Stedelijk gebied; Veegplan 2024-1A    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

Dit hoofdstuk bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 1.1), de begrenzing van het plangebied (paragraaf 1.2), de aanpak van de totstandkoming van het plan (paragraaf 1.3) en een leeswijzer (paragraaf 1.4).

1.1 Aanleiding     

Het voorliggende plan maakt deel uit van het proces zoals dat in de gemeente Bronckhorst wordt doorlopen bij het opstellen, het in procedure brengen en het vaststellen van bestemmingsplannen. De basis voor dit proces is dat er halfjaarlijks twee bestemmingsplannen in procedure worden gebracht. Eén voor Stedelijk gebied (de kernen) en één voor Landelijk gebied (het buitengebied). In deze zogeheten 'veegplannen' worden nieuwe initiatieven en ambtshalve aanpassingen gebundeld in één bestemmingsplan. Op basis van ontwikkelplannen voor individuele initiatieven wordt een overleg- en inspraakprocedure gevoerd. Daarna worden de individuele ontwikkelplannen samengevoegd tot een veegplan. Het veegplan wordt vanaf de ontwerpfase in procedure gebracht. De individuele initiatieven en ambtshalve aanpassingen door de gemeente vormen elk een planonderdeel van het veegplan.

Voorliggend plan is de [17e] herziening van het bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst (NL.IMRO.1876.BP01047-VG01) dat op 31-3-2016 door de raad van Bronckhorst is vastgesteld. / [Landelijk gebied Bronckhorst (NL.IMRO.1876.BP01048-VG01)] dat op 17-5-2017 door de raad van Bronckhorst is vastgesteld.

1.2 Plangebied     

Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan omvat ontwikkelingen op de volgende locaties:

Zelfstandige plannen:

  1. A.G. Noijweg Hoog-Keppel
  2. Hof van Kettelerij 2 Vorden
  3. Hummeloseweg 32 Zelhem
  4. Tarwestraat ong Halle
  5. Velswijkweg 46 Zelhem
  6. Vordenseweg ong. Baak

Aanpassingen op initiatief van de gemeente

  1. Ludger Wichmond, naast huisnummer 27

1.3 Aanpak     

1.3.1 Algemeen     

De gemeente Bronckhorst werkt sinds medio 2015 volgens een zogeheten 'veegplansystematiek' (zie ook paragraaf 1.1). Individuele ontwikkelplannen worden gebundeld tot één veegplan welke vanaf de ontwerpfase in procedure wordt gebracht. Overleg en inspraak vindt vooraf plaats aan de hand van de individuele plannen. De individuele plannen zijn aan de hand van vooraf gestelde standaarden qua inhoud en vorm opgesteld. Dit kan in opdracht zijn van particuliere initiatiefnemers (inwoners, instellingen, bedrijven), professionele initiatiefnemers (ontwikkelaars) of de gemeente zelf. Door het stellen van heldere kaders qua inhoud en vorm, is er sprake van uniformiteit. Dit komt de leesbaarheid van het plan ten goede. Maar maakt het samenvoegen van de individuele plannen tot één veegplan ook eenvoudiger. Met name bij de opzet van de plantoelichting van ontwikkelplannen en veegplannen is daarmee rekening gehouden. De planopzet is vastgelegd in het gemeentelijke Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst (zie paragraaf 1.3.2).

Onderdeel van het bestemmingsplanproces zoals dat in Bronckhorst is ingericht, is dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan de verantwoordelijkheden voor de inhoud van dat plan en het voeren van overleg en inspraak bij de initiatiefnemer of de gemeente kunnen liggen. Dit is afhankelijk van het soort initiatief. Bij een zogeheten A-plan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor inhoud en proces. Bij een B-plan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de inhoud en de gemeente voor het proces. Bij een C-plan is de gemeente verantwoordelijk voor inhoud en proces. De in dit veegplan opgenomen planonderdelen betreffen de volgende plantypen:

2.1 A.G. Noijweg ong. Hoog-Keppel: A-plan

2.2 Hof van Kettelerij Vorden: A-plan

2.3 Hummeloseweg 32 Zelhem: A-plan

2.4 Tarwestraat ong. Halle: B-plan

2.5 Velswijkweg 46 Zelhem: A-plan

2.6 Vordenseweg ong. Baak: A-plan

2.7 Aanpassingen op initiatief van de gemeente: C-plan

1.3.2 Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst     

Het Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst vormt de basis voor het opstellen van digitale bestemmingsplannen binnen de gemeente Bronckhorst. Doel van het handboek is om de herkenbaarheid en daarmee de raadpleegbaarheid van de bestemmingsplannen te vergroten. Dit geschiedt door de digitale en analoge opzet, vormgeving en inhoud te standaardiseren. Dit draagt bij aan een efficiënter en eenduidige ontwikkeling van ruimtelijke plannen. Over de vorm en opzet hoeft niet meer te worden nagedacht, deze is in het handboek duidelijk voorgeschreven. De inhoud blijft uiteraard maatwerk en kan per plan verschillen. Alle afspraken die in het handboek zijn vastgelegd dienen bij het vervaardigen van alle ruimtelijke plantypes, waarvoor de digitale verplichting geldt, te worden nageleefd.

Het handboek is niet bedoeld als extra standaard, maar als hulpmiddel bij het (laten) vervaardigen, interpreteren en beoordelen van (digitale) ruimtelijke plannen. Het handboek sluit aan bij de verplichtingen die voortvloeien uit de Wro, het Bro, de RO Standaarden 2012 en de Werkafspraken RO Standaarden, waarin is voorgeschreven dat ruimtelijke plannen in elk stadium van de procedure digitaal vervaardigd, raadpleegbaar en beschikbaar dienen te zijn. Het digitale exemplaar is het authentieke plan. De analoge exemplaren zijn enkel een afgeleide daarvan, oftewel het digitale plan is leidend. Voorliggend bestemmingsplan is conform het handboek opgesteld.

1.4 Leeswijzer algemeen     

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd.



Hoofdstuk 1 Inleiding

Dit hoofdstuk bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 1.1), de begrenzing van het plangebied (paragraaf 1.2), de aanpak van de totstandkoming van het plan (paragraaf 1.3) en een leeswijzer (paragraaf 1.4).



Hoofdstuk 2 Planonderdelen

In dit hoofdstuk worden de planonderdelen, die deel uitmaken van dit bestemminsplan, toegelicht. Deze planonderdelen zijn A.G. Noijweg ong. Hoog-Keppel (paragraaf 2.1), Hof van Kettelerij Vorden (paragraaf 2.2), Hummeloseweg 32 Zelhem (paragraaf 2.3), Tarwestraat ong. Halle (paragraaf 2.4), Velswijkweg 46 Zelhem (paragraaf 2.5) Vordenseweg ong. Baak (paragraaf 2.6 en Aanpassingen op initiatief van de gemeente (paragraaf 2.7). Elke paragraaf bevat de ruimtelijke onderbouwing van het betreffende planonderdeel. Per onderdeel wordt telkens een inleiding gegeven, een beschrijving van het initiatief en de uitvoerbaarheid. Bij de uitvoerbaarheid wordt ingegaan op toetsing aan het beleidskader, omgevingsaspecten, volkshuisvestelijke aspecten, economische aspecten, maatschappelijke aspecten, overleg en inspraak en wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is. De laatste paragraaf geeft een toelichting op de bestemmingen per planonderdeel.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4).

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 4.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 4.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 4.3).

Bijlagen bij de toelichting

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting opgenomen.

Hoofdstuk 2 Planonderdelen     

Dit hoofdstuk geeft in de paragrafen 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7 de ruimtelijke onderbouwing van het betreffende planonderdelen. Het bevat per planonderdeel een inleiding, een beschrijving van het initiatief en de uitvoerbaarheid.

2.1 A.G. Noijweg ong. Hoog-Keppel     

2.1.1 Inleiding     

2.1.1.1 Aanleiding     

Initiatiefnemer De Bunte Vastgoed B.V. heeft het voornemen de locatie van de voormalige gemeentewerf aan de A.G. Noijweg in Hoog-Keppel te ontwikkelen. Het initiatief voorziet in de realisatie van zes nieuwbouwwoningen met bijbehorende parkeerplaats en speelplaats. In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd.

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied; Veegplan 2017-2’. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming “Wonen”. De ontwikkeling past ondanks de woonbestemming niet binnen dit vigerende bestemmingsplan. Voornaamste reden hiervan is het feit dat de huidige woonbestemming niet beschikt over een bouwvlak. Voor de ontwikkeling is om die reden een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

2.1.1.2 Plangebied     

Het plangebied is gelegen aan de A.G. Noijweg in Hoog-Keppel in de gemeente Bronckhorst. Ten zuiden van het plangebied ligt de Brinkenhorst. Kadastraal is het plangebied bekend als de gemeente Keppel, sectie C, 1894. De ligging van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.

verplicht

2.1.1.3 Vigerend planologische situatie     

In de huidige situatie is voor het plangebied het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied; Veegplan 2017-2’ van toepassing. In afbeelding 2 is de plekinfo te zien. Het plangebied heeft in de huidige situatie de enkelbestemming ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Hiernaast is de functieaanduiding ‘groenvoorziening’ aanwezig.

Het doel van onderhavig bestemmingsplan is het bieden van een actueel planologisch juridisch kader om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.

verplicht

2.1.1.4 Leeswijzer planonderdeel     

De uitwerking van dit planonderdeel is als volgt opgebouwd.

2.1.1 Inleiding

Dit hoofdstuk bevat de aanleiding van het initiatief, de begrenzing van het plangebied, de vigerende planologische situatie en een leeswijzer.

2.1.2 Initiatief

Dit hoofdstuk bevat de bestaande situatie en de planbeschrijving van het initiatief.

2.1.3 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op toetsing aan het beleidskader, omgevingsaspecten, volkshuisvestelijke aspecten, economische aspecten, maatschappelijke aspecten, overleg en inspraak en wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is.

2.1.4 Juridische aspecten planonderdeel

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voor-komende bestemmingen.

2.1.2 Initiatief     

2.1.2.1 Bestaande situatie     

2.1.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

De streek waarin Hoog-Keppel ligt, kent een lange bewoningsgeschiedenis. Voorafgaande aan het ontstaan van de nederzettingen, die in de loop van de tijd uitgroeiden tot de nu bekende dorpen, is de streek vermoedelijk in het Laat-Paleolithicum al bewoond geweest. De oudste bewoningssporen in Oost-Gelderland dateren van tussen de 10.000 en 9.000 jaar voor Chr.. Tussen 4.000 en 3.000 jaar voor Chr. moeten de eerste boeren zich in Gelderland gevestigd hebben. In de periode voordat Oost-Nederland deel uit gaat maken van het graafschap Gelre of zelfs voordat het onder bestuur komt van de heren van Zutphen, maakte de regio rondom Hoog-Keppel in de Karolingische tijd deel uit van het graafschap Hamaland. De oudste vermelding van Hummelo (direct ten oosten van Hoog-Keppel) vinden we in een oorkonde uit het jaar 828. De vondst van een vroegmiddeleeuwse nederzetting in het nabijgelegen Drempt (eerste vermelding in jaar 1122) door de archeoloog W.C. Braat, bevestigt de schriftelijke aanwijzingen dat het gebied in de Vroege Middeleeuwen al bewoond was. De nederzetting Keppel, waarmee bedoeld is Oud of Hoog Keppel, wordt voor het eerst genoemd in de 12e eeuw. De naam Keppel wordt afgeleid van ‘Kapf’ dat onder meer ‘top’ betekent.

Op historische kaarten uit 1830-1855 is te zien dat het plangebied tussen de al bestaande straten Prinsenweg, Brinkenhorst en de A.G. Noijweg ligt. Het is niet uit te sluiten dat het plangebied bebouwd was in die tijd. Er lijkt een woonhuis aanwezig te zijn dat mogelijk net wel, net niet in het zuidelijke deel van het plangebied ligt. Afgezien daarvan bestaat het plangebied grotendeels, dan wel geheel uit bouwland of weiland. Op een iets oudere kaart is echter geen bebouwing aanwezig. Wel ligt het oostelijke deel van het plangebied in een begraaf-plaats. Deze staat echter niet meer op de andere kaarten (1830-1855 en later) aangegeven. Op een kaart uit 1908 is duidelijk te zien dat er bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied ligt. In het oostelijke deel van het plangebied, waar op een vroegere kaart een begraafplaats staat aangegeven, bestaat op deze kaart net als het westelijk deel als bouwland.

2.1.2.1.2 Ruimtelijke structuur     

De A.G. Noijweg, gelegen ten zuiden van het plangebied, doorkruist het hart van Hoog-Keppel en verbindt zich aan de westelijk kant van het dorp met de Monumentenweg en de Prinsenweg. Aan de oostelijke kant van Hoog-Keppel gaat de A.G. Noijweg over in een on-verharde buitenweg. De omgeving van het plangebied heeft voornamelijk een woonfunctie. In de kern zijn enkele dienstverlenende en verzorgende functies gevestigd. Daarnaast kent de kern een aantal recreatieve functies.

De wijk rondom het plangebied heeft een groene uitstraling. Het plangebied is onbebouwd en omsloten door woningen. De onderstaande afbeeldingen toont een weergave van het plangebied in de bestaande situatie.

verplicht

2.1.2.1.3 Functionele structuur     

Het plangebied ligt in een rustige woonwijk waar zich in de directe nabijheid geen andere functies bevinden. Het plangebied wordt aan alle zijden begrensd door woningen. Aan de zuidkant van het plangebied ligt de aansluiting op de A.G. Noijweg welke het plangebied met de rest van het dorp verbindt. Voor de A.G. Noijweg geldt een maximumsnelheid van 30 km/u. In de bestaande situatie betreft het plangebied braakliggend terrein. Er zijn verschillende soorten gras en lage struiken aanwezig.

2.1.2.2 Randvoorwaarden     

2.1.2.2.1 Stedenbouwkundige eisen     

Het plangebied aan de A.G. Noijweg behoort tot het gebiedstype 'nieuwe stads- en dorpsge-bieden'. In de welstandsnota van de gemeente Bronckhorst zijn onder andere de volgende stedenbouwkundige randvoorwaarden voor dit gebied opgenomen:

  • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebou-wing richtinggevend.
  • Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek en het gevelbeeld van de bestaande bebouwing in de omgeving.
  • De panden zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare ruimte.
  • De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing.
  • Het aantal bouwlagen en de kapvorm zijn afgestemd op de bouwhoogte en de bouw-massa van de belendende bebouwing.
  • Bij- en aanbouwen blijven duidelijk ondergeschikt aan de hoofdmassa. Bij aanpassingen blijft de hoofdvorm herkenbaar.
  • De bestaande kaprichting en kapvorm zijn richtinggevend.

Voor dit initiatief zijn voorgaande stedenbouwkundige randvoorwaarden uit de welstandsno-ta meegenomen in het ontwerp.

2.1.2.2.2 Beeldkwaliteitseisen     

Bouwplannen worden getoetst door de welstandcommissie. De welstandscommissie toetst aan de welstandsnota, bestaande uit algemene en bijzondere criteria die gelden bij de beoordeling van aanvragen inzake omgevingsvergunning, onderdeel bouwen. De eisen in de geldende Welstandsnota zijn bepalend voor de beeldkwaliteit voor de locatie.

2.1.2.2.3 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

Binnen Hoog-Keppel is sprake van een combinatie aan woongebieden en groen. Dit is ook het geval rondom het plangebied. Wel is het plangebied omgeven door schuttingen van de andere woningen in de omgeving. Binnen het plangebied dient daarom voornamelijk aangesloten te worden bij het woonkarakter van het gebied. De realisatie van het woonerf met woningen en tuinen zorgt voor een goede inpassing in de omgeving. Ook is binnen het plangebied ruimte voor groen en speelgelegenheid, dit past eveneens binnen het plaatselijke karakter.

2.1.2.3 Planbeschrijving     

In de toekomstige situatie is de nieuwbouw van zes geschakelde levensloopbestendige woningen gepland. Naast de woningen wordt een speelterrein en een parkeerplaats gerealiseerd waarvan in de onderstaande afbeelding de voorlopige invulling is te zien. Hiernaast beschikt iedere woning over een oprit één auto geparkeerd kan worden.

verplicht

2.1.3 Uitvoerbaarheid     

2.1.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Het voornemen past binnen de beleidskaders zoals beschreven in hoofdstuk 3 van deze toelichting. Hierna worden enkele belangrijke aspecten nader toegelicht.

Rijksbeleid

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgeno-men ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie. Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat de Ladder van toepassing is bij ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’ (3.1.6 Bro). Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt in Bro 1.1.1 als volgt gedefinieerd:

“stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.”

Met voorliggend plan worden zes woningen toegevoegd. Op basis van jurisprudentie wordt vanaf twaalf woningen gesproken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het initiatief is met zes woningen derhalve niet ladderplichtig.

Provinciaal beleid

De voorgenomen ontwikkeling van zes woningen is niet in strijd met de Ladder voor duurzame verstedelijking en derhalve ook niet in strijd met de beginselen van de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Het plan ligt niet binnen het Gelders Natuurnetwerk of een Groene Ontwikkelingszone.

Ten aanzien van voorliggend bestemmingsplan zijn de regels met betrekking tot het onderwerp ‘wonen’ uit de omgevingsverordening relevant. In de verordening wordt voor ‘wonen’ aangegeven dat nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts zijn toegestaan wanneer het plan passend is binnen het vigerende vastgestelde Kwalitatief Woonpro-gramma of de vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio, in voorliggend geval de Achterhoek.

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van zes woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Met de bouw van de woningen wordt er invulling gegeven aan een braakliggend terrein binnen de kern Hoog-Keppel die reeds een woonbestemming kennen en in eerdere plannen hiervoor ook bestemd waren. Het plan draagt derhalve bij aan de woningbouwopgave van de gemeente Bronckhorst. Het plan is tevens passend binnen de Regionale woonagenda Achterhoek.

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie en past binnen de regelgeving van de Omgevingsverordening.

Regionaal beleid

Binnen het regionaal beleid is met name de regionale woonvisie en -monitor voor de Achterhoek van belang. Naast de vigerende woonvisie is er inmiddels ook een geactualiseerde versie van de woonagenda in omloop, te weten de 'Regionale Woonagenda 2023-2030'. In deze woonagenda worden aan het voornemen om meer betaalbare woningen te realiseren concrete afspraken verbonden. Voor het plan aan in Hoog-Keppel kan aan dit uitgangspunt worden voldaan gelet op de te realiseren woningtypen. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling passend is binnen de laatste woningbouwprognoses conform de regionale woonvisie en -monitor.

Gemeentelijk beleid

Voorliggend initiatief geeft invulling aan braakliggen terrein aan de A.G. Noijweg middels de bouw van twee blokken van drie geschakelde woningen. Het plangebied heeft reeds een woonfunctie. Met het plan wordt woningaanbod gecreëerd in tijden van grote vraag. Het initiatief is derhalve in overeenstemming met het gemeentelijk woonbeleid conform de Woonvisie.

Ten aanzien van andere gemeentelijk relevante thema’s, zoals klimaat, water en cultuurhistorie, wordt in de navolgende paragrafen verder ingegaan op de wijze waarop binnen het plan met deze thema’s wordt omgegaan.

In het rijks- en provinciale beleid, waaronder de omgevingsverordening Gelderland, zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten en/of regels opgenomen ter plaatse van het plangebied. De ruimtelijke impact van het plan is daarnaast beperkt. Het rijks- en provinciale beleid staat voorliggend initiatief niet in de weg.

2.1.3.2 Omgevingsaspecten     

2.1.3.2.1 Aanmeldnotitie m.e.r.     

Onderzoek

In het kader van het plan is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld welke is opgenomen in Bijlage 13. Bij een vormvrije m.e.r. beoordeling gaat het om een toetsing aan de voorkant van het planproces. Deze beoordeling richt zich primair op het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige kwaliteiten binnen het plangebied en de omgeving. Er wordt gekeken naar het effect van een activiteit op het milieu door de activiteit zelf en door de kwetsbaarheid van het gebied en haar omgeving. Conform de Europese criteria voor m.e.r.-beoordeling wordt daarbij gekeken naar het effectgebied, waarschijnlijkheid en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. In de voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling zijn deze aspecten belicht.

Gezien het vorenstaande en op basis van een vergelijking met het plan met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r., kan het volgende worden geconcludeerd, rekening houdend met:

  • de kenmerken van het project
  • de plaats van het project
  • de kenmerken van het potentiële effect

Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen, in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving, waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen.

Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieuef-fecten van dusdanige omvang, dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Ook zijn er geen significante effecten te verwachten op een Natura-2000 gebied, waardoor het opstellen van een passende beoordeling niet noodzakelijk is.

Op grond van het ontbreken van belangrijke nadelige milieugevolgen is de conclusie gerechtvaardigd dat “belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten” en dat een volledige m.e.r.-procedure, en daarmee het opstellen van een MER, niet nodig is.

2.1.3.2.2 Duurzaamheid     

Onderzoek

Met voorliggend initiatief wordt een centrale locatie in de bebouwde kom van de kern Hoog-Keppel ontwikkeld tot een kleinschalige duurzame woonlocatie. Doordat gebruik wordt ge-maakt van braakliggend terrein is er sprake van duurzaam ruimtegebruik. Daarnaast worden de woningen gasloos gerealiseerd.

In het kader van toekomstbestendigheid wordt daarnaast geïnvesteerd in de aanleg van groen door middel van vergroening van de buitenruimte, onder andere met de aanleg van de tuinen. Het toevoegen van groen zorgt voor een verkoelend effect tijdens warme dagen en komt het woon- en leefklimaat ten goede.

Conclusie

Gesteld wordt dat het initiatief daarmee in lijn met het beleid van de gemeente Bronckhorst, het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

2.1.3.2.3 Bodem     

Bij bodem wordt onderscheid gemaakt in de fysische en de chemische bodemkwaliteit. De fysische bodemkwaliteit heeft betrekking op de opbouw en samenstelling van de bodem. Denk hierbij aan draagkracht en in de bodem aanwezige voorwerpen, zoals archeologische vondsten. Dit deeladvies gaat in op de chemische en fysische bodemkwaliteit, waarbij mogelijke verontreinigingen centraal staan.

Het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) bevat voorschriften die dienen voor uitvoering van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Bro, artikel 3.1.6, verricht de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek naar de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Hieronder valt onderzoek naar de bodemgesteldheid van het plangebied.

Onderzoek

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkennend en actualiserend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in Bijlage 8 van de voorliggende rappor-tage. De conclusie van het onderzoek is dat Zintuiglijk in de bovengrond puinsporen zijn waargenomen. In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de vaste bodem zijn geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan chroom aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek.

Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en

bestaan vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren voor de voorgenomen transactie van de locatie.

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

2.1.3.2.4 Geluid     

Wet geluidhinder

In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgelegd in welke mate het geluid, veroorzaakt door gezoneerde wegen, spoorwegen en/of gezoneerde industrieterreinen, geluidgevoelige bestemmingen (woningen, ziekenhuizen, scholen en dergelijke) mag belasten.

Op basis van de wet zijn voor de geluidgevoelige bestemmingen voorkeursgrenswaarden opgenomen waaraan in principe aan voldaan moet worden:

  • Wegverkeer 48 dB
  • Spoorwegverkeer 55 dB
  • Industrielawaai van gezoneerde industrieterreinen 50 dB(A)

Onderzoek

Nabij het plangebied liggen enkele drukke wegen. Hierdoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en is de situatie beoordeeld aan de hand van de Wet geluidhinder, de Wet ruimtelijke ordening en het gemeentelijke geluidbeleid. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting binnen het plangebied voor zover deze wordt veroorzaakt door het relevante wegverkeer. Voor alle wegen geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze wegen (Prinsenweg, Brinkenhorst, A.G. Noijweg en Valkenbos), is in het voorliggende onderzoek de geluidbelasting vanwege deze wegen toch berekend.

Uit het onderzoek (Bijlage 6) blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen vanwege het verkeer op alle 30 km/uur-wegen lager zal zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Op basis hiervan wordt gesteld dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de 30 km-wegen, aanvaardbaar is.

De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 38 dB. Dit betekent dat de karakteristieke geluidwering van de verblijfsgebieden minimaal 20 dB moet bedragen. Normaliter wordt met moderne standaard bouwmaterialen (dubbele beglazing, geïsoleerd dak, normale ventilatie voorzieningen die voldoet aan een geluideis van Rq;a = 0 dB) voldaan aan de minimale geluidwering van de gevels.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

2.1.3.2.5 Luchtkwaliteit     

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Onderzoek

Binnen het plangebied worden zes nieuwe woningen gerealiseerd. Met zes woningen valt het bouwplan ruim binnen het criterium voor de categorie woningbouwlocaties (de grens ligt op 1.500 woningen, bij één ontsluitingsweg). Met andere woorden, de realisatie van de woningen draagt niet of nauwelijks bij aan de luchtverontreiniging en is in dat opzicht niet in betekenende mate.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

2.1.3.2.6 Geur     

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. Afhankelijk van de aard en omvang van een agrarisch bedrijf dient er afstand gehouden te worden tot milieugevoelige functies.

Onderzoek

In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijven die geur veroorzaken. Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom.

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

2.1.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering     

Bij het realiseren van woningen dient rekening gehouden te worden met (mogelijke) milieuaspecten van bedrijven in de nabijheid. Voor het waarborgen of realiseren van een goed woon- en leefklimaat wordt milieuzonering gehanteerd. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven (milieubelastend) een passende locatie in nabijheid van woningen (milieugevoelig) krijgen en dat deze op een verantwoorde manier van elkaar gescheiden worden.

Bij nieuwe ontwikkelingen dienen twee doelen te worden gerealiseerd:

  • Het voorkomen van of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen.
  • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Een hulpmiddel voor milieuzonering is de VNG-handreiking “Bedrijven en milieuzonering” waarvan de laatste versie stamt uit 2009. Deze handreiking gaat uit van de hinderaspecten geur, stof, geluid en veiligheid.

Bij het bepalen van richtafstanden is het omgevingstype van belang. Er zijn voor milieuzonering drie omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Naast de wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor en er is weinig verstoring door verkeer. Omgevingstype ‘rustig buitengebied’ betreft een gebied waar eveneens weinig verstoringen zijn. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is er sprake van functiemenging en/of ligging nabij drukke wegen. De richtafstanden mogen bij ‘gemengd gebied’ met één stap verlaagd worden.

Onderzoek

Voor het beoordelen van de milieuhinder is uitgegaan van een zogenaamde ‘rustige woonwijk’. Dit omdat de omgeving van het plangebied hoofdzakelijk bestemd is als ‘Wonen’. Uit een inventarisatie blijkt dat er geen sprake is van nabije bedrijventerreinen of andere milieubelastende bestemmingen.

Conclusie

De richtafstanden uit de VNG-handreiking “Bedrijven en milieuzonering” geven geen aanlei-ding voor een vermoeden van een belemmering voor de uitvoering van dit bestemmings-plan.

2.1.3.2.8 Externe veiligheid     

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen en is onderverdeeld in:

  • Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein;
  • Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de omgang met externe veiligheid rond buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (zoals gas en brandbare vloeistoffen);
  • Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) legt veiligheidsnormen op aan transport van gevaarlijke stoffen via weg, binnenvaart en spoorweg. Voor de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen geldt het Basisnet. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd.

Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt in het Plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten.

Onderzoek

De risico’s ten aanzien van externe veiligheid zijn geïnventariseerd op basis van de Signaleringskaart externe veiligheid. In de volgende afbeelding is te zien hoe dit zich vertaald naar het plangebied.

verplicht

Uit de signaleringskaart blijkt dat er zich in de dichte nabijheid van het plangebied geen risicobronnen bevinden. Op grote afstand bevinden zich enkele aardgasbuisleidingen en een zwembad met opslag van chloorbleekloog. Wegens de grote afstand tussen het plangebied en de risicobronnen is nader onderzoek onnodig.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit be-stemmingsplan.

2.1.3.2.9 Water     

Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plan-nen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de water-toets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies.

Algemeen

Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de ge-volgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte water-toets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwich-tige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betref-fen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de water-kwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Onderzoek

In het kader van de ontwikkeling is de digitale watertoets uitgevoerd, middels de digitale wa-tertoets is het waterschap Rijn en IJssel geïnformeerd over de ontwikkeling. Het toetsingsdocu-ment is bijgevoegd bij voorliggend plan als Bijlage 7. Resultaat van de watertoets was dat de normale procedure doorlopen moest worden, er heeft daarom overleg met het waterschap plaatsgevonden. Onderstaand is beschreven op welke wijze de belangen van het waterschap in het plan worden geborgd. Naar aanleiding hiervan heeft het waterschap een positief ad-vies afgegeven.

Uitwerking

Het plangebied was in de oorspronkelijke situatie grotendeels verhard door de aanwezigheid van de voormalige gemeentewerf. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels onver-hard. Op basis van de verreisden (80 mm statische berging) dient er in de beoogde situatie circa 150 m³ geborgen te worden. Deze berging is voorzien door de aanleg van een kratten-veld, bestaande uit 330 kratten. Met daarnaast de aanleg van een 106 meter lange leiding bedraagt de totale bering circa 155 m³. Infiltratie in de bodem is op basis van de bodem goed mogelijk, er is uitgegaan van een K-waarde van 2.5 m/dag. Een volledige uitwerking is weergegeven in Bijlage 7 van dit bestemmingsplan.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan

2.1.3.2.10 Klimaat     

Klimaat

Op grond van de Omgevingsverordening Gelderland moet bij vaststelling van een bestemmingsplan of een wijzigingsplan rekening worden gehouden met klimaateffecten. Hiervoor kan de Klimaatatlas Bronckhorst worden geraadpleegd. Uit de Klimaatlas Bronckhorst blijkt het volgende.

Wateroverlast

Er is geen sprake van overmatige plasvorming bij korte, extreemhevige buien, nu niet en in de toekomstige situatie, na het treffen van de waterbergingsmaatregelen, niet. Het beoogde gebruik van de locatie komt hierdoor niet in het geding. Plasvorming bij langdurige extreme regen zal niet leiden niet tot significante plasvorming.

Hittestress

Binnen het plangebied is er in vergelijking met de overige bebouwde kom van Hoog-Keppel geen sprake van meer of minder hittestress. Het plan voorziet met groen in het tegengaan van overmatige hittestress. Daarnaast worden de nieuwbouwwoningen goed geïsoleerd waardoor eventuele kwetsbare groepen beschermd blijven tegen hitte.

Overstroming

Er is geen significante overstromingskans.

Conclusie

Klimaateffecten vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan. De beoogde infiltratie van hemelwater biedt kansen om verdrogingseffecten te mitigeren.

2.1.3.2.11 Archeologie     

In het kader van het bouwplan is een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een karterend booronderzoek uitgevoerd (Bijlage 12). Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen herinrichting/ontwikkeling van het plangebied zoals omschreven in de vergunningsaanvraag nader archeologisch onderzoek geadviseerd. In beginsel is nader ar-cheologisch onderzoek nodig, maar als de bodem ter plaatse van het grafveld in het verle-den dieper is verstoord dan de toekomstige verstoring, dan kan het plangebied door de regi-onaal archeoloog worden vrijgegeven. In de nabije toekomst zal de verstoring uit het verle-den in beeld worden gebracht door bijvoorbeeld booronderzoek. Daarnaast geeft het advies ter overweging om de gronden in de zone grafveld nader te onderzoeken óf door toekomsti-ge bewoners te informeren over mogelijke grafresten.

2.1.3.2.12 Flora en fauna     

Onderzoek

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een quickscan natuurtoets uitgevoerd dat als Bijlage 9 van deze toelichting onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. Het volgende kan worden geconcludeerd uit dit onderzoek:

Gebiedsbescherming

De voorgenomen plannen leiden – los van het aspect stikstofdepositie – niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Ten aanzien van stikstofdepositie geldt dat aan de hand van een stikstofberekening moet worden vastgesteld of sprake is van een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden en of dit kan leiden tot significante gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (Rijntakken) bevindt zich ten westen

van het plangebied op circa 3,7 kilometer afstand. De stikstofgevoelige natuur binnen dit

natuurgebied ligt op een afstand van circa 4,8 kilometer vanaf het plangebied.

Ter plaatse van natuurgebieden in de omgeving is de stikstofdepositie voor de gebruiksfase en de aanlegfase, als gevolg van de beoogde ontwikkeling, berekend met behulp van de AERI-US calculator. Hieruit volgt dat er geen stikstofdepositie is te verwachten ter plaatse van Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositieberekeningen zijn bijgesloten als Bijlage 11.

Het plangebied valt buiten gebieden bestemd als ‘Nationaal Landschap‘. Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het plangebied ligt buiten specifieke zones en aanwijzingen uit het Provinciale natuurbeheerplan.

Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ingreep vallen redelijkerwijs geen effecten te verwachten die van invloed zijn op de doelstellingen van de Provinciale natuurvisie of anderszins Provinciaal natuurbeleid.

Beschermde flora en fauna

Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Wet natuurbescherming en de Omgevingsvisie en -verordening Provincie Gelderland, blijkt dat de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden wetsovertredend kunnen zijn t.a.v. de beschermde soort Teunisbloempijlstaart. Aanvullend op de quickscan ecologie is daarom een ecologische schouw naar de Teunisbloempijl-staart uitgevoerd, deze maakt onderdeel uit van de Bijlage 10. Voor andere soortgroepen valt het redelijkerwijs uit te sluiten dat de geplande ingreep een overtreding vormt t.a.v. de Wet natuurbescherming dan wel de Omgevingsvisie en -verordening Provincie Gelderland, mits wordt voldaan aan de in de rapportage beschreven voorwaarden.

Tijdens de ecologische schouw zijn 161 teunisbloemen gecontroleerd op rupsen of poppen van de Teunisbloempijlstaart, deze zijn niet aangetroffen. De aanwezigheid van de vlinder is echter niet uit te sluiten. Aanvullend nachtvlinderonderzoek is dus nodig om met zekerheid aanwezigheid van Teunisbloempijlstaart uit te kunnen sluiten. In het kader van de flora- en faunawetgeving is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot nader onderzoek naar de Teunisbloempijlstaart binnen het plangebied. De voorwaardelijke verplichting is gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Hiernaast dient in algemene zin ook de Zorgplicht in acht te worden genomen. Deze Zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle vogelsoorten. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.

Conclusie

Het aspect ecologie vormt, met inachtneming van het nader onderzoek naar de Teunis-bloempijlstaart, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

2.1.3.2.13 Verkeer en parkeren     

Verkeersstructuur

Voor de ontsluiting van het terrein wordt gebruik gemaakt van het omliggende wegennet. Hierbij wordt de bestaande ontsluiting van de voormalige gemeentewerf gebruikt. Het plangebied wordt ontsloten op de A.G. Noijweg. Vanwege de beperkte omvang van het initiatief met slechts zes woningen is de ontsluiting op de A.G. Noijweg voldoende.

Verkeersgeneratie

De verkeersaantrekkende werking van het initiatief is berekend op basis van de CROW publicatie 381. In de huidige situatie is de locatie onbebouwd en zijn er zodoende geen motorvoertuigbewegingen. Hoewel voor de beoogde ontwikkeling wordt uitgegaan van de categorie ‘koop, huis, vrijstaand’ als worstcase scenario. Het initiatief voorziet namelijk in vrijstaande en deels- vrijstaande woningen.

Voor de vrijstaande woningen geldt maximaal een kengetal van 8,6 autobewegingen per woning per dag.

verplicht

Met de ontwikkeling van de woningen ontstaat een toename van het aantal verkeersbewe-gingen. Wegens het relatief lage aantal aan verkeersbewegingen en de aanwezige ontsluiting van het plangebied leidt dit niet tot een onaanvaardbare verandering van de verkeersintensi-teit.

Parkeren

Het parkeren is voorzien aan de opritten van de woningen met één parkeerplaats per woning. Hiernaast zijn er parkeerplaatsen gerealiseerd bij het speelterrein. Volgens de gemeentelijke norm dient een vrijstaande woning te voldoen aan 2,7 parkeerplaatsen per woning. Dit komt, afgerond naar boven, uit op een totaal van zeventien parkeerplaatsen. In het plan worden 6 parkeerplaatsen op eigen terrein opgenomen en 11 in de openbare ruimte. Aan de norm van 2,7 parkeerplaatsen per woning wordt voldaan.

Conclusie

Het aspect verkeer- en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

2.1.3.2.14 Leidingen     

Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante kabels en leidingen.

Onderzoek

In en om het plangebied zijn geen kabels en leidingen gelegen, die een juridisch- planologische bescherming genieten. Het plangebied valt niet samen met een zakelijk rechtstrook of een toetsingszone van een leiding, lijn of straalverbinding - gemeten uit het hart van een kabel, leiding of verbinding.

Conclusie

Het aspect leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

2.1.3.3 Volkshuisvesting     

In het gemeentelijke woonbeleid en het bijbehorende afwegingskader geeft de gemeente aan dat er ruimte is om de woningvoorraad beperkt en gericht uit te breiden. Vanuit kwaliteit- en kwantitatief oogpunt sluit voorliggend plan (toevoegen van zes woningen) daarmee in voldoende mate aan bij de voorwaarden en criteria uit het woonbeleid en bijbehorend afwegingskader.

2.1.3.4 Economisch     

Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Bronckhorst verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen.

De kosten worden verhaald door middel van een met de initiatiefnemer afgesloten anterieure overeenkomst. Middels de afgesloten overeenkomst is het kostenverhaal voldoende verzekerd en is de financiële haalbaarheid in voldoende mate aangetoond.

2.1.3.5 Maatschappelijk     

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter visie gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na deze bekendmaking nogmaals 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.

Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de ter inzagelegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vanaf dat moment is een bestemmingsplan onherroepelijk.

2.1.3.6 Overleg en inspraak     
2.1.3.6.1 Overleg     

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel is overleg gevoerd met het Waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap heeft voor de benodigde waterbergingsopgave een positief advies afgegeven.

2.1.3.6.2 Inspraak     

Ten behoeve van het initiatief zijn een aantal overleggen geweest met omwonenden en de gemeente Bronckhorst. Het plan is vormgegeven in samenspraak met de omgeving. In de Bijlage 14 bij deze toelichting is een overzicht opgenomen van participatie inclusief een participatieverslag met uitnodigingsbrief en informatieboekje.

2.1.3.7 Conclusie     

Behoudens mogelijke maatregelen die volgen uit adviezen van nader onderzoek met betrek-king tot ecologie en archeologie, leveren omgevingsaspecten geen beperkingen op voor de uitvoering van het plan.

2.1.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in het plan. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4 ‘Juridische aspecten algemeen’.

2.1.4.1 Bestemmingsregels     

Wonen

Woningen zijn ondergebracht in de bestemming 'Wonen'. Voor regulering van de woonfunctie kan deels verwezen worden naar paragraaf 4.2.2.

Het hoofdgebouw (de woning, al dan niet met aan- en uitbouwen) kunnen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven 'bouwvlak'. Bij het bepalen van de bouwvlakken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

  1. zoveel mogelijk bestaande rechten respecteren, tenzij er ruimtelijk-stedenbouwkundige argumenten zijn om te beperken
  2. geen doublures met de toekomstige regels voor vergunningvrij bouwen
  3. ruimte creëren voor de toekomst
  4. toekomstige afwijkingsprocedures voorkomen
  5. rekening houden met belangen belendende bestemmingen/bebouwing
  6. rekening houden met het algemeen ruimtelijk beeld

De woningen worden als volgt gereguleerd. In beginsel worden aaneengesloten bouwvlakken gehanteerd. Woningen van eenzelfde categorie (vrijstaand, twee-aaneen, aaneenge-bouwd, gestapeld) die naast elkaar gesitueerd zijn, worden zoveel mogelijk in één bouwvlak geplaatst. Daarbij worden in de regel rechthoekige bouwvlakken gehanteerd. Er kunnen stedenbouwkundige redenen zijn om hier van af te wijken. Voor de situering en grootte van het bouwvlak gelden de volgende uitgangspunten:

verplicht

Hoewel er door het hanteren van ruime bouwvlakken fysiek ruimte is voor de bouw van een extra woning, is daarvoor geen planologische ruimte. In de planregels is opgenomen dat het bestaand aantal woningen niet mag worden vermeerderd. Dit vanwege het regionale en gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 3.4.3).

Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken, die qua functie hieraan ondergeschikt zijn. Deze aan huis verbondenen bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast. Bij een aan huis verbonden beroep en aan huis verbonden bedrijf is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde Bijlage 2. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een bed & breakfast-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Een gedeelte van de woning mag onder voorwaarden als afhankelijke woonruimte worden gebruikt. Daarmee is het mogelijk om ruimten binnen de woning in te richten om een naaste te kunnen verzorgen uit het oogpunt van mantelzorg. Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat er geen sprake mag zijn van woningsplitsing. Hiervoor zijn geen regels in het bestemmingsplan opgenomen omdat het landelijke Besluit omgevingsrecht (Bor) reeds in voorziet in een vergunningvrije mogelijkheid.

Voorwaardelijke verplichting flora- en faunawetging

In het kader van de flora- en faunawetgeving is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot nader onderzoek naar de Teunisbloempijlstaart binnen het plangebied. De voorwaardelijke verplichting is gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Verkeer

Deze bestemming richt zich op het openbare gebied. Binnen deze bestemming kunnen meer-dere doeleinden worden onderscheiden, zoals ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, parkeer-, groen- en verblijfsvoorzieningen. Gelet op het openbare karakter van deze bestemming bevinden zich hier ook openbare voorzieningen en vinden activiteiten als evenementen en markten (standplaatsen voor kramen, stallen en voertuigen voor het aanbieden van goederen of diensten) plaats.

Het groen dat geen onderdeel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur volgens het groenstructuurplan van de gemeente Bronckhorst (maar wel een ruimtelijke functie vervult) is bestemd als 'Verkeer'.

Waarde – Archeologische verwachting 1

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen wel-ke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Waarde - Archeologische verwachting 1 staat voor een hoge verwachtingswaarde. Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.2 Hof van Kettelerij Vorden     

2.2.1 Inleiding     

2.2.1.1 Aanleiding     

Het voorliggende plan maakt deel uit van het proces zoals dat in de gemeente Bronckhorst wordt doorlopen bij het opstellen, het in procedure brengen en het vaststellen van bestemmingsplannen. De basis voor dit proces is dat er halfjaarlijks twee bestemmingsplannen in procedure worden gebracht. Eén voor Stedelijk gebied (de kernen) en één voor Landelijk gebied (het buitengebied). In deze zogeheten 'veegplannen' worden nieuwe initiatieven en ambtshalve aanpassingen gebundeld in één bestemmingsplan. Op basis van ontwikkelplannen voor individuele initiatieven wordt een overleg- en inspraakprocedure gevoerd. Daarna worden de individuele ontwikkelplannen samengevoegd tot een veegplan. Het veegplan wordt vanaf de ontwerpfase in procedure gebracht. De individuele initiatieven en ambtshalve aanpassingen door de gemeente vormen elk een planonderdeel van het veegplan.



Voor de percelen aan het Hof van Kettelerij in de kern Vorden is een nieuwe planontwikkeling voorzien. Het huidige perceel heeft een detailhandelsfunctie en wordt herontwikkeld voor woningbouw.

Op dit perceel was recent een bloembinderij gevestigd. Een deel van de bestaande (historische) opstallen van de bloembinderij zal worden gesloopt en hiervoor in de plaats wordt nieuwbouw voorzien. Het nieuwe gebouw biedt ruimte aan 4 woningen en is specifiek bedoeld voor senioren.

Tevens wordt op het (laatste) vrije perceel een vrijstaande woning gebouwd.



De beoogde planontwikkeling is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst'. Ter plaatse van de bloembinderij geldt een detailhandelsbestemming. Voor de nieuwe vrijstaande woning ontbreekt een bouwvlak. Daarmee laten de gebruiksregels en bijbehorende bouwregels de nieuwe woningen niet toe en dient het bestemmingsplan te worden herzien.

Onderhavig bestemmingsplan biedt een passend planologisch kader om de voorgenomen woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Hierbij is aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

2.2.1.2 Plangebied     

Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Vorden, ten noordwesten van het centrum van Vorden tussen de Zutphenseweg en Het Jebbink. Het gaat om twee percelen aan het Hof van Kettelerij.



De percelen in het plangebied zijn kadastraal bekend onder gemeente Vorden, sectie M, perceelnummers 1557 en 1711. De begrenzing is afgestemd op een combinatie van de kadastrale percelen en de huidige bestemmingen uit het vigerende bestemmingsplan. Het plangebied heeft daarmee een oppervlakte van (in totaal) 1.882 m2.



In onderstaande figuren is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

verplicht

Ligging plangebied in kern Vorden

verplicht

Weergave plangebied op luchtfoto

2.2.1.3 Vigerende planologische situatie     

In de huidige planologische situatie van het plangebied is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' dat op 31 maart 2016 is vastgesteld. De gronden binnen het plangebied hebben daarin deels de bestemming 'Detailhandel', als bedoeld in artikel 16 van de bijbehorende regels en zijn daarmee bestemd voor het uitoefenen van (onder meer) detailhandel en dienstverlening. Wonen is enkel toegestaan in combinatie met de detailhandelsfunctie of als bedrijfswoning (indien aangeduid).

Een ander deel valt reeds binnen de bestemming 'Wonen' als bedoeld in artikel 33 van de bijbehorende regels. Echter gebouwen zijn enkel toegestaan binnen een bouwvlak, welke niet zijn aangeduid binnen het plangebied.

Daarnaast geldt voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2'.

Het gehele plangebied is gelegen binnen de aangeduide vrijwaringszone voor een molenbiotoop. Hiervoor zijn maximale bouwhoogten bepaald in relatie tot de aanwezige molen ten zuidoosten van het plangebied.

verplicht

uitsnede vigerende bestemmingen (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Het bouwen van nieuwe woningen is niet passend binnen de regels van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst'.

De huidige bestemmingen dienen gewijzigd te worden naar in een (woon)bestemming met passende bouwvlakken en maatvoeringsaanduidingen.

Het voorliggende bestemmingsplan dient hiertoe.

2.2.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.2 Hof van Kettelerij Vorden de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.2.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.2.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.2.3).

Paragraaf 2.2.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.2.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.2.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.2.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.2.1.4).

Paragraaf 2.2.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 2.2.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 2.2.2.2) en de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.2.2.3).

Paragraaf 2.2.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.2.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.2.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.2.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.2.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 2.2.3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 2.2.3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.2.3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.2.4 Juridische aspecten planonderdeel

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4).

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 4.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 4.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 4.3).

Bijlagen bij planonderdeel Hof van Kettelerij Vorden

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting van dit planonderdeel opgenomen.

2.2.2 Initiatief     

2.2.2.1 Bestaande situatie     
2.2.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

De naam Vorden komt in 1121 voor het eerst in de geschriften voor en is afgeleid van het woord 'voorde'. Dit is een doorwaadbare plaats in een beek of rivier. In dit geval de kruising van de Vordense Beek met de verbindingsweg van Zutphen naar Groenlo en Winterswijk. Kruisingen van wegen en beken waren belangrijke punten en vaak verrees daar een versterkte nederzetting. In Vorden was dat het gelijknamige kasteel Vorden. Onder bescherming van de kasteelheer vestigden zich boeren en later handwerkslieden. Van oudsher is Vorden vooral een landbouwdorp. Rond 1850 bestond de bebouwing uit boerderijen langs de Zutphenseweg, het Hoge en de Dorpsstraat.



Tot begin 1900 stonden er nog boerderijen in de kom van het dorp. Het dorp ligt namelijk aan de voet van een uitgestrekte bouwenk, waar de akkerbouw plaatsvond. In de wat lagergelegen gebieden, langs de beken, lagen de weilanden. Door verbetering van de infrastructuur eind 19e -, begin 20e eeuw begon het agrarische karakter van het dorp te veranderen. Er kwam industrie en een bloeiende middenstand. Verdichting van de bebouwing vond vooral plaats ten zuiden van de Dorpsstraat en de Zutphenseweg; langs deze laatste weg met name in de vorm van villabebouwing.

verplicht Historische kaart Vorden circa 1915

Daarnaast ontwikkelde zich lintvormige bebouwing in de vorm van eengezinswoningen langs Het Hoge, de Schoolstraat, de Smidsstraat en de Molenweg. Onder invloed van de aanleg van de spoorlijn werden in noordelijke richting aan de Insulindelaan, de Stationsweg en de Enkweg middenstandswoningen en enkele villa's gebouwd. Winkels vestigden zich aan de Burgemeester Galleestraat en de Dorpsstraat.

Na 1940 vinden nieuwe uitbreidingen in west- en zuidwestelijke richting plaats. Langs de spoorlijn vestigden zich bedrijven.

2.2.2.1.2 Ruimtelijke structuur     

Van oorsprong is Vorden een esdorp. De centraal gelegen brink is ondanks de ruimte die door de Zutphenseweg wordt ingenomen, nog steeds herkenbaar. De historische structuurdrager wordt gevormd door de oude wegen met lintbebouwing: Zutphenseweg - Ruurloseweg, Burgemeester Galleestraat - Enkweg, Almenseweg, Het Hoge en Raadhuisstraat - Nieuwstad. Hieronder is de ruimtelijke structuur van Vorden weergegeven.

verplicht

Ruimtelijke structuur van Vorden, met globale ligging plangebied

Het plangebied ligt net ten westen van de historische kern en ligt direct achter het historische lint langs de Zutphenseweg. Het maakt deel uit van het gebied met traditionele blokverkavelingen, alhoewel het Hof van Kettelerij daar vrij weinig overeenkomsten mee vertoond.

Aan het hof wordt het beeld bepaald door grondgebonden, veelal vrijstaande woningen rondom het hof met 1 tot 2 bouwlagen en een kap. Het hof ligt achter het lint van de Zutphenseweg en vormt een op zichzelf staande ruimtelijke entiteit.

Aan het hof staat ook een bedrijfspand van één laag met een kap, met diverse aan- en bijgebouwen, thans in gebruik als bloembinderij.

2.2.2.1.3 Functionele structuur     

Vorden is een kern die op veel plaatsen nog geen strikte scheiding kent tussen woningen en bedrijven; met name in de oudste delen van de kern liggen kleine bedrijven tussen de woningen. Dit geldt ook voor het plangebied aan het Hof van Kettelerij, waar in de huidige situatie nog een detailhandelsbedrijf (bloembinderij) tussen de woningen ligt.

2.2.2.2 Randvoorwaarden     
2.2.2.2.1 Stedenbouwkundige eisen     

Ten aanzien van de ruimtelijk-stedenbouwkundige uitgangspunten vindt voor de wijze van bestemmen in dit bestemmingsplan aansluiting plaats bij de bestemmingsregels en uitgangspunten in het geldende bestemmingsplan "Stedelijk gebied Bronckhorst". Tevens is het door de gemeente vastgestelde handboek (zie ook paragraaf 1.3.2) van toepassing.

Ten aanzien van de beoogde herontwikkeling van het terrein zijn voornamelijk de uitgangspunten van belang uit de gemeentelijke (en regionale) Woonvisie. Het feit dat wordt ingezet op eengezinswoningen en woonvormen voor ouderen sluit aan bij de beoogde doelgroepen en prijscategorieën uit het woonbeleid waarvoor de gemeente Bronckhorst woningen wil toevoegen.

Vanuit ruimtelijk oogpunt zijn er ook goede mogelijkheden om aan te sluiten bij de omgeving. Daarbij dient een bouwstijl gehanteerd te worden die is afgestemd op de omliggende bebouwing (overwegend 1 tot 2 bouwlagen met een kap).

2.2.2.2.2 Beeldkwaliteitseisen     

Bouwplannen worden getoetst door de welstandcommissie van het Gelders Genootschap. De welstandscommissie toetst aan de welstandsnota, bestaande uit algemene en bijzondere criteria die gelden bij de beoordeling van aanvragen inzake omgevingsvergunning, onderdeel bouwen. De eisen in de geldende Welstandsnota is bepalend voor de beeldkwaliteit voor de locatie.

Op grond van de Welstandsnota gemeente Bronckhorst, maakt het plangebied deel uit van de 'nieuwe stads- en dorpsgebieden'. De belangrijkste kenmerken, waarden en criteria worden hierna weergegeven. Voor de overige aspecten wordt verwezen naar de Welstandsnota zelf.

verplicht

Ligging plangebied binnen de 'nieuwe stads- en dorpsgebieden' uit de Welstandsnota gemeente Bronckhorst.

Kenmerken nieuwe stads- en dorpsgebieden

Naast de historische gegroeide bebouwing 'langs oude wegen' zijn vanaf 1950 bij haast alle in het gebied voorkomende kernen planmatige uitbreidingen gemaakt. De omvang en het groeitempo verschilt sterk van elkaar. Deze uitbreidingen dragen veelal de stedenbouwkundige kenmerken van de vooroorlogse 'tuindorpen': symmetrische straatprofielen met voortuinstroken en woningen in twee bouwlagen met langskap, vrijstaand, als twee-onder-één-kap of in rijtjes. De straten zijn zorgvuldig ontworpen en hebben een informeel groen karakter. De karakterverschillen door de jaren heen hebben een beperkte invloed op de openbare weg, met uitzondering van enkele woongebieden uit de jaren ’80, die juist een grillig stratenpatroon vertonen met weinig doorgaande wegen. De architectuur richt zich naar verschillende perioden, maar dit leidt alleen in de grotere kernen als Hengelo, Vorden en Zelhem tot duidelijk verschillende buurten. Hoe hoger het groeitempo des te uniformer de architectuur per periode. Na 1990 worden de kavels snel kleiner en de woningen groter. Woningen in groepjes of rijtjes krijgen een individueler gezicht en er wordt uit alle voorgaande perioden ‘geciteerd'. Om de samenhang in architectuur te bevorderen is beeldregie, soms in combinatie met meer standaardisatie, onvermijdelijk.

Waarden nieuwe stads- en dorpsgebieden

De verschillende wijken met planmatige woningbouw worden elk gewaardeerd om hun eigen specifieke kenmerken. De kwaliteit van de wijk wordt onder andere bepaald door de inrichting van de openbare ruimte, het groene karakter en de maat en schaal van de bebouwing. Maar ook het ruimere individuele of juist knusse collectieve karakter en de mogelijkheden om in te spelen op de huidige woonwensen verhogen de belevingswaarde.

Criteria nieuwe stads- en dorpsgebieden

Onderstaande welstandscriteria gelden specifiek voor dit gebied en voor zover ze niet in strijd zijn met de in het betreffende bestemmingsplan aangegeven bouwmogelijkheden. Uitgangspunt is dat ieder ontwerp blijk geeft van een basaal vakmanschap, zoals uiteengezet is in de algemene welstandscriteria (zie hoofdstuk 3). Als een bouwplan niet aan de specifieke welstandscriteria voldoet, kan een nadere beoordeling plaatsvinden op basis van de algemene welstandscriteria.

De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw dient passend te zijn in het karakter van de omgeving. Wijzigingen en aan- en bijgebouwen passend bij het hoofdgebouw of het bouwblok. Ingrepen als erkers, dakkapellen, erfafscheidingen, carports en schuurtjes kunnen het beeld snel verstoren. Goede standaardoplossingen [trendsetters] voor veel voorkomende kleine bouwplannen zijn aan te bevelen. Bij nieuwe aanvragen dienen eerdere vergunde wijzigingen in de omgeving mee te worden bekeken.

Aan de buitenzijde van woongebieden waar deze aan waardevol landschap grenst, dient speciaal gelet te worden op de hoofdkleur en materiaal. Deze dient zich te voegen naar het landschap en in het algemeen rustig en 'natuurlijk' te zijn.

2.2.2.3 Planbeschrijving     

Het voorliggende bestemmingsplan maakt een woningbouwontwikkeling mogelijk, op een inbreidingslocatie aan het Hof van Kettelerij in Vorden.

Daarbij worden de bestaande opstallen op het perceel Hof van Kettelerij 2 deels gesloopt en deels verbouwd en aangevuld met nieuwe bebouwing voor in totaal 4 woningen voor senioren met bijbehorende voorzieningen. Aan de overzijde van het hof wordt een nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd op een nog braakliggend perceel.

In totaal worden er 5 woningen gerealiseerd en daarmee wordt de ontwikkeling van het Hof van Kettelerij afgerond.

Er is nog geen definitief bouwplan aanwezig. Wel heeft de initiatiefnemer een schetsplan laten opstellen die de situering van de bebouwing en nieuwe verkaveling weergeeft. In onderstaande figuur is dit in beeld gebracht.

verplicht

Schetsplan beoogde nieuwe situatie (bron: DAD / Architectuur)

Voor de ontwikkeling van de nieuwbouw is gezocht naar een stedenbouwkundige inpassing die die aansluit bij de omgeving op en rond het hof. Om die reden is er voor gekozen om de nieuwe vrijstaande woning op dezelfde manier te positioneren als de inmiddels gerealiseerde woningen ten westen van het kavel.

De seniorenwoningen worden als uitbreiding van de historische opstallen op het zuidelijke kavel gerealiseerd en sluiten in materialisering en maatvoering daarbij aan. Als onderdeel van het project zal ook het terrein worden heringericht, zodat er ruimte ontstaat om binnen het plangebied (op het perceel met kadastraalnr. 1557) te kunnen parkeren.

verplicht Gevelimpressie voorgevel seniorenwoningen

verplicht

Gevelimpressie rechtergevel seniorenwoningen

 

2.2.3 Uitvoerbaarheid     

2.2.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Het initiatief past volledig binnen het aangegeven beleidskader zoals genoemd in Hoofdstuk 3. Hierna worden enkele belangrijke aspecten nader toegelicht.

Rijk

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie en/of het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Verder dient een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe stedelijke ontwikkelingen een verantwoording te bevatten aan de hand van de zogenoemde 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (hierna: de Ladder), die is vastgelegd in artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro. Dit afwegingskader verplicht overheden tot het maken van een zorgvuldige ruimtelijke afweging bij het mogelijk maken van nieuwe stedelijke ontwikkelingen in een bestemmingsplan. Het doel is om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik.

De Ladder ziet erop toe dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting vervolgens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het voorliggende plan heeft betrekking op de herontwikkeling van een perceel waarbinnen de bouw van 5 woningen wordt voorzien. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat een dergelijke kleinschalige ontwikkeling niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Bro.

Provincie

Molenbiotoop

Ter waarborging van de windvang en het zicht op historische molens zijn door de provincie molenbiotopen vastgesteld. Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat ook voor het project aan de Kettelerij een molenbiotoop van toepassing is. Het plangebied ligt namelijk binnen de molenbiotoop van de molen De Hoop (Zutphenseweg 39 in Vorden), op ca. 300 meter van de molen.

De molen is opgericht in 1850 en is planologisch beschermd in het bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst (NL.IMRO.1876.BP01047-VG01) middels de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Hiervoor geldt de zogeheten 1/100-regel. Bij de eerste 100 meter rond de molen geldt een beperking voor de bouwhoogte van gebouwen tot de onderzijde van de staande wiek. Binnen de zone vanaf 100 meter tot 400 meter vanaf de molen mogen nieuwe bouwwerken worden gebouwd, waarvoor geldt dat de bouwhoogte maximaal 1/100 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen mag bedragen, gerekend van de onderste punt van de verticaal staande wiek.

In de bestemmingsregeling is tevens opgenomen dat het bevoegd gezag door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning kan afwijken van deze standaard 1/100-regel, als er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding van de molenbiotoop. Daarmee is maatwerk mogelijk. Als de standaardregel tot onnodige beperkingen leidt, dan kan worden beoordeeld of er geen belemmeringen ontstaan voor de molenbiotoop, aan de hand van de feitelijke en beoogde situatie. In dat geval kan een ontwikkeling alsnog plaatsvinden.

Zoals reeds aangegeven, ligt het plangebied op ca. 300 meter van molen De Hoop. Deze molen heeft een stellinghoogte van 7 meter. Dit betekent dat de bouwhoogte van nieuwe bouwwerken vanwege de molenbiotoop maximaal 10 meter (= 7 + 1/100*300) mag bedragen om geen belemmering te vormen voor de molenbiotoop. Het plan kent een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter voor de vrijstaande woning en respectievelijk 4 en 7 meter voor de seniorenwoningen. De toegelaten bebouwing vormt daarmee geen belemmering voor de molenbiotoop.

Overig

Verder raakt het plangebied geen provinciale belangen. In meer algemene zin geldt daarentegen wel dat voorliggend plan een bijdrage levert aan het realiseren van de provinciale ambities ten aanzien van de woon- en leefomgeving. Met de voorgenomen woningbouwontwikkeling wordt immers ingespeeld op een lokale behoefte én wordt aardgasloos ontwikkeld. Deze ambities sluiten aan bij hetgeen gesteld in de Omgevingsvisie. Bovendien past het voorliggende initiatief binnen het provinciaal beleid met betrekking tot duurzaam ruimtegebruik omdat een bestaand bedrijfsperceel en een braakliggend perceel binnen de kern Vorden worden herontwikkeld voor nieuwe woningbouw.



Daarmee vormen de Omgevingsvisie en -verordening geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

Gemeente

De gemeente Bronckhorst wil zorgen voor een gedifferentieerd aanbod aan kwalitatief en kwantitatief voldoende woningen die voldoen aan de bestaande en toekomstige vraag.

De 'Woonvisie Bronckhorst' (zie paragraaf 3.4) biedt de mogelijkheid voor de doelgroep starters en senioren te bouwen. Mede als gevolg van een periode van economische groei is ook in de gemeente Bronckhorst de druk op de woningmarkt toegenomen. De gemeente ziet daarnaast dat vraag en aanbod onvoldoende op elkaar aansluiten. De vraag naar vrijstaande woningen loopt terug terwijl er nog steeds een groeiende behoefte is aan passende woningen voor starters en senioren.

Voorliggend plan sluit aan op het woonbeleid. Er worden 5 extra woningen toegevoegd aan de woningvoorraad in de gemeente. Deze toevoeging voorziet in een lokale behoefte en vindt plaats in bestaand stedelijk gebied van de kern Vorden, waarmee het areaal aan stedelijke functies in het buitengebied niet toeneemt. Ook wordt met de herontwikkeling voorzien in een duurzame, toekomstbestendige kwaliteitsimpuls ter plaatse van het plangebied.

Bovendien wordt met het voorliggende woningbouwplan ingezet op (vier) woningen voor de doelgroep senioren. Dit sluit aan bij de beoogde doelgroepen uit het woonbeleid waarvoor de gemeente Bronckhorst woningen wil toevoegen.

2.2.3.2 Omgevingsaspecten     
2.2.3.2.1 Milieu-effectrapportage     

De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is volgens de Wet milieubeheer verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Welke activiteiten dat betreft is aangegeven in het Besluit m.e.r. en de daarbij behorende bijlage.

Het doel van de m.e.r. is het milieubelang volwaardig mee te laten wegen bij de vaststelling van deze plannen en besluiten. Een belangrijk product van de m.e.r.-procedure is het milieueffectrapport (MER). Bij sommige besluiten is niet meteen duidelijk of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In deze grensgevallen moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een m.e.r.-plicht. Dit gebeurt door middel van een aparte procedure, de zogenoemde m.e.r.-beoordeling.

Deze m.e.r.-beoordeling is ook vereist voor activiteiten die onder de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. liggen. In dat geval gelden er geen vormvoorschriften en is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In paragraaf 3.1.9.2 wordt dit ook aangegeven.

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet er volgens bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden getoetst aan de 3 volgende hoofdcriteria:

1. de kenmerken van het project;

2. de plaats van het project;

3. de kenmerken van de potentiële effecten.



Beoordeling plan

In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (onderdeel D11.2) mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op de volgende gevallen (indicatieve drempelwaarden):

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Met voorliggend bestemmingsplan worden 5 nieuwe woningen op een perceel binnen het stedelijk gebied van de kern Vorden mogelijk gemaakt. De ontwikkeling blijft daarmee ver onder de drempelwaarden. Omdat de ontwikkeling in onderdeel D van het Besluit m.e.r. voorkomt, dient wel te worden nagegaan of sprake kan zijn van belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu die de uitvoering van een m.e.r. noodzakelijk maken. Daarom zijn alle mogelijke milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling onderzocht en beschreven in de 'Notitie m.e.r.-beoordeling'. Deze notitie is opgenomen als Bijlage 15 bij de toelichting.

Hieruit blijkt dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Op grond van deze aanmeldnotitie is voor het bestemmingsplan dan ook geen mer-procedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r..

Conclusie

Voor dit bestemmingsplan is geen m.e.r.-procedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

2.2.3.2.2 Duurzaamheid     

De energietransitie, klimaatadaptatie en circulaire economie zijn duurzaamheidsthema's die een steeds belangrijkere plaats krijgen in ruimtelijke ordening. Nederland wil inmiddels, aangesloten bij de Europese Unie, in 2050 energieneutraal, klimaatadaptief en circulair zijn.

Bij de nieuwbouw zal voldaan worden aan de duurzaamheidsmaatregelen zoals opgenomen in het Bouwbesluit en zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzame materialen. Zo worden de nieuwe appartementen zonder gasaansluiting ('gasloos') gebouwd.

2.2.3.2.3 Bodem     

Een bestemmingsplan dat voorziet in bouw- en/of inrichtingsmogelijkheden dient een reëel beeld te geven van de bodemkwaliteit van de gronden waarop het initiatief betrekking heeft. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Om de bodemkwaliteit van het plangebied in kaart te brengen is door adviesbureau EstInvent b.v. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek naar de betreffende kavels is opgenomen in Bijlage 16 en Bijlage 17. Tevens is een aanvullend onderzoek naar aanwezig puingranulaat in Bijlage 18 bijgevoegd. De conclusies van het bodemonderzoek zijn hieronder weergegeven.

Resultaten bodemonderzoek

Kavel 1711

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat op kavelnummer 1711 in de bovengrond een PCB gehalte is gemeten dat de achtergrondwaarde overschrijdt. Deze overschrijding is echter dermate dat aanvullende maatregelen en/of onderzoek niet noodzakelijk worden/wordt geacht.

Andere verontreinigingen zijn niet aangetroffen. Er zijn milieuhygiënisch geen belemmeringen voor de voorgenomen verbouw/nieuwbouw op de locatie.

Kavel 1557

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat op kavelnummer 1557 in de bovengrond een PAK gehalte gemeten dat de achtergrondwaarde overschrijdt. Deze overschrijding is echter dermate dat aanvullende maatregelen en/of onderzoek niet noodzakelijk worden/wordt geacht.

Andere verontreinigingen zijn niet aangetroffen. Er zijn geen milieuhygiënisch geen belemmeringen voor de voorgenomen verbouw/nieuwbouw op de locatie.

Asbest

Op het perceel 1557 is een nadere asbestinventarisatie naar een stabilisatielaag met puingranulaat onder de aanwezige verharding uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat er weliswaar hechtgebonden asbest aanwezig is, echter niet in een gehalte dat de interventiewaarde noch de redelijkerwijs gehanteerde waarde voor nader onderzoek overschrijdt.

Conclusie

De bodemkwaliteit levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan en voorgenomen bouwplan.

2.2.3.2.4 Geluid     

Algemeen

Voor het aspect geluid is binnen het projectgebied de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden.

In het kader van dit bestemmingsplan is alleen het wegverkeerslawaai van belang. Er liggen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan geen gezoneerde bedrijventerreinen.

Wegverkeerslawaai

In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft (art. 74 lid 1). Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg.



Geluidsgevoelige objecten die worden gerealiseerd binnen de geluidszones dienen te worden getoetst aan grenswaarden van de geluidsbelasting die zijn aangegeven in de Wgh. Hierbij geldt een voorkeursgrenswaarde voor nieuwe situaties. Deze waarde bedraagt in vrijwel alle gevallen 48 dB. Indien deze waarde wordt overschreden, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen voor een hogere waarde. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 63 dB. Bij de ontheffing dient het college te motiveren waarom bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn en waarom het plan gewenst is. Ook dient het in de Wgh vastgelegd binnenniveau gewaarborgd te worden. Geluidsniveaus bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die hoger zijn dan de wettelijke maximale ontheffingswaarden, zijn niet toegestaan.

Situatie plangebied

Ten behoeve van de realisatie van de 5 wooneenheden aan het Hof van Kettelerij is door adviesbureau Alcedo B.V. een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai uitgevoerd. De belangrijkste resultaten en conclusies worden hierna weergegeven. Het rapport zelf is als Bijlage 22 bij deze toelichting opgenomen.



Resultaten akoestisch onderzoek

Er is gekeken naar de geluidsbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de omliggende wegen N319 (Zutphenseweg), De Steege en Het Jebbink. Alhoewel enkel de Zutphenseweg een gezoneerde weg is (de overige wegen hebben een maximumsnelheid van 30 km/uur en kennen conform de Wgh daarmee geen geluidszone), is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidsbelasting van alle omliggende wegen, inclusief de 30 km/u wegen inzichtelijk gemaakt en conform de Wgh beschouwd. Dit om te bezien of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.



Wegverkeerslawaai

Uit het onderzoek blijkt dat voor alle wegen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Voor de volledige berekening wordt verwezen naar het onderzoeksrapport in Bijlage 22.

Conclusie

Aan de hand van het uitgevoerde akoestisch onderzoek kan gesteld worden dat er geen belemmeringen zijn voor het bestemmingsplan vanuit het aspect geluid (wegverkeerslawaai) op grond van de Wgh.

2.2.3.2.5 Luchtkwaliteit     

Algemeen

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project (de realisatie van 5 woningen/appartementen), in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals hierboven beschreven is, kan worden gesteld dat het voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.

Verder is in voorliggend geval geen sprake van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

Conclusie

Omdat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

2.2.3.2.6 Geur     

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (zoals varkens, geiten en kippen), wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object (zoals woningen). Voor de andere diercategorieën (zoals melkkoeien en paarden) is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied (zoals Bronckhorst), de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wgv moet voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld en

een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom ligt, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

Situatie plangebied

In de nabijheid van het plangebied (< 500 meter) zijn geen veehouderijen aanwezig.

Conclusie

Het aspect geur vormt om deze reden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde woningbouwontwikkeling.

2.2.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering     

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.



Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of (zorg)woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.

Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.'

De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Overigens mag deze reductie met één afstandsstap niet leiden tot een lager beschermingsniveau voor het aspect gevaar omdat voor activiteiten, waarbij het aspect gevaar maatgevend is voor de richtafstanden, vrijwel altijd specifieke regelgeving geldt.



In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen tot een 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'.

verplicht

Situatie plangebied

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:

1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);

2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Het project

Met het voorliggende bestemmingsplan wordt de nieuwbouw van 5 nieuwe (grondgebonden) woningen aan het Hof van Kettelerij in de kern Vorden voorzien, waarvoor deels een bestaand gebouw wordt gebruikt. Wonen betreft een milieugevoelige functie.

Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

In dit geval worden er 5 woningen gerealiseerd: de functie 'wonen' is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande (bedrijfs)functies in de omgeving. Ook mogen deze bestaande (bedrijfs)functies niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering.

In de omgeving van het plangebied - op enige afstand - zijn de volgende bedrijven/milieubelastende functies aanwezig:

  • Zorginstelling Villa Nuova, Zutphenseweg 73, Vorden (SBI-code: 871, milieucategorie 2).

    Voor deze instelling geldt een richtafstand van 30m voor het aspect geluid. De feitelijke afstand van het plangebied tot aan de grens van het bedrijfsperceel bedraagt circa 130m.
  • Tankstation (zonder verkooppunt LPG), Zutphenseweg 85, Vorden (SBI-code 473.3, milieucategorie 2).

    Voor dit bedrijf geldt een richtafstand van 30m voor het aspecten geur en geluid. De feitelijke afstand van het plangebied tot aan de grens van het bedrijfsperceel bedraagt circa 275 m.
  • Een tandartsenpraktijk, Het Jebbink 15, Vorden (SBI-code: 8621, milieucategorie 1).

    Voor deze instelling geldt een richtafstand van 10m voor het aspect geluid. De feitelijke afstand van het plangebied tot aan de grens van het bedrijfsperceel bedraagt circa 80m.
  • Sporthal 't Jebbink, Het Jebbink 13, Vorden (SBI-code: 931A, milieucategorie 3.1)

    Voor dit bedrijf geldt een richtafstand van 50 m voor het aspect geluid. De feitelijke afstand van het plangebied tot aan de grens van het bedrijfsperceel bedraagt circa 110m.

De afstanden tussen de beschreven bedrijven en instellingen en de nieuwe woonfuncties leveren geen beperkingen op voor deze bedrijven en instellingen. Zij worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering als gevolg van de nieuwe woningen.

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit project.

2.2.3.2.8 Externe veiligheid     

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.



Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).



Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).



Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. In bijgaande figuur is dit in beeld gebracht.

verplicht Uitsnede risicokaart met plangebied rood aangepijld (bron: Atlas leefomgeving)

Risicovolle bedrijven en inrichtingen

Uit de risicokaart blijkt dat in het plangebied of in de directe omgeving daarvan geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Op grotere afstand (>500 m) liggen wel een aantal risicovolle inrichtingen, maar het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van deze inrichtingen.

Ook worden door het plan zelf geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt.

Transportroutes gevaarlijke stoffen

In en/of direct nabij het plangebied zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of water aanwezig. De nabijgelegen spoorlijn Zutphen- Winterswijk maakt geen deel uit van het Basisnet Spoor.

Buisleidingen

Uit de risicokaart komt naar voren dat in en/of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde woningbouwontwikkeling.

2.2.3.2.9 Water     

Algemeen

Het is sinds 2003 verplicht om bij ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De watertoets is een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken maken over de toepassing en uitvoering van het waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid. Het waterschap is het eerste aanspreekpunt in het watertoets proces, waarbij het waterschap rekening houdt met het provinciale grondwaterbeleid.

In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' wettelijk verankerd. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand. In de gemeente Bronckhorst is het waterschap Rijn en IJssel verantwoordelijk voor het waterbeheer.

Eind jaren negentig vond er een omslag plaats in denken en beleid over de omgang met water. In plaats van voort te borduren op het vertrouwde denken in waterbeheersing door technische ingrepen gericht op het veilig en snel afvoeren van water, kwam de nadruk te liggen op het aansluiten op de natuurlijke potenties van het landschap en het watersysteem. Bij dit nieuwe waterdenken staat duurzaamheid voorop. Daarmee wordt bedoeld dat er zo min mogelijk inspanningen van buitenaf nodig zijn om het watersysteem in stand te houden en overlast te voorkomen. In de praktijk betekent dit dat natuurlijke processen zoals infiltratie en kwel, het zelfreinigende vermogen van waterlopen etc. worden hersteld. Externe negatieve effecten, zoals toename van verharding en riooloverstorten met afvalwater, worden voorkomen of gecompenseerd.

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren dan ook beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief).

In Hoofdstuk 3 is hierop al ingegaan.

Situatie plangebied

Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Vorden, ten noordwesten van het centrum van Vorden tussen de Zutphenseweg en het Jebbink. Het gaat om twee percelen aan het Hof van Kettelerij. Deze zijn kadastraal bekend onder gemeente Vorden, sectie M, perceelnummers 1557 en 1711.

Met het voorliggende bestemmingsplan wordt de bouw van in totaal 5 nieuwe woningen op het Hof van Kettelerij mogelijk gemaakt.

Het plangebied bestaat daarbij uit twee deelgebieden; een zuidelijk deelgebied (perceelnr. 1557) met een omvang van ca. 1.345 m2 groot waarop 4 seniorenwoningen zijn voorzien en een noordelijk deelgebied (perceelnr. 1711) met een omvang van ca, 535 m2 groot waarop de bouw van een vrijstaande woning wordt voorzien. Het plangebied in dit bestemmingsplan heeft daarmee een totale omvang van ca. 1.880 m2.

verplicht

Weergave plangebied op luchtfoto

verplicht

Schetsplan beoogde nieuwe situatie (bron: DAD / Architectuur)

Bodem en grondwater

De bodem binnen het plangebied bestaat uit zand, zeer fijn tot matig grof (105-300 µm), zwak tot sterk siltig, lichtgeel tot donkerbruin, kalkloos tot sterk kalkhoudend tot een diepte van 0 - 6,6 m -mv. Zie hiervoor ook het uitgevoerde bodemonderzoek.

Het grondwater bevindt zich op circa 1,50 – 2.00 meter beneden maaiveld. De regionale grondwaterstromingsrichting van het freatisch grondwater is noordwestelijk gericht. De lokale grondwaterstroming kan worden beïnvloed door de aanwezigheid van watergangen, rioolsleuven en grondwateronttrekkingen in de directe omgeving.

Verharding

Bestaande situatie

In het zuidelijke plandeel (1.346 m2) zijn momenteel enkele bedrijfsgebouwen aanwezig. De totale grondoppervlakte hiervan is 312 m2. De direct aangrenzende gronden zijn daarbij verhard en vooral in gebruik als in - en uitrit en parkeerterrein. Deze erfverharding bedraagt ca. 423 m2.

De totale verharding in dit deelgebied komt daarmee uit op 735 m2.

In noordelijke deelgebied (536 m2) zijn momenteel geen gebouwen en/of erfverharding aanwezig en is daarmee geheel onverhard.

verplicht

Verharding bestaande situatie

Nieuwe situatie

Op deelperceel 1 worden 4 nieuwe seniorenwoningen geraliseerd. Daarvoor worden de bestaande gebouwen deels gesloopt, deels verbouwd en aangevuld met nieuwe bebouwing.

Ook wordt het direct aangrenzende terrein heringericht, onder andere voor parkeren/ontsluiting en tuin. De plannen omvatten een verhard oppervlak van (in totaal) 818 m2 (bebouwing + erfverharding) en daarmee blijft 528 m2 als onverhard erf over.

Op het deelperceel 2 is een nieuwe vrijstaande woning voorzien, inclusief bijgebouw en erfinrichting. Er wordt uitgegaan van in totaal 184 m2 aan verharding (bebouwing + erfverharding) en 352 m2 aan onverhard deel van het erf.

verplicht

Verharding nieuwe situatie

Daarmee neemt de verharding binnen het volledige plangebied in totaal met 266 m2 toe. (deelgebied 1 met 82 m2 en deelgebied 2 met 184 m2)

Waterbergingsvolume

In verband met deze toename van het verhard oppervlak, dienen compenserende maatregelen genomen te worden om het hemelwater in een extreme bui te kunnen bergen binnen het plangebied. Hiervoor heeft het waterschap, maar ook de gemeente, regels vastgelegd.

Waterschap Rijn en IJssel

Het WRIJ stelt dat, indien het projectgebied groter is dan 1.500 m2, dit als een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen de bebouwde kom geldt. Omdat beide deelgebieden binnen het plangebied tezamen ca. 1.880 m2 groot zijn, geldt dit ook voor het voorliggende plan.

Hiervoor geldt dat het plan 'waterneutraal' ontwikkeld dient te worden om wateroverlast te voorkomen. Het waterschap hanteert als uitgangspunt, dat een bui, die ca. eens per 100 jaar voorkomt (bui T100), in het plangebied wordt geborgen en vertraagd wordt afgevoerd naar het grond- en/of oppervlaktewater. Daarbij dient rekening gehouden te worden met klimaatontwikkeling door de bui met 10% te vergroten (bui T100+10%).

Uitgangspunt daarbij is dat voor de toekomstige verhardingen in het gebied hemelwater gecompenseerd dient te worden: 80 mm per verhard oppervlak dient vastgehouden, geborgen en vertraagd afgevoerd te worden. Het benodigd waterbergingsvolume neemt daarbij evenredig toe met de toename van het verhard oppervlak.

Gemeente Bronckhorst

De gemeente Bronckhorst hanteert een rekenmethode waarin er van wordt uitgegaan dat 70% van het (woon)perceel wordt verhard. Op deze verharding dient 80 mm per m2 aan bergingscapaciteit gerealiseerd te worden.

Capaciteit waterberging

De regels van de gemeente Bronckhorst zijn 'strenger' dan die van het waterschap en zijn derhalve maatgevend.

Voor perceel 1 (zuidelijk) betekent dat:

70% x 1.346 m2 x 80 mm = 75,4 m3 waterberging.

Voor perceel 2 (noordelijk) betekent dat:

70% x 536 m2 x 80 mm = 30,0 m3 waterberging.

Deze bergingscapacitieit wordt als verplichting meegenomen in het bestemmingsplan. Daartoe is per deelperceel een voorwaardelijke bepaling opgenomen in artikel 3.4.2 van de regels van dit bestemmingsplan.

Inrichting waterberging

De waterberging dient bij voorkeur bovengronds vormgegeven te worden als wadi of retentievijver. Afhankelijk van de situatie kan ook gekozen worden voor infiltratiekratten, groene daken, etc. De effectiviteit van infiltratie is daarbij wel afhankelijk van de grondsoort en gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG).

Zoals aangegeven en ook blijkt uit het bodemonderzoek, bestaat de bodem binnen het plangebied in de eerste meters onder het maaiveld vooral uit zand en is er ook sprake van een relatief lage grondwaterstand. Daarmee zijn er goede randvoorwaarden aanwezig om hemelwater te kunnen laten infiltreren in de bodem

Het is dan ook de bedoeling dat het hemelwater dat op het dak van de nieuwe woningen neerkomt, wordt geïnfiltreerd in de bodem.

Omdat er in voorliggende situatie sprake is van 2 verschillende deelgebieden, de openbare ruimte niet in eigendom is van de initiatiefnemer en er op basis van de beoogde verkaveling bovengronds niet veel ruimte meer aanwezig is, wordt bewust niet gekozen voor een wadi en/of greppel maar voor een infiltratiesysteem met infiltratiekratten. Een infiltratiekrat creëert een ruimte onder de grond waarin hemelwater kan worden opgeslagen en vertraagd. Vanuit deze kratten zakt het opgeslagen regenwater vertraagd weg in de bodem, richting het grondwater.

Een infiltratiekrat is in de regel 40cm hoog en zorgt voor een effectieve wateropslag van 950 liter per kuub. Een krat heeft een capaciteit van 291 l. Indien nodig kunnen deze ook twee-laags toegepast worden, waarbij de capaciteit dan uiteraard verdubbeld.

In deelgebied 1 zullen de parkeerplaatsen en inrit worden uitgevoerd in halfverharding en ook worden voorzien van (éénlaags) infiltratiekratten.

Daarmee kan ruim voldoende waterbergingsvolume gecreëerd wordt om aan de eis van 75,4 m3.

Voor deelgebied 2 wordt ook uitgegaan van (éénlaags) infiltratiekratten, onder de parkeerplaatsen / oprit, alsook onder het terras behorend bij de vrijstaande woning. Hiermee kan ook ruim voldoende capaciteit worden gecreëerd om te voldoen aan de eis van 30 m3.

In Bijlage 23 is een beschrijving van het waterberging-systeem, inclusief dimensionering, gegeven.

In de eindsituatie kan hiermee al het hemelwater op het perceel worden opgevangen, conform de eisen van de gemeente en het waterschap.

Oppervlaktewater en beschermingsgebieden

Verder voorziet het plan niet in het graven of dempen van watergangen. In het plangebied is namelijk geen oppervlaktewater aanwezig en er bevinden zich geen waterkeringen of andere waterstaatkundige werken. Ook is het plangebied niet gelegen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Op het perceel en directe omgeving is evenmin sprake van wateroverlast.

Riolering

Het vuile afvalwater vanuit de nieuwe woningen zal afgevoerd worden via het vuilwaterriool/DWA-riool, als onderdeel van een gescheiden rioleringssysteem. De vuilwaterriolering is vervolgens aangesloten op het bestaande rioleringssysteem in de directe omgeving. Bij de definitieve uitwerking van de plannen zal de dimensionering (o.a. aansluiting op riolering) in beeld worden gebracht.

Voor het hemelwater wordt de voorkeursvolgorde vasthouden – bergen - afvoeren gehanteerd.

Het is de bedoeling dat het hemelwater dat op het dak van de nieuwe woningen neerkomt, wordt geïnfiltreerd in de bodem en gebruik gemaakt wordt van infiltratiekratten. Zie ook hiervoor. Daarbij is het wel belangrijk om de waterkwaliteit te bewaken. Daartoe dient het gebruik van uitloogbare materialen bij het bouwen vermeden te worden.

Klimaatadaptie (wateroverlast)

Aan de hand van de klimaatatlas (https://www.weetvanwater.nl/klimaatatlas) blijkt dat deelgebied 2 kwetsbaar is voor wateroverlast. In dit kader wordt opgemerkt dat het perceel wordt opgehoogd, gelijk aan de belendende percelen. Door bovendien uit te gaan van een begane-grondvloer die minimaal 30 centimeter boven de hoogte van de weg uitkomt, levert dit geen probleem op. En door uit te gaan van de infiltratievoorzieningen op de eigen woonkavel (zie hiervoor) wordt dit ook niet afgewenteld op de (directe) omgeving.

In bijgaande watertoetstabel zijn de relevante en niet-relevante waterhuishoudkundige thema's nog eens inzichtelijk gemaakt.

Watertoetstabel

In bijgaande watertoetstabel zijn de relevante en niet-relevante waterhuishoudkundige thema's nog eens inzichtelijk gemaakt.

Thema Toetsvraag Relevant
Algemeen Maakt het plan deel uit van een groter plan, zoals een masterplan/ stedenbouwkundige visie? Nee
Beheer en onderhoud

Wordt water aangelegd, gedempt of aangepast? Nee
Ligt in of nabij het plangebied een watergang? Nee
Veiligheid

Ligt in of nabij het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering, overige kering of kade)? Nee
Ligt het plangebied in een overstromingsgevoelig gebied of winterbed van een rivier? Nee
Klimaatadaptatie (wateroverlast) Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 500m2? Ja
Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500m2? Nee
Bevindt het plan zich in een waterbergingsgebied, laaggelegen gebied of beekdal? Nee
Is er in of rondom het gebied wel eens sprake (geweest) van wateroverlast of blijkt er gevoeligheid voor wateroverlast uit de klimaatatlas (https://www.weetvanwater.nl/klimaatatlas) Ja
Is het plangebied gevoelig voor hittestress? (bekijk hiervoor de klimaatatlas) Nee
Is het verschil tussen de hoogte van de weg en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter? Nee
Waterkwaliteit Is in of nabij het plangebied oppervlaktewater aanwezig of gepland? Nee
Bevindt het plan zich in een gebied met speciale functie (zoals KRW, EVZ, N2000, natte landnatuur, zwemwater)? Nee
Afvalwaterketen Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd? Nee
Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie/ rioolgemaal/ persleiding/ gemengde overstort? Nee
Wordt regenwater afgevoerd naar de rioolwaterzuivering? Nee
Vinden er activiteiten plaats op het verharde oppervlak waardoor verontreinigingen kunnen afspoelen en het oppervlaktewater mogelijk vervuild raakt? Nee
Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? Nee
Grondwater- beheer Bevindt het plan zich in een kwelgebied ? Nee
Is afstand tussen GHG en bovenkant vloer kleiner dan 80 cm? Nee
Ligt het plan in beschermingszone of intrekgebied van een (drink)wateronttrekking? Nee
Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? Nee
Worden drainagevoorzieningen aangelegd binnen een beperkingengebied voor drainage? nee
Recreatie en beleving Wordt recreatief medegebruik van wateren en oevers mogelijk gemaakt? Nee
Ligt in het plangebied een beschermd watererfgoed? Nee

Overleg

De waterparagraaf is vooraf toegestuurd naar het waterschap Rijn en IJssel (WRIJ). Naar aanleiding van de reactie van het WRIJ is de waterparagraaf op diverse onderdelen aangepast en aangevuld.

Conclusie

Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding in het plangebied en omgeving. De verplichte waterbergingscapaciteit is voorwaardelijk vastgelegd in dit bestemmingsplan. Daarmee is de ontwikkeling vanuit het aspect water uitvoerbaar en is er geen bezwaar tegen dit bestemmingsplan.

2.2.3.2.10 Klimaat     

Algemeen

Omdat het Nederlandse klimaat aan verandering onderhevig is, is het van belang dat bij ruimtelijke ontwikkelingen het aspect klimaatadaptatie wordt meegenomen. Relevante onderwerpen hierin zijn waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Hierin heeft het aspect klimaatadaptatie belangrijke raakvlakken met het aspect water.

Toetsing

Ter beoordeling van het aspect klimaatadaptatie is de Atlas voor de Leefomgeving geraadpleegd. Per deelaspect is een beoordeling van mogelijke risico's gemaakt en zijn oplossingen beschreven.

Waterveiligheid

Onderstaand kaartbeeld toont een uitsnede van het thema 'Maximale waterhoogte bij een dijkdoorbraak'. Voor het de hele kern Vorden, en daarmee ook voor het plangebied, geldt dat er géén waterhoogte boven maaiveld het te verwachten is bij een overstroming ten gevolge van een dijkdoorbraak.

Er zijn derhalve géén extra maatregelen nodig om mogelijke gevolgen te beperken.

verplicht

Kaartuitsnede waterveiligheid (bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Wateroverlast

Onderstaand kaartbeeld toont een uitsnede van het thema 'Water op straat na extreme regenbui'. Uit de kaartgegevens blijkt dat er ter plekke van het projectgebied sprake is van wateroverlast tot ten hoogste 5 cm op straat. Met de realisatie van de beoogde woningen zal het verhard oppervlak binnen het projectgebied toenemen. In de waterparagraaf in paragraaf 2.1.3.2.9 is hier al op ingegaan. Het perceel wordt opgehoogd, gelijk aan de belendende percelen. Door bovendien uit te gaan van een begane-grondvloer die minimaal 30 centimeter boven de hoogte van de weg uitkomt, levert dit geen probleem op.

verplicht

Kaartuitsnede wateroverlast (bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Droogte

Onderstaand kaartbeeld toont een uitsnede van het thema 'Waterbergend vermogen ondergrond'. Uit de kaartgegevens blijkt dat het waterbergend vermogen binnen de deelgebieden varieert tussen circa 250 tot 500 mm. Het gebruik van de gronden ten behoeve van de beoogde functie ('Wonen') betreft een gebruik dat slechts in beperkte mate afhankelijk is van droogte en wijkt bovendien niet af van de omgeving, waarin hoofdzakelijk woonfuncties gelegen zijn.

verplicht

Kaartuitsnede droogte (bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Hitte

Tot slot geeft onderstaand kaartbeeld een uitsnede weer van het thema 'Gevoelstemperatuur tijdens een zomerse dag'. Uit deze gegevens blijkt dat ter plekke van de deelgebieden sprake is van een gevoelstemperatuur tot maximaal 42 graden; dit is vergelijkbaar met de gevoelstemperatuur bij omliggende woningen waar net als in de gewenste situatie sprake is van afwisselend verharding (bebouwing en wegen) en erven (tuinen en openbaar groen).

verplicht

Kaartuitsnede hitte (bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect 'klimaatadaptatie' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.2.3.2.11 Archeologie en cultuurhistorie     

Archeologie

Algemeen

Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet 2016, uitgewerkt in het Besluit Erfgoedwet archeologie, is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

Situatie plangebied

Het gemeentelijk archeologisch beleid heeft een vertaling gekregen in het bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst. Binnen het plangebied, en specifiek alleen voor een deel van het zuidelijke perceel (nr. M 1557,) hebben gronden hierin de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. Dit betekent dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 500 m2 binnen dit gebied, een rapport van een archeologisch onderzoek overlegd dient te worden, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.



Het bestemmingsplan maakt weliswaar nieuwe bebouwing mogelijk binnen deze contour, maar niet groter dan de ondergrenswaarde conform het archeologisch beleid. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk

Vertaling in het bestemmingsplan

In het voorliggende bestemmingsplan blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' gehandhaafd. Dit betekent dat bij toekomstige werkzaamheden de archeologische waarden beschermd blijven conform het gemeentelijke archeologisch beleid en bij ingrepen groter dan 500 m2, alsnog archeologisch onderzoek vereist is.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het beoogde woningbouwplan. Als bij het graafwerk voor de bouw van de nieuwe woningen onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 en 5.11.

Cultuurhistorie

Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" dient te bevatten.

Situatie plangebied

Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente Bronckhorst blijkt dat er in of nabij het projectgebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. De locatie voor de nieuwbouw is niet aan te merken als cultuurhistorisch waardevol of karakteristiek. Ook zijn in het plangebied geen monumenten of andere objecten met een belangrijke cultuurhistorische waarde. Derhalve herbergt het plangebied geen specifieke cultuurhistorische waarden die bescherming vanuit het bestemmingsplan behoeven.

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt om deze reden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

2.2.3.2.12 Flora en fauna     

Algemeen

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het noodzakelijk te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de plannen ten koste gaan van de (aanwezige) flora en fauna. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de 'gebiedsbescherming' en de 'soortenbescherming'.

Gebiedsbescherming

Wet Natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb richt zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden). Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een vergunning op grond van de Wnb is verkregen.

Gelders Natuurnetwerk

Naast de bescherming van de Wet natuurbescherming kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn doordat zij behoren tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of Groene Ontwikkelingszone (GO) (voorheen beiden Ecologische Hoofdstructuur). Op gronden binnen het GNN mogen geen nieuwe functies mogelijk worden gemaakt, tenzij er geen reële alternatieven aanwezig zijn, redenen zijn van groot openbaar belang en negatieve effecten op het gebied worden beperkt. Uitbreiding van bestaande functies in het GNN kan alleen als de kernkwaliteiten van het gebied per saldo worden versterkt. Op gronden die deel uitmaken van het GO zijn nieuwe ontwikkelingen of uitbreiding van bestaande functies alleen mogelijk als dat niet leidt tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van dat gebied.

Soortenbescherming

De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen.

De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening.

Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden.

Situatie plangebied

Om te beoordelen wat de effecten zijn van de beoogde woningbouwontwikkeling binnen het plangebied op de natuur, is door ecologisch adviesbureau EcoTierra een natuurtoets in de vorm van een Quickscan uitgevoerd, gebaseerd op een bronnenonderzoek en een veldbezoek. Dit veldbezoek heeft op 7 maart 2023 plaatsgevonden.

Het rapport is integraal als Bijlage 19 bij deze plantoelichting opgenomen. De belangrijkste conclusies worden hieronder weergegeven.

Gebiedsbescherming

Het plangebied is niet gelegen in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en/ of de Groene Ontwikkelingszone (GO).

Het dichtstbijzijnde Natura2000- gebied ligt op bijna 6 kilometer afstand en betreft “Rijntakken”. Het plangebied is derhalve niet gelegen naast/ nabij een Natura2000-gebied. Er zal geen rechtstreekse aantasting (veroorzaakt door bijvoorbeeld licht, trillingen, geluid of menselijke aanwezigheid) of indirecte aantasting (door bijvoorbeeld verdroging) plaatsvinden op soorten die voor het genoemde Natura2000-gebied zijn aangewezen.

Stikstofdepositie

In de genoemde Quickscan Wnb is expliciet aangegeven dat het thema verzuring (o.a. in relatie tot het aspect 'stikstof') niet onder de reikwijdte van het uitgevoerde onderzoek valt. In aanvulling daarop is door mRO separaat een stikstofdepositieonderzoek (stikstofdepositieberekening met AERIUS-Calculator) uitgevoerd voor de gebruiks- en aanlegfase van het project. De notitie met de uitgangspunten en resultaten van dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 20 bij deze plantoelichting.

Hieruit blijkt dat het beoogde woningbouwplan binnen het plangebied aan de Hof van Kettelerij te Vorden in zowel de aanlegfase alsook in gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie (>0,00 mol stikstof ha/jaar) op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden. De woningbouwontwikkeling heeft derhalve geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Het plan voldoet daarmee aan de Wnb.

Houtopstanden

Er worden in het kader van de voorgenomen ingrepen geen houtopstanden gekapt. Het onderdeel 'houtopstanden' van de Wnb is derhalve niet van toepassing.

Soortenbescherming

Uit het bronnenonderzoek zijn geen relevante waarnemingen aangetroffen in en rond het plangebied. Ook zijn er geen meldingen van beschermde soorten bekend.

Flora

Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten flora aangetroffen in en rond het plangebied.

Vogels

Er zijn huismussen aan de rand van het plangebied aangetroffen. De bestaande opstallen zijn niet geschikt als nestplaats voor beschermde vogels.

Zoogdieren

Het plangebied is niet geschikt als habitat voor grondgebonden zoogdieren of komen niet voor. Negatieve gevolgen worden niet verwacht.

Vleermuizen

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een essentieel foerageergebied of vliegroutes van vleermuizen. Wel kan de te verbouwen/renoveren opstal gebruikt worden door vleermuizen om er te verblijven of voort te planten. Mogelijk gaan er door de ingrepen verblijf-/ voortplantingsplaatsen verloren bij de opstal. Dit is niet toegestaan bij de Wnb.

In dit kader heeft er een nader onderzoek naar vleermuizen plaatsgevonden, gebaseerd op de daarvoor geldende protocollen. De bijbehorende rapportage is ook als bijlage bij deze plantoelichting gevoegd. In dit kader wordt verwezen naar Bijlage 21.

Uit dit nadere onderzoek blijkt dat er geen zomerverblijven, paarverblijven en kraamkolonies voor vleermuizen zijn aangetroffen. Ook zal er geen aantasting zijn van foerageergebied of vliegroutes. Een ontheffing Wnb is niet noodzakelijk.

Amfibieen, reptielen en vissen

Er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied en het is niet geschikt als habitat voor beschermde soorten.

Ongewervelden / overige soorten

Het ontbreken van specifieke habitats maakt dat exemplaren van beschermde soorten van ongewervelden en overige soorten niet te verwachten zijn. Er zijn ook geen meldingen van deze soorten bekend.

Zorgplicht

Verder geldt voor alle soorten de zorgplicht uit de Wnb. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk.

Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten.

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde Quickscan, het nadere onderzoek naar vleermuizen en de AERIUS-berekening, wordt geconcludeerd dat het aspect ecologie niet in de weg staat aan de uitvoering van de met het bestemmingsplan beoogde ontwikkeling.

2.2.3.2.13 Verkeer     

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling.

Parkeerbehoefte

Nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen aan het parkeerbeleid dat is opgenomen in de beleidsregels 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' dat op 16 december 2013 door het college van burgermeester wethouders is vastgelegd. Op grond van de beleidsregels moet bij nieuwe ontwikkelingen of functieveranderingen gekeken worden naar het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de nieuwe situatie. Het uitgangspunt van de parkeerregels is dat de toe te voegen parkeervraag altijd op "eigen" terrein wordt gerealiseerd. Pas wanneer hier onvoldoende ruimte voor beschikbaar is, wordt gezocht naar plek binnen de openbare ruimte.

De gemeentelijke parkeernormen zijn geënt op de meest recente parkeerkencijfers van het CROW. Het CROW is een onafhankelijk kenniscentrum voor infrastructuur, openbare ruimte en verkeer en vervoer.

In de gemeentelijke parkeernota is Vorden als 'weinig stedelijk' aangemerkt, met als gebiedstypering 'rest bebouwde kom'. En aangezien in het voorliggende woningbouwplan uitgegaan wordt van 5 nieuwe woningen in een betaalbaar segment gezinnen (1) en ouderen (4), wordt aangesloten bij het in de nota aangegeven woningtype "koop, vrijstaand" en "koop, tussen/hoek". Hiervoor geldt een parkeernorm van 2,6, respectievelijk 2,4 parkeerplaatsen per woning, wat betekent dat in het voorliggende plan rekening gehouden moet worden met 12,3 (naar boven afgerond 13) parkeerplaatsen.

In het voorliggende plan is hieraan invulling gegeven door binnen het plangebied de benodigde parkeerplaatsen aan te leggen. Zo wordt het perceel waar de 4 nieuwe seniorenwoningen zijn voorzien (met kadastraalnr. M 1557) opnieuw ingericht, zodat ruimte aanwezig is voor 10 parkeerplaatsen. In dit kader wordt ook verwezen naar het schetsplan in paragraaf 2.2.2.3.

Voor de vrijstaande woning op het perceel M 1711 is ruimte aanwezig voor 3 parkeerplaatsen.

Daarmee wordt voldaan aan het parkeerbeleid.

Verkeersgeneratie

Voor de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij CROW-Publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (december 2018), waarin ook kencijfers voor de verkeersgeneratie van verschillende functies zijn

opgenomen. Op basis van de hiervoor genoemde woningtypologie wordt per woning uitgegaan van maximaal 8,6 respectievelijk 7,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit betekent dat maximaal een toename van 40 motorvoertuigbewegingen per etmaal wordt verwacht.

Dit aantal verkeersbewegingen is nog steeds dermate gering, dat de verkeersafwikkeling zonder problemen op de omliggende wegen (zoals de Zutphenseweg) kan plaatsvinden en zal opgaan in het heersende verkeersbeeld.

Daarbij wordt opgemerkt dat de voormalige bedrijfsfunctie op deze locatie ook al voor de nodige verkeersbewegingen zorgde.

Conclusie

Het parkeren en de verkeersgeneratie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

2.2.3.2.14 Leidingen     

Voor planologisch relevante leidingen (en kabels) gelden verschillende beschermings- en veiligheidsafstanden waar bij de bestemmingslegging van onder andere nieuwe functies rekening mee moet worden gehouden.

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen en kabels aanwezig. Ook in de nabijheid het plangebied zijn geen leidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig (zie hiervoor ook paragraaf 2.2.3.2.8 van deze plantoelichting). Leidingen (en kabels) vormen derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

2.2.3.3 Volkshuisvesting     

In het voorliggende woningbouwplan uitgegaan wordt van een nieuwbouw van in totaal 5 woningen in een betaalbaar segment voor gezinnen en ouderen. Met het plan wordt beantwoord aan een lokale behoefte, welke voldoet aan de huidige technische standaarden. Het plan voorziet hierdoor in een kwaliteitsimpuls, aangezien de bestaande bedrijfsopstallen van een passende bestemming worden voorzien. De voorgestelde ontwikkeling past dan ook binnen het woonbeleid van de gemeente.

2.2.3.4 Economisch     

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.



Het voorliggende plan betreft een particulier initiatief. De kosten voortvloeiende uit de ontwikkeling komen voor rekening van initiatiefnemers. Met initiatiefnemers wordt een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro achterwege kan blijven.

2.2.3.5 Maatschappelijk     

Met de bouw van woningen voor gezinnen en ouderen wordt voorzien in een maatschappelijk behoefte. De locatie ligt in de nabijheid van het centrum van Vorden zodat toekomstige bewoners gebruik kunnen maken van de aanwezige voorzieningen.

2.2.3.6 Overleg en inspraak     
2.2.3.6.1 Overleg     

Het Waterschap Rijn en IJssel is om advies gevraagd over de opgestelde watertoets. Naar aanleiding van de reactie van het WRIJ is de waterparagraaf op diverse onderdelen aangepast en aangevuld.

Het Waterschap heeft bij mail van 29 september 2023 aangegeven nog enkele vragen en opmerkingen te hebben. In het vervolg van het planproces en bij de nadere uitwerking van het verkavelings- en inrichtingsplan wordt hier verder op ingegaan.

Vanwege de aanwezige molenbiotoop is het plan ook voor advies aan de provincie Gelderland voorgelegd. Op 26 oktober 2023 is er een advies vanuit de provincie binnengekomen. De opmerkingen die de provincie hebben gemaakt zijn verwerkt in dit plan.

2.2.3.6.2 Inspraak     

Voor de ontwikkelingen van de 5 woningen aan het Hof van Kettelerij, zoals beschreven in voorliggend bestemmingsplan, zijn naaste buren, omwonenden en andere geïnteresseerden door de initiatiefnemers met regelmaat en terloops geïnformeerd.

Allen zijn positief met de huidige plannen welke zij hebben ingezien en hun instemming verlenen.



Daarbij is in de naastgelegen bloembinderij op het hof op 28 september 2021 een eerste informatiebijeenkomst gehouden en een tweede bijeenkomst op 15 mei 2022.

Tevens is er gedurende de 'Winter-Kerst openstelling' van de bloembinderij in de maanden november - december 2022 een derde bijeenkomst geweest.

2.2.3.7 Conclusie     

Geen van de onderzochte omgevingsaspecten levert beperkingen op voor de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan.

2.2.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4.

2.2.4.1 Bestemmingsregels     
2.2.4.1.1 Wonen     

Wonen

Woningen zijn ondergebracht in de bestemming 'Wonen'. Voor regulering van de woonfunctie kan deels verwezen worden naar paragraaf 4.2.2.

Het hoofdgebouw (de woning, al dan niet met aan- en uitbouwen) kunnen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven 'bouwvlak'. Deze bouwvlakken zijn, in tegenstelling tot de voorgaande plannen, niet per hoofdgebouw strak om de bestaande bebouwing getrokken, maar betreffen bouwstroken waarbinnen meerdere woningen liggen.

Bij het bepalen van de bouwvlakken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

  1. zoveel mogelijk bestaande rechten respecteren, tenzij er ruimtelijk-stedenbouwkundige argumenten zijn om te beperken
  2. geen doublures met de toekomstige regels voor vergunningvrij bouwen
  3. ruimte creëren voor de toekomst
  4. toekomstige afwijkingsprocedures voorkomen
  5. rekening houden met belangen belendende bestemmingen/bebouwing
  6. rekening houden met het algemeen ruimtelijk beeld

De woningen worden als volgt gereguleerd. In beginsel worden aaneengesloten bouwvlakken gehanteerd. Woningen van eenzelfde categorie (vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd, gestapeld) die naast elkaar gesitueerd zijn, worden zoveel mogelijk in één bouwvlak geplaatst. Daarbij worden in de regel rechthoekige bouwvlakken gehanteerd. Er kunnen stedenbouwkundige redenen zijn om hier van af te wijken. Voor de situering en grootte van het bouwvlak gelden de volgende uitgangspunten:

woningtype min. afstand zijdelingse perceelgrens voetnoot: De afstand tot de zijdelingse perceelgrens geldt alleen voor 'tussensituaties' en 'eindsituaties', die niet op een hoek liggen, bij 'hoeksituaties' gelden andere uitgangspunten  diepte bouwvlak max. oppervlakte min. afstand achterste perceelgrens
vrijstaand [vrij] 5m (eindsituatie)

3m (tussensituatie)
15m 200m2 8m
twee-aaneen [tae] 3m 12m 150m2 8m
aaneengebouwd [aeg] bestaande bebouwing bestaande maat

met afwijking 10m voetnoot: Bij aaneengebouwde woningen wordt de bestaande maat gehanteerd. Het wordt ook mogelijk om, zoals bij vrijstaand en twee-aaneen, het hoofdgebouw aan de achterzijde uit te breiden middels binnenplanse afwijking. Daarbij kan sprake zijn van de schaduwwerking. Aan deze afwijkingsbevoegdheid worden criteria gesteld ter voorkoming van onevenredige hinder voor omwonenden door schaduwwerking of in verband met privacy. 
- 8m
gestapeld bestaande maat bestaande maat - -

Hoewel er door het hanteren van ruime bouwvlakken fysiek ruimte is voor de bouw van een extra woning, is daarvoor geen planologische ruimte. In de planregels is opgenomen dat het bestaand aantal woningen niet mag worden vermeerderd. Dit vanwege het regionale en gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 3.4.3). Daar waar op grond van het woonbeleid nog ruimte is voor het realiseren van nieuwe woningen, is op de betreffende locaties de aanduiding 'maximum aantal woningen' opgenomen.

De plaatsing van bijbehorende bouwwerken als aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is in de planregels verbaal beschreven. Alleen in enkele situaties waar dat op stedenbouwkundige gronden gewenst is, is er een aanduiding 'bijgebouwen' toegepast. Bijbehorende bouwwerken zijn ook binnen het bouwvlak mogelijk. De maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op een bouwperceel is 120 m².

Voor kleinere percelen zouden de bouwmogelijkheden voor hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken kunnen leiden tot een ongewenste dichtheid aan bebouwing. Daarom is er per bouwwijze een maximum bebouwingspercentage van het bouwperceel opgenomen, te weten 30% voor vrijstaande woningen, 40% voor twee-aaneen woningen (halfvrijstaand) en 50% voor aaneengebouwde woningen (rijwoningen).

Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken, die qua functie hieraan ondergeschikt zijn. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast.

Bij een aan huis verbonden beroep en aan huis verbonden bedrijf is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving.

Bij internetverkoop gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een bed & breakfast-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Een gedeelte van de woning mag onder voorwaarden als afhankelijke woonruimte worden gebruikt. Daarmee is het mogelijk om ruimten binnen de woning in te richten om een naaste te kunnen verzorgen uit het oogpunt van mantelzorg Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat er geen sprake mag zijn van woningsplitsing. Hiervoor zijn geen regels in het bestemmingsplan opgenomen omdat het landelijke Besluit omgevingsrecht (Bor) reeds in voorziet in een vergunningvrije mogelijkheid.

Om het gebruik van gronden uitsluitend voor parkeren te garanderen, is daar waar nodig op de verbeelding en in de regels de functieaanduiding 'parkeerterrein' opgenomen.

2.2.4.1.2 Waarde     

Waarde - Archeologische verwachting 2

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. Waarde - Archeologische verwachting 2 staat voor een voor een middelhoge verwachtingswaarde.

Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.3 Hummeloseweg 32 Zelhem     

2.3.1 Inleiding     

2.3.1.1 Aanleiding     

Het voorliggende plan maakt deel uit van het proces zoals dat in de gemeente Bronckhorst wordt doorlopen bij het opstellen, het in procedure brengen en het vaststellen van bestemmingsplannen. De basis voor dit proces is dat er halfjaarlijks twee bestemmingsplannen in procedure worden gebracht. Eén voor Stedelijk gebied (de kernen) en één voor Landelijk gebied (het buitengebied). In deze zogeheten 'veegplannen' worden nieuwe initiatieven en ambtshalve aanpassingen gebundeld in één bestemmingsplan. Op basis van ontwikkelplannen voor individuele initiatieven wordt een overleg- en inspraakprocedure gevoerd. Daarna worden de individuele ontwikkelplannen samengevoegd tot een veegplan. Het veegplan wordt vanaf de ontwerpfase in procedure gebracht. De individuele initiatieven en ambtshalve aanpassingen door de gemeente vormen elk een planonderdeel van het veegplan.

Op de locatie aan de Hummeloseweg 32 te Zelhem staat momenteel een woning met bijgebouw. De woning en het bijgebouw worden van elkaar afgesplitst. Op de kavel van het voormalige bijgebouw worden 3 aaneengesloten woningen ontwikkelt. Het bestaande bijgebouw wordt hiervoor gesloopt. De nieuwe woningen worden levensloopbestendig uitgevoerd. Hieronder een weergave van de beoogde situatie.

verplicht

2.3.1.2 Plangebied     

De locatie is gelegen in de kern van Zelhem en kadastraal bekend als gemeente Zelhem, sectie O nummer 2577. Hieronder een weergave van het plangebied (rood omlijnd).

verplicht

2.3.1.3 Vigerende planologische situatie     

De locatie is gelegen in het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied Bronckhorst’ (vastgesteld 31 maart 2016) en de daarop volgende herziening ‘stedelijk gebied: veegplan 2022-1B’ (vastgesteld 28 april 2022). De locatie heeft hierin de enkelbestemming ‘Wonen’. En een klein gedeelte van het plangebied heeft de enkelbestemming ‘Verkeer’.

Van een bouwvlak is op deze locatie geen sprake. Ook geldt hier de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’. Hieronder een weergave van de locatie ten opzichte van het bestemmingsplan ‘stedelijk gebied Bronckhorst’.

verplicht

2.3.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.3 de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.3.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.3.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.3.3).

Paragraaf 2.3.1 Inleiding 

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.3.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.3.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.3.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.3.1.4).

Paragraaf 2.3.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 2.3.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 2.3.2.2) en de beschrijving van het inititiatief (paragraaf 2.3.2.3).

Paragraaf 2.3.3 Uitvoerbaarheid 

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.3.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.3.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.3.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.3.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 2.3.3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 2.3.3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.3.3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.3.4 Juridische aspecten planonderdeel 

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader 

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4).

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen 

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 4.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 4.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 4.3).

Bijlagen bij planonderdeel Hummeloseweg 32 Zelhem

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting van dit planonderdeel opgenomen.

2.3.2 Initiatief     

2.3.2.1 Bestaande situatie     

De locatie Hummeloseweg 32 betreft in de bestaande situatie een woning met bijgebouw. Kadastraal betreft het een aantal aparte percelen. Het perceel, sectie O nummers 2578, 2397 en 2396 waarop de woning met omliggende tuin is gesitueerd, valt buiten het plangebied. Het plangebied betreft het perceel sectie O nummer 2577 waarop het bijgebouw is gesitueerd. Dit bijgebouw betreft een voormalig bedrijfsgebouw. Hieronder een weergave van de bestaande situatie van het volledige perceel voorheen behorende bij de Hummeloseweg 32. Tevens is een weergave van de bestaande situatie gezien vanaf de Zevenweg bijgesloten.

verplicht

verplicht

2.3.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

Op kaarten van omstreeks 1900 is er in de directe omgeving van de Hummeloseweg 32 nog geen bebouwing te zien. De eerste bebouwing verschijnt omstreeks 1930. Eind 1960 zie de duidelijk dat de kern van Zelhem is vergoot. De Zevenweg werd aangehouden als grens tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Omstreeks de eeuwwisseling is duidelijk op kaarten te zien dat de uitbreiding van Zelhem zich voltrekt aan de andere zijde van Zevenweg.

verplicht

verplicht

2.3.2.1.2 Ruimtelijke structuur     

De omgeving van de Hummeloseweg vertoont vooral het beeld van traditionele blokverkaveling. De buurt bestaat uit woningen met tuinen aan de straat afgezet met hagen, binnenruimten met de achtertuinen en veel half vrijstaande woningen. Daarbinnen zijn als grotere bouwmassa's een school aan de Groen van Prinstererstraat en een gymzaal aan de Thorbeckestraat gevestigd. De rand aan de zijde van 't Soerlant bestaat uit vrije kavelbouw

2.3.2.1.3 Functionele structuur     

De Zevenweg is aan te merken als een herkenbare rondweg. Het heeft geen functie meer als hoofdontsluiting, maar verbind wel de verschillende buurten aan elkaar. De straten in de omgeving bevatten voornamelijk woonfuncties. In de directe omgeving zijn naast woonbestemmingen in geringe mate andere bestemmingen aanwezig. In de directe omgeving is een locatie met de bestemming ‘detailhandel’ gelegen. Meer richting de kern volgen de bestemmingen ‘kantoor’ en ‘maatschappelijk’.

2.3.2.2 Randvoorwaarden     

2.3.2.2.1 Stedenbouwkundige eisen     

De woningen worden gerealiseerd in de op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Het betreft een bouwvlak waarin 3 woningen zijn gelegen. De locatie van dit bouwvlak is afgestemd op de omliggende bebouwing, de woning aan de Hummeloseweg, die haaks op deze nieuwe woningen staat, en de naastgelegen twee-onder-een-kap woning aan de Zevenweg.

Het bouwvlak heeft een diepte van circa 11 meter. Op die manier is er nog sprake van achtertuinen met een diepte van circa 9 meter. Tevens wordt er voor alle drie de woningen een achterom gecreëerd. Het hoofdgebouw wordt gebouwd op 3 meter afstand ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrenzen. Het parkeren geschied zoveel mogelijk op eigen terrein.

2.3.2.2.2 Beeldkwaliteitseisen     

Het plangebied is volgens de welstandsnota gelegen in het historische stads- en dorpsgebied. De oude stads- en dorpsgebieden ontlenen hun kenmerken aan een langere periode van ontwikkeling. De bebouwing is relatief open en kleinschalig met een grote variatie aan bouwvormen en stijlen. In de gemeente Bronckhorst kennen alleen de kernen Hengelo, Vorden en Zelhem verdichting van enige omvang. Verder blijven aaneengesloten straatwanden beperkt tot korte stukjes zoals in Laag-Keppel, Hummelo of Halle het geval is. De bebouwing is in de regel direct - met rabatstrook - aan de weg geplaatst, met naar de weg gekeerde gevels. Deze krijgen zo alle nadruk, terwijl de zij- en achtergevels veel minder bewerkt zijn. De positie van de bebouwing aan de linten buiten de oude kern is veelal gevarieerder en minder dicht aan de weg geplaatst. De bebouwing is in de regel een tot twee bouwlagen met kap en incidenteel drie en zelfs vier bouwlagen. Traditionele materialen als baksteen, keramische pan, hout en zink overheersen.

Onderstaand zijn de gevelaanzichten van de nieuw te realiseren woningen bijgevoegd, evenals een 3-D impressie. Een complete weergave van de beoogde bebouwing is te vinden in Bijlage 24 bij deze toelichting.

verplicht

verplicht

2.3.2.2.3 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

De voorgenomen herontwikkeling betreft de ontwikkeling van het perceel Hummeloseweg 32, te weten een voormalige bedrijfsgebouw, dat inmiddels haar functie heeft verloren en wordt gesloopt.

Het voornemen is om ter plaatse 3 levensloopbestendige woningen te bouwen. Het bestaande voormalige bedrijfsgebouw wordt hiervoor gesloopt. De voorgevels van de woningen zijn gelegen aan de Zevenweg. Via het Möldershöfken zijn de woningen via een achterpad bereikbaar.

In paragraaf 2.3.3.1 wordt het proces en de keuzes geschetst hoe het plan zich verhoudt tot de kernkwaliteiten van het provinciaal en gemeentelijk beleid.

2.3.2.3 Planbeschrijving     

2.3.3 Uitvoerbaarheid     

2.3.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Het initiatief past volledig binnen het beleidskader zoals genoemd in Hoofdstuk 3 Beleidskader.

2.3.3.2 Omgevingsaspecten     

2.3.3.2.1 Milieu-effectrapportage     

Het bestemmingsplan, waarin ruimtelijke belangen worden geborgd, is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging. In deze integrale afweging worden ook alle milieuonderwerpen meegewogen, los van de wettelijke verplichtingen van de milieueffectrapportage. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in beeld worden gebracht. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied en de opgave en eventuele wettelijke eisen.

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  1. Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

    Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
  2. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);

    Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
  3. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);

    Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

Ad.a: Wanneer uit een toets blijkt dat de activiteit (mogelijk) significante negatieve effecten tot gevolg heeft, dan kan een vergunning alleen worden verleend als uit een passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Onderdeel van de passende beoordeling vormt de ADC-toets. De ADC-toets houdt een onderzoek in naar Alternatieven, het aantonen van Dwingende redenen van openbaar belang en het vooraf en tijdig treffen van Compenserende maatregelen.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op ruime afstand van het plangebied. De woonactiviteiten op dit perceel hebben geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied ook mede gezien de grote afstand. Een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

Ad.b en c.: Woonactiviteiten worden alleen genoemd in relatie tot een stedelijk ontwikkelingsproject, waarbij meer dan 2000 woningen worden gebouwd (onderdeel D. 11.2 van de bijlage van het besluit milieueffectrapportage). In dit geval is, gelet op jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414)), geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject

Concluderend:

Een milieueffectrapportage, zowel -plicht, -beoordeling als -vormvrij, is niet nodig nu de gewenste activiteiten op perceelsniveau in het Besluit m.e.r. niet worden genoemd. Daarnaast is een passende beoordeling op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet noodzakelijk.

2.3.3.2.2 Duurzaamheid     

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met duurzaamheidsaspecten.

Bij het realiseren van de nieuwe woningen wordt gebruik gemaakt van duurzame, niet uitlogende materialen.

Op het dak worden zonnepanelen gelegd, die dienen om op duurzame wijze elektriciteit op te wekken voor onder meer verwarming van de woningen. Deze woningen worden immers gasloos uitgevoerd.

Vuilwater wordt evenals in de bestaande situatie geleid naar de gemeentelijke riolering. Voor de nieuwe woningen wordt voorzien in infiltratie ter plaatse.

Conclusie

Met de uitvoering van het plan wordt winst geboekt op het gebied van duurzaamheid.

2.3.3.2.3 Bodem     

Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te kunnen maken is er een bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder de conclusie van het rapport. Het complete rapport is als Bijlage 25 (verkennend bodemonderzoek door Buro Antares. projectnummer RZW\2019084\29-05-2019\Versie 1 met datum 29-05-2019) bij deze toelichting gevoegd.

Uit het vooronderzoek komt naar voren dat de locatie sinds 1970 is bebouwd met het woonhuis en de schuur. Op de locatie is een voormalige ondergrondse tank aanwezig geweest. In de schuur hebben kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaats gevonden. Voor het overige zijn er op de locatie geen bodembedreigende activiteiten aanwezig geweest.

Onder de klinkerverharding ter plaatse van boring 05 is een verhardingslaag van 0,2 meter dikte aangetroffen bestaande uit baksteen. Ter plaatse van boring 10 is van 0,5 tot 0,8 m -mv sporen baksteen waargenomen. Daarnaast is in de ondergrond is een zwakke roesthoudende laag aanwezig. In beide grondmengmonsters zijn licht verhoogde gehalten aan PAK aangetoond. In de grondmonsters ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank zijn voor de geanalyseerde parameters geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond.

Het grondwater op de locatie bevat een licht verhoogde concentratie aan barium.

Besluit bodemkwaliteit

Uit de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de onderzochte bodem wordt ingedeeld als bodemkwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’.

Concluderend:

In de grond zijn licht verhoogde gehalten aan PAK aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De licht verhoogde gehalten/concentraties zijn dusdanig gering verhoogd dat risico`s voor de volksgezondheid en het milieu als verwaarloosbaar mogen worden beschouwd. Met inachtneming van de inhoud van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

2.3.3.2.4 Geluid     

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen voor geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) is de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent drie geluidbronnen waar geluidzones voor gelden: railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en industrielawaai. Wanneer een ontwikkeling in een zone valt zoals aangegeven in de Wet geluidhinder, moet akoestisch worden aangetoond dat aan de grenswaarden in deze wet wordt voldaan. Wordt niet voldaan aan deze grenswaarden, dan hebben Burgemeester en Wethouders onder voorwaarden de mogelijkheid hogere grenswaarden vast te stellen. Hierbij wordt een procedure doorlopen die aan de eisen van de Wet geluidhinder moet voldoen.

Railverkeerslawaai

In de omgeving van het plan bevindt zich geen spoorweg. Het onderdeel railverkeerslawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing.

Industrielawaai

In de omgeving van het plan bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein. Het onderdeel industrielawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing.

Verkeerslawaai

In de omgeving van het plan bevinden zich wegen met een wettelijk zone. Voor een ontwikkeling binnen de zone van wegen moet aangetoond worden dat het verkeerslawaai op de gevel van (bijvoorbeeld) de woning voldoet aan de grenswaarde uit de Wet geluidhinder. Voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone geldt een voorkeurswaarde van ten hoogste 48 dB. Gezien de situering van de beoogde woningen is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit akoestisch onderzoek door Sain Milieuadvies met datum 11 april 2023 en nummer 2023-3025) is toegevoegd als Bijlage 26 bij deze toelichting.

Uit het onderzoek volgt dat:

  • De geluidsbelasting vanwege de Hummeloseweg voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
  • De geluidsbelasting vanwege de Zevenweg overschrijdt de voorkeursgrenswaarde. Wel wordt voldaan aan de maximale grenswaarde van 63 dB.
  • De geluidsbelasting voldoet voor elk van de 30 km/u-wegen aan de voorkeursgrenswaarde zoals die geldt voor gezoneerde wegen.

Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting door de Zevenweg zijn niet doeltreffend, financieel niet haalbaar, of ongewenst vanuit stedenbouwkundig oogpunt of in verband met verkeersveiligheid. Daarom zijn hogere waarden vanwege de Zevenweg nodig. Hiervoor is een hogere grenswaarde aangevraagd. De stukken hiervan zijn als bijlage toegevoegd bij deze toelichting.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

2.3.3.2.5 Luchtkwaliteit     

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten op-zichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Conclusie

Met de komst van drie extra woningen nemen de verkeersbewegingen licht toe. In het kader van de “worst-case”- benadering wordt per woning uitgegaan van maximaal 8 (auto)verkeersbewegingen per etmaal (norm crow.nl). Derhalve is uitgegaan van 3 x 8 (auto)verkeersbewegingen = 24 per etmaal.

Door middel van de NIBM-tool is berekend of het extra verkeer invloed heeft op de luchtkwaliteit. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet-in-betekende-mate bijdraagt (NIBM).

In de figuur hieronder is de berekening van de NIBM-tool weergegeven. Geconcludeerd is dat de toename van het verkeer niet-in-betekende-mate bijdraagt.

verplicht

Omdat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

2.3.3.2.6 Geur     

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geurhinder en Veehouderij. Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (zoals woningen). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag geen inbreuk ontstaan op de milieuruimte van omliggende veehouderijen

Conclusie

Een woning is een geurgevoelig object. De dichtstbij gelegen agrarische activiteiten liggen op meer dan 750 meter afstand. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de toetsafstanden voor geur van veehouderijen. Het dichtstbijzijnde bedrijf is de gemeentewerf op ruim 220 meter afstand. Hierbij wordt ruim voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Geur is daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

2.3.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering     

De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen bij en rondom bedrijven. De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van een rustig woongebied of een rustig buitengebied. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Bij het voldoen aan de richtafstanden is in beginsel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden omliggende bedrijven niet onevenredig benadeeld in hun mogelijkheden. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.

verplicht

In de directe omgeving zijn een aantal bedrijven gelegen. In onderstaande tabel zijn deze vermeld. De afstanden in de tabel zijn gemeten vanuit de rand van de bouwvlakken tot op de (geprojecteerde) gevel van de nieuwe woningen. In deze situatie is sprake van een ‘rustig woonwijk’. Er is uitgegaan van de grootste afstand.

verplicht

Conclusie

De beoogde ontwikkeling vindt niet plaats binnen de richtafstand van de nabijgelegen (agrarische)bedrijven. Gezien de omliggende functies en de aard en omvang daarvan mag ter plaatse van de woningen worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Omliggende bedrijven en functies worden bovendien niet belemmerd door de ontwikkeling. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

2.3.3.2.8 Externe veiligheid     

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations) en vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

verplicht

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen

Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.

In de wetgeving wordt onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar

Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Conclusie

Een woning is een kwetsbaar object. In de omgeving zijn volgens de Risicokaart Nederland echter geen risicobronnen aanwezig, waarvan de risicocontour over de nieuwe woningen ligt. Het aspect externe veiligheid levert daarmee geen problemen op voor voorliggend plan.

2.3.3.2.9 Water     

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. In het waterbeheerplan 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel laat het waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen.

Het waterbeheerprogramma in het kort:

  • Beheren en onderhouden het grondwater en het water in beken, sloten en riviertjes. De zorg voor schoon water en zuiveren rioolwater. Controleren of iedereen zich aan de regels houdt. Gebiedsinrichting zo uitvoeren dat het beter tegen de klimaatverandering kan.
  • Kijken naar omgeving en hoe deze het beste kan worden ingericht. Uitgaande van dat het gebied beter kan tegen te nat maar ook tegen te droog weer. Hulp aanbieden zodat inwoners, bedrijven en andere overheden beter kunnen omgaan met de gevolgen van extreem weer.
  • Zorgen voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dijken worden zo onderhouden dat er ruimte is voor meer verschillende soorten planten en dieren.
  • In 2025 wekt het Waterschap alle energie die ze gebruiken zelf op. Ze gebruiken en verspillen zo min mogelijk grondstoffen en stoten veel minder broeikasgassen uit. Hiervoor worden sommige werkwijzen aangepast en wordt gebruik gemaakt van steeds meer nieuwe technieken.
  • Zorgen voor schoon water in beken en sloten, voor mensen en voor dieren en planten. Het rioolwater wordt steeds schoner gemaakt. Sommige plekken worden geschikt gemaakt voor bijzondere planten en dieren. De andere wateren mogen in ieder geval niet viezer worden.

Het Waterschap Rijn en IJssel maakt gebruik van de digitale watertoets. Deze is toegevoegd als Bijlage 29 bij deze toelichting. Op basis van de check is het doorlopen van een normale procedure noodzakelijk. Op voorhand is aangegeven dat er voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om verontreiniging van oppervlakte water te voorkomen.

Het advies van het waterschap is als volgt:

  • Het projectgebied is < 1.500 m2, het gaat om sloop en herbouw. Het advies is 80 mm hemelwaterberging per verhard oppervlak, met uitgangspunt 70% van woonkavels als verhard mee te nemen en halfverharding als 70% verharding meenemen, tenzij wordt aangetoond dat de halfverharding ook op lange termijn meer hemelwater doorlaat. We zien ruimte voor hemelwaterberging rond de parkeerplekken en aan de randen van het perceel. Overigens kan er bij sloop en herbouw sprake zijn van omstandigheden die vragen om maatwerk, maar het vertrekpunt is 80 mm hemelwaterberging. Dit vanwege nieuwe klimaatstatistieken. Indien er infiltratiemogelijkheden zijn, mits onderbouwd, kan hier rekening mee gehouden worden. Overigens hanteert de gemeente Bronckhorst  eveneens regels t.a.v. hemelwaterberging.

Conclusie

In het kader van voorliggende ontwikkeling is er sprake van een geringe toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oorspronkelijke planologische situatie. Hemelwater zal ter plekke infiltreren in de bodem. Minimaal 80 mm hemelwater per verhard oppervlak wordt ter plekke geïnfiltreerd in de bodem, volgens het principe: vasthouden – infiltreren – vertraagd afvoeren. Er is ruimte voor hemelwaterberging rond de parkeerplekken en aan de randen van het perceel. Er wordt tijdens de bouw gebruik gemaakt van niet uitlogende materialen. Hierdoor wordt verontreiniging van hemelwater voorkomen.

Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

2.3.3.2.10 Klimaat     

De omgevingsverordening Gelderland bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Daarnaast moet de beschrijving worden opgesteld waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Voor die beschrijving kan gebruik worden gemaakt van de opgestelde klimaatatlas.

Conclusie

Op basis van de klimaatatlas gemeente Bronckhorst is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

  • Wateroverlast. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van het bouwvlak geen plasvorming wordt verwacht na een korte of lange bui.
  • Hittestress. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur in het plangebied warm zal zijn (niet extra koeler of extra warmer) op warme dagen. Dit is naar waarschijnlijkheid gebaseerd op de huidige bebouwde situatie. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee is de woning ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. Een beperkt deel aan de zijkant van het perceel Zevenweg is gevoelig voor wateroverlast bij T100. Hier wordt rekening mee gehouden.
  • Droogte. De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 weinig verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft in het plangebied sprake van lagere grondwaterstanden en van zeer droogtegevoeligheid. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. Het plangebied ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door droogte als gevolg van klimaatverandering.
  • Overstroming. De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er geen dijken en watergangen in nabijheid van de planlocatie liggen. Daarbij vormt overstroming geen risico vormt voor het plangebied.

Er hoeven geen specifieke maatregelen te worden getroffen.

2.3.3.2.11 Archeologie en cultuurhistorie     

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/ of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. De gemeente Bronckhorst heeft de archeologische verwachtingswaarden door vertaald in dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. Hiervoor geldt dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 1.000 m2 een rapport van archeologisch onderzoek aangeleverd dient te worden, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;

Conclusie

De sloop van bestaande bebouwing en de bouw van de nieuwe woningen met bijgebouwen blijven ruimschoots onder deze maatvoering van 1.000m2 waardoor er geen nader onderzoek in het kader van archeologie noodzakelijk is. Indien tijdens werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht.

2.3.3.2.12 Flora en fauna     

Met de beoogde ontwikkeling mogen beschermde soorten flora en fauna niet worden verstoord. Tevens moet beoordeeld worden in hoeverre beschermde gebieden (negatief) worden beïnvloed. Het wettelijk kader hieromtrent is de Wet natuurbescherming.

Het plangebied is op 4 april 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Het volledige rapport (Quickscan natuurwaardenonderzoek door Natuurbank Overijssel met datum 26 april 2023 en nummer 5164) is toegevoegd als Bijlage 28 bij deze toelichting.

Gebiedsbescherming Natura 2000

In het kader van de toets aan de Wet Natuurbescherming wordt bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Natura2000 gebieden bevinden zich niet op korte afstand van het plangebied. Voor plannen dient middels een pretoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. De beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen is uitgewerkt in paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming.

Het onderzoeksgebied ligt op minimaal 12,6 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Rijntakken. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het onderzoeksgebied weergegeven.

verplicht

Stikstofparagraaf

Volgens de Wet stikstofreductie en natuurverbetering is geregeld dat kortdurende, tijdelijke activiteiten zoals de sloop-, aanleg en bouwwerkzaamheden moeten worden meegenomen in de berekening. Uit de berekeningen met Aerius-calculator (toegevoegd als Bijlage 27, stikstofparagraaf door Locis Adviseurs met datum 6 april 2023) blijkt dat er ter hoogte van kwetsbare habitattypen in de Natura-2000, ten gevolge van de stikstofuitstoot binnen dit planproject, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. De stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten in de aanleg- en gebruiksfase van het plan vormt daarmee geen belemmering

Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

Het onderzoeksgebied ligt op minimaal 1,4 kilometer van gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone in de omgeving van het onderzoeksgebied weergegeven.

verplicht

Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de 25 bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand worden uitgesloten worden. een stikstofberekening is wel uitgevoerd. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden uitgesloten.

Soortenbescherming

De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het onderzoeksgebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels in de loods. Amfibieën en grondgebonden zoogdieren bezetten geen vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied. Vleermuizen bezetten ook geen vaste rust- of verblijfplaats in het onderzoeksgebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het onderzoeksgebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.?

Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de loods wordt gesloopt en beplanting wordt gerooid tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied voor verschillende voorkomende diersoorten tijdelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie

De aspecten soortenbescherming (flora en fauna) en gebiedsbescherming (Natura 2000 en GNN/GO) vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

2.3.3.2.13 Verkeer     

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. In dit geval wordt voor wat betreft de parkeerbehoefte aangesloten bij de uitgangspunten en normen als vastgesteld in de 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst'. Deze parkeernormen zijn geënt op de meest recente landelijke parkeerkencijfers op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Voor de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de CROW-publicatie. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.

In het kader van voorliggende ontwikkeling is de hoofdontsluiting van de bebouwing voorzien aan de Zevenweg. Parkeervoorzieningen voor bewoners en bezoekers worden op eigen erf of zo dicht mogelijk bij de nieuwe woningen gerealiseerd. Hieronder een weergave van de locaties van de parkeerplaatsen.

verplicht

Verkeer

Door de komst van 3 nieuwe aaneengesloten woningen zal het aantal vervoersbewegingen met lichte voertuigen toenemen. Per woning wordt uitgegaan van 8 (auto)verkeersbewegingen per etmaal (norm crow.nl). Gemiddeld komt dit neer op totaal (8 x 3) 24 verkeersbewegingen van lichte voertuigen per etmaal. De Zevenweg heeft voldoende capaciteit om de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen te verwerken.

Parkeren

Het dorp Zelhem kan worden aangemerkt als weinig stedelijk. Voor de 3 nieuwe woningen geldt een parkeeropgave van 2,4 parkeerplaats per woning. Geldt een totaal van 9 parkeerplaatsen. 2 parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein en 7 in het openbaar gebied. Er worden totaal 12 parkeerplekken gerealiseerd.

verplicht

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

2.3.3.2.14 Leidingen     

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten bij een bestemmingsplan ook de planologisch relevante kabels en leidingen worden beschouwd.

Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klic-melding krijgt initiatiefnemer alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen.

2.3.3.3 Volkshuisvesting     

Het initiatief draagt bij aan de eerste levensbehoefte: wonen in een goed, duurzaam en betaalbaar huis in een leefbare wijk.

2.3.3.4 Economisch     

Deze ontwikkeling draagt bij aan een vitaal dorp, aangezien het initiatief ruimte bied aan een drietal seniorenwoningen. Hiervoor wordt een voormalig bedrijfsgebouw gesloopt.

2.3.3.5 Maatschappelijk     

Het initiatief draagt bij aan de leefbaarheid en de beleefbaarheid van het dorp Zelhem.

2.3.3.6 Overleg en inspraak     

2.3.3.6.1 Overleg     

Het is niet noodzakelijk geacht om voorafgaand aan het ontwerpbestemmingsplan overleg te voeren met waterschap, provincie of rijk. Het is op de voorhand duidelijk dat er geen rijks- of provinciale belangen worden geraakt door dit initiatief. Voor het waterschap geldt dat op dit initiatief de verkorte procedure van toepassing is, zodat kan worden volstaan met een standaard waterparagraaf en het ter advisering voorleggen van het ontwerpbestemmingsplan tijdens de procedure.

2.3.3.6.2 Inspraak     

Met direct naastgelegen buren is gesproken over het initiatief, waarbij de ontwikkeling op instemming kon rekenen en geen suggesties zijn gedaan voor een andere opzet. Gezien de aard en omvang van het initiatief heeft geen meer uitgebreide omgevingsdialoog plaatsgevonden.

2.3.3.7 Conclusie     

Op basis van de toetsingen en bevindingen in dit hoofdstuk kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn om de voorgestane ontwikkeling aan de Hengelosestraat 6 in Hengelo te laten plaatsvinden. Aan de gemeentelijke randvoorwaarden en de wettelijke vereisten is voldaan.

2.3.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4.

2.3.4.1 Bestemmingsregels     

NB: Dit zijn standaardteksten uit de bestemmingsplannen 'Stedelijk gebied Bronckhorst' (BP01047-VG01) en 'Landelijk gebied Bronckhorst' (BP01048-VG01). Deze teksten kunnen naar gelieve afhankelijk van de inhoud van het plan worden aangepast, mits daarmee een juiste weergave wordt gegeven van de bestemmingsregels binnen de door de gemeente gegeven kaders

2.3.4.1.1 Verkeer     

Verkeer

Deze bestemming richt zich op het openbare gebied. Binnen deze bestemming kunnen meerdere doeleinden worden onderscheiden, zoals ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, parkeer-, groen- en verblijfsvoorzieningen. Gelet op het openbare karakter van deze bestemming bevinden zich hier ook openbare voorzieningen en vinden activiteiten als evenementen en markten (standplaatsen voor kramen, stallen en voertuigen voor het aanbieden van goederen of diensten) plaats.

Het groen dat geen onderdeel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur volgens het groenstructuurplan van de gemeente Bronckhorst (maar wel een ruimtelijke functie vervult) is bestemd als 'Verkeer'.

Garageboxen zijn tevens onder deze bestemming gebracht door middel van de aanduiding 'garage'. Enkel ter plaatse van deze aanduiding zijn garageboxen toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m.

Om na verkoop van zogeheten 'overhoekjes' en openbaar groen door de gemeente aan particulieren, deze delen te kunnen gebruiken als tuin, is in de bestemmingsbeschrijving 'tuinen' opgenomen. Hier gelden geen bouwmogelijkheden anders dan vergunningsvrije bouwwerken.

Om terrassen ten behoeve van horeca-activiteiten in de openbare ruimte mogelijk te maken is voor bepaalde gebieden de aanduiding 'terras' opgenomen. Terrassen zijn uitsluitend daar toegelaten. Omdat deze delen van de bestemming in eigendom zijn van de gemeente, kunnen terrassen daar alleen worden gerealiseerd als de exploitant kan beschikken over deze gronden met toestemming van de gemeente.

Bepaalde (invals)wegen van de kern beschikken over een mooie lanenstructuur. Daar waar een fraaie lanenstructuur aanwezig is, is de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - lanenstructuur' opgenomen teneinde aan te geven dat hier de aanwezige laanstructuur behouden dient te blijven.

2.3.4.1.2 Wonen     

Wonen

Woningen zijn ondergebracht in de bestemming 'Wonen'. Voor regulering van de woonfunctie kan deels verwezen worden naar paragraaf 4.2.2.

Het hoofdgebouw (de woning, al dan niet met aan- en uitbouwen) kunnen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven 'bouwvlak'. Deze bouwvlakken zijn, in tegenstelling tot de voorgaande plannen, niet per hoofdgebouw strak om de bestaande bebouwing getrokken, maar betreffen bouwstroken waarbinnen meerdere woningen liggen.

Bij het bepalen van de bouwvlakken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

  1. zoveel mogelijk bestaande rechten respecteren, tenzij er ruimtelijk-stedenbouwkundige argumenten zijn om te beperken
  2. geen doublures met de toekomstige regels voor vergunningvrij bouwen
  3. ruimte creëren voor de toekomst
  4. toekomstige afwijkingsprocedures voorkomen
  5. rekening houden met belangen belendende bestemmingen/bebouwing
  6. rekening houden met het algemeen ruimtelijk beeld

De woningen worden als volgt gereguleerd. In beginsel worden aaneengesloten bouwvlakken gehanteerd. Woningen van eenzelfde categorie (vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd, gestapeld) die naast elkaar gesitueerd zijn, worden zoveel mogelijk in één bouwvlak geplaatst. Daarbij worden in de regel rechthoekige bouwvlakken gehanteerd. Er kunnen stedenbouwkundige redenen zijn om hier van af te wijken. Voor de situering en grootte van het bouwvlak gelden de volgende uitgangspunten:

woningtype min. afstand zijdelingse perceelgrens De afstand tot de zijdelingse perceelgrens geldt alleen voor 'tussensituaties' en 'eindsituaties', die niet op een hoek liggen, bij 'hoeksituaties' gelden andere uitgangspunten diepte bouwvlak max. oppervlakte min. afstand achterste perceelgrens
vrijstaand [vrij] 5m (eindsituatie)

3m (tussensituatie)
15m 200m2 8m
twee-aaneen [tae] 3m 12m 150m2 8m
aaneengebouwd [aeg] bestaande bebouwing bestaande maat

met afwijking 10m Bij aaneengebouwde woningen wordt de bestaande maat gehanteerd. Het wordt ook mogelijk om, zoals bij vrijstaand en twee-aaneen, het hoofdgebouw aan de achterzijde uit te breiden middels binnenplanse afwijking. Daarbij kan sprake zijn van de schaduwwerking. Aan deze afwijkingsbevoegdheid worden criteria gesteld ter voorkoming van onevenredige hinder voor omwonenden door schaduwwerking of in verband met privacy.
- 8m
gestapeld bestaande maat bestaande maat - -

Hoewel er door het hanteren van ruime bouwvlakken fysiek ruimte is voor de bouw van een extra woning, is daarvoor geen planologische ruimte. In de planregels is opgenomen dat het bestaand aantal woningen niet mag worden vermeerderd. Dit vanwege het regionale en gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 3.4.3). Daar waar op grond van het woonbeleid nog ruimte is voor het realiseren van nieuwe woningen, is op de betreffende locaties de aanduiding 'maximum aantal woningen' opgenomen.

De plaatsing van bijbehorende bouwwerken als aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is in de planregels verbaal beschreven. Alleen in enkele situaties waar dat op stedenbouwkundige gronden gewenst is, is er een aanduiding 'bijgebouwen' toegepast. Bijbehorende bouwwerken zijn ook binnen het bouwvlak mogelijk. De maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op een bouwperceel is 120 m².

Voor kleinere percelen zouden de bouwmogelijkheden voor hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken kunnen leiden tot een ongewenste dichtheid aan bebouwing. Daarom is er per bouwwijze een maximum bebouwingspercentage van het bouwperceel opgenomen, te weten 30% voor vrijstaande woningen, 40% voor twee-aaneen woningen (halfvrijstaand) en 50% voor aaneengebouwde woningen (rijwoningen).

Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken, die qua functie hieraan ondergeschikt zijn. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast.

Bij een aan huis verbonden beroep en aan huis verbonden bedrijf is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde Bijlage 2. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een bed & breakfast-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Een gedeelte van de woning mag onder voorwaarden als afhankelijke woonruimte worden gebruikt. Daarmee is het mogelijk om ruimten binnen de woning in te richten om een naaste te kunnen verzorgen uit het oogpunt van mantelzorg Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat er geen sprake mag zijn van woningsplitsing. Hiervoor zijn geen regels in het bestemmingsplan opgenomen omdat het landelijke Besluit omgevingsrecht (Bor) reeds in voorziet in een vergunningvrije mogelijkheid.

Om het gebruik van gronden uitsluitend voor parkeren te garanderen, is daar waar nodig op de verbeelding en in de regels de functieaanduiding 'parkeerterrein' opgenomen.

Omdat nog niet op voorhand duidelijk is hoe infrastructuur in het plangebied wordt aangelegd, kan ook de bestemming 'Verkeer' worden opgenomen. Tevens zijn enkele stedengouwkundige eisen opgenomen ten aanzien van de maximale goot en bouwhoogte, afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, bebouwingspercentage en dat het plan moet passen binnen de bestaande ruimtelijke structuur. Om flexibiliteit voor het uitwerkingsplan ten aanzien van het nader uit te werken stedenbouwkunig plan is tevens opgenomen dat de gronden zijn bestemd voor openbare voorzieningen als wegen, paden, parkeren en groen. Verder zijn er bouwregels opgenomen die voorkomen dat er wordt gebouwd voordat het uitwerkingsplan in werking is getreden.

Om er voor te zorgen dat de starterswoningen beschikbaar blijven voor de doelgroep, is in de bouwregels van de bestemming 'Wonen' opgenomen dat het percentage sociale koopwoningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - sociale koopwoning' 100% moet zijn. In Artikel 1 Begrippen is het begrip sociale koopwoning opgenomen. Dit begrip is overgenomen uit artikel 1.1.1 onder e van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit zijn woningen met een koopprijs vrij op naam van ten hoogste €200.000,--.

2.3.4.1.3 Waarde     

Waarde - Archeologische verwachting 1, Waarde - Archeologische verwachting 2 en Waarde - Archeologische verwachting 3

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. 'Waarde - Archeologie'staat voor gebieden met een bekende zeer hoge of hoge archeologische waarde. Waarde - Archeologische verwachting 1 staat voor een hoge verwachtingswaarde. Waarde - Archeologische verwachting 2 staat voor een voor een middelhoge verwachtingswaarde. Waarde - Archeologische verwachting 3 staat voor een lage verwachtingswaarde.

Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.4 Tarwestraat ong. Halle     

2.4.1 Inleiding     

2.4.1.1 Aanleiding     

In het centrum van Halle liggen twee kavels aan de Tarwestraat braak. Het initiatief voorziet in het ontwikkelen van deze gronden ten behoeve van woningbouw. Er worden 3 seniorenwoningen (een vrijstaand en een tweekapper) en 4 starterswoningen (twee tweekappers) op het perceel aan de noordzijde van de Tarwestraat gerealiseerd. Op de tweede kavel aan de zuidzijde van de Tarwestraat komen vier starterswoningen (rijwoningen). Daarnaast krijgt het bestaande pand aan de Dorpsstraat 93 (bedrijf/detailhandel) een woonbestemming. De woningbouw draagt bij aan de woningbouwopgave. Daarnaast wordt er met het plan aansluiting gezocht bij de juiste doelgroep, de juiste woningen en de juiste prijzen volgend uit de Woonvisie. Het aantrekken van meer (jonge) bewoners naar Halle biedt kansen voor de vitaliteit en leefbaarheid van het dorp.

2.4.1.2 Plangebied     

Het plangebied van onderhavig initiatief bestaat uit drie onderdelen:

  1. Perceel 1770: omzetting bedrijfspand naar woning (Dorpsstraat 93)
  2. Perceel 1941 en 1323: ontwikkelen van 7 woningen aan de noordzijde van de Tarwestraat
  3. Gedeelte van perceel 1888: ontwikkelen van 4 woningen aan de zuidzijde van de Tarwestraat

Onderstaande afbeelding geeft het plangebied rood omlijnd aan.

verplicht

2.4.1.3 Vigerende planologische situatie     

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Stedelijk gebied Bronckhorst" dat is vastgesteld op 31 maart 2016 door de gemeenteraad van Bronckhorst. Daarnaast geldt voor de delen die daarin een woonbestemming hebben het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied; Veegplan 2022-1B' dat is vastgesteld op 28 april 2022 door de gemeenteraad van Bronckhorst. Met dit laatste plan zijn enkele regels rondom wonen geactualiseerd. Onderstaande figuur toont het huidige planologische regime.

verplicht

Het plangebied kent op het noordelijke deel na de bestemming 'Wonen' (rood omlijnd in bovenstaande afbeelding), zonder bouwvlakken. Het perceel van Dorpsstraat 93 heeft voornamelijk de bestemming 'Detailhandel', een klein gedeelte aan de zuidzijde van dit perceel heeft de bestemming 'Bedrijf'.

Verder geldt er een archeologische dubbelbestemming voor het gehele plangebied, de voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

2.4.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.4 Tarwestraat ong. Halle de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.4.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.4.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.4.3).

Paragraaf 2.4.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.4.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.4.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.4.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.4.1.4).

Paragraaf 2.4.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 2.4.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 2.4.2.2) en de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.4.2.3).

Paragraaf 2.4.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.4.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.4.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.4.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.4.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 2.4.3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 2.4.3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.4.3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.4.4 Juridische aspecten planonderdeel

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

Bijlagen bij planonderdeel Tarwestraat ong. Halle

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting van dit planonderdeel opgenomen.

2.4.2 Initiatief     

2.4.2.1 Bestaande situatie     
2.4.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

Halle ligt in het ontginningslandschap in de oostelijke onderhoek van de gemeente en bevindt zich evenals Zelhem op de hoge rug van het dekzandplateau. De geschiedenis is goeddeels gelijkluidend als die van de kern Zelhem maar veel beperkter in omvang. Ook Halle fungeerde eeuwenlang als pleisterplaats op de handelsroutes van Duitsland naar de Hanzesteden Zutphen en Doesburg. De ontwikkeling tot 1945 vindt plaats als lint langs de weg, en pas ná die tijd komt geleidelijk via een parallelweg enige planmatige nieuwbouw tot stand.

2.4.2.1.2 Ruimtelijke structuur     

Het dorp heeft een centrum bestaande uit het lange lint van de Dorpsstraat met gevarieerd geplaatste bebouwing langs de flauw gebogen weg, waardoor de bakstenen kerktoren met spits en houten lantaarn een belangrijk herkenningspunt vormt.

verplicht

Luchtfoto Halle met grens van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst'

De architectuur uit de 20'er - 30'er jaren neemt een belangrijke plaats in met veel eenlaagse bebouwing met mansardekap, dwars op de hoofdrichting naast naoorlogse woningbouw in 1 en 2 lagen met schilddak.

De uitbreiding ten zuiden van de Dorpsstraat bestaat in hoofdzaak uit 2 parallelle straten, de Roggestraat en de Haverstraat, waaraan gedurende een lange periode bebouwing is geplaatst en dus gevarieerd in stijl materiaal en kleur. Uitzondering hierop vormt de eerste rij woningen ten zuiden van de Dorpsstaat. Deze is in traditionele Delftse School-stijl gebouwd als één lang doorgaand gebaar van rode gevels en terracotta pannen langskappen. Aansluitend is ten zuiden van de Haverstraat een wijk met voornamelijk twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen gebouwd aan de Westerhofskamp en de Kampshöfken.

De meest recente uitbreiding van de kern heeft plaatsgevonden in de Abbinkskamp in de hoek ten oosten van de Abbinkstraat.

Aan de zuid- en noordzijde zijn ‘restjes’ landelijk gebied ontstaan door de formele kerngrenzen, maar deze behoren bij het aangrenzende landelijke gebied.

Het plangebied zelf ligt in de oostelijke helft van Halle, zie onderstaande afbeelding voor een recente luchtfoto (rood het plangebied).

verplicht

Het zuidelijke deel van het plangebied bestaat bijna geheel uit grasland met twaalf jonge fruitbomen. In de zuidwesthoek van dit perceel bevindt zich een garage, de ingang van deze garage is aan de noordkant. Het middelste deel is grasland dat in gebruik is als paardenweide. Aan de noordzijde staat op het perceel aan de Dorpsstraat 93 een bestaand pand dat voor detailhandel en als bedrijf (achterste deel) in gebruik is geweest.

2.4.2.1.3 Functionele structuur     

Algemeen

Halle heeft voornamelijk een woonfunctie. Vooral aan de Dorpsstraat zijn verschillende niet-woonfuncties gesitueerd waaronder winkels, 2 kerken (waarvan 1 in gebruik als dorpshuis), een begraafplaats en een café/zalencentrum. De bedrijven in het dorp bevinden zich ten noorden van de lintbebouwing aan de Dorpsstraat, vooral ter hoogte van de kruising met de Fortstraat en een opvallend mengvoederbedrijf aan de oostzijde van de Dorpsstraat. Aan de Kerkstraat bevindt zich tenslotte nog een school. Verspreid over het dorp zijn enkele gronden gelegen met een agrarische functie. Ten zuidwesten van de kern Halle zijn de sportvelden van Sportpark De Meisterskamp gelegen.

Verkeersstructuur

Halle wordt ontsloten door de Dorpsstraat (N330), die de kern verbindt met Zelhem in het westen en Varsseveld in het zuidoosten, en de Fortstraat in noordelijke richting. De Dorpsstraat is niet alleen de verkeersader van Halle en daarmee de belangrijkste weg van het dorp, maar heeft ook een regionale functie in de verkeersrelatie tussen Varsseveld (N18) en Zelhem. Alle overige wegen in het dorp hebben een lokaal karakter (verblijfsfunctie).

Groenstructuur

Het particuliere groen is beeldbepalend in Halle. Vooral de monumentale bomen bij de kerk (Kerkstraat) en de laanbeplanting langs de Kerkstraat - Fortstraat en de Dorpsstraat. De bebouwing staat in het algemeen op ruime kavels. De tuinen en de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het landschap geven de kern zijn groene en landelijke karakter.

Binnen Halle is weinig openbaar groen aanwezig. Het openbaar groen dat er is, is kleinschalig en ingevuld met cultuurlijke beplanting. Aan de westzijde van de kern ligt een sportpark en aan de zuidwestzijde van de kern is het dorp groen omkaderd.

verplicht

De directe omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit woningen met enkele bedrijven. Aan de westzijde zit in het voormalige kerkgebouw een huisartsenpraktijk. Aan de noordzijde zijn er op het perceel van Dorpsstraat 93 op grond van het bestemmingsplan detailhandel en (op het achterliggende gedeelte) bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Op het bedrijfsgedeelte vindt ook verkoop van vuurwerk plaats.

2.4.2.2 Randvoorwaarden     

In onderstaande paragrafen wordt voor de nieuwbouwwoningen ingegaan op de stedenbouwkundige en beeldkwaliteitseisen. Omdat voor het deel aan de Dorpsstraat 93 sprake is van hergebruik van bestaande bebouwing, wordt op dit gedeelte in deze paragraaf niet nader ingegaan.

2.4.2.2.1 Stedenbouwkundige eisen     

Ten aanzien van de ruimtelijk-stedenbouwkundige uitgangspunten vindt voor de wijze van bestemmen in dit bestemmingsplan aansluiting plaats bij de bestemmingsregels en uitgangspunten in het geldend bestemmingsplan. Tevens is het door de gemeente vastgestelde handboek (zie ook paragraaf 1.3.2) van toepassing. De uitwerking hiervan wordt toegelicht in paragraaf 2.4.4.1.2

De nieuwe woningen aan de Tarwestraat vallen in de welstandsnota in het gebiedstype 'Nieuwe stads- en dorpsgebieden'. In de welstandsnota van de gemeente Bronckhorst zijn onder andere de volgende stedenbouwkundige randvoorwaarden voor dit gebied opgenomen:

  • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend.
  • Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek en het gevelbeeld van de bestaande bebouwing in de omgeving.
  • De panden zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare ruimte.
  • De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing.
  • Het aantal bouwlagen en de kapvorm zijn afgestemd op de bouwhoogte en de bouwmassa van de belendende bebouwing.
  • Bij- en aanbouwen blijven duidelijk ondergeschikt aan de hoofdmassa. Bij aanpassingen blijft de hoofdvorm herkenbaar.
  • De bestaande kaprichting en kapvorm zijn richtinggevend.



2.4.2.2.2 Beeldkwaliteitseisen     

In navolging van de stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn in de welstandsnota ook criteria opgenomen voor de beeldkwaliteitseisen van individuele bebouwing. Voor de nieuwe woningen aan de Tarwestraat zijn dit de volgende punten:

  • Bij renovatie of nieuwbouw sluit de stijl en het materiaal van de gevel aan op die van de bebouwing in de omgeving.
  • De maat en schaal van de gevelindeling worden gerespecteerd.
  • De richting en de maatverhoudingen van bestaande gevelopeningen worden gehandhaafd.
  • Zijgevels die duidelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte worden behandeld als voorgevels.
  • Bij rijwoningen zijn toevoegingen per woning ondergeschikt aan de hoofdstructuur en de gevelritmiek van het woningblok.
  • De daken en gevels van de hoofd- en bijgebouwen bestaan uit natuurlijke materialen.
  • Het materiaalgebruik van aan- en bijbouwen is afgestemd op dat van het hoofdgebouw.
  • Voor de hoofdmaterialen worden aardkleuren toegepast, in combinatie met donkere of rode dakpannen, afhankelijk van de buurt.
  • De kleuren van dakbedekking en gevels zijn op elkaar afgestemd.
  • Bij rijwoningen afstemming van kleur per blok.
  • Bij renovatie of nieuwbouw is de specifieke detaillering van gevelopeningen, deurluifels en dergelijke van bebouwing van dezelfde architectuur in de omgeving, maatgevend.
  • De detaillering bij aanpassing, renovatie of nieuwbouw krijgt eenzelfde mate van aandacht en expressie als die in de omgeving.

2.4.2.3 Planbeschrijving     

Op basis van onderstaande afbeelding met nummering wordt hieronder per nieuwbouwwoning aangegeven wat de ruimtelijke kaders zijn.

verplicht

Nr. Woningtype Doelgroep Maximum

Goothoogte
Maximum

bouwhoogte
Maatvoering

Bouwvlak
1 Twee-onder-een-kap Starters 4m 10m 9,1 m diep
2 Twee-onder-een-kap Starters 4m 10m 9,1 m diep
3 Twee-onder-een-kap Starters 4m 10m 10,0 m diep
4 Twee-onder-een-kap Starters 4m 10m 10,0 m diep
5 Vrijstaand Senioren 4m 10m 13,0 m diep
6 Twee-onder-een-kap Senioren 4m 10m 11,8m diep
7 Twee-onder-een-kap Senioren 4m 10m 11,8m diep
8 Hoekwoning Starters 6,5m 10m 10,0m diep
9 Tussenwoning Starters 6,5m 10m 10,0m diep
10 Tussenwoning Starters 6,5m 10m 10,0m diep
11 Hoekwoning Starters 6,5m 10m 10,0m diep

Woningen 1, 2, 3 en 4 worden twee-onder-een-kap woningen met één bouwlaag met kap. Woningen 5, 6 en 7 worden één bouwlaag met kap, woningen 8, 9, 10 en 11 kunnen zowel één bouwlaag als twee bouwlagen met kap worden (afhankelijk van de behoefte van de toekomstige eigenaren). Voor alle bouwvlakken geldt dat er minimaal 3 meter afstand tot de zijdelingse en 8 meter tot de achterste perceelgrens aanwezig is. Voor het bouwvlak van woningen 1, 2 en 5 is daarnaast vanwege milieuzonering (zie paragraaf 2.4.3.2.7) 10 meter afstand tot de naastgelegen maatschappelijke bestemming aangehouden.

Door de verplichting dat de woningen in de bouwvlakken gerealiseerd moeten worden en door de maximale maatvoering, is geborgd dat de nieuwbouw aansluit op de ritmiek, de schaal en het gevelbeeld van de bestaande bebouwing in de omgeving. Na het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure worden de woningen verder uitgewerkt. De welstandskaders zoals benoemd in paragraaf 2.4.2.2.2 zijn daarbij leidend.

Voor de woningen 1, 2, 3 en 4 wordt een nieuwe ontsluiting aangelegd, de andere woningen zijn vanaf de bestaande weg toegankelijk. De gemeente Bronckhorst heeft haar beleid voor parkeren vastgesteld in de 'beleidsregels 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' (zie ook 3.4.16). Uitgangspunt is dat parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. In onderstaande tabel is de parkeerbalans inzichtelijk gemaakt.

Nr. Parkeerbehoefte Parkeerplaatsen

op eigen terrein
Type
1 2,6 0,8 Enkele oprit zonder garage
2 2,6 0,8 Enkele oprit zonder garage
3 2,6 0,8 Enkele oprit zonder garage
4 2,6 0,8 Enkele oprit zonder garage
5 2,7 1,8 Dubbele oprit met garage (min. 4,5m breed)
6 2,6 1,7 Dubbele oprit zonder garage (min. 4,5m breed)
7 2,6 1,7 Dubbele oprit zonder garage (min. 4,5m breed)
8 2,4 1,3 Garage met lange oprit (min. 5m diep)
9 2,4 0 -
10 2,4 0 -
11 2,4 0,8 Enkele oprit zonder garage

De totale parkeerbehoefte komt voor het noordelijk deel uit op 18,3 parkeerplaatsen. Op de woonpercelen zelf komen volgens de regels van het gemeentelijk parkeerbeleid 8,4 parkeerplaatsen. Omdat niet geheel op de eigen woonpercelen aan de parkeerbehoefte kan worden voldaan, komen er ook 10 parkeerplaatsen in de nieuwe verkeersontsluiting (8 naast de toegangsweg en 2 bij de verkeerslus).

Voor het zuidelijk deel komt de parkeerbehoefte uit op 9,6 parkeerplaatsen. Op eigen terrein komt er ruimte voor 2,1 parkeerplaatsen, in de openbare ruimte aan de oostzijde van de woningen komen 8 parkeerplaatsen.

Voor omzetting van het bestaande pand aan de Dorpsstraat 93 naar een woning kan volledig op eigen terrein worden voorzien. Daarmee wordt in de parkeerbehoefte voorzien. Voor alle parkeerplaatsen is uitgegaan van 2,5 meter breed en 5 meter diep.

De nieuwe ontsluiting krijgt aan beide zijden aan groenstrook, in het midden van de verkeerslus wordt ook groen aangelegd. Tussen de 8 parkeerplaatsen aan de zuidoostzijde en woning nr. 11 komt een groenstrook. De bomen die zijn aangepoot op het gedeelte van de gemeente (woonpercelen 8 t/m 11) worden daar waar mogelijk verplaatst naar deze groenstrook (de overige elders op gemeentegrond).

Op basis van bovenstaande uitgangspunten is een inrichtingsschets opgesteld om inzichtelijk te maken dat het plan ruimtelijk uitvoerbaar is. Dit betreft voorlopige inrichtingstekening, na het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure wordt het (binnen de regels van het nieuwe bestemmingsplan) nader uitgewerkt.

verplicht

2.4.3 Uitvoerbaarheid     

2.4.3.1 Toetsing aan beleidskader     

In het rijks- en provinciale beleid, waaronder de omgevingsverordening Gelderland, zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten en/of regels opgenomen ter plaatse van het plangebied. De ruimtelijke impact van het plan is daarnaast beperkt.

Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten getoetst worden of er behoefte aan bestaat. Dit wordt gedaan aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking (Laddertoets) als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (zie ook paragraaf 3.1.4). Voor woningbouw geldt dat nieuwe ontwikkelingen met twaalf woningen of meer gezien worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 11 nieuwbouwwoningen en omzetting van één bestaand pand naar een woning. Voor alle nieuwbouwwoningen geldt dat de gronden al wel bestemd zijn voor wonen, maar er geen bouwmogelijkheden aanwezig zijn. Bij het beoordelen of er een Laddertoets uitgevoerd dient te worden, is gebruik gemaakt van de overzichtsuitspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De 11 nieuwbouwwoningen vallen onder het begrip 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. De woning die in het bestaande pand komt is een stedelijke ontwikkeling, maar omdat er al een bouwtitel aanwezig is in het bestemmingsplan is het geen 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling (het ruimtebeslag neemt niet toe). Daarmee is een verplichte Laddertoets niet van toepassing, omdat het aantal nieuwe woningen onder de 12 blijft.

Wel is vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken naar de behoefte. De woningen zijn voorzien in bestaand stedelijk gebied. Het beleid rondom woningbouw is vastgelegd in de Regionale Woonagenda 2023-2030. In de Regionale Woonagenda wordt onder andere aandacht besteed aan versnelling van de woningbouw, betaalbaar en levensloopbestendig wonen, duurzaam bouwen, voorzieningen voor spoedzoekers en het nog meer toekomstbestendig maken van de bestaande woningvoorraad. Voor Bronckhorst is een opgave opgenomen van 1.000 woningen. Er moet 60% betaalbaar worden gebouw, waarvan 28% sociale huur en 32% koopwoningen tot 355.000. Voorliggend plan is meegenomen bij woningbouwprognose en voorziet in de beoogde opgave. Van de 11 nieuwe woningen vallen er 8 binnen de categorie betaalbaar, waarmee gemiddeld wordt bijgedragen aan de gemeentelijke doelstelling voor betaalbare woningen. De 3 woningen direct aan de noordkant van de Tarwestraat betreffen levensloopbestendige woningen. Daarnaast worden de woningen duurzaam gerealiseerd. Voor de vier betaalbare woningen aan de zuidzijde van de Tarwestraat (eigendom gemeente) wordt gekeken naar de mogelijkheden om deze te ontwikkelen in Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO). Het initiatief sluit daarmee aan op de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte binnen de gemeente.

In de waterparagraaf (2.4.3.2.9) en de klimaatparagraaf 2.4.3.2.10) wordt een beschrijving gegeven van de effecten van het plan op waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Daarmee wordt voldaan in het bepaalde in artikel 2.65b (klimaatadaptie) van de provinciale verordening (geconsolideerde versie januari 2023). Daarin staat dat bij een nieuwe ontwikkeling de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen dient te bevatten die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

Conclusie is dat het rijks- en provinciale beleid voorliggend initiatief niet in de weg staat.



Met de ruimtelijke kaders voor de woningen en de parkeeroplossingen zoals omschreven in paragraaf 2.4.2.3, sluit de beoogde ontwikkeling aan op de overige relevante beleidskaders zoals genoemd in Hoofdstuk 3.

2.4.3.2 Omgevingsaspecten     

2.4.3.2.1 Milieu-effectrapportage     

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt.



Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij projecten die kleiner zijn dan de drempelwaarden uit lijst C en D beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook deze projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is.



Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.



Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. weer gewijzigd. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.- beoordeling aan de orde is, moet:

  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld.
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen.



Beoordeling

In het kader van voorliggend plan is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (zie Bijlage 30). In de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is aangetoond dat het planvoornemen geen significant nadelige effecten heeft voor het milieu. De aanmeldnotitie wordt ter beoordeling voorgelegd aan het bevoegd gezag, de gemeente Bronckhorst. Gesteld wordt dat het initiatief geen nadelige effecten heeft voor het milieu.



Conclusie

Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.

2.4.3.2.2 Duurzaamheid     

Het aspect duurzaamheid wordt in het plan geïncorporeerd door in te zetten op duurzame bouw. Doordat gebruik wordt gemaakt van een inbreidingslocatie is er sprake van duurzaam ruimtegebruik. Daarnaast worden de woningen gasloos gerealiseerd. Daarnaast zal het hemelwater ter plaatse van het plangebied worden geïnfiltreerd.

Conclusie

Het plan voldoet aan het beleid op het gebied van duurzaamheid.

2.4.3.2.3 Bodem     

Een bestemmingsplan dat voorziet in bouw- en/of inrichtingsmogelijkheden dient een reëel beeld te geven van de bodemkwaliteit van de gronden waarop het initiatief betrekking heeft. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

Beoordeling

Om inzicht te kunnen krijgen in de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodem- en asbestonderzoek. Dit onderzoek is weergegeven in een rapportage van 20 april 2023 (zie Bijlage 31). In het onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgelegd. Behalve de chemische kwaliteit is tevens de aanwezigheid van asbest in de bodem onderzocht. Conclusie en aanbevelingen voor de locatie van de nieuwbouwwoningen zijn:

  • Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn indicaties waargenomen die hierop duiden.
  • In de puinverharding is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
  • In de grond direct onder de puinverharding zijn licht verhoogde gehalten met PCB’s en PAK’s aangetoond.
  • In zowel de boven- als ondergrond over het overige terrein zijn in de grond(meng)monsters geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende stof.
  • In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium en zink aangetoond.
  • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen.
  • De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond en in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden.
  • Bij het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de grove als fijne fractie van het puin is geen asbest aangetroffen.
  • De tevoren gestelde hypothese ‘De puinverharding kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ wordt verworpen.
  • Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.
  • De kwaliteit van de bouwvoor (A-MM07 en B-MM08) is getoetst aan het ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, kenmerk: IENW/BSK2020/126356, d.d. 2 juli 2020) landbodem generiek: De kwaliteit van de bovengrond voldoet aan de eisen voor klasse ‘Achtergrondwaarde’.

Op het gedeelte waar een woning in de bestaande bebouwing komt (Dorpsstraat 93) is wel verontreinigde grond aanwezig. Saneren kan door het verwijderen van de verontreinigde grond of door het tegengaan van contactrisico's. Omdat op dit moment ter plaatse al sprake is van een puinverhardingslaag van circa 50 cm (waardoor er geen sprake is van contactrisico), is er in de huidige situatie in feite al sprake van een reeds gesaneerde locatie. Omdat deze puinverhardingslaag in de toekomstige situatie intact blijft, is er op dit moment geen aanleiding tot het nemen van actieve sanerende maatregelen. In andere situaties, bijvoorbeeld wanneer in de toekomst de puinverhardingslaag zal worden verwijderd, dient dit nogmaals te worden beoordeeld in relatie tot de toekomstige gebruiksfunctie.

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4.3.2.4 Geluid     

Bij het aspect geluid is de Wet geluidshinder (Wgh) van toepassing. Deze wet heeft als doel het terugdringen van hinder als gevolg van geluid. De wet stelt bepaalde eisen aan de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Op basis van deze wet dient bij het vaststelling of herziening van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect geluid door de akoestische situatie te beoordelen. De geluidsbronnen die de Wet geluidhinder behandelt zijn industrielawaai, verkeerslawaai en railverkeerslawaai.

Beoordeling

Industrielawaai en railverkeerslawaai

Industrielawaai en railverkeerslawaai worden in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat er in de nabijheid van het plangebied geen gezoneerd industrieterrein of spoorlijn is gelegen. In paragraaf 2.4.3.2.7 wordt nader ingegaan op de invloed van de bedrijfsactiviteiten op de omgeving.

Wegverkeerslawaai

In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De hiervoor genoemde zones gelden niet voor:

  • wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2);
  • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

De gemeente Bronckhorst kent geen eigen geluidbeleid en volgt bij de beoordeling de Wet geluidhinder. Omdat de infrastructuur in de omgeving van het plangebied 30 km/uur wegen betreft is een toetsing aan de Wet geluidhinder (Wgh) niet aan de orde. Wel is vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken naar het wegverkeerslawaai van de omliggende wegen. Hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 32). Conclusie van het onderzoek is dat voor de nieuwbouwwoningen in voorliggend plan de geluidbelasting op de gevels voldoen aan de maximale waarde van 53 dB. Daarmee wordt voor deze woningen voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Extra geluidwerende voorzieningen zijn voor deze woningen niet noodzakelijk (woning 8 valt buiten het huidige plangebied).

Voor hergebruik van het bestaande pand aan de Dorpsstraat 93 zal de geluidsbelasting nagenoeg gelijk zijn aan woning 8 uit het akoestisch onderzoek. Het bestaande pand op nr. 93 heeft geen dakkapel aan de wegzijde, waardoor alleen de waarden op 1,5m hoogte relevant zijn. Maximaal berekende geluidsbelasting zal tussen de 56 en 59 dB liggen (het pand op nr. 93 ligt circa 5m zuidelijker dan meetpunt 01 van kavel 8). Daarmee wordt voor deze gevels niet op voorhand voldaan aan de maximale binnenwaarde van 33 dB op basis van de minimale eisen uit het Bouwbesluit (20 dB gevelwering). Uit een gevelweringsonderzoek zal de daadwerkelijke gevelwering moeten blijken en of er extra geluidwerende voorzieningen noodzakelijk zijn. Gezien de geringe geveloverschrijding (circa 3 tot 6 dB) is het aannemelijk dat er (eventueel na extra voorzieningen) voldaan kan worden aan de maximale binnenwaarde.

Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4.3.2.5 Luchtkwaliteit     

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Beoordeling

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens blijkt uit de gegevens van de Atlas Leefomgeving dat er geen grenswaarden worden overschreden voor fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide in de omgeving van het plangebied (peiljaar 2020). Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.



2.4.3.2.6 Geur     

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moet voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom ligt, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

Beoordeling

De realisatie van woningen zorgt ervoor dat geurgevoelige objecten (volgens de Wet geurhinder en veehouderij) binnen de bebouwde komen mogelijk worden gemaakt. De geurbelasting op de beoogde woningen mag in dit geval niet meer dan 3,0 ouE/m3 zijn. Tevens zijn voor bepaalde agrarische activiteiten richtafstanden voor geur opgenomen in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.

De agrarische activiteiten die voor geurhinder bij geurgevoelige objecten kunnen zorgen zijn genoemd in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. De uitvoerder van de betreffende agrarische activiteiten is verantwoordelijk voor het voorkomen van geurhinder bij geurgevoelige objecten. Het dichtstbijzijnde agrarisch bouwvlak is gelegen aan de Varsseveldseweg 1 (oostzijde plangebied) op een afstand van circa 165 meter van de eerste nieuwbouwwoningen. Voor de activiteiten binnen dit agrarisch bouwvlak (fokken en houden van melkvee) is een minimale richtafstand van 100 meter vastgesteld conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Het plangebied valt dus niet binnen de richtafstand voor geur.

Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende agrarische bedrijven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft geuremissie niet (verder) in de bedrijfsvoering belemmerd.

Conclusie

Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering     

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Aan de hand van de richtafstanden is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie in en rondom het betreffende projectgebied. Het gaat hierbij dus enerzijds om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen in ernstige mate wordt aangetast. Anderzijds gaat het om de vraag of de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling geen beperkende invloed heeft op de bedrijfsvoering van bestaande inrichtingen gaan hebben.

Beoordeling

In de omgeving van de aangevraagde ontwikkeling bevinden zich de in onderstaande tabel genoemde bedrijven/milieubelastende functies. De tabel toont per bedrijf de bepalende richtafstand per onderdeel (geur, stof, geluid en gevaar) en de bijbehorende milieucategorie. De werkelijke afstand in onderstaande tabel is gemeten tot de beoogde woningbouw. De huidige activiteiten aan de Dorpsstraat 93 zijn buiten beschouwing gelaten, omdat met dit bestemmingsplan het gebruik wordt omgezet naar een woning.

Functie Bepalend aspect Richtafstand Werkelijke afstand
Huisartsenpraktijk

Dorpsstraat 85-85a
geluid 10 m 10 m
Mengvoederfabriek

Dorpsstraat 102-104
Geur/geluid 200 m 20 m

Bij de planontwikkeling is rekening gehouden met de aan te houden afstand ten opzicht van de naastgelegen huisartsenpraktijk, nadere beoordeling is niet nodig omdat aan de richtafstand wordt voldaan.

Nadere beoordeling mengvoederfabriek

Voor de mengvoederfabriek geldt dat al sprake is van bestaande woningen op korte afstand van het bedrijf. Die woningen zijn zodanig gesitueerd dat de nieuwe woningen en omzetting van het pand op Dorpsstraat 93 naar een woning de gebruiksruimte/mogelijkheden van het bedrijf niet aantasten. Alleen in het geval van hoogbouw is dat mogelijk anders, maar daar is met de voorgenomen plannen geen sprake van.



Geluid

In de vergunning van het mengvoederbedrijf (d.d. 7 mei 2019) is voor geluid per bestaande woning een grenswaarde opgesteld. Dit is hieronder opgenomen:

verplicht

Voor de nieuwe woningen en de woning in het bestaande pand op nr. 93 zal de geluidsbelasting niet hoger uitvallen dan die voor Dorpsstraat 91 (zie bovenstaande tabel) omdat de nieuwe woningen op grotere afstand liggen (dichtstbij gelegen bouwvlak ligt op circa 60 meter van de voorgevel van de woning op nr. 91). Nadere beoordeling van de achterliggende nieuwbouwwoningen is niet noodzakelijk omdat het bedrijf al belemmerd wordt door de bestaande woningen die dichterbij liggen en voor die woningen al een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd voor het aspect geluid.



Geur

Voor geur is een norm vastgesteld in de revisievergunning van het mengvoederbedrijf d.d. 17 mei 2016 van 1,4 OUE/m3 als 98 percentielwaarde voor de woningen gelegen aan de Dorpsstraat 106, 111, 105, 93, 90 en 79 en de Aaltenseweg 28 te Halle. Volgens het Gelders geurbeleid valt deze locatie onder categorie A – hinderlijk. Hierbij horen de volgende waarden:

Streefwaarde 0,15

Richtwaarde 0,5

Grenswaarde 1,5

In dit geval gaat het om bestaande bronnen en kan worden uitgegaan van de grenswaarde. De vastgelegde geurnorm voor de mengvoederfabriek ligt onder de grenswaarde. Hieruit kan beoordeeld worden dat op basis van het Gelders geurbeleid een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd in het kader van het aspect geur voor de bestaande woningen zoals hierboven genoemd (waaronder al het pand op nr. 93). Omdat de nieuwe woningen op grotere afstand (minimaal 50 meter meer) liggen, geldt ook voor die woningen dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is ten aanzien van geur.



Conclusie

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4.3.2.8 Externe veiligheid     

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) die op 1 januari 2011 in werking is getreden. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Beoordeling

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het deelgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het deelgebied en omgeving weergegeven.

verplicht

In de omgeving van het plangebied ligt alleen de groothandel in consumentenvuurwerk (verpakt, opslag < 10 ton/) aan de Dorpsstraat 93. Deze huidige activiteiten aan de Dorpsstraat 93 kunnen buiten beschouwing worden gelaten, omdat met dit bestemmingsplan het gebruik wordt omgezet naar een woning.

Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4.3.2.9 Water     

Bij nieuwe projecten moet worden onderbouwd op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het project voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het project ligt in het werkgebied van waterschap Rijn en IJssel. Op hoger schaalniveau zijn met name het Nationaal Waterplan en de Europese Kaderrichtlijn Water van belang, het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2022-2027. Belangrijkste uitgangspunt bij deze documenten is deze volgorde te hanteren:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Beoordeling

Riolering en afvalwaterketen

Huishoudelijk afvalwater voor de nieuwe woningen wordt geloosd op het gemeentelijk rioleringssysteem. De bestaande capaciteit van de gemeentelijke riolering is voldoende om dit op te kunnen vangen. In het plangebied wordt waar nodig nieuwe riolering aangelegd.

Beschermingszones waterschap

Uit de toetsing aan het Keur en de Legger volgt dat er geen te beschermen watersystemen in of rondom het plangebied liggen.



Hemelwaterberging

Voor de beoogde ontwikkeling is het effect op de waterhuishouding beoordeeld aan de hand van de kaders van het waterschap Rijn en IJssel. Bij het invullen van de digitale watertoets zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Er is nog niet bekend of het verschil tussen de hoogte van de weg en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter gaat bedragen. Zekerheidshalve is ingevuld dat dit minder dan 30 cm zal zijn.
  • De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) in de huidige situatie is 0,2 - 0,4 m onder maaiveld. Uitgaande van minder dan 30 cm (zie vorige punt) zal het verschil tussen GHG en bovenzijde van de begane-grondvloer kleiner zijn dan 100 cm.
  • Bergingseis 80 mm / bui T = 100 + 10%.
  • Vermindering berging i.v.m. berging dak/straat 3mm.
  • Infiltratieduur 12 uur.
  • Infiltratiecapaciteit bodem 20 mm (fijn zand, zie bodemprofielen in Bijlage 31).
  • Voor het oppervlakte aan verharding zijn het maximale bebouwingspercentage uit de planregels toegepast voor bouwwerken en vervolgens is aangehouden dat 50% van de onbebouwde delen van een perceel verhard worden.

Bij het bepalen van de toename van het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating is uitgegaan van de volgende gegevens (bestaande pand op nr. 93 is buiten beschouwing gelaten omdat hier geen aanpassingen t.o.v. de bestaande situatie zijn):

verplicht

Voor de woonpercelen kan het hemelwater conform de uitgangspunten worden afgehandeld. Voor de toename aan verharding in de openbaar toegankelijke plandelen is er voldoende onbebouwde groenstrook om de toename van verharding door toegangswegen en -paden en de nieuwe parkeerplaatsen te compenseren.

Conclusie

Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4.3.2.10 Klimaat     

Op grond van de Omgevingsverordening Gelderland moet bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening worden gehouden met klimaateffecten. Hiervoor is de Klimaatatlas Bronckhorst worden geraadpleegd.

Beoordeling

Uit de Klimaatlas Bronckhorst blijkt het volgende:

Halle kent een verhardingspercentage van 50-60%. Zowel de huidige als de toekomstige (2050) zomergrondwaterstand liggen op circa 2,5 m onder maaiveld, de locatie is zeer droogtegevoelig. Voor de locatie is er geen significante overstromingskans.

Het zuidelijk deel is gevoelig voor piekbuien, maar uit de watertoets (zie 2.4.3.2.9) volgt dat er voldoende infiltratiecapaciteit is.

verplicht

Op dit moment is de beoogde grond een braakliggend stuk grond waar enkel gras op ligt. Gelet op de huidige klimaatproblematiek is vergroening zeer belangrijk tegen hittestress. Ook al is hier sprake van slechts een simpel veldje, het draagt wel bij aan verkoeling. Door deze grond te ontwikkelen vindt er

meer verstening plaats wat hittestress in de hand werkt. Het plan wordt echter wel dusdanig ontwikkeld en ontworpen dat er rekening wordt gehouden met het klimaat. Er wordt zoveel mogelijk groen toegevoegd aan het plan.

Conclusie

Het aspect 'klimaat' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4.3.2.11 Archeologie en cultuurhistorie     

Archeologische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn.

In het Besluit ruimtelijke ordening is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

Beoordeling

Met het voorliggende plan worden geen cultuurhistorische waarden gesloopt of aangetast. Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten die worden gesloopt en/of aangetast. Ook worden andere cultuurhistorische waarden niet aangetast.

De ontwikkelingen vinden plaats op gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Deze aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m² of het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

Omdat de normen met de beoogde woningbouwplannen worden overschreden, is er archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 37). Op basis van de bekende landschappelijke en archeologische gegevens, heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting vanaf de Prehistorie tot en met de Late Middeleeuwen (in ieder geval vanaf de late prehistorie/Late Ijzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen), en een lage tot middelhoge verwachting voor de Nieuwe tijd. De relatief hoge ligging maakte het een aantrekkelijke locatie voor menselijke activiteit en bewoning. Door de vorming van een esdek zijn eventuele archeologische resten naar verwachting goed geconserveerd. De C-horizont bevindt zich op basis van het booronderzoek uit 1999 binnen het plangebied tussen de 40-140 cm -mv.



De archeologische monumentenzorg gaat uit van het principe dat archeologische waarden zoveel mogelijk moeten worden ontzien, c.q. onverstoord ‘in situ’ in de bodem moeten blijven. Gezien de aard van de ingrepen (nieuwbouw, aanleg infra etc.) maakt het naar verwachting echter lastig om ‘archeologievriendelijk’ te bouwen, dat wil zeggen om alle ingrepen boven het relevante archeologische niveau te laten plaatsvinden, als er geen sprake is van voorgaande ophoging.

Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning voor de woningen dient er daarom vervolgonderzoek uitgevoerd te worden. Daarvoor is een (aanvullend) karterend en waarderend onderzoek door middel van proefsleuven de meest geschikte opsporingsmethode. Voorafgaand aan de uitvoering van een dergelijk onderzoek dient altijd eerst (verplicht) een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, dat de goedkeuring behoeft van de gemeente als bevoegd gezag. Om te waarborgen dat er archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd, wordt in voorliggend bestemmingsplan de dubbelbestemming voor archeologie voor het plangebied in stand gehouden. In de overeenkomst tussen de gemeente en de overige initiatiefnemers zijn afspraken gemaakt over de kosten van het archeologische vervolgonderzoek en eventuele vondsten.



Wanneer het bevoegd gezag besluit uiteindelijk besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst).

Het conceptrapport van het archeologisch vooronderzoek is namens het bevoegd gezag beoordeeld door de regio-archeoloog van de Omgevingsdienst Achterhoek. In een advies met zaaknummer 2023EA0836 is aangegeven in te kunnen stemmen met het advies om een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren.

Conclusie

Het aspect 'archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4.3.2.12 Flora en fauna     

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

Beoordeling

Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd om duidelijk te maken hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming (zie Bijlage 33). Hieronder staan de conclusies van de quickscan.

Soortenbescherming

Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt

De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.

Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt

Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Tijdens de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met deze soortgroep. Het weghalen van opgaande beplanting in de tuin moet buiten het broedseizoen (1 maart tot 15 juli) gebeuren om te voorkomen dat in gebruik zijnde nesten van vogels worden beschadigd. Dit is niet noodzakelijk voor de fruitbomen aan de zuidkant van het plangebied.

Zorgplicht

In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen 'voldoende zorg' in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.

Gebiedsbescherming

Niet stikstof-gerelateerde effecten

In de omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 14 km noordelijk van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Stelkampsveld (Aerius, 2023). Op 14 km oostelijk van het plangebied ligt het Korenburgerveen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Stikstof-gerelateerde effecten

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is middels de AERIUS-calculator een stikstofberekening uitgevoerd om de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden in beeld te brengen. De onderbouwing van de berekening is opgenomen in Bijlage 34, de uitkomsten van de berekeningen in Bijlage 35 (aanlegfase) en Bijlage 36 (gebruiksfase). Op basis van de stikstofberekeningen kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen stikstofberekening voor zowel de aanlegfase als gebruiksfase van de nieuwe woningen geen resultaten c.q. depositieresultaten boven 0,00 mol N/ha/jaar oplevert. Hiermee wordt de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar geacht.

Bescherming houtopstanden

Twaalf fruitbomen en verschillende jonge berkenbomen worden binnen het plangebied weggehaald. Het gaat om bomen binnen de bebouwde kom van Halle, waardoor moet worden gewerkt volgens de gemeentelijke verordening van Bronckhorst (Gemeente Bronckhorst, 2023). De gemeentelijke verordening geeft aan dat een omgevingsvergunning noodzakelijk is voor esdoorn, paardenkastanje, haagbeuk, beuk, es, noot, plataan, populier, eik, grove den, acacia, linde, iep, wilg, els en tamme kastanje met een omtrek van meer dan 95 centimeter op borsthoogte. De betreffende bomen hebben een omtrek die significant kleiner is dan 95 centimeter, waardoor een omgevingsvergunning niet noodzakelijk is.

Gelders Natuurnetwerk

Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het GNN of GO (Provincie Gelderland, 2023). Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN significant aantasten. Een toetsing aan het GNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Het aspect 'flora en fauna' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4.3.2.13 Verkeer     

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Hierdoor kunnen berekening worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.

Beoordeling

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • Stedelijke zone: rest bebouwde kom;
  • Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk;
  • Functie: ‘wonen’.

Bestaande situatie

In de bestaande situatie heeft het plangebied geen verkeersaantrekkende werking.

Beoogde situatie

In de beoogde situatie zijn de volgende nieuwbouwwoningen (inclusief bijbehorende verkeersbewegingen) binnen het plangebied aanwezig:

Koop, vrijstaand (8,2): 1 woningen * 8,2 = 8,2

Koop, twee-onder-een-kap (7,8): 6 woningen * 7,8 = 46,8

Koop, tussen/hoek (7,4): 4 woningen * 7,4 = 29,6

De totale verkeersgeneratie in de beoogde situatie bedraagt hiermee afgerond 85 verkeersbewegingen per dag. Deze toename is op de Tarwestraat / Abbinkstraat, maar de huidige verkeersdruk op deze wegen is beperkt en er is voldoende capaciteit voor de beperkte toename van verkeersbewegingen (ook op de Dorpsstraat).

Voor omzetten van het bestaande bedrijfspand op Dorpsstraat 93 naar een woning geldt dat het aantal verkeersbewegingen voor de toegestane detailhandel en bedrijvigheid hoger ligt dan die voor één woning, waarmee sprake is van een afname.

Tevens zijn er voldoende parkeerplaatsen voorzien om aan de parkeerbehoefte te kunnen voldoen (zie paragraaf 2.4.2.3 Planbeschrijving).

Conclusie

Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4.3.2.14 Leidingen     

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten bij een bestemmingsplan ook de planologisch relevante kabels en leidingen worden beschouwd.

Beoordeling

In het plangebied zijn geen leidingen gelegen met een planologisch relevante beschermingszone, noch overlapt een beschermingszone van een planologisch relevante leiding hiermee.

Conclusie

Het aspect 'leidingen' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.4.3.3 Volkshuisvesting     

Voorliggend plan sluit aan bij het woonbeleid van de gemeente Bronckhorst, de Woonvisie Ruimte voor wonen in Bronckhorst 2019-2025. Zie voor meer informatie 2.4.3.1 Toetsing aan beleidskader.

2.4.3.4 Economisch     

Het voorliggende plan betreft gedeeltelijk een particulier initiatief en gedeeltelijk een gemeentelijk initiatief. De gemeente Bronckhorst heeft met de particuliere initiatiefnemers een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten voor de gemeentelijke kosten (proceskosten en bovenwijkse voorzieningen). Hierin is tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. De kosten voor het gemeentelijke deel worden verwerkt in de uitgifteprijzen van de betreffende woningen.

2.4.3.5 Maatschappelijk     

Het toevoegen van woningen en met name starterswoningen biedt mogelijkheden voor een leefbaarder en vitaler dorp. Door de realisatie van deze woningen zijn er meer opties voor doorstroming en het vestigen van starters. Het dorp kan op deze manier het aantal bewoners behouden en uitbreiden.

2.4.3.6 Overleg en inspraak     

2.4.3.6.1 Overleg     

Het is niet noodzakelijk geacht om voorafgaand aan het ontwerpbestemmingsplan overleg te voeren met provincie of rijk. Het is op de voorhand duidelijk dat er geen rijks- of provinciale belangen worden geraakt door dit initiatief.

2.4.3.6.2 Inspraak     

De ontwikkeling vindt plaats in het hart van het dorp. Dit is een braak stuk liggend deel. Ten tijde van de

vorige crisis was hier in eerste instantie ook woningbouw gepland. De terreinen aan de Tarwestraat

hebben al de bestemming 'Wonen', maar missen nog een formeel bouwvlak. De omwonenden op de

Tarwestraat en Dorpsstraat zijn hier ook altijd van uitgegaan dat dit te zijner tijd zou plaatsvinden.

In maart 2022 is er een nieuwsbrief gestuurd aan omwonenden over de voorgenomen woningbouwplannen. In de nieuwsbrief is het plan op hoofdlijnen toegelicht. Op 22 maart 2023 is er voor belangstellenden een informatiebijeenkomst georganiseerd waar vertegenwoordigers van de initiatiefnemers, gemeente, Starters Halle en Halle's Belang aanwezig waren. Doel van de avond was om het uitgewerkte plan en het vervolgproces toe te lichten en om eventuele vragen te beantwoorden. Aanwezigen hebben een verslag van de bijeenkomst ontvangen en het verslag en de presentaties zijn gedeeld via de website van de gemeente (https://www.bronckhorst.nl/woningbouw-in-halle).

Het eerste initiatief is gestart met het idee om (starters)woningen aan te kunnen bieden voor jongeren uit Halle. Voor deze groep geïnteresseerden zijn ook de eerste avonden georganiseerd. De gemeente heeft de inschrijfmogelijkheid voor een CPO-starterswoning via de gemeente na de informatieavond voor Halle e.o. beperkt open gehouden, deze is gesloten per 1 april 2023. Hierover is gecommuniceerd op de informatieavond, via “Contact” en de website.

2.4.3.7 Conclusie     

In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe het voorgenomen project past binnen de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Er wordt geconstateerd dat er geen waarden aangetast worden in het betrokken plangebied en in de directe omgeving. Verder zijn er geen milieukundige belemmeringen geconstateerd. Ruimtelijk zijn de voorgenomen ontwikkelingen daarmee uitvoerbaar.

2.4.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4.

2.4.4.1 Bestemmingsregels     

2.4.4.1.1 Verkeer     

Verkeer

Deze bestemming richt zich op het openbare gebied. Binnen deze bestemming kunnen meerdere doeleinden worden onderscheiden, zoals ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, parkeer-, groen- en verblijfsvoorzieningen. Het groen dat geen onderdeel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur volgens het groenstructuurplan van de gemeente Bronckhorst (maar wel een ruimtelijke functie vervult) is bestemd als 'Verkeer'.

2.4.4.1.2 Wonen     

Wonen

Woningen zijn ondergebracht in de bestemming 'Wonen'. Voor regulering van de woonfunctie kan deels verwezen worden naar paragraaf 4.2.2.

Het hoofdgebouw (de woning, al dan niet met aan- en uitbouwen) kunnen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven 'bouwvlak'. Deze bouwvlakken zijn, in tegenstelling tot de voorgaande plannen, niet per hoofdgebouw strak om de bestaande bebouwing getrokken, maar betreffen bouwstroken waarbinnen meerdere woningen liggen.

Bij het bepalen van de bouwvlakken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

  1. zoveel mogelijk bestaande rechten respecteren, tenzij er ruimtelijk-stedenbouwkundige argumenten zijn om te beperken
  2. geen doublures met de toekomstige regels voor vergunningvrij bouwen
  3. ruimte creëren voor de toekomst
  4. toekomstige afwijkingsprocedures voorkomen
  5. rekening houden met belangen belendende bestemmingen/bebouwing
  6. rekening houden met het algemeen ruimtelijk beeld

De woningen worden als volgt gereguleerd. In beginsel worden aaneengesloten bouwvlakken gehanteerd. Woningen van eenzelfde categorie (vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd, gestapeld) die naast elkaar gesitueerd zijn, worden zoveel mogelijk in één bouwvlak geplaatst. Daarbij worden in de regel rechthoekige bouwvlakken gehanteerd. Er kunnen stedenbouwkundige redenen zijn om hier van af te wijken. Voor de situering en grootte van het bouwvlak gelden de volgende uitgangspunten:

woningtype min. afstand zijdelingse perceelgrens voetnoot: De afstand tot de zijdelingse perceelgrens geldt alleen voor 'tussensituaties' en 'eindsituaties', die niet op een hoek liggen, bij 'hoeksituaties' gelden andere uitgangspunten  diepte bouwvlak max. oppervlakte min. afstand achterste perceelgrens
vrijstaand [vrij] 3m 15m 200m2 8m
twee-aaneen [tae] 3m 12m 150m2 8m
aaneengebouwd [aeg] bestaande bebouwing bestaande maat

met afwijking 10m voetnoot: Bij aaneengebouwde woningen wordt de bestaande maat gehanteerd. Het wordt ook mogelijk om, zoals bij vrijstaand en twee-aaneen, het hoofdgebouw aan de achterzijde uit te breiden middels binnenplanse afwijking. Daarbij kan sprake zijn van de schaduwwerking. Aan deze afwijkingsbevoegdheid worden criteria gesteld ter voorkoming van onevenredige hinder voor omwonenden door schaduwwerking of in verband met privacy. 
- 8m
gestapeld bestaande maat bestaande maat - -

Hoewel er door het hanteren van ruime bouwvlakken fysiek ruimte is voor de bouw van een extra woning, is daarvoor geen planologische ruimte. In de planregels is opgenomen dat het bestaand aantal woningen niet mag worden vermeerderd. Dit vanwege het regionale en gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 3.4.3). Daar waar op grond van het woonbeleid nog ruimte is voor het realiseren van nieuwe woningen, is op de betreffende locaties de aanduiding 'maximum aantal woningen' opgenomen.

De plaatsing van bijbehorende bouwwerken als aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is in de planregels verbaal beschreven. Alleen in enkele situaties waar dat op stedenbouwkundige gronden gewenst is, is er een aanduiding 'bijgebouwen' toegepast. Bijbehorende bouwwerken zijn ook binnen het bouwvlak mogelijk. De maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op een bouwperceel is 120 m².

Voor kleinere percelen zouden de bouwmogelijkheden voor hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken kunnen leiden tot een ongewenste dichtheid aan bebouwing. Daarom is er per bouwwijze een maximum bebouwingspercentage van het bouwperceel opgenomen, te weten 30% voor vrijstaande woningen, 40% voor twee-aaneen woningen (halfvrijstaand) en 50% voor aaneengebouwde woningen (rijwoningen).

Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken, die qua functie hieraan ondergeschikt zijn. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast.

Bij een aan huis verbonden beroep en aan huis verbonden bedrijf is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde Bijlage 2. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een bed & breakfast-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Een gedeelte van de woning mag onder voorwaarden als afhankelijke woonruimte worden gebruikt. Daarmee is het mogelijk om ruimten binnen de woning in te richten om een naaste te kunnen verzorgen uit het oogpunt van mantelzorg Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat er geen sprake mag zijn van woningsplitsing. Hiervoor zijn geen regels in het bestemmingsplan opgenomen omdat het landelijke Besluit omgevingsrecht (Bor) reeds in voorziet in een vergunningvrije mogelijkheid.

2.4.4.1.3 Waarde     

Waarde - Archeologische verwachting 1

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. Waarde - Archeologische verwachting 1 staat voor een hoge verwachtingswaarde.er bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden.

2.5 Velswijkweg 46 Zelhem     

2.5.1 Inleiding     

In dit hoofdstuk wordt de bestaande situatie binnen het plangebied beschreven, worden de uitgangspunten ten aanzien van de planvorming benoemd en wordt de (milieukundige) haalbaarheid aangetoond.

2.5.1.1 Aanleiding     

Het plangebied betreft het schoolplein dat behoorde tot basisschool De Mammoet. Vanwege de terugloop van het aantal leerlingen is de school gesloten. Het schoolgebouw is getransformeerd naar zes wooneenheden. De gemeente wil daarnaast medewerking verlenen aan de realisatie van twee woningen (twee aaneen) op het voormalige schoolplein. Voorliggend plan voorziet hierin.

2.5.1.2 Plangebied     

Het plangebied betreft het voormalige schoolplein van basisschool De Mammoet en een deel van de bestaande buitenruimte, aan de Velswijkweg 46 in Velswijk. Het plangebied ligt ten westen van centrum Velswijk en ligt aan de rand van de bebouwde kom. Het plangebied grenst ten noorden aan de Velswijkweg en ten zuiden aan agrarische gronden. Ten oosten van het plangebied bevinden zich woningen en aan de westzijde staat een buurthuis. Ter hoogte van het plangebied bevinden zich enkele parkeerplaatsen.

Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

verplicht

Ligging plangebied.

2.5.1.3 Vigerende planologische situatie     

Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende (relevante) bestemmingsplannen van toepassing:

Bestemmingsplan stedelijk gebied Bronckhorst

Binnen dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen ‘Maatschappelijk’ en ‘Waarde – Archeologische verwachting 3’. Daarnaast is een bouwvlak weergegeven, een maximum bebouwingspercentage en een maatvoering van de bebouwing. Op de volgende afbeelding is dat weergegeven.

verplicht

Uitsnede bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied Bronckhorst’.

De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, woon-zorgcomplex, wonen, bedrijfswoning, begraafplaats, groen- en parkeervoorzieningen en sport- en speelvoorzieningen. Wonen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'wonen'.

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 5.000 m2 dient de aanvrager een rapport van archeologisch onderzoek te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

Parapluplan archeologie

Ook op basis van dit bestemmingsplan kent het plangebied de bestemming ‘Archeologische verwachtingswaarde – 3’.

2.5.1.4 Leeswijzer planonderdeel     

In dit hoofdstuk wordt de bestaande situatie van het plangebied beschreven. Daarnaast worden de randvoorwaarden met betrekking tot de ontwikkeling van het plangebied uiteengezet, waarna de uitvoerbaarheid van het plan wordt getoetst.

2.5.2 Initiatief     

2.5.2.1 Bestaande situatie     

Het plangebied betreft het voormalige schoolplein van basisschool De Mammoet die in 2018 is gesloten. Aan de straatzijde is een groene erfafscheiding aanwezig. Aan de weg bevinden zich enkele parkeerplaatsen. Aan de overzijde van de weg bevindt zich agrarisch land. Op de volgende afbeelding is de locatie vanaf de Velswijkweg weergegeven.

verplicht

Zicht op het plangebied, rechts, achter de bosschage. Links het voormalige schoolgebouw en op de voorgrond enkele parkeerplaatsen.

verplicht

Zicht op het plangebied vanaf de Velswijkweg.

Aan de achterzijde van het plangebied is zicht op het open landschap achter de voormalige school. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan het voormalige schoolgebouw. Aan de oostzijde bevindt zich het buurthuis. Aan deze zijde van het plein bevindt zich een schuurtje. Op de volgende afbeelding is een de hiervoor beschreven situatie zichtbaar.

verplicht verplichtAfbeelding links: grens schoolplein – buurthuis. Foto rechts: boom op achter grens plangebied.

verplicht

Oostelijke begrenzing van het plangebied ter hoogte van de voormalige school.

2.5.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

Het gebied rond Velswijk wordt gekenmerkt door kleinschalige bebouwing en veel agrarische gronden. Ook het plangebied was tot midden jaren ’60 van de vorige eeuw uit agrarisch gebied. Op de volgende afbeelding is dat weergegeven.

verplicht

Situatie plangebied midden jaren ’60 van de vorige eeuw.

Door de uitbreiding van Velswijk in zuidwestelijke richting werd het plangebied bebouwd. Dat was in de tweede helft van de jaren ’60 van de vorige eeuw. Op de volgende afbeelding is dat weergegeven.

verplicht

Situatie eind jaren ’60 van de vorige eeuw.

Rond die tijd werd een langere strook aan de zuidzijde van Velswijkweg bebouwd. De gronden ten zuiden van deze bebouwing bleef agrarisch. Dat is nog steeds zo.

Binnen het plangebied werd in 2010-2011 een school gevestigd, De Mammoet. Op de volgende afbeelding is dat weergegeven.

verplicht

Situatie in 2011.

Door een terugloop van het aantal leerlingen van de school is de school in 2018 gesloten en heeft een transformatie van de school naar appartementen plaatsgevonden. Doordat het schoolplein haar functie verloor kunnen op basis van voorliggend bestemmingsplan twee woningen worden gerealiseerd.

2.5.2.1.2 Ruimtelijke structuur     

Het plangebied ligt in een strook bebouwing aan de zuidzijde van de Velswijkweg. Richting de kruising met de provinciale weg bevindt zich een woning. Daarnaast bevindt zich het gebouw van de voormalige basisschool De Mammoet. Met als onderdeel daarvan het schoolplein waar voorliggende ontwikkeling betrekking op heeft. Daar weer naast bevindt zich het buurthuis, waarna de bebouwde kom eindigt en over gaat in landelijk gebied. Ook aan de noord- en zuidzijde van het plangebied is sprake van landelijk gebied.

Ter plaatse van het plangebied gelden geen landschapswaarden. In het kader van voorliggend plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar natuurwaarden. De uitkomsten van dit onderzoek zijn in paragraaf 2.1.3.2.11 beschreven.

2.5.2.1.3 Functionele structuur     

Ter plaatse van het plangebied was een school aanwezig. Deze is getransformeerd naar woningen. Deze functie sluit aan op voorliggend plan en de naastgelegen woningen aan de Velswijkweg. Het naastgelegen buurthuis en de omliggende (agrarische) bedrijven zorgen voor een menging van functies.

2.5.2.2 Randvoorwaarden     

2.5.2.2.1 Stedenbouwkundige eisen     

Het plangebied was, in combinatie met de basisschool De Mammoet, in eigendom van de gemeente Bronckhorst. Door het sluiten van de school heeft het plangebied haar functie verloren. Daarom is gezocht naar een nieuwe, passende invulling van het plangebied. Dat heeft geresulteerd in de transformatie van de school en de mogelijkheid om twee woningen op het schoolplein te realiseren. De gemeente heeft op basis van ruimtelijke en functionele criteria een locatiepaspoort opgesteld. Hierin zijn ruimtelijke en programmatische randvoorwaarden van de ontwikkeling opgenomen. De randvoorwaarden die voor het plangebied gelden zijn:

  • er worden twee halfvrijstaande woningen (twee aaneen) gebouwd)
  • de woningen vallen in het dure segment en de bijbehorende parkeernorm is daarop van toepassing
  • de bestaande verharde oppervlaktes moeten afgekoppeld worden van het rioolsysteem. Op eigen terrein moet een waterberging van 400 m3 per hectare verhard oppervlak gerealiseerd;
  • De bomen op het perceel vertonen geen gebreken, zijn in goede conditie en hebben een goede levensverwachting. (>10jr). Ze vallen allen in de categorie 9-12 m. Een ervan is geïdentificeerd als zomereik. Het betreffen allen streekeigen, en op lange termijn grote (potentieel monumentale/markante) bomen. Gezien de locatie vormen ze onderdeel van de dorpsrand. De gemeente wenst dat deze bomen behouden blijven. Het is aan de initiatiefnemer om hier bij het plan rekening mee te houden.
  • De bouw- en goothoogte bedragen respectievelijk maximaal 9 en 6 meter;
  • De voorste grens van het bouwvlak wordt in de bestaande rooilijn gesitueerd;
  • De diepte van het bouwvlak bedraagt maximaal 12 meter;
  • De afstand van de achterste grens van het bouwvlak tot de achterste perceelsgrens bedraagt minimaal 8 meter;
  • De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter;
  • Het bebouwingspercentage van de bouwkavel bedraagt maximaal 40%.

Voorgaande randvoorwaarden zijn vertaald in de regels en de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

2.5.2.2.2 Beeldkwaliteitseisen     

Ten aanzien van voorliggend plan geldt dat het plan bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt getoetst aan het gemeentelijk welstandsbeleid. Voor dit plan zijn, behoudens eisen ten aanzien van nok- en goothoogte, de positie van de voorgevelrooilijn en de afstand tot belendende percelen, geen eisen gesteld.

2.5.2.2.3 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

De ruimtelijke inpassing van het plan is afgeleid van de in paragraaf 2.1.1.1.1 opgesomde eisen. Hiermee is geborgd dat de situering van de woningen ten opzichte van belendende percelen passen is en dat de voorgevelrooilijn aansluit op het naastgelegen gebouw.

De woningen zijn met de voorzijde naar de weg gesitueerd, de achtertuinen richting het landschap. Door het behoud van de bestaande boom blijft het groene karakter behouden. In de volgende paragraaf wordt het plan nader beschreven.

2.5.2.3 Planbeschrijving     

Het plan voorziet in het realiseren van twee woningen die aaneen worden gerealiseerd. De voorgevelrooilijn wordt in lijn met de naastgelegen school gerealiseerd. Het bestaande groen aan de voorzijde van het perceel wordt weggehaald om de woningen toegankelijk te maken voor de bewoners. Parkeren kan zodoende op eigen terrein plaatsvinden aan weerszijden van de woning. Hier wordt een strook van 3 meter vrijgelaten tussen de woningen en de belendende percelen.

De woningen krijgen ruime achtertuinen, doordat de afstand tussen het bouwvlak en de achterste perceelsgrens veel meer dan 8 meter is, zoals in de stedenbouwkundige randvoorwaarden is opgenomen. De bestaande boom op het achterterrein blijft behouden.

Ten aanzien van de verschijningsvorm van de woningen dient een plan te worden uitgewerkt die past binnen de geldende welstandscriteria van de gemeente Bronckhorst.

Het plan voorziet in de realisatie van twee woningen op een terrein dat nu ook al verhard is. De gemeente verzorgt de aansluiting voor vuilwater tot aan de perceelgrens van de kavel. Op het eigen terrein moet de initiatiefnemer zelf zorggedragen voor de aanleg van de riolering. De afvoer van het hemelwater moet geïnfiltreerd worden op eigen terrein of (in uitzondering) als een gezamenlijke voorziening (waterberging van 400 m³ per hectare).

Op de volgende afbeeldingen is de inpassing van de woningen ten opzichte van de omgeving weergegeven. Hiermee wordt voldaan aan de in het locatiepaspoort geformuleerde criteria.

verplicht verplicht

Bovenaanzicht tweekapper (indicatief).

2.5.3 Uitvoerbaarheid     

2.5.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Het voornemen past binnen de beleidskaders zoals beschreven in hoofdstuk 3 van deze toelichting. Hierna worden enkele belangrijke aspecten nader toegelicht.

Rijksbeleid

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie. Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat de Ladder van toepassing is bij ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’ (3.1.6 Bro). Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt in Bro 1.1.1 als volgt gedefinieerd:

“stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.”

Met voorliggend plan worden 2 woningen toegevoegd. Daarom wordt gesteld dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet vereist.

Provinciaal beleid

De voorgenomen ontwikkeling van 2 woningen is niet in strijd met de Ladder voor duurzame verstedelijking en derhalve ook niet in strijd met de beginselen van de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Het plan ligt niet binnen het Gelders Natuurnetwerk of een Groene Ontwikkelingszone.

Ten aanzien van voorliggend bestemmingsplan zijn de regels met betrekking tot het onderwerp ‘wonen’ uit de omgevingsverordening relevant. In de verordening wordt voor ‘wonen’ aangegeven dat nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts zijn toegestaan wanneer het plan passend is binnen het vigerende vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma of de vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio, in voorliggend geval de Achterhoek.

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van 2 woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Met de bouw van de woningen wordt er invulling gegeven aan een locatie binnen reeds bestaand stedelijk gebied. Er is, in navolging van de doelstellingen van de provincie, sprake van inbreiding. Het plan draagt bij aan de woningbouwopgave van de gemeente Bronckhorst. Het plan is tevens passend binnen de Regionale woonagenda Achterhoek.

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie en past binnen de regelgeving van de Omgevingsverordening.

Regionaal beleid

Binnen het regionaal beleid is met name de regionale woonvisie en -monitor voor de Achterhoek van belang. Naast de vigerende woonvisie is er inmiddels ook een geactualiseerde versie van de woonagenda in omloop, te weten de 'Regionale Woonagenda 2023-2030'. In deze woonagenda worden aan het voornemen om meer woningen te realiseren. Met voorliggend plan wordt hier in beperkte mate invulling aan gegeven.

Gemeentelijk beleid

Voorliggend initiatief geeft invulling aan een onbebouwd deel van een voormalig schoolgebouw, binnen de kern Velswijk. Het plan wordt gerealiseerd naast het voormalige schoolgebouw dat ook getransformeerd wordt naar ‘wonen’. Met het plan wordt voorzien in een aantoonbare actuele behoefte aan woningen. Het initiatief is derhalve in overeenstemming met het gemeentelijk woonbeleid conform de Woonvisie.

Ten aanzien van andere gemeentelijk relevante thema’s, zoals klimaat, water en cultuurhistorie, wordt in de navolgende paragrafen verder ingegaan op de wijze waarop binnen het plan met deze thema’s wordt omgegaan.

2.5.3.2 Omgevingsaspecten     

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

Hieronder worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Achtereenvolgend wordt ingegaan op de thema’s milieu-effectraportage, duurzaamheid, bodem, geluid, luchtkwaliteit, geur, bedrijven en milieuzonering, Externe veiligheid, Water, Archeologie en cultuurhistorie, Flora en fauna, verkeer en leidingen.

2.5.3.2.1 Milieu-effectrapportage     

Beleidskader

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel.

In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden.

  1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op.
  2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.
  3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

Vormvrije m.e.r-beoordeling

Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang van het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer,
  • een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Het bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van een maatschappelijke bestemming in een woonbestemming welke voorziet in de realisatie van twee woningen. Gelet hierop moet deze ontwikkeling aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het plan wordt dan ook genoemd onder categorie D 11.2 van de lijst van bijlage D van het Besluit m.e.r. De drempelwaarden zoals opgenomen voor de omvang van het stedelijke ontwikkelingsproject worden niet overschreden.

Conclusie

De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld. Dit is in voorliggende hoofdstukken beschreven en op basis van onderzoek aangetoond. Het college neemt op basis hiervan het expliciete besluit dat geen m.e.r.-plicht geldt.

2.5.3.2.2 Duurzaamheid     

Middels voorliggend plan wordt een verhard schoolplein onderdeel van een woonomgeving. Door het verminderen van de verharding, ontstaat ruimte voor betere opvang en afvoer van hemelwater en aanplant van groen. Hittestress neemt ten gevolge van de afname van verharding af. Deze maatregelen dragen bij aan een duurzaam woon- en leefklimaat.

De woningen worden bijna-energieneutraal gerealiseerd waardoor veel energiebesparende maatregelen worden getroffen. Denk daarbij aan het realiseren van een warmtepomp, het plaatsen van zonnepanelen en het gebruik van duurzame materialen.

2.5.3.2.3 Bodem     

Algemeen

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij elke ruimtelijke ontwikkeling aangetoond te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodemonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling.

Toetsing

In juli 2022 is door Greenhouse Advies B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied en het naastgelegen schoolgebouw. Dit onderzoek is als Bijlage 38 bijgevoegd. Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat de bodem bestaat uit zand, met op een enkele locatie een leemlaag. In de bovengrond bij twee boorpunten zijn sporen van baksteen aangetroffen. Daarnaast zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Tijdens de monsterneming is de grondwaterstand aangetroffen op een diepte van 1,9 m-mv. Uit de toetsing van de analyseresultaten dat in zowel de boven- als de ondergrond de gehalten van geen van de onderzochte parameters boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond.

Uit de toetsing van de analyseresultaten van het grondwater blijkt dat de concentraties van barium en cadmium licht verhoogd zijn ten opzichte van de streefwaarde. De lichte verhoging geeft echter geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek omdat de betreffende waarden natuurlijke achtergrondwaarden zijn, zo leert navraag bij de onderzoeker.

Naar aanleiding van de analyseresultaten is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het toekomstig gebruik (wonen).

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

2.5.3.2.4 Geluid     

Algemeen

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door industrie, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting mag hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. In deze paragraaf wordt ingegaan op het akoestisch effect van wegverkeerslawaai, in paragraaf 2.1.3.2.7 wordt ingegaan op het akoestisch effect van bedrijven.

Toetsing

Met het initiatief is sprake van de realisatie van twee wooneenheden op een voormalig schoolplein. Daarmee is er sprake van de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Van invloed op het plan is het effect van wegverkeerslawaai van de Velswijkweg en van de provinciale weg, de N316.

Velswijkweg

Het plangebied is gelegen aan de Velswijkweg, binnen de bebouwde kom. De Velswijkweg is één van de twee oostelijk gelegen wegen die het achterliggende, dunbevolkte buitengebied, verbindt met het dorp Velswijk. Bij de gemeente zijn geen verkeerstellingen bekend van de Velswijkweg. Op basis van een beschouwing van de situatie, wordt de verkeersintensiteit veroorzaakt door de volgende factoren:

  • bewoners van omliggende woningen en bedrijven, aan de Velswijkweg , de Populierenweg en een deel van de Neuzendijk, met als doel het dorp te bereiken of de doorgaande provinciale N316 te bereiken;
  • bezoekers van omliggende bedrijven;
  • passanten die de Velswijkweg gebruik als verbindingsroute richting Velswijk/de provinciale weg;
  • minicamping Toeven;
  • incidenteel bezoekers van het Dorpshuis.

Op basis van voorgaande factoren is de verkeersgeneratie in een worstcasescenario, indien alle verkeersstromen langs het plangebied gaan, als volgt.

Bewoners omliggende woningen en bedrijven

Het aantal bewoners en bezoekers van woningen en agrarische dat redelijkerwijs gebruik maakt van de Velswijkweg, langs het plangebied, bedraagt op basis van een inventarisatie aan de Velswijkweg, de Populierenweg en de Neuzendijk, ten hoogte 30. Voor vrijstaande woningen in het buitengebied geldt op basis van de CROW-normen een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Op basis van 30 adressen geldt zodoende een verkeersgeneratie van 30 x 8,2 = 246 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Bezoekers omliggende bedrijven

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich op voormalige boeren erven enkele (aan huis gebonden) bedrijven, zoals een hondenschool, een bouwbedrijf en een aannemersbedrijf. Voor deze bedrijven gelden hele specifieke en plaatsgebonden aantallen verkeersbewegingen. In een worstcasescenario wordt uitgegaan van 75 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Gebruikers Velswijkweg als verbindingsweg

Daarnaast kan redelijkerwijs sprake zijn van passerende motorvoertuigen met mensen die niet woonachtig zijn in de directe omgeving van het plangebied, maar de Velswijkweg gebruiken om de provinciale omsluitingsweg te bereiken. Als aanname wordt gedaan dat dit 150 motorvoertuigbewegingen per dag oplevert. Omdat de provinciale weg ook via de Davisweg bereikt kan worden, is het niet realistisch dat alle bewoners van de Neuzendijk de Velswijkweg als ontsluitingsweg gebruiken.

Minicamping Toeven

Westelijk van de Velswijkweg ligt op ruime afstand van het plangebied minicamping Toeven. Bezoekers van deze camping zullen langs het plangebied rijden om de voorzieningen in het dorp te benutten. Hiervoor wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 50 motorvoertuigen per etmaal (in delen van het jaar).

Incidenteel het Dorpshuis

Direct naast het plangebied ligt een dorpshuis. Hier vinden incidenteel, niet iedere dag, bijeenkomsten of evenementen plaats. De meeste bezoekers komen met de fiets of lopend, omdat ze uit Velswijk komen. De verkeersgeneratie ten gevolge van een bijeenkomst bedraagt ten hoogste 50 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Op basis van voorgaande is de verkeersintensiteit van de Velswijkweg, op basis van een worstcasescenario als volgt:

  • Bewoners/bedrijven 246 mvt/etmaal
  • Bezoekers bedrijven 75 mvt/etmaal
  • Passanten/verbindingsweg 150 mvt/etmaal
  • Buurthuis (incidenteel) 50 mvt/etmaal
  • Minicamping Toeven 50 mvt/etmaal

Totaal: 571 mvt/etmaal

Akoestisch effect wegverkeer

In het kader van voorliggend plan is bepaald op basis van welk aantal verkeersbewegingen, op basis van gebiedsfactoren, wordt voldaan aan het akoestisch niveau van 53 dB op de gevel van de te projecteren woningen. Als uitgangspunt van de berekening is genomen dat de woningen op 15 meter van het hart van de weg worden gerealiseerd, dat sprake is van een 50 km-uur regime en dat sprake is van asfalt. Op basis van deze uitgangspunten blijkt dat bij een aantal van 600 motorvoertuigbewegingen per etmaal nog wordt voldaan aan een geluidbelasting van 53 dB op de gevel van de woningen. De resultaten van de berekening zijn opgenomen als Bijlage 39. Omdat in voorliggende situatie sprake is van 571 motorvoertuigbewegingen per etmaal, voldoet het plan akoestisch.

Provinciale weg

Op meer dan 100 meter ten oosten van de woningen ligt de provinciale weg N316. Uit de provinciale geluidskaart, blijkt dat de geluidsbelasting op de gevels van de woningen, als gevolg van deze weg, lager is dan 50 dB. Met aftrek van 2 dB (ex. artikel 110g Wgh), in verband met het stiller worden van gemotoriseerde voertuigen op termijn, voldoet de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Dit betekent dat de woningen, ten opzichte van de N316, akoestisch gunstig gelegen zijn. de kaart is hierna weergegeven.

verplicht

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat ter plaatse van de woningen.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.?

2.5.3.2.5 Luchtkwaliteit     

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Conclusie

Met voorliggend plan worden twee woningen mogelijk gemaakt. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Omdat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

2.5.3.2.6 Geur     

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (c.q. het Activiteitenbesluit) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

Toetsing

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van twee woningen op een voormalig schoolplein. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich twee agrarische bouwvlakken. Ten noorden van het plangebied, op 190 meter, bevindt zich een agrarisch bestemd perceel. De locatie vormt gezien de hiervoor genoemde richtafstanden geen belemmering voor het plan. Andersom geldt dat eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden op dit perceel niet worden belemmerd, omdat er zich tussen het perceel en de twee woningen uit het plan al andere woonbestemmingen zitten die mogelijke uitbreiding van het bedrijf al belemmeren.

Op 85 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich een agrarisch bouwvlak. Hier is echter een bestratingsbedrijf gevestigd. Dit bedrijf kent geen geur-contour. Mocht zich hier weer een agrarisch bedrijf willen vestigen, dan wordt het bedrijf door voorliggend plan niet beperkt, omdat er zich tussen het perceel en de twee woningen uit het plan al andere woonbestemmingen aanwezig zijn die mogelijke uitbreiding van het bedrijf al belemmeren.

Op 220 meter ten zuiden van het plangebied was een intensieve veehouderij aanwezig. Deze intensieve veehouderij heeft inmiddels plaats gemaakt voor woningbouwplannen.

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.

2.5.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering     

Algemeen

Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het plangebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies.

Toetsing

Het plangebied en haar omgeving maken gezien de aanwezige functies (maatschappelijk, wonen en bedrijvigheid) deel uit van een ‘gemengd gebied'. Er zijn maatschappelijke en bedrijfsmatige functies aanwezig in de omgeving, evenals woningen. Er kan zodoende een trede terug worden gedaan bij het bepalen van de richtafstanden.

Hinder veroorzakende functies in het plangebied

In het plangebied worden geen functies gerealiseerd die milieuhinder veroorzaken. De woningen zelf kunnen worden aangeduid als milieuhindergevoelig.

Hinder veroorzakende functies in de omgeving van het plangebied

Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinder veroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. Er zijn drie functies in de omgeving van het plangebied die eventuele hinder kunnen veroorzaken. Het betreft:

  1. Buurthuis d'n Draejer (Velswijkweg 50)
  2. Loonbedrijf (Velswijkweg 54)
  3. Grondwerk- & bestratingsbedijf (Eckhorsterstraat 14)

Ten aanzien van het buurthuis geldt een richtafstand van 30 meter ten aanzien van het aspect ‘geluid’, maar omdat er sprake is van gemengd gebied kan de richtafstand terug worden gebracht naar 10 meter. De werkelijke afstand tussen de woningen en het buurthuis is ongeveer 15 meter. Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstand. Daarbij speelt dat het een kleinschalig buurthuis is met weinig effecten op de omgeving.

Ten aanzien van het loonbedrijf geldt een richtafstand van 50 meter ten aanzien van het aspect ‘geluid’. Omdat sprake is van een bedrijf met een oppervlakte van 1.200 m2. De werkelijke afstand is ongeveer 165 meter en voldoet daarmee aan de richtafstand.

Ten aanzien van het grondwerk- en bestratingsbedrijf geldt een minimale afstand van 10 meter. De werkelijke afstand is ongeveer 115 meter. Ook deze functie voldoet aan de richtafstand.

Het plangebied ligt op voldoende afstand van de genoemde functies. Hiermee is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

2.5.3.2.8 Externe veiligheid     

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Circulaire effectafstanden LPG-tankstations

In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. Het bevoegd gezag wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)

Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

Toetsing

Voorliggend plan heeft betrekking op de realisatie van twee woningen. Met het initiatief is sprake van nieuwe kwetsbare objecten. Ten behoeve van de toetsing is de risicokaart geraadpleegd. Op de volgende afbeelding is dat weergegeven.

verplicht

Uitsnede risicokaart.

Op circa 330 meter ten westen van het plangebied ligt een gasleiding van Gasunie. Op voorgaande kaart is deze leiding met een stippellijn weergegeven. De plaatsgebonden risicocontour ligt op de leiding. De leiding heeft de volgende kenmerken:

verplicht

Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van het groepsrisico voor voorgenoemde leiding. Een nadere beoordeling van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

2.5.3.2.9 Water     

Algemeen

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema's.

Klimaat robuust gebied

De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

Veilig gebied

De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen.

Circulaire Economie en Energietransitie

Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd.

Gezonde leefomgeving

Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

Toets aan het plan

Voorliggend plan heeft betrekking op realisatie van twee woningen op een voormalig schoolterrein. Het initiatief maakt bebouwing op de locatie mogelijk. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard. Door de realisatie van de realisatie van de woningen neemt het verhard oppervlakte af omdat in de buitenruimte tuinen worden gerealiseerd. Het hemelwater afkomstig van de bebouwing wordt binnen het plangebied geïnfiltreerd, de woningen worden aangesloten op de bestaande riolering. Het initiatief heeft zodoende geen negatief effect op de waterhuishouding ter plaatse.

Watertoets

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.

In het kader van voorliggend plan is een digitale watertoets uitgevoerd. De resultaten van de watertoets zijn als Bijlage 40 opgenomen. Hieruit blijkt dat het plan geen negatief effect heeft op het watersysteem.

Daarnaast heeft afstemming plaatsgevonden met het waterschap. Het waterschap gaf op 23 op 23 oktober 2023 aan akkoord te zijn met de watertoets. De locatie zelf is niet direct gevoelig voor wateroverlast maar de omgeving wel. Op de volgende afbeelding is dat weergegeven.

Grenzend aan het plan bevindt zich geen oppervlaktewater van het waterschap. Voor het nieuwe verhard oppervlak van de woningen dient het regenwater op eigen terrein verwerkt te worden. Hier wordt invulling aan gegeven in de vorm van infiltratiekratten.

verplicht

Conclusie

Het plan is op basis van het aspect water uitvoerbaar.

2.5.3.2.10 Klimaat     

In het kader van voorliggend plan is een kavelpaspoort opgesteld. Hierin is aandacht besteed aan het aspect ‘klimaat’. De bestaande verharde oppervlaktes moeten afgekoppeld worden van het rioolsysteem. Op eigen terrein moet een waterberging van 400 m3 per hectare verhard oppervlak gerealiseerd worden. Hier wordt invulling aan gegeven. De wijze waarop dar invulling aan wordt gegeven wordt afgestemd met het waterschap en de gemeente.

2.5.3.2.11 Archeologie en cultuurhistorie     

Algemeen

In de Erfgoedwet stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken.

In de toelichting van ruimtelijke plannen moet naast een toets aan archeologie ook een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en/of monumenten rekening is gehouden.

Cultuurhistorie

Voorliggend plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht. Ook zijn binnen het plangebied geen waardevolle gebouwen of landschappelijke elementen aanwezig. Het plan heeft zodoende geen effect op cultuurhistorische waarden.

Archeologie

Ter plaatse van het plangebied geldt de archeologische verwachtingswaarde – 3. De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 5.000 m2 dient de aanvrager een rapport van archeologisch onderzoek te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Met voorliggend plan wordt geen bouwwerk groter dan 5.000 m2 gerealiseerd, waardoor geen archeologisch onderzoek plaats hoeft te vinden.

Conclusie

Het plan is op basis van de aspecten archeologie en cultuurhistorie uitvoerbaar.

2.5.3.2.12 Flora en fauna     

Algemeen

In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming.

Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied van gebiedsbescherming regelt de wet de bescherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd.

Toets aan het plan

Ten behoeve van voorliggend plan is onderzocht of binnen en in de nabijheid van het plangebied beschermde plant- en diersoorten en/of natuurgebieden aanwezig zijn en of deze worden aangetast ten gevolge van het voorziene plan.

Soortenbescherming

In het kader van voorliggend plan heeft een ecologisch onderzoek plaatsgevonden. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen als Bijlage 41 van deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt het volgende. Werkzaamheden ten behoeve van het bouwrijp maken van het plangebied leiden mogelijk tot negatieve effecten op enkele algemene vrijgestelde of onbeschermde soorten. Het gaat dan voornamelijk om aanwezigheid van egel en andere insecteneters, muisachtigen en landhabitat van algemene amfibieën die allen in de begroeide terreindelen kunnen verblijven. Houdt rekening met de zorgplicht. Daarnaast zijn effecten mogelijk op algemene broedvogels als werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd. Werkzaamheden binnen het broedseizoen kunnen daarom alleen worden uitgevoerd als een broedvogelcheck heeft uitgewezen dat negatieve effecten op broedgevallen zijn uitgesloten. Ook negatieve effecten op soorten waarvoor een provinciale vrijstelling is verleend of die niet beschermd zijn, zijn niet uitgesloten. Voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren, planten en natuurgebieden zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt moeten worden.

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het GNN, GO en andere provinciaal beschermde natuurgebieden. Gezien de aard en schaal van de ontwikkelingen zijn geen externe effecten te verwachten en is het dus niet nodig om aan effecten door externe werking te toetsen.

De kortste afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ is ongeveer 9,8 kilometer. Het plangebied heeft geen landschappelijke binding met dit Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen liggen op circa 10,2 kilometer afstand. Andere Natura 2000-gebieden liggen op nog grotere afstand van het plangebied. Gezien de voorgenomen activiteiten, toekomstige inrichting en de ligging op bijna 10 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn directe negatieve effecten (geluid, licht, trillingen etc.) door de gewenste ontwikkelingen en het toekomstige gebruik van het projectgebied op aangewezen soorten van nabijgelegen Natura 2000-gebieden uitgesloten, met mogelijke uitzondering van effecten door stikstof. Negatieve effecten door een toename van stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase en toekomstige gebruiksfase zijn niet aannemelijk, maar niet op voorhand geheel uitgesloten. Voer een berekening uit in Aerius Calculator om te bepalen of er sprake is van een vergunningplicht ten aanzien van stikstof. De beoordeling van het aspect stikstof heeft plaatsgevonden op basis van een berekening waarvan de uitkomsten als Bijlage 42 van deze toelichting zijn opgenomen. Uit de berekening blijkt dat het plan zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op natuurgebieden.

Conclusie

Het plan is op basis van het aspect ecologie uitvoerbaar.

2.5.3.2.13 Verkeer     

Algemeen

In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer (bereikbaarheid) en parkeren. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen moet zijn verzekerd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij wordt getoetst aan het parkeerbeleid van de gemeente Bronckhorst.

Toets aan het plan

Parkeren

In het kader van de herontwikkeling van de school en het bijbehorende plein (voorliggend plan) is door de gemeente een locatiepaspoort opgesteld. Ten aanzien van de parkeeropgave is het uitgangspunt dat deze ontwikkelingen in samenhang worden beschouwd. Dat leidt tot de volgende parkeeropgave n bijbehorende parkeeroplossing, waarbij wordt opgemerkt dat de appartementen in de school al zijn vergund.

Bestaande situatie

In de voormalige situatie is er sprake van een schoolgebouw voor basisonderwijs. Volgens de parkeernormen van de gemeente Bronckhorst is het benodigde aantal parkeerplaatsen voor deze functie, uitgaande van zes klassen een norm van 1,1 parkeerplaats per lokaal, in totaal 6,6 parkeerplaatsen. In de volgende tabel is dat weergegeven.

Parkeeropgave bestaande situatie
Functie norm aantal Opgave
School 1,1/leslokaal 5 5,5
Totaal 5,5

In de bestaande situatie is de parkeeropgave opgelost in openbaar gebied. Tegenover de school bevinden zich vijf parkeerplaatsen, tegenover het schoolplein nog een 5. In totaal zijn er tien parkeerplaatsen te relateren aan de school.

Nieuwe situatie

In de nieuwe situatie is sprake van de transformatie van de basisschool in de vorm van 6 appartementen (deze situatie is inmiddels vergund) en is sprake van de realisatie van 2 twee-onder-een-kapwoningen. Dat leidt tot de volgende parkeeropgave:

Parkeeropgave nieuwe situatie
Functie norm aantal Opgave
Appartement, middensegment, koop 2,3 6 13,8
Wonen, tweekapper 2,6 2 5,2
Totaal 19

Op basis van voorgaande is sprake van een toename van 13,5 (14) parkeerplaatsen, met als gevolg dat er in totaal 19 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn voor de woningen.

Parkeeroplossing

Om de parkeervraag op te lossen worden de vijf parkeerplaatsen tegenover de oorspronkelijke school gedraaid. De 5 langsparkeerplaatsen worden 12 dwarsparkeerplaatsen. Op de volgende afbeelding is dat weergegeven.

verplicht

Twaalf dwars-parkeerplaatsen ter plaatse van de voormalige school.

Naast de 12 parkeerplaatsen tegenover de school, worden tegenover het voormalige schoolplein 2 parkeerplaatsen aangelegd en op het eigen terrein van iedere tweekapper worden twee parkeerplaatsen gerealiseerd. Op de volgende afbeelding is dat weergegeven.

verplicht

In ieder vak worden twee parkeerplaatsen gerealiseerd.

De totale parkeeropgave van voorliggend plan (appartementen en tweekappers) bedraagt:

  • 12 dwarsparkeerplaatsen tegenover het voormalige schoolgebouw
  • 2 langsparkeerplaatsen tegenover het voormalige schoolplein
  • 4 parkeerplaatsen op eigen terrein van de tweekappers.

In totaal worden er zodoende 18 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dat is 1 parkeerplaats minder dan de totale opgave voor de appartementen en de tweekappers. Voorliggend plan heeft betrekking op de realisatie van de tweekappers. Daarvoor geldt een parkeeropgave van 2 x 2,6 = 5,2 (afgrond 5 parkeerplaatsen). Met het realiseren van 4 parkeerplaatsen op eigen terrein en het realiseren van twee langsparkeerplaatsen tegenover deze tweekappers wordt voldaan aan de opgave.

Voor de appartementen is reeds een vergunning afgegeven, waarbij uit is gegaan van een lagere parkeernorm dan de in deze toelichting gehanteerde norm van 2,3 parkeerplaatsen per appartement, namelijk een norm van tussen de 1,0 en 1,5, op basis van de verwachting dat na transformatie het gebouw bewoond gaat worden door starters en senioren. Het autobezit in deze groep is naar verwachting laag en zal tussen 1,0 en 1,5 per woning liggen. Dat houdt in dat er voor de toekomstige bewoners 9 parkeerplaatsen nodig zijn. daarmee komt de totale parkeervraag voor voorliggend plan uit op 9 parkeerplaatsen voor de appartementen en 5,2 voor de tweekappers. In totaal 14,2. Daar wordt ruimschoots aan voldaan.

Daarnaast is het zo dat de appartementen reeds verkocht zijn aan starters en senioren. Het actuele autobezit van de zes huishoudens is als volgt: 1 huishouden heeft 2 auto’s en 5 huishoudens hebben 1 auto. Dat is in lijn met de verwachting bij het afgeven van de omgevingsvergunning ten behoeve van de transformatie.

Als laatste wordt opgemerkt dat de parkeerplaatsen van het Dorpshuis veelal ongebruikt zijn. in geval van meer parkeervraag kan een beroep op deze parkeerplaatsen worden gedaan.

Op basis van voorgaan de is het plan op basis van het aspect ‘parkeren’ uitvoerbaar.

Verkeer

De beide woningen worden op de Velswijkweg ontsloten. Om dat mogelijk te maken worden de bestaande parkeerplaatsen verplaatst. Gezien de beperkte omvang van het plan kan de verkeersgeneratie ten gevolge van de woningen eenvoudig opgaan in het bestaande verkeer.

Conclusie

Het voorziene plan is op basis van het aspect ‘verkeer’ uitvoerbaar.

2.5.3.2.14 Leidingen     

Voordat het plan tot uitvoer wordt gebracht wordt er een klic-melding gedaan om inzichtelijk te maken welke leidingen zich binnen het plangebied bevinden. In afstemming tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt bepaald op welke wijze leidingen (indien nodig) omgelegd moeten worden en welke rol de nutsbedrijven daarbij hebben.

2.5.3.2.15 Gezondheid     

Uit jurisprudentie volgt dat mogelijke gezondheidsrisico's in een bestemmingsplan moeten worden meegewogen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Betekenis voor het project met betrekking tot het aspect volksgezondheid is een aanwezige geitenhouderij in de omgeving van het plangebied van belang.

Geitenhouderij

Door het RIVM en andere instanties zoals de WUR in Wageningen wordt al jaren onderzoek gedaan naar gezondheidsrisico's in relatie tot veehouderijen. Uit deze onderzoeken is gebleken dat er sprake is van een verhoogde kans op longontsteking voor omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. In het najaar van 2020 heeft het RIVM het rapport GGD-richtlijn medische milieukunde (2020) gepubliceerd. De richtlijn beschrijft de huidige kennis over veehouderij en gezondheid. Ook geeft de richtlijn input voor gezondheidskundige adviezen voor omwonenden in verschillende situaties. Er is veel gezondheidswinst te behalen wanneer goed wordt nagedacht over de ruimtelijke inrichting, dus bij het opstellen van omgevingsvisies en plannen. Daarom is de GGD bij voorkeur vroeg in dit proces betrokken.

Advies GGD

De GGD adviseert in het algemeen om uit voorzorg terughoudend te zijn met nieuwe gevoelige bestemmingen binnen 2 km afstand van geitenhouderijen. Terughoudend betekent niet per se dat er niets meer kan, maar dat de GGD het verstandig vindt goed na te denken over eventuele gezondheidseffecten en zo nodig passende maatregelen te treffen en een goede belangenafweging te maken. Voor technische maatregelen om het risico te verlagen, is nog te weinig bekend over oorzaken en aangrijpingspunten. Welk extra risico op longontsteking aanvaardbaar is (en dus welke afstand), is in principe een bestuurlijke keuze. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moeten de aspecten van volksgezondheid (zoals besmetting van dierziekten) meewegen en duidelijk maken dat er in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.

Situatie plangebied

Op een afstand van circa 1,1 kilometer van het plangebied is een geitenhouderij aanwezig. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling ligt binnen de contour van 2 kilometer van een geitenhouderij is een afweging nodig of de mate van het op dit moment in algemene zin aangetoonde verhoogde risico, mede gelet op de aard, situering en het belang van het plan, toch sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Uit onderzoek van de RIVM blijkt dat bij een woonafstand van minder dan 500 meter, er sprake is van circa 70% meer kans op longontsteking ten opzichte van het standaardrisico (14,6 gevallen per 1.000 inwoners). Dit plan ligt buiten de 500 meter zone. Het extra risico op longontsteking is op deze afstand beperkt ten opzichte van het standaardrisico. Uitgangspunt bij nieuwbouw is in ieder geval om de kopers te informeren, zodat zij ook zelf een afweging kunnen maken. Door het wijzigen van de maatschappelijke bestemming naar een passende woonbestemming is vanuit planologisch oogpunt sprake van een vermindering van de milieubelasting op de directe omgeving.

Tot slot zorgt de voorgenomen ontwikkeling er niet voor dat de ontwikkelmogelijkheden van de geitenhouderij (verder) worden beperkt. Bestaande woningen liggen immers dichter op de geitenhouderij en zijn wat dat betreft maatgevend voor de ontwikkelmogelijkheden.

2.5.3.3 Volkshuisvesting     

Voorliggend plan maakt twee woningen mogelijk. In hoofdstuk vijf wordt beschreven dat het toevoegen van de woningen aan de woningvoorraad van de gemeente Bronckhorst past binnen het volkshuisvestingsbeleid.

2.5.3.4 Economisch     

De kosten voortvloeiende uit de verdere ontwikkeling van het plangebied komen voor rekening van de ontwikkelende partij. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat de vaststelling van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro achterwege kan blijven.

2.5.3.5 Maatschappelijk     

Een actueel, helder en overzichtelijk bestemmingsplan vormt de basis voor een geloofwaardig ruimtelijk beleid. Met een actueel plan en een goede handhaving van het hierin vastgelegde beleid kunnen de kwaliteiten van het gebied worden beschermd en ruimtelijke ontwikkelingen beter worden gestuurd. Zowel burgers als de uitvoeringsambtenaar moeten snel inzicht krijgen in wat er wel of niet in bepaalde omstandigheden is toegestaan. Ook draagvlak is van essentieel belang voor de handhaving. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan wordt gezocht naar een breed maatschappelijk draagvlak. Burgers en overige belanghebbenden krijgen uitgebreid de gelegenheid om in het kader van de inspraakprocedure invloed uit te oefenen op de inhoud van het plan.

2.5.3.6 Overleg en inspraak     

2.5.3.6.1 Overleg     

Voorliggend plan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan het waterschap door middel van de digitale watertoets. De digitale watertoets is voorgelegd aan het waterschap, die deze op 23 oktober 2023 heeft geaccordeerd. Er is geen waterschapsbelang. Gezien de aard en omvang is het plan niet separaat besproken met overige vooroverlegpartners.

2.5.3.6.2 Inspraak     

Omwonenden en belanghebbenden (buurthuis) van het plangebied zijn in kennis gesteld van het plan. Het plan is positief ontvangen, met als aandachtspunt dat de parkeeropgave goed opgelost moet worden. Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor eenieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken. Afhankelijk van eventuele inspraak wordt overwogen