Kerkdorp Acht 2021    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Aanleiding     

Naar verwachting treedt op 1 januari 2022 de Omgevingswet in werking. Eindhoven heeft ervoor gekozen om alle bestemmingsplannen op dat moment actueel te hebben. Het bestemmingsplan 'Kerkdorp Acht 2007' is op 11 juni 2009 vastgesteld. Om die reden is actualisatie van dit bestemmingsplan nu aan de orde.

Het bestemmingsplan "Kerkdorp Acht 2021" bestaat uit een digitale en analoge verbeelding (plankaart) met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er tevens een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend.

1.2 Het plangebied     

Het plangebied ligt in het noordwestelijk deel van de gemeente en omvat Kerkdorp Acht. Het plangebied wordt globaal begrensd door het spoor Eindhoven - 's-Hertogenbosch/Tilburg aan de westzijde, bedrijventerrein Kapelbeemd aan de noordzijde, de Boschdijk aan de oostzijde en de Anthony Fokkerweg aan de zuidzijde. De woonwagenlocatie Alblasstraat is uit voorliggend bestemmingsplangebied gehaald omdat hiervoor een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure doorlopen wordt.

verplichtDe begrenzing van het plangebied is weergegeven in onderstaande figuur.

Begrenzing plangebied

1.3 Voorgaande plannen     

Het bestemmingsplan "Kerkdorp Acht 2021" vervangt het bestemmingsplan 'Kerkdorp Acht 2007, vastgesteld door de raad op 11 juni 2009.

Het plan "Kerkdorp Acht 2021" vervangt tevens de bestemmingsplannen 'II Kerkdorp Acht 2007 (Waalstraat 2A)' (vastgesteld 1 oktober 2013) en 'IV Kerkdorp Acht 2007 (Boschdjk 1109)' (vastgesteld 11 juli 2017).

Tijdens overleggen gedurende de bestemmingsplanprocedure met een aantal bewoners van het plangebied is naar voren gebracht dat in het verleden toezeggingen zijn gedaan over de herontwikkeling van het achterterrein achter de panden Waalstraat 48 t/m 64. Ook is er een procedure gevoerd bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens een van de overleggen is een verkavelingsplan besproken hoe het te ontwikkelen achterterrein er uit zou kunnen komen te zien. In dat verband wordt verwezen naar de onderstaande afbeelding.

verplicht

Verkavelingsplan mogelijke ontwikkeling achterterrein (blauw omrand)

De overleggen hebben ertoe geleid dat ambtshalve is overgegaan tot het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid waarmee de verandering naar de bestemming 'Wonen' geborgd is als voldaan is aan een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn vertaald in een nieuw artikel 7.5 Wijzigingsbevoegdheid, dat deel uitmaakt van de planregels. Omdat deze wijzigingsbevoegdheid enkel geldt voor het genoemde achterterrein is op de verbeelding ter plaatse van het achterterrein de aanduiding 'wetgevingzone – wijzigingsgebied' opgenomen.

1.4 Leeswijzer     

Deze toelichting bestaat uit 9 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin is een beschrijving van het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten bij, de randvoorwaarden en de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In deze paragraaf is beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is verwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan. De financiële uitvoerbaarheid is verantwoord in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure, inclusief een paragraaf over de maatschappelijke uitvoerbaarheid (met name de resultaten van het gevoerde overleg en de samenspraak/inspraak).

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied     

2.1 Historisch perspectief     

Op 1 januari 1920 annexeerde Eindhoven de omliggende gemeenten Gestel & Blaarthem, Stratum, Strijp, Tongelre en Woensel. Woensel wordt al in 1107 vermeld. In 1920 telde heel Woensel bijna 16.000 inwoners. Hiervan woonde het overgrote deel in Woensel-Zuid. Woensel-Noord was niet meer dan een landelijk gebied met een paar gehuchten, zoals Vlokhoven, Mensfort en kerkdorp Acht en bestond verder uit veel heide. In 1950 telde Woensel-Noord zo'n 4.500 inwoners. Door de nieuwbouw in de jaren zestig van de vorige eeuw was dit aantal gegroeid tot ruim 30.000. Ook in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd er flink gebouwd en nam het aantal inwoners gestaag toe.



Acht is een echt kerkdorp. Er is een oude dorpskern met een brink, een kerk en een aantal wat oudere woningen. In de wijken rondom de kerk staan met name koopwoningen. In het kerkdorp is een dorpsraad aanwezig, die zich bezighoudt met een groot aantal zaken dat met de woonomgeving en de leefbaarheid te maken heeft . Er bevinden zich ca. 1.500 woningen in Acht waarvan veruit het grootste deel na 1970 is gebouwd, ruim 1.300, en circa 120 woningen voor 1945.

In 2003 was het 700 jaar geleden (1303) dat Acht voor het eerst in de archieven werd genoemd: “Jan II hertog van Brabant verkoopt aan de lieden van Strijp gemene gronden, genoemd Achtermere binnen nader omschreven grenzen, onder bedinging van een voorlijf en een jaarlijkse erfcijns van 40 schellingen”. Er was hier sprake van de grond in de omgeving van 'Welpscoet ' waar momenteel de Oirschotsedijk en de Wielewaal liggen. Het gebied had zeer vruchtbare grond en bevatte meertjes, beken en grasland. Het is waarschijnlijk dat de naam Acht te danken is aan de waterrijkheid van het gebied. We moeten daarbij denken aan 'achwa', of 'aqua' die qua uitspraak sterk op elkaar lijken.

2.2 Stedenbouwkundige structuur     

Opbouw

De structuur van het stadsdeel Woensel wordt bepaald door de radiale- en tangentstructuur ("rasterstructuur") van Eindhoven. De radialen verdelen Woensel als het ware in 'taartpunten' en worden gevormd door de toegangswegen naar het centrum van Eindhoven zoals de John F. Kennedylaan, de Huizingalaan-Dr. Kuyperslaan en de Boschdijk.

Het kerkdorp Acht ligt ingeklemd tussen de radiale ontsluitingsweg Boschdijk en de spoorlijn richting Den Bosch. De regionale ontsluitingsweg Anthony Fokkerweg begrenst Acht ten zuiden en het bedrijventerrein Kapelbeemd ten noorden. De begrenzing door deze intensief gebruikte infrastructuur heeft de stedenbouwkundige opzet voor een groot deel bepaald met daarbij de wens om het landelijk karakter van het kerkdorp zoveel mogelijk te behouden.

Acht is daardoor in stedenbouwkundige zin een op zich zelf staand woongebied geworden met een zeer groene uitstraling. Aan de randen van het kerkdorp is het meeste groen geconcentreerd in de vorm parkzones, sportvelden en een grote monumentale boomgaard aan de Boschdijk. Dit openbare groen loopt veelal over in de tuinen van de vrijstaande woningen op ruime kavels. Binnen de strakke orthogonale (rechthoekige) begrenzing van de infrastructuur is de buurt op een losse parkachtige, bijna organische, wijze opgebouwd met een grillig maar toch overzichtelijk stratenpatroon. De bebouwing bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen op ruime kavels hetgeen de buurt in combinatie met het grote aanbod van openbaar groen een ruim en groen karakter geeft. Centraal in de buurt rondom de Waalstraat en Rijnstraat is de bebouwing wat intensiever en compacter opgezet zonder dat daardoor de historische kern van het kerkdorp, die eveneens in deze zone ligt, geweld wordt aangedaan.

Het historisch verkavelingspatroon van het Kerkdorp Acht en omgeving is nog voor een belangrijk deel zichtbaar in de huidige stedenbouwkundige opzet. De Waalstraat en de Rijnstraat volgen de oude route naar Mensfort waaraan het kerkdorp is gebouwd. Ook de huidige groenstructuur die min of meer diagonaal door de buurt loopt, is duidelijk afgeleid van het historisch verkavelingspatroon en ligt op de grens van twee toenmalige verschillende landschapstypen.

Verkeersstructuur

De hoofdwegenstructuur van kerkdorp Acht wordt gevormd door de Anthony Fokkerweg en de Boschdijk. Binnen de wijk vormen de Rijnstraat en Cor Gehrelslaan de wijk- en buurtontsluiting. De overige wegen zijn erftoegangswegen. De wijk is voor autoverkeer goed bereikbaar. De Anthony Fokkerweg heeft een directe aansluiting op de N2. Bepalend voor Acht is de spoorlijn Eindhoven - 's-Hertogenbosch/Tilburg aan de westzijde.

Groen en water

Kerkdorp Acht heeft zoals gezegd een zeer groene uitstraling. Aan de randen van het kerkdorp is het meeste groen geconcentreerd in de vorm parkzones, sportvelden en een grote monumentale boomgaard aan de Boschdijk. Dit openbare groen loopt veelal over in de tuinen van de vrijstaande woningen op ruime kavels.

De destijds in het zuidelijk deel van Acht aanwezige rijke landschappelijk schakering met diverse bossages, houtwallen, laanbeplantingen e.d. is bij de ontwikkeling van het woongebied Acht Zuid zoveel en zo goed mogelijk ingepast . De langgerekte bossages midden in het woongebied Acht Zuid vormen een structuurbepalend element in het plangebied.

Midden door kerkdorp Acht loopt de Achtse Loop, die vanaf de spoorbaan ter hoogte van de Cor Mellemalaan richting Verzetsheldenlaan loopt en via de waterpartij ter hoogte van de Vliststraat onder de Boschdijk afwatert naar de Ekkersrijt ten noorden van bedrijventerrein Kapelbeemd.

Ecopark

De groene zone aan de spoorlijn is aangelegd als ecologisch park, het Ecopark Acht. Het park bestaat uit een geluidswal, met graslanden, bosjes, struweel, paddenpoelen, graslanden en ruigten. Het gebied is circa 8 hectare groot en is gelegen tussen de Waalstraat, Anthony Fokkerweg, het spoor en de woonbuurten. Door het park, parallel aan het spoor, loopt een fietspad dat zorgt voor een verbinding tussen de Waalstraat en de Anthony Fokkerweg. Hierdoor verbindt het tevens de westelijke aangelegen woonbuurten met elkaar. Aan de zuidzijde loopt het fietspad door het park tussen de woningen aan de Jan Gielenlaan en de Sjaak Kruijssenlaan. Kenmerkend zijn de hoogspanningsleidingen waaronder en langs het fietspad loopt.



Het gebied kent hoogteverschillen waardoorheen informele paden (Rein Keizerpad, Piet Verhoevenpad) lopen die uitkomen bij het spoor. Door de hoogteverschillen en toegankelijkheid biedt het gebied uitzicht op het spoor en de Anthony Fokkerweg.

De gemeente Eindhoven is eigenaar en beheerder van het Ecopark. Inmiddels wordt het park al 20 jaar beheerd, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van natuurwaarden.

2.3 De buurten     

Conform de buurtindelingen van de gemeente Eindhoven wordt Kerkdorp Acht gezien als 1 buurt.

Aan de hand van een stedenbouwkundige inventarisatie en analyse is Kerkdorp Acht onderverdeeld in tien deelgebieden. Deze verdeling is gebaseerd op de identiteit van een gebied. Rekening houdend met cultuurhistorie, beleving, stedenbouwkundige en architectonische kenmerken en eigen karakteristieken.

Het dorp bestaat uit het historische lint (Waalstraat - Rijnstraat), de dorpskern, het westelijk gelegen Ecopark en de woonbuurten. De woonbuurten zijn verdeeld in zeven verschillende woonbuurten.

  1. Waalstraat - Rijnstraat
  2. Dorpskern
  3. Spaarnestraat - Alblasstraat e.o.
  4. Maasstraat
  5. Amstelstraat - Vliststraat e.o.
  6. Scheldestraat - Volkerak e.o.
  7. Achtse Loop e.o.
  8. Ecopark
  9. Verzetsheldenbuurt I (Cor Gehrelslaan e.o.)
  10. Verzetsheldenbuurt II (Simon van Hapertlaan e.o.)

verplicht

Indeling van Kerkdorp Acht in 10 deelgebieden

1. Waalstraat - Rijnstraat

De Waalstraat - Rijnstraat is het historische lint van kerkdorp Acht. De straat is van oorsprong een oost-west verbinding waaraan het dorp is gegroeid. Er is nog een aantal historische, monumentale, panden te onderscheiden. De bebouwing bestaat voornamelijk uit vrijstaande en een aantal geschakelde woningen. Grotendeels bestaat dit uit woningen, soms in combinatie met een bedrijf aan huis. In de dorpskern, aan de brink, zijn wat meer voorzieningen geconcentreerd. Aan de Waalstraat vinden we bijvoorbeeld een restaurant, cafetaria en kinderdagverblijf/peuterspeelzaal/buitenschoolse opvang.

De weg is een belangrijke hoofdweg die de verschillende woonbuurten van Acht met elkaar verbindt en tevens een verbinding maakt met Nieuw-Acht en Woensel. Het profiel van de straat bestaat uit een rijbaan en aan weerszijden een voet- en fietspad. Het parkeren gebeurt in de vorm van langsparkeren op de rijbaan. Aan weerszijden van de straat staan bomen.

2. Dorpskern

De historische dorpskern bestaat uit een kerk, een brink, het dorpshuis, historische woningen en de school. De Sint-Antonius Abtkerk dateert uit 1886 en is een gemeentelijke monument. De brink is een groene ruimte tussen de Waalstraat, Lekstraat en IJstelstraat. De ruimte is ingericht met een kiosk en een dorpspomp die ter ere van het 700-jarig jubileum van de verstrekking van gemeenterechten werd geplaatst. De historische ontwikkeling van de kern is bepalend geweest voor de identiteit. De oorspronkelijke wegen en stedenbouwkundige structuur zijn nog steeds zichtbaar. Het gebied karakteriseert zich door de monumentale panden en de typerende groene brink. Aan de Merwedestraat zijn de oude arbeiderswoningen nog te zien. Aan de Maasstraat is een basisschool gevestigd. Aan de Lekstraat bevinden zich een ijssalon/lunchroom en het dorpshuis.

3. Spaarnestraat - Alblasstraat e.o.

De Alblasstraat is een zijstraat van de Maasstraat en vormt de overgang naar bedrijventerrein Kapelbeemd. De bebouwing bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen, bedrijfspanden en een aantal twee-onder-een-kapwoningen. Aan de kruising met de Maasstraat is recentelijk een aantal nieuwbouwwoningen gebouwd. Tussen de Alblasstraat, Waalstraat en Maasstraat liggen de straten: Spaarnestraat, Roompot, Eempad en Zaanstraat. Deze bebouwing is variërend en bestaat voornamelijk uit rijwoningen, twee-onder-eenkapwoningen en een aantal vrijstaande woningen.

4. Maasstraat

De Maasstraat is gelegen aan de noordzijde van kerkdorp Acht. Van oorsprong was het een landelijke weggetje, tegenwoordig vormt de weg een afscheiding tussen de woonbuurten en het bedrijventerrein Kapelbeemd. De bomen aan weerszijden van de straat zorgen voor een karakteristieke groene (laan) uitstraling. De zuidelijke zijde van de weg is bebouwd, de noordelijke zijde is ingericht als groene buffer (met twee woningen). De bebouwing bestaat voornamelijk uit ruime vrijstaande woningen en een aantal bungalows. De woningen zijn gelegen op grote kavels en georiënteerd op de Maasstraat.

De Maasstraat loopt door in de historische dorpskern waar de straat uitkomt op de Waalstraat – Rijnstraat. Tevens maakt de Maasstraat een verbinding met de Dinkelstraat en de Swalmstraat. De Dinkelstraat kent een verkeersremmende voorziening in de vorm van een versmalling. De Maasstraat heeft een fietsverbinding met Steenoven (naar bedrijventerrein Kapelbeemd) en met het fietspad langs de Boschdijk.

5. Amstelstraat - Vliststraat e.o.

Het gebied tussen de dorpskern, de Maasstraat en de Rijnstraat bestaat uit woningen en kenmerkt zich tevens door voetbalvereniging Acht, het park aan de Vliststraat en Zorggroep Sint Maarten – Antonius. De bebouwing is een mix van rijwoningen, seniorenwoningen, patiowoningen, vrijstaande woningen en tweeonder-een-kapwoningen. De bebouwing in deze woonbuurt is wat dichter bebouwd en compacter opgezet.

De voetbalvereniging is gelegen aan de Amstelstraat en grenst aan de oostzijde aan hoofdontsluitingsweg Boschdijk. Op deze manier zorgen de velden tevens voor een groene buffer tussen wonen en het verkeer van de Boschdijk. Aan de zuidzijde van de voetbalvelden, tussen de Vliststraat en de Boschdijk, bevindt zich een park met wandelroutes en water. Aan de rand van het water zijn volkstuinen gesitueerd.

6. Scheldestraat - Volkerak e.o.

Deze woonbuurt ligt tussen het Ecopark, de dorpskern en de Cor Gehrelslaan. De bebouwing van de Scheldestraat, Raamstraat, Griftlaan bestaat afwisselend uit rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en een aantal vrijstaande woningen. Opvallend is de boerderij aan de kruising Scheldestraat – Volkerak. Haringvliet kent een meer eenduidige uitstraling in architectuur van voornamelijk twee-onder-een-kapwoningen en geschakelde woningen. Daarnaast zijn er een aantal bungalows in dit gedeelte.

7. Achtse Loop e.o.

Deze woonbuurt gelegen tussen Cor Gehrelslaan, de Verzetsheldenlaan en de Achtse Loop bestaat uit verschillende typologieën. De buurt is wat intensiever bebouwd en kent een organisch stratenpatroon. De bebouwing bestaat uit geschakelde woningen, twee-onder-een-kapwoning en patio-bungalows. Kenmerkend is de groen-water structuur aan de Achtse Loop.

8. Ecopark

Zie de beschrijving van het Ecopark onder de kop 'Groen en water'.

9. Verzetsheldenbuurt I (Cor Gehrelslaan e.o.)

Het zuidelijk deel van Acht is een villabuurt. Verzetsheldenbuurt I betreft het gebied tussen het Ecopark, Achtse Loop en de Verzetsheldenlaan. De ruim opgezette woonbuurt bestaat voornamelijk uit riante vrijstaande woningen. De woningen zijn geplaatst op grote percelen aan rustige parkachtige woonstraten. De identiteit van dit gebied, waarmee het gebied zich onderscheidt van andere, is het gevolg van de individuele vrije sector. Toen de gemeente deze kavels uitgaf stelde ze geen restricties. Hierdoor is een wisselend straatbeeld ontstaan met verschillende architectuurstijlen en materiaal- en kleurgebruik.

Een centraal fietspad, het Rien van Bruggenpad, zorgt voor een goede langzaam verkeersverbinding. Het is gelegen in de oorspronkelijke diagonale groenstructuur en verbindt de verschillende organische woonstraten met elkaar. De langgerekte bossages vormen een structuurbepalend element in de woonbuurt. Daarnaast zijn er verschillende groene ruimtes te vinden met af en toe een speelvoorziening.

10. Verzetsheldenbuurt II (Simon van Hapertlaan e.o.)

Het zuidelijk deel van Acht is een villabuurt. Verzetsheldenbuurt II betreft het gebied tussen de Verzetsheldenlaan, Rijnstraat en Anthony Fokkerweg. De ruim opgezette woonbuurt bestaat voornamelijk uit riante vrijstaande woningen en heeft veel gelijkenis met de Verzetsheldenbuurt I. Deze buurt is ontstaan in de jaren ’90, en dus ouder dan Verzetsheldenbuurt I, wat terug te zien is in de meer begroeide straten en tuinen. Dit zorgt voor een ruim en groen karakter van de buurt.

Opvallend is restaurant De Luytervelde, een horecagelegenheid met parkeerplaats midden in de woonbuurt. Bijzonder is de historische boomgaard, grenzend aan de tuin van het restaurant. Deze monumentale hoogstamboomgaard stamt uit het begin van de vorige eeuw. Oorspronkelijk maakte de boomgaard deel uit van het grondgebied van een langgevelboerderij uit 1912. De boerderij is in 1983 verbouwd tot restaurant De Luytervelde.

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten, randvoorwaarden en beleidskader     

3.1 Inleiding     

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Er wordt geen complete samenvatting gegeven van alle beleidsaspecten. Uitsluitend de relevante beleidskaders voor het plangebied zijn in dit hoofdstuk weergegeven en verantwoord.

3.2 Rijksbeleid     

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte     

In de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten.

Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie.

Het Rijk onderscheidt 13 nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen.

Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), de Brainport, greenports en de valleys van nationaal belang (nationaal belang 1).

De gebiedsontwikkeling Brainport Avenue is van nationaal belang. In de SVIR wordt Brainport Zuid-Oost Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land.Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. High-tech systemen, medische technologie en automotive als belangrijkste thema's. Daarnaast zijn Chemelot in Sittard-Geleen als belangrijk chemie-cluster, het medische cluster in Maastricht en de greenport Venlo als cluster van agro-food, tuinbouw en logistiek belangrijk.

In de regio Eindhoven moeten vanwege de groei van het aantal huishoudens in de periode tot 2040 nog circa 40.000 woningen worden bijgebouwd en ook een kleine 30.000 woningen worden vervangen die niet meer voldoen aan de woonwensen. Het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers behoeft versterking met hoogwaardige woonmilieu's, stedelijke voorzieningen, voldoende aanbod van cultuur en sport en grensoverschrijdende verbindingen. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de steden en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor.

Realisatie

Uitgangspunt bij het realiseren van de doelstellingen is een integrale, regionaal-specifieke aanpak, waarmee investeringen en ander rijksinstrumentarium zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Dat vraagt om een gedegen afweging van alle relevante belangen en goede afstemming en samenwerking tussen regio en Rijk. Over de rijksopgaven zullen op basis van de MIRT-gebiedsagenda's afspraken worden gemaakt.

De SVIR kent een realisatieparagraaf, waarin per nationaal belang de aanpak is uitgewerkt op basis van lopende en voorziene projecten. Het Rijk heeft voor de realisatie van de nationale belangen de beschikking over de volgende vier instrumenten:

  • Kaders (gebiedsgerichte of thematische uitwerkingen van de SVIR, relevante wetgeving);
  • Bestuurlijke prestatieafspraken (bijvoorbeeld afspraken met provincies en gemeenten, internationale afspraken met overheden in buurlanden);
  • Financieel (bijvoorbeeld Infrastructuurfonds, Deltafonds);
  • Kennis (bijvoorbeeld inzetten van het College van Rijksadviseurs bij ruimtelijke ontwikkelingen, verspreiden van “best practices”).

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van aard (beleidsmatig versus procesmatig).

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het geldende ruimtelijk rijksbeleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. De ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp en aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Bro.

Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik.



De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Daarin staat: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Onderhavig actualisatieplan richt zich op het vastleggen van de bestaande situatie en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet nodig.

3.2.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)     

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 9 september 2020 vastgesteld. Publicatie heeft plaatsgevonden op 11 september 2020. In Nederland staan we voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Denk aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:

  • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • duurzaam economisch groeipotentieel
  • sterke en gezonde steden en regio’s
  • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.



In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen.

3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening     

Naast de SVIR is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel AMvB Ruimte genoemd, van toepassing. Het besluit bevat regels ter borging van een aantal nationale belangen. Het gaat onder meer over rijksbelangen zoals rijksvaarwegen, zones buisleidingen, zones van hoogspanningsleidingen en militaire objecten.

Voor Eindhoven is de 380 Kv hoogspanningsleiding van belang. Deze is gelegen in Eindhoven Noord en (deels) Oost. Verder is in het Barro opgenomen dat de provinciale begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) direct doorwerkt naar het bestemmingsplan. De gebieden die de EHS vormen worden bij provinciale verordening aangewezen (zie ook paragraaf 3.3.3). Daarmee is de EHS een provinciaal belang geworden. Tot slot worden de belangen van luchthaven Eindhoven via het Barro geborgd. Op de Luchthaven wordt nader ingegaan in paragraaf 3.2.4 en 3.2.5.

3.2.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening     

In de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) zijn de terreinen, gebieden en installaties zoals bedoeld in het Barro, aangewezen. Voor onderhavig gebied zijn de geluidszone en het obstakelbeheergebied behorende bij het luchtvaartterrein relevant. Deze gebieden zijn op onderstaande kaart aangegeven. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op geluid en in paragraaf 3.2.5 op de beperkingengebieden. Onderstaande kaart behoort bij de Rarro.

verplicht kaart militair luchtvaartterrein – Vliegbasis Eindhoven (bijlage 3.4 Rarro)

Bron: http://wetten.overheid.nl

3.2.5 Luchthavenbesluit     

In 2009 is de Wet luchtvaart gewijzigd. Naar aanleiding hiervan is een nieuw luchthavenbesluit voor Eindhoven vastgesteld. Dit is op 26 september 2014 vastgesteld en met ingang van 1 november 2014 in werking getreden. In het luchthavenbesluit zijn het luchthavengebied, de gebruiksmogelijkheden en het beperkingengebied vastgelegd. Voor het bestemmingsplan is vooral het beperkingengebied van belang.

Het beperkingengebied bestaat uit:

  1. de geluidszone: dit is de weergave van de geluidsbelasting van het gezamenlijke luchtverkeer (hier wordt in paragraaf 4.3.5 op ingegaan). Binnen deze zone gelden regels voor het bouwen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen.
  2. de obstakelbeheergebieden: hier gelden maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten.
  3. het vogelbeheersgebied: binnen dit gebied gelden regels voor een bestemming of gebruik dat vogels aantrekt.

Hieronder wordt nader ingegaan op het obstakelbeheergebied en het vogelbeheersgebied.

verplicht

Kaart beperkingengebied

De obstakelbeheergebieden

Met de obstakelbeheergebieden wordt geregeld tot welke hoogte gebouwen en bouwwerken gebouwd mogen worden. Dit is om gevaar voor het vliegverkeer op en rondom de luchthaven te voorkomen. De toegestane hoogten worden bepaald door de vliegfunnel, de IHCS en de ILS.

Vliegfunnel

De vliegfunnel wordt bepaald door de start- en landingsbaan en het verlengde daarvan. Hier gelden beperkingen ten aanzien van het oprichten van obstakels. Het onderhavige bestemmingsplangebied ligt niet binnen het obstakelbeheergebied van de vliegfunnel.

IHCS

Het IHCS (Inner Horizontal and Conical Surface) is bedoeld om vliegtuigen die in het circuit vliegen (circuitverkeer), voorafgaand aan de landing, te beschermen tegen hoge objecten. Het betreft een zone van 4 km rond de landingsbaan waar maximaal 44 meter hoog mag worden gebouwd. Buiten deze zone gaat de maximaal toegestane bouwhoogte geleidelijk omhoog.

Van de bebouwing binnen het plangebied die ligt binnen het obstakelgebied van de IHCS is de bestaande hoogte of hoogte conform de vigerende bestemmingsplannen als maximale hoogte toegestaan in het bestemmingsplan. Op grond van het bestemmingsplan zijn dus geen hogere objecten toegestaan dan nu het geval is.

verplicht

Kaart obstakelbeheergebieden voor de vliegfunnel en IHCS

ILS Daarnaast beschikt de Luchthaven over een Instrument Landing System (ILS). Dit wordt gebruikt om een landing in verminderde weersomstandigheden mogelijk te maken. Voor een goed functioneren van het ILS geldt dat een gebied rondom de start- en landingsbaan geen verstoring mag opleveren. Daarom gelden ook in dit gebied beperkingen ten aanzien van de bouwhoogten van gebouwen en bouwwerken (zie onderstaande afbeelding).

verplicht

Kaart ILS-verstoringsgebied

Het onderhavige bestemmingsplangebied ligt binnen het obstakelbeheergebied van het ILS. Van de bebouwing binnen het plangebied die ligt binnen het obstakelgebied van de ILS is de bestaande hoogte of hoogte conform de vigerende bestemmingsplannen als maximale hoogte toegestaan in het bestemmingsplan. Op grond van het bestemmingsplan zijn dus geen hogere objecten toegestaan dan nu het geval is. Hoogtebeperkingen vanwege de ligging binnen het obstakelgebied zijn daarom niet nodig.



Het vogelbeheersgebied

Het plangbied ligt binnen het vogelbeheersgebied. Binnen het vogelbeheersgebied gelden regels voor een bestemming of gebruik dat vogels aantrekt. In beginsel is een grondgebruik of bestemming binnen de volgende categorieën niet toegestaan:

  • oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare;
  • natuurbeschermingsgebieden en vogelbeschermingsgebieden;
  • vishouderijen met extramurale bassins;
  • extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal;
  • afvalwaterzuiveringsinstallaties.

verplicht

Kaart Vogelbeheersgebied

In de specifieke gebruiksregels is een verbod opgenomen voor functies/gebruik die niet toegestaan zijn conform het luchthavenbesluit Eindhoven; oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare, natuurbeschermingsgebieden, vogelbeschermingsgebieden, vishouderijen met extramurale bassins, extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal en afvalwaterzuiveringsinstallaties.

3.2.6 Bakens luchthaven Eindhoven en radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel     

Bij het bepalen van de maximaal toegestane bouwhoogte in het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de bakens van luchthaven Eindhoven en het radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel.

Bakens luchthaven Eindhoven

Op en nabij de luchthaven Eindhoven zijn bakens (zie figuur 3.1) aanwezig om de richting van het vliegverkeer (zowel horizontaal als verticaal) te kunnen volgen:

  • een VDF baken: Vertical Directional Finder. Dit is een hulpmiddel voor de luchtverkeersleiding om de richting te kunnen bepalen van het vliegtuig waarmee op dat moment wordt gecommuniceerd.
  • een NDB; Non Directional Beacon. Dit wordt door vliegtuigen gebruikt als navigatiehulpmiddel op luchtroutes. Het is een bakenzender die een radiosignaal uitzendt dat door een peilontvanger in het vliegtuig wordt opgevangen. Hierdoor wordt de richting van het signaal ten opzichte van het vliegtuig bepaald. Door de richting van twee verschillende bakens te peilen kan de piloot zijn/haar positie bepalen.

De toetsingsgebieden liggen voor VDF geheel over het plangebied, maar hebben gezien de maximaal toegestane bouwhoogte geen consequenties.

verplicht

Figuur 3.1. Afbeelding hoogtebelemmeringen bakens nabij luchthaven Eindhoven. Blauwe lijnen= VDF. Rode lijnen= NDB.

Radarverstoringsgebied Volkel

Om het ongestoord functioneren van radar- en communicatie-apparatuur op de vliegbasis Volkel te waarborgen ligt er rond deze vliegbasis een cirkel met een straal van 50 nautische mijl (=27,8 km), gemeten vanaf de positie van de radar. Binnen dit radarverstoringsgebied moet voor ieder obstakel hoger dan 65 meter worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. Onderhavig plangebied ligt niet binnen dit radarverstoringsgebied.

verplicht

Uitsnede uit kaart hoogtebelemmeringen als gevolg van luchthaven Eindhoven. Blauwe lijnen- arcering= radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel.

3.2.7 Outer-horizontal     

Met de “outer-horizontal” moet rekening worden gehouden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Hoge objecten door de “outer-horizontal” kunnen leiden tot aanpassing van de vliegprocedures wat het, bijvoorbeeld, minder goed mogelijk maakt om het vliegverkeer van- en naar Eindhoven te spreiden. Deze “outer-horizontal” heeft een radius van 15 km rondom het midden van de start- en landingsbaan en ligt op een hoogte van 150 meter boven maaiveld (gerelateerd aan de baan). Objecten hoger dan 150 meter zijn toelaatbaar indien aangetoond is dat deze geen impact hebben op het vliegverkeer. Op de hieronder ingevoegde kaart is aangegeven binnen welke gebieden hoogbouw/windturbines kansrijk (=groen gekleurd), kansarm (= oranje gekleurd) of onmogelijk (=rood gekleurd) zijn. In de oranje gekleurde gebieden kan vooraf advies worden gevraagd bij de luchtverkeersleiding van de vliegbasis of de hoogbouw/winturbines op die locatie mogelijk worden geacht. Op grond van het bestemmingsplan zijn dus geen hogere objecten toegestaan dan nu het geval is.

verplicht

3.3 Provinciaal beleid     

3.3.1 Omgevingsvisie     

De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Op 14 december 2018 is de omgevingsvisie vastgesteld. Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma's. Tot die zijn vastgesteld blijven bestaande beleidsplannen voor natuur, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer en milieu en water van kracht. Daarmee wil Brabant op tijd klaar zijn voor de Omgevingswet wanneer deze in 2021 wordt ingevoerd.

In de Omgevingswet staan waarden als veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor ieder van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Maar ook een concreet tussendoel: waar moeten we in 2030 op zijn minst staan om dat langetermijndoel te halen? De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

3.3.2 Structuurvisie     

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie bestaat uit twee delen (A en B) en een uitwerking.

Deel A

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor bescherming tegen hoogwater, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen en een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Aandacht wordt gevraagd voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). De provincie realiseert haar doelen door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

verplicht

Deel B

De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Deze vier ruimtelijke structuren worden in deel B beschreven en zijn:

1. de groenblauwe structuur

De groenblauwe structuur bestaat uit bestaande natuur, watersystemen en nieuwe natuur in hiervoor kansrijke gebieden. Het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden is hier belangrijk. Daarnaast biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Dit is nodig voor een goed waterbeheer en biedt mogelijkheden om in te spelen op de effecten van klimaatverandering.

2. het landelijk gebied

Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Land- en tuinbouw zijn de grootste ruimtegebruikers. De provincie streeft hier naar een multifunctionele gebruiksruimte, met behoud van agrarische productieruimte in die delen van het landelijk gebied waar de landbouw leidend is voor nieuwe ontwikkelingen.

3. de stedelijke structuur

De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De provincie kiest hier voor twee perspectieven. Ten eerste stedelijke concentratiegebieden waar de groei van de verstedelijking wordt opgevangen. De provincie wil de verstedelijking op goed ontsloten plekken concentreren en de groene ruimte tussen steden openhouden. Ten tweede dienen kernen in het landelijk gebied zoveel mogelijk te worden ontzien van verdere verstedelijking. Alleen de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt daar opgevangen.

4. de infrastructuur

Het infrastructuurnetwerk bestaat uit een fijnmazig en samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen. De Brabantse infrastructuur maakt deel uit van het internationale netwerk van infrastructuur in noordwest Europa. De provincie kiest hier voor een goede bereikbaarheid van BrabantStad en de economische clusters van Noord-Brabant. Voor het personenvervoer zijn het hoofdwegennet en het OV-netwerk BrabantStad de dragers. Het goederenvervoer wordt zoveel mogelijk via de te ontwikkelen Goederenruit (spoor en waterwegen) geleid. Zo wordt ruimte gemaakt voor het versterken van de (inter)nationale ontsluiting (weg, water, spoor en lucht) van de Brabantse steden.

Uitwerking structuurvisie

De provincie heeft geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkeld, maar geeft haar visie op het landschap vorm in de zogenaamde 'gebiedspaspoorten'. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze kunnen worden versterkt. Er zijn ook deelstructuurvisies opgesteld voor specifieke onderwerpen. Zo is voor het gebied ten oosten van Eindhoven de deelstructuurvisie Brainport Oost opgesteld. Deze bevat keuzes voor wonen, werken en bereikbaarheid ten oosten van Eindhoven.

Eindhoven vormt samen met de provincie en met de steden Breda, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg het stedelijk netwerk BrabantStad. Dit samenwerkingsverband vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Sterke steden zijn een voorwaarde voor de toekomst van Noord-Brabant. Vooral in deze steden is de dynamiek van Noord-Brabant goed zichtbaar. De provincie ziet deze steden als het brandpunt van de verstedelijking. Hier wordt geïnvesteerd in de binnensteden (stationsgebieden, kanaal- en snelwegzones) en worden hoogstedelijke functies, zoals bovenregionale voorzieningen, geconcentreerd. Daardoor wordt de centrale positie van de steden versterkt en het draagvlak voor hoogwaardig openbaar vervoer en stedelijke- en culturele voorzieningen op peil gehouden. Dat draagt bij een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat in Noord-Brabant.

3.3.3 Interim omgevingsverordening     

De Interim omgevingsverordening is vastgesteld door Provinciale Staten op 25 oktober 2019 en vervangt een aantal provinciale verordeningen:

  • provinciale milieuverordening
  • verordening natuurbescherming
  • verordening ontgrondingen
  • verordening ruimte
  • verordening water
  • verordening wegen

Om straks klaar te zijn als de Omgevingswet in werking treedt, heeft de provincie eerst een Interim omgevingsverordening vastgesteld. Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet.

De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving).Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is beleidsneutraal. Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de samenvoeging of vanwege al vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie, worden meegenomen.

In de Interim omgevingsverordening staan regels voor:

  • Burgers en bedrijven: dit zijn zogenaamde rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten voorwaarden om zo’n activiteit te verrichten en geven ook aan of je bijvoorbeeld eerst een melding moet doen voordat je mag beginnen.
  • Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren.

Rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven

Het gaat hier om regels die naast een eventuele vergunningplicht gelden. Er zijn in de Interim Omgevingsverordening voor de volgende thema’s rechtsreekse regels opgenomen: grondwaterbescherming, grondwateronttrekking, bodemsanering, stortplaatsen, ontgrondingen, varend ontgassen, stiltegebied, wegen, natuur en landbouw. De meeste van deze regels waren eerst opgenomen in de Provinciale milieuverordening, de Verordening wegen, de Verordening ontgrondingen en de Verordening natuurbescherming.

Binnen het plangebied zijn voor het volgende werkingsgebied rechtstreekse regels van toepassing:

  • Stedelijk gebied

Stedelijk gebied

Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks regels ten aanzien van landbouw. Binnen het plangebied is geen landbouw aanwezig of toegestaan. Om die reden is dit werkingsgebied voor dit plangebied niet relevant.



Binnen het plangebied zijn rechtstreekse regels van toepassing voor grondwateronttrekking. Volgens Kaart 1: Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is het plangebied in zijn geheel aangeduid als 'Diep grondwaterlichaam' en 'Geen attentiezone waterhuishouding'. Volgens artikel 2.20 van de Interim omgevingsverordening is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden boven, in of onder een diep grondwaterlichaam. Artikel 2.21 regelt dat onder bepaalde voorwaarden geen vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, Waterwet, is vereist als sprake is van de zone 'Geen Attentiezone waterhuishouding'.

Instructieregels

Dit zijn de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening ruimte Noord-Brabant. De regels zijn gekoppeld aan de aanduidingen die op de verschillende kaarten van de Interim omgevingsverordening zijn opgenomen.

verplicht

Kaart 3: Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed

verplicht

Kaart 4: Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden

verplicht

Kaart 5: Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging

Op de 'Kaart 3: Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' is te zien dat het gehele plangebied aangeduid is als 'concentratiegebied - stedelijk gebied'. Het 'stedelijk gebied' is primair aangewezen om stedelijke functies zoals wonen, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen op te vangen. In de interim omgevingsverordening zijn hier regels aan gekoppeld. Bij nieuwe ontwikkelingen moet hieraan getoetst worden. Dat is bij dit bestemmingsplan niet aan de orde. De huidige functies binnen het plangebied passen binnen de op basis van de verordening toegestane functies binnen stedelijk gebied.

Op de 'Kaart 4: Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden' is te zien dat er binnen het plangebied geen provinciaal beschermde natuur en stiltegebieden zijn.

Op de 'Kaart 5: Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging' is te zien dat er binnen het plangebied geen provinciaal beschermde gebieden zijn met betrekking tot grondaterbescherming, waterveiligheid en -berging.

Op de 'Kaart 7: Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen' is te zien dat het hele plangebied ligt in stalderingsgebied.

Dit bestemmingsplan betreft een actualisering die past binnen de regels van de Interim omgevingsverordening.

Ontwerp omgevingsverordening Noord-Brabant

De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels zijn samengevoegd. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. De huidige regels in de Interim omgevingsverordening zijn gehanteerd als uitgangspunt. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • Er is aansluiting gezocht bij de opbouw van de rijksregels. Diverse nadere regelingen zijn in de Omgevingsverordening verwerkt.
  • Vanwege het vervallen van de Wet bodembescherming zijn nieuwe regels opgenomen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen. Het voorstel is om daarvoor ook voorbeschermingsregels vast te stellen.
  • De aanwijzing van voor verzuring gevoelige kwetsbare gebieden (Wav-kaarten) is vervallen.
  • De rechtstreeks werkende regels voor de ontwikkeling van veehouderij en mestbewerking vervallen. Het voorstel is om die te vervangen door voorbeschermingsregels.
  • Er is een attentiezone geluid opgenomen langs provinciale wegen waarbinnen aandacht wordt gevraagd voor het oprichten van geluidgevoelige bebouwing.

Gedeputeerde Staten hebben op 23 maart 2021 het ontwerp van de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze ligt vanaf 9 april 2021 ter inzage voor de duur van zes weken.

In het ontwerp van de omgevingsverordening Noord-Brabant zijn geen wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van de interim omgevingsverordening die relevant zijn voor onderhavig plangebied.

3.4 Gemeentelijk beleid     

3.4.1 Interimstructuurvisie 2009     

In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit.

3.4.1.1 Ruimtelijke hoofdstructuur     

De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de ontwikkelingen ten opzichte van de ruimtelijke hoofdstructuur. Met andere woorden de kaart geeft de ontwikkelingen aan binnen de hoofdstructuur.

verplicht

Figuur: Ruimtelijke hoofdstructuur Interimstructuurvisie Eindhoven

Kerkdorp Acht is aangeduid als 'bebouwd gebied'. Op de kaart van de ruimtelijke hoofdstructuur is een lijn opgenomen voor een zoekgebied voor een station.

3.4.1.2 Gebruik van de ruimte     

De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik.

verplicht

Figuur: Gebruik van de ruimte Interimstructuurvisie Eindhoven

Onderhavig plangebied is op de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als 'Wonen'. Deze gronden zijn voornamelijk bedoeld voor wonen, inclusief alle afgeleide wijk- en buurtgerichte functies op het gebied van (middelbaar-/ basis-)onderwijs, zorg, opvang, cultuur, religieuze voorzieningen, ontspanning en vrije tijd, groen (o.a. buurt- en wijkparken, sportfaciliteiten en –velden, buurtontmoetingsruimten), detailhandel en werken (woonwerkcombinaties en kleine bedrijven met milieucategorie 1, 2 en gedeeltelijk 3). Deze functies zijn noodzakelijk voor het functioneren van een gebied als woongebied. Zij vallen dus onder deze definitie en worden niet afzonderlijk in beeld gebracht, mede omdat hun ruimtebeslag relatief beperkt is.

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard. De huidige functies binnen het plangebied sluiten aan bij de in de Interimstructuurvisie genoemde functies.

3.4.2 Omgevingsvisie Eindhoven     

Samen met de stad heeft de gemeente Eindhoven een omgevingsvisie opgesteld. Met ons hebben meegedacht: inwoners, ondernemers, belangenorganisaties, GGD, Veiligheidsregio, Omgevingsdienst, woningcorporaties, projectontwikkelaars, investeerders en andere overheden (buurgemeentes, provincie, rijk). Op 16 juni 2020 is de omgevingsvisie vastgesteld door de gemeenteraad.

De omgevingsvisie is een integraal verbindende visie voor de fysieke leefomgeving die focus aanbrengt bij het inrichten van onze stad en stimuleert om samen te werken aan de stedelijke opgaven. De omgevingsvisie is gebaseerd op bestaand beleid. Het hebben van een omgevingsvisie is onder de nieuwe Omgevingswet verplicht. Omdat een omgevingsvisie allesomvattend is, willen we die lerende wijs ontwikkelen. Dat betekent concreet dat we, eerder dan wettelijk verplicht, met een omgevingsvisie komen. Maar dan wel een 'light-variant' (versie 1.0), die we één of twee jaar later gaan aanvullen en verfijnen.

Deze omgevingsvisie (versie 1.0) is gebaseerd op het bestaand beleid. Het document vervangt niet de bestaande beleidsdocumenten, maar is een aanvullend beleidsdocument. De interim structuurvisie blijft daarom nog steeds van kracht. Bij het opstellen van een omgevingsvisie versie 2.0 wordt de interim structuurvisie wel ingetrokken.

Brainportregio

De Brainportregio is een technologische topregio en één van de belangrijkste pijlers van de Nederlandse economie. De sleutel tot dit succes is samenwerking. Het is een regio van contrasten en dat maakt ons uniek: een hecht netwerk van steden, stedelijke buurgemeenten, dorpen en bewoond landelijk gebied. Je bent snel in de stad of juist in het groen, er is cultuur én natuur. We zijn sterk in high tech, design en innovaties en kennen een dynamische economie en een gastvrije bourgondische levensstijl. De strategie van de regio is gericht op het sterker maken van deze kwaliteiten door aan te haken op de eigen kracht en identiteit van de deelgebieden.

Ambitie

Als centrumstad vervult Eindhoven een cruciale rol bij de versterking van Brainport Eindhoven als economische wereldspeler op het gebied van kennisintensieve maakindustrie en design. Om internationaal concurrerend te blijven, streeft Eindhoven samen met de regio naar een excellent woon- en werkklimaat. Eindhoven zet daarom in op gezonde en duurzame verstedelijking met behoud van stedelijke en dorpse kwaliteiten en met bijzondere aandacht voor sociale cohesie en inclusie. Eindhoven is in staat om zich snel aan te passen aan de steeds veranderende vraag naar geschikte en betaalbare ruimte om te wonen, werken, verblijven en recreëren. Deze ambitie vertaalt zich naar vier deelambities. Eindhoven als:

  • economische wereldspeler;
  • gezonde en toekomstbestendige stad;
  • een sociale, inclusieve en gastvrije stad en
  • een authentieke stad met sterke gebieden.

Van ambitie naar stedelijke opgaven

Als we onze ambities leggen naast de huidige kwaliteiten en structuren van de stad en de actuele trends en ontwikkelingen, zien we een aantal stedelijke opgaven voor de stad. Brainport Eindhoven blijft groeien, mede door de sterke economische positie.

De ambities en groei vragen om ruimte voor nieuwe woningen, bedrijven en voorzieningen. Ruimte die we bieden door te verdichten in het gebied binnen

de Ring en door te verdichten nabij voorzieningen als HOV en winkelcentra. Met name binnen de Ring is voldoende ruimte om te verdichten, omdat er nog relatief weinig mensen wonen. Met de keuze voor verdichten binnen de Ring gaan we duurzaam om met de (groene) ruimte die de stad heeft. We behouden hiermee de kwaliteit van de groenstedelijke woonwijken, de landschapsparken en het buitengebied.

De keuze voor een compact stedelijke woonmilieu gaat gepaard met forse investeringen in o.a. bereikbaarheid, luchtkwaliteit, groen en voorzieningen.

Eindhoven wil een leefbare en een inclusieve stad zijn waar iedereen kan profiteren van het succes van de Brainport. Dat vraagt om keuzes ten aanzien van het woning- en voorzieningenaanbod. Het verschil tussen de ambitie en de huidige stand van zaken in Eindhoven leidt tot zes concrete stedelijke opgaven:

  • Werken aan een gezonde groei van de stad
  • Werken aan een aantrekkelijk en hoogstedelijk centrum
  • Werken aan leefbare, sociale wijken met een sterke identiteit
  • Werken aan een duurzame en concurrerende economie
  • Werken aan de energietransitie van de stad
  • Werken aan een goede stedelijke bereikbaarheid

Samen werken aan de stedelijke opgaven

Dit zijn de opgaven waar we als gemeente de komende jaren samen met onze partners aan werken. Wij werken zelf aan deze opgaven, maar stimuleren ook andere partijen in de stad om dit te doen. We bepalen samen met de stad en regio wat kansrijke initiatieven en locaties zijn. We geven prioriteit aan initiatieven die bijdragen aan meerdere stedelijke opgaven tegelijkertijd en kwaliteit toevoegen aan de stad. Hiernaast zetten we in op het beschermen en versterken van de stedelijke en groene hoofdstructuur van de stad. De gemeente organiseert het werken aan de stedelijke opgaven met thematische en gebiedsprogramma's en stimuleert o.a. via regels en uitgangspunten zoals opgenomen in de omgevingsvisie dat ook andere initiatiefnemers bijdragen aan het realiseren van de opgaven.

Plangebied

Dit bestemmingsplan is niet gericht op ontwikkeling. Het bereiken van de doelen uit de omgevingsvisie gebeurt met name door ontwikkeling. Wel ziet dit bestemmingsplan op de doelen van de omgevingsvisie die zich richten op bescherming. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het beschermen van ons natuurnetwerk, het in stand houden van ecologische verbindingszones en het beperken van risico's bij branden, rampen en crisis door het opnemen van regels vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Ook het beschermen van erfgoed zoals historische radialen, historisch groen en historische stedenbouwkundige structuur vallen hieronder.

Daarnaast draagt dit bestemmingsplan bij aan een goede gezondheid van inwoners en een veilige leefomgeving. Zo is een specifieke bestemming voor het groen in het plangebied opgenomen en wordt ruimte geboden voor het realiseren van voet- en fietspaden en het bouwen van sport- en spelvoorzieningen in het openbare gebied.

Daarnaast is in het bestemmingsplan een regeling opgenomen voor waterberging wanneer zich ontwikkelingen voordoen. Dit draagt bij aan een beter functionerend watersysteem.

In de omgevingsvisie is ook aangegeven dat de gemeente ruimte biedt aan de buurteconomie, deeleconomie en andere initiatieven die bijdragen aan de levendigheid van wijken. Denk aan kleine bedrijfjes aan huis en ruimte voor creatief ondernemerschap. In dit bestemmingsplan zijn regels opgenomen waarbinnen beroep en bedrijf aan huis is toegestaan. Dit draagt bij aan de verbetering van de economische structuur en de levendigheid in de wijken.

Het bestemmingsplan is dus in lijn met de uitgangspunten van de omgevingsvisie.

3.5 Volkshuisvesting     

In het onderhavige plangebied zijn geen concrete nieuwe ontwikkelingen voorzien. Indien zich nieuwe ontwikkelingen in het gebied voordoen op het gebied van wonen zal dit worden getoetst aan het volkshuisvestingsbeleid.

3.5.1 Regionaal beleid     

Samen staan de negen gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven(SGE) aan de lat om een woon- en leefklimaat van hoge kwaliteit te realiseren en de veranderende kwalitatieve en kwantitatieve vraag zo goed mogelijk te bedienen. Dit is een voorwaarde voor een aantrekkelijke vestigingsplek voor nieuwe inwoners en om te kunnen blijven concurreren met andere (inter)nationale topregio's. Dit gaat niet alleen. We hebben elkaar maar vooral bewoners en partners, zoals corporaties, ontwikkelaars, beleggers, bouwondernemingen en makelaars, nodig. Die investeren mee in de kwaliteit van de regio en het woonklimaat. Als samenwerkende partners in een creatieve regio zoeken we daarbij ook naar mogelijkheden om innovaties in het bouwproces te realiseren.

Het Regionaal Ruimtelijk Overleg (gemeenten, provincie) heeft op 13 december 2017 het 'Afsprakenkader Wonen 2017' bekrachtigd dat door de afzonderlijke negen gemeenteraden is vastgesteld. Hierin zijn o.a. de volgende afspraken over woningbouwontwikkelingen opgenomen:

  1. We geven ruim baan aan initiatieven die uitgaan van herstructurering, transformatie en inbreiding. Dit betreft de locaties binnen het bestaand stedelijk gebied zoals dat is aangegeven in de provinciale Interim omgevingsverordening.
  2. Alle overige initiatieven stemmen we op elkaar af, waarbij geldt dat we geen nieuwe uitleglocaties ontwikkelen, tenzij…….Het regionaal portefeuillehoudersoverleg neemt hierover een unanieme beslissing. Uitleglocaties liggen buiten het bestaand stedelijk gebied zoals aangegeven in de provinciale interim omgevingsverordening.
  3. In principe beschouwen we de kwantitatieve provinciale prognoses 2017 als richtinggevend op het niveau van het Stedelijk Gebied. Hierbij maken we zo optimaal mogelijk gebruik van de ruimte die de Brabantse Agenda Wonen biedt. Door de woningbouwontwikkelingen goed te monitoren kunnen we ingrijpen op het moment dat dat nodig is en voorkomen we dat goede plannen voor de korte termijn (2021) worden tegengehouden op basis van de programmering op langere termijn (2030). Hierdoor ontstaat meer ruimte om snel in te kunnen spelen op marktontwikkelingen.
  4. Het Stedelijk Gebied Eindhoven heeft een bestuursopdracht voor de aanpak van een negental majeure projecten gegeven. Het onderdeel programmering kan echter volgens het coördinatieteam op dit moment niet voldoende worden uitgewerkt. Hiervoor heeft zij kaders in de vorm van een regionale visie op wonen en bijbehorende marktonderzoek(en) nodig. Deze visie wordt 2e helft 2019 verwacht. Het merendeel van de majeure projecten kan daar niet op wachten omdat er enerzijds behoefte is aan deze woningen en anderzijds bestemmingsplannen geactualiseerd, gewijzigd dan wel opgesteld moeten worden. Daarom is in het portefeuillehoudersoverleg van 26 oktober en 21 december 2017 besloten het onderdeel programmeren, voor nu uit de Bestuursopdracht te halen en ten aanzien van de locaties planologische voorwaarden in de nieuwe bestemmingsplannen mee te geven.

In het Afsprakenkader 2017 is aangegeven welke plannen regionaal afgestemd worden. Een nieuw bestemmingsplan dat meer dan 75 woningen in stedelijke kernen of 25 woningen in landelijke kernen mogelijk maakt, dient regionaal afgestemd te worden. Via het coördinatieteam worden deze plannen aan het portefeuillehoudersoverleg voorgelegd.

De provincie ziet er op toe dat de plannen regionaal afgestemd worden. Wanneer bij het vooroverleg blijkt dat dat niet het geval is worden de plannen door de provincie niet in behandeling genomen.

3.5.2 Lokaal beleid     

Woonvisie

De Woonvisie is op 15 december 2015 vastgesteld. In de woonvisie gaat de gemeente in op haar ambities op het gebied van bouwen en wonen. Daarmee maken we de richting waarin we ons willen ontwikkelen duidelijk aan de stad, haar bewoners en alle partijen die een rol spelen in de verdere ontwikkeling van de stad. Drie pijlers zijn geformuleerd als kader voor de nieuwe opgave: Eindhoven als ambitieuze stad, als solidaire stand en als innovatieve stad.

Ambitieuze stad Eindhoven groeit en dat creëert een nieuwe vraag naar wonen. Eindhoven wil verder verstedelijken. Onder stedelijkheid wordt een gemengde en gevarieerde omgeving waar mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten verstaan. En een stad die tegelijk ook groen en gemoedelijk blijft.

De gemeente Eindhoven staat voor de unieke kans om de stad als geheel, en het gebied binnen de Rondweg in het bijzonder, de komende jaren te laten groeien. Zij verwacht dat het inwonersaantal van Eindhoven de komende 10 jaar fors zal toenemen, harder dan de prognoses nu voorspellen. De bijzondere bevolkingsopbouw van Eindhoven (een relatief jonge bevolking) draagt daaraan bij. Die groei moet ook op het vlak van wonen gefaciliteerd worden. Tot 2030 wil de gemeente Eindhoven minstens twee derde van de extra woningcapaciteit binnen de Rondweg realiseren.

Solidaire stad

De gemeente Eindhoven wil dat Eindhoven een samenleving is, waarvan iedereen onderdeel is. De meeste inwoners kunnen zelfstandig hun plaats vinden in die samenleving, sommigen hebben een steuntje in de rug nodig. Voor hen wordt gezorgd voor een vangnet.

Ook is er oog voor mensen in lastige situaties: asielzoekers, daklozen, mensen in psychische nood en ex-gedetineerden. Door de decentralisatie in de zorg moeten meer mensen met een beperking een plek in de wijk vinden. De vergrijzing zet de komende jaren stevig door. Veel ouderen, met of zonder zorgvraag, zullen langer thuis blijven wonen. Het is belangrijk dat er voor al deze mensen een plek blijft op de woningmarkt. Concentratie in bepaalde wijken is ongewenst.

De sociale woningvoorraad is onderdeel van de sociale basisinfrastructuur. In theorie is in Eindhoven de sociale woningvoorraad in balans met de doelgroep. Twee ontwikkelingen vragen echter om aandacht: de samenstelling van de sociale woningvoorraad en de positie van de 13.500 huishoudens met een middeninkomen. Met de inwerkingtreding van de nieuwe woningwet 2015 moeten woningcorporaties hun woningen 'passend toewijzen'.

Het aantal eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens groeit. Dit betekent een grote uitdaging. Niet alleen in woonwensen maar ook in betaalbaarheid, want alleen wonen is relatief duur. De gemeente Eindhoven zal gaan inzetten op transformatie en ander gebruik. Bij de transformatie van grotere kantoren, zorg- en onderwijsgebouwen kunnen (collectief) particulier opdrachtgeverschap en nieuwe woonconcepten een oplossing bieden. Ook het gebruik van eengezinswoningen door bijvoorbeeld twee eenpersoonshuishoudens, met name in het gebied buiten de Rondweg, behoort tot de mogelijkheden.

Innovatieve stad

De gemeente Eindhoven gaat partijen uitdagen om klantgeoriënteerd, sneller, goedkoper en duurzamer te produceren. En ook in de aanpak van de bestaande voorraad en in de transformatie van kantoren en zorggebouwen is er een grote behoefte aan vernieuwing en aan creatieve, betaalbare oplossingen.

Een andere ontwikkeling is het zogenaamde flexwonen. Tot voor kort kende de woningmarkt een vrij overzichtelijk aanbod: koop- of huurwoningen, zelfstandige of onzelfstandige woonruimten, grondgebonden woningen of appartementen. Maar de vraagkant is de afgelopen jaren sterk veranderd. Er komen steeds meer groepen die behoefte hebben aan tijdelijke woonruimte. Denk bijvoorbeeld aan studenten, expats, arbeidsmigranten, mensen die een echtscheiding achter de rug hebben, ex-gedetineerden en mensen die uit een opvangvoorziening komen. Deze mensen zijn op zoek naar goede tijdelijke huisvesting, met passende voorzieningen, die snel beschikbaar is en tegen een prijs die past bij hun budget. Dit flexwonen wordt een belangrijke nieuwe woonvorm in Eindhoven. Het biedt tevens kansen voor de transformatie van leegstaand vastgoed.

Verder wil de gemeente Eindhoven in de koopsector dat inwoners zoveel mogelijk invloed hebben op hun eigen woning en woonomgeving, bijvoorbeeld door het stimuleren (collectief) particulier opdrachtgeverschap. Daarnaast wil de gemeente Eindhoven dat zelf bouwen niet alleen bereikbaar is voor de huishoudens met een hoger inkomen.

Woonprogramma Eindhoven 2021-2025

Het Woonprogramma is op 15 december 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. Met het Woonprogramma sluiten we aan bij het bestaande beleid. Zo hebben we in 2015 een Woonvisie opgesteld. In 2020 hebben we een integrale visie voor de fysieke leefomgeving in onze stad vastgelegd in de Omgevingsvisie. En in 2019 is een Woondeal gesloten met het ministerie van BZK, provincie Noord-Brabant en de regio. Het Woonprogramma Eindhoven 2021-2025 hangt nauw samen met dit beleid.

De ambities uit de Woonvisie van 2015 blijven cruciaal voor de ontwikkeling van de stad in de komende jaren. Ze zijn gericht op de ontwikkeling van Eindhoven van een middelgrote naar een grote, economisch sterke en inclusieve stad. De ambities komen echter in een ander daglicht te staan: door de snelle prijsstijgingen in de afgelopen jaren en mogelijk door de coronacrisis. Vandaar dat we in dit Woonprogramma kiezen voor een accentverschuiving richting de volgende ambities

  1. Forse groei van de woningvoorraad om de grote vraag naar woningen op te kunnen vangen.
  2. Een evenwichtig woningaanbod, zodat alle inwoners een betaalbare woning kunnen vinden.
  3. Voldoende geschikte woningen voor kwetsbare inwoners.

Om voor alle inwoners van Eindhoven een passende en betaalbare woning te kunnen bieden, werken we aan een goed kwantitatief en kwalitatief Woonprogramma. Kwantitatief nemen we ons voor gemiddeld 3.000 woningen per jaar toe te voegen in komende jaren. De woonopgave realiseren we binnen én buiten de Ring. Ook buiten de Ring liggen immers kansen, met name rondom centrale plekken in de wijken en langs HOV-lijnen.

De Woonvisie 2015 blijft het vertrekpunt. We werken aan een inclusieve stad, met een gevarieerd aanbod voor alle doelgroepen. We binden talent. Ook sluiten we aan op de regionale visie op Wonen (2019). Er is immers een duidelijke relatie met de regiogemeenten, we kunnen elkaar versterken. Deze relatie geven we verder vorm door gezamenlijk met de regio de Visie op Wonen en de Woondeal uit te voeren.

Woonprogramma

Op basis van de woonbehoefte voor de stad, de bestaande plannen en de uitwerking naar woonmilieus komen we tot het Woonprogramma. We doen dit voor de stad als geheel en per woonmilieu.

Voor de stad als geheel is onderstaand schema leidend. Dit betekent overigens niet dat deze percentages in elk woningbouwproject gerealiseerd moet worden. We onderscheiden immers woonprogramma's naar woonmilieu (centrumstedelijk, groenstedelijk, binnen de Ring en buiten de Ring). Daarnaast is een exacte invulling op projectniveau bijvoorbeeld ook afhankelijk van de bestaande voorraad in een buurt of straat. Via de wijk- en buurtmonitor houden we realisatie in de gaten.

verplicht

Wat betreft sociale huur vormt het Collegeprogramma, waarin 20% sociale huur is opgenomen, het uitgangspunt. Voor de langere termijn, vanaf 2022 voorzien we een noodzakelijke groei naar 30%.

3.5.3 Kamerverhuur en woningsplitsing     

Op 12 juni 2018 heeft de gemeenteraad het paraplubestemmingsplan 'parkeren, kamerverhuur en woningsplitsing' vastgesteld. Tot het moment van inwerkingtreding van dit paraplubestemmingsplan, werd via de huisvestingsverordening voorkomen dat woningen zonder vergunning werden gesplitst, omgezet, onttrokken en samengevoegd. Hoewel kamerverhuur en woningsplitsing verschillend zijn en andere toetsingskaders kennen, hebben beiden wel een zelfde soort ruimtelijk effect op de omgeving en is het wenselijk om deze initiatieven soortgelijk te reguleren in bestemmingsplannen. Door de regeling in het paraplubestemmingsplan wordt kamerverhuur en woningsplitsing voortaan via één vergunning (omgevingsvergunning) geregeld. Deze regeling moet in opvolgende bestemmingsplannen zoals het onderhavige worden overgenomen om geldend te blijven voor het betreffende plangebied. Om die reden is de regeling uit dit paraplubestemmingsplan in dit bestemmingsplan overgenomen.

3.6 Archeologische en cultuurhistorische waarden     

3.6.1 Archeologie     

Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Dit wordt samen met de andere onderdelen rond de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving overgeheveld naar de toekomstige Omgevingswet.

Gemeentelijk beleid

De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012' , dat de raad in september 2008 heeft vastgesteld. De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise.

De gemeente kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd. Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat archivalische bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken.



De archeologische gebieden binnen de gemeente Eindhoven staan aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, onderdeel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Het beleid is om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart.

Volgens de Archeologische Waardenkaart kent onderhavig plangebied geen archeologisch waardevolle gebieden of archeologische verwachtingsgebieden. Binnen het bestemmingsplan hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden met archeologische waarden of verwachtingen. Wel geldt ten aanzien van archeologie een meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten. Mochten tijdens eventuele grondwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht ingevolge art. 5.10 Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en de afdeling Omgevingskwaliteit van de gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.

verplicht

Uitsnede archeologische waardenkaart van Eindhoven

3.6.2 Cultuurhistorie     

Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stads- en dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.

verplicht

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven

Na de vaststelling van de cultuurhistorische waardenkaart zijn er verschillende cultuurhistorische onderzoeken uitgevoerd die een verdieping en actualisatie vormen op de geconstateerde waarden op deze kaart. Het betreft het historisch-landschappelijk onderzoek 'Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven' (2018) door RAAP adviesbureau. Daarnaast zijn de aangeduide historische wegstructuren op de cultuurhistorische waardenkaart binnen het plangebied nader geanalyseerd. Verder zijn de resultaten betrokken van afzonderlijke cultuurhistorische onderzoeken naar categorieën gebouwen, zoals o.a. school- en woongebouwen.

De resultaten van deze onderzoeken zijn in onderstaande paragraaf verwerkt, waarin per deelgebied of deelstructuur is toegelicht hoe de geconstateerde waarden zijn doorvertaald in de regels van het bestemmingsplan. De cultuurhistorische onderzoeken zijn als bijlagen bij het bestemmingsplan gevoegd.

Historisch landschap

Algemeen

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart zijn landschappelijke/groene waarden van het historisch landschap (historische wegenstructuren, waterlopen en waterwegen, historisch landschap en groenstructuren) in kaart gebracht. In 2015-2017 en 2018-2019 zijn in opdracht van de gemeente Eindhoven cultuurhistorische onderzoeken uitgevoerd door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Deze onderzoeken hadden als doel de gemeentelijke Cultuurhistorische Waardenkaart wat betreft het onderdeel historisch landschap nader te onderbouwen en waar nodig aan te vullen. Door middel van een cultuurhistorische inventarisatie en waardering is met deze onderzoeken allereerst het buitengebied en vervolgens het stedelijk gebied van Eindhoven gedetailleerd in beeld gebracht. In 2017 zijn de resultaten van het onderzoek naar het buitengebied gepubliceerd in het rapport 'De groene zoom van Eindhoven' en in 2019 verscheen het rapport van het stedelijk gebied 'Het landschap onder de stad'. Onderhavig plangebied valt voor een klein deel onder het onderzoek van het buitengebied en verder onder het onderzoek van het stedelijk gebied.

De rapporten geven de diversiteit weer binnen de landschappen zoals deze zich tussen omstreeks 1840 en het moment van verstedelijking en deels ook al daarvoor manifesteerden. De 'Kenmerkenkaart' bij de rapporten geeft een overzicht van de afgedekte cultuurlandschappen (landschapstypen) met de nog bestaande en verdwenen landschapselementen. De 'Cultuurhistorische waarderingskaart historisch landschap' (buitengebied) en de kaart 'Herkenbaarheid prestedelijk landschap' (stedelijk gebied) geven respectievelijk de mate van waardering van de verschillende landschapstypen en de mate van herkenbaarheid van het prestedelijk landschap in de afzonderlijke deelgebieden weer. De waardering van nog bestaande landschapselementen wordt weergegeven op de 'Waarderingskaart landschapselementen'.

Tot ver in de 20e eeuw breidde Eindhoven zich vooral uit over de oude akkers van Woensel, Strijp, Stratum, Tongelre en Gestel. Alhoewel deze ontwikkelingen veel van het vroegere landelijke karakter van het gebied hebben uitgewist, is er zeker nog het nodige in het buitengebied en stedelijk gebied te herkennen dat voortkomt uit de oude structuur van het platteland, het vroegere agrarisch cultuurlandschap. Het kan daarbij gaan om grotere structuren, zoals groene gebieden, maar ook om kleine verwijzingen als het verloop van een rooilijn, een oude boom of bomenrij of een wegtracé.

De mate waarin dit historisch landschap nog herkenbaar is, hangt mede af van de stedenbouwkundige ontwikkelingswijze van de stad. Met name in de wederopbouwperiode is veel van het bestaande landschap als een tabula rasa overschreven, terwijl vóór de Tweede Wereldoorlog er (noodgedwongen) en na 1975/1980 er resp. meer werd aangesloten en meer aandacht bestond voor de vroegere situatie. Zelfs wanneer een gebied door stedelijke ontwikkeling sterk gewijzigd is, zijn er nog verwijzingen naar het vroegere agrarisch cultuurlandschap te vinden

Algemene karakteristiek

Het gebied Acht behoort vanouds tot Woensel. Met de annexatie van de gemeente Woensel in 1920 kwam ook het gebied Acht in de gemeente Eindhoven te liggen. Het cultuurlandschap van Woensel was in belangrijke mate georiënteerd op het Dommeldal, dat van noordnoordoost naar zuidzuidwest verloopt. Parallel aan het beekdal lag een langgerekte dekzandrug, die verder zuidelijk doorliep in het dorpsgebied van Strijp. Daarnaast behoorde ook het gebied rond Acht, ontstaan langs de Groote Beek die verder noordelijk in het Dommelsysteem mondde, vanouds tot het dorpsgebied van Woensel. Acht ligt, vanaf de Dommel bekeken, feitelijk 'tweede rang'. Zowel de langgerekte dekzandrug van Acht als die van Woensel liep in de gemeente Son en Breugel door. Vanaf Woensel bezien lag Acht aan de andere zijde van de Woenselse Heide. Het landschap was hier veel kleinschaliger dan in Woensel. Rond het dorp Acht zelf lagen, evenals bij de nederzettingen van Woensel, veel kleine, door opgaand groen omgeven percelen. Het betreft hier de zone ten noorden en ten zuiden van de nederzetting. Heel karakteristiek voor Acht zijn de meer naar het zuidwesten gelegen kleinschalige vroege heideontginningen, die dikwijls enige vorm van regelmatigheid laten zien. Ook op later moment werd heide ontgonnen, deels ook in bos omgezet. Op de volgende kaart zijn diverse oorspronkelijke landschapstypen rondom de nederzetting Acht weergegeven:

verplicht

Gecombineerde kenmerkenkaart stedelijk en landelijk gebied. RAAP-rapport 'Het landschap onder de stad.'

Waardevolle historische gebieden

In de afgelopen eeuw zijn de diverse landschapstypen rondom Acht bebouwd met woningen en bedrijventerreinen. Het gehele plangebied kent voor het grootste deel een 'middel' herkenbaarheid. De diverse latere inpassingen hebben de hoofdstructuur van het landschap gedeeltelijk in stand gelaten. Enkele plekken kennen een hoge herkenbaarheid. Het betreft hier de oude nederzettingstructuur van Acht in de vorm van de prestedelijke dorpskern van Acht rondom de St. Antonius Abtkerk en het aangrenzende dorpslint, de huidige Rijn- en Waalstraat. Verder zijn van hoge waarde een meer naar het zuidoosten tussen Jo Goudkuillaan en Boschdijk is een prestedelijk bosperceel gelegen, een bewaard gebleven oud bosje bij de Verzetsheldenlaan en een bewaard gebleven prestedelijk erf aan de Cor Gehrelslaan.

verplicht

Kaart herkenbaarheid prestedelijk landschap. RAAP-rapport 'Het landschap onder de stad'

Waardevolle historische elementen

In het plangebied komen diverse waardevolle historische elementen. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de elementen die als 'hoog' of 'zeer hoog' zijn gewaardeerd van belang. Het betreft de volgende zaken:

- verspreid over het plangebied bevinden zich diverse hoog gewaardeerde paden en wegen, deels van voor 1832/1850 en deels daterend uit 1832-1950. Deze structuren zijn van hoge waarde omdat het profiel ongewijzigd of slechts licht verbreed is en omdat flankerende groenstructuren (licht gewijzigd) nog aanwezig zijn of omdat deze, overeenkomstig de historische situatie, niet aanwezig waren en dat nu nog steeds niet zijn;

- verspreid over het plangebied bevinden zich diverse hoog en zeer hoog gewaardeerde bomenrijen. Ze zijn van waarde vanwege de 'landschappelijke hiërarchie' van de beplanting, d.w.z. in hoeverre de betreffende rij nog een al dan niet verdwenen pre-stedelijk element (beekdal, heide-, broek- of kampontginning, landgoed, begraafplaats, kanaal of hoofdweg) benadrukt en vanwege de aanwezigheid/herkenbaarheid van een lijnstructuur van beeldbepalende/monumentale bomen of onderdeel van een groter geheel;

- Op diverse plekken langs en nabij het Rien van Bruggenpad zijn nog herkenbare rabattenbosjes opgenomen als hoog gewaardeerd reliëfelement. De nog altijd goede herkenbaarheid van de rabattenstructuur als de overwegend hoge ouderdom (voor 1843) bepalen de hoge waarde van deze elementen

- Nabij de kruising Cor Gehrelslaan, Volkerak en Achtste Loop is een waardevol infrastructuur element geduid: het betreft hier een voormalige 'plaetse' (driehoekig agrarisch gebruiksgebied). De huidige weg (profiel en aanwezige beplanting) markeert nog altijd deze historisch waardevolle plek.

De hoog gewaardeerde (oranje) en zeer hoog gewaardeerde (rood) elementen zijn op de volgende kaart weergegeven:

verplicht

Waarderingskaart landschapselementen prestedelijk landschap. RAAP-rapport 'Het landschap onder de stad'

Zoals in de inleiding van deze paragraaf aangegeven valt een klein deel, namelijk een klein gebied in de zuidelijke hoek, onder het historisch-landschappelijk onderzoek van het buitengebied. Op de kaartweergave hieronder is te zien dat een aanzienlijk deel ervan als hoog gewaardeerd is. Dit omdat het een gave rand van in cultuurland omgezette heidebebossing betreft.

verplicht

Waarderingskaart landschapstypen. RAAP-rapport 'De groene zoom van Eindhoven'

In dit gebied zijn nog enkele elementen met een hoge waarde gelegen, namelijk het pad direct ten zuiden van de huidige buurt 'Kerkdorp Acht', als de bomenrij aan de zuidzijde ervan. De waarde is gelegen in de ouderdom van het pad (voor 1832), het ongewijzigde profiel ervan en de aanwezigheid van het begeleidende opgaand groen.

verplicht

Waarderingskaart landschapselementen. RAAP-rapport 'De groene zoom van Eindhoven'

Regeling in het bestemmingsplan

Om de aanwezige cultuurhistorisch landschappelijk waardevolle gebieden en elementen te beschermen is er in het bestemmingsplan voor een groot deel van deze gebieden en elementen een dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 2' opgenomen. Deze dubbelbestemming geldt voor de gebieden die een hoge herkenbaarheid of een hoge of zeer hoge waarde hebben en voor de elementen die een hoge of zeer hoge waarde hebben. Naast wat in de hoofdbestemming is geregeld zijn hier ook regels met betrekking tot cultuurhistorie van toepassing.

De betreffende landschapselementen die binnen een gebied met dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 2' liggen, vallen onder die dubbelbestemming. De elementen die niet binnen een gebied met dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 2' liggen, zijn apart op de verbeelding opgenomen met een dubbelbestemming.

Voor de gebieden met een middel herkenbaarheid die hierboven zijn vermeld is geen dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie – 2 opgenomen. Binnen deze gebieden worden de historisch landschappelijke waarden geborgd met de hoofdbestemmingen. Daarnaast geldt voor een aantal van deze gebieden al een dubbelbestemming 'Waarde – Cultuurhistorie - 1'. Dit geeft voldoende borging van de historisch landschappelijke waarden binnen deze gebieden. Voor de landschapselementen met hoge of zeer hoge waarde die binnen deze gebieden met middel herkenbaarheid liggen geldt uiteraard de dubbelbestemming 'Waarde – Cultuurhistorie – 2' wel.

Historische wegstructuren voor 1900 en historisch stedenbouwkundig gebied 'Kerkdorp Acht'

Het plangebied kent een aantal wegen die zijn aangeduid als historische wegstructuur voor 1900. Het betreft de tracés Rijnstraat-Waalstraat, Maasstraat-Merwedestraat, Cor Gehrelslaan en het Rien van Bruggenpad. Bovendien geldt langs verschillende structuren ook de aanduiding 'aan de weg gerelateerde bebouwing'. De historische dorpskern van Acht (rondom de Antonius Abtkerk) is op de waardenkaart aangeduid als historische stedenbouwkundige gebied. De hiervoor genoemde structuren komen aan bod in de cultuurhistorische analyse van de radialen (zie bijlage 7). Daarnaast is ook een deel van de Boschdijk (historisch wegstructuur voor 1900) in het plangebied gelegen.

Het oorspronkelijke dorpse karakter van Acht is aan de Rijnstraat, Waalstraat (deze straten maakten deel uit van een oude doorgaande weg naar Mispelhoef) en rond de kerk gaaf bewaard gebleven door de open ruimtelijke structuur met een verspringende rooilijn en de overwegend vrijstaande panden, die in korrelgrootte en afgezien van een enkele uitzondering ook in bouwtrant goed bij elkaar passen. De Antonius Abtkerk (IJsselstraat 4, gemeentelijk monument) markeert het centrum van Acht en vormt het middelpunt van een ensemble van pastorie, dorpshuis (een voormalig schoolgebouw) en enkele oudere panden. Dit gebied vormt de kern van het kerkdorp Acht, een nederzetting van voor 1850 die onderdeel vormde van Woensel. Dit deel is in zijn ruimtelijke opzet, met de afwisseling van kleinschalige verspreide bebouwing en open, groene plekken, nog zeer kenmerkend voor een oude dorpsstructuur. Het karakter van een dorpskern wordt versterkt door het plantsoen met kiosk.

Daarnaast is een deel van de westelijke zijde van de Boschdijk in het plangebied gelegen. De Boschdijk was onderdeel van de in 1818 voltooide straatweg van 's-Hertogenbosch naar Luik. De stedelijke ontwikkeling na 1900 is nog goed afleesbaar ter plaatse van Boschdijk 981-999 en 1035-1081. De bebouwing is hier aan de historische radiaal gerelateerd en kenmerkt zich door een verspringende rooilijn, de vrijstraande ligging van de panden, afwisselende korrelgrootte en een met elkaar samenhangende en op de historische radiaal aansluitende bouwtrant.

De aanwezige karakteristieken worden ter plaatse van de dorpskern van Acht en de bebouwing langs beide zijden van de Rijnstraat, Waalstraat en westzijde van de Boschdijk geborgd doordat de dubbelbestemming Waarde-cultuurhistorie - 1 is opgenomen. De tracés van de Boschdijk, Rijnstraat, Waalstraat, Maasstraat, Merwedestraat, Cor Gehrelslaan en het Rien van Bruggenpad zijn afdoende geborgd met de hoofdbestemming verkeer.

Langs deze historische wegstructuren bevindt zich een aantal gebouwen dat cultuurhistorisch van waarde is vanwege de maat en positionering, maar ook in de vormgeving, architectuur en gaafheid onderscheidt dit aantal zich en versterkt ze de waardevolle structuren. Het gaat om de volgende panden/objecten:

Cor Gehrelslaan 7

Rijnstraat 1-17 (m.u.v. Rijnstraat 1a en 1b)

Rijnstraat 33

Rijnstraat 42-44

Rijnstraat 74-76

Waalstraat 29b

Waalstraat 122-124

In het historisch stedenbouwkundig gebied 'Acht' bevindt zich een aantal panden dat naast de hiervoor genoemde redenen ook vanwege haar ensemblewaarden van waarde zijn:

IJsselstraat 1

IJsselstraat 2

IJsselstraat 6

Lekstraat 4

Amstelstraat 4

Scheldestraat 2

Scheldestraat 4-6

Scheldestraat 7

Scheldestraat 8-10

Bovenstaande objecten hebben een aanduiding 'karakteristiek' gekregen op de verbeelding. Aan deze aanduiding is een sloopvergunningsstelsel gekoppeld.

Monumenten

In het plangebied komen de volgende beschermde monumenten voor:

AdresFunctie Type monument

Jo Goudkuillaan 11 Boerderij De Luytervelde Gemeentelijk monument

Jo Goudkuillaan (bij) 11 Boomgaard De Luytervelde Gemeentelijk monument

Rijnstraat 20 Boerderij Gemeentelijk monument

IJsselstraat 4 Sint Antonius Abtkerk Gemeentelijk monument

Beschrijvingen monumenten

Jo Goudkuillaan 11 is een langgevelboerderij 'De Luytervelde' uit de laatste fase van de traditionele boerderijbouw. Het zadeldak is aan de voorzijde met oud-Hollandse pannen gedekt, aan de achterzijde met leien. De inrijpoorten zijn getoogd. Het woongedeelte is voorzien van vensters met zesruits schuiframen en luiken. De boerderij werd in 1906 aan linker- en rechterzijde uitgebreid. De fraaie hoogstamboomgaard, de tuin en de oprijlaan vallen eveneens onder bescherming. Het geheel is cultuurhistorisch waardevol als voorbeeld van de ontwikkeling van het langgeveltype en als herinnering aan het agrarisch verleden van Woensel. Jo Goudkuillaan (bij) 11 betreft de fraaie hoogstamboomgaard, tuin en oprijlaan bij 'De Luytervelde'.

Rijnstraat 20 is een langgevelboerderij onder zadeldak, gedekt met verbeterde Hollandse pannen. Onder de overstekende dakgoot is een muizentand gemetseld. Links bevindt zich het woongedeelte met een gepleisterde plint. De voordeur in het midden is voorzien van bovenlicht. De ramen aan weerszijden zijn samengesteld. Bij de onderlichten zijn luiken aangebracht. De gevelsteen naast de voordeur geeft het bouwjaar 1898 weer. De deeldeur van het stalgedeelte is vervangen door een klein poortje. De stalramen aan weerszijden hiervan zijn getoogd en hebben metalen kozijnen met een kleine roedenverdeling. Een grote kardeur loopt over de gehele hoogte van de gevel. De nog oorspronkelijke indeling bestaat uit een woongedeelte aan de voorzijde met de gang in het midden, aan de achterzijde een grote woonkeuken en kelder met opkamer. Op de vloer van de keuken en gang bevinden zich "stertegels”, cementtegels met een polychroom stervormig motief. De boerderij is cultuurhistorisch waardevol vanwege het bouwtype en als uiting van de vroegere agrarische leefen werkwijze. De boerderij is representatief voor het vroegere karakter van Acht.

IJsselstraat 4 is de kerk van St. Antonius Abt. Deze werd gebouwd in neogotische stijl ter vervanging van een 16e eeuwse Onze Lieve Vrouwe kapel. Architect was L.C. Hezemans, restauratie-architect van de St.Jan te Den Bosch. In 1928 werd de kerk door H. van Doremalen en vervolgens in 1951 en 1960 door C.G. Geenen uitgebreid. De kerk heeft een met leien gedekt zadeldak op het middenschip, op de twee zijbeuken en het transept. Een vijfzijdig gesloten koor is geplaatst tegen een overigens rechte achtergevel. Op de vierkante toren staat een achthoekige ingesnoerde naaldspits. Het schip, de toren en de zijbeuken zijn van steunberen voorzien met een natuurstenen element erbovenop. Rechts is in de hoek tussen toren en middenschip een doopkapel geplaatst met een driezijdige gevel onder een omlopend schilddak. In het interieur wordt het middenschip overspannen door grote kruisgewelven. De scheibogen tussen middenschip en zijbeuk lopen uit op ronde pijlers. Hierboven is telkens tegen een pilaster aan een heiligenbeeld geplaatst. Het Heilig Hart beeld voor de kerk is uit 1926 en van de hand van J.Custers. De kerk is gaaf bewaard gebleven en cultuurhistorisch waardevol als markering van de dorpskern van Acht.

Bescherming van de monumentenstatus geschiedt middels de Erfgoedverordening 2010 en de Wabo.

3.7 Verkeer en parkeren     

De mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen voor het gebied Kerkdorp Acht beschreven.

Autoverkeer

De wegencategorisering is in 2017 geactualiseerd. Er is een nieuwe tussencategorie opgenomen ten opzichte van de vorige wegencategorisering: de zogenaamde 'wijk- en buurtontsluitingsweg'.

De A2/N2 en de A58 (beide buiten het plangebied) zijn aangeduid als stroomwegen. De Anthony Fokkerweg en de Boschdijk zijn aangeduid als gebiedsontsluitingsweg en de Rijnstraat/Cor Gehrelslaan zijn aangeduid als wijk- en buurtontsluiting. De overige wegen zijn erfoegangswegen. De wijk is voor autoverkeer goed bereikbaar. De Anthony Fokkerweg heeft een directe aansluiting op de N2.

 verplicht verplicht

Kaart Regio en Randweg: automobilist

Fietsverkeer

De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In de mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg', geactualiseerd in de Agenda Fiets 2016-2025!, is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat uit drie soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid en afnemend kwaliteitsniveau; snelfietsroutes, primaire fietsroutes en secundaire fietsroutes. Deze fietsroutes zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

De Boschdijk is aangeduid als snelfietsroute (Best - Geldrop). De snelfietsroutes zijn van het hoogste kwaliteitsniveau. Op een snelfietsroute moet een fietser in principe non-stop, comfortabel en veilig kunnen fietsen. Het zijn brede, vrijliggende asfaltfietspaden met goede verlichting en in principe voorrang op kruisend verkeer.

De Anthony Fokkerweg en de Rijnstraat/Waalstraat zijn aangeduid als primaire fietsroute. De primaire fietsroutes zijn ook van een hoog kwaliteitsniveau. De kenmerken komen overeen met die van snelfietsroutes, maar het ambitieniveau om deze kenmerken te realiseren is iets lager.

Binnen de wijk zijn enkele routes aangeduid als secundaire fietsroute. Secundaire fietsroutes hebben geen specifieke inrichtingseisen, maar worden wel gekenmerkt door een of andere vorm van fietsvoorzieningen. Dat kunnen vrijliggende of aanliggende fietspaden zijn, maar ook fietsstroken of fietssuggestiestroken.

verplicht verplicht

Kaart Regio en Randweg: fietser



Openbaar vervoer

Eindhoven op Weg gaat uit van drie netwerken voor het openbaar vervoer: spoor, een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen. De spoorverbinding met stations en de HOV zijn ruimtelijk structurerend.

Aan de westzijde van het plangebied loopt het spoor. Ter plaatse van GDC/Kerkdorp Acht is een nieuw station voorzien met Park & Ride. De Anthony Fokkerweg is opgenomen als HOV netwerk met een halteplaats.

De mobiliteitsvisie is inmiddels enigszins verouderd. Er wordt gewerkt aan HOV3: Station - Woensel - GDC - Airport. Het voorgenomen tracé voor HOV3 is voorzien over de Anthony Fokkerweg, via De Schakel, Mispelhoefstraat naar Luchthaven Eindhoven. De status van Station Acht / Multimodale Knoop is onzeker. Op lange termijn nog in beeld afhankelijk van het ontwikkelpad dat Eindhoven (en de regio) kiest voor haar ruimtelijke opgave.

Het plangebied wordt op dit moment (begin 2021) met de lijnen 8 (Eindhoven Centraal-Acht, door de wijk) en 9 (Boschdijk) bediend. Over de Anthony Fokkerweg loopt ook buslijn 400 richting Airport. Deze heeft echter geen halte in het plangebied.



verplicht  verplicht

Kaart Regio en Randweg: (H)OV reiziger



Autoparkeren

De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een plan eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld. Hierin zijn normen vastgelegd voor parkeren. Deze nota is inmiddels geactualiseerd door de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019.



De Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 is vanaf 4 oktober 2019 van kracht en past in de ontwikkeling naar een groenere, bereikbare en duurzame stad. We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave in Eindhoven en tegelijk moeten we het centrum van Eindhoven goed bereikbaar houden. Er is straks minder plaats voor autoverkeer en parkeren in en om het autoluwe centrum. Daarom streven we nu naar het aanleggen van zo min mogelijk nieuwe parkeerplaatsen en we zetten zoveel mogelijk in op duurzame alternatieve vervoerswijzen: lopen, fietsen en openbaar vervoer.

In de nota is dat uitgewerkt in de zogenaamde verplichte "HOV-reductie" (minder parkeerplaatsen bij stations en Hoogwaardig openbaar vervoer-haltes) en het stimuleren van gebruik van deelauto's voor bewoners. Als tweede aanpassing willen we de bestaande (privé) parkeercapaciteit beter en efficiënter gaan benutten ten opzichte van realisatie van parkeerplaatsen op eigen terrein. De derde belangrijke aanpassing is dat ontwikkelaars een bijdrage in het mobiliteitsfonds moeten storten, bij gebruik van reeds aanwezige openbare parkeerplaatsen. Met dat geld willen we onder andere de opbouw van een stadsbreed deelmobiliteit netwerk op weg helpen. In de Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 hebben we eveneens de fietsparkeernormen geactualiseerd en gaan daar uitgebreider op toetsen en handhaven.



Verder is van belang dat elk bestaand adres of een nieuw adres waar een omgevingsvergunning is afgegeven na 2016 in het POET-overzicht (parkeren op eigen terrein) komt. Adressen uit dit overzicht kunnen geen (nieuwe) parkeervergunning aanvragen en hebben geen recht op een bezoekersregeling binnen betaald parkeergebieden. Bestaande parkeervergunningen worden niet meer verlengd. Dat gaan we in een vroeg stadium communiceren met de nieuwe bewoners.

3.8 Groen     

3.8.1 Groenbeleidsplan     

Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport.

Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan.

Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.

In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

verplicht

Figuur: Ruimtelijke Strategieënkaart

Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 grotendeels aangeduid als 'Stad, rood beeldbepalend'. Delen langs de randen van de wijk zijn aangeduid als 'Structureel stadsgroen', 'Multifunctioneel groen' en 'Natuur en landschap'. In deze gebieden worden als ordeningsprincipe de volgende strategie(en) aangehouden:

Strategie 1: Stad, rood beeldbepalend

In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal.

Strategie 4: Structureel stadsgroen

Deze gebieden zijn bedoeld voor groene dooradering van de stad, voor intensieve recreatie en ontspanning (parken), natuur en waterberging. Het beleid is gericht op het versterken van de functionaliteit van deze gebieden en het verbinden tot robuuste structuren. Toevoeging van niet-groene voorzieningen is slechts mogelijk als sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, als er geen alternatieven voorhanden zijn, als door een 'groen-inclusief ontwerp' de groene kwaliteit tenminste wordt gehandhaafd en als compensatie plaatsvindt van de per saldo verloren deel van de groenstructuur.

Strategie 5: Multifunctioneel groen

Het betreft voornamelijk aan de stadsrand gelegen gebieden met uiteenlopende groenfuncties, gericht op relatief intensieve benutting van het landschap. Het beleid is gericht op het versterken van het contact tussen de stedelingen en het landschap, derhalve met een relatief intensieve benutting van het landschap. Uitgangspunt daarbij is het behouden van de aanwezige natuur- en landschapskwaliteiten en waar mogelijk deze verder te ontwikkelen. Gebruiksfuncties zijn veelal volkstuinen, golfbanen, bos, natuureducatie, kleinschalige sportgebieden, maneges, wandelen, fietsen, maar ook landbouw.

Gebieden met deze aanduiding liggen voor een belangrijk deel in het Natuur Netwerk Brabant. Verdere verstedelijking (toevoeging van niet aan het groen gebonden functies of gebouwen) is in deze categorie derhalve niet aan de orde tenzij in geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen waarvoor alternatieven ontbreken en met toepassing van compensatie. De aanleg van nieuwe sportcomplexen wordt uitgesloten (wel eventueel verplaatsing van sportterreinen naar minder kwetsbare locaties). Uitbreiding van sportcomplexen kan echter niet worden uitgesloten. Versterking van multifunctioneel groen als element van de ruimtelijke hoofdstructuur is in het bijzonder gewenst langs de Oirschotsedijk (verbinding met groengebied Groene Woud).

Strategie 6: Natuur en landschap

In deze gebieden staat het beoogde ongestoorde verloop van ecologische processen en de natuurontwikkeling voorop. Het beleid is erop gericht het contrast tussen stad en landschap te benutten door hierbij zoveel mogelijk scheiding van functies na te streven en deze gebieden te reserveren voor laagdynamisch grondgebruik: rustgebieden, behoud en ontwikkeling van natuur, landschappelijke samenhang en identiteit.

De gebieden omvatten het door het rijk en de provincie ontwikkelde Natuur Netwerk Nederland en een nadere detaillering van de door het provincie aangegeven Natuur Netwerk Brabant, ecologische verbindingszones en delen van de regionale natuurontwikkelingsgebieden. Behoud en ontwikkeling van natuur en landschap zijn in deze gebieden de primaire activiteiten, gecombineerd met extensief recreatief medegebruik (natuurbeleving).

Bestaande voorzieningen of gebouwen worden gedoogd, maar zullen voor zover ze niet ten dienste staan van het behoud of de ontwikkeling van natuur en landschap worden verwijderd na functiebeëindiging. Verstedelijking of andere ingrepen (infrastructuur) zijn in deze categorie niet aan de orde tenzij in zwaarwegende maatschappelijke belangen waarvoor alternatieven ontbreken en met toepassing van compensatie.

Beleidsregel groencompensatie

Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen.

3.8.2 Beleid Bomen     

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld en de verordening met bijbehorende regels is op 23 april 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op:

- bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen;

- alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are;

- bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat.

Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing.

Verordening Bomen 2021

In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen.

Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als:

  • bomen vanaf 45 cm stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m2;
  • een houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam;
  • een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college.
  • voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig.

Groene kaart

  • Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven:
  • Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur);
  • Groenarme gebieden;
  • Centrumgebied;
  • Bebouwde komgrens Wet natuurbescherming;
  • (Particuliere) percelen groter dan 250 m2.

De informatie op de groene kaart is nodig om:

  • Te duiden waar de waardevolle bomen staan;
  • Te duiden waar de monumentale bomen staan;
  • Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens wet natuurbescherming;
  • Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden.

Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.

Compensatieplicht bomen

Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald.

Nadere regels voor compensatie

De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie. Deze zijn op 21 april 2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels voor compensatie'.

Het plangebied

Wanneer in het plangebied sprake is van activiteiten met betrekking tot kappen en compensatie van bomen, is de bescherming van bomen niet geregeld in het bestemmingsplan. De bomenverordening 2021 is in die gevallen van toepassing. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Nader onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk.

3.9 Maatschappelijke voorzieningen     

Tot de maatschappelijke functies worden gerekend educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, wooneenheden voor beschermd en/of verzorgd wonen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening alsmede begraafplaatsen. In het plangebied zijn meerdere maatschappelijke voorzieningen aanwezig. Rondom de prestedelijke dorpskern van Acht zijn een aantal maatschappelijke voorzieningen gelegen:

  • De St. Antonius Abtkerk (IJsselstraat 4) met achterliggende begraafplaats;
  • Dorpshuis Acht (Lekstraat 4);
  • Basisschool St. Antonius Abt (Maasstraat 105);
  • Kinderdagverblijf, peuterspeelzaal en buitenschoolse opvang Dikkie & Dik (Waalstraat 2);
  • Woonzorgcentrum 'Zorggroep Sint Maarten-Antonius (Amstelstraat 112).

Deze maatschappelijke voorzieningen hebben de bestemming 'Maatschappelijk' gekregen in dit bestemmingsplan. De begraafplaats is voorzien van een aanduiding.

3.10 Sport en recreatie     

Aan de noordoostzijde van het plangebied, grenzend aan de Boschdijk is de Voetbalvereniging Acht gevestigd. Deze buitensportaccommodatie heeft de bestemming 'Sport' gekregen in dit bestemmingsplan.

Binnen het plangebied zijn geen accommodaties voor de beoefening van binnensporten. Het ecopark aan de westzijde van het plangebied grenzend aan het spoor is geschikt voor extensieve recreatie. Het Ecopark heeft de bestemming 'Natuur' gekregen.

Ten zuiden van de voetbalvereniging zijn volkstuinen gelegen. Deze volkstuinen hebben de bestemming 'Recreatie - Volkstuinen' gekregen in dit bestemmingsplan.

3.11 Detailhandel     

Leegstaande winkelpanden en borden met ‘opheffingsuitverkoop’ en ‘leegverkoop’ sieren de Nederlandse winkelstraten. Door onder meer de economische crisis en de toenemende invloed van internetverkopen heeft de retail-sector het erg moeilijk. Tegelijkertijd bieden de veranderingen in de sector ook nieuwe uitdagingen en mogelijkheden voor innovatieve concepten. Duidelijk is in ieder geval dat regionale afstemming steeds meer noodzakelijk wordt. Bovendien vraagt de provincie in de Verordening Ruimte om regionale afstemming en zijn regionale afspraken van belang voor de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Naar aanleiding hiervan heeft de Metropoolregio Eindhoven een detailhandelsvisie opgesteld. Hierin zijn de verschillende trends en ontwikkelingen en de gevolgen daarvan beschreven. Vervolgens is er een visie opgesteld, op basis waarvan concrete afspraken geformuleerd zijn. In de subregio’s is vervolgens gewerkt aan subregionale detailhandelsvisies. Deze visies bieden een kader, maar vragen wel nog om lokale verankering. Dat is gebeurd in de gemeentelijke Detailhandelsnota. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verschillende visies. De gemeenteraad heeft op 15 december 2015 ingestemd met de regionale en subregionale visies. In diezelfde raadsvergadering is ook de gemeentelijke detailhandelsnota vastgesteld. Deze is op 2 november 2016 gepubliceerd.

3.11.1 Regionale detailhandelsvisie Metropoolregio Eindhoven     

De detailhandelswereld is de laatste jaren sterk veranderd. Er zijn een aantal belangrijke trends en ontwikkelingen die daaraan ten grondslag liggen: de economische crisis, toename internetdetailhandel, vergrijzing, huishoudenssamenstelling, veranderend consumentengedrag, het verdwijnen van supermarkten en andere voorzieningen (zoals banken, bibliotheken etc.) in centra en branchevervaging. Deze trends en ontwikkelingen hebben grote gevolgen voor het winkellandschap.

Goed voorzieningenniveau

Het doel van de regionale detaihandelsvisie is om een goed voorzieningenniveau voor de inwoners van de regio te creëren. De detailhandelsstructuur in de regio is opgebouwd uit verschillende lagen. Het centrum van Eindhoven en Ekkersrijt vormen de top van de piramide. Beiden hebben een bovenregionaal verzorgingsgebied. De tweede laag van de piramide bestaat uit regionaal en bovenlokaal verzorgende centra. Deze centra hebben een belangrijke functie in de subregio of voor de omliggende gemeenten. Daarna volgen de grote en kleine kernverzorgende centra, de belangrijkste winkelcentra in de kernen met een lokaal verzorgingsgebied. De onderste laag van de piramide zijn de wijk- en buurtcentra (inclusief kerkdorpen). Naast alle centra zijn er in de regio diverse PDV-locaties. Op Ekkersrijt en de Engelseweg na hebben deze locaties veelal een lokaal verzorgingsgebied.

verplicht

Detailhandelsstructuur Metropoolregio Eindhoven

Specifieke thema's

Op drie regionale thema’s is specifiek ingezoomd. Het gaat om supermarkten, internetdetailhandel en marketing. Supermarkten zelf hebben de voorkeur voor een vestigingsplaats aan de rand van een centrum of net buiten het centrum. Echter, een gevarieerd aanbod in een centrum is van groot belang voor de levensvatbaarheid van het centrum. Daarom is het essentieel om supermarkten zoveel mogelijk in centra te vestigen of te behouden. Daarbij is het wel van belang dat de overheid de supermarkten zo goed mogelijk faciliteert (bijvoorbeeld bij parkeren, goede bereikbaarheid of een slimme oplossing voor een uitbreidingsvraag).

Internetdetailhandel kent allerlei (verschijnings)vormen met verschillende ruimtelijke consequenties. In de visie wordt ingegaan op deze vormen en aangegeven waar deze het beste gevestigd kunnen worden (zie de regionale afspraken die hieronder zijn beschreven).

Tot slot het thema marketing. Gemeenten moeten niet allemaal hetzelfde willen zijn, maar een statement maken en dat ook met trots uitdragen. Vervolgens is het goed om evenementen en activiteiten aan te bieden die passen bij het profiel en het ook kunnen versterken.

Regionale afspraken

Op basis van de trends en ontwikkelingen en de visie, zijn in de detailhandelsvisie regionale afspraken geformuleerd. In de subregionale detailhandelsvisies worden deze afspraken nader uitgewerkt.

  • Detailhandel wordt geconcentreerd in bestaande winkelgebieden (ruimtelijke concentratie) om zo de hoofdstructuur te behouden en te versterken;
  • Nieuwe detailhandelsontwikkelingen moeten passen bij het verzorgingsgebied en aantoonbaar kwaliteit toevoegen en de structuur versterken;
  • Nieuwe detailhandelsontwikkelingen vinden in principe alleen plaats in de concentratiegebieden of op plekken waar dat voor de leefbaarheid noodzakelijk is;
  • Supermarkten worden gerealiseerd in of aan de rand van bestaande winkelgebieden;
  • Solitaire supermarkten op bedrijventerreinen of perifere detailhandelslocaties zijn niet toegestaan;
  • Perifere detailhandel (PDV) met een bovenlokale impact wordt geclusterd op bestaande locaties. Er worden in principe geen nieuwe PDV-locaties met een bovenlokale functie toegevoegd;
  • Er komt geen Retail Park of mega mall in de regio;
  • Internetwinkels zonder fysieke bezoekmogelijkheid voor de consument zijn toegestaan op bedrijventerreinen (passen in reguliere bestemming);
  • Zuivere afhaalpunten (pick-up points) worden geconcentreerd op bestaande detailhandelslocaties of op een kruispunt van passanten;
  • Internetwinkels met een fysieke bezoekmogelijkheid en een showroom worden gezien als reguliere winkels en worden gerealiseerd op een bestaande detailhandelslocatie;
  • Ontwikkelingen met een bovenlokale impact worden subregionaal afgestemd (nader gespecificeerd in subregionale detailhandelvisies), ontwikkelingen met een regionale impact worden regionaal afgestemd.

3.11.2 Detailhandelsvisie Stedelijk Gebied Eindhoven     

In de detailhandelsvisie van de subregio Stedelijk Gebied Eindhoven wordt gestreefd naar een sterke, vitale en dynamische detailhandelsstructuur. Het beleid is gericht op het versterken van de bestaande detailhandelsstructuur. Nieuwe vestigingslocaties voor detailhandel mogen niet ten koste gaan van de bestaande (perspectiefrijke) winkelgebieden.

verplicht

Detailhandelsstructuur Stedelijk Gebied Eindhoven

Het regionaal detailhandelsbeleid streeft naar een heldere en evenwichtige voorzieningenstructuur, waarbij onderscheid en complementariteit van winkelgebieden centraal staan. Dit houdt in dat detailhandel zoveel mogelijk wordt geclusterd in winkelgebieden en verspreide bewinkeling wordt afgebouwd. Dit geldt ook voor grootschalige winkels zoals tuincentra en bouwmarkten. Indien deze ruimtelijk niet inpasbaar zijn, dan is vestiging buiten de aangewezen winkelgebieden in regionaal verband bespreekbaar. De afwegingen voor het al dan niet toestaan van nieuwvestiging van een tuincentrum of bouwmarkt is gericht op de consumentenverzorging in het verzorgingsgebied.

De hoofdwinkelgebieden hebben allemaal een eigen functie in de structuur. Aard, omvang en samenstelling van het aanbod zijn afgestemd op de verzorgingsfunctie. De binnenstad van Eindhoven moet streven naar het toevoegen van het topsegment om haar positie te verstevigen.

Perifere concentraties hebben een complementair en aanvullend aanbod ten opzichte van de centrumvoorzieningen en buurt- en wijkvoorzieningen. Verbreding van het aanbod is niet het uitgangspunt. Uitzondering hierop is de locatie Ekkersrijt. De consument verwacht in dit winkelgebied een compleet aanbod op het gebied van ‘in en om het huis’. Ekkersrijt dient uit te groeien tot één van de leidende perifere winkelconcentraties in Nederland.

De komst van een Retail Park (Mega Mall) in de regio is niet wenselijk. Een dergelijke ontwikkeling heeft een verstorend effect op de bestaande structuur en ondermijnt de ontwikkelingskansen van andere clusters.

Internetafhaalpunten voor consumenten (met of zonder showroom) kunnen bestaande winkelgebieden versterken en worden daarom zoveel mogelijk in of aansluitend aan deze gebieden gesitueerd.

Nieuwe initiatieven

Het Rijk heeft de "Ladder voor duurzame verstedelijking" in het leven geroepen om nieuwe stedelijke ontwikkelingen aan te toetsen. In de regionale detailhandelsvisie is ook een soort 'ladder' opgenomen voor nieuwe initiatieven. Aan nieuwe winkelontwikkelingen wordt in principe meegewerkt als:

  1. de initiatiefnemer kan aantonen dat het initiatief een meerwaarde heeft voor de lokale en/of regionale detailhandelsstructuur.
  2. aangetoond kan worden dat het initiatief resulteert in een versterking van de bestaande detailhandelslocaties. Wanneer dit niet het geval is, dient nadrukkelijk beargumenteerd te worden of er sprake is van meerwaarde en waarom het initiatief niet in- of aangrenzend aan een bestaand winkelgebied kan worden gefaciliteerd. De argumenten dienen van ruimtelijke aard te zijn, bijvoorbeeld grootschaligheid/ ruimtelijke inpassing, bereikbaarheid en parkeren en bevoorrading.
  3. aangetoond kan worden dat het initiatief geen (blijvende) negatieve effecten heeft op de bestaande detailhandelsstructuur en/of in het beleid aangegeven ontwikkeling daarvan.

Wanneer er op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau ingestemd wordt met een initiatief, dient het initiatief onderbouwd te worden op basis van ruimtelijke ordening relevante criteria (in de ruimtelijke onderbouwing). De ladder en de criteria zijn in regionale detailhandelsvisie uitgebreid beschreven.

3.11.3 Detailhandelsnota gemeente Eindhoven     

Op 15 december 2015 is de Eindhovense detailhandelsnota “Wie kiest, wordt gekozen” vastgesteld. Zoals hiervoor beschreven heeft de detailhandelssector te maken met veel veranderingen. De veranderingen raken de consument, de ondernemer en de vastgoedeigenaar. Het is zaak om uit deze veranderingen een positieve impuls te halen. De veranderende markt zorgt immers ook voor nieuwe kansen die goede winkelgebieden verder kunnen versterken. Zeker voor een stad als Eindhoven is het belangrijk om gewenste initiatieven een plek te geven binnen de structuur. In de detailhandelsnota worden duidelijke keuzes gemaakt over waar welke vormen van detailhandel zijn toegestaan en waar niet. In de nota wordt eerst ingegaan op verschillende onderdelen. Vervolgens wordt per stadsdeel de positie en het perspectief van alle winkelcentra beschreven.

Beleid op onderdelen

Op onderdelen is de detailhandel aan grote veranderingen onderhevig. De volgende onderdelen zijn nadrukkelijk opnieuw tegen het licht gehouden:

Megasupermarkten Vanwege de mogelijke effecten van Megasupermarkten op de voorzieningenstructuur, met name op de winkelcentra die een belangrijke functie op het gebied van boodschappen doen hebben, wordt de solitaire vestiging van megasupermarkten niet toegestaan. Evenmin als de vestiging van dergelijke supermarkten op perifere detailhandelslocaties. Vestiging van een nieuwe megasupermarkt op een nieuwe locatie heeft met name gevolgen op buurt- en wijkniveau. Juist vanwege het feit dat deze buurt- en wijkstructuur zo zorgvuldig is opgebouwd en de inwoners beschikken over een supermarkt in de directe woonomgeving, is het behoud en de versterking hiervan uitgangspunt. In alle gevallen is de uiteindelijke locatie natuurlijk cruciaal voor de effecten.

Inpassing van een megasupermarkt in de bestaande reguliere winkelcentra behoort tot de mogelijkheden. Reëler lijkt de kans dat een bestaande supermarkt uitbreidt tot grootschalige supermarkt. Een dergelijk initiatief (uitbreiding tot of nieuwvestiging van een megasupermarkt) in een van de bestaande winkelcentra wordt beoordeeld op de mogelijke effecten op het perspectief van de tot de structuur behorende winkelgebieden. Slechts wanneer geen structuur verstorende effecten worden verwacht, kan worden meegewerkt aan het initiatief. Dit is in lijn met Europees (Europese Dienstenrichtlijn), landelijk en provinciaal beleid (ladder voor duurzame verstedelijking).

Internethandel Met de komst van internethandel is een nieuw type bedrijf ontstaan met bijbehorende kenmerken. We maken onderscheid tussen twee typen internethandel:

1. Internethandel zonder fysieke bezoekmogelijkheid

Bij deze vorm van internethandel is er geen contact tussen internetwinkel en klant. Alle klantencontacten met de klant en de verzending van de goederen gebeurt uitsluitend via het internet of per post. Deze vorm van internethandel wordt in ruimtelijke zin niet aangemerkt als detailhandel. Zij kunnen voorkomen als uitsluitend kantoor maar ook als bezorgdienst.

Locaties waar deze kantoorachtige internethandel zich kan vestigen zijn: bedrijventerreinen, kantoorlocaties, woonwijken (kleinschalig en mits zij geen overlast bezorgen), buitengebied en PDV-locaties. Locaties waar internet bezorgdiensten zich zouden kunnen vestigen zijn bedrijventerreinen, kantoorlocaties en PDV-locaties.

2. Internethandel met fysieke bezoekmogelijkheid

Hier kan de klant de internethandel bezoeken om de bestelde artikelen af te halen, te retourneren (de zogenaamde afhaalpunten). Daarnaast zijn er ook afhaalpunten waar ook andere zaken mogelijk zijn, zoals het presenteren, kopen, bestellen en omruilen van artikelen (de webwinkel).

Een afhaalpunt is een vorm van internethandel met fysieke bezoekmogelijkheid en rekenen we juridisch-planologisch tot detailhandel. Dat wil zeggen dat afhaalpunten in principe ingepast kunnen worden op (de vele) locaties waar reeds een detailhandelsbestemming op zit. Door deze benadering is het mogelijk om grip te houden op de verdere ontwikkeling van dit fenomeen. Zelfstandige afhaalpunten, ook wel Pick-Up- Points, kunnen alleen of geclusterd (meerdere afhaalpunten dus) gevestigd worden. Door clustering kunnen verkeersstromen beter geconcentreerd worden.

Webwinkels (waar ook artikelen gepresenteerd worden en / of waar men ook niet via internet bestelde artikelen kan kopen) beschouwen we als detailhandel. Ter voorkoming van ongewenste concurrentie op ruimtelijke aspecten zoals bereikbaarheid, parkeren of gebiedsbestemming bieden we voor deze vorm van detailhandel alleen mogelijkheden in winkelcentra en (mits passend in branchering) op PDV-locaties.

Kringloopbedrijven en –winkels Kringloopwinkels (oftewel tweedehands winkels) richten zicht op het verhandelen van nog bruikbare artikelen die via diverse kanalen worden verkregen. Daarnaast is er een bedrijfstak ontstaan die zich het best laat benoemen als kringloopbedrijven. Deze richten zich op het opruimen van boedels waarbij vervolgens, in het bedrijf, bruikbare en onbruikbare zaken van elkaar worden gescheiden en bovendien artikelen die nog bruikbaar gemaakt kunnen worden, worden opgeknapt of verwerkt tot grondstof of 'halffabricaat'. Kringloopbedrijven hebben daardoor een andere ruimtelijke impact op hun omgeving dan kringloopwinkels / tweedehands winkels.

Vanwege de koppeling van de verkoop met andere bedrijfsmatige activiteiten en het doelgerichte bezoek door consumenten, is de vestiging van kringloopbedrijven op bedrijventerreinen min of meer gemeengoed geworden. Voor kringloopbedrijven geldt dan ook dezelfde beleidslijn als voor perifere detailhandel. Kringloopbedrijven zijn op de reguliere zgn. PDV-locaties (Categorie III) toegestaan voor wat betreft hun detailhandelsactiviteiten, omdat het aanbod voor een zeer groot deel voor “in en om het huis” is. Verder kan de beleidslijn voor productiegebonden detailhandel op bedrijventerreinen een uitkomst bieden voor kringloopbedrijven.

Kringloopwinkels (winkels in tweedehands goederen zonder het totaalconcept van inzamelen en verwerken/repareren) worden als detailhandel beschouwd. Mogelijkheden voor vestiging in Eindhoven worden hiervoor dan ook alleen geboden in winkelcentra en op de zgn. PDV-locaties (Cat. III, ook vanwege het grote aandeel “in en om het huis”).

Trafficlocaties Trafficlocaties (stations, ziekenhuizen, campussen, tankstations) worden een steeds belangrijkere aankoopplaats. Detailhandel op dergelijke locaties past dan ook binnen de huidige trends en ontwikkelingen. Omvang en invulling hiervan moeten passen bij de functie van de locatie en het gebied en is ondergeschikt aan de hoofdactiviteit. De detailhandel dient dus hoofdzakelijk gericht te zijn op de reizigers / forensen of werknemers / studenten op de locatie en mag niet concurreren met de reguliere winkelgebieden. Denk hierbij aan mandjeswinkels of micromarkten (onbemande gemakswinkels met bijv. gekoelde drank en versartikelen). Het vestigen van afhaalpunten op deze locaties is mogelijk. Voor trafficlocaties geldt dat vanwege de diversiteit in verschijningsvorm elk initiatief afzonderlijk beoordeeld wordt.

Winkelleegstand Leegstand van winkelpanden heeft diverse oorzaken, bestaat al langer en is een zichtbaar gevolg van de dynamiek in het winkellandschap. Leegstand is in de visie van de gemeente Eindhoven een maatschappelijk probleem wanneer de veiligheid in het geding komt of een dermate grote invloed op de directe omgeving heeft (zie ook paragraaf over voormalige (buurt)winkelstrips) dat hierdoor de vitaliteit van centrumgebieden onder druk komt te staan. Dat is immers niet altijd het geval. Zolang dat niet het geval is, is leegstand vooral een probleem van de eigenaar van het vastgoed.

Het belang van leefbaarheid en waar mogelijk beperken van (mogelijke) leegstand is een van de uitgangspunten van de detailhandelsnota. Dat wordt gedaan door in eerste instantie scherpe keuzes te maken over waar we welke vormen van detailhandel een plek bieden en dus ook waar niet. Ook blijven we winkellocaties ruim bestemmen zodat verandering van functie eenvoudig blijft. Verder biedt de Stichting Middenstands- en Bedrijfshuisvesting (SMB) subsidie voor eigenaren of huurders die willen investeren in de uitstraling van hun pand. Een opgeknapt pand levert niet alleen meerwaarde op voor het bedrijf, maar zorgt ook voor het behoud van maatschappelijke en economische functies van de wijk waar het gevestigd is. Kortom, een positief effect voor het bedrijf en de omgeving.

Bijzondere initiatieven In de toekomst kunnen en zullen zich kansen voordoen waarbij een nieuw (on brand) initiatief (Technologie, Design of Kennis), naar aard, reikwijdte en schaal, passend bij de ambities van Brainport Eindhoven zich wil vestigen op een locatie die daarvoor niet bestemd is. Een ondergeschikte vorm van detailhandel kan hier deel van uitmaken en valt dan ook buiten de daarvoor aangewezen locaties in de detailhandelsstructuur, zoals vastgelegd in deze nota. Het voorbeeld bij uitstek is Piet Hein Eek op Strijp R. In de detailhandelsnota zijn voorwaarden opgenomen waaronder dergelijke initiatieven kunnen worden toegestaan.

Positie en perspectief per stadsdeel

In de detailhandelsnota is per stadsdeel de positie en het perspectief van alle winkelcentra beschreven. Binnen kerkdorp Acht ligt geen wijkcentrum of buurtcentrum. In de nota staat dat vanuit de verzorgingsstructuur en leefbaarheidsoogpunt is een buurtsteunpunt centraal in Acht gewenst. Hier ontbreekt momenteel een buurtsteunpunt. Hoewel het directe draagvlak in Acht beperkt is, biedt de relatief geïsoleerde ligging (vanwege Boschdijk, Anthony Fokkerweg en spoorlijn) een duidelijk marktgebied.



Onderhavig actualisatieplan richt zich op het vastleggen van de bestaande en vergunde situatie en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Detailhandel is toegestaan conform het vigerende bestemmingsplan.

3.12 Horeca     

Op 11 maart 2014 heeft de gemeenteraad het nieuwe horecabeleidsplan 'Kennis maken met een gastvrije stad' vastgesteld. De nota is op 2 november 2016 gepubliceerd. Eindhoven wil aantrekkelijk zijn om er te komen, verblijven, studeren, wonen en werken. Horeca speelt hierbij een belangrijke rol. Het horecabeleidsplan bevat een aantal speerpunten om ervoor te zorgen dat de horeca in Eindhoven kan meebewegen met de ontwikkelingen in de stad. De gemeente wil de vestiging van kwalitatief goede horecabedrijven stimuleren. Daarbij is een wederzijdse versterking van de nabije andere functies belangrijk. Om dit bewerkstelligen maakt het horecabeleidsplan onderscheid gebiedtypen en in typen horeca.

Typen horeca

Het horecabeleidsplan maakt onderscheid in twee typen horeca:

Nat & Droog

Het al dan niet schenken van alcohol is vanuit de taken van de overheid zeer bepalend. Om die reden is een eerste onderscheid naar nat en droog logisch. Indien een horecabedrijf geen alcoholische dranken verstrekt, wordt deze gerekend tot de droge horeca. Natte horeca verstrekt alcoholische dranken.

Dag, Avond & Nacht

Naast de indeling op basis van het schenken van alcoholhoudende dranken moeten we echter ook kijken naar de exploitatietijden. Op basis hiervan kan worden gekeken naar de tijden waarop een horecabedrijf invloed heeft op zijn omgeving. Ook dit heeft weer een verband met wanneer de overheid welke taak heeft. Hierin kunnen in beginsel drie typen worden onderscheiden: dag-, avond en nachthoreca. Van belang is hierbij de combinatie met nat of droog.

Regels over het schenken van alcohol en openingstijden zijn opgenomen in de drank- en horecawet en in de APV. In het bestemmingsplan worden hierover geen regels opgenomen. Wel wordt in het bestemmingsplan opgenomen welke vorm van horeca is toegestaan. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de lijst van Horeca-activiteiten (Bijlage 3).

Gebiedstypen

In het horecabeleidsplan wordt onderscheid gemaakt in drie gebiedstypen:

  1. Stimuleringsgebied: gebieden waar uitbouw van de horecasector mogelijk is.
  2. Toelatingsgebied: gebieden waar per aanvraag wordt bezien of nieuwe horeca of uitbreiding van bestaande horeca inpasbaar is. Dit is afhankelijk van onder andere infrastructuur, woonbelangen, levendigheid, leefbaarheid en milieu-aspecten.
  3. Restrictiegebied: gebieden waar (vanuit leefbaarheid) een vermindering van het aantal horecavestigingen wordt nagestreefd.

Per deelgebied of cluster wordt aangegeven welk gebiedstype van toepassing is.



Het plangebied

Het horecabeleidsplan omschrijft geen positie en perspectief per stadsdeel. Dit bestemmingsplan heeft met name betrekking op woonwijken. Deze woonwijken omvatten woongebieden, winkelcentra/-gebieden, parken, scholen, culturele instellingen en sportverenigingen.

Woongebieden

Woongebieden worden aangemerkt als restrictiegebieden. Bestaande horeca kan worden gehandhaafd en in beperkte mate worden uitgebreid, mits daarbij geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonfunctie. De bestaande horecabedrijven moeten in staat worden gesteld om aan de potentiële vraag te kunnen voldoen. Uitbreiding van het horeca-aanbod is hier echter niet gewenst. Indien een horecagelegenheid sluit wegens marktomstandigheden of wordt gesloten, is een nieuw bedrijf op deze locatie niet gewenst.

Winkelcentra/-gebieden

Winkelcentra en winkelgebieden in woonwijken worden aangemerkt als toelatingsgebieden. Met betrekking tot nieuwe horeca wordt een terughoudend beleid gevoerd. Primaire en doorslaggevende toets zal daarbij zijn of zij de woonfunctie bedreigen. Uitbreiding met nieuwe horecavestigingen zal voornamelijk gaan om locaties in of aan bestaande (buurt)winkelcentra en andere gemeenschaps- of multifunctionele centra. Horeca kan voor een zekere levendigheid zorgen, nodig voor de leefbaarheid in een wijk. Overigens geldt voor (nieuwe) woonwijken dat hier altijd ontwikkelingsmogelijkheden aanwezig moeten zijn voor buurt- en wijkgebonden horeca. Het gaat dan om horecavoorzieningen die geïntegreerd worden in een wijkwinkelcentrum, waar ook andere publieksgerichte voorzieningen aanwezig zijn.

Parken

Parken worden getypeerd als toelatingsgebied. Een (bescheiden) horeca-inrichting kan het gebruik van Eindhovense parken een meerwaarde geven. Diverse bestaande horecagelegenheden in parken en recreatieschappen (buiten Eindhoven) bewijzen dit. Horeca in parken moet zich verhouden met de omgeving. De exploitatie van een horeca-inrichting in een park mag dus wel een autonome functie hebben maar mag geen onevenredige afbreuk doen aan de gebruikswaarde van het park. Dit betekent onder meer dat zaken als bereikbaarheid, parkeren, afval, bevoorrading, geluid ed. grenzen stellen aan de mogelijkheden.

Scholen

Bij scholen (onderwijsinstellingen) gaat het om de totale omvang van de school c.q. het schoolterrein en het daarmee gemoeide draagvlak voor horeca. Het is niet de bedoeling dat horecavoorzieningen op schoolterreinen een autonome horecafunctie hebben. De perspectieven van horeca in dit soort specifieke milieus zijn sterk projectgebonden en dienen dus als zodanig per project beoordeelt te worden. Scholen worden aangemerkt als toelatingsgebied.

Culturele instellingen

In de nieuwe drank- en horecaverordening van de gemeente Eindhoven worden de culturele instellingen gerekend tot paracommerciële rechtspersonen van sociaal-culturele aard. Zij verstrekken uitsluitend alcohol op maandag tot en met zondag van 12.00 uur tot 24.00 uur tijdens activiteiten of bijeenkomsten die passen binnen de statutaire doelstelling van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. De burgemeester kan een paracommerciële rechtspersoon ontheffing verlenen van de gestelde schenktijden. Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-culturele aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken anders dan tijdens bijeenkomsten met een sociaal-cultureel karakter. Het is ze voor ten hoogste zes al dan niet aaneengesloten dagen per jaar toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de genoemde schenktijden en buiten de genoemde bijeenkomsten. De benoemde bijeenkomsten dienen uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester te worden gemeld.

Sportverenigingen

In de nieuwe drank- en horecaverordening van de gemeente Eindhoven worden de sportverenigingen gerekend tot paracommerciële rechtspersonen. Zij verstrekken uitsluitend alcohol op maandag tot en met zondag van 12.00 uur tot 24.00 uur tijdens activiteiten of bijeenkomsten die passen binnen de statutaire doelstelling van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. De burgemeester kan een paracommerciële rechtspersoon ontheffing verlenen van de gestelde schenktijden. Ze richten zich hoofdzakelijk op activiteiten van sportieve of recreatieve aard. Het is ze niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij hun activiteiten betrokken zijn. Het is maximaal twaalf al dan niet aaneengesloten dagen per jaar toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten voor leden of personen die rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn die de gestelde schenktijden overschrijden. Deze bijeenkomsten dienen uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester te worden gemeld.

3.13 Bedrijvigheid     

Op 15 maart 2016 heeft de gemeenteraad de Bedrijventerreinennota met de titel 'Aan de slag voor waardevolle locaties' vastgesteld. Deze is gepubliceerd op 2 november 2016. Met deze nota wordt richting gegeven aan het beleid voor en de ontwikkelingsrichting van de bedrijventerreinen. De nota heeft betrekking op de 16 grootste (>5 ha) bedrijventerreinen van Eindhoven, inclusief campussen. De helft van de werkgelegenheid in Eindhoven en de regio hangt samen met deze 16 bedrijventerreinen. Daarmee zijn de terreinen een heel belangrijke pijler onder Brainport, de tweede economische motor van Nederland en een van de meest prominente hightech centra van Europa. Veel Brainport (gerelateerde) bedrijvigheid en economische clusters zijn op deze bedrijventerreinen - en die in de regio - gevestigd.

Doel van de nota is de grote waarde die de terreinen hebben naar de toekomst toe te borgen en verder te vergroten. Dit in het belang van het functioneren van de bedrijven en de welvaart en het welzijn van de inwoners in Eindhoven en Brainport. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het brede palet aan economische activiteiten en daarmee samenhangende wensen en eisen die aan de bedrijventerreinen in Eindhoven worden gesteld.

In de nota worden de bedrijventerreinen van Eindhoven verdeeld in vier typen terreinen. Daarnaast zijn nog eens 32 kleinschalige locaties (kleiner dan 2 ha) in de nota beschreven. Voorliggend plangebied omvat geen (typen) bedrijventerreinen die in de Bedrijventerreinennota worden beschreven.

Het plangebied

In het plangebied bevindt zich enige bedrijvigheid, voornamelijk in het noorden van het plangebied grenzend aan bedrijventerrein Kapelbeemd en verspreid over het plangebied, voornamelijk langs de historische wegen als de Boschdijk en de Waalstraat/Rijnstraat.

De bedrijven in het plangebied zijn in het kader van de voorbereiding van dit bestemmingsplan geïnventariseerd. Uit deze inventarisatie is gebleken dat de bedrijven uit milieuoogpunt bezien geen onaanvaardbare effecten hebben op de omgeving. De geldende planologische situatie wordt dan ook in dit bestemmingsplan overgenomen. Kleinschalige bedrijvigheid in de vorm van een bedrijf aan huis is onder voorwaarden toegelaten bij de woonfuncties.

3.14 Kantoren     

De Kantorenstrategie 2012-2020 (vastgesteld op 26 juni 2012) is verschenen midden in de financiële crisis van 2008 tot circa 2014. Deze crisis liet onder andere zijn sporen na op de nationale vastgoedmarkt. De kantorenmarkt kende toen vrijwel overal een hoog leegstandscijfer, zo ook in Eindhoven. Vandaar dat toen een gemeentelijk kantorenbeleid is ontwikkeld dat zich niet alleen richt op het voeren van regie op de nieuwbouw kantorenmarkt. Juist op de bestaande markt zijn maatregelen geïntroduceerd om deze gezonder te maken. Dat vraagt enerzijds om een positieve en actieve grondhouding van gebouweigenaren. Anderzijds is er vaak nog een (andere) vastgoedpartij nodig die op creatieve wijze met de leegstand aan de slag wil gaan. De gemeente Eindhoven speelt daarbij vooral een stimulerende en faciliterende rol. De Eindhovense werkwijze is toentertijd afgestemd met de andere 'kantoorgemeenten' in de stedelijke regio. Dit is vastgelegd in een 'Regionale programmering kantoorlocaties' d.d. november 2013.



Op de bestaande kantorenmarkt ligt de focus op het goed op elkaar afstemmen van vraag en aanbod op de Eindhovense kantorenmarkt in kwantitatieve én kwalitatieve zin. Op die manier ontstaat een goede balans met toekomstbestendige locaties die bijdragen aan de realisatie van de Brainport-ambities van stad en regio. Binnen Eindhoven worden drie afzonderlijke nieuwbouw kantorenmilieus onderscheiden, te weten Stationsgebied, Strijp-S en Flight Forum. Deze verschillende kantorenmilieus voorzien in een specifieke en onderscheidende behoefte. Het is belangrijk om deze onderscheidende kwaliteiten de komende jaren verder uit te bouwen. Het is daarnaast belangrijk dat ongebreidelde groei van de kantorenvoorraad, door toevoeging van niet duurzame / toekomstbestendige nieuwbouw, wordt voorkomen. Kantoorgebruikers die op zoek zijn naar nieuwe huisvesting worden daarom zoveel mogelijk bediend op de bestaande kantorenmarkt. Nieuwbouw van kantoren op geprioriteerde locaties en door middel van toekomstbestendige gebouwen is alleen met inachtneming van hiervoor genoemde uitgangspunten mogelijk.



De gemeente Eindhoven werkt, uiteraard passend binnen wet- en regelgeving, mee aan de transformatie van leegstaande kantoren op het moment dat het een 'kansarm' gebouw betreft. We spreken van 'kansarm' op het moment dat de kans dat het gebouw nog als kantoor verhuurd kan worden, niet groot is. Op die manier draagt het beleid bij aan een gezonde, Eindhovense kantorenmarkt.

Geen van bovenstaande prioritaire gebieden is gelegen binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. Naast de geprioriteerde grootschalige kantorenlocaties is ook op 'overige locaties' de ontwikkeling van (kleinschalige) kantoren mogelijk. Het gaat hierbij om locaties binnen de stad welke eigendom zijn van ontwikkelaars en waar, veelal van oudsher, een nieuwbouw kantoorontwikkeling is toegestaan. De gemeente laat deze initiatieven echter over aan de markt en beperkt zich tot, voor zover aan de orde, het toetsen van deze initiatieven aan de (in de Prioriteitennota) gestelde voorwaarden, zoals haalbaarheid en wenselijkheid. Onderhavig plangebied valt niet onder de noemer 'overige locaties'.

3.15 Kabels, leidingen en straalpaden     

In het plangebied ligt parallel aan de spoorlijn een bovengrondse hoogspanningsleiding. Voor de leiding met bijbehorende zone is de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' opgenomen.

Parallel aan de spoorlijn Eindhoven-'s-Hertogenbosch/Tilburg en direct ten zuiden van Kerkdorp Acht ligt een hogedruk gasleiding. Voor deze leidingen met bijbehorende zone is de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' opgenomen.

Hoofdstuk 4 Milieuparagraaf     

4.1 Milieueffectrapportage     

4.1.1 Wettelijk kader     

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld.

Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht.

De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen:

  • Kolom 1: de activiteit zelf
  • Kolom 2: drempelwaarden activiteit
  • Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan)
  • Kolom 4: de besluiten



De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.

4.1.2 Conclusie     

Dit bestemmingsplan richt zich op het vastleggen van de bestaande situatie en van de functionele en ruimtelijke structuur. Er worden met onderhavig bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.



Gelet op het bovenstaande zijn de ontwikkelingen die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet genoemd als activiteit in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er is om die reden geen sprake van een noodzakelijke MER of m.e.r.-beoordelingsplicht.

4.2 Bedrijven en milieuzonering     

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.

In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.

4.2.1 Staat van bedrijfsactiviteiten     

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
  • de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk';
  • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.

De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand.

  • categorie 1: grootste afstand 10 meter;
  • categorie 2: grootste afstand 30 meter;
  • categorie 3.1: grootste afstand 50 meter;
  • categorie 3.2: grootste afstand 100 meter;
  • categorie 4.1: grootste afstand 200 meter;
  • categorie 4.2: grootste afstand 300 meter;
  • categorie 5.1: grootste afstand 500 meter;
  • categorie 5.2: grootste afstand 700 meter;
  • categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter;
  • categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.



Plangebied

Voor dit bestemmingsplan is de staat van bedrijfsactiviteiten van de VNG aangepast. Bedrijven die in het algemeen vanwege de aard van de activiteiten niet passend zijn binnen een woonwijk, zijn niet in de staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen. Vervolgens is een selectie gemaakt van de bedrijven behorende tot de voor het plangebied, al dan niet met ontheffing, toegelaten milieucategorie (categorieën 1 t/m 3.2).

De milieucategorisering in voorliggend bestemmingsplan is opgenomen conform de vigerende bestemmingsplannen. Hierbij is een inventarisatie gedaan naar de bestaande milieucategorieën waar eventuele afwijkingen ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan naar voren zijn gekomen. Indien deze vergund zijn, zijn deze meegenomen in voorliggend bestemmingsplan.

Binnen de bestemming Bedrijf zijn milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Daar waar milieucategorie 3 in het vigerend bestemmingsplan was toegestaan, is dat in voorliggend bestemmingsplan ook mogelijk gemaakt middels een aanduiding. Bestaande specifieke bedrijven zijn aangeduid.

Bedrijven die niet op de bedrijvenlijst zijn vermeld, maar die naar de aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de bijgevoegde lijst van bedrijfsactiviteiten, kunnen via een afwijkingsprocedure worden toegestaan.

4.3 Geluid     

4.3.1 Wettelijk kader     

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken.

De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.

Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

4.3.2 Wegverkeerslawaai     

Het plan ligt in de zone van enkele wegen zoals de Boschdijk, de Mispelhoefstraat en de Anthony Fokkerweg.



Het bestemmingsplan is conserverend van aard en voorziet niet in de bouw van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zodat geen nader akoestisch onderzoek naar de hoogte van de geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Reconstructies van wegen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, die leiden tot een toename van de geluidbelasting met 2 dB of meer, worden niet toegestaan.

4.3.3 Railverkeerslawaai     

Het plan ligt in de zone van de spoorlijn Eindhoven - 's-Hertogenbosch/Tilburg.

Het bestemmingsplan is conserverend van aard en voorziet niet in de bouw van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zodat geen nader akoestisch onderzoek naar de hoogte van de geluidbelastingen ten gevolge van het railverkeerslawaai noodzakelijk is.

4.3.4 Industrielawaai     

De naastgelegen (noord- en westzijde) bedrijventerreinen Kapelbeemd en GDC-Zuid betreffen industrieterrein waar de vestiging van zogeheten grote lawaaimakers niet is toegestaan. Formeel hoeven deze terrein dan ook geen geluidzone te hebben, dit in tegenstelling tot terreinen waar wel grote lawaaimakers aanwezig mogen zijn. Voor elk bedrijf gelden afzonderlijke geluidvoorschriften, meestal ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen. Wanneer elk afzonderlijk bedrijf op elke woning een bepaalde geluidbelasting mag veroorzaken, betekent het dat die woningen door alle bedrijven samen een aanzienlijk hogere geluidbelasting kunnen ondervinden. Dit wordt de cumulatie van geluid genoemd. In de praktijk komt het er dus op neer dat woningen nabij een niet-gezoneerd industrieterrein minder goed beschermd zijn tegen geluid dan woningen nabij een gezoneerd industrieterrein.



De gemeente kan op basis van de ruimte die de wet Geluidhinder biedt besluiten om een "vrijwillige gemeentelijke zone" voor industrieterreinen vast te leggen, bijvoorbeeld vanuit de wens om het akoestisch woon-/ leefklimaat rondom een industrieterrein te kunnen garanderen. Deze "gemeentelijke zone" dient dan in het bestemmingsplan te worden vastgelegd.



Middels vrijwillige zonering van de terreinen GDC-Zuid, GDC Noord en Kapelbeemd (zonebesluit 3 maart 2010) is beoogd geluidoverlast door de cumulatie van geluid voor omwonenden van deze industrieterreinen te voorkomen. De werkwijze is grotendeels hetzelfde als bij wettelijke zonering. Zo is er ook een zone vastgesteld en een zonebeheersplan opgesteld. De vrijwillige zonering heeft niet dezelfde rechtskracht als verplichte zonering. Het zonebesluit dient te worden doorvertaald in een bestemmingsplan. Wel kunnen er bij bestemmingsplan of bij zonebesluit voorwaarden en regels worden opgenomen die de zonering meer rechtskracht geven.

verplicht

Begrenzing industrieterrein GDC Acht en Kapelbeemd

verplicht

Geluidcontour industrieterrein GDC Acht en Kapelbeemd



Het zonebesluit betreft het gebied binnen de groene lijn, maar buiten het industrieterrein. Op basis van het zonebesluit en zonebeheer wordt bepaald of bedrijven zich kunnen vestigen, dan wel welke geluidmaatregelen zij moeten treffen en worden bewoners beschermd tegen een maximaal toegestane geluidbelasting. Bewaking op het zonebesluit gebeurt door middel van een geluidbeheer- en bewakingsysteem. Daarbij wordt een administratie van bedrijven en bronnen bijgehouden. Bij iedere wijziging van bronnen en/of bedrijven op het industrieterrein, dan wel minimaal een maal per jaar wordt deze geactualiseerd.



Het bestemmingsplan is conserverend van aard en voorziet niet in de uitbreiding van de bedrijven terreinen, zodat geen nader akoestisch onderzoek naar de hoogte van de geluidbelastingen ten gevolge van het industrielawaai noodzakelijk is.

De geluidscontour van industrieterrein GDC Acht en Kapelbeemd is opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Binnen de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - industrie' zijn geen nieuwe geluidgevoellige functies toegestaan.

4.3.5 Luchtvaartlawaai     

Het plangebied ligt op enige afstand (circa 2,3 km) van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militaire luchthaven met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). De Wet luchtvaart regelt het gebruik van luchtvaartuigen en luchtvaartterreinen in Nederland. De wet voorziet in regels over besluitvorming en normen voor alle luchthavens. Op basis van deze wet is voor luchthaven Eindhoven een luchthavenbesluit vastgesteld.

De Wet luchtvaart regelt onder andere dat grenswaarden moeten worden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Deze geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). De nadere regelgeving over de geluidsbelasting staat in het Besluit militaire luchthavens. De grenswaarde voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor het burgerluchtverkeer en voor het militaire luchtverkeer is in beginsel 35 Ke. Deze grenswaarde geldt voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen (art. 1 Besluit militaire luchthavens jo artikel 1.1 Bouwbesluit 2012) en voor standplaatsen en ligplaatsen.

De ligging van de Ke contouren is opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven. In bijlage 7 is de 35 Ke contour voor het militaire luchtverkeer aangewezen en in bijlage 8 de contour van het commercieel burgerluchtverkeer. De cumulatieve Ke contouren staan in bijlage 3. De 35 Ke contour is tevens in het Barro en Rarro verwerkt. Hierbinnen zijn geen geluidsgevoelige objecten (woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, alsmede standplaatsen en ligplaatsen) toegestaan.

De 35 Ke contour ligt niet over het plangebied Kerkdorp Acht zoals te zien is in onderstaande figuur. Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied.

verplicht

Cumulatieve Ke-contouren luchthaven Eindhoven zoals opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven (bijlage 3).

4.4 Luchtkwaliteit     

4.4.1 Wettelijk kader     

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

4.4.2 Besluit niet in betekenende mate bijdragen     

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor:

  • woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en
  • kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.

Samengevat

Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

4.4.3 Besluit gevoelige bestemmingen     

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.

Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg.

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

4.4.4 Goede ruimtelijke ordening     

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

4.4.5 Planbeschrijving en toetsing     

Het bestemmingsplan is conserverend van aard en voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen. Hierdoor kan gesteld worden dat er geen sprake is van een “in betekende mate “ project zodat het bestemmingsplan niet zal leiden tot overschrijding van de luchtkwaliteitseisen. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.5 Externe veiligheid     

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord.

4.5.1 Wettelijk kader     

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR)

Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten';

Groepsrisico (GR)

Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen 

Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling.

4.5.2 Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid     

De gemeenteraad van Eindhoven heeft de visie Externe Veiligheid ('Risico's de maat genomen'). Met deze visie wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoorde veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling passend binnen de Brainportontwikkelingen in het Programma Brabant Veiliger. In de visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheid verhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven waar in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het aanpakken van bestaande knelpunten kan worden verbeterd.

De beleidsvisie is opgebouwd aan de hand van een aantal gebiedsgerichte risicoprofielen. Daarin zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid voorwaarden opgenomen. Het plangebied Kerkdorp Acht ligt binnen gebiedsgerichte risicoprofiel D 'Woongebied nabij hoofdtransportassen. Aan dit gebied stelt de visie van het oogpunt van externe veiligheid de volgende voorwaarden:

  • geen risicovolle bedrijven toegestaan;
  • gebieden met grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen van woningen en kantoren;
  • kwetsbare objecten > 30 meter uit de transportas;
  • functies voor beperkt zelfredzame groepen > 200 uit transportas;
  • evenementen > 200 meter uit transportas (met uitzondering van daartoe bestemde gebouwen/ruimtes);
  • zelfredzaamheid en beheersbaarheid worden op peil gebracht en restrisico's worden door het college van B&W acceptabel gevonden.

4.5.3 Plangebied     

Binnen en in de omgeving van het plangebied liggen verschillende risicobronnen, zoals weergegeven in onderstaande figuur.

verplicht

Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen 200 meter van het spoor waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Daarnaast ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van viertal aardgasbuisleidingen. Ook ligt het plangebied in het invloedsgebied van een drietal risicovolle inrichtingen.

Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor

Direct nabij het plangebied ligt de spoorweg route 12, Tilburg-Eindhoven (spoordelen AP, AR en AS). Over dit traject worden ook gevaarlijke stoffen getransporteerd. In de Regeling basisnet zijn vervoerscijfers opgenomen waarmee risicoberekeningen moeten worden uitgevoerd. Dit traject heeft plaatsgebonden risico van 1 meter (spoordeel AP en AR) en 6 meter (spoordeel AS) en plasbrandaandachtsgebied van 30 meter volgens de regeling Basisnet. Volgens het Bevt dient het groepsrisico te worden verantwoord indien een bestemmingsplan of omgevingsvergunning betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen 200 meter van een transportroute. Het plangebied ligt op een respectievelijke 402 meter van de snelweg A2/A58 knooppunt Batadorp. Gezien deze afstand wordt het groepsrisico hiervan niet berekend. Het restrisico van objecten buiten 200 meter van transportroutes wordt reeds verantwoord in de beleidsvisie van de gemeente Eindhoven.

De berekeningen voor de spoorweg is uitgevoerd op 28 april 2021 met het rekenprogramma RBM II. In dit hoofdstuk worden de uitkomsten van de berekeningen kenbaar gemaakt.

verplicht

Het groepsrisico over de gehele route bedraagt 0,04* de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico over de totale route overschrijdt niet de oriëntatiewaarde. Daarnaast betreft het hier een conserverend bestemmingsplan, waardoor er dus ook geen sprake is van een stijging van het groepsrisico (van minimaal 10%). Conform artikel 8 lid 2 sub b Bevt kan een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor de transport van gevaarlijke stoffen over het spoor hierdoor volstaan.

Buisleidingen

Volgens het Bevb dient het groepsrisico te worden verantwoord indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van de volgende aardgasleidingen:

- Z-519-01

- Z-519-05

- Z-519-06

- Z-506-01

Voor de buisleidingen geldt geen plaatsgebonden risico contour (10-6/jaar). Deze buisleidingen hebben wel een belemmeringenstrook van 4 meter, ten behoeve van onderhoud aan de leiding. Volgens het Bevb dient het groepsrisico te worden berekend en verantwoord indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen het invloedsgebied van de buisleiding.

Voor de berekeningen zijn de leidinggegevens aangeleverd door de Gasunie. Volgens de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) dient het groepsrisico voor de buisleiding te worden berekend met het rekenprogramma “Carola”. Op 28 april 2021 is de berekening voor alle relevante buisleidingen uitgevoerd. De volledige berekening is opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting 'rapportage externe veiligheid Kerkdorp Acht' en de daarbij behorende 2 bijlagen ('RBM spoor Rapportage GDC Kapelbeemd kerkdorp Acht' en 'LPG rekentool kerkdorp Acht'), genummerd als bijlagen 9 en 10 bij deze toelichting.

Groepsrisico

Z-519-01

De hoogte van het groepsrisico voor de buisleiding Z-519-01 is berekend op 0,01* de oriënterende waarde.

verplicht

Uit de berekening is gebleken dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde is gelegen. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor de buisleiding conform het Bevb kan hierdoor volstaan.

Z-519-05

De hoogte van het groepsrisico voor de buisleiding Z-519-05 is berekend op 0* de oriënterende waarde.

verplicht

Er is dus geen sprake van een groepsrisico. Een verdere verantwoording blijft dan ook achterwege.

Z-519-06

De hoogte van het groepsrisico voor de buisleiding Z-519-06 is berekend op 0* de oriënterende waarde.

verplicht

Ook bij deze leiding is geen sprake van een groepsrisico. Een verdere verantwoording is voor deze buisleiding dan ook niet noodzakelijk.

Z-506-01

De hoogte van het groepsrisico voor de buisleiding Z-506-01 is berekend op 0,0012* de oriënterende waarde.

verplicht

Uit de berekening is gebleken dat het groepsrisico bij alle relevante buisleidingen onder de oriëntatiewaarde is gelegen. Het betreft hier een conserverend bestemmingsplan, waardoor er dus ook geen sprake is van een stijging van het groepsrisico (van minimaal 10%). Conform artikel 12 lid 3 Bevb kan een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor de relevante buisleidingen hierdoor volstaan.

Inrichtingen

Binnen het plangebied zijn verschillende risicovolle inrichtingen gevestigd.

DHL Express

Aan de Achtseweg-Noord 20 is DHL Express gevestigd. Binnen deze inrichting wordt de activiteit 'Tijdelijke opslag gevaarlijke stoffen met een maximum van 30.000 kg in een vak' uitgevoerd. De inrichting valt niet onder de werkingssfeer van de Bevi. De activiteit kent een invloedsgebied van 846 meter, wat buiten de inrichtingsgrenzen en over het plangebied Kerkdorp Acht reikt. Binnen dit invloedgebied staan een aantal kwetsbare objecten (woningen). Het betreft hier een conserverend bestemmingsplan en er worden geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd. Een verdere verantwoording zal dan ook buiten beschouwing gelaten worden.

Gasdrukregel-meetstation

Aan de Anthony Fokkerweg 2 binnen het plangebied is een gasreduceerstation gelegen. Deze inrichting valt niet onder de werkingsfeer van de Bevi. Er is geen PR-06 contour of een invloedsgebied waar rekening meegenouden dient te worden.

verplicht

Figuur 6. veiligheidsafstanden gasreduceerstations

Het betreft hier een type-C gasreduceerstation met een doorzet van 88.000 m3/uur. De veiligheidsafstanden bedragen 25 meter tot kwetsbare objecten en 4 meter tot beperkt kwetsbare objecten. Het dichtstbijzijnde (beperkt) kwetsbaar object (woning) ligt op 36 meter vanaf de inrichtingsgrens van het gasreduceerstation. Er wordt voldaan aan de gestelde veiligheidsafstanden.

LPG-tankstation

Aan de Anthony Fokkerweg 10 is een Shell LPG-tankstation gevestigd. Het tankstation heeft een vergunning, d.d. 3 augustus 2011, voor het inwerking hebben van een LPG-station. Hierbij is een ondergrondse tank van 20m3   en een jaarlijkse doorzet van 1000 m3 LPG per jaar. Dit tankstation valt onder de werkingssfeer van de Bevi en het Activiteitenbesluit.

verplicht

Figuur 7. LPG-tankstation met veiligheidsafstanden en invloedsgebied vanuit RRGS

Vanuit de artikel 2 lid 1 sub a Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) kent het vulpunt, de ondergrondse tank en de afleverzuil een veiligheidscontour (PR-1006 contour). Binnen deze veiligheidscontouren mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Dit tankstation kent de volgende veiligheidscontouren.

Afstand (m) vanaf het vulpunt Afstand (m) vanaf ondergrond reservoir Afstand (m) vanaf afleverzul
35 25 15

Figuur 8. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar

Dit tankstation kent een invloedsgebied van 150 meter. Aan weerzijde zijn kwetsbare objecten gelegen in het invloedsgebied, daarom dient het groepsrisico berekend en verantwoord worden conform artikel 13 Bevi. Middels de LPG-rekentool is het groepsrisico op 3 juni 2021 berekend.

verplicht

Figuur 9. FN-curve LPG-tankstation

Uit de berekening is gebleken dat het groepsrisico (0,18). bij dit tankstation onder de oriëntatiewaarde is gelegen. Daarnaast worden er in het plangebied ook geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd.

Daarnaast dient er ook rekening gehouden te worden met de “Circulaire effectafstanden LPG-tankstations”. Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een bestemmingsplan rondom LPG-tankstations.

De circulaire vraagt gemeenten uitdrukkelijk ook een effectbenadering toe te passen bij besluiten rondom LPG-tankstations. Daarnaast blijft een risicobenadering in het kader van het Bevi (plaatsgebonden risico en groepsrisico) nodig. De effectbenadering is alleen van toepassing als de gemeente een nieuw bestemmingsplan vaststelt. In dit besluit is er sprake van gelijkblijvende veiligheidsgevolgen, waardoor de effectbenadering uit de circulaire niet van toepassing is.

Conform artikel 13 lid 3 Bevi wordt er wettelijk advies gevraagd aan de Veiligheidsregio over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting.

4.5.4 Groepsverantwoording     

Gezien de hoogte van het groepsrisico bij alle risicobronnen binnen dit plan wordt er een verantwoording van het groepsrisico gegeven. Hierdoor wordt er onder andere ingegaan op de mogelijkheden voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid.

Advies veiligheidsregio

Ook is er wettelijk advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Brabant Zuid-Oost (VRBZO). Dit advies is op 13 april 2021 ontvangen.

Conform artikel 9 van het Bevt, artikel 12 Bevb en artikel 13 Bevi dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio in verband met de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid. Op 13 april 2021 is er advies ontvangen. Het advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt.

- Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico's van

de gevaarlijke stoffen;

- Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe;

- De beheersbaarheid en de bestrijdbaarheid is voor het conserverend bestemmingsplan Kerkdorp Acht voldoende, behalve voor het aanliggend spoortracé, wat een lastigere bereikbaarheid heeft door de aanwezigheid van een groenstrook en bijbehorende infrastructuur. Bluswatercapaciteit is rondom het tracé niet overal voorhanden en vraagt meer tijd om dit goed te onderzoeken wat de noodzakelijke (extra) voorzieningen zijn. Er wordt geadviseerd om in samenspraak met de Veiligheidsregio en de gemeente Eindhoven om te kijken naar de mogelijkheden om dit te verbeteren;

Het advies is opgenomen in de verantwoording van het groepsrisico.

Hoogte groepsrisico en de dichtheid van personen

In dit rapport zijn de hoogtes van het groepsrisico weergegeven (hoofdstuk 4) en de dichtheden van personen.

Bronmaatregelen

Binnen de vergunning en bedrijfsvoering is best beschikbare technieken (BBT) toegepast.

Mogelijkheden voor een lager groepsrisico

Het betreft een conserverend plan, daarnaast zijn de terreinen al vol gebouwd. Er zijn geen mogelijkheden voor een lager groepsrisico.

De mogelijkheden voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid

Het plangebied ligt in het noordwestelijke deel van de gemeente en is goed bereikbaar voor hulpdiensten. Verkeerskundig gezien is er sprake van een goede ontsluiting voor hulpdiensten. Kerkdorp Acht is via de noordzijde via het bedrijventerrein Kapelbeemd bereikbaar. Aan de zuidzijde zijn meerdere ontsluitingen naar de Anthony Fokkerweg. Via de oostzijde kent het plangebied ontsluitingen naar de Boschdijk

Volgens het advies van de Veiligheidsregio is de beheersbaarheid en de bestrijdbaarheid voor het conserverend bestemmingsplan Kerkdorp Acht voldoende, behalve voor het aanliggend spoortracé, wat een lastigere bereikbaarheid heeft door de aanwezigheid van een groenstrook en bijbehorende infrastructuur. Bluswatercapaciteit is rondom het tracé niet overal voorhanden en vraagt meer tijd om dit goed te onderzoeken wat de noodzakelijke (extra) voorzieningen zijn. In overleg tussen de gemeente en de Veiligheidsregio zal moeten worden bekeken welke mogelijkheden zijn om dit te verbeteren.

Verder dient het plan te voldoen aan de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen.

De zelfredzaamheid

Binnen het plan zijn er geen mogelijkheden gecreëerd voor het vestigen van groepen verminderd zelfredzame personen. Ook worden er geen nieuwe kwetsbare objecten voor verminderd zelfredzame personen gerealiseerd. Om de zelfredzaamheid bij de huidige populatie ook nog te vergroten, kunnen verschillende maatregelen genomen worden:

- het actief informeren van de werknemers over de aanwezige risico's en handelingsperspectieven. Hiermee wordt invulling gegeven aan het risicobewustzijn van de aanwezige personen. De informatie zorgt er daarnaast voor dat de gebruikers op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe ze moeten handelen.

Dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. De VRBZO heeft hiervoor het document “handvatten risicocommunicatie” opgesteld. Deze kan als leidraad gebruikt worden. Daarnaast worden risico's en calamiteiten binnen Eindhoven gecommuniceerd via www.eindhoven.nl.

Voor ruimtelijk ontwikkelingen vlakbij het spoor is voor het risico op een ongeval met het vervoer van gevaarlijke stoffen een risicocommunicatielijn ontwikkeld. De informatie hierover is te vinden via www.ophetjuistespoor.nl Op deze site staat onder andere uitgelegd hoe omwonenden van het spoor moeten handelen als zich een dergelijk incident voordoet.

- Voor hulpverleningsdiensten is het van belang dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit kan met behulp van het zogenaamde waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Het WASnetwerk is dekkend voor het plangebied. Het gebruik van WAS, aangevuld met het gebruik van NLAlert, kan er aan bijdragen dat het aantal slachtoffers wordt beperkt.

4.5.5 Conclusie     

Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen voor het dit bestemmingsplan. Wel dient in overleg met de Veiligheidsregio nog gekeken te worden naar de bereikbaarheid van het spoor.

4.6 Duurzaamheid     

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is.

  1. CO2 reductie

Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming

Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten.

In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

1B) Duurzame mobiliteit

Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) warmte- en energiebesparing

Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.

1D) duurzame energie opwekking

Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.

2 Circulaire Economie

Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

2A) duurzame materialen

Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

2B) geen afval

In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) flexibel en demontabel bouwen

Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

2D) deeleconomie/ as a service concepten

De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten.

Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

3) Natuur

Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?

3A) biodiversiteit

Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

3B) oppervlakte groen

We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.

4. Sociale basisbehoeften

The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

4A) Klimaatadaptatie

Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

4B) gezonde verstedelijking

Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte

4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen

We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Specifiek Eindhovens

Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

4.6.1 Planbeschrijving     

Dit bestemmingsplan richt zich voornamelijk op bestemming van de bestaande situatie en het vastleggen van de functionele en ruimtelijke structuur. Er worden geen nieuwe bouwontwikkelingen mogelijk gemaakt.

4.7 Bodem     

Het (industriële) verleden van Eindhoven heeft zijn sporen in de bodem nagelaten. In de afgelopen jaren heeft op zeer veel locaties in Eindhoven om diverse redenen milieukundig bodemonderzoek plaatsgevonden, bijvoorbeeld in het kader van het verlenen van bouwvergunningen of in het kader van de aan- of verkoop van locaties. In het bodeminformatiesysteem van de gemeente zijn de gegevens van alle bekende bodemonderzoeken opgenomen.

Op diverse locaties in Eindhoven zijn verontreinigingen aangetroffen, het komt echter zelden voor dat er als gevolg van bodemverontreiniging sprake is van risico’s voor de gezondheid van mensen. Dergelijke locaties zijn op dit moment binnen het plangebied dan ook niet bekend.



Uit de kaart 'Schone bodem' uit de Atlas van de ondergrond van gemeente Eindhoven blijkt dat er binnen het plangebied enkele kleine locaties bekend zijn waar sprake is (geweest) van een geval van bodemverontreiniging en/of bodemsanering (zie onderstaande afbeelding).

Het betreft de volgende locaties voor verontreiniging: Vlistraat 25/27, Nierstraat 49, Waterkantstraat, Anthony Fokkerweg 2 en de spoorbaan.

Op volgende locaties is een bodemsanering uitgevoerd: Vlistraat 25/27, Nierstraat 49, Rijnstraat, Alblaststraat 2, Waterkantstraat en Anthony Fokkerweg 2.



verplicht

Uitsnede van de kaart Schone bodem uit de Atlas van de ondergrond van gemeente Eindhoven.

Groen is grondsanering en geel is grondverontreiniging



Dit bestemmingsplan is conserverend van aard en maakt dan ook geen nieuwe functies of bodemingrepen mogelijk vergeleken met het vorige bestemmingsplan. In geval van nieuwe activiteiten kan het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk zijn. Dit geldt bijvoorbeeld bij het aanvragen van sommige vergunningen en bij het afvoeren van vrijkomende partijen grond. Een deel van de spoorbaan is verdacht voor niet gesprongen explosieven. In het geval van nieuwe activiteiten zal hier rekening mee moeten worden gehouden.



Het aspect bodem vorm geen belemmering bij dit bestemmingsplan.

4.8 Natuur     

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2022 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.

4.8.1 Gebiedsbescherming     

De Wnb gaat uit van vijf gebiedssoorten te weten: Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland, bijzondere nationale natuurgebieden, nationale parken, bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De Wnb verplicht tot het tot stand brengen van het Natuur Netwerk Nederland en tot het aanwijzen van Natura 2000-gebieden, die beide van cruciaal belang zijn voor het nakomen van de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn.

Het plangebied van dit bestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals bedoeld in de Wnb. Omdat het plan conserverend van aard is, worden met dit plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een direct of indirect een effect kunnen hebben op natuurgebieden in de omgeving.

4.8.2 Soortenbescherming     

De Wnb beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingsprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk.

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van Wnb zijn de lijsten met beschermde soorten veranderd. Zo is een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) niet langer meer beschermd. Andersom zijn dieren en planten die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding.

In het plangebied is uit waarnemingen bekend dat er diverse beschermde soorten voorkomen (o.a. vogels, zoogdieren en amfibieën). Dit bestemmingsplan betreft een actualisatieplan en richt zich voornamelijk op het vastleggen van de bestaande situatie. Het bestemmingsplan zorgt dan ook niet voor aantasting van (het leefgebied van) (beschermde) soorten.

4.8.3 Algemene zorgplicht     

Artikel 1.11 Wnb voorziet in de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten moeten worden of dat maatregelen genomen moeten worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Die plicht is niet alleen van belang voor soorten maar ook voor gebieden. De zorgplicht fungeert als vangnet ten opzichte van de bij en krachtens de Wnb gestelde voorschriften. Bestuursrechtelijke handhaving van de zorgplicht is mogelijk in kennelijke gevallen van onzorgvuldig handelen en in situaties waarin er geen concreet voorschrift ter bescherming van de desbetreffende natuurwaarde van toepassing is.

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf     

5.1 Inleiding     

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid.

Het bestemmingsplan Kerkdorp Acht 2021 heeft een conserverend karakter. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2 Beleid     

5.2.1 Rijksbeleid     

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).

5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021     

Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.

5.2.2 Provinciaal beleid     

5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021     

Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Gedacht kan dan worden aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving.

Wettelijke taken

De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Integrale en gezamenlijke aanpak

Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven.

Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

5.2.3 Beleid Waterschap     

5.2.3.1 Waterbeheerplan 'Waardevol Water'     

Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan “Waardevol Water” vastgesteld. Dit strategisch document dat op 1 januari 2016 in werking is getreden beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021 en op welke wijze zij die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan.

Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen. Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen.

  • Beekdalbenadering: ook al zijn de verschillen tussen stad en buitengebied groot toch maken zij deel uit van hetzelfde beekdal waar logische natuurwetten gelden. Door dit beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan integraler en effectiever worden gewerkt. Wel is samenwerking met andere overheden, waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het buitgebied.
  • De gebruiker centraal: de omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en de behoeften en belangen van de gebruikers veranderen continu. Ook de waarde van water verandert mee en daarop moet worden ingespeeld.
  • Samen sterker: door samen te werken met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven en door samen oplossingen te zoeken en uitvoering te geven wordt het meest bereikt. Het waterschap wil daarin een inspirerende rol spelen en partijen daartoe de ruimte bieden. Door flexibel te zijn in de samenwerking met en rekening te houden met de inbreng en ideeën van andere partijen wordt de uitvoeringskracht versterkt.
  • Gezonde toekomst: ook toekomstige generaties moeten kunnen blijven beschikken over voldoende, veilig en schoon water. Ook in de maatschappij is het streven naar duurzaamheid steeds actueler en de kringloopgedachte sluit hierop aan. Het waterschap ziet dit als een inspirerende uitdaging en wil mensen bewust maken van de waarde van water en het belang van een duurzaam gebruik ervan.
5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015     

De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.

5.2.3.3 Hydrologisch neutraal bouwen     

Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen.

Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.

Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.

Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “hergebruik-vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.

5.2.4 Gemeentelijk beleid     

5.2.4.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (2019-2022)     

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied.

In het GRP 2019 – 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel.

Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen 60mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd worden naargelang de hoeveelheid groen binnen datzelfde plangebied toeneemt. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave.

5.2.5 Waterplan     

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.

5.3 Eindhovense klimaattoets     

Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. Dit betekent dat we 'klimaatrobuust' te werk moeten gaan.

5.3.1 Klimaatadaptatiebeleid     

In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatie-toets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau.



De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie beleid:

  • Zorg voor voldoende bergingsruimte om extreme buien tijdelijk op te vangen en vertraagd af te voeren.
  • Infiltreer regenwater zoveel mogelijk en waar mogelijk op de plek waar het valt, en voorkom daarmee droogte.
  • Zorg dat de straat niet onnodig opwarmt en voldoende plekken voor verkoeling heeft op het heetst van de dag.



Voor de klimaatadaptatie normen en richtlijnen is een indeling gemaakt naar ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein (circa 60% van het areaal) en op publiek terrein (circa 40% van het areaal). In de binnenstad ligt deze verhouding zelfs op 80-20%. Bovenstaand is vertaald in een waterbergingsnorm.

5.3.2 Waterbergingsnorm     

Minimale en maximale ontwerpnormen waterberging openbaar terrein

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op openbaar terrein moet minimaal 20 mm en mag tot 60 mm van de waterbergingsopgave ingevuld worden via primaire waterberging. Voorbeelden zijn waterpleinen, wadi's, watergangen, waterbergende funderingen of bakken. Eventuele resterende mm's (tot 40mm) van de waterbergingsopgave dient secundair te worden ingevuld. Denk daarbij aan parken, plantsoen c.q. grasvelden, parkeerplaatsen en wegen. Dit is acceptabel zolang er geen schade wordt veroorzaakt en/of dit niet ten koste gaat van andere primaire functies zoals op routes van hulpdiensten, markt- of evenement locaties. Als de secundaire waterbergings-opgave niet mogelijk is binnen de grenzen van de ruimtelijke ontwikkeling dan dient de waterbergingsopgave alsnog als primaire waterberging te worden ingevuld. Of er dienen maatregelen te worden genomen om de secundaire waterberging naar nabijgelegen ruimte te verplaatsen als dat hydraulisch mogelijk is.



Bij ontwikkelingen op privaat terrein ligt de verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van hemelwater in eerste instantie bij de eigenaar van het perceel waar de druppel valt. De landelijke voorkeursvolgorde '(her)gebruiken, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren´ is van toepassing. Een voorbeeld van hergebruiken is hemelwater als spoelwater voor toiletten en een voorbeeld van vasthouden is infiltratie van hemelwater in de bodem.



Als hergebruik en vasthouden door lokale omstandigheden niet doelmatig is kan hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd. Dat is de waterbergingsopgave. Hiermee wordt het rioolstelsel bij piekbuien ontlast met als gevolg beperking van wateroverlast. Daarnaast wordt het oppervlaktewatersysteem gelijkmatiger belast. Als ondersteuning voor de berekening van de waterbergingsopgave op privaat terrein is een rekentool ontwikkeld, te vinden via de website https://rekentool.eindhovenduurzaam.nl.



Ontwerpnorm waterberging privaat terrein

De waterbergingsopgave geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein in Eindhoven. In gebieden waar vanuit het verleden afspraken over waterberging zijn gemaakt, wordt in overleg bepaald of en hoe de waterbergingsopgave in de ontwikkeling wordt verhoogd. Klimaatverandering kan namelijk ook in deze gebieden aanvullende waterberging noodzakelijk maken en daarmee het risico op waterschade aan (nieuw)bouw verlagen. Indien nodig worden hierover maatwerkafspraken gemaakt.



In het beleid 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen met 150 m² of meer verharding binnen het plangebied en kleinere ontwikkelingen tot 150 m² verharding binnen het plangebied. Voor de eerste groep geldt de eis tot 75 mm waterberging per m² verharding. Dit komt overeen met 75 liter waterberging per m² of voor een bouwplan met 400 m² verhard oppervlak 30 m³ (ofwel 30.000 liter) waterberging. Voor de tweede groep is de eis tot 25 mm. Dit komt overeen met 25 liter waterberging per m² of voor een woning met 100 m² verhard oppervlak 2,5 m³ (ofwel 2500 liter) waterberging.



De ontwerpnormen ter voorkoming van wateroverlast betekenen voor particulieren, ontwikkelaars en de gemeente een opgave om klimaat adaptief te bouwen. Vanaf 1 januari 2020 geldt voor particulieren en ontwikkelaars een wateropgave om bij ruimtelijke ontwikkelingen klimaat adaptief handelen. De datum van indiening van de omgevingsvergunning is leidend.



Stimulans klimaatadaptatiebeleid

De gemeente Eindhoven draagt met het klimaatbeleid ook bij aan het verbeteren van de kwaliteit van een gezonde leefomgeving en meer biodiversiteit door de voorkeur te geven aan vergroenen als klimaat adaptieve maatregel.



Het beleid is zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in mm wordt. Ook groene ontwikkelingen in groen arme buurten worden op deze manier gestimuleerd.



De website geeft een overzicht van deze mogelijke beloningen via de 'rekentool'. De stimuleringsregeling waarbij méér groen een lagere waterbergingsopgave oplevert geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen op privaat terrein.

5.4 Beschrijving watersysteem plangebied     

5.4.1 Checklist watersysteem     

Checklist Watersysteem
A-wateren binnen plangebied Nee
B-wateren binnen plangebied Achtse Loop en enkele solitaire wateren
Beschermde keurgebied binnen plangebied? Nee
Binnen 25-100 jaarszone? Nee
Binnen boringsvrije zone? Nee
Ecologische verbindingszone? Nee
Binnen reserveringsgebied waterberging? Nee
Attentiegebied NNB Nee
Rioolwatertransportleiding Nee
Waterschap gemaal Nee
Verdachte/verontreinigde locaties? Zie bodemparagraaf
Infiltratie praktisch mogelijk? Ja, beperkt, vergt in-situ onderzoek
Uitwerkingsplicht / wijzigingsbevoegdheid Nee

5.4.2 Oppervlaktewater     

In het plangebied is het volgende oppervlaktewater gelegen:

1. de Achtse Loop die vanaf de spoorbaan ter hoogte van de Cor Mellemalaan richting Verzetsheldenlaan loopt en via de waterpartij ter hoogte van de Vliststraat onder de Boschdijk afwatert naar de Ekkersrijt. Nabij de Vliststraat is een grondwaterpomp(je) aanwezig om de waterpartij op peil te kunnen houden in geval van droogte.

2. Nabij de spoorbaan zijn verder enkele solitaire wateren aanwezig.

Vanuit het rioolstelsel vinden geen lozingen plaats op oppervlaktewater.

5.4.3 Verharding     

Het plangebied bevat zowel verharde oppervlakten als groen. Verharding bestaat hoofdzakelijk uit woningen met terreinverharding en openbare wegen. Openbaar groen of onverharde gebieden zijn aanwezig. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied.

5.4.4 Bodemopbouw     

De opbouw van de bodem is van invloed op de karakteristiek van het watersysteem. In het plangebied treft men een toplaag aan die sterk is geroerd door de stedelijke ontwikkelingen (waaronder door de aanleg van wegen en gebouwen). Daarnaast typeert de bodemopbouw in Eindhoven zich door fijn leemhoudend zand afgewisseld met leemlenzen wat een negatieve invloed heeft op de doorlatendheid van de bodem. Zonder het treffen van bodemverbeterende maatregelen wordt infiltratie van regenwater in de bodem niet reëel geacht.

Bekende bodemverontreinigingen zijn toegelicht in de bodemparagraaf van dit bestemmingsplan. Toekomstige ontwikkelingen mogen niet bijdragen aan een verdere verspreiding van de verontreiniging.

5.4.5 Grondwater     

De maaiveldhoogten in het plangebied variëren van ca. 17 m+ N.A.P tot ca. 18 m. + N.A.P. Voeding van het grondwater in het plangebied geschiedt door infiltratie van regenwater en door toestroming vanuit het regionaal watersysteem.

De ontwatering van het gebied geschiedt door ondergrondse afstroming naar oppervlaktewater. Daarnaast is het plangebied onderdeel van het regionaal systeem: zoals grondwater het gebied instroomt, zo stroomt grondwater het gebied ook uit. De stromingsrichting in het gebied is van zuidwest naar noordoost in de richting van de Dommel.

In het plangebied zijn enkele incidentele klachten met betrekking tot grondwateroverlast bekend. Het gebied is niet grootschalig voorzien van drainage waarmee grondwater kan worden afgevoerd. Onttrekkingen van grondwater in dit gebied zijn (behoudens eerder genoemd pompje nabij de Vliststraat) niet bekend.

5.4.6 Regenwater     

Het regenwater dat op daken en wegen valt, stroomt overwegend af naar de riolering. De riolering in dit gebied is een gemengd rioolstelsel waarbij regenwater en afvalwater wordt gemengd en gezamenlijk afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Van Oldenbarneveltlaan. Overig regenwater infiltreert, afhankelijk van de doorlatendheid, in de bodem.

5.4.7 Afvalwater     

Alle panden in het plangebied zijn aangesloten op de riolering. De panden lozen hun afvalwater op het gemengde rioolstelsel dat afvoert naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Van Oldenbarneveltlaan.

5.5 Toekomstige situatie van het watersysteem     

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard. Momenteel zijn geen ontwikkelingen bekend die een noemenswaardige verandering in het watersysteem met zich meebrengen.

De Achtse Loop en de solitaire waterpartijen nabij de spoorbaan zijn bestemd als 'Water'.

Indien er in de toekomst zich binnen het plangebied kansen voordoen om het gemengd stelsel om te bouwen naar gescheiden stelsel danwel beter te benutten zal de gemeente deze kansen, indien effectief en doelmatig, proberen te benutten.

Nieuwe her(ontwikkelingen) maken ook deel uit van watersysteem, welke dienen te voldoen aan het 'paraplubestemmingsplan waterberging 2020'. Daarbij (huishoudelijk)afvalwater en regenwater van verharde oppervlakken (na waterberging) gescheiden aanleveren tot de gemeentelijke erfgrens. Daar waar er een gescheiden stelsel ligt dient er gescheiden te worden aangesloten. Voor enkele activiteiten (bijvoorbeeld het laden en lossen van gevaarlijke stoffen) kan een uitzondering gelden.

5.5.1 Advies / overleg Waterschap     

P.M. volgt nog in het kader van het vooroverleg.

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving     

6.1 Algemeen     

Het bestemmingsplan "Kerkdorp Acht 2021" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.

6.2 Planmethodiek     

Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.

6.3 Verbeelding     

Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

6.4 Planregels     

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De  Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In  "Begrippen" wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan geldt hiervoor de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Wijze van meten" zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht.

Bestemming "Bedrijf" (Artikel 3)

Deze bestemming is toegekend aan de gronden en opstallen van bedrijven in het plangebied tot ten hoogste categorie 2 als bedoeld in de bij deze regels behorende “Lijst van bedrijfsactiviteiten". Deze lijst is gebaseerd op de VNG-brochure “ Bedrijven en milieuzonering ”. Een hogere categorie bedrijven (tot en met categorie 3.2) is toegestaan ter plaatse van de betreffende aanduiding.



Bedrijven die ingevolge de Wet geluidhinder geluidszoneringsplichtig zijn, zijn uitgesloten. Prostitutiebedrijven, seksinrichtingen en detailhandel zijn eveneens uitgesloten. In het vigerend bestemmingplan hebben een aantal percelen de aanduiding 'detailhandel'. Deze mogelijkheid is overgenomen.



Er kan ook meegewerkt worden aan de vestiging van bedrijven die niet voorkomen op de “Lijst van bedrijfsactiviteiten” maar die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd. De bouwvlakken zijn dusdanig gesitueerd dat enige uitbreiding van de bebouwing mogelijk is.

Bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" (Artikel 4)

Deze bestemming is toegekend aan gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, die gelet op de omvang niet vergunningsvrij kunnen worden opgericht. De bestaande nutsvoorzieningen zijn als zodanig bestemd.

Bestemming "Bos" (Artikel 5)

Deze bestemming is gelegd op de bestaande bossages in het woongebied Acht Zuid. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van aardkundige waarden en het duurzaam instandhouden van het aanwezige bos. De begrenzing van deze bestemming sluit aan bij de begrenzing zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. ter bescherming van de gronden is voor een aantal werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden een omgevingsvergunningsstelsel opgenomen.

Bestemming "Gemengd - 1" (Artikel 6)

Deze bestemming voorziet in een veelheid aan functies, die onderling uitwisselbaar zijn. Het betreft panden / clusters van panden waarbij een diversiteit aan functies gewenst is.

Bestemming "Gemengd - 2" (Artikel 7)

Deze bestemming voorziet in een veelheid aan functies, die onderling uitwisselbaar zijn. Het betreft de percelen achter Waalstraat 62/64 waarbij een diversiteit aan functies gewenst is. De regeling is opgenomen conform het vigerend bestemmingsplan 'XI Acht' voor deze percelen. Tevens is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Bestemming "Groen” (Artikel 8)

Het groen dat in de uitwerking van het gemeentelijke Groenbeleidsplan is aangemerkt als "structureel groen op stedelijk niveau” en “structureel groen op wijk- en buurtniveau” is in het voorliggende plan expliciet voorzien van de bestemming 'Groen'. Deze bestemming omvat ook kleinere waterpartijen.

In het plangebied zijn twee specifieke aanduidingen opgenomen ten behoeve van een dierenweide alsmede een kiosk.

Bestemming "Horeca" (Artikel 9)

Deze bestemming is gelegd op de solitair gelegen horecavestigingen in het plangebied. De planregeling kan ook voorzien tevens in de aanwezigheid van woningen (ondergeschikt aan de horecafunctie). Naar analogie van de "Bijlage 1 Lijst van bedrijfsactiviteiten" bij de bestemming `Bedrijf´ is bij deze bestemming gebruik gemaakt van een "lijst van horeca-inrichtingen". Deze is gebaseerd op basis van het Horecabeleidsplan ´Kwaliteit door differentiatie´.

De Wet milieubeheer en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) bieden onvoldoende mogelijkheden om alle relevante vormen van hinder ten gevolge van de aanwezigheid van horeca-inrichtingen te voorkomen.

De Staat van horeca-inrichtingen, behorende bij de regels van het bestemmingsplan wordt gehanteerd als een aanvulling op de reikwijdte van beide genoemde instrumenten en ter uitvoering van het Horecabeleidsplan.

Horeca - 1 "Maaltijdverstrekkend"

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden.

Horeca - 2 "Drankverstrekkend"

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse.

Horeca - 3 "Multifunctioneel horecabedrijf"

Een inrichting die gericht is op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen worden, alsmede (in sommige gevallen) de gelegenheid biedt tot dansen.

Horeca - 4 "Vermaak, sport, spel en ontspanning"

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het bieden van vermaak, sport, spel en ontspanning.

Horeca - 5 "Logiesverstrekkend"

Hotels en pensions.

Horeca - 6 "Ontmoetingscentra / Maatschappelijke instellingen"

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het in verenigingsverband of anderszins georganiseerd bieden van ontmoetingsgelegenheid al dan niet in combinatie met verstrekking van drank en/of etenswaren die ter plaatse genuttigd kunnen worden.

Bestemming "Kantoor" (Artikel 10)

Deze bestemming is gelegd op specifieke kantoorvestigingen waarbij sprake is van meer dan beroepsuitoefening aan huis.

Bestemming "Maatschappelijk" (Artikel 11)

Het betreft hier een “verzamelbestemming” ten behoeve van medische, sociaal-culturele, religieuze, educatieve en openbare dienstverlenende (non-profit) instellingen en voorzieningen ten behoeve van sport. Concreet gaat het hier om voorzieningen als kerken, scholen, buurtcentra, sporthallen, bejaardenhuizen, welzijnsvoorzieningen, medische (groeps)praktijken e.d. al dan niet in combinatie met (boven)woningen. Gekozen is voor een flexibele regeling, zodat uitwisseling van alle functies die passen binnen de omschrijving mogelijk is.



Binnen de bestemming `Maatschappelijk´ is horeca uitsluitend toegestaan ondergeschikt aan dan wel ter ondersteuning van de desbetreffende maatschappelijke functie(s). Dat wil (zoals vermeld in het gemeentelijke Horecabeleidsplan) zeggen dat de openingstijden van de horeca-activiteit niet ruimer mogen zijn dan die van de hoofdactiviteit, dat de horecavoorziening geen eigen toegang mag hebben en dat er geen separate reclame-uitingen zijn toegestaan.

Binnen het plangebied is eveneens een begraafplaats gesitueerd. Deze heeft een specifieke aanduiding gekregen.

Bestemming "Natuur" (Artikel 12)

Deze bestemming is gelegd op het Ecopark grenzend aan het spoor. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van aardkundige waarden, natuurwaarden, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. De begrenzing van deze bestemming sluit aan bij de begrenzing zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. ter bescherming van de gronden is voor een aantal werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden een omgevingsvergunningsstelsel opgenomen.

Bestemming "Recreatie - Volkstuinen" (Artikel 13)

In het gebied is een volkstuinencomplex aanwezig. Deze is bestemd als Recreatie - Volkstuinen. Binnen deze bestemming zijn bouwregels opgenomen voor een verenigingsgebouw en zijn beperkte mogelijkheden gegeven voor bebouwing per uitgegeven volkstuin.

Bestemming "Sport" (Artikel 14)

De Voetbalvereniging Acht heeft de bestemming Sport gekregen. Gebouwen zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak. Ondergeschikt aan de functie is horeca toegestaan.

Bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" (Artikel 15)

Het gaat bij deze bestemming om de wegen die primair dienen c.q. zullen dienen voor de ontsluiting van de aangrenzende of nabijgelegen gronden, zoals winkelerven, pleinen, woonstraten, woonerven en paden. Ook is deze bestemming bedoeld voor de parkeerterreinen en voor de groenstrookjes, het zogenaamde snippergroen, die een onderdeel zijn van de straatinrichting.

Bestemming "Water" ( Artikel 16)

Binnen deze bestemming vallen de grotere oppervlaktewateren c.q. die oppervlaktewateren die een functie hebben in het watersysteem. Gebouwen zijn niet toegestaan en voor bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt een maximale bouwhoogte van 4 m. Voor werkzaamheden die van invloed zijn op het watersysteem is een omgevingsvergunningsplicht opgenomen.

Bestemming "Wonen" (Artikel 17)

Deze bestemming is gelegd op de in het plangebied gelegen gronden met woningen en de bijbehorende voor- en achtererven. In de regels is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen. Het gebouw dat door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken, wordt beschouwd als het hoofdgebouw. Bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen zijn in architectonisch opzicht te onderscheiden van, en ondergeschikt aan, het hoofdgebouw. Garageboxen behoren bij de woonbestemming en zijn om die reden ook binnen deze bestemming opgenomen waarbij gebruik is gemaakt van de aanduiding 'garagebox'.





Hoofdgebouwen moeten binnen de bouwvlakken worden gebouwd waarbij de bouwvlakken volledig mogen worden bebouwd. Bij "grondgebonden woningen" is in beginsel uitgegaan van een diepte van het bouwvlak van 12 m, gemeten vanaf de voorgevel(rooilijn). Daarbij dient de resterende achtertuin een diepte van minimaal 10 m te hebben. Indien deze minimum diepte in de gegeven situatie niet mogelijk is, is voor het bouwvlak een diepte van 10 m aangehouden. Indien ook dan een ontoereikende diepte van de achtertuin resteert, is een diepte van het bouwvlak overeenkomstig de bestaande situatie aangegeven.



Er is gekozen voor standaardisering van de diepte van het bouwvlak met het oog op rechtsgelijkheid. Veel "grondgebonden woningen" hebben een bestaande diepte van 8 tot 10 m. Mogelijkheden tot uitbreiding van hoofdbebouwing naar 12 m is substantieel en praktisch. Bij de bepaling van de minimaal te behouden tuindiepte worden reeds in de tuin gerealiseerde bijgebouwen buiten beschouwing gelaten. Door het bepalen van de diepte van het bouwvlak vervalt de noodzaak om de achtergevelrooilijn vast te leggen.

Bij vrijstaande woningen op relatief ruime kavels is als diepte van het bouwvlak in beginsel een maat van 15 m aangehouden. Voor minimaal resterende diepte van de achtertuinen bestaan dezelfde uitgangspunten als bovenstaand zijn verwoord.

Het plantype maakt geen uitbreidingen mogelijk aan voorgevel. De voorzijde van woningen bepaalt namelijk in hoge mate het straatbeeld, evenals de onderlinge samenhang van de gevels. Een rommelig gevelbeeld doet afbreuk aan de belevingswaarde van het straatbeeld. Daarom wordt bij een goed stedenbouwkundig plan uitgegaan van een helder en evenwichtig gevelbeeld waarbij de gevels van de afzonderlijke woningen een aantrekkelijk ensemble opleveren. Daarbij dient ook samenhang te ontstaan tussen de afmetingen van het profiel van de openbare ruimte en de gevelhoogten en gevelbreedten. Uitbreidingen aan de voorzijde zijn enkel mogelijk indien dit o.a. vanuit stedenbouwkundig en verkeerskundig geen bezwaren oplevert. Omdat dit nagenoeg altijd “ maatwerk “ is, is hiervoor gekozen voor beleidsregels, genaamd "ontheffingen aan- uit- en bijgebouwen bij woningen”.



In deze beleidsregels zijn ook uitbreidingsmogelijkheden aangegeven voor aan-, uit- en bijgebouwen. Ook zijn in deze beleidsregels mogelijkheden opgenomen voor het realiseren van mantelzorgwoningen.



In de regeling zijn specifieke regels opgenomen voor de bouw van een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een woning. In onderstaande figuur is hiervan een uitwerking opgenomen:

verplicht



Voor de uitbreiding van een bungalow/patiowoning is ook een regeling voor de uitbreiding hiervan opgenomen. In onderstaande figuur is hiervan een uitwerking opgenomen:

verplicht

Aan huis-verbonden-beroepen

Het gebruik van ruimten voor aan huis verbonden beroepen is binnen de woonbestemming toegestaan (tot maximaal 50 m2). Via een afwijking is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om maximaal 75 m² vloeroppervlak te benutten voor aan huis gebonden beroepen.

Tevens is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om maximaal 30 m2 te benutten voor kleinschalige bedrijvigheid.

Dubbelbestemmingen "Leiding - Gas" (Artikel 18) en "Leiding - Hoogspanningsverbinding" (Artikel 19)

Deze dubbelbestemmingen rusten op respectievelijk een ondergrondse hoge druk gastransportleiding en op hoogspanningensleidingen. De hierop betrekking hebbende regels hebben tot doel de leidingen te beschermen.

Dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie - 1" (Artikel 20)

Deze dubbelbestemming is opgenomen voor gebieden waar de bebouwing binnen het plangebied van cultuurhistorische waarde is. De regels zijn opgesteld ten behoeve van het behoud van de cultuurhistorische waarden van die bebouwing. Waar nodig is met een aanduiding 'karakteristiek' voor specifieke panden aanvullend geregeld dat de bestaande goot- en bouwhoogte als maximum gelden en is aan de aanduiding een sloopvergunningsstelsel gekoppeld.

Dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie - 2" (Artikel 21)

De gebieden en landschapselementen in het plangebied welke cultuurhistorisch waardevol

zijn, hebben de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie - 2 gekregen. Binnen deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan, met uitzondering van één schuilgelegenheid.

De begrenzing van de gebieden en de landschapselementen zijn gebaseerd op het rapport van RAAP 3398 "Het landschap onder de stad' d.d. 13 november 2018 kaartbladen 1, 2 en 3. Ter toelichting en onderbouwing is dit rapport als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In de regeling is opgenomen dat advies wordt gegeven door de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur. Dit advies wordt uitgebracht op basis van genoemd onderzoek.

Onder de Algemene regels zijn opgenomen de Anti-dubbeltelregel, de Algemene gebruiksregels, de Algemene aanduidingsregels, de Algemene afwijkingsregels en de Overige regels



Voorwaardelijke verplichting parkeren

Hierin is geregeld dat moet worden voldaan aan de beleidsregels Actualisatie nota parkeernormen 2019 bij bouwen. Ook is er een mogelijkheid opgenomen om van de regels af te wijken. De verwijzing naar de beleidsregels is dynamisch zodat altijd de meest actuele nota parkeernormen geldend is.



Voorwaardelijke verplichting waterberging

In de overige regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg van waterberging bij de bouw van bouwwerken. Op grond van deze verplichting mag er alleen gebouwd worden als er voldoende waterberging is aangelegd, eventueel in combinatie met andere maatregelen die bijdragen aan het klimaatbestendig maken van de stad. Deze verplichting is ontleend aan paragraaf 5.5 en de beleidsregel "Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen" in bijlage 5 van het Gemeentelijk Rioleringsplan Eindhoven 2019-2022 (verder: GRP). Bij bouwwerken met een oppervlakte van 150 m² of meer moet in principe een waterberging aangelegd worden tot 75 mm per m² oppervlakte van het bouwwerk. Voor bouwwerken met een oppervlakte tussen 50 m² en 150 m² geldt een lagere bergingseis: daar moet in principe worden voorzien in een waterberging tot 25 mm per vierkante meter bouwoppervlakte. In groenarme gebieden geldt een hogere eis, omdat daar een grotere opgave ligt.



Een deel van de vereiste waterberging kan worden gecompenseerd met andere maatregelen die in lijn zijn met het beleid voor klimaatadaptatie, dat is beschreven in de beleidsregel Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het aanplanten van nieuwe bomen (die zorgen voor vasthouden van regenwater en beschaduwing) of het aanleggen van gevelgroen. De exacte omvang van de benodigde waterberging en de omvang van andere maatregelen is sterk afhankelijk van de kenmerken van het bouwplan en de locatie. De wijze waarop de benodigde maatregelen moeten worden bepaald, is uitgewerkt in de genoemde beleidsregel.



De gemeente heeft een rekentool beschikbaar gesteld waarmee initiatiefnemers eenvoudig kunnen nagaan wat de omvang van de maatregelen moet zijn, op basis van een aantal gegevens van hun initiatief en de locatie. Deze rekentool is te raadplegen op https://rekentool.eindhovenduurzaam.nl. De rekentool is dynamisch van aard, dat wil zeggen dat deze kan worden aangepast.

Bestaande situaties gesplitste woningen

Voor de bedoelde bestaande situaties zoals in dit bestemmingsplan geregeld in de begrippenlijst gaat het uitsluitend om legale bestaande gevallen op grond van het bestemmingsplan en niet om bestaande legale gevallen op basis van de huisvestingswet en/of - verordening. Hierdoor worden de bestaande legale situaties op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan (en situaties die beschikken over een betreffende vergunning voor planologisch strijdig gebruik), in dit bestemmingsplan ook positief bestemd.

In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen.

Hoofdstuk 7 Handhaving     

Handhavingsnota Leefomgeving 2018-2021

In Eindhoven streven we naar een aantrekkelijke stad waar inwoners en bezoekers zich welkom, thuis en veilig voelen. Voor het behoud van een prettige leefomgeving zijn regels nodig. Het voorkomen van overtredingen en de bereidheid om regels na te leven heeft een hoge prioriteit. Hoe dit wordt vormgegeven staat in de 'nota Handhaving Leefomgeving 2018-2021'. De nota is op 27 februari 2018 door het college vastgesteld. Het is een integraal beleidsplan waarin op hoofdlijnen de keuzes voor het handhaven van de fysieke leefomgeving staan beschreven. Op basis van de nota wordt jaarlijks een uitvoeringsplan opgesteld waarin de aanpak wordt geconcretiseerd.

Uitgangspunten

Bij de vertaling van dit beleidskader naar een concreet, jaarlijks uitvoeringsplan worden een aantal uitgangspunten in acht genomen. De belangrijkste uitgangspunten zijn:

  • Informatie gestuurd

    De gemeente Eindhoven ziet informatie gestuurde handhaving als een belangrijke pijler. Er zijn ontwikkelingen op het gebied van ICT en data analyse. Door gemeentelijke en andere informatiebronnen te ontsluiten, te analyseren en te combineren kunnen we een problematiek eerder (of preventief) en gerichter aanpakken.

  • Gebiedsgericht

    Om optimaal in te kunnen spelen op vraagstukken van inwoners zet de gemeente Eindhoven binnen het ruimtelijk domein al geruime tijd in op gebiedsgericht toezicht. Dit doen we door - vanuit een actieve samenwerking met wijkteams - te kijken naar naleefgedrag, oorzaken en oplossingen gerelateerd aan geografische gebieden. Er zijn verschillende vragen, doelgroepen en belangen. Kennis wordt gedeeld en ervaringen van inwoners en bedrijven worden verzameld. Deze input is van invloed op de prioriteiten in het jaarlijkse uitvoeringsplan, waar mogelijk toegespitst op een specifieke wijk. Per wijk kunnen er dus op basis van gebiedsanalyses en bijvoorbeeld buurtcontracten verschillende bouwstenen zijn voor het uitvoeringsplan.

  • Risico- en oplossingsgerichte benadering

    De gemeente Eindhoven benadert toezicht en handhaving risico- en oplossingsgericht. De prioriteiten worden in beginsel gebaseerd op een inschatting van de veiligheids- en gezondheidsrisico's voor inwoners. Ook aspecten als leefbaarheid, duurzaamheid en omgevingskwaliteit wegen in belangrijke mate mee. Daarnaast worden prioriteiten mede gebaseerd op wat inwoners en bedrijven belangrijk vinden. Eindhoven hecht eraan om vraagstukken waar mogelijk gezamenlijk op te lossen.

    Er zijn onderwerpen die in algemene zin aandacht vragen. Brandveilig gebruik van woongebouwen verdient (nog) meer aandacht, in de context van kwetsbare groepen die langer zelfstandig blijven wonen. Ook aanpak van jeugdoverlast, duurzaamheid en de bestaande bouw zijn voorbeelden. Er wordt gezocht naar de beste oplossing die nodig is voor het versterken van de veiligheid in de leefomgeving van onze inwoners. Hiermee ontstaat een risicoanalyse op basis waarvan vervolgens de prioriteiten binnen het toezicht worden gesteld.

  • Consequent en doelmatig

    Uitvoeringsplannen en jaarverslagen bevatten een overzicht van de inzet en capaciteit voor handhaving. In het verlengde van informatie gestuurde en oplossingsgerichte handhaving vergt doelmatige handhaving een analyse van resultaten. Meetbare doelen om te beoordelen of de beschikbare capaciteit zo doelmatig mogelijk wordt ingezet. We beogen in de komende jaren een ontwikkeling door te maken in de vierslag capaciteit – prioriteit – risicoanalyse - nalevingsniveau. Dit moet onder andere leiden tot meer inzicht in de relatie tussen handhavingsinspanningen en het nalevingsniveau (effect).

Prioritering

De gemeente Eindhoven maakt keuzes om ervoor te zorgen dat de beschikbare capaciteit zo adequaat mogelijk wordt ingezet. Om goede prioriteiten te stellen is inzicht noodzakelijk in mogelijke problemen, de risico's en negatieve effecten. Hierdoor kan beter ingespeeld worden op de grootste ergernissen en notoire overtreders en draagt handhaving bij aan een verhoogd gevoel van veiligheid. Met inachtneming van de uitgangspunten zijn in de nota prioriteiten gesteld. Aan de hand van deze prioriteiten, het budget uit de programmabegroting, incidentele bestuurlijke prioriteiten en het naleefgedrag van burgers en bedrijven, wordt jaarlijks het uitvoeringsplan voor toezicht en handhavingsprogramma opgesteld.

Uitvoeringsplan

In het uitvoeringsplan wordt op hoofdlijnen opgenomen waar de capaciteit dat jaar wordt ingezet. Daarbij is een onderverdeling gemaakt in:

  • Object en informatiegericht

    - Bouwen en Wonen

    - Openbare leefomgeving

    - Bedrijven

  • Gebiedsgericht

    - Pilot Veiligheid en leefbaarheid

    - Actiegebieden

  • Themagericht

    Bij ieder onderdeel worden jaarlijks een aantal belangrijke ontwikkelingen op het gebied van toezicht en handhaving opgenomen. Dat kan bijvoorbeeld gaan om woonoverlast bij de Activiteiten Bouwen & Wonen. Of duurzaamheid en energiebesparing bij de Activiteiten Bedrijven.

Bovengenoemde onderverdeling komt in elk uitvoeringsplan terug. Per jaar wordt aangegeven welke prioriteit een onderdeel heeft en hoeveel capaciteit er wordt ingezet.

Duidelijke regels

Om overtredingen te voorkomen en goed te kunnen handhaven is het belangrijk dat regels duidelijk zijn. Het moet duidelijk zijn wat wel en niet mag. Regels dienen niet voor verschillende uitleg vatbaar te zijn. Bij het opstellen van bestemmingsplannen is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. De regels zijn zo geschreven, dat deze in de praktijk goed toetsbaar zijn. De juridische toelichting op het bestemmingsplan en de begrippenlijst geven nadere uitleg over de regels en over de begrippen die gebruikt worden.

Hoofdstuk 8 Financiële aspecten     

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten; die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar.

Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst.

Ook kan er sprake zijn van zogenaamde “kruimelgevallen”. Het komt er hierbij op neer dat de door de gemeente te maken kosten beperkt zijn en de kosten verhaald kunnen worden via de legesverordening. Voorwaarde hierbij is dat er geen sprake is van fasering, locatie-eisen of eisen aan woningbouwcategorieën.

Voor dit conserverende bestemmingsplan geldt dat het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd door gemeentelijke gronduitgifte of bij een overeenkomst of omdat er enkel sprake is van “kruimelgevallen”.

Hoofdstuk 9 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid     

9.1 Bekendmaking ex artikel 1.3.1 Bro     

Op grond van artikel 1.3.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet van het voornemen een bestemmingsplan voor te bereiden, kennis worden gegeven. De kennisgeving van de voorbereiding van onderhavig bestemmingsplan is geplaatst in Groot Eindhoven op 3 juli 2019. De kennisgeving is tevens bij de officiële publicaties op de gemeentelijke website www.eindhoven.nl geplaatst. Er zijn geen stukken betreffende het voornemen ter inzage gelegd, noch de mogelijkheid open gesteld om zienswijzen tegen het voornemen in te dienen of instanties om advies te vragen.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro     

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Bij de voorbereiding is overleg geweest met:

  • 1. Provincie Noord-Brabant
  • 2. Waterschap de Dommel
  • 3. Trefpunt Groen Eindhoven
  • 4. Henri van Abbestichting
  • 5. Stichting Bescherming Wederopbouwerfgoed Eindhoven
  • 6. Veiligheidsregio Zuidoost Brabant
  • 7. TenneT B.V.
  • 8. Gasunie
  • 9. Prorail B.V.

Wij hebben van alle vooroverlegpartners een reacties ontvangen. Hieronder is een samenvatting van de ontvangen vooroverlegreacties weergegeven met het gemeentelijk standpunt op die reacties.

1. Provincie Noord Brabant

Het voorontwerpbestemmingsplan is beoordeeld aan de hand van de Brabantse Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening Noord Brabant. Het plan is in overeenstemming met de provinciale belangen.

antwoord

Wij vinden het prettig te vernemen dat het voorontwerpbestemmingsplan voldoet aan de provinciale belangen. Ambtshalve hebben wij aan het einde van paragraaf 3.3.3 van de toelichting het volgende toegevoegd:

"Ontwerp omgevingsverordening Noord-Brabant

De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels zijn samengevoegd. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. De huidige regels in de Interim omgevingsverordening zijn gehanteerd als uitgangspunt. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • Er is aansluiting gezocht bij de opbouw van de rijksregels. Diverse nadere regelingen zijn in de Omgevingsverordening verwerkt.
  • Vanwege het vervallen van de Wet bodembescherming zijn nieuwe regels opgenomen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen. Het voorstel is om daarvoor ook voorbeschermingsregels vast te stellen.
  • De aanwijzing van voor verzuring gevoelige kwetsbare gebieden (Wav-kaarten) is vervallen.
  • De rechtstreeks werkende regels voor de ontwikkeling van veehouderij en mestbewerking vervallen. Het voorstel is om die te vervangen door voorbeschermingsregels.
  • Er is een attentiezone geluid opgenomen langs provinciale wegen waarbinnen aandacht wordt gevraagd voor het oprichten van geluidgevoelige bebouwing.

Gedeputeerde Staten hebben op 23 maart 2021 het ontwerp van de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze lag vanaf 9 april 2021 ter inzage voor de duur van zes weken.

In het ontwerp van de omgevingsverordening Noord-Brabant zijn geen wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van de interim omgevingsverordening die relevant zijn voor onderhavig plangebied.".

2. Waterschap de Dommel

Het waterschap stemt in met het voorontwerpbestemmingsplan in het kader van de watertoetsprocedure. Het plan betreft een conserverend plan. Het gemeentelijk beleid is correct opgenomen en verankerd in de planregels (artikel 2.5.4). Opgemerkt wordt dat de wateren in het plangebied geen a-watergangen betreffen, zoals correct omschreven in tabel van paragraaf 5.4.1, maar afwijkend van paragraaf 5.4.2.

antwoord

Wij vinden het prettig te vernemen dat het waterschap zich kan vinden in het voorontwerpbestemmingsplan. Conform de gemaakte opmerking zal de eerste zin van paragraaf 5.4.2 van de toelichting worden aangepast in die zin dat niet meer wordt gerefereerd aan a-watergangen.

3. Trefpunt Groen Eindhoven

Eerder begrepen we dat woonwagenlocaties niet meer apart worden opgenomen in bestemmingsplannen. Ze krijgen in andere plannen gewoon bestemming “wonen”, bijvoorbeeld. In het huidige bestemmingsplan is echter gekozen om de woonwagenlocatie totaal uit het plan te knippen. Daarmee is ook de bestemming “groen”, wat een groot deel van de locatie had, nu onduidelijk geworden. Blijft dit wel een groenbestemming houden?

antwoord

Gedoeld wordt op de woonwagenlocatie aan de Alblasstraat. Aangezien deze woonwagenlocatie is uitgebreid met vier extra standplaatsen gaat het hier om een ontwikkeling en niet om een actualisatie. Daarom is hiervoor een nieuw bestemmingsplan gemaakt namelijk het bestemmingsplan 'V Kerkdorp Acht 2007 (woonwagenlocatie Alblasstraat)'. Dit bestemmingsplan is op 23 februari 2021 vastgesteld. Woonwagenlocaties worden overigens nog steeds apart bestemd met als hoofdbestemming de enkelbestemming 'Wonen-Woonwagenstandplaats'.

verplicht

Plangebied bestemmingsplan 'Kerkdorp Acht 2007' (woonwagenlocatie Alblasstraat)

verplicht

Plangebied bestemmingsplan 'V Kerkdorp Acht 2007 (woonwagenlocatie Alblasstraat)'

Voor de mogelijke verschillen in de bestemming 'Groen' wordt verwezen naar het bestemmingplan 'V Kerkdorp Acht 2007 (woonwagenlocatie Alblasstraat)'.

Deze reactie is reeds per e-mail van 13 april 2021 naar het Trefpunt Groen gestuurd.

4. Henri van Abbestichting

Het in het kader van het met de gemeente afgesproken vooroverleg toegezonden voorontwerpbestemmingsplan Kerkdorp Acht 2021 heeft aanleiding gegeven voor de volgende

opmerkingen. Al geruime tijd wordt gewerkt aan de dringend noodzakelijke herziening van de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven. Aan de voorbereiding van die herziening

wordt gewerkt door een ambtenaar van de gemeente en door derden. In dat kader zijn o.a. de radialen in Acht bekeken en beschreven. Uit het nu voorliggende voorontwerpbestemmingsplan blijkt niet dat er met de opgestelde waardering en aanbevelingen rekening is gehouden. Verzocht wordt dat alsnog te doen. Daartoe is een (concept) beschrijving van de radialen in Acht bijgevoegd.

Daarnaast wordt verzocht om de volgende panden de aanduiding 'karakteristiek' te geven.

IJsselstraat 1, Lekstraat 4, Rijnstraat 5a-7b, Rijnstraat 33, Rijnstraat 74-76, Waalstraat 29b,

Waalstraat 122-124, Cor Gehrelslaan 7, Amstelstraat 4, Scheldestraat 2, Scheldestraat 4-6, Scheldestraat 7, Scheldestraat 8-10.

antwoord

De bekeken en beschreven radialen worden als bijlage aan de toelichting toegevoegd.

Op verzoek van de stichting en na overleg met de vakspecialist van de gemeente hebben de volgende panden de aanduiding 'karakteristiek' gekregen: IJsselstraat 1 (gerestaureerde langgevelboerderij 1854), Lekstraat 4 (patronaatsgebouw 1934), Rijnstraat 5a-7b (boerderij), Rijnstraat 33 (huis met timmermanswerkplaats rechts 1922, schuur links 1929), Waalstraat 29b (arbeiderswoning 1903), Waalstraat 122-124 (dubbele woning, voorheen boerderij 1901), Cor Gehrelslaan 7 (langgevelboerderij De Taarspot 1884, bakhuis 1894, stal 1895), Scheldestraat 4-6 (dubbelwoning 1914), Scheldestraat 8-10 (dubbelwoning, vroeger boerderij 1903), Scheldestraat 7 (boerderij 1936).

Rijnstraat 42-44 heeft bij nader inzien ook deze aanduiding gekregen, ondanks het feit dat deze locatie niet wordt genoemd door de stichting. Hetzelfde geldt voor Rijnstraat 1-17 (m.u.v. Rijnstraat 1a en 1b): deze panden krijgen allemaal de aanduiding 'karakteristiek'.

Het betreffen beeldbepalende panden, die van waarde zijn vanwege hun verschijningsvorm/ architectuur en hun stedenbouwkundige kenmerken. Bovendien betreffen het nog 'gave' panden: ze kenmerken zich door de oorspronkelijke architectuur en detailleringen en daarmee is de historie nog goed afleesbaar. De toelichting is conform het bovenstaande ook aangepast.

5. Stichting Bescherming Wederopbouwerfgoed Eindhoven

De Stichting Bescherming Wederopbouwerfgoed Eindhoven heeft het voorontwerpbestemmingsplan bekeken en geeft aan geen vooroverlegreactie in te dienen, omdat het hier om het actualiseren van het bestemmingsplan gaat en er geen directe aanleiding is om het ter plaatse aanwezige wederopbouwerfgoed te wijzigen. Zij blijft het op prijs stellen dat ook deze plannen naar haar worden gestuurd voor een zienswijze.

antwoord

Wij vinden het prettig te vernemen dat de Stichting Bescherming Wederopbouwerfgoed Eindhoven zich kan vinden in het voorontwerpbestemmingsplan.

6. Veiligheidsregio

Er is gekeken naar de huidige situatie en ontwikkelingen in dit gebied. Aangegeven wordt dat enkele adviezen die ten goede komen aan de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid. Deze

leest u hieronder.

1. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening

Verzocht wordt in gesprek te gaan met de afdeling planvorming over de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen voor het aanliggend spoortracé. De beheersbaarheid en bestrijdbaarheid voor het bestemmingsplan Kerkdorp Acht 2021 is voldoende. Dit geldt niet voor het aanliggend spoortracé, wat een lastigere bereikbaarheid heeft door de aanwezigheid van een groenstrook en bijbehorende infrastructuur. Bluswatercapaciteit is voor het tracé niet overal voorhanden. Om goed te onderzoeken wat er aan (extra) voorzieningen noodzakelijk zijn (in onder andere dit plan bij het tracé) gaat de afdeling planvorming graag in gesprek. In een gezamenlijk overleg met de gemeente kan besproken worden voor welke ontwikkelingen in dit gebied kansen liggen om bovenstaande punten op te pakken. Als uitgangspunt worden door de veiligheidsregio de beleidsregels bereikbaarheid en bluswater van de Veiligheidsregio gehanteerd.

2. Risicocommunicatie

Geadviseerd wordt risicocommunicatie in te zetten. Deze manier van communicatie kan gebruikt worden om aanwezigen in het gebied te informeren over de risico's van gevaarlijke stoffen en hoe zij zich kunnen voorbereiden bij een incident met gevaarlijke stoffen. Dit specifiek op het gebied waar het risico (impact) van een ongeval met de gevaarlijke stoffen aanwezig is. In dit geval is dat (in ieder geval) binnen de gekleurde zones, die onderstaande illustraties staan aangegeven.

verplicht

Bron: Mapgallery VRBZO, 2-3-2021 – Blauwe stippellijn is het plangebied. Gekleurde gebouwen (oranje/rood): verminderd zelfredzame personen aanwezig.

Voor aanvullende handvatten voor risicocommunicatie met betrekking tot gevaarlijke stoffen wordt verwezen naar de 'Handreiking risicocommunicatie gevaarlijke stoffen' te vinden op www.vrbzo.nl.

antwoord

Er is kennis genomen van het advies van de Veiligheidsregio. Voor een reactie hierop wordt verwezen naar de vernieuwde paragraaf 4.5 externe veiligheid van de toelichting van het bestemmingsplan. In overleg met de Veiligheidsregio zal nog gekeken worden naar de bereikbaarheid van het spoor.

 

7. TenneT B.V.

Binnen de grenzen van dit plan bevindt zich de 150.000 Volt hoogspanningsverbinding Best – Eindhoven Noord met een bijbehorende belemmerde strook van 17,50 meter aan weerszijden van het hart (totaal 35 meter). Op de verbeelding is een belemmerde strookbreedte opgenomen van 40 meter. Verzocht wordt de strookbreedte aan te passen naar 35 meter.

In artikel 19 van de planregels zijn de regels opgenomen voor de dubbelbestemming Leiding – Hoogspanningsverbinding. Met name de onder 19.4.1 aangegeven verboden dienen uitgebreid te worden om een goede bescherming voor invloeden van buitenaf te kunnen voorkomen, waarbij verwezen is naar een bijgevoegde bijlage waarin de gewenste toevoeging is opgenomen.

Aandacht wordt gevraagd voor de enkelbestemming 'Natuur' in combinatie met de dubbelbestemming 'Leiding – Hoogspanningsverbinding'. De dubbelbestemming 'Leiding – Hoogspanningsverbinding' heeft voorrang op de onderliggende bestemmingen. In het verlengde daarvan wordt gevraagd of voor onderhoud aan de hoogspanningsverbinding of voor het kappen voor spontaan groeiende gewassen (bijv. artikel 12.4.1 onder c) geen omgevingsvergunning hoeft te worden gevraagd. Overigens is TenneT B.V. in het bezit van een "gedragscode" die vrijstelling voor dit soort zaken geeft.

antwoord

De op dit moment in artikel 19 opgenomen regels voor de dubbelbestemming 'Leiding – Hoogspanningsverbinding' bieden naar onze mening voldoende ruimtelijke bescherming. Volgens het huidige artikel 19.1 is ter plaatste alleen een hoogspanningsleiding mogelijk met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daarmee is de aanleg van wegen, parkeerplaatsen en zonneparken sowieso niet mogelijk. Ook het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen is niet aan de orde, omdat zich ter plaatse van de dubbelbestemming geen bestaande watergang bevindt. Het aanleggen van een nieuwe watergang behoort evenmin tot de mogelijkheden: het huidige plan is een actualisatie en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk.

Het bepaalde in artikel 19 van de planregels gaat, voor zover er van een tegenstrijdigheid sprake is met het bepaalde in een enkelbestemming 'Natuur', voor. Voor normaal onderhoud aan een hoogspanningsverbinding is geen vergunning nodig. Dit is bepaald in artikel 19.4.2 onder c van de planregels. Voor het kappen van spontaan groeiende gewassen is geen vergunningvereiste opgenomen in artikel 19. De enkelbestemming 'Natuur' kent wel een vergunningplicht voor het rooien, kappen of verminken van de houtopstand en gewassen (artikel 12.4.1. onder c).

Voor zover deze enkelbestemming 'Natuur' naast de genoemde dubbelbestemming ook van toepassing is, geldt dus dat een vergunning nodig is voor het rooien, kappen of verminken van de houtopstand en gewassen.

8. Gasunie

Het voorontwerp geeft de Gasunie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen.

Verbeelding: De gasleiding is deels niet bestemd incl. de belemmeringenstrook of de belemmeringenstrook is niet juist. De regionale aardgastransportleiding heeft een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de gasleiding. Verzocht wordt de gasleiding in het plangebied te controleren en aan te passen met inachtneming van de gemaakte opmerkingen, waarbij verwezen wordt naar de hieronder weergegeven afbeelding. Verzocht wordt tevens artikel 18 'Leiding – Gas' aan te passen, omdat artikel 18.2 en artikel 18.3 niet volledig zijn. In dat verband is een tekstvoorstel gedaan.

verplicht

antwoord

Daar waar de gasleiding loopt en een dubbelbestemming 'Leiding – Gas' ontbreekt is deze alsnog opgenomen op de verbeelding. De benodigde belemmeringenstrook van vier meter aan weerszijden van de hartlijn van de gasleiding is gecontroleerd en zo nodig aangepast.

De voorgestelde wijzigingen van artikel 18.2 en 18.3 worden niet doorgevoerd, omdat deze volgens ons geen toegevoegde waarde hebben.

9. Prorail

In deze fase van de procedure heeft ProRail geen opmerkingen op het voorontwerpbestemmingsplan.

antwoord

Wij vinden het prettig te vernemen dat Prorail zich kan vinden in het voorontwerpbestemmingsplan.

9.3 Inspraak     

Per 1 oktober 2008 is de "Verordening Samenspraak en Inspraak gemeente Eindhoven 2008" in werking getreden. Het doel hiervan is het betrekken van burgers bij de besluitvorming. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft 6 weken ter inzage gelegen van 8 april 2021 tot en met 19 mei 2021. In die periode is iedereen in de gelegenheid gesteld een reactie ten aanzien van het voorontwerp in te dienen. Naast de officiële publicatie in het huis aan huis blad Groot Eindhoven en op de gemeentelijke website heeft een extra publicatie in het Groot Eindhoven plaatsgevonden op 2 september 2020. Ook is de ter inzage legging gedurende twee weken dagelijks via Facebook onder de aandacht gebracht en is melding gedaan aan de woningcorporaties, die bezit hebben binnen het plangebied. Deze aanvullende manieren om de ter inzage legging van het voorontwerpbestemmingsplan onder de aandacht te brengen, zijn gekozen, omdat het in de periode dat het voorontwerpbestemmingsplan ter inzage lag niet mogelijk was om inloopavonden te organiseren vanwege Covid-19. Tevens is eenieder de mogelijkheid geboden om telefonisch of per email vragen te stellen over het voorontwerpbestemmingsplan.

Hieronder is een samenvatting van de ontvangen reacties weergegeven met het gemeentelijk standpunt op die reacties.

Inspraakreacties:

1. Bewoners Waalstraat 60 en 64

Uit de toelichting blijkt dat het bestemmingsplan vooral is gericht op actualisering en niet op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat is uitgegaan van de huidige situatie en rekening is gehouden met het meest recente ruimtelijk relevante beleid, wet- en regelgeving en rechtelijke uitspraken. In dat verband wordt aandacht gevraagd voor de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 februari 2011 over het bestemmingsplan 'Kerkdorp Acht 2007'. Hiermee werd goedkeuring onthouden aan de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden I (artikel 8) ter plaatse van de gronden achter de panden Waalstraat 48 t/m 64.

In het onderhavige voorontwerp zijn de genoemde gronden bestemd als 'Gemengd – 2' (artikel 7). In artikel 7.1 onder a is bepaald dat bijgebouwen, aan- en uitbouwen behorende bij de aangrenzende woningen, zoals bedoeld in 'Artikel 17 Wonen', al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep mogelijk zijn. Zelfstandige woningen zijn niet toegestaan. In paragraaf 6.4 van de toelichting is deze bestemming verder uitgelegd wat daaronder wordt verstaan, waarbij verwezen wordt naar het bestemmingsplan 'XI Acht', dat gold vóór 'Kerkdorp Acht 2007'.

Echter In het bestemmingsplan 'XI Acht' gold ter plaatse op grond van artikel 2 de bestemming 'Gemengde bebouwing (G)'. De hiervoor aangewezen bebouwing zijn bestemd voor woondoeleinden in de vorm van (zelfstandige) woningen met daarbij behorende nevenruimten (artikel 2.1 onder b). Zelfstandige woningen behoorden daar dus wel tot de mogelijkheden.

Op deze manier wordt geen recht gedaan aan de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2011. Verzocht wordt daarom artikel 7 te corrigeren, met dien verstande dat de letterlijke tekst van artikel 2.1 van de planregels van het bestemmingsplan 'XI Acht' wordt overgenomen.

antwoord

In artikel 2.2 van de planregels van het hier geldende bestemmingsplan 'XI Acht' staan de bouwregels die horen bij de bestemming 'Gemengde bebouwing'. Daarin staat onder sub a vermeld dat de hoofdgebouwen met eventuele nevenruimten dienen te worden gesitueerd op de gronden die op de kaart met een donkere tint zijn aangegeven waarbij moet worden voldaan aan een aantal eisen, vermeld onder 1 tot en met 3 (onder meer een goothoogte van maximaal 6.5 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter). Op de overige gronden mag bebouwing worden gerealiseerd passend binnen de bestemming met een maximale hoogte van 5 meter.

verplicht verplicht

Verbeelding en legenda bestemmingsplan 'XI Acht'

verplicht

Verbeelding voorontwerp 'Kerkdorp Acht 2021'

Volgens artikel 1 onder g van de planregels is een hoofdgebouw een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Een bouwperceel is volgens het bepaalde onder e van het genoemde artikel een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan bebouwing is toegestaan.

Op het gehele stuk grond met de bestemming 'Gemengde bebouwing' is bebouwing toegestaan waarbij geldt dat maximaal 70% mag worden bebouwd. Gezien de constructie en afmetingen van de gerealiseerde woningen èn het feit dat deze op de gronden staan, die op de verbeelding met een donkere tint zijn gemarkeerd, worden de gerealiseerde woningen beschouwd als de hoofbebouwing. De overige bebouwing is gelegen in de niet donkere tint en mag een hoogte hebben van maximaal 5 meter.

Het bovenstaande heeft ons doen besluiten om ook de (bedrijfs)woningen aan Waalstraat 64 tot en met 46 de bestemming 'Gemengd – 2' (kadastrale nummers 2791, 1841, 1840, 2185, 2186 en 1038) te geven en daarop een bouwvlak te leggen zoals reeds in het voorontwerp is aangegeven. Voor de gehele bestemming 'Gemengd – 2' geldt dat met een aanduiding zal worden aangegeven dat het bebouwingspercentage maximaal 70% mag zijn. Daarmee wordt recht gedaan aan de inhoud van het bestemmingsplan 'XI Acht' en de genoemde uitspraak van de Afdeling.

Overigens heeft dit tot gevolg dat buiten de locatie met de donkere tint op de 'oude' verbeelding en buiten het bouwvlak op de nieuwe verbeelding geen woningen (= hoofdgebouwen) mogen worden gebouwd, omdat anders niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.2 sub a van de geldende planregels uit 'XI Acht'.

Dat betekent overigens niet persé dat op de percelen, die zijn gelegen achter de bestaande woningen, met de perceelnummers 898, 2792, 742, geen woningen kunnen worden gebouwd. Indien die wens bestaat en er wordt tijdig een voorstel ingediend wat ook kan worden gekwalificeerd als concreet en aanvaardbaar dan wordt dit in overweging genomen. Voor de ontwerpfase van het actualisatie bestemmingsplan 'Kerkdorp Acht 2021' is dat op dit moment niet aan de orde, omdat van zo'n voorstel op dit moment geen sprake is.

2. Bewoners Verzetsheldenlaan 17

Vermeld wordt dat de bewoners op 4 december 2019 zes parkeerplaatsen van de gemeente hebben gekocht, die zijn gelegen achter hun woning aan de Verzetsheldenlaan 17. Deze parkeerplaatsen lagen aan de Henri van der Puttlaan en zijn bij hun tuin gevoegd.

In het voorontwerp is het betreffende stuk grond nog niet aan hun perceel toegevoegd, maar heeft nog als bestemming 'Verkeer – Verblijfsgebied'. Deze locatie moet de bestemming 'Wonen' krijgen. Verwezen wordt naar de koopovereenkomst, die als bijlage bij de inspraakreactie is gevoegd.

verplicht

Kaartje met aangekochte strook grond

antwoord

Op verzoek van de bewoners zal de aangekochte strook grond conform het hierboven weergegeven kaartje de bestemming 'Wonen' (zonder bouwvlak) krijgen.

3. Bewoner

Op de locatie Rijnstraat 21A ligt het bouwvlak niet ter plaatse van de huidige woning heen. Gevraagd wordt hoe dit kan en of dat wel juist is.

antwoord

Het bouwvlak van Rijnstraat 21A correspondeert met de topografische ondergrond (BGT) en het bouwvlak uit het vigerend bestemmingsplan. De hoofdmassa van de woning valt binnen het bouwvlak. De opmerking van de bewoner geeft daarom geen aanleiding om het bouwvlak aan te passen.

4. Bewoner Jan Gielenlaan 16

Gevraagd wordt of er in het bestemmingsplan rekening is gehouden met het ter plaatse ondergronds leggen van de hoogspanningsleiding? Er is immers een forse rijksregeling beschikbaar, die nog niet is aangesproken, maar wel moet gebeuren. In het bestemmingsplan is daarover niets terug te vinden.

antwoord

Hiermee is geen rekening gehouden. Het nieuwe plan is een actualisatieplan en regelt de huidige, bestaande situatie: een bovengrondse hoogspanningsleiding. Mogelijke toekomstige, ondergrondse hoogspanningsleidingen wordt gezien als een nieuwe ontwikkeling en daarin voorziet het nieuwe plan niet.

9.4 Zienswijze en ambtshalve wijzigingen     

Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft met ingang van donderdag 7 oktober 2021 tot en met woensdag 17 november 2021 op de gebruikelijke wijze ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerp van het bestemmingsplan kenbaar te maken.

Naar aanleiding van de tervisielegging is één zienswijze ontvangen. Hieronder is deze zienswijze weergegeven en van een gemeentelijke reactie voorzien.

1. Bewoners Waalstraat 60 en 64

De zienswijze heeft (wederom) betrekking op de gronden achter de panden Waalstraat 48 t/m 64 die die in het ontwerpbestemmingsplan zijn aangewezen voor 'Gemengd - 2'. Deze bestemming is niet wenselijk waarbij wordt verwezen naar de gedeeltelijke herziening 'Xl Acht' (2000). Door de opheffing van de spoorovergang Waalstraat-Mispelhoefstraat destijds maakt

de Waalstraat niet langer deel uit van een doorgaande verbinding voor gemotoriseerd verkeer tussen Kerkdorp Acht en GDC-Acht. Als gevolg hiervan was het verkooppunt van autobrandstoffen van belanghebbenden aan de Waalstraat niet langer exploitabel en is besloten dit op te heffen. Gelet op de directe relatie met het opheffen van de spoorovergang is met een gemeentelijk vertegenwoordiger, belast met de voorbereiding daarvan, gesproken over een vorm van planschadevergoeding. Hierop is mondeling toegezegd dat - bij wijze van schadevergoeding - op het achterliggende terrein enkele woningen zouden mogen wordne gebouwd op het moment dat de bestaande bedrijvigheid wordt beëindigd. Met het doel om overeenkomstig de gemaakte mondelinge afspraak woningbouw op het achterliggende terrein zeker te stellen, heeft de raad In 2000 de gedeeltelijke herziening 'XI Acht' vastgesteld. Hierbij werden de betreffende gronden bestemd voor Gemengde bebouwing (artikel 2), waaronder woondoeleinden (2.1 onder b). Uit de toelichting blijkt dat het bestemmingsplan vooral is gericht op actualisering en niet op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat is uitgegaan van de huidige situatie en rekening is gehouden met het meest recente ruimtelijk relevante beleid, wet- en regelgeving en rechtelijke uitspraken. In dat verband wordt aandacht gevraagd voor de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 februari 2011 over het bestemmingsplan 'Kerkdorp Acht 2007'. Hiermee werd goedkeuring onthouden aan de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden I (artikel 8) ter plaatse van de gronden achter de panden Waalstraat 48 t/m 64. In het onderhavige ontwerp zijn de genoemde gronden bestemd als 'Gemengd – 2' (artikel 7). In artikel 7.1 onder a is bepaald dat bijgebouwen, aan- en uitbouwen behorende bij de aangrenzende woningen, zoals bedoeld in artikel 17 (Wonen) mogelijk zijn. Zelfstandige woningen zijn niet toegestaan.

Omdat belanghebbenden na al die jaren graag zekerheid willen inzake de toegezegde mogelijkheid tot het bouwen van woningen op het gehele terrein, vragen zij het ontwerp gewijzigd vast te stellen en te bepalen dat op basis van een concreet en aanvaardbaar voorstel - met toepassing van een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 3o Wabo - de bestemming Gemengd - 2 (artikel 7) integraal kan woorden gewijzigd in de bestemming Wonen (artikel 17) met opname van op het voorstel gebaseerde bouwvlakken.

antwoord

Tijdens overleggen gedurende de bestemmingsplanproecedure is door een aantal bewoners van het plangebied naar voren gebracht dat in het verleden toezeggingen zijn gedaan over de herontwikkeling van het achterterrein achter de panden Waalstraat 48 t/m/ 64. Ook is er een procedure gevoerd bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens een van de overleggen is een verkavelingsplan besproken hoe het te ontwikkelen achterterrein er uit zou kunnen komen te zien. De overleggen hebben ertoe geleid dat is overgegaan tot het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid op de verbeelding ter plaatse van het genoemde achterterrein, waarmee de verandering naar de bestemming 'Wonen' geborgd is als voldaan is aan een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn vertaald in een nieuw artikel '7.5 Wijzigingsbevoegdheid', dat deel uitmaakt van de planregels. Omdat deze wijzigingsbevoegdheid enkel geldt voor het genoemde achterterrein is op de verbeelding ter plaatse van het achterterrein de aanduiding 'wetgevingzone – wijzigingsgebied' opgenomen.

Het bovenstaande is ook opgenomen in paragraaf 1.3 van de toelichting van het bestemmingsplan.

Naast de aanpassing naar aanleiding van de ingekomen zienswijze zijn ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. De aanpassingen zijn ook hieronder vermeld.

Planregels

1. Aan artikel 12.1 is lid f toegevoegd:

f. kunstwerk, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – kunstwerk'.

De overige leden daaronder zijn vernummerd naar g, h en i.

2. Aan artikel 12.4.2 is lid d toegevoegd:

d. ter plaatse van de aanduiding  'specifieke vorm van natuur – kunstwerk'.

3. Aan artikel 17.2.4 is lid h gewijzigd naar:

h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' dient de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen ten minste 5 m te bedragen.

Het huidige artikel 17.2.4 onder h wordt vernummerd naar i.

Verbeelding

4. De grond links van Amstelstraat 17 (zie kaartuitsnede hieronder) krijgt een woonbestemming zonder bouwvlak als gevolg van een grondverkoop. De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' komt daarom hier te vervallen.

 

verplicht verplicht

Kaartuitsnede verkoop grond (grijze gedeelte)

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

1.1 Plan     

het bestemmingsplan Kerkdorp Acht 2021 met identificatienummer NL.IMRO.0772.80355-0301 van de gemeente Eindhoven.

1.2 Bestemmingsplan     

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 Aan-huis-verbonden-beroep     

een vrij beroep, dat in of bij een woongebouw wordt uitgeoefend, waarbij het woongebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Bijvoorbeeld gastouderopvang; detailhandel via internet zonder opslag en/of verkoop aan huis; of het enkel uitoefenen van een administratie ten behoeve van een bedrijf.

Onder vrije beroepen worden verstaan: (para)medische, juridische, therapeutische, ontwerp-technische, administratieve, sociaal-maatschappelijke, kunstzinnige en daarmee gelijk te stellen beroepen.

1.4 Aanbouw     

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.5 Aanduiding     

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.6 Aanduidingsgrens     

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.7 Aaneengebouwde woning     

een woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit drie of meer hoofdgebouwen.

1.8 Aardkundige waarden     

landschapswaarden die samenhangen met (abiotische) milieukenmerken, zoals geologie, geomorfologie, reliëf, grondwaterhuishouding, (kwelgebieden), bodemopbouw/bodemsamenstelling, afzonderlijk of in onderlinge samenhang.

1.9 Abiotische waarde     

geheel van waarden in verband met het abiotische milieu (=niet levende natuur), in de vorm van specifieke aardkundige verschijnselen zoals steilranden en bodemovergangen.

1.10 Actualisatie nota parkeernormen 2019     

parkeernormen gepubliceerd op 3 oktober 2019 en in werking getreden op 4 oktober 2019.

1.11 Ambachtelijk bedrijf     

een bedrijf, waarbij het accent ligt op het in handwerk vervaardigen, bewerken en installeren van goederen, voornamelijk direct ten behoeve van de uiteindelijke verbruiker of gebruiker en waarin detailhandel uitsluitend plaatsvindt in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen.

1.12 Archeologisch onderzoek     

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling dat voldoet aan de meest actuele versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

1.13 Archeologische waarde     

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in het gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

1.14 Bebouwing     

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.15 Bedrijfsgebouw     

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.16 Bedrijfsvloeroppervlak     

de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke.

1.17 Bedrijfswoning     

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein wenselijk is.

1.18 Beeldbepalende boom     

Bomen met een hoge esthetische en belevingswaarde voor de directe omgeving of voor de wijk. De bomen zijn door hun leeftijd, omvang of verschijningsvorm onvervangbaar voor het karakter van de omgeving en vormen bovendien een buitengewoon structurerend element voor de openbare ruimte. Het criterium beeldbepalend zegt tevens iets over de zichtbaarheid.

Een beeldbepalende boom dient voor >50% van de omvang zichtbaar te zijn vanaf openbaar terrein.

1.19 Belemmeringenstrook     

een strook grond ten behoeve van het onderhoud van een buisleiding waarbinnen geen bebouwing mag worden opgericht en/of werken en werkzaamheden (niet zijnde bouwen) mogen worden uitgevoerd die van invloed kunnen zijn op de ongestoorde ligging van de buisleiding.

1.20 Beperkt kwetsbaar object     

  1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting en met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare;
  2. bedrijfswoningen, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting;
  3. kantoorgebouwen, hotels en restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object vallen en voor zover zij niet behoren tot een bevi- inrichting;
  4. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
  5. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object vallen;
  6. objecten die met het onder a. tot en met e. genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin meestal aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn;
  7. objecten met hoge infrastructurele waarde, waaronder in ieder geval telefoon- en elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.

1.21 Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen)     

Besluit van 27 mei 2004, Stb. 250, houdende regels inzake milieukwaliteitseisen op het gebied van de externe veiligheid zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.22 Bestaand     

bij bouwwerken: legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerp van het bestemmingsplan, dan wel bouwwerken zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vergunning;

bij gebruik: legaal gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig tijdens de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.23 Bestemmingsgrens     

de grens van een bestemmingsvlak.

1.24 Bestemmingsvlak     

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.25 Bijgebouw     

een op zichzelf staand al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.26 Bouwen     

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.27 Bouwgrens     

de grens van een bouwvlak.

1.28 Bouwlaag     

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijke omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder.

1.29 Bouwperceel     

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.30 Bouwperceelgrens     

een grens van een bouwperceel.

1.31 Bouwvlak     

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.32 Bouwwerk     

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.33 Café     

horeca, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.

1.34 Cafetaria/snackbar/afhaalservice     

een bedrijf gericht op het verstrekken van voor consumptie ter plaatse bereide kleine etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwak-alcoholische en niet-alcoholische dranken.

1.35 Coffeeshop     

een bedrijf gericht op het verstrekken van niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met eventueel als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid, en van verdovende en/of hallucinerende stoffen.

1.36 Cultuurhistorische waarde     

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of gebied.

1.37 Dak     

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

1.38 Detailhandel     

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen en leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.39 Dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling     

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van diensten aan derden, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder zijn begrepen kapperszaken, belwinkels, internetcafé, schoonheidsinstituten, fotostudio´s en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.

1.40 Dienstverlening     

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.

1.41 Discotheek of dancing     

een bedrijf hoofdzakelijk gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, in combinatie met het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen, feesten en daarmee vergelijkbare evenementen.

1.42 Eengezinswoningen     

als type eengezinswoning wordt beschouwd: elke woning welke tevens een geheel pand vormt. Hieronder vallen vrijstaande woningen, aaneengebouwde woningen, zoals twee onder één kap gebouwde hele huizen, boerderijen met woningen en voorts alle rijenhuizen.

1.43 Erotisch getinte vermaaksfunctie     

een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal.

1.44 Evenementen     

een evenement zoals bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

1.45 Extensief recreatief medegebruik     

die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.

1.46 Garagebox     

gebouwen voor de stalling van auto´s en andere voertuigen.

1.47 Gebouw     

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.48 Gebruiken     

het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken.

1.49 Geluidgevoelige functies     

bewoning of andere geluidgevoelige functies zoals bedoeld in de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.50 Geluidgevoelige gebouwen     

gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van een andere geluidgevoelige functie als bedoeld in de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.51 Geluidzoneringsplichtige inrichting     

een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld.

1.52 Geprojecteerd (beperkt) kwetsbaar object     

nog niet aanwezig (beperkt) kwetsbaar object dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan toegestaan is.

1.53 Gevaarlijke stoffen     

gevaarlijke stoffen zijn stoffen waarvan het gebruik, het transport of de opslag (overslag e.d.), risico's met zich meebrengt. Het kan gaan om explosiegevaar, brand, giftigheid of radioactiviteit.

1.54 GR (groepsrisico)     

een maat voor de kans, dat door een ramp bij een activiteit met gevaarlijke stoffen of met een vliegtuig, een (grote) groep mensen, die niet rechtstreeks bij de activiteit betrokken is, tegelijkertijd omkomt. Het GR kan toenemen door uitbreiding van risicovolle activiteiten enerzijds en door het verhogen van de personendichtheid anderzijds.

1.55 Groothandel     

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of afleveren van goederen aan wederverkopers, dan wel instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.

1.56 Hogere grenswaarde     

een maximale waarde voor de geluidbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.57 Hoofdgebouw     

een gebouw dat, op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

1.58 Horeca     

een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

1.59 Hotel     

een bedrijf hoofdzakelijk gericht op het verstrekken van logies (per nacht) met - al dan niet - als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse.

1.60 Huishouden     

een meerderjarige alleenstaande, dan wel twee of meer personen waarvan er ten minste één meerderjarig is, die duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voeren.

1.61 Internetwinkel     

Internetwinkels worden in het kader van dit bestemmingsplan aangemerkt als een specifieke vorm van detailhandel waarbij:

  • de transactie via internet of andere media tot stand komt, en;
  • de goederen ter plaatse kunnen worden afgehaald; en/of
  • de goederen ter plaatse kunnen worden afgerekend; en/of
  • de goederen ter plaatse kunnen worden bekeken of geprobeerd.

1.62 Invloedsgebied     

gebied waarin, volgens de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. De grens van het invloedsgebied is gelijk aan de 1% letaliteitsgrens, bepaald bij weertype F 1.5, tenzij in de bij het Revi behorende uitvoeringsregeling voor een specifieke stof of activiteit een ander invloedsgebied is gedefinieerd.

1.63 Kamerverhuur     

woonvorm waarbij sprake is van woonruimte die geen eigen afzonderlijke toegang heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche/bad en/of toilet) buiten die onzelfstandige woonruimte, met dien verstande dat hieronder niet wordt verstaan maatschappelijke voorzieningen in de vorm van beschermd en/of verzorgd wonen.

1.64 Kantoor     

een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat dient voor het bestuurlijk/ambtelijk of bedrijfsmatig uitoefenen van juridische, financiële, administratieve en naar de aard daarmee gelijk te stellen werkzaamheden, zoals sociaal wetenschappelijke onderzoek of een architectenbureau.

1.65 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten     

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend (niet zijnde prostitutie).

1.66 Koffie-/theehuis     

een bedrijf gericht op het verstrekken van zwak-alcoholische en niet-alcoholische dranken, met als nevenactiviteit het verstrekken van voor consumptie ter plaatse bereide etenswaren.

1.67 Kunstobject     

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of onderdelen van bouwwerken die worden aangemerkt als uitingen van één der beeldende kunsten.

1.68 Kunstwerk     

bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening.

1.69 Kwetsbaar object     

  1. woningen, niet zijnde:
    1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting en met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare;
    2. bedrijfswoningen;
  2. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, waartoe in ieder geval behoren:
    1. (psychiatrische) ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
    2. scholen;
    3. sociale werkplaatsen, of;
    4. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
  3. gebouwen waarin meestal grote aantallen personen (> 50 pers.) gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren:
    1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² per object, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting of;
    2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 m² bedraagt, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting, en winkels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd en voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting;
  4. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting.

1.70 Landschappelijke waarden     

het geheel van waarden in verband met bijzondere waarneembare landschappelijke kenmerken van een gebied of object, in de zin van karakteristieke verschijningsvorm, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit, dat bestaat uit aardkundige, archeologische, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden die wordt bepaald door de onderliggende samenhang en beïnvloeding van levende en niet levende (abiotische) natuur.

1.71 Lijst van bedrijfsactiviteiten     

de bedrijvenlijst ontleend aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de VNG zoals deze gold ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan en opgenomen in Lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels.

1.72 Lijst van horeca-activiteiten     

lijst met een onderverdeling van horeca-activiteiten naar de mate van mogelijke overlast voor de omgeving zoals opgenomen in Bijlage 3 Lijst van horeca-activiteiten ehorende bij deze regels.

1.73 Lunchroom     

een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van voor consumptie ter plaatse bereide kleine etenswaren en niet-alcoholische dranken.

1.74 Maatschappelijke voorzieningen     

educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, wooneenheden voor beschermd en/of verzorgd wonen en daarbij behorende voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en openbaar bestuur. Onder maatschappelijke voorzieningen zijn tevens begrepen kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang.

1.75 Manege     

een recreatief bedrijf dat hoofdzakelijk op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport en al dan niet mogelijkheden biedt voor het verblijf en de verzorging van paarden.

1.76 Mantelzorg     

het op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak.

1.77 Meergezinswoningen     

als meergezinswoning wordt beschouwd: elke woning die samen met andere woonruimten c.q. bedrijfsruimten een pand vormt. Hieronder vallen flats, galerij-, portiek-, beneden- en bovenwoningen, appartementen en woningen boven bedrijfsruimten, voorzover deze zijn voorzien van een buiten de bedrijfsruimte gelegen toegangsdeur.

1.78 Natuurwaarde     

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.79 Nevenactiviteiten     

het ontplooien van activiteiten op een agrarisch bouwvlak die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen.

1.80 Nutsvoorzieningen     

voorzieningen ten behoeve van algemeen nut in ruime zin zoals: voorzieningen / installaties ten behoeve van gas, water en elektriciteit, signaalverdeling, telecommunicatieverkeer, waterzuivering, waterbeheersing, waterhuishouding, vuil- en afvalverwerking, compostering, wijkverwarming, milieuvoorzieningen e.d.

1.81 Onzelfstandige woonruimte     

woonruimte,  welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

1.82 Parkeerbalans     

met een parkeerbalans wordt de (on)balans berekend tussen parkeervraag en parkeeraanbod binnen een bepaald gebied. Vaak valt de parkeervraag van functies niet samen in de tijd. Gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen is dan mogelijk (dubbelgebruik).

1.83 Peil     

0.30 m' boven de kruin van de weg.

1.84 Pension     

een bedrijf hoofdzakelijk gericht op het verstrekken van logies voor langere tijd met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan logerende gasten.

1.85 PR (plaatsgebonden risico)     

risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel is betrokken.

1.86 Plasbrandaandachtsgebied     

het gebied tot 30 meter van de weg of spoor waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.

1.87 Productiegebonden detailhandel     

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, bewerkt of hersteld, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

1.88 Prostitutiebedrijf     

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin tegen vergoeding seksuele handelingen worden verricht.

1.89 PR10-6/jaar contour     

een contour die het plaatsgebonden risico aanduidt, en waarbinnen de kans bestaat van 1 op de 1.000.000 per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats buiten een inrichting zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel is betrokken.

1.90 Recreatiewoning     

een gebouw of woning (geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde) bedoeld voor recreatief gebruik in de vorm van recreatief nachtverblijf voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben.

1.91 Revi (Regeling externe veiligheid inrichtingen)     

regeling van de Staatssecretaris van VROM van 8 september 2004, houdende regels met betrekking tot afstanden en de wijze van berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ter uitvoering van het Bevi zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan (zoals opgenomen in Bijlage 5 Regeling externe veiligheid inrichtingen, artikel 1b).

1.92 Regeling provinciale risicokaart     

Regeling van de minister van Binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties van 20 april 2007, Stctr. 2007, nr 75.

1.93 Registratiebesluit externe veiligheid     

Besluit van 28 november 2006 (stb 2006, 656), houdende regels met betrekking tot de registratie van gegevens externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen (Registratiebesluit externe veiligheid).

1.94 Restaurant     

een bedrijf uitsluitend gericht op het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van dranken.

1.95 Rijstrook     

gemarkeerd gedeelte van de rijweg dat voldoende plaats biedt aan een enkele rij motorvoertuigen op meer dan twee wielen met uitzondering van in- en uitvoegstroken, voorsorteerstroken en fietspaden.

1.96 Risicovolle inrichting     

  1. inrichtingen zoals genoemd in artikel 2 van het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) (Besluit externe veiligheid inrichtingen, artikel 2 van de regels) respectievelijk artikel 1b van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) (Regeling externe veiligheid inrichtingen, artikel 1b van de regels);
  2. inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I van de regeling provinciale risicokaart (Regeling provinciale risicokaart, Bijlage I van de regels) of onder het Registratiebesluit Externe Veiligheid;
  3. inrichtingen met toxische gassen;
  4. inrichtingen waar een brandbaar tot vloeistof verdicht gas met een inhoud van meer dan 1m3 wordt gebezigd of opgeslagen.

1.97 Showroom     

een uitstallingsruimte van groothandels - of productiebedrijven ten behoeve van wederverkopers of afnemers voor het gebruik in eigen bedrijf of instelling.

1.98 Seksinrichting     

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden.

Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.99 Tuincentrum     

een kwekerij en/of een verkoopplaats waar artikelen voor verwerking/gebruik in tuin en huis, daaronder ook begrepen dierbenodigdheden voor huisdieren, direct aan particulieren ter verkoop worden aangeboden, van welke verkoopplaats een koffiehoek deel kan uitmaken ter ondersteuning van de tuincentrumfunctie.

1.100 Uitbouw     

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.101 Verdieping     

de bouwlaag respectievelijk bouwlagen die boven de begane grondbouwlaag gelegen is/zijn.

1.102 Verkoopvloeroppervlakte     

de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel.

1.103 Voorgevel     

de naar de weg of aan het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft van meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.104 Voorgevelrooilijn     

De denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.

1.105 Voorkeursgrenswaarde     

de toelaatbare waarde voor de geluidbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.106 Water     

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen.

1.107 Waterberging     

voorziening voor het tijdelijk vasthouden van regenwater dat afstroomt vanaf de oppervlakte van een bouwwerk.

1.108 Waterhuishoudkundige voorzieningen     

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit (zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, sloten, greppels en vijvers, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen etc.).

1.109 Wet geluidhinder     

Wet van 16 februari 1979 (Stb. 99) houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder, zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.110 Wet milieubeheer     

Wet van 13 juni 1979 (Stb. 442) houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne, zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.111 Wet ruimtelijke ordening     

Wet van 20 oktober 2006 (Stb. 2006, nr. 566) houdende nieuwe regels omtrent de ruimtelijke ordening, zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.112 Winkel     

een gebouw, dat een ruimte omvat, welke door zijn indeling kennelijk bedoeld is te worden gebruikt voor de detailhandel.

1.113 Woning     

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, dan wel voor de huisvesting van maximaal twee personen die geen gezamenlijk huishouden voeren. Een woonwagen wordt niet tot een woning gerekend.

1.114 Woongebouw     

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

Artikel 2 Wijze van meten     

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Bebouwingspercentage     

een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

2.2 Dakhelling     

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.3 Goothoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 Inhoud van een bouwwerk     

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.5 Bouwhoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen, installatieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.6 Oppervlakte van een bouwwerk     

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7 Ondergeschikte bouwdelen     

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen wordt de overschrijding van de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, gevelisolatie, ventilatiekanalen, reclameaanduidingen, luifels, erkers, balkons en overstekende daken e.d. buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 1 meter bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Bedrijf     

3.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Bedrijf´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijven genoemd in de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" behorende tot de categorieën 1 en 2 met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichting en, risicovolle inrichting en zelfstandig kantoor;

b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' tevens bestemd voor bedrijven in de Lijst van bedrijfsactiviteiten' behorende tot de categorieën 3.1 en 3.2 met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichting en, risicovolle inrichting en zelfstandig kantoor;

c. handel in auto's, motorfietsen en scooters alleen voor zover bestaand;

d. kantoren uitsluitend voorzover bestaand;

e. detailhandel uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';

f. productiegebonden detailhandel deel uitmakend van bedrijven vermeld onder a, met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen;

g. woningen (al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep) of bedrijfswoningen uitsluitend voorzover bestaand met daarbij behorende aan-, uitbouwen en/of bijgebouwen;

met de daarbij behorende:

h. erven en terreinen;

i. (ondergrondse) parkeervoorzieningen;

j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

k. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;

l. nutsvoorzieningen;

m. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2 Bouwregels     

3.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak` worden gebouwd;
  2. maximum goot- en bouwhoogte bedragen de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  3. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen, tenzij anders is aangegeven;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub b gelden die maten als maximum.

3.2.2 Aan- en bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen     

Voor het bouwen van aan- en bijgebouwen en uitbouwen bij een (bedrijfs)woning gelden de volgende bepalingen:

  1. deze bouwwerken dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen bij een (bedrijfs)woning mag per woning niet meer bedragen dan 75 m²;
  3. de goothoogte van aan- en bijgebouwen of uitbouwen mag per (bedrijfs)woning niet meer bedragen dan 3,5 m, met dien verstande dat de goothoogte van een aan- en bijgebouw of uitbouw niet meer mag bedragen dan de goothoogte van de bijbehorende (bedrijfs)woning; indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap mag de bouwhoogte maximaal 4,5 m bedragen;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub a tot en met c, gelden die maten als maxima.

3.2.3 Dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding hoofdgebouw (bedrijfs)woning     
  1. in afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.1 onder b mag een dakopbouw of een gelijksoortige uitbreiding van een bedrijfswoning op een hellend dakvlak worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden:
    1. aan de achterzijde van het hoofdgebouw;
    2. de bouwhoogte van de dakopbouw verticaal gemeten minstens 1 meter onder de nok van het hoofdgebouw blijft;
    3. de hellingshoek van een eventuele kap van de dakopbouw gelijk is aan de hellingshoek van het bestaande dakvlak waarop wordt gebouwd en;
    4. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 1 meter is.
  2. het bepaalde onder sub a geldt niet voor een bungalow en/of patiowoning.

3.2.4 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. gebouwen voor het opwekken van duurzame energie mogen zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  3. de maximum oppervlakte is 15 m².

3.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 4 m;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub a tot en met c, gelden die maten als maxima.

3.3 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken voor wat betreft de maximum goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien dat wenselijk is uit een oogpunt van een goede constructieve en/of bouwkundige aansluiting van het bijbehorende bouwwerk bij de hoogte van de verdiepingsvloer van het hoofdgebouw.

3.4 Specifieke gebruiksregels     

3.4.1 Strijdig gebruik     

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals vermeld in lid 3.1 wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van bedrijfsgebouwen voor bewoning;
  2. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel anders dan vermeld in lid 3.1 sub d en e;
  3. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  4. het gebruik van bijgebouwen bij de (bedrijfs)woning voor zelfstandige bewoning;
  5. gebruik van bedrijfsgebouwen voor kantoordoeleinden, anders dan ten dienste van het aldaar gevestigde bedrijf, met uitzondering van bestaande kantoren als bedoeld in 3.1, onder c.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels     

3.5.1 Afwijken bedrijven     

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1, onder a en b, en tevens bedrijven toestaan die niet voorkomen in de Lijst van bedrijfsactiviteiten of bedrijven in een hogere categorie toestaan, mits:

  1. het betrokken bedrijf naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen is met bedrijven die ter plaatse zijn toegestaan, en;
  2. het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen.

3.5.2 Afwijken detailhandel     

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 onder b en toestaan dat de gronden en gebouwen worden gebruikt voor:

  1. detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van groothandel mits:
    1. voldoende parkeergelegenheid is verzekerd zoals bedoeld in lid 26.1 en de verkeersaantrekkende werking niet leidt tot een onevenredige aantasting van de normale afwikkeling van het verkeer;
    2. de expeditie op een adequate en verkeersveilige wijze wordt geregeld;
    3. het geen groothandel in voedings- en genotmiddelen betreft.

Artikel 4 Bedrijf - Nutsvoorziening     

4.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. nutsvoorzieningen;
  2. open terreinen, waaronder begrepen parkeergelegenheid;
  3. waterhuishoudkundige voorzieningen (o.a. waterlopen, waterpartijen en waterberging);
  4. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

4.2 Bouwregels     

4.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de maximum goot- en bouwhoogte bedraagt de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduidingen 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' en 'maximum bouwhoogte (m)'.
  3. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub b gelden die maten als maximum.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de maximum bouwhoogte 5 m is.

Artikel 5 Bos     

5.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Bos´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van aardkundige waarden;
  2. duurzame instandhouding van het bos met daarop afgestemde bosbouw;
  3. groenvoorzieningen;
  4. extensief recreatief medegebruik;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. kamperen in scoutingverband;


  7. met daarbij behorende
  8. paden en wegen;
  9. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2 Bouwregels     

5.2.1 Gebouwen     

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

5.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximum bouwhoogte van 2 m, met dien verstande dat voor bouwwerken voor informatievoorziening, entreevoorziening dan wel schuilvoorziening een maximum bouwhoogte geldt van 3 m.

5.3 Specifieke gebruiksregels     

5.3.1 Strijdig gebruik     

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks nodig is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. het beoefenen van lawaaisporten;
  3. kleinschalig kamperen.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

5.4.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ) op of in de gronden met de bestemming ´Bos` de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het kappen en rooien van bomen;
  2. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden, en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen.

5.4.2 Uitzonderingen     

Het in lid 5.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  1. van ondergeschikte betekenis zijn dan wel behoren tot het normale onderhoud;
  2. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

5.4.3 Toelaatbaarheid     

De in lid 5.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de bestemming `Bos´.

Artikel 6 Gemengd - 1     

6.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wonen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep;
  2. detailhandel;
  3. dienstverlenende bedrijven en/of instellingen;
  4. horecabedrijven genoemd in de 'Lijst van horeca-activiteiten' (Bijlage 3) behorende tot maximaal categorie 1;
  5. kantoren;
  6. praktijkruimte voor de uitoefening van (para)medische, therapeutische en kunstzinnige beroepen;

met dien verstande, dat:

  1. detailhandel, dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen, kantoren en praktijkruimten uitsluitend zijn toegestaan op de begane grond tenzij op het moment van in werking treden van het plan de verdieping(en) reeds als zodanig in gebruik is/zijn;
  2. de maximale bruto-vloer-oppervlakte (bvo) per detailhandelvestiging ten hoogste 200 m² mag bedragen, tenzij de bestaande situatie reeds groter is; in het laatste geval geldt de bestaande b.v.o. als maximum.
  3. een woning niet mag worden gesplitst in twee of meerdere woningen;
  4. kamerverhuur niet is toegestaan, tenzij het een bestaande situatie betreft;
  5. de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan -huis-verbonden-beroep niet meer dan 50 m² mag bedragen;

met de daarbij behorende:

  1. erven en terreinen;
  2. wegen en paden;
  3. (ondergrondse) parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  7. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  8. nutsvoorzieningen.

6.2 Bouwregels     

6.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. maximum goot- en bouwhoogte bedragen de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  3. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen, tenzij anders is aangegeven;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub b gelden die maten als maximum.

6.2.2 Dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding hoofdgebouw     

In afwijking van het bepaalde in artikel 6.2.1 onder b mag een dakopbouw of een gelijksoortige uitbreiding van een hoofdgebouw op een hellend dakvlak worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden:

  1. aan de achterzijde van het hoofdgebouw;
  2. de bouwhoogte van de dakopbouw verticaal gemeten minstens 1 meter onder de nok van het hoofdgebouw blijft;
  3. de hellingshoek van een eventuele kap van de dakopbouw gelijk is aan de hellingshoek van het bestaande dakvlak waarop wordt gebouwd en;
  4. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 1 meter is.

6.2.3 Bijgebouwen, aan- en uitbouwen bij woningen     

Voor het bouwen van bijgebouwen, aanbouwen uitbouwen bij een woning gelden de volgende regels:

  1. bijgebouwen, aan- en uitbouwen mogen uitsluitend worden gebouwd 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- uit en bijgebouwen mag per woning niet meer bedragen dan 75 m2 met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 65% van de oppervlakte van het bouwperceel;
  3. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3,5 m bedragen met dien verstande dat de goothoogte nooit meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap dan is de maximum bouwhoogte 4,5 m;
  4. een bijgebouw mag geen zelfstandige woning bevatten;
  5. voor zover de bestaande situatie groter/hoger is dan het bepaalde onder a tot en met c, gelden die maten als maximum.

6.2.4 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. gebouwen voor het opwekken van duurzame energie mogen zowel binnen als buiten de aanduiding bouwvlak worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  3. de maximum oppervlakte is 15 m².

6.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 m;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub a tot en met c gelden die maten als maximum.

6.3 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken voor wat betreft de maximum goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien dat wenselijk is uit een oogpunt van een goede constructieve en/of bouwkundige aansluiting van het bijbehorende bouwwerk bij de hoogte van de verdiepingsvloer van het hoofdgebouw.

6.4 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke opzet van de bouwwerken die zijn voorzien de bouwaanduiding 'karakteristiek', nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor de bouwwerken, alsmede aan de situering ervan.

6.5 Specifieke gebruiksregels     

6.5.1 Gebruik     

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  1. een niet geluidgevoelige functie mag slechts worden gewijzigd in een geluidgevoelige functie passend binnen artikel 6.1, indien;
    1. de voorkeurswaarde ingevolge de Wet geluidhinder niet wordt overschreden of;
    2. indien sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde er door het bevoegd gezag hogere waarden zijn verleend;
  2. Het is verboden om in de bestaande situatie de gebruiksfunctie van gronden en/of gebouwen te wijzigen in een andere gebruiksfunctie passend binnen de bestemming met een toename van de autoparkeerbehoefte conform de Nota Parkeernormen 2019.
  3. de maximum vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden-beroep is 75 m2 per woning;
  4. detailhandel in volumineuze goederen en/of grootschalige detailhandel is niet toegestaan.

6.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk     

6.6.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) bouwwerken die zijn voorzien van de bouwaanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen of te verwijderen.

6.6.2 Uitzonderingen     

Het in lid 6.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  1. het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. welke onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;
  3. plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
  4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en mits niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan;
  5. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend.

6.6.3 Toelaatbaarheid     

De omgevingsvergunning kan worden verleend indien:

  1. de genoemde werken en werkzaamheden naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is, moet de aanvrager een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek overleggen waarover door een ter zake deskundige gemeentelijke adviseur of -commissie een advies is uitgebracht, en
  2. er een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend voor:
    1. een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk of
    2. het verbouwen van het bouwwerk.

6.7 Afwijken van de gebruiksregels     

6.7.1 Binnenplans afwijken     

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van

  1. het bepaalde in lid 6.5.1 lid b indien wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 26.1 of 26.2;
  2. het bepaalde in lid 6.1 om tevens bedrijven toe te staan die niet voorkomen in de `Bijlage 1 Lijst van bedrijfsactiviteiten' mits het betrokken bedrijf naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen is met bedrijven die zijn genoemd in de `Bijlage 1 Lijst van bedrijfsactiviteiten´ (onder de categorieën 1 en 2) en mits het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen of zelfstandige kantoorvestigingen.

Artikel 7 Gemengd - 2     

7.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Gemengd - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor;

a. wonen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep; b. bijgebouwen, aan- en uitbouwen behorende bij de aangrenzende woningen zoals bedoeld in Artikel 17 Wonen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep;

  1. doeleinden van handel en bedrijf in de vorm van een ambachtelijk bedrijf bestaande uit een winkel dan wel showroomruimte met de daarbij behorende voorzieningen zoals een reparatiewerkplaats, magazijnruimte, smederij en kantoorruimte;
  2. detailhandel;
  3. showroom;
  4. dienstverlenende bedrijven en/of instellingen;
  5. praktijkruimte voor de uitoefening van (para)medische, therapeutische en kunstzinnige beroepen;
  6. bedrijven genoemd in de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" behorende tot de categorieën 1 en 2 met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichting en, risicovolle inrichting en zelfstandig kantoor;

met dien verstande, dat:

  1. de onder sub c t/m g genoemde functies uitsluitend zijn toegestaan op de begane grond tenzij op het moment van in werking treden van het plan de verdieping(en) reeds als zodanig in gebruik is/zijn;
  2. de maximale bruto-vloer-oppervlakte (bvo) per detailhandelvestiging en showroom ten hoogste 200 m² mag bedragen, tenzij de bestaande situatie reeds groter is; in het laatste geval geldt de bestaande b.v.o. als maximum.
  3. de maximale bruto-vloer-oppervlakte (bvo) per praktijkruimte ten hoogste 150 m² mag bedragen, tenzij de bestaande situatie reeds groter is; in het laatste geval geldt de bestaande b.v.o. als maximum.
  4. kamerverhuur niet is toegestaan, tenzij het een bestaande situatie betreft;
  5. de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan -huis-verbonden-beroep niet meer dan 50 m² mag bedragen;

met de daarbij behorende:

  1. erven en terreinen;
  2. wegen en paden;
  3. (ondergrondse) parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen
  6. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  7. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  8. nutsvoorzieningen.

7.2 Bouwregels     

7.2.1 Woningen en andere gebouwen     

Voor het bouwen van een woning en andere gebouwen gelden de volgende regels:

  1. een woning mag uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd, andere gebouwen mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  2. maximum bouwhoogte bedraagt de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  3. het bebouwingspercentage bedraagt de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)';
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub b en c gelden die maten als maximum.

7.2.2 Dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een woning     
  1. in afwijking van het bepaalde in artikel 7.2.1 onder b mag een dakopbouw of een gelijksoortige uitbreiding van een woning op een hellend dakvlak worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden:
    1. aan de achterzijde van de woning;
    2. de bouwhoogte van de dakopbouw verticaal gemeten minstens 1 meter onder de nok van de woning blijft;
    3. de hellingshoek van een eventuele kap van de dakopbouw gelijk is aan de hellingshoek van het bestaande dakvlak waarop wordt gebouwd en;
    4. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 1 meter is.
  2. het bepaalde onder sub a geldt niet voor een bungalow en/of patiowoning.

7.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen     

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen minimaal drie meter achter de voorgevel van de woning of het verlengde daarvan te worden gebouwd wanneer de zijzijde aan openbaar toegankelijk gebied grenst; in andere gevallen geldt een afstand van minimaal 1 meter;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 75 m2 met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing (inclusief de woning) niet meer bedraagt dan 65% van de oppervlakte van het bouwperceel; voor patiowoningen geldt in deze een percentage van 80%;
  3. in afwijking van het gestelde onder sub b geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een bouwperceel groter dan 750 m² maximaal 10 % van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen;
  4. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3,5 m bedragen met dien verstande dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende woning; indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap mag de maximum bouwhoogte 4,5 m bedragen;
  5. voor de voorgevel van de woning mag een aanbouw worden gerealiseerd tot een maximum diepte van 1,5 m en een maximum goothoogte van 3,5 meter, mits tenminste 1 m tuindiepte resteert;
  6. voor zover de bestaand groter/hoger is dan het bepaalde onder a tot en met e, gelden die maten als maximum.

7.2.4 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. gebouwen voor het opwekken van duurzame energie mogen zowel binnen als buiten de aanduiding bouwvlak worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  3. de maximum oppervlakte is 15 m².

7.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelroolijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 m;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub a tot en met c gelden die maten als maximum.

7.3 Specifieke gebruiksregels     

7.3.1 Gebruik     

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  1. een niet geluidgevoelige functie mag slechts worden gewijzigd in een geluidgevoelige functie passend binnen artikel 7.1, indien;
    1. de voorkeurswaarde ingevolge de Wet geluidhinder niet wordt overschreden of;
    2. indien sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde er door het bevoegd gezag hogere waarden zijn verleend;
  2. Het is verboden om in de bestaande situatie de gebruiksfunctie van gronden en/of gebouwen te wijzigen in een andere gebruiksfunctie passend binnen de bestemming met een toename van de autoparkeerbehoefte conform de Actualisatie nota parkeernormen 2019;
  3. de maximum vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden-beroep is 75 m2 per woning;
  4. detailhandel in volumineuze goederen en/of grootschalige detailhandel is niet toegestaan.

7.4 Afwijken van de gebruiksregels     

7.4.1 Binnenplans afwijken     

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van

  1. het bepaalde in lid 7.3.1 lid b indien wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 26.1 of 26.2;
  2. het bepaalde in lid 7.1 om tevens bedrijven toe te staan die niet voorkomen in de 'Lijst van bedrijfsactiviteiten mits het betrokken bedrijf naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen is met bedrijven die zijn genoemd in de 'Lijst van bedrijfsactiviteiten' (onder de categorieën 1 en 2) en mits het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen of zelfstandige kantoorvestigingen.

7.5 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming van de gronden met de aanduiding 'wetgevingzone – wijzigingsgebied' wijzigen in de bestemming 'Wonen', waarbij de situering en de vorm van het op de verbeelding aangegeven bouwvlak kan worden gewijzigd en tevens een of meerdere bouwvlakken kunnen worden opgenomen, onder de voorwaarden dat:

1. er maximaal 10 grondgebonden woningen mogelijk zijn;

2. de woningen bestaan uit maximaal twee bouwlagen;

3. de woningen worden gesitueerd rondom een hofje of een gemeenschappelijke tuin;

4. er sprake is van een goede ruimtelijke ordening, hetgeen wordt onderbouwd in een ruimtelijke onderbouwing, waarbij in ieder geval wordt aangetoond dat:

  • de maatvoering en de bouwwijze van de woningen en de inrichting van het gebied aansluit op de stedenbouwkundige karakteristiek van de omgeving;
  • uit milieuoogpunt geen bezwaren bestaan voor realisering van de woningen en de bijbehorende inrichting van de gronden;
  • de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
  • er voldoende ruimte wordt gereserveerd voor de aanleg van parkeervoorzieningen conform de beleidsregels Actualisatie nota parkeernormen 2019 of de opvolger daarvan.

Artikel 8 Groen     

8.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Groen´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. groenvoorzieningen;
  2. bermen en beplanting;
  3. paden;
  4. speelvoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. beheer en/of zuivering van oppervlakte- en rioolwater;
  7. kunstobjecten;
  8. geluidwerende voorzieningen;
  9. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - 1' een dierenweide;
  10. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - 2' een kiosk;

met daarbij behorende:

  1. verhardingen;
  2. (ondergrondse) parkeervoorzieningen;
  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  4. nutsvoorzieningen.

8.2 Bouwregels     

8.2.1 Gebouwen     
  1. behoudens het bepaalde onder sub b en d mogen op of in deze gronden geen gebouwen worden gebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder sub a mag ter voorziening in een schuilgelegeheid met opslag voor materieel in verband met het beheer en onderhoud van de boomgaard ter plaatse van Jo Goudkuillaan 11 op de gronden grenzend aan de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 2' één gebouw worden gebouwd met dien verstande dat :
    1. de hoogte van het gebouw niet meer dan 3 m mag bedragen;
    2. de oppervlakte van het gebouw niet meer dan 30 m² mag bedragen;
    3. de situering van het gebouw zodanig dient plaats te vinden dat aan de historische waarde van de boomgaard geen afbreuk wordt gedaan;
  3. de onder sub b vermelde bouwmogelijkheid vervalt indien binnen de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 2' een gebouw ter voorziening in de schuilgelegenheid met opslag voor materieel in verband met het beheer en onderhoud van de boomgaard wordt of is gebouwd.
  4. in afwijking van het bepaalde onder sub a mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - 1' een schuilgelegenheid worden gebouwd mits:
    1. de oppervlakte van het bouwwerk niet meer bedraagt dan 25 m²;
    2. de bouwhoogte van het bouwwerk niet meer bedraagt dan 3,5 m.

8.2.2 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     
  1. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m².

8.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximum bouwhoogte van 4 m, met dien verstande dat een huiszwaluwtil een maximale hoogte van 6 meter mag bedragen.

Artikel 9 Horeca     

9.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Horeca´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. horecabedrijven genoemd in de `Lijst van horeca-activiteiten´ (Bijlage 3) behorende tot maximaal categorie 1;
  2. horecabedrijven genoemd in de `Lijst van horeca-activiteiten´ (Bijlage 3) behorende tot categorie 2 of 3 uitsluitend voor zover bestaand;
  3. woningen uitsluitend voor zover bestaand;

met dien verstande dat:

  1. een woning met uitzondering van bergingen en entrees uitsluitend toegelaten is op de verdieping tenzij een woning op de begane grond reeds aanwezig was op het moment van inwerking treden van het plan;
  2. een woning niet mag worden gesplitst in twee of meerdere woningen;
  3. kamerverhuur niet is toegestaan, tenzij het een bestaande situatie betreft;
  4. horeca uitsluitend op de begane grond is toegelaten. Horeca op de verdieping is slechts toegelaten voorzover de verdieping ten tijde van het van kracht worden van dit plan reeds voor horecadoeleinden in gebruik is en het wordt gebruikt als opslagruimte;

met daarbij behorende:

  1. erven en terreinen;
  2. wegen en paden;
  3. (ondergrondse) parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  7. nutsvoorzieningen;
  8. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9.2 Bouwregels     

9.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. maximum goot- en bouwhoogte bedragen de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  3. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen, tenzij anders is aangegeven;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub b, gelden die maten als maximum.

9.2.2 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. gebouwen voor het opwekken van duurzame energie mogen zowel binnen als buiten de aanduiding bouwvlak worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  3. de maximum oppervlakte is 15 m².

9.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 m;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub a tot en met c gelden die maten als maximum.

9.3 Afwijken van de gebruiksregels     

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in lid 9.1 onder a en b en tevens horecabedrijven toestaan die niet worden vermeld onder categorie 1, 2 en/of 3 in de `Lijst van horeca-activiteiten´ en/of worden vermeld in een hogere categorie doch die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de horecabedrijven die zijn genoemd onder die categorie van de `Lijst van horeca-activiteiten´.

Artikel 10 Kantoor     

10.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Kantoor´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. zelfstandige kantoorvestigingen;
  2. woningen uitsluitend voorzover bestaand;

met de daarbij behorende:

  1. erven en terreinen;
  2. wegen en paden;
  3. (ondergrondse) parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. nutsvoorzieningen;
  8. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

10.2 Bouwregels     

10.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. maximum goot- en bouwhoogte bedragen de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  3. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen, tenzij anders is aangegeven;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub b, gelden die maten als maximum.

10.2.2 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. gebouwen voor het opwekken van duurzame energie mogen zowel binnen als buiten de aanduiding bouwvlak worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  3. de maximum oppervlakte is 15 m².

10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 m;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub a tot en met c gelden die maten als maximum.

Artikel 11 Maatschappelijk     

11.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Maatschappelijk´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. maatschappelijke voorzieningen 
  2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' een begraafplaats;
  3. horecavoorzieningen, detailhandelvoorzieningen en/of dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling voor zover ten dienste van de maatschappelijke voorziening;
  4. bedrijfswoningen uitsluitend bestaand;
  5. tuinen, erven en terreinen;
  6. (ondergrondse) parkeervoorzieningen;
  7. groenvoorzieningen;
  8. speelvoorzieningen;
  9. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  10. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  11. nutsvoorzieningen
  12. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

11.2 Bouwregels     

11.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. maximum goot- en bouwhoogte bedragen de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  3. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen, tenzij anders is aangegeven;
  4. in afwijking van het bepaalde in sub a tot en met c is ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' een maximale bouwhoogte van 10 meter toegestaan met een maximum oppervlak van 200 m²;
  5. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub b, gelden die maten als maximum;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3' mag een loopbrug worden gerealiseerd als verbinding tussen twee gebouwen met dien verstande dat de hoogte van de onderkant van de loopbrug, gemeten vanaf peil, minimaal 2,5 m moet zijn. Deze hoogte is niet van toepassing op de ondergeschikte ondersteunende bouwdelen.

11.2.2 Bijgebouwen, aan- en uitbouwen bij bedrijfswoningen     

Voor het bouwen van bijgebouwen, aanbouwen uitbouwen bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  1. bijgebouwen, aan- en uitbouwen mogen uitsluitend worden gebouwd 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- uit en bijgebouwen mag per woning niet meer bedragen dan 75 m2 met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 65% van de oppervlakte van het bouwperceel;
  3. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3,5 m bedragen met dien verstande dat de goothoogte nooit meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap dan is de maximum bouwhoogte 4,5 m;
  4. een bijgebouw mag geen zelfstandige woning bevatten.

11.2.3 Dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding hoofdgebouw     

In afwijking van het bepaalde in artikel 11.2.1 onder b mag een dakopbouw of een gelijksoortige uitbreiding van een hoofdgebouw op een hellend dakvlak worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden:

  1. aan de achterzijde van het hoofdgebouw;
  2. de bouwhoogte van de dakopbouw verticaal gemeten minstens 1 meter onder de nok van het hoofdgebouw blijft;
  3. de hellingshoek van een eventuele kap van de dakopbouw gelijk is aan de hellingshoek van het bestaande dakvlak waarop wordt gebouwd en;
  4. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 1 meter is.

11.2.4 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. gebouwen voor het opwekken van duurzame energie mogen zowel binnen als buiten de aanduiding bouwvlak worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  3. de maximum oppervlakte is 15 m².

11.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' zijn verlichtingsarmaturen en vlaggenmasten toegestaan met een maximum bouwhoogte van 9 m;
  4. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' de maximale bouwhoogte 5 meter is;
  5. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub a tot en met d, gelden die maten als maximum.

11.3 Specifieke gebruiksregels     

11.3.1 Gebruik     

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  1. een niet geluidgevoelige functie mag slechts worden gewijzigd in een geluidgevoelige functie passend binnen artikel 11.1, indien;
    1. de voorkeurswaarde ingevolge de Wet geluidhinder niet wordt overschreden of;
    2. indien sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde er door het bevoegd gezag hogere waarden zijn verleend;
  2. Het is verboden om in de bestaande situatie de gebruiksfunctie van gronden en/of gebouwen te wijzigen in een andere gebruiksfunctie passend binnen de bestemming met een toename van de autoparkeerbehoefte conform de Nota Parkeernormen 2019.
  3. de maximum vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden-beroep is 75 m2 per woning;
  4. detailhandel in volumineuze goederen en/of grootschalige detailhandel is niet toegestaan.

11.4 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke opzet van de bouwwerken die zijn voorzien de bouwaanduiding 'karakteristiek', nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor de bouwwerken, alsmede aan de situering ervan.

11.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk     

11.5.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) bouwwerken die zijn voorzien van de bouwaanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen of te verwijderen.

11.5.2 Uitzonderingen     

Het in lid 11.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  1. het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. welke onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;
  3. plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
  4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en mits niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan;
  5. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend.

11.5.3 Toelaatbaarheid     

De omgevingsvergunning kan worden verleend indien:

  1. de genoemde werken en werkzaamheden naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is, moet de aanvrager een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek overleggen waarover door een ter zake deskundige gemeentelijke adviseur of -commissie een advies is uitgebracht, en
  2. er een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend voor:
    1. een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk of
    2. het verbouwen van het bouwwerk.

11.6 Afwijken van de gebruiksregels     

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van:

  1. het bepaalde in lid 11.3.1 lid b indien wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 26.1 of 26.2.

Artikel 12 Natuur     

12.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Natuur´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het behoud, herstel en ontwikkeling van aardkundige waarden;
  2. het behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwaarden;
  3. het behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en cultuurhistorische waarden;
  4. kamperen in scoutingverband;
  5. een geluidwal;
  6. kunstwerk, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – kunstwerk';

met daarbij behorende:

  1. extensief recreatief medegebruik;
  2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

12.2 Bouwregels     

12.2.1 Gebouwen     

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximum bouwhoogte van 2 m, met dien verstande dat voor bouwwerken voor informatievoorziening, entreevoorziening dan wel schuilvoorziening een maximum bouwhoogte geldt van 3 m.

12.3 Specifieke gebruiksregels     

12.3.1 Strijdig gebruik     

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks nodig is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. het beoefenen van (lawaai)sporten;
  3. kleinschalig kamperen;
  4. conform het luchthavenbesluit Eindhoven; oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare, natuurbeschermingsgebieden, vogelbeschermingsgebieden, vishouderijen met extramurale bassins, extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal en afvalwaterzuiveringsinstallaties.

12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

12.4.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden) op of in de gronden met de bestemming `Natuur´ de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ontgronden, uitdiepen, egaliseren, afgraven, diepploegen en ophogen van gronden en/of anderszins wijzigen van de bodemstructuur;
  2. het opslaan, storten of bergen van materialen en producten voor andere doeleinden dan die bedoeld in lid 12.3.1 onder a;
  3. het planten, rooien, kappen of verminken van de houtopstand en gewassen;
  4. het aanleggen van oppervlakteverhardingen (al dan niet tijdelijk);
  5. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen;
  6. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse (infrastructurele) leidingen;

12.4.2 Uitzonderingen     

Het in lid 12.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  1. welke het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen;
  2. welke ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren;
  3. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend;
  4. ter plaatse van de aanduiding  'specifieke vorm van natuur – kunstwerk'.

12.4.3 Toelaatbaarheid     

De in lid 12.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarden zoals beschreven in lid 12.1.

Artikel 13 Recreatie - Volkstuinen     

13.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Recreatie - Volkstuinen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. volkstuinen;
  2. gebouwen ten behoeve van de volkstuinen;

met de daarbij behorende:

  1. parkeervoorzieningen;
  2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  3. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

13.2 Bouwregels     

13.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van een gebouw is 3 m;
  2. de maximum oppervlakte van een verenigingsgebouw is 100 m²;
  3. per uitgegeven volkstuin van ten minste 75 m² een gebouw met een maximum oppervlakte van 10 m² en een maximum bebouwingshoogte van 3 m;
  4. per uitgegeven volkstuin een kas met een maximum oppervlakte van 25 m² en een maximum bebouwingshoogte van 3 m;
  5. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub a tot en met d gelden die maten als maximum.

13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximum bouwhoogte van 2,5 m.

Artikel 14 Sport     

14.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Sport´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. sportterreinen;
  2. sportvoorzieningen;
  3. horecavoorzieningen uitsluitend voorzover ter ondersteuning en ten dienste van de aanwezige sportvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  1. (ondergrondse) parkeervoorzieningen;
  2. groenvoorzieningen;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  5. nutsvoorzieningen;
  6. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

14.2 Bouwregels     

14.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. maximum goot- en bouwhoogte bedragen de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  3. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub b, gelden die maten als maximum.

14.2.2 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. gebouwen voor het opwekken van duurzame energie mogen zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  3. de maximum oppervlakte is 15 m².

14.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen is 2 m;
  2. de maximum bouwhoogte van lichtmasten is 25 m;
  3. de maximum bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 6 m;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub a tot en met c gelden die maten als maximum.

Artikel 15 Verkeer - Verblijfsgebied     

15.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Verkeer - Verblijfsgebied´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. woonstraten;
  2. pleinen;
  3. voet- en fietspaden;
  4. (ondergrondse) parkeervoorzieningen;
  5. groenvoorzieningen;
  6. speelvoorzieningen;
  7. nutsvoorzieningen;

met daarbij behorende:

  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

15.2 Bouwregels     

15.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks voor de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, gelden de volgende regels:

a. de maximum bouwhoogte van lichtmasten is 6 m;

b. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 4 m.

15.2.2 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m².

Artikel 16 Water     

16.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Water´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. alle oppervlaktewateren, zoals kanalen, rivieren, beken en andere waterlopen, alsmede sloten, greppels, (infiltratie)vijvers ook als deze incidenteel of structureel droogvallen;
  2. waterberging;
  3. waterhuishouding;
  4. waterlopen;

met de daarbij behorende:

  1. andere voorzieningen voor de waterhuishouding;
  2. nutsvoorzieningen;
  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

16.2 Bouwregels     

16.2.1 Gebouwen     

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

16.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximum bouwhoogte van 4 m.

16.3 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 16.2.2 voor het bouwen van kunstwerken, met inachtneming van de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van bruggen is 4 m;
  2. de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt;
  3. er geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt;
  4. er geen onevenredige inbreuk wordt toegebracht aan het gebruik van de belendende percelen.

16.4 Specifieke gebruiksregels     

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

  1. het aanleggen van woonschepen;
  2. het opslaan, storten of bergen van voorwerpen, stoffen, materialen of chemicaliën en soortgelijke producten, behoudens voor zover zulks nodig is voor het op de bestemming gerichte gebruik.

16.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

16.5.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden) op of in de gronden met de bestemming 'Water' de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het dempen van water;
  2. het vergraven van oevers;
  3. het verleggen van water;
  4. het herprofileren van waterlopen.

16.5.2 Uitzonderingen     

Het in lid 16.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op een werk en werkzaamheden welke:

  1. het normale onderhoud betreffen;
  2. de aanleg van ecologische oevers betreft;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

16.5.3 Toelaatbaarheid     

De in lid 16.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwantiteit en de waterkwaliteit.

16.5.4 Advies     

Burgemeester en wethouders verleent de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden slechts nadat advies is ingewonnen bij de waterbeheerder met betrekking tot de vraag of door de ingreep het waterhuishoudkundig belang niet onevenredig wordt aangetast.

Artikel 17 Wonen     

17.1 Bestemmingsomschrijving     

17.1.1 Bestemming     

De voor `Wonen´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. woongebouwen / grondgebonden woningen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep;
  2. aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen;
  3. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' zijn garageboxen toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' tevens bestemd voor een geluidscherm.

met de daarbij behorende:

  1. tuinen, erven en terreinen;
  2. wegen en paden;
  3. (ondergrondse) parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. speelvoorzieningen;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  8. nutsvoorzieningen
  9. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

met dien verstande dat:

  1. een woning en/of kamergewijs bewoonde woning niet mag worden gesplitst in twee of meerdere woningen;
  2. kamerverhuur niet is toegestaan, tenzij het een bestaande situatie betreft.
  3. de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan -huis-verbonden-beroep niet meer dan 50 m2 mag bedragen.

17.2 Bouwregels     

17.2.1 Hoofdgebouwen     

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. een hoofdgebouw mag uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de maximale goot- en bouwhoogte, respectievelijk de maximale bouwhoogte bedraagt de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)', respectievelijk 'maximum bouwhoogte (m)';
  3. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub b, gelden die maten als maximum;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' dient het hoogteverschil tussen de bouwhoogte en goothoogte in de vorm van een hellend dakvlak op elk punt tenminste 1 m te bedragen, met dien verstande dat dakkapellen in dit verband buiten beschouwing worden gelaten;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' dient de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen ten minste 5 m te bedragen.

17.2.2 Dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding hoofdgebouw     
  1. in afwijking van het bepaalde in artikel 17.2.1 onder b mag een dakopbouw of een gelijksoortige uitbreiding van een woning op een hellend dakvlak worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden:
    1. aan de achterzijde van het hoofdgebouw;
    2. de bouwhoogte van de dakopbouw verticaal gemeten minstens 1 meter onder de nok van het hoofdgebouw blijft;
    3. de hellingshoek van een eventuele kap van de dakopbouw gelijk is aan de hellingshoek van het bestaande dakvlak waarop wordt gebouwd en;
    4. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 1 meter is.
  2. het bepaalde onder sub a geldt niet voor een bungalow en/of patiowoning;
  3. het bepaalde onder sub a geldt niet ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4'.

17.2.3 Opbouw bungalow/patiowoning     

In afwijking van het bepaalde in artikel 17.2.1 onder b mag een opbouw op een bungalow of

een patiowoning worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden:

  1. de opbouw wordt geplaatst op het hoofdgebouw;
  2. de oppervlakte van de opbouw bedraagt maximaal 25% van het bruto vloeroppervlak van het hoofdgebouw, en
  3. de bouwhoogte bedraagt maximaal 7 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte bij een reeds bestaande tweede bouwlaag op een bungalow / patiowoning niet hoger mag zijn dan de bestaande bouwhoogte van de tweede bouwlaag;
  4. het bepaalde in dit artikel geldt niet ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4'.

17.2.4 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen     

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen minimaal drie meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd wanneer de zijzijde aan openbaar toegankelijk gebied grenst; in andere gevallen geldt een afstand van minimaal 1 meter;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 75 m² met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing (inclusief hoofdgebouw) niet meer bedraagt dan 65% van de oppervlakte van het bouwperceel; voor patiowoningen geldt in deze een percentage van 80%;
  3. in afwijking van het gestelde onder sub 2 geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een bouwperceel groter dan 750 m² maximaal 10 % van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen;
  4. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3,5 m bedragen met dien verstande dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw; indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap mag de maximum bouwhoogte 4,5 m bedragen;
  5. bij vrijstaande woningen dient de afstand tussen aan- en uitbouwen en/of bijgebouwen tot één van de zijdelingse perceelgrenzen minimaal 2.50 m te bedragen tenzij in de bestaande situatie binnen een kortere afstand dan wel tot de perceelsgrens is gebouwd;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' dient de afstand tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen ten minste 5 m te bedragen;
  7. voor de voorgevel van de woning mag een aanbouw worden gerealiseerd tot een maximum diepte van 1,5 m en een maximum goothoogte van 3,5 meter, mits tenminste 1 m tuindiepte resteert;
  8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' dient de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen ten minste 5 m te bedragen.
  9. voor zover de bestaande situatie groter/hoger is dan het bepaalde onder a tot en met h, gelden die maten als maximum.

17.2.5 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. gebouwen voor het opwekken van duurzame energie mogen zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  3. de maximum oppervlakte is 15 m².

17.2.6 Bouwwerken geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 m, met dien verstande dat de maximale bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' 2 m bedraagt;
  4. voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder sub a tot en met c, gelden die maten als maximum.

17.3 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken voor wat betreft

de maximum goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien dat wenselijk is uit een oogpunt van een goede constructieve en/of bouwkundige aansluiting van het bijbehorende bouwwerk bij de hoogte van de verdiepingsvloer van het hoofdgebouw.

17.4 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke opzet van de bouwwerken die zijn voorzien de bouwaanduiding 'karakteristiek', nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor de bouwwerken, alsmede aan de situering ervan.

17.5 Specifieke gebruiksregels     

17.5.1 Aan-huis-verbonden-beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten     

Het gebruik van een gedeelte van de woning voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten tot een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 30 m2 en/of voor een aan-huis-verbonden beroep met een vloeroppervlakte van meer dan 50 m2 met een maximum van 75 m2, is toegestaan mits:

  1. de totale oppervlakte voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en een aan-huis-verbonden beroep gezamenlijk niet meer dan 75 m2 bedraagt;
  2. de verkeersaantrekkende werking niet zodanig is, dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen op de openbare weg, noodzakelijk worden;
  3. het niet betreft detailhandel met uitzondering van detailhandel in ter plaatse vervaardigde en/of bewerkte producten;
  4. het niet betreft vervaardiging van voedsel;
  5. deze activiteiten door ten hoogste twee personen worden uitgeoefend, waarvan minstens één persoon woonachtig is in het betreffende pand; voor kapsalons geldt dat deze activiteit door maximaal één persoon, die tevens in het pand woonachtig is, mag worden uitgeoefend;
  6. de bedrijfsactiviteiten vallen onder de in Bijlage 2 opgenomen 'Lijst van bedrijfsactiviteiten bij wonen' behorende tot de categorie 1, alsmede bedrijfsactiviteiten die niet in deze lijst zijn opgenomen, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten zoals genoemd in categorie 1 van deze lijst;
  7. het een dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling betreft die niet valt onder de sub f genoemde lijst, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als bedoeld onder sub f.

17.5.2 Dove gevel     

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van een hoofdgebouw ter plaatse van het perceel 'Boschdijk 1109' conform het bepaalde in 17.1 is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' uitsluitend toegestaan wanneer de noordoostelijk georiënteerde gevel is uitgevoerd als dove gevel en als zodanig in stand wordt gehouden.

17.5.3 Geluidwerende voorzieningen     

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden ter plaatse van het perceel 'Boschdijk 1109' conform het bepaalde in 17.1 is ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wet geluidhinder' uitsluitend toegestaan wanneer ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' een geluidwerende voorziening met een hoogte van minimaal 1,80 meter en maximaal 2 meter is gerealiseerd en als zodanig in stand wordt gehouden.

17.5.4 Strijdig gebruik     

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van bijgebouwen en/of garageboxen voor zelfstandige woonruimte;
  2. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' is het gebruik voor de uitoefening van enige tak van handel niet toegestaan.

17.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk     

17.6.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) bouwwerken die zijn voorzien van de bouwaanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen of te verwijderen.

17.6.2 Uitzonderingen     

Het in lid 17.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  1. het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. welke onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;
  3. plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
  4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en mits niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan;
  5. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend.

17.6.3 Toelaatbaarheid     

De omgevingsvergunning kan worden verleend indien:

  1. de genoemde werken en werkzaamheden naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is, moet de aanvrager een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek overleggen waarover door een ter zake deskundige gemeentelijke adviseur of -commissie een advies is uitgebracht, en
  2. er een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend voor:
    1. een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk of
    2. het verbouwen van het bouwwerk.

Artikel 18 Leiding - Gas     

18.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Leiding - Gas´ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  1. een (ondergrondse) gastransportleiding;
  2. met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

In geval van strijdigheid van regels in dit bestemmingsplan, gaan de regels van dit artikel voor op de regels die op grond van de andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

18.2 Bouwregels     

18.2.1 Bouwen op grond van andere bestemmingen     

In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (basisbestemming) mogen op of in de gronden binnen het aangegeven bestemmingsvlak behorende bij deze bestemming geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd anders dan ten behoeve van deze bestemming.

18.2.2 Bouwen van gebouwen     

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

18.3 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders kunnen, mits de veiligheid met betrekking tot de gasleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbare objecten worden toegelaten, bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 18.2.1, en toestaan bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende basisbestemmingen worden gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder.

Bij het bouwen zijn de regels van de betreffende bestemming van toepassing.

18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

18.4.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden op de gronden met de dubbelbestemming Leiding - Gas zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden en/of het anderszins wijzigen van de bodemstructuur;
  2. het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld voor het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  3. het aanbrengen van diepwortelende en/of hoogopgaande beplanting, waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting;
  4. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
  5. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  6. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  7. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.

18.4.2 Uitzonderingen     

Het in artikel 18.4.1 opgenomen verbod is niet van toepassing op werken welke:

  1. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig deze bestemming;
  2. reeds in uitvoering zijn ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
  3. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend;
  4. graafwerkzaamheden betreffen zoals bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.

18.4.3 Toelaatbaarheid     

De in artikel 18.4.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend,

indien het behoud van een veilige ligging van de leiding en de continuïteit van de functie van de betreffende leiding zijn gewaarborgd, met dien verstande dat:

  1. alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in artikel 18.4.1 wint burgemeester en wethouders advies in bij de betreffende leidingbeheerder.

Artikel 19 Leiding - Hoogspanningsverbinding     

19.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Leiding - Hoogspanningsverbinding´ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  1. hoogspanningsleiding;

met daarbij behorende:

  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

In geval van strijdigheid van regels in