Landelijk gebied; Veegplan 2019-2    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

Dit hoofdstuk bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 1.1), de begrenzing van het plangebied (paragraaf 1.2), de aanpak van de totstandkoming van het plan (paragraaf 1.3) en een leeswijzer (paragraaf 1.4).

1.1 Aanleiding     

Het voorliggende plan maakt deel uit van het proces zoals dat in de gemeente Bronckhorst wordt doorlopen bij het opstellen, het in procedure brengen en het vaststellen van bestemmingsplannen. De basis voor dit proces is dat er halfjaarlijks twee bestemmingsplannen in procedure worden gebracht. Eén voor Stedelijk gebied (de kernen) en één voor Landelijk gebied (het buitengebied). In deze zogeheten 'veegplannen' worden nieuwe initiatieven en ambtshalve aanpassingen gebundeld in één bestemmingsplan. Op basis van ontwikkelplannen voor individuele initiatieven wordt een overleg- en inspraakprocedure gevoerd. Daarna worden de individuele ontwikkelplannen samengevoegd tot een veegplan. Het veegplan wordt vanaf de ontwerpfase in procedure gebracht. De individuele initiatieven en ambtshalve aanpassingen door de gemeente vormen elk een planonderdeel van het veegplan.

Voorliggend plan is de 7e herziening van het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst (NL.IMRO.1876.BP01048-VG01)] dat op 17-5-2017 door de raad van Bronckhorst is vastgesteld.

1.2 Plangebied     

Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan omvat ontwikkelingen op de volgende 23 locaties:

Zelfstandige ontwikkelingen:

  1. Keijenborgseweg 13 in Zelhem;
  2. Schiphorsterstraat 16 in Toldijk;
  3. Veldslagweg 1 in Vorden;
  4. Vosheuvelweg 4-6 in Vorden;
  5. Wolfsstraat 3 in Toldijk;
  6. Zelhemseweg 16 in Hummelo;
  7. Wildenborchseweg ong. in Vorden (verkeersmaatregelen, ingevoegd n.a.v. gewijzigde vaststelling 31 oktober 2019). 

Ambtshalve wijzigingen:

  1. Rozegaarderweg 4 in Hummelo;
  2. Toldijkseweg 31 in Steenderen;

Locaties gemeentelijke sloopregeling:

  1. Beekstraat 3 in Toldijk;
  2. Broekweg 9-9a-11 in Hengelo;
  3. Covikseweg 6 in Steenderen;
  4. Den Elterweg 107 t/m 107b in Vierakker;
  5. Heijinkweg 2 in Zelhem;
  6. Hoge Slagdijk 5 in Vorden;
  7. Kremersdijk 5 in Hengelo;
  8. Lamstraat 25-27 in Toldijk;
  9. Meeneweg 27 in Zelhem;
  10. Schuttestraat 11 in Vorden;
  11. Schuttestraat 16 in Vorden;
  12. Schuttestraat 22 in Vorden;
  13. Tentendijk 1 in Hengelo;
  14. Wilmerinkweg 7-7a in Vorden.

1.3 Aanpak     

1.3.1 Algemeen     

De gemeente Bronckhorst werkt sinds medio 2015 volgens een zogeheten 'veegplansystematiek' (zie ook paragraaf 1.1). Individuele ontwikkelplannen worden gebundeld tot één veegplan welke vanaf de ontwerpfase in procedure wordt gebracht. Overleg en inspraak vindt vooraf plaats aan de hand van de individuele plannen. De individuele plannen zijn aan de hand van vooraf gestelde standaarden qua inhoud en vorm opgesteld. Dit kan in opdracht zijn van particuliere initiatiefnemers (inwoners, instellingen, bedrijven), professionele initiatiefnemers (ontwikkelaars) of de gemeente zelf. Door het stellen van heldere kaders qua inhoud en vorm, is er sprake van uniformiteit. Dit komt de leesbaarheid van het plan ten goede. Maar maakt het samenvoegen van de individuele plannen tot één veegplan ook eenvoudiger. Met name bij de opzet van de plantoelichting van ontwikkelplannen en veegplannen is daarmee rekening gehouden. De planopzet is vastgelegd in het gemeentelijke Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst (zie paragraaf 1.3.2).

Onderdeel van het bestemmingsplanproces zoals dat in Bronckhorst is ingericht, is dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan de verantwoordelijkheden voor de inhoud van dat plan en het voeren van overleg en inspraak bij de initiatiefnemer of de gemeente kunnen liggen. Dit is afhankelijk van het soort initiatief. Bij een zogeheten A-plan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor inhoud en proces. Bij een B-plan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de inhoud en de gemeente voor het proces. Bij een C-plan is de gemeente verantwoordelijk voor inhoud en proces. De in dit veegplan opgenomen zelfstandige ontwikkelingen betreffen de volgende plantypen:

2.1 Keijenborgseweg 13 in Zelhem: A-plan

2.2 Schiphorsterstraat 16 in Toldijk: A-plan

2.3 Veldslagweg 1 in Vorden: A-plan

2.4 Vosheuvelweg 4-6, Vorden: B-plan

2.5 Wolfsstraat 3 in Toldijk A-plan

2.6 Zelhemseweg 16 in Hummelo A-plan

2.7 Wildenborchseweg in Vorden Niet gecategoriseerd i.v.m. ambtshalve wijziging.

Bij de volgende twee planonderdelen (2.8 Ambtshalve wijzigingen en 2.9 Locaties gemeentelijke sloopregeling (pilot)) is deze categorisering niet toegewezen, doordat deze niet het BBP-hebben doorlopen.

1.3.2 Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst     

Het Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst vormt de basis voor het opstellen van digitale bestemmingsplannen binnen de gemeente Bronckhorst. Doel van het handboek is om de herkenbaarheid en daarmee de raadpleegbaarheid van de bestemmingsplannen te vergroten. Dit geschiedt door de digitale en analoge opzet, vormgeving en inhoud te standaardiseren. Dit draagt bij aan een efficiënter en eenduidige ontwikkeling van ruimtelijke plannen. Over de vorm en opzet hoeft niet meer te worden nagedacht, deze is in het handboek duidelijk voorgeschreven. De inhoud blijft uiteraard maatwerk en kan per plan verschillen. Alle afspraken die in het handboek zijn vastgelegd dienen bij het vervaardigen van alle ruimtelijke plantypes, waarvoor de digitale verplichting geldt, te worden nageleefd.

Het handboek is niet bedoeld als extra standaard, maar als hulpmiddel bij het (laten) vervaardigen, interpreteren en beoordelen van (digitale) ruimtelijke plannen. Het handboek sluit aan bij de verplichtingen die voortvloeien uit de Wro, het Bro, de RO Standaarden 2012 en de Werkafspraken RO Standaarden, waarin is voorgeschreven dat ruimtelijke plannen in elk stadium van de procedure digitaal vervaardigd, raadpleegbaar en beschikbaar dienen te zijn. Het digitale exemplaar is het authentieke plan. De analoge exemplaren zijn enkel een afgeleide daarvan, oftewel het digitale plan is leidend. Voorliggend bestemmingsplan is conform het handboek opgesteld.

1.4 Leeswijzer algemeen     

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd.



Hoofdstuk 1 Inleiding

Dit hoofdstuk bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 1.1), de begrenzing van het plangebied (paragraaf 1.2), de aanpak van de totstandkoming van het plan (paragraaf 1.3) en een leeswijzer (paragraaf 1.4).



Hoofdstuk 2 Planonderdelen

In dit hoofdstuk worden de planonderdelen, die deel uitmaken van dit bestemminsplan, toegelicht. Deze planonderdelen zijn te vinden in de volgende paragrafen:

2.1 Keijenborgseweg 13 in Zelhem;

2.2 Schiphorsterstraat 16 in Toldijk;

2.3 Veldslagweg 1 in Vorden;

2.4 Vosheuvelweg 4-6, Vorden;

2.5 Wolfsstraat 3 in Toldijk

2.6 Zelhemseweg 16 in Hummelo;

2.7 Wildenborchseweg in Vorden

2.8 Ambtshalve wijzigingen en onder

2.9 Locaties gemeentelijke sloopregeling (pilot)

Elke paragraaf bevat de ruimtelijke onderbouwing van het betreffende planonderdeel. Per onderdeel wordt telkens een inleiding gegeven, een beschrijving van het initiatief en de uitvoerbaarheid. Bij de uitvoerbaarheid wordt ingegaan op toetsing aan het beleidskader, omgevingsaspecten, volkshuisvestelijke aspecten, economische aspecten, maatschappelijke aspecten, overleg en inspraak en wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is. De laatste paragraaf geeft een toelichting op de bestemmingen per planonderdeel.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4).

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 4.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 4.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 4.3).

In de bijlagen bij de toelichting zijn per planonderdeel de verschillende bijlagen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Planonderdelen     

Dit hoofdstuk geeft in de paragrafen 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8 en 2.9 de ruimtelijke onderbouwing van het betreffende planonderdelen. Het bevat per planonderdeel een inleiding, een beschrijving van het initiatief en de uitvoerbaarheid.

2.1 Keijenborgseweg 13 in Zelhem     

2.1.1 Inleiding     

2.1.1.1 Aanleiding     

Het voorliggende plan maakt deel uit van het proces zoals dat in de gemeente Bronckhorst wordt doorlopen bij het opstellen, het in procedure brengen en het vaststellen van bestemmingsplannen. De basis voor dit proces is dat er halfjaarlijks twee bestemmingsplannen in procedure worden gebracht. Eén voor Stedelijk gebied (de kernen) en één voor Landelijk gebied (het buitengebied). In deze zogeheten 'veegplannen' worden nieuwe initiatieven en ambtshalve aanpassingen gebundeld in één bestemmingsplan. Op basis van ontwikkelplannen voor individuele initiatieven wordt een overleg- en inspraakprocedure gevoerd. Daarna worden de individuele ontwikkelplannen samengevoegd tot een veegplan. Het veegplan wordt vanaf de ontwerpfase in procedure gebracht. De individuele initiatieven en ambtshalve aanpassingen door de gemeente vormen elk een planonderdeel van het veegplan.

De initiatiefnemers hebben het college van burgemeester en wethouders gevraagd de functie van de bedrijfswoning op het perceel Keijenborgseweg 13 Zelhem om te zetten naar een burgerwoning. De woning was tot circa 1975 in gebruik als bedrijfswoning voor het naastgelegen aannemersbedrijf op het perceel Keijenborgseweg 13a Zelhem.

Het college is bereid medewerking te verlenen aan het initiatief onder voorwaarde dat het naastgelegen aannemersbedrijf op het perceel Keijenborgseweg 13a Zelhem niet in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd. De initiatiefnemers moeten middels een akoestisch onderzoek aantonen dat door de functieverandering van de woning geen belemmeringen ontstaan voor het aannemersbedrijf en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu voor de (nieuwe) burgerwoning.

Het voorliggende bestemmingsplan beoogt de planologische basis te leggen voor de functieverandering van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het van het bedrijf af te scheiden nieuwe woonperceel met de burgerwoning wordt dienovereenkomstig bestemd voor 'Wonen'. Het aantal bedrijfswoningen voor het aannemersbedrijf zal hierdoor met 1 worden verminderd.

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, een toelichting en een set van de toepasselijke regels van het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn in de plantoelichting samengevat.

2.1.1.2 Plangebied     

Het perceel Keijenborgseweg 13 Zelhem (kadastrale aanduiding, sectie T, nummer 676) is gelegen in het buitengebied van de gemeente Bronckhorst ten westen van het dorp Keijenborg en ten noorden van het buurtschap Wittebrink. Zie onderstaande afbeelding.

verplicht

Afb. globale ligging perceel Keijenborgseweg 13 Zelhem ten noorden van het buurtschap Wittebrink

2.1.1.3 Vigerende planologische situatie     

Voor de gronden van het perceel Keijenborgseweg 13 Zelhem geldt het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst. Zie volgende uitsnede van de verbeelding. De locatie is aangeduid met een blauwe marker.

verplicht

afb. uitsnede verbeelding bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst

De gronden zijn bestemd voor:

  • Bedrijf met 2 bedrijfswoningen.
  • Waarde - Archeologische verwachting 1 en 3.

en zijn tevens nader aangemerkt met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 2'. De functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 2' wordt in de bijbehorende lijst onder nadere bestemmingsomschrijving in art. 3.1.2, sub a, van de regels als volgt omschreven: 'aannemersbedrijf'. De maximale toegestane oppervlakte aan bebouwing voor dit bedrijf bedraagt 735 m2 en is 1000 m2 aan buitenopslag toegelaten.

Het omzetten van één bedrijfswoning naar een burgerwoning is in strijd met de regels van geldende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan moet daarom worden aangepast.

2.1.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.1 Keijenborgseweg 13 in Zelhem de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.1.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.1.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.1.3).

Paragraaf 2.1.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.1.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.1.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.1.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.1.1.4).

Paragraaf 2.1.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 2.1.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 2.1.2.2) en de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.1.2.3).

Paragraaf 2.1.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.1.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.1.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.1.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.1.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 'Maatschappelijk' en overleg en inspraak (paragraaf 2.1.3.5). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.1.3.6) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.1.4 Juridische aspecten planonderdeel

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4).

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na de algemene aspecten (paragraaf 4.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 4.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 4.3).

Bijlagen toelichting planonderdeel Keijenborgseweg 13, Zelhem

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting van dit planonderdeel opgenomen.

2.1.2 Initiatief     

2.1.2.1 Bestaande situatie     
2.1.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

Tijdens de meest recente ijstijd bereikte het landijs ons land niet. Wel heerste er in die tijd een toendraklimaat en gedurende lange perioden was het zo koud dat er geen bomen en struiken konden groeien. De wind had vrij spel en kon zand opnemen, verplaatsen en elders in de vorm van meer of minder dikke pakketten neer leggen. Het reliëf van deze dekzandafzettingen wordt gekenmerkt door vlakten en dekzandkopjes, afgewisseld met langgerekte ruggen. Elders vinden we een kleinschalige afwisseling van kleine dekzandkopjes en lager gelegen vlakke delen. Het oppervlak van het dekzand is over het algemeen licht golvend. Er komen hoogteverschillen tot enkele meters voor. Het reliëf is nogal grillig. Op sommige plaatsen vinden we een ingewikkeld patroon van welvingen, dekzandruggen en –kopjes. Het dekzandgebied wordt doorsneden door enkele grotere (Berkel, Baakse Beek, Aaltense en Groenlosche Slinge) en kleinere beken. Ten westen van het plangebied stroomt de Groote Beek.

Volgens de bodemkaart zijn de gronden aangemerkt als vaaggronden. In de stuifzanden zijn de oorspronkelijke bodems verstoven. Het materiaal werd gemengd en weer afgezet. Zo ontstonden de vaaggronden. Een organische bovengrond heeft zich niet of nauwelijks kunnen vormen. Vaaggronden zijn niet geschikt voor landbouw vanwege het ontbreken van een organische bovenlaag. Vanwege de gevoeligheid voor verstuiving zijn ze in het verleden meestal aangeplant met dennen.

verplicht

Bodemkaart van de voormalige gemeente Zelhem (bron: Landschapsontwikkelingsplan Zelhem 2005)

Bij de bewoning en de inrichting van het gebied is de terreingesteldheid van doorslaggevende betekenis geweest. De hoogteligging, de bodem en – vooral – de waterstaatkundige situatie bepaalden waar de akkers, de weilanden en de woeste gronden lagen. Zo zien we dat de terreingesteldheid op sommige plaatsen aanleiding was tot het ontstaan van grote aaneengesloten escomplexen, terwijl elders het kleinschalige reliëf leidde tot kleine kampen of eenmansesjes.

Volgens historisch kaartmateriaal uit de periode 1900 - 1950 was de locatie bebouwd. De bebouwing van locatie is momenteel (2019) deels in gebruik voor een aannemersbedrijf en voor een burgerwoning. Zie volgende afbeeldingen.

verplicht

afb. Keijenborgseweg 13 Zelhem omstreeks 1900

verplicht

afb. Keijenborgseweg 13 Zelhem omstreeks 1950

2.1.2.1.2 Hydrologie     

Kenmerkend voor het gebied zijn de vele beeklopen en watergangen. Het landschap is een landschap van laaglandbeken verdeeld in diverse kleine stroomgebieden. Veel beken ontspringen net over de grens in Duitsland en stromen vandaar in oostwestelijke richting naar de IJssel, maar sommige ontspringen in het gebied zelf. Het water heeft het landschap gevormd tot 30 à 40 jaar geleden. Vanaf die tijd zijn de waterlopen zo onder controle gebracht via kaden en stuwen dat water ongeacht de hoogte van (piek) afvoer in het stroombed blijft. Daarmee hebben veel waterlopen hun oorspronkelijke karakter, waarin meer of mindere mate van meandering sprake was, verloren.

De belangrijkste beken in het buitengebied zijn, van noord naar zuid gezien, de Onderlaatse Laak, de Vierakkerse Laak, de Baakse Beek, de Veengoot, de Lindese Laak, de Hengelose Beek, de Oosterwijkse Vloed, de Grote Beek en de Oude Ijssel. De Baakse Beek en de Veengoot worden gevoed door een gebied dat zich ver uitstrekt buiten het plangebied. De waterafvoer in deze beken is in het voorjaar het grootst. In de zomer vallen met name de kleinere beken vaak droog. De grote watergangen, zoals de Veengoot en de Oosterwijkse Vloed worden gestuwd zodat er altijd water in staat. Het peilbeheer is in het recente verleden zó gewijzigd dat de benedenloop van de Baakse beek (weer) van stromend water wordt voorzien.

De huidige locatie met opstallen is gedurende vele decennia al in gebruik voor woondoeleinden (en de overige gronden voor een aannemersbedrijf).

2.1.2.1.3 Archeologie en cultuurhistorie     

Cultuurhistorische waarden

Het landschap is een bron van informatie over het verleden. Het landschap ontleent haar cultuurhistorische waarde aan de sporen die door menselijke activiteiten, zoals bouwen, bemesten en ontginnen, zijn achtergelaten. Het landschap en de landschappelijke basis vormen een archief vol aanwijzingen over het leven en werken van mensen in vroeger tijden. Voorbeelden zijn molens, grafheuvels, poelen, enkeerdgronden en escomplexen. Beeldbepalend in het buitengebied is ook (nog steeds) de sterke verwevenheid van natuur en landbouw: cultuurgronden, bossen en landschapselementen zoals houtwallen, bosjes, solitaire bomen, poelen, zandwegen, bloemrijke bermen, slootkanten en steilranden wisselen elkaar af.

Archeologie

Op de Oostnederlandse zandgronden waarop het plangebied ligt bestaat een zeer sterke relatie tussen bepaalde landschappelijke eenheden en het voorkomen van archeologische resten. In het verleden werden bijna zonder uitzondering droge, hoger gelegen zandgronden gebruikt om te wonen, te werken en te begraven. Het gebied werd in het verleden gekenmerkt door een zeer grote afwisseling tussen hoge droge en vochtige natte gebieden binnen een relatief kleine oppervlakte. Deze afwisseling bood de bewoners een breed scala aan vestigings- en bestaansmogelijkheden. Tot aan het begin van de Late Middeleeuwen werden vrijwel zonder uitzondering alleen de hoger gelegen, goed ontwaterde zandgronden in de nabijheid van het open water bewoond, waaronder de dekzandruggen, de rivierduinen en de droge delen van de stuwwallen. De laag gelegen delen waren nagenoeg onbewoonbaar door het ontbreken van een gereguleerde waterhuishouding. De oudste droge bewoningsplekken herbergen dan ook vaak een waardevol bodemarchief. De lagere delen zijn over het algemeen in archeologische zin weinig waardevol.

De archeologische verwachtingswaarde van het gebied is vastgelegd op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart, die op 24 september 2009 door de gemeente is vastgesteld. Deze kaart is grotendeels gebaseerd op landschappelijke gegevens met betrekking tot de bodemgesteldheid en de geomorfologie. Ook zijn gegevens over de hoogte van het terrein benut. Op deze kaart is af te lezen in welke gebieden een hoge, middelhoge of lage kans bestaat op het aantreffen van een waardevol archeologisch bodemarchief. Daarnaast zijn de bekende archeologische vindplaatsen en terreinen binnen de gemeente op deze kaart opgenomen.

2.1.2.2 Randvoorwaarden     
2.1.2.2.1 Beeldkwaliteitseisen     

In de welstandsnota gelden naast de algemene eisen ook specifieke eisen voor de te onderscheiden gebiedtypen in de gemeente Bronckhorst. De algemene criteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling en vormen dus ook de onderlegger voor gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. De algemene welstandscriteria laten zich als volgt onderverdelen:

  • Het bouwwerk sociaal - cultureel.
  • Het bouwwerk en zijn omgeving.
  • Het bouwwerk op zich.

Kenmerken agrarisch buitengebied

Het agrarisch buitengebied van de gemeente Bronckhorst bestaat uit een afwisselend landschap. Aan de westzijde, langs de IJssel, liggen de gebieden met een (zeer) open tot half open karakter, waaronder het uiterwaardenlandschap en het stroomruggen- en oeverwallenlandschap. Meer oostwaarts de landschapstypen met een meer besloten ruimtelijk karakter, zoals het zacht glooiende enken- en kampenlandschap en de landgoederenzone met zijn landhuizen in beekdalen. Hier zijn ook de lager gelegen landschappen van de natte heiden en veengebieden te vinden, de jonge ontginningen. Verspreid over de gemeente liggen een aantal bos- en natuurgebieden. Rondom de Oude IJssel is het zacht golvende en gevarieerde rivierenlandschap te vinden. De bebouwing in het buitengebied is door de eeuwen heen voornamelijk agrarisch van karakter geweest. Nog steeds is het gebruik overwegend agrarisch. Het aantal functionerende agrarische bedrijfscomplexen is de laatste decennia echter wel sterk afgenomen. De erven liggen verspreid in het buitengebied. Plaatselijk is er sprake van kleine concentraties op enige afstand van de weg. De erven zijn van oudsher vrij bescheiden van omvang. Het hoofdgebouw, de bijgebouwen en de inrichting van het erf zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen samen met opgaande beplanting en een omgevende haag een compleet ensemble als (historisch) boerenerf.

De eerste boerderijen in de gemeente zijn van het type hallehuis. Deze boerderij bestond van oorsprong uit één hoofdgebouw, waarin zowel de woning, als de belangrijkste agrarische ruimten waren ondergebracht. Een variant op het hallehuis zijn de T-boerderij en de krukhuisboerderij, die in de gemeente veelvuldig voorkomen. Beide kennen een voorhuis dat haaks op het achterhuis gesitueerd is en hebben soms een wat meer stedelijke uitstraling dan het hallehuis.

Daarnaast zijn er de nieuwere agrarische bedrijven, met veelal een kleiner hoofdgebouw dat alleen het wonen herbergt. Deze vormt een cluster met de daarom heen staande, grote schuren. Deze agrarische bedrijfsgebouwen zijn veel grootschaliger dan het geval is bij de traditionele erven. Grote silo's, hallen en verharde terreinen voor opslag en parkeren bepalen mede het beeld in het buitengebied. De ensemblewerking met bomen ontbreekt hier deels.

Over het algemeen is de bebouwing opgebouwd uit een tot twee bouwlagen met zadeldak. Ook wolfseinden komen veelvuldig voor. Aan de zijkanten is sprake van een lage goot. De nokrichting is haaks op de weg, met uitzondering van het voorhuis van de T - boerderij en het krukhuis. Dikwijls wordt voor bijgebouwen dezelfde nokrichting aangehouden. De gevels kennen veelal een verticale geleding.

De gevels zijn opgebouwd uit roodbruine baksteen en de daken zijn belegd met grijze dakpannen. Hier en daar komen er ook rode dakpannen of rieten dakbedekking voor. De kozijnen in het woongedeelte zijn van hout en wit geschilderd. Luiken en deuren meestal in een groene kleur. Segmentbogen boven de ramen, gietijzeren stalraampjes, gevelbeschietingen en versieringen in het metselwerk geven sommige boerderijen een rijke detaillering.

Kenmerken

Wegen / profiel

Gegroeid wegenpatroon.

Landelijk profiel; met grasbermen / fietspaden of stroken e.d.

Erfbeplantingen inlands assortiment.

Bebouwing

Gebaseerd op of afgeleid van het hallehuis.

Jonge agrarische complexen meestal met afzonderlijke woning en stallen.

Grote eenvoudige bouwmassa's met doorgaande zadeldaken en lage goten.

Bijgebouwen vaak traditioneel; soms geheel van hout.

Stijl / detail

Traditionele (streekeigen) boerderijstijl.

Details volgens traditie in baksteen, riet en hout; houten kozijnen; meerruits ramen; houten boeidelen.

Materiaal / kleur

Gevels metselwerk, baksteen rood.

Bij jonge agrarische complexen ook industriële gevelbeplating.

Houten vlakken naturel, geteerd of gedekt geschilderd in donkere kleur.

Kozijnen en ramen gebroken wit, deuren donkere (traditionele) kleur, luiken soms in landgoedkleuren.

Blauwgrijze dakpannen, soms rode pannen en/of riet.

Waarden agrarisch buitengebied

De open landschappen zijn van grote waarde vanwege de lange zichtlijnen op het kenmerkende patroon van ruggen en geulen. In de meer besloten landschappen wordt juist het parkachtige karakter gewaardeerd. Doordat delen van het gebied soms al eeuwenlang onder het beheer van landgoederen vallen, is plaatselijk sprake van bijzondere waarden.

De traditionele en jongere erven in het agrarisch buitengebied van de gemeente Bronckhorst zijn belangrijke schakels in deze gevarieerde landschappelijke structuur en zijn ook in cultuurhistorisch en architectonisch opzicht zeer waardevol. Tal van panden in deze gebieden zijn aangewezen als Rijks- of gemeentelijk monument.

Criteria agrarisch buitengebied

Onderstaande welstandscriteria gelden specifiek voor dit gebied en voor zover ze niet in strijd zijn met de in het betreffende bestemmingsplan aangegeven bouwmogelijkheden. Uitgangspunt is dat ieder ontwerp blijk geeft van een basaal vakmanschap, zoals uiteengezet is in de algemene welstandscriteria (zie hoofdstuk 3 Welstandsnota). Als een bouwplan niet aan de specifieke welstandscriteria voldoet, kan een nadere beoordeling plaatsvinden op basis van de algemene welstandscriteria. De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken.

Bij het bepalen van de erfopzet en de groepering van de gebouwen dient ingespeeld te worden op de aanwezige karakteristieke landschappelijke structuren en ruimtelijke/landschappelijke elementen. Daarbij gaat het ondermeer om het aanwezige landschapstype, de schaal van het gebied, het verkavelingpatroon en de eventueel aanwezige hoogteverschillen.

De bebouwing dient in samenhang geclusterd te zijn op het erf, omdat dit zeer bepalend is voor het landschappelijke beeld. Het hoofdgebouw - de boerderij of het woonhuis - dient zich als zodanig te manifesteren. Bedrijfsgebouwen en andere bijgebouwen of objecten dienen ondergeschikt gesitueerd te worden.

Ten aanzien van de inrichting van het erf dient er zorg gedragen te worden voor een logische ontsluiting van het bouwperceel, waarbij de hoeveelheid verhard terrein zoveel mogelijk beperkt wordt. Ook dient er zorgvuldig omgegaan te worden met (tijdelijke) opslag van goederen. Voor een goede inpassing van erven in het landschap is erfbeplanting onmisbaar. Bij nieuwbouw dient een erfbeplantingplan dan ook deel uit te maken van de aanvraag voor omgevingsvergunning, onderdeel bouwen.

Criteria agrarisch buitengebied

Situering

  • De indeling van het perceel en de hoofdopzet worden afgestemd op de landschappelijke en cultuurhistorische karakteristiek van de locatie (hiërarchie, ontsluiting, zichtlijnen e.d.).
  • De positionering van de bebouwing op een erf ten opzichte van elkaar heeft vaak een bedrijfsmatige achtergrond maar is ook uit het oogpunt van de beleving van het erf een belangrijk uitgangspunt.
  • De bebouwing op een erf is geclusterd of in onderlinge samenhang op het terrein geplaatst.
  • Bestaande doorzichten moeten worden gehandhaafd. In een bebouwingslint moet de openheid tussen twee bebouwingselementen of -complexen bewaard blijven.
  • Bij voorkeur geen erfafscheidingen en toegangspoorten e.d. toepassen. Er dient uitgegaan te worden van hagen, heggen of houtwallen. Deze elementen zo situeren dat dit de samenhang van de erfbebouwing ondersteunt.

Massa en vorm

  • De hoofdvormen bestaan uit enkelvoudige, liggende blokvormige bouwmassa's met lage goothoogte en forse, hoogoplopende kappen.
  • De hoofdvormen van de gebouwen passen bij de landschappelijke en cultuurhistorische karakteristiek.
  • Elke bouwmassa heeft zijn eigen karakteristiek, maar past bij de bouwmassa's van het betreffende erf of complex.
  • Individuele bouwmassa's moeten bijdragen aan een evenwichtige massaopbouw van het complex gezien vanuit de omgeving.
  • De bouwhoogte bestaat uit een of twee bouwlagen met kap. De kapvorm bestaat uit een zadeldak of een afgeleide van dit daktype.
  • Bij renovatie van boerderijen dient de originele vorm(geving) het uitgangspunt te zijn.
  • Aan- en bijgebouwen dienen rekening te houden met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing.

Gevels

  • De bebouwing heeft een duidelijke relatie met de (oorspronkelijke) agrarische functie: dit uit zich in eenvoudige hoofdvormen en een duidelijke gevelindeling, aansluitend op het oorspronkelijke boerderijtype.
  • Zijgevels dienen laag en onopvallend te zijn en de kopgevels dienen een stoere en duidelijke expressie te hebben.
  • De gevels van bijgebouwen moeten een duidelijke plint en een beëindiging aan de bovenzijde hebben.
  • Grote vlakken moeten een structuur of onderverdeling hebben.

Materiaal gebruik

  • Het materiaalgebruik dient afgestemd te zijn op de karakteristiek van het landschap, waarbij het gebruik van natuurlijke materialen voorop staat. Bakstenen voor de gevels en keramische pannen als dakbedekking komen het meeste voor.
  • Rieten dakbedekking kan mits dit past bij de stijl van het bouwwerk en zorgvuldig is gedetailleerd.
  • Voor agrarische bedrijfsgebouwen zijn vezelcementgebonden golfplaten op het dak toegestaan, evenals geprofileerde stalen gevelbeplating in topgevels.
  • Voor kozijnen en eventuele gevelbetimmering is in principe hout toegepast.
  • Glas, spiegelende oppervlakken en kunststof mogen niet worden toegepast bij beplating van de gevels.

Kleurgebruik

  • Het kleurgebruik dient afgestemd te zijn op de karakteristiek van het landschap, waarbij het gebruik van gedekte kleuren (roodbruine bakstenen en antracietgrijze pannen) het meeste voorkomt.
  • Agrarische bedrijfsgebouwen in een donkere gedekte kleurstelling.
  • Grote vlakken mogen geen sterke kleurcontrasten tonen.
  • Kozijnen en windveren zijn wit geschilderd.
  • Voordeuren, gevelbetimmering, luiken etc. kennen een donkere gedekte kleur, meestal groen.

Detaillering

  • Bij detaillering moeten de aanwezige fijne en/of ambachtelijke onderdelen behouden blijven.

De detaillering van nieuwe onderdelen moet qua vorm en uitstraling passen bij de aanwezige details.

2.1.2.2.2 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

Het plangebied ligt in het buitengebied van Bronckhorst. In de directe omgeving liggen voornamelijk agrarische bouwpercelen en burgerwoningen. De gronden kennen van oudsher een agrarisch gebruik (akkerbouw en grasland). Het huidige plangebied is deels in gebruik voor het aannemersbedrijf en deels

voor een woonperceel.

De bedrijfswoning met bijbehorende gronden op het Keijenborgseweg 13 Zelhem kan worden afgesplitst van het bedrijfsperceel indien aangetoond dat:

- het aannemersbedrijf geen beperkingen ondervindt van deze nieuwe meer hindergevoelige functie;

- een aanvaardbaar woon- en leefmilieu voor de nieuwe woonfunctie gezekerd is.

Hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat de functieverandering van de woning geen belemmeringen oplevert. Zie verder onder paragraaf 2.1.3.2 Omgevingsaspecten onder het aspect 'geluid'.

2.1.2.3 Planbeschrijving     

De initiatiefnemers hebben de gemeente Bronckhorst verzocht om het bestaande gebruik van de voormalige bedrijfswoning als burgerwoning te formaliseren. In de huidige planologische situatie maakt de woning Keijenborgseweg 13 Zelhem deel uit van het aannemersbedrijf dat gevestigd is op het perceel Keijenborgseweg 13a Zelhem. De woning Keijenborgseweg 13 Zelhem is aangemerkt als 'bedrijfswoning'. Bij het bedrijf op het perceel Keijenborgseweg 13b is ook nog een 2e bedrijfswoning aanwezig. Op onderstaande afbeelding zijn de twee geschakelde bedrijfswoningen opgenomen. De rechterwoning is al in gebruik als burgerwoning. De linkerwoning blijft gehandhaafd als bedrijfswoning.

verplicht

afbeelding twee geschakelde bedrijfswoningen Keijenborgseweg 13 en 13b

Op onderstaande afbeelding is de linker bedrijfswoning zichtbaar alsmede de oprit naar het aannemersbedrijf met de bijbehorende opstallen.

verplicht

afbeelding in- en uitrit aannemersbedrijf 

Parkeren en ontsluiting

De huidige ontsluiting van het perceel Keijenborgseweg 13 te Zelhem blijft onveranderd. Binnen het woonperceel is voldoende ruimte aanwezig om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Er is geen toename van het verkeer te verwachten.

2.1.3 Uitvoerbaarheid     

2.1.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Het initiatief past binnen de beleidskaders zoals beschreven in Hoofdstuk 3 Beleidskader. Hieronder worden de belangrijkste conclusies weergegeven.

Ladder voor duurzame verstedelijking / Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik

Volgens het Besluit ruimtelijke ordening wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In de Handreiking staat dat er geen ondergrens is bepaald voor een stedelijke ontwikkeling.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de wijziging van het gebruik van een deel van bestaand pand (voormalige bedrijfswoningen). Deze verandering met een beperkte ruimtelijke uitstraling wordt niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder kan in dit geval verder achterwege blijven.

2.1.3.2 Omgevingsaspecten     

Er bestaan geen milieuhygiënische en waterhuishoudkundige belemmeringen tegen het voorgenomen initiatief. Waarden op het gebied van landschap, natuur, archeologie en cultuurhistorie zijn niet in het geding binnen het plangebied.

2.1.3.2.1 Milieu-effectrapportage     

Het plan beoogt de functie van de voormalige bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Het veranderen van deze functie heeft geen milieueffecten. Het opstellen van een milieu-effectrapportage kan daarom achterwege blijven.

2.1.3.2.2 Duurzaamheid     

In de bestaande situatie wordt het hemelwater binnen het plangebied geïnfiltreerd en het vuilwater wordt afgevoerd naar het bestaande rioleringssysteem. Deze wijze van afvoer van vuilwater en hemelwater blijft ongewijzigd.

De bestaande bebouwing voorziet in voldoende mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen om in de eigen energiebehoefte te voorzien.

2.1.3.2.3 Bodem     

Een bestemmingsplan dat voorziet in bouw- en/of inrichtingsmogelijkheden dient een reëel beeld te geven van de bodemkwaliteit van de gronden waarop het initiatief betrekking heeft. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

Het plan beoogt de functie van de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende gronden om te zetten naar een burgerwoning. Het betreffende pand en de bijbehorende gronden zijn al gedurende vele jaren in gebruik als burgerwoning. De bijbehorende gronden zijn al die tijd al in gebruik geweest voor tuin en /of erf. Het uitvoeren van een bodemonderzoek kan daarom achterwege blijven.

Conclusie

Er kan worden afgezien van het verrichten van een bodemonderzoek.

2.1.3.2.4 Geluid     

Bij ruimtelijke plannen moet ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat rekening gehouden worden met het aspect wegverkeerslawaai. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.

De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom aan de Keijenborgseweg waar een snelheidsbeperking geldt van 60 km/uur. Het huidige gebruik van de bebouwing en van de gronden voor wonen wordt voortgezet. De bestaande woonfunctie is (planologisch) al toegestaan.

Er worden geen nieuwe geluidgevoelige functies toegevoegd.

Conclusie

Een nader akoestisch onderzoek kan daarom achterwege blijven.

2.1.3.2.5 Luchtkwaliteit     

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Het bestemmingsplan faciliteert uitsluitend op perceelsniveau een wijziging van het gebruik van de bestaande woning naar burgerwoning. Dit betreft een wijziging die niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging (invloed < 3%). In het kader hiervan is geen nader onderzoek op het gebied van de luchtkwaliteit noodzakelijk.

Conclusie

Omdat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

2.1.3.2.6 Geur     

Het voorliggende bestemmingsplan waarbij het aantal wooneenheden onveranderd blijft, heeft geen gevolgen voor het milieuaspect 'geur'.

2.1.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering     

Om het plan te kunnen toetsen op milieuhygiënische aspecten wordt het instrument milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds hindergevoelige functies, zoals woningen.

Algemeen wordt hiervoor de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gebruikt. Hierin zijn aan bedrijven milieucategorieën toegekend. Per bedrijf is aangegeven wat de gewenste afstand is tot een rustige woonwijk. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De feitelijke emissies (geluid, geur, stof et cetera) van een bedrijf kunnen aanleiding zijn om een andere afstand aan te houden.

De VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' hanteert voor een aannemingsbedrijf (SBI-code 41.3, 42.3, 43.3 met een werkplaats kleiner 1000 m2 een afstand van 30 meter tot gevoelige functies zoals wonen. Deze afstand is nodig vanwege het geluidsaspect. Aan deze afstand wordt niet voldaan.

Om het geluidsaspect van dit aannemersbedrijf beter in beeld te krijgen is een akoestisch onderzoek (nr. 8313.001, versie D3, 13-02-2019) uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

De resultaten zijn hieronder samengevat.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt het woon- en leefklimaat van de woning ten gevolge van het naastgelegen aannemersbedrijf inzichtelijk gemaakt. Tevens dienen de bestaande rechten van het aannemersbedrijf te worden gerespecteerd.

Veel van de werkzaamheden worden op locatie uitgevoerd, binnen de inrichting vinden in beperkte mate activiteiten plaats. De activiteiten concentreren zich hoofdzakelijk tussen 7.30 en 18.00 uur, enkele verkeersbewegingen kunnen zich voor 7.00 uur, of na 19.00 uur voordoen. Per dag bezoeken maximaal 15 voertuigen de inrichting, waarvan 9 personenwagens, 4 bestelwagens en 2 vrachtwagens. De verkeersbewegingen van de vrachtwagens en het laden en lossen beperken zich tot de dagperiode. De voertuigen van bezoekers en medewerkers worden aan de zuidwestzijde van het terrein (voorzijde loods) geparkeerd.

Het buitenterrein is in hoofdzaak in gebruik als opslag. In de dagperiode is op het noordelijk deel van de inrichting gedurende ten hoogste 60 minuten een shovel actief ten behoeve van het laden en lossen van materieel. Aan de noordoostzijde van de buitenopslag staat een container ten behoeve van de opslag van afval. De container wordt gedurende de dagperiode gewisseld. In de dag- en avondperiode is rekening gehouden met 15 en 5 minuten lossen van afval in de container.In tabel 3.1 zijn de relevante activiteiten en de bijbehorende bronvermogens samengevat.

verplicht

Gezien de directe ontsluiting van het bedrijf op de Keijenborgseweg zal het beperkte verkeer van en naar de inrichting niet als dusdanig herkenbaar zijn.

Resultaten en toetsing

Uit de toetsing van de berekende geluidsbelastingen blijkt dat geen overschrijdingen van de grenswaarden van 50 dB(A) etmaalwaarde voor respectievelijk het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de indirecte hinder plaatsvinden. De maximale geluidniveaus overschrijden enkel in de dagperiode de grenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde. Het laden en lossen met een shovel of heftruck en de ontluchting van de parkeerrem van een vrachtwagen kunnen resulteren in overschrijdingen van respectievelijk 5 en 2 dB. De berekende overschrijdingen kunnen volgens stap 3 van de publicatie met een aanvullende motivatie acceptabel worden geacht. Aangezien de werkzaamheden van een aannemersbedrijf voornamelijk op locatie worden uitgevoerd zal er in beperkte mate en frequentie sprake zijn van overschrijdingen. Doordat de overschrijdingen enkel in de dagperiode plaatsvinden zal er geen sprake zijn van slaapverstoring. In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden, in de praktijk zullen de geluidbelastingen lager uitvallen. De laad- en losactiviteiten gedurende de dagperiode blijven bij een beoordeling conform het Activiteitenbesluit buiten beschouwing en levert derhalve geen beperking voor het bestaande bedrijf op. Daarnaast kan gesteld worden dat de bedrijfswoning al jaren geen functionele binding met het bedrijf heeft.

Conclusie

Met de gewenste bestemmingsplanwijziging wordt de huidige situatie gelegaliseerd. Het akoestisch woon- en leefklimaat wordt gezien de geluidbelastingen op de woning en de sporadische overschrijdingen acceptabel geacht.

De bestaande woonfunctie levert geen onevenredige (geluid)hinder op of andere vormen van overlast of beperkingen voor de in de omgeving gevestigde bedrijven.

2.1.3.2.8 Externe veiligheid     

In de omgeving van het plangebied vindt geen vervoer gevaarlijke stoffen over (water)wegen plaats en zijn er geen risicovolle bedrijven aanwezig.

2.1.3.2.9 Water     

Bestaande situatie

De bodem

De bodem is, gelet op de bodemopbouw en het grondwaterniveau, geschikt voor het opvangen en infiltreren van hemelwater. Het hemelwater mag niet worden geloosd op het riool.

Riolering

Het vuilwater dat geproduceerd wordt door de woning wordt via de gemeentelijke riolering afgevoerd. Dit betreft het water dat voortkomt uit het gebruik van water door een huishouden (toilet, douche, wasmachine e.d.). De bestaande woning op het perceel is al voorzien van een aansluiting op het bestaande rioolstelsel. Deze huidige situatie blijft in de toekomst gehandhaafd.

Waterhuishoudkundige aspecten

In de 'Handreiking Watertoets 2' zijn inhoudelijke criteria aangereikt voor de watertoets, die basis vormen voor de planbeoordeling door het waterschap en het daaruit voortvloeiende wateradvies. In onderstaande watertoetstabel zijn de voor het bestemmingsplan van belang zijnde waterhuishoudkundige criteria opgenomen.

Thema Toetsvraag Relevant Inten- siteit
Veiligheid 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)

2.Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?
Nee





Nee
2





2
Riolering en

Afvalwater keten
1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?

2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ

3.Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?
Nee



Nee

Nee
2



1

1
Waterover- last(oppervlaktewater) 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2

2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2

3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak ?

4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes
Nee



Nee



Nee



Nee
2



1



1



1
Oppervlak- tewater- kwaliteit Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?

Nee 1
Grondwater-

overlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

2. Is in het plangebied sprake van kwel?

3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?
Nee



Nee

Nee
1



1

1
Grondwater- kwaliteit

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking ? Nee 1
Inrichting en

beheer
Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?

Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

Nee



Nee
1



2
Volksgezond-heid 1.In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?

2.Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Nee



Nee
1



1
Natte Natuur 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?

2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?

3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur

4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Nee



Nee

Nee



Nee
2



2

1



1
Verdroging Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? Nee 1
Recreatie Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? Nee 2
Cultuurhis- torie Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? Nee 1

Nadere toelichting Wateroverlast (oppervlaktewater)

Eén van de twee bedrijfswoningen wordt afgesplitst en wordt een burgerwoning. De hemelwaterafvoer, de vuilwaterafvoer en de aanwezige verharding blijven in deze situatie ongewijzigd voor beide woningen. De woningen betreffen twee aan-een gesloten woningen.

Overleg

Bij mail van 12 maart 2019 heeft het Waterschap aangegeven geen inhoudelijke opmerkingen op het plan met de hierin opgenomen waterparagraaf te hebben.

 

2.1.3.2.10 Archeologie en cultuurhistorie     

Het bodemarchief wordt beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. De gronden hebben volgens het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst grotendeels de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en voor een klein deel de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Dat wil zeggen dat een onderzoek nodig is ingeval de bodemingreep meer bedraagt dan 250 m2 en dieper is dan 0,4 m respectievelijk meer dan dan 5000 m2 en dieper is dan 0,4 m .

Het voorliggende bestemmingsplan heeft een neutraal effect op de archeologische en cultuurhistorische waarden omdat er geen bodemingrepen plaats vinden.

2.1.3.2.11 Flora en fauna     

Vanaf 1 januari 2017 geldt de nieuwe Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Deze nieuwe wet regelt de gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden, beschermde natuurmonumenten en wetlands. Daarnaast moet worden gekeken naar het effect op het Gelders Natuurnetwerk. De nieuwe wet regelt ook de soortenbescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren.

De Wet natuurbescherming verplicht om na te gaan of in het plangebied beschermde flora en fauna aanwezig is. In verband hiermee is een onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen natuurwaarden en wettelijk beschermde soorten of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van het onderzoeksgebied te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan hetgeen beschreven staat in de Wet natuurbescherming.

De Wet natuurbescherming ziet op de soorten- en gebiedsbescherming.

Soortenbescherming

Het doel van de Wet natuurbescherming is het in stand houden en met rust laten van de planten en diersoorten die in het wild voorkomen. Op grond van de wet is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfsplaats.

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000-gebieden en de natuurmonumenten.

Het afsplitsen van één van de twee geschakelde bedrijfswoningen waarbij de woning op het perceel Keijenborgseweg 13 bestemd wordt tot burgerwoning heeft neutraal effect op de beschermde waarden en gebieden.

Conclusie 

De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

2.1.3.2.12 Verkeer     

Parkeren en Verkeer

Een ruimtelijke ontwikkeling mag niet leiden tot problemen bij de verkeersafwikkeling of tot parkeeroverlast. Het afsplitsen van één van de twee geschakelde bedrijfswoningen waarbij de woning op het perceel Keijenborgseweg 13 bestemd wordt tot burgerwoning heeft neutraal effect op de verkeersafwikkeling en op de parkeerdruk. De huidige situatie - waarin de woning al gedurende vele jaren als burgerwoning wordt gebruikt - wordt nu ook juridisch geformaliseerd.

Op eigen terrein is overigens voldoende parkeergelegenheid om te voorzien in de eigen parkeerbehoefte (minimaal 2 parkeerplaatsen). Het aantal verkeersbewegingen neemt niet toe en kan eenvoudig binnen de bestaande verkeersstromen worden opgevangen.

Conclusie

Geconcludeerd wordt er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het initiatief voor wat betreft de verkeersaspecten.

2.1.3.2.13 Leidingen     

Onder- of bovengrondse transportleidingen zijn niet binnen het plangebied aanwezig.

2.1.3.3 Volkshuisvesting     

Het voorliggende plan heeft geen gevolgen voor de volkshuisvesting.

2.1.3.4 Economisch     

Voor de realisatie van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Alle kosten zullen worden gedragen door de initiatiefnemer. De realisering van het bestemmingsplan leidt derhalve niet tot kosten die voor de rekening van de gemeente Bronckhorst komen. De economische uitvoerbaarheid is niet in het geding.

De gemeente Bronckhorst heeft met de initiatiefnemer een planschade-overeenkomst afgesloten waarin is geregeld dat eventueel optredende planschade wordt doorberekend aan de initiatiefnemer.

2.1.3.5 Overleg en inspraak     
2.1.3.5.1 Overleg     

In het kader van het wettelijk overleg is de waterparagraaf ter advisering voorgelegd aan het Waterschap Rijn en IJssel. Bij mail van 12 maart 2019 heeft het Waterschap aangegeven dat de watertoets goed is toegepast en uitgewerkt.

2.1.3.5.2 Inspraak     

De initiatiefnemers hebben omwonenden persoonlijk geïnformeerd over het bestemmingsplan waarbij een bestaande woonsituatie wordt geformaliseerd. De direct-aanwonenden hebben geen bezwaren tegen het voorontwerpbestemmingsplan en hebben dit ook schriftelijk bevestigd.

2.1.3.6 Conclusie     

Geen van de onderzochte omgevingsaspecten levert beperkingen op voor de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan. Dit geldt ook voor volkshuisvesting en de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Omwonenden hebben geen bezwaren tegen het voorliggende plan waaraan niet tegemoet kan worden gekomen volgens de initiatiefnemer.

2.1.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen.

2.1.4.1 Bestemmingsregels     
2.1.4.1.1 Bedrijven     

De verspreid binnen het plangebied aanwezige bedrijven zijn binnen de bestemming 'Bedrijf' opgenomen. De bestaande niet-agrarische bedrijven zijn - om te voorkomen dat hun impact op het landschap en de woonomgeving verder groeit - positief bestemd, maar krijgen geen (ruime) ontwikkelingsmogelijkheden. Alle bedrijven zijn specifiek aangeduid met hun aard van bedrijvigheid en de maximaal toegestane oppervlakte in m2. Deze maat is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning(en) en de daarbij behorende bouwwerken.

Buitenopslag

De oppervlakte voor buitenopslag, stalling en/of grondopslag is maximaal 100 m2 en 2 meter hoog tenzij anders aangegeven in de tabel in dit artikel.

Detailhandel

Er vindt geen detailhandel plaats anders dan detailhandel in zelfvervaardigde en/of voortgebrachte producten tot een maximale oppervlakte van 25 m² in bestaande gebouwen of verkoopactiviteiten als opgenomen in de tabel in 6.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving onder a Niet-agrarische bedrijven.

Bijbehorende bouwwerken

In het plan zijn voor gebouwen en voor 'bouwwerken, geen gebouw zijnde' goot- en bouwhoogten vastgelegd. Voor aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen geldt in dit plan een maximaal oppervlakte van 150 m2 in plaats van de tot nu toe gehanteerde 100 m2. Reden voor deze verruiming is gelegen in Bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Daarin is onder andere geregeld dat bij hoofdgebouwen die zijn gelegen op een perceel met een achtererfgebied van 900 m2, vergunningsvrij 150 m2 aan bijgebouwen mag worden gebouwd. Zodoende kan bij de woonbestemming, mits de maat van het achterefgebied wordt gehaald, vergunningsvrij 150 m2 aan bijgebouwen bij de woning worden gebouwd. Doorgaans beslaan de achtererfgebieden van bedrijven ook 900 m2, maar hier is een bedrijfsgebouw het hoofdgebouw. Indien er meerdere bedrijfsgebouwen aanwezig zijn is de norm van 150 m2 dikwijls geconsumeerd aan bedrijfsgebouwen. Dit betekent dat voor het bijgebouw bij de bedrijfswoning vergunningsvrij veelal geen ruimte meer is. Wij brengen hierin gelijkwaardigheid door de oppervlakte naar 150 m2 te brengen.

Omgevingsvergunning

Met een omgevingsvergunning kan van de bouwregels worden afgeweken. Onder voorwaarden is het mogelijk om maximaal 10% van de bestaande oppervlakte uit te breiden en duurzame energie-opwekking (zie 2.1.4.1.4) te realiseren.

Van de gebruiksregels kan worden afgeweken met een omgevingsvergunning voor verruiming van de buitenopslagmogelijkheden. Hierbij bedraagt de maximale hoogte 4m en de maximale oppervlakte 200 m2.

Wijzigingsbevoegdheid

De wijzigingsbevoegdheid richt zich op het wijzigen van de bestemming in een woonbestemming waarbij het aantal woningen niet toeneemt en een minimale reductie van 50% van de bebouwde oppervlakte van niet-karakteristieke gebouwen op het bouwvlak wordt gerealiseerd.

Daarnaast is het met een wijziging binnen de bestemming mogelijk van functie te veranderen waarbij onder andere als voorwaarden gelden dat het uitsluitend een bedrijf betreft als opgenomen in de bij deze regels gevoegde Bijlage 3 Toegelaten functies, dan wel een bedrijf dat niet voorkomt in tabel 6.1.2. onder a, maar die qua aard en omvang en invloed op het milieu gelijk te stellen is aan genoemde bedrijven, dan wel bedrijven in een hogere categorie waarbij in alle gevallen geldt dat het uitsluitend een gebiedsgebonden functie mag betreffen.Ook is het uitgangspunt dat de de oppervlakte als genoemd in de tabel in 6.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving onder a Niet-agrarische bedrijven als maximum geldt.

Met een wijziging binnen de bestemming is het realiseren van grondgebonden zonne-installaties mogelijk, waarvan de energieproductie wordt afgenomen door derden. Twee van de geldende voorwaarden luidt dat dit alleen toegestaan is als de zonne-installaties binnen het bouwvlak zijn gesitueerd en de oppervlakte van het bouwvlak niet wordt vergroot;

Realisering van nieuwe bedrijfswoningen is uitgesloten; in voorkomende gevallen dient hier een afzonderlijke procedure voor gevolgd te worden, waarbij rekening wordt gehouden met het kwalitatief woningbouwprogramma c.q. de gemeentelijke woonvisie.

2.1.4.1.2 Wonen     

Woningen zijn ondergebracht in drietal bestemmingen voor wonen.

Op grond van de Wet Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) zijn in een groot aantal gevallen meer dan één woning binnen het bestemmingsvlak gesitueerd. De woningen kunnen in aparte hoofdgebouwen dan wel tezamen in één hoofdgebouw zijn gelegen. Om hier zicht op te hebben en over het aantal woningen en hun uitbreidingsmogelijkheden regie te kunnen voeren, zijn de specifieke situaties in een drietal bestemmingsvarianten vastgelegd, In het voorliggende plan gaat het uitsluitend om Wonen. Voor de bestemming Wonen geldt dat per bestemmingsvlak maximaal één woning is toegestaan, tenzij ter plaatse de aanduiding 'aantal woningen' is opgenomen, waarbij uitsluitend het aangegeven aantal woningen is toegestaan. De toegestane woningen zijn ieder in aparte hoofdgebouwen gesitueerd;

Woning

De toegestane maatvoering voor burgerwoningen is 750 m3. Indien de inhoud van een woning reeds groter is, is de bestaande inhoud de maximaal toelaatbare maat.

Toevoeging aan de netto woningvoorraad door nieuwbouw van burgerwoningen in het buitengebied is niet toegestaan.

Herbouw van een woning is alleen toegestaan met de bestaande situering en in de bestaande bouwwijze. Het bevoegd gezag kan hier onder voorwaarden van afwijken door het verlenen van een omgevingsvergunning. Één van die voorwaarden is dat uit onderzoek zal moeten blijken dat voldaan wordt aan de bij of krachtens de Wet geluidhinder gestelde normen ten aanzien van de geluidbelasting op de gevel.

Bijgebouwen

Bij burgerwoningen zijn bijbehorende bouwwerken, uitsluitend in de vorm van bijgebouwen, toegestaan tot een maximum oppervlak van 100 m2. Middels de rijksregeling in het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan onder voorwaarden nog maximaal 50 m2 extra vergunningsvrij worden gebouwd tot een maximum van 150 m2. Indien de bestaande oppervlakte van een bestaand bijgebouw groter is dan 100 m2, is de bestaande oppervlakte de maximaal toelaatbare maat. Vaak zijn deze bijgebouwen voormalige stallen en schuren.

Afwijken van de bouwregels

Bij nieuw- en/of herbouw van bijgebouwen geldt een sloopbonus regeling. Bij sloop van bebouwing kan middels een omgevingsvergunning voor afwijken 20% worden teruggebouwd tot een maximum van 375 m2. Eventueel nieuw op te richten bebouwing dient binnen het bestemmingsvlak zo dicht mogelijk tegen de bestaande bebouwing te worden gesitueerd, met een maximale afstand van 20 m tot de woning. Bij een burgerwoning is een hooiberg onder bepalingen toegestaan.

Daarnaast is met een omgevingsvergunning onder voorwaarden mogelijk:

- de hoogte van de bouwwerken (geen gebouwen) te verhogen tot 4 m,

- 10% af te wijken van de in de regels genoemde maten,

- nevenactiviteiten bij de woning toe te staan. Deze nevenactiviteiten moeten wel voorkomen op de lijst met toegelaten functies of in milieuhygiënisch opzicht met deze functies vergelijkbaar zijn. Niet meer dan 50% van de bijbehorende bouwwerken mag voor de nevenfunctie worden gebruikt en tot een maximum van 350 m2 van de bestaande gebouwen. Er wordt altijd verevening gevraagd. Deze bestaat bij karakteristieke/monumentale gebouwen uit de instandhouding van ervan. De vereveningsbijdrage bij “overige gebouwen” bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur.

- grondgebonden zonne-installaties voor de eigen energievoorziening, kleine windturbines en miniwindturbines toe te staan (zie 2.1.4.1.4)

Overigens is het bij recht toegestaan grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie uitsluitend binnen het bestemmingsvlak en ten behoeve van de eigen energievoorziening te realiseren.

Paardenbakken

Bij burgerwoningen is de aanleg van een paardenbak mogelijk. Oprichting van een paardenbak buiten het bestemmingsvlak kan enkel op basis van een omgevingsvergunning voor afwijken worden gerealiseerd, waarbij eisen worden gesteld aan de maatvoering, afstand tot omliggende objecten, verlichting en plaatsing van hekwerk.

Kleinschalig kamperen

Met een omgevingsvergunning kan bij de woonbestemming welke buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone (GO) zijn gelegen een kleinschalige kampeerterrein worden toegestaan waarbij onder andere geldt dat deze wordt gesitueerd binnen het bestemmingsvlak, het aantal kampeerplaatsen maximaal 30 bedraagt.

Voor trekkershutten gelden de bepalingen dat per 10 kampeerplaatsen is 1 trekkershut is toegestaan en dat deze meetellen in het totale aantal kampeerplaatsen en in het toegestane bebouwde oppervlak. Stacaravans of chalets zijn niet toegestaan.

Combinatie van recreatie activiteiten Voor gevallen, welke zijn aan te merken als een voormalig agrarisch bedrijf, is het onder voorwaarden mogelijk een combinatie van recreatieve activiteiten te ontplooien waarvoor maximaal 500 m2 van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt. Verevening weer is vereist.

Het hobbymatig uitoefenen van agrarische activiteiten

Op een aantal voormalige agrarische bedrijven welke in dit plan een woonbestemming hebben gekregen vinden nog hobbymatig agrarische activiteiten plaats. Deze kunnen worden voortgezet waarbij maximaal 200 m2 van de bestaande gebouwen hiervoor mag worden gebruikt. Deze gevallen zijn met een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wonen+' op de verbeelding aangegeven.

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen de woonbestemming wijzigen in de bestemming 'Recreatie -Verblijfsrecreatie' om recreatieve verblijfsdoeleinden te kunnen toestaan. Hierbij geldt onder andere dat dit alleen kan bij burgerwoningen zijn aan te merken als een voormalig agrarisch bedrijf. Tevens geldt dat op het moment van de tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan reeds één van de volgende recreatieve functies aanwezig moet zijn geweest: recreatiewoningen, recreatieappartementen, bed &voorzieningen, groepsaccommodaties, trekkershutten tot een maximum van 3 en kleinschalige kampeerterreinen. De oppervlakte van de recreatieve verblijfsdoeleinden zijn met een maximale oppervlakte van 750 m² van bij voorkeur bestaande karakteristieke gebouwen toegelaten, inclusief maximaal 50 m² bebouwing voor kleinschalige horecavoorzieningen.

2.1.4.1.3 Waarde     

Waarde - Archeologische verwachting 1 en Waarde - Archeologische verwachting 3

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. Waarde - Archeologische verwachting 1 staat voor een hoge verwachtingswaarde. Waarde - Archeologische verwachting 3 staat voor een lage verwachtingswaarde.

Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.1.4.1.4 Terugkerende planregels     

Aan huis verbonden activiteiten

Binnen de woon-, bedrijfs-, horeca-, maatschappelijke, verblijfsrecreatieve en sportfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken. Deze nevenactiviteiten zijn qua functie ondergeschikt aan de hoofdfunctie. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast.

Bij een 'aan huis verbonden beroep' en 'aan huis verbonden bedrijf' is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde Verbroken kruisverwijzing naar 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging'. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop' gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een 'bed & breakfast'-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Omvang en aantal (bedrijfs)woningen

In principe hebben de woonbestemming 'Wonen' en de bestemming 'Bedrijf recht op één (bedrijfs)woning tenzij met een aanduiding is aangegeven dat meer woningen zijn toegestaan. De woning is gesitueerd in een hoofdgebouw. De inhoud van de woning is maximaal 750 m3, tenzij de woning al een grotere omvang heeft. Dan geldt dit volume als maximum tenzij anders aangegeven. Bij agrarische bedrijven is uitbreiding van het hoofdgebouw ten behoeve de agrarische activiteiten (anders dan wonen) mogelijk.

Op grond van de Wet Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) zijn in een groot aantal gevallen meer dan één woning binnen het bestemmingsvlak gesitueerd. Omdat de woningen in aparte hoofdgebouwen dan wel tezamen in één hoofdgebouwen kunnen zijn gesitueerd zijn de specifieke situaties in de regels in een tabel vastgelegd. Daarmee kan worden afgeleid of een woning nog kan uitbreiden.

Voor het bepalen van de inhoud ('wijze van meten') wordt gemeten tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/ of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen, waarbij voor de definities hiervan wordt aangesloten op de landelijke norm NEN2580.

Omgevingsvergunning afwijken maatvoering

Voor nagenoeg alle bestemmingen geldt dat het bevoegd gezag door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning kan afwijken van de in de regels genoemde maten, mits wordt voldaan aan een aantal bepalingen. De afwijking bedraagt nooit meer dan 10% van de genoemde maten en indien er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of waardevol landschap mogen er geen significante negatieve effecten aan deze gebieden optreden. Deze afwijkingsmogelijkheid zal slechts bij hoge uitzondering worden toegepast. Het is niet de bedoeling dat bouwplannen hier op worden ontworpen.

Omgevingsvergunning duurzame energie - opwekking

In de woonbestemmingen 'Wonen' en de bestemming 'Bedrijf', is een regel opgenomen dat onder voorwaarden plaatsing zonnepanelen en –collectoren op de grond mogelijk maakt. De installatie wordt aangewend voor de eigen energievoorziening. Gebruik voor grondgebonden zonnepanelen is geen echter argument voor vergroting van het bestemmingsvlak. Binnen deze regel is het tevens mogelijk kleine en mini-windturbines (dat zijn molens op het dak van gebouwen) voor de eigen energievoorziening toe te staan. Een kleine windmolen heeft een masthoogte van 25 meter. De agrarische bestemmingen kunnen onder voorwaarden worden gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' met het doel het realiseren van grondgebonden zonne-installaties waarvan de energieproductie wordt afgenomen door derden. In deze gevallen wordt de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - solarpark' opgenomen zodat enkel deze bedrijfsactiviteit op de locatie is toegestaan.

Cultuurhistorie

De in het plangebied voorkomende behoudenswaardige cultuurhistorische waarden worden beschermd door een bestemming of aanduiding waar specifieke regels voor gelden (onder meer voor cultuurhistorisch waardevolle gebouwen). Daarnaast zijn deze waarden ook in het omgevings- vergunningstelsel opgenomen waarbij geen sprake mag zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden. De bescherming van cultuurhistorische waarden van de in het plangebied aanwezige landgoederen is in het bestemmingsplan geborgd middels de aanduiding 'wetgevingzone - omgevingsvergunning landgoed'. Voor gronden met deze aanduiding geldt bij werken waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, de aanvullende voorwaarde dat door de werken en werkzaamheden de samenhang binnen het landgoed en de cultuurhistorische waarden van het landgoed, niet onevenredig mogen worden aangetast.

Op deze wijze, in combinatie met de bepalingen op het gebied van landschap, zijn historische geografische waarden in het gebied geborgd. De bescherming van rijks- en gemeentelijke monumenten in het plangebied geschiedt via sectorale regelgeving in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening.

2.2 Schiphorsterstraat 16 in Toldijk     

2.2.1 Inleiding     

2.2.1.1 Aanleiding     

Het voorliggende plan maakt deel uit van het proces zoals dat in de gemeente Bronckhorst wordt doorlopen bij het opstellen, het in procedure brengen en het vaststellen van bestemmingsplannen. De basis voor dit proces is dat er halfjaarlijks twee bestemmingsplannen in procedure worden gebracht. Eén voor Stedelijk gebied (de kernen) en één voor Landelijk gebied (het buitengebied). In deze zogeheten 'veegplannen' worden nieuwe initiatieven en ambtshalve aanpassingen gebundeld in één bestemmingsplan. Op basis van ontwikkelplannen voor individuele initiatieven wordt een overleg- en inspraakprocedure gevoerd. Daarna worden de individuele ontwikkelplannen samengevoegd tot een veegplan. Het veegplan wordt vanaf de ontwerpfase in procedure gebracht. De individuele initiatieven en ambtshalve aanpassingen door de gemeente vormen elk een planonderdeel van het veegplan.

De initiatiefnemers willen een uitbreiding van de activiteiten welke onderdeel uitmaken van een

multifunctionele onderneming op het perceel Schiphorsterstraat 16 te Toldijk. De bestaande activiteiten bestonden voornamelijk uit het geven van trainingen, coaching en het bieden van faciliteiten voor workshops.

Het voorliggende bestemmingsplan beoogt de planologische basis te leggen voor de uitbreiding van de bestaande activiteiten en de aanvulling hiervan met activiteiten op het gebied van recreatie en toerisme. Tevens zullen er ook overnachtingsmogelijkheden worden aangeboden in de vorm van drie te plaatsen trekkershutten/POD's.

Het college is bereid medewerking te verlenen aan het initiatief onder voorwaarden dat er voldoende draagvlak is in de omgeving, geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt en dat de activiteiten op een landschappelijk verantwoorde wijze worden ingepast.

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, een toelichting en een set van de toepasselijke regels van het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst. De resultaten van hiervan zijn in de plantoelichting samengevat. Ten behoeve van een goede landschappelijke inrichting is ook een inrichtingsplan opgesteld.

2.2.1.2 Plangebied     

Het perceel Schiphorsterstraat 16 te Toldijk (gemeente Steenderen, sectie P, nummer 665) is gelegen in het buitengebied van de gemeente Bronckhorst ten oosten van het dorp Toldijk. Zie onderstaande afbeelding.

verplicht

Afb. globale ligging perceel Schiphorsterstraat 16 ten zuidwesten van Toldijk

2.2.1.3 Vigerende planologische situatie     

Voor de gronden van het perceel Schiphorsterstraat 16 Toldijk geldt het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst. Zie volgende uitsneden (afb.rechts verkleind en afb.links vergroot) van de verbeelding.

verplicht

De gronden zijn bestemd voor:

  • Wonen
  • Waarde - Archeologische verwachting 1 en 3.

en zijn tevens nader aangemerkt met de functieaanduiding 'specifieke vorm van dienstverlening - 2'. De functieaanduiding 'specifieke vorm van dienstverlening - 2' wordt in de lijst 'nevenfuncties' in de nadere bestemmingsomschrijving in art. 22.1.2, sub b, van de regels als volgt omschreven 'trainer, coach en ondersteuning van managers aan max. 3 personen tegelijkertijd'. De toegelaten oppervlakte van de aard van de functie bedraagt maximaal 207 m2.

De uibreiding van de bestaande activiteiten en het toevoegen van nieuwe activiteiten is in strijd met de regels van geldende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan moet daarom worden aangepast.

2.2.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.2 Schiphorsterstraat 16 in Toldijk de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.2.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.2.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.2.3).

Paragraaf 2.2.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.2.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.2.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.2.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.2.1.4).

Paragraaf 2.2.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 2.2.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 2.2.2.2) en de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.2.2.3).

Paragraaf 2.2.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.2.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.2.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.2.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.2.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 2.2.3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 2.2.3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.2.3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.2.4 Juridische aspecten planonderdeel

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4).

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 4.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 4.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 4.3).

Bijlagen toelichting planonderdeel Schiphorsterstraat 16, Toldijk

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting van dit planonderdeel opgenomen.

2.2.2 Initiatief     

2.2.2.1 Bestaande situatie     
2.2.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

De ondergrond van het gebied is grotendeels gevormd tijdens de ijstijden. Het plangebied maakt onderdeel uit van een dekzandgebied in het oosten dat zwak afhelt tussen het (hoger gelegen) Oost-Nederlands Plateau en overloopt in het (lager gelegen) rivierenlandschap van het IJsseldal in het westen van de gemeente. De hoogteverschillen in het buitengebied zijn beperkt, het hoogst is de dekzandrug van 't Zand in het oosten van het plangebied (circa 22 m. boven NAP).Het laagste deel ligt in het rivierenlandschap in het westen van het buitengebied (circa 7 m. boven NAP).

In het westen van de gemeente, achter de IJsseldijk, liggen vruchtbare rivierkleigronden die door deze rivier zijn afgezet. De rivierkleigronden gaan geleidelijk over in zogenaamde vaaggronden, kalkloze zandgronden met een zavel- of kleidek. Meestal ontbreekt een goedontwikkelde humuslaag. Verder naar het oosten maken de vaaggronden plaats voor humuspodzolgronden. Deze gronden zijn ontstaan uit mineralogisch arm moedermateriaal dat verrijkt is door de inspoeling van organisch materiaal.

verplicht

afb. Schiphorsterstraat 16 omstreeks 1900

verplicht

afb. Schiphorsterstraat 16 omstreeks 1950

2.2.2.1.2 Hydrologie     

Kenmerkend voor het gebied zijn de vele beeklopen en watergangen. Het landschap is een landschap van laaglandbeken verdeeld in diverse kleine stroomgebieden. Veel beken ontspringen net over de grens in Duitsland en stromen vandaar in oostwestelijke richting naar de IJssel, maar sommige ontspringen in het gebied zelf. Het water heeft het landschap gevormd tot 30 à 40 jaar geleden. Vanaf die tijd zijn de waterlopen zo onder controle gebracht via kaden en stuwen dat water ongeacht de hoogte van (piek) afvoer in het stroombed blijft. Daarmee hebben veel waterlopen hun oorspronkelijke karakter, waarin meer of mindere mate van meandering sprake was, verloren.

De belangrijkste beken in het buitengebied zijn, van noord naar zuid gezien, de Onderlaatse Laak, de Vierakkerse Laak, de Baakse Beek, de Veengoot, de Lindese Laak, de Hengelose Beek, de Oosterwijkse Vloed, de Grote Beek en de Oude Ijssel. De Baakse Beek en de Veengoot worden gevoed door een gebied dat zich ver uitstrekt buiten het plangebied. De waterafvoer in deze beken is in het voorjaar het grootst. In de zomer vallen met name de kleinere beken vaak droog. De grote watergangen, zoals de Veengoot en de Oosterwijkse Vloed worden gestuwd zodat er altijd water in staat. Het peilbeheer is in het recente verleden zó gewijzigd dat de benedenloop van de Baakse beek (weer) van stromend water wordt voorzien.

De huidige locatie is gedurende vele decennia in gebruik voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

2.2.2.1.3 Archeologie en cultuurhistorie     

Cultuurhistorische waarden

Het landschap is een bron van informatie over het verleden. Het landschap ontleent haar cultuurhistorische waarde aan de sporen die door menselijke activiteiten, zoals bouwen, bemesten en ontginnen, zijn achtergelaten. Het landschap en de landschappelijke basis vormen een archief vol aanwijzingen over het leven en werken van mensen in vroeger tijden. Voorbeelden zijn molens, grafheuvels, poelen, enkeerdgronden en escomplexen. Beeldbepalend in het buitengebied is ook (nog steeds) de sterke verwevenheid van natuur en landbouw: cultuurgronden, bossen en landschapselementen zoals houtwallen, bosjes, solitaire bomen, poelen, zandwegen, bloemrijke bermen, slootkanten en steilranden wisselen elkaar af.

Heel globaal valt Bronckhorst landschappelijk in te delen in het rivierengebied, de overgangszone en het hoge zandgebied. Op basis van historisch gegroeide patronen, het reliëf en de bebouwing kan onderscheid gemaakt worden tussen een vijftal verschillende landschapstypen binnen de gemeente Bronckhorst:

  1. IJsselland: een open en wijds rivierlandschap met oude bewoningskernen op de rivierduinen in het westen van de gemeente;
  2. Broekland: een grootschalig, open waterrijk gebied aan weerszijden van de Grote beek in het midden van de gemeente;
  3. Oud cultuurland: een halfopen tot besloten gebied met een onregelmatige verkaveling in het midden en zuiden van de gemeente;
  4. Landgoedland: een gevarieerd kleinschalig en besloten gebied met historische ensembles van kastelen, landgoederen, landhuizen en pachtboerderijen in een parkachtig landschap met bossen en landbouwgronden in het noordoosten van de gemeente;
  5. Velden: jonge veldontginningen van natte veen- en heidegebieden in het zandlandschap met een open karakter en rechtlijnige verkaveling in het zuidoosten van de gemeente.

Daarnaast kunnen ook vijf deelgebieden worden onderscheiden op basis van de geografische situering nabij de grotere bewoningskernen binnen de gemeente:

1. Steenderen en omgeving:

Binnen dit gebied liggen de stad Bronkhorst en de kernen Steenderen, Baak, Olburgen, Rha en Toldijk. In dit gebied waren zeven kastelen te vinden; Bronkhorst, Baak, Bransenborgh, Spaensweert, Huis ter Weerde, Holthuijsen en het Holtslag. Landschappelijk ligt dit deelgebied in het IJssellandschap. De belangrijkste kenmerken betreffen:

  • Zichtbaar hoge ligging van oude bewoningsplaatsen op rivierduinen;
  • De hoofdstructuren van Rha – Rhabergseweg -en Olburgen –Olburgseweg - volgen de natuurlijke verhogingen in het landschap;
  • Boerderijen op natuurlijke en kunstmatige verhogingen;
  • Veren Bronkhorst-Brummen en Olburgen- Dieren;
  • Stad Bronkhorst als ensemble van oud kasteeldorp langs de IJssel.

Archeologie

Op de Oostnederlandse zandgronden waarop het plangebied ligt bestaat een zeer sterke relatie tussen bepaalde landschappelijke eenheden en het voorkomen van archeologische resten. In het verleden werden bijna zonder uitzondering droge, hoger gelegen zandgronden gebruikt om te wonen, te werken en te begraven. Het gebied werd in het verleden gekenmerkt door een zeer grote afwisseling tussen hoge droge en vochtige natte gebieden binnen een relatief kleine oppervlakte. Deze afwisseling bood de bewoners een breed scala aan vestigings- en bestaansmogelijkheden. Tot aan het begin van de Late Middeleeuwen werden vrijwel zonder uitzondering alleen de hoger gelegen, goed ontwaterde zandgronden in de nabijheid van het open water bewoond, waaronder de dekzandruggen, de rivierduinen en de droge delen van de stuwwallen. De laag gelegen delen waren nagenoeg onbewoonbaar door het ontbreken van een gereguleerde waterhuishouding. De oudste droge bewoningsplekken herbergen dan ook vaak een waardevol bodemarchief. De lagere delen zijn over het algemeen in archeologische zin weinig waardevol.

De archeologische verwachtingswaarde van het gebied is vastgelegd op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart, die op 24 september 2009 door de gemeente is vastgesteld. Deze kaart is grotendeels gebaseerd op landschappelijke gegevens met betrekking tot de bodemgesteldheid en de geomorfologie. Ook zijn gegevens over de hoogte van het terrein benut. Op deze kaart is af te lezen in welke gebieden een hoge, middelhoge of lage kans bestaat op het aantreffen van een waardevol archeologisch bodemarchief. Daarnaast zijn de bekende archeologische vindplaatsen en terreinen binnen de gemeente op deze kaart opgenomen.

2.2.2.2 Randvoorwaarden     
2.2.2.2.1 Beeldkwaliteitseisen     

In de welstandsnota gelden naast de algemene eisen ook specifieke eisen voor de te onderscheiden gebiedtypen in de gemeente Bronckhorst. De algemene criteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling en vormen dus ook de onderlegger voor gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. De algemene welstandscriteria laten zich als volgt onderverdelen:

  • Het bouwwerk sociaal - cultureel.
  • Het bouwwerk en zijn omgeving.
  • Het bouwwerk op zich.

Kenmerken agrarisch buitengebied

Het agrarisch buitengebied van de gemeente Bronckhorst bestaat uit een afwisselend landschap. Aan de westzijde, langs de IJssel, liggen de gebieden met een (zeer) open tot half open karakter, waaronder het uiterwaardenlandschap en het stroomruggen- en oeverwallenlandschap. Meer oostwaarts de landschapstypen met een meer besloten ruimtelijk karakter, zoals het zacht glooiende enken- en kampenlandschap en de landgoederenzone met zijn landhuizen in beekdalen. Hier zijn ook de lager gelegen landschappen van de natte heiden en veengebieden te vinden, de jonge ontginningen. Verspreid over de gemeente liggen een aantal bos- en natuurgebieden. Rondom de Oude IJssel is het zacht golvende en gevarieerde rivierenlandschap te vinden. De bebouwing in het buitengebied is door de eeuwen heen voornamelijk agrarisch van karakter geweest. Nog steeds is het gebruik overwegend agrarisch. Het aantal functionerende agrarische bedrijfscomplexen is de laatste decennia echter wel sterk afgenomen. De erven liggen verspreid in het buitengebied. Plaatselijk is er sprake van kleine concentraties op enige afstand van de weg. De erven zijn van oudsher vrij bescheiden van omvang. Het hoofdgebouw, de bijgebouwen en de inrichting van het erf zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen samen met opgaande beplanting en een omgevende haag een compleet ensemble als (historisch) boerenerf.

De eerste boerderijen in de gemeente zijn van het type hallehuis. Deze boerderij bestond van oorsprong uit één hoofdgebouw, waarin zowel de woning, als de belangrijkste agrarische ruimten waren ondergebracht. Een variant op het hallehuis zijn de T-boerderij en de krukhuisboerderij, die in de gemeente veelvuldig voorkomen. Beide kennen een voorhuis dat haaks op het achterhuis gesitueerd is en hebben soms een wat meer stedelijke uitstraling dan het hallehuis.

Daarnaast zijn er de nieuwere agrarische bedrijven, met veelal een kleiner hoofdgebouw dat alleen het wonen herbergt. Deze vormt een cluster met de daarom heen staande, grote schuren. Deze agrarische bedrijfsgebouwen zijn veel grootschaliger dan het geval is bij de traditionele erven. Grote silo's, hallen en verharde terreinen voor opslag en parkeren bepalen mede het beeld in het buitengebied. De ensemblewerking met bomen ontbreekt hier deels.

Over het algemeen is de bebouwing opgebouwd uit een tot twee bouwlagen met zadeldak. Ook wolfseinden komen veelvuldig voor. Aan de zijkanten is sprake van een lage goot. De nokrichting is haaks op de weg, met uitzondering van het voorhuis van de T - boerderij en het krukhuis. Dikwijls wordt voor bijgebouwen dezelfde nokrichting aangehouden. De gevels kennen veelal een verticale geleding.

De gevels zijn opgebouwd uit roodbruine baksteen en de daken zijn belegd met grijze dakpannen. Hier en daar komen er ook rode dakpannen of rieten dakbedekking voor. De kozijnen in het woongedeelte zijn van hout en wit geschilderd. Luiken en deuren meestal in een groene kleur. Segmentbogen boven de ramen, gietijzeren stalraampjes, gevelbeschietingen en versieringen in het metselwerk geven sommige boerderijen een rijke detaillering.

Kenmerken

Wegen / profiel

Gegroeid wegenpatroon.

Landelijk profiel; met grasbermen / fietspaden of stroken e.d.

Erfbeplantingen inlands assortiment.

Bebouwing

Gebaseerd op of afgeleid van het hallehuis.

Jonge agrarische complexen meestal met afzonderlijke woning en stallen.

Grote eenvoudige bouwmassa's met doorgaande zadeldaken en lage goten.

Bijgebouwen vaak traditioneel; soms geheel van hout.

Stijl / detail

Traditionele (streekeigen) boerderijstijl.

Details volgens traditie in baksteen, riet en hout; houten kozijnen; meerruits ramen; houten boeidelen.

Materiaal / kleur

Gevels metselwerk, baksteen rood.

Bij jonge agrarische complexen ook industriële gevelbeplating.

Houten vlakken naturel, geteerd of gedekt geschilderd in donkere kleur.

Kozijnen en ramen gebroken wit, deuren donkere (traditionele) kleur, luiken soms in landgoedkleuren.

Blauwgrijze dakpannen, soms rode pannen en/of riet.

Waarden agrarisch buitengebied

De open landschappen zijn van grote waarde vanwege de lange zichtlijnen op het kenmerkende patroon van ruggen en geulen. In de meer besloten landschappen wordt juist het parkachtige karakter gewaardeerd. Doordat delen van het gebied soms al eeuwenlang onder het beheer van landgoederen vallen, is plaatselijk sprake van bijzondere waarden.

De traditionele en jongere erven in het agrarisch buitengebied van de gemeente Bronckhorst zijn belangrijke schakels in deze gevarieerde landschappelijke structuur en zijn ook in cultuurhistorisch en architectonisch opzicht zeer waardevol. Tal van panden in deze gebieden zijn aangewezen als Rijks- of gemeentelijk monument.

Criteria agrarisch buitengebied

Onderstaande welstandscriteria gelden specifiek voor dit gebied en voor zover ze niet in strijd zijn met de in het betreffende bestemmingsplan aangegeven bouwmogelijkheden. Uitgangspunt is dat ieder ontwerp blijk geeft van een basaal vakmanschap, zoals uiteengezet is in de algemene welstandscriteria (zie hoofdstuk 3 Welstandsnota). Als een bouwplan niet aan de specifieke welstandscriteria voldoet, kan een nadere beoordeling plaatsvinden op basis van de algemene welstandscriteria. De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken.

Bij het bepalen van de erfopzet en de groepering van de gebouwen dient ingespeeld te worden op de aanwezige karakteristieke landschappelijke structuren en ruimtelijke/landschappelijke elementen. Daarbij gaat het ondermeer om het aanwezige landschapstype, de schaal van het gebied, het verkavelingpatroon en de eventueel aanwezige hoogteverschillen.

De bebouwing dient in samenhang geclusterd te zijn op het erf, omdat dit zeer bepalend is voor het landschappelijke beeld. Het hoofdgebouw - de boerderij of het woonhuis - dient zich als zodanig te manifesteren. Bedrijfsgebouwen en andere bijgebouwen of objecten dienen ondergeschikt gesitueerd te worden.

Ten aanzien van de inrichting van het erf dient er zorg gedragen te worden voor een logische ontsluiting van het bouwperceel, waarbij de hoeveelheid verhard terrein zoveel mogelijk beperkt wordt. Ook dient er zorgvuldig omgegaan te worden met (tijdelijke) opslag van goederen. Voor een goede inpassing van erven in het landschap is erfbeplanting onmisbaar. Bij nieuwbouw dient een erfbeplantingplan dan ook deel uit te maken van de aanvraag voor omgevingsvergunning, onderdeel bouwen.

Criteria agrarisch buitengebied

Situering

  • De indeling van het perceel en de hoofdopzet worden afgestemd op de landschappelijke en cultuurhistorische karakteristiek van de locatie (hiërarchie, ontsluiting, zichtlijnen e.d.).
  • De positionering van de bebouwing op een erf ten opzichte van elkaar heeft vaak een bedrijfsmatige achtergrond maar is ook uit het oogpunt van de beleving van het erf een belangrijk uitgangspunt.
  • De bebouwing op een erf is geclusterd of in onderlinge samenhang op het terrein geplaatst.
  • Bestaande doorzichten moeten worden gehandhaafd. In een bebouwingslint moet de openheid tussen twee bebouwingselementen of -complexen bewaard blijven.
  • Bij voorkeur geen erfafscheidingen en toegangspoorten e.d. toepassen. Er dient uitgegaan te worden van hagen, heggen of houtwallen. Deze elementen zo situeren dat dit de samenhang van de erfbebouwing ondersteunt.

Massa en vorm

  • De hoofdvormen bestaan uit enkelvoudige, liggende blokvormige bouwmassa's met lage goothoogte en forse, hoogoplopende kappen.
  • De hoofdvormen van de gebouwen passen bij de landschappelijke en cultuurhistorische karakteristiek.
  • Elke bouwmassa heeft zijn eigen karakteristiek, maar past bij de bouwmassa's van het betreffende erf of complex.
  • Individuele bouwmassa's moeten bijdragen aan een evenwichtige massaopbouw van het complex gezien vanuit de omgeving.
  • De bouwhoogte bestaat uit een of twee bouwlagen met kap. De kapvorm bestaat uit een zadeldak of een afgeleide van dit daktype.
  • Bij renovatie van boerderijen dient de originele vorm(geving) het uitgangspunt te zijn.
  • Aan- en bijgebouwen dienen rekening te houden met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing.

Gevels

  • De bebouwing heeft een duidelijke relatie met de (oorspronkelijke) agrarische functie: dit uit zich in eenvoudige hoofdvormen en een duidelijke gevelindeling, aansluitend op het oorspronkelijke boerderijtype.
  • Zijgevels dienen laag en onopvallend te zijn en de kopgevels dienen een stoere en duidelijke expressie te hebben.
  • De gevels van bijgebouwen moeten een duidelijke plint en een beëindiging aan de bovenzijde hebben.
  • Grote vlakken moeten een structuur of onderverdeling hebben.

Materiaal gebruik

  • Het materiaalgebruik dient afgestemd te zijn op de karakteristiek van het landschap, waarbij het gebruik van natuurlijke materialen voorop staat. Bakstenen voor de gevels en keramische pannen als dakbedekking komen het meeste voor.
  • Rieten dakbedekking kan mits dit past bij de stijl van het bouwwerk en zorgvuldig is gedetailleerd.
  • Voor agrarische bedrijfsgebouwen zijn vezelcementgebonden golfplaten op het dak toegestaan, evenals geprofileerde stalen gevelbeplating in topgevels.
  • Voor kozijnen en eventuele gevelbetimmering is in principe hout toegepast.
  • Glas, spiegelende oppervlakken en kunststof mogen niet worden toegepast bij beplating van de gevels.

Kleurgebruik

  • Het kleurgebruik dient afgestemd te zijn op de karakteristiek van het landschap, waarbij het gebruik van gedekte kleuren (roodbruine bakstenen en antracietgrijze pannen) het meeste voorkomt.
  • Agrarische bedrijfsgebouwen in een donkere gedekte kleurstelling.
  • Grote vlakken mogen geen sterke kleurcontrasten tonen.
  • Kozijnen en windveren zijn wit geschilderd.
  • Voordeuren, gevelbetimmering, luiken etc. kennen een donkere gedekte kleur, meestal groen.

Detaillering

  • Bij detaillering moeten de aanwezige fijne en/of ambachtelijke onderdelen behouden blijven.

De detaillering van nieuwe onderdelen moet qua vorm en uitstraling passen bij de aanwezige details.

2.2.2.2.2 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

Het plangebied ligt in het buitengebied van Bronckhorst. In de directe omgeving liggen voornamelijk agrarische bouwpercelen en burgerwoningen. De gronden kennen van oudsher een agrarisch gebruik (akkerbouw en grasland).

2.2.2.3 Planbeschrijving     

De eigenaren zien in de locatie Schiphorsterstraat 16 te Toldijk een ideale plek om een combinatie van werken en leven te realiseren. De bestaande bebouwing op het perceel is met enige aanpassingen zo in te richten dat het een multifunctionele onderneming kan huisvesten.

A. De eigenaren willen op het perceel de bestaande functies 'wonen' en 'dienstverlening' handhaven. De huidige dienstverlening - in de vorm van het trainen, coachen en ondersteunen van max. 3 managers tegelijkertijd - willen zij graag uitbreiden met het aanbieden van vergaderfaciliteiten en workshops tot maximaal 20 personen in het bestaande multifunctionele gebouw (207 m2). Deze activiteiten liggen in lijn met hetgeen al was toegestaan.

B. De cursisten en deelnemers aan vergaderingen en workshops worden ook overnachtings- mogelijkheden aangeboden in 3 te plaatsen trekkershutten/POD's. De maximale oppervlakte van een trekkershut/POD bedraagt 35 m2. Voorts wordt overwogen een B & B in te de woning in te richten. Deze trekkershutten/ POD's kunnen ook als recreatieverblijf (uitgerust met douche, toilet en keukentje) worden gebruikt. Dat betekent dat deze trekkershutten/ POD's geschikt zijn om er meerdere dagen te verblijven. Dit in tegenstelling tot de traditionele trekkershutten. Deze verblijf- en overnachtingsmogelijkheden worden ook aangeboden aan toeristen, wandelaars en fietsers.

De initiatiefnemers willen de bestaande veldschuur (50 m2) aanpassen zodat daar ontbijt & lunch & diner

geserveerd kan worden voor de gasten van de trekkershutten/POD's en de cursisten/deelnemers

vergaderingen/workshops kunnen serveren. Indien hergebruik van de veldschuur niet mogelijk is, zal

deze worden vervangen door nieuwbouw en evenwijdig worden gesitueerd met de bestaande vergaderruimte. In deze ruimte zal een grill worden geïnstalleerd en tafels worden geplaatst om aan te eten. Hierbij wordt gedacht aan bijvoorbeeld Finse GrillKota of Braai-gerechten. De initiatiefnemers zullen hiervoor aan de wettelijke eis van 'Sociale Hygiëne' moeten voldoen.

C. De bestaande tweepersoonssauna zal in de toekomst ook worden gebruikt voor overnachtingsgasten.

D. Het inrichten van een theetuin of beeldentuin met een zitje of picknickplaats.

E. Het aanleggen van een parkeerterrein voor gasten van de trekkershutten en de cursisten/ deelnemers.

Bovenvermelde (nieuwe) functies kunnen op eenvoudige worden ingepast binnen het perceel. De ligging van de 3 nieuwe trekkershutten zijn op de onderstaande afbeelding globaal aan gegeven.

verplicht

Afb. luchtfoto perceel Schiphorsterstraat 16 met 3 trekkershutten

Inrichting

Voor de inrichting van het erf worden de volgende maatregelen uitgevoerd:

  • een meidoorn- of beukenhaag wordt aangeplant tegen de rand van het perceel aan de zijde van de Bakermarkse dijk. De haag wordt geplant zodat er minder zicht zal zijn op het geparkeerde “blik” vanaf de openbare weg. De haag vormt geen belemmering voor het zicht van het verkeer (maximale hoogte 1 m.) Tevens zal de haag zorgen voor een divers en veilig ecosysteem voor de aanwezige vogels en overige dieren.
  • Op het terrein een houtwal aangelegd voor klein wild en andere dieren;
  • De haag zal in de maanden April-Mei-Juni 2019 aangelegd worden op de aangegeven gele lijn (zie beide afbeeldingen);
  • Zodra de trekkershutten/overnachtingsplekken gebouwd zijn, zullen hier daar waar mogen hagen worden aangeplant voor de verbetering van het ecosysteem.
  • Voorts wordt een wilde kastanje geplant op het terrein en andere inheemse struiken passend bij en in het terrein, de onderneming en de omgeving rekening houdend met de wens van de gemeente om een bijdrage te leveren aan het ecosysteem in de regio.

verplicht

Afb. beplantingsplan perceel Schiphorsterstraat 16

Het beplantingsplan is in de bijlagen bij de toelichting opgenomen.

Parkeren en ontsluiting

De huidige ontsluiting van het perceel Schiphorsterstraat blijft onveranderd.

Binnen het woonperceel is voldoende ruimte aanwezig om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. De

toename van het verkeer kan eenvoudig binnen de bestaande verkeersstroom worden opgevangen. De locatie is overigens goed bereikbaar vanaf de provinciale weg N314, die op een afstand ligt van circa 2 km.

Een deel van de activiteiten valt al binnen het kaders van de toegestane dienstverlening. Ook is binnen het vigerende bestemmingsplan landelijk gebied mogelijk om maximaal 3 trekkershutten/POD's met een bijzondere procedure toegestaan. De verhuur van de trekkershutten/POD's willen de initiatiefnemers het gehele jaar door kunnen verhuren. Bed & Breakfast kan in de bestaande woning worden gerealiseerd. Een deel van de gevraagde activiteiten vindt plaats in de (mogelijk te vervangen) veldschuur. Er worden geen parkeer- en/of verkeersproblemen verwacht.

De ruimtelijke uitstraling van de activiteiten is beperkt.

2.2.3 Uitvoerbaarheid     

2.2.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Het initiatief past binnen de beleidskaders zoals beschreven in Hoofdstuk 3 Beleidskader. Hieronder worden de belangrijkste conclusies weergegeven.

Ladder voor duurzame verstedelijking / Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik

Volgens het Besluit ruimtelijke ordening wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In de Handreiking staat dat er geen ondergrens is bepaald voor een stedelijke ontwikkeling.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisering van een kleinschalig initiatief van gemengde activiteiten op perceelsniveau waarbij een beperkte uitbreiding door het plaatsen van 3 POD's /trekkershutten plaats vindt en waarbij het aantal woningen niet toeneemt.

Het toevoegen van deze kleinschalige functies met een beperkte ruimtelijke uitstraling wordt overigens niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder kan in dit geval verder achterwege blijven.

2.2.3.2 Omgevingsaspecten     

Er bestaan geen milieuhygiënische en waterhuishoudkundige belemmeringen tegen het voorgenomen initiatief. Waarden op het gebied van landschap, natuur, archeologie en cultuurhistorie zijn niet in het geding binnen het plangebied.

2.2.3.2.1 Duurzaamheid     

In de bestaande situatie wordt het hemelwater binnen het plangebied geïnfiltreerd en het vuilwater wordt afgevoerd naar het bestaande rioleringssysteem. Deze wijze van afvoer van vuilwater en hemelwater - ook na de plaatsing van 3 POD's /trekkershutten - ongewijzigd.

De bestaande bebouwing voorziet in voldoende mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen om in de eigen energiebehoefte te voorzien.

2.2.3.2.2 Bodem     

Een bestemmingsplan dat voorziet in bouw- en/of inrichtingsmogelijkheden dient een reëel beeld te geven van de bodemkwaliteit van de gronden waarop het initiatief betrekking heeft. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

In 2013 is een bodemonderzoek verricht voor het toelaten van nevenfunctie bij de woning. De strijdigheid met het toen vigerende bestemmingsplan werd veroorzaakt door de overschrijding van de maximale oppervlaktenorm voor het aan-huis-gebonden beroep.

De conclusies van het onderzoek luidde als volgt:

In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. De bovengrond is licht verontreinigd met PAK. Het PAK-gehalte bevindt zich tevens boven de voor de

regio Achterhoek geldende achtergrondwaarde. In de ondergrond en in het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd.

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd

wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, niet geheel bevestigd. Gelet op de aard en mate van

verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de

milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de voorgenomen

Het onderzoek is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd.

Het onderzoek is meer dan 5 jaar oud. Er zijn echter geen redenen aanwezig om een aanvullend onderzoek te verrichten omdat er zich geen bodembedreigende activiteiten hebben voorgedaan op de gronden van het perceel.

In het voorliggende geval is er sprake van uitbreiding van de bestaande dienstverleningsfunctie en het toevoegen van recreatief-toeristische functies. De bestaande woonfunctie van de boerderij blijft gehandhaafd.

Conclusie

Er kan worden afgezien van het verrichten van een aanvullend bodemonderzoek.

2.2.3.2.3 Geluid     

Bij ruimtelijke plannen moet ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat rekening gehouden worden met het aspect wegverkeerslawaai. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.

De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom aan de Schiphorsterstraat waar een snelheidsbeperking geldt van 60 km/uur. Het bestaande gebruik van de bebouwing en van de gronden wordt voortgezet. De bestaande woonfunctie is (planologisch) toegestaan.

De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten:

  • woningen
  • andere geluidsgevoelige gebouwen
  • geluidsgevoelige terreinen

POD's/trekkershutten die naar hun aard niet bestemd zijn voor bewoning in de zin van de Wet geluidhinder doch voor recreatief verblijf. De functie wordt ook niet vermeld in het Besluit geluidhinder.

Er worden geen nieuwe geluidgevoelige functies toegevoegd.

Conclusie

Een nader akoestisch onderzoek kan daarom achterwege blijven.

2.2.3.2.4 Luchtkwaliteit     

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van

diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende

stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten op zichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Het bestemmingsplan faciliteert uitsluitend op perceelsniveau een kleinschalige ontwikkeling voor dienstverlening en recreatie en toerisme, die niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging (invloed < 3%). In het kader hiervan is geen nader onderzoek op het gebied van de luchtkwaliteit noodzakelijk.

Conclusie

Omdat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

2.2.3.2.5 Geur     

Op het perceel Schiphorsterstraat 14 is een melkrundveebedrijf gevestigd in de omgeving van het perceel Schiphorsterstraat 16. Voor melkrundveebedrijven wordt een vaste afstand van minimaal 50 m gehanteerd tot geurgevoelige functies zoals wonen. De afstand van het woonperceel tot aan het agrarische bedrijfsperceel bedraagt in het voorliggende geval minimaal 50 m. Hiermee wordt aan de vereiste afstand voldaan.

Het voorliggende bestemmingsplan waarbij het aantal wooneenheden onveranderd blijft, heeft geen gevolgen voor het milieuaspect 'geur'.

2.2.3.2.6 Bedrijven en milieuzonering     

De VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' hanteert geen specifieke richtafstanden voor de door de initiatiefnemer gevraagde activiteiten, maar voor o.a. kampeerterreinen en vakantiecentra e.d. (met keuken) wordt een richtafstand van 50 meter (geluid) tot aan de gevels van woningen van derden geadviseerd.

Deze afstand moet worden aangehouden vanwege het aspect geluid. De kortste afstand van een woning tot het terrein bedraagt circa 75 meter. Deze afstand is gelet op de beperkte omvang van de gevraagde voorzieningen en het gelimiteerde aantal POD's voldoende voor het borgen van een goed woon- en leefklimaat.

Voort wordt verwacht dat deze nieuwe ontwikkeling niet leidt tot significante hinder of zal leiden tot beperking voor de nabijgelegen woningen, bedrijven en dienstwoningen. Zie ook onder paragraaf 2.1.3.2.5 voor wat betreft geurhinder.

De bestaande woonfunctie blijft gehandhaafd.

De aard van de bestaande en van de nieuwe activiteiten levert geen onevenredige geluidhinder op of andere vormen van overlast of beperkingen voor de in de omgeving gevestigde bedrijven.

2.2.3.2.7 Externe veiligheid     

In de omgeving van het plangebied vindt geen vervoer gevaarlijke stoffen over (water)wegen plaats en zijn er geen risicovolle bedrijven aanwezig.

Ten oosten van het perceel staat op een afstand van circa 20 meter een hoogspanningsverbinding. De bestaande schuur (voor o.a. training, coaching en ondersteuning van managers) en de POD's zijn niet bedoeld voor langdurig verblijf van personen en er vindt dus ook geen langdurige blootstelling plaats aan elektromagnetische velden. Er is sprake van een verwaarloosbaar risico voor schade aan de gezondheid mede gelet op de aanmerkelijk afstand tot de hoogspanningsverbinding.

2.2.3.2.8 Water     

Bestaande situatie

De bodem

De bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak tot matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand. De ondergrond bestaat uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig grof zand. De ondergrond is plaatselijk

zwak tot matig gleyhoudend.

De bodem is, gelet op de bodemopbouw en het grondwaterniveau, geschikt voor het opvangen en infiltreren van hemelwater. Het hemelwater mag niet worden geloosd op het riool.

Riolering

Het vuilwater dat geproduceerd wordt door de woning wordt via de gemeentelijke riolering afgevoerd. Dit betreft het water dat voortkomt uit het gebruik van water door een huishouden (toilet, douche, wasmachine e.d.). De bestaande woning op het perceel is al voorzien van een aansluiting op het bestaande rioolstelsel. Deze huidige situatie blijft in de toekomst gehandhaafd.

De POD's worden ook op het bestaande rioleringssysteem aangesloten voor de afvoer van vuilwater. Hemelwater van verharde oppervlakten zoals verhardingen en dakvlakken wordt afgekoppeld van de riolering en geïnfiltreerd op eigen terrein om zo te voorkomen dat relatief schoon water snel afgevoerd wordt door het riool met het relatief vuile water.

Waterhuishoudkundige aspecten

In de 'Handreiking Watertoets 2' zijn inhoudelijke criteria aangereikt voor de watertoets, die basis vormen voor de planbeoordeling door het waterschap en het daaruit voortvloeiende wateradvies. In onderstaande watertoetstabel zijn de voor het bestemmingsplan van belang zijnde waterhuishoudkundige criteria opgenomen.

Thema Toetsvraag Relevant Inten- siteit
Veiligheid 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)

2.Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?
Nee





Nee
2





2
Riolering en

Afvalwater keten
1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?

2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ

3.Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?
Nee



Nee

Nee
2



1

1
Waterover- last(oppervlaktewater) 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2

2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2

3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak ?

4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes
Nee



Nee



Nee



Nee
2



1



1



1
Oppervlak- tewater- kwaliteit Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?

Nee 1
Grondwater-

overlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

2. Is in het plangebied sprake van kwel?

3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?
Nee



Nee

Nee
1



1

1
Grondwater- kwaliteit

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking ? Nee 1
Inrichting en

beheer
Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?

Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

Nee



Nee
1



2
Volksgezond-heid 1.In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?

2.Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Nee



Nee
1



1
Natte Natuur 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?

2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?

3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur

4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Nee



Nee

Nee



Nee
2



2

1



1
Verdroging Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? Nee 1
Recreatie Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? Nee 2
Cultuurhis- torie Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? Nee 1

Nadere toelichting Wateroverlast (oppervlaktewater)

De oppervlakte aan verharding neemt in het kader van dit plan toe door het plaatsen van 3 trekkershutten/POD's met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 105 m2 en de aanleg van verhardingen voor 17 parkeerplaatsen (bestaande uit halfverharding en/of grastegels).

Het gebied is geschikt voor de infiltratie van hemelwater. Er is voldoende ruimte om het hemelwater zonder problemen in de bodem weg te laten vloeien.

Overleg

Bij mail van 6 maart 2019 heeft het Waterschap aangegeven geen inhoudelijke opmerkingen op het plan met de hierin opgenomen waterparagraaf te hebben.

2.2.3.2.9 Archeologie en cultuurhistorie     

Het bodemarchief wordt beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. De gronden hebben volgens het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst grotendeels de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en voor een klein deel de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Dat wil zeggen dat een onderzoek nodig is ingeval de bodemingreep meer bedraagt dan 250 m2 en dieper is dan 0,4 m respectievelijk meer dan dan 5000 m2 en dieper is dan 0,4 m .

De bodemingrepen blijven beperkt tot de aanleg van parkeerplaatsen en het plaatsen van de POD's. De diepte van deze ingrepen bedragen maximaal 0,3 m. Andere bodemingrepen vinden niet plaats. Het bestaande bodemarchief blijft hierdoor intact. Een archeologisch onderzoek kan daarom achterwege blijven.

Het voorliggende bestemmingsplan heeft een neutraal effect op de archeologische en cultuurhistorische waarden omdat de bodemingrepen qua oppervlakte en diepte beperkt blijven.

2.2.3.2.10 Flora en fauna     

Vanaf 1 januari 2017 geldt de nieuwe Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Deze nieuwe wet regelt de gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden, beschermde natuurmonumenten en wetlands. Daarnaast moet worden gekeken naar het effect op het Gelders Natuurnetwerk. De nieuwe wet regelt ook de soortenbescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren.

De Wet natuurbescherming verplicht om na te gaan of in het plangebied beschermde flora en fauna aanwezig is. In verband hiermee is een onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen natuurwaarden en wettelijk beschermde soorten of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van het onderzoeksgebied te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan hetgeen beschreven staat in de Wet natuurbescherming.

De Wet natuurbescherming ziet op de soorten- en gebiedsbescherming.

Soortenbescherming

Het doel van de Wet natuurbescherming is het in stand houden en met rust laten van de planten en diersoorten die in het wild voorkomen. Op grond van de wet is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfsplaats.

De bestaande activiteiten op het perceel zullen worden uitgebreid en er worden 3 trekkershutten geplaatst. Bij het plaatsen van de trekkershutten en het herinrichten van het perceel in combinatie met beperkte kap van uitheemse soorten en nieuwe aanplant van inheemse soorten zal rekening worden gehouden met

de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. De werkzaamheden hiervoor zullen daarom buiten het broedseizoen worden uitgevoerd (tussen 15 maart en 15 juli).

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000-gebieden en de natuurmonumenten.

Het plangebied ligt niet binnen speciale beschermingszones zoals het Gelders Natuurnetwerk of een Natura 2000-gebied. Op de volgende afbeeldingen is de ligging aangegeven van het plangebied (blauw vierkant) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. De Natura 2000-gebieden liggen op enige afstand van de locatie. Het Natura 2000 gebied Rijntakken ligt op 2,89 kilometer. De Veluwe ligt op 7,54 kilometer en de Landgoederenzone Brummen ligt op 8,52 kilometer.

Het plangebied ligt niet in een GNN of GO- zone. Deze beschermde gebieden liggen op enige afstand van de planlocatie. De afstand tot het GNN (groene kleur) bedraagt circa 400m. De beschermingszone “natte landnatuur” (blauwe arcering) ligt op circa 200m van het perceel Schiphorsterstraat 16. Zie volgende afbeelding. Het perceel is aangegeven met een blauwe marker.

verplicht

De beschermde gebieden liggen op grote afstand van het plangebied. Door deze grote afstanden treden er geen nadelige effecten op voor de beschermde waarden van deze gebieden.

Het plaatsen van 3 trekkershutten zal niet leiden tot de aantasting van beschermde soorten in het gebied. De locatie is bestemd voor wonen en de gronden worden nu ook gebruikt voor tuin en erf en dat zal in de toekomst worden voortgezet.

Op basis van de wettelijke zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd (tussen 15 maart en 15 juli).

Conclusie 

De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

2.2.3.2.11 Verkeer     

Parkeren

Een ruimtelijke ontwikkeling mag niet leiden tot problemen bij de verkeersafwikkeling of tot parkeeroverlast. De realisatie van het plan leidt niet tot een substantiële toename van de verkeersbelasting op de omliggende wegen. De eventuele extra verkeersbewegingen kunnen eenvoudig worden opgevangen in de bestaande verkeersstroom.

Op eigen terrein moet in voldoende mate worden voorzien in de aanleg van parkeervoorzieningen. Vanwege het kleinschalige karakter van de activiteiten en het ontbreken van normen in de gemeentelijke beleidsregels voor parkeren zijn in onderstaande tabel op basis van aannames de parkeernormen opgenomen voor de verschillende gevraagde functies. De parkeernorm voor de woning is overigens wel gebaseerd op Beleidsregels Parkeernormen Gemeente Bronckhorst.

functie min. norm max. norm rekeneenheid aantal norm
Trekkershut/POD's (3) 1 Per Trekkershut/POD 3 3
B & B 2 bedden per kamer 2 kamers 2
Coach, trainer, ondersteuning managers of workshop/bieden vergaderfaciliteit voor groepen maximaal 20 personen Per gebouw 1 10
woning 2,7 2.8 Per woning 1 2

(na correctie eigen oprit)
Totaal parkeerplaatsen 17

Op eigen terrein is voldoende parkeergelegenheid om te voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Zie onderstaande afbeelding voor een globale ligging van de 17 parkeerplaatsen.

verplicht

afb. situering parkeerplaatsen

Verkeer

De voorgestane ontwikkeling leidt in vergelijking met de huidige situatie tot een toename van het aantal verkeersbewegingen in de omgeving. De uitbreiding van de activiteiten alsook de nieuwe activiteiten zijn kleinschalig van aard. Het aantal verkeersbewegingen kan eenvoudig binnen de bestaande verkeersstromen worden opgevangen.

Conclusie

Geconcludeerd wordt er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het initiatief voor wat betreft de verkeersaspecten

2.2.3.2.12 Leidingen     

Ten oosten van het plangebied staat op een afstand van circa 20 m een hoogspanningsverbinding. Zie verder onder de paragraaf 'externe veiligheid'. Andere onder- of bovengrondse transportleidingen zijn niet aanwezig.

2.2.3.3 Volkshuisvesting     

Het voorliggende plan heeft geen gevolgen voor de volkshuisvesting.

2.2.3.4 Economisch     

Voor de realisatie van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Alle kosten zullen worden gedragen door de initiatiefnemer. De realisering van het bestemmingsplan leidt derhalve niet tot kosten die voor de rekening van de gemeente Bronckhorst komen. De economische uitvoerbaarheid is niet in het geding.

De gemeente Bronckhorst heeft met de initiatiefnemer een planschade-overeenkomst afgesloten waarin is geregeld dat eventueel optredende planschade wordt doorberekend aan de initiatiefnemer

2.2.3.5 Maatschappelijk     

Een brede multifunctionele onderneming in het buitengebied zoals wordt voorgesteld is uniek. De combinatie van zowel recreatie en het voorzien in een vorm van dienstverlening zoals coachen en trainen van managers (het gehele jaar door), komt ten goede van de naamsbekendheid van de gemeente Bronckhorst. Bovendien zullen bezoekers/gasten ook de omliggende kernen en gebieden verkennen wat ten gunste komt van de levendigheid en de lokale economieën.

2.2.3.6 Overleg en inspraak     
2.2.3.6.1 Overleg     

Het voorontwerp bestemmingsplan is voor advies voorgelegd aan het Waterschap Rijn en IJssel. Bij mail van 6 maart 2019 heeft het Waterschap aangegeven geen inhoudelijke opmerkingen op het plan te hebben.

2.2.3.6.2 Inspraak     

De initiatiefnemers hebben omwonenden persoonlijk geïnformeerd over het voorontwerp van het bestemmingsplan. Van de gelegenheid tot reageren op het plan is gebruik gemaakt.

In bijlage 3 is een kort (geanonimiseerd) verslag opgenomen.

2.2.3.7 Conclusie     

Geen van de onderzochte omgevingsaspecten levert beperkingen op voor de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan. Dit geldt ook voor volkshuisvesting en de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Omwonenden hebben geen onoverkomelijke bezwaren tegen het voorliggende plan waaraan niet tegemoet kan worden gekomen volgens de initiatiefnemer.

2.2.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen inHoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen

2.2.4.1 Bestemmingsregels     

2.2.4.1.1 Wonen     

Woningen zijn ondergebracht in drietal bestemmingen voor wonen.

Op grond van de Wet Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) zijn in een groot aantal gevallen meer dan één woning binnen het bestemmingsvlak gesitueerd. De woningen kunnen in aparte hoofdgebouwen dan wel tezamen in één hoofdgebouw zijn gelegen. Om hier zicht op te hebben en over het aantal woningen en hun uitbreidingsmogelijkheden regie te kunnen voeren, zijn de specifieke situaties in een drietal bestemmingsvarianten vastgelegd. In het voorliggende geval is dit geregeld in Wonen vlak maximaal één woning is toegestaan, tenzij ter plaatse de aanduiding 'aantal woningen' is opgenomen, waarbij uitsluitend het aangegeven aantal woningen is toegestaan. De toegestane woningen zijn ieder in aparte hoofdgebouwen gesitueerd;

Woning

De toegestane maatvoering voor burgerwoningen is 750 m3. Indien de inhoud van een woning reeds groter is, is de bestaande inhoud de maximaal toelaatbare maat.

Toevoeging aan de netto woningvoorraad door nieuwbouw van burgerwoningen in het buitengebied is niet toegestaan.

Herbouw van een woning is alleen toegestaan met de bestaande situering en in de bestaande bouwwijze. Het bevoegd gezag kan hier onder voorwaarden van afwijken door het verlenen van een omgevingsvergunning. Één van die voorwaarden is dat uit onderzoek zal moeten blijken dat voldaan wordt aan de bij of krachtens de Wet geluidhinder gestelde normen ten aanzien van de geluidbelasting op de gevel.

Bijgebouwen

Bij burgerwoningen zijn bijbehorende bouwwerken, uitsluitend in de vorm van bijgebouwen, toegestaan tot een maximum oppervlak van 100 m2. Middels de rijksregeling in het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan onder voorwaarden nog maximaal 50 m2 extra vergunningsvrij worden gebouwd tot een maximum van 150 m2. Indien de bestaande oppervlakte van een bestaand bijgebouw groter is dan 100 m2, is de bestaande oppervlakte de maximaal toelaatbare maat. Vaak zijn deze bijgebouwen voormalige stallen en schuren.

Afwijken van de bouwregels

Bij nieuw- en/of herbouw van bijgebouwen geldt een sloopbonus regeling. Bij sloop van bebouwing kan middels een omgevingsvergunning voor afwijken 20% worden teruggebouwd tot een maximum van 375 m2. Eventueel nieuw op te richten bebouwing dient binnen het bestemmingsvlak zo dicht mogelijk tegen de bestaande bebouwing te worden gesitueerd, met een maximale afstand van 20 m tot de woning. Bij een burgerwoning is een hooiberg onder bepalingen toegestaan.

Daarnaast is met een omgevingsvergunning onder voorwaarden mogelijk:

- de hoogte van de bouwwerken (geen gebouwen) te verhogen tot 4 m,

- 10% af te wijken van de in de regels genoemde maten,

- nevenactiviteiten bij de woning toe te staan. Deze nevenactiviteiten moeten wel voorkomen op de lijst met toegelaten functies of in milieuhygiënisch opzicht met deze functies vergelijkbaar zijn. Niet meer dan 50% van de bijbehorende bouwwerken mag voor de nevenfunctie worden gebruikt en tot een maximum van 350 m2 van de bestaande gebouwen. Er wordt altijd verevening gevraagd. Deze bestaat bij karakteristieke/monumentale gebouwen uit de instandhouding van ervan. De vereveningsbijdrage bij “overige gebouwen” bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur.

- grondgebonden zonne-installaties voor de eigen energievoorziening, kleine windturbines en miniwindturbines toe te staan (zie 2.2.4.1.3)

Overigens is het bij recht toegestaan grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie uitsluitend binnen het bestemmingsvlak en ten behoeve van de eigen energievoorziening te realiseren.

Paardenbakken

Bij burgerwoningen is de aanleg van een paardenbak mogelijk. Oprichting van een paardenbak buiten het bestemmingsvlak kan enkel op basis van een omgevingsvergunning voor afwijken worden gerealiseerd, waarbij eisen worden gesteld aan de maatvoering, afstand tot omliggende objecten, verlichting en plaatsing van hekwerk.

Kleinschalig kamperen

Met een omgevingsvergunning kan bij de woonbestemming welke buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone (GO) zijn gelegen een kleinschalige kampeerterrein worden toegestaan waarbij onder andere geldt dat deze wordt gesitueerd binnen het bestemmingsvlak, het aantal kampeerplaatsen maximaal 30 bedraagt.

Voor trekkershutten gelden de bepalingen dat per 10 kampeerplaatsen is 1 trekkershut is toegestaan en dat deze meetellen in het totale aantal kampeerplaatsen en in het toegestane bebouwde oppervlak. Stacaravans of chalets zijn niet toegestaan.

Combinatie van recreatie activiteiten Voor gevallen, welke zijn aan te merken als een voormalig agrarisch bedrijf, is het onder voorwaarden mogelijk een combinatie van recreatieve activiteiten te ontplooien waarvoor maximaal 500 m2 van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt. Verevening weer is vereist.

Het hobbymatig uitoefenen van agrarische activiteiten

Op een aantal voormalige agarische bedrijven welke in dit plan een woonbestemming hebben gekregen vinden nog hobbymatig agrarische activiteiten plaats. Deze kunnen worden voortgezet waarbij maximaal 200 m2 van de bestaande gebouwen hiervoor mag worden gebruikt. Deze gevallen zijn met een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wonen+' op de verbeelding aangegeven.

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen de woonbestemming wijzigen in de bestemming 'Recreatie -Verblijfsrecreatie' om recreatieve verblijfsdoeleinden te kunnen toestaan. Hierbij geldt onder andere dat dit alleen kan bij burgerwoningen zijn aan te merken als een voormalig agrarisch bedrijf. Tevens geldt dat op het moment van de tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan reeds één van de volgende recreatieve functies aanwezig moet zijn geweest: recreatiewoningen, recreatieappartementen, bed &voorzieningen, groepsaccommodaties, trekkershutten tot een maximum van 3 en kleinschalige kampeerterreinen. De oppervlakte van de recreatieve verblijfsdoeleinden zijn met een maximale oppervlakte van 750 m² van bij voorkeur bestaande karakteristieke gebouwen toegelaten, inclusief maximaal 50 m² bebouwing voor kleinschalige horecavoorzieningen.

2.2.4.1.2 Waarde     

Waarde - Archeologische verwachting 1 en Waarde - Archeologische verwachting 3

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. Waarde - Archeologische verwachting 1 staat voor een hoge verwachtingswaarde. Waarde - Archeologische verwachting 3 staat voor een lage verwachtingswaarde.

Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.2.4.1.3 Terugkerende planregels     

Aan huis verbonden activiteiten

Binnen de woon-, bedrijfs-, horeca-, maatschappelijke, verblijfsrecreatieve en sportfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken. Deze nevenactiviteiten zijn qua functie ondergeschikt aan de hoofdfunctie. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop' en bed & breakfastBij een 'aan huis verbonden beroep' en 'aan huis verbonden bedrijf' is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde Verbroken kruisverwijzing naar 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging'. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop' gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een 'bed & breakfast'-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Omvang en aantal (bedrijfs)woningen

In principe hebben de woonbestemmingen, waaronder 'Wonen' recht op één (bedrijfs)woning tenzij met een aanduiding is aangegeven dat meer woningen zijn toegestaan. De woning is gesitueerd in een hoofdgebouw. De inhoud van de woning is maximaal 750 m3, tenzij de woning al een grotere omvang heeft. Dan geldt dit volume als maximum tenzij anders aangegeven. Bij agrarische bedrijven is uitbreiding van het hoofdgebouw ten behoeve de agrarische activiteiten (anders dan wonen) mogelijk.

Op grond van de Wet Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) zijn in een groot aantal gevallen meer dan één woning binnen het bestemmingsvlak gesitueerd. Omdat de woningen in aparte hoofdgebouwen dan wel tezamen in één hoofdgebouwen kunnen zijn gesitueerd zijn de specifieke situaties in de regels in een tabel vastgelegd. Daarmee kan worden afgeleid of een woning nog kan uitbreiden.

Voor het bepalen van de inhoud ('wijze van meten') wordt gemeten tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/ of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen, waarbij voor de definities hiervan wordt aangesloten op de landelijke norm NEN2580.

Omgevingsvergunning afwijken maatvoering

Voor nagenoeg alle bestemmingen geldt dat het bevoegd gezag door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning kan afwijken van de in de regels genoemde maten, mits wordt voldaan aan een aantal bepalingen. De afwijking bedraagt nooit meer dan 10% van de genoemde maten en indien er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of waardevol landschap mogen er geen significante negatieve effecten aan deze gebieden optreden. Deze afwijkingsmogelijkheid zal slechts bij hoge uitzondering worden toegepast. Het is niet de bedoeling dat bouwplannen hier op worden ontworpen.

Omgevingsvergunning duurzame energie - opwekking

In de woonbestemming 'Wonen is een regel opgenomen dat onder voorwaarden plaatsing zonnepanelen en –collectoren op de grond mogelijk maakt. De installatie wordt aangewend voor de eigen energievoorziening. Gebruik voor grondgebonden zonnepanelen is geen echter argument voor vergroting van het bestemmingsvlak. Binnen deze regel is het tevens mogelijk kleine windturbines en mini-windturbines (dat zijn molens op het dak van gebouwen) voor de eigen energievoorziening toe te staan. Een kleine windmolen heeft een masthoogte van 25 meter. De agrarische bestemmingen kunnen onder voorwaarden worden gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' met het doel het realiseren van grondgebonden zonne-installaties waarvan de energieproductie wordt afgenomen door derden. In deze gevallen wordt de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - solarpark' opgenomen zodat enkel deze bedrijfsactiviteit op de locatie is toegestaan.

Cultuurhistorie

De in het plangebied voorkomende behoudenswaardige cultuurhistorische waarden worden beschermd door een bestemming of aanduiding waar specifieke regels voor gelden (onder meer voor cultuurhistorisch waardevolle gebouwen). Daarnaast zijn deze waarden ook in het omgevings- vergunningstelsel opgenomen waarbij geen sprake mag zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden. De bescherming van cultuurhistorische waarden van de in het plangebied aanwezige landgoederen is in het bestemmingsplan geborgd middels de aanduiding 'wetgevingzone - omgevingsvergunning landgoed'. Voor gronden met deze aanduiding geldt bij werken waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, de aanvullende voorwaarde dat door de werken en werkzaamheden de samenhang binnen het landgoed en de cultuurhistorische waarden van het landgoed, niet onevenredig mogen worden aangetast.

Op deze wijze, in combinatie met de bepalingen op het gebied van landschap, zijn historische geografische waarden in het gebied geborgd. De bescherming van rijks- en gemeentelijke monumenten in het plangebied geschiedt via sectorale regelgeving in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening.

2.3 Veldslagweg 1 in Vorden     

2.3.1 Inleiding     

2.3.1.1 Aanleiding     

Door de eigenaren van het perceel Veldslagweg 1 in Vorden is een verzoek ingediend voor het uitbreiden van de gebruiksmogelijkheden van een bedrijfswoning met daarbij behorende gronden. Reden hiervoor is dat het naastgelegen pand (Hengeloseweg 14) in 1991 is verkocht, waarna de voormalige eigenaar is blijven wonen in één van de twee dienstwoningen, behorende bij de horecabestemming. De bedrijfswoning aan de Veldslagweg 1 is met haar huidige bestemming en ligging naast een pannenkoekenhuis (Hengeloseweg 14) onverkoopbaar. De dienstwoning heeft geen relatie meer met de naastgelegen horecafunctie. Het bestemmingsplan staat alleen bewoning toe wanneer de horecafunctie 'café-restaurant' de hoofdfunctie blijft. Het herbestemmen van de bedrijfswoning naar burgerwoning zal, vanwege de hinderafstand, geen medewerking krijgen van het naastgelegen pannenkoekenrestaurant. In de huidige situatie is de bedrijfswoning dan ook in onbruik geraakt en moeilijk verkoopbaar.

Om die reden is het verzoek gedaan om het pand aan de Veldslagweg 1 een extra functie te geven, zodat voor de nieuwe eigenaren het gebruik toekomstbestendig en planologisch geregeld is. De extra functie heeft betrekking op het geven van aan horeca gerelateerde workshops. Daarnaast zal ter plekke een bed&breakfast geëxploiteerd gaan worden. Tenslotte wordt in het westelijk deel van het plangebied de huidige bestemming 'Horeca' gewijzigd naar 'Agrarisch met waarden'.

De gemeente Bronckhorst heeft aangegeven in principe bereid te zijn haar medewerking te verlenen aan de plannen. In voorliggend bestemmingsplan wordt de voorgenomen functieverandering juridisch planologisch getoetst en mogelijk gemaakt.

2.3.1.2 Plangebied     

Het plangebied heeft betrekking op de percelen Veldslagweg 1 en Hengeloseweg 14 in Vorden. De locatie bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Bronckhorst en ligt ten zuiden van de kern Vorden, in de oksel van de Veldslagweg en Hengeloseweg (N316). De oppervlakte van het plangebied is circa 5.900 m2.

verplicht

2.3.1.3 Vigerende planologische situatie     

Het plangebied maakt deel uit van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied Bronckhorst' (vastgesteld d.d. 17-05-2017). Op grond van het geldende bestemmingsplan is aan de planlocatie de bestemming 'Horeca' toegekend. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. Het gehele plangebied kent de functieaanduiding 'specifieke vorm van horeca - 11'. Ten slotte is een maatvoeringsaanduiding (2) opgenomen voor het aantal woningen.

De gronden met de bestemming 'Horeca' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van horeca - 11' zijn bedoeld voor een café-restaurant met bijbehorende voorzieningen met een maximale oppervlakte van 699 m2. Tevens zijn - onder voorwaarden - aan huis verbonden activiteiten toegestaan in de bedrijfswoning of bijbehorend bouwwerk. Hierbij geldt onder andere dat de horecafunctie de hoofdfunctie blijft en dat de uitoefening van de aan huis verbonden activiteit hier ondergeschikt aan is. Ook is er bij bed & breakfast sprake van maximaal 2 gastenkamers.

Per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, tenzij ter plaatse de aanduiding 'aantal woningen' is opgenomen, waarbij uitsluitend het aangegeven aantal bedrijfswoningen is toegestaan. Binnen het plangebied geldt dat dus maximaal 2 bedrijfswoningen zijn toegestaan.

De beoogde kookworkshops passen niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan, aangezien deze horecafunctie naar aard verschilt van een café-restaurant. Daarnaast wordt een deel van de huidige horecabestemming gewijzigd in een agrarische bestemming.

Om die reden is een herziening van het geldende bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst noodzakelijk. Voorliggend document voorziet hierin.

2.3.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.3 Veldslagweg 1 in Vorden de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.3.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.3.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.3.3).

Paragraaf 2.3.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.3.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.3.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.3.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.3.1.4).

Paragraaf 2.3.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 2.3.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 2.3.2.2) en de beschrijving van het inititiatief (paragraaf 2.3.2.3).

Paragraaf 2.3.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.3.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.3.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.3.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.3.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 2.3.3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 2.3.3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.3.3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.3.4 Juridische aspecten planonderdeel

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4).

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 4.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 4.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 4.3).

Bijlagen toelichting planonderdeel Veldslagweg 1, Vorden

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting van dit planonderdeel opgenomen.

2.3.2 Initiatief     

2.3.2.1 Bestaande situatie     
2.3.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

Geomorfologievoetnoot: Ontleend aan bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst 

De ondergrond van het gebied is grotendeels gevormd tijdens de ijstijden. Het plangebied maakt onderdeel uit van een dekzandgebied dat zwak afhelt tussen het (hoger gelegen) Oost-Nederlands Plateau en het (lager gelegen) rivierenlandschap van het IJsseldal. De hoogteverschillen binnen de gemeente zijn beperkt, het hoogst is de dekzandrug van 't Zand in het zuidoosten van het plangebied (circa 22 m boven NAP). Het laagste deel ligt in het rivierenlandschap ten westen van Wichmond in het noordwesten van het de gemeente (circa 7 m boven NAP). Dit dekzandgebied is ontstaan in de laatste twee ijstijden van het Pleistoceen, te weten het Saalien (200.000-125.000 jaar voor Chr.) en het Weichselien (80.000 - 8.000 jaar voor Chr.). In het Saalien bereikte het landijs Nederland en ontstond er vóór de ijskap een systeem van vlechtende rivieren. Door die rivieren is veel grind en grof zand afgezet. Dit zand staat bekend als 'oude dekzanden'. In het Weichselien lag het landijs benoorden ons land en heerste hier een droog toendraklimaat. Door de schaarse begroeiing kreeg de wind de kans om het zand op grote schaal te verstuiven. Dit stuifzand heeft een fijne structuur en staat bekend als jong dekzand. De verschijningsvorm van het dekzandlandschap wordt bepaald door een patroon van welvingen, dekzandruggen, kopjes, dekzandvlakten en beekoverstromingsvlakten.

Bodemstructuur

Ten noordwesten van Wichmond, achter de IJsseldijk, liggen vruchtbare rivierkleigronden die door deze rivier zijn afgezet. In het westelijke deel van de gemeente, globaal gezien het gebied ten westen van de lijn Vorden-Hengelo, gaan de rivierkleigronden geleidelijk over in zogenaamde vaaggronden, kalkloze zandgronden met een zavel- of kleidek. Meestal ontbreekt een goed ontwikkelde humuslaag. Ten oosten van deze lijn maken de vaaggronden plaats voor humuspodzolgronden. Deze gronden zijn ontstaan uit mineralogisch arm moedermateriaal dat verrijkt is door de inspoeling van organisch materiaal.

Op de hoger gelegen plaatsen met oude historische bewoningskernen zoals de Lindese Enk ten oosten van Vorden (en ten oosten van onderhavig plangebied) en de Varsselse Enk ten oosten van Hengelo zijn de zogenaamde enkeerdgronden ontstaan. Dat zijn akkerbouwgronden die in de loop van honderden jaren door de mens zijn opgehoogd met organische mest vermengd met heide- of grasplaggen. Op de hoger gelegen delen van het dekzandgebied liggen verder ook de zogenaamde beekeerdgronden. Deze gronden die iets lager liggen dan de omgeving bestaan uit afzettingen van vroegere beken. Ze zijn relatief vochtig en vruchtbaar doordat zij een vrij hoog gehalte aan organisch materiaal bevatten.

Occupatie door de mens

Van oudsher vestigden de mensen zich op de overgangen van het hoger gelegen droge dekzandgebieden naar de lager gelegen vochtige beekdalen en broekgebieden. Zo is het dorp Vorden ontstaan op een punt waar de Baakse Beek door een smalle laagte tussen twee dekzandruggen doorloopt. De naam van het dorp is dan ook afgeleid van 'voorde' dat 'doorwaadbare plaats' betekent.

Zoals eerder vermeld werden de dekzandruggen veelal als bouwland gebruikt. Het vee werd in de lager gelegen beekdalen en broekgronden geweid en de schapen op de hoger gelegen heidevelden. In de potstal werd de mest van deze dieren gemengd met heide en gras om vervolgens als bemestingsmateriaal te dienen voor de akkers. Uitputting van de bodem en verstuiving van de gronden zonder bomen en bouwlanddek betekenden een permanente bedreiging van het bestaan. De verstuiving werd door de boeren aan banden gelegd door de aanplant van bos en de aanleg van houtwallen die tevens als veekering konden dienen. Het al of niet door bomen en houtwallen beschutte bouwland dat eigendom was van één boer werd 'kamp' genoemd. Deze kampen kwamen vooral tot stand in gebieden met een grote afwisseling van grondsoorten en hoogteverschillen binnen een relatief klein gebied. Zij overheersten vroeger het ruimtelijke beeld in het plangebied. Een belangrijk deel van dit kampenlandschap in de gemeente is in de afgelopen eeuwen door grote grondeigenaren omgezet in landgoederen. Op deze landgoederen zijn bossen aangelegd,met name ten bate van de houtexploitatie en de jacht. De landgoederen vormen met hun lanen en oude loofbossen bijzondere elementen in het dekzandgebied. Het meestal geometrisch grondpatroon contrasteert opvallend met het onregelmatig patroon van het omringende esdorpen- en hoevenlandschap.

De hoger gelegen droge gronden met een homogeen karakter vormden een ideale locatie voor het ontstaan van 'enken', dat wil zeggen aaneengesloten bouwlandcomplexen die bij meerdere boeren in eigendom waren. Evenals de nederzettingen werden de boerderijen gevestigd op de overgangen van hoog naar laag. Voorbeelden zijn de reeds eerder vermelde Lindese en Varsselse Enk.

Tot in het midden van de vorige eeuw is de gebrekkige waterafvoer een beperkende factor voor het grondgebruik geweest. In 1804 is er in de gemeente al een begin gemaakt met de verbetering van het afwateringssysteem. In de nabijheid van het plangebied zijn verdere verbeteringen in de loop van de 20ste eeuw onder andere bereikt door de omleiding en de vergroting van de capaciteit van de Hissinkbeek (nu Veengoot genoemd).

De invoering van de kunstmest betekende het einde van de oude vorm van gemengd bedrijf, waarbij de boer de dierlijke mest nodig had om zijn akkers vruchtbaar te houden. Verder maakte het gebruik van kunstmest de grootschalige ontginning mogelijk van de voorheen extensief gebruikte heidevelden, en de omzetting van deze velden in akkers, weiland of productiebos.

Door de betere bemesting en de regulering van de waterhuishouding vervaagde in de zandgebieden het zichtbare verschil tussen de hoge droge bouwlanden en de lage vochtige graslanden. Prikkeldraad maakte het oprichten van nieuwe houtwallen en het zorgvuldige beheer van de bestaande houtwallen als veekering overbodig. Hierdoor verdwenen deze elementen geleidelijk uit het landschap.

2.3.2.1.2 Hydrologie     

Kenmerkend voor het gebied zijn de vele beeklopen en watergangen. Het landschap is een landschap van laaglandbeken verdeeld in diverse kleine stroomgebieden. Veel beken ontspringen net over de grens in Duitsland en stromen vandaar in oostwestelijke richting naar de IJssel, maar sommige ontspringen in het gebied zelf. Het water heeft het landschap gevormd tot 30 à 40 jaar geleden. Vanaf die tijd zijn de waterlopen zo onder controle gebracht via kaden en stuwen dat water ongeacht de hoogte van (piek) afvoer in het stroombed blijft. Daarmee hebben veel waterlopen hun oorspronkelijke karakter, waarin meer of mindere mate van meandering sprake was, verloren.

Onderhavig plangebied bevindt zich in de nabijheid van en tussen twee belangrijke beken: ten noorden bevindt zich de Veengoot en ten zuiden de Lindese Laak. De Veengoot is één van de beken die worden gevoed door een gebied dat zich ver uitstrekt buiten het plangebied. De waterafvoer in deze beken is in het voorjaar het grootst. In de zomer vallen met name de kleinere beken vaak droog. De grote watergangen, zoals de Veengoot worden gestuwd zodat er altijd water in staat.

Voor landschapsontwikkeling is het van belang dat de waterbeheerder in het gebied, in lijn met het rijksbeleid, streeft naar het bereiken van een watersysteem dat overstromingen en wateroverlast tegengaat, maar dan langs een meer natuurlijke weg. Zo is de beleidslijn vasthouden, bergen en (dan pas) afvoeren van water nu de onderlegger voor waterkwantiteitsbeleid. Vasthouden wil zeggen dat de kleinste sloten, geulen, poelen, vennen en beekjes worden benut om water tijdelijk vast te houden. Bij grotere hoeveelheden wordt water geborgen door het gebruiken van vloeivelden, uiterwaarden en grotere gebieden langs stroombedden.

2.3.2.1.3 Landschaps- en natuurwaarden     

Het plangebied is gelegen in de Landgoederenzone Baakse Beek. Het stroomgebied van de Baakse Beek – Veengoot is een landschappelijk zeer afwisselend en aantrekkelijk gebied. Op korte afstand zijn flinke verschillen in hoogteligging, grondsoorten, natuur, waterhuishouding en verkavelingsvormen te vinden. Dit gebied willen we ontwikkelen tot een natuurlijk ogend en gevarieerd bekenstelsel waar het water weer de ruimte krijgt om te meanderen. Landgoederen, grondgebonden landbouw, natuur en recreatie profiteren hiervan. De beeklopen en de cultuurhistorische kwaliteiten van dit deelgebied worden weer hersteld en benut.

Langs de beken liggen oude dekzandruggen en enkele oude essen. Deze zijn van oudsher te herkennen als open ruimten in het landgoederenlandschap en worden als zodanig behouden. De lagere gronden tussen de ruggen waren van oudsher nat. Hier zijn in het verleden rabattenbossen aangelegd. Deze worden hersteld en er wordt in de natuurlijke laagtes een plek gezocht voor waterberging.

Doordat er op korte afstand veel bodemvruchtbaarheidsverschillen en verschillen in micoreliëf aanwezig zijn, liggen er volop kansen voor een grote natuurrijkdom.

De watergangen in het gebied zijn niet allemaal natuurlijke lopen. De Veengoot is bijvoorbeeld een gegraven watergang en heeft van oudsher een rechte loop. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt wordt deze rechtlijnigheid bij de gegraven watergangen behouden. Natte natuurontwikkeling kan daar prima mee worden gecombineerd.

De omgeving van Vorden bestaat uit agrarische gronden en bosrijk gebied. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van boerderijen en kleinschalig agrarisch landschap. Het plangebied en haar directe omgeving zijn niet aangewezen als een beschermd natuurgebied.

2.3.2.1.4 Archeologie en cultuurhistorie     

Cultuurhistorische waarden

Het landschap is een bron van informatie over het verleden. Het landschap ontleent haar cultuurhistorische waarde aan de sporen die door menselijke activiteiten, zoals bouwen, bemesten en

ontginnen, zijn achtergelaten. Het landschap en de landschappelijke basis vormen een archief vol aanwijzingen over het leven en werken van mensen in vroeger tijden. Voorbeeldenzijn molens, grafheuvels, poelen, enkeerdgronden en escomplexen. Beeldbepalend in het buitengebied is ook (nog steeds) de sterke verwevenheid van natuur en landbouw: cultuurgronden, bossen en landschapselementen zoals houtwallen, bosjes, solitaire bomen, poelen, zandwegen, bloemrijke bermen, slootkanten en steilranden wisselen elkaar af.

Heel globaal valt Bronckhorst landschappelijk in te delen in het rivierengebied, de overgangszone en het hoge zandgebied. Op basis van historisch gegroeide patronen, het reliëf en de bebouwing kan onderscheid gemaakt worden tussen een vijftal verschillende landschapstypen binnen de gemeente Bronckhorst:

  • IJsselland: een open en wijds rivierlandschap met oude bewoningskernen op de rivierduinenin het westen van de gemeente;
  • Broekland: een grootschalig, open waterrijk gebied aan weerszijden van de Grote beek in het midden van de gemeente;
  • Oud cultuurland: een halfopen tot besloten gebied met een onregelmatige verkaveling in het midden en zuiden van de gemeente;
  • Landgoedland: een gevarieerd kleinschalig en besloten gebied met historische ensembles van kastelen, landgoederen, landhuizen en pachtboerderijen in een parkachtig landschap met bossen en landbouwgronden in het noordoosten van de gemeente;
  • Velden: jonge veldontginningen van natte veen- en heidegebieden in het zandlandschapmet een open karakter en rechtlijnige verkaveling in het zuidoosten van de gemeente.

Daarnaast worden er vijf deelgebieden onderscheiden op basis van de geografische situeringnabij de grotere bewoningskernen binnen de gemeente. Het voorliggende plangebied ligt in het volgende deelgebied:

2. Vorden en omgeving:

Behalve Vorden bevat het deelgebied ook de kernen Kranenburg en Wichmond en de buurtschappen: Delden, Linde, Mossel, Veldwijk, Vierakker en Wildenborch. Landschappelijk ligt dit deelgebied in het Landgoedland. De belangrijkste kenmerken betreffen:

  • Hoge concentratie kastelen en landgoederen; kasteel Vorden, De Wildenborch, Wientjesvoort,'t Medler, De Wiersse, Onstein, De Kieftskamp, Den Bramel, Hackfort, 't Enzerincken 't Suideras;
  • Overwegend agrarisch landschap, afgewisseld met een parkachtige aanleg bij landgoederen;
  • Bij Delden ligt een fraai kleinschalig kampen-en essenlandschap;
  • De Woestenenk bij Vorden bevat smalle stroken in de verkaveling;
  • Invloeden van grootgrondbezit, in bebouwing en ruimtelijke ontwikkelingen zichtbaar rondom Hackfort, waar nog pachtboerderijen voorkomen.

De cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken of waardevolle objecten in het buitengebied die zijn aangewezen als rijks- of gemeentelijke monumenten of zijn opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) of zijn opgenomen in de bijlagen van de regels.

De gemeente Bronckhorst heeft een Structuurvisie cultuurhistorie Bronckhorst. Onderdeel van de structuurvisie is de cultuurhistorische gebiedsbeschrijving. Deze geeft inzicht in de ontstaansgeschiedenis van het gemeentelijk grondgebied en de bijbehorende cultuurhistorische waarden.

2.3.2.2 Randvoorwaarden     
2.3.2.2.1 Beeldkwaliteitseisen     

De aanvraag omgevingsvergunning voor de herbouw van de schuur wordt bij de toetsing van de vergunningaanvraag getoetst aan de redelijke eisen van weltand.

2.3.2.2.2 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

Het plan heeft betrekking op reeds bestaande bebouwing. De enige ontwikkeling waarbij nieuwbouw aan de orde is, is de sloop en herbouw van de bestaande schuur bij de woning Veldslagweg 1. Het betreft hier geen monumentale of karakteristieke bebouwing. De herbouw van de schuur vindt op nagenoeg dezelfde locatie plaats, met dezelfde afmetingen als in de huidige situatie. Gesteld kan worden dat de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan niet van invloed zijn op ruimtelijke en landschappelijke kenmerken zoals verkavelingsvormen, hoogte etc. Sterker nog, onderdeel van voorliggend bestemmingsplan is het vergroten van de agrarische bestemming (zonder bouwvlak). Deze ontwikkeling is van gunstige invloed op de doelstellingen voor ruimte en landschap.

De navolgende afbeelding toont het weiland dat in de huidige situatie is bestemd als Horeca, maar dat met voorliggend bestemmingsplan een bestemming krijgt die recht doet aan de huidige en te handhaven situatie: Agrarisch met waarden - Landschap.

verplicht

2.3.2.3 Planbeschrijving     

Aanleiding

De bedrijfswoning aan de Veldslagweg 1 te Vorden is met haar huidige bestemming en ligging naast een pannenkoekenhuis onverkoopbaar. Het bestemmingsplan staat alleen bewoning toe wanneer de horecafunctie 'café-restaurant' de hoofdfunctie blijft. Het herbestemmen van de bedrijfswoning naar burgerwoning zal geen medewerking krijgen door het naastgelegen pannenkoekenrestaurant. In de huidige situatie is de woning dan ook in onbruik geraakt. Voorliggend bestemmingsplan komt tegemoet aan een initiatief waarbij de woning wederom als bedrijfswoning van een eigen horeca gelegenheid zal worden gebruikt.

 

Bedrijfswoning

Om de in onbruik geraakte woning weer bruikbaar en verkoopbaar te maken, wordt een aparte horecafunctie voor de bedrijfswoning toegevoegd. Hierdoor blijft zowel de functie als de fysieke bebouwing van de bedrijfswoning behouden.

 

Schuur

Naast de bedrijfswoning bevindt zich een vrijstaande schuur. Deze schuur wordt gesloopt en herbouwd, waarbij het oppervlak (90 m2) hetzelfde blijft als in de huidige situatie. De hoogte blijft binnen de in het vigerende bestemmingsplan geldende bouwhoogte. In deze schuur zullen aan horeca gerelateerde workshops (kookworkshops o.i.d.) aangeboden worden. Tevens zal de schuur worden gebruikt ten behoeve van de bed & breakfast (maximaal twee bed & breakfast). Dit is reeds toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan. De nieuwe schuur blijft binnen het bouwvlak zoals voorgesteld door de gemeente. Deze is de navolgende afbeelding weergegeven.

verplicht

De workshops zullen gemiddeld twee keer per week plaatsvinden. Hierbij kunnen er per workshop maximaal 6 personen deelnemen. De openingstijden van de workshops zullen voldoen aan de openingstijden zoals gesteld in de Drank- en Horecawet.

 

Weiland

Westelijk van de bebouwing bevindt zich een onbebouwd weiland met in de huidige situatie een horeca bestemming. Dit weiland wordt herbestemd naar agrarisch. Hierdoor zijn op het weiland geen horeca activiteiten meer toegestaan, waardoor het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen wordt bevorderd.

 

Verkeer en parkeren

Het verkeer zal net zoals in de huidige situatie worden ontsloten op de Veldslagweg. Wat betreft parkeren zullen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor de nieuwe functies. Hiervoor is genoeg ruimte beschikbaar op het erf van het perceel.

2.3.3 Uitvoerbaarheid     

2.3.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Het initiatief past binnen de beleidskaders van de verschillende overheden, zoals beschreven in Hoofdstuk 3 Beleidskader. Hieronder worden de belangrijkste conclusies weergegeven.

Rijksbeleid

Ladder voor duurzame verstedelijking

Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Voorliggend initiatief betreft de sloop en herbouw van een schuur ten behoeve van aan horeca gerelateerde workshops alsmede het deels omzetten van de bestemming Horeca naar een agrarische bestemming. Laatstgenoemde ontwikkeling is geen stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Hiervoor hoeft geen toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen. De ontwikkeling van de aan horeca gerelateerde workshops betreft wel een stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie blijkt echter dat een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling voldoende substantieel moet zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Daarbij geldt dat stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m2, in beginsel niet aangemerkt worden als een stedelijke ontwikkeling. De te herbouwen schuur heeft een oppervlakte van minder dan 500 m2. Om die reden is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.

Besluit m.e.r.

Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. worden vermeld of die de geldende drempelwaarden enigszins benaderen.

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie en – verordening

Zowel in de Omgevingsvisie als Omgevingsverordening wordt niets gezegd over horecafuncties in het buitengebied. Daarmee legt de provincie de besluitvorming op dit punt bij de gemeente.

Regionaal beleid

Het regionale beleid bevat geen essentiële beleidsuitgangspunten die van belang zijn voor het onderhavige bestemmingsplan.

Gemeentelijk beleid

Beleid Horeca

De gemeente Bronckhorst heeft geen specifiek beleid gericht op horeca (in het buitengebied), maar beschikt wel over economisch beleid. Voor een vitale economische ontwikkeling van Bronckhorst wordt gebruik gemaakt van aanwezige kwaliteiten. In de zin van rust en ruimte wordt gestreefd naar behoud en versterking van de werkgelegenheid en een regelmatige ontwikkeling van de werkgelegenheid in kansrijke sectoren als recreatie en toerisme, (niet) commerciële dienstverlening.

Bereikbaarheid is een absolute voorwaarde voor deze en andere sectoren.

De sloop en herbouw van een bestaande schuur ten behoeve van aan horeca gerelateerde workshops past binnen het economisch beleid van de gemeente. Immers een in onbruik geraakte bedrijfswoning kan weer worden gebruikt waarvoor deze bedoeld is. De aan horeca gerelateerde workshops voegen een nieuwe en vernieuwende recreatieve functie toe aan het buitengebied van de gemeente Bronckhorst, zonder eventuele landschappelijke waarden aan te tasten. Bovendien is de locatie prima bereikbaar vanaf de Hengeloseweg.

Landschapsontwikkelingsplan

Met de wijziging van een horecabestemming naar een agrarische bestemming kan ter plaatse van dit deel van het plangebied beter en gerichter worden ingespeeld op de doelstellingen uit het landschapsontwikkelingsplan.

Gelet op het bovenstaande is het voorliggende bestemmingsplan in overeenstemming met de uitgangspunten van de beleidskaders van de verschillende overheden.

2.3.3.2 Omgevingsaspecten     

Er bestaan geen milieuhygiënische en waterhuishoudkundige belemmeringen tegen het voorgenomen initiatief. Waarden op het gebied van landschap, natuur, archeologie en cultuurhistorie zijn niet in het geding in het plangebied.

2.3.3.2.1 Duurzaamheid     

Uitgangspunt bij de schuur is het gebruik van duurzame materialen. Voorts zal het hemelwater worden geïnfiltreerd in de bodem op eigen terrein.

2.3.3.2.2 Bodem     

Een bestemmingsplan dat voorziet in bouw- en/of inrichtingsmogelijkheden dient een reëel beeld te geven van de bodemkwaliteit van de gronden waarop het initiatief betrekking heeft. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

In onderhavige situatie is qua ontwikkeling uitsluitend sprake van de sloop en herbouw van een schuur ten behoeve van het geven van aan horeca gerelateerde workshops en het wijzigen van een deel van de horecabestemming in een agrarische bestemming. Beide ontwikkelingen hebben geen betrekking op hindergevoelige ruimten waar mensen gedurende langere tijd verblijven. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

2.3.3.2.3 Geluid     

Bij ruimtelijke plannen moet ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat rekening gehouden worden met het aspect wegverkeerslawaai. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.

De mate waarin geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De wet stelt dat in principe de geluidbelasting op woningen niet de 48 dB mag overschrijden. Indien nieuwbouw van woningen of andere geluidgevoelige bebouwing mogelijk wordt gemaakt, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidbelasting ten gevolge van alle wegen op een bepaalde afstand van het object.

De ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt hebben geen betrekking op de toevoeging van geluidgevoelige functies. Het aantal woningen in het plangebied wijzigt niet alsook de ligging van de woningen. Het aantal mogelijk gehinderden blijft hierdoor onveranderd.

De bestaande woonfuncties zijn overigens (planologisch) toegestaan.

2.3.3.2.4 Luchtkwaliteit     

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Conclusie

Omdat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

2.3.3.2.5 Geur     

Voor agrarische activiteiten is het agrarische bouwblok in combinatie met hun veehouderijactiviteiten bepalend voor de afstand tot milieugevoelige functies. Afhankelijk van de aard en omvang van het agrarische bedrijf wordt de afstand bepaald door een AmvB of indien voor bedrijfsvoering noodzakelijk, een milieuvergunning. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn odeur units per m3 opgenomen voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. De gemeente Bronckhorst is opgenomen in het concentratiegebied I (oost), wat inhoudt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten niet meer dan 3,0 ouE/m3 mogen bedragen. De gemeente heeft geen geurbeleid.

Het voorliggende bestemmingplan waarbij het aantal wooneenheden onveranderd blijft, heeft geen gevolgen voor het milieuaspect 'geur'.

2.3.3.2.6 Bedrijven en milieuzonering     

Algemeen

Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk wor-den gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt. Om die reden wordt hieronder op de volgende onderzoeksvragen ingegaan:

  1. Zijn er bestaande hindergevende functies in de omgeving die mogelijk leiden tot hinder voor de nieuwe hindergevoelige functies binnen het plan?
  2. Worden in het onderhavige plan nieuwe hindergevende functies gerealiseerd die mogelijk leiden tot hinder voor nieuwe of bestaande hindergevoelige functies in de omgeving of binnen het plan?

Toetsing

Ad1

Binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe hindergevoelige functies mogelijk gemaakt.

Ad2

In onderhavig plangebied is reeds sprake van een horeca-bestemming, bedoeld voor een café-restaurant. Deze horeca-bestemming wordt aan de zijde van de dichtstbijzijnde woning, westelijk van het plangebied, verkleind en vervangen door een agrarische bestemming (zonder bouwvlak).

Overigens is de dichtstbijzijnde afstand van (de grens van het aanduidingsvlak ten behoeve van) de te herbouwen schuur bedoeld voor aan horeca gerelateerde workshops, tot aan de woning van derden meer dan 50 m. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' zijn geen (indicatieve) hinderafstanden opgenomen voor de functie 'aan horeca gerelateerde workshops', maar een worst-case vergelijking met een café-restaurant lijkt plausibel. De minimaal aan te houden afstand van een dergelijke functie tot aan gevoelige functies is in 'rustig buitengebied' 10 m.

Verondersteld mag dan ook worden dat er wordt voldaan aan de (indicatieve) hinderafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' en dat de toe te voegen functie geen nadelige invloed heeft op milieuhindergevoelige functies in de nabijheid.

Conclusie

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

2.3.3.2.7 Externe veiligheid     

Algemeen

Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van diegenen die niet betrokken zijn bij risicovolle activiteiten, maar die als gevolg van die activiteiten wel risico lopen. Om deze reden dient er op de planlocatie rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is een normering opgenomen voor de externe veiligheid voor bedrijven met gevaarlijke stoffen. Daarnaast bestaan er richtlijnen over het vervoer van gevaarlijke stoffen (via de weg, het spoor of via buisleidingen). Er moet ten behoeve van de veiligheid voldoende afstand in acht worden genomen tussen risicovolle bedrijven of transportroutes voor gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten.

Toetsing

In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder het Bevi. De (spoor)wegen en leidingen (boven- en ondergronds) rondom het plangebied worden niet gebruikt voor vervoer van gevaarlijke stoffen. In het plangebied zijn geen relevante hogedrukaardgasleidingen aanwezig waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er met betrekking tot de externe veiligheid geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Een nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

2.3.3.2.8 Water     

Het vuilwater dat geproduceerd wordt door de woning wordt via de gemeentelijke riolering afgevoerd. Dit betreft het water dat voortkomt uit het gebruik van water door een huishouden (toilet, douche, wasmachine e.d.)

Het schone hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering en geïnfiltreerd op eigen terrein om zo te voorkomen dat relatief schoon water snel afgevoerd wordt door het riool met het relatief vuile water.

Als gevolg van dit bestemmingsplan is er geen sprake van toename van verhard oppervlak.

Voor het wijzigingsplan is een watertoets uitgevoerd.

Bestaande situatie

De bodem 

De bodem van het plangebied bestaat uit donkerbruin matig fijn zand. De ondergrond bestaat overwegend uit lichtbruin, matig fijn zand. Plaatselijk is de bodem zwak tot matig humeus.

De bodem is, gelet op de bodemopbouw en het grondwaterniveau, geschikt voor het opvangen en infiltreren van hemelwater. Het hemelwater mag niet worden geloosd op het riool.

Riolering 

De bestaande woningen binnen het plangebied zijn al voorzien van een aansluiting op het bestaande rioolstelsel. Deze bestaande situatie blijft in de toekomst gehandhaafd.

Hemelwater van verharde oppervlakten zoals verhardingen en dakvlakken moet op eigen terrein worden geïnfiltreerd.

Waterhuishoudkundige aspecten

In de 'Handreiking Watertoets 2' zijn inhoudelijke criteria aangereikt voor de watertoets, die basis vormen voor de planbeoordeling door het waterschap en het daaruit voortvloeiende wateradvies. In onderstaande watertoetstabel zijn de voor het bestemmingsplan van belang zijnde waterhuishoudkundige criteria opgenomen.

Thema Toetsvraag Relevant Intensiteit
Veiligheid 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) Nee 2
2.Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? Nee 2
Riolering en Afvalwaterketen 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? Nee 2
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ Nee 1
3.Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? Nee 1
Wateroverlast (oppervlaktewater) 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2 Nee 2
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2  Nee 1
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak ? Ja 1
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes Nee 1
Oppervlaktewaterkwaliteit 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? Nee 1
Grondwateroverlast 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? Nee 1
2. Is in het plangebied sprake van kwel? Nee 1
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? Nee 1
Grondwaterkwaliteit 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking ? Nee 1
Inrichting en beheer 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? Nee 1
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? Nee 2
Volksgezondheid 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? Nee 1
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Nee 1
Natte Natuur 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? Nee 2
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? Nee 2
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur Nee 1
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? Nee 1
Verdroging 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? Nee 1
Recreatie 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? Nee 2
Cultuurhistorie 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? Nee 1

Nadere toelichting Wateroverlast (oppervlaktewater)

De oppervlakte aan verharding neemt in het kader van dit plan niet toe. Het gebied is geschikt voor de infiltratie van hemelwater. Het grondwater bevindt zich tussen de 1,51 -mv en 1,71 m -mv.

Er is voldoende ruimte om het hemelwater zonder problemen in de bodem weg te laten vloeien.

Overleg waterschap

Het bestemmingsplan 'Landelijk gebied; Veldslagweg 1 Vorden' is in het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro toegezonden aan het waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap heeft op 4 maart 2019 per e-mail aangegeven geen op- en aanmerkingen op het plan te hebben.

2.3.3.2.9 Archeologie en cultuurhistorie     

Ten behoeve van het geven van aan horeca gerelateerde workshops wordt de bestaande schuur aan de Veldslagweg 1 gesloopt en op nagenoeg dezelfde plaats herbouwd. Bodemingrepen vinden dan ook uitsluitend plaats om de fundering van de bestaande schuur te verwijderen. Bij de bouw ervan waren deze gronden al verstoord.

Andere bodemingrepen vinden niet plaats. Het bestaande bodemarchief blijft hierdoor intact. Een archeologisch onderzoek kan daarom achterwege blijven.

Ter bescherming van eventuele archeologische waarden in het plangebied is bovendien de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' opgenomen.

2.3.3.2.10 Flora en fauna     

SAB heeft met een quick scan natuurvoetnoot: SAB (2019). Quick scan natuur Vorden, Veldslagweg. Projectnummer 190118. 21 februari 2019. onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet.

Gebiedsbescherming

Natura 2000

Het plangebied ligt niet in een gebied dat is aangewezen in het kader van de Wet natuurbescherming. Wel liggen er enkele Natura 2000-gebieden in de omgeving. Door de zeer beperkte schaal van de ontwikkeling is echter uitgesloten dat hierdoor verstoringen worden veroorzaakt die deze gebieden kunnen bereiken. Nader onderzoek in de vorm van een Voortoets Wet natuurbescherming is daarom niet nodig.

Provinciale bescherming

Het plangebied ligt niet in het Gelders natuurnetwerk of andere provinciaal beschermde natuur. De bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan daarom niet in de weg.

Soortenbescherming

Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Het betreft verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis). Met de ruimtelijke ontwikkeling gaan eventueel aanwezige verblijfplaatsen van deze dieren verloren en ook zouden dieren kunnen worden gedood.

Alle vleermuizen zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen. Met de geplande werkzaamheden gaan eventueel aanwezige verblijfplaatsen waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van deze dieren. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Het nader soortenonderzoek zal worden uitgevoerd en eventuele ontheffing zal worden aangevraagd/verleend voorafgaand aan de sloop.

Tenslotte geldt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de broedperiode en zorgplicht. In voorliggende situatie geldt in het bijzonder dat met de beoogde werkzaamheden aan de schuur in het plangebied rekening gehouden dient te worden met de broedperiode van huismussen. Indien gekozen wordt voor het uitvoeren van de werkzaamheden in de broedperiode van deze beschermde soort, dient onderzocht te worden of eventuele nestplaatsen verstoord kunnen worden bij de werkzaamheden.

Houtopstanden

Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

2.3.3.2.11 Verkeer     

De ontwikkeling die met voorliggend plan mogelijk wordt gemaakt heeft betrekking op het functioneel toestaan van kookworkshops in een te herbouwen schuur op het perceel Veldslagweg 1. De workshops zullen gemiddeld twee keer per week plaatsvinden. Qua verkeersbewegingen betekent dit een wekelijkse toename van maximaal 24 verkeersbewegingen. Deze toename is marginaal en de capaciteit van de Veldslagweg is voldoende om deze verkeersbewegingen te verwerken. Bovendien is de planlocatie vanaf de Hengeloseweg het eerste perceel, waardoor er geen andere woningen gepasseerd hoeven worden.

Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Op het eigen perceel is hiervoor voldoende ruimte.

2.3.3.2.12 Leidingen     

Zie paragraaf 2.3.3.2.7 Externe veiligheid.

2.3.3.3 Volkshuisvesting     

De uitvoering van het bestemmingsplan leidt niet tot een toename van het aantal woningen. Het bestaande aantal woningen in het plangebied, zijnde twee bedrijfswoningen, blijft gelijk. Met voorliggend plan wordt een bestaande, maar in onbruik geraakte bedrijfswoning weer functioneel gemaakt. De voorgestelde ontwikkeling past dan ook binnen het woonbeleid van de gemeente en de regio.

2.3.3.4 Economisch     

Voor de realisatie van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden, omdat het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Alle kosten zullen worden gedragen door de initiatiefnemer. De realisering van het bestemmingsplan leidt derhalve niet tot kosten die voor rekening van de gemeente Bronckhorst komen. De economische uitvoerbaarheid is niet in het geding.

De gemeente Bronckhorst heeft met de initiatiefnemer een planschade-overeenkomst afgesloten waarin is geregeld dat eventueel optredende planschade wordt doorberekend aan de initiatiefnemer.

2.3.3.5 Maatschappelijk     

Conform de wettelijke procedure wordt dit bestemmingsplan na besluitvorming door de raad ter visie gelegd en heeft een ieder de mogelijkheid een zienswijze in te dienen.

2.3.3.6 Overleg en inspraak     

2.3.3.6.1 Overleg     

Het bestemmingsplan 'Landelijk gebied; Veldslagweg 1 Vorden' is in het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro toegezonden aan het waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap heeft op 4 maart 2019 per e-mail aangegeven geen op- en aanmerkingen op het plan te hebben.

Andere overlegpartners zijn niet benaderd, omdat het een eenvoudige ontwikkeling op perceelsniveau betreft.

2.3.3.6.2 Inspraak     

De initiatiefnemers en gemeente hebben omwonenden geïnformeerd over het voorontwerp- bestemmingsplan. De direct-aanwonenden hebben geen bezwaren tegen het planvoornemen kenbaar gemaakt.

2.3.3.7 Conclusie     

Geen van de onderzochte omgevingsaspecten levert beperkingen op voor de uitvoering van het

voorliggende bestemmingsplan. Dit geldt ook voor volkshuisvesting en de economische uitvoerbaarheid

van het bestemmingsplan.

2.3.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen.

2.3.4.1 Bestemmingsregels     

In Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels van de regels zijn de bestemmingsregels beschreven. Navolgend worden de bestemmingen kort beschreven.

2.3.4.1.1 Agrarisch met waarden - Landschap     

Onder deze bestemming vallen gronden waar sprake is van specifieke landschapswaarden. Onder deze bestemming vallen ook de voormalige EHS verbindingszones welke niet onder het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) vallen. Naast de uitoefening van een agrarisch bedrijf wordt rekening gehouden met behoud, herstel en ontwikkeling van landschapswaarden.

2.3.4.1.2 Horeca     

De bestemming Horeca voorziet in de horecafunctie café-restaurant op het perceel Hengeloseweg 14 en het geven van aan horeca gerelateerde workshops op het perceel Veldslagweg 1. De bestaande en/of toegestane bebouwde oppervlakte is vastgelegd in tabel in Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving onder Horeca-activiteiten. Hier is buitenopslag niet toegestaan en dient parkeren op eigen terrein plaats te vinden.

Met een omgevingsvergunning kan het bestaande bebouwingsoppervlak met 10% worden vergroot en kan van de bestaande maten met 10% worden afgeweken. Hieraan worden nog op te stellen beleidsregels verbonden.

Met een wijzigingsbevoegdheid kan onder voorwaarden meegewerkt worden aan bestemmingswijziging voor een ander type horeca-activiteit. Eén van de bepalingen is dat het uitsluitend een bedrijf betreft als opgenomen in de tabel in Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving onder Horeca-activiteiten, waarbij het uitsluitend een gebiedsgebonden functie mag betreffen en dat de oppervlakte als genoemd in de tabel als maximum geldt. Indien er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN) (bestemming Agrarisch met waarden -) of het waardevol landschap (bestemming Agrarisch met waarden - Landschap en natuur) mogen er geen significante negatieve effecten voor het GNN of het waardevol landschap plaatsvinden.

2.3.4.1.3 Waarde - Archeologische verwachting 2     

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. Waarde - Archeologie staat voor gebieden met een bekende zeer hoge of hoge archeologische waarde. Waarde - Archeologische verwachting 1 staat voor een hoge verwachtingswaarde. Waarde - Archeologische verwachting 2 staat voor een voor een middelhoge verwachtingswaarde. Waarde - Archeologische verwachting 3 staat voor een lage verwachtingswaarde. In onderhavig plangebied is sprake van de dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachting 2.

Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.4 Vosheuvelweg 4-6, Vorden     

2.4.1 Inleiding     

2.4.1.1 Aanleiding     

In 2008 is de initiatiefnemer gestart met de zorgboerderij Marope op landgoed Zelle. Al lange tijd wordt er gezocht naar een eigen locatie waar ook begeleid wonen kan worden geboden. In nauw overleg met gemeente Bronckhorst is Vosheuvelweg 4-6 als locatie naar voren gekomen. De initiatiefnemer is sinds december 2017 eigenaar van deze boerderij, een voormalige melkveehouderij, die al geruime tijd niet meer als zodanig in gebruik is.

Op het perceel ligt een agrarische bestemming met een bouwvlak. Om de nieuwe functie te kunnen realiseren is het gewenst de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap' om te zetten in de bestemming 'Maatschappelijk'.

2.4.1.2 Plangebied     

Het perceel Vosheuvelweg 4-6 ligt in het buitengebied van Bronckhorst, tussen Vorden en Ruurlo. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven.

verplicht

Ligging plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

2.4.1.3 Vigerende planologische situatie     

In het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Bronckhorst' (vastgesteld d.d. 17-05-2017) heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap'. Op het westelijk deel ligt een bouwvlak waarbinnen een agrarisch bedrijf is toegestaan met 2 woningen.

Het oorspronkelijke bouwvlak liep in zuidelijke richting door en had een omvang van circa 1,4 ha.

 

verplicht

Uitsnede uit het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Bronckhorst'

Voorts ligt er een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' op het plangebied en zijn de gebiedsaanduidingen 'Luchtverkeerszone - laagvlieggebied' en 'Overige zone - waardevolle open gebieden waaronder essen' van toepassing.

De gronden van het agrarisch bedrijf, gelegen ten zuiden van het plangebied, worden in het kader van het herstel van de Hallerlaak ontwikkeld tot natuurgebied.

2.4.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.4 Vosheuvelweg 4-6, Vorden de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.4.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.4.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.4.3).

Paragraaf 2.4.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.4.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.4.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.4.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.4.1.4).

Paragraaf 2.4.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 2.4.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 2.4.2.2) en de beschrijving van het inititiatief (paragraaf 2.4.2.3).

Paragraaf 2.4.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.4.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.4.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.4.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.4.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 2.4.3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 2.4.3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.4.3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.4.4 Juridische aspecten planonderdeel 

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4).

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 4.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 4.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 4.3).

Bijlagen toelichting planonderdeel Vosheuvelweg 4-6, Vorden

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting van dit planonderdeel opgenomen.

2.4.2 Initiatief     

2.4.2.1 Bestaande situatie     
2.4.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

Op basis van de geomorfologie en bodemgesteldheid kan de gemeente Bronckhorst globaal opgedeeld worden in twee landschappen met eigen karakter en ontstaansgeschiedenis: het rivierenlandschap van de IJssel in het westen en het hoger gelegen Oost-Nederlandse dekzandlandschap.

Het plangebied ligt in het dekzandlandschap. Volgens het Landschapsontwikkelingsplan ligt het in het deelgebied 'Landgoederenzone Baakse Beek'. Op korte afstand zijn er flinke verschillen in hoogteligging, grondsoorten en waterhuishouding. Langs de beken liggen oude dekzandruggen, de lagere gronden tussen de dekzandruggen waren van oudsher nat. In het gebied liggen een groot aantal middeleeuwse kastelen en landgoederen.

2.4.2.1.2 Hydrologie     

Kenmerkend voor het gebied zijn de vele beeklopen en watergangen. Het betreft hier een landschap van laaglandbeken verdeeld in diverse kleine stroomgebieden. Veel beken ontspringen net over de grens in Duitsland en stromen vandaar in oost-westelijke richting naar de IJssel, maar sommige ontspringen in het gebied zelf. Het water heeft het landschap gevormd tot de 2e helft van de 20e eeuw. Vanaf die tijd zijn de waterlopen onder controle gebracht via kaden en stuwen. Daarmee hebben veel waterlopen hun oorspronkelijke karakter, waarin meer of mindere mate van meandering sprake was, verloren. Recent heeft ten zuiden van het plangebied een herinrichting plaatsgevonden, met als doel verdroging van natuurgebieden tegen te gaan.

2.4.2.1.3 Landschaps- en natuurwaarden     

Langs de beken liggen oude dekzandruggen en een aantal oude essen. Deze zijn van oudsher te herkennen als open ruimten in het landgoederenlandschap. De boerderij Vosheuvel is gelegen op een oude dekzandrug, aan de rand van het beekdal van de Hallerlaak. De boerderij is in de 30-er jaren gebouwd.

In de omgeving is veel voedselrijk bos aanwezig. Ook vindt men hier natte bossen, moerassen en vochtige graslanden. De natte bossen, die rijk zijn aan soorten en een hoge natuurwaarde hebben, staan direct onder invloed van het grondwater dat hier als schoon kwelwater naar boven komt. Vaak hebben zij de vorm van een rabatbos. De moerassen zijn klein en liggen in de beekdalen. Hier zijn ook vochtige en natte graslanden te vinden die ten dele in de winter worden overstroomd. Voor amfibieën en reptielen levert deze zone waardevolle biotopen op, hetzelfde geldt voor broedvogels en tal van zoogdieren.

2.4.2.1.4 Archeologie en cultuurhistorie     

Het plangebied ligt op een locatie in een oud landschap, maar de locatie zelf is pas in de 30-er jaren van de vorige eeuw ontgonnen en in gebruik genomen als agrarisch bedrijf. De boerderij heeft geen specifieke cultuurhistorische waarde.

De archeologische verwachtingswaarde van het gebied is vastgelegd op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart, die op 24 september 2009 door de gemeente is vastgesteld. Deze kaart is grotendeels gebaseerd op landschappelijke gegevens met betrekking tot de bodemgesteldheid en de geomorfologie.

Het plangebied heeft een vrij hoge verwachtingswaarde (archeologische verwachtingswaarde 2). Deze is als dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan Landelijk Gebied van de gemeente.

2.4.2.2 Randvoorwaarden     
2.4.2.2.1 Beeldkwaliteitseisen     

De huidige boerderij is gebouwd in de jaren '30 van de vorige eeuw. Het is een voorbeeld van boerderijen uit deze streek, maar heeft geen specifieke cultuurhistorische waarde. In de boerderij zijn twee woningen ondergebracht. In de huidige situatie staat de melkveestal naast de boerderij aan de weg. De kuilvoerplaten liggen in het verlengde daarvan aan de wegzijde en worden aan drie zijden omgeven door bos.

verplicht

De bestaande boerderij Vosheuvel

verplicht

Luchtfoto met de bestaande inrichting van het erf

In de nieuwe situatie blijft de hoofdopzet van het erf in tact. Voor de inrichting worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • De boerderij, inclusief aangebouwde stallen, blijft in gebruik voor wonen. De deel, aan de achtrzijde, zal worden bewoond door de beheerder/begeleider van Marope. De bestaande inrit aan de westzijde blijft gehandhaafd, zodat er een scheiding is tussen werk en privé.
  • Het nieuwe gebouw met 10 woonzorgeenheden wordt gesitueerd op de locatie van de huidige melkveestal. Het gebouw krijgt een afmeting van ca. 39,5 x 13 meter en wordt gebouwd in één bouwlaag met een kap.
  • Op het erf wordt een historische kapschuur, afkomstig van de huisplaats op landgoed 't Zelle, in ere hersteld. In de kapschuuur wordt materieel gestald voor de activiteiten van de zorgboerderij.
  • Het ensemble wordt aangevuld met een hooiberg aan de achterzijde van het erf.
  • De hoofdtoegang naar het erf wordt gemarkeerd door de bestaande boom. De andere twee bestaande inritten blijven intact, maar zijn ondergeschikt.
  • Het erf wordt landschappelijk ingepast, passend bij de kenmerken van het gebied.

verplicht

Doorsnede en zijaanzicht van de kapschuur

2.4.2.2.2 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

Vosheuvelweg 4-6 is gelegen in het Nationaal Landschap De Graafschap. De kernkwaliteiten van dit landschap zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland en voor de gemeente Bronckhorst uitgewerkt in het 'Kwaliteitskader Nationaal Landschap De Graafschap'. Volgens dit Kwaliteitskader ligt het plangebied in het Dekzandlandschap - Landgoederen. Als kernkwaliteiten worden genoemd:

  • halfgesloten mozaïeklandschap met afwisseling tussen open en gesloten
  • landgoederenensembles en -structuren
  • oost-weststromende beken in het halfgesloten landschap
  • karakteristieke oude bouwlanden
  • oude bewoningsplaatsen
  • biodiversiteit

verplicht

Schetsontwerp toekomstige inrichting Vosheuvelweg 4-6 (tekening: Buro SRO)

In het schetsontwerp voor de toekomstige inrichting zijn maatregelen opgenomen voor landschappelijke inpassing. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:

  • Aanleg van een boomgaard aan de voorzijde van het woonzorgcomplex, in aanvulling op de bestaande hoogstamfruitbomen.
  • Behoud van de grote walnotenboom, als markering van de erfentree.
  • Aan de voorzijde van de boerderij de bestaande, niet-karakteristieke tuinmuren vervangen door hagen.
  • Saneren van de erfverharding aan de achterzijde van de boerderij. Vrij uitzicht op het natuurgebied aan de achterzijde handhaven. Natuurlijke inrichting van de tuin, overlopend in het landschap.

Het schetsontwerp is als Bijlage 15 Schetsontwerp Vosheuvelweg 4-6 bij de regels opgenomen. De landschappelijke inrichtingsmaatregelen zijn in de regels voorwaardelijk verplicht gesteld.

2.4.2.3 Planbeschrijving     

De boerderij Vosheuvel wordt omgevormd tot een boerderij voor begeleid wonen voor jongeren en (jong) volwassenen. Het is een onderdeel van Marope, een zorgboerderij die op landgoed 't Zelle dagbestedingsactiviteiten aanbiedt. Op de locatie Vosheuvel wordt aan maximaal 10 mensen (tijdelijke) woonruimte geboden. In de boerderij wordt ook de bedrijfswoning voor de begeleiders ondergebracht.

Voor de dagbestedingsactiviteiten blijft de werkschuur op landgoed 't Zelle de uitvalsbasis.

Het plan omvat de volgende onderdelen:

Bestaande boerderij

De bestaande boerderij, inclusief de aangebouwde stalruimte ('de deel') is bedoeld voor wonen in de huiselijke sfeer. Er is ruimte voor 4 jongeren/jongvolwassenen. Zij hebben een eigen slaapkamer en delen woonkamer, eetkamer en keuken. Daarnaast wordt hier de bedrijfswonig ondergebracht alsmede een woongelegenheid waar een persoon zelfstandig kan wonen.

Nieuw gebouw met 10 woonzorgeenheden

Op de plek van de huidige melkveestal worden in een nieuw te bouwen gebouw 10 woonzorgeenheden gerealiseerd en een aantal gemeenschappelijke ruimtes (zitkamer, keuken, kantoor). Het gebouw krijgt een bouwlaag met een bovenverdieping onder de kap.

Dierenverblijf en schuur

Een deel van de schuur achter de boerderij wordt gesloopt (ca. 50 m²). De overige ruimte zal worden gebruikt als schuur en dierenverblijf.

Hooiberg

De bestaande mestsilo wordt gesaneerd. Op deze plek aan de achterzijde van het erf wordt een hooiberg teruggebouwd, passend bij het erfensemble. Deze zal dienst doen als opslag voor hooibalen en bezinningsruimte.

Kapschuur

Aan de oostzijde van het plangebied wordt een oude kapschuur in ere hersteld. Dit is een voormalige kapschuur die rond 1950 is gebouwd binnen de gracht van huize 't Zelle. Deze is door de jongens van Marope gedemonteerd. De spanten zijn bewaard en worden gebruikt om hier de kapschuur weer op te bouwen. Deze schuur zal dienst doen als opslag voor machines, materiaal en hout (afkomstig van het landgoed).

Om de plannen te kunnen realiseren worden een aantal gebouwen en bouwwerken gesloopt: melkveestal (980 m²), een schuur aan de achterzijde van de boerderij (50 m²) en de mestsilo (76 m²). Het nieuw te bouwen woonzorgcomplex heeft een oppervlakte van ca. 510 m². Dit betekent dat de bebouwing met 50% wordt gereduceerd (de bestaande boerderij met de twee bedrijfswoningen en de herbouw van de kapschuur niet meegerekend).

2.4.3 Uitvoerbaarheid     

2.4.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Rijksbeleid

Op grond van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ligt ter plaatse een laagvliegroute voor jacht- en transportvliegtuigen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is daarover bepaald dat in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een dergelijke laagvliegroute geen bestemmingen worden opgenomen die het oprichten van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 meter te meten vanaf het maaiveld mogelijk maken. In onderhavig bestemmingsplan is dit geborgd middels de gebiedsaanduiding “luchtvaartverkeerszone – laagvlieggebied”.

Provinciaal en gemeentelijk beleid

Op basis van beleid gericht op het buitengebied afkomstig uit de provinciale Omgevingsvisie en -verordening (2017) en de Structuurvisie Bronckhorst (2012) is het plan getoetst. De provincie geeft aan dat vrijgekomen bebouwing in het landelijk gebied kan worden benut voor nieuwe economische dragers en als versterking van de vitaliteit van het landelijk gebied.

Ladder voor duurzaam ruimtegebruik

Voor deze ontwikkeling wordt een bestaande locatie in het landelijk gebied hergebruikt, ten behoeve van 24 uurs zorg aan jongeren en jong-volwassenen die op de zorgboerderij werken of dagbesteding hebben. De zorgboerderij is nauw verweven met het landgoed Zelle, omdat daar het beheer en onderhoud voor worden uitgevoerd. Aan deze vorm van zorg voor deze doelgoep is behoefte binnen de gemeente. Deze doelgroep is, gezien de zorgbehoefte, beter af met een woonvoorziening in het landelijk gebied dan in de kern. De ontwikkeling past binnen de provinciale doelstelling voor een vitaal platteland. De herontwikkeling van het voormalige agrarische bedrijf tot 24-uurs zorgboerderij gaat gepaard met sloop van oude stallen, nieuwbouw en een goede landschappelijke inpassing, waarmee een flinke landschappelijke kwaliteitsverbetering wordt bereikt.

Nationaal landschap

Het plangebied ligt in het Nationaal Landschap de Graafschap. Nieuwe bestemmingen zijn alleen mogelijk als die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten of versterken.

Belangrijke kernkwaliteit in de omgeving van het plangebied is het halfgesloten landschap met een mozaïek van bossen, weilanden en boerderijen. Deze kwaliteiten blijven met voorliggend plan bewaard. Voorliggend plangebied heeft een aanmerkelijk kleinere oppervlakte dan het bouwvlak van het agrarisch bedrijf wat hier voorheen gevestigd was. Ook de hoeveelheid bebouwing wordt gereduceerd. In paragraaf 2.6.2.2.2 is beschreven welke maatregelen er worden genomen voor de landschappelijke inpassing. Deze inrichtingsmaatregelen zijn in e regels voorwaardelijk verplicht gesteld.

2.4.3.2 Omgevingsaspecten     
2.4.3.2.1 Milieu-effectrapportage     

Onderhavig plan omvat geen grote ruimtelijke ingrepen die m.e.r.-plichtig zijn. Het opstellen van een milieu-effectrapportage is dus niet nodig. De milieugevolgen van het plan worden in navolgende paragrafen beschreven.

2.4.3.2.2 Duurzaamheid     

Met dit plan wordt een passende bestemming geven aan een voormalig agrarisch bedrijf. Op de daken van de nieuwbouw worden zonnepanelen gelegd, waarmee het complex energieleverend wordt.

2.4.3.2.3 Bodem     

In 2017 zijn voor de locatie een verkennend asbestonderzoek, een acualiserend bodemonderzoek en een verhardingsonderzoek uitgevoerd. Een rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 6 Vosheuvelweg 4-6, Bodemonderzoek.

Uit het verkennend asbestonderzoek komt naar voren dat er geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen tijdens de maaiveldinspectie. In de onderzochte mengmonsters ter plaatse van de ligboxenstal en de kapschuur zijn zeer geringe asbestconcentraties gemeten. De gemeten concentraties geven geen aanleiding tot de uitvoering van een nader asbestonderzoek en/of sanerende handelingen omdat alle gemeten gehalten beneden 50% van de hergebruiksnorm liggen.

Uit het actualiserend bodemonderzoek komt naar voren dat er plaatselijk een sterk verhoogde concentratie aan minerale olie is. Naar verwachting gaat het om maximaal 8 m3 verontreinigde grond, waarvan ca. 5 m3 sterk verontreinigd met gehalten boven de interventiewaarden. Geadviseerd wordt om voor de verwijdering van de verontreinigde grond een plan van aanpak op te stellen en deze ter goedkeuring voor te leggen aan de gemeente Bronckhorst. Omdat de verontreiniging zeer vermoedelijk deels onder de bebouwing aanwezig is, wordt geadviseerd de sanering en de sloopwerkzaamheden (ligboxenstral) gelijktijdig uit te voeren. Het ondiepe grondwater te plaatse laat geen verontreiniging zien met minerale olie en/of vluchtige aromaten.

Uit het verhardingsonderzoek komt naar voren dat het aannemelijk lijkt, dat er op de locatie geen fundatiemateriaal is toegepast.

De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmening voor de realisatie van het initiatief.

2.4.3.2.4 Geluid     

Met voorliggend plan worden een nieuwe geluidgevoelige functie toegevoegd in de vorm van de woonzorgeenheden. Het is daarom van belang om te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Het plangebied ligt in een rustige omgeving. De Vosheuvelweg is een landbouwweg, die alleen wordt gebruikt door lokaal verkeer. De verkeersintensiteit is dermate laag dat er geen sprake zal zijn van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Vanuit geluid is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Andere geluidbronnen, zoals spoorwegen of industrie, zijn niet aanwezig.

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geluid.

2.4.3.2.5 Luchtkwaliteit     

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten op-zichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Conclusie

Voorliggend plan ligt ver onder de drempelwaarde van 1.500 woningen. Omdat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

2.4.3.2.6 Geur     

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Ten westen van het plangebied ligt op het adres Vosheuvelweg 2 een agrarisch bedrijf. Dit is melkveebedrijf, waarvoor een vast afstandsnorm geldt van 50 meter. De feitelijke afstand tot het agrarisch bouwvlak bedraagt 60 meter, waarmee voldaan wordt aan de norm. Er zijn in de omgebing van de planlocatie geen bedrijven waar intensieve veehouderij is toegestaan. Een nader onderzoek naar geur is niet nodig.

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur.

2.4.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering     

In voorgaande paragraaf is reeds aandacht besteed aan het naastgelegen agrarisch bedrijf aan de Vosheuvelweg 2. In de omgeving van het plangebied liggen geen andere (niet-agrarische) bedrijven die vanuit milieuzonering relevant zijn voor dit plan.

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.

2.4.3.2.8 Externe veiligheid     

In de omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig en er liggen ook geen onder- of bovengrondse transportleidingen. In de directe omgeving liggen geen transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de (water)weg.

2.4.3.2.9 Water     

Het waterschap Rijn en IJssel geeft in de 'Handreiking Watertoets' de inhoudelijke thema's voor de watertoets. Deze vormen de basis voor de planbeoordeling door het waterschap en het daaruit voortvloeiende wateradvies. In onderstaande watertoetstabel zijn de voor het bestemmingsplan van belang zijnde waterhuishoudkundige thema's opgenomen.

Thema Toetsvraag Relevant Intensiteit
Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)

2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?
Nee





Nee
2





2
Riolering en Afvalwaterketen 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur?

2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?

3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?
Nee



Nee



Nee
2



1



1
Wateroverlast (oppervlakte-water)

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2?

2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2?

3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?

4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?
Nee



Nee



Nee



Nee
2



1



1



1
Oppervlakte-

waterkwaliteit
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? Nee

1
Grondwater-

overlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

2. Is in het plangebied sprake van kwel?

3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?

4. Beoogt het plan aanleg van drainage?
Nee



Nee

Nee

Nee
1



1

1

1
Grondwater-

kwaliteit
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? Nee 1
Inrichting en beheer 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?

2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Nee





Nee
1





2
Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?

2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Nee



Nee
1



1
Natte natuur 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?

2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?

3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?

4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Nee



Nee



Nee



Nee
2



2



1



1
Verdroging 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? Nee 1
Recreatie 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? Nee 2
Cultuurhistorie 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? Nee 1

Voorliggend plan heeft geen invloed op de waterhuishoudkundige situatie. Het plan behelst een bestemmingswijziging van Agrarisch naar Maatschappelijk, waarbij per saldo sprake is van een afname van de hoeveelheid verharding en bebouwing. Het toekomstige woongebouw van de woonwerkgemeenschap zal worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel.

Ten zuiden van het plangebied vindt een herinrichting plaats van de Hallerlaak, in combinatie met natuurontwikkeling. Het plangebied valt buiten de beschermingszone van natte natuur, zie onderstaande uitsnede.

verplicht

Uitsnede kaart omgevingsverordening Gelderland (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.

2.4.3.2.10 Archeologie en cultuurhistorie     

Het plangebied heeft een vrij hoge archeologische verwachtingswaarde. In het bestemmingsplan is opgenomen dat er voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 1.000 m2 een rapport overlegd moet woren, waaruit de archeologische waarden blijken.

De bouwactivititeiten in onderhavig plan hebben een gezamenlijke oppervlakte die kleiner is dan 1.000 m².

In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een archeologisch onderzoek niet nodig.

De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' is in onderhavig plan overgenomen.

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig die door voorliggend initiatief kunnen worden aangetast.

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie.

2.4.3.2.11 Flora en fauna     

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland. Daarnaast worden gebieden beschermd via het Nationaal Natuurwerk, dat in Gelderland is vertaald in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO). Beide zijn opgenomen in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland.

Voorliggend plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan het GNN (Beekdal van de Hallerlaak), maar maakt er geen deel van uit.

verplicht

Ligging van het plangebied nabij Gelders Natuurnetwerk (Omgevingsverordening Gelderland)

Bij de sloop van de schuren dient rekening te worden gehouden met (mogelijke) aanwezigheid van flora en fauna. Middels een verkennend ecologisch onderzoek is onderzocht of er beschermde soorten aanwezig zijn. Uit dit onderzoek volgt of er voor deze soorten eventueel maatregelen moeten worden getroffen om effecten te voorkomen. De rapportage van het verkennend ecologisch onderzoek is opgenomen in Bijlage 7 Quickscan F+F Vosheuvelweg 4-6.

Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de werkzaamheden niet leiden tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen (tijdens schemerperiode) en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen. Gezien de resultaten van het onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect flora en fauna.

2.4.3.2.12 Verkeer     

Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. De toekomstige bewoners zijn jongeren en (jong-)volwassenen. Een deel hiervan heeft mogelijk de beschikking hebben over een eigen auto. Daarnaast dient er rekening te worden gehouden met verkeer door bezoekers en begeleiders.

Ten opzichte van de agrarische functie zal de verkeersintensiteit beperkt toenemen. Daar staat tegenover dat er geen sprake meer is van zwaar vrachtverkeer zoals bij een agrarisch bedrijf het geval is.

De locatie wordt ontsloten via de Vosheuvelweg. Deze weg heeft voldoende capaciteit om de beperkte toename van het verkeer op te vangen.

Op basis van parkeerkencijfers die de gemeente Bronckhorst hanteert, kan inzicht worden verkegen in de parkeerbehoefte. Er zijn geen specifieke parkeernormen voor zorgwoningen, aangenomen wordt dat deze vergelijkbaar is met die van een aanleunwoning (1,4 pp/woning). Voor de bewoners van de boerderij wordt de parkeernomen van kamerverhuur gehanteerd (0,8 pp/woning).

Op het terrein is voldoende gelegenheid voor parkeren. In het schetsontwerp (zie paragraaf 2.4.2.2.2 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing) zijn 20 parkeerplaatsen opgenomen.

Op het huidige erf zijn 3 inritten aanwezig. De wens is om deze drie te behouden, omdat ze elk een eigen functie hebben. De meest westelijk inrit zal alleen worden gebruikt door de beheerder die op het terrein woont. De middelste inrit is de hooftoegang voor bezoekers. Bewoners kunnen hun auto parkeren aan de oostzijde van het plangebied. Deze inrit wordt tevens gebruikt door de wagens die gestald staan in de kapschuur. Op deze wijze blijven verkeersstromen van elkaar gescheiden. Verkeersbewegingen op het erf zelf worden zoveel mogelijk voorkomen, wat de veiligheid ten goede komt.

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

2.4.3.2.13 Leidingen     

Er zijn geen leidingen aanwezig die invloed hebben op het plan.

2.4.3.3 Volkshuisvesting     

Met het plan worden 10 woonzorgeenheden voor jongeren en jongvolwassenen. Binnen de gemeente is behoefte aan wonen met zorg en de gemeente Bronckhorst is bereid medewerking te verlenen aan (zorg)organisaties die zich willen vestigen. De woonzorgeenheden vallen buiten het reguliere woningbouwprogramma. Het aspect volkshuisvesting vormt daarmee geen belemmering voor het plan

2.4.3.4 Economisch     

De plankosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid zeker gesteld.

2.4.3.5 Maatschappelijk     

De initiatiefnemer heeft omwonenden op de hoogte gesteld van het plan. Er zijn geen maatschappelijke aspecten in het geding.

2.4.3.6 Overleg en inspraak     
2.4.3.6.1 Overleg     

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening zou het plan toegezonden moeten worden aan de provincie Gelderland en aan het waterschap Rijn en IJssel. Dit is om onbekende reden niet gebeurd. Dit zal nu tijdens de ontwerpfase gebeuren, waardoor er een (geringe) kans bestaat dat er aanpassingen t.o.v. dit ontwerp benodigd zijn.

Qua provinciaal belang ligt het gebied in Nationaal Landschap de Graafschap en grenst het aan het GNN, maar deze belangen komen volgens de toetsing aan de Omgevingsaspecten (zie paragraaf: 2.4.3.2) niet in het geding.

Dit geldt ook voor de waterschapsbelangen (zie nadere uitleg in paragraaf 2.4.3.2.9 Water).

2.4.3.6.2 Inspraak     

Doordat er hier sprake is van een B-plan (gezien de gevoeligheid van het vorige bestemmingsplan op de locatie Abbinkdijk/Ruurloseweg in Hengelo), heeft de gemeente samen met de initiatiefnemer een bijeenkomst voor omwonenden georganiseerd op woensdag 13 maart 2019 aan de Vosheuvelweg 4-6 in Vorden. Bijna alle genodigden kwamen op de bijeenkomst en de plannen werden grotendeels positief ontvangen. De initiatiefnemer heeft zijn plannen inhoudelijk toegelicht en de gemeente de verdere procedure.

Vervolgens is er op 28 maart 2019 een mail met als bijlage het voorontwerpbestemmingsplan 'Landelijk gebied; Vosheuvelweg 4-6 Vorden' naar de omwonenden toegemaild. Zij konden hier tot en met vrijdag 12 april 2019 op reageren. Hierop zijn vervolgens geen inspraakreacties gekomen, dus kan er geconcludeerd worden dat de omwonenden niet negatief t.o.v. deze plannen staan.

2.4.3.7 Conclusie     

Het plan is, gelet op beleid, omgevingsaspecten, volkshuisvesting, economisch en maatschappelijk uitvoerbaar.

2.4.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen.

2.4.4.1 Bestemmingsregels     

2.4.4.1.1 Bos     

Bos is overeenkomstig de voor het buitengebied gangbare bestemming Bos bestemd. Hier mogen alleen 'bouwwerken, geen gebouw zijnde' worden gebouwd die ten dienste staan van deze bestemming en waarbij voor de verschillende typen bouwwerken verschillende bouwhoogten van toepassing zijn. Zo mag een erfafscheiding maximaal 1 m en een informatievoorziening maximaal 2 m zijn. Met een omgevingsvergunning kan hiervan tot 4 m hoogte worden afgeweken. Ook is met een omgevingsvergunning onder voorwaarden een schuilgelegenheid ten behoeve van natuurbeheer mogelijk en kan van de in de regels genoemde maten worden afgeweken (zie 2.4.4.1.4). Van de gebruiksregels kan met een omgevingsvergunning onder voorwaarden worden afgeweken ten behoeve van groepskamperen gedurende een korte aaneengesloten periode. Van belang is dat de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden en die zoals opgenomen in Algemene bestemmingsomschrijving niet onevenredig mogen worden geschaad en dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan de inrichting van, de plaatsing op en het aantal personen op het terrein. Ter bescherming van de natuurwaarden van deze gronden is een omgevingsvergunningstelsel in de regels opgenomen.

Met een wijzigingsbevoegheid kan het bevoegd gezag de bestemming wijzigen in 'Natuur'. Dit teneinde de bestaande landschapsstructuur en het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) te versterken. Dit kan alleen op basis van vrijwilligheid.

2.4.4.1.2 Maatschappelijk     

De bestemming Maatschappelijk richt zich op de binnen het plangebied aanwezige maatschappelijke voorzieningen, zoals zorg, theater, begraafplaats, verenigingsgebouwen, dierenpension en dergelijke. De functies zijn binnen deze bestemming specifiek aangeduid en hun omschrijving en bestaande oppervakte in m2 in de tabel in Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving onder Maatschappelijke functies vastgelegd. Voor de locatie Vosheuvelweg 4-6 is dat een zorgboerderij waar door cliënten ook kan worden gewoond.

In het plan zijn voor gebouwen en voor 'bouwwerken, geen gebouw zijnde' goot- en bouwhoogten vastgelegd. Voor aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen geldt in dit plan een maximaal oppervlakte van 150 m2 in plaats van de tot nu toe gehanteerde 100 m2. Reden voor deze verruiming is gelegen in Bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Daarin is onder andere geregeld dat bij hoofdgebouwen die zijn gelegen op een perceel met een achtererfgebied van 900 m2, vergunningsvrij 150 m2 aan bijgebouwen mag worden gebouwd. Zodoende kan bij de woonbestemming, mits de maat van het achterefgebied wordt gehaald, vergunningsvrij 150 m2 aan bijgebouwen bij de woning worden gebouwd. Doorgaans beslaan de achtererfgebieden van bedrijven ook 900 m2, maar hier is een bedrijfsgebouw het hoofdgebouw. Indien er meerdere bedrijfsgebouwen aanwezig zijn is de norm van 150 m2 dikwijls geconsumeerd aan bedrijfsgebouwen. Dit betekent dat voor het bijgebouw bij de bedrijfswoning vergunningsvrij veelal geen ruimte meer is. Wij brengen hierin gelijkwaardigheid door de oppervlakte naar 150 m2 te brengen.

Van de bouwregels kan voor 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde' onder voorwaarden worden afgeweken waarbij de hoogte de 4 m niet mag overschrijden.

2.4.4.1.3 Waarde     

Waarde - Archeologische verwachting 2 

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen.

Waarde - Archeologische verwachting 2 staat voor een voor een middelhoge verwachtingswaarde. Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.4.4.1.4 Terugkerende planregels     

Aan huis verbonden activiteiten

Binnen de woon-, bedrijfs-, horeca-, maatschappelijke, verblijfsrecreatieve en sportfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken. Deze nevenactiviteiten zijn qua functie ondergeschikt aan de hoofdfunctie. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast.

Bij een 'aan huis verbonden beroep' en 'aan huis verbonden bedrijf' is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde Verbroken kruisverwijzing naar 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging'. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop' gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een 'bed & breakfast'-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Omvang en aantal (bedrijfs)woningen

In principe hebben de woonbestemmingen en de bestemmingen waar bedrijfswoningen zijn toegelaten recht op één (bedrijfs)woning tenzij met een aanduiding is aangegeven dat meer woningen zijn toegestaan. De woning is gesitueerd in een hoofdgebouw. De inhoud van de woning is maximaal 750 m3, tenzij de woning al een grotere omvang heeft. Dan geldt dit volume als maximum tenzij anders aangegeven. Bij agrarische bedrijven is uitbreiding van het hoofdgebouw ten behoeve de agrarische activiteiten (anders dan wonen) mogelijk.

Op grond van de Wet Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) zijn in een groot aantal gevallen meer dan één woning binnen het bestemmingsvlak gesitueerd. Omdat de woningen in aparte hoofdgebouwen dan wel tezamen in één hoofdgebouwen kunnen zijn gesitueerd zijn de specifieke situaties in de regels in een tabel vastgelegd. Daarmee kan worden afgeleid of een woning nog kan uitbreiden.

Voor het bepalen van de inhoud ('wijze van meten') wordt gemeten tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/ of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen, waarbij voor de definities hiervan wordt aangesloten op de landelijke norm NEN2580.

Omgevingsvergunning afwijken maatvoering

Voor nagenoeg alle bestemmingen geldt dat het bevoegd gezag door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning kan afwijken van de in de regels genoemde maten, mits wordt voldaan aan een aantal bepalingen. De afwijking bedraagt nooit meer dan 10% van de genoemde maten en indien er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders of waardevol landschap mogen er geen significante negatieve effecten aan deze gebieden optreden. Deze afwijkingsmogelijkheid zal slechts bij hoge uitzondering worden toegepast. Het is niet de bedoeling dat bouwplannen hier op worden ontworpen.

Omgevingsvergunning duurzame energie - opwekking

In agrarische en woonbestemmingen en de bestemming 'Bedrijf' is een regel opgenomen dat onder voorwaarden plaatsing zonnepanelen en –collectoren op de grond mogelijk maakt. De installatie wordt aangewend voor de eigen energievoorziening. Gebruik voor grondgebonden zonnepanelen is geen echter argument voor vergroting van het bestemmingsvlak. Binnen deze regel is het tevens mogelijk kleine windturbines en mini-windturbines (dat zijn molens op het dak van gebouwen) voor de eigen energievoorziening toe te staan. Een kleine windmolen heeft een masthoogte van 25 meter. De agrarische bestemmingen kunnen onder voorwaarden worden gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' met het doel het realiseren van grondgebonden zonne-installaties waarvan de energieproductie wordt afgenomen door derden. In deze gevallen wordt de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - solarpark' opgenomen zodat enkel deze bedrijfsactiviteit op de locatie is toegestaan.

Cultuurhistorie

De in het plangebied voorkomende behoudenswaardige cultuurhistorische waarden worden beschermd door een bestemming of aanduiding waar specifieke regels voor gelden (onder meer voor cultuurhistorisch waardevolle gebouwen). Daarnaast zijn deze waarden ook in het omgevings- vergunningstelsel opgenomen waarbij geen sprake mag zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden. De bescherming van cultuurhistorische waarden van de in het plangebied aanwezige landgoederen is in het bestemmingsplan geborgd middels de aanduiding 'wetgevingzone - omgevingsvergunning landgoed'. Voor gronden met deze aanduiding geldt bij werken waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, de aanvullende voorwaarde dat door de werken en werkzaamheden de samenhang binnen het landgoed en de cultuurhistorische waarden van het landgoed, niet onevenredig mogen worden aangetast.

Op deze wijze, in combinatie met de bepalingen op het gebied van landschap, zijn historische geografische waarden in het gebied geborgd. De bescherming van rijks- en gemeentelijke monumenten in het plangebied geschiedt via sectorale regelgeving in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening.

2.5 Wolfsstraat 3 in Toldijk     

2.5.1 Inleiding     

2.5.1.1 Aanleiding     

Aan de Wolfsstraat 3 in Toldijk ligt een voormalig agrarisch bedrijf, thans in gebruik als woning met een aantal nevenactiviteiten in de vorm van een spiritueel centrum (Spirituele & Intuïtieve Academie De Vrije Geest), een bed & breakfast en een retraite. De initiatiefnemer is voornemens om deze activiteiten uit te breiden met een minicamping en een groepsaccommodatie, die wordt gerealiseerd in de voormalige varkensstal. Deze overnachtingsmogelijkheden kunnen worden gebruikt door cursisten en bezoekers van het spiritueel centrum, maar ook door andere recreanten. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken worden de huidige bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch' omgezet naar 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'.



Om de functiewijziging naar recreatie toe te staan is bepaald dat er verevening dient plaats te vinden. Daartoe is elders in de gemeente Bronckhorst, Koningsweg 14 in Hengelo, 414 m² aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Aan deze locatie is reeds een woonbestemming toegekend. Het terugbouwen van deze bebouwing is daarmee planologisch niet meer mogelijk en hoeft derhalve niet meegenomen te worden in onderhavig bestemmingsplan.

2.5.1.2 Plangebied     

Het perceel Wolfsstraat 3 ligt in het buitengebied van Bronckhorst ten noordwesten van het dorp Toldijk. Op onderstaande afbeelding is het plangebied weergegeven.

verplicht

Luchtfoto van het plangebied (bron: PDOK viewer)

2.5.1.3 Vigerende planologische situatie     

In het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Bronckhorst', vastgesteld op 17 mei 2017, heeft het plangebied heeft de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch'. Tevens ligt over het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. Het westelijke deel van het plangebied heeft bovendien de functieaanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - 6'. Dit maakt deel uit van een groter gebied dat is aangewezen als evenemententerrein.

2.5.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.5 Wolfsstraat 3 in Toldijk de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.5.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.5.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.5.3).

Paragraaf 2.5.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.5.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.5.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.5.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.5.1.4).

Paragraaf 2.5.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 2.5.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 2.5.2.2) en de beschrijving van het inititiatief (paragraaf 2.5.2.3).

Paragraaf 2.5.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.5.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.5.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.5.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.5.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 2.5.3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 2.5.3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.5.3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.1.4 Juridische aspecten planonderdeel

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4).

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 4.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 4.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 4.3).

Bijlagen toelichting planonderdeel Schiphorsterstraat 16, Toldijk

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting van dit planonderdeel opgenomen.

2.5.2 Initiatief     

2.5.2.1 Bestaande situatie     
2.5.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

Op basis van de geomorfologie en bodemgesteldheid kan de gemeente Bronckhorst globaal worden opgedeeld in twee landschappen met eigen karakter en ontstaansgeschiedenis: het dekzand- en rivierduinlandschap en het rivierenlandschap van de IJssel.

Onderhavig plangebied ligt volgens het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) in het deelgebied 'Open broek en ruggen'. In dit gebied heeft de oer-IJssel lange tijd vrij spel gehad. De kom- en broekgronden zijn open en rechtlijnig. Deze worden afgewisseld door de hoger gelegen ruggen die een meer besloten karakter hebben. Bebouwing vindt van oudsher plaats op de ruggen. Na verbetering van de ontwatering werden de broekgronden belangrijke landbouwgebieden. Het landelijke gebied rond Toldijk kent een rechtlijnige verkaveling en heeft een open karakter met een verspreide bebouwing van agrarische bedrijven, overige bedrijven en burgerwoningen.

2.5.2.1.2 Hydrologie     

Kenmerkend voor het gebied zijn de vele beeklopen en watergangen. Het betreft een landschap van laaglandbeken verdeeld in diverse kleine stroomgebieden. Veel beken ontspringen net over de grens in Duitsland en stromen vandaar in oost-westelijke richting naar de IJssel, maar sommige ontspringen in het gebied zelf. Het water heeft het landschap gevormd tot de 2e helft van de 20e eeuw. Vanaf die tijd zijn de waterlopen zo onder controle gebracht via kaden en stuwen dat water ongeacht de hoogte van (piek)afvoer in het stroombed blijft. Daarmee hebben veel waterlopen hun oorspronkelijke karakter, waarin in meer of mindere mate sprake was van meandering, verloren.

In het plangebied is geen oppervlaktewater van belang aanwezig. Aan de overzijde van de Wolffstraat ligt de Bakerwaardse Laak (A-watergang).

2.5.2.1.3 Landschaps- en natuurwaarden     

Het plangebied behoort tot het deelgebied 'Open broek en ruggen' zoals genoemd in het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) Bronckhorst - Lochem - Zutphen. De landbouw vervult een belangrijke functie binnen dit deelgebied. Het landschap heeft een open karakter met een rechtlijnig patroon van ontsluitingswegen en oost-west lopende beken. De ecologische kwaliteit van de beken is over het algemeen goed. Bijzondere landschaps- of natuurwaarden zijn niet aanwezig.

2.5.2.1.4 Archeologie en cultuurhistorie     

De cultuurhistorische waarde van het broeklandschap is beperkt. Door verbetering van de ontwatering en de aanleg van ontsluitingswegen in het kader van de ruilverkaveling zijn veel van de oorspronkelijke landschapskenmerken verdwenen. Ook veel heggen en houtwallen zijn in dat proces verwijderd. De aanwezige bebouwing op de locatie Wolfsstraat 3 heeft de kenmerken van boerderijen uit deze streek, maar geen aangewezen specifieke cultuurhistorische waarde.

verplicht

Boerderij De Vrije Geest

De archeologische verwachtingswaarde van het gebied is vastgelegd op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart, die op 24 september 2009 door de gemeente is vastgesteld. Deze kaart is grotendeels gebaseerd op landschappelijke gegevens met betrekking tot de bodemgesteldheid en de geomorfologie. Het plangebied heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. In het bestemmingsplan Landelijk Gebied is dit vertaald in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2'.

2.5.2.2 Randvoorwaarden     
2.5.2.2.1 Beeldkwaliteitseisen     

Met voorliggend plan wordt het mogelijk gemaakt om een minicamping te realiseren en een voormalige varkensstal om te bouwen tot een groepsaccommodatie met 2 slaapzalen (elk geschikt voor 10 personen) en 2 educatieruimten. Hiervoor wordt het bestaande gebouw met een verdieping verhoogd. In de welstandsnota van de gemeente Bronckhorst zijn eisen opgenomen die specifiek gelden voor het agrarisch buitengebied. Op hoofdlijnen gelden de volgende eisen:

  • De bebouwing dient in samenhang geclusterd te zijn op het erf.
  • Bedrijfsgebouwen en andere bijgebouwen dienen ondergeschikt gesitueerd te worden ten opzichte van het hoofdgebouw (het woonhuis).
  • Ten aanzien van de inrichting van het erf dient er zorg gedragen te worden voor een logische ontsluiting van het bouwperceel, waarbij de hoeveelheid verhard terrein zoveel mogelijk beperkt wordt.
  • Er dient zorgvuldig te worden omgegaan met (tijdelijke) opslag van goederen.
  • Voor een goede inpassing van erven in het landschap is erfbeplanting onmisbaar. Bij nieuwbouw dient een erfbeplantingsplan deel uit te maken van de aanvraag voor een omgevingsvergunning.

In de Welstandsnota zijn deze uitgangspunten verder uitgewerkt in criteria ten aanzien van situering, massa en vorm, gevels, materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering.

Voor onderhavig initiatief wordt gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing. De huidige inrichting van het perceel (bebouwing en erf) blijft ongewijzigd. De hoofdbebouwing wordt gevormd door de bestaande woning, een voormalige boerderij, en de aangrenzende schuur, die in gebruik is als bed & breakfast. Deze inrichting voldoet aan bovenstaande eisen uit de welstandsnota. De voormalige stal wordt uitgebreid met een verdieping. Dit wordt mogelijk door een wijziging van de kapconstructie, waardoor er ruimte ontstaat op de verdieping. Door onder meer de goot- en bouwhoogte, de te gebruiken materialen en kleurstelling blijft het gebouw visueel ondergeschikt aan de oorspronkelijke boerderij. De bouwhoogte blijft beperkt ten opzichte van het hoofdgebouw.

verplicht

Dwarsdoorsnede van de groepsaccommodatie (impressie)

2.5.2.2.2 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

Conform het landschapsbeleid geldt een zorgvuldige landschappelijke inpassing als voorwaarde voor ontwikkelingen in het buitengebied, onder meer bij functieverandering en uitbreidingen van bebouwing. In de afgelopen jaren zijn er bij de boerderij De Vrije Geest reeds veel landschapselementen aangelegd in de vorm van singels, struwelen, struweelhagen, hoogstamfruitbomen en zomereiken. In de zuidoostelijke hoek van het perceel is een poel aangelegd. Het inrichtingsplan hiervoor is gemaakt door de Agrarische natuurvereniging 't Onderholt en is inmiddels geheel uitgevoerd. Met de gemeente Bronckhorst is overeenstemming dat de landschappelijke inpassing hiermee voldoet. Ten behoeve van onderhavige planontwikkeling zijn extra maatregelen niet nodig.

verplicht

Inrichtings- en beplantingsplan voor het plangebied (ontwerp: 't Onderholt, 2009)

2.5.2.3 Planbeschrijving     

Voorliggend plan betreft een uitbreiding van het scholingsinstituut 'De Spirituele en Intuïtieve Academie', gevestigd in de boerderij 'De Vrije Geest' aan de Wolfsstraat 3 in Toldijk. Deze activiteiten vinden plaats in de voormalige, reeds verbouwde varkensstal. De initiatiefnemer wenst dit gebouw nu uit te breiden door onder de kap een extra verdieping re realiseren, zodat er voldoende ruimte is voor een groepsaccommodatie met twee educatieruimten en twee slaapzalen (elk met 10 bedden) en bijbehorend sanitair. Op deze wijze kunnen meerdaagse cursussen en programma's worden aangeboden waarbij de gasten kunnen blijven overnachten. De oppervlakte van het gebouw bedraagt ca. 200 m².

Daarnaast omvat het plan het realiseren van een kleinschalig kampeerterrein (minicamping) aan de noordwestzijde van het terrein. Het campinggedeelte is goed bereikbaar door de ligging direct rechts van toegang. De camping biedt ruimte aan maximaal 30 standplaatsen en kan worden gebruikt door zowel gasten van het spiritueel centrum als door 'gewone' recreanten.

verplicht

Voorzijde voormalige varkensstal

verplicht

Achterzijde voormalige stal

verplicht

Terreingedeelte waar de minicamping zal worden gerealiseerd

2.5.3 Uitvoerbaarheid     

2.5.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Het plan is getoetst aan het beleid zoals dat is opgenomen in onder meer de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland (2017) en het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst (2017) (zie Hoofdstuk 3 Beleidskader).

Provinciaal beleid

In het provinciaal beleid worden kansen gezien voor versterking van de vrijetijdseconomie, onder meer als nieuwe economische drager van het platteland. Er worden geen specifieke uitspraken gedaan over het realiseren van minicampings. De omgevingsverordening sluit de uitbreiding van solitaire niet-agrarische bedrijvigheid in principe uit als deze leidt tot een bedrijfsbebouwing van 1000 m² of meer. Dat is hier niet het geval.

Gemeentelijk beleid

Het bestemmingsplan Landelijk gebied staat nevenfuncties bij woningen toe als deze voorkomen op de lijst met toegelaten functies of in milieuhygiënisch opzicht met deze functies vergelijkbaar zijn. Daarbij mag niet meer dan 50% van de bijbehorende bouwwerken voor de nevenfunctie worden gebruikt en tot een maximum van 350 m² van de bestaande gebouwen. Er wordt altijd verevening gevraagd.

Daarnaast is het mogelijk om bij een woonbestemming buiten het Gelders NatuurNetwerk of Groene ontwikkelingszone (GNN/GO) een kleinschalig kampeerterrein toe te staan, waarbij onder andere geldt dat deze wordt gesitueerd binnen het bestemmingsvlak en het aantal kampeerplaatsen maximaal 30 bedraagt.

Voor gevallen, welke zijn aan te merken als een voormalig agrarisch bedrijf, is het onder voorwaarden mogelijk een combinatie van recreatieve activiteiten te ontplooien waarvoor maximaal 500 m² van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt. Ook hier is verevening vereist.

Het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst bevat een wijzigingsbevoegdheid waarmee burgemeester en wethouders de woonbestemming kunnen wijzigen in 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' om recreatieve verblijfdoeleinden te kunnen toestaan. Hierbij geldt onder andere dat dit alleen kan bij burgerwoningen die zijn aan te merken als een voormalig agrarisch bedrijf. Tevens geldt dat er als recreatieve functies aanwezig moeten zijn geweest in de vorm van bijvoorbeeld recreatiewoningen of -appartementen, bed & breakfastvoorzieningen of een groepsaccommodatie. De maximaal toegestane oppervlakte bedraagt in dat geval 750 m² van bij voorkeur karakteristieke gebouwen.

Bij boerderij De Vrije Geest is 'De Olde Schure' verbouwd tot B&B en consultruimte. Dit gebouw heeft een oppervlakte van ca. 120 m². De nieuwe groepsaccommodatie annex educatieruimte heeft een oppervlakte van 200 m². Hiermee wordt voldaan aan de maatvoeringen zoals in het beleid worden gesteld. Het plangebied ligt niet in het GNN of GO-gebied.

De minicamping kan niet worden gerealiseerd binnen het bestemmingsvlak voor wonen. Daarom worden de huidige bestemmingen gewijzigd met een bestemmingsplanherziening. In haar principebesluit heeft het college bovendien gesteld dat de ontwikkeling aansluit op het speerpunt economie, ondernemerschap en toerisme.

Voor de ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van bestaande gebouwen. Bovendien wordt ter verevening elders ruim 400 m² aan voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt. Herbestemmen van gebouwen hoeft niet te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, tenzij het een functiewijziging van wezenlijke aard en omvang betreft. Omdat de omvang hier minder is dan 500 m² is dat niet het geval. Een minicamping is geen stedelijke functie. Een verdere toetsing aan de ladder is dan ook niet nodig.

De conclusie is dat het plan voldoet aan de beleidskaders van provincie en gemeente.

2.5.3.2 Omgevingsaspecten     

2.5.3.2.1 Milieu-effectrapportage     

Voorliggend plan omvat geen ruimtelijke ingrepen die m.e.r.-plichtig zijn. Het opstellen van een milieu-effectrapportage is zodoende niet nodig. De milieugevolgen van het initiatief worden in navolgende paragrafen beschreven.

2.5.3.2.2 Duurzaamheid     

Met onderhavig initiatief wordt een bestaand gebouw vergroot en omgebouwd tot groepsaccommodatie. Hiermee wordt een nieuwe en passende bestemming gegeven aan een bestaand gebouw. Ter compensatie wordt elders in de gemeente een dubbele oppervlakte aan gebouwen gesloopt. Dit sluit aan bij het speerpunt 'duurzame gebouwde omgeving' voor het creëren van een duurzame groene economie zoals beschreven in de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Bronckhorst.

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect duurzaamheid.

2.5.3.2.3 Bodem     

De kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied dienen in overeenstemming te zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Het plangebied van voorliggend plan heeft al een woonbestemming. Ten behoeve van onderhavig plan vinden geen ingrepen in de bodem plaats. Er vindt geen nieuwbouw plaats, het bestaande gebouw wordt slechts in de hoogte uitgebreid door aanpassing van de kapconstructie.



Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bodem.

2.5.3.2.4 Geluid     

De mate waarin geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten, waaronder woningen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Recreatie wordt echter niet gezien als een geluidgevoelige functie, omdat mensen hier slechts beperkte tijd verblijven. Met voorliggend plan wordt derhalve geen geluidsgevoelige functie gerealiseerd. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor het initiatief.



Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geluid.

2.5.3.2.5 Luchtkwaliteit     

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Conclusie

Voorliggend plan is dermate beperkt van omvang dat dit 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

2.5.3.2.6 Geur     

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Ten zuiden van het plangebied ligt op circa 130 meter afstand op het adres Wolfsstraat 1 een agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij). Ook ten westen van het plangebied ligt op circa 65 meter op het adres Wolfstraat 5 een agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij, vleesboerderij met runderen en varkens). Dit zijn beide bedrijven met dieren waarvoor een geuremissie is vastgelegd.

Een groepsaccommodatie en een minicamping hoeven op basis van jurisprudentie niet te worden beschouwd als een geurgevoelig object, omdat er sprake is van een tijdelijk en wisselend verblijf. Alleen langdurige blootstelling aan geurhinder is relevant om van een geurgevoelig object te kunnen spreken.

Omgekeerd worden omliggende agrarische bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt door onderhavig initiatief.

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur.

2.5.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering     

In de voorgaande paragraaf is reeds aandacht besteed aan de agrarische bedrijven in de nabije omgeving van het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied liggen verder geen andere (niet-agrarische) bedrijven die vanuit 'Bedrijven en milieuzonering' relevant zijn voor dit plan. De meest nabij gelegen bedrijven zijn een bedrijf in onderhoud en reparatie van motoren en een hoveniersbedrijf, beide gelegen aan de Zutphen-Emmerikseweg. De afstand tot deze bedrijven bedraagt 240 resp. 300 meter. Deze afstand is dermate groot dat er uit oogpunt van 'Bedrijven en milieuzonering' geen sprake is van hinder.

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.

2.5.3.2.8 Externe veiligheid     

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de risicokaart.

verplicht

Utsnede risicokaart

Bovenstaande uitsnede van de risicokaart toont een aantal risicovolle inrichtingen of buisleidingen ten westen en ten noorden van het plangebied (blauwe cirkel). Op meer dan 1,2 km afstand ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een propaantank.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Op circa 200 meter afstand van het plangebied liggen 3 aardgasleidingen van de Nederlandse Gasunie. Het betreffen leidingen van het type NEN 3650 met een diameter van 914 tot 1067 mm en een druk van 66,2 bar. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze leidingen. Daarom wordt op dit aspect van externe veiligheid dieper ingegaan.

Op grond van art. 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moet in dit geval worden ingegaan op:

  • de personendichtheid binnen het invloedsgebied;
  • de hoogte van het groepsrisico;
  • de bestrijdbaarheid van het maatgevende ongevalscenario (een grote fakkelbrand na een breuk van de leiding), en
  • de zelfredzaamheid met betrekking tot (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Daarnaast stelt het Bevb dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hiervoor wordt de hieronder opgenomen verantwoordingstekst gebruikt.

Personendichtheid en hoogte groepsrisico

Omdat het plangebied is gelegen in het buitengebied van Bronckhorst is de gemiddelde personendichtheid laag (minder dan 2 woningen per hectare). Er is daarom sprake van een beperkt kwetsbaar object. De personendichtheid neemt met dit plan ook niet significant toe. De voormalige stal is ook nu reeds in gebruik is als leslocatie (in de vorm van een beroep aan huis). Zowel bij de groepsaccommodatie als op de minicamping sprake zal zijn van tijdelijk en wisselend verblijf. Gezien de huidige lage personendichtheid mag worden aangenomen dat het groepsrisico onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde blijft, niet met meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet overschrijdt.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Calamiteiten met hogedruk aardgastransportleidingen doen zich alleen voor als een leiding beschadigd raakt en gas ontsnapt. Bestrijding van een gasontsnapping door de hulpdiensten is niet mogelijk. Hiervoor is het noodzakelijk dat de leidingbeheerder (Gasunie) de leiding inblokt (afsluit). Na dit inblokken zal echter nog geruime tijd gas vrij blijven komen. Bij ontsteking zal een grote fakkelbrand ontstaan. De inzet van de hulpdiensten zal dan gericht zijn op het voorkomen en bestrijden van secundaire branden. Gezien de omvang van het te verwachten effectgebied zal over het algemeen de inzet van een brandweercompagnie (ongeveer honderd man brandweerpersoneel en bijbehorend materieel) noodzakelijk zijn. Volgens de landelijke richtlijn vergt het formeren van een brandweercompagnie circa 45 minuten. Gezien de hoeveelheid personeel, materieel en de omvang van het te verwachten effectgebied dienen de bereikbaarheid en de blus-/ koelwatervoorzieningen vooral op gebiedsniveau te worden beoordeeld. Hoewel dit locatiespecifiek is, zijn hier op voorhand geen grote problemen bekend of te verwachten.

Het plangebied bevindt zich hier op een zodanige afstand dat gevolgen voor mensen, die in een gebouw verblijven, beperkt zijn. Het aantal mensen dat in de groepsaccommodatie of op de minicamping verblijft kan sterk wisselen.

Mogelijkheden voor zelfredzaamheid

Bij het ontstaan van een fakkelbrand in de richting van het plangebied is het schuilen in een gebouw, dat ruimschoots buiten de 100% letaliteitsgrens van een fakkelbrand is gelegen, in eerste instantie de beste optie. Na verloop van tijd zal de hittestraling snel afnemen en is ontvluchting van het pand gewenst.

In geval van een calamiteit dient tijdig te worden gewaarschuwd. Dit gebeurt normaliter door het in werking stellen van het waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Een fakkelbrand is echter ook zichtbaar, hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen, waardoor de effectieve strategie voor zelfredzaamheid door aanwezigen juist kan worden ingeschat. Daarnaast kan worden aangenomen dat de mensen die naar de groepsaccommodatie en de minicamping komen over een hoge mate van zelfredzaamheid beschikken. Zij kunnen via de Wolffstraat in de richting van de Zutphen-Emmerikseweg vluchten, dus van de gasleiding af.

Conclusie

Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

2.5.3.2.9 Water     

Het Waterschap Rijn en IJssel geeft in de 'Handreiking Watertoets' de inhoudelijke thema's voor de watertoets. Deze vormen de basis voor de planbeoordeling door het waterschap en het daaruit voortvloeiende wateradvies. In onderstaande watertoetstabel zijn de voor het bestemmingsplan van belang zijnde waterhuishoudkundige thema's opgenomen.

Thema Toetsvraag Relevant
Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)

2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?
Nee





Nee
Riolering en Afvalwaterketen 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur?

2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?

3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?
Nee

Nee

Nee
Wateroverlast (oppervlaktewater)

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2?

2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2?

3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?
Nee



Nee



Nee

Nee
Oppervlakte-

waterkwaliteit
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? Nee

Grondwater-

overlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

2. Is in het plangebied sprake van kwel?

3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?

4. Beoogt het plan aanleg van drainage?
Nee



Nee

Nee

Nee
Grondwater-

kwaliteit
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? Nee
Inrichting en beheer 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?

2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Ja



Nee
Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?

2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Nee



Nee
Natte natuur 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?

2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?

3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?

4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Nee

Nee

Nee



Nee
Verdroging 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? Nee
Recreatie 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? Nee
Cultuurhistorie 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? Nee

Met voorliggend plan is enkel sprake van de verbouwing en uitbreiding (met een verdieping) van een voormalige stal tot een groepsaccommodatie en het realiseren van een minicamping. Dit zal geen invloed hebben op de waterhuishoudkundige situatie. Het verhard oppervlak zal niet toenemen. De voormalige stal is al aangesloten op het rioolstelsel.

Tegenover het plangebied, aan de andere kant van de Wolfsstraat, ligt een beek (Bakerwaardse Laak) die in het beheer is van het waterschap. Voorliggend plan heeft geen invloed op de beek.



Conclusie

Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect water.

2.5.3.2.10 Archeologie en cultuurhistorie     

Het plangebied heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Met voorliggend initiatief worden geen grondwerkzaamheden uitgevoerd, waardoor van eventuele aantasting van archeologisch waarden geen sprake is. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' is in onderhavig plan overgenomen.

De aanwezige bebouwing op de locatie heeft de kenmerken van boerderijen uit deze streek, maar geen aangewezen specifieke cultuurhistorische waarde. Ook het landschap heeft geen specifieke waarde.

Conclusie

Binnen het plangebied zijn geen archeologische of cultuurhistorische waarden aanwezig die door voorliggend plan worden aangetast.

2.5.3.2.11 Flora en fauna     

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Daarnaast worden gebieden beschermd via het Nationaal Natuurwerk, dat in Gelderland is vertaald in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO). Beide zijn opgenomen in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland.



Voorliggend plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied, noch ligt het in het Gelderland Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone.

Onderhavig plan betreft de verbouw en herbestemming van een voormalige stal tot trainings- en educatieruimte en groepsaccommodatie en het realiseren van een minicamping. De locaties hebben nu respectievelijk de bestemming 'Wonen' en 'Agrarisch'. Ten behoeve van het plan worden geen beplantingen verwijderd. Eventueel aanwezige natuurwaarden zullen niet worden aangetast.

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect flora en fauna.

2.5.3.2.12 Verkeer     

Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Met voorliggend plan wordt het mogelijk een groepsaccommodatie en minicamping te realiseren. Hierdoor zal de verkeersintensiteit en de parkeerbehoefte in enige mate toenemen. De locatie ligt aan de Wolfsstraat, een zijweg van de provinciale weg N314 (Zutphen Emmerikseweg). Deze wegen hebben voldoende capaciteit om deze toename van het verkeer op te vangen.

Op de locatie zal gebruik worden gemaakt van de bestaande inrit aan de rechterzijde van de boerderij. Direct bij deze toegang wordt de parkeergelegenheid gerealiseerd. Hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar.

Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.

2.5.3.2.13 Leidingen     

Er geen leidingen aanwezig die invloed hebben op voorliggend plan. Op enige afstand ligt een aardgastransportleiding, hier is in paragraaf 2.5.3.2.8 Externe veiligheid reeds op ingegaan.

2.5.3.3 Volkshuisvesting     

Met onderhavig initiatief worden geen woningen toegevoegd. Het aspect volkshuisvesting vormt daarmee geen belemmering voor het plan.

2.5.3.4 Economisch     

De plankosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten die door de gemeente worden gemaakt voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid zeker gesteld.

2.5.3.5 Maatschappelijk     

De initiatiefnemer heeft omwonenden op de hoogte gesteld van het plan. Er zijn geen maatschappelijke aspecten in het geding.

2.5.3.6 Overleg en inspraak     

2.5.3.6.1 Overleg     

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het plan toegezonden aan het waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap heeft aangegeven geen opmerkingen over het plan te hebben.

Het plan is niet voorgelegd aan de provincie Gelderland, omdat er geen provinciale belangen bij betrokken zijn.

2.5.3.6.2 Inspraak     

Gelet op de beperkte omvang van het plan is geen inspraak gehouden. De naaste buren zijn reeds geïnformeerd. Het plan wordt, als onderdeel van het Veegplan, als ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

2.5.3.7 Conclusie     

Het plan is, gelet op beleid, omgevingsaspecten, volkshuisvesting, economisch en maatschappelijk uitvoerbaar.

2.5.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen.

2.5.4.1 Bestemmingsregels     

2.5.4.1.1 Recreatie     

Het plangebied krijgt de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie, deze is opgenomen in Artikel 10 van de regels. Met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 76' is aangegeven welke activiteiten, bouwwerken en de daarbij behorende oppervlakte aan bebouwing specifiek op dit terrein zijn toegestaan.

De regels van de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie gelden voor alle verblijfsrecreatieterreinen. In de regels zijn bouw- en goothoogten opgenomen van de bedrijfswoning, bijgebouwen en (indien aanwezig) recreatiewoningen, chalets en caravans. Met een omgevingsvergunning onder voorwaarden kunnen de vastgelegde aantallen stacaravans, chalets en trekkershutten worden vergroot. Eén van de voorwaarden is dat de nieuwe activiteit geen onevenredige aantasting heeft voor natuur, landschap en milieu en de activiteit leidt niet tot extra hinder voor omwonenden. De bouwwerken mogen niet worden gebruikt voor zelfstandige bewoning of als afhankelijke woonruimte (met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen) voor het opslaan, storten of bergen van materialen anders dan ten behoeve van de bestemming.

2.5.4.1.2 Waarde     

De archeologische waarden worden beschermd door middel van de dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachting 2, welke is gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst.

Waarde - Archeologische verwachting 2 staat voor een voor een middelhoge verwachtingswaarde.

Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.5.4.1.3 Terugkerende planregels     

Aan huis verbonden activiteiten

Binnen de woon-, bedrijfs-, horeca-, maatschappelijke, verblijfsrecreatieve en sportfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken. Deze nevenactiviteiten zijn qua functie ondergeschikt aan de hoofdfunctie. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast.

Bij een 'aan huis verbonden beroep' en 'aan huis verbonden bedrijf' is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde 'Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging'. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij een 'aan huis verbonden beroep' en 'aan huis verbonden bedrijf' is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde ''. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop' gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een 'bed & breakfast'-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Omvang en aantal (bedrijfs)woningen

De bestemmingen Recreatie - Verblijfsrecreatie heeft recht op één bedrijfswoning. De woning is gesitueerd in een hoofdgebouw. De inhoud van de woning is maximaal 750 m3, tenzij de woning al een grotere omvang heeft. Dan geldt dit volume als maximum tenzij anders aangegeven.

Op grond van de Wet Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) zijn in een groot aantal gevallen meer dan één woning binnen het bestemmingsvlak gesitueerd. Omdat de woningen in aparte hoofdgebouwen dan wel tezamen in één hoofdgebouwen kunnen zijn gesitueerd zijn de specifieke situaties in de regels in een tabel vastgelegd. Daarmee kan worden afgeleid of een woning nog kan uitbreiden.

Voor het bepalen van de inhoud ('wijze van meten') wordt gemeten tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/ of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen, waarbij voor de definities hiervan wordt aangesloten op de landelijke norm NEN2580.

Omgevingsvergunning afwijken maatvoering

Voor nagenoeg alle bestemmingen geldt dat het bevoegd gezag door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning kan afwijken van de in de regels genoemde maten, mits wordt voldaan aan een aantal bepalingen. De afwijking bedraagt nooit meer dan 10% van de genoemde maten en indien er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of waardevol landschap mogen er geen significante negatieve effecten aan deze gebieden optreden. Deze afwijkingsmogelijkheid zal slechts bij hoge uitzondering worden toegepast. Het is niet de bedoeling dat bouwplannen hier op worden ontworpen.

2.6 Zelhemseweg 16 in Hummelo     

2.6.1 Inleiding     

2.6.1.1 Aanleiding     

Het Wapen van Heeckeren met de doorrijdschuur behoort tot de eigendommen van het landgoed Enghuizen. Naast de doorrijdschuur is op het perceel diverse bebouwing aanwezig, waaronder een boerderij/herberg en een tweetal schuren. Naast de boerderij/herberg bevindt zich een natuurstenen pomp. De hiervoor genoemde gebouwen en pomp zijn, met uitzondering van een kapschuur, aangemerkt als rijksmonumentaal. De bebouwing is in de huidige gebruik ten behoeve van een horecagelegenheid. Daarnaast zijn er twee recreatieappartementen in de boerderij/herberg aanwezig. De monumentale doorrijdschuur, gelegen aan de overzijde van de Hessenweg, doet dienst als opslagruimte.

De huidige functie, opslagruimte, doet de monumentale waarde van de schuur te kort. Het is wenselijk om in de schuur een functie onder te brengen waarmee de historie weer zichtbaar wordt, maar ook vooral een nieuwe economische drager wordt gerealiseerd voor de restauratie- en onderhoudskosten nu en in de toekomst. Gelet op de locatie, gebouwkenmerken en te handhaven monumentale waarden zijn functies niet zonder meer mogelijk. Om inzicht te krijgen in mogelijke herbestemmingsmogelijkheden is door het Gelders Genootschap is een haalbaarheidsstudie uitgevoerd. Voor de studie wordt verwezen naar bijlage Bijlage 8 Haalbaarheidsstudie Doorrijdschuur bij deze toelichting.

<