Omgevingsplan Buitengebied 2016    

Boekel

Omgevingsplan Buitengebied 2016

Omgevingsplan

identificatie planstatus
identificatiecode: datum: status:
NL.IMRO.0755.Omgevingsplan2016-VO01 Boekel 06-01-2016 voorontwerp
projectnummer:
opdrachtleider:
drs. M.P. Kegler

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Wat is dit voor plan?     

Het Buitengebied van Boekel en een flexibel kader 

Dit is het omgevingsplan voor het buitengebied van de gemeente Boekel. Het buitengebied is een dynamisch gebied waar veel verschillende functies een plek hebben en zich willen ontwikkelen. De gemeente wil de kwaliteiten van het buitengebied versterken. Het gaat dan om de kwaliteiten in brede zin: economische kracht, ruimtelijke- en landschappelijke kwaliteit en een goed woon- en leefklimaat.

De afgelopen jaren is de kwaliteitsverbetering van het buitengebied met de visie 'Vitaal Buitengebied' al in gang gezet. En deze ingeslagen weg slaat aan! Door een nauwe samenwerking tussen de gemeente, initiatiefnemers en andere belanghebbenden wordt al veel bereikt.

De gemeente geeft de inzet op een gezonde fysieke leefomgeving nu een plek in dit omgevingsplan.

Het omgevingsplan = bestemmingsplan met verbrede reikwijdte

In deze toelichting wordt niet gesproken van een bestemmingsplan, maar van een omgevingsplan. Voor dit gebied wordt namelijk niet zomaar een bestemmingsplan opgesteld, maar een 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte'. De naam verklapt de betekenis al. Waar een bestemmingsplan normaal gesproken alleen regels over de ruimtelijke ordening mag bevatten, mag een 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte' meer bevatten, namelijk alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarnaast mag een dergelijk plan ook ander type instrumenten gebruiken dan een 'gewoon' bestemmingsplan. Het gaat dan bijvoorbeeld om een 'meldingsplicht' of 'gelijkwaardigheidsregels'. Dit plan is daarmee een omgevingsplan vooruitlopend op de Omgevingswet. In Omgevingswet en omgevingsplan en Toelichting instrumentarium omgevingsplan wordt hier uitgebreid bij stil gestaan.

De gemeente mag voor het Buitengebied een omgevingsplan vaststellen, omdat dit gebied in het Besluit Crisis- en herstelwet daartoe is aangewezen. Lees hierover meer in de bijlagen Omgevingswet en omgevingsplan en Toelichting instrumentarium omgevingsplan.

Verbrede reikwijdte

De mogelijkheden die de pilot status biedt om een bestemmingsplan te maken met een verbrede reikwijdte biedt de mogelijkheid om:

  • de nota 'Vitaal Buitengebied, kwaliteitsgids' te hanteren bij de beantwoording van de vraag of gevraagde ontwikkelingen passend zijn in het landschap zoals beschreven in de nota;
  • de nota 'Vitaal Buitengebied, kwaliteitsgids' te hanteren bij de beantwoording van de vraag of gevraagde ontwikkelingen binnen deelgebieden en buurtschappen op de betreffenden locatie passend zijn zoals beschreven in de nota;
  • de nota 'Vitaal Buitengebied, waardering' te hanteren bij het bepalen van de mate waarin sprake is van een ruimtelijke meerwaarde;
  • andere beleidsstukken en verordeningen voor de fysieke leefomgeving te integreren in het omgevingsplan.

1.2 Waarom een omgevingsplan?     

Wettelijke verplichting om het bestemmingsplan te actualiseren

Het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2005 is in 2006 vastgesteld. Inmiddels zijn er bijna 10 jaar verstreken en is er beleidsmatig heel wat veranderd. Met het oog op de wettelijke houdbaarheidstermijn van een bestemmingsplan, zoals opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening, is het nodig om een nieuw bestemmingsplan te maken.

Gebruik maken van de mogelijkheden van een omgevingsplan

In het buitengebied staat de gemeente voor uitdagingen en heeft de gemeente doelen geformuleerd zoals het versterken en verbeteren van de kwaliteit van het buitengebied, het vrijkomen van agrarische bebouwing door schaalvergroting, transformaties en bedrijfsbeëindiging, het verbeteren van het woon- en leefklimaat en het meer maatschappelijk verantwoord maken van de intensieve veehouderij.

De gemeente heeft hiervoor beleid geformuleerd in de gemeentelijke structuurvisie, de visie 'Vitaal Buitengebied Boekel' en de notitie 'Naar een verantwoorde veehouderij in Boekel'. Ook de provincie Noord-Brabant heeft voor het buitengebied in het algemeen en de veehouderij in het bijzonder beleid en regels ontwikkeld in de zogenoemde Brabantse Zorgvuldigheidscore (BZV), geborgd in de provinciale Verordening ruimte (Vr).

Bij het opstellen van de kaders voor een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied is geconstateerd dat de kenmerken van het instrument bestemmingsplan een knelpunt zijn bij het juridisch regelen van het beleid dat de gemeente voor het buitengebied heeft geformuleerd. Het gaat dan voornamelijk om de beperking van de reikwijdte van een goede ruimtelijke ordening. De gemeenteraad van Boekel heeft daarbij aandacht gevraagd voor het thema gezondheid bij het opstellen van het bestemmingsplan. Pogingen om de gezondheidseffecten een adequate plek te geven in de bestemmingsplannen buitengebied zijn tot op heden gestrand bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State omdat het aspect gezondheid buiten de reikwijdte van 'een goede ruimtelijke ordening' valt en de (op grond van de bestemmingsplanjurisprudentie noodzakelijke) objectieve criteria zoals afstandsmaten onvoldoende kunnen worden onderbouwd.

Het waarborgen van gezondheid en het geformuleerde beleid is niet mogelijk in een traditioneel bestemmingsplan. De gemeente heeft het bestemmingsplan mede daarom aangemeld voor de 11e tranche van de Crisis- en herstelwet (het project is hierin inmiddels opgenomen; een formeel besluit is er nog niet maar wordt verwacht in januari 2016). Daarmee is de weg vrijgemaakt voor het opstellen van dit omgevingsplan, juridisch overigens een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Hiermee wordt voorgesorteerd op de toekomstige Omgevingswet. De juridische vormgeving wordt verder toegelicht in Juridische planbeschrijving.

Ter voorbereiding van het bestemmingsplan Buitengebied Boekel 2016 is een 'Kadernota' met de uitgangspunten voor een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Ondanks dat de 'Kadernota' is opgesteld voor het maken van een bestemmingsplan, zal de 'Kadernota' ook voor het omgevingsplan als spoorboekje fungeren. In de 'Kadernota' zijn op voorhand op strategisch niveau beleidskeuzes gemaakt voor de inrichting van het buitengebied.

Voor het Omgevingsplan Buitengebied Boekel 2016 gelden de volgende algemene uitgangspunten:

  • minder regels, meer loslaten;
  • deregulering en vertrouwen als uitgangspunt;
  • integratie van alle aspecten rondom de fysieke leefomgeving in één ruimtelijk plan;
  • meer ruimte en flexibiliteit voor wenselijke ontwikkelingen;
  • waarborgen van omgevingskwaliteit.

Deze filosofie sluit naadloos aan het beleid van Boekel en de Boekelse methode van werken: het zogenoemde 'Boekels model'.

Voorsorteren op de omgevingswet biedt mogelijkheden om op punten waar de huidige wetgeving en het huidige beleidskader als een belemmering voor wenselijke ontwikkelingen in Boekel worden ervaren, maatwerk te leveren. Daardoor kan het Omgevingsplan voor de onderwerpen gezondheid, een meer verantwoorde veehouderij en 'Vitaal Buitengebied' meer dan het bestemmingsplan worden afgestemd op de Boekelse praktijk en visie.

1.3 Voor welk gebied wordt het omgevingsplan vastgesteld?     

Het omgevingsplan wordt opgesteld voor nagenoeg het gehele buitengebied van de gemeente Boekel. Het plangebied is in figuur 1.1 weergegeven. De locatie Boekels Ven valt buiten het plangebied, evenals de dorpskernen Boekel en Venhorst.

verplicht

Figuur 1.1 Ligging plangebied

1.4 Welke plannen en overige regels worden in dit plan opgenomen     

De volgende bestemmingsplannen gelden nu in het plangebied van dit omgevingsplan en worden vervangen voor dit plan:

verplicht

Het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2005 vormt de basis voor dit omgevingsplan. Aanvullend zijn de reeds verleende vergunningen, vastgestelde wijzigingsplannen (Bovenstehuis 19, De Beemd 4, Het Goor 9, Schutboom 5, Waterdelweg 11a, Zijp 2-4, Voskuilenweg 9 en Arendsnest 16) en genoemde postzegelbestemmingsplannen in dit omgevingsplan verwerkt.

In het kader van de verbrede reikwijdte zijn de volgende beleidstukken en verordeningen opgenomen in het omgevingsplan:

verplicht

Voor wat betreft de inhoud van de genoemde verordeningen en beleidsregels is het goed te vermelden dat in het voorontwerp van het omgevingsplan de door de gemeenteraad vastgestelde documenten zijn gebruikt. In de volgende fasen van het omgevingsplan zullen de verordeningen en beleidsregels worden aangepast aan de terminologie van het omgevingsplan.

De verordeningen en beleidsregels moeten voorlopig in stand blijven omdat niet het gehele grondgebied van de gemeente in het omgevingsplan is opgenomen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan zal in het vaststellingsbesluit worden opgenomen dat de verordeningen en beleidsregels van kracht blijven, tenzij het omgevingsplan op dat onderdeel een onherroepelijke werking heeft.

1.5 Wat kunt u lezen in deze toelichting?     

In deze toelichting gaan wij in de verschillende hoofdstukken in op:

Hoofdstuk 2 Onze visie op het buitengebied
Hoofdstuk 3 Keuzes voor het omgevingsplan
Hoofdstuk 4 Keuzes op basis van omgevingsaspecten
Hoofdstuk 5 Juridische vertaling keuzes
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 2 Visie op hoofdlijnen     

2.1 Inleiding     

Het omgevingsplan is een van de belangrijkste instrumenten die de gemeente heeft om sturing te geven aan ontwikkelingen, om kansen te benutten en om de kenmerkende waarden en kwaliteiten van het gebied te beschermen en te behouden. Het omgevingsplan dient daartoe te stoelen op een heldere en eenduidige visie en dient uitvoerbaar en handhaafbaar te zijn. Er dient sprake te zijn van een goede leefomgeving, dat wil zeggen dat alle belangen op een evenwichtige wijze zijn gewogen en dat in voldoende mate rekening is gehouden met de geldende beleidskaders en van toepassing zijnde wet- en regelgeving.

Met de 'Structuurvisie Boekel 2011', de visie 'Vitaal Buitengebied Boekel', de notitie 'Naar een verantwoorde veehouderij Boekel', de 'Strategische visie 2025' en de 'Geurverordening en Geurgebiedsvisie' heeft de gemeente Boekel haar visie op het buitengebied vastgelegd en de kaders voor het omgevingsplan gegeven. In de gebiedsvisie 'De Groene Ladder' is de visie voor de smalle boszone tussen Boekel en Gemert nader uitgewerkt.

In dit hoofdstuk wordt de visie op het buitengebied beschreven en vervolgens een thematische uitwerking opgenomen.

2.2 Visie op het buitengebied     

De gemeente Boekel zet in op het behouden en versterken van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De kwaliteit van de leefomgeving uit zich op verschillende manieren in Boekel:

  • een gezond woon- en leefklimaat;
  • ruimtelijke kwaliteit: landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit;
  • economische kwaliteit: werkgelegenheid, ruimte om te ondernemen.

Deze kwaliteiten vormen het uitgangspunt voor de integrale afwegingen die op basis van het omgevingsplan gemaakt worden. De specifieke kwaliteiten zijn per deelgebied vastgelegd.

Koers en Kwaliteiten deelgebieden

Het buitengebied van Boekel is op basis van het gemeentelijk beleid ingedeeld in verschillende deelgebieden:

  • afhankelijk van de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende landschapstypen (beekdal, kampenlandschap, peelontginningen: 'Vitaal Buitengebied; Kwaliteitsgids');
  • en/of gebaseerd op de visie voor een gebied (dynamisch, luw, rustig: 'Vitaal Buitengebied; Strategie');
  • en de ontwikkelingsrichting die beleidsmatig wordt nagestreefd (zoals ruimte voor meer stedelijke ontwikkelingen in het woonwerklandschap, ontwikkeling met behoud waardevolle karakter buurtschappen, versterking bosrijke ontginningen).

Op basis van deze indelingen zijn deelgebieden onderscheiden die van elkaar te onderscheiden zijn in kwaliteit en na te streven dynamiek. De verschillende deelgebieden zoals genoemd in de 'Structuurvisie' en 'Vitaal Buitengebied' zijn, op basis van de kernkwaliteiten van de gebieden, de onderlinge samenhang tussen gebieden en de toelaatbare ontwikkelingen binnen de deelgebieden vertaald naar vier deelgebieden met een aangepaste begrenzing.

Onderscheiden zijn:

verplicht

Figuur 2.1 Deelgebieden in omgevingsplan

Woonwerklandschap met buurtschappen

Het woonwerklandschap wordt gekenmerkt door een waardevol agrarisch cultuurlandschap dat bestaat uit afwisseling tussen open, oude akkers en de geslotenheid van linten en buurtschappen met hun karakteristieke bebouwing en beplanting.

Het woonwerklandschap is aangemerkt als dynamische zone. In eerste instantie is hier ruimte voor functies met een meer stedelijk karakter en het daarbij behorende intensiever gebruik en activiteitenpatroon. De kwaliteit van het woonwerklandschap kan verbeterd worden door onder andere het stimuleren van initiatieven voor ontplooiing van wonen en kleinschalige bedrijvigheid alsmede initiatieven op het gebied van toerisme en recreatie.

De buurtschappen binnen het woonwerklandschap worden beschouwd als 'de parels van Boekel'. De buurtschappen worden gekenmerkt door de variatie in functie en bebouwingsmassa en het landelijke en dorpse karakter. Dit karakteristieke beeld dient behouden te blijven. De buurtschappen mogen niet aan elkaar groeien en dienen hun solitaire karakter te behouden. Eventuele ontwikkelingen binnen de buurtschappen moeten plaatsvinden binnen de eigenheid en karakteristiek van de structuur, dat wil zeggen kleinschalig en landelijk. Gestreefd wordt naar een vergroting van de samenhang binnen het buurtschap.

Beekdal met aansluitend open agrarisch landschap 

Het beekdal en het aansluitende open agrarisch (weide)landschap wordt gekenmerkt door openheid met slechts enkele houtsingels en relatief weinig bebouwing. De hoofdwatergangen Aa en de Leijgraaf vormen, samen met de oost-west georiënteerde waterlopen een robuust (oppervlakte - en grond)watersysteem. De ontginningslinten zijn overwegend noord-zuid georiënteerd, in combinatie met een oost-west oriëntatie van de waterlopen. Bomenlanen en houtsingels zijn overwegend haaks op de waterlopen aangelegd.

Het beekdal met aansluitend open agrarisch landschap is aangemerkt als zone in de luwte. In eerste instantie is hier ruimte voor grondgebonden landbouw, wonen en nevenfuncties bij landbouw en wonen: (agro)toerisme en kleinschalige verblijfsrecreatie.

De kwaliteit van het beekdal en aangrenzend open agrarisch landschap kan verbeterd worden door onder andere het stimuleren van initiatieven voor plattelandsverbreding alsmede initiatieven op het gebied van toerisme en recreatie.

Agrarisch landschap

Het agrarisch landschap wordt gekenmerkt door - direct ten oosten van Boekel - min of meer half gesloten landschap, getypeerd door lange en korte zichtlijnen, laanbeplanting, houtwallen en singelbeplantingen waarbij in oostelijke richting het: wegen- en verkavelingspatroon steeds rationeler wordt en het landschap relatief grootschaliger. Er is sprake van een rationele verkaveling van blokvormige en rechthoekige kavels en erven aan ontginningslinten. De erven en woonzone van bedrijven zijn doorgaans aan de ontginningslinten gelegen; de bedrijfsbebouwing ligt veelal achter de woonzone. De landschappelijke beplanting bestaat voornamelijk uit rijk beplante erven en uit bomenlanen die de weidsheid onderbreken.

Het agrarisch landschap is aangemerkt als zone in de luwte. In eerste instantie is hier ruimte voor grondgebonden landbouw, wonen en nevenfuncties bij landbouw en wonen: (agro)toerisme en kleinschalige verblijfsrecreatie.

De kwaliteit van het agrarisch landschap kan verbeterd worden door onder andere het stimuleren van initiatieven voor plattelandsverbreding alsmede initiatieven op het gebied van toerisme en recreatie, in combinatie met de ontwikkeling van natuur.

Bosrijke ontginningen met buurtschappen

De bosrijke ontginningen worden gekenmerkt door variatie in open en besloten ruimten, natuurwaarden en bosgebieden. In landschapspark Voskuilenheuvel is het typisch open karakter van de oude Peel zichtbaar (kenmerkende vegetatie en schaapskooi). Er is sprake van een rationele verkaveling van blokvormige en rechthoekige kavels en erven aan ontginningslinten. De erven en woonzone van bedrijven zijn doorgaans aan de ontginningslinten gelegen; de bedrijfsbebouwing ligt veelal achter de woonzone. De landschappelijke beplanting bestaat voornamelijk uit bomenlanen, bospercelen en rijk beplante erven.

De bosrijke ontginningen zijn aangemerkt als rust zone. In eerste instantie is hier ruimte voor grondgebonden landbouw, wonen en recreatieve ontwikkelingen in combinatie met uitbreiding van bosgebieden. De kwaliteit van de bosrijke ontginningen kan verbeterd worden door onder andere bosontwikkeling.

De buurtschappen binnen de bosrijke ontginningen zijn 'de parels van Boekel'. De buurtschappen zijn belangrijke structuurdragers op gemeenteniveau. De buurtschappen worden gekenmerkt door de variatie in functie en bebouwingsmassa en het landelijk en dorps karakter. Dit karakteristieke beeld dient behouden te blijven. De buurtschappen mogen niet aan elkaar groeien en dienen hun solitaire karakter te behouden. Eventuele ontwikkelingen binnen de buurtschappen moeten plaatsvinden binnen de eigenheid en karakteristiek van de structuur, dat wil zeggen kleinschalig en landelijk. Gestreefd wordt naar een vergroting van de samenhang binnen het buurtschap.

2.3 Thematische uitwerking visie     

In deze paragraaf worden de hoofdlijnen van de uitgangspunten voor het omgevingsplan op basis van de visie van de gemeente op het buitengebied beschreven, in het licht van de doelstellingen voor het omgevingsplan (minder regels, meer loslaten, vertrouwen, verbrede reikwijdte, kwalitatieve randvoorwaarden). De 'Kadernota' vormt de basis voor deze paragraaf.

2.3.1 Agrarisch gebied     

Agrarische economie

Door alle maatschappelijke discussies en veranderend beleid ten aanzien van de agrarische sector zullen er de komende jaren verdergaande veranderingen in de agrarische sector plaatsvinden. De agrarische sector is van oudsher de primaire beheerder van het platteland in Brabant, samen met de grote natuurbeheerders. Aangezien die laatste partij in Boekel nauwelijks vertegenwoordigd is, buiten de gemeente Boekel als grondeigenaar, zal de invulling van het landelijke gebied met name ook uitgevoerd worden door de agrarische sector.

Ten aanzien van ontwikkelingen binnen de agrarische sector is het beleid aan verandering onderhevig. In de Verordening ruimte (Vr) van de provincie zijn hier zowel sturende als bindende regels opgenomen. Regels waaraan de gemeente en agrariërs zich moeten houden. De regels worden in het nieuwe plan overgenomen. Daarnaast streeft de gemeente naar een goed woon- en leefklimaat en een verantwoorde veehouderij.

De gebieden waar een agrarische economie primair aanwezig is, moet ook de ruimte krijgen om die sector te laten gedijen en ook in de toekomst te kunnen investeren. Hiermee wordt ook bijgedragen aan het meer duurzaam en verantwoord maken van de gehele agrarische sector. Hiervoor wordt de ruimte geboden, maar onder kwalitatieve voorwaarden om negatieve effecten op Natura 2000 te voorkomen en een goed woon- en leefklimaat te borgen. Op basis van de kaders vanuit de planMER en omgevingsaspecten zijn in verband met dit streven nog aanvullende regels opgenomen (zie Hoofdstuk 4).

Gemengde plattelandseconomie

Voor ontwikkelingen in het landelijke gebied is de beleidsvisie 'Vitaal Buitengebied Boekel' vastgesteld. Deze is gericht op andere dan agrarische activiteiten.

De vitaliteit van het buitengebied van Boekel is van groot belang. Daarbij verstaan we vitaliteit als het ruimte bieden aan passende ontwikkelingen in het buitengebied, mits de kwaliteiten van het landschap worden versterkt. Ontwikkelingen die bijdragen aan de verbondenheid van dorp, buurtschappen, landbouw, landschap en natuur.

In het verleden werd vaak uitgegaan van een strikte scheiding van functies, waarin bijvoorbeeld landbouw en natuur in aparte gebieden werden ondergebracht en waar het buitengebied werd beschermd tegen 'niet aan het buitengebied gebonden functies' (nee, tenzij). Dit is met de visie 'Vitaal Buitengebied' omgebogen naar een strategie, waarbij de kwaliteit van het landelijk gebied centraal staat en niet meer de scheiding van functies (ja, mits). Daarmee zet de gemeente in op de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie.

Het omgevingsplan dient ruimte te bieden voor gewenste ontwikkelingen op basis van 'Vitaal Buitengebied'. 'Vitaal Buitengebied' is primair de visie van de gemeente Boekel op de gemengde plattelandseconomie. Daarnaast geldt op hoofdlijnen de 'Structuurvisie Boekel' als uitgangspunt.

Deze beleidslijnen tezamen moeten mede zorgen voor een transitie in de landbouw en specifiek ontwikkeling richting een verantwoorde veehouderij. Hierbij blijft de kwaliteit van de omgeving altijd uitgangspunt. In de genoemde beleidsvisie is dat al vastgelegd. Ten aanzien van de agrarische sector zal dat in het omgevingsplan ook vastgelegd moeten worden. En wel strakker dan in het huidige bestemmingsplan. De omgevingskwaliteit staat daarbij nog meer centraal dan al het geval was.

Naar een verantwoorde veehouderij in Boekel

De veehouderij is in Boekel een sterk vertegenwoordigde sector. Er zijn relatief veel en grote veehouderijen gevestigd binnen de gemeente. Boekel is dan ook één van de gebieden waar ook vanuit het maatschappelijke veld en vanuit de hogere overheden naar gekeken wordt als het gaat om een meer verantwoorde veehouderij richting de toekomst: het moet èn kan beter. Alleen onder die voorwaarde is er een toekomst voor de veehouderij in deze regio.

Ook de gemeente onderkent dit en zet in op een meer verantwoorde veehouderij. 2026 zal een eerste meetmoment zijn om te bekijken wat er daadwerkelijk van terecht is gekomen. En of er voldoende is ingezet op die verantwoorde veehouderij als het gaat om de regels van het omgevingsplan. De ontwikkeling naar een verantwoorde veehouderij kan alleen langs de weg der geleidelijkheid.

2.3.2 Natuur en landschap     

Landschappelijke structuur

De bestaande landschappelijke structuur van Boekel moet verder versterkt worden. Zeker om de ontwikkeling van de toeristisch-recreatieve sector te ondersteunen en invulling te geven aan een zorgvuldigere landbouw in de gemeente. Hierbij kan de gemeente als één van de gebiedsbeheerders niet toekijken hoe alleen andere partijen daar uitvoering aan geven. De beschreven landschappelijke kwaliteiten moeten ook in het omgevingsplan beter tot z'n recht komen. Bestaande èn nieuwe elementen verdienen de planologische bescherming - en de handhaving daarop - om langdurig in stand gehouden te worden.

Bij ontwikkelingen binnen andere sectoren - wonen, werken, landbouw, zorg en recreatie - moet deze karakteristieke zonering van landschapstypologieën nog verder versterkt worden. Dat geldt ook voor de aanwezige oost-west gerichte waterlopen. Deze verbinden de landschappelijke zones met elkaar en hebben een natuurlijke en ecologische waarde daarin. Het zijn belangrijke landschappelijke dragers. Bij ontwikkelingen liggen er kansen om de waterlopen beter beleefbaar en ecologisch waardevoller te maken.

Grotere bos- en natuurgebieden

De groene hoofdstructuur van Boekel moet om dezelfde reden verder versterkt worden. Daarnaast geldt vanuit het rijksbeleid en het beleid van de provincie dat deze gebieden ten minste beschermd moeten worden voor zover ze de status van ecologische hoofdstructuur (EHS) dragen. Binnen het grondgebied zijn dat vrijwel dezelfde gebieden. Wat dat betreft is het opnemen van de bindende bescherming van de EHS en de bestaande ecologische verbindingszones (evz) in het omgevingsplan uit de Vr voldoende voor die bescherming.

2.3.3 Recreatie en toerisme     

Er zijn diverse recreatieve functies in Boekel aanwezig. Van grotere recreatieve voorzieningen, zoals Boekels Ven, tot kleinschalige verblijfsrecreatie en recreatieve routes. Veel van deze voorzieningen verdienen echter een kwalitatieve verbetering. Hiervoor moet juist ook in het buitengebied ruimte zijn voor ontwikkeling, waaronder ook begrepen schaalvergroting en verbreding.

Recreatieve ontwikkeling kan ook in het buitengebied in combinatie met horeca of zorg. Kwaliteit blijft echter een harde voorwaarde. Met name recreatieve nevenfuncties ziet de gemeente als een positieve bijdrage voor de ontwikkeling van Boekel als recreatief en toeristisch product. Vooral in het buitengebied. Dat kan als zelfstandige functie, maar ook als plattelandsverbreding. Afstemming met waardevol bos en natuur en landschappelijk waardevolle gebieden heeft daarbij prioriteit.

Het versterken en uitbouwen van de toeristisch-recreatieve functie van Boekel is één van de speerpunten van beleid. Dit maakt Boekel ook aantrekkelijk voor de inwoners en als vestigingsklimaat voor bedrijven. Tegelijkertijd kan deze sector ook bijdragen aan oplossingen voor de terugtredende agrarische sector.

2.3.4 Bedrijven     

Boekel is een gemeente met veel lokale bedrijven, zowel in het stedelijk gebied als in het buitengebied. Via deze kwaliteit wil de gemeente zich in de toekomst blijven profileren en nieuwe werkgelegenheid creëren. Lokale ondernemers moeten voldoende ruimte krijgen, zowel bestaande als nieuwe. Er moeten ook mogelijkheden komen voor verplaatsing naar de beter geschikte gebieden, dus van kom naar buitengebied èn van buitengebied naar kom. De terugtredende werkgelegenheid in de agrarische sector moet in andere sectoren worden opgevangen. Dat kan naast kleinschalige nieuwe economische functies in het buitengebied ook met extra werkgelegenheid binnen andere sectoren in de kom.

2.3.5 Zorg     

De toekomst van de zorgsector is een belangrijk aandachtspunt. Bestaande zorgvoorzieningen moeten versterkt worden. Er is ruimte voor nieuwe zorgvoorzieningen. Deze sector is in Boekel goed vertegenwoordigd en van wezenlijk belang voor Boekel. Ontwikkelingen in het buitengebied moeten een passende plaats kunnen krijgen.

2.3.6 Bodem en water     

Het waterschapbeleid schrijft voor dat er hydrologisch neutraal wordt gebouwd en dat hemelwater in het gebied wordt gehouden, totdat het de kans krijgt ter plaatse in de grond te trekken. In het huidige bestemmingsplan is hier geen voorbehoud voor opgenomen als het om rechtstreekse bouwrechten gaat. De keur van het waterschap is en blijft ook bij rechtstreekse bouwmogelijkheden van toepassing. Er is een watervergunning nodig als er ontwikkelingen plaatsvinden met meer dan 2.000 m² verhard oppervlak. In die gevallen zal er 'hydrologisch neutraal' gebouwd moeten worden.

Bij meer ingrijpende ontwikkelingen is en blijft de watertoets van toepassing. Het afvoeren van hemelwater op de eigen bodem blijft het standpunt van de gemeente, maar is tegelijk ook de eigen verantwoordelijkheid van de bouwer c.q. grondeigenaar. Grotere ontwikkelingen zullen getoetst worden op dit hydrologisch neutraal ontwikkelen. Het voert echter te ver om al het bouwen aan een watertoets te onderwerpen. In de meeste gevallen lost dit zichzelf (letterlijk) op in de achtertuin van de bouwer.

2.3.7 Windturbines     

De gemeente Boekel kent geen eigen beleid voor windturbines. In het huidige bestemmingsplan is de geboden ruimte door de provincie vernietigd. De huidige Vr biedt geen ruimte voor de plaatsing van windturbines in Boekel.

In de huidige situatie en met de huidige kennis acht Boekel windturbines voor energieproductie in Boekel niet langer wenselijk. Er worden geen windturbines toegestaan in het nieuwe omgevingsplan.

2.3.8 Duurzaamheidsagenda     

Voor het omgevingsplan Buitengebied zijn twee speerpunten van de Duurzaamheidsagenda 2013-2016 van belang.

  • Duurzame ruimtelijke ordening:

    Dit is het behouden en versterken van (lokale) ruimtelijke kwaliteit van onder meer landschap, natuur en bebouwing vanuit het perspectief van mens, dier en plant. Binnen deze doelstelling zijn enkele concrete projecten opgenomen die van invloed kunnen zijn op de inhoud van het omgevingsplan:
    1. meer zongerichte daken realiseren: dit wordt toegepast bij uitgifte en opstellen van bestemmingsplannen; in het buitengebied heeft de gemeente hierin geen actieve rol;
    2. uitgangsnotitie zorgvuldig ruimtegebruik opstellen: dit is nog niet uitgevoerd; indien tijdig gereed kunnen later eventueel regels op inrichtingsniveau worden toegevoegd aan het omgevingsplan;
  • Duurzame agrarische sector:

    Dit gaat over het behouden en versterken van de lokale agrarische sector door duurzame ontwikkeling van de sector te stimuleren. Voor het omgevingsplan en ruimtelijke ontwikkeling zijn de volgende projecten (mogelijk) van belang:
    1. uitgangsnotitie duurzame agrarische sector: dit is de uiteindelijke notitie 'Naar een verantwoorde veehouderij in Boekel';
    2. actualiseren duurzaamheidstoets veehouderij: dit valt integraal samen met de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij uit de Vr;
    3. zonnepanelen op boerendaken: deze zonnepanelen zijn in de meeste gevallen vergunningvrij;
    4. duurzame ontwikkeling promoten bij agrarische bedrijven: dit heeft betrekking op het doorlopende proces van gesprekken met ondernemers bij investeringsmomenten; deze maatregelen kunnen niet met het omgevingsplan worden afgedwongen;
    5. (nieuw:) onderzoek naar de economische kracht van de Agrifood Sector: onderzoek naar de economische waarde en positie van de agrarische sector en de hieraan gekoppelde bedrijvigheid in Boekel en ook in relatie tot de regio: welke kansen en bedreigingen spelen er in Boekel en waar kan versterking worden gezocht om de economische positie te versterken.

Hoofdstuk 3 Keuzes voor het omgevingsplan     

3.1 Inleiding     

In dit hoofdstuk wordt de visie op hoofdlijnen (hoofdstuk 2), aangevuld met de resultaten van de analyse van omgevingsaspecten (hoofdstuk 4 en planMER) uitgewerkt op detailniveau. Ook voor dit hoofdstuk vormt de 'Kadernota' een belangrijk vertrekpunt. Op onderdelen wordt ook afgeweken van de vastgestelde 'Kadernota', bijvoorbeeld omdat het omgevingsplan andere instrumenten kent dan het bestemmingsplan.

3.2 Landelijk gebied     

3.2.1 Landbouw     

De agrarische sector is een van de belangrijkste vormen van grondgebruik in het buitengebied. De laatste jaren is er sprake van een steeds verdere terugtreding van de landbouw. Steeds meer bedrijven stoppen en schakelen over op andere activiteiten en functies. Anderzijds is er binnen de gehele landbouw al jaren sprake van een schaalvergroting. In Boekel gaat het dan met name om de veehouderij.

Landbouwbedrijven die op een verantwoorde en duurzame manier het bedrijf runnen en een volwaardig bestaan uit de agrarische functie (kunnen) halen moeten ook zicht houden op een goed voortbestaan in de toekomst. De gemeente wil deze ruimte ook bieden.

Veel agrarische bedrijven zijn gestopt of zullen stoppen de komende jaren. De overblijvende bedrijven zullen alle zeilen bij moeten zetten om het voortbestaan te kunnen waarborgen. Dit houdt concreet in dat er minder locaties in het buitengebied zullen zijn waar een agrarisch bedrijf is gevestigd en de agrarische bebouwing is geconcentreerd. De overblijvers zullen vaak wel meer ruimte nodig hebben voor de bedrijfsvoering. De bedrijfsvoering moet immers beter verantwoord worden, landschappelijk passend zijn en aan allerlei regels voldoen die 10 jaar geleden nog niet golden. Hun bedrijfslocaties zullen gemiddeld genomen dus ook groter worden, zo niet al zijn.

3.2.1.1 Bedrijfsomvang     

In Boekel is ook nog sprake van een flink aantal stoppers. Enerzijds de bedrijven die aangegeven hebben dat zij voor 2020 zullen stoppen. Anderzijds zijn het bedrijven die feitelijk geen bedrijf meer vormen: de zogenaamde hobbyboeren en burgers die nog een zeer beperkte agrarische functie hebben bij hun woning.

De gemeente hanteert in principe een minimale omvang om agrarische functies ook daadwerkelijk als Agrarisch bedrijf te bestemmen. Om de omvang te bepalen wordt gebruik gemaakt van de Standaard Verdien Capaciteit (SVC). In het bestemmingsplan Buitengebied 2005 is destijds de omvang in Nge (Nederlandse Grootte Eenheid) als maatstaf genomen; deze norm en eenheid is inmiddels achterhaald en op grond van jurisprudentie niet meer bruikbaar.

Er is inmiddels een beter bruikbare eenheid ontwikkeld door het LEI en de WUR: het kengetal Standaard Verdiencapaciteit (SVC). Dit kengetal is goed te gebruiken voor het vergelijken van de verschillende agrarische sectoren. Met name ten aanzien van volwaardigheid, toegevoegde waarde en arbeidsbehoefte. Voor het bepalen van de vraag of er sprake is van een agrarische bedrijf is het goed om alleen de agrarische activiteiten te waarderen: er wordt bekeken of de agrarische functie volwaardig genoeg is dat daar ook een passende bestemming met de daarbij horende mogelijkheden voor nodig is.

Het LEI onderscheidt 5 klassen op basis van het bedrag aan SVC:

  1. < € 25.000: zeer kleine bedrijven: Deze bedrijven vragen een arbeidsinzet van maximaal 0,75 arbeidsjaareenheden (aje), tenzij deze minder efficiënt of voor lagere vergoeding wordt ingezet.
  2. € 25.000 - € 60.000: kleine bedrijven: Deze bedrijven vragen een arbeidsinzet van 0,75 tot maximaal 1,5 aje, afhankelijk van automatisering en efficiëntie van arbeid.
  3. € 60.000 - € 100.000: middelgrote bedrijven: Deze bedrijven zijn van dusdanige omvang dat voor ongeveer 1,5 tot 2,5 aje een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd.
  4. € 100.000 - € 250.000: grote bedrijven: Deze bedrijven zijn van dusdanige omvang dat voor ongeveer 2,5 tot 5 aje een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd.
  5. > € 250.000: zeer grote bedrijven: Deze bedrijven kunnen aan meer dan 5 aje arbeid bieden tegen een gemiddelde vergoeding.

Gelet op de hiervoor genoemde indeling hanteert de gemeente in principe de grens van € 25.000 Standaard Verdien Capaciteit (SVC) om agrarisch gebruik ook daadwerkelijk als agrarisch bedrijfsmatig aan te merken. Deze norm van € 25.000,- is globaal vergelijkbaar met de norm van 10 Nge (Nederlandse Grootte Eenheid) die als ondergrens is genomen in het tot nu toe geldende bestemmingsplan Buitengebied 2005.

Voor het omgevingsplan is in eerste instantie alleen maar relevant of er sprake is van een agrarisch bedrijf of niet: alleen voor bedrijfsmatige agrarisch activiteiten worden bouwmogelijkheden geboden in het omgevingsplan.

Uiteindelijk is deze SVC-norm niet alleen doorslaggevend voor het bestemmen van de locaties. Andere factoren zoals vermogenssituatie, aard en opzet van het bedrijf, deskundigheid, ondernemerschap, leeftijd en de marktsituatie bepalen mede de kans op een duurzaam voortbestaan van het bedrijf en daarmee de noodzaak tot positief bestemmen. Dit zal met name voor de groep tot €25.000 SVC gedurende het planproces moeten blijken. Als ondernemers in die zin steekhoudende argumenten hebben, dan kan dat reden zijn om alsnog het agrarische bedrijfsmatige gebruik in het omgevingsplan te erkennen en de bijbehorende bouwmogelijkheden toe te kennen.

3.2.1.2 Agrarische bedrijfstypen     

In het omgevingsplan zal onderscheid worden gemaakt tussen verschillende soorten agrarische bedrijven. Hierbij wordt aangesloten op de definities die in de Vr zijn opgenomen, met dien verstande dat als gevolg van de resultaten van het planMER paardenhouderijen als een aparte categorie zullen worden aangemerkt.

Aanvullend hierop zijn er in het veld ook agrarische bedrijven die inmiddels gestopt zijn, maar nog steeds een agrarische bestemming hebben. Er is nog geen keuze gemaakt voor de toekomst: totaal iets anders gaan doen of een nieuwe agrarische onderneming vestigen. Deze locaties worden vooralsnog als agrarisch bedrijf aangemerkt met dien verstande dat indien er geen vee meer aanwezig is de locatie niet als een veehouderij locatie wordt aangemerkt. Gelet op de onzekere toekomstverwachting worden voor deze bedrijven geen bouwmogelijkheden opgenomen.

Daarmee zal er een verandering ontstaan ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Gezien de beleidswijzigingen die hebben plaatsgevonden bij zowel provincie als gemeente, is dit de best passende doorvertaling van dat beleid naar het omgevingsplan.

  • (Vollegronds)teeltbedrijf:

    agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt; tot deze bedrijven worden ook gerekend de locaties waar de agrarische bedrijfsexploitatie is gestopt, maar waarvan de bedrijfsbebouwing nog aanwezig is èn waar nog geen nieuwe (agrarische) functie is ontwikkeld: de boer moet nog kiezen of en hoe de locatie in de toekomst gebruikt zal gaan worden;
  • Veehouderijbedrijf:

    agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren;
  • Glastuinbouwbedrijf:

    agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt;
  • Overig agrarisch bedrijf:

    agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, (vollegronds)teeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt, bijvoorbeeld de champignonbedrijven;
  • Paardenhouderij;

    agrarisch bedrijf gericht op het houden, fokken, handelen of melken van paarden en pony's.

De algemene definitie voor het Agrarische bedrijf wordt ook overgenomen uit de Vr. Een agrarische bedrijf is een inrichting die tot een, krachtens artikel 1.1, derde lid, Wet milieubeheer, aangewezen categorie behoort en die is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren. Het kan een (vollegronds)teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf, paardenhouderij of een overig agrarisch bedrijf betreffen.

In het plangebied komen ook gemengde bedrijven voor, bijvoorbeeld een glastuinbouwbedrijf met vollegrondsgroenteteelt of een veehouderij waar ook paarden gehouden worden.

In principe is er geen noodzaak om dit gemengde gebruik uit te sluiten of te reguleren. Hierop zijn twee uitzonderingen:

  • op basis van de Vr is het wel noodzakelijk om elk bedrijf met vee (ook al is dat een gemengd bedrijf met een kleine neventak veehouderij) aan te merken als veehouderij;
  • op basis van de Vr is het ook noodzakelijk dat uitbreiding van bedrijven met glastuinbouw niet zonder meer kan worden toegestaan.

Het omgevingsplan hanteert om deze reden de volgende indeling en toelaatbaarheid van (gemende) agrarische bedrijven:

  • (vollegronds)teeltbedrijf:
    1. (vollegronds)teeltbedrijf bij wijze van hoofdactiviteit;
    2. alsmede overige agrarisch bedrijven;
    3. en/of bestaande paardenhouderijen bij wijze van nevenactiviteit;
  • veehouderij:
    1. veehouderij bij wijze van hoofd- of nevenactiviteit;
    2. alsmede (vollegrondsteelt)bedrijf, of overige agrarische bedrijven;
    3. en/of bestaande paardenhouderijen bij wijze van nevenactiviteit;
  • glastuinbouwbedrijf
    1. glastuinbouwbedrijf bij wijze van hoofdactiviteit;
    2. alsmede (vollegrond)teeltbedrijf;
  • overig bedrijf:
    1. overig bedrijf bij wijze van hoofdactiviteit:
    2. alsmede (vollegrondsteelt)bedrijf;
    3. en/of bestaande paardenhouderijen bij wijze van nevenactiviteit;
  • paardenhouderijen;
    1. paardenhouderijen als hoofdactiviteit;
    2. alsmede (vollegrondsteelt)bedrijf en/of overige agrarische bedrijven.

3.2.1.3 Omschakeling van bedrijfstypen     

De bovenstaande bedrijfstypen kennen verschillende regels. Voor een veehouderij gelden andere regels dan voor een teeltbedrijf (akkerbouw). Het is daarom ook noodzakelijk om binnen de bestemming regels op te nemen voor het omschakelen van het ene naar het andere bedrijfstype. Ook moet er voor gecombineerde bedrijfstypen, de vroegere gemengde bedrijven, een duidelijk regime worden opgenomen voor de aanwezige bedrijfstakken. Met name het restrictievere beleid en de nieuwe voorwaarden voor ontwikkeling van de veehouderij moet hierin goed worden geregeld.

3.2.1.4 Omvang agrarische bouwmogelijkheden/bouwvlak     

De beleidswijzigingen zoals opgenomen in de Vr hebben mede betrekking op de toelaatbare omvang van het te bebouwen gebied per bedrijf (bouwvlak). Vooral voor de veehouderij is hiervoor nieuw beleid geformuleerd. De Vr geeft hier rechtstreeks werkende regels voor die in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Concreet betekent dat het volgende.

  • Indien er sprake is van een bestaand bouwvlak dat groter is dan 1,50 ha, dan wordt deze in principe in omvang teruggebracht en tot 1,50 ha begrensd op de bestaande bebouwing en/of voorzieningen, tenzij hierna anders omschreven.
  • Voor alle agrarische bedrijfstypen, uitgezonderd glastuinbouwbedrijven en vollegrondsteeltbedrijven in de Groenblauwe mantel, geldt dat er maximaal 5.000 m² aan teeltondersteunend glas mag worden opgericht of aanwezig mag zijn.
  • (Vollegronds)teeltbedrijven kennen geen maximale omvang voor het bouwvlak. De bestaande rechten worden gerespecteerd. Er geldt wel een maximum voor permanente teelt ondersteunende voorzieningen van 3,0 ha, welke direct aansluitend op het bouwvlak moet zijn gelegen.
  • Alle glastuinbouwbedrijven worden begrensd op de bestaande en vergunde omvang. Uitbreiding blijft mogelijk op grond van het bestaande glastuinbouwbeleid van de provincie en de gemeente. Er wordt in het omgevingsplan geen uitbreidingsrichting meer opgenomen. Indien er, binnen de glastuinbouwconcentratie sprake is van verdere uitbreiding, dan wordt op dat moment in overleg met de ondernemer en op basis van een actuele integrale visie voor het gehele glastuinbouwdoorgroeigebied, de best mogelijke ontwikkelingsrichting bepaald.
  • Bouwvlakken voor veehouderij worden begrensd op maximaal 1,50 ha, tenzij er al sprake is van een groter bouwblok in het huidige bestemmingsplan en deze ruimte ook rechtmatig in gebruik is met bebouwing en/of andere voorzieningen ten behoeve van het bedrijf.
  • In gebieden waar de provinciale aanduiding 'Beperkingen veehouderij' van toepassing is zijn uitsluitend ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderij toegestaan mits sprake is van een bepaalde mate van grondgebondenheid. Dit betekent dat er praktisch gezien nauwelijks ontwikkelingsmogelijkheden zijn voor de intensieve veehouderij.
  • Binnen de 'ecologische hoofdstructuur' moeten veehouderijen in principe geen ontwikkelingsruimte meer krijgen; in Boekel zijn geen agrarisch bedrijven met een bouwvlak in de EHS gelegen.
  • Alle paardenhouderijen en overige agrarische bedrijven worden begrensd op een maximaal bouwvlak van 1,50 ha, tenzij er al sprake is van een groter bouwblok in het huidige bestemmingsplan en deze ruimte ook rechtmatig in gebruik is met bebouwing en/of andere voorzieningen ten behoeve van het bedrijf. In het omgevingsplan kunnen eventueel bevoegdheden worden opgenomen voor verdere uitbreiding.

Voor het overige worden de hier niet benoemde regels uit de Vr 2014 (bijvoorbeeld ten aanzien van teelt ondersteunende voorzieningen in bepaalde gevoelige gebieden) gerespecteerd.

3.2.1.5 Uitbreiding agrarisch bouwvlak     

Agrarische bedrijven die zich verder willen ontwikkelen, hebben vaak ook uitbreidingsruimte nodig. Deze ruimte zal in tegenstelling tot het huidige bestemmingsplan niet meer direct beschikbaar zijn: er mag niet zomaar gebouwd worden. In het omgevingsplan wordt er van uitgegaan dat de gemeenteraad de bevoegdheid om een bouwvlak te wijzigen en vergroten delegeert aan het college tot maximaal 1,50 ha voor veehouderijen. Aan deze uitbreiding zijn wel voorwaarden verbonden, waaronder de gevolgen voor het milieu en landschappelijke inpassing. Indien er sprake is van een uitbreiding naar een bouwvlak groter dan 1,50 ha, dan hoort daar ook een volledige en zorgvuldige planologische afweging bij. Uitzondering hierop is de uitbreiding van (vollegronds)teeltbedrijven. Hiervoor wordt geen maximum omvang voor het bouwvlak in het omgevingsplan opgenomen.

Het uitbreiden van een bouwvlak voor intensieve veehouderij in de gebieden aangeduid met 'Beperkingen veehouderij' is in praktische zin bijna onhaalbaar: naar verwachting kunnen deze bedrijven niet voldoen aan de verplichte mate van grondgebondenheid. De regeling in het omgevingsplan is daarmee een continuering van het reconstructiebeleid sinds 2005, anderzijds is dit een directe werking als gevolg van de Vr.

3.2.1.6 Bouwen buiten het (agrarisch) bouwvlak     

Het is in beginsel niet toegestaan om te bouwen buiten enig bouwvlak, ook niet aangrenzend op of nabij een agrarisch bouwvlak. In het omgevingsplan zijn hierop de volgende uitzonderingen gemaakt, mits binnen het bouwvlak geen fysieke ruimte meer aanwezig is, voor de navolgende voorzieningen.

  • Teelt ondersteunende voorzieningen: bestaande en vergunde permanente teelt ondersteunende voorzieningen worden aangeduid; nieuwe teeltondersteunende voorzieningen zijn - met toepassing van een afwijkingsprocedure - toegestaan, mits deze direct aansluitend op het bijhorende bouwvlak zijn gelegen en niet groter dan 3,0 ha zijn;
  • Opslag ruwvoer: indien sprake is van een bouwvlak voor een veehouderij, dan kan direct aansluitend op dit bouwvlak opslag van ruwvoer plaatsvinden, mits deze opslag gekoppeld is aan de betreffende veehouderij en niet binnen het agrarisch bouwvlak kan worden gerealiseerd; voor het realiseren van de opslag is geen procedure voorzien, de initiatiefnemer dient wel ten alle tijden te blijven voldoen aan de voorwaarden die zijn gesteld.
  • Schuilgelegenheden voor dieren: het omgevingsplan voorziet in mogelijkheden voor schuilgelegenheden voor hobbymatig gehouden dieren buiten een agrarisch bouwvlak, onder de volgende voorwaarden:
    1. er wordt altijd een afwijkingsprocedure toegepast;
    2. de bebouwing kan fysiek niet binnen het eigen bouwvlak worden gerealiseerd; het reeds verbruikt hebben van het maximale toelaatbare oppervlak aan bijgebouwen is hierbij niet relevant;
    3. de schuilgelegenheid moet geplaatst worden in een dierenweide van ten minste 5.000 m² oppervlak;
    4. bebouwing en locatie voldoen aan de algemene regels van omgevingskwaliteit;
    5. bebouwing wordt zo dicht mogelijk tegen een bestaand bouwvlak aan opgericht;
    6. het maximale bebouwingsoppervlak bedraagt maximaal 30 m², is maximaal 5,0 m hoog en heeft een goothoogte van maximaal 3,0 m;
  • Erfverhardingen en andere verharde oppervlaktes: erfverhardingen en andere (bedrijfsmatig gebruikte) verharde oppervlaktes moeten binnen een bouwvlak liggen. Slechts in het geval van de ontsluiting van een bouwvlak op de openbare weg kan er sprake zijn van verharding buiten een bouwvlak.

Nieuw te realiseren voorzieningen zullen worden getoetst aan de omgeving waarbinnen ze komen te liggen. In sommige gebieden zijn bepaalde voorzieningen niet wenselijk of moeten die zelfs worden uitgesloten. Met name het beekdallandschap en andere natuurlijke en landschappelijke waarden moeten hiervoor beschermd worden.

3.2.1.7 Tweede bedrijfswoningen     

Tweede bedrijfswoningen zijn niet wenselijk. Daar waar deze vergund zijn, zullen deze rechten worden gerespecteerd. Anderzijds zullen deze woningen, zowel de eerste als de tweede, onverminderd verbonden blijven aan de agrarische bedrijfsvoering.

Nieuwe aanvragen voor een tweede bedrijfswoning kunnen alleen via een afwijking geregeld worden. De bestaande voorwaarden blijven daarvoor in stand. De tweede woning moet noodzakelijk zijn in verband met de bedrijfsvoering (een meer dan volwaardig bedrijf) en moet verder voldoen aan de gebruikelijke voorwaarden. Bedrijfsovername (op termijn) is per se geen reden voor een tweede bedrijfswoning.

3.2.1.8 Mestbewerking en mestverwerking     

Mestbewerking en verwerking is een actueel thema in de landbouw. Er geldt vanuit Europa en het Rijk een verplichting om te komen tot evenwichtsbemesting en het mestoverschot verantwoord af te zetten. Mestbewerking en -verwerking is daarbij een gegeven en nieuwe technieken zijn sterk in opkomst.

De gemeente biedt geen directe mogelijkheden voor (bio)vergisting van mest. Dergelijke industriële installaties zijn té grootschalig en ingrijpend voor de omgeving en het milieu en zijn daarmee niet wenselijk binnen de gemeente. Dergelijke functies horen thuis op zware (boven)regionale bedrijventerreinen.

Mestverwerking en mestbewerking zijn verschillende activiteiten. Bewerking vindt vaak plaats voordat de verwerking wordt gedaan. Met bewerking wordt onder andere geprobeerd om de mest makkelijker te kunnen transporteren. Verwerking richt zich op het 'ontleden' van de mest in allerlei (herbruikbare) stoffen. Bewerking kan vaak op een veel kleinere schaal effectief worden gemaakt dan verwerking. Zelfs op het schaalniveau van een individueel bedrijf. Denk hierbij aan het scheiden van dunne en dikke fractie en het drogen van mest.

De gemeente wil mestbewerking toestaan binnen de agrarische inrichting die de mest produceert. Maar wel altijd binnen het bouwvlak. Hierbij moet de bewerking echter wel beperkt blijven tot een agrarische bedrijfsactiviteit van het betreffende bedrijf ter plekke waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor de mest van hetzelfde bedrijf dat op een andere locatie is geproduceerd. Er mogen geen bewerkingsfabrieken ontstaan via deze weg. Die horen thuis op (boven)regionale bedrijventerreinen.

Bij de vaststelling van de 'Kadernota' door de raad op 8 oktober 2015 is een amendement aangenomen waarmee richting wordt gegeven aan het gebruik van mobiele mestscheiders. Dit amendement is verwerkt in het omgevingsplan.

Mestverwerking wordt niet mogelijk gemaakt in het omgevingsplan. In voorkomend geval kan de gemeente een planherziening overwegen voor mestverwerking. Dit geldt bij mestverwerking zowel voor de bedrijfsmatige verwerking als op agrarische bedrijven als neventak. Mestverwerking is immers niet meer ter ondersteuning aan de akkerbouwtak, maar gericht op het produceren van andere grondstoffen.

Het gebruik van mestzakken wordt niet toegestaan. Mest moet opgeslagen worden in permanente opslagvoorzieningen, binnen het bouwvlak. De emissie van dergelijke voorzieningen moet zo ver mogelijk beperkt worden. Een dergelijke voorziening is goed te verantwoorden op grond de economische waarde van mest als grondstof.

3.2.1.9 Verbreding agrarisch bedrijf     

Onder (ondergeschikte) nevenactiviteiten valt een breed veld van functies op het gebied van toerisme en recreatie, ondergeschikte vormen van detailhandel, educatie, agrotoerisme, energieopwekking, zorg en dergelijke. Ook agrarisch natuurbeheer, biologische landbouw en het verbouwen van streekproducten valt onder de verbrede landbouw. De gemeente Boekel heeft de mogelijkheden hiervoor in de beleidsvisie 'Vitaal Buitengebied' onbegrensd gelaten. En dat moet zo blijven. Het opnemen van lijstjes met functies en omvang of randvoorwaarden blijkt in de praktijk eerder belemmerend te werken dan de verbreding in de landbouw te stimuleren.

Indien er concrete besluiten zijn genomen in het verleden voor dergelijke activiteiten, dan worden deze in het nieuwe plan opgenomen. In principe als ondergeschikte activiteit bij een agrarisch bedrijf. Of waar van toepassing bij een andere functie. Dit wordt verbaal geregeld.

Nieuwe nevenactiviteiten moeten in het omgevingsplan op een relatief eenvoudige wijze mogelijk worden gemaakt. Het nieuwe instrument van het doen van een melding is hiervoor naar verwachting zeer geschikt en sluit aan bij de beoogde ontwikkelingsruimte die in 'Vitaal Buitengebied' wordt geboden.

3.2.2 Paardenhouderij     

De paardenhouderij heeft zich de afgelopen decennia sterk ontwikkeld. Zowel het bedrijfsmatige deel als de hobbyist. In Boekel is een relatief beperkt aantal paardenhouderijen aanwezig. Het gaat in Boekel om een diversiteit aan bedrijven en ook paardenliefhebbers.

In het omgevingsplan worden alleen paardenhouderijen als dusdanig opgenomen die ook bedrijfsmatig als dusdanig worden geëxploiteerd.

3.2.2.1 Bedrijfsmatige paardenhouderij     

De gehele paardenhouderij is een wezenlijke (agrarisch verbonden) sector die mede bepalend is voor ons landschap en de inrichting van het grondgebied. Het houden van paarden kent in veel situaties een bepaalde grondgebondenheid. Paarden hebben een bepaalde minimale bewegingsruimte nodig. Daarbij kent de branche ook enkele specifieke aandachtspunten, zoals de paardenbakken, rijhallen en maneges met hun publiek aantrekkende werking.

In het nieuwe omgevingsplan kan een bedrijfsmatig geëxploiteerde paardenhouderij als volgt bestemd worden:

  • als agrarisch bedrijf voor: paardenfokkerijen, paardenmelkerijen, een stoeterij, de africhting en training van (fok)paarden en paardenpensions;
  • als recreatief bedrijf: Maneges en springhallen.

Bestaande bedrijven worden in locatie en omvang gerespecteerd in het nieuwe plan. Het bouwvlak wordt wel strak begrensd, net als bij (andere) agrarische bedrijven. De maximale omvang voor de toekomst wordt in principe vastgelegd op 1,50 ha. In het geval dat er grotere uitbreidingen gevraagd worden, of er al een groter oppervlak in gebruik is, dan kan de gemeente daarvoor een zorgvuldige en volledige planologische afweging maken. Dat is met name van belang bij maneges en verbreding van deze bedrijven naar bijvoorbeeld een meer recreatieve activiteit of minder agrarische gerelateerde activiteiten.

Investeringen in deze branche zijn vaak hoog en rechtvaardigen daarom ook een zorgvuldige afweging voordat er ontwikkeld wordt. Zowel ten aanzien van de bedrijfsvoering van het bedrijf zelf, als ten aanzien van de gevolgen voor de omgeving.

3.2.2.2 Hobbymatige paardenhouderij     

Veel mensen die in het buitengebied (gaan) wonen doen dat vanwege de ruimte die er is. Ook voor ruimtevragende hobby's, zoals het houden van paarden. Dit past prima in het buitengebied, totdat er voorzieningen nodig of gewenst zijn voor die hobby. Voormalige agrarische bebouwing biedt daar mogelijkheden voor. De gemeente wil de ontwikkelingsmogelijkheden voor het hobbymatig houden van paarden wel beperken. Als nevenfunctie bij de woonbestemming (of eventueel een andere functie, maar wel als zijnde een privégebruik) en onder voorwaarden.

Binnen het omgevingsplan is het hobbymatig houden van (eigen) paarden, maar ook andere dieren, onder de woonbestemming mogelijk. Hiervoor mag de toegelaten bebouwing worden gebruikt. Voor de aanleg van extra faciliteiten, zoals paardenbakken en longeercirkels of extra bijgebouwen, stelt de gemeente wel kwaliteitseisen (landschappelijke inpassing overeenkomstig de beleidsregels voor erfbeplanting).

3.2.2.3 Paardenbakken     

Naast de bebouwing zijn er soms faciliteiten nodig of aanwezig bij een paardenhouderij. Deze moeten allemaal binnen het functievlak geregeld zijn. Het gaat dan om paardenbakken, paddocks, trainingsmolen, lichtmasten, hekwerken en longeercirkels. Dit wordt hier voor het gemak allemaal onder de noemer 'paardenbak' geschoven.

De paardenbakken die in veel gevallen worden gerealiseerd, moeten in het bouwvlak liggen. Hoge afrasteringen, permanente lintafrasteringen, verlichtingsmasten en de speciale zandbodem zijn opvallende elementen die niet altijd passend zijn in het landelijke gebied. Deze faciliteiten moeten op een goede wijze op het erf en in het landschap worden ingepast.

Voor het hobbymatig houden van paarden kan onder voorwaarden een paardenbak rechtstreeks worden toegestaan. Dit moet binnen of – indien niet mogelijk – directe aansluitend op de betreffende bouwvlak worden gerealiseerd. Paardenbakken worden niet toegestaan als er geen directe relatie is met enig naastgelegen bouwvlak.

3.2.3 Vrijkomende agrarische bebouwing     

De gemeente heeft met de beleidsvisie 'Vitaal Buitengebied Boekel' een ruimhartig beleid geformuleerd ten aanzien van de Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB's). Dit beleid wordt voorgezet en in het omgevingsplan vereenvoudigd voor wat betreft de noodzakelijke procedures. In het omgevingsplan wordt de bevoegdheid om functies te wijzigen of te veranderen door de gemeenteraad gedelegeerd aan het college.

Ontwikkelingen die een zwaarwegende ingreep in de omgeving tot gevolg hebben (vooral voor nieuwe functies) en waar een planologische afweging op zijn plaats is, zullen ook in het omgevingsplan via een delegatiebevoegdheid mogelijk gemaakt kunnen worden.

Locaties waar inmiddels geen agrarische functie meer aanwezig is, maar nog wel agrarische bebouwing aanwezig is en waarvoor het hergebruik nog niet binnen afzienbare tijd voorzien kan worden, zullen bestemd worden als agrarische bedrijf, met dien verstande dat er geen bouwmogelijkheden meer worden geboden voor de agrarische functie.

3.3 Natuur en landschap     

Natuur en landschap zijn belangrijke kwaliteiten van het buitengebied. Natuur en landschap zijn dragende functies die bijdragen aan het woon-, werk- en leefklimaat van de gemeente Boekel. Daarnaast vormen de bestaande natuurlijke en landschappelijk elementen het raamwerk waarbinnen andere functies een plaats kunnen krijgen.

3.3.1 Natuur     

Niet alleen binnen de functie Natuur is ruimte voor natuurgebieden. Binnen de deelgebieden is de aanleg van nieuwe natuur- en landschapselementen zonder meer toegestaan. Bepaalde gebieden zijn echter dermate gevoelig of waardevol dat deze een zware planologische bescherming moeten hebben: de functie Natuur. Ontwikkelingen zijn binnen deze gebieden niet toegestaan, tenzij deze ontwikkelingen een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de natuur.

Er zijn echter ook gebieden met ruimte voor zowel natuur als voor agrarische activiteiten (landbouw). Agrarisch natuurbeheer kan daar bijvoorbeeld plaatsvinden. Voor zover gronden door de provincie zijn aangewezen als Ecologische Hoofdstructuur of 'zoekgebied voor een ecologische verbindingszone/herstel watersystemen' worden de aanwezige waarden beschermd en worden regels opgenomen om er voor te zorgen dat de realisering en afronding van de EHS/evz niet wordt belemmerd.

In het natuurgebied aan de Putakker is al sinds de jaren 1960 een motorrossterrein aanwezig. Voor het motorcrossterrein is op 2 juli 2013 een vergunning Wet Milieubeheer verleend. De vergunning Wet Milieubeheer is verleend voor de activiteiten waarvan de Raad van State in een eerder uitspraak heeft geoordeeld dat deze op de peildatum 15 februari 1994 niet in strijd waren met het toen geldende bestemmingsplan. Een motorcrossterrein is in zijn algemeenheid moeilijk verenigbaar met de realisering van natuurdoelen. Het huidige gebruik van het motorcrossterrein wordt daarom beperkt en uitsluitend binnen de huidige grenzen van de verleende vergunning Wet Milieubeheer toegestaan in het omgevingsplan.

3.3.2 Nieuwe natuur     

De aanleg van nieuwe natuur is in alle deelgebieden rechtsreeks toegestaan. Voor delen van de Ecologische Hoofdstructuur die nog niet zijn gerealiseerd, zal de gemeente een delegatiebevoegdheid in het omgevingsplan opnemen om eenmaal gerealiseerde natuur van voldoende kwaliteit ook de functie Natuur toe te kennen en daarmee de bescherming van de gerealiseerde natuurwaarden veilig te stellen. De gemeente neemt vooralsnog geen actieve rol op zich voor de uitvoering van de realisatie.

3.3.3 Landschapselementen     

In Boekel is sprake van drie landschapstypen: beekdallandschap, kampenlandschap en de nieuwe ontginningen. Binnen deze landschappen hebben de bebouwde (dorpsrand)gebieden en buurtschappen een bijzondere positie.

Binnen de deelgebieden is landschappelijke inrichting een toegestane functie. Het landschap bestaat immers ook uit alle (fysieke) elementen die in een omgeving aanwezig zijn. Of juist ontbreken. Zo wordt een polderlandschap mede bepaald door het ontbreken van elementen en de aanwezige grootschalige openheid. Anderzijds bepalen bebouwing en door de mens aangelegde laanstructuren mede het landschap van de peelontginningen. Landschap is dus niet alleen erfbeplanting en groensingels.

Om deze reden wordt 'landschap' niet op zich bestemd. De landschappelijke elementen die als bijzonder waardevol worden beschouwd worden wel bestemd ter bescherming en in stand houding ervan. Hiervoor wordt de functie Groen toegepast.

Het landschap zal met name tot ontwikkeling komen bij het toepassen van de diverse bevoegdheden binnen het plan. In alle gevallen zal er ten minste een landschappelijk inrichtingsplan onderdeel uitmaken van die ontwikkeling. Deze is afgestemd op het betreffende landschap. In voorkomend geval kan de gemeente voor nieuwe landschapselementen de functie Groen opnemen.

3.3.4 Andere waardevolle elementen     

In het landschap komen ook andere waardevolle elementen voor die het landschap mede bepalen. Het gaat dan om waardevolle panden, het cultuurhistorisch complex Huize Padua, (onverharde) wegen, aardkundige kenmerken of elementen en oude (bolle) akkers. Het betreft zowel cultuurhistorisch, als aardkundige waardevolle elementen. Deze waardevolle elementen krijgen in het omgevingsplan van een beschermende regeling.

Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten genieten bescherming vanuit de Monumentenwet en de gemeentelijke erfgoedverordening. Dat is echter niet het geval voor de overige karakteristieke en waardevolle panden. Om deze kwaliteit te waarborgen als onderdeel van de karakteristiek van het landelijk gebied kiest de gemeente ervoor alle karakteristieke panden op te nemen in het omgevingsplan.

Aan deze waardevolle elementen worden nadere regels verbonden, waarbij het kan gaan om bindende regels in de vorm van een beperking van het gebruik (bijvoorbeeld niet zonder meer te verharden of te slopen) en regels die het behoud van de waarden moeten ondersteunen (bijvoorbeeld woningsplitsing bij karakteristieke panden).

3.4 Recreatie en toerisme     

Het coalitieprogramma heeft ingezet op extra aandacht voor de recreatieve sector. Met name door kwaliteitsverbetering binnen de sector zelf kan Boekel zich als recreatieve gemeente profileren. Vanuit dit perspectief worden alle bestaande en bestemde voorzieningen op dit gebied gerespecteerd en bestemd in het omgevingsplan.

3.4.1 Verblijfsrecreatie     

Het aantal verblijfsrecreatieve voorzieningen in de gemeente is beperkt. Zeker binnen dit omgevingsplan, als bedacht wordt dat het plangebied 'Boekels Ven' geen deel uitmaakt van dit plan. De overige bestaande verblijfsrecreatieve accommodaties (terreinen met meer dan 25 plaatsen of units) zullen een passende functie krijgen: Kampeerterrein.

Nieuwvestiging van verblijfsrecreatieve functies wordt in het omgevingsplan mogelijk gemaakt onder voorwaarden en in bepaalde deelgebieden. Dus niet overal en slechts onder de voorwaarden die in de delegatiebevoegdheid zijn genoemd.

Zwaardere ontwikkelingen waar voor bezoekersintensiteiten, druk op de (natuurlijke) omgeving, extra bebouwing en andere gevolgen voor de omgeving een zorgvuldige toetsing moet plaatsvinden, kunnen ook met de delegatiebevoegdheid worden gerealiseerd.

3.4.2 Kleinschalige verblijfsrecreatie     

Naast de grotere verblijfsrecreatieve voorzieningen is er ook sprake van bestaande kleinschalige verblijfsrecreatie. Het gaat dan om het kamperen bij de boer (tot 25 standplaatsen), solitaire recreatiewoningen bij een andere functie en kampeerboerderijen. Zodra de recreatieve functie geen nevenactiviteit meer is, moet deze bestemd worden tot Kampeerterrein. Kleinschalige activiteiten zijn dus altijd een extra functie bij een andere hoofdfunctie.

Boekel wil hiervoor niet te veel reguleren. Het 'ja, mits…' principe is uitgangspunt, zolang er sprake is van ondergeschikte activiteiten of een nevenactiviteit. De voorwaarden voor de ontwikkeling van deze activiteiten met een melding zal met name gericht zijn op natuur, landschap en gevolgen voor de omgeving. De regels voorzien dus in principe in een verbod, maar met een melding kan daarvan worden afgeweken door het college. Kleinschalig kamperen tot 25 standplaatsen wordt met een melding mogelijk gemaakt mits de initiatiefnemer zich (blijvend) houdt aan de voorwaarden die zijn gesteld.

3.4.3 Bed & Breakfast     

Het geldende beleid propageert Bed & Breakfast accommodaties (verder B&B). Hiervoor is een generiek beleid geformuleerd. Dit wordt rechtstreeks overgenomen in het omgevingsplan door het gebruik met melding toe te staan mits (blijvend) wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld. In de praktijk komen en gaan dergelijke faciliteiten vrij snel. De impact op de omgeving is vaak vrij beperkt. Een zware planologische procedure staat dan niet meer in verhouding tot de ingreep. Hiermee worden de (bestaande) locaties ook niet van een aanduiding voorzien. Hieronder in het kort de belangrijkste voorwaarden die gelden.

Voor het overige is de vastgestelde beleidsregel Bed & Breakfast van november 2010 van toepassing:

  • een B&B mag binnen de eigen woning en/of (vrijstaande) bijgebouwen;
  • een B&B mag alleen bij de functie Wonen of agrarisch bedrijf;
  • maximaal 30% van de woning mag worden gebruikt voor de B&B. Voor bijgebouwen geldt de maximale toelaatbare standaard oppervlakte van 100 m²;
  • er mogen maximaal vier slaapkamers voor maximaal acht personen wordt gebruikt voor de B&B;
  • de B&B moet uitgeoefend worden door de hoofdbewoner van de locatie. Deze woont ook ter plaatse;
  • parkeren wordt op eigen terrein opgelost. Er geldt een parkeernorm van 1 parkeerplaats per kamer + 2 parkeerplaatsen per woning.

3.4.4 Recreatiewoningen     

In Boekel is een beperkt aantal recreatiewoningen aanwezig. Deels zijn deze bestemd tot Woonbos in het huidige plan Buitengebied 2005. Anderen hebben in dit bestemmingsplan een bestemming Wonen gekregen. Voor beide soorten geldt dat er recreatief gewoond mag worden, maar dat er rechtens een volwaardige woning aanwezig is en gebruikt mag worden. De gemeente zal hier niet op ingrijpen en deze bestemmingen respecteren.

De bestemming Woonbos kent nu een bouwbeperking voor de bestaande inhoud. Dit wordt ook in het nieuwe plan overgenomen in de regels voor de betreffende locaties. Het bouwvlak wordt strak begrensd om de bestaande bebouwing heen.

In het bestemmingsplan van 2005 is door de gemeente een grote legalisatieslag gemaakt voor de zelfstandige recreatiewoningen. Hier worden geen nieuwe objecten meer verwacht.

3.4.5 Dagrecreatie     

De gemeente wil ook de dagrecreatie verder stimuleren. Hiervoor is binnen de 'Structuurvisie Boekel' en 'Vitaal Buitengebied' al ruimte gemaakt. Grotere dagrecreatieve voorzieningen moeten specifiek bestemd worden.

 

Het provinciale beleid stelt regels aan ontwikkeling en vestiging van dergelijke activiteiten per gebied. Er liggen meer mogelijkheden in het Agrarisch gebied dan in de EHS. Op basis van 'Vitaal Buitengebied' wordt in het deelgebied 'Bosrijke ontginningen' dagrecreatie nagestreefd in combinatie met bosontwikkeling. Het omgevingsplan voorziet in delegatiebevoegdheden om recreatieve ontwikkelingen te faciliteren.

Dagrecreatieve nevenactiviteiten worden verbaal geregeld in de regels van de betreffende deelgebieden. Dit zal in de praktijk veelal beperkt blijven tot locaties waar al een 'bedrijfsmatige functie' is toegestaan omdat hiervoor de bestaande of toelaatbare bebouwing moet worden gebruikt.

In het plan wordt voldoende ruimte opgenomen voor rechtstreekse mogelijkheden voor kleinschalige voorzieningen, zoals picknick tafels, bewegwijzering en het aanleggen van nieuwe routestructuren. Het verharden van zandpaden wordt in principe uitgesloten.

3.4.6 Nieuwe recreatieve ontwikkelingen     

Binnen de hierboven beschreven bestaande recreatieve voorzieningen wordt een bepaalde ontwikkelingsruimte geboden. Dit wordt in de regels en eventueel de verbeelding opgenomen.

Nieuwe ontwikkelingen en functies zullen via een vastgestelde delegatiebevoegdheid geregeld moeten worden. Hier zal ten minste een (recreatieve) gebiedsvisie onder moeten liggen die aantoont dat de ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van het toeristisch recreatieve product van de Boekel en omgeving. Hierbij kan en moet ook naar omliggende recreatiegebieden en functies worden gekeken, zoals Hemelrijk in Uden en het toeristisch product van bijvoorbeeld Handel - Gemert.

3.5 Bedrijven     

In het huidige bestemmingsplan wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende Niet-agrarische bedrijven door hiervoor verschillende bestemmingen op te nemen met elk hun eigen regels (de bestemmingen Agrarisch-technisch hulpbedrijf, Agrarisch verwant bedrijf, Paardenhouderij, Niet-agrarisch bedrijf, Tuincentrum, Bedrijfsdoeleinden).

De gemeente respecteert deze bestaande bedrijven, maar ze zullen allemaal onder de nieuwe functie Bedrijf gaan vallen. Toelaatbaar zijn bedrijven uit de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Daar waar een bedrijf met de huidige bedrijfsvoering gerekend moet worden tot een hogere categorie zal er een specifieke regeling binnen de functie Bedrijf worden opgenomen om het soort bedrijf vast te leggen.

De omvang wordt begrensd op de bestaande en vergunde situatie. Het uitgangspunt is daarbij dat een bouwvlak op grond van het provinciale beleid voor diverse soorten bedrijven is begrensd. De begrenzing uit de Vr 2014 wordt overgenomen. De uitbreiding van het gebruik en het toevoegen van bebouwd oppervlak is niet zonder meer wenselijk en wordt dus indien nodig begrensd met een opgenomen maatvoering in het nieuwe plan en een delegatiebevoegdheid om hier onder voorwaarden van af te wijken.

Voor de ontwikkeling van deze bedrijven worden voorwaarden opgenomen in een delegatiebevoegdheid. Hieraan worden in ieder geval de volgende voorwaarden gekoppeld:

  • uitbreidingen groter dan 5.000 m² worden uitgesloten, tenzij er een sterke locatiegebondenheid kan worden aangetoond;
  • landschappelijke inpassing is vereist;
  • planologisch aanvaardbare gevolgen voor milieu, verkeer, ontsluiting, natuur, landschap, waterbeheer, omwonenden, et cetera;
  • geen nieuwvestiging van bedrijven die op het bedrijventerrein in het komgebied thuis horen;
  • uitsluitend bedrijvigheid uit de milieucategorieën 1 en 2 van een aan het omgevingsplan toegevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten is toegestaan, tenzij er sprake is van een bestaand bedrijf uit een zwaardere categorie;
  • buitenopslag van materiaal en stalling van voertuigen en/of ander materieel is in principe niet toegestaan; ook niet als dit 'verstopt' wordt achter erfbeplanting.

3.6 Water     

3.6.1 Grote oppervlaktewateren     

In het plangebied komen twee grotere oppervlaktewateren voor (omgeving ijsbaan Wielewaallaan en aan het Perekkerpad). De ijsbaan en omliggende wateren zijn opgenomen binnen de functie Natuur en agrarisch gebruik.

3.6.2 Waterlopen     

In het nieuwe omgevingsplan worden belangrijke waterlopen ook met een vlak bestemd. Het uitgangspunt is dat de gronden die voor waterlopen in gebruik zijn en die in eigendom en beheer van het waterschap en/of de gemeente zijn, ook de functie Water krijgen. De aanwezige feitelijke waterlopen worden in de volle breedte van de waterloop, inclusief oevers bestemd. Hiermee wordt de bescherming van waterlopen verhoogd, maar ook de mogelijkheid om met de inrichting van de waterloop te spelen en de ecologische, natuurlijke en waterhuishoudkundige waarde te versterken.

Het is niet de bedoeling om de obstakelvrije keurzone van 5 m langs een waterloop te gaan bestemmen. Dat is aan het waterschap. Voor de gemeente is niet te bepalen aan welke zijde van een willekeurige waterloop deze keurzone gehandhaafd moet zijn of worden. Daarnaast kan deze zone ook van zijde en breedte variëren. Het bestemmen ervan is planologische niet te handhaven.

Nieuwe waterlopen zijn in alle deelgebieden zonder verder procedures toegestaan.

3.7 Archeologie     

Het archeologisch erfgoed is in principe onzichtbaar en is daardoor ook zeer kwetsbaar voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die met bodemingrepen gepaard gaan. Archeologische waarden zijn niet vervangbaar en ook vrijwel niet te compenseren. Hoogstens te conserveren. Conserveren is ook het primaire uitgangspunt als het om archeologische waarden gaat. Om deze reden worden voor die waarden ook beschermende maatregelen genomen.

De gemeentelijke Archeologische waardenkaart wordt één-op-één overgenomen in het omgevingsplan. De Nota Archeologie Boekel bevat beleidsregels voor het archeologisch onderzoek ingeval een uit te voeren activiteit in meerdere archeologisch waardevolle gebieden is gelegen. Deze beleidsregels worden in het omgevingsplan verwerkt. De Erfgoedverordening biedt mogelijkheden om gemeentelijke archeologische monumenten aan te wijzen. De erfgoedverordening wordt, inclusief deze mogelijkheid tot aanwijzen, in het omgevingsplan opgenomen.

3.8 Wonen     

Het wonen wordt meer en meer een belangrijkere functie in het buitengebied. Daar waar vroeger het buitengebied alleen was voorbestemd voor de landbouw en natuur, is er tegenwoordig meer en meer ruimte voor 'niet buitengebied gebonden functies'. Boekel heeft dit ook in de 'Structuurvisie' en 'Vitaal Buitengebied' uitgesproken. De basisvoorwaarde van kwaliteitsverbetering blijft daarbij van groot belang. Daarnaast zal er respect moeten blijven voor de rechten die bestaande functies in het gebied hebben opgebouwd. Als het om wonen gaat vooral ook op het vlak van milieu.

3.8.1 Ruimte voor ruimte     

De bestaande woningen zullen met de functie Wonen in het omgevingsplan worden opgenomen. Elke nieuwe woning in het buitengebied vraagt om een nadere planologische afweging. Hiervoor worden geen rechtstreekse rechten in het plan opgenomen. Alleen voor toepassing van de beleidsregel 'Ruimte voor Ruimte' zal een delegatiebevoegdheid worden opgenomen. Deze zal gebiedsgericht worden begrensd, conform de provinciale regels.

3.8.2 Splitsen van waardevolle bebouwing     

Het splitsen van boerderijen en andere waardevolle objecten is de laatste jaren veel toegepast. Vaak vanuit een economische gedachte van de eigenaar. En niet zozeer vanuit het behoud, herstel of de versterking van cultuurhistorisch waardevolle panden, zoals oorspronkelijk bedoeld met de splitsingsregeling. Woningsplitsing blijft mogelijk, maar onder enerzijds striktere en anderzijds ruimere voorwaarden. Het splitsen moet per se ten dienste van het behoud, herstel en versterking van het waardevolle object staan. Hiermee wordt het ook mogelijk om andere waardevolle objecten te gaan splitsen c.q. van een nieuwe woonfunctie te gaan voorzien, bijvoorbeeld een waardevolle oude schuur of kerk. Alleen als rijksmonument, gemeentelijk monument of cultuurhistorisch waardevol aangeduide bebouwing komt in aanmerking voor splitsing of toevoeging van een woning. In het omgevingsplan wordt hiervoor een afwijkingsbevoegdheid opgenomen met een aangepaste set van voorwaarden.

3.8.3 (agrarische) Bedrijfswoning     

Voor agrarische bedrijven is er een mogelijkheid om een nieuwe bedrijfswoning op te richten, mits voldaan wordt aan de geldende voorwaarden van 'volwaardigheid'. Hier moet in het nieuwe plan de voorwaarde van 'noodzakelijkheid' aan worden toegevoegd. Een bedrijfswoning is immers geen automatisch recht en moet ten behoeve van de functie zijn. Dit geldt voor alle bedrijven: als er een volwaardig bedrijf is met toekomstperspectief en tevens een bepaalde noodzaak om op die plek te wonen, dan kan het college overwegen om een bedrijfswoning toe te staan. Hier zal veel minder ruimhartig mee worden omgegaan dan in het verleden. De technieken van tegenwoordig maken het 'besturen van een bedrijf op afstand' immers veel makkelijker.

Een nieuwe (agrarische) bedrijfswoning zal nooit worden toegestaan als er in het verleden een woning is vergund en later (privaatrechtelijk) afgesplitst is van dat bedrijf. Dat een dergelijke woning in eigendom van een derde is gekomen, is planologische niet relevant. Deze situaties zijn zelfs veel minder wenselijk vanuit de bedrijfscontinuïteit en diverse wet- en regelgeving. Het opnieuw samenvoegen van het bedrijf met de afgesplitste bedrijfswoning heeft prioriteit boven het toevoegen van een extra woning.

3.8.4 Plattelandswoning     

Om dezelfde reden vindt de gemeente het toekennen van de status 'plattelandswoning' als bedoeld in de Wabo onwenselijk. Het primaire uitgangspunt voor de gemeente is en blijft dat de boer bij zijn bedrijf woont: het concept agrarisch gezinsbedrijf.

In voorkomend geval kan er op concreet verzoek van de eigenaren van zowel het agrarische bedrijf als de bedrijfswoning een specifieke afweging gemaakt worden. Er wordt een bevoegdheid voor delegatie opgenomen in het plan om de aanduiding 'plattelandswoning' op een object te leggen dat onderdeel uitmaakt van een agrarisch bedrijf. De aanleiding kan alleen van juridische aard en noodzaak zijn. Financiële waarde van de woning of betere verkoopbaarheid is geen argument om deze aanduiding op te leggen.

In het omgevingsplan worden alleen concrete verzoeken, die planologisch onderbouwd zijn, beoordeeld op een mogelijke aanduiding 'plattelandswoning'. Deze verzoeken worden behandeld als een meelifter en moeten formeel aangevraagd worden door beide partijen: de eigenaar / bewoner(s) van de woning èn de agrarisch ondernemer.

3.8.5 Mantelzorgwoningen     

Met de wijziging van het Besluit omgevingsrecht per 1 november 2014 is het mogelijk om onder voorwaarden vergunningvrij een bijbehorend bouwwerk te realiseren ten behoeve van mantelzorg. In het buitengebied mag hiervoor nog tot 100 m² een verplaatsbare woonunit worden geplaatst. Regeling in het omgevingsplan is derhalve niet nodig.

3.8.6 Bestaande woonbos woningen     

In het huidige bestemmingsplan Buitengebied 2005 zijn diverse woningen specifiek bestemd tot Woonbos. Deze bestemming is ontstaan uit het legalisatieproces van allerlei ontstane recreatiewoningen. Al dan niet vergund. Dit is destijds in het huidige plan uitvoerig geïnventariseerd en geregeld.

Deze woningen zijn nu begrensd op een inhoud van 600 m³. Door het opnemen van kleine, met elkaar verbonden functievlakken op de verbeelding is uitbreiding veelal niet mogelijk. Bijgebouwen zijn begrensd op maximaal 60 m². Er is in de praktijk door het toekennen van strikte functievlakken nauwelijks ruimte om bijgebouwen met een vergunning op te richten.

In het omgevingsplan wordt deze geografische begrenzing op perceelsniveau bevestigd.

3.8.7 Vervangende nieuwbouw woning     

De woningen in het buitengebied hebben een ruimhartig functie- en bouwvlak toegemeten gekregen. Om een juiste situering van het object binnen het ruime functievlak te kunnen waarborgen met het oog op aspecten als geluidsgevoeligheid, landschappelijke inpassing en gevolgen voor (bestaande functies in) de omgeving is in het vigerende plan een regel opgenomen die herbouw op de bestaande funderingen verplicht. Deze regeling is niet uitvoerbaar gebleken en wordt aangepast. De afstand van een woning tot het functievlak Verkeer bedraagt ten minste 10 m tenzij de afstand in de huidige situatie minder bedraagt.

3.8.8 Maatvoering     

In het huidige bestemmingsplan en de diverse postzegelplannen is de maatvoering van woningen vastgelegd. Deze zal niet veranderen en overgenomen worden in het nieuwe plan. Hiermee moet onder andere rechtszekerheid en rechtsgelijkheid geborgd worden. Indien er sprake is van een afwijkende en geldende maatvoering uit een postzegelplan zal deze met een specifieke aanduiding in het nieuwe plan worden overgenomen.

Bestaande burgerwoningen krijgen een meer generieke maatvoering voor het functievlak. De omvang van het functievlak varieert in het huidige plan enorm. Van 500 m² tot zelfs 8.000 m². Dit leidt tot rechtsongelijkheid en geeft vooral bij grote bouwvlakken ongewenste gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden. Vooral voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en verhardingen. De maximale maat voor de functie Wonen wordt op 3.000 m² gesteld. Gestreefd wordt om niet groter dan 2.000 m² te bestemmen. Hierbinnen behouden burgers voldoende bouw- en gebruiksmogelijkheden.

In de beleidsvisie ' Vitaal Buitengebied Boekel' zitten mogelijkheden voor uitbreiding van de maatvoering voor wat betreft de inhoud van de woning en het oppervlakte van bijgebouwen. Om de toepassing hiervan te vereenvoudigen wordt er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het college om dit te regelen.

In het huidige bestemmingsplan zijn ook voor Wonen zeer ruime bouwblokken opgenomen. Dit is niet meer wenselijk vanuit de basisprincipes van zuinig ruimtegebruik, compact bouwen en tegengaan van verstening. Vanuit landschappelijke kwaliteit is het veel beter om bebouwing (mogelijkheden) te concentreren: compact bouwen. Vanuit het waterbeleid is het algemeen streven om het verharde oppervlak zoveel als mogelijk te beperken. Gronden grenzend aan het bouwblok mogen wel voor het wonen worden gebruikt (tuin).

3.9 Verkeer en infrastructuur     

De bestaande infrastructuur wordt in het omgevingsplan opgenomen. Het gaat daarbij om verkeersvoorzieningen, maar ook om de wettelijke vastgelegde leidingstelsels, zoals gastransport- en hoogspanningsleidingen. In een enkele specifieke situaties moet de ligging van deze elementen geactualiseerd worden

3.9.1 Verkeer     

Voor wegen moet het aantal rijstroken of de profielbreedtes worden aangegeven om te voorkomen dat reconstructie van een weg met gevolgen voor de geluidsbelasting zonder meer kan plaatsvinden. Het vastleggen van en profiel wordt als te beperkend ervaren. In het omgevingsplan wordt bepaald dat de wegen in het plangebied niet meer dan 2 rijstroken mogen hebben.

3.9.2 Overige infrastructuur     

De bestaande overige infrastructuur zal conform de landelijke regels worden bestemd. Hiervoor worden de gegevens van de betreffende (leiding)beheerders gebruikt. De wettelijk bepaalde zoneringen rondom leidingen zal worden gerespecteerd door het opnemen van een functievlak en het stellen van regels hieraan. In diverse afwijkings- en delegatiebepalingen is als voorwaarde opgenomen dat kwetsbare objecten binnen 10-6 risicocontour niet zijn toegestaan

Hoofdstuk 4 Keuzes op basis van omgevingsaspecten     

4.1 Algemeen     

Het buitengebied van de gemeente Boekel is opgenomen in de 11e tranche van de Crisis- en herstelwet. De Crisis- en herstelwet biedt mogelijkheden om in het omgevingsplan op een andere wijze om te gaan met de toetsing van de milieugevolgen zoals gebruikelijk bij een 'regulier' bestemmingsplan. De meest relevante wijzigingen voor de beoordeling van omgevingsaspecten zijn:

  • De Crisis- en herstelwet biedt mogelijkheden om in het omgevingsplan (feitelijk een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) voorwaarden te stellen ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (dit biedt ruimere mogelijkheden dan het begrip 'goede ruimtelijke ordening' uit de Wro);
  • In de toelichting van een omgevingsplan onder de Crisis- en herstelwet hoeft de uitvoerbaarheid van het plan op voorhand niet te zijn aangetoond. Toetsing aan de van toepassing zijnde sectorale wet- en regelgeving kan plaatsvinden op het moment dat sprake is van een concreet initiatief. De nieuwe Omgevingswet introduceert het begrip 'evidente onuitvoerbaarheid'. Dit betekent dat moet worden aangetoond dat er binnen de kaders die het omgevingsplan biedt, mogelijkheden zijn om te komen tot uitvoerbare initiatieven;
  • De Crisis- en herstelwet bevat mogelijkheden om af te wijken van wettelijke normen en grenswaarden uit onder andere de Wet geurhinder en veehouderij, de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer.

Dit hoofdstuk bevat een toelichting op de wijze waarop in het omgevingsplan de relevante omgevingsaspecten zijn meegewogen.

4.2 PlanMER en passende beoordeling     

Evenals voor een 'regulier' bestemmingsplan buitengebied is voor een omgevingsplan een milieueffectrapportage noodzakelijk. Enerzijds omdat het omgevingsplan mogelijkheden biedt voor (veehouderij) initiatieven waarbij sprake kan zijn van een overschrijding van de drempelwaarden uit de C- en D-lijst bij het Besluit milieueffectrapportage. Anderzijds omdat een passende beoordeling noodzakelijk is, aangezien significante negatieve effecten binnen Natura 2000 (als gevolg van een toename van stikstofdepositie) niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. PlanMER en passende beoordeling zijn opgenomen in Bijlage planMER.

Reikwijdte en detailniveau

Het planMER en de passende beoordeling geven inzicht in de bandbreedte aan mogelijke milieugevolgen die kunnen optreden. Daarbij is zowel gekeken naar de gevolgen van agrarische bedrijfsactiviteiten (in het bijzonder de veehouderijen) als naar de gevolgen van nevenfuncties bij agrarische bedrijven en mogelijke vervolgfuncties.

Eerst is in het planMER per milieuthema de referentiesituatie in beeld gebracht. Bij de beschrijving van de gevolgen van het omgevingsplan is vervolgens onderscheid gemaakt tussen een maximaal en een realistisch ontwikkelingsscenario. In eerste instantie zijn de effecten van het omgevingsplan beoordeeld zonder rekening te houden met maatregelen of randvoorwaarden. Vervolgens wordt bekeken welke uitgangspunten, randvoorwaarden of maatregelen in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen om ongewenste situaties te voorkomen en te zorgen dat nieuwe initiatieven een bijdrage leveren aan de beoogde kwaliteit.

verplicht

Figuur 4.1 Schematisch weergave verhouding planMER en omgevingsplan

Agrarische bedrijven

Voor de agrarische bedrijfsactiviteit leidt de keuze voor een omgevingsplan in vergelijking met een 'regulier' bestemmingsplan, in algemene zin niet tot meer ontwikkelingsruimte of flexibiliteit. De provinciale Verordening ruimte 2014 is sterk bepalend voor de voorwaarden waaronder ontwikkelingsruimte kan worden geboden aan agrarische bedrijven. De toetsing van de effecten is daarom in principe conform de toetsing in een planMER voor een 'regulier' bestemmingsplan buitengebied. Dit betekent dat uitgebreid (kwantitatief) onderzoek is uitgevoerd om de gevolgen van ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen in beeld te brengen. Het planMER is mede bepalend voor de voorwaarden waaronder veehouderij-initiatieven kunnen worden toegestaan. Daarbij is in het bijzonder aandacht besteed aan het thema gezondheid.

Neven- en vervolgfuncties

In lijn met de beleidsnotitie 'Vitaal Buitengebied' biedt het omgevingsplan ruime mogelijkheden voor neven- en vervolgfuncties. Uitgangspunt is dat de aard en omvang van de neven- en vervolgfuncties niet precies wordt afgebakend, maar dat in de voorwaarden wordt geborgd dat nieuwe initiatieven een bijdrage leveren aan de beoogde ruimtelijke kwaliteit. Door de ruime mogelijkheden die het omgevingsplan biedt (binnen bepaalde deelgebieden ook voor nieuwvestiging van recreatieve functies of functies met een stedelijk karakter), is het onmogelijk om in het planMER een gedetailleerde kwantitatieve toetsing van de (maximale) gevolgen op te nemen. Een dergelijk toetsing past ook niet binnen de algemene visie achter het instrument omgevingsplan. In het planMER is aan de hand van ontwikkelingsscenario's op hoofdlijnen ingegaan op de mogelijke milieugevolgen. Vervolgens is bekeken welke uitgangspunten, randvoorwaarden of maatregelen in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen om ongewenste situaties te voorkomen en te zorgen dat nieuwe initiatieven een bijdrage leveren aan de beoogde kwaliteit. In paragraaf 4.3 is dit nader uitgewerkt.

Resultaten en conclusies

Op basis van de sectorale boordelingen van de (potentiële) effecten zoals opgenomen in het planMER en de passende beoordeling kunnen op hoofdlijnen de volgende conclusies worden getrokken.

Effecten maximaal ontwikkelingsscenario

Uit de resultaten van de effectbeoordeling voor het maximale ontwikkelingsscenario blijkt dat uitbreidingsmogelijkheden en omschakelingsmogelijkheden voor veehouderijen kunnen leiden tot significante negatieve effecten binnen Natura 2000 gebieden in de wijde omgeving van het plangebied. Cumulatief kan bij maximale groei van de veestapel een grote toename van stikstofdepositie optreden in situaties binnen Natura 2000 waar reeds sprake is van een overbelasting. Daarnaast zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen sterk bepalend voor het woon- en leefklimaat binnen de gemeente. In het maximale ontwikkelingsscenario is sprake van negatieve gevolgen voor de geurbelasting, de concentraties fijn stof en de daarmee samenhangende gezondheidssituatie.

Ook bouw- en gebruiksmogelijkheden die samenhangen met neven- en vervolgfuncties kunnen (zonder aanvullende randvoorwaarden en/of maatregelen) ongewenste effecten met zich meebrengen. Zo kan in het maximale ontwikkelingsscenario sprake zijn van negatieve effecten op beschermde soorten (flora en fauna), water en de verkeerssituatie (en de daarmee samenhangende effecten). Tevens kunnen in bepaalde landschappelijke deelgebieden ongewenste landschappelijke gevolgen optreden. Onder andere door de mogelijkheden die het omgevingsplan biedt voor nieuwvestiging van (niet-agrarische) functies.

Effecten realistisch ontwikkelingsscenario

Zoals uit het voorgaande blijkt treden in het maximale ontwikkelingsscenario negatieve effecten op. Het is echter de vraag of deze (vaak theoretische) maximale situatie in alle gevallen leidend moet zijn voor de wijze waarop de uitkomsten uit het planMER worden doorvertaald in het omgevingsplan. Om een meer genuanceerd beeld te geven van de mogelijke milieugevolgen is ook een meer realistisch ontwikkelingsscenario onderzocht. Daarbij is rekening gehouden met trends in de agrarische sector en specifieke gebiedskenmerken. Uit de beoordeling van de effecten voor dit realistische ontwikkelingsscenario blijkt dat dat de milieugevolgen over het algemeen minder negatief worden beoordeeld dan de effecten van het maximale ontwikkelingsscenario. Ook in het realistische ontwikkelingsscenario blijft er echter nog een aantal aandachtspunten over. Hoewel de gevolgen van de mogelijkheden voor veehouderijen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 en het woon- en leefklimaat beperkter zijn, kunnen nog steeds ongewenste situaties optreden.

In het planMER is per thema ingegaan op de mogelijkheden en/of noodzaak om in het omgevingsplan maatregelen vast te leggen. Dat geldt ook voor de mogelijkheden voor neven- en vervolgfuncties op locaties die overbelast zijn voor geurhinder en de landschappelijke effecten van de bouwmogelijkheden die het omgevingsplan biedt. Paragraaf 4.3 geeft een samenvattend overzicht van deze maatregelen en randvoorwaarden.

4.3 Omgevingsaspecten in het omgevingsplan     

Het omgevingsplan maakt relevante ontwikkelingen (functieveranderingen) met een melding, via afwijking en via delegatie mogelijk. Om ongewenste effecten te voorkomen en te borgen dat ontwikkelingen een bijdrage leveren aan de gewenste omgevingskwaliteit worden voorwaarden verbonden aan nieuwe initiatieven. In Bijlage Kaders voor omgevingsplan is een overzicht opgenomen van de geldende sectorale toetsingskaders en de wijze waarop daarmee in het omgevingsplan is omgegaan. Uitgangspunt voor het omgevingsplan is het vastleggen van de kaders waarbinnen toekomstige ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. De verschillende omgevingsaspecten spelen een belangrijke rol bij de uitwerking van de voorwaarden, regels en onderzoeksverplichtingen. Toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief en gebruik wordt gemaakt van de flexibiliteitsbepalingen.

Algemene voorwaarden

In de regels is een set van 'standaard' voorwaarden opgenomen die (voor zover relevant/van toepassing) gekoppeld zijn aan de verschillende mogelijkheden voor functieveranderingen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om voorwaarden als:

  • de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  • de ontwikkeling vindt hydrologisch neutraal plaats;
  • de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van de verkeerstoename;
  • er vindt geen onevenredige aantasting van natuurwaarden plaats;
  • de bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde functie;
  • de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed;
  • er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  • bij ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van risicobronnen, dient het groepsrisico te worden verantwoord.

Verder zijn er voorwaarden opgenomen gericht op een goede landschappelijke inpassing. Ook dienen bij de toepassing van afwijkings- en delegatiebevoegdheden de landschappelijke kwaliteiten zoals beschreven in 'Vitaal Buitengebied Boekel' te worden betrokken.

Regels Verordening ruimte 2014

Daarnaast volgt ook een aantal voorwaarden uit de provinciale Vr. In het bijzonder zijn de voorwaarden voor nieuwe veehouderij-initiatieven van belang. Er dient te worden voldaan aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Vr zijn vastgesteld. Daarnaast dient ter plaatse van omliggende gevoelige objecten te worden voldaan aan de normen voor de achtergrondbelasting (geurhinder) en jaargemiddelde fijnstofconcentratie.

Aanvullende maatregelen planMER en passende beoordeling

Uit de effectbeschrijvingen in het planMER en de passende beoordeling blijkt dat er op onderdelen aanvullende maatregelen wenselijk/noodzakelijk zijn.

Stikstofdepositie Natura 2000

De veehouderijsector levert een belangrijke bijdrage aan de stikstofdepositie binnen Natura 2000. Mede naar aanleiding van de resultaten van de passende beoordeling is besloten in het omgevingsplan geen mogelijkheden te bieden voor omschakeling naar veehouderij of nieuwvestiging van veehouderij. Daarnaast dienen voorwaarden te worden verbonden aan de uitbreiding van bestaande veehouderijen. De gemeente kiest er voor om in de regels vast te leggen dat de emissies op perceelsniveau niet mogen toenemen. Dit betekent niet dat alle veehouderijen 'op slot' worden gezet. Uitbreiding is mogelijk door het treffen van voldoende stikstofreducerende maatregelen (toepassen van emissie-arme stalsystemen).

Op deze wijze is in het omgevingsplan geborgd dat geen verdere verslechtering zal optreden en op termijn de depositie zal afnemen. Niet alleen kunnen nieuwe initiatieven leiden tot een daling van de emissies en daarmee tot een afname van de emissie, maar situaties waarin sprake is van bedrijfsbeëindiging kunnen positieve gevolgen hebben voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000.

Een emissiestandstill heeft vergaande gevolgen voor bijvoorbeeld de paardenhouderij omdat voor het houden van paarden geen emissie-arme stalsystemen voorhanden zijn. Om deze reden wordt een binnenplanse afwijking via omgevingsvergunning opgenomen waarmee onder strikte voorwaarden een toename van emissie wordt toegestaan. Daarbij dient te worden aangetoond dat geen sprake is van een toename van depositie op Natura 2000 of aantasting van andere natuurwaarden, dan wel maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten van een toename van depositie te mitigeren.

Achtergrondbelasting geurhinder

De gemeente Boekel vindt het opvullen van ruimte binnen de normen voor de achtergrondbelasting (zoals mogelijk op basis van de regels uit de Vr2014) onwenselijk vanwege de gevolgen voor het woon- en leefklimaat en de daarmee samenhangende gezondheidseffecten. In het omgevingsplan is als voorwaarde opgenomen dat bij toekomstige veehouderij-initiatieven de achtergrondbelasting niet verder mag toenemen.

In reeds overbelaste situaties wordt in lijn met de systematiek uit de Vr een extra inspanning geëist. Dit betekent dat maatregelen moeten worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting ('welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert'). De provincie heeft een stappenplan opgesteld voor de wijze waarop kan worden bepaald wat een 'proportionele bijdrage' van een veehouderij aan de afname van een overbelaste situatie is. Dit leidt tot een uitgebreide, gedetailleerde toetsing waarbij eerst de bijdrage van de veehouderij aan de overbelaste situatie wordt bepaald en vervolgens inzichtelijk wordt gemaakt welke emissiereductie noodzakelijk is om een proportionele bijdrage te leveren aan het terugdringen van de overbelasting. Wat precies 'proportioneel' is, hangt af van de voorgrondbelasting en de bijdrage van de overige veehouderijen in de omgeving. Als aanvullende voorwaarde wordt in het omgevingsplan vastgelegd dat de totale geuremissie op bedrijfsniveau bij nieuwe veehouderij-initiatieven minimaal 10% moet afnemen.

Verder is (als verdere aanscherping van de normen uit de Vr) voor de kernrandzones vastgelegd dat bij een achtergrondbelasting boven de 14 ouE/m³ sprake is van een overbelaste situatie. Dat is in lijn met gemeentelijke gebiedsvisie die is opgesteld in het kader van de Verordening geurhinder en veehouderij.

Op deze wijze is in het omgevingsplan geborgd dat geen verdere verslechtering zal optreden en op termijn de achtergrondbelasting zal dalen.

Voor functieveranderingen die kunnen leiden tot een toename van het aantal (potentieel) gehinderden in een overbelaste situatie is als voorwaarde opgenomen dat dient te worden aangetoond dat sprake is van is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Gezondheid

Het is de vraag of en zo ja welke aanvullende voorwaarden aan nieuwe initiatieven dienen te worden verbonden om ongewenste gezondheidseffecten te voorkomen. Het omgevingsplan biedt geen mogelijkheden voor nieuwvestiging van veehouderijen. Ook maakt het plan geen omschakeling naar veehouderij mogelijk. Dit betekent dat de beoordeling en afweging van de effecten van het omgevingsplan zich kan beperken tot de uitbreidingsmogelijkheden voor de bestaande veehouderijen en de mogelijkheden voor nieuwe functies in de omgeving van veehouderijen. Zoals blijkt uit het overzicht in het planMER geven de beschikbare onderzoeken geen eenduidig beeld van de mogelijk gezondheidseffecten. Het is daarom nog niet mogelijk te komen tot een onderbouwd kwantitatief beoordelingskader.

Omdat negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, is het wel wenselijk om in het omgevingsplan een bredere gezondheidsafweging op te nemen voor nieuwe veehouderij-initiatieven. In de voorwaarden is vastgelegd dat bij nieuwe initiatieven (op basis van de actuele inzichten en stand van zaken onderzoek) de mogelijke gezondheidseffecten in beeld worden gebracht en wordt gemotiveerd op welke wijze ongewenste effecten worden voorkomen. Tevens is een voorzorgsbeginsel vastgelegd waarmee het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan weigeren als sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning zou leiden tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid.

In de gemeenteraad is afgesproken dat er gestreefd wordt naar een gezondheidmilieuscore van 3 in het buitengebied en van 2 voor het komgebied conform de GES-systematiek: een minimaal 'redelijk gezondheidsniveau' moet doel van het plan zijn. Zoals blijkt uit het planMER wordt de milieugezondheidskwaliteit in de referentiesituatie binnen grote delen van de gemeente aanzienlijk ongunstiger beoordeeld. Een GES-score kan niet direct vertaald worden in regels in het omgevingsplan. Componenten van de GES-score zoals fijnstof en geur kunnen wel in het omgevingsplan worden opgenomen. De regels in het omgevingsplan zijn gericht op het realiseren van een afname van de achtergrondbelasting. De snelheid waarmee de achtergrondbelasting daadwerkelijk zal dalen is sterk afhankelijk van de toekomstige ontwikkelingen binnen de agrarische sector. De ontwikkeling van de concentraties fijn stof is zeer sterk afhankelijk van technologische ontwikkelingen en wet- en regelgeving. De verwachting is dat de concentraties op termijn zullen dalen, maar een GES-score van 2 of 3 is voorlopig nog niet aan de orde.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving     

In dit hoofdstuk wordt in paragraaf 5.1 een toelichting gegeven op het juridische instrument van een omgevingsplan en de wijze waarop dat in hoofdlijnen is vertaald naar een omgevingplan voor het buitengebied van Boekel. In deze paragraaf is aangegeven dat de basis van dit omgevingsplan wordt gevormd door de indeling in deelgebieden uit de 'Structuurvisie' en 'Vitaal Buitengebied'. Een nadere toelichting op de gehanteerde deelgebieden en de wijze waarop het beleid voor deze deelgebieden in de regels en de verbeelding is verwerkt, is opgenomen in paragraaf 5.3.

Behalve deelgebieden is ook de regeling voor de huidige functies en de bouwregels van belang. Deze zijn toegelicht in paragraaf 5.4. Paragraaf 5.5 gaat tenslotte in op de wijze waarop de verbrede reikwijdte is vormgegeven.

5.1 Naar een omgevingsplan voor Boekel     

Bij de vertaling van het gemeentelijke beleid naar een omgevingsplan zijn op hoofdlijnen twee aspecten van belang:

  • het model of de juridische opzet voor het omgevingsplan;
  • de instrumenten die de nieuwe Omgevingswet biedt en de objectgerichte benadering van het plan.

5.1.1 Opzet van een omgevingsplan     

Het omgevingsplan verschilt op een aantal onderdelen van het bestemmingsplan. Zo bevat het omgevingsplan regels voor activiteiten die gericht zijn op het bereiken en in stand houden van 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. Het vertrouwde referentiekader 'goede ruimtelijke ordening' uit de Wro verdwijnt. Een gezonde fysieke leefomgeving is een veel breder kader dan de goede ruimtelijke ordening. Ook bijvoorbeeld milieuaspecten, beeldkwaliteit en welstand zijn onderdeel van de gezonde fysieke leefomgeving en kunnen daarmee onderdeel zijn van een omgevingsplan. Volgens de Omgevingswet gaat het in een omgevingsplan om: het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, het beschermen van het milieu, het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, het behoud van cultureel erfgoed, de natuurbescherming, het tegengaan van klimaatverandering, de kwaliteit van bouwwerken, de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten, het beheer van infrastructuur, het beheer van watersystemen, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen, het beheer van natuurlijke hulpbronnen, het beheer van natuurgebieden en het gebruik van bouwwerken (artikel 1.2 Omgevingswet).

Een gemeente mag zelf bepalen of alle regels en bepalingen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving uiteindelijk in een omgevingsplan terecht komen. Er kan ook voor worden gekozen om bepaalde onderdelen separaat te blijven regelen in beleidsregels of verordeningen. Het omgevingsplan heeft dan echter niet het beoogde integrale karakter.

In het omgevingsplan kunnen gemeentelijke beleidsregels en verordeningen worden geïntegreerd of er kan naar worden verwezen. Voordeel van het werken met een verwijzing naar beleidsregels of verordeningen is dat het omgevingsplan niet behoeft te worden gewijzigd bij veranderende inzichten: het wijzigen van de materiële beleidsregel of de verordening is dan voldoende. Nadeel is dat het bedoelde integrale karakter minder goed uit de verf komt. Het uitgangspunt voor het omgevingsplan Boekel is dan ook dat beleidsregels en verordeningen waar mogelijk in het omgevingsplan worden verwerkt.

Het omgevingsplan kent geen geldigheidstermijn (uiterste houdbaarheidsdatum): een eenmaal vastgesteld omgevingsplan blijft gelden en kan op onderdelen steeds worden herzien. Alleen het onderdeel dat wordt herzien is daarbij onderdeel van de vaststellingprocedure en staat open voor beroep. Bij de inrichting van de set van regels voor een omgevingsplan en de opzet van de verbeelding wordt rekening gehouden met deze mogelijkheid om onderdelen (modules) eenvoudig te kunnen herzien. Er hoeft daarmee ook geen uitgebreid feitelijk onderzoek gedaan te worden naar uiteenlopende uitvoeringsvarianten van het plan: dit kan worden doorgeschoven naar het moment waarop er daadwerkelijke sprake is van een ontwikkeling. Het omgevingsplan voor Boekel heeft als 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte' een plantermijn van 20 jaar.

Schematisch zou de opzet van een omgevingsplan er dan als volgt uit kunnen zien.

verplicht

Figuur 5.1 Lagen in de verbeelding (plat vlak en in digitale laagopbouw) met een voorbeeldmodule van de regels

De raadpleger 'prikt', door op de verbeelding op een bepaalde locatie te klikken, als het ware door alle lagen/modules in het omgevingsplan en ziet alle relevante onderdelen van het omgevingsplan, met uitsluitend de onderdelen van de regels die voor de betreffende locatie van belang zijn.

De opzet voor het omgevingsplan voor Boekel

In het omgevingsplan voor Boekel:

  • wordt gekozen voor een regeling met de (aangepaste) deelgebieden uit 'Structuurvisie' en 'Vitaal Buitengebied' als basis;
  • zullen waar mogelijk algemene regels worden gehanteerd en wordt gewerkt met modules;
  • zal sprake zijn van een module 'Functies' en een module 'Bouwen': de reden hiervoor is tweeledig; enerzijds spreekt de Omgevingswet van een omgevingsvergunningplicht voor verschillende activiteiten zoals een bouwactiviteit of een afwijkactiviteit en kan de aanvrager kiezen om aanvragen los van elkaar of gelijktijdig in te dienen; deze activiteiten hebben een eigen plek in het omgevingsplan gekregen; anderzijds ten behoeve van de vraaggestuurde raadpleegbaarheid via een (toekomstig) vraaggestuurd menu ('waar kan ik mijn perceel voor gebruiken', 'hoe hoog mag ik bouwen'); uitgangspunt blijft natuurlijk dat er uitsluitend voor het toegelaten gebruik mag worden gebouwd;
  • zullen concrete, feitelijk aanwezige, te verwachten of te realiseren waarden op perceelsniveau worden geborgd;
  • zal worden bijgedragen aan de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, ten aanzien van:
    1. omgevingskwaliteit, onder andere door:
      1. de duidelijke verwijzing naar 'Vitaal Buitengebied, kwaliteitsgids';
      2. het opnemen van de voorwaarde bij bepaalde ontwikkelingen dat sprake moet zijn van een toevoeging van ruimtelijke kwaliteit ('Vitaal Buitengebied, waardering');
      3. het opnemen van kwalitatieve voorwaarden bij bepaalde ontwikkelingen zoals voorwaarden met betrekking tot milieuaspecten, duurzaamheid en gezondheid;
    2. ondernemersklimaat, onder andere door:
      1. het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden met relatief eenvoudige procedures;
      2. het bieden van de mogelijkheid om onderzoeken vooruit te schuiven;
  • zullen verordeningen en beleidsregels die van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan geïntegreerd worden.

5.1.2 Instrumentarium en objectgerichtheid     

Bij de nieuwe doelen en uitgangspunten hoort ook een vernieuwd instrumentarium dat aansluit bij de beoogde doelen (integraal, globaal, doelgericht denken, afwegingsruimte, kwalitatief in plaats van kwantitatief, vertrouwen). Dit instrumentarium bestaat uit verschillende soorten van regels: bouw- en gebruiksregels en beoordelingsregels, meldingsregels, maatwerkvoorschriften en -regels en regels voor gelijkwaardigheid.

Een omgevingsplan kan geen verplichte vergunningen voorschrijven (in bestemmingsplan: omgevingsvergunning voor slopen of omgevingsvergunning voor uitvoeren werken en werkzaamheden) of binnenplanse afwijkingen bevatten: deze worden in de Omgevingswet zelf geregeld. Het omgevingsplan kan wel de criteria bevatten op basis waarvan een omgevingsvergunning voor een afwijkingsactiviteit van de Omgevingswet wordt verleend.

Voor een overzicht van het nieuwe instrumentarium wordt verwezen naar bijlage 3.

Uitgangspunt voor omgevingsplannen is het objectgericht benaderen van de informatie en de regels die in een omgevingsplan staan. Gronden en panden zijn objectgericht te benaderen indien de gronden gekoppeld worden aan een getekend vlak waaraan de betreffende regels voor de gronden en panden zijn gekoppeld.

De opzet voor het omgevingsplan voor Boekel

Bij de keuze voor instrumentarium wordt gestreefd naar minder regels en ontwikkelingen met minder of kortere procedures mogelijk maken. De voorkeur wordt gegeven aan het rechtstreeks toestaan van initiatieven en ontwikkelingen mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om aan deze voorwaarden te (blijven) voldoen. Dit vraagt extra aandacht en alertheid van de ambtelijke medewerkers die belast zijn met handhaving.

Waar nodig worden de regels aangevuld met de bepaling dat een melding van een ontwikkeling moet worden gedaan bij het college van burgemeester en wethouders. Hierdoor ontstaat een duidelijk toetsingsmoment en kunnen zo nodig ook maatwerkregels worden opgelegd.

Ontwikkelingen of activiteiten die niet rechtstreeks of met melding worden toegestaan kunnen met een afwijking of delegatie worden toegestaan: het omgevingsplan bevat de voorwaarden waaronder deze instrumenten kunnen worden toegepast.

De Omgevingswet biedt op termijn de mogelijkheid om verleende omgevingsvergunningen voor afwijken te verwerken in het omgevingplan waarbij geldt dat hiertegen geen zienswijzen kan worden ingediend (artikel 16.31 Omgevingswet, zoals aangeboden aan de Eerste Kamer). In dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is een delegatiebevoegdheid opgenomen om deze afwijkingen vooralsnog snel en met enige regelmaat in dit plan te kunnen verwerken.

De mogelijkheden voor delegatie zijn ruim geformuleerd; de voorwaarden waaronder met toepassing van de delegatiebevoegdheid medewerking wordt verleend aan een initiatief zijn kwalitatief en kwantitatief en bewust globaler en abstracter geformuleerd.

De provincie heeft op basis van de Omgevingswet zoals deze is aangeboden aan de Eerste Kamer, alleen de mogelijkheid om een (volgens de huidige benaming) reactieve aanwijzing in te dienen tegen de 'toedeling van functies en de daarbij behorende regels'. Dit betekent dat de provincie geen aanwijzing kan geven tegen de onderdelen van de APV en de verordeningen die in de regels van dit plan zijn opgenomen.

5.2 Opzet omgevingsplan Boekel     

Het omgevingsplan Buitengebied 2016 is opgezet aan de hand van de volgende modules:

verplicht

De volgende vastgestelde beleidsnota's, beleidsregels en gemeentelijke verordeningen zijn in het omgevingsplan opgenomen of er wordt naar verwezen (naar een bijlage in de regels):

verplicht

De gemeente wil de verruimde reikwijdte en pilotstatus ook graag aangrijpen om een koppeling te maken tussen de verlening van omgevingsvergunningen voor bouwen en voor milieu dan wel milieumeldingen. In de huidige praktijk is die onderlinge afstemming er niet. De pilotstatus biedt de mogelijkheid om als gemeente bij voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen de initiatiefnemers ook de relevante milieuaspecten te laten aanleveren zodat een inschatting kan worden gemaakt of de gevraagde ontwikkeling ook in het milieuspoor uitvoerbaar is. Dit voorkomt teleurstellingen achteraf.

De opzet van de regels kan schematisch als volgt worden weergegeven.

verplicht

Figuur 5.2 Schematisch overzicht regeling

5.3 Gebiedsprofielen     

Voor de vier deelgebieden is een omschrijving opgenomen van de kwaliteiten van de gebieden en de functionele invulling die in de deelgebieden toelaatbaar wordt geacht. Voor de aanwezige kwaliteiten en de koers van de verschillende deelgebieden wordt verwezen naar hoofdstuk 3 Keuzes voor het omgevingsplan. De bestaande natuurgebieden zijn niet opgenomen in de deelgebieden omdat de rechtstreeks toelaatbare en de met een procedure toelaatbare functieveranderingen niet zijn toegestaan in de bestaande natuurgebieden.

Rechtstreeks toelaatbaar

De omschrijving van het toelaatbare gebruik in de verschillende deelgebieden is ruim. In alle deelgebieden zijn de huidige functies toegestaan zoals aangegeven met de verschillende functievlakken en in paragraaf 5.4 beschreven. Daarnaast is in alle deelgebieden agrarisch grondgebruik toegestaan. Onder agrarisch grondgebruik wordt de teelt van gewassen en het houden van dieren verstaan, al dan niet bedrijfsmatig geëxploiteerd. Het is ook toegestaan om nieuwe sloten te graven (tenzij er uit hoofde van andere functies of waarden beperkingen aan het graven van sloten worden gesteld) of natuurelementen aan te leggen.

Ook de bestaande legale nevenactiviteiten zijn toegestaan (de nevenactiviteiten waarvoor toestemming is verleend door de gemeente).

Met melding toelaatbaar

Met melding zijn relatief eenvoudige functieveranderingen toegestaan zoals kleinschalige nevenactiviteiten of de aanleg van lage permanente teeltondersteunende voorzieningen. Een melding kan bestaan uit een eenvoudige mededeling of gecombineerd worden met een besluit tot instemming met de melding door het bevoegd gezag. In Boekel is gekozen voor een eenvoudige procedure voor indiening van de melding waarna binnen vier weken door het bevoegd gezag een besluit wordt genomen over de voorgenomen functiewijziging. Indien het besluit te laat of niet wordt genomen is er sprake van fictieve instemming met de melding. Het snel en zorgvuldig afhandelen van meldingen maakt het noodzakelijk dat meldingen worden ingediend met een solide motivering en onderbouwing van de wijze waarop aan de beoordelingsregels wordt voldaan.

Met afwijking toelaatbaar

Het omgevingsplan bevat de voorwaarden waaronder het bevoegd gezag medewerking wil verlenen aan afwijkingen van het plan zoals de vestiging van een andersoortig bedrijf op percelen waar al een bedrijf is gevestigd. In deze voorwaarden is een directe link gelegd naar de (waardering van) de ruimtelijke kwaliteitsverbetering die in de deelgebieden wordt nagestreefd. Ook hier geldt dat een snelle en zorgvuldige procedure voor afwijkingen vraagt om een goede motivering en onderbouwing van de wijze waarop de initiatiefnemer meent dat aan de beoordelingsregels wordt voldaan.

Delegatie

De rechtstreekse mogelijkheden, meldingen en afwijkingen zijn in de verschillende deelgebieden nog min of meer gelijk. Dat is niet het geval met mogelijkheden voor delegatie. De functiewijzigingen die met delegatie tot stand kunnen worden gebracht zijn afgestemd om de strategieën voor de verschillende deelgebieden. In het woonwerklandschap zijn bijvoorbeeld meer stedelijke functies en activiteiten toegestaan, in de bosrijke ontginningen zijn recreatieve ontwikkelingen toegestaan indien er tevens sprake is van bosontwikkeling.

De mogelijkheden voor delegatie zijn ruim geformuleerd; afhankelijk van het deelgebied zijn uitbreiding van bestaande functies, omschakeling naar andere functies en nieuwe functies toegestaan (nieuwvestiging is hierbij het toestaan van functies met bouwmogelijkheden op gronden waar een functie is toegestaan zonder bouwmogelijkheden voor gebouwen; zie ook de begripsbepalingen). Daarmee kan met de bevoegdheid tot delegatie onder andere een bedrijf uit een hogere milieucategorie worden toegestaan, de functie plattelandswoning worden toegekend of een functievlak worden aangepast (vormverandering, vergroting; in combinatie met een aanpassing van vlakken die zien op het bouwen). Met de delegatiebevoegheid kan ook invulling gegeven worden aan de ontwikkeling van de doorgroeilocatie voor glastuinbouwbedrijven.

Indien met toepassing van de delegatiebevoegdheid een functievlak wordt aangepast kunnen in samenhang daarmee ook de betreffende vlakken worden aangepast die voor de bouwregels zijn opgenomen.

Een bijzondere vorm van delegatie is de bevoegdheid om op een reguliere basis verleende afwijkingen in het omgevingsplan te verwerken. Daarmee kan de relatief snel verleende afwijking een goede basis krijgen in het omgevingsplan.

5.4 Objectgerichte toelichting op de juridische regeling     

5.4.1 Module functies     

In de module Functies zijn, naast de vier deelgebieden, de bestaande functies opgenomen. Om direct te kunnen raadplegen welke functie op een locatie is toegestaan is er een vergaand onderscheid gemaakt. Een paintballbaan bijvoorbeeld heeft ook daadwerkelijk de functie 'paintballbaan' gekregen. Voor functieveranderingen zijn de bepalingen bij de verschillende deelgebieden van toepassing.

Het betreft hier bestaande functies: voor zover er initiatieven zijn die in het kader van de voorbereiding van dit omgevingsplan nog nader worden onderzocht en beoordeeld (zogenoemde meelifters) kan het voorontwerp omgevingsplan in een volgende fase, indien met de ontwikkeling wordt ingestemd, worden aangepast.

Agrarische bedrijven

Op basis van het onderscheid zoals dat is gemaakt in de Vr zijn ook in Boekel verschillende agrarische bedrijven onderscheiden. Daarbij is speciale aandacht besteed aan de gemengde bedrijven.

Dat leidt tot het volgende onderscheid.

Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf

Bij vollegrondsteeltbedrijven is sprake van een hoofdactiviteit teelt in de open grond. Daarnaast mag op een dergelijk bedrijf ook sprake zijn van overige niet-veehouderij activiteiten en paardenhouderij bij wijze van neventak. Bij (vollegronds)teeltbedrijven is de huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten actueel en het omgevingsplan voorziet hiervoor in een regeling die aansluit bij de recent door de gemeenteraad vastgestelde 'Ruimtelijke beleidsnotitie huisvesting tijdelijke arbeidsmigranten'.

Agrarisch bedrijf - veehouderij

Op basis van de Vr moet, indien sprake is van een hoofd- of nevenactiviteit veehouderij, een bedrijf altijd als een veehouderij worden aangemerkt en de regels voor een zorgvuldige veehouderij worden toegepast. Andere vormen van agrarisch gebruik kunnen als nevenactiviteit worden uitgeoefend. De regels voor een zorgvuldige veehouderij, ammoniak, geur en mest, zijn samengebracht in de Module: vee- en paardenhouderijen.

Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf

De agrarisch bedrijven met als hoofdactiviteit de teelt van producten in kassen zijn als zodanig aangemerkt. Een neventak vollegrondsteelt is toegestaan. Ook bij glastuinbouwbedrijven kan huisvesting van tijdelijke werknemers aan de orde zijn en is om die reden opgenomen onder welke voorwaarden een afwijking van het omgevingsplan wordt verleend.

Agrarisch bedrijf - overig bedrijf

Tot de overige bedrijven behoren onder andere de champignonbedrijven.

Agrarisch bedrijf - paardenhouderij

De paardenhouderijen zijn onderscheiden van de overige bedrijven.

Bij alle regels voor de functie agrarisch bedrijf is opgenomen dat wonen ter ondersteuning van de bedrijfsuitoefening is toegestaan, met uitzondering van een aantal specifiek aangeduide percelen waar bedrijfswoningen niet zijn toegestaan. Een aantal functievlakken voor agrarische bedrijven zijn met elkaar verbonden door een relatieteken. Functievlakken die op deze manier met elkaar zijn verbonden worden voor wat betreft de oppervlakte, aangemerkt als één vlak. Bij toepassing van de mogelijkheid om functievlakken te vergroten zullen deze met elkaar verbonden vlakken gezamenlijk niet groter mogen worden dan de maximaal toelaatbare oppervlakte. De betekenis van het relatieteken is in de regels opgenomen.

Niet - agrarische bedrijvigheid

Bedrijf

In het plangebied komt een aantal niet-agrarische bedrijven voor. In het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving is het van belang dat bij de aanwezigheid van inrichtingen in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de regeling de belangenafweging te maken tussen belastende en gevoelige functies met betrekking tot milieu, is in dit plan gebruik gemaakt van een milieuzonering. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Voor een nadere toelichting op deze Staat wordt verwezen naar Bijlage 5.

Op de bedrijfspercelen binnen het plangebied worden activiteiten uit categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten algemeen toelaatbaar geacht. Ook is wonen ten behoeve van de bedrijfsvoering toegestaan, tenzij anders aangeduid. Het gebruik is ook verder niet onbeperkt: buitenopslag van goederen en producten, bevi-inrichtingen en de opslag van vuurwerk is niet toegestaan.

Ten behoeve van dit plan zijn de aanwezige bedrijven geïnventariseerd. In Bijlage 6 zijn de aanwezige bedrijven opgenomen en ingedeeld in een categorie volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Bedrijf uit een hogere milieucategorie

Niet alle, in het plangebied aanwezige bedrijven horen tot de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Voor de bedrijven in de hogere milieucategorieën zijn aparte functievlakken opgenomen die aangeven dat zowel categorie 1 en 2 als de huidige bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie zijn toegestaan.

Detailhandel

Op de gronden waar detailhandel is toegestaan is grootschalige detailhandel uitgesloten (groot in omvang; verkoop van grote artikelen). Aan de bestaande grootschalige detailhandel is de specifieke functie Detailhandel caravans toegekend.

Dierenkliniek

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor een dierenkliniek en het wonen ten behoeve van de bedrijfsvoering.

Gezondheidszorg

Aan de gronden van Huize Padua is de functie Gezondheidszorg toegekend. De gronden mogen worden gebruikt voor de geestelijke gezondheidszorg in ruime zin. Verpleeg- en woonfuncties zijn toegestaan alsmede medische en therapeutische functies, administratieve en algemeen ondersteunende functies. Het complex heeft ook een cultuurhistorische waarden. De regelingen die hiermee verband houden zijn opgenomen in de Module: cultuurhistorie.

Ook een bestaande zorgboerderij heeft deze functie Gezondheidszorg gekregen.

Groen

De functie Groen is toegekend aan bestaand afschermend groen en kleinere bospercelen. De gronden mogen gebruikt worden voor groenelementen en voor extensieve recreatie. Dit extensieve recreatieve gebruik is alleen toegestaan indien de afschermende functie behouden blijft en natuurwaarden niet worden aangetast. De gronden mogen ook niet zodanig worden gebruikt dat het waterbergend vermogen van de aangeduide waterberging afneemt.

Honden- en paardensport

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor sportieve activiteiten met honden, paarden of pony's in club- of verenigingsverband.

Horeca

Bij de aanwezigheid van horecavoorzieningen is het van belang dat ter plaatse van woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd en dat horecavoorzieningen op een gewenste locatie hun bedrijf kunnen uitoefenen. Voor het toekennen van de functie horeca is gebruik gemaakt van de Staat van Horeca-activiteiten. Deze bestaat uit een lijst van horeca-activiteiten die is gerangschikt naar mate van hinderlijkheid waarbij vooral is gekeken naar het aspect geluidshinder en de verkeersaantrekkende werking van de onderscheiden categorieën.

In het buitengebied van Boekel worden horeca-activiteiten uit de categorieën 1a, 1b en 1c van de Staat van Horeca-activiteiten toegestaan alsmede het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. Tot deze categorieën horen horecabedrijven die over het algemeen overdag en in de avonduren zijn geopend en relatief beperkte overlast veroorzaken.

In het buitengebied van Boekel bevindt zich momenteel slechts één horecavoorziening; de opgenomen Staat van Horeca-activiteiten is echter niet alleen voor het huidige aanwezige bedrijf van belang maar kan ook bruikbaar zijn voor de beoordeling van toekomstige initiatieven.

Kampeerterrein

Voor een bestaand en een nieuw verblijfsrecreatief terrein is de functie Kampeerterrein opgenomen. De gronden mogen gebuikt worden voor x respectievelijk x seizoensgebonden standplaatsen voor kampeermiddelen.

Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding en Leiding - Riool

De gronden met de betreffende functies mogen worden gebruikt voor de huidige aanwezige gas-, hoogspannings- en rioolleidingen alsmede voor nieuw aan te leggen gas- en hoogspanningsleidingen waarvan de 10 -6 risicocontour en de belemmeringenstrook binnen het functievlak zijn gelegen. Voor de gronden gelden beperkingen voor het gebruik: het uitvoeren van diverse werkzaamheden die risicovol kunnen zijn voor de leiding en de veiligheid zijn niet zonder meer toegestaan.

Manege

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor een manege met daaraan gerelateerde activiteiten zoals huifkarverhuur.

Natuur

Het bestaande natuurgebied aan Bezuidenhout mag tevens gedeeltelijk als motorcrossterrein worden gebruikt. Het motorcrossterrein is al decennia in gebruik en voor het gebruik is een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer verleend. Het gebruik wordt ruimtelijk aanvaardbaar geacht mits het gebruik beperkt wordt tot de activiteiten die ook in de milieuvergunning zijn toegestaan. Aan de regels is toegevoegd dat het gebruik als motorcrossterrein is toegestaan op de aangeduide gronden maar met beperking van het gebruik overeenkomstig de verleende vergunning.

Paintball-baan

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor een paintballbaan. Wonen ten behoeve van de bedrijfsvoering is niet toegestaan.

Recreatiewoning

Solitaire recreatiewoningen mogen ten behoeve van verblijfsrecreatie worden gebruikt.

Sportcomplex

De gronden van het sportcomplex bij Boekel mogen worden gebruikt voor handboogschieten, veldsporten en als evenemententerrein.

Multifunctioneel centrum

Het scouting gebouw alsmede het gebouw waar vleermuizen zijn gevestigd mogen worden gebruikt voor milieu en natuureducatie en scouting activiteiten. Naast deze huidige gebruikers kunnen ook andere vergelijkbare verenigingen gebruik maken van het gebouw.

Schietbaan

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor een schietbaan. Wonen ten behoeve van de bedrijfsvoering is niet toegestaan.

Verkeer

De huidige wegen mogen voor de verkeersafwikkeling worden gebruikt waarbij het aantal rijstroken is beperkt tot 2x1 doorgaande rijstrook.

Water

De belangrijkste watervoerende en beeldbepalende waterlopen hebben de functie Water gekregen.

Wonen

De functie Wonen is toegekend aan alle burgerwoningen en aan de woningen in het voormalige woonbos. Er is geen aanleiding om nog langer functioneel onderscheid te maken tussen deze woningen (er wordt wel onderscheid gemaakt in bouwmogelijkheden).

5.4.2 Module bouwen     

Het buitengebied is uit praktische overwegingen verdeeld in een bebouwd (met gebouwen) en een open gebied (in principe geen gebouwen). Voor alle bouwmogelijkheden geldt dat uitsluitend voor de toegestane functie kan worden gebouwd.

Open gebied

Tot het Open gebied worden gerekend de natuurgebieden en groenelementen, wegen en agrarisch onbebouwd gebied. In het Open gebied gelden algemene bouwregels voor onder andere erfafscheidingen, paardenbakken, teeltondersteunende voorzieningen en overige bouwwerken van algemeen nut (zoals straatverlichting, wegbewijzering, abri's, kunstwerken maar geen reclame-uitingen).

Met toepassing van een afwijking kunnen er kleinschalige gebouwen worden opgericht (schuilgelegenheden voor vee, gebouwen voor beheer en onderhoud).

Bebouwd gebied

De contramal van het Open gebied is aangemerkt als Bebouwd gebied. In het Bebouwd gebied zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gebouwen in principe toegestaan mits aan een aantal voorwaarden en maatvoeringseisen wordt voldaan. In het Bebouwd gebied zijn onder andere regels opgenomen voor het bouwen voor woningen, bijgebouwen bij woningen, recreatiewoningen, kassen, ondersteunende kassen, bedrijfs- of dienstwoningen, bedrijfsbebouwing en bouwen voor nevenactiviteiten.

In bestaande situaties kan sprake zijn van legale (vergunde) bouwwerken die afwijken van de maximaal of minimaal voorgeschreven maten. Om te voorkomen dat deze bouwwerken onbedoeld onder het overgangsrecht gaan vallen is voor deze situaties bepaald dat de bestaande maten de maximaal of minimaal toelaatbare maten zijn. In de regels voor Overgangsrecht bouwen en bestaande maten is aangegeven dat bij dergelijke bestaande maten het overgangsrecht niet van toepassing is.

Het onderscheid tussen woningen in het voormalige woonbos en overige burgerwoningen is gelegen in de bouwmogelijkheden voor bijgebouwen (100 m² voor woningen; 60 m² in het voormalige woonbos). De relatietekens die hier zijn opgenomen geven aan tot welke hoofdgebouwen de bijgebouwen gerekend moeten worden.

In het buitengebied van Boekel is op verschillende locaties sprake van een agrarisch gebruik waarbij er feitelijk geen sprake meer is van agrarische bedrijfsmatige activiteiten. Naar verwachting wordt op deze locaties de functie op (korte termijn) gewijzigd. Het omgevingsplan biedt hier de duidelijkheid dat er op deze locaties niet meer kan worden gebouwd voor agrarische bedrijfsmatige gebruik (Artikel 62 Bouwen - vab's).

Voor een specifieke situatie aan Zandhoek 7-9 is een voorwaardelijke bouwbepaling uit het ter plaatse vigerende plan overgenomen. Bouwen is uitsluitend toegestaan indien voorzieningen voor 'zuivere lucht' worden getroffen. Hiermee wordt voorkomen dat de naastgelegen veehouderij onevenredig in de bedrijfsvoering wordt geschaad.

In het Bebouwd gebied gelden ook mogelijkheden voor afwijkingen voor vergroting van (bedrijfs)woningen, bijgebouwen, hoogte van bedrijfsbebouwing en andere geringe afwijkingen. Belangrijkste afwegingscriteria voor het toepassen van de bevoegdheid is de mate waarin aan de kwaliteitsbeschrijving vanuit de Kwaliteitsgids wordt voldaan.

Met toepassing van de delegatiebevoegdheid kan de oppervlakte voor bedrijfsgebouwen worden vergroot. De vergroting van het vlak waarbinnen mag worden gebouwd kan alleen plaatsvinden in combinatie met een vergroting van het functievlak (delegatiebevoegdheid binnen de deelgebieden).

5.5 Toelichting op de verbrede reikwijdte     

5.5.1 Module cultuurhistorie     

In de Module: cultuurhistorie is de bescherming opgenomen van archeologische waarden, gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden, onverharde wegen, het cultuurhistorisch waardevolle ensemble Huize Padua en aardkundig en geomorfologisch waardevolle gebieden. De huidige Erfgoedverordening Boekel 2010 en de beleidsregel Nota Archeologie bevatten regels die van toepassing zijn op gemeentelijk monumenten en archeologisch waardevolle gebieden. Door deze verordening en nota te vertalen in het omgevingsplan worden alle regels die tot doel hebben de waarden te beschermen samengebracht.

De Erfgoedverordening bevat regels voor de aanwijzing en de bescherming van gemeentelijke monumenten. Beide onderdelen worden in het omgevingsplan opgenomen. Gemeentelijke monumenten worden daarmee niet alleen op de verbeelding aangeduid; in de bijlage bij de regels is ook een beschrijving opgenomen van de elementen die een object beschermingswaardig maken. Bij de aanwijzing van nieuwe gemeentelijke monumenten is een aanvulling van deze gemeentelijke monumentenlijst noodzakelijk.

In de module zijn voorts beperkingen van het gebruik opgenomen. Voor het uitvoeren van een aantal werken of werkzaamheden die een negatieve invloed kunnen hebben op de te beschermen waarden is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Bij de verlening van de omgevingsvergunning wordt beoordeeld of de waarden niet onevenredig worden geschaad.

Voor monumenten of karakteristieke panden is de mogelijkheid opgenomen om een extra woning te realiseren, de bestaande woning uit te breiden of de functie te wijzigen naar bijvoorbeeld horeca. Deze mogelijkheden worden alleen geboden indien er ook daadwerkelijk sprake is van het behoud en de versterking van de monumentale en cultuurhistorisch waarden.

5.5.2 Module evenementen     

Boekel beschikt over een evenemententerrein dat voor grootschalige en regelmatig terugkerende evenementen gebruikt kan worden. Op termijn kan deze Module: evenementen worden uitgebreid met de voorwaarden die aan het houden van dergelijke evenementen worden gesteld.

5.5.3 Module natuur en landschapswaarden     

In de huidige situatie zijn de regels met betrekking tot het kappen van bomen en houtgewas versnipperd: in het huidige bestemmingsplan is een aanlegvergunning vereist voor het kappen, de Boswet is van toepassing en de APV stelt regels aan kappen van bomen en houtgewas. De onderdelen van de APV die betrekking hebben op het kappen van bomen worden in het omgevingsplan opgenomen. De Boswet vormt landelijke wetgeving die door de gemeente niet kan worden geïmplementeerd in het omgevingsplan.

In de Module: natuur en landschapswaarden is de huidige APV met betrekking tot het kappen van waardevolle bomen en houtgewassen opgenomen. Voor de EHS en Groenblauwe mantel alsmede de ecologische verbindingszone Meerkensloop is een beperking van het gebruik opgenomen: het uitvoeren van werken en werkzaamheden is niet zonder meer mogelijk.

5.5.4 Module veehouderij     

In de module veehouderij is een ammoniak emissie standstill en een geurstandstill opgenomen. Van het ammoniakstandstill kan worden afgeweken indien de waarden van Natura 2000 gebieden niet wordt geschaad (een van de onderdelen waarvoor deze pilot toestemming heeft gekregen). Voor wat betreft geur wordt gestreefd naar een verbetering van de geursituatie en wordt bedrijfsontwikkeling gekoppeld aan een reductie van geur in overbelaste gebieden. Ook de geurverordening is in het omgevingsplan verwerkt.

In deze module zijn ook regels opgenomen voor de bewerking en verwerking van mest en het gebruik van mobiele mestscheiders, overeenkomstig het beleid dat hiervoor door de gemeenteraad is vastgesteld op 8 oktober 2015. Verder zijn de provinciale regels voor een zorgvuldige veehouderij verwerkt.

In Boekel wordt gestreefd naar een verbetering van het leefklimaat in het buitengebied, waarbij als uitgangspunt geldt dat een GES-score van 2 of minder de voorkeur heeft ('redelijk leefklimaat'). De in het planMER gehanteerde GES-score kan niet voor een vertaling in de regels worden gebruikt; de verschillende relevante onderdelen waaruit de GES-score is opgebouwd kunnen wel worden gebruikt namelijk geur en fijnstof.

Voor fijnstof geldt dat de vertaling van de Vr leidt tot strengere normen voor fijnstof dan op basis van landelijke regelgeving is voorgeschreven. Voor geur is zoals hiervoor aangegeven een gemeentelijke aanscherping opgenomen.

Tot slot is in de regels opgenomen dat initiatiefnemers gezondheidsaspecten in beeld moeten brengen en aan moeten geven hoe hier mee om wordt gegaan en er is een voorzorgsmaatregel opgenomen om in uitzonderlijke gevallen een omgevingsvergunning in verband met mogelijke gezondheidseffecten te kunnen weigeren (vergelijkbaar met het voorgestelde artikel 5.32 uit de Omgevingswet).

De regels in deze module hebben zowel betrekking op het gebruik als op het bouwen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid     

6.1 Financiële uitvoerbaarheid     

In het kader van de Grondexploitatiewet is de gemeente verplicht kosten die ten behoeve van het omgevingsplan worden gemaakt, te verhalen. De gemeente maakt geen kosten voor plannen die op grond van dit omgevingsplan worden uitgevoerd. De initiatiefnemers zijn hiervoor verantwoordelijk. Wel maakt de gemeente plankosten, dit zijn de kosten die zijn gemoeid bij het opstellen van het omgevingsplan. Deze kosten zijn niet toe te schrijven aan een specifieke groep gebruikers. De gemeente neemt deze plankosten daarom voor haar rekening. Indien er aanvullende plankosten gemaakt worden voor het uitvoeren van het omgevingsplan, bijvoorbeeld in de vorm van kosten voor het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid, worden dergelijke plankosten verhaald op de initiatiefnemer. Gezien bovenstaande redenering, is het opstellen van een exploitatieplan voor dit omgevingsplan niet aan de orde.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid     

De gemeente hecht veel waarde aan de grote betrokkenheid van haar inwoners bij het buitengebied en heeft het voorontwerp opgesteld met behulp van een stuurgroep en een klankbordgroep die in de fase van opstelling van het voorontwerp veelvuldig zijn geconsulteerd en bijgepraat.

Vooroverleg en inspraak

Het omgevingsplan Buitengebied Boekel 2016 wordt in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening aan diverse personen en instanties toegezonden. Tevens wordt het ontwerpomgevingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd en worden informatieve bijeenkomsten gehouden voor bewoners en gebruikers van het buitengebied en hun adviseurs.

Vaststellingsfase

De resultaten van de zienswijzefase worden te zijner tijd verwerkt.

6.3 Handhaving     

Met dit omgevingsplan wordt beoogd een voor de burgers duidelijk en herkenbaar beleid voor de fysieke leefomgeving te formuleren. Het omgevingsplan is zodanig opgezet dat het ruimte biedt voor ontwikkelingen binnen de randvoorwaarden die volgen uit 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'.  Het omgevingsplan biedt daarmee meer flexibiliteit en ruimte dan het traditionele bestemmingsplan. Het is daarmee de verwachting dat activiteiten die niet passen binnen het omgevingsplan of op grond van in het omgevingsplan opgenomen bevoegdheden kunnen worden toegestaan, in beginsel vanuit het belang van  'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit' en vanwege het gemeentelijke omgevingsbeleid ongewenst zullen zijn. Bij het opstarten van een handhavingstraject zal altijd nog een check plaatsvinden of in het concrete geval toch een legalisatie van de activiteit mogelijk is, maar de verwachting is dat dit in de meeste gevallen niet aan de orde zal zijn. Dit betekent dat in de meeste gevallen sprake is van de beginselplicht tot handhaving.

Het uitgangspunt is dat er handhavend wordt opgetreden wanneer de regels van het omgevingsplan niet worden nageleefd. Het achterwege laten van handhaving kan ertoe leiden dat zich ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen voordoen, die negatieve gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Het omgevingsplan in combinatie met een goede handhaving van de vastgestelde regels beschermen de kwaliteiten van het buitengebied en geven ook veel beter sturing aan ontwikkelingen.

Aangezien het omgevingsplan meer kwalitatieve regels bevat en een aantal ontwikkelingen rechtstreeks of met melding mogelijk worden gemaakt, zal het accent bij handhaving veranderen naar handhaving van kwalitatieve normen.

Bijlagen toelichting     

Bijlage 1 Kaders voor omgevingsplan     

Hoofdstuk 1 Wat staat in deze bijlage?     

In 2018 treedt de Omgevingswet (in beginsel) in werking. De gemeente is geïnteresseerd in de mogelijkheid om daarop vooruitlopend een omgevingsplan op te stellen en zo voor te sorteren op het nieuwe wettelijke kader. Door het opstellen van een pilot-omgevingsplan investeert de gemeente in het instrumentarium van de toekomst en de daarbij behorende filosofie, in plaats van het opstellen van een bestemmingsplan dat vlak na de vaststelling (door de inwerkingtreding van de Omgevingswet) als instrument vervalt.

In dit hoofdstuk wordt beschreven wat een omgevingsplan inhoudelijk anders maakt dan een bestemmingsplan. De juridische vertaling van het Boekels beleid in het omgevingsplan komt in hoofdstuk Juridische planbeschrijving aan de orde.

Hoofdstuk 2 Beleidskaders     

2.1 Inleiding     

Vanuit diverse overheidslagen is beleid voor het buitengebied geformuleerd. Deze beleidskaders en de daarin opgenomen randvoorwaarden bepalen mede de beleidsvrijheid die de gemeente heeft bij het opstellen van het omgevingsplan Buitengebied Boekel. De gemeente kan, als daar goede redenen voor zijn, er voor kiezen buiten de door de overheid aangegeven kaders beleid te formuleren. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van het landelijke en provinciale beleid dat relevant is voor het omgevingsplan Buitengebied Boekel.

2.2 Rijksbeleid     

2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)     

De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld. De SVIR vervangt de 'Nota Ruimte', de 'Structuurvisie Randstad 2040', de ' Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak' en de 'Structuurvisie voor de Snelwegomgeving'. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: 'PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen', de 'Agenda Landschap', de 'Agenda Vitaal Platteland' en 'Pieken in de Delta'. De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de structuurvisie formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

verplicht

Legenda

verplicht

Figuur B2.1 Uitsnede Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Voor het plangebied zijn de volgende doelstellingen vanuit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van belang:

  • behoud en versterken van de Ecologische Hoofdstructuur;
  • ruimte bieden voor militaire activiteiten en de werking van radarstations garanderen;
  • verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s;
  • efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • behoud en versterken economisch belang Brainport Zuidoost-Nederland.

2.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)     

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

Voor dit plangebied zijn de volgende doelstellingen vanuit het Barro van belang:

  • de Ecologische Hoofdstructuur, zoals aangewezen in de provinciale verordening;
  • defensie: geluidzones militair vliegveld Volkel, obstakelbeheergebied, bouwbeperkingengebieden, radarverstoringsgebied.

2.2.3 Nationaal Waterplan 2009-2015     

Het Nationaal Waterplan (Ministeries van V&W, VROM en LNV, 2009) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het beschrijft de maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het Nationaal Waterplan bestaat uit een thematische uitwerking en een gebiedsuitwerking. Thema's die behandeld worden zijn: waterveiligheid, watertekort en zoetwatervoorziening, wateroverlast, waterkwaliteit en gebruik van water. Gebiedsuitwerkingen zijn er voor de Kust, Rivieren, IJsselmeergebied, Zuidwestelijke Delta, Randstad, Noordzee, Noord-Nederland en de Waddenzee, Hoog Nederland en het Stedelijk gebied. Op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie.

Voor het plangebied is de gebiedsuitwerking voor hoog Nederland van toepassing. De belangrijkste wateropgaven voor hoog Nederland zijn watertekort, grondwater, wateroverlast en waterkwaliteit.

2.2.4 Omgevingswet (nog niet in werking)     

Door de Omgevingswet wordt het wettelijke kader voor burgers, ondernemers en overheden inzichtelijker en ontwikkeling en beheer van de leefomgeving beter beheersbaar. Onderwerpen die in de nieuwe wet worden geregeld verdwijnen uit de bestaande wetgeving, daartoe worden (delen van) bestaande wetten ingetrokken. De nieuwe wet zal daarmee een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels, wetten en regelingen op het terrein van de fysieke leefomgeving betekenen. De nieuwe wet regelt:

  • het versnellen en verbeteren van besluitvorming in het brede fysieke domein;
  • de integratie van plannen en toetsingskaders;
  • het vergroten van bestuurlijke afwegingsruimte;
  • het doelmatig uitvoeren van onderzoek.

De Omgevingswet omvat een aantal integrale instrumenten als de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. Hierin worden soortgelijke sectorale instrumenten geïntegreerd in één instrument. De omgevingsvisie vervangt de (gebiedsdekkende) structuurvisie voor ruimtelijke ordening, het waterplan, het milieubeleidsplan, het verkeers- en vervoerplan en de ruimtelijke aspecten van de natuurvisie uit de voorziene Wet natuurbescherming. Procedures worden al in de eerste fase geüniformeerd. Het omgevingsplan is een gebiedsdekkend plan voor de leefomgeving. Het vervangt onder meer:

  • bestemmingsplan(nen);
  • algemene plaatselijke verordening(en);
  • bomenverordening;
  • monumentenverordening;
  • reclameverordening.

Het verschil met het bestemmingsplan is dat in het omgevingsplan meer regels kunnen worden opgenomen dan enkel over de bestemming van grond; ook afspraken over natuur en milieu en bijvoorbeeld erfgoed kunnen erin. Gemeenten kunnen het plan zo 'breed' maken, als zij willen: van 'een goede ruimtelijke ordening' tot 'een goede fysieke leefomgeving'.

Op 17 juni 2014 is het wetsvoorstel voor de Omgevingswet naar de Tweede Kamer gestuurd. Zowel de Tweede als de Eerste Kamer moeten het wetsvoorstel goedkeuren. Daarna volgt nog de publicatie in het Staatsblad en wordt er invoeringsregelgeving gemaakt. Naar verwachting treedt de wet in 2018 in werking.

2.3 Provinciaal beleid     

2.3.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening (2014)     

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Belangrijke beleidswijzigingen hebben betrekking op de realisatie van natuur en de transitie naar zorgvuldige veehouderij in Brabant. De structuurvisie is opgebouwd uit 2 delen (A en B) en een uitwerking.

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Die is: 'samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

Deel B bevat de vier provinciale ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied,

de stedelijke structuur en de infrastructuur.

verplicht

Figuur B2.2 Uitsnede Structuurkaart (bron: provincie Noord-Brabant)

De Structuurvisie ruimtelijke ordening is met betrekking tot de volgende onderdelen van belang voor het buitengebied van Boekel:

  • Gemengd landelijk gebied: ruimte voor de aanwezige agrarische functie behouden, versterken en voorkomen dat menging met andere functies leidt tot aantasting van de primaire productiestructuur maar ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etc.;
  • De groenblauwe mantel: bevat belangrijke nevenfuncties voor natuur en water en draagt bij aan de bescherming van de waarden in het gebied;
  • Accentgebied agrarische ontwikkeling: hier ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken;
  • Kerngebied groenblauw: beleid is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten;
  • Zoekgebied verstedelijking: stad en land op een duurzame wijze ontwikkelen;
  • Economisch kenniscluster: ruimtelijk faciliteren van de diverse clusters;
  • Mozaïeklandschap: versterking door menging van functies die de afwisseling en kleinschaligheid versterken.

Gebiedspaspoorten

De provincie geeft haar visie op het landschap vorm in de gebiedspaspoorten. Hierin staat beschreven welke landschapskengedeelte van het plangebied valt in het gebiedspaspoort van de Peelkern. In de gebiedspaspoorten merken op regionaal niveau van belang zijn en hoe deze kunnen worden versterkt. Het westelijke gedeelte van het plangebied valt in het gebiedspaspoort van de Peelrand en het oostelijk staan de kenmerken en ambities van het gebied beschreven.

2.3.2 Verordening ruimte (2014)     

De provincie Noord-Brabant heeft op 7 februari 2014 de Verordening ruimte 2014 (hierna Vr) vastgesteld en recent op 15 juli 2015 nog gewijzigd. In de Vr staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen.

Het omgevingsplan wordt in de geest van het provinciale beleid opgesteld met dien verstande dat de belangrijkste onderdelen van de filosofie van de Omgevingswet (minder regels, verbrede reikwijdte) niet tekort wordt gedaan.

De onderwerpen die in de verordening staan komen voort uit de provinciale structuurvisie. Belangrijke onderwerpen in de Vr zijn:

  • ruimtelijke kwaliteit;
  • stedelijke ontwikkelingen;
  • natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
  • agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
  • overige ontwikkelingen in het buitengebied.

De Vr 2014 is met betrekking tot de volgende onderdelen van belang voor het buitengebied van Boekel:

  • het beleid en de toegestane ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderijen in Brabant zijn ingrijpend gewijzigd: uitbreiding van bedrijven is geen recht maar moet 'verdiend' worden door te voldoen aan de eisen van een zorgvuldige veehouderij (zie Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij);
  • voor de toelaatbare ontwikkelingen bij agrarische bedrijven is verder van belang dat binnen de provincie gebieden zijn aangewezen als groenblauwe mantel, ecologische hoofdstructuur of gemengd landelijk gebied en dat er gebieden zijn aangewezen met beperkingen veehouderij.

verplicht

Figuur B2.3 Uitsnede integrale plankaart met structuren en aanduidingen uit de Verordening ruimte 2014 (bron: provincie Noord-Brabant)

Groenblauwe mantel

Het beleid voor de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel biedt tevens ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. In de Vr zijn regels opgenomen voor diverse soorten bedrijven die in de groenblauwe mantel zijn gevestigd. Hieronder zijn de voor het omgevingsplan meest relevante onderdelen beschreven.

Veehouderijen

Er wordt alleen nog ontwikkelruimte geboden aan veehouderijen als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. In de groenblauwe mantel kan onder voorwaarden voorzien worden in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij. Tevens staan er in de Vr afwijkende en rechtstreeks werkende (zolang de huidige bestemmingsplannen niet zijn aangepast) regels voor veehouderijen.

Wonen

Binnen de groenblauwe mantel is de nieuwbouw van bedrijfs- of burgerwoningen of solitaire recreatiewoningen in het buitengebied uitgesloten en is er een gebruiksverbod voor zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen. Deze regeling is bedoeld om te voorkomen dat zelfstandige woningen ontstaan die als afzonderlijke woonfuncties op de markt aangeboden kunnen worden. Er zijn wel een aantal uitzonderingen op deze regels. Zo is het mogelijk om onder voorwaarden een eerste bedrijfswoning, vervangende bouw of splitsing/vestiging van een of meer woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te realiseren. Tevens is er een regeling in de Vr opgenomen waarbij bestemmingswijziging van een voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning onder voorwaarden mogelijk is.

Niet agrarische functies In de VR staat dat de vestiging van een niet agrarische functie anders dan woningen, ruimte voor ruimte woningen en landgoederen onder voorwaarden mogelijk is. Belangrijk hierbij is dat een eventuele ontwikkeling niet mag leiden tot een grootschalige voorziening. Nieuwe grootschalige voorzieningen zijn vanwege de daarmee gepaard gaande verkeerseffecten in beginsel niet gewenst in het buitengebied. Voor bestaande niet agrarische functies biedt de verordening onder voorwaarden ruimte voor uitbreiding. In de Vr zijn tevens afwijkende regels opgenomen voor recreatiebedrijven, horecabedrijven, maatschappelijke voorzieningen en tuincentra.

Gemengd landelijk gebied

Het beleid voor het gemengd landelijk gebied is gericht op het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Ook hier is de transitie naar een zorgvuldige veehouderij van belang. In de Vr wordt in het gemengd landelijk gebied onderscheid gemaakt tussen een gemengde plattelandseconomie en de agrarische economie. Hieronder zijn de voor het omgevingsplan meest relevante onderdelen beschreven.

Veehouderijen

Voor het beleid voor veehouderijen is het onderscheid tussen groenblauwe mantel en gemengd landelijk gebied niet van belang, de toelaatbare ontwikkelingen zijn identiek.



Echter zijn er in de gemeente Boekel binnen het gemengd landelijk gebied gebieden aangewezen als beperkingen veehouderij. Binnen deze gebieden zijn de mogelijkheden voor de vestiging, uitbreiding en omschakeling ten behoeve van een veehouderij beperkt tot de grondgebonden veehouderijen.



Wonen

De regels met betrekking tot nieuwbouw van woningen of solitaire recreatiewoningen zijn hoofdzakelijk gelijk aan de regels zoals genoemd in de groenblauwe mantel.

Niet agrarische functies

In de Vr staat dat de vestiging van een niet agrarische functie anders dan woningen, ruimte voor ruimte woningen en landgoederen onder voorwaarden mogelijk is. Tevens zijn er afwijkende regels voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven, mestbewerking, recreatieve bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en tuincentra.

Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij (BZV)

Gedeputeerde Staten hebben op 18 februari 2014 de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij (hierna BZV) vastgesteld. De BZV is 19 maart 2014 in werking getreden tegelijk met de Verordening ruimte 2014. De BZV is een instrument dat stuurt en stimuleert dat een veehouderij zorgvuldig is en daarmee goed past in haar omgeving en is gebaseerd op de denklijn dat ontwikkelruimte verdiend moet worden, maar niet onbegrensd is. De BZV kijkt naar de thema's gezondheid, dierenwelzijn, geur, fijnstof, endotoxines, ammoniak, biodiversiteit, mineralenkringlopen en verbinding met de omgeving.

Een veehouder kan met zijn bedrijf punten verdienen als hij duurzamer werkt dan de geldende wet- en regelgeving eisen. De BZV is continu in beweging en wordt geregeld geactualiseerd.

2.4 Gemeentelijk beleid     

2.4.1 Structuurvisie Boekel 2011     

In de structuurvisie Boekel 2011 wordt het ruimtelijke toekomstperspectief voor de gemeente Boekel voor (middel)lange termijn geschetst. De structuurvisie bestaat uit twee onderdelen die nauw met elkaar verbonden zijn.

Deel A - Ruimtelijke Casco, hierin wordt de visie voor het gemeentelijk grondgebied geformuleerd. Dit wordt gebruikt als inspiratie- en toetsingskader voor concretere projecten en plannen. Op onderstaand figuur wordt de visie voor het gemeentelijke grondgebied weergegeven

verplicht

Figuur B2.4 Kaart Ruimtelijk Casco (bron: gemeente Boekel)

Deel B - Projectenplan, hierin worden de concretere projecten/doelstellingen voor korte en middellange termijn opgenomen die de gemeente komende jaren richting uitvoering wil brengen.

2.4.2 Vitaal Buitengebied Boekel     

In februari 2013 heeft de gemeenteraad van Boekel de beleidsvisie 'Vitaal Buitengebied Boekel' vastgesteld. Dit beleid is een verdere uitwerking van de structuurvisie uit 2011. De beleidsvisie gaat uit van ontwikkelingsruimte voor nieuwe (niet per se aan het buitengebied gebonden) functies in het buitengebied, mits dit tot kwaliteitsverbetering van dat buitengebied leidt. Deze meerwaarde of maatschappelijke winst hoeft niet per se in een fysieke vorm, zoals sloop van stallen of erfbeplanting gerealiseerd te worden. Meerwaarde kan ook meer gevoelsmatige vorm krijgen. Gedacht kan worden aan extra werkgelegenheid en verbetering van het woon- of leefklimaat.

'Vitaal Buitengebied Boekel' bestaat uit drie delen. In deel 1 van de visie 'Strategie' bevat de strategie van de visie; een uitwerking van de structuurvisie Boekel richting een vitaal en kwalitatief aantrekkelijk Boekel. In de strategie komen de achterliggende gedachte, de 4 principes van de gewenste kwaliteit en de werkwijze bij de uitvoering aan de orde. Deel 2 'Kwaliteitsgids' beschrijft de fysieke kenmerken van het landschap en geeft richtlijnen voor ontwikkelingen om dat landschap te gebruiken en te versterken. In deel 3 'Waardering' worden de waarderingen van bestaande en nieuwe functies getalsmatig benoemd.

Vitaal Buitengebied Boekel, strategie (deel 1)

In 'Vitaal Buitengebied Boekel' worden vier ordeningsprincipes gehanteerd, namelijk:

  • zonering prioritaire functies;
  • bijdragen aan de kwaliteit van het landschap;
  • zonering dynamiek-luwte-rust;
  • behoud van de balans.

Zonering van prioritaire functies

De zonering van prioritaire functies in de daarvoor aangewezen gebieden is gebaseerd op de structuurvisie. De zonering betekent niet dat andere functies taboe zijn, maar wel dat de prioritaire functies niet belemmerd mogen worden. De prioritaire functies zijn lintbebouwing/buurtschap, open agrarisch landschap, agrarisch landschap, landbouwontwikkelingsgebieden (LOG), versterking boslandschap, beekdal en woonwerklandschap.

 

verplicht

Figuur B2.5 Zonering

Lintbebouwing/buurtschap

  • dienen hun solitaire karakter te behouden;
  • in principe alleen vervangende nieuwbouw toegestaan;
  • verdichting van of functiewijzigingen zijn in bepaalde gevallen toegestaan, hierbij moet ruimtelijke kwaliteitswinst optreden.

Open agrarisch landschap

  • verdichting van het landschap voorkomen;
  • kans ontwikkeling landbouw (extensieve vormen zoals verschillende vormen van akkerbouw, boomteelt, tuinbouw, fruitteelt en grasland);
  • geen extra uitbreidingsmogelijkheden intensieve veehouderijen;
  • mogelijkheid voor bedrijven kleiner dan 1,5 ha door te groeien naar 1,5 ha (onder voorwaarden);
  • extensieve veehouderijen krijgen ruimte om uit te breiden;
  • nieuwe veehouderijen niet toegestaan;
  • vrijkomende gronden worden voornamelijk aangewend voor de groei van duurzame bedrijven
  • streven is om meer recreatieve routes te realiseren.

Agrarisch landschap

  • streven naar behoud agrarisch gebruik;
  • bestaande agrarische bedrijven kunnen uitbreiden;
  • ontwikkelingskansen voor nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven;
  • agrariërs mogen activiteiten verbreden (kamperen bij de boer, stallen van caravans, boerengolf en andere kleinschalige recreatieve activiteiten);
  • bij waterlopen ruimte creëren voor natuurontwikkeling en eventueel recreatief medegebruik.

met Landbouwontwikkelingsgebieden (LOG) (thans niet meer relevant)

  • ontwikkeling duurzame intensieve veehouderij;
  • uitbreiding en herplaatsing van intensieve veehouderij is toegestaan.

Versterking boslandschap

  • intensieve vormen van gebruik en bebouwing (woningbouw, bedrijventerreinontwikkeling, intensieve landbouwvormen en dergelijke zijn uitgesloten);
  • mogelijkheid om het bestaande boslandschap te versterken en uit te breiden;
  • bestaande recreatievoorzieningen krijgen de mogelijkheid om zicht te versterken, mits dit in combinatie gaat met bos- of natuurontwikkeling;
  • nieuwvestiging van recreatieve voorzieningen is mogelijk mits sprake is van extensieve recreatie, intensieve recreatie is niet gewenst.

Beekdal

  • nieuwvestiging van bedrijven niet toegestaan;
  • verplaatsing van bedrijven (die geen grasland nodig hebben) uit het beekdal wordt gestimuleerd;
  • agrariërs die reeds in het beekdal gevestigd zijn krijgen ruimte voor ontwikkeling binnen de randvoorwaarden uit 'Ontwikkelingsplan Beekdal de Leijgraaf';
  • plattelandsverbreding en de recreatieve functie (recreatieve routes en kleinschalige verblijfsrecreatie) worden gestimuleerd.

Woonwerklandschap

  • marginale ontwikkelingen zijn mogelijk (bijvoorbeeld toevoegen van nieuwe woningen, eventueel in combinatie met kleinschalige bedrijvigheid en ontwikkeling van kleinschalige recreatie en agro-toerisme in combinatie met verbetering van recreatieve routes);
  • ontwikkeling is aan voorwaarden gebonden;
  • nieuwe locaties dienen win-win situaties op te leveren voor landschap en leefbaarheid.

Bijdragen aan de kwaliteit van het landschap

Op welke manier er moet worden bijgedragen aan de kwaliteit van het landschap is weergegeven in

'Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids'. De versterking van de kwaliteit van het landschap vindt bij voorkeur plaats op de locatie zelf. In sommige gevallen is het niet of onvoldoende mogelijk om dit op de locatie zelf te realiseren, een mogelijkheid is dan om een bedrag te storten in een gemeentelijk fonds. In beginsel moet de bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit op de locatie zelf plaatsvinden, het is niet mogelijk om de tegenpresentatie te beperken tot een storting in het fonds.

Dynamiek, luwte en rust

Het derde ordeningsprincipe is het onderscheid tussen:

Dynamisch: woonwerklandschap en lintbebouwing/buurtschap.

Hier is in eerste instantie ruimte voor functies met een meer stedelijk karakter en het daarbij behorende intensiever gebruik en activiteitenpatroon.



Luw: het agrarische landschap, open agrarisch landschap en beekdal.

Hier worden meer beperkingen gesteld aan de aard van de vormen van gebruik als het gaat om verkeersaantrekking, intensiteit van gebruik en verstoring van de primaire functie van het gebied als productielandschap.



Rust: het boslandschap. 

Hier is geen ruimte voor ontwikkelingen die de natuur verstoren. Vormen van gebruik zullen dus afgewogen moeten worden tegen de achtergrond van het natuurbelang en de mate waarin zij bijdragen aan de instandhouding en ontwikkeling van deze waarden.

Behoud van de balans

Voorkomen moet worden dat de verruiming van de ontwikkelingsmogelijkheden in het buitengebied ten koste gaat van de kwaliteit, leefbaarheid en het voorzieningenniveau in de dorpen en buurtschappen. Initiatieven zullen getoetst worden op de mate waarin zij enerzijds bijdragen aan de kwaliteit en sociaal economische ontwikkeling van ons landelijk gebied maar tevens op de mate waarin zij mogelijk de leefbaarheid en het daarvoor benodigde voorzieningenniveau in onze dorpen verstoort.

Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids (deel 2)

De kwaliteiten van het buitengebied van Boekel worden beschreven aan de hand van landschappelijke deelgebieden. De deelgebieden zijn beekdal- en broekontginningenlandschap, kampenlandschap met enken en peelontginningenlandschap. In deze gebieden betreffen de ontwikkelingsmogelijkheden vooral initiatieven binnen bestaande (agrarische) erven. Alle ontwikkelingen dienen bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit betekent een goede samenhang tussen bebouwing en landschap. Naast de beschrijving van de kwaliteiten van de 3 deelgebieden bevat het rapport ook een beschrijving van de kwaliteiten van de 17 buurtschappen in Boekel ('de parels van Boekel').

verplicht

 

Figuur B2.6 Landschappelijke deelgebieden (bron: Vitaal Buitengebied Boekel)

Beekdal- en broekontginningenlandschap

Nieuwe ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het behouden en/of versterken van de landschapskarakteristieken: relatieve openheid, een rationele (stroken)verkaveling, rechtlijnige landschapselementen en het natte karakter. Behoud/versterking van openheid rondom waterlopen, zichtbaarheid van waterloop vergroten door begeleiding met wilgen en kansen benutten voor (natte) natuurontwikkeling (bijv. rietkragen) zijn voor dit type landschap van belang. Nieuwe ontwikkelingen in het beekdalontginningenlandschap dienen tevens recht te doen aan de openheid in het beekdal.

De karakteristieken van dit landschap bieden potentie voor een mix van functies. Vooral voor (natte) natuurontwikkeling en daaraan gerelateerde functies (zoals recreatieve en biologische functies) biedt dit landschap uitstekende mogelijkheden.

Een functionele inrichting van het erf past bij de eigenschappen van het landschap. Een rijk beplant voorerf (woonzone) aan het lint en het bedrijfskavel daarachter. De woonzone kent een groene inrichting met een moestuin of boomgaard, hagen en of solitaire (monumentale) bomen. Het bedrijfskavel is landschappelijke ingepast. De bebouwing mag gezien worden, maar dient niet beeldbepalend te zijn. Een bomenrij of houtsingel haaks op het ontginningslint (veelal de lange zijde van het erf), kan al voldoende zijn.

Kampenlandschap met enken

Nieuwe ontwikkelingen in het kampenlandschap met enken dienen bij te dragen aan het behouden en/of versterken van de landschapskarakteristieken: kleinschaligheid, een grillige verkaveling, aaneengesloten beplantingselementen en open enken. Daarnaast is het behoud/bescherming van zichtlijnen en oude (historische) structuren, zoals zandpaden en steilranden en kansen benutten voor akkerrandbeheer (kruidenrijke rand) van belang. De karakteristieken van dit landschap bieden een aangename omgeving voor diverse functies.

Een goede landschappelijke inpassing van het erf betekent een ondergeschikte positie binnen het landschappelijke raamwerk. De bebouwing mag gezien worden, maar is ondergeschikt aan aaneengesloten landschapsstructuren.

Het erf dient dan ook rijk beplant te zijn en verbonden met het landschap door houtwallen-/singels, bomenrijen, bomengroepen en/of boomgaard. Rondom de open enken dienen de erven een besloten uitstraling te hebben en aan te sluiten bij het karakter van een groene rand. Hierbij worden bij voorkeur bomengroepen en/of boscomplexjes gebruikt.

Peelontginningenlandschap

Nieuwe ontwikkelingen bij jonge ontginningen dienen bij te dragen aan het behouden en/of versterken van de landschapskarakteristieken: openheid, rationele verkaveling en bomenlanen. Behoud/bescherming van oude restanten van woeste gronden en bosjes is belangrijk. Bij bosrijke ontginningen gelden dezelfde richtlijnen als onder jonge ontginningen, met de aanvulling dat nieuwe ontwikkelingen recht dienen te doen aan de variatie van open en besloten ruimten.

Een functionele inrichting van het erf past bij de eigenschappen van het landschap van jonge ontginningen. Een rijk beplant voorerf (woonzone) aan het lint en het bedrijfskavel daarachter. De bedrijfsgebouwen blijven daardoor op afstand van het lint. De bebouwing mag gezien worden, maar dient niet beeldbepalend te zijn. Een bomenrij of houtsingel haaks op het ontginningslint (veelal de lange zijde van het erf), kan al voldoende zijn. De woonzone kent een groene inrichting met een moestuin of boomgaard, hagen en of solitaire (monumentale) bomen.

De groene uitstraling van het bosrijke ontginningenlandschap vraagt om een andere soort erfbeplanting. Hierbij wordt ingezet op een rijke erfbeplanting met bomengroepen en houtwallen/-singels.

Buurtschappen

Van elk van de buurtschappen is een ruimtelijke analyse gemaakt van de opbouw van het buurtschap en de kwaliteiten of diskwaliteiten. In de kwaliteitsgids wordt daarnaast voor elk van de 17 buurtschappen ook een visie gepresenteerd waarin de gewenste ontwikkelingsruimte, ontwikkelingsrichting alsmede de gewenste kwaliteiten en waarden zijn beschreven.

verplicht

Figuur B2.7 Voorbeeld buurtschap Volkelseweg

Vitaal Buitengebied Boekel, waardering (deel 3)

'Vitaal Buitengebied Boekel' is gestoeld op het principe dat ontwikkelingen mogelijk zijn mits er een bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteit van het landschap (strategie). Op welke manier er moet worden bijgedragen aan de kwaliteit van het landschap is weergegeven in de kwaliteitsgids.

De versterking van de kwaliteit van het landschap vindt bij voorkeur plaats op de locatie zelf. In sommige gevallen is het niet of onvoldoende mogelijk om dit op de locatie zelf te realiseren, een mogelijkheid is dan om een bedrag te storten in een gemeentelijk fonds. In beginsel moet de bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit op de locatie zelf plaatsvinden, het is niet mogelijk om de tegenpresentatie te beperken tot een storting in het fonds. Deel 3, waardering bevat de uitgangspunten voor de berekening van deze tegenprestatie.

Samenvattend

De beleidsvisie 'Vitaal Buitengebied Boekel' zal in het omgevingsplan opgenomen worden. Deel 1 'Strategie' zal hierbij het uitgangspunt zijn voor ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het omgevingsplan, deel 2 'Kwaliteitsgids' is bepalend voor de beantwoording van de vraag of een ontwikkeling een ruimtelijke meerwaarde kan zijn voor een deelgebied en deel 3 'Waardering' bepaalt samen met het omgevingsplan wat een eventuele verdergaande tegenprestatie moet zijn.

2.4.3 Naar een verantwoorde veehouderij Boekel (2015)     

In de notitie 'Naar een verantwoorde veehouderij in Boekel Een economisch perspectief met maatschappelijk draagvlak, januari 2015' zijn de volgende instrumenten en maatregelen genoemd die de gemeente heeft om te werken aan een verantwoorde veehouderij. Hierbij gaat het niet alleen om de veehouders en de gevolgen voor de omgeving daarvan, maar ook om samenhangende functies en bedrijven, (bedrijfs)continuïteit en economisch perspectief.

  • Het terugdringen van concrete overlast vanwege de veehouderij

    Hierin gaat het over maatregelen die de wetgever zou kunnen nemen. Zoals het aanpassen van de milieuwetgeving als het gaat om stalsystemen, interne saldering en de 50%-regeling.
  • Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderijen (BZV)

    In de provinciale Vr is de BZV verplicht gesteld voor uitbreidingen van veehouderijen. Met de BZV is geregeld dat alle ontwikkelingen in de veehouderij gepaard gaan met kwaliteitsverbetering. De toetsing van de BZV bij omgevingsvergunningen ligt bij de gemeente.
  • Dialoog veehouder met omgeving

    Een veehouder heeft de verplichting om in gesprek te gaan met de omgeving. De omgeving mag zijn ideeën en wensen aan de ondernemer meegeven, maar kan niets afdwingen.
  • Bouwvolume en bouwblok

    In de Vr is door de provincie de maatvoering voor de veehouderij begrensd op een bouwvlak van maximaal 1,5 ha. Gemeenten kunnen eventueel ook niet gebruikte bouwblokken innemen bij een herziening van het bestemmingsplan. Mits dit zorgvuldig en vooraf aangekondigd gebeurt, hoeft dit ook niet tot planschade te leiden.
  • Geurgebiedsvisie en –verordening

    De gemeente Boekel heeft in 2012 de geurgebiedsvisie en –verordening vastgesteld. Hierin zijn de geurnormen aangescherpt voor de hele gemeente. De gemeente kan deze geurnormen op grond van veranderde inzichten of beleid wederom aanpassen.
  • Gebiedsprofilering- structuurvisie Boekel

    Binnen Boekel zijn nog geen gebiedsprofielen opgesteld. Voor het opstellen van gebiedsprofielen is relevant welke functie aan een gebied is gegeven. De primaire functie bepaalt mede of wordt ingezet op sanering van burgers in primair agrarisch gebied of dat de veehouderij op slot wordt gezet of gesaneerd in bijvoorbeeld de bebouwingsclusters. De Structuurvisie geeft daarmee in principe al een verdere uitwerking van te nemen maatregelen.
  • Economisch perspectief – Vitaal Buitengebied

    De gemeente Boekel heeft met de beleidsvisie 'Vitaal Buitengebied Boekel' meer mogelijkheden in het ruimtelijke spoor gecreëerd. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk, mits ze tot kwaliteitsverbetering leiden.
  • Mestbeleid

    Het mestbeleid wordt in eerste instantie op landelijk (en Europees) niveau bepaald. De gemeente heeft daar een zeer beperkte rol in. Het Nederlandse mestbeleid is eind 2013 aangepast. De belangrijkste maatregelen om het mestoverschot op te heffen zijn:
    1. veehouderij en diervoederproducenten verminderen gezamenlijk de hoeveelheid fosfaat in het voer (bronmaatregel);
    2. veehouders moeten hun mestoverschot laten verwerken (end-of-pipe);
    3. mest kan worden bewerkt voor de export (end-of-pipe);

In Boekel is sprake van een mestoverschot. Er wordt meer mest geproduceerd dan de boeren op Boekelse grond kwijt kunnen. Be- en verwerking van mest is niet zonder meer mogelijk op basis van de Vr.

  • Gezondheid

    In de BZV zullen de gezondheidsrisico's voor omwonenden op termijn vermoedelijk ook een plaats krijgen. Gezondheid komt dan terug in de vorm van de milieuaspecten geur, fijnstof en ook beleving. Daarnaast wordt op provinciaal en landelijk niveau vooral ingezet op kennis- en expertiseontwikkeling op het gebied gezondheid en veehouderij. Er lijkt wel enig concreet zicht te zijn op een rol van gezondheid in de ruimtelijke afweging: het bestemmingsplan dus door middel van de gezondheidseffectscan (GES).
  • Omgevingswet

    De Omgevingswet biedt mogelijkheden om gezondheid mee te nemen in de besluitvorming. Er is dan immers niet meer sprake van een goede ruimtelijke ordening maar van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

2.4.4 Strategische visie 2025     

Om de huidige kwaliteiten van de gemeente Boekel te behouden voor de toekomst is er een toekomstvisie opgesteld. Deze visie fungeert als een leidraad bij toekomstige beslissingen en is een richtsnoer bij projecten. In de visie wordt beschreven hoe de gemeente er in 2025 uit wil zien, hiervoor zijn er vijftal speerpunten opgesteld. De speerpunten zijn regievoerende organisatie, woningbouw, leefbaarheid, sociaal/economische ontwikkeling en integrale beleidsvorming.

2.4.5 Gebiedsvisie Groene Ladder     

De Gebiedsvisie Groene Ladder is op 15 december 2011 vastgesteld door de gemeenteraad en vormt als toekomstvisie voor de gemeente een kader om ontwikkelingen te toetsen en te sturen. De visie betreft een smalle boszone tussen Boekel en Gemert waarin functies als natuur, landbouw, wonen en recreatie elkaar ontmoeten. Voorop staat dat bij nieuwe ontwikkelingen meerwaarde moet ontstaan voor de natuur, de economie en het leefklimaat. Daarnaast moet er aansluiting zijn bij de identiteit van het gebied. Gezocht wordt naar een combinatie van functies die elkaar kunnen versterken.

2.4.6 Geurverordening en gebiedsvisie     

Op 13 december 2012 heeft de gemeenteraad de Geurverordening en Geurgebiedsvisie vastgesteld. In de gemeentelijke Geurverordening zijn van de wet afwijkende geurnormen vastgelegd. Vergunningsaanvragen voor veehouderijen dienen getoetst te worden aan deze geurnormen. Met behulp van deze nieuwe, veelal strengere geurnormen worden overbelaste geursituaties op langere termijn ontlast en een acceptabel woon- en leefklimaat voor zo veel mogelijk Boekelse inwoners mogelijk gemaakt. In de Geurgebiedsvisie wordt uitgegaan van deelgebied. De deelgebieden zijn: woonkernen Boekel en Venhorst, woongebied Huize Padua, Kernrandzone Boekel, Venhorst en Huize Padua, Woonwerklandschap, Bedrijventerreinen, Buitengebied en Landbouwontwikkelingsgebieden. Deze gebiedsindeling is gekoppeld aan een voorstel voor een maximaal acceptabel hinderniveau en de bijbehorende geurbelasting.

Hoofdstuk 3 Kaders vanuit omgevingsaspecten     

3.1 Geurhinder agrarische bedrijven     

Toetsingskader

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel.

Tabel B3.1 Overzicht geurnormen Wgv

verplicht

Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van 100 m binnen de bebouwde kom en 50 m buiten de bebouwde kom.

Voor pelsdieren gelden afstandseisen, waarbij de minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom afhankelijk is van het aantal fokteven. De minimaal aan te houden afstand tot objecten binnen de bebouwde kom loopt op van 175 m tot 275 m. De minimaal aan te houden afstand tot objecten buiten de bebouwde kom loopt op van 100 m tot 200 m.

Gemeentelijke geurverordening

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. De gemeente Boekel heeft eind 2012 de Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. In dat kader is een geurgebiedsvisie opgesteld. In de verordening zijn de volgende geurnormen voor de intensieve veehouderij vastgelegd (maximale voorgrond geurbelasting):

  • 3 ouE/m³ op geurgevoelige objecten/woningen in de woonkernen Boekel en Venhorst en het woongebied Huize Padua;
  • 7 ouE/m³ op geurgevoelige objecten/woningen in de kernrandzones, in het woonwerklandschap en op de bedrijventerreinen;
  • 10 ouE/m³ op geurgevoelige objecten/woningen in het buitengebied (inclusief de LOG's).

verplicht

Figuur B3.1 Gebiedsindeling en normering gemeentelijke Verordening geurhinder en veehouderij

Daarnaast zijn in de verordening formules vastgelegd om de aan te houden vaste afstanden tussen nertsenhouderijen en geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom te bepalen.

Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

Provinciale Verordening ruimte (Vr)

De Wgv, de gemeentelijke geurverordening en het Activiteitenbesluit stellen eisen aan de maximaal optredende voorgrondbelasting (als gevolg van een individuele veehouderij). Voor de achtergrondbelasting (de cumulatieve geurbelasting door de bedrijven in een bepaald gebied) gelden op grond van de Wet geurhinder en veehouderij geen wettelijke normen. In de Vr zijn echter wel maximaal toegestane geurbelastingen vastgelegd. Deze voorwaarden uit de Vr (kans op geurhinder in de bebouwde kom niet hoger dan 12% en in het buitengebied niet hoger dan 20%) vormen het vertrekpunt voor het onderzoek geurhinder. Bij een achtergrondbelasting van 10 ouE/m³ is sprake van 12% kans op geurhinder en bij een achtergrondbelasting van 20 ouE/m³ is sprake van 20% kans op geurhinder. In de Vr is vastgelegd dat in situaties waarin reeds sprake is van overbelasting, maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting ('welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert').

Het omgevingsplan

De gemeentelijke geurverordening is geïntegreerd in het omgevingsplan en vormt het toetsingskader voor de voorgrondbelasting bij toekomstige initiatieven.

Het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor de achtergrondbelasting. In het planMER is ingegaan op de optredende achtergrondconcentraties, de daarmee samenhangende gezondheidseffecten en de wijze waarop hiermee kan worden omgegaan in het omgevingsplan. Vanwege de gevolgen voor het woon- en leefklimaat vindt de gemeente Boekel het opvullen van ruimte binnen de normen voor de achtergrondbelasting (zoals opgenomen in de VR2014) onwenselijk. In de regels van het omgevingsplan zijn voorwaarden opgenomen om een verhoging van de achtergrondbelasting te voorkomen.

Daarnaast wil de gemeente dat initiatieven in reeds overbelaste situaties een bijdrage leveren aan het beperken van de achtergrondbelasting. Ook de VR2014 stelt aanvullende eisen aan de uitbreiding van veehouderijen wanneer sprake is van een overschrijding van de normen voor de achtergrondbelasting. In overbelaste situaties wordt in lijn met de systematiek uit de VR2014 een extra inspanning geëist., die moet leiden tot een 'proportionele bijdrage' van een veehouderij aan de afname van een overbelaste situatie. Wat precies 'proportioneel' is, hangt af van de voorgrondbelasting en de bijdrage van de overige veehouderijen in de omgeving. Als aanvullende voorwaarde wordt in het omgevingsplan vastgelegd dat de totale geuremissie op bedrijfsniveau bij nieuwe veehouderij-initiatieven minimaal 10% moet afnemen.

Als aanscherping van de normen uit de VR2014 (zie beschrijving toetsingskader) is voor de kernrandzones vastgelegd dat bij een achtergrondbelasting boven de 14 ouE/m³ sprake is van een overbelaste situatie (dat is conform de uitgangspunten uit de gemeentelijke gebiedsvisie die ten grondslag ligt aan de gemeentelijke verordening geurhinder en veehouderij).

Conclusie

Het omgevingsplan voldoet aan de geldende toetsingskaders. Bovenop de geldende normen stelt het omgevingsplan aanvullende voorwaarden aan nieuwe veehouderij-initiatieven om een verdere toename van de geurbelasting en daarmee samenhangende (gezondheids)effecten te voorkomen en waar nodig een verlaging van de achtergrondbelasting te realiseren. Met de verbrede reikwijdte is ook de gemeentelijke Verordening geurhinder en veehouderij opgenomen in het omgevingsplan.

3.2 Luchtkwaliteit     

Toetsingskader

Wet milieubeheer

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen 2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang en rond veehouderijen uitsluitend de grenswaarden voor fijn stof. De grenswaarden zijn in tabel B3.2 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Tabel B3.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wlk

verplicht

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).

Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een uitwerkingsplan) uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.

Provinciale Verordening ruimte 2014

In de Vr is vastgelegd dat bij nieuwe veehouderij-initiatieven is aangetoond dat 'de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³'.

Het omgevingsplan

In het planMER is ingegaan op de mogelijke gevolgen van het omgevingsplan voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Gezien de concentraties in de referentiesituatie, de voorwaarden die zijn verbonden aan nieuwe veehouderij-initiatieven (o.a. de norm van maximaal 31,2 µg/m³ fijn stof op gevoelige objecten) en ook aan andere ontwikkelingen (beperkingen aan de verkeersaantrekkende werking), leidt de ontwikkelingsruimte en flexibiliteit uit het omgevingsplan niet tot overschrijdingssituaties.

Conclusie

Het omgevingsplan voldoet aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Waar nodig vindt in het kader van concrete initiatieven een nadere toetsing plaats (bijvoorbeeld om aan te tonen dat bij veehouderij-ontwikkelingen wordt voldaan aan de norm van 31,2 µg/m³ fijn stof op gevoelige objecten).

3.3 Externe veiligheid     

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) bevat de wet- en regelgeving voor het transport van gevaarlijke stoffen. De concrete uitwerking is vastgelegd in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. 

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.  In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden (het gebied waarin bij het realiseren van kwetsbare objecten rekening gehouden dient te worden met de effecten van een plasbrand) benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

Het omgevingsplan

Binnen het plangebied en in de omgeving daarvan zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Voor een overzicht wordt verwezen naar de paragraaf externe veiligheid in het planMER. Nieuwe Bevi-inrichtingen worden niet toegestaan.

In het omgevingsplan is vastgelegd dat geen nieuwe kwetsbare of beperkt-kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd binnen een PR 10-6 contour. Daarnaast dient bij ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

Conclusie

Met de voorwaarden zoals vastgelegd in het omgevingsplan is geborgd dat nieuwe ontwikkelingen passen binnen de geldende toetsingskaders voor externe veiligheid. Verdere toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief.

3.4 Hoogspanningsverbinding     

Toetsingskader

Het Ministerie van VROM (inmiddels Ministerie van Infrastructuur en Milieu geheten) heeft in 2005 advies uitgebracht aan gemeenten en provincies over het omgaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van bovengrondse hoogspanningsleidingen. Zij adviseert om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de 0,4 microtesla zone rond een hoogspanningslijn. Aanleiding voor dit rijksbeleid voor hoogspanningsleidingen vormen mogelijke gezondheidsrisico's bij langdurige blootstelling van kinderen aan elektromagnetische velden.

Het omgevingsplan

Het meest westelijke deel van het buitengebied van de gemeente Boekel wordt van noord naar zuid doorsneden door een hoogspanningsverbinding. Het betreft een 150 kV-verbinding. De verbinding heeft een (indicatieve) magneetveldzone van 80 m aan weerszijden. Het omgevingsplan biedt nauwelijks tot geen nieuwe bouwmogelijkheden binnen de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningsverbinding. Er is slechts sprake van 1 bestaand bouwvlak binnen de zone. Nieuwvestiging van functies waar kinderen langdurig kunnen verblijven wordt in dit deel van het plangebied niet mogelijk gemaakt.

Conclusie

Het omgevingsplan biedt geen mogelijkheden voor nieuwe gevoelige functies binnen de magneetveldzone van de aanwezige hoogspanningsverbinding.

3.5 Vliegveld Volkel     

Toetsingskader

In de aangrenzende gemeente Uden is vliegveld Volkel gelegen. Op 1 november 2015 is het Luchthavenbesluit vliegveld Volkel in werking getreden. In dit luchthavenbesluit zijn vastgelegd:

  • het luchthavengebied;
  • het beperkingengebied; dit gebied bestaat uit:
    1. het gebied gelegen binnen de grenswaarde van geluidsbelasting van 35 Ke;
    2. het gebied met hoogtebeperkingen (vliegfunnel en IHCS, ILS);
    3. het gebied met gebruiksbeperkingen (om aantrekking van vogels te voorkomen).

Op vliegveld Volkel zijn tevens bepalingen uit Barro en Rarro van toepassing. Het betreft regels omtrent toelaatbare radarverstoring.

Het omgevingsplan

Het plangebied is niet in het luchthavengebied gelegen. Wel dient binnen (delen van) het plangebied rekening te worden gehouden met het beperkingengebied als gevolg van het vliegveld Volkel.

Momenteel (januari 2015) zijn er nog geen actuele digitale bestanden van het recente luchtvaartbesluit voorhanden. Deze paragraaf zal in de ontwerpfase van het omgevingsplan nog met actuele informatie en kaartmateriaal worden aangevuld.

Geluidsbelasting 35 Ke

Een klein gedeelte van het plangebied is binnen de 35 Ke-grens. Binnen deze grens mogen geen nieuwe geluidgevoelige objecten worden toegestaan Deze voorwaarde is toegevoegd aan de relevante afwijkings- en delegatiebevoegdheden.

Vliegfunnel en IHCS

Het plangebied is gedeeltelijk in de obstakelvrije zones van vliegfunnel en IHCS gelegen. In deze gebieden gelden maximale bebouwingshoogte voor obstakels van 64 m + NAP (in het horizontale vlak; lichtblauw) oplopend tot xx + NAP.

ILS

Een gedeelte van het plangebied is tevens in het ILS gelegen. Ook hier gelden maximale bebouwingshoogte voor obstakels van xx m + NAP oplopend tot xx m + NAP.

Vogelbeheersgebied

Een relatief groot gedeelte van het plangebied ligt in het vogelbeheersgebied. Activiteiten die vogels aantrekken (zoals bijvoorbeeld viskwekerijen in open bassins) zijn hier niet toegestaan.

Radarverstoringsgebied

Het gehele plangebied ligt in het radarverstoringsgebied. De maximale bebouwingshoogte is hier beperkt van 40 m + NAP tot 85 m + NAP.

verplicht

Figuur B3.2 Radarverstoring

Straalpaden

In het plangebied zijn 2 straalpaden gelegen met een hoogte van 67 en 68 m + NAP. Het plangebied van Boekel is gelegen op een hoogte van 12 m +NAP tot 22 m +NAP met lokaal 28 m +NAP (stuifduin). Het omgevingsplan maakt rechtstreeks geen nieuwe bouwwerken mogelijk met een bouwhoogte van meer dan 10 m boven peil (in het plangebied zijn bestaande bouwwerken aanwezig van 20 m (mast schutterij) en 40 m (zendmast) ten opzichte van het peil; deze bestaande maten zijn vastgelegd). Dit betekent dat in het plangebied op basis van rechtsreeks bouwrecht geen bouwwerken kunnen worden opgericht met een bouwhoogte van meer dan 38 m + NAP. De maximale hoogten zoals voorgeschreven voor de vliegfunnel, IHCS, ILS, radar en straalpaden worden daarmee niet overschreden. (conclusie onder voorbehoud van de definitieve digitale bestanden van het luchtvaartbesluit).

In het omgevingsplan zijn voorts afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor verhoging van de toelaatbare bouwhoogte. Om te voorkomen dat hierdoor alsnog een strijdigheid ontstaat met de regelgeving rond vliegveld Volkel is de algemene voorwaarde toegevoegd dat er geen verstoring van de radar of beperking van het vliegverkeer mag plaatvinden.

In de regels is opgenomen dat de realisatie van nieuwe grote waterpartijen niet is toegestaan.

Conclusie

De bouw- en gebruiksmogelijkheden in het omgevingsplan zijn niet in strijd met de ruimtelijke beperkingen als gevolg van het vliegveld Volkel.

3.6 Geluidhinder     

Toetsingskader

Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging.

Ook voor spoorwegen en industrie- en bedrijventerreinen waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken zijn geluidszones gelegen.

Het omgevingsplan

Binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn verschillende gezoneerde wegen gelegen. In de toekomst worden mogelijk nieuwe geluidsgevoelige functies gerealiseerd, zoals woningen. Het omgevingsplan zal geen rechtstreekse bouwmogelijkheden voor de nieuwbouw van woningen bieden waardoor een akoestisch onderzoek achterwege kan blijven. Ten behoeve van de ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuw en/of herbouw van woningen wordt, omdat de plaats en de situering niet bekend is en omdat de geluidsbelasting in de loop der jaren kan wijzigen, een oplossing gezocht in een bepaling die een koppeling legt tussen het omgevingsplan en de wettelijk toelaatbare geluidsbelasting.

Van spoorlijnen en/of industrieterreinen met een wettelijke geluidzone is geen sprake. Wel dient bij de uitbreiding, wijziging of nieuwvestiging van bedrijfsactiviteiten een afweging plaats te vinden van de akoestische gevolgen. In het omgevingsplan is als voorwaarde opgenomen dat initiatieven niet mogen leiden tot onevenredige geluidhinder.

Conclusie

In het omgevingsplan is vastgelegd dat voor nieuwe geluidgevoelige objecten of de wijziging/uitbreiding van bestaande geluidgevoelige objecten dient te worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of de vast te stellen hogere waarde. Toetsing (en vaststelling van eventuele hogere waarden) vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief.

3.7 Ecologie     

Toetsingskader

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  1. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  2. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  3. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het omgevingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Hetzelfde geldt voor de ecologische doelen van de beschermde natuurmonumenten (b), voor zover deze gebieden niet overlappen met Natura 2000. In de passende beoordeling (zie bijlage bij het planMER) is nader ingegaan op de eisen uit de Natuurbeschermingswet.

Provinciale Verordening Ruimte

Nationaal Natuurnetwerk/Ecologische Hoofdstructuur

Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden is geregeld via de provinciale Verordening ruimte.

Het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, legt de provincie nieuwe natuur aan.

Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Maar het netwerk is er ook voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur, om te recreëren en tot rust komen.

De provincie wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. De concrete ambities staan in het Natuurbeheerplan. Hierin staan twee kaarten: de beheertypekaart en de ambitiekaart. De beheertypekaart laat zien hoe natuur en landschap in Brabant er nu voor staan. De ambitiekaart geeft aan hoe zij er uit moeten gaan zien.

Het effect van de ingreep op de natuurlijke kenmerken en waarden van de EHS/NNN dienen conform de Verordening ruimte van de Provincie Noord-Brabant op een zevental aspecten getoetst te worden:

  • geomorfologische waarden en processen;
  • waterhuishouding en waterkwaliteit;
  • natuurkwaliteit en areaal;
  • rust en stilte;
  • donkerte en openheid;
  • landschapsstructuur;
  • belevingswaarde.

Groenblauwe Mantel

Grenzend aan het NNN heeft de provincie gebieden aangewezen die liggen in de groenblauwe Mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten de EHS/NNN. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de 'Naad van Brabant'.

De groenblauwe mantel biedt daarbij ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de 'ja-mitsbenadering'. Het is in eerste instantie aan de gemeenten om te beoordelen welke huidige waarden er in een gebied aanwezig zijn en of de beoogde ontwikkeling een bijdrage levert aan de kwaliteit daarvan. Daarbij is vooral de versterking van leefgebieden voor plant- en diersoorten in de groenblauwe mantel van belang. De groenblauwe mantel biedt in beginsel geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal-)intensieve vormen van recreatie en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties).

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang;
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, èn slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  1. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Het omgevingsplan

Natura 2000

Binnen het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig. Wel liggen er in de omgeving van het plangebied diverse Natura 2000-gebieden. In het planMER is een passende beoordeling opgenomen vanwege de mogelijke effecten op Natura 2000 door de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen (stikstofdepositie). In paragraaf 4.3 is uitgewerkt op welke wijze in het omgevingsplan wordt omgegaan met de resultaten van de passende beoordeling.

Nationaal Natuurnetwerk/Groenblauwe mantel

Verspreid door het buitengebied van Boekel liggen gebieden die deel uitmaken van het NNN (EHS). Het betreft met name de aanwezige bospercelen. Aan de noordrand van het plangebied ligt het te beschermen watersysteem van de Meerkensloop. Het omgevingsplan biedt geen ruimte voor ontwikkelingen die leiden tot areaalverlies binnen het Nationaal Natuurnetwerk. Gezien de aard en omvang van de functieveranderingen is verstoring niet aan de orde. Evenals binnen Natura 2000 kan ook binnen het Nationaal Natuurnetwerk een toename van stikstofdepositie leiden tot negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. De maatregelen die worden getroffen om significante negatieve effecten binnen Natura 2000 uit te sluiten (zie paragraaf 4.3) hebben tot gevolg dat ook binnen het NNN geen toename van depositie zal optreden.

Het westelijke deel van het buitengebied is onderdeel van de groenblauwe mantel. Binnen de groenblauwe mantel zijn wel ontwikkelingen mogelijk. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten de EHS/NNN. De groenblauwe mantel biedt daarbij ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de 'ja-mitsbenadering'. De ontwikkelingsruimte in het omgevingsplan is afgestemd op de regels die van toepassing zijn op de groenblauwe mantel.

Flora en fauna

In het planMER is (op basis van een bureaustudie) inzicht gegeven in de beschermde soorten binnen het plangebied. Uit de effectbeschrijving blijkt dat het omgevingsplan zonder het treffen van maatregelen gevolgen kan hebben voor beschermde soorten. De aantasting van individuen is niet uit te sluiten, maar effecten op populatieniveau kunnen echter wel worden uitgesloten. Over het algemeen zijn goede mitigerende maatregelen te treffen. De kans dat de Flora- en faunawet een belemmering zal vormen voor de uitvoering van het omgevingsplan is daardoor zeer gering. In het omgevingsplan is in de verschillende flexibiliteitsbepalingen een toets van de effecten op natuurwaarden opgenomen.

Conclusie

In het omgevingsplan is geborgd dat geen sprake zal zijn van negatieve effecten op natuurwaarden.

3.8 Bodem     

Toetsingskader

Bij functieveranderingen is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bestaande bodemkwaliteit niet verslechtert. Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, dient deze direct te worden opgeruimd. Bij bestaande mobiele verontreinigingen die voor 1987 ontstaan zijn (zogenaamde erfenisgevallen), zal bij de sanering ook naar de kosteneffectiviteit worden gekeken. Uitgangspunt voor verontreinigingen die zich in het grondwater manifesteren is dat deze beheersbaar zijn en blijven.

Het omgevingsplan

In de regels voor functieveranderingen is waar relevant als voorwaarde opgenomen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief. Als de onderzoeksresultaten daar aanleiding toe geven, zullen eventueel aanwezige verontreinigingen moeten worden gesaneerd.

Conclusie

In de regels van het omgevingsplan is geborgd dat bij functieveranderingen de kwaliteit van de bodem voldoende is voor het beoogde gebruik.

3.9 Water     

Toetsingskader

Waterschap Aa en Maas: Waterbeheerplan 2010-2015 'Werken met water voor nu en later'

Het waterbeheerplan maakt inzichtelijk wat waterschap Aa en Maas in de planperiode van zes jaar gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede dat mensen en dieren in Noordoost Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving. Met haar waterbeleid streeft het waterschap Aa en Maas naar:

Veilig en bewoonbaar gebied

Investeren in het verbeteren van dijken zodat de veiligheid tegen overstromingen blijft gewaarborgd. Hiervoor verbetert het waterschap de vijf kilometer primaire waterkering en vijf waterkerende kunstwerken die niet aan de norm voldoen. Daarnaast streeft het waterschap ernaar de grootste knelpunten van wateroverlast op te lossen.

Voldoende water

Het waterschap wil in dit kader de baggerachterstand verder wegwerken, de knelpunten in agrarisch gebied oplossen door inrichtings- en beheermaatregelen en het aanpakken van de verdroging van natuurgebieden.

Schoon water

Doelstellingen op dit punt betreffen het verbeteren van (mogelijk) verontreinigde waterbodems en het afvalwater zo goed mogelijk en tegen zo laag mogelijke kosten te blijven zuiveren. Hiertoe zal de samenwerking met gemeenten in de waterketen verder worden verbeterd. Tot slot blijft het waterschap initiatieven, om diffuse verontreinigingen terug te dringen, stimuleren.

Natuurlijk water

De doelstelling is onder ander om 30 kilometer beek te herstellen en 120 kilometer ecologische verbindingszones aan te leggen samen met gemeenten en terreinbeheerders. Samen met de gemeenten wil het waterschap de belangrijkste knelpunten in stedelijk gebied aanpakken, zoals blauwalgen en waterstank.

Waterschap AA en Maas: (ontwerp) Waterbeheerplan 2016-2021

In dit (ontwerp)Waterbeheerplan kiest het waterschap ervoor om het waterbeheer van de vorige planperiode voort te zetten. Nog meer dan in de periode 2010 - 2015 opereert het waterschap hierbij met oog voor de omgeving. Bij het uitvoeren van de watertaken draagt het waterschap haar steentje bij aan het werken aan een veilige, gezonde en duurzame leef-, woon- en werkomgeving in het oosten van Brabant.

De basisopgave van het waterschap is het in stand houden van het bestaande niveau van dienstverlening aan de gebruikers. Dit gebeurt door de bestaande infrastructuur van het watersysteem en de afvalwaterketen zo effectief en efficiënt mogelijk te onderhouden, te beheren en in te zetten.

Veilig en Bewoonbaar beheergebied

Het waterschap zorgt ervoor dat bewoners en bedrijven in het beheergebied veilig zijn tegen overstromingen vanuit de Maas en voldoende beschermd zijn tegen overlast. Als het gaat om waterveiligheid staan de komende jaren vooral in het teken van het vertalen van de Deltabeslissingen naar de opgave voor Aa en Maas.

Voldoende water en robuust watersysteem

Het waterschap streeft naar een gezond, robuust en veerkrachtig watersysteem: een systeem dat kan omgaan met de gevolgen van klimaatverandering (piekbuien en extreme droogte) en dat flexibel kan worden ingezet om voldoende water voor verschillende functies te leveren. In de periode 2016 - 2021 pakt Aa en Maas een zeer groot deel van de verdrogingsopgave in het gebied aan en zet in op het conserveren van water in het systeem.

Schoon water

Een goede waterkwaliteit is een vereiste voor gezond en natuurlijk water voor mens, dier en plant. Aa en Maas investeert in onderhoud, aanpassing en vernieuwing van afvalwaterzuiveringen, rioolgemalen en transportleidingen. Dit doet ze om het afvalwater van burgers en bedrijven zodanig te kunnen zuiveren dat het gezuiverde water een bijdrage levert aan een gezond en natuurlijk watersysteem.

Gezond en natuurlijk water

Naast de eigen investeringen in verbetering van de waterkwaliteit, gaat het waterschap in gesprek met zijn partners en gebruikers in watersysteem en -keten om de waterkwaliteit te verbeteren. Met gemeenten over gebruik van bestrijdingsmiddelen, afkoppelen van regenwater, saneren van riooloverstorten en de functie en inrichting van stedelijk water. Met agrariërs over uit- en afspoeling van nutriënten, gebruik en verwerking van gewasbeschermingsmiddelen, effecten van diergeneesmiddelen en over mestverwerking. En ook met Provincie, Rijk en Europa als het gaat om integrale normen en wetgeving voor een brongerichte aanpak.

Naast de directe bijdrage aan een duurzame leefomgeving met de aanwezigheid van een goed functionerend watersysteem, draagt het waterschap via water ook bij aan bredere maatschappelijke thema's:

  • water in bebouwd gebied;
  • kennisontwikkeling en innovatie;
  • energiegebruik en grondstofvoorziening;
  • internationale samenwerking;
  • water en ruimte.

Waterschap Aa & Maas: Water en ruimtelijke plannen.

In het kader van ruimtelijke plannen/ontwikkelingen hanteert het waterschap het instrument van de watertoets. Op dit vlak hanteert het waterschap naast de actuele regelgeving (Keur) de volgende 'uitgangspunten watertoets':

  1. voorkomen van vervuiling Bouw en renovatie belast het milieu;
  2. wateroverlastvrij bestemmen;
  3. hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO);
  4. vuil water en hemelwater scheiden;
  5. hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer;
  6. waterschapsbelangen;
  7. meervoudig ruimtegebruik;
  8. water als kans.

Het omgevingsplan

Plangebied

Watersysteem

Binnen het plangebied komen veel verschillende grondwatertrappen voor. De grondwatertrappen Vb en VI komen in grote delen van het plangebied voor. Dit houdt in dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,25 en 0,8 m beneden het maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand op meer dan 1,2 m beneden het maaiveld is gelegen. Verder komen ook de grondwatertrappen III, IIIb, IV, V, VII en VIII voor.

verplicht

Figuur B3.3 Grondwatertrappen (www.bodemdata.nl)

Door de aanwezigheid van de Peelrandbreuk is er sprake van een ondoorlaatbare bodemlaag. Hemelwater stagneert hierdoor op de hoger gelegen dekzandrug in plaats van dat het hier infiltreert. Waar normaal gesproken het water via kwel terugkomt in het lager gelegen beekdal, is hier sprake van lage drogere gronden. Ten oosten van de peelrandbreuk komen natte wijstgronden voor, ontstaan door kwel van ijzerrijk grondwater dat van de Peelhorst afstroomt, maar door het breukvlak gehinderd wordt en naar het oppervlak wordt gestuwd. Dit is terug te zien in de relatief hoge grondwaterstanden ten noordoosten van Boekel (grondwatertrap IIIb).

Waterlopen

In het plangebied zijn vele A-watergangen gelegen. Ook zijn enkele B-watergangen aanwezig. A-watergangen zijn hoofdwatergangen die van primair belang zijn voor het waterbeheer en daarom door het waterschap worden onderhouden. B-watergangen zijn kleinere watergangen die vooral dienen voor de aan- en afvoer van water naar meerdere percelen. Deze watergangen zijn van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de eigenaren van de aangrenzende gronden te worden onderhouden.

verplicht

Figuur B3.4 Watergangen

Watersysteemkwaliteit

In het plangebied is geen KRW-lichaam (Kaderrichtlijn Water)gelegen. Het KRW-lichaam de Leigraaf ligt net buiten het plangebied aan de westzijde. Tevens zijn er geen natte natuurparels aanwezig. Wel zijn er binnen het plangebied beschermde gebieden waterhuishouding gelegen.

verplicht

verplicht

Figuur B3.5 Natte natuurparels en beschermde gebieden waterhuishouding (Wateratlas provincie Noord-Brabant)

Veiligheid en waterkeringen

In het plangebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is grotendeels aangesloten op een gemengd rioleringsstelsel.

Effecten

In de voorwaarden voor functieveranderingen is waar relevant opgenomen dat ontwikkelingen hydrologisch neutraal plaats dienen te vinden. Ook is als voorwaarde opgenomen dat de waterkwaliteit niet nadelig mag worden beïnvloed. Toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief.

Conclusie

In de regels van het omgevingsplan is geborgd dat geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem optreden.

3.10 Archeologie     

Toetsingskader

Op 26 maart 2014 is het archeologiebeleid van de gemeente Boekel vastgesteld door de gemeenteraad. Het archeologisch erfgoed is in principe onzichtbaar en is daardoor ook zeer kwetsbaar voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die met bodemingrepen gepaard gaan. Archeologische waarden zijn niet vervangbaar en ook vrijwel niet te compenseren. Hoogstens te conserveren. Conserveren is ook het primaire uitgangspunt als het om archeologische waarden gaat.

De archeologienota bestaat uit 4 delen. Deel I geeft een kort en bondig overzicht van de archeologische vondsten binnen de gemeente. Deel II betreft een inleiding op de archeologienota: het waarom, de kansen en de noodzaak. Deel III vormt het feitelijke archeologiebeleid van de gemeente Boekel en in deel IV worden de randvoorwaarden voor een goed gemeentelijk archeologiebeleid aangegeven. In de nota staan een aantal beleidsregels die als leidraad gelden bij ontwikkelingen.

Het omgevingsplan

Archeologische beleidskaart

Op het gemeentelijk grondgebied komen volgens de Archeologie beleidskaart voor:

  • Categorie 2: gebieden van zeer hoge archeologische waarde, onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 100 m²;
  • Categorie 3: gebieden van hoge archeologische waarde, onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m²;
  • Categorie 4: gebieden van hoge archeologische verwachting, onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m²;
  • Categorie 5: gebieden van middelhoge archeologische verwachting en naoorlogse woonwijken en industrieterreinen met een (oorspronkelijke) hoge verwachting, onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2500 m²;
  • Categorie 6: gebieden van lage archeologische verwachting, geen onderzoeksplicht;
  • Categorie 7: gebieden zonder een archeologische verwachting of archeologisch vrijgegeven, geen onderzoeksplicht.

verplicht

verplicht

Figuur B3.6 Archeologische beleidskaart

De categorieën 3 tot en met 5 uit de beleidskaart zouden in het omgevingsplan vertaald moeten worden. Categorie 6 en 7 worden niet vertaald aangezien aan beide categorieën geen onderzoeksplicht wordt verbonden. Categorie 2 komt in het plangebied niet voor.

Beleidsregels uit de Nota Archeologie

De verbrede reikwijdte van het omgevingsplan wordt aangewend om de relevante beleidsregels zoals opgenomen in de Nota en Erfgoedverordening ook in het omgevingsplan Buitengebied op te nemen.

Het gaat dan om de volgende onderdelen van de beleidsregels.

  • De gemeente Boekel behoudt zoveel als mogelijk de archeologische resten in de grond (behoud in situ) en laat waar redelijkerwijs mogelijk de maatregelen ter bescherming en behoud van de archeologische resten opnemen in het programma van eisen bij een initiatief.
  • De gemeente Boekel hanteert de oppervlakte van de effectieve bodemverstorende ingrepen als uitgangspunt voor het bepalen van de archeologische onderzoeksverplichting binnen een plangebied. Dit houdt in dat indien de bodemverstorende ingreep de ondergrens overschrijdt, archeologisch (voor)onderzoek binnen het gehele plangebied noodzakelijk is.
  • De gemeente Boekel hanteert een verstoringsdiepte van maximaal 0,4 dan wel 0,5 m beneden maaiveld. Ingrepen dieper dan de diepte-ondergrens zijn vanaf een gestelde oppervlakte-overschrijding onderzoeksplichtig. Daarnaast zijn ingrepen die een geleidelijk negatief effect kunnen hebben op de archeologie in de bodem maar -mogelijk- minder diep reiken dan 0,4 m beneden maaiveld altijd onderzoeksplichtig.

De gemeente Boekel heeft naast al het bovenstaande nog enkele relevante richtlijnen:

  • Indien in één plangebied meerdere verwachtingswaarden voorkomen, dan geldt de hoogste waarde (en dus de kleinste ondergrens). Slechts als de hoogste waarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10%), kan na afweging worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied.
  • Indien op basis van de oppervlakte van de bodemverstorende ingrepen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, vindt dit plaats in het gehele plangebied.
  • Indien de bodem in minder dan 5% van het ingrepengebied verstoord wordt, kan de gemeente na afweging vrijstelling verlenen van de verplichting tot uitvoering van archeologisch vooronderzoek.
  • In gebieden waar ingrepen gepland worden met een geleidelijk effect dient eerst vastgesteld te worden wat het effect van de ingreep (op termijn) kan zijn op de eventueel aanwezige archeologische ondergrond.
  • Voor -agrarische- activiteiten die vergunningplichtig zijn (zoals diepploegen, aspergeteelt, drainagesystemen aanleggen, enz.) geldt eveneens de verplichting tot het uitvoeren van een onderzoek om vast te stellen wat het effect op de langere termijn kan zijn.
  • De gemeente Boekel onderschrijft het potentieel en de belangrijke rol van archeologische verenigingen. Archeologievrijwilligers dienen zo mogelijk betrokken te worden bij archeologisch onderzoek. De gemeente kan hiervoor dan voorwaarden in het programma van eisen op laten nemen.

Conclusie

De gemeentelijke Archeologische waardenkaart is vertaald in het omgevingsplan. Daarmee is geborgd dat geen aantasting van archeologische waarden plaatsvindt. Met de verbrede reikwijdte zijn ook de beleidsregels uit de Nota Archeologie in het plan opgenomen.

Bijlage 2 Omgevingswet en omgevingsplan     

Hoofdstuk 1 Kenmerken van een omgevingsplan     

Bij het benutten van de mogelijkheden die de Omgevingswet en de pilot-status voor Boekel biedt zijn de volgende uitgangspunten en kenmerken van de Omgevingswet van belang:

Gezonde fysieke leefomgeving

De nieuwe Omgevingswet richt zich op het in stand houden van 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. De term 'een goede ruimtelijke ordening' verdwijnt. Hiermee heeft de Omgevingswet een verbrede reikwijdte ten opzichte van de huidige Wro. Milieu en ruimtelijke ordening worden geïntegreerd. Hiermee ontstaan meer mogelijkheden om milieuaspecten, zoals geur, fijnstof, veiligheid en gezondheid, in de integrale afweging een plek te geven.

Pilot status

De noodzakelijke pilotstatus die moet worden verkregen om nu de reikwijdte te kunnen verbreden, geeft mogelijkheden om op onderdelen af te wijken van het huidige wettelijk kader. Daarmee kan de beleidsnotitie 'Naar een verantwoorde veehouderij in Boekel' nader uitgewerkt worden op basis van de filosofie van de Omgevingswet.

Integrale regels voor de leefomgeving

In een omgevingsplan wordt het gemeentelijk beleid en de gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving geïntegreerd waarmee ook meer integrale beleidsvorming en toetsing ontstaat. Het samenbrengen van alle beleid en regels voor de fysieke leegomgeving beoogt ook om tot een eenvoudigere regelgeving te komen. De regels worden inzichtelijker gemaakt en strijdige en dubbele regelingen worden uit de wereld geholpen. Ze worden immers op één plek samengebracht.

Kwalitatieve èn kwantitatieve toetsingsregels

Het omgevingsplan biedt mogelijkheden om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken met eenvoudigere procedures gekoppeld aan kwalitatieve regels. Het biedt een flexibeler kader dan een bestemmingsplan. Meer directe toestemmingen, onder voorwaardelijke bepalingen: Ja, mits…. in plaats van vergunningenstelsels (nee, tenzij). Dit sluit beter aan bij de visie 'Vitaal Buitengebied'. Het bestemmingsplan kan en mag alleen concreet toetsbare kwantitatieve directe regels bevatten. Door te werken met voorwaardelijke regels kunnen in het kader van 'Vitaal Buitengebied' gewenste ontwikkelingen makkelijker en sneller mogelijk worden gemaakt.

Gezondheid

Het toepassen van kwalitatieve afwegingskaders biedt ook mogelijkheden om het aspect (volks)gezondheid juridisch houdbaar te regelen. Gezondheid wordt onderdeel gemaakt van de afweging die wordt gemaakt in het kader van een gezonde fysieke leefomgeving. Gezondheid hoeft niet meer per se meetbaar te worden gemaakt in normen en wetenschappelijk aanvaarde relaties. Termen als 'een verbetering van de gezondheidssituatie' of een 'aanvaardbare afstand tot' kunnen mogelijk een plaats krijgen in een toetsingskader.

Houdbaarheidstermijn en aanpassing modules

Een bestemmingsplan moet om de 10 jaar opnieuw worden vastgesteld. Daarbij moet de raad een nieuw besluit nemen en komen er vaak ook nieuwe regels voor het hele pakket. Een zware en langdurige klus. Het omgevingsplan kent geen einddatum. Het omgevingsplan biedt echter wel meer mogelijkheden om het beleid te monitoren en tussentijds bij te sturen. Periodieke monitoring kan leiden tot tussentijdse aanpassing van inhoudelijke modules. Bijvoorbeeld alleen aanpassing van de geurnormen. Hierbij blijven andere aspecten onaangeroerd, waarbij uiteraard wel de integraliteit van het omgevingsplan in ogenschouw genomen wordt. Het aangepaste aspect is dan ook alleen onderwerp van besluitvorming en eventueel bezwaar en beroep. Dit maakt de procedures eenvoudiger en zorgt ervoor dat nieuw beleid direct in het ruimtelijk plan verwerkt is. Het omgevingsplan is daarmee steeds actueel.

Delegatiebevoegdheid verruimd

Ruimere delegatiebevoegdheden bieden de mogelijkheid om onderzoekslasten en afwegingen te laten plaatsvinden op het moment dat een concrete ontwikkeling zich voordoet. De raad kan hierbij vooraf de kaders stellen, maar kan de uitwerking aan het college van burgemeester en wethouders laten. Het is aan de gemeenteraad om te delegeren wat de raad wenselijk en verantwoord acht. Er zijn meer mogelijkheden om een afwegingsmoment in te bouwen bij ontwikkelingen, zonder dat daarvoor per se de raad een besluit moet nemen en langdurige en kostbare procedures nodig zijn.

Deregulering

De pilot biedt de mogelijkheid om de bestaande regelgeving te evalueren, af te stemmen, te integreren en onnodige regels te laten vervallen. Logisch gevolg is deregulering.

Hoofdstuk 2 Gevolgen keuze omgevingsplan     

De switch van een traditioneel bestemmingsplan Buitengebied naar een pilot-Omgevingsplan heeft diverse gevolgen voor de verschillende partijen zoals gemeente zelf, maar zeker ook voor de burgers en bedrijven die met het plan te maken krijgen.

Gevolgen voor organisatie

In eerste instantie zal de gemeente aan de slag moeten met een breder pakket van regels en beleid dat opgenomen moet of kan worden in het pilot-Omgevingsplan. Ook na de vaststelling zijn er gevolgen voor de gemeentelijke organisatie:

Andere manier van werken

Een Omgevingsplan vraagt een andere houding dan een bestemmingsplan bij beleidsvorming en toetsing: meer kwalitatief en minder kwantitatief en meer integraal (o.a. ruimtelijke ordening en milieu) Dat heeft gevolgen voor zowel de beleidsvorming als voor de toetsing.

Werkprocessen

Intern vraagt een pilot-Omgevingsplan om een heldere processtructuur. De actieve betrokkenheid van alle relevante afdelingen moet geborgd zijn. Aanvragen moeten straks niet alleen langs de bestemmingsplan- en bouwtoetser, maar ook langs de milieuafdeling en openbare orde en veiligheid.

Beleidsvorming en voorbereiding

Het opstellen van een Omgevingsplan vraagt om een meer fundamentele, integrale visie op de fysieke leefomgeving en het bijhorende planningsstelsel. Het gaat daarbij om vragen, zoals de gewenste beleidsruimte, de mate van detaillering en van flexibiliteit of globaliteit, welke rechtszekerheid wil je bieden en de cultuur van de organisatie.

Kwalitatieve afweging

In het omgevingsplan zullen meer initiatieven op grond van kwalitatieve normen beoordeeld worden. Medewerkers zullen binnen de kaders een (belangen)afweging moeten maken en moeten toetsen. Dit betekent overleg en afstemming met de belanghebbenden (aanvrager èn de omgeving) en de inhoudelijke specialisten.

Gevolgen voor de burger

Het introduceren van een Omgevingsplan zal ook voor de burgers en bedrijven en hun adviseurs gevolgen hebben.

Raadpleegbaarheid

Doordat alle regels voor de fysieke leefomgeving uiteindelijk worden geïntegreerd in één Omgevingsplan, worden de regels met betrekking tot een locatie voor een burger makkelijker raadpleegbaar. Er is minder kans dat regels worden vergeten. Alle informatie moet ook digitaal beschikbaar worden gesteld vanaf elke willekeurige plaats. Alles staat bij elkaar. In de beginperiode zal dat doorgaans leiden tot veel vragen en onbekendheid. Met het van kracht worden van de Omgevingswet per 2018 zullen alle gemeenten omgevingsplannen moeten maken. Binnen 5-10 jaar zal al het beleid voor de fysieke leefomgeving omgezet moeten worden in Omgevingsplannen.

Gewenste ontwikkelingen sneller realiseerbaar

Voor 'gewenste ontwikkelingen' (ontwikkelingen die passen binnen de gemeentelijke visie en beleid) kunnen procedures verminderd en procedures verkort worden. Indien door goede participatie en overleg door de initiatiefnemer met de omgeving van het project, er geen gebruik wordt gemaakt van rechtsmiddelen, is de formele vergunningprocedure veel korter. Indien de omgeving onvoldoende is betrokken bij het proces en er dus onvoldoende draagvlak voor de ontwikkeling is, blijven zij beschikken over de huidige rechtsmiddelen en is er minder procedureel voordeel. Dat is echter inherent aan het Nederlandse rechtssysteem: iedereen kan zich bij de rechter beroepen op 'zijn recht'. In ieder geval biedt het Omgevingsplan de mogelijkheid om daar waar nu een bestemmingsplanherziening voor nodig is te vergunnen onder voorwaardelijke bepaling via een eenvoudigere en kortere omgevingsvergunningprocedure met wettelijk vastgelegde termijnen.

Maatwerk ten behoeve van het initiatief

Regels in het omgevingsplan kunnen meer kwalitatief gemaakt worden dan de concrete en kwantitatieve regels van het bestemmingsplan. Dat biedt meer ruimte voor de burger om een initiatief te onderbouwen en voor de gemeente om maatwerk te leveren. Anderzijds kan dat wel tot meer discussie leiden over wat wel en niet mogelijk is.

Hoofdstuk 3 Een omgevingsplan voor Boekel     

Kortom: voor het Omgevingsplan Buitengebied Boekel 2016 gelden de volgende algemene uitgangspunten:

  • minder regels, meer loslaten;
  • deregulering en vertrouwen als uitgangspunt;
  • integratie van alle aspecten rondom de fysieke leefomgeving in één ruimtelijk plan;
  • meer ruimte en flexibiliteit voor wenselijke ontwikkelingen;
  • waarborgen van omgevingskwaliteit.

Deze filosofie sluit naadloos aan het beleid van Boekel en de Boekelse methode van werken: het zogenoemde 'Boekels model'.

Voorsorteren op de omgevingswet biedt daarom mogelijkheden om op punten waar de huidige wetgeving en het huidige beleidskader als een belemmering voor wenselijke ontwikkelingen in Boekel worden ervaren, maatwerk te leveren. Daardoor kan het Omgevingsplan voor de onderwerpen gezondheid, een meer verantwoorde veehouderij en 'Vitaal Buitengebied' meer dan het bestemmingsplan worden afgestemd op de Boekelse praktijk en visie.

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

1.1 Plan     

het omgevingsplan Omgevingsplan Buitengebied 2016 met identificatienummer NL.IMRO.0755.Omgevingsplan2016-VO01 van de gemeente Boekel.

1.2 Aanduiding     

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.3 Aanduidingsgrens     

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.4 Aan- en uitbouw     

een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.

1.5 Aan-huis-gebonden beroep     

een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en voor zover deze beroepen een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.6 Achtererf     

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.

1.7 Agrarisch bedrijf     

een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is gericht op het voortbrengen van agrarische producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren, zijnde: een (vollegronds)teeltbedrijf (Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf), een veehouderij (Agrarisch bedrijf - veehouderij), een glastuinbouwbedrijf (Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf), een paardenhouderij (Agrarisch bedrijf - paardenhouderij) of een overig agrarisch bedrijf (Agrarisch bedrijf - overig bedrijf). Mest wordt niet tot de voortgebrachte agrarische producten gerekend.

1.8 Agrarisch deskundige     

de commissie Advies Agrarische Bouwaanvragen (AAB) dan wel een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige, of commissie van deskundigen, op het gebied van land- en tuinbouw.

1.9 Antennedrager     

een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

1.10 Antenne-installatie     

een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

1.11 Archeologisch onderzoek     

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.

1.12 Archeologische waarde     

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

1.13 Bebouwing     

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.14 Bedrijf     

een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.

1.15 Bedrijfs- of dienstwoning     

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de toegestane functie van het gebouw of het terrein.

1.16 Beperkt kwetsbaar object     

als beperkt kwetsbare objecten worden aangemerkt:

  1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen en woonwagens per hectare en dienst- en bedrijfswoningen van derden;
  2. kantoorgebouwen, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt;
  3. hotels en restaurants, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt;
  4. winkels, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt;
  5. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
  6. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt;
  7. bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt;
  8. objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn;
  9. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.

1.17 Beschermd monument     

beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.18 Bestaande aantal dierplaatsen     

het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan.

1.19 Bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen     

de afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen of komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.20 Bestaande ammoniakemissie     

bestaande aantal dierplaatsen voor de bestaande diersoorten, vermenigvuldigd met de emissiefactoren van het bestaande stalsysteem.

1.21 Bestaande diersoorten     

de diersoorten waarvoor de legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan zijn gebouwd.

1.22 Bestaande gebouwen     

gebouwen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.23 Bestaand stalsysteem     

het legaal gerealiseerde stalsysteem ten tijde van de vaststelling van het plan; bedoeld zijn de stalsystemen overeenkomstig de unieke stalbeschrijvingen van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav).

1.24 Bevi-inrichting     

een bedrijf zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.25 Bevoegd gezag     

het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.26 Bouwen     

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.27 Bouwlaag     

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor de toegelaten functies geschikt of geschikt te maken is.

1.28 Bouwperceel     

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.29 Bouwperceelgrens     

een grens van een bouwperceel.

1.30 Bouwwerk     

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.31 Bijgebouw     

een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

1.32 Café     

een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.

1.33 Consumentenvuurwerk     

vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik.

1.34 Cultuurhistorische waarde     

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid.

1.35 Dakkapel     

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.

1.36 Dakopbouw     

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst.

1.37 Detailhandel     

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

1.38 Dienstverlening     

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen.

1.39 Discotheek of dancing     

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, in combinatie met het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen, feesten en andere daarmee vergelijkbare evenementen.

1.40 Evenement     

een gebeurtenis, gericht op een groot publiek, met betrekking tot kunst, sport, ontspanning en cultuur.

1.41 Extensieve dagrecreatie     

de niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie.

1.42 Gebouw     

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.43 Geluidsgevoelige objecten     

woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

1.44 Gemeentelijk monument     

een overeenkomstig dit plan als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

  1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;
  2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als hiervoor bedoeld.

1.45 Gemeentelijke monumentenlijst     

de lijst in bijlage 1 waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig dit plan als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in lid 1.44.

1.46 Geurbelasting     

de geurbelasting ter plaatse van de gevel van het gevoelige object, berekend met V-Stacks, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid.

1.47 Geurgevoelige objecten     

object zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. Wet: de Wet geurhinder en veehouderij.

1.48 Glastuinbouwbedrijf     

een agrarisch bedrijf waarbij de productie die geheel of in overwegende mate plaatsvindt in kassen en/of permanent aanwezige tunnels, met een hoogte van 1,5 m of meer.

1.49 Grootschalige detailhandel     

detailhandel in de volgende categorieën:

  1. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;
  2. detailhandel in volumineuze goederen, zoals auto's, boten, motoren, caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en materialen;
  3. tuincentra;
  4. grootschalige detailhandelsbedrijven in meubels, keukens en badkamers, al dan niet - in ondergeschikte mate - in combinatie met woninginrichting en stoffering;
  5. bouwmarkten.

1.50 Hobbykas     

een gebouw, dat geheel of vrijwel geheel bestaat uit glas of ander doorzichtig materiaal en dat dient voor het hobbymatig telen van planten.

1.51 Hoofdgebouw     

een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige toegestane functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.

1.52 Horecabedrijf     

een onderneming gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van een zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.

1.53 Hotel     

een horecabedrijf, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met – al dan niet – als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse.

1.54 Hoveniersbedrijf     

een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.

1.55 Kampeermiddelen     

niet als een bouwwerk aan te merken onderkomens, zoals vouwwagens, kampeerauto's, caravans of hiermee gelijk te stellen onderkomens, die bestemd zijn voor recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

1.56 Kantoor     

een voorziening gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

1.57 Kap     

een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30° en minder dan 65°.

1.58 Kas     

een bouwwerk van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen.

1.59 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten     

activiteiten die in een woning door een bewoner op bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.

1.60 Kleinschalig dagrecreatief medegebruik     

activiteiten, zoals wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en natuurobservatie.

1.61 Kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen     

voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van kleinschalig dagrecreatief medegebruik.

1.62 Kwetsbaar object     

als kwetsbare objecten worden aangemerkt:

  1. woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde beperkt kwetsbare objecten;
  2. gebouwen bestemd voor verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:
    1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
    2. scholen, of;
    3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
  3. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals:
    1. kantoorgebouwen en hotels met een brutovloeroppervlakte van meer dan 1.500 m²;
    2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk brutovloeroppervlakte meer dan 1.000 m² bedraagt en winkels met een totaal brutovloeroppervlakte van meer dan 2.000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd, en;
    3. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen.

1.63 Landschapswaarde     

de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur.

1.64 Lessenaarsdak     

een asymmetrische dakvorm met één hellend dakvlak over (nagenoeg) de volledige breedte of diepte van een gebouw.

1.65 Manege     

een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen:

  1. het in pension houden van paarden en/of pony's;
  2. horeca (kantine, foyer en dergelijke) en verenigingsaccommodatie;
  3. het houden van wedstrijden of andere evenementen.

1.66 Monumentencommissie     

een op basis van artikel 15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dit plan en het monumentenbeleid.

1.67 Natuurwaarde     

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna.

1.68 NEN     

de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.

1.69 Niet-permanente verblijfsrecreatie     

verblijfsrecreatie waarbij uitsluitend van seizoensgebonden standplaatsen voor kampeermiddelen gebruik wordt gemaakt.

1.70 Nieuwvestiging     

het omschakelen naar een andere functie op de gronden die aangemerkt zijn als Open gebied maar waarbij, voor het volledig kunnen uitoefenen van de nieuwe functie, de gronden aangemerkt moeten gaan worden als Bebouwd gebied.

1.71 Nutsvoorzieningen     

de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.72 Odour units (ouE/m3. P98)     

geurconcentratie als aantallen Europese odour units in een volume-eenheid lucht (ouE/m3), gemeten volgens de NEN-EN 13725:2003 'Luchtbepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie'; voor de geurbelasting wordt uitgegaan van het gebruikelijke 98-percentiel geurconcentratie hetgeen betekent dat de - met een verspreidingsmodel - berekende geurconcentratie gedurende 98 procent van de tijdseenheid niet wordt overschreden.

1.73 Omgevingsplan     

bestemmingsplan met verruimde reikwijdte op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, artikel 2.4 Crisis- en herstelwet en artikel 7c Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet; het bestemmingsplan met verruimde reikwijdte bestaat uit de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.74 Omschakeling     

het omschakelen van een functie naar een andere functie die leidt tot een aanpassing op de verbeelding van de functie genoemd in artikel 19 tot en met artikel 48.

1.75 Ondergeschikte detailhandel     

detailhandel die als nevenactiviteit een duidelijke relatie heeft met de toegestane hoofdactiviteit en in ruimtelijk en functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de toegestane hoofdactiviteit.

1.76 Overig agrarisch bedrijf     

agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, (vollegrond)teeltbedrijf, paardenhouderij of glastuinbouw valt zoals witloftrekkerijen, champignonkwekerijen, wormenkwekerijen of aquacultuur.

1.77 Overkapping     

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak.

1.78 Paardenbak en vergelijkbare voorzieningen     

een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining; onder vergelijkbare voorzieningen worden verstaan paddocks (relatief kleine omheinde uitloop, veelal voorzien van een zandbodem, in aansluiting op de stalling en ten behoeve van de vrije uitloop van paarden en pony's), stap- trainingsmolens, longeercirkels en paardencarrousels.

1.79 Paardenhouderij     

een agrarisch bedrijf dat geheel of overwegend is gericht op:

  1. het houden, melken, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden en/of;
  2. het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij.

1.80 Paardrijactiviteiten     

het houden van paarden en/of pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en/of pony's in pension te stallen en te weiden.

1.81 Paardrijschool     

een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt.

1.82 Peil     

  1. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  2. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.

1.83 Permanente standplaats kampeermiddel     

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, gedurende het gehele jaar.

1.84 Platte afdekking     

een horizontaal vlak, ter afdekking van een gebouw, dat meer dan tweederde van de grondoppervlakte van het gebouw beslaat.

1.85 Plattelandswoning     

een agrarische bedrijfswoning welke gebruikt mag worden door derden die geen binding hebben met het binnen hetzelfde functievlak aanwezige agrarisch bedrijf.

1.86 Praktijkruimte     

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.

1.87 Professioneel vuurwerk     

vuurwerk, niet zijnde consumentenvuurwerk.

1.88 Recreatiewoning     

een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond.

1.89 Seizoensgebonden standplaats kampeermiddel     

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij het kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, uitsluitend gedurende het zomerseizoen.

1.90 Slopen     

het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.

1.91 Staat van Horeca-activiteiten     

de Staat van Horeca-activiteiten die van deze regels deel uitmaakt.

1.92 Staat van Bedrijfsactiviteiten     

de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt.

1.93 Standplaats voor kampeermiddel     

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.

1.94 Stacaravan     

een gebouw dat in zijn geheel kan worden verplaatst en is bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

1.95 Teeltondersteunende voorzieningen     

voorzieningen of constructies die bij agrarische bedrijven worden toegepast om weersinvloeden te matigen, arbeidsomstandigheden te bevorderen, de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te verbeteren of de kwaliteit van producten te verbeteren, nader te onderscheiden in:

  1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen die niet langer dan 6 maanden gedurende een jaar worden geplaatst, te onderscheiden in:
    1. lage tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals afdekfolies, acryldoek, insectengaas, tunnels met een bouwhoogte van niet meer dan 1.50 m;
    2. hoge tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals hagelnetten, schaduwhallen, wandelkappen en regenkappen met een bouwhoogte van meer dan 1.50 m;
  2. permanente teeltondersteunende voorzieningen, te onderscheiden in:
    1. lage permanente voorzieningen: voorzieningen zoals containervelden;
    2. hoge permanente voorzieningen: voorzieningen zoals kassen, tunnelkassen, rolkassen, gaaskassen, stellingen en regenkappen met een bouwhoogte van meer dan 1.50 m.

1.96 Toeristische standplaats kampeermiddel     

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, gedurende een zomerseizoen.

1.97 Tuincentrum     

een bedrijf, gericht op de teelt en de verhandeling van bomen, heesters, planten, bloemen en andere siergewassen en in samenhang daarmee op de verkoop van artikelen die met de tuinbewerking of de inrichting van tuinen verband houden, zoals tuingereedschap, tuinmeubilair en tuingrond.

1.98 Veehouderij     

agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en/of pelsdieren.

1.99 Verblijfsmiddelen     

de voor verblijf geschikte – al dan niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken – voer- en vaartuigen, arken, caravans, tenten en andere soortgelijke constructies, voor zover geen bouwwerken en geen kampeermiddelen zijnde.

1.100 Verkoopvloeroppervlakte     

de vloeroppervlakte van voor het publiek toegankelijke winkelruimten.

1.101 (vollegronds)teeltbedrijf     

een agrarisch bedrijf dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

1.102 Wgh-inrichting     

bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken.

1.103 Woning     

een gebouw of gedeelte van een gebouw, bestaande uit een complex van ruimten, dat is bedoeld en dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

1.104 Zijerf     

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.

1.105 Zomerseizoen     

de periode van 15 maart tot en met 31 oktober.

1.106 Zorgvuldige veehouderij     

een veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving.

Artikel 2 Wijze van meten     

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Afstand     

de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot bouwperceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2 Bouwhoogte van een antenne-installatie     

  1. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie;
  2. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie.

2.3 Bouwhoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 Dakhelling     

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.5 Breedte, lengte en diepte van een gebouw     

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.

2.6 Goothoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.7 Inhoud van een bouwwerk     

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.8 Oppervlakte van een bouwwerk     

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.9 Vloeroppervlakte     

de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

Hoofdstuk 2 Module functies     

Artikel 3 Woonwerklandschap met buurtschappen     

3.1 Gebiedsbeschrijving     

Het woonwerklandschap wordt gekenmerkt door een waardevol agrarisch cultuurlandschap dat bestaat uit afwisseling tussen open, oude akkers en de geslotenheid van linten en buurtschappen met hun karakteristieke bebouwing en beplanting. De buurtschappen zijn aangeduid met 'specifieke vorm van gemengd - buurtschap'.

Nieuwe ontwikkelingen in het woonwerklandschap dienen bij te dragen aan het behouden en/of versterken van de landschapskarakteristieken: kleinschaligheid, een grillige verkaveling, aaneengesloten beplantingselementen en open enken (open, hoger gelegen akkers). Daarnaast is het behoud/bescherming van zichtlijnen en oude (historische) structuren, zoals zandpaden en steilranden en kansen benutten voor akkerrandbeheer (kruidenrijke rand) van belang.

Een goede landschappelijke inpassing van het erf betekent een ondergeschikte positie binnen het landschappelijke raamwerk. De bebouwing mag gezien worden, maar is ondergeschikt aan aaneengesloten landschapsstructuren.

Het erf dient dan ook rijk beplant te zijn en verbonden met het landschap door houtwallen-/singels, bomenrijen, bomengroepen en/of boomgaard. Rondom de open enken (hoge akkers) dienen de erven een besloten uitstraling te hebben en aan te sluiten bij het karakter van een groene rand.

De karakteristieken van het woonwerklandschap bieden een aangename omgeving voor diverse functies. Het woonwerklandschap is daarom aangemerkt als dynamische zone. Hier is ruimte voor functies met een meer stedelijk karakter en het daarbij behorende intensiever gebruik en activiteitenpatroon.

De kwaliteit van het woonwerklandschap kan verbeterd worden door onder andere het stimuleren van initiatieven voor ontplooiing van wonen en kleinschalige bedrijvigheid alsmede initiatieven op het gebied van toerisme en recreatie. De activiteiten zijn naar aard en schaal passend in de omgeving.

De buurtschappen binnen het woonwerklandschap zijn aangeduid en worden als 'de parels van Boekel' beschouwd. De buurtschappen zijn in de loop der jaren gegroeid en zijn belangrijke structuurdragers op gemeenteniveau. De buurtschappen worden gekenmerkt door de variatie in functie en bebouwingsmassa en het landelijk en dorps karakter. Dit karakteristieke beeld dient behouden te blijven. De buurtschappen mogen niet aan elkaar groeien en dienen hun solitaire karakter te behouden. Eventuele ontwikkelingen binnen de buurtschappen moeten plaatsvinden binnen de eigenheid en karakteristiek van de structuur, dat wil zeggen kleinschalig en landelijk. Gestreefd wordt naar een vergroting van de samenhang binnen het buurtschap.

Van elk van de buurtschappen is een ruimtelijke analyse gemaakt van de opbouw van het buurtschap en de kwaliteiten of diskwaliteiten. In Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids wordt daarnaast voor elk van de buurtschappen ook een visie gepresenteerd waarin de gewenste ontwikkelingsruimte, ontwikkelingsrichting alsmede de gewenste kwaliteiten en waarden zijn beschreven. Nieuwe ontwikkelingen moeten hierbij passen danwel gelijkwaardig zijn.

Bij ontwikkelingen moet er sprake zijn van ruimtelijke kwaliteitswinst.

3.2 Toelaatbaar gebruik     

3.2.1 Huidige en rechtstreeks toelaatbare gebruik     

In het woonwerklandschap zijn toegestaan:

  1. het bestaande en toelaatbare gebruik zoals aangeduid op de verbeelding en in dit plan;
  2. agrarisch grondgebruik waaronder in ieder geval ook wordt verstaan:
    1. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met dien verstande dat deze voorzieningen niet zijn toegestaan op de gronden met de functie Groen;
    2. hobbymatig agrarisch grondgebruik, dierenweide;
    3. beweiding door manegepaarden;
    4. met dien verstande dat de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden binnen een afstand van 50 m tot Wonen niet is toegestaan;
  3. waterlopen;
  4. tuinen;
  5. in- en uitritten bij functies;
  6. de volgende nevenfuncties bij agrarische bedrijven;
    1. bewerking en/of verwerking van door het agrarisch bedrijf zelf voortgebrachte agrarische producten in maximaal 15 % van de aanwezige bedrijfsgebouwen en tot maximaal 200 m²;
    2. detailhandel in door het agrarisch bedrijf zelf voortgebrachte agrarische producten tot een verkoopvloeroppervlakte van maximaal 50 m² of zeer beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis gebonden beroep;
    3. gebruik van bestaande bouwwerken voor de stalling van caravans en kampeerauto's tot een oppervlakte van maximaal 1.000 m²;
  7. aan -huis -gebonden beroepen;
  8. overige op het moment van inwerking treding van dit plan vergunde kleinschalige bedrijfsmatige nevenactiviteiten;
  9. kleinschalig dagrecreatief medegebruik van onbebouwde gronden mits geen onevenredige aantasting van de openheid plaatsvindt;
  10. nieuwe natuurgebieden en nieuwe landschapselementen;

met dien verstande dat nieuwe open waterpartijen in het 'vogelbeheergebied' niet zijn toegestaan.

3.2.2 Verboden gebruik     

Het is verboden het bestaande gebruik zoals bedoeld in lid 3.2.1 onder a te veranderen in ander gebruik dan genoemd in lid 3.2.1 in sub b tot en met j.

Het is tevens verboden zand, specie en andere materialen en producten, op te slaan, te storten of te bergen behalve wanneer dit noodzakelijk is voor het op de toegelaten functie gerichte gebruik van de gronden.

Artikel 4 Functieverandering met melding in het woonwerklandschap met buurtschappen     

4.1 Functieverandering met melding     

Het is verboden het bestaande gebruik zoals bedoeld in lid 3.2.1 onder a en in afwijking van het bepaalde in 3.2.2, in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:

  1. de vestiging van nieuwe dagrecreatieve en verblijfsrecreatieve nevenfuncties bij agrarische bedrijven en Wonen;
  2. de vestiging van nieuwe kleinschalige agrarisch aanverwante, horecamatige of anderszins bedrijfsmatige nevenactiviteiten;
  3. de vestiging van een bedrijf uit categorie 3.1 of 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten op een locatie waar de bestaande functie een Bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is;
  4. de aanleg van lage permanente teeltondersteunende voorzieningen.

4.2 Beoordelingsregels functieverandering     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  2. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
  3. de omvang van de nevenfunctie gelet op de ruimtelijke uitstraling (aard van de activiteit, het daadwerkelijke fysieke ruimtegebruik en de verschijningsvorm) is en blijft ondergeschikt aan de hoofdfunctie;
  4. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen van de melding wordt de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  5. de activiteiten mogen geen onevenredige beperkingen veroorzaken voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijvigheid in de omgeving;
  6. de milieubelasting van het bedrijf uit categorie 3.1 of 3.2 is vergelijkbaar met de milieubelasting van een bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; bij het indienen van de melding wordt de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;

beoordelingregels dag- en verblijfsrecreatieve nevenfuncties:

  1. er vindt geen onevenredige aantasting van de openheid plaats;
  2. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  3. er worden niet meer dan 25 standplaatsen voor seizoensgebonden verblijfsrecreatie gerealiseerd;
  4. bij de realisering van standplaatsen voor seizoensgebonden verblijfsrecreatie wordt tevens voorzien in parkeren op eigen erf;
  5. bij de realisering van overnachtingsmogelijkheden in woningen of bijgebouwen wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 3;

beoordelingsregels aanleg lage permanente teeltondersteunende voorzieningen:

  1. de voorzieningen zijn noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en de continuïteit van het agrarische bedrijf; hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  2. bijbehorende voorzieningen zoals een waterbassin zijn toegestaan;
  3. kassen zijn niet toegestaan;
  4. de voorzieningen worden aansluitend aan Bebouwd gebied met de functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, gerealiseerd;
  5. de omvang van de voorzieningen bedraagt per functievlak Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf ten hoogste 3 ha;
  6. de voorziening mag uitsluitend worden gerealiseerd indien op de aansluitende functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf in fysiek opzicht geen effectieve ruimte meer aanwezige is voor de realisering;
  7. de voorzieningen doen geen onevenredige afbreuk aan de landschappelijke en ecologische waarden ter plaatse;
  8. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  9. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen.

4.3 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

4.4 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 4.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

Alvorens de gelijkwaardige maatregel wordt getroffen, dient deze te worden gemeld bij burgemeester en wethouders, onder overlegging van gegevens waaruit de gelijkwaardigheid blijkt.

4.5 Procedureregel melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met onderbouwing dat aan de voorwaarden wordt voldaan wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket;
  2. burgemeester en wethouders reageren binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de volledige, onderbouwde melding met:
    1. een akkoordverklaring van de melding of;
    2. een afwijzing van de melding hetgeen betekent dat de voorgenomen activiteit niet is toegestaan;
  3. indien burgemeester en wethouders niet binnen de gestelde termijn reageren, is artikel 4:20 b tot en met 4:20 f Awb van toepassing (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen).

Artikel 5 Functieverandering met afwijking in woonwerklandschap met buurtschappen     

5.1 Afwijking van verbod op functiewijziging     

Omgevingsvergunning om van het bepaalde in lid 3.2.2 af te wijken wordt door het bevoegd gezag verleend voor de volgende functies:

  1. de vestiging van een Bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Wonen, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca of Detailhandel is of wordt beëindigd;
  2. het gebruik ten behoeve van Wonen op de locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Bedrijf, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca- of Detailhandel is of - in samenhang met de toepassing van de afwijking - wordt beëindigd en een bedrijfswoning aanwezig is;
  3. vergroting van de oppervlakte in gebruik voor Wonen tot een oppervlakte van maximaal 1.500 m²;
  4. de realisering van een bedrijfwoning bij bedrijven en instellingen waar nog geen bedrijfswoning aanwezig is of de realisering van een tweede bedrijfswoning op locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf of Agrarisch bedrijf - paardenhouderij is;
  5. de vestiging van een Agrarisch bedrijf - paardenhouderij op de locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - veehouderij is of wordt beëindigd.

5.2 Beoordelingsregels afwijking     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. met het indienen van een aanvraag om toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid wordt een volledige onderbouwing op basis van de beoordelingsregels overlegd en de relevante gegevens en bescheiden verstrekt;
  2. de genoemde functies zijn toegestaan mits passend binnen de in lid 3.1 beschreven ruimtelijke kwaliteiten;
  3. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  4. de landschappelijke inpassing wordt als voorwaardelijke bepaling aan de omgevingsvergunning gekoppeld;
  5. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;

beoordelingsregels bij woonfuncties:

  1. het aantal woningen wordt niet uitgebreid tenzij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder 5.1 onder d;
  2. een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd;
  3. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  4. de oppervlakte van de gronden in gebruik voor Wonen zal kleiner moeten zijn dan het functievlak Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Bedrijf, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca- of Detailhandel; dit wordt in de omgevingsvergunning vastgelegd;
  5. indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder 5.1 onder d is de nut en noodzaak van de (tweede) bedrijfswoning voor een doelmatige bedrijfsvoering en voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van het volwaardige bedrijf aangetoond; hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  6. voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden of een vast te stellen hogere grenswaarde voor geluid van wegverkeer;
  7. er worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegestaan binnen de 35 Ke contour van vliegveld Volkel;
  8. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  9. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  10. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;

beoordelingsregels bij nieuwe bedrijven en nieuwe paardenhouderijen:

  1. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  2. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  3. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  4. de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van de verkeerstoename;
  5. de bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde functie;
  6. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed.

5.3 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

5.4 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 5.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

Artikel 6 Functieverandering met delegatie in het woonwerklandschap met buurtschappen     

6.1 Functiewijziging     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor:

  1. de uitbreiding (vormverandering en vergroting van de oppervlakte in gebruik) van de bestaande functies;
  2. omschakeling naar functies met een meer stedelijk karakter en het daarbij behorende intensiever gebruik en activiteitenpatroon waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de variatie in wonen, werken en recreëren; omschakeling naar Agrarisch bedrijf - veehouderij of Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf kan hier niet aan bedragen en is daarmee niet toegestaan;
  3. nieuwvestiging van functies met een meer stedelijk karakter en het daarbij behorende intensiever gebruik en activiteitenpatroon waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de variatie in wonen, werken en recreëren, in combinatie met sanering elders; de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf kan hier niet aan bijdragen en is daarmee niet toegestaan;
  4. het met enige regelmaat verwerken van verleende afwijkingen zoals bedoeld in 5 en 72;
  5. de aanpassing van de wegenstructuur;
  6. het in combinatie met de wijzigingen genoemd in a tot en met e, indien nodig en voor zover relevant, aanpassen of wijziging van de vlakken Open gebied en Bebouwd gebied, Bouwen - woningen, Bouwen - bijgebouwen bij woningen, Bouwen - recreatiewoningen, Bouwen - kassen, Bouwen - ondersteunende kassen, Bouwen - bedrijfs- of dienstwoningen, Bouwen - overige niet- agrarische bebouwing, Bouwen - agrarische bedrijfsbebouwing, Bouwen - nevenactiviteiten, Bouwen - motorcrossterrein, Bouwen - zendmast of Bouwen - vab's.

6.2 Beoordelingsregels delegatie     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. de ontwikkeling is toegestaan mits passend binnen de in lid 3.1 beschreven ruimtelijke kwaliteiten en de beschrijving buurtschappen uit Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids;
  2. de voorgenomen functies mogen niet ten koste gaan van de leefbaarheid en het benodigde voorzieningen niveau van de dorpen;
  3. er kan geen nieuwvestiging van of omschakeling naar bedrijven plaatsvinden die, gelet op de milieubelasting, verkeersaantrekkende werking en/of ruimtelijke uitstraling, op het bedrijventerrein in het komgebied thuis horen;
  4. voor zover sprake is van een functie waarbij doorgaans meerdere personen gedurende de gehele dag aanwezig zijn kan er ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gerealiseerd;
  5. de waardevolle open ruimtes tussen de (cultuurhistorisch waardevolle) linten en aangeduide buurtschappen ('open kamers') blijven gehandhaafd en worden waar mogelijk versterkt; linten en buurtschappen blijven als losse elementen herkenbaar;
  6. de doorzichten vanuit de omliggende structuren op de open ruimtes blijven gehandhaafd; indien mogelijk kunnen nieuwe doorzichten worden gerealiseerd;
  7. de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van de verkeerstoename en de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
  8. de kwaliteit van het landschap zoals beschreven in Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids wordt niet aangetast;
  9. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van natuurwaarden;
  10. er is sprake van ruimtelijke kwaliteitswinst zoals opgenomen in Vitaal Buitengebied Boekel hetgeen tot uitdrukking komt in:
    1. een goede landschappelijke inpassing die:
    2. en/of de ontwikkeling levert een bijdrage aan de kwaliteit van het landschap in brede zin, zoals bijvoorbeeld in de vorm van sloop van overtollige bebouwing, herstel en opwaardering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en/of structuren, beëindiging van functies die de kwaliteit van het landschap aantasten of de aanleg van recreatieve paden;
    3. en - indien ruimtelijke kwaliteitswinst in onvoldoende mate bereikt kan worden met het bepaalde onder 1 en 2: ruimtelijke kwaliteitswinst zoals aangegeven in Vitaal Buitengebied Boekel, waardering;

beoordelingsregels bij bedrijfsmatige ontwikkelingen (zoals agrarische bedrijven, bedrijven, recreatie-, detailhandels- of horecabedrijven):

  1. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  2. aan omschakeling naar of de nieuwvestiging van recreatieve ontwikkelingen ligt een (recreatieve) gebiedsvisie ten grondslag die aantoont dat de ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van het toeristisch recreatieve product van Boekel en omgeving;
  3. het functievlak in gebruik voor Bedrijf mag niet groter zijn dan 5.000 m², tenzij er een sterke locatiegebondenheid kan worden aangetoond;
  4. een functievlak in gebruik voor Bedrijf mag ten hoogste voor een bedrijf uit de categorie 3.1 of 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden gebruikt;
  5. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  6. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  7. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  8. de bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde functie;
  9. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed;
  10. er is geen sprake van ontoelaatbare radarverstoring;
  11. indien sprake is van een nieuwe bedrijfswoning, gelden tevens de beoordelingsregels bij nieuwe woonfuncties;

overige beoordelingsregels bij agrarische bedrijven:

  1. nut en noodzaak zijn aangetoond en hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  2. functievlakken voor Agrarisch bedrijf - veehouderij en Agrarisch bedrijf - paardenhouderij zijn niet groter dan 1,5 ha;
  3. functievlakken voor Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf zijn niet groter dan 3,5 ha met uitzondering van glastuinbouwbedrijven die gelegen zijn in de aangeduide 'specifieke vorm van agrarisch - doorgroeilocatie glastuinbouw';
  4. aan de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven naar een oppervlakte van meer dan 3,5 ha in de aangeduide 'specifieke vorm van agrarisch - doorgroeilocatie glastuinbouw' ligt een integrale visie voor het gehele doorgroeigebied ten grondslag waarin ruimtelijke kwaliteit, milieuaspecten, bodem, water, landschappelijke inpassing en andere relevante aspecten aan de orde komen; aangetoond wordt dat de uitbreiding aanvaardbaar is en past in deze visie;

beoordelingsregels bij woonfuncties:

  1. indien medewerking wordt gevraagd en verleend voor een plattelandswoning dan wordt geen functievlak Wonen toegekend maar een specifieke aanduiding binnen de agrarische functie;
  2. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  3. voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden of een vast te stellen hogere grenswaarde voor geluid van wegverkeer;
  4. er worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegestaan binnen de 35 Ke contour van vliegveld Volkel;
  5. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  6. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  7. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  8. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;

beoordelingsregels bij verkeersfuncties:

  1. binnen de wettelijke geluidzone zijn geen geluidsgevoelige functies aanwezig danwel ter plaatse van geluidsgevoelige functies wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde;
  2. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;

beoordelingsregels bij nieuwvestiging:

  1. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  2. er is sprake van een hoeveelheid, binnen de gemeentegrens te saneren bebouwing die ten minste gelijkwaardig is aan de nieuw op te richten bebouwing; bij de toepassing van het bepaalde onder j zal derhalve ook sprake moeten zijn van sloop;
  3. voor de toelaatbaarheid van nieuwe woningen is de beleidsregel Ruimte voor ruimte van toepassing.

Artikel 7 Beekdal met aansluitend open agrarisch landschap     

7.1 Gebiedsbeschrijving     

Het beekdal en het aansluitende open agrarisch (weide)landschap wordt gekenmerkt door openheid met slechts enkele houtsingels en relatief weinig bebouwing. De hoofdwatergangen Aa en de Leijgraaf vormen, samen met de oost-west georiënteerde waterlopen een robuust (oppervlakte - en grond)watersysteem. De ontginningslinten zijn overwegend noord-zuid georiënteerd, in combinatie met een oost-west oriëntatie van de waterlopen. Bomenlanen en houtsingels zijn overwegend haaks op de waterlopen aangelegd.

Nieuwe ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het behouden en/of versterken van de landschapskarakteristieken: relatieve openheid, een rationele (stroken)verkaveling, rechtlijnige landschapselementen en het natte karakter. Behoud/versterking van openheid rondom waterlopen, zichtbaarheid van waterloop vergroten door begeleiding met wilgen en kansen benutten voor (natte) natuurontwikkeling (bijv. rietkragen) zijn voor het beekdallandschap van belang. Nieuwe ontwikkelingen dienen recht te doen aan de openheid in het beekdal.

Een functionele inrichting van het erf past bij de eigenschappen van het landschap. Een rijk beplant voorerf (woonzone) aan het lint en het bedrijfskavel daarachter. De woonzone kent een groene inrichting met een moestuin of boomgaard, hagen en of solitaire (monumentale) bomen. Het bedrijfskavel is landschappelijke ingepast. De bebouwing mag gezien worden, maar dient niet beeldbepalend te zijn. Een bomenrij of houtsingel haaks op het ontginningslint (veelal de lange zijde van het erf), kan al voldoende zijn.

De karakteristieken van het beekdal met aangrenzende open landschap bieden potentie voor een mix van functies. Vooral voor (natte) natuurontwikkeling en daaraan gerelateerde functies (zoals recreatieve en biologische functies) biedt dit landschap uitstekende mogelijkheden.

Het beekdal met aansluitend open agrarisch landschap is aangemerkt als zone in de luwte. In eerste instantie is hier ruimte voor grondgebonden landbouw, wonen en nevenfuncties bij landbouw en wonen: (agro)toerisme en kleinschalige verblijfsrecreatie.

De kwaliteit van het beekdal en aangrenzend open agrarisch landschap kan verbeterd worden door onder andere het stimuleren van initiatieven voor plattelandsverbreding alsmede initiatieven op het gebied van toerisme en recreatie.

Bij ontwikkelingen moet er sprake zijn van ruimtelijke kwaliteitswinst.

7.2 Toelaatbaar gebruik     

7.2.1 Huidige en rechtstreeks toelaatbare gebruik     

In het beekdal met aansluitend open agrarisch landschap met buurtschappen zijn toegestaan:

  1. het bestaande en toelaatbare gebruik zoals aangeduid op de verbeelding en in dit plan;
  2. agrarisch grondgebruik waaronder in ieder geval ook wordt verstaan:
    1. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met dien verstande dat deze voorzieningen niet zijn toegestaan op de gronden met de functie Groen;
    2. hobbymatig agrarisch grondgebruik, dierenweide;
    3. beweiding door manegepaarden;
    4. met dien verstande dat de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden binnen een afstand van 50 m tot Wonen niet is toegestaan;
  3. waterlopen;
  4. tuinen;
  5. in- en uitritten bij functies;
  6. de volgende nevenfuncties bij agrarische bedrijven;
    1. bewerking en/of verwerking van door het agrarisch bedrijf zelf voortgebrachte agrarische producten in maximaal 15 % van de aanwezige bedrijfsgebouwen en tot maximaal 200 m²;
    2. detailhandel in door het agrarisch bedrijf zelf voortgebrachte agrarische producten tot een verkoopvloeroppervlakte van maximaal 50 m² of zeer beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis gebonden beroep;
    3. gebruik van bestaande bouwwerken voor de stalling van caravans en kampeerauto's tot een oppervlakte van maximaal 1.000 m²;
  7. aan -huis -gebonden beroepen;
  8. overige op het moment van inwerking treding van dit plan vergunde kleinschalige bedrijfsmatige nevenactiviteiten;
  9. kleinschalig dagrecreatief medegebruik van onbebouwde gronden mits geen onevenredige aantasting van de openheid plaatsvindt;
  10. nieuwe natuurgebieden en nieuwe landschapselementen;

met dien verstande dat nieuwe open waterpartijen in het 'vogelbeheergebied' niet zijn toegestaan.

7.2.2 Verboden gebruik     

Het is verboden het bestaande gebruik zoals bedoeld in lid 7.2.1 onder a te veranderen in ander gebruik dan genoemd in lid 7.2.1 in sub b tot en met j.

Het is tevens verboden zand, specie en andere materialen en producten, op te slaan, te storten of te bergen behalve wanneer dit noodzakelijk is voor het op de toegelaten functie gerichte gebruik van de gronden.

Artikel 8 Functieveranderingmet melding in beekdal met aangrenzend open agrarisch gebied     

8.1 Functieverandering met melding     

Het is verboden het bestaande gebruik zoals bedoeld in lid 7.2.1 onder a en in afwijking van het bepaalde in 7.2.2, in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:

  1. de vestiging van nieuwe dagrecreatieve en verblijfsrecreatieve nevenfuncties bij agrarische bedrijven en Wonen;
  2. de vestiging van nieuwe kleinschalige agrarisch aanverwante, horecamatige of anderszins bedrijfsmatige nevenactiviteiten;
  3. de vestiging van een bedrijf uit categorie 3.1 of 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten op een locatie waar de bestaande functie een Bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is;
  4. de aanleg van lage permanente teeltondersteunende voorzieningen.

8.2 Beoordelingsregels functieverandering     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  2. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
  3. de omvang van de nevenfunctie gelet op de ruimtelijke uitstraling (aard van de activiteit, het daadwerkelijke fysieke ruimtegebruik en de verschijningsvorm) is en blijft ondergeschikt aan de hoofdfunctie;
  4. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen van de melding wordt de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  5. de activiteiten mogen geen onevenredige beperkingen veroorzaken voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijvigheid in de omgeving;
  6. de milieubelasting van het bedrijf uit categorie 3.1 of 3.2 is vergelijkbaar met de milieubelasting van een bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; bij het indienen van de melding wordt de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;

beoordelingregels dag- en verblijfsrecreatieve nevenfuncties:

  1. er vindt geen onevenredige aantasting van de openheid plaats;
  2. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  3. er worden niet meer dan 25 standplaatsen voor seizoensgebonden verblijfsrecreatie gerealiseerd;
  4. bij de realisering van standplaatsen voor seizoensgebonden verblijfsrecreatie wordt tevens voorzien in parkeren op eigen erf;
  5. bij de realisering van overnachtingsmogelijkheden in woningen of bijgebouwen wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 3;

beoordelingsregels aanleg lage permanente teeltondersteunende voorzieningen:

  1. de voorzieningen zijn noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en de continuïteit van het agrarische bedrijf; hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  2. bijbehorende voorzieningen zoals een waterbassin zijn toegestaan;
  3. kassen zijn niet toegestaan;
  4. de voorzieningen worden aansluitend aan Bebouwd gebied met de functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, gerealiseerd;
  5. de omvang van de voorzieningen bedraagt per functievlak Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf ten hoogste 3 ha;
  6. de voorziening mag uitsluitend worden gerealiseerd indien op de aansluitende functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf in fysiek opzicht geen effectieve ruimte meer aanwezige is voor de realisering;
  7. de voorzieningen doen geen onevenredige afbreuk aan de landschappelijke en ecologische waarden ter plaatse;
  8. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  9. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen.

8.3 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

8.4 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 8.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het voorschrift door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

Alvorens de gelijkwaardige maatregel wordt getroffen, dient deze te worden gemeld bij burgemeester en wethouders, onder overlegging van gegevens waaruit de gelijkwaardigheid blijkt.

8.5 Procedureregel melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met onderbouwing dat aan de voorwaarden wordt voldaan wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket;
  2. burgemeester en wethouders reageren binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de volledige, onderbouwde melding met:
    1. een akkoordverklaring van de melding of;
    2. een afwijzing van de melding hetgeen betekent dat de voorgenomen activiteit niet is toegestaan;
  3. indien burgemeester en wethouders niet binnen de gestelde termijn reageren, is artikel 4:20 b tot en met 4:20 f Awb van toepassing (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen).

Artikel 9 Functieverandering met afwijking in beekdal met aangrenzend open agrarisch gebied     

9.1 Afwijking van verbod op functiewijziging     

Omgevingsvergunning om van het bepaalde in lid 7.2.2 af te wijken wordt door het bevoegd gezag verleend voor de volgende functies:

  1. de vestiging van een Bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Wonen, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca- of Detailhandel is of wordt beëindigd;
  2. het gebruik ten behoeve van Wonen op de locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Bedrijf, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca- of Detailhandel is of - in samenhang met de toepassing van de afwijking - wordt beëindigd en een bedrijfswoning aanwezig is;
  3. vergroting van de oppervlakte in gebruik voor Wonen tot een oppervlakte van maximaal 1.500 m²;
  4. de realisering van een bedrijfwoning bij bedrijven en instellingen waar nog geen bedrijfswoning aanwezig is of de realisering van een tweede bedrijfswoning op locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij is;
  5. de vestiging van een Agrarisch bedrijf - paardenhouderij op de locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - veehouderij is of wordt beëindigd;
  6. de aanleg van recreatieve wandel-, fiets- of ruiterpaden.

9.2 Beoordelingsregels afwijking     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. met het indienen van een aanvraag om toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid wordt een volledige onderbouwing op basis van de beoordelingsregels overlegd en de relevante gegevens en bescheiden verstrekt;
  2. de genoemde functies zijn toegestaan mits passend binnen de in lid 7.1 beschreven ruimtelijke kwaliteiten;
  3. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  4. de landschappelijke inpassing wordt als voorwaardelijke bepaling aan de omgevingsvergunning gekoppeld;
  5. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;

beoordelingsregels bij woonfuncties:

  1. het aantal woningen wordt niet uitgebreid tenzij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder 9.1 onder d;
  2. een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd;
  3. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  4. de oppervlakte van de gronden in gebruik voor Wonen zal kleiner moeten zijn dan het functievlak Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Bedrijf, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca of Detailhandel; dit wordt in de omgevingsvergunning vastgelegd;
  5. indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder 9.1 onder d is de nut en noodzaak van de (tweede) bedrijfswoning voor een doelmatige bedrijfsvoering en voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van het volwaardige bedrijf aangetoond; hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  6. voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden of een vast te stellen hogere grenswaarde voor geluid van wegverkeer;
  7. er worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegestaan binnen de 35 Ke contour van vliegveld Volkel;
  8. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  9. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  10. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;

beoordelingsregels bij nieuwe bedrijven en nieuwe paardenhouderijen:

  1. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  2. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  3. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  4. de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van de verkeerstoename;
  5. de bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde functie;
  6. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed;

beoordelingsregels bij recreatieve routes:

  1. omliggende functies en percelen worden niet onevenredig in hun activiteiten en ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  2. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen.

9.3 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

9.4 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 9.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het voorschrift door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

Artikel 10 Functieverandering met delegatie in beekdal, met aangrenzend open agrarisch gebied     

10.1 Functiewijziging     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor:

  1. de uitbreiding (vormverandering en vergroting van de oppervlakte in gebruik) van de bestaande functies;
  2. omschakeling naar andere functies met behoud van de balans tussen wonen, werken en recreëren; omschakeling naar Agrarisch bedrijf - veehouderij of Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf kan hier niet aan bedragen en is daarmee niet toegestaan;
  3. het met enige regelmaat verwerken van verleende afwijkingen zoals bedoeld in 9 en 72;
  4. het aanpassen van de wegenstructuur;
  5. het in combinatie met de wijzigingen genoemd in a en d, indien nodig en voor zover relevant, aanpassen van de vlakken Open gebied en Bebouwd gebied, Bouwen - woningen, Bouwen - bijgebouwen bij woningen, Bouwen - recreatiewoningen, Bouwen - kassen, Bouwen - ondersteunende kassen, Bouwen - bedrijfs- of dienstwoningen, Bouwen - overige niet- agrarische bebouwing, Bouwen - agrarische bedrijfsbebouwing, Bouwen - nevenactiviteiten of Bouwen - vab's.

10.2 Beoordelingsregels delegatie     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. de ontwikkeling is toegestaan mits passend binnen de in lid 7.1 beschreven ruimtelijke kwaliteiten uit Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids;
  2. de voorgenomen functies mogen niet ten koste gaan van de leefbaarheid en het benodigde voorzieningen niveau van de dorpen;
  3. er kan geen omschakeling naar bedrijven plaatsvinden die, gelet op de milieubelasting, verkeersaantrekkende werking en/of ruimtelijke uitstraling, op het bedrijventerrein in het komgebied thuis horen;
  4. voor zover sprake is van een functie waarbij doorgaans meerdere personen gedurende de gehele dag aanwezig zijn kan er ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gerealiseerd;
  5. de doorzichten vanuit de omliggende structuren op de open ruimtes blijven gehandhaafd; indien mogelijk kunnen nieuwe doorzichten worden gerealiseerd;
  6. de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van de verkeerstoename en de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
  7. de kwaliteit van het landschap zoals beschreven in Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids wordt niet aangetast;
  8. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van natuurwaarden;
  9. er is sprake van ruimtelijke kwaliteitswinst zoals opgenomen in Vitaal Buitengebied Boekel hetgeen tot uitdrukking komt in:
    1. een goede landschappelijke inpassing die:
    2. en/of de ontwikkeling levert een bijdrage aan de kwaliteit van het landschap in brede zin, zoals bijvoorbeeld in de vorm van sloop van overtollige bebouwing, herstel en opwaardering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en /of structuren, beëindiging van functies die de kwaliteit van het landschap aantasten of de aanleg van recreatieve paden;
    3. en - indien ruimtelijke kwaliteitswinst in onvoldoende mate bereikt kan worden met het bepaalde onder 1 en 2: ruimtelijke kwaliteitswinst zoals aangegeven in Vitaal Buitengebied Boekel, waardering;

beoordelingsregels bij bedrijfsmatige ontwikkelingen (zoals agrarische bedrijven, bedrijven, recreatie-, detailhandels- of horecabedrijven):

  1. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  2. het functievlak in gebruik voor Bedrijf mag niet groter zijn dan 5.000 m², tenzij er een sterke locatiegebondenheid kan worden aangetoond;
  3. een functievlak in gebruik voor Bedrijf mag ten hoogste voor een bedrijf uit de categorie 3.1 of 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden gebruikt;
  4. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  5. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  6. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  7. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;
  8. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed;
  9. er is geen sprake van ontoelaatbare radarverstoring;
  10. indien sprake is van een nieuwe bedrijfswoning, gelden tevens de beoordelingsregels bij nieuwe woonfuncties;

overige beoordelingsregels bij agrarische bedrijven:

  1. nut en noodzaak zijn aangetoond en hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  2. functievlakken voor Agrarisch bedrijf - veehouderij en Agrarisch bedrijf - paardenhouderij zijn niet groter dan 1,5 ha;
  3. functievlakken voor Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf zijn niet groter dan 3,5 ha met uitzondering van glastuinbouwbedrijven die gelegen zijn in de aangeduide 'specifieke vorm van agrarisch - doorgroeilocatie glastuinbouw';
  4. aan de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven naar een oppervlakte van meer dan 3,5 ha in de aangeduide 'specifieke vorm van agrarisch - doorgroeilocatie glastuinbouw' ligt een integrale visie voor het gehele doorgroeigebied ten grondslag waarin ruimtelijke kwaliteit, milieuaspecten, bodem, water, landschappelijke inpassing en andere relevante aspecten aan de orde komen; aangetoond wordt dat de uitbreiding aanvaardbaar is en past in deze visie;

beoordelingsregels bij woonfuncties:

  1. indien medewerking wordt gevraagd en verleend voor een plattelandswoning dan wordt geen functievlak Wonen toegekend maar een specifieke aanduiding binnen de agrarische functie;
  2. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  3. voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden of een vast te stellen hogere grenswaarde voor geluid van wegverkeer;
  4. er worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegestaan binnen de 35 Ke contour van vliegveld Volkel;
  5. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  6. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  7. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  8. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;
  9. er is geen sprake van ontoelaatbare radarverstoring;

beoordelingsregels bij verkeersfuncties:

  1. binnen de wettelijke geluidzone zijn geen geluidsgevoelige functies aanwezig danwel ter plaatse van geluidsgevoelige functies wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde;
  2. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen.

Artikel 11 Agrarisch landschap     

11.1 Gebiedsbeschrijving     

Het agrarisch landschap wordt gekenmerkt door - direct ten oosten van Boekel - min of meer half gesloten landschap, getypeerd door lange en korte zichtlijnen, laanbeplanting, houtwallen en singelbeplantingen waarbij in oostelijke richting het: wegen- en verkavelingspatroon steeds rationeler wordt en het landschap relatief grootschaliger. Er is sprake van een rationele verkaveling van blokvormige en rechthoekige kavels en erven aan ontginningslinten. De erven en woonzone van bedrijven zijn doorgaans aan de ontginningslinten gelegen; de bedrijfsbebouwing ligt veelal achter de woonzone. De landschappelijke beplanting bestaat voornamelijk uit bomenlanen die de weidsheid onderbreken en rijk beplante erven.

Nieuwe ontwikkelingen bij jonge ontginningen dienen bij te dragen aan het behouden en/of versterken van de landschapskarakteristieken: openheid, rationele verkaveling en bomenlanen. Het behoud van oude restanten van woeste gronden en bosjes is belangrijk.

Een functionele inrichting van het erf past bij de eigenschappen van het landschap: een rijk beplant voorerf (woonzone) aan het lint en het bedrijfskavel daarachter. De bedrijfsgebouwen blijven daardoor op afstand van het lint. De bebouwing mag gezien worden, maar dient niet beeldbepalend te zijn. Een bomenrij of houtsingel haaks op het ontginningslint (veelal de lange zijde van het erf), kan al voldoende zijn. De woonzone kent een groene inrichting met een moestuin of boomgaard, hagen en of solitaire (monumentale) bomen.

Het agrarisch landschap is aangemerkt als zone in de luwte. In eerste instantie is hier ruimte voor grondgebonden landbouw, wonen en nevenfuncties bij landbouw en wonen: (agro)toerisme en kleinschalige verblijfsrecreatie.

De kwaliteit van het agrarisch landschap kan verbeterd worden door onder andere het stimuleren van initiatieven voor plattelandsverbreding alsmede initiatieven op het gebied van toerisme en recreatie, in combinatie met de ontwikkeling van natuur.

11.2 Toelaatbaar gebruik     

11.2.1 Huidige en rechtstreeks toelaatbare gebruik     

In het agrarisch landschap zijn toegestaan:

  1. het bestaande en toelaatbare gebruik zoals aangeduid op de verbeelding en in dit plan;
  2. agrarisch grondgebruik waaronder in ieder geval ook wordt verstaan:
    1. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met dien verstande dat deze voorzieningen niet zijn toegestaan op de gronden met de functie Groen;
    2. hobbymatig agrarisch grondgebruik, dierenweide;
    3. beweiding door manegepaarden;
    4. met dien verstande dat de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden binnen een afstand van 50 m tot Wonen niet is toegestaan;
  3. waterlopen;
  4. tuinen;
  5. in- en uitritten bij functies;
  6. de volgende nevenfuncties bij agrarische bedrijven;
    1. bewerking en/of verwerking van door het agrarisch bedrijf zelf voortgebrachte agrarische producten in maximaal 15 % van de aanwezige bedrijfsgebouwen en tot maximaal 200 m²;
    2. detailhandel in door het agrarisch bedrijf zelf voortgebrachte agrarische producten tot een verkoopvloeroppervlakte van maximaal 50 m² of zeer beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis gebonden beroep;
    3. gebruik van bestaande bouwwerken voor de stalling van caravans en kampeerauto's tot een oppervlakte van maximaal 1.000 m²;
  7. aan -huis -gebonden beroepen;
  8. overige op het moment van inwerking treding van dit plan vergunde kleinschalige bedrijfsmatige nevenactiviteiten;
  9. kleinschalig dagrecreatief medegebruik van onbebouwde gronden mits geen onevenredige aantasting van de openheid plaatsvindt;
  10. nieuwe natuurgebieden en nieuwe landschapselementen;

met dien verstande dat nieuwe open waterpartijen in het 'vogelbeheergebied' niet zijn toegestaan.

11.2.2 Specifieke regels voor het gebruik     

Voor het in 11.2.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het waterbergend vermogen van de aangeduide waterberging mag niet worden verkleind.

11.2.3 Verboden gebruik     

Het is verboden het bestaande gebruik zoals bedoeld in lid 11.2.1 onder a te veranderen in ander gebruik dan genoemd in lid 11.2.1 in sub b tot en met j.

Het is tevens verboden zand, specie en andere materialen en producten, op te slaan, te storten of te bergen behalve wanneer dit noodzakelijk is voor het op de toegelaten functie gerichte gebruik van de gronden.

Artikel 12 Functieverandering met melding in het agrarisch landschap     

12.1 Functieverandering met melding     

Het is verboden het bestaande gebruik zoals bedoeld in lid 11.2.1 onder a en in afwijking van het bepaalde in 11.2.3, in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:

  1. de vestiging van nieuwe dagrecreatieve en verblijfsrecreatieve nevenfuncties bij agrarische bedrijven en Wonen;
  2. de vestiging van nieuwe kleinschalige agrarisch aanverwante, horecamatige of anderszins bedrijfsmatige nevenactiviteiten;
  3. de vestiging van een bedrijf uit categorie 3.1 of 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten op een locatie waar de bestaande functie een Bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is;
  4. de aanleg van lage permanente teeltondersteunende voorzieningen.

12.2 Beoordelingsregels functieverandering     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  2. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
  3. de omvang van de nevenfunctie gelet op de ruimtelijke uitstraling (aard van de activiteit, het daadwerkelijke fysieke ruimtegebruik en de verschijningsvorm) is en blijft ondergeschikt aan de hoofdfunctie;
  4. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen van de melding wordt de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  5. de activiteiten mogen geen onevenredige beperkingen veroorzaken voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijvigheid in de omgeving;
  6. de milieubelasting van het bedrijf uit categorie 3.1 of 3.2 is vergelijkbaar met de milieubelasting van een bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; bij het indienen van de melding wordt de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;

beoordelingregels dag- en verblijfsrecreatieve nevenfuncties:

  1. er vindt geen onevenredige aantasting van de openheid plaats;
  2. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  3. er worden niet meer dan 25 standplaatsen voor seizoensgebonden verblijfsrecreatie gerealiseerd;
  4. bij de realisering van standplaatsen voor seizoensgebonden verblijfsrecreatie wordt tevens voorzien in parkeren op eigen erf;
  5. bij de realisering van overnachtingsmogelijkheden in woningen of bijgebouwen wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 3;

beoordelingsregels aanleg lage permanente teeltondersteunende voorzieningen:

  1. de voorzieningen zijn noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en de continuïteit van het agrarische bedrijf; hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  2. bijbehorende voorzieningen zoals een waterbassin zijn toegestaan;
  3. kassen zijn niet toegestaan;
  4. de voorzieningen worden aansluitend aan Bebouwd gebied met de functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, gerealiseerd;
  5. de omvang van de voorzieningen bedraagt per functievlak Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf ten hoogste 3 ha;
  6. de voorziening mag uitsluitend worden gerealiseerd indien op de aansluitende functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf in fysiek opzicht geen effectieve ruimte meer aanwezige is voor de realisering;
  7. de voorzieningen doen geen onevenredige afbreuk aan de landschappelijke en ecologische waarden ter plaatse;
  8. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  9. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen.

12.3 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

12.4 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 12.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het voorschrift door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

Alvorens de gelijkwaardige maatregel wordt getroffen, dient deze te worden gemeld bij burgemeester en wethouders, onder overlegging van gegevens waaruit de gelijkwaardigheid blijkt.

12.5 Procedureregel melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met onderbouwing dat aan de voorwaarden wordt voldaan wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket;
  2. burgemeester en wethouders reageren binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de volledige, onderbouwde melding met:
    1. een akkoordverklaring van de melding of;
    2. een afwijzing van de melding hetgeen betekent dat de voorgenomen activiteit niet is toegestaan;
  3. indien burgemeester en wethouders niet binnen de gestelde termijn reageren, is artikel 4:20 b tot en met 4:20 f Awb van toepassing (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen).

Artikel 13 Functieverandering met afwijking in het agrarisch landschap     

13.1 Afwijking van verbod op functiewijziging     

Omgevingsvergunning om van het bepaalde in lid 11.2.3 af te wijken wordt door het bevoegd gezag verleend voor de volgende functies:

  1. de vestiging van een Bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Wonen, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca- of Detailhandel is of wordt beëindigd;
  2. het gebruik ten behoeve van Wonen op de locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Bedrijf, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca- of Detailhandel is of - in samenhang met de toepassing van de afwijking - wordt beëindigd en een bedrijfswoning aanwezig is;
  3. vergroting van de oppervlakte in gebruik voor Wonen tot een oppervlakte van maximaal 1.500 m²;
  4. de realisering van een bedrijfwoning bij bedrijven en instellingen waar nog geen bedrijfswoning aanwezig is of de realisering van een tweede bedrijfswoning op locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf of Agrarisch bedrijf - paardenhouderij is;
  5. de vestiging van een Agrarisch bedrijf - paardenhouderij op de locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - veehouderij is of wordt beëindigd.

13.2 Beoordelingsregels afwijking     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. met het indienen van een aanvraag om toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid wordt een volledige onderbouwing op basis van de beoordelingsregels overlegd en de relevante gegevens en bescheiden verstrekt;
  2. de genoemde functies zijn toegestaan mits passend binnen de in lid 11.1 beschreven ruimtelijke kwaliteiten;
  3. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  4. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;

beoordelingsregels bij woonfuncties:

  1. het aantal woningen wordt niet uitgebreid tenzij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder 13.1 onder d;
  2. een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd;
  3. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  4. de oppervlakte van de gronden in gebruik voor Wonen zal kleiner moeten zijn dan het functievlak Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Bedrijf, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca- of Detailhandel; dit wordt in de omgevingsvergunning vastgelegd;
  5. indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder 13.1 onder d is de nut en noodzaak van de (tweede) bedrijfswoning voor een doelmatige bedrijfsvoering en voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van het volwaardige bedrijf aangetoond; hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  6. voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden of een vast te stellen hogere grenswaarde voor geluid van wegverkeer;
  7. er worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegestaan binnen de 35 Ke contour van vliegveld Volkel;
  8. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  9. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  10. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;

beoordelingsregels bij nieuwe bedrijven en nieuwe paardenhouderijen:

  1. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  2. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  3. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  4. de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van de verkeerstoename;
  5. de bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde functie;
  6. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed.

13.3 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

13.4 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 13.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het voorschrift door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

Artikel 14 Functieverandering met delegatie in het agrarisch landschap     

14.1 Functiewijziging     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor:

  1. de uitbreiding (vormverandering en vergroting van de oppervlakte in gebruik) van de bestaande functies;
  2. omschakeling naar andere functies met behoud van de variatie in wonen, werken en recreëren; omschakeling naar Agrarisch bedrijf - veehouderij of Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf kan hier niet aan bedragen en is daarmee niet toegestaan;
  3. nieuwvestiging van woonfuncties waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de variatie in wonen, werken en recreëren, in combinatie met sanering elders;
  4. het met enige regelmaat verwerken van verleende afwijkingen zoals bedoeld in 13 en 72;
  5. het in combinatie met de wijzigingen genoemd in a tot en met d, indien nodig en voor zover relevant, aanpassen van de vlakken Open gebied en Bebouwd gebied, Bouwen - woningen, Bouwen - bijgebouwen bij woningen, Bouwen - recreatiewoningen, Bouwen - kassen, Bouwen - ondersteunende kassen, Bouwen - bedrijfs- of dienstwoningen, Bouwen - overige niet- agrarische bebouwing, Bouwen - agrarische bedrijfsbebouwing, Bouwen - nevenactiviteiten of Bouwen - vab's.

14.2 Beoordelingsregels delegatie     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. de ontwikkeling is toegestaan mits passend binnen de in lid 11.1 beschreven ruimtelijke kwaliteiten uit Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids;
  2. de voorgenomen functies mogen niet ten koste gaan van de leefbaarheid en het benodigde voorzieningen niveau van de dorpen;
  3. er kan geen omschakeling naar bedrijven plaatsvinden die, gelet op de milieubelasting, verkeersaantrekkende werking en/of ruimtelijke uitstraling, op het bedrijventerrein in het komgebied thuis horen;
  4. voor zover sprake is van een functie waarbij doorgaans meerdere personen gedurende de gehele dag aanwezig zijn kan er ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gerealiseerd;
  5. de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van de verkeerstoename en de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
  6. de kwaliteit van het landschap zoals beschreven in Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids wordt niet aangetast;
  7. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van natuurwaarden;
  8. er is sprake van ruimtelijke kwaliteitswinst zoals opgenomen in Vitaal Buitengebied Boekel hetgeen tot uitdrukking komt in:
    1. een goede landschappelijke inpassing die:
    2. en/of de ontwikkeling levert een bijdrage aan de kwaliteit van het landschap in brede zin, zoals bijvoorbeeld in de vorm van sloop van overtollige bebouwing, herstel en opwaardering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en /of structuren, beëindiging van functies die de kwaliteit van het landschap aantasten of de aanleg van recreatieve paden;
    3. en - indien ruimtelijke kwaliteitswinst in onvoldoende mate bereikt kan worden met het bepaalde onder 1 en 2: ruimtelijke kwaliteitswinst zoals aangegeven in Vitaal Buitengebied Boekel, waardering;

beoordelingsregels bij bedrijfsmatige ontwikkelingen (zoals agrarische bedrijven, bedrijven, recreatie-, detailhandels- of horecabedrijven):

  1. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  2. het functievlak in gebruik voor Bedrijf mag niet groter zijn dan 5.000 m², tenzij er een sterke locatiegebondenheid kan worden aangetoond;
  3. een functievlak in gebruik voor Bedrijf mag ten hoogste voor een bedrijf uit de categorie 3.1 of 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden gebruikt;
  4. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  5. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  6. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  7. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;
  8. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed;
  9. er is geen sprake van ontoelaatbare radarverstoring;
  10. indien sprake is van een nieuwe bedrijfswoning, gelden tevens de beoordelingsregels bij nieuwe woonfuncties;

overige beoordelingsregels bij agrarische bedrijven:

  1. nut en noodzaak zijn aangetoond en hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  2. functievlakken voor Agrarisch bedrijf - veehouderij en Agrarisch bedrijf - paardenhouderij zijn niet groter dan 1,5 ha;
  3. functievlakken voor Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf zijn niet groter dan 3,5 ha met uitzondering van glastuinbouwbedrijven die gelegen zijn in de aangeduide 'specifieke vorm van agrarisch - doorgroeilocatie glastuinbouw';
  4. aan de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven naar een oppervlakte van meer dan 3,5 ha in de aangeduide 'specifieke vorm van agrarisch - doorgroeilocatie glastuinbouw' ligt een integrale visie voor het gehele doorgroeigebied ten grondslag waarin ruimtelijke kwaliteit, milieuaspecten, bodem, water, landschappelijke inpassing en andere relevante aspecten aan de orde komen; aangetoond wordt dat de uitbreiding aanvaardbaar is en past in deze visie;

beoordelingsregels bij woonfuncties:

  1. indien medewerking wordt gevraagd en verleend voor een plattelandswoning dan wordt geen functievlak Wonen toegekend maar een specifieke aanduiding binnen de agrarische functie;
  2. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  3. voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden of een vast te stellen hogere grenswaarde voor geluid van wegverkeer;
  4. er worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegestaan binnen de 35 Ke contour van vliegveld Volkel;
  5. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  6. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  7. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  8. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;
  9. er is geen sprake van ontoelaatbare radarverstoring;

beoordelingsregels bij verkeersfuncties:

  1. binnen de wettelijke geluidzone zijn geen geluidsgevoelige functies aanwezig danwel ter plaatse van geluidsgevoelige functies wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde;
  2. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;

beoordelingsregels bij nieuwvestiging:

  1. er is sprake van een hoeveelheid, binnen de gemeentegrens te saneren bebouwing die ten minste gelijkwaardig is aan de nieuw op te richten bebouwing; bij de toepassing van het bepaalde onder h zal derhalve ook sprake moeten zijn van sloop;
  2. voor de toelaatbaarheid van nieuwe woningen is de beleidsregel Ruimte voor ruimte van toepassing.

Artikel 15 Bosrijke ontginningen met buurtschappen     

15.1 Gebiedsbeschrijving     

De bosrijke ontginningen worden gekenmerkt door variatie in open en besloten ruimten, natuurwaarden en bosgebieden. In landschapspark Voskuilenheuvel is het typisch open karakter van de oude Peel zichtbaar (kenmerkende vegetatie en schaapskooi). Er is sprake van een rationele verkaveling van blokvormige en rechthoekige kavels en erven aan ontginningslinten. De erven en woonzone van bedrijven zijn doorgaans aan de ontginningslinten gelegen; de bedrijfsbebouwing ligt veelal achter de woonzone. De landschappelijke beplanting bestaat voornamelijk uit bomenlanen, bospercelen en rijk beplante erven.

Nieuwe ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het behouden en/of versterken van de landschapskarakteristieken: openheid, rationele verkaveling, bomenlanen en variatie van open en besloten ruimten.

Een functionele inrichting van het erf past bij de eigenschappen van het landschap: een rijk beplant voorerf (woonzone) aan het lint en het bedrijfskavel daarachter. De bedrijfsgebouwen blijven daardoor op afstand van het lint. De bebouwing mag gezien worden, maar dient niet beeldbepalend te zijn. Een bomenrij of houtsingel haaks op het ontginningslint (veelal de lange zijde van het erf), kan al voldoende zijn. De woonzone kent een groene inrichting met een moestuin of boomgaard, hagen en of solitaire (monumentale) bomen.

De groene uitstraling van de bosrijke ontginningen vraagt om een andere soort erfbeplanting: (versterking van de) rijke erfbeplanting met bomengroepen en houtwallen/-singels.

De bosrijke ontginningen zijn aangemerkt als rust zone. In eerste instantie is hier ruimte voor grondgebonden landbouw, wonen en recreatieve ontwikkelingen in combinatie met uitbreiding van bosgebieden.

De kwaliteit van de bosrijke ontginningen kan verbeterd worden door onder andere bosontwikkeling.

De buurtschappen binnen de bosrijke ontginningen zijn aangeduid met 'specifieke vorm van gemengd - buurtschap' en worden als 'de parels van Boekel' beschouwd. De buurtschappen zijn in de loop der jaren gegroeid en zijn belangrijke structuurdragers op gemeenteniveau. De buurtschappen worden gekenmerkt door de variatie in functie en bebouwingsmassa en het landelijk en dorps karakter. Dit karakteristieke beeld dient behouden te blijven. De buurtschappen mogen niet aan elkaar groeien en dienen hun solitaire karakter te behouden. Eventuele ontwikkelingen binnen de buurtschappen moeten plaatsvinden binnen de eigenheid en karakteristiek van de structuur, dat wil zeggen kleinschalig en landelijk. Gestreefd wordt naar een vergroting van de samenhang binnen het buurtschap.

Van elk van de buurtschappen is een ruimtelijke analyse gemaakt van de opbouw van het buurtschap en de kwaliteiten of diskwaliteiten. In Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids wordt daarnaast voor elk van de buurtschappen ook een visie gepresenteerd waarin de gewenste ontwikkelingsruimte, ontwikkelingsrichting alsmede de gewenste kwaliteiten en waarden zijn beschreven.

Bij ontwikkelingen moet er sprake zijn van ruimtelijke kwaliteitswinst.

15.2 Toelaatbaar gebruik     

15.2.1 Huidige en rechtstreeks toelaatbare gebruik     

In de bosrijke ontginningen met buurtschappen zijn toegestaan:

  1. het bestaande en toelaatbare gebruik zoals aangeduid op de verbeelding en in dit plan;
  2. agrarisch grondgebruik waaronder in ieder geval ook wordt verstaan:
    1. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met dien verstande dat deze voorzieningen niet zijn toegestaan op de gronden met de functie Groen;
    2. hobbymatig agrarisch grondgebruik, dierenweide;
    3. beweiding door manegepaarden;
    4. met dien verstande dat de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden binnen een afstand van 50 m tot Wonen niet is toegestaan;
  3. waterlopen;
  4. tuinen;
  5. in- en uitritten bij functies;
  6. de volgende nevenfuncties bij agrarische bedrijven;
    1. bewerking en/of verwerking van door het agrarisch bedrijf zelf voortgebrachte agrarische producten in maximaal 15 % van de aanwezige bedrijfsgebouwen en tot maximaal 200 m²;
    2. detailhandel in door het agrarisch bedrijf zelf voortgebrachte agrarische producten tot een verkoopvloeroppervlakte van maximaal 50 m² of zeer beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis gebonden beroep;
    3. gebruik van bestaande bouwwerken voor de stalling van caravans en kampeerauto's tot een oppervlakte van maximaal 1.000 m²;
  7. aan -huis -gebonden beroepen;
  8. overige op het moment van inwerking treding van dit plan vergunde kleinschalige bedrijfsmatige nevenactiviteiten;
  9. kleinschalig dagrecreatief medegebruik van onbebouwde gronden mits geen onevenredige aantasting van de openheid plaatsvindt;
  10. nieuwe natuurgebieden en nieuwe landschapselementen;

met dien verstande dat nieuwe open waterpartijen in het 'vogelbeheergebied' niet zijn toegestaan.

15.2.2 Verboden gebruik     

Het is verboden het bestaande gebruik zoals bedoeld in lid 15.2.1 onder a te veranderen in ander gebruik dan genoemd in lid 15.2.1 in sub b tot en met j.

Het is tevens verboden zand, specie en andere materialen en producten, op te slaan, te storten of te bergen behalve wanneer dit noodzakelijk is voor het op de toegelaten functie gerichte gebruik van de gronden.

Artikel 16 Functieverandering met melding in de bosrijke ontginningen met buurtschappen     

16.1 Functieverandering met melding     

Het is verboden het bestaande gebruik zoals bedoeld in lid 15.2.1 onder a en in afwijking van het bepaalde in 15.2.2, in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:

  1. de vestiging van nieuwe dagrecreatieve en verblijfsrecreatieve nevenfuncties bij agrarische bedrijven en Wonen;
  2. de vestiging van nieuwe kleinschalige agrarisch aanverwante, horecamatige of anderszins bedrijfsmatige nevenactiviteiten;
  3. de vestiging van een bedrijf uit categorie 3.1 of 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten op een locatie waar de bestaande functie een Bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is;
  4. de aanleg van lage permanente teeltondersteunende voorzieningen.

16.2 Beoordelingsregels functieverandering     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  2. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
  3. de omvang van de nevenfunctie gelet op de ruimtelijke uitstraling (aard van de activiteit, het daadwerkelijke fysieke ruimtegebruik en de verschijningsvorm) is en blijft ondergeschikt aan de hoofdfunctie;
  4. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen van de melding wordt de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  5. de activiteiten mogen geen onevenredige beperkingen veroorzaken voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijvigheid in de omgeving;
  6. de milieubelasting van het bedrijf uit categorie 3.1 of 3.2 is vergelijkbaar met de milieubelasting van een bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; bij het indienen van de melding wordt de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;

beoordelingregels dag- en verblijfsrecreatieve nevenfuncties:

  1. er vindt geen onevenredige aantasting van de openheid plaats;
  2. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  3. er worden niet meer dan 25 standplaatsen voor seizoensgebonden verblijfsrecreatie gerealiseerd;
  4. bij de realisering van standplaatsen voor seizoensgebonden verblijfsrecreatie wordt tevens voorzien in parkeren op eigen erf;
  5. bij de realisering van overnachtingsmogelijkheden in woningen of bijgebouwen wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 3;

beoordelingsregels aanleg lage permanente teeltondersteunende voorzieningen:

  1. de voorzieningen zijn noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en de continuïteit van het agrarische bedrijf; hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  2. bijbehorende voorzieningen zoals een waterbassin zijn toegestaan;
  3. kassen zijn niet toegestaan;
  4. de voorzieningen worden aansluitend aan Bebouwd gebied met de functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, gerealiseerd;
  5. de omvang van de voorzieningen bedraagt per functievlak Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf ten hoogste 3 ha;
  6. de voorziening mag uitsluitend worden gerealiseerd indien op de aansluitende functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf in fysiek opzicht geen effectieve ruimte meer aanwezige is voor de realisering;
  7. de voorzieningen doen geen onevenredige afbreuk aan de landschappelijke en ecologische waarden ter plaatse;
  8. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  9. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen.

16.3 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

16.4 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 16.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het voorschrift door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

Alvorens de gelijkwaardige maatregel wordt getroffen, dient deze te worden gemeld bij burgemeester en wethouders, onder overlegging van gegevens waaruit de gelijkwaardigheid blijkt.

16.5 Procedureregel melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met onderbouwing dat aan de voorwaarden wordt voldaan wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket;
  2. burgemeester en wethouders reageren binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de volledige, onderbouwde melding met:
    1. een akkoordverklaring van de melding of;
    2. een afwijzing van de melding hetgeen betekent dat de voorgenomen activiteit niet is toegestaan;
  3. indien burgemeester en wethouders niet binnen de gestelde termijn reageren, is artikel 4:20 b tot en met 4:20 f Awb van toepassing (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen).

Artikel 17 Functieverandering met afwijking in de bosrijke ontginningen met buurtschappen     

17.1 Afwijking van verbod op functiewijziging     

Omgevingsvergunning om van het bepaalde in lid 15.2.2 af te wijken wordt door het bevoegd gezag verleend voor de volgende functies:

  1. de vestiging van een Bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Wonen, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca- of Detailhandel is of wordt beëindigd;
  2. het gebruik ten behoeve van Wonen op de locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Bedrijf, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca- of Detailhandel is of - in samenhang met de toepassing van de afwijking - wordt beëindigd en een bedrijfswoning aanwezig is;
  3. vergroting van de oppervlakte in gebruik voor Wonen tot een oppervlakte van maximaal 1.500 m²;
  4. de realisering van een bedrijfwoning bij bedrijven en instellingen waar nog geen bedrijfswoning aanwezig is of de realisering van een tweede bedrijfswoning op locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf of Agrarisch bedrijf - paardenhouderij is;
  5. de vestiging van een Agrarisch bedrijf - paardenhouderij op de locaties waar de bestaande functie Agrarisch bedrijf - veehouderij is of wordt beëindigd.

17.2 Beoordelingsregels afwijking     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. met het indienen van een aanvraag om toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid wordt een volledige onderbouwing op basis van de beoordelingsregels overlegd en de relevante gegevens en bescheiden verstrekt;
  2. de genoemde functies zijn toegestaan mits passend binnen de in lid 15.1 beschreven ruimtelijke kwaliteiten danwel de Gebiedsvisie Groene Ladder;
  3. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  4. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;

beoordelingsregels bij woonfuncties:

  1. het aantal woningen wordt niet uitgebreid tenzij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder 17.1 onder d;
  2. een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd;
  3. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  4. de oppervlakte van de gronden in gebruik voor Wonen zal kleiner moeten zijn dan het functievlak Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf, Agrarisch bedrijf - veehouderij, Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf, Agrarisch bedrijf - overig bedrijf, Agrarisch bedrijf - paardenhouderij, Bedrijf, Dierenkliniek, Tuincentrum, Manege, Horeca of Detailhandel; dit wordt in de omgevingsvergunning vastgelegd;
  5. indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder 17.1 onder d is de nut en noodzaak van de (tweede) bedrijfswoning voor een doelmatige bedrijfsvoering en voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van het volwaardige bedrijf aangetoond; hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  6. voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden of een vast te stellen hogere grenswaarde voor geluid van wegverkeer;
  7. er worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegestaan binnen de 35 Ke contour van vliegveld Volkel;
  8. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  9. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  10. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;

beoordelingsregels bij nieuwe bedrijven en nieuwe paardenhouderijen:

  1. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  2. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  3. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  4. de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van de verkeerstoename;
  5. de bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde functie;
  6. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed.

17.3 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

17.4 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 17.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het voorschrift door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

Artikel 18 Functieverandering met delegatie in de bosrijke ontginningen met buurtschappen     

18.1 Functiewijziging     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor:

  1. de uitbreiding (vormverandering en vergroting van de oppervlakte in gebruik) van de bestaande functies;
  2. omschakeling naar dagrecreatieve of woonfuncties in combinatie met bosontwikkeling;
  3. nieuwvestiging van dagrecreatieve functies in combinatie met bosontwikkeling en sanering elders;
  4. in aanvulling op het bepaalde onder b en c: omschakeling naar andere functies met behoud van de balans tussen wonen, werken en recreëren in de buurtschappen;
  5. het met enige regelmaat verwerken van verleende afwijkingen zoals bedoeld in 17 en 72;
  6. het in combinatie met de wijzigingen genoemd in a tot en met e, indien nodig en voor zover relevant, aanpassen van de vlakken Open gebied en Bebouwd gebied, Bouwen - woningen, Bouwen - bijgebouwen bij woningen, Bouwen - recreatiewoningen, Bouwen - kassen, Bouwen - ondersteunende kassen, Bouwen - bedrijfs- of dienstwoningen, Bouwen - overige niet- agrarische bebouwing, Bouwen - agrarische bedrijfsbebouwing, Bouwen - nevenactiviteiten, Bouwen - vab's of Bouwen - motorcrossterrein.

18.2 Beoordelingsregels delegatie     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

algemeen geldende beoordelingsregels:

  1. de ontwikkeling is toegestaan mits passend binnen de in lid 15.1 beschreven ruimtelijke kwaliteiten, de beschrijving buurtschappen uit Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids dan wel de Gebiedsvisie Groene Ladder;
  2. de voorgenomen functies mogen niet ten koste gaan van de leefbaarheid en het benodigde voorzieningen niveau van de dorpen;
  3. er kan geen omschakeling naar bedrijven plaatsvinden die, gelet op de milieubelasting, verkeersaantrekkende werking en/of ruimtelijke uitstraling, op het bedrijventerrein in het komgebied thuis horen;
  4. voor zover sprake is van een functie waarbij doorgaans meerdere personen gedurende de gehele dag aanwezig zijn kan er ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gerealiseerd;
  5. de waardevolle open ruimtes tussen de (cultuurhistorisch waardevolle) linten en aangeduide buurtschappen ('open kamers') blijven gehandhaafd en worden waar mogelijk versterkt; linten en buurtschappen blijven als losse elementen herkenbaar;
  6. de doorzichten vanuit de omliggende structuren op de open ruimtes blijven gehandhaafd; indien mogelijk kunnen nieuwe doorzichten worden gerealiseerd;
  7. de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van de verkeerstoename en de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
  8. de kwaliteit van het landschap zoals beschreven in Vitaal Buitengebied Boekel, kwaliteitsgids wordt niet aangetast;
  9. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van natuurwaarden;
  10. er is sprake van ruimtelijke kwaliteitswinst zoals opgenomen in Vitaal Buitengebied Boekel hetgeen tot uitdrukking komt in:
    1. een goede landschappelijke inpassing die:
    2. en/of de ontwikkeling levert een bijdrage aan de kwaliteit van het landschap in brede zin, zoals bijvoorbeeld in de vorm van sloop van overtollige bebouwing, herstel en opwaardering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en/of structuren, beëindiging van functies die de kwaliteit van het landschap aantasten of de aanleg van recreatieve paden;
    3. en - indien ruimtelijke kwaliteitswinst in onvoldoende mate bereikt kan worden met het bepaalde onder 1 en 2: ruimtelijke kwaliteitswinst zoals aangegeven in Vitaal Buitengebied Boekel, waardering;

beoordelingsregels bij bedrijfsmatige ontwikkelingen (zoals agrarische bedrijven, bedrijven, recreatie-, detailhandels- of horecabedrijven):

  1. de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  2. het functievlak in gebruik voor Bedrijf mag niet groter zijn dan 5.000 m², tenzij er een sterke locatiegebondenheid kan worden aangetoond;
  3. een functievlak in gebruik voor Bedrijf mag ten hoogste voor een bedrijf uit de categorie 3.1 of 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden gebruikt;
  4. aan omschakeling naar of de nieuwvestiging van recreatieve ontwikkelingen ligt een (recreatieve) gebiedsvisie ten grondslag die aantoont dat de ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van het toeristisch recreatieve product van Boekel en omgeving;
  5. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  6. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  7. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  8. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;
  9. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed;
  10. er is geen sprake van ontoelaatbare radarverstoring;
  11. indien sprake is van een nieuwe bedrijfswoning, gelden tevens de beoordelingsregels bij nieuwe woonfuncties;

overige beoordelingsregels bij agrarische bedrijven:

  1. nut en noodzaak zijn aangetoond en hierover wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  2. functievlakken voor Agrarisch bedrijf - veehouderij en Agrarisch bedrijf - paardenhouderij zijn niet groter dan 1,5 ha;
  3. functievlakken voor Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf zijn niet groter dan 3,5 ha;

beoordelingsregels bij woonfuncties:

  1. indien medewerking wordt gevraagd en verleend voor een plattelandswoning dan wordt geen functievlak Wonen toegekend maar een specifieke aanduiding binnen de agrarische functie;
  2. omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aangetast;
  3. voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden of een vast te stellen hogere grenswaarde voor geluid van wegverkeer;
  4. er worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegestaan binnen de 35 Ke contour van vliegveld Volkel;
  5. er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  6. voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
  7. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  8. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;
  9. er is geen sprake van ontoelaatbare radarverstoring;

beoordelingsregels bij verkeersfuncties:

  1. binnen de wettelijke geluidzone zijn geen geluidsgevoelige functies aanwezig danwel ter plaatse van geluidsgevoelige functies wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde;
  2. er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;

beoordelingsregels bij nieuwvestiging:

  1. er is sprake van een hoeveelheid, binnen de gemeentegrens te saneren bebouwing die ten minste gelijkwaardig is aan de nieuw op te richten bebouwing; bij de toepassing van het bepaalde onder j zal derhalve ook sprake moeten zijn van sloop;
  2. voor de toelaatbaarheid van nieuwe woningen is de beleidsregel Ruimte voor ruimte van toepassing.

Artikel 19 Agrarisch bedrijf - (vollegronds)teeltbedrijf     

19.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. een (vollegronds)teeltbedrijf bij wijze van hoofdactiviteit;
  2. alsmede een overig agrarisch bedrijf;
  3. en/of een bestaande paardenhouderij/paardrijactiviteiten bij wijze van nevenactiviteit;
  4. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering tenzij anders is aangeduid;
  5. met bijbehorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen en toegangswegen.

19.2 Functieverandering met afwijking     

Omgevingsvergunning om van het plan af te wijken wordt door het bevoegd gezag verleend voor de huisvesting van tijdelijke seizoensarbeiders in bedrijfsgebouwen en in de bedrijfswoning.

19.3 Beoordelingregels     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

huisvesting in de bedrijfswoning:

  1. bewoning door niet meer dan één huishouden of maximaal zes tijdelijke arbeidsmigranten die geen huishouden vormen;
  2. bewoners zijn werkzaam op het bijbehorende bedrijf;
  3. het bepaalde onder b leidt er toe dat de huisvesting van tijdelijke werknemers niet kan worden toegestaan op de gronden die zijn aangeduid met Bouwen - vab's;

huisvesting in een bedrijfsgebouw (logiesgebouw):

  1. de bedrijfswoning is bewoond door de ondernemer van het bijbehorende bedrijf;
  2. bewoners van het logiesgebouw zijn werkzaam op het bijbehorende bedrijf; over de noodzaak en noodzakelijke omvang van de bewoning wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  3. het bepaalde onder e leidt er toe dat de huisvesting van tijdelijke werknemers niet kan worden toegestaan op de gronden die zijn aangeduid met Bouwen - vab's;
  4. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
  5. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing van het parkeren en betreffende logiesgebouw die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  6. de landschappelijke inpassing wordt als voorwaardelijke bepaling aan de melding gekoppeld;
  7. huisvesting jaarrond is mogelijk indien er sprake is van:
    1. wisselende groepen van tijdelijke arbeidsmigranten;
    2. die werken op het bedrijf waar ze verblijven, en;
    3. er geen sprake is van zelfstandige bewoning;

en voorts gelden de voorwaarden zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van bijlage 4.

Artikel 20 Agrarisch bedrijf - veehouderij     

20.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. een veehouderij bij wijze van hoofd- of nevenactiviteit;
  2. alsmede een (vollegronds)teeltbedrijf of overig agrarisch bedrijf;
  3. en/of een bestaande paardenhouderij/ paardrijactiviteiten bij wijze van nevenactiviteit;
  4. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering tenzij anders is aangeduid;
  5. met inachtneming van het relatieteken dat vlakken met elkaar verbindt die uitsluitend voor wat betreft de maximaal toelaatbare oppervlakte als één vlak beschouwd moeten worden;
  6. alsmede een graszoden en grindbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - graszoden en grindbedrijf';
  7. met bijbehorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen en toegangswegen.

20.2 Specifieke regels voor het gebruik     

Voor het in 20.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. uitsluitend de bewerking van de ter plaatse geproduceerde mest alsmede de mest die op een andere productielocatie van hetzelfde bedrijf is geproduceerd, is toegestaan;
  2. mestverwerking is niet toegestaan;
  3. het bepaalde in 85 is van toepassing.

20.3 Functieverandering met afwijking     

Omgevingsvergunning om van het plan af te wijken wordt door het bevoegd gezag verleend voor de huisvesting van tijdelijke seizoensarbeiders in bedrijfsgebouwen en in de bedrijfswoning.

20.4 Beoordelingregels     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

huisvesting in de bedrijfswoning:

  1. bewoning door niet meer dan één huishouden of maximaal zes tijdelijke arbeidsmigranten die geen huishouden vormen;
  2. bewoners zijn werkzaam op het bijbehorende bedrijf;
  3. het bepaalde onder b leidt er toe dat de huisvesting van tijdelijke werknemers niet kan worden toegestaan op de gronden die zijn aangeduid met Bouwen - vab's;

huisvesting in een bedrijfsgebouw (logiesgebouw):

  1. de bedrijfswoning is bewoond door de ondernemer van het bijbehorende bedrijf;
  2. bewoners van het logiesgebouw zijn werkzaam op het bijbehorende bedrijf; over de noodzaak en noodzakelijke omvang van de bewoning wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  3. het bepaalde onder e leidt er toe dat de huisvesting van tijdelijke werknemers niet kan worden toegestaan op de gronden die zijn aangeduid met Bouwen - vab's;
  4. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
  5. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing van het parkeren en betreffende logiesgebouw die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  6. de landschappelijke inpassing wordt als voorwaardelijke bepaling aan de melding gekoppeld;
  7. huisvesting jaarrond is mogelijk indien er sprake is van:
    1. wisselende groepen van tijdelijke arbeidsmigranten;
    2. die werken op het bedrijf waar ze verblijven, en;
    3. er geen sprake is van zelfstandige bewoning;

en voorts gelden de voorwaarden zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van bijlage 4.

Artikel 21 Agrarisch bedrijf - glastuinbouwbedrijf     

21.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. een glastuinbouwbedrijf bij wijze van hoofdactiviteit;
  2. alsmede een (vollegronds)teeltbedrijf;
  3. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering tenzij anders is aangeduid;
  4. met bijbehorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen en toegangswegen.

21.2 Functieverandering met afwijking     

Omgevingsvergunning om van het plan af te wijken wordt door het bevoegd gezag verleend voor de huisvesting van tijdelijke seizoensarbeiders in bedrijfsgebouwen en in de bedrijfswoning.

21.3 Beoordelingregels     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

huisvesting in de bedrijfswoning:

  1. bewoning door niet meer dan één huishouden of maximaal zes tijdelijke arbeidsmigranten die geen huishouden vormen;
  2. bewoners zijn werkzaam op het bijbehorende bedrijf;
  3. het bepaalde onder b leidt er toe dat de huisvesting van tijdelijke werknemers niet kan worden toegestaan op de gronden die zijn aangeduid met Bouwen - vab's;

huisvesting in een bedrijfsgebouw (logiesgebouw):

  1. de bedrijfswoning is bewoond door de ondernemer van het bijbehorende bedrijf;
  2. bewoners van het logiesgebouw zijn werkzaam op het bijbehorende bedrijf; over de noodzaak en noodzakelijke omvang van de bewoning wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  3. het bepaalde onder e leidt er toe dat de huisvesting van tijdelijke werknemers niet kan worden toegestaan op de gronden die zijn aangeduid met Bouwen - vab's;
  4. de regels met betrekking tot Voldoende parkeergelegenheid zijn van toepassing;
  5. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing van het parkeren en betreffende logiesgebouw die ten minste voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in bijlage 2;
  6. de landschappelijke inpassing wordt als voorwaardelijke bepaling aan de melding gekoppeld;
  7. huisvesting jaarrond is mogelijk indien er sprake is van:
    1. wisselende groepen van tijdelijke arbeidsmigranten;
    2. die werken op het bedrijf waar ze verblijven, en;
    3. er geen sprake is van zelfstandige bewoning;

en voorts gelden de voorwaarden zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van bijlage 4.

Artikel 22 Agrarisch bedrijf - overig bedrijf     

22.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. een overig agrarisch bedrijf bij wijze van hoofdactiviteit;
  2. alsmede een (vollegronds)teeltbedrijf;
  3. en/of een bestaande paardenhouderij/ paardrijactiviteiten bij wijze van nevenactiviteit;
  4. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering tenzij anders is aangeduid;
  5. met bijbehorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen en toegangswegen.

22.2 Functieverandering met afwijking     

Omgevingsvergunning om van het plan af te wijken wordt door het bevoegd gezag verleend voor de huisvesting van tijdelijke seizoensarbeiders in bedrijfsgebouwen en in de bedrijfswoning.

22.3 Beoordelingregels     

Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

huisvesting in de bedrijfswoning:

  1. bewoning door niet meer dan één huishouden of maximaal zes tijdelijke arbeidsmigranten die geen huishouden vormen;
  2. bewoners zijn werkzaam op het bijbehorende bedrijf;
  3. het bepaalde onder b leidt er toe dat de huisvesting van tijdelijke werknemers niet kan worden toegestaan op de gronden die zijn aangeduid met Bouwen - vab's;

huisvesting in een bedrijfsgebouw (logiesgebouw):

  1. de bedrijfswoning is bewoond door de ondernemer van het bijbehorende bedrijf;
  2. bewoners van het logiesgebouw zijn werkzaam op het bijbehorende bedrijf; over de noodzaak en noodzakelijke omvang van de bewoning wordt advies gevraagd aan een agrarische deskundige;
  3. het bepaalde onder e leidt er toe dat de huisvesting van tijdelijke werknemers niet kan worden toegestaan op de gronden die zijn aangeduid met Bouwen - vab's;