprake is van versterking van wezenlijke waarden en kenmerken of een vergroting van de oppervlakte van de EHS. Deze mogelijkheid tot herbegrenzing is gebaseerd op artikel 2.10.5, onder b van het Barro. Dit artikel geeft de mogelijkheid om in gevallen waarin artikel 7.1.3 niet voorziet toch, na herbegrenzing mee te kunnen werken aan een (kleinschalige) ontwikkeling in de EHS, onder voornoemde voorwaarden. Van een groot openbaar belang behoeft dan geen sprake te zijn, maar de regeling stelt wel scherpe voorwaarden aan de per saldo versterking van de EHS. In dit geval dient de herbegrenzing dus vooraf te gaan aan het vaststellen van het ruimtelijk plan.

7.9 Eén op één begrensde beheersgebieden     

Voor de 'één op één begrensde beheergebieden' binnen de EHS geldt op grond van artikel 7.1.7 een minder strikt beschermingsregime dan voor de overige EHS-gebieden. In deze gebieden - meestal graslanden met natuurlijke waarden - is normaal agrarisch gebruik mogelijk. Bij de waterhuishoudingkundige inrichting en bij ingrepen in de bodemstructuur, dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden. Dat zal in bestemmingsplannen meestal gebeuren via het vereiste van een omgevingsvergunning (vml. aanlegvergunning).

Tot normaal agrarisch gebruik rekenen we in principe ook de daarvan deel uitmakende nevenactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Dat maakt voor de betreffende agrariër wel een afweging nodig van de effecten van die nevenactiviteit (bijvoorbeeld kleinschalig kamperen) op het gebied waarvoor een beheersregeling is overeengekomen en daarmee op de voortzetting van die overeenkomst.

Indien een onvermijdelijke ruimtelijke ingreep noodzakelijk is, wordt gebiedsgericht maatwerk geleverd. De gemeente zal de noodzaak van de ingreep moeten motiveren, ook gegeven mogelijke alternatieven. Ook moet worden gekeken of bij de ingreep redelijkerwijs kan worden voorzien in mitigerende maatregelen en zo nodig compensatie. Ook hierbij zijn de effecten op de beheersovereenkomst relevant.

De één op één begrensde beheersgebieden zullen we nog herijken zodra er meer duidelijkheid is over het nieuwe stelsel voor agrarisch natuurbeheer. Dit kan leiden tot herbegrenzing van deze gebieden.

7.10 Natuur buiten de EHS     

In de artikelen 7.2.1 t/m 7.2.3 staan beschermende regels voor natuurwaarden buiten de EHS. Het gaat om:

  • Bestaande natuurgebieden buiten de EHS. Dit zijn in principe de gebieden die volgens het Streekplan al een hoofdfunctie natuur hebben, zoals bestaande bosgebieden en de belangrijke houtwallen en pingoruïnes die als onderdeel van het ecologisch netwerk functioneren. Deze gebieden zijn opgenomen op de verordeningskaart Natuur. Tegelijk met de herbegrenzing van de EHS zijn ook deze gebieden in overleg met gemeenten gecontroleerd op juistheid en actualiteit. De kaart is daaraan aangepast (artikel 7.2.1).
  • De gebieden die door hun openheid en rust kansrijk zijn voor weidevogels (artikel 7.2.2).
  • Natuurwaarden in agrarisch gebied; dit kunnen natuurelementen zijn zoals houtsingels en waterelementen (artikel 7.2.3).

7.11 Bestaande natuur buiten de EHS     

Bestaande natuurgebieden dienen volgens artikel 7.2.1 een passende bestemming te krijgen, gericht op behoud van de natuurwaarden. Dat zal veelal een bestemming natuur of bos zijn, maar in voorkomend geval kan dat ook een bestemming ‘Groen’ zijn met beschermende bepalingen voor de natuurwaarde. De verordening dwingt op grond van artikel 11.2.2 niet tot aanpassing van de bestemming indien in het vigerende plan geen sprake was van een natuurbestemming. Wel zal dan minimaal hetzelfde beschermingsniveau uit het oude plan moeten worden gehandhaafd. Bij genoemde herbegrenzing zijn de meeste onjuistheden overigens uit de kaart gehaald, zoals de plekken waar geen sprake was van natuur. De één op één begrensde beheersgebieden zullen we nog herijken zodra er meer duidelijkheid is over het nieuwe stelsel voor agrarisch natuurbeheer. Dit kan leiden tot herbegrenzing van deze gebieden.

7.12 Weidevogelbeleid     

In de Weidevogelnota 2014-2020 staat het nieuwe provinciale weidevogelbeleid. Het nieuwe beleid is selectiever en concentreert de inspanningen voor weidevogels in de meest kansrijke gebieden:

  • De weidevogelkansgebieden, die bestaan uit ruime en open gebieden (zichtafstand > 400 m) met voldoende rust en waarin gevarieerde graslanden liggen.
  • De weidevogelkerngebieden; deze gebieden liggen binnen de weidevogelkansgebieden en worden geselecteerd en begrensd door de collectieve beheerders in een weidevogelkansgebied. Dit zijn de feitelijke weidevogelgebieden waar inrichting en beheer optimaal zijn afgestemd op de weidevogels. Ze bestaan uit weidevogelreservaten, agrarische gebieden of combinaties van beide.
  • Enkele zelfstandige 'parels' buiten de weidevogelkansgebieden met een hoge weidevogeldichtheid.



Omdat het beleid selectiever is geworden is ook de regeling voor weidevogels selectiever. Alleen in de weidevogelkansgebieden en in de weidevogelparels zijn nieuwe planologische ontwikkelingen met bebouwing, beplanting of verharding die verstorend werken op de openheid en rust in principe (behoudens uitzonderingen, na afweging van belangen, zie hierna) niet toegestaan. Dat is geregeld in artikel 7.2.2. Agrarische ontwikkelingen zijn echter wel gewoon toegestaan, omdat de agrarische functie juist mee bepalend is voor de geschiktheid van die gebieden voor weidevogels; ook hier geldt dat bijbehorende nevenactiviteiten conform artikel 6.2.1 eveneens toelaatbaar zijn. Een uitzondering hierop vormt het aanwijzen van een nieuw agrarisch bouwperceel: in dat geval is sprake van een nieuwe ontwikkeling waarvoor bij de locatiekeuze rekening moet en kan worden gehouden met de ligging t.o.v. de kerngebieden en parels.



Ook in de aangrenzende gebieden moet rekening worden gehouden met ontwikkelingen die verstorend werken op de weidevogelkansgebieden en weidevogelparels. Dit is afhankelijk van de verstoringsafstanden per verstoringsbron, zoals hieronder in tabel 1 aangegeven.

Tabel 1 Gemiddelde verstoringsafstanden voor verschillende verstoringsbronnen bij vestiging van weidevogels (bron: Bruinzeel & Schotman 2011)

Storingsbron Verstoringsafstand (m)
Gemeentelijke weg 50
Provinciale weg 100
Autosnelweg 150
Spoorlijn (intercity) 150
Spoorlijn (lokaal) 100
Fietspad 50
Opgaande begroeiing (bos <0,5 ha, houtsingel, bomenrij boomgroep) 200
Bos (>0,5 ha) 250
Rietland 200
Hoogspanningsleiding 100
Bebouwing (buiten bebouwde kom) 200
Bebouwing (bebouwde kom) 300
Gaswinstation 325
Windturbines 200

7.13 Kleine natuurelementen in agrarisch gebied     

De bescherming van kleinere natuurelementen in agrarisch gebied - zoals houtwallen, singels, waterlopen en overige pingoruïnes - kan op grond van artikel 7.2.3 binnen een agrarische bestemming geregeld worden. De verordening vraagt de gemeente om de afweging helder te maken en de keuzes te motiveren.

7.14 Ruimtelijke ingrepen in natuur buiten de EHS     

Van de bepalingen 7.2.1 en 7.2.2 kan worden afgeweken ten behoeve van een 'noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang'. Dat is geregeld in artikel 7.2.4. Deze afwijkingsmogelijkheid heeft dus betrekking op de op de kaart natuur opgenomen 'natuurgebieden buiten de EHS' en op de voor weidevogels geschikte gebieden.

Voorwaarde is dat de gemeente de natuurwaarden afweegt ten opzichte van het (maatschappelijke) belang van de ruimtelijke ingreep. Ook moet in die afweging de mogelijkheid van mitigerende maatregelen worden betrokken, om het verlies aan natuurwaarden zo veel mogelijk te beperken.

Voor de rust en openheid t.b.v. weidevogels is de ligging belangrijk van de weidevogelkerngebieden in de weidevogelkansgebieden en van de weidevogelparels; aantasting daarvan moet zoveel mogelijk worden voorkomen. De gemeente houdt bij de locatiekeuze met dit belang rekening en overlegt zo nodig met de gebiedscoalitie van het betreffende gebied.

In deze afwijkingsregeling is het criterium 'openbaar belang' ruimer dan het criterium 'groot openbaar belang' dat op ingrepen in de EHS van toepassing is. Onder 'openbaar belang' kunnen ook bovenlokaal of lokaal georiënteerde, kleinschaliger ontwikkelingen vallen op het gebied van woningbouw, (verblijfs-)recreatie, infrastructuur (zoals een rondweg of een (landbouw)ontsluitingsweg) en nutsvoorzieningen, mits de noodzaak daarvan redelijkerwijs aantoonbaar is. Het kan ook gaan om particuliere initiatieven waaraan een maatschappelijke betekenis kan worden toegekend. Een ingreep kan alleen als 'noodzakelijk' worden aangemerkt, indien buiten het natuurgebied of het weidevogelgebied redelijkerwijs geen geschikte alternatieve locatie gevonden kan worden. Dat is bijvoorbeeld het geval indien sprake is van een locatie-gebonden ontwikkeling, zoals een uitbreiding van een bestaande functie.

7.15 Compensatie natuur buiten de EHS     

Compensatie voor natuur buiten de EHS is anders geregeld dan compensatie voor weidevogels. De uitgangspunten voor compensatie zijn voor natuur buiten de EHS (artikel 7.2.4, lid c) soepeler dan voor de EHS. Bij natuurgebieden buiten de EHS mag rekening worden gehouden met financiële en fysiekruimtelijke beperkingen (zoals de eigendomssituatie).



Voor weidevogelcompensatie geldt een aparte methode. Als de gemeente na afweging van belangen een ruimtelijke ontwikkeling toestaat in een weidevogelkansgebied, een weidevogelparel of in een aangrenzend gebied, moet ze het verlies aan geschikt weidevogelareaal > 0,5 ha op grond van artikel 7.2.4, lid d financieel compenseren. Die compensatieplicht vloeit niet voort uit Europese of landelijke regelgeving maar uit provinciaal beleid. De compensatie heeft dan ook een eigen beleidsmatig afwegingskader. Het compensatiebedrag is op een normbedrag gebaseerd. Het bedrag stort de gemeente in het provinciale weidevogelfonds. Dit fonds zullen we inzetten voor ondersteuning van beheer in de weidevogelkansgebieden en weidevogelparels. Bij voorkeur zetten we het compensatiebedrag in voor herstel van de aantasting van het betreffende kerngebied of de parel. Een herbegrenzing van het gebied kan hierbij aan de orde zijn. In de ‘Regeling weidevogelcompensatie’ werken we een en ander uit.

Hoofdstuk 8 Kustverdediging     

8.1 Reserveringszones voor versterking primaire waterkeringen     

In het Streekplan zijn reserveringszones opgenomen voor toekomstige versterking van de primaire waterkeringen langs de Waddenzee, de Noordzee en het IJsselmeer vanwege de te verwachten stijging van de zeespiegel en het IJsselmeerpeil. De ruime reserveringszones uit het Streekplan zijn in het 3e provinciale Waterhuishoudingsplan gewijzigd in exacte reserveringszones. Deze exacte zones staan op de kaarten Reserveringszones versterking primaire waterkeringen, met een onderscheid naar aaneengesloten bebouwd gebied (kustplaatsen) en de gebieden daarbuiten. Het is van belang dat bij de herziening van een ruimtelijk plan de exacte reserveringszone wordt begrensd (artikel 8.1.1 en 8.1.3, eerste lid) en dat de bijbehorende voorwaarden in lid 2 van artikel 8.1.1 en 8.1.3 in acht worden opgenomen. Hiermee kunnen ongewenste ontwikkelingen worden voorkomen die toekomstige versterking in de weg staan. Onder een onomkeerbare belemmering verstaan wij in dit verband een zodanige verandering van gebruik of inrichting/bebouwing van de ruimte, dat een toekomstige dijkversterking ter plaatse onmogelijk zou worden of uitsluitend nog met ingrijpende en kostbare maatregelen mogelijk zou zijn.



Buiten het aaneengesloten bebouwd gebied van de kustplaatsen (artikel 8.1.1) is sprake van consoliderend beleid ('nee, tenzij' benadering). De beperkingen binnen deze reserveringszones zijn vergelijkbaar met de gebruikelijke beperkingen voor functies in het landelijk gebied. In het geval van maatwerk is vroegtijdig overleg met de waterkeringbeheerder nodig.

Op grond van artikel 8.1.2 kunnen gemeenten afwijken van artikel 8.1.1 voor nieuwe bebouwing mits sprake is van redenen van 'groot openbaar belang'. In algemene zin dient het te gaan om een algemeen c.q. maatschappelijk belang - zoals werkgelegenheid, huisvesting, water- en kustveiligheid, civiele veiligheid, volksgezondheid, en essentiële voorzieningen voor het functioneren van de samenleving zoals energie- en vervoersvoorzieningen - dat verder reikt dan de lokale situatie ter plaatse en waarvoor wat betreft de locatie geen reëel alternatief bestaat. Gedeputeerde Staten beoordelen met de gemeente of een ontwikkeling van groot openbaar belang is.

Binnen het aaneengesloten bebouwd gebied van de kustplaatsen (artikel 8.1.3) geldt een maatwerkbenadering omdat hier al (historische) bebouwing aanwezig is. In die situatie behoeft aanvullende bebouwing niet op voorhand te leiden tot een onomkeerbare extra belemmering voor de versterking van de waterkering. Het criterium 'groot openbaar belang' is hier niet van toepassing. Het gaat hier om een afweging van de bouwkundige aspecten en van de financiële effecten. Dat is relevant indien de uitbreiding van de waterkering te zijner tijd vraagt om amovering van de bebouwing of in geval de bebouwing rekening moet houden met de stabiliteit van het toekomstige dijklichaam. Het waterschap adviseert hierover. Zo nodig stelt de gemeente voorwaarden aan een concrete ruimtelijke ontwikkeling om de belangen van toekomstige dijkversterking ter plaatse te waarborgen.



Voor alle situaties, zowel binnen als buiten bebouwd gebied, geldt op grond van artikel 11.2.2, eerste lid, dat bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden die in geldende bestemmingsplannen bij recht of via ontheffing (de voormalige vrijstellingsbevoegdheid uit de WRO) zijn opgenomen, gehandhaafd mogen worden. De keuze over buitendijkse of binnendijkse versterking zal bij de opstelling van een dijkversterkingplan per dijkvak worden gemaakt.

8.2 Buitendijkse ontwikkelingen     

Het rijk geeft in het Barro regels ten aanzien van de toelaatbare buitendijkse ontwikkelingen in het IJsselmeer, in verband met het waterbergend vermogen. Zo staat het Barro per (voormalige) IJsselmeergemeente in Fryslân maximaal 5 ha buitendijkse inpoldering toe. In het Barro staan ook regels voor buitendijkse ontwikkelingen in de Waddenzee (exclusief de havenkom bij Harlingen). Ook staat het Barro een werkeiland toe in het IJsselmeer ten behoeve van zandwinning. De regels in het Barro moeten in samenhang met de regels in de verordening met betrekking tot buitendijks bouwen worden toegepast. De regels in de verordening bieden, mede vanuit het landschappelijke motief (geen aantasting van de openheid en weidsheid van het IJsselmeer) een meer beperkte ruimte voor buitendijkse ontwikkelingen. Anderzijds staat de verordening – ondanks de bepalingen in artikel 1.1.1, 8.2.1 en 8.2.2 - niet in de weg aan de realisatie van genoemd werkeiland, nu de specifieke ruimte daartoe in het Barro is vastgelegd.

Het Streekplan is dus terughoudend als het gaat om buitendijkse ontwikkelingen. Dat is geregeld in artikel 8.2.1: in 'buitendijks gebied' (zoals omschreven in de begripsomschrijvingen) zijn geen nieuwe recreatieve voorzieningen, nieuwe stedelijke functies of nieuwe bedrijven mogelijk. Deze bepaling heeft betrekking op het IJsselmeer en op de bestaande havenkom bij Harlingen zoals aangegeven op de kaart Havenkom Harlingen.

Voor een aantal bijzondere situaties kan de gemeente onder voorwaarden afwijken van artikel 8.2.1.

Artikel 8.2.2, eerste lid maakt watergebonden activiteiten en voorzieningen mogelijk.

Artikel 8.2.2, tweede lid, biedt de mogelijkheid voor herstructurering/ transformatie van bestaande buitendijkse terreinen, zoals de haventerreinen bij Lemmer en bij Harlingen. Uitbreiding van terrein is niet mogelijk. Indien nieuwbouw of vervanging van bebouwing plaatsvindt, wordt risicobewust gebouwd. Dit kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door het realiseren van watervluchtplaatsen op voldoende hoogte en van afsluitbare compartimenten. In alle gevallen is vroegtijdig overleg met de waterkeringbeheerder, Rijkswaterstaat en zo nodig met de vaarwegbeheerder gewenst.

8.3 Afsluitdijk     

Op dit moment werken het rijk en de provincies Fryslân en Noord Holland, samen met gemeenten en bedrijven, aan een integraal plan voor de versterking van de waterkerende functie van de Afsluitdijk. De Rijksstructuurvisie Toekomst Afsluitdijk is daarvoor het beleidskader. Naast het op het vereiste veiligheidsniveau brengen van de dijk, wordt daarbij ook naar andere belangen en ontwikkelingskansen (regionale ambities) gekeken om de beleving en de gebruiksmogelijkheden van de Afsluitdijk te vergroten. Voorbeelden hiervan zijn een duurzaamheids-/ bezoekerscentrum, en het opwekken van duurzame energie uit de combinatie van zoet en zout water of de getijdenwerking. Artikel 8.2.3 biedt de mogelijkheid voor dit soort bijzondere functies die passen in een integraal plan voor de versterking van de Afsluitdijk. Deze mogelijkheid voor buitendijkse ontwikkelingen past niet volledig in het Streekplan maar past wel binnen de kaders van de besluiten van Provinciale Staten met betrekking tot de regionale ambities op en bij de Afsluitdijk. Voorwaarde voor toepassing van deze mogelijkheid van artikel 8.2.3 is dat de gemeente (Súdwest Fryslân en/of Harlingen) met Gedeputeerde Staten overeenstemming heeft bereikt over de ontwikkeling, waarbij Gedeputeerde Staten toetsen of de concreet beoogde ontwikkelingen passen binnen de kaders die van Provinciale Staten hebben gesteld.

8.4 Kustfundament Waddeneilanden     

In hoofdstuk 12, hierna, wordt ingegaan op de landinwaartse begrenzing van het kustfundament op de Waddeneilanden en de regels die daarvoor gelden.

Hoofdstuk 9 Duurzame energie     

9.1 Nieuw windbeleid     

Op 16 februari 2011 hebben Provinciale Staten de visie uit de Houtskoolschets Windstreek 2011 onderschreven en aan Gedeputeerde Staten de opdracht gegeven deze visie uit te werken in een nieuwe Structuurvisie. In het Coalitieakkoord 2011-2015, door Provinciale Staten vastgesteld op 20 april 2011 zijn nadere keuzes gemaakt omtrent de ruimte die de nieuwe structuurvisie moet bieden aan de opstelling van windturbines.



Op 10 september 2012 is de ontwerp-Structuurvisie Windstreek 2012 ter inzage gelegd. Dat ontwerp heeft geleid tot veel zienswijzen. Op grond van de zienswijzen worden de in het ontwerp voorgelegde keuzes nader beschouwd en heroverwogen. Het nieuwe beleid is nog niet zodanig uitgekristalliseerd dat nu al een complete set van bepalingen in de verordening kan worden opgenomen. Met name de inzet voor wind op land moet nog nader bepaald worden. Wel is duidelijk dat bij alle beleidsopties de sanering van bestaande turbines onderdeel zal zijn van het beleid. Om die reden is opschaling van bestaande turbines op voorhand in strijd met het toekomstig beleid en daarmee op dit moment al als ongewenst te beschouwen. De verordening regelt in artikel 9.2.1 dan ook dat opschaling, in de zin van verhoging van de bestaande masthoogte en wiekdiameter is verboden.



Daarnaast is het gewenst om te voorkomen dat in de tussentijd initiatieven kunnen worden ontwikkeld die in strijd zijn met het Coalitieakkoord dan wel in strijd kunnen zijn met het komende beleid. Wij zien geen reden om te tornen aan bestaande rechten in vigerende bestemmingsplannen. Wel vinden wij het noodzakelijk om bouwplannen voor nieuwe (clusters van) windturbines, die niet passen in een vigerend bestemmingsplan, en in strijd zijn met het Coalitieakkoord dan wel in strijd kunnen zijn met komend beleid, tegen te houden. Artikel 9.1.1 bevat daarom een tijdelijke regeling in afwachting van het vastgestelde nieuwe beleid en bepaalt dat de bouw van nieuwe windmolens in Fryslân niet is toegestaan. Daarbij past een kanttekening met betrekking tot een windpark dat beoogd is in het IJsselmeer bij de Afsluitdijk. Die locatie is opgenomen in de rijksstructuurvisie ‘Wind op land’ en is ook opgenomen in het Friese Coalitieakkoord als zoeklocatie. Een dergelijke opstelling met meer dan 100 Mw, zoals beoogd, valt onder de rijksbevoegdheid op grond van de Electriciteitswet. Het rijk zal daarvoor een rijksinpassingsplan opstellen dat niet gebonden is aan de Verordening Romte. Aan projecten op het vaste land waarvan beoordeeld kan worden dat deze wel zullen passen binnen het nieuwe beleidskader kan zo nodig, in de periode vóór vaststelling van dat nieuwe beleid en aanpassing van de verordening, worden meegewerkt door middel van een Provinciaal Inpassingsplan. Provinciale Staten beoordelen dan zelf of dat project past binnen het aankomende nieuwe beleidskader.

Zodra nieuw windbeleid is vastgesteld zal dit artikel in de verordening worden aangepast.

9.2 Kleine windturbines     

Inspelend op maatschappelijke ontwikkelingen hebben Provinciale Staten in 2009 - in aanvulling op het beleid in Windstreek voor de 'reguliere' windturbines - een regeling voor kleine windturbines vastgesteld. In artikel 9.3.1 is daarom een aparte regeling opgenomen voor deze kleine windturbines.



Kleine windturbines worden nog niet op grote schaal toegepast. Indien dit wel zou gebeuren, kunnen in het landelijk gebied ongewenste ruimtelijke gevolgen en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit optreden. Daarom staan wij kleine windturbines in het landelijk gebied niet toe. Een uitzondering maken wij voor een innovatieve pilot voor ultra kleine windturbines. Ultra kleine windturbines vormen een aparte categorie binnen de kleine windturbines; de specifieke vereisten voor ultra kleine windturbines zijn opgenomen in artikel 9.3.1, lid 2.



Een innovatieve pilot is een proef met als doel vernieuwingen te testen. Een pilot met ultra kleine windturbines zal dan ook vernieuwend moeten zijn ten opzichte van bestaande opstellingen. Gedacht kan worden aan een vernieuwende vormgeving die betere inpassing mogelijk maakt, aan turbines die minder hinder voor de omgeving opleveren of rendabeler zijn. Het primaire doel van een pilot is om innovatie op gebied van ultra kleine windturbines, binnen grenzen, mogelijk te maken. Wij stellen daarom geen maximum aan het aantal pilots en aan het aantal turbines per pilot. Per pilot zal het aantal turbines beargumenteerd moeten worden.



We stellen op voorhand ook geen maximum aan de hoogte (mast + wiek, of mast + rotor). De geschikte hoogte wordt per pilot bepaald. Dit wil echter niet zeggen dat de hoogte onbeperkt is. Om te voorkomen dat de impact van pilots op het landschap te groot wordt, geldt de voorwaarde dat de pilots landschappelijk zorgvuldig worden ingepast. Deze voorwaarde legt, afhankelijk van de pilot en de locatie, beperkingen op aan de hoogte van de windturbines.

9.3 Zonne-energie     

De verordening geeft alleen bepalingen voor opstellingen in landelijk gebied die als grond (veld-) op-stelling worden uitgevoerd. Panelen op daken vallen buiten de regeling van de verordening. Artikel 9.4.1 regelt dat een ruimtelijk plan in het landelijk gebied kan voorzien in opstellingen voor zon-ne-energie op de volgende typen locaties:

  • Aansluitend aan 'bestaand stedelijk gebied' (BSG) van een stad of dorp, nabij bestaand stedelijk gebied of als onderdeel van een uitbreidingslocatie (artikel 9.4.1, eerste lid, onder a).



Onder 'nabij' verstaan we een locatie die weliswaar niet direct grenst aan BSG, maar in redelijke mate een aansluiting heeft of, via ontwerp en inrichting, kan krijgen op het 'stedelijk weefsel' van de stad of het dorp. Maatwerk is dus mogelijk, maar wij denken als indicatie, aan een aanvaardbare afstand tot BSG van 50m bij dorpen tot 100-200m bij steden. Maar ook een locatie die aansluit aan openbare voorzieningen, zoals sportvelden, die functioneel behoren bij stad of dorp, maar niet als BSG zijn begrensd, kan aanvaardbaar zijn. Ook een (voormalig) agrarisch bouwperceel in die nabijheid kan worden benut: in dat geval behoeft de opstelling niet uitsluitend meer bedrijfseigen te zijn.

In afwijking daarvan (artikel 9.4.1, tweede lid) kan een opstelling worden toegestaan op een locatie die nu (nog) niet aansluit op stedelijk gebied, mits die locatie - op grond van het toepasselijke woonplan of bedrijventerreinenplan - naar redelijke verwachting van gemeente en provincie binnen tien jaar onderdeel zal uitmaken van de stedelijke woon- of werkuitbreiding of daarop zal aansluiten. Voor deze locaties gelden voorwaarden (artikel 9.4.1, vijfde lid):

Uitgangspunt is dat de schaal van een zonnepark bij stad en dorp wordt afgestemd op de aard en schaal van de kern en op de energiebehoefte van die kern. Bij voorkeur zien wij zonneparken ontstaan op initiatief van bewoners/energiecoöperaties. Wij stellen dat echter niet als voorwaarde. Zo lang de belastingwetgeving (postcode-roos) minder perspectief lijkt te bieden is de kans op initiatieven die gebruik maken van bijvoorbeeld SDE-subsidie groter. Dat kunnen ook initiatieven van particulieren zijn, al of niet met (gedeeltelijke) participatie van bewoners. Die initiatieven zijn daarmee, qua omvang, niet automatisch begrensd door de energiebehoefte vanuit het dorp. Wij willen evenwel de relatie tussen de aard en schaal van een dorp en de omvang van een zonnepark gewaarborgd zien. Dat verband zal uit de gemeentelijke motivering van een initiatief moeten blijken. In die motivering verwachten wij:

  1. inzicht in de gemeentelijke ambitie ten aanzien van zonne-energie,
  2. een daaraan verbonden analyse van en visie op mogelijkheden binnen en buiten bestaand bebouwd gebied,
  3. een afstemming op de energiebehoefte van een kern, en de mogelijkheid van participatie van de bewoners, en
  4. afstemming van de omvang op de aard en schaal van een kern.



Hieruit zal moeten blijken welke omvang van zonnepark plaatselijk aanvaardbaar is. Wij hebben geen oppervlaktenormen opgenomen, opdat maatwerk mogelijk is. Als indicatie denken wij aan een omvang van 1-2 ha bij dorpen van 3.000-5.000 inwoners, oplopend naar meer hectares bij grotere dorpen. Wij zien de oppervlakte van sportvoorzieningen bij een gemiddeld dorp van die grootte als aardige maatstaf.

  • Op gronden van een bestaand agrarisch of niet agrarisch bedrijf, een bestaande instelling of een bestaande woning, voor zover deze zijn voorzien van een bouwperceel (artikel 9.4.1, eerste lid, onder b). Het gaat in dat geval om meervoudig ruimtegebruik. Voorwaarde is dat het op te stellen vermogen ten dienste staat van de bestaande functie van dat perceel.
  • Op gronden met een bestemming voor infrastructuur voor weg, spoor of water (artikel 9.4.1, eerste lid, onder c), of een bestemming voor nutsvoorzieningen. Het gaat in dat geval om meervoudig ruimtegebruik.



In eerste instantie denken wij niet aan opstellingen op historische infrastructuur en groene grasdijklichamen, zoals benoemd en aangewezen in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte (structuur van provinciaal belang nr. 5, nader gespecificeerd bij de verschillende deelgebieden). In afwijking hiervan (artikel 9.4.1, vierde lid) is op basis van een goede motivering en zorgvuldige afweging een opstelling op historische infrastructuur en groene grasdijklichamen bij uitzondering mogelijk, mits de opstelling beperkt blijft en de historische en landschappelijke kwaliteiten voorop blijven staan. In dat geval moet de gemeente de specifieke behoefte om bij uitzondering een opstelling te plaatsen op die locatie onder-bouwen. Daarbij moet worden ingegaan op alternatieven.

  • Artikel 9.4.1, eerste lid onder d biedt beperkte ruimte voor zonne-energie in (natte en droge) natuur-gebieden, die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur of zijn aangewezen als natuur buiten de ecologische hoofdstructuur (zoals aangegeven op de van de verordening deel uitmakende kaart Natuur). Opstellingen zijn alleen mogelijk als deze (qua functie en vermogen) gericht zijn op de energiebehoefte die samenhangt met het fysieke beheer en onderhoud van zo'n natuurgebied (gebouwen, apparaten). Voorwaarde is een zorgvuldige inpassing binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.

Een afwijking (artikel 9.4.1, derde lid) geldt voor de Waddeneilanden waar, op basis van een goede analyse en verantwoording van mogelijkheden, eventueel opstellingen die niet aansluiten aan kernen mogelijk zijn. Ook een opstelling in natuurgebied is niet op voorhand planologisch uitgesloten. Wij hebben daarbij overwogen dat de eilanden beperkte ruimtelijke mogelijkheden hebben. Opstellingen in het Beschermd Dorpsgezicht stuiten veelal op problemen. De haalbaarheid van zonne-energie in natuur zal moeten blijken uit ecologisch onderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet en de EHS. Indien significant negatieve natuureffecten ontstaan en een opstelling slechts mogelijk zou zijn na compensatie van effecten, zal een zonnepark juridisch (Natura 2000) en in ieder geval financieel onhaalbaar zijn. Wij gaan wel uit van een 'nee, tenzij'-benadering. Uit de onderbouwing moet blijken dat redelijke alternatieven ontbreken.



Voor alle locaties geldt (artikel 9.4.1, zesde lid) dat de gemeente zorgt voor een zorgvuldige inpassing binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Wij gaan er vanuit dat de gemeente (en initiatiefnemer) de provincie vroegtijdig betrekken bij de afweging en inpassing aangaande projecten die meer ingrijpend zijn qua omvang en locatie.



Hoofdstuk 10 Algemene bepalingen ontheffingen     

10.1 Strekking en reikwijdte ontheffingsbepaling     

In de lijn van het Barro bevat de verordening nog slechts één (algemene) ontheffingsbepaling. Artikel 10.1.1, eerste lid, bevat de regel die Gedeputeerde Staten de mogelijkheid geeft om in een uitzonderlijk geval ontheffing te verlenen van een aantal in deze verordening opgenomen regels. Het gaat dan om bijzondere omstandigheden waarmee Provinciale Staten bij het vaststellen van de algemene regels geen rekening hebben kunnen houden en waarbij een strikte toepassing van de regels leidt tot een onevenredige belemmering van de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Een zodanige ontheffingsbevoegdheid biedt de ruimte om bijvoorbeeld voor een vernieuwend project waarbij duidelijke maatschappelijke belangen spelen - maar dat in strijd is met de algemene regels – af te wijken van de algemene regels. De clausulering geeft aan dat het dus slechts gaat om incidentele gevallen. Zo zouden innovatieve projecten die in het kader van Kultuerele Haadstêd 2018 worden beoogd en niet passen binnen de reguliere regels kunnen worden gefaciliteerd. Omdat deze algemene ontheffing op diverse situaties betrekking kan hebben die nog niet voorzienbaar zijn, is een ruime regeling opgenomen, voor die situaties waarin de verordening onbedoeld beperkend kan werken. De regels waarvan ontheffing kan worden verleend hebben betrekking op het weren/beperken van nieuwe stedelijke functies in het landelijk gebied (artikel 1.1.1), alsmede de mogelijkheden voor recreatieve ontwikkelingen (artikel 5.1 t/m 5.4) en agrarische bedrijven (artikel 6.1.3, 6.2.1 en 6.4.1).



De ontheffingsmogelijkheid heeft in principe niet tot doel om zonder nadere maatschappelijke ‘winst’ ontheffing te verlenen van een afzonderlijke bepaling. Immers daartoe is veelal een afwijkingsbepaling opgenomen in de regels zelf. In de tekst van de ontheffingsbepaling, artikel 10.1.1, tweede lid, is mede daarom een relatie gelegd met de eerder in de verordening opgenomen ontheffingsbepaling voor ‘kwaliteitsarrangementen’. Dat is in feite de vertaling van de kwaliteitsarrangementen uit het Streekplan. De nieuwe ontwikkeling moet bijdragen aan een goede ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, milieu) en sociaal economische vitaliteit. Deze ‘goede ruimtelijke kwaliteit’ kan ook in bestaand stedelijk gebied tot stand komen. In de ‘oude’ ontheffing ten behoeve van recreatieve projecten (vml. artikel 6.3.2, lid 2) was een vereveningsregeling ‘rood-voor-groen’ opgenomen bij verblijfsrecreatieve projecten buiten recreatiekernen en nabij Nationale Parken, met een normering van de verhouding rood: groen van 1:1, respectievelijk 1:3. Die normering is niet (meer) opgenomen in deze meer algemene ontheffing. In het concrete geval kunnen Gedeputeerde Staten een dergelijke verevening echter wel agenderen en op grond van artikel 10.1.1, derde lid, als voorwaarde opnemen, ter invulling van de kwaliteitseisen.

10.2 Proces/procedure     

Artikel 10.1.1, eerste lid, bepaalt dat Burgemeester en Wethouders een aanvraag kunnen indienen bij Gedeputeerde Staten. Uit jurisprudentie is gebleken dat een ontheffing moet zijn verleend voordat het ruimtelijk plan dat afwijkt van deze verordening, door de gemeenteraad of door Burgemeester en Wethouders ter inzage wordt gelegd. Het is mede daarom gewenst dat de gemeente een ontheffing tijdig, bij het vooroverleg over plannen en projecten, bij de provincie aanvraagt zodat ontheffing kan zijn verleend als het ontwerp ter inzage wordt gelegd. Geadviseerd wordt om al voorafgaand aan het formele vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro ca informeel over de ontheffing overleg te hebben.



Artikel 10.2.1 bevat de vereisten waaraan een aanvraag om ontheffing moet voldoen.



Binnen de hier boven uitgangspunten zijn maatwerk en een nadere afweging door Gedeputeerde Staten mogelijk. Daartoe kunnen op grond van artikel 10.1.1, derde lid aan de ontheffing voorschriften worden verbonden.



Tegen een verleende ontheffing kan geen zelfstandig bezwaar bij Gedeputeerde Staten worden ingesteld. Voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep wordt de ontheffing gevoegd bij het plan waarop de ontheffing betrekking heeft. Tegen een op grond van artikel 10.4.1 geweigerde ontheffing kan wel bezwaar worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.



Artikel 10.5.1 bepaalt onder welke omstandigheden een verleende ontheffing weer kan worden ingetrokken. Dat is bij voorbeeld het geval indien gedurende drie jaar geen gebruik is gemaakt van de ontheffing door vaststelling van het ruimtelijke plan dat voorziet in het project waarvoor ontheffing is verleend. Die bepaling voorkomt ‘eeuwige rechten’.



In artikel 10.6.1 is een beslistermijn opgenomen van twaalf weken. In geval van een complexe aanvraag en afweging kan die termijn worden verlengd. Vroegtijdig vooroverleg kan de afdoening bespoedigen.



Voor zover de ontheffing wordt aangevraagd met het oog op een voorgenomen besluit tot verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt deze ontheffing aangemerkt als een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

10.3 Bijzondere bepalingen omtrent afwijking     

Artikel 10.6 bevat bijzondere afwijkingsbepalingen voor projecten waarmee al eerder bestuurlijk is ingestemd. Voorheen kon daaraan met ontheffing door Gedeputeerde Staten worden meegewerkt. Nu deze projecten voorzienbaar zijn, is dat waarschijnlijk niet meer mogelijk.

Artikel 10.6.1 maakt twee recreatieve ontwikkelingen mogelijk bij Driesum en Westergeest, binnen daarbij geformuleerde specifieke projectvoorwaarden.

Artikel 10.6.2 maakt de ontwikkeling mogelijk van een project bij Opeinde, De Peinder Mieden, binnen daarbij gestelde specifieke projectvoorwaarden.

Artikel 10.6.3 bevat algemene voorwaarden, ontleend aan de voorwaarden die bij ontheffing worden gesteld. De locaties zijn op de kaart aangegeven. De locatie in Westergeest ligt besloten in het bestemmingsplan voor die kern. De begrenzing van de locaties bij Driesum en Opeinde kan nog aan verandering onderhevig zijn. Op grond van artikel 11.1.1, vijfde lid, hebben Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de begrenzing aan te passen.

Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen     

11.1 Wijzigingsbevoegdheden Gedeputeerde Staten     

Op grond van artikel 11.1.1, eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten kleine ‘administratieve’ aanpassingen in de verordening plegen.

Op grond van artikel 11.1.1, tweede lid, kunnen Gedeputeerde Staten kennelijke onjuistheden in de begrenzing van gebieden in de kaarten van de verordening en de digitale verbeelding daarvan aanpassen.

Artikel 11.1.1, derde lid staat Gedeputeerde Staten toe om grenzen en aanduidingen op de kaarten die deel uitmaken van deze verordening om inhoudelijke redenen aan te passen, op grond van nieuw onderzoek of nieuwe inzichten. De aanpassing kan slechts beperkt zijn en alleen indien het belang daarvan opweegt tegen handhaving van de oorspronkelijke grenzen of aanduidingen.

Artikel 11.1.1, vierde lid bevat de bevoegdheid voor Gedeputeerde Staten om de Famke, waarnaar in artikel 2.2.1 wordt verwezen, alsmede de kaart Weidevogelgebieden, waarnaar in artikel 7.2.2 wordt verwezen, aan te passen aan de nieuwste inzichten. Beide kaarten zijn naar hun aard dynamisch en moeten periodiek worden bijgewerkt. Bij de Famke betreft dat bijvoorbeeld aanpassing op basis van gemeentelijke verdiepingsslagen. Bij de weidevogelkaart betreft dat het verwerken van ontwikkelingen in of aan de randen als gevolg waarvan de weidevogelkansgebieden iets moeten worden aangepast.

Artikel 11.1.1, vijfde lid bevat de bevoegdheid voor Gedeputeerde Staten om de begrenzing van de gebieden die op de kaart Bijzondere afwijkingen, zoals bedoeld in artikel 10.6 zijn opgenomen, aan te passen.

Deze bevoegdheden hebben Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten gedelegeerd.

11.2 Algemene clausule onbillijke toepassing     

Op grond van artikel 11.1.1, lid 6 zijn Gedeputeerde Staten bevoegd om bepalingen van deze verordening buiten toepassing te laten indien deze bepalingen onbillijke beperkingen opleveren voor andere belangen in verhouding tot de met toepassing van die bepalingen te behartigen belangen, mits deze onbillijkheden voortvloeien uit de ligging van grenzen en aanduidingen op de kaarten. Een voorbeeld hiervan zijn meetverschillen waardoor een perceel onterecht net binnen of buiten een begrenzing of aanduiding ligt. Uiteraard zal een dergelijke situatie goed gemotiveerd moeten worden.

11.3 Aanpassing bestemmingsplan     

De artikelen 11.2.1 en 11.2.2 bevatten het overgangsrecht. Artikel 11.2.1 regelt dat bestemmingsplannen moeten zijn aangepast overeenkomstig de termijn van artikel 3.1, tweede lid van de Wro: bestemmingsplannen dienen binnen 10 jaar na datum van vaststelling telkens opnieuw te worden vastgesteld. Wij verplichten niet tot versnelde aanpassing. Daarbij gaan wij er vanuit dat gemeenten de bestemming van gronden die deel gaan uitmaken van de EHS, na verwerving daarvan door een beherende instantie of particulier, zo spoedig mogelijk na verwerving, aanpassen. Wij stellen hiervoor geen termijn maar gaan er vanuit dat de gemeente deze consequentie aanvaard. De meeste plannen Buitengebied voorzien ter zake in een wijzigingsbevoegdheid.



Artikel 11.2.2 bepaalt dat de verordening niet van toepassing is op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht of vrijstelling/ontheffing in een geldend ruimtelijk plan staan. Dat betekent dat vigerende bestemmingen, ook al zijn die in strijd met de verordening, gehandhaafd kunnen blijven in een nieuw plan. Uitzondering wordt, in de lijn van het hiervoor gestelde, gemaakt voor de EHS: uiteraard is het gewenst dat gronden die zijn aangewezen als EHS en die nog een agrarische functie en bestemming hadden, na verwerving door een beherende instantie een natuurfunctie krijgen, teneinde de inrichting als natuur mogelijk te maken en de bijbehorende bescherming te bieden aan de natuurwaarden. Artikel 7.1.1 en 7.1.2 hebben hierop betrekking.

Hoofdstuk 12 Waddeneilanden     

Voor de Waddeneilanden hanteren wij, gelet op de in sommige opzichten bijzondere situatie op de eilanden, voor enkele onderdelen een specifieke benadering.

12.1 Wonen     

Het uitgangspunt in het Streekplan dat woningbouw op de Waddeneilanden mogelijk is voor mensen die sociaal of economisch aan de eilanden gebonden zijn, wordt via maatwerk per eiland in het woonplan ingevuld. Regionale afstemming over het woonplan vinden wij niet nodig. In de omschrijving van 'woonplan' in de begripsbepalingen, en in de bepaling voor afwijking van een woonplan (artikel 3.1.2), komt dit tot uitdrukking.

12.2 Werken     

Regionale afstemming van bedrijventerreinen via een bedrijventerreinenplan vinden wij niet nodig. Volstaan kan worden met bilaterale afspraken per eiland tussen gemeente en provincie over de ontwikkeling van bedrijventerrein op basis van een structuurvisie, waaronder de mogelijkheden van voorraadvorming (artikel 4.1.1, lid 3).

12.3 Recreatie     

In het Streekplan zijn voor de Waddeneilanden geen recreatiekernen opgenomen. De bepalingen van hoofdstuk 5, recreatie gelden dan ook, uitsluitend voor wat betreft de situering van nieuwe voorzieningen, niet voor de eilanden (artikel 5.7.1).



Voor de eilanden wordt uitgegaan van een maatwerkbenadering waarbij de totale recreatiedruk per eiland wordt gestabiliseerd (artikel 5.7.2). Dit pakt voor elk eiland verschillend uit. Tot nu toe vullen de gemeenten dit uitgangspunt in via de beddenboekhouding per eiland, maar andere systemen die meer rekening houden met onder andere de effecten van seizoenverlenging zijn mogelijk. Daarover zullen nieuwe afspraken met ons moeten worden gemaakt. Deze afspraken kunnen dan ten grondslag liggen aan toepassing van artikel 5.7.2. Het stabilisatieprincipe is niet direct toepasbaar op een concreet initiatief. We verwachten wel dat de gemeente in de plantoelichting onderbouwt op welke wijze één of meer recreatieve voorzieningen inpasbaar zijn binnen het stabilisatieprincipe. Voor de kampeerboerderijen op een eiland kan bijvoorbeeld de ontwikkelingsruimte als een totaal worden aangegeven, dat vervolgens wordt vertaald in uitbreidingsruimte per kampeerboerderij. Bij afwegingen over het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio, mag ieder Waddeneiland als een eigen recreatieregio worden gezien die een zelfstandige positie inneemt binnen het recreatieve aanbod.



In het Barro (artikel 2.5.16) zit een mogelijkheid voor zeewaartse uitbreiding van een jachthaven bij een Waddeneiland, voor zover dat noodzakelijk is voor de veiligheid en er geen alternatieve, passende oplossing is. De bepaling in de verordening over jachthavens (artikel 5.3) heeft daarom geen betrekking op de jachthavens op de eilanden. Bij plannen voor ontwikkeling van de havens op de Waddeneilanden moet rekening worden gehouden met het Convenant Vaarrecreatie Waddenzee over het beheersbaar maken en houden van recreatie en toerisme op de Waddenzee. Dit convenant is opgesteld door het rijk, de waddenprovincies, gemeenten en belangenorganisaties. De Havenvisie Wadden die door de Waddenzeegemeenten is opgesteld, geeft verder invulling aan het convenant. Bij de uitwerking van deze Havenvisie en bij het opstellen van de concrete haveninrichtingsplannen, zal een goede balans moeten worden gevonden tussen capaciteitsuitbreiding en (de resultaten van) het sturen op gedrag. Wij stemmen in met deze benadering van de Havenvisie Wadden, en zullen daarmee rekening houden bij de beoordeling van ontwikkelingsplannen voor de jachthavens rond de Waddenzee.

12.4 Natuur     

Voor de Waddeneilanden gelden, gelet op de bijzondere situatie, afwijkende regels voor natuurcompensatie EHS om kwalitatieve natuurcompensatie mogelijk te maken. Dit is een verbijzondering van de Spelregels EHS van de ministeries LNV en VROM, de provincies en VNG van 10-9-2007. Bij de toepassing van artikel 7.1.4 kan daarvan worden uitgegaan.

12.5 Kustverdediging     

Voor delen van de Waddeneilanden zullen de reserveringszones voor de primaire waterkeringen nog nader worden bepaald, mede omdat de gewenste ligging van de waterkering hier nog moet worden vastgelegd in de legger. Wanneer hierover duidelijkheid is, kunnen de zones worden geregeld via aanpassing van de verordening.



De Nota Ruimte en nadien de SVIR hechten belang aan een duurzaam kustfundament dat de kust en het achterland beschermd tegen overstromingen vanuit zee. Binnen het kustfundament moet voldoende ruimte zijn voor versterking van de zeewering met behoud van de natuurlijke waarden. In de verordening van 2011 was het kustfundament begrensd. In het Barro heeft het rijk er voor gekozen om het kustfundament zelf te begrenzen. Onderhavige gewijzigde verordening bevat daarom geen begrenzing van het kustfundament en verwijst, voor wat betreft de op dat kustfundament van toepassing zijnde bepalingen in artikel 8.3.1 naar de begrenzing in het Barro. De grenzen van het kustfundament en de grenzen van de primaire waterkering zullen niet steeds samenvallen. Op veel plaatsen is het kustfundament breder dan de waterkering. Op Vlieland ligt het hele eiland binnen het kustfundament.



In het Barro staan in artikel 2.3.5 specifieke bouwregels voor het kustfundament, gericht op het voorkomen van nieuwe bebouwing buiten bestaand stedelijk gebied. Deze regels werken direct door naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Zo mag een bestaand bouwwerk herbouwd of verbouwd worden waarbij het grondoppervlak met ten hoogste 10% mag worden uitgebreid. Op grond van artikel 2.3.6 van het Barro kunnen echter bij verordening van de provincie Fryslân voor de Waddeneilanden andere regels worden gesteld waarmee een - nader te bepalen - beperkte uitbreidingsmogelijkheid van de bebouwing in het kustfundament mogelijk is, mits passend binnen het ruimtelijke kader van de SVIR en mits de bepalingen van titel 2.5 van het Barro die van toepassing zijn op de Waddeneilanden, in acht worden genomen.

Deze andere regels hebben wij opgenomen in artikel 8.3.1 van de verordening. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat in de brede duingebieden op de eilanden van oudsher verblijfsrecreatieve bebouwing (recreatiewoningen, appartementen, hotels en enkele kampeerterreinen) en andere bebouwing (zoals enkele woningen, cafés/ restaurants, nuts- en defensiegebouwen, uitkijktoren, vuurtoren) aanwezig zijn. De geldende bestemmingsplannen voor deze duingebieden consolideren de bestaande situatie, waarbij bestaande bebouwing kan worden uitgebreid in een orde van grootte van 10 tot 25%. Het eerste lid van artikel 8.3.1 bepaalt dat deze bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden mogen worden benut zodat hierover geen onduidelijkheid kan bestaan; een uitbreiding van het bestaande grondoppervlak met ten hoogste 10% conform het Barro is in ieder geval toegestaan. Vanuit een oogpunt van behoud van het kustfundament vinden wij dit aanvaardbaar.



Voor eventuele nieuwe ontwikkelingen, biedt het tweede lid van artikel 8.3.1 een maatwerkbepaling. Als toetsingscriterium geldt dat geen belemmering mag ontstaan voor de instandhouding of versterking van het zandige deel van het kustfundament. Wij hebben in aanmerking genomen, dat in het kustfundament op de eilanden daarnaast nog diverse beperkingen gelden voor nieuwe (veelal recreatieve) ontwikkelingen. Dit is met name het gevolg van de ligging in/nabij natuurgebied en landschappelijke aspecten. Het 'op slot zetten' van dit gebied waardoor recreatieve ontwikkelingen niet meer mogelijk zijn, vinden wij echter niet gewenst en vanuit een oogpunt van behoud van het kustfundament niet noodzakelijk. Op Vlieland ligt het hele eiland binnen het kustfundament. De bepaling maakt een 'normale' ruimtelijke ontwikkeling op het eiland mogelijk, binnen de uitgangspunten van het ruimtelijke beleid.