Land Forum (politielocatie)    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Aanleiding     

Aanleiding

In 2011 is het besluit genomen om de verschillende regionale politiekorpsen samen te voegen tot het korps Nationale Politie. Door het samenbrengen van alle mensen en middelen in één organisatie kan er effectiever, efficiënter, uniformer en meer in samenhang gewerkt worden aan opdrachten die het gezag haar geeft en aan het verbeteren van haar prestaties.

In 2013 is het strategisch huisvestingsplan 2013-2025 korps Nationale Politie ontwikkeld als taakstellend kader voor de realisatie van een passende huisvestingportefeuille ter ondersteuning van de operatiën van het korps Nationale Politie. De ambitie voor het korps Nationale Politie op het gebied van huisvesting is het realiseren van een compacte portefeuille die bijdraagt aan:

  • Een efficiënte en effectieve uitvoering van de werkprocessen van de operatiën van de politieorganisatie.
  • Een jaarlijkse besparing op de exploitatiebegroting.
  • Aansluiting van de huisvesting op het nieuwe dienstverleningsconcept van de Nationale Politie.
  • De bestuurlijke samenwerking met het gezag en de ketenpartners.



Land Forum

In 2019 is, in samenwerking met de gemeente Eindhoven, gestart met een marktscan naar potentieel geschikte locaties. Op basis van deze marktscan en een kwalitatieve analyse heeft de politie een voorkeur uitgesproken voor het perceel Land Forum.

In het verlengde van de keuze voor Land Forum heeft de politie een grondreserveringsovereenkomst afgesloten met de gemeente Eindhoven en heeft de Politiebouwmeester een inpassingsstudie opgesteld. Deze inpassingsstudie had als doel om inzicht te geven in de ontwikkelpotentie van het perceel, rekening houdend met kaders vanuit de gemeente, eigenschappen van het perceel en (ruimtelijke) kaders van de politie. Het betreft een richtinggevend document voor de ontwikkeling van Land Forum en vormt de basis voor het op te stellen masterplan.

Op basis van de inpassingsstudie is geconcludeerd dat het perceel geschikt is om het beoogde programma te faciliteren.

Bestemmingsplan

De politie is voornemens de locatie Land forum te ontwikkelen tot een multifunctionele politielocatie waar diverse eenheden en faciliteiten zullen worden gehuisvest. Dit biedt mogelijkheden tot synergie en biedt de Politie voldoende mogelijkheden om haar taken ook in de toekomst succesvol uit te voeren. Daarvoor is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Deze ontwikkeling is aangewezen als experimenteergebied onder de Crisis- en herstelwet en het betreft een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte.

Het bestemmingsplan "Land Forum (politielocatie)" bestaat uit een digitale en analoge verbeelding (plankaart) met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er tevens een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend.

1.2 Aanduiding plangebied     

Het plangebied is onderdeel van de wijk Meerhoven. Meerhoven bestaat uit o.a. Grasrijk, Zandrijk, Bosrijk, Waterrijk, Meerrijk, Park Forum en Flight Forum. Het plangebied is gelegen aan de zuidoostkant van Meerhoven, tussen de wijk Grasrijk en de N2-A2. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door de Meerhovendreef, aan de noordzijde door bebossing en de kruising tussen de Slifftersestraat en het fietspad. Het plangebied heeft een omvang van circa 10 hectare.

verplicht Figuur 1.1: Ligging plangebied Land Forum (binnen rode lijn).

1.3 Voorgaande plannen     

Binnen het plangebied zijn, voorafgaand aan dit bestemmingsplan, diverse bestemmingsplannen van kracht, namelijk:

  • Meerhoven (vastgesteld 10-11-1997, inwerking getreden 06-11-1998, onherroepelijk 21-09-1999);
  • Paraplubestemmingsplan parkeren, kamerverhuur en woningsplitsing (vastgesteld 12-06-2018, inwerking getreden 27-07-2018, onherroepelijk 07-08-2018);
  • Paraplubestemmingsplan waterberging (vastgesteld 24-11-2020, inwerking getreden en onherroepelijk 15-01-2021);

Door middel van onderhavig bestemmingsplan "Land Forum (politielocatie)" worden bovenstaande bestemmingsplannen partieel herzien. Dat betekent dat, uitsluitend ter plaatse van het plangebied, bovenstaande plannen geheel worden vervangen door onderhavig bestemmingsplan Land Forum (politielocatie).

1.4 Leeswijzer     

Deze toelichting bestaat uit 9 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin wordt een beschrijving van het plangebied, het planvoornemen en de randvoorwaarden gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In deze paragraaf is beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is verwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan. De financiële uitvoerbaarheid is verantwoord in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure, inclusief een paragraaf over de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied, voornemen en randvoorwaarden     

2.1 Historisch perspectief     

Sliffert

Ter plaatse van het plangebied lag vroeger de kleine plaats Sliffert. Omstreeks 1925 was Sliffert slechts een gehucht gelegen in het buitengebied tussen Eindhoven en Veldhoven. Sliffert lag aan de Sliffertsestraat, die de verbinding vormde tussen Zeelst en Welschap. Ter hoogte van Sliffert takte de verbindingsweg richting Eindhoven hierop aan. Ten noorden van het Welschap lag de Kempische Heide.

De Sliffertsestraat is nog een deel van een oude historische wegenstructuur van voor 1900 die Zeelst met het Welschap verbond. Vandaar dat de Sliffertsestraat op de cultuurhistorische waardenkaart is aangeduid als waardevolle structuur. De structuur is inmiddels doorbroken door o.a. de Meerhovendreef.

Beatrixkanaal

In 1930 is gestart met de aanleg van het Beatrixkanaal, een zijkanaal dat het industrieterrein ‘de Hurk’ in het zuiden van Eindhoven verbindt met het Wilhelminakanaal.

Vliegveld Welschap

In 1932 werd het vliegveld onder de naam Welschap als grasbaan ingericht bij het kerkdorp Zeelst, dat in 1921 opgegaan was in Veldhoven. In april 1939 werd het vliegveld gevorderd vanwege algemene mobilisatie. De oorlog maakt een einde aan de ontwikkelingen van vliegveld Welschap want binnen twee dagen werd Eindhoven bezet en nam de Luftwaffe het veld over. De naam werd veranderd in Fliegerhorst Eindhoven en de Duitsers begonnen direct met de uitbreidingen met 3 geplaveide startbanen, 130 opstelplaatsen en 53 hangars. Om het vliegveld heen werden bunkers gebouwd, soms gecamoufleerd als huizen. Het poortgebouw aan de Sliffertsestraat is daar een voorbeeld van dat tot op heden behouden is gebleven.

In het begin van de jaren 1980 werd, ter beperking van de regionale geluidsoverlast, een nieuwe startbaan van het vliegveld Welschap aangelegd. Deze nieuwe baan heeft een andere geografische ligging dan de oude baan. Op de locatie van de oude startbaan staat nu de woonwijk, Meerhoven. Omstreeks deze tijd is de Noord-Brabantlaan verlengd met de Heerbaan als westcorridor vanuit Eindhoven richting Veldhoven.

Omliggende wegen

Rond 1960 is het A2 traject aangelegd rondom Eindhoven. Rond 1970 is de Noord-Brabantlaan als koppeling aangelegd tussen de A2 en het centrum van Eindhoven. Aan de zijde van Veldhoven sloot de A2 nog aan op de oude wegenstructuur, de Sliffertsestraat en daarmee de verbinding via Zeelst naar Veldhoven.

Stadswijk Meerhoven

Begin jaren ‘90 is de planvorming begonnen voor een grote Vinex uitbreidingslocatie tegen het Beatrixkanaal ten westen van Eindhoven. In het kader van de ontwikkeling ‘westcorridor’ werd Meerhoven een volwaardige stadswijk aan de westzijde van Eindhoven met 6.900 woningen, werkgebieden een eigen centrum, voorzieningen, scholen, groen en water. Meerhoven werd een woon-, werk- en recreatiegebied dat binnen Eindhoven een heel eigen karakter heeft, namelijk dat van een stedelijk podium gericht op het landschap van de Kempen.

Meerhoven werd een tuinstad die zorgvuldig ingebed is in het Kempische landschap. Meerhoven werd gerealiseerd in een open bos op een zodanige manier dat op elke plek het ‘wonen en werken in een bossfeer’ voelbaar is. Het bos geeft Meerhoven een samenbindend thema en geeft Meerhoven op regionaal niveau een meerwaarde.

Meerhoven werd met de verbinding van een Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) gekoppeld aan Eindhoven en Veldhoven. De ontsluiting voor auto’s vindt plaats vanaf een ringweg, de Meerhovendreef rond de wijk waar vandaan alle woon- en werkgebieden rechtstreeks werden ontsloten.

Land Forum bevindt zich op het snijvlak van twee belangrijke regionale ontwikkelingsassen: de westcorridor en de Brainportavenue A2/N2. Hier vindt de ruimtelijke en functionele verknoping plaats tussen de A2-zone en de omliggende woon- en werkgebieden.

Historische kaarten

Onderstaande kaarten weergeven de historische ontwikkeling van het plangebied van 1960 tot 2020:

  • 1960 - voornamelijk agrarisch landschap
  • 1972 - het traject van de A2 is zichtbaar
  • 2003 - verstedelijking is rondom het plangebied. Grasrijk bestaat nog niet.
  • 2020 - ten westen van Land Forum is de woonwijk Grasrijk grotendeels ontwikkeld.

verplicht

Figuur 2.1: Plangebied Land Forum (centraal in de kaarten gelegen) en diens omgeving door de jaren heen (Bron: Topotijdreis, bewerking Royal HaskoningDHV).

2.2 Beschrijving plangebied     

Het plangebied wordt in de huidige situatie voornamelijk gebruik voor (semi-)agrarische doeleinden. Het gebied wordt in de richting noord-zuid doorkruist door de Sliffertsestraat. Aan de Sliffertsestraat zijn nog enkele woonpercelen gelegen. Het gaat om één vrijstaand pand aan de Sliffertsestraat 18-20 die gekoppeld is aan de doorgaande structuur en een cluster van woningen aan de Sliffertsestraat 30, 30a, 34, 36, 38 en 38a die gelegen zijn aan een doodlopend deel van de Sliffertsestraat. Het pand aan de Sliffertsestraat 30, 30a, 34 en 36 was een hoofdpoortgebouw van Fliegerhorst Eindhoven. Het pand is eigendom van de gemeente Eindhoven. Sliffertsestraat 18-20, 38 en een ongenummerd perceel aan de Sliffertsestraat zijn in eigendom van derden. Tegen de A2 ligt een volkstuinencomplex.

In de richting oost-west loopt de (Oude) Rundgraaf dwars door het plangebied heen. Dit betreft een A-watergang in beheer van Waterschap De Dommel. Het noordelijk deel van het plangebied bevat een kleinschalig bos.

verplicht

Figuur 2.2: Luchtfoto 2020 met aanduidingen (bron: Cyclomedia, bewerking: Royal HaskoningDHV).

2.3 Stedenbouwkundige structuur     

Stedenbouwkundige context

De wijk Meerhoven is vormgegeven als een tuinstad ingebed in het Kempische landschap. De wijk is gerealiseerd in een open bos waardoor het 'wonen en werken in een bossfeer' voelbaar is. Plassen en vennen zijn karakteristiek voor de Kempen en dit komt terug in de wijk. Meerhoven bestaat uit drie grote woonwijken; Waterrijk, Zandrijk en Grasrijk, gelegen rondom de centrale voorzieningen in Meerrijk.

De woonwijken kennen een duidelijke afbakening van een groen tapijt als contrast tussen bebouwing en groen. Bosrijk is een grensgebied tussen de wijken, heeft geen dichte bebouwingsstructuur, is groener en kent woonconcepten die de omgeving respecteren. De bebouwing is hier te gast in het landschap.

Land Forum moet een eigen identiteit aannemen die los staat van Grasrijk.

Tussen de wijken Grasrijk en Land Forum ligt de Sliffertsestraat. De Sliffertsestraat is de verbindingsweg tussen de Meerhovendreef en Bosrijk.

Karakteristieken Land Forum

Land Forum ligt langs de A2/N2, aan de zuidoostzijde van Meerhoven, naast de wijk Grasrijk.

In de huidige situatie loopt de Sliffertsestraat door het te ontwikkelen gebied heen. De huidige Sliffertsestraat maakt onderdeel uit van een oude historische wegenstructuur en is op de cultuurhistorische kaart als waardevol geduid. Mede na consultatie van de omgeving heeft de gemeente het besluit genomen om de Sliffertsestraat te herpositioneren naar de westelijke rand van het ontwikkelgebied. De functie van de Sliffertsestraat als verbindingsroute naar het noordelijk gelegen Bosrijk blijft behouden.

Door het ontwikkelgebied loopt de Oude Rundgraaf. Deze A-watergang verbindt de wijk Meerhoven en het Beatrixkanaal voor wat betreft de waterhuishouding. De functie van de A-watergang dient behouden te blijven, de positie kan indien nodig worden gewijzigd.

Er is sprake van een risicocontour vanaf de A2, welke invloed heeft op de inpassing. Binnen een straal van 200 meter van de snelweg mogen geen functies met verminderd zelfredzame personen worden gerealiseerd zoals een cellencomplex.

2.4 Planvoornemen     

2.4 Planvoornemen

De gemeente heeft een gebied van ca. 10 ha aangewezen voor de ontwikkeling van Land Forum. Binnen dit exploitatiegebied zal de politie een ontwikkelgebied afnemen voor de ontwikkeling van de politie locatie. In het exploitatiegebied worden o.a. de ontsluiting van de Sliffertsestraat en de groene zone richting de woonwijk opgelost (donkergrijs gekleurd in figuur 2.3). Het ontwikkelgebied dat door de politie in eigendom wordt verworven betreft ca. 70% van het exploitatiegebied

verplicht

Figuur 2.3: Indicatieve begrenzing van en onderscheid tussen het exploitatiegebied en het ontwikkelgebied (exploitatiegebied rood omlijnd, ontwikkelgebied lichtgrijs gekleurd en gedeeltelijk groen omlijnd).

Land Forum: een multifunctionele politielocatie voor de huisvesting van meerdere diensten

Ter plaatse van Land Forum is de Politie voornemens een multifunctionele politielocatie bestaande uit zes clusters te realiseren welke diverse diensten en faciliteiten van de Politie huisvest. Denk aan een ME-opkomstlocatie, opleidings- en trainingscentra, een cellencomplex, een lab ten behoeve van forensische opsporing et cetera.

Momenteel is nog niet volledig in kaart gebracht welke diensten exact zullen worden ondergebracht op de locatie Land Forum. Vanzelfsprekend betekent dit dat de exacte inrichting van het terrein ook nog niet bekend is.

Verdere uitwerking van het voornemen door middel van randvoorwaarden en een nader beoordelingsmoment

Dit bestemmingsplan voorziet in een globale regeling, waarin uitsluitend randvoorwaarden zijn vastgelegd. Zodoende kan de exacte uitwerking van het voornemen in een later stadium plaatsvinden, mits wordt voldaan aan de in dit plan opgenomen randvoorwaarden. Als gevolg van de aanwijzing als experimenteergebied onder de Crisis- en herstelwet kan door middel van dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte namelijk in een nader beoordelingsmoment worden voorzien. Uitgewerkte voornemens kunnen uitsluitend worden gerealiseerd met een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit, waarbij toetsing plaatsvindt aan de in dit plan gestelde criteria. Deze criteria worden toegelicht in paragraaf 2.5 van deze toelichting en zijn tevens opgenomen in artikel 5.3.2 van de planregels.

Verleggen Sliffertsestraat

Momenteel loopt de Sliffertsestraat in noord-zuidelijke richting dwars door het plangebied. Vanuit het oogpunt van veiligheidsbeheersing binnen de politielocatie is dit onwenselijk. De politie is voornemens om een grote diversiteit aan diensten en faciliteiten te huisvesten op Land Forum waarvan diverse onderdelen in extra beveiligde zones moeten worden gesitueerd. Dit resulteert in een verzamellocatie die niet openbaar toegankelijk is. Daarom besloot het college van burgemeester en wethouders in juni 2021 om de Sliffertsestraat te verleggen voor deze ontwikkeling. Vervolgens heeft er in het laatste kwartaal van 2021 participatie plaatsgevonden over de vraag of deze straat verlegd moet worden naar de oostzijde (zijde N2/A2 c.q. Beatrixkanaal) of westzijde (zijde Grasrijk) van Land Forum. Eind 2021 heeft het college besloten om de Sliffertsestraat te verleggen in westelijke richting, tussen de wijk Grasrijk en de beoogde politielocatie. Daartoe is besloten vanwege argumenten met betrekking tot verkeer en parkeren, financiën, milieu en het programma van de politie. Een aantal argumenten zijn hieronder kort samengevat.

- De weg is directer en korter, dat is gunstig voor de bereikbaarheid van de wijk Bosrijk en is een voordeel op het gebied van luchtkwaliteit en stikstof.

- Half verdiept parkeren is alleen mogelijk in de westelijke variant. Bij de oostvariant is er minder plek op de kavel en dus ook minder plek voor parkeren onder kantoren. Hierdoor is een apart parkeergebouw aan de zijde van Grasrijk noodzakelijk.

- De westelijke variant is financieel gunstiger.

- Bij de westelijke variant kunnen alle gebouwen en functies beter worden ingepast omdat er meer ruimte is.

Tijdens het participatietraject bleek dat er geen doorslaggevende voorkeur was voor een verlegging naar de oostzijde of westzijde van Land Forum. Voor zowel de westzijde als voor de oostzijde werden voor- en nadelen genoemd. Buurtbewoners noemden als voordelen van de oostzijde onder meer: minder verkeersoverlast voor aanwonenden, een geluidsbuffer tussen snelweg en wijk, voorkomt sluipverkeer en betere fietsveiligheid. Als voordelen van de westzijde werden genoemd: behoud van meer bomen en groen, kortere route, geen noodzaak voor hoogbouw of een parkeergebouw aan de kant van de woningen en het complex ligt verder weg van de wijk.

De verlegging van de Sliffertsestraat wordt nader uitgewerkt. Daarom is in dit bestemmingsplan een reservering opgenomen waarbinnen de Sliffertsestraat zal worden verlegd.

Alvorens tot aanleg kan worden overgegaan is een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit vereist. De beoordelingscriteria hiervoor zijn vastgelegd in artikel 12.2.3 van de planregels.

verplicht

Figuur 2.4: Verbeelding met in donkergroene/grijze dubbele arcering (aanduiding: overige zone - reservering verlegging Sliffertsestraat) de zone aangegeven waarbinnen de Sliffertsestraat wordt verlegd. Deze zone ligt direct naast de bestemming 'Groen', die aan de westzijde van het plangebied ligt.

Inpassing A-watergang

Momenteel loopt er een A-watergang (de Rundgraaf) in oost-westelijke richting, dwars door het plangebied en de beoogde politielocatie. De Politie past deze watergang in bij het stedenbouwkundig ontwerp. Als (beperkte) verlegging van de watergang vanuit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk blijkt, wordt de waterhuishoudkundige functie van de watergang geborgd. Dit gebeurt in afstemming met het waterschap.

Verwerving particuliere gronden

Niet alle gronden binnen het plangebied zijn op dit moment in bezit van de gemeente Eindhoven en/of de Politie. De gemeente is in gesprek met grondeigenaren, met als doel om deze gronden minnelijk te verwerven. Als minnelijke verwerving niet haalbaar blijkt zal een onteigeningsprocedure worden gestart (zie par. 3.5).

2.5 Uitgangspunten & randvoorwaarden     

2.5.1 Hoofduitgangspunten ontwikkeling multifunctionele politielocatie     

De ontwikkeling van de politielocatie is gebonden aan een aantal randvoorwaarden van verschillende aard. De randvoorwaarden zijn mede in samenspraak met de omgeving tot stand gekomen en zijn gestoeld op twee hoofduitgangspunten:

  1. De Politie heeft, binnen het vastgestelde programma, flexibiliteit om het terrein in te vullen mits wordt voldaan aan de ruimtelijke kaders d.d. januari 2022 van de gemeente Eindhoven (zie par. 2.5.2);
  2. De omgeving ondervindt geen onaanvaardbare hinder als gevolg van de politielocatie.

Of enige vorm van hinder "aanvaardbaar" dan wel "onaanvaardbaar" is verschilt per persoon en per situatie. De in uitgangspunt 2 benoemde "onaanvaardbare" hinder wordt gedefinieerd als een overschrijding van een op dat moment geldende (wettelijke) norm.

2.5.2 Ruimtelijke kaders en ambities     

Naast de karakteristieken van de locatie zijn er door de gemeente ruimtelijke kaders en ambities voor de locatie omschreven. Deze ruimtelijke kaders en ambities dienen ook meegenomen te worden bij de inpassing van het terrein.

Ruimtelijke kaders

- Groene zone tussen Grasrijk en Land Forum: De identiteit van Meerhoven, een wijk ingebed in het Kempische landschap, moet behouden blijven. Om dit karakter te behouden wordt er een groene zone tussen Grasrijk en Land Forum gecreëerd waardoor beide identiteiten in het landschap afleesbaar zijn en een eigen identiteit aannemen. De westelijke rand tussen de politielocatie en Grasrijk wordt ingericht als groene zone van minimaal 25 meter breed die dient als verblijfsruimte voor de buurt en deels als waterberging kan worden ingezet. Een uitzondering op deze minimale maat van 25 meter kan enkel gemaakt worden ter hoogte van de bosbestemming tussen de huidige Sliffertsestraat en de Nieuwe Sliffertsestraat aan de noordzijde van de politielocatie. De uitwerking van het wegprofiel van de verlegde Sliffertsestraat is hierbij maatgevend. De afstand van de woningen in Grasrijk tot de kavelgrens van de politie komt op circa 60 meter.

- Hoogteaccent aan de zuidzijde van Land Forum: Enerzijds heeft Land Forum een landelijk karakter, mede door de ligging aan de groene rand en het Beatrixkanaal. Anderzijds heeft Land Forum door zijn ligging direct aan de (op- en afrit) van de A2/N2, wel de potentie om als zichtlocatie te fungeren. Dit laatste kan enkel als er hoger gebouwd wordt dan het bestaande geluidsscherm.

In het hoogbouwbeleid zijn de woongebieden van Meerhoven aangeduid als laagbouwmilieu. Dat wil zeggen dat er maximaal vijf bouwlagen (categorie S) hoog gebouwd mag worden. Daarmee blijft de afstand tot de woningen en de woonomgeving acceptabel. Land Forum bevindt zich op een unieke positie in de oksel van twee belangrijke regionale ontwikkelingsassen: de westcorridor inclusief HOV-lijn (maar ook de Meerhovendreef als hoofdontsluiting voor Meerhoven) en de Brainportavenue A2/N2. Dit geeft aanleiding om een intensivering mogelijk te maken, eventueel in de vorm van hogere bebouwing. Hier kan hogere bebouwing als buffer dienen voor (verkeers-)lawaai richting achtergelegen woonwijken. Daar staat tegenover dat de ontwikkeling bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit en vergroening. En er dient aandacht te zijn voor de effecten op de directe omgeving, zoals schaduw, inkijk, uitzicht en eventuele windhinder.

Het college van burgemeester en wethouders heeft op 1 juni 2021 besloten dat een hoogteaccent aan de zuidzijde van de locatie Land Forum mogelijk is met een maximale hoogte van 45 meter (Hoogbouwbeleid categorie M).

De schaal van de bebouwing loopt af richting de woonwijk om geen blok te vormen langs de groene zone. Met het oog op het besluit van het college van B&W kan langs de Meerhovendreef in het zuiden de hoogte wel opgezocht worden. Hier kan een representatieve gevel met eventueel hoogteaccent de politielocatie uitstralen naar buiten toe. Hier kan verdicht worden om meer oppervlakte te creëren, maar er moet wel een passende afstand van de Meerhovendreef worden gehouden. Bovendien moet rekening worden gehouden met de waterberging die eventueel anders c.q. elders gelocaliseerd moet worden.

- Verkeersontsluiting: De Sliffertsestraat wordt verlegd in westelijke richting, tussen de wijk Grasrijk en de beoogde politielocatie. Aan de bestaande verkeersfunctie van de Sliffertsestraat verandert niets. De hoofdontsluiting van de politielocatie komt aan de zuidzijde van Land Forum, op de nog nieuw in te richten kruising Graslook-Sliffertsestraat. Het is onwenselijk om een extra aansluiting voor de politielocatie te creëren op de bestaande turborotonde N2-Meerhovendreef. Dit is vanwege de verkeersveiligheid en om een goede doorstroming op de doorgaande routes te waarborgen (zie ook par. 3.7 bij 'Verkeersgeneratie Land Forum' in deze toelichting). Ten noorden van de politielocatie komt een secundaire in- of uitgang.

- Parkeren: Er moet bij deze planontwikkeling in principe worden voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid- en de parkeernormering (Actualisatie Nota Parkeernormen 2019). Burgemeester en wethouders hebben op 1 juni 2021 besloten voor deze ontwikkeling af te wijken van de actuele gemeentelijke parkeernormen voor de specifieke opleidingsfuncties zoals deze zijn voorzien op Land Forum. Dit omdat op basis van een 'expert opinion' is geconcludeerd dat er meer parkeerplaatsen voor deze specifieke opleidingsfuncties nodig zijn dan de normen voor standaard opleidingsfuncties die het gemeentelijk parkeerbeleid toestaat (zie par. 3.7 van deze toelichting). Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de stalling van politie- en dienstvoertuigen.

Verder wordt het uitgangspunt gehanteerd dat de politie gratis parkeren (voor werknemers en bezoekers) op eigen terrein realiseert. Dit om parkeeroverlast te voorkomen in de nabijgelegen woongebieden.

- Externe veiligheid: Er zijn geen functies met verminderd zelfredzame personen toegestaan binnen 200 meter van de A2. Het door de politie voorziene cellencomplex is daarom niet toegestaan binnen deze zone.

- Erf- of perceelafscheiding of omheining van het ontwikkelgebied politie:

Vanuit het oogpunt van veiligheidsbeheersing binnen de politielocatie moeten diverse onderdelen in extra beveiligde zones worden gesitueerd en moet het terrein in geval van crisis als geheel afsluitbaar zijn. Daarom is in de regels (artikel 13.1) de mogelijkheid opgenomen om onder voorwaarden erf- of perceelafscheidingen te realiseren tot maximaal 2,5 meter of 4 meter hoog.

De hoogte van erf- of perceelafscheidingen mag worden vergroot tot 2,5 meter mits deze erf-of perceelafscheidingen:

  1. onderdeel zijn van de totale identiteit van Land Forum, en;
  2. transparant zijn vorm gegeven, of;
  3. mee ontworpen zijn met de bebouwing, of;
  4. bekleed zijn dan wel ingepast zijn in het landschap met opgaand groen.

Bij punt 1 kan worden gedacht aan gebruik van hetzelfde materiaal als het totale plan, gebruik van de zelfde kleurstelling, aansluiten op hoogte die reeds aanwezig zijn in bebouwing (architectuur) of bebouwingslijnen.

De hoogte van erf- of perceelafscheidingen mag worden vergroot tot 4 meter mits deze erf- of perceelafscheidingen:

  1. noodzakelijk zijn vanwege de politiefunctie of politiegerelateerde activiteiten en de beveiligingsschil, en;
  2. liggen aan de oostzijde van het plangebied zoals hieronder indicatief in blauw aangegeven in figuur 2.5, en;
  3. onderdeel zijn van de totale identiteit van Land Forum, en;
  4. transparant zijn vorm gegeven, of;
  5. mee ontworpen zijn met de bebouwing, of;
  6. bekleed zijn dan wel ingepast zijn in het landschap met opgaand groen.

verplicht

Figuur 2.5: Blauwe lijn is de oostzijde van het ontwikkelgebied waar onder voorwaarden erf- of perceelafscheidingen tot 4 meter hoog mogen.

Ambities

De volgende stedenbouwkundige ambities zijn geformuleerd;

  • Daar waar mogelijk heeft het terrein een open karakter.
  • Aansluiting zoeken op de Slow Lane, de recreatieve verbinding aan de noordzijde van het plangebied.
  • De locatie kent geen onprettige achterkantsituatie richting Grasrijk en Bosrijk.
  • Begrenzing vormgeven door in te zetten op landschappelijke elementen.
  • Geen zakelijke maar vriendelijke uitstraling. De locatie vormt een visitekaartje als entree van Meerhoven vanuit de af-en oprit van de N2/A2.
  • Parkeren zoveel mogelijk uit het zicht.
  • Duurzame gebouwen (incl. groene gevels) in een groene omgeving.
  • Interactie tussen de bebouwing en de inpassing. Water, landschap en bebouwing verenigen tot een geheel zodat een toegevoegde waarde ontstaat die meer is dan de som der delen.
  • Neerzetten van een eigen identiteit.

De volgende ambities ten aanzien van groen zijn geformuleerd;

  • Stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur waarop groen kan aanhaken en bijdragen, onder andere ten behoeve van natuur en biodiversiteit
  • Klimaatopgaven & milieu (hitte, droogte, wateroverlast, fijnstof, CO2, etc.) De koele buitenruimte: verminder hittestress door robuuste beplanting aan te brengen op de juiste plaats in combinatie met een afgewogen situering van gebouwen
  • Sociale aspecten (gezondheid, sociale interactie, prettig verblijfsklimaat, etc.) Schone gezonde stad: gebruik de luchtzuiverende werking van groen.

verplicht

Figuur 2.6: Visuele weergave van de basisprincipes voor het exploitatiegebied.

Bij de stedenbouwkundige uitwerking van de politielocatie worden geluid producerende functies zoveel mogelijk oostwaarts gericht, in de richting van de snelweg. Geluidhinder van activiteiten richting Grasrijk als gevolg van activiteiten binnen de politielocatie wordt zoveel mogelijk beperkt. Desondanks zijn veiligheidsoverwegingen primair bij de stedenbouwkundige inrichting van het terrein.

2.5.3 Omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit     

Op basis van bovenstaande uitgangspunten, ruimtelijke kaders en ambities is de ontwikkeling van de multifunctionele politielocatie gebonden aan diverse voorwaarden, welke beoordelingscriteria vormen voor een aanvraag omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit (welke benodigd is alvorens de politielocatie op grond van dit bestemmingsplan ontwikkeld kan worden). Onderstaande opsomming biedt hiervan een overzicht, welke tevens zijn geborgd in artikel 5.3.2 van de regels van dit bestemmingsplan. Er moet worden voldaan aan de bouwregels in artikel 5.2 van de regels en er moet, naar het oordeel van het bevoegd gezag, voldoende worden gemotiveerd dat het voornemen aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van:

  1. waterhuishouding, waarbij de waterhuishoudkundige functie van de huidige A-watergang (Oude Rundgraaf) binnen het plangebied in acht wordt genomen en ook bij verlegging van deze A-watergang moet worden geborgd;
  2. waterhuishouding, waarbij overeenkomstig het beleid van de gemeente ('Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen') voldoende waterbergingscapaciteit wordt gerealiseerd en in stand gehouden en waarbij de keur van waterschap De Dommel ten aanzien van het bergen en afvoeren van hemelwater op de riolering en/of oppervlaktewater in acht wordt genomen;
  3. de intentie dat de Rundgraaf en de oevers daarvan niet worden verhard en de oevers een groene inrichting krijgen. Dit geldt voor een breedte van in het totaal 17 meter, met dien verstande dat het niet geldt voor de hellingsbaan naar het verlaagde onderhoudspad en bij een overkluizing voor infrastructuur;
  4. er moet vooraf een groenplan zijn ingediend waarin een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling is geven. Dit groenplan moet worden gebaseerd op de procesafspraken die voortvloeien uit het Groenbeleidsplan 2017;
  5. milieuzonering overeenkomstig de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009;
  6. akoestiek, waarbij de geluidbelasting op omliggende geluidgevoelige functies als gevolg van het industrielawaai op de politielocatie aanvaardbaar moet zijn;
  7. akoestiek door bij het realiseren van geluidsgevoelige gebouwen of delen van gebouwen waarin geluidsgevoelige functies worden gerealiseerd, dan wel bij het wijzigen van gebruik van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie, geldt dat een aanvaardbare geluidsituatie dient te bestaan. Ten behoeve van de toets of hieraan wordt voldaan dient het volgende in acht te worden genomen:
  1. de maximale geluidbelasting op de gevel mag niet meer bedragen dan de wettelijk vastgestelde voorkeursgrenswaarde, dan wel de voor die gevel ingevolge de Wet geluidhinder c.q. Besluit geluidhinder vastgestelde hogere grenswaarde zoals opgenomen in artikel 12.1.2 van de regels;
  2. voldaan dient te worden aan het gemeentelijk geluidbeleid;
  3. het bepaalde onder a en b is niet van toepassing indien de geluidbelaste gevel als dove gevel wordt uitgevoerd.

8. ecologie waarbij:

  1. moet worden gemotiveerd dat het voornemen vanuit soortbescherming aanvaard is, en;
  2. moet worden gemotiveerd (volgens de dan geldende berekeningssystematiek) dat er als gevolg van het project geen significante toename (>0,00 mol/ha/jaar) is van stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

9. er moet in voldoende mate in parkeergelegenheid op eigen terrein worden voorzien overeenkomstig de 'Actualisatie Nota Parkeernormen 2019' en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 1 juni 2021. Daarbij is het uitgangspunt dat gratis parkeren (voor werknemers en bezoekers) op eigen terrein wordt gerealiseerd;

10. er moet in voldoende mate in fietsparkeergelegenheid op eigen terrein worden voorzien overeenkomstig de 'Actualisatie Nota Parkeernormen 2019' en de 'Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen';

11. windhinder, waarbij voor gebouwen moet worden voldaan aan de 'Beleidsregel gemeentelijke normen windhinder';

12. bezonning, waarbij voor gebouwen hoger dan 15 meter een bezonningsstudie moet worden opgesteld. Daarbij moet worden voldaan aan de in 2017 vastgestelde 'beleidsregels voor bezonning woningen' of een opvolger daarvan;

13. voor bouwwerken hoger is dan NAP + 65 meter een motivering dat de IHCS (Inner Horizontal and Conical Surface) niet in onaanvaardbare mate negatief wordt beïnvloed. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een schriftelijk advies van de beheerder van het IHCS (Inner Horizontal and Conical Surface), te weten het Ministerie van Defensie, Rijksvastgoedbedrijf;

14. stedenbouwkundige inpasbaarheid. Daarbij moet worden voldaan aan de ruimtelijke kaders ten aanzien van (a) de groene zone tussen Grasrijk en Land Forum, (b) het hoogteaccent aan de zuidzijde van Land Forum en (c) de verkeersontsluiting zoals vermeld in par. 2.5.2 in deze toelichting.

Het maximale programma (in m2 bvo's) is een resultante van de twee uitgangspunten en de daartoe verrichte onderzoeken in het kader van dit bestemmingsplan. Dat wil zeggen dat realisatie van dit programma enerzijds voldoet aan de wensen van de Politie, waarbij onaanvaardbare hinder voor de omgeving anderzijds kan worden voorkomen. De overige randvoorwaarden komen namelijk voort uit sectorale wetgeving met betrekking tot milieuaspecten. In het kader van dit bestemmingsplan is de aanvaardbaarheid op hoofdlijnen onderzocht (waarbij het criterium is dat het plan niet evident onuitvoerbaar mag zijn). In de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 komen de verschillende milieuaspecten aan bod. De verrichte onderzoeken worden daar besproken, gevolgd door een beschrijving van de onderzoeksvereisten in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit.

Hoofdstuk 3 Het beleidskader     

3.1 Inleiding     

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Verantwoord wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past in het (toekomstig) ruimtelijk beleid. Er wordt geen complete samenvatting gegeven van alle beleidsaspecten. Uitsluitend de relevante beleidskaders voor het plangebied zijn in dit hoofdstuk weergegeven en verantwoord.

3.2 Rijksbeleid     

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte     

In de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten.

Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie.

Het Rijk onderscheidt 13 nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen.

Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), de Brainport, greenports en de valleys van nationaal belang (nationaal belang 1).

De gebiedsontwikkeling Brainport Avenue is van nationaal belang. In de SVIR wordt Brainport Zuid-Oost Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land.Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. High-tech systemen, medische technologie en automotive als belangrijkste thema's. Daarnaast zijn Chemelot in Sittard-Geleen als belangrijk chemie-cluster, het medische cluster in Maastricht en de greenport Venlo als cluster van agro-food, tuinbouw en logistiek belangrijk.

In de regio Eindhoven moeten vanwege de groei van het aantal huishoudens in de periode tot 2040 nog circa 40.000 woningen worden bijgebouwd en ook een kleine 30.000 woningen worden vervangen die niet meer voldoen aan de woonwensen. Het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers behoeft versterking met hoogwaardige woonmilieu's, stedelijke voorzieningen, voldoende aanbod van cultuur en sport en grensoverschrijdende verbindingen. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de steden en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor.

Realisatie

Uitgangspunt bij het realiseren van de doelstellingen is een integrale, regionaal-specifieke aanpak, waarmee investeringen en ander rijksinstrumentarium zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Dat vraagt om een gedegen afweging van alle relevante belangen en goede afstemming en samenwerking tussen regio en Rijk. Over de rijksopgaven zullen op basis van de MIRT-gebiedsagenda's afspraken worden gemaakt.

De SVIR kent een realisatieparagraaf, waarin per nationaal belang de aanpak is uitgewerkt op basis van lopende en voorziene projecten. Het Rijk heeft voor de realisatie van de nationale belangen de beschikking over de volgende vier instrumenten:

  • Kaders (gebiedsgerichte of thematische uitwerkingen van de SVIR, relevante wetgeving);
  • Bestuurlijke prestatieafspraken (bijvoorbeeld afspraken met provincies en gemeenten, internationale afspraken met overheden in buurlanden);
  • Financieel (bijvoorbeeld Infrastructuurfonds, Deltafonds);
  • Kennis (bijvoorbeeld inzetten van het College van Rijksadviseurs bij ruimtelijke ontwikkelingen, verspreiden van “best practices”).

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van aard (beleidsmatig versus procesmatig).

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het geldende ruimtelijk rijksbeleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. De ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp en aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Bro.

Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. Hieronder wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking.

Ladder voor duurzame verstedelijking



In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen (artikel 3.1.6, lid 2). Daarin staat: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Stedelijke ontwikkeling

Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk moeten maken. Of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, hangt af van de omvang en de gebruiksmogelijkheden, maar ook van de huidige gebruiksmogelijkheden op basis van het vigerende bestemmingsplan. Het vigerende bestemmingsplan staat ruime ontwikkelmogelijkheden toe voor stedelijke functies (o.a. kantoren), waardoor gesteld kan worden dat er met onderhavig bestemmingsplan geen “nieuwe” stedelijke ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt en de laddertoets niet hoeft te worden doorlopen. Gelet op de omvang van het voornemen, de datering van het vigerende bestemmingsplan en het feit dat de (stedelijke) ontwikkeling op basis van dat bestemmingsplan nooit is gerealiseerd wordt er volledigheidshalve wel invulling gegeven aan de laddertoets.

Bestaand stedelijk gebied

Het plangebied bevindt zich te midden van de woonwijk Grasrijk, het Beatrixkanaal en de snelweg A2/N2. Op basis van het vigerende bestemmingsplan "Meerhoven" bevat het gebied grotendeels de bestemming "Kantoren en regionale voorzieningen". Zodoende is er zonder meer sprake van ligging in bestaand stedelijk gebied.

Behoefte

Dit plan gaat uit (en is begrensd) op een programma van maximaal 50.000 m2 bvo aan gebouwen ten behoeve van politiegerelateerde functies, exclusief parkeervoorzieningen.

De Politie is zowel initiatiefnemer als eindgebruiker van de voorgenomen ontwikkeling en voorziet zodoende in de eigen behoeften en doelen. Eén van de voornaamste doelen van het voornemen is bovendien duurzaam en efficiënt ruimtegebruik door op termijn diverse politiefuncties vanuit de regio op één locatie te bundelen.

De huidige huisvesting van de politie sluit niet meer aan (zowel kwalitatief als kwantitatef) op de eisen en wensen die vanuit de operatie (het primaire proces) hieraan wordt gesteld. Daarbij is de politie op een groot aantal locaties gehuisvest hetgeen de samenwerking niet bevordert. Een aantal van deze locaties zijn ook niet meer geschikt te maken om de huisvesting aan te laten passen aan de behoefte vanuit de operatie. In dat kader heeft de Nationale Politie het voornemen om een verzamellocatie te realiseren. Met het realiseren van de verzamellocatie worden 11 locaties elders in Noord-Brabant afgestoten en vindt er een reductie plaats van het aantal reisbewegingen van politiemedewerkers doordat deze op één locatie samen werken. Als gevolg van synergie zal het totale ruimtegebruik van de politie per saldo zelfs afnemen.

Conclusie

Het voornemen tot de ontwikkeling van een multifunctionele politielocatie op Land Forum betreft een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied. De behoefte is zowel kwalitatief als kwantitatief ruimschoots aanwezig. Het initiatief strookt zodoende met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)     

De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:

  • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • duurzaam economisch groeipotentieel
  • sterke en gezonde steden en regio’s
  • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal.

De NOVI is op 9 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen.

3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening     

Naast de SVIR is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van toepassing. Het besluit bevat regels ter borging van een aantal nationale belangen. Het gaat onder meer over rijksbelangen zoals rijksvaarwegen, zones buisleidingen, zones van hoogspanningsleidingen en militaire objecten.

Voor Eindhoven is de 380 Kv hoogspanningsleiding van belang. Deze is gelegen in Eindhoven Noord en (deels) Oost. Verder is in het Barro opgenomen dat de provinciale begrenzing van het Nationaal NatuurNetwerk (NNN) direct doorwerkt naar het bestemmingsplan. De gebieden die het NNN vormen worden bij provinciale Interim Omgevingsverordening aangewezen (zie ook paragraaf 3.3.3) waarmee het NNN een provinciaal belang is geworden. Tot slot worden de belangen van luchthaven Eindhoven via het Barro geborgd.

3.2.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening     

In de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) zijn de terreinen, gebieden en installaties zoals bedoeld in het Barro, aangewezen. Voor onderhavig gebied is het obstakelbeheergebied behorende bij het luchtvaartterrein relevant. Dit gebied is op onderstaande kaart aangegeven. In paragraaf 3.2.5 wordt hier nader op ingegaan. Onderstaande kaart behoort bij de Rarro.

verplicht

Figuur 3.1: Militair luchtvaartterrein – Vliegbasis Eindhoven (bijlage 3.4 Rarro)

Bron: http://wetten.overheid.nl

3.2.5 Luchthavenbesluit     

In 2009 is de Wet luchtvaart gewijzigd. Naar aanleiding hiervan is een nieuw luchthavenbesluit voor Eindhoven vastgesteld. Dit is op 26 september 2014 vastgesteld en met ingang van 1 november 2014 in werking getreden. In het luchthavenbesluit is het luchthavengebied, de gebruiksmogelijkheden en het beperkingengebied vastgelegd. Voor het bestemmingsplan is vooral het beperkingengebied van belang.

Het beperkingengebied bestaat uit:

  1. de geluidszone: dit is de weergave van de geluidsbelasting van het gezamenlijke luchtverkeer (hier wordt in paragraaf 4.3.4 op ingegaan). Binnen deze zone gelden regels voor het bouwen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen.
  2. de obstakelbeheergebieden: hier gelden maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten.
  3. het vogelbeheersgebied: binnen dit gebied gelden regels voor een bestemming of gebruik dat vogels aantrekt.

Hieronder wordt nader ingegaan op het obstakelbeheergebied en het vogelbeheersgebied.

verplicht

Figuur 3.2: Kaart beperkingengebied, plangebied aangegeven met rode stip.

De obstakelbeheergebieden

Met de obstakelbeheergebieden wordt geregeld tot welke hoogte gebouwen en bouwwerken gebouwd mogen worden. Dit is om gevaar voor het vliegverkeer op en rondom de luchthaven te voorkomen. De toegestane hoogten worden bepaald door de vliegfunnel, de IHCS en de ILS.

Vliegfunnel

De vliegfunnel wordt bepaald door de start- en landingsbaan en het verlengde daarvan. Hier gelden beperkingen ten aanzien van het oprichten van obstakels. Het plangebied bevindt zich buiten de vliegfunnel. Dit vormt dan ook geen beperking.

IHCS

Het IHCS (Inner Horizontal and Conical Surface) is bedoeld om vliegtuigen die in het circuit vliegen (circuitverkeer), voorafgaand aan de landing, te beschermen tegen hoge objecten. Dit plangebied (rode stip) is gelegen in de zone waar een hoogtebeperking geldt van NAP +65 m. Dit betreft een zone van 4 km rond de landingsbaan waar maximaal dus 45 meter hoog mag worden gebouwd. Buiten deze zone gaat de maximaal toegestane bouwhoogte geleidelijk omhoog. Het plangebied bevindt zich binnen de IHCS-zone. Het maaiveld ligt tussen de circa NAP +17,5 en 21 meter. De maximale bouwhoogte aan de noordzijde van het plangebied is 15 meter, waardoor in dit deel van het plangebied aan de hiervoor genoemde hoogtebeperking wordt voldaan. De maximale bouwhoogte aan de zuidzijde van het plangebied bedraagt 45 meter, waardoor in dat deel van het plangebied niet zonder meer aan deze hoogtebeperking wordt voldaan.

Dit bestemmingsplan voorziet in een globale regeling, waarin voor het bouwen en gebruik van bouwwerken randvoorwaarden zijn vastgelegd. Gebouwen kunnen uitsluitend worden gerealiseerd met een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit, waarbij toetsing plaatsvindt aan de in dit plan gestelde criteria (zie artikel 5.3 van de regels). In deze criteria is bepaald dat indien een bouwwerk hoger is dan NAP + 65 meter vooraf bij de beheerder van het IHCS, te weten het Ministerie van Defensie, Rijksvastgoedbedrijf, schriftelijk advies moet zijn ingewonnen. Uit dit advies moet blijken dat de IHCS niet in onaanvaardbare mate negatief wordt beïnvloed door deze bouwhoogte.

In de regels (artikel 13.1, sub a) is verder de mogelijkheid opgenomen om bij omgevingsvergunning af te wijken van deze maximale bouwhoogte tot maximaal 10% mits bij de beheerder van het IHCS, te weten het Ministerie van Defensie, Rijksvastgoedbedrijf, schriftelijk advies is ingewonnen waaruit kan worden opgemaakt dat de IHCS niet in onaanvaardbare mate negatief wordt beïnvloed;

Ook in de 'wijze van meten' (Artikel 2) van de regels, bij de definitie van de bouwhoogte van een bouwwerk, is hiermee rekening gehouden.

verplicht 

Figuur 3.3: Kaart obstakelbeheergebieden voor de vliegfunnel en IHCS, plangebied aangegeven met rode stip.

ILS Daarnaast beschikt de Luchthaven over een Instrument Landing System (ILS). Dit wordt gebruikt om een landing in verminderde weersomstandigheden mogelijk te maken. Voor een goed functioneren van het ILS geldt dat een gebied rondom de start- en landingsbaan geen verstoring mag opleveren. Daarom gelden ook in dit gebied beperkingen ten aanzien van de bouwhoogten van gebouwen en bouwwerken (zie onderstaande afbeelding). Het plangebied bevindt zich buiten het ILS-verstoringsgebied. Dit vormt dan ook geen belemmering.

verplicht

Figuur 3.4: Kaart ILS-verstoringsgebied, plangebied aangegeven met rode stip

Het vogelbeheersgebied

Binnen het vogelbeheersgebied gelden regels voor een bestemming of gebruik dat vogels aantrekt. In beginsel is een grondgebruik of bestemming binnen de volgende categorieën niet toegestaan:

  • oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare;
  • natuurbeschermingsgebieden en vogelbeschermingsgebieden;
  • vishouderijen met extramurale bassins;
  • extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal;
  • afvalwaterzuiveringsinstallaties.

Het plangebied ligt binnen het vogelbeheersgebied. Bovengenoemde functies worden echter niet gerealiseerd.

verplicht

Figuur 3.5: Kaart Vogelbeheersgebied, plangebied aangegeven met rode stip

3.2.6 Bakens luchthaven Eindhoven en radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel     

Bij het bepalen van de maximaal toegestane bouwhoogte in het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met een baken van luchthaven Eindhoven en het radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel.

Baken luchthaven Eindhoven

Nabij de luchthaven Eindhoven is een baken (zie figuur 3.1) aanwezig om de richting van het vliegverkeer (zowel horizontaal als verticaal) te kunnen volgen:

  • een VDF baken: Vertical Directional Finder. Dit is een hulpmiddel voor de luchtverkeersleiding om de richting te kunnen bepalen van het vliegtuig waarmee op dat moment wordt gecommuniceerd.

De toetsingsgebieden liggen voor VDF geheel over het plangebied, maar hebben gezien de maximaal toegestane bouwhoogte geen consequenties. Bouwwerken hoger dan NAP + 90 meter zijn op basis van dit bestemmingsplan immers niet toegestaan.

verplicht

Figuur 3.6. Afbeelding hoogtebelemmeringen bakens nabij luchthaven Eindhoven. Blauwe lijnen= VDF.

Radarverstoringsgebied Volkel

Om het ongestoord functioneren van radar- en communicatie-apparatuur op de vliegbasis Volkel te waarborgen ligt er rond deze vliegbasis een cirkel met een straal van 50 nautische mijl (=27,8 km), gemeten vanaf de positie van de radar. Binnen dit radarverstoringsgebied moet voor ieder obstakel hoger dan 65 meter worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. Onderhavig plangebied ligt niet binnen dit radarverstoringsgebied.

verplicht

Figuur 3.7: Uitsnede uit kaart hoogtebelemmeringen als gevolg van luchthaven Eindhoven. Blauwe lijnen- arcering= radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel.

3.2.7 Outer-horizontal     

Met de “outer-horizontal” moet rekening worden gehouden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Hoge objecten door de “outer-horizontal” kunnen leiden tot aanpassing van de vliegprocedures wat het, bijvoorbeeld, minder goed mogelijk maakt om het vliegverkeer van- en naar Eindhoven te spreiden. Deze “outer-horizontal” heeft een radius van 15 km rondom het midden van de start- en landingsbaan en ligt op een hoogte van 150 meter boven maaiveld (gerelateerd aan de baan). Objecten hoger dan 150 meter zijn toelaatbaar indien aangetoond is dat deze geen impact hebben op het vliegverkeer. Op de hieronder ingevoegde kaart is aangegeven binnen welke gebieden hoogbouw/windturbines kansrijk (=groen gekleurd), kansarm (= oranje gekleurd) of onmogelijk (=rood gekleurd) zijn. In de oranje gekleurde gebieden kan vooraf advies worden gevraagd bij de luchtverkeersleiding van de vliegbasis of de hoogbouw/winturbines op die locatie mogelijk worden geacht.

Dit plan maakt geen gebouwen/windturbines hoger dan 150 meter mogelijk en vormt zodoende geen belemmering voor de outer-horizontal.

verplicht

Figuur 3.8: Uitsnede uit kaart Outer horizontals luchthavens Oost Brabant. Oranje= gebied kansarm voor hoge obstakels. Groen= gebied kansrijk voor hoge obstakels. Rood= gebied ongeschikt voor hoge obstakel

3.3 Provinciaal beleid     

3.3.1 Omgevingsvisie     

De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Op 14 december 2018 is de omgevingsvisie vastgesteld. Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma's. Tot die zijn vastgesteld blijven bestaande beleidsplannen voor natuur, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer en milieu en water van kracht. Daarmee wil Brabant op tijd klaar zijn voor de Omgevingswet wanneer deze in 2022 wordt ingevoerd.

In de Omgevingswet staan waarden als veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor ieder van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Maar ook een concreet tussendoel: waar moeten we in 2030 op zijn minst staan om dat langetermijndoel te halen? De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

3.3.2 Structuurvisie     

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie bestaat uit twee delen (A en B) en een uitwerking.

Deel A

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor bescherming tegen hoogwater, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen en een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Aandacht wordt gevraagd voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). De provincie realiseert haar doelen door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

verplicht

Figuur 3.9: Uitsnede visualisatie Structuurvisie.

Deel B

De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Deze vier ruimtelijke structuren worden in deel B beschreven en zijn:

1. de groenblauwe structuur

De groenblauwe structuur bestaat uit bestaande natuur, watersystemen en nieuwe natuur in hiervoor kansrijke gebieden. Het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden is hier belangrijk. Daarnaast biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Dit is nodig voor een goed waterbeheer en biedt mogelijkheden om in te spelen op de effecten van klimaatverandering.

2. het landelijk gebied

Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Land- en tuinbouw zijn de grootste ruimtegebruikers. De provincie streeft hier naar een multifunctionele gebruiksruimte, met behoud van agrarische productieruimte in die delen van het landelijk gebied waar de landbouw leidend is voor nieuwe ontwikkelingen.

3. de stedelijke structuur

De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De provincie kiest hier voor twee perspectieven. Ten eerste stedelijke concentratiegebieden waar de groei van de verstedelijking wordt opgevangen. De provincie wil de verstedelijking op goed ontsloten plekken concentreren en de groene ruimte tussen steden openhouden. Ten tweede dienen kernen in het landelijk gebied zoveel mogelijk te worden ontzien van verdere verstedelijking. Alleen de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt daar opgevangen.

4. de infrastructuur

Het infrastructuurnetwerk bestaat uit een fijnmazig en samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen. De Brabantse infrastructuur maakt deel uit van het internationale netwerk van infrastructuur in noordwest Europa. De provincie kiest hier voor een goede bereikbaarheid van BrabantStad en de economische clusters van Noord-Brabant. Voor het personenvervoer zijn het hoofdwegennet en het OV-netwerk BrabantStad de dragers. Het goederenvervoer wordt zoveel mogelijk via de te ontwikkelen Goederenruit (spoor en waterwegen) geleid. Zo wordt ruimte gemaakt voor het versterken van de (inter)nationale ontsluiting (weg, water, spoor en lucht) van de Brabantse steden.

Uitwerking structuurvisie

De provincie heeft geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkeld, maar geeft haar visie op het landschap vorm in de zogenaamde 'gebiedspaspoorten'. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze kunnen worden versterkt. Er zijn ook deelstructuurvisies opgesteld voor specifieke onderwerpen. Zo is voor het gebied ten oosten van Eindhoven de deelstructuurvisie Brainport Oost opgesteld. Deze bevat keuzes voor wonen, werken en bereikbaarheid ten oosten van Eindhoven.

Eindhoven vormt samen met de provincie en met de steden Breda, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg het stedelijk netwerk BrabantStad. Dit samenwerkingsverband vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Sterke steden zijn een voorwaarde voor de toekomst van Noord-Brabant. Vooral in deze steden is de dynamiek van Noord-Brabant goed zichtbaar. De provincie ziet deze steden als het brandpunt van de verstedelijking. Hier wordt geïnvesteerd in de binnensteden (stationsgebieden, kanaal- en snelwegzones) en worden hoogstedelijke functies, zoals bovenregionale voorzieningen, geconcentreerd. Daardoor wordt de centrale positie van de steden versterkt en het draagvlak voor hoogwaardig openbaar vervoer en stedelijke- en culturele voorzieningen op peil gehouden. Dat draagt bij een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat in Noord-Brabant.

3.3.3 Interim omgevingsverordening     

De Interim omgevingsverordening is vastgesteld door Provinciale Staten op 25 oktober 2019 en vervangt een aantal provinciale verordeningen:

  • provinciale milieuverordening
  • verordenring natuurbescherming
  • verordening ontgrondingen
  • verordening ruimte
  • verordening water
  • verordening wegen

Om straks klaar te zijn als de Omgevingswet in werking treedt, heeft de provincie eerst een Interim omgevingsverordening vastgesteld. Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet.

De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving).Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is beleidsneutraal. Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de samenvoeging of vanwege al vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie, worden meegenomen.

In de Interim omgevingsverordening staan regels voor:

  • Burgers en bedrijven: dit zijn zogenaamde rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten voorwaarden om zo’n activiteit te verrichten en geven ook aan of je bijvoorbeeld eerst een melding moet doen voordat je mag beginnen.
  • Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren.

Rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven

Het gaat hier om regels die naast een eventuele vergunningplicht gelden. Er zijn in de Interim Omgevingsverordening voor de volgende thema’s rechtsreekse regels opgenomen: grondwaterbescherming, grondwateronttrekking, bodemsanering, stortplaatsen, ontgrondingen, varend ontgassen, stiltegebied, wegen, natuur en landbouw. De meeste van deze regels waren eerst opgenomen in de Provinciale milieuverordening, de Verordening wegen, de Verordening ontgrondingen en de Verordening natuurbescherming.

Binnen het plangebied zijn voor de volgende werkingsgebieden rechtstreekse regels van toepassing:

Boringsvrije zone

Doel van de regels in boringsvrije zone is het beschermen van de diepere watervoerende pakketten door te voorkomen dat de beschermende kleilaag wordt doorboord. Binnen boringsvrije zone gelden geen absolute verboden. Vanuit het doel zijn wel voorwaarden gesteld aan activiteiten die een risico geven voor schade aan de beschermende kleilaag. Het verrichten van werkzaamheden in de bodem op een diepte van tien meter of meer onder maaiveld is in de Boringsvrije Zone toegestaan tot de diepte zoals weergegeven op de kaart 1 "Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen" van de Interim omgevingsverordening, zie hiervoor onderstaande afbeelding. Voor het grootste gedeelte van het plangebied geldt een boringsvrije zone met een maximale boordiepte van 90 meter. Voor een klein deel (ter plaatse van de bestaande volkstuinen) geldt een boringsvrije zone met een maximale boordiepte van 80 meter.

verplicht verplicht

Figuur 3.10: Uitsnede kaart 1 'Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen'.

Waterwinning voor menselijke consumptie

Hierbij is sprake van een zorgplicht. Als een activiteit binnen de beschermingszone risico's voor de kwaliteit van het grondwater met zich meebrengt, mag de activiteit niet worden uitgevoerd.

Diep grondwaterlichaam

Dit werkingsgebied is in dit plangebied relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van grondwater. In dit plangebied is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden. Hiervan is geen sprake met de voorgenomen ontwikkeling van de Politie.

Stalderingsgebied & Verbod uitbreiding veehouderij

Een veehouder mag binnen een stalderingsgebied uitsluitend nieuwe hokdierhouderijen bouwen, uitbreiden of omschakelen als binnen datzelfde gebied hokdierverblijven worden gesaneerd. De voorgenomen ontwikkeling maakt geen landbouw mogelijk, daarom zijn deze werkingsgebieden niet relevant.

verplicht verplicht

Figuur 3.11: Uitsnede Kaart 2 'Rechtstreeks werkende regels: landbouw'.

Stedelijk gebied & Concentratiegebied

Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks regels ten aanzien van landbouw. Binnen het plangebied is geen landbouw aanwezig of toegestaan. Om die reden is dit werkingsgebied voor dit plangebied niet relevant. Ook betreft dit werkingsgebied regels voor de bouw van een windturbine binnen stedelijk gebied en regels voor een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen.

verplicht verplicht

Figuur 3.12: Uitsnede Kaart 3 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed'.

Norm wateroverlast Stedelijk gebied

Binnen stedelijk gebied geldt als norm een overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen

verplicht verplicht

Figuur 3.13: Kaart 8 'Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging'.

Instructieregels

Dit zijn de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening ruimte Noord-Brabant.

Voor het onderhavige plangebied gaat het om de volgende thema:

  • boringsvrije zone;
  • stedelijke ontwikkeling.

Boringsvrije zone

Dit thema is vertaald in de regels en de verbeelding van dit bestemmingsplan doordat de gebiedsaanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' is opgenomen.

Stedelijke ontwikkeling.

Op deze themakaart staat o.a. het Stedelijk Gebied aangeduid met daarbinnen het concentratiegebied of landelijke kern. Het plangebied is aangeduid als 'concentratiegebied'. Het provinciale beleid is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden.

Het plangebied ligt ter plaatse van Land Forum dat onderdeel is van Meerhoven. Meerhoven is een stadswijk aan de westzijde van Eindhoven met een aantal woonwijken, werkgebieden, een eigen centrum, voorzieningen, scholen, groen en water. Land Forum bevindt zich op het snijvlak van twee belangrijke regionale ontwikkelingsassen: de Westcorridor en de Brainportavenue A2/N2. Hier vindt de ruimtelijke en functionele verknoping plaats tussen de A2-zone en de omliggende woon- en werkgebieden.

In het voorgaande ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Meerhoven' waren de gronden ter plaatse van het plangebied vooral bestemd voor 'kantoren en regionale voorzieningen (KRV)'. Deze gronden zijn primair bedoeld voor doeleinden van handel en bedrijf in de vorm van instellingen, kantoren, al dan niet voor de dienstverlening aan derden, en bedrijven in hoogwaardige technologie alsmede voor (recreatieve) grootschalige regionale voorzieningen. Omdat de voorgestane vestiging van de Politie niet past binnen deze bestemming moet het bestemmingsplan worden gewijzigd.

Deze bestemmingsplanherziening past binnen de regels van de Interim omgevingsverordening die gelden voor het Stedelijk Gebied.

3.3.4 Ontwerp omgevingsverordening Noord-Brabant     

De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels zijn samengevoegd. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. De huidige regels in de Interim omgevingsverordening zijn gehanteerd als uitgangspunt. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • Er is aansluiting gezocht bij de opbouw van de rijksregels. Diverse nadere regelingen zijn in de Omgevingsverordening verwerkt.
  • Vanwege het vervallen van de Wet bodembescherming zijn nieuwe regels opgenomen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen. Het voorstel is om daarvoor ook voorbeschermingsregels vast te stellen.
  • De aanwijzing van voor verzuring gevoelige kwetsbare gebieden (Wav-kaarten) is vervallen.
  • De rechtstreeks werkende regels voor de ontwikkeling van veehouderij en mestbewerking vervallen. Het voorstel is om die te vervangen door voorbeschermingsregels.
  • Er is een attentiezone geluid opgenomen langs provinciale wegen waarbinnen aandacht wordt gevraagd voor het oprichten van geluidgevoelige bebouwing.

Gedeputeerde Staten hebben op 23 maart 2021 het ontwerp van de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze heeft vanaf 9 april 2021 ter inzage gelegen voor de duur van zes weken.

In het ontwerp van de omgevingsverordenig Noord-Brabant zijn geen wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van de interim omgevingsverordening die relevant zijn voor onderhavig plangebied.

Op 11 maart 2022 hebben Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Deze verordening treedt gelijktijdig met de nieuwe Omgevingswet in werking. PS hebben ook een wijziging van de huidige interim Omgevingsverordening vastgesteld. Hierin zijn diverse maatwerkbepalingen opgenomen. Deze 'interim-Omgevingsverordening, actualisatie 2022' treedt medio april 2022 in werking.

3.4 Gemeentelijk beleid     

3.4.1 Omgevingsvisie Eindhoven     

Samen met de stad heeft de gemeente Eindhoven een omgevingsvisie opgesteld. Met ons hebben meegedacht: inwoners, ondernemers, belangenorganisaties, GGD, Veiligheidsregio, Omgevingsdienst, woningcorporaties, projectontwikkelaars, investeerders en andere overheden (buurgemeentes, provincie, rijk). Op 16 juni 2020 is de omgevingsvisie vastgesteld door de gemeenteraad.

De omgevingsvisie is een integraal verbindende visie voor de fysieke leefomgeving die focus aanbrengt bij het inrichten van onze stad en stimuleert om samen te werken aan de stedelijke opgaven. De omgevingsvisie is gebaseerd op bestaand beleid. Het hebben van een omgevingsvisie is onder de nieuwe Omgevingswet verplicht. Omdat een omgevingsvisie allesomvattend is, willen we die lerende wijs ontwikkelen. Dat betekent concreet dat we, eerder dan wettelijk verplicht, met een omgevingsvisie komen. Maar dan wel een 'light-variant' (versie 1.0), die we één of twee jaar later gaan aanvullen en verfijnen.

Deze omgevingsvisie (versie 1.0) is gebaseerd op het bestaand beleid. Het document vervangt niet de bestaande beleidsdocumenten, maar is een aanvullend beleidsdocument. De interim structuurvisie blijft daarom nog steeds van kracht. Bij het opstellen van een omgevingsvisie versie 2.0 wordt de interim structuurvisie wel ingetrokken.

Brainportregio

De Brainportregio is een technologische topregio en één van de belangrijkste pijlers van de Nederlandse economie. De sleutel tot dit succes is samenwerking. Het is een regio van contrasten en dat maakt ons uniek: een hecht netwerk van steden, stedelijke buurgemeenten, dorpen en bewoond landelijk gebied. Je bent snel in de stad of juist in het groen, er is cultuur én natuur. We zijn sterk in high tech, design en innovaties en kennen een dynamische economie en een gastvrije bourgondische levensstijl. De strategie van de regio is gericht op het sterker maken van deze kwaliteiten door aan te haken op de eigen kracht en identiteit van de deelgebieden.

Ambitie

Als centrumstad vervult Eindhoven een cruciale rol bij de versterking van Brainport Eindhoven als economische wereldspeler op het gebied van kennisintensieve maakindustrie en design. Om internationaal concurrerend te blijven, streeft Eindhoven samen met de regio naar een excellent woon- en werkklimaat. Eindhoven zet daarom in op gezonde en duurzame verstedelijking met behoud van stedelijke en dorpse kwaliteiten en met bijzondere aandacht voor sociale cohesie en inclusie. Eindhoven is in staat om zich snel aan te passen aan de steeds veranderende vraag naar geschikte en betaalbare ruimte om te wonen, werken, verblijven en recreëren. Deze ambitie vertaalt zich naar vier deelambities. Eindhoven als:

  • economische wereldspeler;
  • gezonde en toekomstbestendige stad;
  • een sociale, inclusieve en gastvrije stad en
  • een authentieke stad met sterke gebieden.

Van ambitie naar stedelijke opgaven

Als we onze ambities leggen naast de huidige kwaliteiten en structuren van de stad en de actuele trends en ontwikkelingen, zien we een aantal stedelijke opgaven voor de stad. Brainport Eindhoven blijft groeien, mede door de sterke economische positie.

De ambities en groei vragen om ruimte voor nieuwe woningen, bedrijven en voorzieningen. Ruimte die we bieden door te verdichten in het gebied binnen

de Ring en door te verdichten nabij voorzieningen als HOV en winkelcentra. Met name binnen de Ring is voldoende ruimte om te verdichten, omdat er nog relatief weinig mensen wonen. Met de keuze voor verdichten binnen de Ring gaan we duurzaam om met de (groene) ruimte die de stad heeft. We behouden hiermee de kwaliteit van de groenstedelijke woonwijken, de landschapsparken en het buitengebied.

De keuze voor een compact stedelijke woonmilieu gaat gepaard met forse investeringen in o.a. bereikbaarheid, luchtkwaliteit, groen en voorzieningen.

Eindhoven wil een leefbare en een inclusieve stad zijn waar iedereen kan profiteren van het succes van de Brainport. Dat vraagt om keuzes ten aanzien van het woning- en voorzieningenaanbod. Het verschil tussen de ambitie en de huidige stand van zaken in Eindhoven leidt tot zes concrete stedelijke opgaven:

  • Werken aan een gezonde groei van de stad
  • Werken aan een aantrekkelijk en hoogstedelijk centrum
  • Werken aan leefbare, sociale wijken met een sterke identiteit
  • Werken aan een duurzame en concurrerende economie
  • Werken aan de energietransitie van de stad
  • Werken aan een goede stedelijke bereikbaarheid

Samen werken aan de stedelijke opgaven

Dit zijn de opgaven waar we als gemeente de komende jaren samen met onze partners aan werken. Wij werken zelf aan deze opgaven, maar stimuleren ook andere partijen in de stad om dit te doen. We bepalen samen met de stad en regio wat kansrijke initiatieven en locaties zijn. We geven prioriteit aan initiatieven die bijdragen aan meerdere stedelijke opgaven tegelijkertijd en kwaliteit toevoegen aan de stad. Hiernaast zetten we in op het beschermen en versterken van de stedelijke en groene hoofdstructuur van de stad. De gemeente organiseert het werken aan de stedelijke opgaven met thematische en gebiedsprogramma's en stimuleert o.a. via regels en uitgangspunten zoals opgenomen in de omgevingsvisie dat ook andere initiatiefnemers bijdragen aan het realiseren van de opgaven.

3.4.2 Interimstructuurvisie 2009     

In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit.

3.4.2.1 Ruimtelijke hoofdstructuur     

De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de ontwikkelingen ten opzichte van de ruimtelijke hoofdstructuur. Met andere woorden de kaart geeft de ontwikkelingen aan binnen de hoofdstructuur. Het plangebied (rood omcirkeld) ligt binnen 'bebouwd gebied'. Het bestemmingsplangebied ligt buiten een transformatiegebied.

verplicht

Figuur 3.14: Ruimtelijke hoofdstructuur Interimstructuurvisie Eindhoven, het plangebied is aangegeven met een rode cirkel.

3.4.2.2 Gebruik van de ruimte     

De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik. Het plangebied is op de kaart 'Gebruik van de ruimte' aangeduid als 'Werken'. Hieronder vallen werkgerelateerde functies: industrie, research en ontwikkeling, handel, kantoren, grootschalige en perifere detailhandel, transport, bouwnijverheid, dienstverlening. Tevens alle productieactiviteiten van kunst en design en ook alle voorzieningen die bij een functioneel en modern bedrijventerrein horen (o.a. parkmanagement).

verplicht

Figuur 3.15: Gebruik van de ruimte Interimstructuurvisie Eindhoven.

3.5 Verwerving gronden     

Midden door het plangebied in noord-zuidelijke richting loopt de Sliffertsestraat. Vanuit het oogpunt van veiligheidsbeheersing binnen de politielocatie is dit onwenselijk. Daarom besloot het college van burgemeester en wethouders eind 2021 de Sliffertsestraat te verleggen in westelijke richting, tussen de wijk Grasrijk en de beoogde politielocatie. De bestaande verkeersfunctie van de Sliffertsestraat, als verbindingsroute naar het noordelijk gelegen Bosrijk, blijft behouden voor de verlegde Sliffertsestraat.

Aan de Sliffertsestraat, die grotendeels onbebouwd is, liggen nog enkele woonpercelen. Het gaat om één vrijstaand pand aan de Sliffertsestraat 18-20 dat gekoppeld is aan de doorgaande structuur. Daarnaast ligt er een cluster van woningen aan de Sliffertsestraat 30, 30a, 34, 36, 38, 38a. Deze woningen liggen aan een doodlopend deel van de Sliffertsestraat.

Vanuit het oogpunt van veiligheidsbeheersing binnen de politielocatie is het onwenselijk om bestaande gebouwen te behouden die voor andere functies worden gebruikt. Daarom is het voor de realisatie van de politielocatie noodzakelijk om alle bestaande gebouwen binnen het plangebied te slopen. Sliffertsestraat 18-20, 38 en een ongenummerd perceel aan de Sliffertsestraat (kadastraal bekend gemeente Strijp, sectie G, nummer 30) zijn in eigendom van derden. Deze percelen worden aangekocht voor de ontwikkeling van de politielocatie. Als minnelijke verwerving van deze gronden niet leidt tot het gewenste resultaat zal het instrument van onteigening worden ingezet. De overige gronden die nodig zijn voor de ontwikkeling van de politielocatie zijn eigendom van de gemeente Eindhoven.

verplicht

Figuur 3.16: Kaart met rood omlijnd het plangebied en met rode vlakken zijn de te verwerven percelen binnen het plangebied aangeduid.

verplicht

Figuur 3.17: Verbeelding met rode vlakken de te verwerven percelen binnen het plangebied.

Ter plaatse van het plangebied met de bestemming 'Maatschappelijk-Politie' ligt ook de aanduiding 'overige zone - ontwikkelgebied politielocatie Land Forum'. Ter plaatse van deze aanduiding kunnen uitsluitend functies worden ontwikkeld voor een multifunctionele politielocatie. Binnen dit ontwikkelgebied van de Politie is het vanuit veiligheidsbeheersingsoverwegingen niet wenselijk dat er particulier eigendom aanwezig is.

3.6 Archeologische en cultuurhistorische waarden     

3.6.1 Archeologie     

3.6.1.1 Wettelijk en beleidsmatig kader     

Nationaal beleid

Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is vertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Dit zal na inwerkingtreding van de Omgevingswet overgaan in het omgevingsplan.

Gemeentelijk beleid

De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012', dat de raad in september 2008 heeft vastgesteld. De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise.

De gemeente kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd.

Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat archivalische bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken.

De archeologische gebieden binnen de gemeente Eindhoven staan aangegeven op de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart uit 2008, onderdeel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Het beleid is om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische (te verwachten) waarden in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart.

Op de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart is het plangebied niet aangeduid als een archeologisch waardevol of verwachtingsgebied of als een gebied dat op de landelijke Archeologische Monumentenkaart voorkomt. Het gebied is ook niet aangeduid als archeologisch onderzocht gebied. Dit betreft de archeologische waardenkaart zoals die in werking was ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan (mei 2022).

verplicht

Figuur 3.18: Fragment gemeentelijke archeologische waardenkaart.

Geactualiseerde archeologische verwachtingen- en waardenkaart

Sinds 2008 zijn er vele archeologische onderzoeken uitgevoerd die nieuwe inzichten geven in de bewoningsgeschiedenis en daarmee de archeologische verwachtingen. Actualiseren van de Archeologische Waardenkaart was noodzakelijk vanwege ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en de komst van de nieuwe Omgevingswet. In 2022 is de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart geactualiseerd in de vorm van een archeologische verwachtingen- en waardenkaart en betreft een bureauonderzoek op gemeentelijk schaalniveau.

Op de nieuwe archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn verschillende gebieden/zones aangegeven waarvoor per zone verschillende vrijstellings- of ondergrenzen kunnen gelden ten aanzien van archeologie in relatie tot geplande bodemingrepen. De vrijstellingsgrenzen zijn bepaald voor zowel de diepte-ingreep als de oppervlakte-ingreep. Archeologisch (voor)onderzoek wordt in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning en afwijking of wijziging van het bestemmingsplan/omgevingsplan noodzakelijk geacht, zodra beide vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Is de oppervlakte of diepte van het gebied waar bodemingrepen plaatsvinden kleiner dan de ondergrens, dan is een archeologisch (voor)onderzoek niet nodig. De archeologische verwachtingen- en waardenkaart bevat gebieden die overgenomen kunnen worden in de bestemmings-/ omgevingsplannen (middels de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' en gekoppelde (maatwerk)regels). Op basis van het ontwikkelde verwachtingsmodel worden binnen het grondgebied van de gemeente Eindhoven acht zones van archeologische verwachtingen of waarden onderscheiden die zijn omgezet in beleidscategorieën. Omdat de archeologische verwachtingszones zijn aangepast, evenals de archeologisch waardevolle gebieden, is kritisch gekeken naar de eerder vastgestelde oppervlakte- en dieptegrenzen per categorie verwachting en waarde. Voor de acht verschillende beleidscategorieën worden bijgestelde ondergrenzen gehanteerd. Binnen de bestemmingsplangrens bevinden zich op de verwachtingen- en waardenkaart verschillende beleidscategorieën (zie figuur 3.19).

verplicht

Figuur 3.19: Per categorie van archeologische verwachtingen of waarden is aangegeven vanaf welke ondergrens van oppervlakte en diepte het noodzakelijk wordt geacht om archeologisch (voor)onderzoek uit te laten voeren.

Tot de vaststelling van de geactualiseerde kaart geldt de 'oude' Archeologische Waardenkaart uit 2008. Vanaf de vaststelling geldt de nieuwe kaart als onderlegger van bestemmingsplannen tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de kaart via voorrangsregels als onderlegger voor het omgevingsplan van rechtswege. Vooruitlopend op de (definitieve) vaststelling, zal er voor dit bestemmingsplan al gebruik worden gemaakt van de geactualiseerde kaart. Weliswaar wordt er hiermee afgeweken van de intern gemaakte afspraken, maar zijn er goede redenen om hiervan af te wijken. Zo is niet alleen het collegevoorstel voor instemming en ter inzagelegging akkoord bevonden, maar heeft de geactualiseerde kaart ook al ter inzage gelegen en zijn er geen zienswijzen ingediend. Naar verwachting zal de geactualiseerde kaart eerder dan dit bestemmingsplan door de gemeenteraad zijn vastgesteld.

verplicht

Figuur 3.20: Uitsnede van de geactualiseerde verwachtingen- en waardenkaart waarop het plangebied is aangeduid met een blauwe contour.

Om eventuele risico's op het verstoren van archeologische resten te voorkomen is het noodzakelijk om deze nader in kaart te brengen. Daartoe is voor het plangebied eerst een archeologische bureauonderzoek uitgevoerd.

Om zicht te krijgen op het risico van verstoring van archeologische waarden is in april 2022 door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (Odzob) een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ("Archeologisch bureauonderzoek Bestemmingsplan Landforum, gemeente Eindhoven", projectnr. 294045, d.d. 10-05-2022, Bijlage 1 bij deze toelichting). Of er van het bodemarchief nog resten aanwezig zijn, is niet op basis van dit bureauonderzoek vast te stellen. Daarom wordt door de Odzob geadviseerd in de op figuur 3.21 met rood aangeduide gebieden voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van waarderende proefsleuven conform het protocol proefsleuven uit de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1). Op basis van de uitkomsten kan in beginsel een beslissing worden genomen over de behoudenswaardigheid van archeologische resten binnen het plangebied en eventueel overgaan tot maatregelen voor behoud in situ of het veiligstellen van de archeologische informatie door middel van vervolgonderzoek. Voor de in rood aangeduide gebieden in figuur 3.21 binnen het plangebied met de bestemming 'Maatschappelijk - Politie' wordt archeologisch vervolgonderzoek uitgevoerd voordat deze gronden bouwrijp worden gemaakt.

verplicht

Figuur 3.21: Advieskaart voor vervolgonderzoek uit Archeologisch bureauonderzoek Bestemmingsplan Landforum d.d. 15-04-2022

3.6.1.2 Meldingsplicht     

Er geldt ten aanzien van archeologie te allen tijde een wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten. Mochten tijdens eventuele grondwerkzaamheden archeologische resten (vondsten, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht volgens artikel 5.10 Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en bij de (afdeling Omgevingskwaliteit) gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.

3.6.2 Cultuurhistorie     

Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stads- en dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Eindhoven. De Sliffertsestraat is nog een deel van een oude historische wegenstructuur van voor 1900. Het plangebied ligt niet in beschermd stadsgezicht of een historisch landschap.

Verder liggen er op basis van de monumentenkaart van gemeente Eindhoven geen Rijks- of gemeentelijke monumenten binnen het plangebied. Ook zijn er geen aangewezen cultuurhistorische panden aanwezig.

verplicht verplicht

Figuur 3.22: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Eindhoven.

Daarnaast is een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven uitgevoerd (rapport "Het landschap onder de stad", RAAP-Rapport 3398, d.d. 1 februari 2019). Dit onderzoek is toegevoegd aan Bijlage 2 bij deze toelichting. De kaartbijlagen behorende bij dit onderzoek geven een overzicht van de ‘afgedekte cultuurlandschappen’ met de bestaande en verdwenen landschapselementen (bijlage 3, de mate van herkenbaarheid van het prestedelijk landschap in de afzonderlijke deelgebieden (bijlage 4 en de onderbouwde waarde van nog bestaande prestedelijke objecten en structuren binnen het stedelijk gebied (bijlage 5).

Prestedelijke kenmerkenkaart

Op basis van de prestedelijke kenmerkenkaart is het plangebied gecategoriseerd als 'kampontginningen met plaatselijk essen'. Meer specifiek is dat Ka2 'akker met zichtbare perceelsscheidingen' en Kk2 'droge kampontginning met bebouwing'. In het zuidwesten van het plangebied is het gebied gecategoriseerd als beekdal met strookvormige verkaveling (Bs1 - in blauw). De blauwe stippellijn geeft de ligging aan van een oude beek, die nu niet meer aanwezig is. In het zuiden van het plangebied zijn ook historische nederzettinglocaties aangegeven, waaronder woonhuizen van voor 1832 en bijgebouwen. In onderstaande uitsnede is de sliffertsestraat aangegeven als 'weg van voor 1832'.

In het noorden van het plangebied is een bosperceel aangegeven van voor 1843. In de verbeelding van voorliggend plan is dat perceel als bestemming 'bos' aangeduid en blijft dus behouden. Verder zijn in het plangebied geen monumentale bomen aanwezig. Wel is een rij bomen zichtbaar die als 'basis' zijn beschouwd (aangegeven met groene bolletjes). Deze hebben dus geen monumentale waarde.

verplicht

Figuur 3.21: Uitsnede uit de Prestedelijke kenmerkenkaart. Bron: RAAP-rapport 3398 'Het landschap onder de stad' Gemeente Eindhoven, kaartbijlage 1 (2019).

Herkenbaarheid prestedelijk landschap

Het vaststellen van de herkenbaarheid is een middel om na te gaan in welke mate de kenmerken van het prestedelijk landschap nu nog in het stedelijk weefsel doorklinken. Op basis van onderstaande uitsnede is aangegeven dat een groot deel van het plangebied een hoge herkenbaarheid van prestedelijk landschap heeft (donker paars).

verplicht

verplicht

Figuur 3.22: Uitsnede uit de kaart Herkenbaarheid prestedelijk landschap, Bron: RAAP-rapport 3398, Het landschap onder de stad, Gemeente Eindhoven, kaartbijlage 2 (2019).

Waarderingskaart landschapselementen

Volgens de waarderingskaart landschapselementen heeft de Sliffertsestraat een 'pluswaarde' (groene lijn). Dit is geen hoge waarde. Wat betreft het opgaand groen heeft het bosperceel in het noorden een 'middenwaarde' en de bomenrij richting dit bosperceel heeft een 'middenwaarde' (gele stippellijn).

Op de kaart is ook een aftakking van de Sliffertsestraat aangegeven als 'zeer hoge waarde' (rode lijn). Vanwege deze 'zeer hoge waarde' van het paadje ten zuiden van het bosgebiedje wordt een zo groot mogelijk deel daarvan geborgd in de regels. Dit gebeurt door een dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 2' ter plaatse van dit pad op te nemen op de verbeelding. In de regels wordt bepaald dat daar zonder omgevingsvergunning geen werken of werkzaamheden (zoals bijv. het aanbrengen van (half)verhardingen) mogen worden uitgevoerd. Als op basis van de onderliggende andere bestemming(en) bouwwerken zijn toegestaan dan zijn deze ter plaatse van deze dubbelbestemming mogelijk, mits advies is ingewonnen bij de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of commissie ruimtelijke kwaliteit waaruit blijkt dat met het bouwen van het bouwwerk geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen. Als blijkt dat het bouwen van het bouwwerk leidt tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerken, kan aan de omgevingsvergunning de verplichting worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende elementen kunnen worden behouden. 

De historische bomenrij ten zuiden van het bosgebiedje wordt zoveel als redelijkerwijs mogelijk is behouden bij de (her)inrichting van dit gebied. Ten aanzien van de locatie van de oorspronkelijke Sliffertsestraat wordt aan de politie meegegeven dat de ligging een 'pluswaarde' heeft in het kader van cultuurhistorie en dat er mogelijkheden zijn om de ligging landschappelijk herkenbaar te maken.

verplicht

verplicht verplicht

Figuur 3.23: Uitsnede uit de Waarderingskaart landschapselementen, Bron RAAP-Rapport 3398, 'Het landschap onder de stad', gemeente Eindhoven, kaartbijlage 3 (2019).

3.7 Verkeer en parkeren     

3.7.1 Mobiliteit-verkeersgeneratie     

De mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen van Land Forum beschreven.

Autoverkeer

De wegencategorisering is in 'Eindhoven op Weg' geactualiseerd. Er is een nieuwe tussencategorie opgenomen ten opzichte van de vorige wegencategorisering: de zogenaamde 'wijk- en buurtontsluitingsweg'.



Het plangebied wordt ontsloten door de (te verleggen) Sliffertsestraat, welke niet specifiek is opgenomen in de mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' en daarmee behoort tot de erftoegangswegen. De Sliffertseslaat sluit aan de zuidkant vervolgens aan op een gebiedsontsluitingsweg, namelijk de Meerhovendreef.

verplicht

Figuur 3.27: uitsnede auto-infrastructuur Eindhoven (bron: Eindhoven op Weg, 2013).

Verkeersgeneratie Land Forum

Op basis van een verkeersberekening (Verkeersgeneratie politiehuisvesting Land Forum, d.d. 21-1-2021 van RoyalHaskoningDHV, Bijlage 6 bij deze toelichting) wordt als gevolg van de ontwikkeling van Land Forum tot de politielocatie een verkeersgeneratie van 3.233 motorvoertuigen per etmaal verwacht.

Onderzoeken (DTV Consultants, 'Politiehuisvesting Land Forum verkeersgeneratie, d.d. 25-09-2020, Bijlage 7 en ''Politiehuisvesting Land Forum Herijking verkeersgeneratie', DTV Consultants, november 2020, Bijlage 8) laten zien dat de ontwikkelingen niet direct gaan leiden tot verkeersknelpunten op de wegen en kruispunten in de omgeving van Land Forum. Als gevolg van de autonome groei worden er op langere termijn mogelijk wel knelpunten voorzien. De gemeente heeft hiervoor enkele mogelijke oplossingen in zicht zoals het anders afstellen van de verkeerslichten of het verlengen of toevoegen van de opstelstroken om af te slaan. Dit betreft vooral de met verkeerslichten geregelde kruising Meerhovendreef- Sliffertsestraat.

Rotonde Graslook-Sliffertsestraat en verlegging Sliffertsestraat

De politielocatie zal primair aan de zuidzijde ontsloten worden via de nog nieuw in te richten rotonde Graslook-Sliffertsestraat. Op dit moment is dit een T-kruising. Uit de Kruispuntverkenner van de CROW blijkt dat een enkelstrooksrotonde een zeer geschikte oplossing is voor deze nieuwe situatie dat ook verder in het ontwerpproces zal worden meegenomen.

Momenteel loopt de Sliffertsestraat in noord-zuidelijke richting dwars door het plangebied. Vanuit het oogpunt van veiligheidsbeheersing binnen de politielocatie is dit onwenselijk. Om de ontwikkeling van de politielocatie mogelijk te maken is het noodzakelijk om de Sliffertsestraat te verleggen. Daarom wordt de Sliffertsestraat verlegd in westelijke richting tussen de wijk Grasrijk en de beoogde politielocatie.

Ontsluiting politielocatie

De hoofdontsluiting van de locatie voor personeel, bezoekers en dienstvoertuigen komt aan de zuidzijde van Land Forum, op de nog nieuw in te richten rotonde Graslook-Sliffertsestraat. Aan de noordzijde van de locatie komt een secundaire in- of uitgang die gebruikt gaat worden voor een beperkt aantal functies.

Fietsverkeer

De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In de mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat drie soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid; snelfietsroutes, primaire fietsroutes en secundaire fietsroutes.

Het plangebied is goed bereikbaar met de fiets als gevolg van diverse (snel)fietsroutes in de omgeving. Vanuit Land Forum loopt er een primaire fietsroute, alsmede twee secundaire fietsroutes in de richting oost-west. Daarnaast bevinden er zich twee snelfietsroutes in de nabije omgeving, namelijk de snelfietsroute "Veldhoven - Helmond" en de snelfietsroute "Slowlane".

verplicht

Figuur 3.28: uitsnede fietsinfrastructuur Eindhoven (Bron: Eindhoven op Weg, 2013).



Openbaar vervoer

Eindhoven op Weg gaat uit van twee netwerken voor het openbaar vervoer: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen.



Het plangebied wordt aan de zuidzijde ontsloten door een HOV-netwerk, waar zich tevens een P+R bevindt. Zodoende is Land Forum uitstekend bereikbaar met het openbaar vervoer.

verplicht

Figuur 3.29: uitsnede OV-routes in Eindhoven (bron: Eindhoven op Weg, 2013).

3.7.2 Parkeren     

3.7.2.1 Autoparkeren     

De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een nieuwe ontwikkeling eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld. Hierin zijn normen vastgelegd voor parkeren. Deze nota is inmiddels geactualiseerd door de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019. In de nota staat hoe we omgaan met parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende functies zoals woningbouw, scholen en bedrijven.

De politiefunctie is dermate uniek dat niet voor al die functies gemeentelijke parkeernormen bestaan. Eind 2020 is er een ‘expert opinion’ opgesteld ("Politiehuisvesting Land Forum Herijking expert opinion parkeren, DTV Consultants, Bijlage 9) over het parkeren voor de politiehuisvesting op Land Forum. Daarbij is gekeken naar hoe de gemeentelijke parkeernormen kunnen worden toegepast en in welke mate het aantal parkeerplaatsen voor de politie verlaagd kan worden vanwege de aanwezigheid van een HOV-verbinding.

De parkeerbehoefte is volgens deze ‘expert opinion’ ruimschoots hoger dan volgens de gemeentelijke parkeernormen. Dit komt vooral door de opleidingsfuncties (IBT/OBT en Politieacademie) die op de politielocatie komen. Op een IBT/ODT komen politiemensen 1 of 2 keer per jaar van ver en ze hebben vaak veel bagage bij zich. Daarom ligt het autogebruik relatief hoog. En het autobezit bij studenten van de Politieacademie ligt veel hoger dan bij een reguliere ROC. Het komt dichter bij het autobezit bij een avondopleiding.

Het voorstel voor IBT/OBT is bij:

  • 120 cursisten per dag;
  • 40 personen werkzaam;
  • aanname 90% cursisten en begeleiders met de auto;
  • norm conform aanname: 1,2 pp per cursist (4/3*0,9=1,2)
  • aanwezigheidspercentages conform 'onderwijs' i.p.v. sport, cultuur en ontspanning
  • 1,2 * 120 (aantal cursisten)= 144 parkeerplaatsen.

Het voorstel voor politieacademie is bij:

  • 700 leerlingen, waarvan 200 gelijktijdig aanwezig;
  • betaalde opleiding dus hoger autobezit/gebruik;
  • Norm avondonderwijs is meer geschikt;
  • Norm 5,0 parkeerplaatsen per 10 studenten;
  • Aanwezigheidspercentage: conform functie Onderwijs (100% werkdag ochtend, 100% werkdag middag)
  • 200 * (5/10) = 100 parkeerplaatsen.

Op basis van het (voorlopige) programma van de politie voor Land Forum gaat het om circa 650 parkeerplaatsen voor werknemers en bezoekers + circa 350 stallingsplaatsen voor politievoertuigen. Daarbij is voor de ME loods geadviseerd om geen parkeerbehoefte hiervoor op te nemen in de berekening. Dit wordt geadviseerd omdat rondom de ME loods alleen verkeersbewegingen plaatsvinden bij incidenten, welke zich doorgaans niet overdag (het moment waarop de parkeerbezetting het hoogst is) voordoen. Het toekennen van dagelijkse/wekelijkse parkeerbehoefte overdag is niet reëel.

Besluit burgemeester en wethouders afwijken gemeentelijke parkeernormen

In dit plan wordt, conform het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 1 juni 2021, afgeweken van de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019. Uit samenspraak met de omwonenden is namelijk gebleken dat zij parkeeroverlast vrezen. Door af te wijken van de parkeernormen voor de opleidingsfuncties, overeenkomstig de hierboven genoemde ‘expert opinion’ van DTV Consultants (Bijlage 9), worden er meer parkeerplaatsen toegestaan op Land Forum. Hierdoor kan de Politie op eigen terrein in de parkeerbehoefte voorzien. In dit plan wordt uitgegaan van een parkeerbehoefte van circa 1.000 parkeerplaatsen op Land Forum. Het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om hierin te voorzien. Bovendien zijn (gebouwde) parkeervoorzieningen toegestaan binnen de bestemming 'Maatschappelijk - Politie' en maken die geen onderdeel uit van het maximale programma van 50.000 m2 bvo aan gebouwen. Hierdoor kan de Politie eenvoudig inspelen op de parkeerbehoefte.

In het kader van de nadere uitwerking van het planvoornemen zal er een mobiliteitsplan worden opgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 1 juni 2021 met betrekking tot afwijking van de parkeernormen uit de 'Actualisatie Nota Parkeernormen 2019' voor de opleidingsfuncties overeenkomstig de 'expert opinion' van DTV Consultants. Verder wordt daarbij het uitgangspunt gehanteerd dat de politie gratis parkeren (voor werknemers en bezoekers) op eigen terrein realiseert. Dit om parkeeroverlast te voorkomen in de nabijgelegen woongebieden.

Dat er in voldoende mate in parkeergelegenheid op eigen terrein moet worden voorzien overeenkomstig de 'Actualisatie Nota Parkeernormen 2019' en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 1 juni 2021, is in dit plan voorwaardelijk gesteld aan een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit. Deze is nodig voordat de Politie zich op Land Forum zich kan vestigen. Daarbij dient te worden aangetoond dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien.

3.7.2.2 Fietsparkeren     

In de 'Actualisatie Nota Parkeernormen 2019' zijn eveneens de fietsparkeernormen opgenomen, waarop uitgebreider zal worden getoetst en gehandhaafd. Bij besluit van 20 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders als uitwerking van de Actualisatie Nota Parkeernormen (2019) de Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen vastgesteld.

Het succes van een fietsenstalling hangt sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid, sociale veiligheid en het comfort ervan. Er zijn voorbeelden van stallingen waar fietsers onvoldoende gebruik van maken, terwijl er in de omgeving toch grote behoefte aan fietsparkeerplaatsen is. De aanwezigheid van een fietsenstalling op zich is nog geen garantie dat hij goed wordt gebruikt. De belangrijkste kwaliteitseisen voor toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid zijn om die reden vastgesteld.

Fietsparkeren maakt onderdeel uit van het door de Politie op te stellen mobiliteitsplan. Ook hier geldt de voorwaarde dat de Politie op eigen terrein in de fietsparkeerbehoefte moet voorzien overeenkomstig de 'Actualisatie Nota Parkeernormen 2019' en de 'Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen'. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat circa 25% van de gebruikers de fiets (of de scooter) gebruikt. Dit komt neer op circa 410 fiets-/scooterparkeerplaatsen, waarvoor één of meerdere inpandige stallingen zullen worden gerealiseerd.

3.8 Groen     

3.8.1 Groenbeleidsplan     

Begin 2017 is een actualisatie van het Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport.

Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan.

Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.

In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Uitgangspunt is steeds kwalitatief en duurzaam groen en zo min mogelijk verharding. Het groenplan moet argumenten bevatten waarom verharding wordt toegepast. Als het groenplan niet voldoet wordt gezocht naar een passende oplossing en/of is de Beleidsregel Groencompensatie c.q. Regeling Groencompensatiefonds (zie paragraaf hierna) van toepassing.

Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

verplicht verplicht

Figuur 3.30: Uitsnede Ruimtelijke Strategieënkaart.

Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als "Stad, groen beeldbepalend". De donkergroene gebieden hebben een natuurwaarde en zijn aangewezen als "natuur en landschap". In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategieen aangehouden:

Strategie 2: Stad, groen beeldbepalend

Het betreft gebieden met een bijzonder groen imago, vaak gelegen aan de periferie van de stad. Uitgangspunt voor deze gebieden is het behouden en ontwikkelen van het bijzondere groene karakter. Deze gebieden maken ook onderdeel uit van de groene kaart (onderdeel verordening bomen en nadere regels). Voor de kap van bomen (met een omtrek van 45 centimeter op een stam hoogte van 130 centimeter) in deze gebieden geldt een vergunning verplicht. Uitzondering hierop vormt de taxus welke vanaf een omtrek van 30 centimeter een vergunningplicht kent. Deze vergunningplicht geldt niet voor het plangebied van Meerhoven, waarbinnen Land Forum ligt (zie par. 3.8.2).

Strategie 6: Natuur en landschap

In deze gebieden staat het beoogde ongestoorde verloop van ecologische processen en de natuurontwikkeling voorop. Het beleid is erop gericht het contrast tussen stad en landschap te benutten door hierbij zoveel mogelijk scheiding van functies na te streven en deze gebieden te reserveren voor laagdynamisch grondgebruik: rustgebieden, behoud en ontwikkeling van natuur, landschappelijke samenhang en identiteit.

De gebieden omvatten het door het rijk en de provincie ontwikkelde Natuur Netwerk Nederland en een nadere detaillering van de door het provincie aangegeven Natuur Netwerk Brabant, ecologische verbindingszones en delen van de regionale natuurontwikkelingsgebieden. Behoud en ontwikkeling van natuur en landschap zijn in deze gebieden de primaire activiteiten, gecombineerd met extensief recreatief medegebruik (natuurbeleving).

Bestaande voorzieningen of gebouwen worden gedoogd, maar zullen voor zover ze niet ten dienste staan van het behoud of de ontwikkeling van natuur en landschap worden verwijderd na functiebeëindiging. Verstedelijking of andere ingrepen (infrastructuur) zijn in deze categorie niet aan de orde tenzij in zwaarwegende maatschappelijke belangen waarvoor alternatieven ontbreken en met toepassing van compensatie.

Beleidsregel groencompensatie

Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist. De Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen.

In deze beleidsregel wordt aangesloten bij het begrip ‘ruimtelijke ontwikkeling’ uit de provinciale omgevingsverordening. Een ruimtelijke ontwikkeling is een bouwactiviteit en/of planologische gebruiksactiviteit waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) een omgevingsvergunning is vereist. Het kan ook gaan om een gebruiksactiviteit waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, zoals de aanleg van parkeerplaatsen. Het betreft dus een bestemmingswijziging of afwijking van het planologisch gebruik voor een perceel (semi) openbaar groen, waarbij wordt uitgegaan van een ‘rode ontwikkeling’.

De Beleidsregel Groencompensatie is direct van toepassing op:

  • openbaar groen in eigendom van gemeente;
  • groen in eigendom van derden met een groene bestemming in het geldende bestemmingsplan.

Voor de overige groene gronden zet de gemeente Eindhoven in op het stimuleren van en inspireren tot het zorgvuldig omgaan met groen.

Er is een aantal uitzonderingen op de compensatievereisten uit deze Beleidsregel. Ten eerste is de Beleidsregel niet van toepassing op bomen. Voor bomen is namelijk een andere juridische regeling van toepassing: de Bomenverordening en Nadere Regels. Ten tweede geldt de Beleidsregel niet bij locaties buiten het bestaand stedelijk gebied, zoals aangegeven in de kaart behorend bij de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. In dat gebied is de omgevingsverordening leidend voor natuurcompensatie. Ten derde geldt deze Beleidsregel niet voor bestaande economische ontwikkelgebieden. Economische ontwikkelgebieden zijn in dit verband:

  • lopende projecten of toekomstige ontwikkellocaties waar al juridisch bindende afspraken over gemaakt zijn op papier in een anterieure overeenkomst, koopovereenkomst of collegebesluit, of waar al een vorm van compensatie heeft plaatsgevonden;
  • braakliggende terreinen (op grond van vigerende bestemmingsplan);
  • gebieden met in Groenbeleidsplan 2017 de strategie ‘Integrale ontwikkeling groen-rood’ (op grond van vastgestelde verhouding 40% rood en 60% groen);
  • aanleg van zeer beperkte verharding in het groen rond wegen/kanalen, ten behoeve van de publieke toegankelijkheid of het verkeerstechnisch functioneren (bijvoorbeeld voetpad naar bushalte).

Voorliggend plangebied in relatie tot Beleidsregel Groencompensatie

Het merendeel van het voorliggende plangebied was in eigendom van de gemeente Eindhoven en voornamelijk in gebruik voor (semi-)agrarische doeleinden, volkstuinen, openbaar groen, houtopstanden en infrastructuur. Verder is er nog een aantal percelen met bebouwing langs de Sliffertsestraat. De Beleidsregel Groencompensatie is van toepassing, tenzij één van de uitzonderingsgronden geldt. Voor onderhavige ontwikkeling geldt een uitzonderingsgrond omdat deze wordt aangemerkt als een economisch ontwikkelgebied als bedoeld in de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Dat onderhavig plangebied is aan te merken als een economisch ontwikkelgebied in die zin dat het is aan te merken als een braakliggend terrein (op grond van vigerende bestemmingsplan), wordt hieronder nader uitgelegd.

Het plangebied heeft op basis van het nu nog geldende bestemmingsplan "Meerhoven" de uit te werken bestemming 'kantoren en regionale voorzieningen (KRV)'. Deze gronden zijn o.a. bedoeld voor doeleinden van handel en bedrijf in de vorm van instellingen, kantoren, al dan niet voor de dienstverlening aan derden, en bedrijven in hoogwaardige technologie alsmede voor (recreatieve) grootschalige regionale voorzieningen. De nieuwvestiging van de politie past niet binnen deze bestemmingsomschrijving. Het begrip 'braakliggende terreinen' is niet gedefinieerd in dit bestemmingsplan. Ook uit de toelichting van dit bestemmingsplan blijkt niet dat deze gronden als 'braakliggend terrein' moeten worden aangemerkt. Aangezien het bestemmingsplan en de plantoelichting geen aanknopingspunten bieden voor de uitleg van het begrip 'braakliggende terreinen', kan volgens jurisprudentie voor de betekenis van dit begrip aansluiting worden gezocht bij hetgeen in het algemeen gangbare spraakgebruik daaronder wordt verstaan. De hedendaagse betekenis van het begrip "braakliggend terrein" is grond die op dat moment niet de beoogde functie (landbouw; stedenbouw) vervult. Het plangebied voldoet aan de bovengenoemde omschrijving van 'braakliggend terrein' en voldoet daarom aan de voorwaarden voor een economisch ontwikkelgebied als bedoeld in de 'Beleidsregel Groencompensatie'.

3.8.2 Beleid Bomen     

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld en de verordening met bijbehorende regels is op 23 april 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op:

- bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen;

- alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are;

- bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat.

Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing.

Het plangebied in relatie tot bomenbeleid

Bij de start van de ontwikkeling van Meerhoven is de beplanting van het projectgebied door de gemeente Eindhoven als één bosgebied aangemerkt en in behandeling genomen. Met de behandeling van alle bomen als één bosgebied werd gebruik gemaakt van de vrijstelling van het kapverbod. Een gefaseerde uitvoering van de werkzaamheden in Meerhoven heeft hierop geen invloed.

Op 26 augustus 1997 heeft Gedeputeerde Staten de “Notitie toepassing compensatiebeginsel Noord-Brabant 1997” vastgesteld. Op grond van deze Notitie moet voor het plangebied Meerhoven, op basis van de gehanteerde omrekenfactoren, circa 47 ha bos gecompenseerd worden. Op basis daarvan heeft de gemeente Eindhoven een bestuurlijke intentieverklaring met betrekking tot de boscompensatie aan het bestuur van Provincie Noord-Brabant kenbaar gemaakt. Met het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, gemeente Nuenen c.a. en gemeente Mierlo is een bestuursovereenkomsten getekend voor de feitelijke boscompensatie.

De gemeente Eindhoven compenseert circa 7 ha binnen het plangebied Meerhoven. De resterende 40 ha wordt gecompenseerd in het Vaarlese Bos, vastgelegd in het rapport “Bosplan Vaarle” d.d. 15 februari 2001, zoals in opdracht van SRE opgesteld.

Met ingang van 27 november 2018 is door de gemeenteraad van Eindhoven een nieuwe begrenzing van de Wet Natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Land Forum ligt buiten de bebouwde komgrens ingevolge de Wnb. Voor de gebieden waar in het kader van de ontwikkeling van Meerhoven in de toekomst nog bomen worden gekapt gelden de eerder gemaakte afspraken aangezien deze gebieden voorlopig nog vallen onder de Wnb.

De Wet natuurbescherming vervangt sinds 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Deze verandering maakt dat procedures zijn veranderd. Waar voorheen de kapmelding bij het ministerie moest worden gedaan moet deze sinds genoemde datum bij de provincie worden gedaan. De eerder genoemde vrijstelling blijft van kracht.

Groen in het plangebied

De gronden waren in het voorgaande bestemmingsplan bestemd voor kantoren en (recreatieve) grootschalige regionale voorzieningen. Aangezien de gronden reeds 30 jaar niet ontwikkeld zijn heeft groen de vrije ruimte gekregen. Het groen bepaalt tot 2022 het beeld van Land Forum en is om die reden in de strategische kaart van het Groenbeleidsplan 2017 als beeldbepalend stadsgroen aangeduid. De ambitie van de gemeente Eindhoven streeft naar de instandhouding van groen als beeldbepalende factor op deze locatie. De donkergroene gebieden op deze strategische kaart, natuur en landschap, hebben een natuurwaarde. Het Beatrixkanaal en de aangrenzende oever in zuidwestelijke richting (ca. 25 meter vanaf kanaal) is aangeduid als NNB-ecologische verbindingszone volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De aangrenzende wijk (Grasrijk) in rood is ‘stadsrood beeldbepalend’, ofwel bebouwing en verharding heeft hier de overhand. Dit zijn groenarme gebieden. Voor deze groenarme gebieden is het van extra belang (leefbaarheid, klimaat, gezondheid) om op loopafstand voldoende groen in de omgeving te hebben.

In het kader van de nadere uitwerking van het planvoornemen zal er een groenplan worden opgesteld. Dit groenplan moet worden gebaseerd op de procesafspraken die daarover zijn gemaakt in het kader van het Groenbeleidsplan 2017.

Wanneer in het plangebied sprake is van activiteiten met betrekking tot het kappen van bomen, is de bescherming van bomen niet geregeld in het bestemmingsplan (zie hierboven onder kop: "Het plangebied in relatie tot bomenbeleid").

3.9 Maatschappelijke voorzieningen     

Een groot gedeelte van het plangebied bevat een maatbestemming onder de noemer "Maatschappelijk - Politie", specifiek bedoeld voor de ontwikkeling van een multifunctionele politielocatie. Het merendeel daarvan zal niet openbaar toegankelijk zijn (uitsluitend enkele onderdelen op afspraak).

3.10 Sport en recreatie     

Binnen de politielocatie zullen onder andere sportvoorzieningen worden gerealiseerd, uitsluitend ten dienste van (het opleidingscentrum van) de Politie. De groene overgangszone tussen Grasrijk en de politielocatie kan worden gebruikt voor recreatieve doeleinden.

 

3.11 Horeca     

Op 11 maart 2014 heeft de gemeenteraad het nieuwe horecabeleidsplan 'Kennis maken met een gastvrije stad' vastgesteld. De nota is op 2 november 2016 gepubliceerd. Eindhoven wil aantrekkelijk zijn om er te komen, verblijven, studeren, wonen en werken. Horeca speelt hierbij een belangrijke rol. Het horecabeleidsplan bevat een aantal speerpunten om ervoor te zorgen dat de horeca in Eindhoven kan meebewegen met de ontwikkelingen in de stad. De gemeente wil de vestiging van kwalitatief goede horecabedrijven stimuleren. Daarbij is een wederzijdse versterking van de nabije andere functies belangrijk. Om dit bewerkstelligen maakt het horecabeleidsplan onderscheid gebiedtypen en in typen horeca.

Typen horeca

Het horecabeleidsplan maakt onderscheid in twee typen horeca:

Nat & Droog

Het al dan niet schenken van alcohol is vanuit de taken van de overheid zeer bepalend. Om die reden is een eerste onderscheid naar nat en droog logisch. Indien een horecabedrijf geen alcoholische dranken verstrekt, wordt deze gerekend tot de droge horeca. Natte horeca verstrekt alcoholische dranken.

Dag, Avond & Nacht

Naast de indeling op basis van het schenken van alcoholhoudende dranken moeten we echter ook kijken naar de exploitatietijden. Op basis hiervan kan worden gekeken naar de tijden waarop een horecabedrijf invloed heeft op zijn omgeving. Ook dit heeft weer een verband met wanneer de overheid welke taak heeft. Hierin kunnen in beginsel drie typen worden onderscheiden: dag-, avond en nachthoreca. Van belang is hierbij de combinatie met nat of droog.

Regels over het schenken van alcohol en openingstijden zijn opgenomen in de drank- en horecawet en in de APV. In het bestemmingsplan worden hierover geen regels opgenomen. Wel wordt in het bestemmingsplan opgenomen welke vorm van horeca is toegestaan.

Gebiedstypen

In het horecabeleidsplan wordt onderscheid gemaakt in drie gebiedstypen:

  1. Stimuleringsgebied: gebieden waar uitbouw van de horecasector mogelijk is.
  2. Toelatingsgebied: gebieden waar per aanvraag wordt bezien of nieuwe horeca of uitbreiding van bestaande horeca inpasbaar is. Dit is afhankelijk van onder andere infrastructuur, woonbelangen, levendigheid, leefbaarheid en milieu-aspecten.
  3. Restrictiegebied: gebieden waar (vanuit leefbaarheid) een vermindering van het aantal horecavestigingen wordt nagestreefd.

Per deelgebied of cluster wordt aangegeven welk gebiedstype van toepassing is.



Het plangebied

Het plangebied valt in de toekomstige situatie het best te classificeren als een werklocatie. Het betreft zodoende een toelatingsgebied op basis van het horecabeleidsplan.

verplicht

Figuur 3.31: Uitsnede gebiedstypen uit het horecabeleidsplan.

Werklocaties

De werkgelegenheidsstructuur van Eindhoven is de afgelopen decennia fundamenteel gewijzigd. Eindhoven is getransformeerd van een industriestad naar een stad waar de meeste mensen in een kantoor(achtige) omgeving werken. De werklocaties in de stad zijn dienovereenkomstig meeveranderd. Fabriekslocaties (vooral van Philips) hebben de laatste jaren plaats gemaakt voor moderne bedrijventerreinen en kantoorlocaties. Geheel in lijn met de traditionele ruimtelijke ordeningskaders, zijn vanaf de jaren '80 de meeste van deze werklocaties monofunctioneel opgezet. Wonen, werken en recreëren zijn zoveel mogelijk gescheiden van elkaar gehouden. Mede ingegeven door Het Nieuwe Werken en bijbehorende technische ontwikkelingen op ICT-gebied, is de laatste jaren een weg ingeslagen waarbij werken steeds meer wordt vermengd met wonen en vrije tijd. Dit stelt andere eisen aan de werklocatie van de toekomst; monofunctionaliteit is 'uit'. Mensen willen juist in een multifunctionele omgeving werkzaam zijn, waarbij men de mogelijkheid heeft om onder werktijd - dan wel aansluitend daarop - een boodschap te doen, iets te gaan eten of drinken, mensen te ontmoeten, etc. Horecavoorzieningen kunnen zo van toegevoegde waarde zijn op een werklocatie. Het biedt mensen de mogelijkheid om elkaar zakelijk te ontmoeten, het kan bijvoorbeeld fungeren als 'aanlandplek' tussen twee afspraken. De High Tech Campus Eindhoven geldt in dat opzicht als een veel geprezen voorbeeld.

Het onderbrengen van een horecavoorziening op een werklocatie kan dus een meerwaarde hebben voor het gebied en zijn 'bewoners'. Het uitgangpunt is daarbij wel dat dergelijke horeca-inrichtingen alleen zijn toegestaan voor zover deze ondersteunend zijn aan de hoofdfunctie van het gebied. Door een plaats te creëren voor zakelijke ontmoetingen, lunches of avondeten, wordt ruimte geboden aan de hierboven genoemde nieuwe manier van werken. Voorwaarde is wel dat op de werklocatie zelf voldoende draagvlak aanwezig is om de voorziening draaiende te houden. Afhankelijk van de grootte van dat draagvlak, is er ruimte voor één of meer voorzieningen. Het is aan de initiatiefnemer om dit aan te tonen. Avond- en nachthoreca heeft op een werklocatie géén toegevoegde waarde. Een horeca-inrichting op een werklocatie kan dus géén zgn. autonome (evenement)functie (of feestfunctie) hebben. Ook een logiesfunctie is normaal gesproken niet toegestaan. Werklocaties worden aangemerkt als toelatingsgebied.

Politielocatie Land Forum

In het horecabeleidsplan is deze locatie ook als een nieuw te ontwikkelen werklocatie genoemd. De voorgenomen politielocatie op Land Forum wordt een cluster van verschillende politiediensten. Ontmoeting staat hier centraal, waarbij een horecagelegenheid een uitstekende facilitator is. Op basis van dit plan is ondergeschikte horeca dan ook toegestaan.

3.12 Kantoren     

De Kantorenstrategie 2012-2020 (vastgesteld op 26 juni 2012) van de gemeente Eindhoven is verschenen midden in de financiële crisis van 2008 tot circa 2014. Deze crisis liet onder andere zijn sporen na op de nationale vastgoedmarkt. De kantorenmarkt kende toen vrijwel overal een hoog leegstandscijfer, zo ook in Eindhoven. Vandaar dat toen een gemeentelijk kantorenbeleid is ontwikkeld dat zich niet alleen richt op het voeren van regie op de nieuwbouw kantorenmarkt. Juist op de bestaande markt zijn maatregelen geïntroduceerd om deze gezonder te maken. Dat vraagt enerzijds om een positieve en actieve grondhouding van gebouweigenaren. Anderzijds is er vaak nog een (andere) vastgoedpartij nodig die op creatieve wijze met de leegstand aan de slag wil gaan. De gemeente Eindhoven speelt daarbij vooral een stimulerende en faciliterende rol. De Eindhovense werkwijze is toentertijd afgestemd met de andere 'kantoorgemeenten' in de stedelijke regio. Dit is vastgelegd in een 'Regionale programmering kantoorlocaties' d.d. november 2013.

Op de bestaande kantorenmarkt ligt de focus op het goed op elkaar afstemmen van vraag en aanbod op de Eindhovense kantorenmarkt in kwantitatieve én kwalitatieve zin. Op die manier ontstaat een goede balans met toekomstbestendige locaties die bijdragen aan de realisatie van de Brainport-ambities van stad en regio. Binnen Eindhoven worden drie afzonderlijke nieuwbouw kantorenmilieus onderscheiden, te weten Stationsgebied, Strijp-S en Flight Forum. Deze verschillende kantorenmilieus voorzien in een specifieke en onderscheidende behoefte. Het is belangrijk om deze onderscheidende kwaliteiten de komende jaren verder uit te bouwen. Het is daarnaast belangrijk dat ongebreidelde groei van de kantorenvoorraad, door toevoeging van niet-duurzame c.q. niet-toekomstbestendige nieuwbouw, wordt voorkomen. Kantoorgebruikers die op zoek zijn naar nieuwe huisvesting worden daarom zoveel mogelijk bediend op de bestaande kantorenmarkt. Nieuwbouw van kantoren op geprioriteerde locaties en door middel van toekomstbestendige gebouwen is met inachtneming van de hiervoor genoemde uitgangspunten mogelijk op de geprioriteerde locaties.

De gemeente Eindhoven werkt, uiteraard passend binnen wet- en regelgeving, mee aan de transformatie van leegstaande kantoren op het moment dat het een 'kansarm' gebouw betreft. We spreken van 'kansarm' op het moment dat de kans dat het gebouw nog als kantoor verhuurd kan worden, niet groot is. Op die manier draagt het beleid bij aan een gezonde, Eindhovense kantorenmarkt.

Politielocatie Land Forum

Land Forum behoort niet tot de bovenstaande prioritaire gebieden. Desondanks zullen er op Land Forum onder andere kantoorfuncties ten dienste van de Politie worden gerealiseerd. Dit is immers noodzakelijk vanuit de gedachte om verschillende politiefuncties op één locatie te clusteren.

3.13 Kabels, leidingen en straalpaden     

In het kader van dit bestemmingsplan is een klic-melding verricht, waaruit blijkt dat er diverse kabels en leidingen door het plangebied lopen (met name aan de randen en onder de Sliffertsestraat). Dit zijn reguliere kabels/leidingen waarvoor geen dubbelbestemming hoeft te worden opgenomen.

3.14 Windhinder en bezonning     

3.14.1 Windhinder     

Op basis van artikel 3.1. Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft.

Onderzoek

Er is een expert opinion uitgevoerd ter beoordeling van de verwachte windhinder rondom het nieuwbouwplan. Dit rapport is toegevoegd als Bijlage 10 bij deze toelichting.

Aan de zuidzijde van het plangebied is hoogbouw voorzien. De gemeente Eindhoven heeft op 1 juni 2021 het besluit genomen om aan de zuidzijde een hoogbouwaccent toe te staan.

In de hoogbouw worden de politiefuncties kantoor, forensische opsporing en een restaurant gehuisvest. De verwachte bouwhoogte wordt maximaal 45 meter (inclusief eventuele installaties op het dak), wat inhoudt dat volgens de norm NEN8100 een kwantitatief onderzoek noodzakelijk is. Verder wordt volgens de 'Beleidsregel gemeentelijke normen windhinder' van de gemeente Eindhoven elk hoog gebouw getoetst op verschillende aspecten, onder andere windhinder. Een goed klimaat is volgens dit beleid een absolute vereiste voor een verantwoorde toepassing van hoogbouw in Eindhoven.

Omdat het plan nog in een ontwikkelfase zit en nog een aantal varianten wordt onderzocht, is ten behoeve van de wijziging van het bestemmingsplan eerst een kwalitatief onderzoek uitgevoerd.

Het onderzoek toont aan dat er verschillende plaatsen in het plangebied zijn waar het windklimaat naar verwachting voor verbetering vatbaar is, maar dit is afhankelijk van de uiteindelijke uitwerking van het voornemen. Daarnaast wordt geconcludeerd dat er in verschillende delen van het zuidelijke plangebied een risico bestaat dat het windklimaat matig of slecht is volgens de toetsingscriteria zoals genoemd in de norm NEN8100 "Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving". In overweging kan worden genomen de windsnelheid af te remmen om het windklimaat te verbeteren. Het windklimaat kan naar verwachting verbeterd worden met het aanbrengen van windremmende obstakels in het plangebied.

Om de precieze windhinder beter weer te geven wordt in dit onderzoek geadviseerd om bij de nadere uitwerking van het voornemen een kwantitatief onderzoek uit te voeren om de windhinder en windgevaarkansen te bepalen. Op basis daarvan kunnen eveneens uitspraken worden gedaan over de noodzakelijkheid (en de effectiviteit) van eventuele maatregelen.

Conclusie en vervolg

Het planvoornemen kan mogelijk leiden tot een verslechtering van het windklimaat, maar dit is afhankelijk van de uitwerking. Voor het bouwen van gebouwen is, conform NEN8100:2006 en de 'Beleidsregel gemeentelijke normen windhinder' (Gemeenteblad 04-06-2020, nr. 141113) nader onderzoek noodzakelijk om te bepalen of het windklimaat in de nieuwe situatie aanvaardbaar is of dat hiervoor maatregelen noodzakelijk zijn. Dit is dan ook één van de beoordelingscriteria voor een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit.

3.14.2 Bezonning     

Er bestaan geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning of op een balkon. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. Deze beleidsruimte heeft de gemeente Eindhoven ingevuld door in 2017 de 'beleidsregels voor bezonning woningen' vast te stellen. Volgens deze beleidsregels is ten aanzien van zonlicht in de woning onder andere het volgende bepaald:

In de periode van 19 februari t/m 21 oktober moet minimaal 2 uur zonneschijn per dag aanwezig kunnen zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer.

In de gemeentelijke beleidsregels ten aanzien van zonlicht op het balkon is het volgende bepaald:

In de periode van 21 maart t/m 21 september moet minimaal 2 uur zonlicht aanwezig kunnen zijn op enig punt op het balkon. Zonlicht op het balkon mag in de nieuwe situatie in tijdsduur niet meer dan 50% verminderen dan in de bestaande situatie.

Beschouwing

Dit plan maakt twee maximale bouwhoogten mogelijk, namelijk 15 meter aan de noordzijde en 45 meter aan de zuidzijde van Land Forum. Met name de bebouwing hoger dan 15 meter zou kunnen leiden tot een afname van zonlicht op reeds aanwezige bebouwing. Het is daarom van belang om hier rekening mee te houden. Op voorhand gebeurt dit al door de groenbuffer, alsmede de (verlegde) Sliffertsestraat, tussen Grasrijk en de beoogde politielocatie. Anderzijds wordt hier bij de nadere uitwerking rekening mee gehouden.

Conclusie en vervolg

Een afname van bezonning vormt op voorhand geen belemmering voor het planvoornemen. Bij de nadere uitwerking is, ten aanzien van gebouwen hoger dan 15 meter een bezonningsstudie vereist in het kader van de omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit. Daarbij moet worden voldaan aan de in 2017 vastgestelde 'beleidsregels voor bezonning woningen' of een opvolger daarvan.

Hoofdstuk 4 Milieuparagraaf     

4.1 Milieueffectrapportage     

4.1.1 Wettelijk kader     

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld.

Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht.

De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen:

  • Kolom 1: de activiteit zelf
  • Kolom 2: drempelwaarden activiteit
  • Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan)
  • Kolom 4: de besluiten

De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.

In dit kader is 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang. Het gaat daarbij om "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen". Daarbij gelden de volgende drempelwaarden alvorens het opstellen van een MER verplicht is:

  • ontwikkeling van >100 hectare;
  • ontwikkeling van >2.000 woningen; of
  • ontwikkeling van >200.000 m2 bedrijfsvloeroppervlakte.



Het voornemen bevindt zich (ruim) onder deze drempelwaarden, waardoor een MER niet op voorhand verplicht is. Door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient beoordeeld te worden of belangrijke nadelige milieueffecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is bij deze toelichting (Bijlage 11) gevoegd.

4.1.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling     

Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben:

  1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen);
  2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving);
  3. de mogelijke gevolgen van de activiteit.

Kenmerken van de activiteit

Het voornemen betreft de realisatie en exploitatie van een multifunctionele politielocatie, waarbinnen diverse politiediensten worden gehuisvest. Het brutovloeroppervlak aan bebouwing is door middel van dit bestemmingsplan begrensd op 50.000 m2 (excl. parkeervoorzieningen). Met het oog op deze ontwikkeling en de veiligheidsbeheersing binnen het uiteindelijke complex dient de Sliffertsestraat te worden verlegd. Verder loopt er een A-watergang (de Rundgraaf) in oost-westelijke richting, dwars door het plangebied en de beoogde politielocatie. De Politie past deze watergang in bij het stedenbouwkundig ontwerp. Als (beperkte) verlegging van de watergang vanuit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk blijkt, wordt de waterhuishoudkundige functie van de watergang geborgd. Dit gebeurt in afstemming met het waterschap.

Verder wordt de westelijke rand van het bestemmingsplangebied, tussen de politielocatie en Grasrijk, ingericht als groene zone van minimaal 25 meter breed die dient als verblijfsruimte voor de buurt en deels als waterberging kan worden ingezet. Aan de zuidzijde van het plangebied kan een hoogteaccent worden gerealiseerd (max. 45 meter). De exacte uitwerking van het algehele voornemen is op dit moment nog niet in detail bekend. Op grond van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is dat ook niet noodzakelijk.

De ontwikkeling wordt op grond van het bestemmingsplan begrensd op maximaal 50.000 m2 bvo aan politiegerelateerde activiteiten (excl. parkeervoorzieningen en functioneel terrein). Het gaat dan bijvoorbeeld om kantoor- en opleidingsfuncties, maar ook om ME- en opsporingsdiensten, een schietinrichting en een cellencomplex. In het kader van externe veiligheid wordt het cellencomplex beschouwd als een (zeer) kwetsbaar object waar verminderd zelfredzame personen verblijven. Daarom wordt in de regels opgenomen dat er geen functies met verminderd zelfredzame personen zijn toegestaan binnen 200 meter van de A2. Opleidingsfuncties (theorie-onderwijs) worden aangemerkt als geluidsgevoelige functies in de zin van de Wet geluidhinder. Ten aanzien van de realisatie van gebouwen (of delen daarvan) waar theorie-onderwijs wordt gegeven, wordt in de planregels geborgd dat een akoestisch aanvaardbaar klimaat wordt gegarandeerd.

Op basis van een realistische invulling, waaronder de verkeersaantrekkende werking, is onderzocht of de ontwikkeling vanuit milieukundig oogpunt haalbaar is. Ten tijde van de vergunningfase dient, op basis van een uitgewerkt plan, nader gemotiveerd te worden dat er geen belangrijke negatieve effecten voor het milieu zijn. Dit wordt geborgd in de planregels bij het bestemmingsplan.

Locatie van de activiteit

Het plangebied bevindt zich binnen de wijk Meerhoven in het westen van Eindhoven en maakt onderdeel uit van de buurt Grasrijk. Het plangebied is gelegen tussen woonbebouwing in het westen en de snelweg A2 en het Beatrixkanaal aan de oostzijde. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door de Meerhovendreef, aan de noordzijde door bebossing en de kruising tussen de Sliffertsestraat en het fietspad. Zodoende maakt het plangebied zonder meer onderdeel uit van het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven. Er bevinden zich geen gebieden behorende tot Natura 2000 in de nabije omgeving van het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Het Beatrixkanaal en de aangrenzende oever in zuidwestelijke richting (ca. 25 meter vanaf kanaal) is aangeduid als NNB-ecologische verbindingszone. Het planvoornemen voorziet niet in uitbreiding in het NNB-gebied, waardoor hierop geen sprake is van een directe invloed.

Mogelijke gevolgen van de activiteit

In de navolgende paragrafen en hoofdstukken (met name hoofdstuk 4) komen de milieuaspecten aan bod, waarbij onderscheid is gemaakt tussen (globale) onderzoeken die in het kader van dit bestemmingsplan zijn verricht en vervolgonderzoeken die (mogelijk) moeten plaatsvinden alvorens een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit kan worden verleend (welke noodzakelijk is voordat de politielocatie kan worden gerealiseerd). Het maximale programma is dusdanig afgebakend dat belangrijk negatieve milieueffecten niet worden voorzien. Bovendien is een ontwikkeling uitsluitend mogelijk als de aanvaardbaarheid van deze milieuaspecten wordt aangetoond ten tijde van de vergunningaanvraag. Zodoende zijn belangrijke nadelige milieueffecten als gevolg van het voornemen uitgesloten.

4.1.3 Conclusie     

Belangrijke nadelige milieugevolgen als gevolg van dit initiatief zijn uitgesloten. Een milieueffectrapportage is niet noodzakelijk.

4.2 Bedrijven en milieuzonering     

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.

In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.

4.2.1 Staat van bedrijfsactiviteiten     

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
  • de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk';
  • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.

De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand.

  • categorie 1: grootste afstand 10 meter;
  • categorie 2: grootste afstand 30 meter;
  • categorie 3.1: grootste afstand 50 meter;
  • categorie 3.2: grootste afstand 100 meter;
  • categorie 4.1: grootste afstand 200 meter;
  • categorie 4.2: grootste afstand 300 meter;
  • categorie 5.1: grootste afstand 500 meter;
  • categorie 5.2: grootste afstand 700 meter;
  • categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter;
  • categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.

4.2.2 Beoordeling     

Dit plan maakt een multifunctionele politielocatie mogelijk, op minimaal 50 meter afstand van de wijk Grasrijk (rekening houdend met de huidige infrastructuur, de groene overgangszone van minimaal 25 meter en de westelijke verlegging van de huidige Sliffertsestraat). Het is echter nog niet geheel bekend welke functies hier zullen worden gehuisvest en hoe deze zullen worden gepositioneerd op het terrein. Gelet op de afstand tussen de dichtstbijzijnde woningen en de politielocatie lijken functies tot en met categorie 3.1 in ieder geval aanvaardbaar, bezien vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering en een classificatie 'rustige woonwijk'.

De te vestigen functies op Land Forum kunnen echter variëren van kantoren ten behoeve van openbare dienstverlening (categorie 1) tot en met schietinrichtingen (binnenbanen behoren bijvoorbeeld tot categorie 4.1 met een richtafstand van 200 meter). Op basis van de grootte en de positionering van Land Forum is het mogelijk om al deze functies te huisvesten zonder dat dit tot onaanvaardbare hinder voor de omgeving leidt. Dit is geborgd door middel van een vereiste omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit. Bij de aanvraag hiervan dient te worden aangetoond dat het voornemen aanvaardbaar is conform VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.

4.2.3 Conclusie en vervolg     

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt op voorhand geen belemmering voor het planvoornemen. Bij de nadere uitwerking dient het aspect nader beschouwd te worden, alvorens een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit kan worden verleend.

4.3 Geluid     

4.3.1 Wettelijk kader     

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken.

De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.

Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

In het voorliggende plangebied bevinden zich momenteel enkele geluidsgevoelige bestemmingen (woningen). Deze worden niet ingepast binnen de politielocatie en worden zodoende niet meegenomen in het onderzoek. Binnen de politielocatie worden opleidingsfuncties gevestigd, zoals de Politieacademie en Integrale Beroepsvaardigheids Training (IBT) en Operationele Begeleiding en Training (OBT). Voor zover het theorielokalen betreft kunnen deze worden beschouwd als geluidgevoelige functies/ruimten. De exacte akoestische situatie kan echter het best worden beschouwd bij de nadere uitwerking. Daarom is de akoestische situatie als gevolg van wegverkeerslawaai in het akoestisch onderzoek geïnventariseerd en zijn er aanbevelingen gedaan.

In het plangebied ligt de Sliffertsestraat. Deze weg is nu voor een deel een 30 km/uur en voor een deel 50 km/uur. De Sliffertsestraat wordt verlegd in westelijke richting en wordt binnen het plangebied ten noorden van de nieuwe rotonde Sliffertsestraat-Graslook 30 km/uur. Daarom heeft dit deel van deze weg geen zone als bedoeld in de Wet geluidhinder. Ten zuiden van deze nieuwe rotonde geldt 50 km/uur.

Onderzoek

Door Royal HaskoningDHV is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (d.d. 6 mei 2022, Bijlage 19 bij deze toelichting), waarbij zowel naar wegverkeerslawaai als naar industrielawaai is gekeken op basis van een realistisch scenario. Concreet is aandacht besteed aan de volgende vier geluidsaspecten:

  • De directe geluidsuitstraling vanwege activiteiten op het terrein richting de woningen van derden in de omgeving, alsmede de verkeersaantrekkende werking hiervan;
  • Geluidbelasting ter plaatse van (mogelijk) geluidgevoelige gebouwen/ruimten op het politieterrein, als gevolg van overige activiteiten op de politielocatie;
  • Wegverkeerslawaai van de Sliffertsestraat (na verlegging) ter plaatse van nabijgelegen woningen;
  • Wegverkeerslawaai ter plaatse van (mogelijk) geluidgevoelige onderwijsgebouwen/ -ruimten op de politielocatie.

In de paragrafen hierna worden de onderzoeksresultaten van deze aspecten kort toegelicht. Tevens wordt ingegaan op luchtvaartlawaai.

4.3.2 Wegverkeerslawaai     

Wegverkeerslawaai Sliffertsestraat op nabijgelegen woningen

Het planvoornemen maakt het noodzakelijk de Sliffertsestraat te verleggen. Het bestemmingsplan neemt hiervoor een reserveringsstrook op waarbinnen de Sliffertsestraat kan worden verlegd (aanduiding 'overige zone - reservering verlegging Sliffertsestraat' op de verbeelding). Voor de Sliffertsestraat gaat een maximumsnelheid van 30 km/u gelden, met uitzondering van het deel ten zuiden van de nieuwe rotonde (50 km/u). In de huidige situatie is de Sliffertsestraat een 50 km/u-weg (binnen het plangebied, aan de noordzijde is het reeds 30 km/u). Voor een 30 km-weg is toetsing aan de Wet geluidhinder niet van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting vanwege deze weg toch in beeld gebracht. Dit is ook in beeld gebracht omdat 30 km/u wegen onder de Omgevingswet wel moeten worden meegenomen bij het bepalen van de geluidaandachtsgebieden. Daarbij is het geluid van beide gedeeltes van de Sliffertsestraat gecumuleerd.

Er is gerekend met de gehanteerde worst-case verkeerscijfers voor het jaar 2030 (3.233 motorvoertuigbewegingen per etmaal), welke bestaan uit het autonome verkeer (incl. huidige woningbouwontwikkelingen in de nabije omgeving) en de verkeersaantrekkende werking vanwege de politielocatie. In de autonome situatie kan de akoestische kwaliteit als goed worden omschreven. Betreffende wegverkeerslawaai zijn er geen bezwaren voor de verlegging van de Sliffertsestraat.

Als gevolg van reflectie door dichte bebouwing van de politie kan de geluidsbelasting op woningen toenemen. De verwachting is dat deze toename beperkt is en maximaal 1 dB bedraagt.

Wegverkeerslawaai ter plaatse van (mogelijk) geluidgevoelige gebouwen/ruimten op de politielocatie

Op de politielocatie worden onderwijsfuncties gerealiseerd, waarbij onderwijsruimten waar theorieles wordt gegeven als geluidgevoelig worden beschouwd. Daarom is het noodzakelijk om de geluidsbelasting vanwege omliggende wegen te berekenen en hiermee rekening te houden bij de uitwerking van het voornemen. Vanwege omliggende wegen geldt de volgende hoogst toelaatbare geluidbelasting op basis van de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder:

  • 53 dB vanwege de A2/N2;
  • 63 dB vanwege overige wegen (m.n. Sliffertsestraat en Meerhovendreef).

Vanwege de A2/N2 wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor het hele plangebied overschreden. Voor een groot deel van het plangebied wordt zelfs de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder overschreden. Dit betekent dat op die locaties maatregelen moeten worden getroffen aan de mogelijk te treffen geluidgevoelige onderwijsruimtes, zoals dove gevels of het benutten van afschermende bebouwing. Ten aanzien van de Sliffertsestraat en de Meerhovendreef is de overschrijding beperkt (alleen in het zuiden, waar een maximumsnelheid van 50 km/u zal gelden).

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ruimten voor theorie-onderwijs mogelijk zijn, maar niet zonder meer op iedere locatie. Vanwege de A2/N2 wordt de maximale waarde overschreden. Realisatie van onderwijsfuncties (theorie) is hier alleen mogelijk als er hogere waarden worden vastgesteld en er maatregelen worden genomen. Om geluidgevoelige gebouwen/ruimten op de politielocatie mogelijk te maken wordt daarom ten aanzien van de A2/N2 hogere waarden vastgesteld tot 53 dB en ten aanzien van de Meerhovendreef en de Sliffertsestraat wordt hogere waarden vastgesteld tot 63 dB.

Het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet (art. 7c lid 9) maakt het mogelijk om hogere waarden in het bestemmingsplan vast te stellen. Hiervoor hoeft geen aparte hogere waardenprocedure op grond van de Wet geluidhinder te worden doorlopen. In het bestemmingsplan wordt hier met het oog op toekomstige ruimten voor theorie-onderwijs op Land Forum invulling aan gegeven door, met inachtneming van het gemeentelijk geluidbeleid, de volgende hogere waarden in het bestemmingsplan op te nemen:

Locatie A2/N2 Sliffertsestraat Meerhovendreef
Overige zone – ontwikkelgebied politielocatie Land Forum 53 dB 63 dB 63 dB

Bij de nadere uitwerking van het voornemen is door middel van de omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit geborgd dat ook in onderwijsruimten aan de geluidnormen wordt voldaan.

4.3.3 Industrielawaai     

Industrielawaai richting nabijgelegen gevoelige functies (woningen)

Het uitvoeren van een gedetailleerd geluidsonderzoek voor industrielawaai is nu nog niet mogelijk, omdat het voornemen nog nader moet worden uitgewerkt. In het door Royal HaskoningDHV uitgevoerde geluidonderzoek (Bijlage 19) is wel een inschatting gemaakt van de effecten van de politielocatie op omliggende woningen, op basis van (1) de richtafstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering, (2) (inventariserend) geluidsonderzoek door Sweco en (3) het integraal ambitiedocument Land Forum (2021). Hieruit blijkt dat met name het cluster Trainen en Opleiden veel geluid produceert. Positionering aan de noord-/oostzijde ligt daarom het meest voor de hand. Ook ten aanzien van een beoogde schietinrichting (goed geïsoleerde binnenschietbaan) zijn er aandachtspunten, maar geen onoverkomelijkheden. In geval er bij de verdere uitwerking van het voornemen niet wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure “bedrijven en milieuzonering” (editie 2009), of er geen richtafstanden zijn waarbij aansluiting kan worden gezocht, dient op basis van nader akoestisch onderzoek te worden gemotiveerd dat er, ter plaatse van gevoelige objecten in de nabije omgeving, als gevolg van het industrielawaai op de politielocatie sprake is van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de planregels is dit geborgd door middel van een voorwaarde voor de omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit.

Politiesirenes

In de berekeningen voor het wegverkeerslawaai is geen aandacht besteed aan het geluid van een politiesirene. In het kader van de beoordeling voor industrielawaai/indirecte hinder zijn hiervoor wel inschattingen gedaan, waaruit blijkt dat de geluidsbelasting fors zou kunnen toenemen (piekniveaus tot 83 dB(A) in de dagperiode en 73 dB(A) in de avond-/nachtperiode). Daarom is het wenselijk om de geluidhinder hiervan zoveel mogelijk te beperken door middel van maatregelen, echter wel rekening houdend met de maatschappelijke noodzaak. Denk bijvoorbeeld aan het beperken van het gebruik van de sirene, met name in de avond en de nacht, de sirene zo laat mogelijk aan te zetten (pas op de openbare weg), de sirene in de avond-/nachtperiode op een lager niveau af te stellen en indien mogelijk gebruik te maken van de calamiteitendoorgang tussen de oprit van de N2 en de Noord Brabantlaan (in plaats van door de wijk te rijden).

Zodoende hanteert de Politie de volgende werkinstructies voor de beoogde locatie op Land Forum:

- Algeheel verbod op gebruik geluidsdragers op eigen terrein;

- Optische en geluidssignalen (O&G) pas aanzetten op Meerhovendreef of bij oprijden van N2;

- Gebruik calamiteitendoorgang Noord-Brabantlaan.

Industrielawaai richting (mogelijk) geluidgevoelige gebouwen/ruimten op het politieterrein

Vanwege geluidproducerende activiteiten op het politieterrein kunnen relevante geluidsniveaus optreden op de gevels van de eigen gebouwen, bijvoorbeeld onderwijsgebouwen/-ruimtes of kantoren. Voor functies op eigen terrein gelden geen wettelijke eisen. Wel kan de politie zelf functionele eisen verbinden, bijvoorbeeld door aansluiting te zoeken bij de door de Rijksgebouwendienst opgestelde richtlijn ten aanzien van kantoorvertrekken. In deze richtlijn wordt gesteld dat het maximale achtergrondgeluidniveau in kantoorvertrekken voor geconcentreerd werken ten gevolge van de omgeving ten hoogste 40 dB(A) mag bedragen. Uitgaande van een verwachte geluidwering van de gevel van 25-30 dB(A) (uitgaande van mechanisch gebalanceerde ventilatie) geeft dit een ten hoogste gewenste geluidbelasting op de gevel van 65-70 dB(A).

4.3.4 Luchtvaartlawaai     

Het plangebied ligt op enige afstand (ruim 2 kilometer) van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militaire luchthaven met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). De Wet luchtvaart regelt het gebruik van luchtvaartuigen en luchtvaartterreinen in Nederland. De wet voorziet in regels over besluitvorming en normen voor alle luchthavens. Op basis van deze wet is voor luchthaven Eindhoven een luchthavenbesluit vastgesteld.

De Wet luchtvaart regelt onder andere dat grenswaarden moeten worden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Deze geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). De nadere regelgeving over de geluidsbelasting staat in het Besluit militaire luchthavens. De grenswaarde voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor het burgerluchtverkeer en voor het militaire luchtverkeer is in beginsel 35 Ke. Deze grenswaarde geldt voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen (art. 1 Besluit militaire luchthavens jo artikel 1.1 Bouwbesluit 2012) en voor standplaatsen en ligplaatsen.

De ligging van de Ke contouren is opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven. In bijlage 7 is de 35 Ke contour voor het militaire luchtverkeer aangewezen en in bijlage 8 de contour van het commercieel burgerluchtverkeer. De cumulatieve Ke contouren staan in bijlage 3. De 35 Ke contour is tevens in het Barro en Rarro verwerkt. Hierbinnen zijn geen geluidsgevoelige objecten (woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, alsmede standplaatsen en ligplaatsen) toegestaan. Het plangebied ligt buiten deze geluidszone. Deze geluidszone werkt daarom (niet) belemmerend voor onderhavig plangebied.

verplicht

Figuur 4.1: Cumulatieve Ke-contouren luchthaven Eindhoven zoals opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven.

4.3.5 Conclusie en vervolg     

Het aspect geluid vormt op voorhand geen belemmering voor het planvoornemen.

  • Vanwege het verleggen van de Sliffertsestraat treden geen knelpunten op. Ten noorden van de nieuwe rotonde Sliffertsestraat-Nieuwe Sliffertsestraat-Graslook wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Ten zuiden van deze rotonde (ter plaatse van de nieuwe 56 woningen tussen de Graslook en de Meerhovendreef) vindt slechts een toename plaats met 1 dB. Hier treedt conform de Wet geluidhinder geen reconstructie op.
  • Op de politielocatie hoeft het geluid vanwege verbaal geweld (hard roepen of gebruik megafoon) geen knelpunt op te leveren, mits voldoende afstand wordt aangehouden tot geluidsgevoelige locaties.
  • Betreffende de schietbaan zijn er geen knelpunten, aangezien een (goed geïsoleerde) binnenschietbaan wordt gerealiseerd.
  • Bij het gebruik van sirenes op de openbare weg treedt een toename op van de geluidsniveaus op de Meerhovendreef. Deze toenames worden acceptabel geacht, mede vanwege de maatschappelijke noodzaak. Wel vormt dit een aandachtspunt bij de verdere uitwerking van het plan, en is het gewenst deze geluidsniveaus zoveel mogelijk te beperken, door beperking van het gebruik van de sirenes, reductie van het geluidsniveau van de sirenes in avond en nacht, en beperking van het gebruik ervan op de Meerhovendreef.
  • Omdat op de Politielocatie mogelijk onderwijsruimtes (theorie) worden gerealiseerd, worden in het bestemmingsplan hogere waarden opgenomen vanwege de A2/N2 (53 dB), Meerhovendreef (63 dB) en verlegde Sliffertsestraat (63 dB).
  • De geluidszone vanwege luchthaven Eindhoven werkt niet belemmerend voor onderhavig planvoornemen.

Nader onderzoek in vergunningfase

In het (geluids)onderzoek voor het bestemmingsplan is aangetoond dat het planvoornemen in principe kan voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Voor sommige geluidaspecten is geconcludeerd dat dit zonder meer het geval is, voor andere aspecten is geconcludeerd dat nader onderzoek in de vergunningfase noodzakelijk is (wanneer het voornemen is uitgewerkt). Op basis van nader onderzoek zijn mogelijk maatregelen noodzakelijk om aan de (op dat moment geldende) wet- en regelgeving te voldoen. Omdat het planvoornemen nog niet volledig is geconcretiseerd, is het niet mogelijk deze maatregelen in de bestemmingsplanfase al gedetailleerd vast te stellen. De benodigde uitwerking kan plaatsvinden bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit (artikel 7c, lid 14, Besluit Uitvoering Crisis- en Herstelwet).

Vanuit het aspect ‘geluid’ worden in de vergunningfase de volgende werkzaamheden nog voorzien:

1 Industrielawaai richting nabijgelegen woningen

In geval er op basis van het stedenbouwkundig ontwerp niet wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure “bedrijven en milieuzonering” (editie 2009), of er geen richtafstanden zijn waarbij aansluiting kan worden gezocht, dient op basis van nader akoestisch onderzoek te worden gemotiveerd dat er, ter plaatse van gevoelige objecten in de nabije omgeving, als gevolg van het industrielawaai op de politielocatie sprake is van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit akoestisch onderzoek zal onder andere ook aandacht worden besteed aan - indien van toepassing - schietlawaai en het rijden van personenauto’s en vrachtwagens op het terrein van de inrichting. Mitigerende maatregelen kunnen bestaan uit het optimaal positioneren van de geluidsproducerende functies, het plaatsen van afscherming (bijvoorbeeld gebouwen) en/of het beperken van de bedrijfsduur en intensiteit van de geluidsproducerende activiteiten. Hierbij dient ook aandacht besteed te worden aan de politiesirenes op de openbare weg.

2 Geluidsniveau vanwege omliggend wegverkeerslawaai (onder andere A2/N2) op onderwijsruimtes

In de vergunningsfase zal het nodig zijn de geluidsbelasting ter plaatse van mogelijke geluidsgevoelige onderwijsruimtes opnieuw te berekenen, om vast te stellen of (met de geplande inrichting van het terrein) voldaan wordt aan de geldende geluidswaarden. Tevens zal een geluidsonderzoek naar de geluidwering van de gevels nodig zijn, om vast te stellen hoe voldaan kan worden aan de geluidseisen binnen de onderwijsruimtes, zoals weergegeven in het Bouwbesluit (onder Wet geluidhinder) danwel het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (onder Omgevingswet).

4.4 Luchtkwaliteit     

4.4.1 Wettelijk kader     

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

Sinds 1 januari 2015 moet worden voldaan aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

4.4.2 Besluit niet in betekenende mate bijdragen     

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor:

  • woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en
  • kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.

Samengevat

Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

4.4.3 Besluit gevoelige bestemmingen     

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.

Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als 'gevoelige bestemmingen' worden mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg.

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

4.4.4 Goede ruimtelijke ordening     

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

4.4.5 Planbeschrijving en toetsing     

Het voornemen omvat de ontwikkeling van een multifunctionele politielocatie met een maximaal programma van 50.000 m2 bvo aan gebouwen (excl. parkeervoorzieningen), op minder dan 300 meter vanaf de snelweg A2. Het voornemen omvat geen gevoelige bestemmingen waarvoor luchtkwaliteitsonderzoek op voorhand noodzakelijk is. Wel is het van belang om te onderzoeken of het voornemen, en de extra verkeersgeneratie die daarmee gepaard gaat, significant negatieve effecten heeft op de luchtkwaliteit in de nabije omgeving.

Op basis van indicatief verkeersonderzoek (Verkeersgeneratie politiehuisvesting Land Forum, Bijlage 6) en de herijking door de Politie (d.d. februari 2022) wordt verwacht dat het voornemen zal leiden tot maximaal 2.955 extra verkeersbewegingen per etmaal in de nabije omgeving, waarvan 2,5% vrachtverkeer. De politielocatie wordt ontsloten via twee entrees aan de Sliffertsestraat, welke ten westen van de politielocatie zal worden verlegd.

Met de zogenaamde NIBM-tool (beschikbaar via Infomil) kan op eenvoudige wijze een berekening worden uitgevoerd om na te gaan of er sprake is van een 'niet in betekenende mate' plan. Het tool berekent een volledig worstcase-bijdrage aan luchtkwaliteit. Uit een berekening met de NIBM-tool (versie 06-04-2021) blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer mogelijk “in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtkwaliteit (uitgangspunt worst-case: ingebruikname in 2027). Nader onderzoek is zodoende noodzakelijk.

verplicht

Figuur 4.2: Worst-case berekening via de NIBM-tool.

Onderzoek luchtkwaliteit

Door Royal HaskoningDHV is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (d.d. 6 mei 2022, Bijlage 20 bij deze toelichting) om de invloed van de beoogde activiteiten ten aanzien van de luchtkwaliteit in de omgeving inzichtelijk te maken. Uit de verspreidingsberekeningen blijkt dat het maximaal aantal overschrijdingsdagen voor PM10 (etmaalgemiddelde) kleiner is dan het maximaal toegestane aantal van 35 dagen per jaar. Voor NO2 doen zich ook minder overschrijdingen van de uurgemiddelde concentratie voor dan het maximaal toegestane aantal van 18 overschrijdingen per jaar. Ook ten aanzien van PM2,5 is de ontwikkeling ruimschoots aanvaardbaar. Hieruit volgt dat, gebaseerd op de uitgevoerde berekeningen, in de voorgenomen situaties door de politie activiteiten nergens de maximale toegestane overschrijdingsfrequentie van de grenswaarden uit de 'Wet luchtkwaliteit' wordt overschreden.

4.4.6 Conclusie en vervolg     

Op basis van de resultaten van het luchtkwaliteitsonderzoek wordt geconcludeerd dat de voorgenomen bedrijfssituatie van de politie op de locatie ruimschoots voldoet aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Nader onderzoek in de vergunningfase is niet nodig.

4.5 Externe veiligheid     

Externe veiligheid beschouwt de risico's voor de omgeving ten gevolge van een ongeval bij de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen en de kans dat daarbij dodelijke slachtoffers vallen.

In het kader van dit bestemmingsplan is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd, welke is bijgevoegd in Bijlage 22 van deze toelichting. Onderhavige paragraaf bespreekt dit onderzoek op hoofdlijnen, waarbij wordt ingegaan op de invloed van verschillende risicobronnen op het planvoornemen. Hierbij wordt allereerst een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord.

4.5.1 Wettelijk kader     

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR)

Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.

Groepsrisico (GR)

Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

4.5.2 Gemeentelijk beleid: Visie externe veiligheid     

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.

4.5.3 Onderzoek externe veiligheid     

Door Royal HaskoningDHV is een rapportage Externe veiligheid (Bijlage 22 bij deze toelichting) opgesteld (d.d. 15-04-2022). Navolgend worden de hoofdlijnen hiervan toegelicht.

Het plangebied

Op basis van de Signaleringskaart is onderzocht welke risicobronnen in de omgeving van het plangebied relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de risicobronnen ten opzichte van het plangebied weer.

verplicht

Figuur 4.3: Ligging risicobronnen ten opzichte van het globale plangebied, aangegeven in rood (bron: signaleringskaart-EV).

Onderstaande tabel geeft aan onder welke wetgeving de risicobron valt en of deze relevant is voor het planvoornemen. Een risicobron is relevant wanneer het invloedsgebied of de veiligheidsafstand over het plangebied valt. Dit is het geval wanneer de grootte van het invloedsgebied of veiligheidsafstand groter is dan de afstand tussen de risicobron en het plangebied.

Nr Risicobron Afstand tot plangebied [m] Invloedsgebied/ veiligheidsafstand [m] Wet- en regelgeving Relevant?
1 Autosnelweg A2 (Traject afrit 30 Eindhoven-Centrum) - Knp. De Hogt 60 > 4.000 Bevt Ja
2 Aardgasleiding Z-506-01 290 140 Bevb Nee
3 Gasontvangstation Nederlandse Gasunie N.V. 260 25 Activiteitenbesluit Nee
4 Aalberts Surface Treatment Eindhoven BV 830 51 Bevi Nee
5 Air Liquide Eindhoven b.v. 1.100 405 Bevi Nee
6 Riano Eindhoven B.V. 1.400 Niet bekend Bevi Niet bekend
7 Sonac Eindhoven BV 1.200 60 Activiteitenbesluit Nee
Buiten kaartbeeld Autosnelweg A67 (Traject afrit 30 (Eersel) - Knp. De Hogt) 3.600 > 4.000 Bevt Ja

Inrichtingen

Risicovolle inrichtingen vormen op gebied van externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavig plan.

Transport

Voor het planvoornemen zijn de volgende risicobronnen relevant in het kader van externe veiligheid:

  1. Rijksweg A2 (traject afrit 30 (Eindhoven-Centrum) - Knp. De Hogt)
  2. Rijksweg A67 (traject afrit 30 (Eersel) - Knp. De Hogt)

Resultaten beoordeling risicobronnen

  1. Autosnelweg A2 (traject afrit 30 (Eindhoven-Centrum) - Knp. De Hogt)
  • De PR10-6-contour ligt niet over het plangebied; het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
  • Het planvoornemen ligt buiten het plasbrandaandachtsgebied van de autosnelweg.
  • De ontwikkeling van het plangebied resulteert in een toename van het groepsrisico (van 0,262 naar 0,297 maal de oriëntatiewaarde). Hiermee ligt het groepsrisico boven de 0,1 maal de oriëntatiewaarde en neemt het groepsrisico met meer dan 10% toe.
  • Op basis van de toetsing van het groepsrisico geldt conform artikel 7 van het Bevt een volledige verantwoording van het groepsrisico. Hierbij dient het bevoegd gezag advies te vragen aan de veiligheidsregio om een afweging te maken voor externe veiligheid.

  1. Rijksweg A67 (traject afrit 30 (Eersel) - Knp. De Hogt)
  • De autosnelweg ligt op 3.600 meter van het plangebied.
  • De PR10-6-contour ligt niet over het plangebied; het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
  • Bepaling van de hoogte van het groepsrisico is niet relevant; wel ligt het planvoornemen binnen het invloedsgebied van 4.000 meter.
  • Conform het Bevt dient in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid advies gevraagd te worden aan de veiligheidsregio.

Buisleidingen

Buisleidingen vormen op gebied van externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavig plan.

4.5.4 Verantwoordingsplicht groepsrisico     

Bij het vaststellen van het bestemmingsplan door de gemeenteraad dient het groepsrisico te worden verantwoord. Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen het belang van een ruimtelijke ontwikkeling en het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg van een ramp of incident met gevaarlijke stoffen. Voor de verantwoording dient de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld te worden een advies uit te brengen. Het groepsrisico moet verantwoord worden conform artikel 13 van het Bevi in geval van inrichtingen, artikel 8 van het Bevt in geval van transportroutes en artikel 12 van het Bevb in geval van buisleidingen.

De Rapportage externe veiligheid (Bijlage 22 bij deze toelichting) van Royal HaskoningDHV stelt dat een volledige verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is vanwege de ligging nabij de A2. Het rapport benoemt de elementen van de verantwoording groepsrisico en de mogelijke maatregelen (bron-, ruimtelijk en bouwkundig) en zelfredzaamheid om het effect van een ongeval met gevaarlijke stoffen te beperken. Het bevoegd gezag dient een advies te vragen aan de Veiligheidsregio, op basis waarvan een afweging kan worden gemaakt met betrekking tot externe veiligheid

Advies Veiligheidsregio

Het advies van de Veiligheidsregio is op PM ontvangen.

4.5.5 Conclusie en vervolg     

Het planvoornemen stuit op voorhand niet op onoverkomelijke belemmeringen vanuit het aspect externe veiligheid. Wel zijn er diverse aandachtspunten.

4.6 Duurzaamheid     

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is.

  1. CO2 reductie

Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming

Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten.

In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

1B) Duurzame mobiliteit

Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) warmte- en energiebesparing

Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.

1D) duurzame energie opwekking

Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.

2 Circulaire Economie

Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

2A) duurzame materialen

Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

2B) geen afval

In 2050 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) flexibel en demontabel bouwen

Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

2D) deeleconomie/ as a service concepten

De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten.

Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

3) Natuur

Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?

3A) biodiversiteit

Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

3B) oppervlakte groen

We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.

4. Sociale basisbehoeften

The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

4A) Klimaatadaptatie

Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

4B) gezonde verstedelijking

Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte

4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen

We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Specifiek Eindhovens

Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

4.6.1 Planbeschrijving     

Ambitieweb duurzaamheid

De politie heeft een groot huisvestingsprogramma lopen waarin de juiste duurzame besluiten genomen moeten worden. Ter ondersteuning van deze besluitvorming is de Toolbox Duurzaam en Gezond gebouw ontwikkeld. Dit is een toolbox die ontwerpprocessen binnen de politie ondersteunt zodat duurzaamheid goed mee wordt genomen in de afwegingen en ontwerpkeuzes die gemaakt worden. Door duurzaamheid te vertalen in zes concrete thema's en door per thema ontwerpprincipes te duiden en implementeren wordt er een duurzamer ontwerp gemaakt dat in ieder geval voldoet aan de minimale duurzaamheidsambitie zoals vastgesteld door de politie. Op deze manier kan duurzaamheid concreet worden gemaakt in projecten en is dit ook meetbaar in het verdere ontwerpproces.

Toelichting ambitieweb

Het ambitieweb is een hulpmiddel voor het vastleggen en monitoren van de duurzaamheidsambities op gebiedsniveau voor de ontwikkeling van Land Forum. In het web zijn de zes thema's opgenomen die voor de politie relevant zijn. Op ieder thema wordt er vervolgens een ambitie bepaald.

  1. Energie: focus op het energiegebruik van het gebouw en daarmee gepaard gaande CO2 uitstoot. Minimale landelijke politieambitie is 1.
  2. Gezondheid & welzijn: focus op de gezondheid en welbevinden van de medewerkers en gebruikers van de gebouwen. Minimale landelijke politieambitie is 1.
  3. Circulariteit: focus op de milieu impact van materiaalgebruik. De politie is bezig met opstellen van beleid dus er is nog geen ambitie bepaald.
  4. Natuur & biodiversiteit: hoe kun je een natuur-inclusiever project realiseren.
  5. Mobiliteit & omgeving: hoe ontwikkel je een project dat rekening houdt met haar omgeving en de parkeerdruk.
  6. Klimaatadaptie: hoe houdt het project rekening met de veranderende omgeving en klimaat.

Ambitieniveau Land Forum

De duurzaamheidsambitie voor Land Forum op gebiedsniveau is opgesteld aan de hand van het ambitieweb duurzaamheid. Voor de ontwikkeling van Land Forum als politielocatie hebben we op ieder thema een ambitieniveau bepaald. In het plaatje hieronder zijn de vastgestelde duurzaamheidsambities voor Land Forum zichtbaar.

  1. Energie en CO2 – ambitieniveau 3. WENG+* (energie leverend; 125%) + disbalans.
  2. Klimaatadaptatie – ambitieniveau 2. Klimaat adaptief, geen gebouw gerelateerde operationele onzekerheid aanwezig.
  3. Circulariteit – ambitieniveau 2. >50% beter dan wettelijk verplichte MPG** score + >50% hergebruik + gebouwenpaspoort (>50% gebouwmassa).
  4. Mobiliteit en omgeving - ambitieniveau 1. Reduceer impact op de omgeving.
  5. Gezondheid & welzijn – ambitieniveau 3. Platina WELL certificaat.
  6. Natuur & biodiversiteit – ambitieniveau 3. Natuur- / bio-positief bouwen: positieve impact leveren.

Voor Land Forum is de toolbox nu gebruikt om ambities op gebiedsniveau te bepalen. De ambities op gebouwniveau worden in een later stadium bij de ontwikkeling van de gebouwen verder in detail uitgewerkt.

verplicht

Figuur 4.4: De gestelde ambities voor de 6 duurzaamheidsthema's

Toelichting duurzaamheidsthema en ambitieniveau Land Forum

De zes thema's worden hier toegelicht uitgaande van de verschillende ambitieniveaus die er per thema voor Land Forum zijn vastgesteld.

1. Energie & CO2: ambitie 3 | WENG+ (leverend) + disbalans

WENG staat voor Werkelijk Energie Neutraal Gebouw en is een gestandaardiseerde methodiek voor het bepalen van een indicator voor de werkelijke energie-efficiëntie van een gebouw. Met WENG+ wordt bedoeld dat het gebouw energieleverend is. Dus naast dat het gebouw zichzelf en haar gebruikers voorziet van energie, levert het ook energie aan het energienet.

2. Klimaatadaptatie: ambitie 2 | Klimaatadaptief, geen gebouw gerelateerde operationele onzekerheid aanwezig

Klimaatadaptatie is de mate waarin de omgeving zich kan aanpassen aan klimaatverandering. Voor de gebouwde omgeving betekent dit dat gebouwen bestand moeten zijn tegen weersextremen die gepaard gaan met klimaatverandering. Klimaatadaptatie gaat over meer dan alleen heftige regenbuien, het gaat ook over extreme droogte, urban heating, stormen, hogere temperaturen, onweer e.d.. Het gebouw is bestendig tegen klimaatverandering en de getroffen maatregelen zorgen ervoor dat er geen gebouw gerelateerde operationele onzekerheid aanwezig is: de politie kan altijd uitrukken.

3. Circulariteit: ambitie 2 | >50% beter MPG score + >50% hergebruik + gebouwenpaspoort (>50% gebouwmassa)

MPG staat voor Milieu Prestatie Gebouwen. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Voor kantoorgebouwen geldt een maximum MPG-grenswaarde van 1,0. Met "50% beter MPG-score" wordt bedoelt dat de MPG-score 50% beter is dan de wettelijke MPG-norm. Met "50% hergebruik" wordt bedoeld dat de helft van de toegepaste materialen hergebruikt / herbruikbaar zijn en dus circulair.

4. Mobiliteit en omgeving: ambitie 1 | Reduceer impact op omgeving

Door het ontwikkelen van Land Forum verandert er iets in de omgeving. Dit heeft invloed op het verkeer, de buurt en het aanzicht. De impact op de omgeving dient tot een minimum te worden beperkt. Het gebouw en haar terreinen gaan op in de omgeving.

5. Gezondheid & Welzijn: ambitie 3 | Platina WELL certificaat

WELL Building Standard is een keurmerk dat de gezondheid van een gebouw meet en monitort. Het doel van WELL is om een gezonde werkomgeving te creëren wat kan leiden tot hogere productiviteit en een lager ziekteverzuim. WELL kent elf thema's die de gezondheid in gebouwen bevorderen: lucht, water, voeding, licht, beweging, thermisch comfort, geluid, materialen, geestelijke gezondheid, sociale gezondheid en innovatie. WELL-certificering is te classificeren in zilver, goud en platina.

6. Natuur & Biodiversiteit: ambitie 3 | Natuur- / bio positief bouwen: positieve impact

Met natuur-/bio positief bouwen wordt bedoeld dat het gebouw en de omliggende omgeving een positieve impact heeft op de natuur en biodiversiteit. Er zijn maatregelen geïmplementeerd om meer natuur en biodiversiteit terug te brengen dan voor de bouw van Land Forum aanwezig was. Dit ambitieniveau is alleen haalbaar als het exploitatiegebied van de politie wordt opgenomen in het grotere plangebied. Daarbij zijn maatregelen nodig buiten het plangebied die op grond van derden liggen. De politie zal zich daarvoor inspannen maar is niet verantwoordelijk. Concreet: enorme kansen om ecologische structuren rondom het kanaal te verbinden met de woonwijk.

Deze ambities en KPI's zijn uitgewerkt in een aantal ontwerpprincipes duurzaamheid die bruikbaar zijn in het opstellen van het masterplan om dat optimaal te kunnen verduurzamen, deze dienen in het ontwerpproces meegenomen te worden.

4.7 Bodem     

4.7.1 Bodemverontreiniging     

In het verleden is de bodem door menselijk handelen verontreinigd geraakt. Dit zie je het meest in stedelijk gebied, waar de mens al eeuwenlang woont. De bodem kan verontreinigd zijn geraakt door bedrijvigheid zoals chemische wasserijen, metaalverwerkende bedrijven, maar ook door bijvoorbeeld stortplaatsen, het dempen van sloten of het gebruik van ondergrondse brandstoftanks.

In Meerhoven is in het verleden al een aantal bodemonderzoeken uitgevoerd. Hieruit ontstaat het volgende beeld:

  • Over het algemeen worden er lichte verontreinigingen aangetroffen in grond en grondwater;
  • Er zijn echter diverse locaties waar sterke verontreinigingen met zware metalen aanwezig zijn. Mogelijk moeten deze verontreinigingen gesaneerd worden bij herontwikkeling;
  • Er zijn diverse verdachte plekken aanwezig zoals een demping en ondergrondse brandstoftanks, die nog onvoldoende zijn onderzocht.

Ten behoeve van deze ontwikkeling is bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied ("Milieutechnisch onderzoek Land Forum te Eindhoven", d.d. 4 april 2022, documentkenmerk 2201/159/TB-01, Bijlage 12 bij deze toelichting). Op basis van de conclusies uit dit bodemonderzoek wordt op meerdere locaties binnen het onderzoeksgebied een aanvullend verkennend en/of nader bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De overige resultaten van dit onderzoek vormen geen belemmering voor de voorgenomen uitgifte van het terrein aan de politie en de toekomstige herontwikkeling.

4.7.2 PFAS     

Volgens de notitie  'Aanvulling bodemkwaliteitskaart gemeente Eindhoven voor PFAS-verbindingen en grondstromenbeleid PFAS-houdende grond', is PFAS voor een groot gedeelte van het Eindhovens grondgebied geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen.

De gemeente hanteert de 95-percentielwaarden van de betreffende bodemkwaliteitszone als gemeentelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen. 95% van de analyseresultaten in het betreffende gebied ligt beneden deze waarde. De 95-percentielwaarde wordt aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten binnen de gemeente Eindhoven, vindt de gemeente de 95-percentielwaarde een voldoende kwaliteit om zonder risico's hergebruik van grond van buiten de gemeente Eindhoven in de gemeente toe te staan.

Onderstaande kaart is een uitsnede van de 'ontgravingskaart bodemlaag 0-0,5 m-mv en bodemlaag 0,5-1,0 m-mv'. Ter plaatse van het plangebied (aangegeven met rode cirkel) is de verwachte ontgravingsklasse "Landbouw/natuur + achtergrondwaarde PFAS gemeente Eindhoven". PFAS vormt hier dus geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling.

verplicht verplicht

Figuur 4.5: Ontgravingskaart bodemlaag 0-0,5 m-mv en bodemlaag 0,5-1,0 m-mv, plangebied aangegeven met rode cirkel

4.7.3 NGE / Ontplofbare oorlogsresten     

Gemeente Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge’s (niet gesprongen explosieven). In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge’s worden aangetroffen worden deze geruimd.

Op basis van de kaart van de gemeente is het plangebied verdacht op niet gesprongen explosieven vanaf 0,5 m-mv (paars aangegeven op onderstaande afbeelding) met het soort explosieven: Afwerpmunitie, Geschutmunitie, Geweergranaten, Handgranaten, Klein-kaliber munitie, Munitie voor granaatwerpers, Ontstekingsinrichtingen en Submunitie. Voorafgaand aan grondwerkzaamheden dienen vervolgstappen te worden ondernomen in de explosievenopsporing. Hiervoor kan een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) plaatsvinden en/of er kunnen detectiewerkzaamheden worden uitgevoerd.

verplicht

Figuur 4.6: uitsnede "Atlas van de ondergrond" van gemeente Eindhoven.

In opdracht van gemeente Eindhoven heeft de combinatie IDDS Explosieven B.V. en Bombs Away B.V. een Conventionele Explosieven (CE)-Bodembelastingkaart opgesteld voor het huidige grondgebied van de gemeente Eindhoven. De 'overall' resultaten van het hiertoe uitgevoerde vooronderzoek CE zijn opgenomen in het Definitieve rapport CE-Bodembelastingkaart gemeente Eindhoven d.d. 31 augustus 2019 met kenmerk P.129-162 (hoofdrapport).

Er zijn twee deelrapportages bekend ter plaatse van het plangebied, namelijk "RAP Vliegveld Eindhoven" van Bombs Away IDDS, d.d. 21-10-2019, en "RAP overige kraters" van Bombs Away IDDS, d.d. 21-10-2019.

Uit de beschikbare rapporten blijkt dat het projectgebied alleen verdacht is op afwerpmunitie (brisant) vanaf net onder het maaiveld tot een maximale diepte van 4,0 m-mv. Er zijn kraters afkomstig van afwerpmunitie waargenomen op luchtfoto's in het gebied (met name aan de noordzijde). Deze kunnen niet gekoppeld worden aan een specifiek bombardement. Mogelijkheden voor vervolgonderzoek zijn het uitvoeren van een plaatsgebonden risicoanalyse (PRA) of detectiewerkzaamheden (opsporingsonderzoek).

4.7.4 Conclusie en vervolg     

Bodemverontreiniging

Voor herontwikkeling zal bodemonderzoek noodzakelijk zijn om te onderzoeken of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functies. Op basis van de conclusies uit het in paragraaf 4.7.1 genoemde bodemonderzoek wordt op meerdere locaties binnen het onderzoeksgebied een aanvullend verkennend en/of nader bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Indien de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de beoogde functie dan zal de bodemkwaliteit geschikt moeten worden gemaakt middels het uitvoeren van bodemsanering.

PFAS

PFAS vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen. Vervolgonderzoek is niet nodig.

NGE / Ontplofbare oorlogsresten

Mogelijk zijn er ontplofbare oorlogsresten aanwezig binnen het plangebied. Voordat werkzaamheden worden uitgevoerd wordt nader onderzoek verricht (een projectgebonden risicoanalyse en/of detectiewerkzaamheden). Aanbevolen wordt om eerst een PRA voor het gebied uit te voeren, waarmee delen van het verdachte gebied mogelijk al kunnen worden vrijgegeven. Vervolgens kan, indien nodig, besloten worden tot het uitvoeren van opsporingsonderzoek.

4.8 Natuur     

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die op 1 januari 2023 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.

4.8.1 Wet natuurbescherming     

De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. Zoals eerder al gezegd zijn de provincies in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid.

Gelijktijdig met de in werkingtreding van Wnb veranderen de lijsten met beschermde soorten. Zo zijn een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) niet langer meer beschermd. Andersom zijn dieren die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding.

Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in de nieuwe Wnb is er nog maar één natuurvergunning nodig van één bevoegd gezag.

Houtopstanden

De regeling zoals die was vervat in de voormalige Boswet is grotendeels ongewijzigd overgenomen in de Wet natuurbescherming en is gericht op het behoud van het bosareaal en is van toepassing op alle bossen en houtopstanden buiten de door de gemeenteraad in dat kader vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, die een grotere oppervlakte beslaan dan 1.000 m2 en op rijbeplantingen van meer dan 20 bomen.

Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom (zie onderstaande afbeelding).

verplicht

Figuur 4.7: Uitsnede bebouwde kom (in rood) Wet Natuurbescherming.

De Wnb (artikel 4.1) vindt geen toepassing als het gaat om onder andere:

  • houtopstanden op erven en tuinen
  • windschermen langs boomgaarden
  • wegbeplantingen en eenrijige beplanting van populier of wilg op of langs landbouwgronden en waterwegen
  • fruitbomen
  • naaldbomen (bedoeld als kerstbomen niet ouder dan 20 jaar)
  • kweekgoed.

Voor het (doen) vellen van een houtopstand (geheel of gedeeltelijk) die onder de Wnb valt, moet eerst een melding bij Gedeputeerde Staten worden ingediend. Verder moet de eigenaar (of degene die een beperkt genotsrecht heeft op de grond) er voor zorgdragen dat binnen drie jaar nadat tot velling is overgegaan het betreffende perceel opnieuw en op bosbouwkundig verantwoorde wijze is herplant. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen teneinde de herplantplicht uit te voeren op een ander perceel dan het perceel waar de velling heeft plaatsgevonden.

Wnb en gebiedsbescherming

De Wnb gaat uit van vijf gebiedssoorten te weten: Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland, bijzondere nationale natuurgebieden, nationale parken, bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De Wnb verplicht tot het tot stand brengen van het Natuur Netwerk Nederland en tot het aanwijzen van Natura 2000-gebieden, die beide van cruciaal belang zijn voor het nakomen van de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn. De verschillende Wnb gebiedssoorten kennen verschillende beschermingsregimes. Deze lopen via de Wnb (Natura 2000-gebieden) of via de Wro (overige natuurgebieden). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen eventuele consequenties voor beschermde natuurgebieden in beeld te worden gebracht.

Wnb en soortbescherming

Naast gebiedsbescherming kent de Wnb ook soortenbescherming: de bescherming van verschillende soorten flora en fauna. Naast de mogelijke effecten op natuurgebieden, dienen voor ruimtelijke ontwikkelingen ook de mogelijke effecten voor beschermde soorten in beeld te worden gebracht.

4.8.2 Plantoetsing     

In het kader van grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen in Meerhoven te Eindhoven, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De quickscan is toegevoegd aan de bijlagen bij deze toelichting (Bijlage 21). Op onderstaande afbeelding zijn de verschillende deelgebieden van de quickscan flora en fauna zichtbaar.

Land Forum betreft één van de deelgebieden uit de quickscan flora en fauna. Land Forum bestaat uit een graanakker, houtopstanden en bebouwing. Naast de Sliffertsestraat ligt een wateroppervlakte in de vorm van een poel. Tegen het oosten van dit deelgebied ligt een volkstuin. Het plangebied ligt in het gebied dat in de quickscan is aangeduid als Land Forum, maar óók een klein gedeelte in het gebied dat in de quickscan is aangeduid als Grasrijk Hooglanden (zuidwestelijke hoek van het plangebied). Het betreft een stuk weg en berm. Grasrijk Hooglanden is in hetzelfde rapport ook verantwoord en daarvoor gelden geen aanvullende adviezen.

verplicht

Figuur 4.8: Ligging van de verschillende deelgebieden.

Toetsing gebiedsbescherming

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" op circa 4 km afstand ten zuiden van het plangebied en "Kempenland-West" op circa 6,7 km afstand ten westen van het plangebied. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Bepaald moet worden of een verhoogde stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied aan de orde is. Voor het plangebied van Land Forum is door Royal HaskoningDHV (mei 2022) een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (Bijlage 13). Hieruit blijkt dat voor de gebruiksfase (gerekend met drie rekenjaren: 2027, 2031 en 2035 vanwege gefaseerde ontwikkeling) geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositiebijdrage optreden op omliggende Natura 2000-gebieden. Uit onderzoeken (Bijlage 14) blijkt dat dit ook geldt voor de aanleg- c.q. bouwfase.

verplicht

Figuur 4.9: Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied.

Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB), zie hiervoor onderstaande afbeelding. Op circa 30 meter van het plangebied bevinden zich op basis van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant gronden met de aanduiding Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone. Deze aanduiding ligt ter plaatse van het Beatrixkanaal en met een breedte van 25 meter op de westelijke oever van het Beatrixkanaal. Langs de oostoever van het Beatrixkanaal ligt ook de aanduiding Natuur Netwerk Brabant (ca. 15 meter breed). Het planvoornemen voorziet niet in uitbreiding in het NNB-gebied, waardoor hierop geen sprake is van een directe invloed. Gelet op de aard van het voornemen en de gestelde ambities zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast.

verplicht

Figuur 4.10: Ligging NNN (groen) ten opzichte van onderzoeksgebied quickscan flora en fauna 'Meerhoven'.

Toetsing beschermde houtopstanden

De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal 10 are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld (niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming), geldt een meldingsplicht bij de Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie. Indien er geen bezwaar is om te kappen, is het verplicht (art. 4.2 Wet natuurbescherming) om binnen 3 jaar na het vellen de houtopstand op dezelfde grond opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Met betrekking tot de kap van houtopstanden gelden binnen Meerhoven de afspraken zoals vastgelegd in de memo 'Kap bomen Meerhoven en Blixembosch' (Gemeente Eindhoven, 28 maart 2019). Overeenkomstig het bestemmingsplan Meerhoven, vastgesteld op 10 november 1997 is hier geen gemeentelijke kapvergunning of kapmelding noodzakelijk, indien deze worden gerooid voor ontwikkelingen overeenkomstig het bestemmingplan Meerhoven. Deze oppervlakte is in de beginfase reeds gecompenseerd. Bij het kappen van houtopstanden in alle deelgebieden is geen gemeentelijke kapvergunning of kapmelding nodig, met uitzondering van de gebieden die vallen binnen de 'Bebouwde kom voor houtopstanden' van de gemeente Eindhoven. Wel dient conform de afspraken Trefpunt Groen Eindhoven en de afdeling Vergunning, Toezicht & Handhaving op de hoogte te worden gesteld van de voorgenomen kap. Aangezien het plangebied buiten de bebouwde kom voor houtopstanden ligt, is geen gemeentelijke kapvergunning of kapmelding nodig.

Toetsing soortenbescherming deelgebied Land Forum

Vogels

Werkzaamheden die mogelijk van invloed zijn op, of tot verstoring lijden van, broedvogels dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen dit deelgebied wordt niet verwacht. De houtopstand aan de noordzijde van het plangebied zou eventueel wel een jaarrond beschermd nest kunnen bevatten. Mocht deze houtopstand binnen werkzaamheden worden betrokken, is vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest noodzakelijk.

Vleermuizen

Indien bomen gerooid worden binnen het deelgebied, binnen de zwart gearceerde gebieden in onderstaande afbeelding, is nader onderzoek naar de aanwezigheid van eventuele rust- of verblijfplaatsen van een vleermuissoort noodzakelijk. Licht uitstralend of gericht op opgaand groen of bosranden tijdens werkzaamheden dient te worden vermeden, om eventuele verstoring van vliegroutes of foerageergebieden te vermijden.

Grondgebonden zoogdieren

Met werkzaamheden binnen dit deelgebied gaan geen verblijfplaatsen of (essentieel) leefgebied van niet-vrijgestelde soorten verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Vervolgonderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.

Reptielen of amfibieën

Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor reptielen, noch amfibieën. De aanwezige oppervlaktewateren bieden geen geschikt habitat voor niet-vrijgestelde amfibiesoorten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezigheid van eventuele vrijgestelde amfibieën. Vervolgonderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.

Vissen, ongewervelden of vaatplanten

De aanwezigheid van beschermde vissen, ongewervelden of vaatplanten binnen dit deelgebied kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Vervolgonderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.

verplicht Figuur 4.11: Deelgebied Land Forum is rood omlijnd, aanwezige oppervlaktewateren zijn blauw omlijnd, gebieden waar mogelijk vervolgonderzoek benodigd is zijn zwart gearceerd.

4.8.3 Conclusie en vervolg     

Gebiedsbescherming

Natuurnetwerk Brabant (NNB)

Land Forum maakt geen deel uit van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). De wezenlijke kenmerken van het NNB worden niet aangetast als gevolg van het voornemen.

Natura 2000

Land Forum is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Wel bevinden er zich diverse Natura 2000-gebieden in de (wijde) omgeving. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden kunnen andere effecten dan stikstofdepositie bij voorbaat worden uitgesloten. Een Aeriusberekening is uitgevoerd om te bepalen of de ontwikkeling van Land Forum significante stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Hieruit blijkt dat zowel voor de bouw- als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositiebijdrage optreden op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Houtopstanden

Bij de start van de ontwikkeling van Meerhoven is de beplanting van het projectgebied door de gemeente Eindhoven als één bosgebied aangemerkt en in behandeling genomen. Met de behandeling van alle bomen als één bosgebied werd gebruik gemaakt van de vrijstelling van het kapverbod (zie ook par. 3.8.2 van deze toelichting). Overeenkomstig het bestemmingsplan Meerhoven, vastgesteld op 10 november 1997, is hier geen kapvergunning of kapmelding noodzakelijk, indien deze worden gerooid voor ontwikkelingen overeenkomstig het bestemmingplan Meerhoven. Deze oppervlakte is in de beginfase reeds gecompenseerd.

Met ingang van 27 november 2018 is door de gemeenteraad van Eindhoven een nieuwe begrenzing van de Wet Natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Land Forum ligt buiten de bebouwde komgrens ingevolge de Wnb. Voor de gebieden waar in het kader van de ontwikkeling van Meerhoven in de toekomst nog bomen worden gekapt gelden de eerder gemaakte afspraken aangezien deze gebieden voorlopig nog vallen onder de Wnb. De eerder genoemde vrijstelling blijft van kracht.

Soortbescherming

Op voorhand worden er geen onoverkomelijke belemmeringen voorzien vanuit soortbescherming. Ten aanzien van vogels en vleermuizen zijn er diverse aandachtspunten waar rekening mee moet worden gehouden:

  • Vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen is noodzakelijk indien er bomen gerooid gaan worden;
  • Werkzaamheden die mogelijk van invloed zijn op, of tot verstoring leiden van broedvogels dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd;
  • Licht uitstralend of gericht op het noordwestelijke opgaand groen, dienen tijdens werkzaamheden te worden vermeden.

Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.

Vervolgfase: omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit

Voor werkzaamheden of gebruikswijzigingen waarvoor op grond van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit is vereist dient de aanvaardbaarheid van het voornemen vanuit ecologisch oogpunt voldoende te worden gemotiveerd. Concreet betekent dit dat:

  • er moet worden gemotiveerd (volgens de dan geldende berekeningssystematiek) dat er geen significante toename (>0,00 mol/ha/jaar) is van stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van het project in het kader van de omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit.
  • er moet worden gemotiveerd dat het voornemen vanuit soortbescherming aanvaardbaar is. Indien de vergunningaanvraag minimaal 3 jaar na verrichting van de meest recente quick scan flora en fauna plaatsvindt is een actualisering van de quick scan vereist.

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf     

5.1 Inleiding     

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid.

Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening. Er is een verkennende watertoets uitgevoerd, welke is bijgevoegd in Bijlage 18 bij deze toelichting.

5.2 Beleid     

5.2.1 Rijksbeleid     

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).

5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021     

Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.

5.2.2 Provinciaal beleid     

5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021     

Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Gedacht kan dan worden aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving.

Wettelijke taken

De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Integrale en gezamenlijke aanpak

Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven.

Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma Duurzaam Door. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

5.2.3 Beleid Waterschap     

5.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving     

Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:

  • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt
  • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan
  • Wat schoon is moet schoon blijven

We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:

  • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.
  • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.
  • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015     

De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.

Binnen de keur wordt onderscheid gemaakt tussen vergunningsplichtige- en de meldingsplichtige handelingen die binnen de algemene regels van het waterschap vallen. Bij de voorgenomen ontwikkeling valt een eventuele toename aan verhard oppervlak onder de vergunnings- of meldingsplicht.

In de Keur is aangegeven dat het verboden is zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling op dit verbod. Dit wordt gedaan indien:

  1. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;
  2. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of;
  3. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak;
  4. de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan.

Indien een voorziening nodig is, dan is de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm.

5.2.3.3 Hydrologisch neutraal bouwen     

Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen.

Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.

Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.

Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.

5.2.4 Gemeentelijk beleid     

5.2.4.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (2019-2022)     

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019 - 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel.

Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen tot max. 75 mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave.

5.2.5 Waterplan     

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.

5.3 Eindhovense klimaattoets     

Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. Dit betekent dat we 'klimaatrobuust' te werk moeten gaan.

5.3.1 Klimaatadaptatiebeleid     

In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatie-toets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau.

De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie beleid:

  • Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren.
  • Infiltreer regenwater zoveel mogelijk en waar mogelijk op de plek waar het valt, en voorkom daarmee droogte.
  • Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag.

Voor de klimaatadaptatienormen en richtlijnen is een indeling gemaakt naar ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein (circa 60% van het areaal) en op publiek terrein (circa 40% van het areaal). In de binnenstad ligt deze verhouding zelfs op 80-20%. Bovenstaand is vertaald in een waterbergingsnorm.

5.3.2 Waterbergingsnorm     

5.3.2.1 Minimale en maximale ontwerpnormen waterberging openbaar terrein     

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op openbaar terrein moet minimaal 20 mm en mag tot 60 mm van de waterbergingsopgave ingevuld worden via primaire waterberging. Voorbeelden zijn waterpleinen, wadi's, watergangen, waterbergende funderingen of bakken. Eventuele resterende mm's (tot 40mm) van de waterbergingsopgave dient secundair te worden ingevuld. Denk daarbij aan parken, plantsoen c.q. grasvelden, parkeerplaatsen en wegen. Dit is acceptabel zolang er geen schade wordt veroorzaakt en/of dit niet ten koste gaat van andere primaire functies zoals op routes van hulpdiensten, markt- of evenement locaties. Als de secundaire waterbergings-opgave niet mogelijk is binnen de grenzen van de ruimtelijke ontwikkeling dan dient de waterbergingsopgave alsnog als primaire waterberging te worden ingevuld. Of er dienen maatregelen te worden genomen om de secundaire waterberging naar nabijgelegen ruimte te verplaatsen als dat hydraulisch mogelijk is.

Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt. De landelijke voorkeursvolgorde '(her)gebruiken, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren´ is van toepassing. Een voorbeeld van hergebruiken is hemelwater als spoelwater voor toiletten en een voorbeeld van vasthouden is infiltratie van hemelwater in de bodem.

Als hergebruik en vasthouden door lokale omstandigheden niet doelmatig is kan hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd. Dat is de waterbergingsopgave. Hiermee wordt het rioolstelsel bij piekbuien ontlast met als gevolg beperking van wateroverlast. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem gelijkmatiger belast. Als ondersteuning voor de berekening van de waterbergingsopgave op privaat terrein is een rekentool ontwikkeld, te vinden via de website rekentool.eindhovenduurzaam.nl/.

5.3.2.2 Ontwerpnorm waterberging privaat terrein     

De waterbergingsopgave geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein in Eindhoven. In gebieden waar vanuit het verleden afspraken over waterberging zijn gemaakt, wordt in overleg bepaald of en hoe de waterbergingsopgave in de ontwikkeling wordt verhoogd. Klimaatverandering kan namelijk ook in deze gebieden aanvullende waterberging noodzakelijk maken en daarmee het risico op waterschade aan (nieuw)bouw verlagen. Indien nodig worden hierover maatwerkafspraken gemaakt.

In het beleid 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen met 150 m2 of meer verharding binnen het plangebied en kleinere ontwikkelingen tot 150 m² verharding binnen het plangebied. Voor de eerste groep geldt de eis tot 75 mm waterberging per m² verharding. Dit komt overeen met 75 liter waterberging per m2 of voor een bouwplan met 400 m² verhard oppervlak 30 m³ (ofwel 30.000 liter) waterberging. Voor de tweede groep is de eis tot 25 mm. Dit komt overeen met 25 liter waterberging per m² of voor een woning met 100 m² verhard oppervlak 2,5 m³ (ofwel 2500 liter) waterberging.

De ontwerpnormen ter voorkoming van wateroverlast betekenen voor particulieren, ontwikkelaars en de gemeente een opgave om klimaat adaptief te bouwen. Vanaf 1 januari 2020 geldt voor particulieren en ontwikkelaars een wateropgave om bij ruimtelijke ontwikkelingen klimaatadaptief te handelen. De datum van indiening van de omgevingsvergunning is leidend.

5.3.2.3 Stimulans klimaatadaptatiebeleid     

De gemeente Eindhoven draagt met het klimaatbeleid ook bij aan het verbeteren van de kwaliteit van een gezonde leefomgeving en meer biodiversiteit door de voorkeur te geven aan vergroenen als klimaatadaptieve maatregel.

Het beleid is zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in mm wordt. Ook groene ontwikkelingen in groen arme buurten worden op deze manier gestimuleerd. De website geeft een overzicht van deze mogelijke beloningen via de 'rekentool'. De stimuleringsregeling waarbij méér groen een lagere waterbergingsopgave oplevert geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein.

5.4 Beschrijving watersysteem plangebied     

Voor het plangebied is een verkennende watertoets uitgevoerd, deze is toegevoegd aan Bijlage 18 bij deze toelichting.

5.4.1 Checklist watersysteem     

Checklist Watersysteem
Hoofdwatergang cq open water A-watergang Oude Rundgraaf https://dommel.webgispublisher.nl/?map=vastgestelde-legger-oppervlaktewaterlichamen-2018
zijwatergang B-watergang naar berging A2/N2 https://dommel.webgispublisher.nl/?map=vastgestelde-legger-oppervlaktewaterlichamen-2018
Keurgebied binnen plangebied? 'Beperkt invloedsgebied Natura 2000' https://dommel.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Keur_2015_ Beschermde_gebieden_keur_vastgesteld&profileName=Viewer# 
Binnen 25-100 jaarszone? nee https://eindhoven.nazca4u.nl/Atlas/ en https://www.brabant.nl/actueel/regelingen/cvdr93465_8
Binnen boringsvrije zone? ja https://eindhoven.nazca4u.nl/Atlas/
Ecologische verbindingszone? nee http://www.natuurgebiedeninbrabant.nl/index.php/kaarten/natuurnetwerk kaartbank provincie buiten werking
Binnen reserveringsgebied waterberging 2050? nee https://dommel.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Waterberging en is wel waterberging aanwezig https://eindhoven.nazca4u.nl/Atlas/
Attentiegebied EHS nee http://www.natuurgebiedeninbrabant.nl/index.php/kaarten/natuurnetwerk
Rioolwatertransportleiding ja geofundament.ad.gemehv.nl
Waterschap gemaal nee https://dommel.webgispublisher.nl/?map=vastgestelde-legger-oppervlaktewaterlichamen-2018#
Landelijke afvoernorm binnen plangebied 2 l/s/ha https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR617365/2
Verdachte/verontreinigde locaties? Aan de rand van het gebied conform https://eindhoven.nazca4u.nl/Atlas/
Infiltratie praktisch mogelijk? Aanwezige leemlagen zijn een beperking (dinoloket.nl)
Uitwerkingsplicht / wijzigingsbevoegdheid nee https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0772000066314-/v_NL.IMRO.0772000066314-.pdf

5.4.2 Hoogteligging     

De hoogte van het maaiveld op deze locatie varieert van ongeveer NAP +20,5m in het zuidwesten naar NAP +18,8m in het noordoosten (figuur 5.1). Over het algemeen is de hoogte van het maaiveld binnen het plangebied licht glooiend (hoogte verschillen binnen 0,5m), met verdiepingen van de kruisende watergang en aan de randen van het plangebied lokaal oplopend maaiveld.

verplicht verplicht

Figuur 5.1: Huidige maaiveld op de projectlocatie conform de AHN3 (arcgisonline.nl).

5.4.3 Oppervlaktewater     

In onderstaande afbeelding is het watersysteem weergegeven uit de legger van waterschap De Dommel. De A-watergang Oude Rundgraaf loopt door het plangebied en er is een waterberging aanwezig voor de N2/A2. Beide watergangen komen uit in het Beatrixkanaal. Als eerste indicatie voor maatgevende waterpeilen heeft waterschap De Dommel NAP +17,72 m aangegeven (scenario T100_2050_WH) voor de Oude Rundgraaf in het plangebied. Het waterschap heeft als maatgevende waterpeilen voorlopig alleen gegevens beschikbaar uit een regionaal model. Voor een vervolgfase heeft het waterschap aangegeven dat een nauwkeurigere berekening dient plaats te vinden (eventueel in combinatie met metingen). In het bijzonder als de watergangen aangepast worden in het kader van de voorliggende ontwikkeling.

verplicht verplicht

Figuur 5.2: De legger van waterschap De Dommel in het projectgebied (dommel.webgispublisher.nl legger 2018).

5.4.4 Verharding     

Op dit moment is het gebied beperkt bebouwd. Het plangebied wordt in de huidige situatie voornamelijk gebruikt voor (semi-)agrarische doeleinden en voor een deel voor volkstuinen. De Sliffertsestraat loopt nu door het gebied heen, deze wordt verlegd richting het westen.

5.4.5 Bodemopbouw     

Op de projectlocatie is in Dinoloket een boormonster aanwezig (zie onderstaande figuur). Er zijn meerdere leemlagen aanwezig; een aandachtspunt voor de waterhuishouding in het geval dat infiltratie toegepast gaat worden. Ook als gekeken wordt naar de beschikbare dwarsdoorsnede van de ondergrond op Dinoloket is sprake van kleiige ondergrond.

verplicht

Figuur 5.3: Boormonsterprofiel op Dinoloket.nl. De groene stip is de locatie van het boormonster.

5.4.6 Grondwater     

Rond het plangebied zijn meerdere grondwatermetingen beschikbaar (zie onderstaande figuur). Een eerste indicatie voor de GHG (93 percentiel) varieert voor de bekeken grondwatermeetpunten tussen de NAP +16,9 m en NAP +17,7 m. In de omgeving van het projectgebied is ook een grondwatermodel beschikbaar, de toepasbaarheid zal in een vervolgfase gecontroleerd worden bij verdere grondwater detaillering.

verplicht

Figuur 5.4: Beschikbare grondwatermetingen op Dinoloket.nl. Van B51D2024 zijn de 48 metingen van Dinoloket gebruikt, van B51D2075 en B51D2832 zijn de datasets (8973 en 2772 metingen) gebruikt via grondwater.webscada.nl/eindhoven.

5.4.7 Bestaande riolering     

De ontwikkellocatie wordt bouwrijp geleverd. Dat betekent dat het bestaande riool onder de Sliffertsestraat, dat van noord naar zuid dwars door de kavel loopt (figuur 5.5), wordt verwijderd. Het nieuw aan te leggen riool op de ontwikkellocatie wordt aan de zuidkant aangesloten op het bestaande riool. De woningen ten noorden van de ontwikkellocatie worden aangesloten op het bestaande riool van Grasrijk. Verder zijn er 'wees' riool persleidingen aanwezig die worden verwijderd.

verplicht

Figuur 5.5: Bestaande riolering in het studiegebied, de rode lijn langs de Sliffertsestraat (via geofundament.ad.gemehv.nl).

5.4.8 Boringsvrije zone     

Het plangebied is tevens gelegen in een 'boringsvrije zone'. Een bestemmingsplan dat is gelegen in een 'boringsvrije zone' strekt mede tot het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Het is niet noodzakelijk om inhoudelijke bescherming via het ruimtelijke spoor op te nemen omdat in de Provinciale milieuverordening (PMV) al is voorzien in een systeem van melding van dergelijke activiteiten. Van opname in het bestemmingsplan van de boringsvrije zone gaat dan ook vooral een signalerende functie uit.

5.5 Toekomstige situatie van het watersysteem     

5.5.1 Verharding     

De hoeveelheid extra verharding als gevolg van het planvoornemen bedraagt circa 5,5 hectare.

5.5.2 Berging     

In overleg met gemeente en waterschap is afgestemd dat de actuele gemeente-tool (rekentool.eindhovenduurzaam.nl) voor dit project gebied, zijnde uitgeefbare kavels aan de politie, leidend is. Voor de openbare ruimte, dienen de bestaande waterbergingen uit eerder afgegeven vergunningen in kwantiteit gehandhaafd te blijven. Wanneer het verhard oppervlak toeneemt in de openbare ruimte wordt de waterberging gecompenseerd volgens gemeentelijk beleid.

In bijlage 3 van de Verkennende watertoets Land Forum (Bijlage 18 van deze toelichting) zijn resultaten van de rekentool weergegeven:

Als alle daken (behalve parkeerdekken) worden voorzien van groene daken met 60mm berging: Er is geen extra berging nodig in het projectgebied. Dit geeft aan dat de ontwikkeling haalbaar is qua waterhuishouding. Als er geen groene daken worden toegepast maar alle berging wordt gecreëerd in open groene bergingen: 2.136 m3 waterberging is nodig. Om de gewenste hoeveelheid groene berging te halen is eerst een inschatting gemaakt van de maximale hoeveelheid berging per m2. Hiervoor is het verschil tussen het maatgevende (grond)waterpeil en het maaiveld gebruikt. Het maatgevende oppervlaktewaterpeil en grondwaterpeil zijn ongeveer NAP +17,7m. Het laagste maaiveld is ongeveer NAP +18,8m in de huidige situatie. Beide getallen zijn nog onzeker, maar als eerste inschatting kan gesteld worden dat 1m waterdiepte aan berging gecreëerd kan worden op maaiveld. Als gewerkt wordt met damwanden is dat te realiseren op iets meer dan 2.136 m2. Als met taluds gewerkt wordt is er een stuk meer ruimte nodig. Ook dient rekening gehouden te worden met een ledigingsconstructie en noodoverlaat. De huidige berging- en afvoercapaciteit van de Rundgraaf dient bij verlegging of aanpassing van de watergang gehandhaafd te blijven.

Voor de uiteindelijke uitvoering is een watervergunning nodig. In een waterhuishoudkundig plan wordt samen met gemeente en waterschap de waterhuishouding in meer detail uitgewerkt.

5.5.3 Vuilwaterafvoer     

Het vuilwater vanuit de gebouwen (en eventueel bepaalde kolken waar bijvoorbeeld auto's gewassen worden) wordt in de toekomstige situatie gescheiden van het hemelwater ingezameld en afgevoerd naar het rioolstelsel van de gemeente. De afmeting, hoeveelheid afvalwater en definitieve ligging van de vuilwaterriolering worden in een latere fase van het project bepaald.

De bouwkavel wordt bouwrijp geleverd. Dat betekent dat het bestaande riool onder de Sliffertsestraat, dat van noord naar zuid dwars door de kavel loopt (figuur 3.10), wordt verwijderd. Het nieuw aan te leggen riool op de bouwkavel wordt aan de zuidkant aangesloten op het bestaande riool. De woningen ten noorden van de bouwkavel worden aangesloten op het bestaande riool van Grasrijk. Verder zijn er 'wees' riool persleidingen aanwezig die worden verwijderd.

In een volgende fase dienen de exacte gevolgen voor de gemeentelijke riolering in beeld gebracht te worden.

5.5.4 Hemelwaterafvoer     

Het hemelwater van het dakoppervlak en andere verhardingen wordt gescheiden ingezameld en verwerkt van het vuilwater. Er zijn nog geen concrete plannen hoe het hemelwater wordt getransporteerd. Gezien de geplande groenstroken en berging op maaiveld lijkt afvoer over maaiveld een goede optie.

Naast de berging dient rekening gehouden te worden met een trage afvoer en eventuele infiltratie van het geborgen water. Als voor infiltratie gekozen wordt dient rekening gehouden te worden met de beperkte infiltratiecapaciteit van de aanwezige leemlagen. Het waterschap gaf aan kansen te zien voor een groen-blauwe structuur, in een vervolgfase wordt hier nader over afgestemd. Bebouwing dichtbij watergangen, eventuele verlegging van watergangen, nieuwe kunstwerken in watergangen dienen ook in de afstemming met het waterschap meegenomen te worden.

5.5.5 Waterkwaliteit     

In de toekomstige situatie voert het hemelwater af naar bovengrondse bergingsvoorzieningen of groenstroken. Zover bekend zijn er geen aanvullende zuiverende voorzieningen nodig. Als er vanuit de gebruiksfunctie wordt verwacht dat er vuil hemelwater of bijzonder afvalwater wordt afgevoerd dient hier rekening mee gehouden te worden.

5.5.6 Advies / overleg Waterschap     

Gedurende het opstellen van de verkennende watertoets is overleg gevoerd met waterschap De Dommel, waardoor de ontwikkelkaders nu in beeld zijn. Het waterschap zal worden betrokken bij de verdere uitwerking van het planvoornemen, meer specifiek bij het opstellen van een waterhuishoudkundig plan.

5.6 Conclusie en vervolgstappen     

In deze eerste verkennende watertoets is de ontwikkeling Politie Land Forum op hoofdlijnen bekeken in relatie tot het watersysteem en de bijbehorende randvoorwaarden. Het hoofddoel van deze notitie is om een inschatting te maken of de ontwikkeling haalbaar geacht wordt. Er zijn geen onoverkomelijke problemen geconstateerd.

Het belangrijkste criterium voor het ontwerp is om voldoende compenserende waterberging te maken. Conform de rekentool van gemeente Eindhoven kan de waterberging volledig plaats vinden in de groene daken exclusief parkeerdekken. Hiermee toont deze verkennende watertoets aan dat de waterberging voor deze ontwikkeling haalbaar is.

Als een groene waterberging op maaiveld gekozen wordt is de eerste inschatting dat 2.136 m3 waterberging nodig is die langzaam leegloopt. Dit dient nog verder uitgewerkt te worden in een volgende fase. Deze verkennende watertoets laat zien dat waterberging op maaiveld niveau mogelijk moet kunnen zijn.

Met deze twee oplossingsrichtingen laat de verkennende watertoets zien dat in vervolg fase kansen zijn om deze oplossingsrichtingen te combineren. Op het gebied van grondwater zijn nog geen grote effecten verwacht. Ook dit onderwerp dient onder de aandacht te blijven en wordt belangrijker als er bijvoorbeeld toch kelders komen. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de ontvangende riolering, A-watergang Rundgraaf en de dichtbijgelegen bestaande waterberging. Eventuele aanpassing van deze objecten mag niet leiden tot een verslechterde situatie en moet in goed overleg met het waterschap en gemeente ontworpen worden. Bij het concretiseren van de plannen is de richtlijn om ook rekening te houden met overlast door neerslag in extreme situaties (T=100). Mede omdat het politieterrein ook in extreme situaties ontsloten moet zijn. Als er meer bekend is kan dit op basis van expert judgement of in meer detail door modellering.

Vervolgfase

Voor werkzaamheden of gebruikswijzigingen waarvoor op grond van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit is vereist dient de aanvaardbaarheid van het voornemen vanuit waterhuishoudkundig oogpunt voldoende te worden gemotiveerd. Concreet betekent dit dat in een waterhuishoudkundig plan moet worden gemotiveerd dat:

  • De waterhuishoudkundige functie van de huidige A-watergang (Oude Rundgraaf) binnen het plangebied in acht wordt genomen en dat ook bij (geringe) verlegging of aanpassing van deze A-watergang dit is geborgd.
  • Overeenkomstig het beleid van de gemeente ('Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen') voldoende waterbergingscapaciteit wordt gerealiseerd en waarbij de keur van waterschap De Dommel ten aanzien van het bergen en afvoeren van hemelwater op de riolering en/of oppervlaktewater in acht wordt genomen.

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving     

6.1 Algemeen     

Het bestemmingsplan "Land Forum (politielocatie)" is te typeren als een globaal bestemmingsplan. Het voornemen is in grote lijnen duidelijk en objectief begrensd, maar de exacte invulling is nog onbekend. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012, maar daar waar nodig is gebruikgemaakt van aanvullende mogelijkheden op basis van de Crisis- en herstelwet, zoals beschreven onder paragraaf 6.3.

6.2 Planmethodiek     

Er is, conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Omdat de exacte invulling van het gebied nog niet bekend is, is het niet wenselijk c.q. mogelijk om gedetailleerde haalbaarheidsonderzoeken te verrichten op basis van maximale planologische mogelijkheden. Daarom biedt het bestemmingsplan geen directe titel voor het gebruik van de voorgenomen politielocatie en de verlegging van de Sliffertsestraat, maar dient eerst een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit te worden verleend conform artikel 7c lid 14 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. De beoordelingscriteria voor deze omgevingsvergunning zijn genoemd in artikel 5.3.2 en artikel 12.2.3 van de regels. In de toelichting van dit bestemmingsplan wordt per milieu-/omgevingsaspect benoemd hoe de aanvaardbaarheid van een voornemen kan worden gemotiveerd, te weten in paragraaf 2.5.2, 3.2.5, 3.6, 3.7, 3.8, 3.14 en in hoofdstuk 4 en 5.

6.3 Bestemmingsplan met verbrede reikwijdte onder de Crisis- en herstelwet     

Het plangebied is aangewezen als experimenteergebied onder de Crisis- en herstelwet. Dit betekent dat de mogelijkheden conform artikel 7c en artikel 7w van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet kunnen worden benut bij het opstellen van een zogenaamd “bestemmingsplan met verbrede reikwijdte”.

Voor onderhavig bestemmingsplan betekent dit het volgende:

  • Op grond van artikel 7c lid 9 onder b van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet kan worden afgeweken van artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (vormgeving en inrichting van bestemmingsplannen conform de SVBP2012);
  • Op grond van artikel 7c lid 9 onder c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet kan worden afgeweken van artikel 110a van de Wet geluidhinder waardoor het mogelijk wordt om hogere waarden in het bestemmingsplan vast te stellen. Hiervoor hoeft dan geen aparte hogere waardenprocedure op grond van de Wet geluidhinder te worden doorlopen.
  • Op grond van artikel 7c lid 14 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt een aanvullende vergunningplicht geïntroduceerd voor een “bestemmingsplanactiviteit”. Gedetailleerde haalbaarheidsonderzoeken kunnen daarmee worden doorgeschoven naar de vergunningfase. Zodoende legt het bestemmingsplan de kaders vast, waarbinnen de Politie haar voornemens nader kan uitwerken;
  • Op grond van artikel 7w van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet verschuift het moment van indirecte planschade naar het moment van vergunningverlening (in plaats van op het moment van onherroepelijk worden van het vastgestelde bestemmingsplan);
  • Voor een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte gelden andere procesregels voor de behandeling van eventuele beroepszaken dan gebruikelijk:
    1. Alle beroepsgronden moeten binnen de beroepstermijn bekend zijn. Het is niet toegestaan buiten de termijn nog (aanvullende) beroepsgronden aan te voeren;
    2. De Afdeling bestuursrechtspraak is verplicht de zaak versneld te behandelen. Verder moet zij binnen zesentwintig weken na afloop van de beroepstermijn uitspraak doen. Daarom gelden voor een aantal stappen in de procedure kortere termijnen dan gebruikelijk (https://www.raadvanstate.nl/bestuursrechtspraak/hoger-beroep/).

6.4 Verbeelding     

Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn zoveel mogelijk ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in de legenda. Bij een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte onder de Crisis- en herstelwet, zoals onderhavig bestemmingsplan, mag echter worden afgeweken van de SVBP2012.

Ten slotte wordt opgemerkt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

6.5 Planregels     

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

De  Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In "Artikel 1 Begrippen" wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan kan worden onderzocht of de regels op andere wijze aanknopingspunten voor een definitie bevat. Die kunnen volgen uit de toelichting bij de regels en/of uit de systematiek van de regels zelf. Ontbreken dergelijke aanknopingspunten dan geldt de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht.

In geval meerdere dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen gelijktijdig van toepassing zijn op een gebied of in het geval dat er meerdere bepalingen van toepassing zijn binnen één bouwperceel, geldt dat deze bepalingen qua rangorde gelijk zijn aan elkaar. Dit betekent dat aan alle voorwaarden uit de relevante bepalingen voldaan moet worden. Logischerwijs heeft dit tot gevolg dat de meest beperkende bepaling geldt.

Artikel 3 Bos

Het noordelijk deel van het plangebied bevat een bestemming 'Bos', vooral bedoeld voor de instandhouding van de daar aanwezige houtopstanden en het behoud, herstel en de ontwikkeling van de aanwezige aardkundige, natuurlijke en landschappelijke waarden. Gebouwen mogen hier niet worden gebouwd.

Artikel 4 Groen

De circa 25 meter brede overgangszone tussen de wijk Grasrijk en de voorgenomen politielocatie is bestemd als 'Groen'. Hierbinnen zijn tevens andere functies toegestaan, zoals paden, speelvoorzieningen, waterpartijen, hondenuitlaatvoorziening en parkeervoorzieningen. Er is rekening gehouden met het bestaande parkeerterrein aan de noordzijde van deze bestemming en de bestaande verharde weg (de Graslook) die aan de zuidzijde door deze groenzone loopt richting de woonwijk Grasrijk.

Artikel 5 Maatschappelijk - Politie

De beoogde politielocatie is bestemd als 'Maatschappelijk - Politie'. Hier zijn diensten en activiteiten toegestaan behorende tot het takenpakket van de politie en politiegerelateerde activiteiten. In de bouwregels is bepaald dat het bouwen van een gebouw uitsluitend is toegestaan met een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit, waarmee is geborgd dat de nadere uitwerking van het voornemen voldoet aan de in dit plan gestelde randvoorwaarden. De bouwhoogte bedraagt maximaal 15 meter aan de noordzijde en maximaal 45 meter aan de zuidzijde van Land Forum, waarbij een maximum bruto vloeroppervlak (bvo) van 50.000 m2 aan gebouwen is toegestaan, uitgezonderd parkeergarages. Zo kan de Politie parkeergelegenheid toevoegen naar behoefte, zodat te allen tijde in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein kan worden voorzien.

Artikel 6 Waarde - Archeologie - 1, Artikel 7 Waarde - Archeologie - 2 en Artikel 8 Waarde - Archeologie - 3

Deze dubbelbestemmingen dienen ter bescherming van de archeologische belangen.

Artikel 9 Waarde - Cultuurhistorie - 2

Deze dubbelbestemming dient ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Onder de Algemene regels zijn opgenomen de Anti-dubbeltelregel, de Algemene gebruiksregels, de Algemene aanduidingsregels en de  Algemene afwijkingsregels.

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

In deze regels zijn algemene gebruiksregels opgenomen die voor alle bestemmingen in het plan gelden. Op grond van de algemene gebruiksregels wordt algemeen ongewenst gebruik verboden, tenzij een bepaald gebruik juist bedoeld is toe te laten op grond van de bestemmingen, direct hetzij indirect.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels

Dit artikel bevat diverse aanduidingen die binnen het plangebied van toepassing zijn, inclusief bijbehorende regels. Navolgend worden deze afzonderlijk toegelicht.

overige zone - ontwikkelgebied politielocatie Land Forum

Deze aanduiding toont het ontwikkelgebied van de Politie en schept daarmee meer duidelijkheid voor de omgang. Daarnaast wordt door middel van deze aanduiding benadrukt dat het huidige grondgebruik afwijkt van het planvoornemen. Ter plaatse van deze aanduiding gelden hogere grenswaarden (conform artikel 7c, lid 9, Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet) op de gevel van ruimten voor theorie-onderwijs.

overige zone - reservering verlegging Sliffertsestraat

De Sliffertstestraat wordt in westelijke richting verlegd. De uitwerking ligt echter nog niet vast en kan samen met de omgeving worden bepaald. Deze aanduiding schept hiervoor de bandbreedte. Daarnaast wordt in de regels bepaald dat een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit is vereist alvorens de Sliffertsestraat kan worden gelegd. Zo wordt geborgd dat aan de milieukundige eisen zoals benoemd in lid 12.2.3 wordt voldaan.

milieuzone - boringsvrije zone

Deze aanduiding is bedoeld ter behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Ter plaatse zijn eveneens de regels van de provinciale milieuverordening van toepassing.

veiligheidszone - invloedsgebied

De veiligheidszone duidt een gebied aan waarbinnen geen (nieuwe) gebouwen zijn toegestaan die zijn bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van groepen verminderd zelfredzame personen. Daartoe behoort bijvoorbeeld het beoogde cellencomplex.

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels

De Algemene afwijkingsregels bevatten bepalingen op basis waarvan in bepaalde gevallen binnenplans kan worden afgeweken van de bepalingen uit de bestemmingsregels.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven.

Artikel 15 Slotregel

Deze regel bevat de citeerregel van het plan.

Hoofdstuk 7 Handhaving     

Handhavingsnota Leefomgeving 2018-2021

In Eindhoven streven we naar een aantrekkelijke stad waar inwoners en bezoekers zich welkom, thuis en veilig voelen. Voor het behoud van een prettige leefomgeving zijn regels nodig. Het voorkomen van overtredingen en de bereidheid om regels na te leven heeft een hoge prioriteit. Hoe dit wordt vormgegeven staat in de 'nota Handhaving Leefomgeving 2018-2021'. De nota is op 27 februari 2018 door het college vastgesteld. Het is een integraal beleidsplan waarin op hoofdlijnen de keuzes voor het handhaven van de fysieke leefomgeving staan beschreven. Op basis van de nota wordt jaarlijks een uitvoeringsplan opgesteld waarin de aanpak wordt geconcretiseerd.

Uitgangspunten

Bij de vertaling van dit beleidskader naar een concreet, jaarlijks uitvoeringsplan worden een aantal uitgangspunten in acht genomen. De belangrijkste uitgangspunten zijn:

  • Informatie gestuurd

    De gemeente Eindhoven ziet informatie gestuurde handhaving als een belangrijke pijler. Er zijn ontwikkelingen op het gebied van ICT en data analyse. Door gemeentelijke en andere informatiebronnen te ontsluiten, te analyseren en te combineren kunnen we een problematiek eerder (of preventief) en gerichter aanpakken.

  • Gebiedsgericht

    Om optimaal in te kunnen spelen op vraagstukken van inwoners zet de gemeente Eindhoven binnen het ruimtelijk domein al geruime tijd in op gebiedsgericht toezicht. Dit doen we door - vanuit een actieve samenwerking met wijkteams - te kijken naar naleefgedrag, oorzaken en oplossingen gerelateerd aan geografische gebieden. Er zijn verschillende vragen, doelgroepen en belangen. Kennis wordt gedeeld en ervaringen van inwoners en bedrijven worden verzameld. Deze input is van invloed op de prioriteiten in het jaarlijkse uitvoeringsplan, waar mogelijk toegespitst op een specifieke wijk. Per wijk kunnen er dus op basis van gebiedsanalyses en bijvoorbeeld buurtcontracten verschillende bouwstenen zijn voor het uitvoeringsplan.

  • Risico- en oplossingsgerichte benadering

    De gemeente Eindhoven benadert toezicht en handhaving risico- en oplossingsgericht. De prioriteiten worden in beginsel gebaseerd op een inschatting van de veiligheids- en gezondheidsrisico's voor inwoners. Ook aspecten als leefbaarheid, duurzaamheid en omgevingskwaliteit wegen in belangrijke mate mee. Daarnaast worden prioriteiten mede gebaseerd op wat inwoners en bedrijven belangrijk vinden. Eindhoven hecht eraan om vraagstukken waar mogelijk gezamenlijk op te lossen.

    Er zijn onderwerpen die in algemene zin aandacht vragen. Brandveilig gebruik van woongebouwen verdient (nog) meer aandacht, in de context van kwetsbare groepen die langer zelfstandig blijven wonen. Ook aanpak van jeugdoverlast, duurzaamheid en de bestaande bouw zijn voorbeelden. Er wordt gezocht naar de beste oplossing die nodig is voor het versterken van de veiligheid in de leefomgeving van onze inwoners. Hiermee ontstaat een risicoanalyse op basis waarvan vervolgens de prioriteiten binnen het toezicht worden gesteld.

  • Consequent en doelmatig

    Uitvoeringsplannen en jaarverslagen bevatten een overzicht van de inzet en capaciteit voor handhaving. In het verlengde van informatie gestuurde en oplossingsgerichte handhaving vergt doelmatige handhaving een analyse van resultaten. Meetbare doelen om te beoordelen of de beschikbare capaciteit zo doelmatig mogelijk wordt ingezet. We beogen in de komende jaren een ontwikkeling door te maken in de vierslag capaciteit – prioriteit – risicoanalyse - nalevingsniveau. Dit moet onder andere leiden tot meer inzicht in de relatie tussen handhavingsinspanningen en het nalevingsniveau (effect).

Prioritering

De gemeente Eindhoven maakt keuzes om ervoor te zorgen dat de beschikbare capaciteit zo adequaat mogelijk wordt ingezet. Om goede prioriteiten te stellen is inzicht noodzakelijk in mogelijke problemen, de risico's en negatieve effecten. Hierdoor kan beter ingespeeld worden op de grootste ergernissen en notoire overtreders en draagt handhaving bij aan een verhoogd gevoel van veiligheid. Met inachtneming van de uitgangspunten zijn in de nota prioriteiten gesteld. Aan de hand van deze prioriteiten, het budget uit de programmabegroting, incidentele bestuurlijke prioriteiten en het naleefgedrag van burgers en bedrijven, wordt jaarlijks het uitvoeringsplan voor toezicht en handhavingsprogramma opgesteld.

Uitvoeringsplan

In het uitvoeringsplan wordt op hoofdlijnen opgenomen waar de capaciteit dat jaar wordt ingezet. Daarbij is een onderverdeling gemaakt in:

  • Object en informatiegericht

    - Bouwen en Wonen

    - Openbare leefomgeving

    - Bedrijven

  • Gebiedsgericht

    - Pilot Veiligheid en leefbaarheid

    - Actiegebieden

  • Themagericht

    Bij ieder onderdeel worden jaarlijks een aantal belangrijke ontwikkelingen op het gebied van toezicht en handhaving opgenomen. Dat kan bijvoorbeeld gaan om woonoverlast bij de Activiteiten Bouwen & Wonen. Of duurzaamheid en energiebesparing bij de Activiteiten Bedrijven.

Bovengenoemde onderverdeling komt in elk uitvoeringsplan terug. Per jaar wordt aangegeven welke prioriteit een onderdeel heeft en hoeveel capaciteit er wordt ingezet.

Duidelijke regels

Om overtredingen te voorkomen en goed te kunnen handhaven is het belangrijk dat regels duidelijk zijn. Het moet duidelijk zijn wat wel en niet mag. Regels dienen niet voor verschillende uitleg vatbaar te zijn. Bij het opstellen van bestemmingsplannen is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. De regels zijn zo geschreven, dat deze in de praktijk goed toetsbaar zijn. De juridische toelichting op het bestemmingsplan en de begrippenlijst geven nadere uitleg over de regels en over de begrippen die gebruikt worden.

Hoofdstuk 8 Financiële aspecten     

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten; die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar.

Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst.

Ook kan er sprake zijn van zogenaamde “kruimelgevallen”. Het komt er hierbij op neer dat de door de gemeente te maken kosten beperkt zijn en de kosten verhaald kunnen worden via de legesverordening. Voorwaarde hierbij is dat er geen sprake is van fasering, locatie-eisen of eisen aan woningbouwcategorieën.

Chw-bestemmingsplan Land Forum (politieverzamellocatie)

In het kader van dit planvoornemen is het kostenverhaal anderszins geregeld en heeft de gemeente Eindhoven een overeenkomst gesloten met de Politie. Zodoende is het niet nodig om een exploitatieplan vast te stellen. Bovendien kan een exploitatieplan, op grond van artikel 7c lid 10 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet op een nader moment worden vastgesteld (bij een omgevingsvergunning voor het bouwen).

Hoofdstuk 9 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid     

9.1 Bekendmaking ex artikel 1.3.1 Bro     

Op grond van artikel 1.3.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet van het voornemen een bestemmingsplan voor te bereiden, kennis worden gegeven. De kennisgeving van de voorbereiding van onderhavig bestemmingsplan is geplaatst in het Gemeenteblad op 19 januari 2022, nr. 20524. Er zijn geen stukken betreffende het voornemen ter inzage gelegd, noch de mogelijkheid open gesteld om zienswijzen tegen het voornemen in te dienen of instanties om advies te vragen.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro     

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Bij de voorbereiding van dit plan is overleg gevoerd met Trefpunt Groen Eindhoven, Veiligheidsregio Brabant Zuidoost, Gasunie, provincie Noord-Brabant, Rijkswaterstaat, Henri van Abbestichting, Stichting Behoud Wederopbouwerfgoed Eindhoven, gemeente Veldhoven en Defensie. Daarnaast is veelvuldig en voortdurend overleg met waterschap De Dommel. Voor zover relevant zijn hieronder de reacties vermeld en het gemeentelijk standpunt daarover.

  1. Rijkswaterstaat:
  1. Er wordt bebouwing toegestaan nabij afrit 30 die hoger kan zijn dan de bestaande geluidsschermen. Hierdoor heeft de bebouwing de potentie om automobilisten af te leiden door visuele prikkels, zoals verlichte elementen.

Standpunt gemeente: De politie wordt gevraagd dit te betrekken bij de invulling van dit deel van het plangebied.

  1. Doordat de bebouwing hoger wordt dan de bestaande geluidswallen moet onderzocht worden of er wordt voldaan aan de geluidsnormen met betrekking tot de eigen gevels van de bebouwing, maar ook op de weerkaatsing van het geluid in de tegengestelde richting.

Standpunt gemeente: Uit het reeds uitgevoerde akoestisch onderzoek (Bijlage 19 bij deze toelichting) blijkt dat realisatie van geluidgevoelige (onderwijs)functies binnen het plangebied alleen mogelijk is als er hogere waarden worden vastgesteld en er maatregelen worden genomen. Daarom worden in dit bestemmingsplan ten aanzien van de A2/N2 hogere waarden vastgesteld tot 53 dB en ten aanzien van de Meerhovendreef en de Sliffertsestraat worden hogere waarden vastgesteld tot 63 dB. Het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet, dat van toepassing is op dit bestemmingsplan, maakt het mogelijk om hogere waarden in het bestemmingsplan vast te stellen. Hiervoor hoeft geen aparte hogere waardenprocedure op grond van de Wet geluidhinder te worden doorlopen.

Dit bestemmingsplan is aangewezen als experimenteergebied onder de Crisis- en herstelwet. Hierdoor kan het voorzien in een globale regeling waarin uitsluitend randvoorwaarden zijn vastgelegd. Uitgewerkte voornemens kunnen alleen worden gerealiseerd met een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit, waarbij toetsing plaatsvindt aan de in dit plan gestelde criteria. In de vergunningsfase zal het nodig zijn de geluidsbelasting ter plaatse van mogelijke geluidsgevoelige onderwijsruimtes opnieuw te berekenen, om vast te stellen of (met de geplande inrichting van het terrein) voldaan wordt aan de geldende geluidswaarden.

Wat betreft onderzoek of wordt voldaan aan de geluidsnormen bij weerkaatsing van het geluid in de tegengestelde richting, kan het volgende worden vermeld. In theorie zou een beperkte toename van het geluidsniveau kunnen optreden. Er gelden hiervoor geen geluidsnormen. Deze zijn alleen van toepassing indien een wijziging optreedt aan de A2/N2. Wel kan een beoordeling plaatsvinden van de toename van het geluidsniveau, in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De verwachting is dat het effect van het realiseren van de nieuwe bebouwing beperkt is: mogelijk een (beperkte) toename van het geluidsniveau bij de woningen aan de overzijde van de A2/N2, maar ook een (beperkte) afname van het geluidsniveau bij de woningen in Grasrijk. Verwacht wordt dat de toename van het geluidsniveau bij de woningen aan de overzijde van de A2/N2 beperkt blijft tot maximaal circa 0,5 dB. Deze toename is beperkt en kan worden beschouwd als verwaarloosbaar en onhoorbaar.

  1. De zones zoals die zijn opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied 2019 (overzijde snelweg) ook opnemen in dit bestemmingsplan.

Standpunt gemeente: In het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Eindhoven 2022 geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone-weg' geen nieuwe bouwwerken zijn toegestaan, met uitzondering van met de Rijksweg verband houdende bouwwerken, zoals geluidswerende voorzieningen en ecologische voorzieningen. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het hiervoor bepaalde voor het bouwen van een bouwwerk ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone-weg', mits door de bouw van dit bouwwerk de verkeersbelangen niet onevenredig worden geschaad. Daartoe dient vooraf de betrokken wegbeheerder te worden gehoord. Omdat deze aanduiding 'vrijwaringszone-weg' over een deel van het ontwikkelgebied van de politie ligt wordt met Rijkswaterstaat spoedig een overleg gepland om te bezien of en hoe dit kan worden uitgewerkt voor dit plangebied.

  1. Trefpunt Groen Eindhoven (en de Henri van Abbestichting sluit zich bij deze reactie aan):
  1. TGE stelt voor om wat meer informatie en sensitiviteit naar voren te laten komen in het nieuwe bestemmingsplan rondom cultuurhistorie en dat de cultuurhistorische waarden meer in het plan worden verwerkt.

Standpunt gemeente: De paragraaf in de toelichting over cultuurhistorie wordt uitgebreid met de informatie uit de RAAP rapporten voor het plangebied. Vanwege de 'zeer hoge waarde' van het paadje ten zuiden van het bosgebiedje wordt een zo groot mogelijk deel daarvan geborgd in de regels. Dit gebeurt door een dubbelbestemming ('Waarde - Cultuurhistorie - 2') ter plaatse van dit paadje op te nemen op de verbeelding. In de regels wordt bepaald dat daar zonder omgevingsvergunning geen werken of werkzaamheden (zoals bijv. het aanbrengen van (half)verhardingen) mogen worden uitgevoerd. Als op basis van de onderliggende andere bestemming(en) bouwwerken zijn toegestaan dan zijn deze ter plaatse van deze dubbelbestemming mogelijk, mits advies is ingewonnen bij de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of commissie ruimtelijke kwaliteit waaruit blijkt dat met het bouwen van het bouwwerk geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen. Als blijkt dat het bouwen van het bouwwerk leidt tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerken, kan aan de omgevingsvergunning de verplichting worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende elementen kunnen worden behouden.

De historische bomenrij ten zuiden van het bosgebiedje wordt zoveel als redelijkerwijs mogelijk is behouden bij de (her)inrichting van dit gebied. TGE zal bij de inrichting van dit gebied worden betrokken zodat zij hierover kunnen meedenken. Ten aanzien van de locatie van de oorspronkelijke Sliffertsestraat wordt aan de politie meegegeven dat de ligging een 'pluswaarde' heeft in het kader van cultuurhistorie en dat er mogelijkheden zijn om de ligging landschappelijk herkenbaar te maken.

  1. TGE stelt voor om vast te leggen dat de watergang en haar oevers een groene inrichting krijgen, het liefst gecombineerd met een groenbestemming in het bestemmingsplan. 

Standpunt gemeente: De intentie is dat de Rundgraaf en oevers niet worden verhard en de oevers een groene inrichting krijgen. Dit geldt niet voor de hellingsbaan naar het verlaagde onderhoudspad en bij een overkluizing voor infrastructuur. Deze intentie wordt geborgd door dit op te nemen als een voorwaarde in de regels (artikel 5.3.2).

c. TGE geeft een aantal adviezen over "natuurinclusief ontwikkelen". Gevraagd wordt deze adviezen in het bestemmingsplan op te nemen.

Standpunt gemeente: Bij de ontwikkeling van de plannen wordt door de politie onder andere een ecologisch adviesbureau betrokken. De adviezen van TGE over "natuurinclusief ontwikkelen" worden meegegeven aan de politie zodat deze kunnen worden betrokken bij de planontwikkeling.

d. De huidige quickscan flora en fauna is van september 2020. Sinds die tijd zijn volgens TGE al meerdere ontwikkelingen in de omgeving gaande die de locatie beter geschikt maken voor kleine zoogdieren en amfibieën. TGE adviseert daarom de quickscan te actualiseren wanneer gestart wordt met ontwikkelingen.

Standpunt gemeente: Te zijner tijd moet de politie voldoen aan de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming.

3. De Stichting Bescherming Wederopbouwerfgoed Eindhoven (SBWE):

De Stichting heeft in het verleden de gemeente verzocht een cultuurhistorisch onderzoek te doen naar de gebouwen van de voormalige marechausseekazerne. In de toelichting is niets terug te vinden van enig onderzoek dan wel van de waardering van de gebouwen. Derhalve is SBWE kritisch over dit plan.

Standpunt gemeente: In het verleden is dit pand verworven om de uitgifte van Land Forum mogelijk te maken. Daarna stond dit pand op de gemeentelijke slooplijst en afhankelijk van de planvorming moest de afweging worden gemaakt om te behouden of te slopen. Ondanks dat de geschiedenis van het pand enige betekenis heeft, heeft het pand geen bijzondere status. De politie heeft aangegeven het pand niet in te kunnen passen in hun plannen. Als het pand al zou worden gehandhaafd in deze ontwikkeling dan ligt dit in een afgesloten terrein. Gelet op hiervoor genoemde argumenten wordt aan de reactie van SBWE niet tegemoet gekomen.

4. Waterschap De Dommel:

  1. Het waterschap vraagt om een voorwaardelijke verplichting in de regels op te nemen om te borgen dat er voldoende waterberging wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

Standpunt gemeente: Dit bestemmingsplan voorziet in een globale regeling, waarin uitsluitend randvoorwaarden zijn vastgelegd. Nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten van de politie kunnen uitsluitend worden gerealiseerd/gestart met een zogenoemde omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit. Bij deze omgevingsvergunning vindt toetsing plaats aan de in dit bestemmingsplan gestelde criteria (artikel 5.3.2). In deze criteria/regels is geborgd dat bij nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten overeenkomstig het beleid van de gemeente ('Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen') voldoende waterbergingscapaciteit wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

  1. Er wordt gewaarschuwd dat ingrepen binnen 5 meter vanaf de insteek van een A-watergang vergunningplichtig zijn.

Standpunt gemeente: Dit wordt voor kennisgeving aangenomen en betrokken bij de invulling van het plangebied.

  1. Het waterschap vraagt of het mogelijk is om op de verbeelding een zone of aanduiding op te nemen ter plaatse van de Oude Rundgraaf en de beschermingszones om de waterbelangen te borgen.

Standpunt gemeente: Zoals bij punt a hierboven is vermeld kunnen nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten binnen het plangebied uitsluitend worden gerealiseerd/gestart met een zogenoemde omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit. Bij deze omgevingsvergunning vindt toetsing plaats aan de in dit bestemmingsplan gestelde criteria (artikel 5.3.2). In deze criteria/regels is geborgd dat bij nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten de waterhuishoudkundige functie van de huidige A-watergang (Oude Rundgraaf) binnen het plangebied in acht wordt genomen en ook bij verlegging of aanpassing van deze A-watergang moet worden geborgd.

  1. Er wordt aandacht gevraagd voor de berekende hoeveelheid verhard oppervlak van de parkeerplaatsen in de watertoets. Deze lijkt te klein.

Standpunt gemeente: Dit bestemmingsplan voorziet in een globale regeling, waarin uitsluitend randvoorwaarden zijn vastgelegd. Nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten van de politie, zoals aanleggen van (verharde) parkeerplaatsen, kunnen uitsluitend worden gerealiseerd/gestart met een zogenoemde omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit. Bij deze omgevingsvergunning vindt toetsing plaats aan de in dit bestemmingsplan gestelde criteria (artikel 5.3.2). In deze criteria/regels is geborgd dat bij nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten overeenkomstig het beleid van de gemeente ('Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen') voldoende waterbergingscapaciteit wordt gerealiseerd en in stand gehouden. In de toelichting (par. 5.5.2) is vermeld dat daarbij de actuele gemeente-tool (rekentool.eindhovenduurzaam.nl) moet worden gebruikt.

  1. Voor de vervolgfase dienen de verharde oppervlakten, de benodigde waterberging, grondwaterstanden, infiltratiecapaciteit en het functioneren van de Rundgraaf t.a.v. de beoogde ontwikkeling nader onderzocht te worden in een waterhuishoudkundig plan. Hierbij is van belang dat wordt aangetoond dat de waterberging voldoende groot is en dat het plan hydrologisch gezien geen negatieve impact heeft. Deze dient vervolgens als basis voor de watervergunning.

Standpunt gemeente: Dit wordt voor kennisgeving aangenomen en de politie wordt ook gevraagd dit te betrekken bij de invulling van het plangebied. Het is noodzakelijk dat bij de eerste aanvraag omgevingsvergunning door de politie het waterhuishoudkundig plan wordt gevoegd. Bij wijzigingen in het plangebied moet het waterhuishoudkundig plan worden geactualiseerd.

9.3 Inspraak     

Per 1 oktober 2008 is de "Verordening Samenspraak en Inspraak gemeente Eindhoven 2008" in werking getreden. Het doel hiervan is het betrekken van burgers bij de besluitvorming. In deze paragraaf van het bestemmingsplan staat hoe de samenspraak van gemeente Eindhoven is verlopen en wat de politie aan participatie heeft gedaan.

In december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders de locatie Land Forum aangewezen als locatie voor de vestiging van een centrale huisvesting voor de politie. Vervolgens is de haalbaarheid van die locatie getoetst. Daarbij zijn naast een gemeentelijk projectteam en een projectteam van de politie ook bewoners uit de buurt betrokken.

In eerste instantie is een klankbordgroep met negen betrokken bewoners uit Meerhoven gevraagd mee te denken over de plannen. Met de klankbordgroep zijn acht bijeenkomsten georganiseerd tussen juni 2020 en maart 2021. In die tijd zijn ook diverse nieuwsbrieven zowel door de gemeente als de bewonersvereniging verspreid. Ook heeft de gemeente een projectpagina op de website ingericht waarop alle beschikbare stukken zijn gepubliceerd. In aanvulling daarop heeft het gemeentelijk projectteam in april 2020 alle bewoners gevraagd digitaal op de plannen te reageren. Daarop zijn bijna 500 reacties ontvangen. Uit al deze contacten met de buurt is een aantal zorgpunten gekomen:

  1. Parkeeroverlast in de buurt;
  2. Geluidoverlast, met name voor direct aanwonenden in Grasrijk;
  3. De verlegging van de Sliffertsestraat (oostelijke of westelijke variant);
  4. Onvoldoende betrokkenheid direct aanwonenden.

In reactie op deze zorgpunten heeft het college in juni 2021 het volgende besloten:

  1. De politie dient het parkeren zowel voor eigen medewerkers, bezoekers als dienstvoertuigen op eigen terrein op te lossen. Daarvoor wijkt de gemeente van de parkeernorm af en staat meer parkeerplaatsen dan de norm toe.
  2. Door de hoofdingang aan de zuidwestzijde van het complex te verplichten, rijdt het verkeer dat van de Meerhovendreef komt niet langs Grasrijk. Verkeersberekeningen laten zien dat het aantal voertuigen dat over de Sliffertsestraat gaat rijden het maximale aantal niet overstijgt en zelfs onder het voorkeursaantal ligt. Ook zal samen met bewoners naar de inrichting van de nieuw aan te leggen weg worden gekeken bijv. materiaalgebruik en beperken maximumsnelheid. Verder lijkt de zorg over geluidsoverlast gebaseerd op onvolledige informatie. Schieten op het terrein vindt uitsluitend binnen in een geïsoleerde ruimte plaats. Er worden geen honden gehuisvest noch met honden geoefend op het terrein. Wat sirenes betreft neemt de politie maatregelen om het gebruik ervan op het terrein en in de directe nabijheid ervan te beperken. De bestuurders van voertuigen krijgen de werkinstructie om de locatie zonder sirene te verlaten en indien nodig pas aan te zetten op de Meerhovendreef of de N2.
  3. Het College heeft ook besloten om de buurt nogmaals te consulteren over de verlegging van de Sliffertsestraat om de argumenten bij beide varianten goed af te kunnen wegen. Na deze extra consultatie heeft het college in december 2021, alles afwegende, voor de westelijke variant gekozen.
  4. Communicatie en participatie is vanaf mei 2021 breder uitgezet in de wijk. Participatiebureau ZET heeft na aankondiging vier keer in de wijk gestaan om reacties te vragen. Bovendien hebben zij bij de klankbordgroep en deur aan deur bij de direct aanwonenden om reactie gevraagd. In totaal heeft dit 134 reacties opgeleverd.

Vanaf begin 2022 is de politie gestart met het informeren over en betrekken van de buurtbewoners bij de plannen van de politie. Daarvoor is in februari 2022 een digitale informatiebijeenkomst georganiseerd met 107 deelnemers, tijdens welke de stand van zaken over de huisvestingsplannen op Land Forum is toegelicht en vragen zijn beantwoord. Politie stuurt ook nieuwsbrieven uit over het project Land Forum. Daarnaast heeft de politie in het tweede kwartaal van 2022 zes (inloop)spreekuren gehouden in de wijk en heeft daarbij ruim 150 bewoners gesproken. In mei 2022 organiseerde de politie twee excursies naar andere politielocaties met meerdere functies.

In het tweede kwartaal van 2022 selecteert de politie een architect om de plannen in schetsen en ontwerpen uit te werken. Bij de ontwerpen zullen buurtbewoners worden betrokken. Tegelijkertijd gaat de gemeente het openbaar gebied ontwerpen waarin de Sliffertsestraat komt te liggen (start na zomer 2022). Ook daar worden aanwonenden bij betrokken om mee te denken over ontwerp en functies in het gebied.

9.4 Zienswijzen     

Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft met ingang van donderdag 30 juni tot en met woensdag 10 augustus 2022 op de gebruikelijke wijze ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om digitaal, schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerp van het bestemmingsplan kenbaar te maken.

Kennisgeving van de ter inzage legging en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is in de editie van het Gemeenteblad van 29 juni 2022 gepubliceerd. Ook is kennis gegeven van de mogelijkheid om de digitale versie van het ontwerp bestemmingsplan via de de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl te raadplegen.

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

1.1 Plan     

het bestemmingsplan Land Forum (politielocatie) met identificatienummer NL.IMRO.0772.80420-0201 van de gemeente Eindhoven.

1.2 Bestemmingsplan     

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 Aanbouw     

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.4 Aanduiding     

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 Aanduidingsgrens     

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 Aardkundige waarden     

landschapswaarden die samenhangen met (abiotische) milieukenmerken, zoals geologie, geomorfologie, reliëf, grondwaterhuishouding, (kwelgebieden), bodemopbouw/bodemsamenstelling, afzonderlijk of in onderlinge samenhang.

1.7 Actualisatie nota parkeernormen (2019)     

Nota gepubliceerd op 3 oktober 2019 en in werking getreden op 4 oktober 2019.

1.8 Archeologisch onderzoek     

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling dat voldoet aan de meest actuele versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

1.9 Archeologische waarde     

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in het gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

1.10 Bebouwing     

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.11 Beperkt kwetsbaar object     

  1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting en met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare;
  2. bedrijfswoningen, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting;
  3. kantoorgebouwen, hotels en restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object vallen en voor zover zij niet behoren tot een bevi- inrichting;
  4. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
  5. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object vallen;
  6. objecten die met het onder a. tot en met e. genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin meestal aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn;
  7. objecten met hoge infrastructurele waarde, waaronder in ieder geval telefoon- en elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.

1.12 Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen)     

Besluit van 27 mei 2004, Stb. 250, houdende regels inzake milieukwaliteitseisen op het gebied van de externe veiligheid zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.13 Bestaand     

bij bouwwerken: legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerp van het bestemmingsplan, dan wel bouwwerken zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vergunning;

bij gebruik: legaal gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig tijdens de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.14 Bestemmingsgrens     

de grens van een bestemmingsvlak.

1.15 Bestemmingsvlak     

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.16 Bijgebouw     

een op zichzelf staand al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.17 Bouwen     

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.18 Bouwgrens     

de grens van een bouwvlak.

1.19 Bouwlaag     

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijke omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder.

1.20 Bouwperceel     

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.21 Bouwperceelgrens     

een grens van een bouwperceel.

1.22 Bouwvlak     

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.23 Bouwwerk     

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.24 Bruto vloeroppervlak (bvo)     

het totale gebouwde vloeroppervlak van de ruimte die wordt gebruikt voor de in het plan aangegeven doeleinden, met uitzondering van parkeergarages.

1.25 Cultuurhistorische waarde     

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of gebied.

1.26 Dak     

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

1.27 Dienstverlening     

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.

1.28 Dove gevel     

a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede;

b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

1.29 Gebouw     

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.30 Gebruiken     

het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken.

1.31 Gebruiksfunctie     

een gebruiksfunctie passend binnen een bestemming waarbij sprake is van een auto- en fietsparkeerbehoefte conform de Actualisatie Nota Parkeernormen (2019).

1.32 Geluidsgevoelige functies     

bewoning of andere geluidgevoelige functies zoals bedoeld in de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.33 Geluidsgevoelige gebouwen     

gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van een andere geluidgevoelige functie als bedoeld in de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.34 Geluidzoneringsplichtige inrichting     

een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld.

1.35 Gemeentelijke normen windhinder     

normen windhinder, gepubliceerd op 4 juni 2020 (gemeenteblad van Eindhoven 2020, nr. 141113) en in werking getreden op 5 juni 2020. 

1.36 Geprojecteerd (beperkt) kwetsbaar object     

nog niet aanwezig (beperkt) kwetsbaar object dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan toegestaan is.

1.37 Gevaarlijke stoffen     

gevaarlijke stoffen zijn stoffen waarvan het gebruik, het transport of de opslag (overslag e.d.), risico's met zich meebrengt. Het kan gaan om explosiegevaar, brand, giftigheid of radioactiviteit.

1.38 GR (groepsrisico)     

een maat voor de kans, dat door een ramp bij een activiteit met gevaarlijke stoffen of met een vliegtuig, een (grote) groep mensen, die niet rechtstreeks bij de activiteit betrokken is, tegelijkertijd omkomt. Het GR kan toenemen door uitbreiding van risicovolle activiteiten enerzijds en door het verhogen van de personendichtheid anderzijds.

1.39 Hogere grenswaarde     

een maximale waarde voor de geluidbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.40 Hoofdgebouw     

een gebouw dat, op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

1.41 Horeca     

een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

1.42 Invloedsgebied     

gebied waarin, volgens de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. De grens van het invloedsgebied is gelijk aan de 1% letaliteitsgrens, bepaald bij weertype F 1.5, tenzij in de bij het Revi behorende uitvoeringsregeling voor een specifieke stof of activiteit een ander invloedsgebied is gedefinieerd.

1.43 Kantoor     

een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat dient voor het bestuurlijk/ambtelijk of bedrijfsmatig uitoefenen van juridische, financiële, administratieve en naar de aard daarmee gelijk te stellen werkzaamheden, zoals sociaal wetenschappelijke onderzoek of een architectenbureau.

1.44 Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen     

bij collegebesluit van 20 april 2021 vastgestelde nadere regels ter uitwerking van de Actualisatie Nota Parkeernormen (2019).

1.45 Kwetsbaar object     

  1. woningen, niet zijnde:
    1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting en met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare;
    2. bedrijfswoningen;
  2. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, waartoe in ieder geval behoren:
    1. (psychiatrische) ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
    2. scholen;
    3. sociale werkplaatsen, of;
    4. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
  3. gebouwen waarin meestal grote aantallen personen (> 50 pers.) gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren:
    1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² per object, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting of;
    2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 m² bedraagt, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting, en winkels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd en voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting;
  4. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting.

1.46 Landschappelijke waarden     

het geheel van waarden in verband met bijzondere waarneembare landschappelijke kenmerken van een gebied of object, in de zin van karakteristieke verschijningsvorm, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit, dat bestaat uit aardkundige, archeologische, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden die wordt bepaald door de onderliggende samenhang en beïnvloeding van levende en niet levende (abiotische) natuur.

1.47 Nutsvoorzieningen     

voorzieningen ten behoeve van algemeen nut in ruime zin zoals: voorzieningen / installaties ten behoeve van gas, water en elektriciteit, signaalverdeling, telecommunicatieverkeer, waterzuivering, waterbeheersing, waterhuishouding, vuil- en afvalverwerking, compostering, wijkverwarming, milieuvoorzieningen e.d.

1.48 Peil     

0.30 m' boven de kruin van de weg.

1.49 Plasbrandaandachtsgebied     

het gebied tot 30 meter van de weg of spoor waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.

1.50 Politiediensten en politiegerelateerde activiteiten     

diensten en activiteiten behorende tot het takenpakket van de Politie, alsmede activiteiten door andere handhavingsdiensten, zoals de Koninklijke Marechaussee.

1.51 PR (plaatsgebonden risico)     

risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel is betrokken.

1.52 PR10-6/jaar contour     

een contour die het plaatsgebonden risico aanduidt, en waarbinnen de kans bestaat van 1 op de 1.000.000 per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats buiten een inrichting zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel is betrokken.

1.53 Revi (Regeling externe veiligheid inrichtingen)     

regeling van de Staatssecretaris van VROM van 8 september 2004, houdende regels met betrekking tot afstanden en de wijze van berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ter uitvoering van het Bevi zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.54 Regeling provinciale risicokaart     

Regeling van de minister van Binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties van 20 april 2007, Stctr. 2007, nr 75.

1.55 Registratiebesluit externe veiligheid     

Besluit van 28 november 2006 (stb 2006, 656), houdende regels met betrekking tot de registratie van gegevens externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen (Registratiebesluit externe veiligheid).

1.56 Rijstrook     

gemarkeerd gedeelte van de rijweg dat voldoende plaats biedt aan een enkele rij motorvoertuigen op meer dan twee wielen met uitzondering van in- en uitvoegstroken, voorsorteerstroken en fietspaden.

1.57 Risicovolle inrichting     

  1. inrichtingen zoals genoemd in artikel 2 van het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) (Bijlage 2 van de regels) respectievelijk artikel 1b van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) (Bijlage 3 van de regels);
  2. inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I van de regeling provinciale risicokaart (Bijlage 4 van de regels) of onder het Registratiebesluit Externe Veiligheid;
  3. inrichtingen met toxische gassen;
  4. inrichtingen waar een brandbaar tot vloeistof verdicht gas met een inhoud van meer dan 1m3 wordt gebezigd of opgeslagen.

1.58 Uitbouw     

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.59 Verdieping     

de bouwlaag respectievelijk bouwlagen die boven de begane grondbouwlaag gelegen is/zijn.

1.60 Verminderd zelfredzame personen     

Personen die in het algemeen alleen met individuele begeleiding een onveilige zone kunnen verlaten.

1.61 Voorgevel     

de naar de weg of aan het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft van meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.62 Voorgevelrooilijn     

De denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.

1.63 Voorkeursgrenswaarde     

de toelaatbare waarde voor de geluidbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.64 Water     

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen.

1.65 Waterberging     

voorziening voor het tijdelijk vasthouden van regenwater dat afstroomt vanaf de oppervlakte van een bouwwerk.

1.66 Waterhuishoudkundige voorzieningen     

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit (zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, sloten, greppels en vijvers, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen etc.).

1.67 Wet geluidhinder     

Wet van 16 februari 1979 (Stb. 99) houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder, zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.68 Wet milieubeheer     

Wet van 13 juni 1979 (Stb. 442) houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne, zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.69 Wet ruimtelijke ordening     

Wet van 20 oktober 2006 (Stb. 2006, nr. 566) houdende nieuwe regels omtrent de ruimtelijke ordening, zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.70 Wijzigen van de gebruiksfunctie van gronden en/of gebouwen     

het feitelijk wijzigen van de gebruiksfunctie van gronden en/of gebouwen, waarbij geen sprake is van omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2 Wijze van meten     

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Bebouwingspercentage     

een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

2.2 Dakhelling     

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.3 Goothoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 Inhoud van een bouwwerk     

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.5 Bouwhoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen, installatieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte 45 m' geldt als bouwhoogte de hoogte vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, inclusief ondergeschikte bouwonderdelen.

2.6 Oppervlakte van een bouwwerk     

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7 Hoogte van een windturbine     

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

2.8 Ondergeschikte bouwdelen     

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen wordt de overschrijding van de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, gevelisolatie, ventilatiekanalen, reclameaanduidingen, luifels, erkers, balkons en overstekende daken e.d. buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 1 meter bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Bos     

3.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Bos´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van aardkundige waarden;
  2. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke en landschappelijke waarden;
  3. duurzame instandhouding van het bos met daarop afgestemde bosbouw;
  4. groenvoorzieningen;
  5. extensief recreatief medegebruik;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. kamperen in scoutingverband;


  8. met daarbij behorende
  9. paden en wegen;
  10. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2 Bouwregels     

3.2.1 Gebouwen     

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

3.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximum bouwhoogte van 2 meter, met dien verstande dat voor bouwwerken voor informatievoorziening, entreevoorziening dan wel schuilvoorziening een maximum bouwhoogte geldt van 3 meter; de maximum vloeroppervlakte per informatie-, entree- of schuilvoorziening is 10 m2.

3.3 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het in lid 3.2.2 bepaalde en een bouwhoogte van 4 meter toestaan mits dit aantoonbaar noodzakelijk is voor het natuur-, landschaps- of bosbeheer.

3.4 Specifieke gebruiksregels     

3.4.1 Strijdig gebruik     

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks nodig is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. het beoefenen van lawaaisporten en -hobby's;
  3. verblijfsrecreatie, waarbij gebruik wordt gemaakt van kampeermiddelen, met uitzondering van kamperen in scoutingverband.

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

3.5.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) op of in de gronden met de bestemming ´Bos` de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het kappen en rooien van bomen;
  2. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden, en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen.

3.5.2 Uitzonderingen     

Het in lid 3.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  1. van ondergeschikte betekenis zijn dan wel behoren tot het normale onderhoud;
  2. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.

3.5.3 Toelaatbaarheid     

De in lid 3.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de bestemming `Bos´.

Artikel 4 Groen     

4.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Groen´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. groenvoorzieningen;
  2. bermen en beplanting;
  3. paden;
  4. speelvoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. beheer en/of zuivering van oppervlakte- en rioolwater;
  7. kunstobjecten;
  8. nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  9. hondenuitlaatvoorziening;
  10. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' tevens voor een onbebouwd parkeerterrein;
  11. ter plaatse van de aanduiding 'weg' tevens voor een (verharde) weg bestaande uit maximaal twee rijstroken;
  12. de afwatering van de Sliffertsestraat;

met daarbij behorende:

  1. verhardingen;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

4.2 Bouwregels     

4.2.1 Nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen worden gebouwd ten behoeve van nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie. Daarbij gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 meter;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m2.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximum bouwhoogte van 4 meter.

Artikel 5 Maatschappelijk - Politie     

5.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Maatschappelijk - Politie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. Politiediensten en politiegerelateerde activiteiten;
  2. Groenvoorzieningen;
  3. Wegen;
  4. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  5. Nutsvoorzieningen;

met daarbij behorende:

  1. ondergeschikte horecavoorzieningen;
  2. tuinen, erven en terreinen;
  3. (gebouwde) parkeervoorzieningen (ondergronds en bovengronds);
  4. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  5. bouwwerken, geen gebouwen zijnde,

met inachtneming van het volgende:

  1. geluidzoneringsplichtige inrichtingen zijn niet toegestaan;
  2. risicovolle activiteiten in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn niet toegestaan:

5.2 Bouwregels     

5.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. het bouwen van een gebouw is uitsluitend toegestaan met een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.3.1;
  2. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven hoogte;
  3. het totale bruto vloeroppervlak (bvo) van gebouwen binnen de bestemming Maatschappelijk - Politie bedraagt maximaal 50.000 m2, uitgezonderd parkeergarages.

5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn is 1 meter;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn is 2 meter;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter.

5.2.3 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 meter;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m2.

5.3 Omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit     

5.3.1 Omgevingsvergunning     

Het is verboden om zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 7c lid 14 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, een nieuwe bouw- of gebruiksactiviteit te starten en/of te veranderen ten behoeve van de in 5.1 onder a, f en h genoemde functies.

5.3.2 Beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning     

De omgevingsvergunning als bedoeld in 5.3.1 wordt verleend indien aan de bouwregels als bedoeld in 5.2 wordt voldaan en, naar het oordeel van het bevoegd gezag, voldoende wordt gemotiveerd dat het voornemen aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van:

  1. waterhuishouding, waarbij de waterhuishoudkundige functie van de huidige A-watergang (Oude Rundgraaf) binnen het plangebied in acht wordt genomen en ook bij verlegging of aanpassing van deze A-watergang moet worden geborgd;
  2. waterhuishouding, waarbij overeenkomstig het beleid van de gemeente ('Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen') voldoende waterbergingscapaciteit wordt gerealiseerd en in stand gehouden en waarbij de keur van waterschap De Dommel ten aanzien van het bergen en afvoeren van hemelwater op de riolering en/of oppervlaktewater in acht wordt genomen;
  3. de intentie is dat de Rundgraaf en de oevers daarvan niet worden verhard en de oevers een groene inrichting krijgen. Dit geldt voor een breedte van in het totaal 17 meter, met dien verstande dat het niet geldt voor de hellingsbaan naar het verlaagde onderhoudspad en bij een overkluizing voor infrastructuur ;
  4. er moet vooraf een groenplan zijn ingediend waarin een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling is gegeven. Dit groenplan moet worden gebaseerd op de procesafspraken die voortvloeien uit het Groenbeleidsplan 2017;
  5. milieuzonering conform de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 ;
  6. akoestiek, waarbij de geluidbelasting op omliggende geluidgevoelige functies als gevolg van het industrielawaai op de politielocatie aanvaardbaar moet zijn;
  7. akoestiek door bij het realiseren van geluidsgevoelige gebouwen of delen van gebouwen waarin geluidsgevoelige functies worden gerealiseerd, dan wel bij het wijzigen van gebruik van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie, geldt dat een aanvaardbare geluidsituatie dient te bestaan. Ten behoeve van de toets of hieraan wordt voldaan dient het volgende in acht te worden genomen:
    1. de maximale geluidbelasting op de gevel mag niet meer bedragen dan de wettelijk vastgestelde voorkeursgrenswaarde, dan wel de voor die gevel ingevolge de Wet geluidhinder c.q. Besluit geluidhinder vastgestelde hogere grenswaarde zoals opgenomen in artikel 12.1.2 van deze regels;
    2. voldaan dient te worden aan het gemeentelijk geluidbeleid;
    3. het bepaalde onder 1 en 2 is niet van toepassing indien de geluidbelaste gevel als dove gevel wordt uitgevoerd.
  8. ecologie, waarbij
    1. moet worden gemotiveerd dat het voornemen vanuit soortbescherming aanvaardbaar is, en;
    2. moet worden gemotiveerd (volgens de dan geldende berekeningssystematiek) dat er als gevolg van het project geen significante toename (>0,00 mol/ha/jaar) is van stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
  9. er moet in voldoende mate in parkeergelegenheid op eigen terrein worden voorzien overeenkomstig de 'Actualisatie Nota Parkeernormen 2019' en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 1 juni 2021. Daarbij is het uitgangspunt dat gratis parkeren (voor werknemers en bezoekers) op eigen terrein wordt gerealiseerd;
  10. er moet in voldoende mate in fietsparkeergelegenheid op eigen terrein worden voorzien overeenkomstig de 'Actualisatie Nota Parkeernormen 2019' en de 'Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen';
  11. windhinder, waarbij voor gebouwen moet worden voldaan aan de 'Beleidsregel gemeentelijke normen windhinder' of een opvolger daarvan;
  12. bezonning, waarbij voor gebouwen hoger dan 15 meter een bezonningsstudie moet worden opgesteld. Daarbij moet worden voldaan aan de in 2017 vastgestelde 'beleidsregels voor bezonning woningen' of een opvolger daarvan;
  13. voor bouwwerken hoger dan NAP + 65 meter een motivering dat de IHCS (Inner Horizontal and Conical Surface) niet in onaanvaardbare mate negatief wordt beïnvloed. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een schriftelijk advies van de beheerder van het IHCS (Inner Horizontal and Conical Surface), te weten het Ministerie van Defensie, Rijksvastgoedbedrijf;
  14. stedenbouwkundige inpasbaarheid. Daarbij moet worden voldaan aan de ruimtelijke kaders ten aanzien van (1) de groene zone tussen Grasrijk en Land Forum, (2) het hoogteaccent aan de zuidzijde van Land Forum en (3) de verkeersontsluiting zoals vermeld in par. 2.5.2 in deze toelichting.

In de toelichting van dit bestemmingsplan wordt in paragrafen 2.5, 3.7 en 3.8 en in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 per aspect benoemd hoe de aanvaardbaarheid in de vervolgfase dient te worden gemotiveerd.

5.3.3 Voorschriften omgevingsvergunning     

Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, gericht op het borgen van de in lid 5.3.2 genoemde voorwaarden.

Artikel 6 Waarde - Archeologie - 1     

6.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Waarde - Archeologie - 1 (terrein van archeologische waarde) aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

6.2 Bouwregels     

Op de voor Waarde - Archeologie - 1 aangewezen gronden is het niet toegestaan om te bouwen, met uitzondering van het bebouwen van gronden waarbij minder dan 50 m2 van de grond wordt geroerd én daarbij werkzaamheden plaatsvinden tot een maximum diepte van 0,3 meter onder maaiveld.

6.3 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 6.2 voor het bouwen van gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, alsmede bouwwerken geen gebouwen zijnde, mits:

  1. dit in overeenstemming is met de andere te plaatse geldende bestemming(en) en;
  2. met een archeologisch onderzoek is vastgesteld dat met oprichting van het bouwwerk geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de archeologische waarden. Als het oprichten van het bouwwerk waarvoor ontheffing wordt gevraagd, kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de ontheffing de volgende regels verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, en/of;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

6.4.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dieper dan 0,3 m onder maaiveld over een oppervlakte van 50 m2 of meer, uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook wordt gerekend het aanleggen van drainage, diepwoelen, mengen van grond, diepploegen en ontginnen;
  2. het verlagen of afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  3. het graven, verbreden, verdiepen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  5. het rooien en vellen van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  6. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  7. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
  8. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  9. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand;
  10. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt;
  11. het aanbrengen van verhardingen.

6.4.2 Uitzonderingen     

Het in lid 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  1. van ondergeschikte betekenis zijn dan wel behoren tot het normale onderhoud;
  2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.

6.4.3 Toelaatbaarheid     
  1. De in lid 6.4.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien door die werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de archeologische waarden ontstaat kan ontstaan.
  2. Indien het niet mogelijk is om de middels archeologisch vooronderzoek vastgestelde aanwezige archeologische waarden geheel of gedeeltelijk ter plekke te behouden, wordt aan de vergunning het voorschrift gebonden dat voorafgaand aan het uitvoeren van de werken en/of werkzaamheden een archeologische opgraving zal plaatsvinden.
  3. Alvorens een vergunning wordt verleend, wordt advies ingewonnen bij de gemeentelijke adviseur archeologie.

Artikel 7 Waarde - Archeologie - 2     

7.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Waarde - Archeologie - 2 (hoge archeologische verwachting, historische kern) aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

7.2 Bouwregels     

Op de voor Waarde - Archeologie - 2 aangewezen gronden is het niet toegestaan om te bouwen, met uitzondering van het bebouwen van gronden waarbij minder dan 100 m2 van de grond wordt geroerd én daarbij werkzaamheden plaatsvinden tot een maximum diepte van 0,3 meter onder maaiveld.

7.3 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 7.2 voor het bouwen van gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, alsmede bouwwerken geen gebouwen zijnde, mits:

  1. dit in overeenstemming is met de andere te plaatse geldende bestemming(en) en;
  2. met een archeologisch onderzoek is vastgesteld dat met oprichting van het bouwwerk geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de archeologische waarden. Als het oprichten van het bouwwerk waarvoor ontheffing wordt gevraagd, kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de ontheffing de volgende regels verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, en/of;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen.

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

7.4.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dieper dan 0,3 m onder maaiveld over een oppervlakte van 100 m2 of meer, uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook wordt gerekend het aanleggen van drainage, diepwoelen, mengen van grond, diepploegen en ontginnen;
  2. het verlagen of afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  3. het graven, verbreden, verdiepen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  5. het rooien en vellen van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  6. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  7. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
  8. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  9. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand;
  10. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt;
  11. het aanbrengen van verhardingen.

7.4.2 Uitzonderingen     

Het in lid 7.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  1. van ondergeschikte betekenis zijn dan wel behoren tot het normale onderhoud;
  2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.

7.4.3 Toelaatbaarheid     
  1. De in lid 7.4.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien door die werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de archeologische waarden ontstaat kan ontstaan.
  2. Indien het niet mogelijk is om de middels archeologisch vooronderzoek vastgestelde aanwezige archeologische waarden geheel of gedeeltelijk ter plekke te behouden, wordt aan de vergunning het voorschrift gebonden dat voorafgaand aan het uitvoeren van de werken en/of werkzaamheden een archeologische opgraving zal plaatsvinden.
  3. Alvorens een vergunning wordt verleend, wordt advies ingewonnen bij de gemeentelijke adviseur archeologie.

Artikel 8 Waarde - Archeologie - 3     

8.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Waarde - Archeologie - 3 (hoge archeologische verwachting) aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

8.2 Bouwregels     

Op de voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gronden is het niet toegestaan om te bouwen, met uitzondering van het bebouwen van gronden waarbij minder dan 250 m2 van de grond wordt geroerd én daarbij werkzaamheden plaatsvinden tot een maximum diepte van 0,3 meter onder maaiveld.

8.3 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 8.2 voor het bouwen van gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, alsmede bouwwerken geen gebouwen zijnde, mits:

  1. dit in overeenstemming is met de andere ter plaatse geldende bestemming(en) en;
  2. met een archeologisch onderzoek is vastgesteld dat met oprichting van het bouwwerk geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de archeologische waarden. Als het oprichten van het bouwwerk waarvoor ontheffing wordt gevraagd, kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de ontheffing de volgende regels verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, en/of;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen.

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

8.4.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dieper dan 0,3 m onder maaiveld over een oppervlakte van 250 m2 of meer, uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook wordt gerekend het aanleggen van drainage, diepwoelen, mengen van grond, diepploegen en ontginnen;
  2. het verlagen of afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  3. het graven, verbreden, verdiepen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  5. het rooien en vellen van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  6. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  7. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
  8. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  9. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand;
  10. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt;
  11. het aanbrengen van verhardingen.

8.4.2 Uitzonderingen     

Het in lid 8.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  1. van ondergeschikte betekenis zijn dan wel behoren tot het normale onderhoud;
  2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.

8.4.3 Toelaatbaarheid     
  1. De in lid 8.4.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien door die werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de archeologische waarden ontstaat kan ontstaan.
  2. Indien het niet mogelijk is om de middels archeologisch vooronderzoek vastgestelde aanwezige archeologische waarden geheel of gedeeltelijk ter plekke te behouden, wordt aan de vergunning het voorschrift gebonden dat voorafgaand aan het uitvoeren van de werken en/of werkzaamheden een archeologische opgraving zal plaatsvinden.
  3. Alvorens een vergunning wordt verleend, wordt advies ingewonnen bij de gemeentelijke adviseur archeologie.

Artikel 9 Waarde - Cultuurhistorie - 2     

9.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie - 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en het bevorderen van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van het aangewezen gebied en/of de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle en kenmerkende (landschaps)elementen.

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

9.2 Bouwregels     

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. het bouwen van bouwwerken is mogelijk krachtens de onderliggende andere bestemming(en), met dien verstande dat:
    1. advies is ingewonnen bij de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of commissie ruimtelijke kwaliteit waaruit blijkt dat met het bouwen van het bouwwerk geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen;
    2. als blijkt dat het bouwen van het bouwwerk leidt tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerken, aan de omgevingsvergunning de verplichting kan worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende elementen kunnen worden behouden.

9.3 Nadere eisen     

Het bevoegd gezag kan met het oog op het belang van het behoud van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen, nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor bouwwerken, alsmede aan de situering ervan.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

9.4.1 Werk en werkzaamheden     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 2' de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het aanbrengen van (half)verhardingen, het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  2. het wijzigen van de perceelindeling zoals die door sloten, greppels, reliëfverschillen en beplantingselementen is aangegeven;
  3. het diepwoelen of diepploegen;
  4. het aanleggen, verharden of opheffen van wegen of paden;
  5. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterlopen zoals rivieren, beken, stromen, kanalen, grachten, sloten en greppels;
  6. het verwijderen van houtgewas, perceelrandbegroeiing of opgaande beplanting;
  7. het aanbrengen van beplanting anders dan het herplanten van gerooide/gevelde houtopstanden.

9.4.2 Uitzonderingen     

Het verbod als bedoeld in lid 9.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden :

  1. die het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan;
  3. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend.

9.4.3 Toelaatbaarheid     

De in lid 9.4.1 genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen als bedoeld in lid 9.1 tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is:

  1. wordt advies ingewonnen bij de gemeentelijke cultuurhistorisch adviseur en/of op grond van een cultuurhistorisch onderzoek is vastgesteld dat met het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden, geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen.
  2. als blijkt dat het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheid, leidt tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen, aan de omgevingsvergunning de verplichting kan worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen van het gebied kunnen worden behouden.

 

Hoofdstuk 3 Algemene regels     

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels     

11.1 Gebruik overeenkomstig de bestemming     

Al dan niet in afwijking van het bepaalde in de bestemmingsregels van Hoofdstuk 2 wordt ter plaatse van een functie-aanduiding het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met die functie-aanduiding aangemerkt als gebruik overeenkomstig die bestemming.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels     

12.1 Overige zone - ontwikkelgebied politielocatie Land Forum     

12.1.1 Ontwikkeling multifunctionele politielocatie     

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ontwikkelgebied politielocatie Land Forum' zijn bestemd voor de ontwikkeling van een multifunctionele politielocatie.

12.1.2 Hogere grenswaarden ruimten voor theorie-onderwijs     

Ter plaatse van de aanduiding “overige zone - ontwikkelgebied politielocatie Land Forum” gelden de volgende hogere grenswaarden (conform artikel 7c, lid 9, Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet) op de gevel van ruimten voor geluidsgevoelige functies:

Locatie A2/N2 Sliffertsestraat Meerhovendreef
Overige zone- ontwikkelgebied politielocatie Land Forum 53 dB 63 dB 63 dB

12.2 Overige zone - reservering verlegging Sliffertsestraat     

12.2.1 Aanwijzing     

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reservering verlegging Sliffertsestraat' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor het verleggen van de Sliffertsestraat.

12.2.2 Omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit     

Werkzaamheden ten dienste van het verleggen van de Sliffertsestraat zijn uitsluitend toegestaan met een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit.

12.2.3 Beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning     

De omgevingsvergunning als bedoeld in 12.2.2 wordt verleend indien, naar het oordeel van het bevoegd gezag, voldoende wordt gemotiveerd dat het voornemen aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van:

  1. ecologie, waarbij moet worden gemotiveerd dat het voornemen vanuit soortbescherming aanvaardbaar is;
  2. waterhuishouding, waarbij de waterhuishoudkundige functie van de huidige A-watergang (Oude Rundgraaf) binnen het plangebied in acht wordt genomen en ook bij verlegging of aanpassing van deze A-watergang moet worden geborgd.

In de toelichting van dit bestemmingsplan wordt in Hoofdstuk 4 en 5 per aspect benoemd hoe de aanvaardbaarheid van een voornemen in de vervolgfase dient te worden gemotiveerd.

12.3 Milieuzone - boringsvrije zone     

Binnen de aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' geldt als aanvullend doeleind van de andere daar voorkomende bestemming(en) het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Onverminderd de regels die gelden ten aanzien van de andere daar van toepassing zijnde bestemming(en) zijn de regels van de provinciale milieuverordening van toepassing.

12.4 Veiligheidszone - invloedsgebied     

Binnen de op de verbeelding aangegeven 'veiligheidszone - invloedsgebied' zijn geen nieuwe gebouwen toegestaan die zijn bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van verminderd zelfredzame personen. Daartoe behoren in ieder geval (psychiatrische) ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen, basisscholen, sociale werkplaatsen, cellencomplexen of gebouwen of gedeelten daarvan bestemd voor dagopvang van minderjarigen. Het wijzigen van bestaande gebouwen voor het gebruik voor verminderd zelfredzame personen is eveneens niet toegestaan.

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels     

13.1 Binnenplans afwijken     

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij een omgevingsvergunning afwijken van:

  1. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10 % van die maten, afmetingen en percentages. Binnen de bestemming Maatschappelijk - Politie kan uitsluitend worden afgeweken van de maximale bouwhoogte van 45 meter mits bij de beheerder van het IHCS, te weten het Ministerie van Defensie, Rijksvastgoedbedrijf, schriftelijk advies is ingewonnen waaruit kan worden opgemaakt dat de IHCS niet in onaanvaardbare mate negatief wordt beïnvloed;
  2. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de maximum hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot 10 meter mits het geen erf- of perceelafscheidingen betreft;
  3. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de maximum hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor erf- of perceelafscheidingen wordt vergroot tot 2,5 meter mits deze erf- of perceelafscheidingen:
    1. onderdeel zijn van de totale identiteit van Land Forum, en;
    2. transparant zijn vorm gegeven, of;
    3. mee ontworpen zijn met de bebouwing, of;
    4. bekleed zijn dan wel ingepast zijn in het landschap met opgaand groen.
  4. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de maximum hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor erf- of perceelafscheidingen wordt vergroot tot 4 meter mits deze erf- of perceelafscheidingen:
    1. noodzakelijk zijn vanwege de politiefunctie of politiegerelateerde activiteiten en de beveiligingsschil, en;
    2. liggen aan de oostzijde van het plangebied zoals indicatief aangegeven in figuur 2.5 van paragraaf 2.5.2 van de toelichting bij deze regels, en;
    3. onderdeel zijn van de totale identiteit van Land Forum, en;
    4. transparant zijn vorm gegeven, of;
    5. bekleed zijn dan wel ingepast zijn in het landschap met opgaand groen.
  5. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten 20 meter is.
  6. de regels ten aanzien van de realisatie van gebouwen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie en toestaan dat de maximum oppervlakte wordt vergroot tot maximaal 100 m2.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels     

Artikel 14 Overgangsrecht     

14.1 Overgangsrecht bouwwerken     

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

14.2 Afwijken     

het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 14.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 14.1 met maximaal 10%.

14.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken     

Lid 14.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

14.4 Overgangsrecht gebruik     

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

14.5 Strijdig gebruik     

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 14.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

14.6 Verboden gebruik     

Indien het gebruik, bedoeld in lid 14.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

14.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik     

Lid 14.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 15 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Land Forum (politielocatie).

Bijlagen bij de regels