Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017    

Borsele

bestemmingsplan met verbrede reikwijdte

identificatie planstatus
identificatiecode: datum: status:
NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0001 Borsele 29-10-2016 voorontwerp
projectnummer:
projectleider:
ir C.A. Louws

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Een omgevingsplan voor het Borselse buitengebied     

Het bestemmingsplan Buitengebied (Borsels Buiten) van de gemeente Borsele is aan herziening toe. De gemeente wil (in plaats van een bestemmingsplan) een pilot-omgevingsplan opstellen. Een nieuw instrument, vooruitlopend op de Omgevingswet.

1.2 Plangebied     

Het plangebied van het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 beslaat het hele buitengebied van de gemeente Borsele: het agrarische gebied, met alle daarbinnen gelegen natuurgebieden en infrastructuur (inclusief de Westerscheldetunnelweg, de verbreding Sloeweg en groenproject 't Sloe) en de Westerschelde. Alle kernen, bedrijventerreinen en twee verblijfsrecreatiegebieden, waarvoor afzonderlijke bestemmingsplannen gelden, maken geen deel uit van het plangebied van het omgevingsplan voor het buitengebied. In figuur 1.1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.

verplicht

Figuur 1.1 Plangebied

1.3 Pilot-omgevingsplan     

Het bestemmingsplan Borsels Buiten dateert uit 2007 en is op 5 februari 2015 partieel herzien (met betrekking tot de regeling voor Nieuwe Economische Dragers). Dat betekent dat de wettelijke plantermijn van het bestemmingsplan (van 10 jaar) in 2017 afloopt. Om tijdig een actueel planologisch kader te hebben, is de gemeente gestart met de herziening van het bestemmingsplan.

In 2019 treedt de Omgevingswet (naar verwachting) in werking. De gemeente heeft er voor gekozen om, op basis van mogelijkheden die de Crisis- en herstelwet (Chw) biedt, daarop vooruitlopend een pilot- omgevingsplan op te stellen en zo voor te sorteren op het nieuwe wettelijke kader.

Door het opstellen van een pilot-omgevingsplan investeert de gemeente in het instrumentarium van de toekomst en de daarbij behorende filosofie, in plaats van het opstellen van een bestemmingsplan dat vlak na de vaststelling (door de inwerkingtreding van de Omgevingswet) als instrument vervalt.

Artikel 2.4 van de Chw biedt de mogelijkheid om bij wijze van experiment af te wijken van bestaande wet- en regelgeving, indien het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan het bestrijden van de economische crisis en aan de duurzaamheid. De gemeente heeft deze pilotstatus aangevraagd. De innovatie zit in dit project met name in een andere wijze van beleidsontwikkeling (meer gericht op integraliteit) en in het opstellen en gebruiken van een ander instrumentarium, afgestemd op de uitgangspunten van de Omgevingswet. De innovatie werkt ook door in werkwijze en organisatie. Het omgevingsplan vraagt om een andere wijze van toetsing van initiatieven en heeft daarmee ook gevolgen voor de werkwijzen en organisatie bij toetsing en handhaving. De Provincie Zeeland heeft (in de antwoordnota op de Bevelandse reactie ingediend op de Kadernota herziening Omgevingsplan Zeeland 2012-2018, d.d. 20 okt. 2015) uitgesproken mee te werken aan pilotprojecten in het kader van de omgevingswet zoals een pilot voor het buitengebied van Borsele.

De pilotstatus voor het omgevingsplan Borsele (officieel een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) is op 15 juli 2016 verleend.

1.4 Planfilosofie     

De Omgevingswet gaat uit van een andere filosofie dan de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro):

  • minder regels, deregulering;
  • meer loslaten: vertrouwen als uitgangspunt;
  • integratie van aspecten rondom de fysieke leefomgeving in één ruimtelijk plan (verbrede reikwijdte);
  • meer ruimte voor afwegingen op gemeentelijk niveau;
  • meer ruimte en flexibiliteit voor wenselijke ontwikkelingen;
  • waarborgen van de gewenste omgevingskwaliteit.

Doel omgevingsplan

De gemeente Borsele wil de nieuwe planfilosofie graag toepassen in het nieuwe planningsstelsel voor het buitengebied. Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol:

  • voorbereiden op de Omgevingswet, in instrumentarium, werkwijze en organisatie;
  • gebruikmaken van de mogelijkheden die het instrumentarium van de Omgevingswet biedt om ontwikkelingen eenvoudiger mogelijk te maken;
  • integreren van beleidsvelden met betrekking tot de fysieke leefomgeving in één integraal instrument.

De Omgevingswet biedt in de ogen van het gemeentebestuur in dat licht een aantal kansen:

  • maken van (meer) integrale afwegingen, waarbij verschillende afwegingskaders worden afgestemd en geïntegreerd;
  • beleid en regelgeving meer richten op beleidsdoelen dan op een normatieve vertaling daarvan;
  • het meer faciliteren van ontwikkelingen, zonder onnodige procedures.

Het huidige planningsstelsel, zoals vertaald in het huidige provinciale en gemeentelijke ruimtelijke ordeningsbeleid heeft, naast bescherming van de ruimtelijke kwaliteit, weliswaar als insteek om ruimte te bieden aan ontwikkelingen, maar beide werken in de praktijk vaak belemmerend. De betrokken beleidsdoelen zijn in het algemeen uitgewerkt in concrete (kwantitatieve en normatieve) regels en kaders. In plaats van faciliterend te zijn voor gewenste ontwikkelingen onder de goede voorwaarden, zijn de huidige regels te zeer gericht op het voorkomen van ongewenste ontwikkelingen. De ruimte ontbreekt vaak om op een andere dan de voorgeschreven manier de doelen te bereiken.

Het is de ambitie van de gemeente om nieuwe – passende – ontwikkelingen zo veel mogelijk rechtstreeks of met zo beperkt mogelijke procedures mogelijk te maken. De gemeente zoekt voor haar buitengebied naar instrumenten om te kunnen komen tot een integratie van haar eigen beleid en regelgeving, waarbij flexibiliteit wordt bereikt door het behalen van de achterliggende beleidsdoelen te borgen in plaats van die uit te werken in concrete normen en maatregelen. Een instrument waarmee effectiever en efficiënter ingespeeld kan worden op gewenste ontwikkelingen, waarbij meer maatwerk kan worden geleverd met een gelijkwaardig en mogelijk zelfs beter resultaat.

Doel voor het omgevingsplan is vierledig:

  • de bijzondere kwaliteit van het buitengebied van Borsele behouden en versterken;
  • passende economische ontwikkelingen mogelijk maken;
  • nieuwe ontwikkelingen zo eenvoudig mogelijk faciliteren, onder de goede voorwaarden;
  • integreren van regelgeving rondom de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan.

Deze doelen vragen om een ander instrumentarium dan het vigerende bestemmingsplan Borsels Buiten.

Het gemeentebestuur wil een meer integrale en meer flexibele regeling waarbij met behoud van de omgevingskwaliteit beter kan worden ingespeeld op ontwikkelingen in het buitengebied; een juridisch kader dat meer ruimte biedt voor maatwerk in de belangenafweging (op basis van kwalitatieve criteria en gelijkwaardige oplossingen).

Het omgevingsplan vraagt om een goede mix van loslaten en sturen/vinger aan de pols houden. Daarbij zal een verschuiving optreden van kwantitatief en normatief naar een meer kwalitatieve en faciliterende regeling. De kunst is om gewenste ontwikkelingen direct mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. Een spannend en uitdagend traject, waarbij de gebaande paden worden verlaten en nieuwe wegen worden ingeslagen. Een traject met een meerwaarde op meerdere vlakken:

  • toekomstgericht instrumentarium;
  • integratie en afstemming van beleidsvelden;
  • nieuwe verhoudingen en werkwijzen, afgestemd op de huidige ontwikkelingen in de samenleving.

Verbreding

De gemeente wil in ieder geval (een deel van) haar geluidsverordening buitengebied en haar beleid ten aanzien van cultuurhistorie, welstand en landschappelijke kwaliteit opnemen in het op te stellen plan. Ook andere voor het buitengebied relevante regels in de gemeentelijke verordeningen zullen in dit plan worden betrokken.

Mogelijkheden

Bij het benutten van de kansen en mogelijkheden die de Omgevingswet biedt zijn de volgende aspecten van belang.

Goede fysieke leefomgeving

De Omgevingswet richt zich op het in stand houden van 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. De term 'goede ruimtelijke ordening' verdwijnt. Hiermee heeft het omgevingsplan een verbrede reikwijdte ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. Milieu, ruimtelijke ordening en andere aspecten van de fysieke leefomgeving kunnen worden geïntegreerd in het omgevingsplan.

Daardoor ontstaat ook een veel meer integrale beleidsvorming en toetsing. De regelgeving kan zo worden vereenvoudigd. De regels worden inzichtelijker en strijdige en dubbele regelingen worden voorkomen. Ze worden immers op één plek samengebracht.

Afwijken van wettelijke kaders

De pilotstatus op basis van de Chw biedt kansen om op onderdelen af te wijken van het huidige wettelijk kader. Voorbeelden daarvan zijn de mogelijkheid om regels op te nemen die verder gaan dan een goede ruimtelijke ordening (toepassen verbrede reikwijdte) en de mogelijkheid om gebruiks- en bouwmogelijkheden anders dan door bestemmingen aan te geven.

Kwalitatieve én kwantitatieve toetsingsregels

Het omgevingsplan biedt ruimte om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken met kwalitatieve regels. Het kan een flexibeler kader bieden dan een bestemmingsplan. Het bestemmingsplan kan en mag alleen concreet toetsbare kwantitatieve regels bevatten. Het omgevingsplan biedt mogelijkheden voor meer directe regels, onder voorwaardelijke bepalingen: ja, mits …. Hiermee kunnen gewenste ontwikkelingen makkelijker en sneller mogelijk worden gemaakt.

Houdbaarheidstermijn en aanpassing modules

Het bestemmingsplan heeft een maximale houdbaarheidstermijn van 10 jaar. Het omgevingsplan kent geen einddatum. Het omgevingsplan biedt echter wel meer mogelijkheden om het beleid te monitoren en tussentijds bij te sturen. Periodieke monitoring kan leiden tot tussentijdse aanpassing van inhoudelijke modules. Bijvoorbeeld alleen aanpassing van de geurnormen. Hierbij blijven andere aspecten onaangeroerd. Het aangepaste aspect is dan ook alleen onderwerp van besluitvorming en eventueel bezwaar en beroep. Dit maakt de actualisering van het omgevingsplan eenvoudiger.

1.5 Leeswijzer     

De toelichting op het omgevingsplan is relatief kort. In Hoofdstuk 2 Gemeentelijk beleid wordt een toelichting gegeven op het gemeentelijke beleid voor het buitengebied. Dit gemeentelijke beleid is een verdere uitwerking van de Nota van Uitgangspunten van september 2015 die door de gemeenteraad is besproken en geldt als leidraad voor de opstelling van het omgevingsplan. Aan het gemeentelijke beleid liggen diverse bouwstenen ten grondslag die zijn opgenomen in de bijlagen (Provinciaal beleid, Rijksbeleid, Sectorale aspecten en Beleidsregels en verordeningen). Een belangrijke bouwsteen is het planMER waarvan in Hoofdstuk 3 PlanMER een korte samenvatting is opgenomen (voor het uitgebreide planMER zie bijlage 4 PlanMER). Een verdere uitwerking van het gemeentelijke beleid is opgenomen in bijlage 3: Uitwerking gemeentelijk beleid.

In Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving is opgenomen op welke wijze het gemeentelijke beleid is vertaald in de juridische regeling.

Hoofdstuk 2 Gemeentelijk beleid     

2.1 Algemeen     

Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van het gemeentelijke beleid voor het pilot-omgevingsplan. Het gaat daarbij om het beleid voor de fysieke leefomgeving, voor zover de beleidsonderwerpen relevant zijn voor en zich laten vertalen in een omgevingsplan.

Het nieuwe omgevingsplan vervangt het vigerende bestemmingsplan Borsels Buiten. Het instrumentarium en de filosofie van de Omgevingswet en het omgevingsplan zijn echter anders dan van de Wro en het bestemmingsplan. Bovendien is de reikwijdte van het omgevingsplan breder dan van het bestemmingsplan: de fysieke leefomgeving omvat meer dan de ruimtelijke ordening. In de paragrafen 2.2 en 2.3 worden de in hoofdstuk 1 beschreven doelen voor het omgevingsplan uitgewerkt, als basis voor de verdere uitwerking van het gemeentelijk beleid. Daarbij zijn twee aspecten van belang:

  • de inhoudelijke uitwerking van het gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving van het buitengebied;
  • de vertaling van de nieuwe planfilosofie op basis van de Omgevingswet in het pilotomgevingsplan.

Uitgangspunten planfilosofie

Het omgevingsplan gaat op basis van de Omgevingswet uit van een andere filosofie dan het bestemmingsplan. Daarbij spelen de volgende uitgangspunten een rol.

  • selectiviteit: alleen vastleggen wat nuttig en noodzakelijk is, loslaten wat niet geregeld hoeft te worden;
  • terugtreden: niet meer alles vastleggen en als gemeente bepalen;
  • kwalitatief: met name kwalitatief richting aangeven; een ruime bandbreedte van ontwikkelingen opnemen die niet uitgesloten hoeven worden maar onder de goede voorwaarden toegelaten kunnen worden;
  • duidelijkheid: aangeven wat echt niet kan/mag; dit wordt uitgesloten.

Deze uitgangspunten vragen om een fundamentele heroverweging van beleid en regelgeving. Daarbij spelen de volgende vragen een rol:

  • is het nodig voor een bepaald aspect beleid te formuleren of regels op te nemen?
  • als beleid en regelgeving nodig zijn, hoe kunnen beleid en regelgeving dan faciliterend worden vorm gegeven, zodanig dat ongewenste ontwikkelingen tegen gehouden kunnen worden en gewenste en toelaatbare ontwikkelingen onder de goede voorwaarden mogelijk gemaakt worden?

Bij de eerste vraag zijn beleid en regeling meer gewenst en nodig naarmate:

  • ontwikkelingen ingrijpender (ruimtelijk, milieuhygiënisch, hinder) zijn;
  • sprake is van kwetsbaarder waarden of belangen.

Wat betreft de invulling van beleid en regeling is een goed evenwicht tussen flexibiliteit, duidelijkheid en rechtszekerheid van belang (zie figuur 2.1). Het gemeentebestuur wil meer flexibiliteit bieden, zonder dat daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid onevenredig worden geschaad. Zoals aangegeven zal de regeling meer kwalitatief worden ingestoken dan nu het geval is; meer gericht op de te realiseren beleidsdoelen. Dat betekent dat een verschuiving plaatsvindt van normatieve regels naar een vorm van 'onderhandelingsplanologie', waarbij aan de voorkant van het proces overeenstemming wordt bereikt over de vraag of medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling en onder welke voorwaarden. Dat vraagt om een goede onderbouwing door initiatiefnemers.

Daarom moet het omgevingsplan voorzien in:

  • voorwaarden en criteria die uitnodigen om in gesprek te gaan met initiatiefnemers;
  • de voorwaarde dat initiatiefnemers een goede motivering van hun project geven;
  • de voorwaarde dat een initiatiefnemer zijn of haar omgeving bij bepaalde initiatieven moet betrekken; de gemeente neemt de resultaten hiervan mee in de afweging.

De inhoud van beleid en regeling moet een goed evenwicht waarborgen tussen de aspecten flexibiliteit, rechtszekerheid en duidelijkheid. De (digitale) raadpleegbaarheid van het omgevingsplan speelt daarbij een belangrijke ondersteunende rol.

verplicht

Figuur 2.1. Spanningsveld duidelijkheid-flexibiliteit-rechtszekerheid

2.2 Doelstellingen voor het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017     

In de inleiding is aangegeven dat het doel voor het omgevingsplan vierledig is:

  • de bijzondere kwaliteit van het buitengebied van Borsele behouden en versterken;
  • passende economische ontwikkelingen mogelijk maken;
  • nieuwe ontwikkelingen zo eenvoudig mogelijk faciliteren, onder de goede voorwaarden;
  • integreren van regelgeving rondom de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan.

In de paragrafen 2.2.1 tot en met 2.2.4 worden de doelstellingen voor Borsele verder uitgewerkt.

2.2.1 Behoud en versterking van de kenmerkende kwaliteit van het Borselse buitengebied     

Uitgangspunt van beleid blijft het behoud en de ontwikkeling van de bijzondere kwaliteit van het buitengebied van Borsele. Het gaat daarbij in het omgevingsplan om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De kwaliteit van de leefomgeving staat hoog in het gemeentelijk vaandel en dat blijft zo. De ruimtelijke kwaliteit staat daarin centraal; versterkt en ondersteund door andere omgevingskwaliteiten, zoals de rust en de ruimte en de milieukwaliteit.

Ruimtelijke kwaliteit en ontstaansgeschiedenis

De ruimtelijke kwaliteit hangt nauw samen met de ontstaansgeschiedenis en de wijze waarop dit nog zichtbaar is in de landschapsstructuur en de beeldkwaliteit.

Het karakter van het buitengebied van Borsele is in belangrijke mate bepaald door de bedijkingsgeschiedenis van het gebied. Het Borsels buitengebied is een aaneenschakeling van poldergebieden die in de loop van de eeuwen op de zee zijn veroverd. Daarmee is de landschapsopbouw bepaald door het krachtenspel van mens en zee; de wisselwerking van het winnen van land op de zee en periodieke dijkdoorbraken.

De polderstructuur is in schillen opgebouwd rond de zogenaamde oudlandkernen. Tussen Goes en Nisse ligt het oudste gebied namelijk het kerngebied de Poel.

Verder is sprake van oudland rond Hoedekenskerke, Baarland, Oudelande en Ellewoutsdijk. In het begin van de 12e eeuw werden de oudlandkernen bedijkt. In eerste instantie om het doordringen van kreken in het achterland tegen te gaan. In het hedendaagse landschap zijn daarvan nog relicten te vinden, zoals de dijken bij Baarland, Hoedekenskerke en Oudelande en de later aangelegde ringdijken. De oudlandkernen werden van elkaar gescheiden door een stelsel van getijdegeulen (kreken). De belangrijkste geul was het Zwake die overging in het Sloe en de Schenge. In het geulenstelsel lagen zandplaten, de zogenaamde opwassen. Deze droogvallende delen werden na de periode van defensieve bedijking in het kader van landaanwinning bedijkt (offensieve bedijking). Het gaat om Heinkenszand, Ovezande en de polder daar direct omheen. Tegelijkertijd met de opwassen werden de toen nog buitendijks gelegen schorren bedijkt. Deze bedijkte gebieden worden aanwassen genoemd. Tot omstreeks 1500 werd op kleine schaal ingepolderd, hetgeen nu nog te zien is aan de kleine polders en het intensieve dijkenpatroon. Daarna maakte de technologische vooruitgang het mogelijk om grotere stukken in één keer in te polderen. Maar ook de langzame zeespiegelstijging in die tijd bevorderde de grootschalige inpoldering. De inpolderingsgeschiedenis van de grote polders loopt vanaf 1561, toen de Oude Kraaijertpolder werd bedijkt, tot aan de inpoldering van de Sloepolders in de 19e en 20e eeuw. Deze polders worden gekenmerkt door de grotere schaal en de langere, rechte wegen. Bijzonder is de renaissancepolder Borssele die gekenmerkt wordt door een open karakter en de rationele, rechthoekige verkaveling met het daarbij horende patroon van dijken en polderwegen (zie figuur 2.2.). Ook de kern Borssele is volgens dat rechthoekig verkavelingspatroon ingericht, waarbij de gedraaide oriëntatie ten opzichte van de omliggende polder opvallend is.

verplicht

Figuur 2.2 Renaissancepolder Borssele

De bedijkingsgeschiedenis is daarmee sterk bepalend voor het huidige landschap. De kenmerkende structuur van dijken en wegen is met een aantal oude kreeklopen en de welen de belangrijkste structuurdrager van het landschap. Figuur 2.4. geeft de belangrijkste structuurdragers weer.

De bedijking was gericht op het uitbreiden van het agrarische areaal. De landbouw is nog steeds verreweg de belangrijkste gebruiksfunctie van het polderlandschap. De natuur- en landschapswaarden zijn in belangrijke mate verbonden met het agrarische gebruik. Denk daarbij aan het oude heggenlandschap bij Nisse of de weidereservaten in De Poel. Ook het huidige agrarische gebruik draagt bij aan de landschapswaarden van het buitengebied, bijvoorbeeld in de openheid en de fruitteelt. Natuurgebieden zijn op verschillende plaatsen ontstaan door dijkdoorbraken (welen), langs kreekrestanten en achter de Westerscheldedijk (inlaagpolders).

Behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit en vertaling naar deelgebieden

Het uitgangspunt van het veiligstellen en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied wordt langs verschillende sporen in het omgevingsplan vertaald.

In het vigerende bestemmingsplan Borsels Buiten is een onderscheid gemaakt in vijf deelgebieden:

  • De Poel;
  • Kleinschalige nieuwlandpolders;
  • Herverkavelde oudlandpolders;
  • Grootschalige polders;
  • Westerschelde.

Wat betreft de ontstaansgeschiedenis en de karakteristieke kenmerken zijn deze vijf deelgebieden in het algemeen duidelijk herkenbaar.

Voor het vastleggen van de bestaande kwaliteiten van het Borsels buitengebied in het omgevingsplan is het onderscheid in de aangegeven deelgebieden echter te grofmazig. De kwaliteiten van het landschap hangen samen met de dijkenstructuur, de aanwezige kreeklopen en welen, specifieke landschapselementen en perceelsgebonden landschaps- en natuurwaarden op specifieke locaties. Deze waarden zullen op perceelsniveau van een beschermende regeling worden voorzien. Het niveau van de deelgebieden is daarvoor te grootschalig. Met name de oudlandkern bij Sinoutskerke en het heggengebied bij Nisse zijn gebieden waar in het agrarisch gebied te beschermen landschaps- en natuurwaarden voorkomen. Deze gebieden zullen dan ook van een beschermende regeling worden voorzien.

Het omgevingsplan zal zonder meer - zonder nadere procedures - ruimte bieden aan het versterken en vergroten van de bestaande natuur- en landschapswaarden in het buitengebied.

verplicht

Figuur 2.3 Omgeving Nisse

De ruimtelijke kwaliteit van het Borsels buitengebied wordt naast de natuurlijke en landschappelijke waarden, bepaald door de beeldkwaliteit van (voormalige) boerderijen en burgerwoningen. Behoud van omgevingskwaliteit wordt mede bereikt door het behoud van deze beeldkwaliteit bij toekomstige bouwinitiatieven. Daartoe worden de vigerende Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting vertaald in het omgevingsplan in voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen.

verplicht

Figuur 2.4 Structuurdragers

Door voorwaarden te stellen aan toekomstige ontwikkelingen zal worden geborgd dat deze ontwikkelingen bijdragen aan de versterking en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daarbij zijn de deelgebieden zoals onderscheiden in het bestemmingsplan Borsels Buiten en bij de Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting in eerste instantie als uitgangspunt genomen, met dien verstande dat:

  • er geen noodzaak is om een onderscheid te maken tussen de Herverkavelde oudlandpolders en de Kleinschalige nieuwlandpolders;
  • het kerngebied De Poel en Heggengebied Nisse onderscheiden kan worden van de omliggende gronden die samengevoegd kunnen worden met de Herverkavelde oudlandpolders en kleinschalige nieuwlandpolders.

De relevante indeling van het plangebied in deelgebieden voor toelaatbare toekomstige ontwikkelingen is weergegeven in figuur 2.4. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 3; uit de tabel die is opgenomen in deze bijlage blijkt dat er, voor toelaatbare ontwikkelingsmogelijkheden, aanleiding is om een andere indeling van deelgebieden te hanteren.

Het versterken van de landschappelijke waarden (dijken, wegbeplantingen, schaal van het landschap) en de vergroting van de diversiteit aan natuurwaarden is niet alleen van belang voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, het draagt ook bij aan de aantrekkelijkheid van het gebied voor recreanten en toeristen en is daarmee van economische betekenis voor de ontwikkeling van aan het buitengebied verbonden recreatie (kleinschalig kamperen, aantrekkelijke dagrecreatieve functies, routes). De recreatieve gebruiksmogelijkheden van het buitengebied hebben ook een (potentieel) gezondheidsbevorderende functie.

2.2.2 Passende (economische) ontwikkelingsmogelijkheden     

Het gemeentebestuur wil in het buitengebied passende economische ontwikkelingsmogelijkheden, die de kwaliteit van het buitengebied niet aantasten, maar versterken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën ontwikkelingen. Voor de ontwikkeling van functies in het buitengebied wordt ruim baan geboden aan functies die aan het buitengebied zijn gebonden. Daarnaast wordt passende ontwikkelruimte geboden voor andere functies. Daarbij wordt gekozen voor een grote mate van flexibiliteit. Dat betekent dat zo veel mogelijk wordt gewerkt met algemene regels, zowel voor wat betreft de uitbreidings- en vestigingsmogelijkheden voor functies als voor wat betreft de koppeling aan de locatie. Functies en ontwikkelingen die op voorhand niet gewenst zijn in het buitengebied worden niet mogelijk gemaakt. Functies en ontwikkelingen die niet in het algemeen hoeven te worden uitgesloten, worden voorzien van randvoorwaarden, die in een specifieke situatie, voor een specifieke locatie getoetst worden. In dat kader wordt ook getoetst aan de specifieke locatiekenmerken. De vraag of uitbreiding of vestiging toelaatbaar is, wordt dus in het specifieke geval beantwoord.

Categorieën functies

Primair aan het buitengebied gebonden functies

Grondgebonden landbouw, natuur- en landschapsontwikkeling en recreatief medegebruik zijn functies die onlosmakelijk verbonden zijn aan het buitengebied en mede bepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Deze functies krijgen in beginsel (binnen een aantal algemene randvoorwaarden) ruime ontwikkelingsmogelijkheden.

Landbouw

Vanuit een oogpunt van ruimtelijke kwaliteit is het agrarische grondgebruik onmisbaar. De landbouw is een bedrijfstak die – vanuit de bedrijfseconomische noodzaak – continu in ontwikkeling is. Daarbij kunnen verschillende ontwikkelingsrichtingen/strategieën worden onderscheiden:

  • Schaalvergroting

Dit is een belangrijke tendens in de landbouw in het algemeen, zowel in de akkerbouw als in de veehouderij. In combinatie met het beëindigen van bedrijven breiden andere bedrijven uit. De bedrijfscentra krijgen in de regel een andere functie, veelal wonen met een nieuwe gebruiksfunctie voor de agrarische schuren (nieuwe economische dragers). Soms blijven loodsen in agrarisch gebruik door andere bedrijven. De agrarische gronden worden door de overblijvende bedrijven gebruikt om hun bedrijfsoppervlakte te vergroten. De schaalvergroting uit zich derhalve in bedrijven die qua oppervlakte groter zijn, maar ook in meer en grotere gebouwen en groter materieel.

  • Specialisatie

Een aantal bedrijven richt zich op specialisatie als strategie. Een belangrijk voorbeeld in Borsele is de fruitteelt, Voor de fruitteelt in Nederland is de teelt van hoogwaardige kwaliteitsproducten een logische strategie. De Nederlandse fruitteelt kan niet concurreren met de bulkproductie elders. Met het oog op het leveren van een hoogwaardig kwaliteitsproduct zijn vanuit de sector de nodige beschermende voorzieningen gewenst, zoals regenkappen, hagelnetten en antihagelgeneratoren. Andere voorbeelden van specialisatie zijn de teelt van zwarte bessen, druiventeelt in combinatie met het maken van wijn, de teelt van eetbare bloemen, et cetera.

  • Verbreding

Diverse bedrijven proberen een sterkere economische basis te creëren door koppeling van passende niet-agrarische activiteiten aan het agrarisch bedrijf. Voorbeelden daarvan zijn de verkoop van eigen producten, kleinschalige verblijfsrecreatie en een theetuin.

In beginsel moeten agrarische ondernemers de ruimte hebben om vanuit hun visie op hun bedrijf eigen accenten te leggen en keuzes te maken in deze ontwikkelingsstrategieën. Dat betekent dat het gemeentebestuur deze ontwikkelingsrichtingen met het pilot-omgevingsplan in beginsel wil faciliteren, binnen kaders. Die kaders worden ingegeven door de ruimtelijke karakteristiek van het buitengebied en cultuurhistorische en natuur- en landschapswaarden. In de teksten hierna wordt daar verder op ingegaan.

Akkerbouw en fruitteelt zijn van oudsher beeldbepalend voor het Borselse buitengebied en dat moet ook zo blijven. De grondgebonden landbouw krijgt dan ook ruime ontwikkelingsmogelijkheden. De omvang van de bouwmogelijkheden wordt begrensd. Aan het grondgebonden agrarische grondgebruik worden nauwelijks randvoorwaarden opgelegd, met uitzondering van de kwetsbare gebieden, zoals het heggengebied bij Nisse en het weidereservaat bij Sinoutskerke. Wel worden voorwaarden gesteld aan teeltondersteunende voorzieningen, voor zover het gaat om bouwwerken, die een duidelijke ruimtelijke invloed op de omgeving hebben. Het bieden van ontwikkelingsruimte voor de agrarische (grondgebonden) sector is noodzakelijk voor het behoud van de bedrijven en de kwaliteiten van het gebied. Intensievere vormen van agrarisch grondgebruik zoals intensieve veehouderij, glastuinbouw en aquacultuur (in gebouwen en in vijvers) zijn minder passend in het Borsels buitengebied. Aan deze categorieën zullen de nodige randvoorwaarden worden opgelegd. In het algemeen zullen verder randvoorwaarden aan de verschijningsvorm van gebouwen en kwalitatieve regels voor landschappelijke inpassing worden opgenomen, overeenkomstig de Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting.

verplicht

Figuur 2.5 Fruitteelt

Natuur en landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en archeologie 

Bij het karakter en de kwaliteiten van het Borselse buitengebied passende landschaps- en natuurontwikkeling is rechtstreeks mogelijk, ook al is de ecologische hoofdstructuur in beginsel gereed. Bestaande cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische waarden en archeologische verwachtingswaarden worden, voor zover dat nodig is, veiliggesteld.

Recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden

Context

Op basis van het provinciaal beleid zoals vastgelegd in het Omgevingsplan 2012-2018 is uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen in de provincie niet gewenst. Om minimaal het huidige kwaliteitsniveau te kunnen blijven bieden tegen de hiervoor noodzakelijke tarieven is het niet wenselijk dat het aanbod aan kampeerplaatsen in Zeeland verder toeneemt. Bij kwaliteitsverbetering en revitalisering van kampeerbedrijven neemt het aantal kampeerplaatsen geleidelijk af, omdat hoogwaardiger vormen van verblijfsrecreatie worden aangeboden. Kampeerplaatsen die als gevolg hiervan vrijkomen, kunnen opnieuw in de markt worden gezet.

Gemeentelijk beleid

Het gemeentebestuur wil – vanwege de gewenste ruimte voor verbreding binnen de landbouw en de differentiatie van het toeristisch-recreatieve product- ruimte bieden voor de ontwikkeling van kleinschalig kamperen. Daarnaast biedt het gemeentebestuur ruimte aan innovatieve vormen van verblijfsrecreatie in de vorm van bijzondere overnachtingsplaatsen. Het gaat daarbij om kleinschalige (qua aantal en omvang) ontwikkelingen, op bijzondere locaties, die duidelijk onderscheidend zijn in vormgeving en uitstraling en waarbij een inventieve en originele relatie wordt gelegd tussen vormgeving en de locatie. Een bijzondere overnachtingsplaats kan volledig opgaan in het landschap, de karakteristiek van het landschap versterken, of daar juist een spraakmakende toevoeging aan doen. Gedacht kan worden aan een koppeling aan thema's, zoals:

  • industrieel toerisme in de randzone van het Sloegebied;
  • liberation route en militaire historie in de omgeving van Fort Ellewoutsdijk en de kuststrook van de Westerschelde;
  • de kunst van het slapen in het overige buitengebied: met het landschap verbonden kunstzinnige overnachtingsplekken.

Verwacht wordt dat onder deze noemers (kleinschalig kamperen en bijzondere overnachtingsplaatsen) slechts een beperkt aantal kampeerplaatsen zal worden gerealiseerd. Aangenomen wordt dat door de herstructurering van grootschalige kampeerterreinen elders in de provincie ruimte is of zal ontstaan voor de beperkt te verwachten uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen in Borsele.

Aan het buitengebied gebonden recreatiemogelijkheden, zoals routegebonden recreatief medegebruik, van bestaande wegen, dijken en paden, maar ook door middel van nieuwe paden, wordt eenvoudig mogelijk gemaakt. Als grondeigenaren daarmee instemmen, voegt een procedure niet zo veel toe. Overigens wordt daarbij wel rekening gehouden met de belangen van aangrenzende grondeigenaren. Ook kleinschalige, ondersteunende voorzieningen zoals picknickbanken en informatieborden, gekoppeld aan de routes worden eenvoudig mogelijk gemaakt. Voor nieuwe verblijfsrecreatieve voorzieningen worden mogelijkheden geboden voor kleinschalige kampeerterreinen en bijzondere overnachtingsplaatsen. Voor het overige wordt het spoor van de nieuwe economische dragers (ned-regeling) gevolgd.

verplicht

Figuur 2.6 Boerenlandroute Borsele Zuid

Faciliterende functies

Naast de primair aan het buitengebied gebonden functies is het buitengebied van belang voor een aantal 'faciliterende' functies. Het gaat daarbij om utilitaire functies, zoals waterhuishouding, waterkeringen, leidingen, die belangrijke betekenis hebben voor het functioneren van zowel het buitengebied als de kernen. Voor zover deze voorzieningen planologisch relevant zijn en dat vanuit het oogpunt van veiligheid nodig is, worden deze functies specifiek vastgelegd in het omgevingsplan. Als dat niet nodig is, wordt – met name vanuit het oogpunt van flexibiliteit – de bestaande situatie niet specifiek vastgelegd. Dat speelt bijvoorbeeld voor de waterlopen met een waterhuishoudkundige functie in het plangebied. Mede gelet op de veiligstelling van deze waterlopen in de Keur van het waterschap en de wens om eventuele nieuwe waterlopen eenvoudig te kunnen realiseren, worden deze waterlopen niet vastgelegd op de verbeelding van het omgevingsplan.

Ontwikkelruimte voor bestaande functies

Naast de primair aan het buitengebied gebonden functies, zoals hiervoor omschreven, komen in het buitengebied diverse functies voor die daaraan niet primair zijn gekoppeld, maar daar wel legaal zijn gevestigd. Het buitengebied is naast een agrarisch gebied bijvoorbeeld ook de locatie waarin veel burgerwoningen en niet-agrarische bedrijven zijn gevestigd.

Burgers zoeken het buitengebied onder meer op voor de rust en de ruimte en hebben specifieke gebruikswensen. Aan deze wensen (ruimte voor het houden van hobbydieren, erfbebouwing, kleinschalige beroep- of bedrijfsmatige activiteiten) kan in beginsel – binnen randvoorwaarden – tegemoet worden gekomen. Een strikte scheiding tussen agrarische percelen en gronden met een woonfunctie betekent dat procedures nodig zijn om bijvoorbeeld agrarische grond als schapenweitje bij een woning te gebruiken of een tuin bij een woning uit te breiden, als grond gekocht kan worden van het aangrenzende landbouwbedrijf. Bij dergelijke gebruiksveranderingen is het maken van een afweging in het algemeen niet nodig, tenzij sprake is van gronden met bijzondere natuur- of landschapswaarden. Wel zijn bepaalde voorwaarden gewenst, bijvoorbeeld met betrekking tot het uitbreiden van tuinen bij een woonfunctie in het buitengebied. In het algemeen hoeft dat geen bezwaar te zijn, waarbij wel moet worden voorkomen dat hinder ontstaat voor aangrenzende percelen.

Ook bestaande niet-agrarische bedrijven wordt – onder voorwaarden – ontwikkelingsruimte geboden. Het gaat daarbij om uitbreiding van het bedrijfsperceel en om uitbreiding van bebouwing. Overigens moet daarbij worden afgewogen of verplaatsing naar een bedrijventerrein niet beter is.

Bij de ontwikkeling van functies in het buitengebied ligt het accent, zoals hier voor beschreven, bij de functies die onlosmakelijk met het buitengebied zijn verbonden (grondgebonden landbouw, landschap, natuur en cultuurhistorie, recreatief medegebruik). Deze functies bepalen de kernwaarden van het buitengebied en die mogen niet onevenredig onder druk komen te staan.

2.2.3 Eenvoudig faciliteren, onder goede voorwaarden     

Het gemeentebestuur kiest voor een zo faciliterend mogelijke regeling, waarmee passende ontwikkelingen eenvoudiger mogelijk worden gemaakt. Het omgevingsplan biedt de mogelijkheid om ontwikkelingen rechtstreeks toe te staan mits voldaan wordt aan kwalitatieve voorwaarden.

Het rechtstreeks toestaan van ontwikkelingen kan eventueel gekoppeld worden aan een melding zodat is vastgelegd tussen gemeente en initiatiefnemer op welke wijze aan de kwalitatieve voorwaarden wordt voldaan. Daarnaast kan in het omgevingsplan gewerkt worden met 'afwijkingen' en 'delegatie'. Met de afwijkingen van het omgevingsplan kunnen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt waarvoor in het huidige bestemmingsplan afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen. Ten opzichte van de wijzigingsprocedure van het bestemmingsplan ontstaat hier tijdswinst. De gemeenteraad kan verder aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid delegeren om het omgevingsplan op afgesproken onderdelen te wijzigen. Ook hier ontstaat tijdwinst ten opzichte van een traditionele partiële bestemmingsplanherziening.

De Omgevingswet biedt voorts mogelijkheden om noodzakelijke afwegingen en onderzoeken voor initiatieven vooruit te schuiven naar het moment van aanvraag. In het omgevingsplan wordt opgenomen aan welke (kwalitatieve) voorwaarden moet worden voldaan, de toetsing vindt in een later stadium plaats.

In het omgevingsplan voor het buitengebied van Borsele wordt de vereenvoudiging van regelgeving onder andere gezocht in:

  • het eenvoudig uitwisselbaar maken van functies als agrarisch grondgebruik, waterlopen, nieuwe natuur, tuinen bij burgerwoningen: daardoor ontstaat er meer ruimte om functiewijzigingen die als algemeen aanvaardbaar worden beschouwd eenvoudig door te voeren; overigens zullen daarbij voor specifieke gronden met bijzondere landschaps- of natuurwaarden of met het oog op het voorkomen van overlast wel voorwaarden worden gesteld;
  • het op een eenvoudige wijze vastleggen van de vorm van agrarische bouwvlakken en de locatie van nieuwe gebouwen: in de bestemmingsplanpraktijk is gebleken dat de harde grenzen van agrarische bouwvlakken bij initiatieven onnodig belemmerend werken; vaak is er overeenstemming over de aanvaardbaarheid van de vormverandering en wordt er medewerking verleend aan een vormverandering; de huidige bestemmingsplanherziening voor vormverandering wordt als onnodig zwaar en tijdrovend ervaren;
  • het eenvoudig mogelijk maken van uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijfsactiviteiten;
  • het eenvoudig mogelijk maken van zorginitiatieven (zoals zorgboerderijen, kinderopvang en andere mogelijkheden om thuis zorg te verlenen) omdat in de huidige participatiemaatschappij deze ruimte nodig is;
  • het vereenvoudigen van het stelsel van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden: het uitvoeren van werken en werkzaamheden kan ook in een omgevingsplan aan regels worden gebonden (met een afwijking van het omgevingsplan); eventuele regels voor werken en werkzaamheden worden beperkt tot regels die een directe relatie hebben met de bijzondere kwaliteit van het buitengebied (kwaliteiten van de dijken, heggenlandschap, oude graslandgebieden);
  • het opnemen van de mogelijkheid om gelijkwaardige oplossingen toe te passen: hierdoor ontstaat ruimte om in plaats van een standaardnorm voor bijvoorbeeld landschappelijke inpassing ook andere opties mogelijk te maken, waardoor kwalitatief een gelijkwaardige of betere situatie ontstaat; zo'n gelijkwaardige oplossing vraagt om goed overleg en afstemming;
  • onderzoeken worden zo veel mogelijk vooruit geschoven naar het moment van een aanvraag: bijvoorbeeld geluidsonderzoek en onderzoek naar persoonsgebonden risicocontouren van leidingen en inrichtingen kunnen vooruit geschoven worden naar het moment dat een aanvraag voor een woning of een ander kwetsbaar object wordt ingediend; onderzoek naar de gevolgen van een maximale invulling van agrarische bouwvlakken (planMER) kan niet vooruitgeschoven worden; hier moeten de totale gevolgen van het plan in beeld worden gebracht.

Nieuwe functies

Wat betreft het toelaten van nieuwe functies (op erven bij aanwezige functies) gaat het gemeentebestuur bij de toetsing nadrukkelijk uit van de kwaliteiten van de betreffende locatie en de invloed daarop van de nieuwe functie. Functies die in het buitengebied in het algemeen niet passend zijn worden algemeen uitgesloten. Het gaat daarbij om functies die ruimtelijk en/of milieuhygiënisch een te grote belasting betekenen, of om functies die naar de aard aan dorpen en kernen zijn gebonden en bijdragen aan het voorzieningenniveau. Anderzijds kunnen kleinschalige, ondergeschikte functies met weinig effecten op de omgeving algemeen worden toegestaan. Voor het overige is het afhankelijk van de specifieke omstandigheden of medewerking kan worden verleend aan een nieuwe ontwikkeling en onder welke voorwaarden.

Voor de toetsing van dergelijke ontwikkelingen wordt een procesbenadering gehanteerd. Afhankelijk van de aard en de omvang van de ontwikkeling worden de daarbij behorende stappen doorlopen. Voor een in schaal en omvang relatief beperkte ontwikkeling kan volstaan worden met een eenvoudige afweging en is landschappelijke inpassing (stap 4 ) en een ruimtelijke meerwaarde (stap 5) niet altijd noodzakelijk. Naarmate een ontwikkeling ingrijpender en grootschaliger is zijn alle stappen aan de orde en is landschappelijke inpassing en/of ruimtelijke kwaliteitswinst noodzakelijk.

Stap 1: Past initiatief in het omgevingsplan?

Initiatieven die op voorhand als passend in het buitengebied (naar aard en omvang van de functie en de daar aan te stellen voorwaarden) gezien worden, worden rechtstreeks of met een melding mogelijk gemaakt in het omgevingsplan.

Als een initiatief niet rechtstreeks in het omgevingsplan past, dan zullen hiervoor mogelijkheden worden geboden (afwijking, delegatie) waarbij dan wordt getoetst volgens de volgende stappen.

Stap 2: Past de functie op de locatie?

Bij de vraag of het initiatief past op de locatie spelen de volgende aspecten een rol:

  • de aard en de omvang van de ontwikkeling;
  • het gebied waar de ontwikkeling plaatsvindt.

Bij de beoordeling of een initiatief naar aard en omvang van de functie in het gebied past kan een onderscheid gemaakt worden naar functies die in meer of mindere mate een binding hebben met het buitengebied. Functies die bij uitstek een bijdrage leveren aan het voorzieningenniveau in de kernen (detailhandel, kantoren met een baliefunctie, zorgfuncties) of grootschalige bedrijven met een verkeer aantrekkende werking passen naar aard minder goed in het buitengebied. Alleen als daarbij sprake is van een meerwaarde van de vestiging in het buitengebied, kan daaraan medewerking worden verleend.

Functies die een duidelijke relatie hebben met het buitengebied (zoals aan de landbouw gekoppelde of daarmee verbonden bedrijven, aan het buitengebied gebonden dag- en verblijfsrecreatieve functies, aan de landbouw en/of het buitengebied gerelateerde dienstverlening, maatschappelijke en zorgfuncties en landbouwproduct verwerkende bedrijven) worden eerder als passend beoordeeld. Ook de omvang van een initiatief en de mate waarin uitbreiding van bebouwing aan de orde is, zijn van belang voor de beoordeling.

Bij de beoordeling van een initiatief worden de specifieke kwaliteiten van het betreffende deelgebied (bijvoorbeeld kerngebied de Poel of de grootschalige polders) in ogenschouw genomen.

Stap 3: Past de functie bij de omgevingsaspecten van de locatie?

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt beoordeeld of de kwaliteiten van de locatie actief worden benut en er zowel economisch als ruimtelijk ook kwaliteit wordt toegevoegd.

Daarbij moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkeling voor aspecten als ecologische en landschappelijke waarden, bodemkwaliteit, waterhuishouding, in de grond aanwezige of te verwachten monumenten en cultuurhistorische waarden. Tevens moet worden aangegeven of voldaan wordt aan sectorale wet- en regelgeving en mogen het woon- en leefklimaat van omwonenden en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet (onevenredig) worden aangetast.

Stap 4: Is sprake van een goede landschappelijke inpassing?

Wat de landschappelijke inpassing betreft wordt uitgegaan van een hoogwaardige en gevarieerde inpassing, passend bij de indeling in deelgebieden.

Stap 5: Is sprake van een meerwaarde voor het gebied?

Om medewerking te verlenen aan een initiatief kan, anders dan met landschappelijke inpassing, ook een meerwaarde worden gecreëerd door een aantoonbare fysieke verbetering van de kwaliteit van het buitengebied. Als uitgangspunt voor het bepalen en invullen van de meerwaarde is een handreiking die door de geraadpleegde klankbordgroep is gedaan gebruikt (economische meerwaarde, maatschappelijke meerwaarde, natuurlijke meerwaarde). Hieronder kan onder andere worden verstaan het versterken van de recreatieve potenties van het buitengebied van Borsele, het versterken van natuur- of landschapswaarden en de versterking van cultuurhistorische waarden.

verplicht

Figuur 2.7 Zwaakse weel

Het gemeentebestuur vindt het draagvlak van omwonenden en eventuele andere belanghebbenden een belangrijk aspect bij het beoordelen van initiatieven. Initiatiefnemers zijn daarvoor verantwoordelijk, waarbij uit de aanvraag (of eventueel melding) moet blijken hoe de initiatiefnemer het draagvlak heeft getoetst en of er in de omgeving draagvlak is voor de beoogde ontwikkeling. Overigens betekent het aanwezig zijn van draagvlak niet automatisch dat meegewerkt wordt aan een ontwikkeling. Omgekeerd betekent ook het ontbreken van draagvlak niet op voorhand dat geen medewerking wordt verleend. Primair blijft sprake van een toets aan de effecten op de omgevingskwaliteit. Het aanwezige draagvlak speelt daarbij echter wel een aanvullende rol.

2.2.4 Verbrede reikwijdte: integraal beleid voor de fysieke leefomgeving     

De Omgevingswet (en daarmee het omgevingsplan) heeft betrekking op de fysieke leefomgeving. Dat begrip is breder dan de goede ruimtelijke ordening uit de Wro. Op basis van artikel 1.2 van de Omgevingswet omvat de fysieke leefomgeving in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden onder meer aangemerkt activiteiten waardoor emissies, hinder of risico's worden veroorzaakt. Gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed via de onderdelen van de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt als gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden door het rijk normen en instructieregels opgenomen voor de verschillende aspecten van de leefomgeving. Daarmee wordt de kwaliteit van de fysieke leefomgeving vertaald in concrete normen. Naar aanleiding van een door de Tweede Kamer aangenomen amendement is het mogelijk dat gemeenten aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Dat kan bijvoorbeeld als sprake is van onvoorziene gezondheidsrisico's, die nog niet door de wet worden beschermd. Zo kan een gemeente een omgevingsvergunning weigeren als sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor het verlenen van de vergunning zou leiden tot nadelige gevolgen voor de gezondheid.

De ruimte die de Omgevingswet biedt, kan met het pilot-omgevingsplan in beginsel worden benut. Daarbij spelen twee aspecten een rol:

  • het opnemen van het vigerende gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving, dat nu nog via andere sporen is geregeld, in het omgevingsplan;
  • formuleren van integraal beleid en regels voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

Vigerend gemeentelijk beleid fysieke leefomgeving

Wat betreft het integreren van de gemeentelijke verordeningen en beleidsregels voor de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan kiest het gemeentebestuur voor een selectieve aanpak. Daarbij spelen drie aspecten een rol. In de eerste plaats zijn de verordeningen en beleidsregels niet opgesteld met het oogmerk ze ooit mee te nemen in een omgevingsplan, waardoor er verschillen zijn in plangebieden en definities. De verordeningen en beleidsregels zouden moeten worden aangepast, ingetrokken en/of gedeeltelijk van kracht moeten blijven voor het gebied wat niet in het omgevingsplan wordt opgenomen. In de tweede plaats is de duidelijkheid en toegankelijkheid van het omgevingsplan een belangrijk aandachtspunt. Naarmate meer verordeningen en beleidsregels – die qua opzet niet zijn afgestemd op het omgevingsplan – worden opgenomen, kan de duidelijkheid van het omgevingsplan afnemen. Tot slot is van belang dat er nog geen wettelijke standaarden zijn en het integreren van verordeningen en beleidsregels daardoor relatief veel pionierswerk kost.

Om die reden is besloten om een selectie te maken van de verordeningen en beleidsregels die meegenomen worden in het omgevingsplan. De verordeningen en beleidsregels die aansluiten bij en van belang zijn voor de doelstelling om het bijzondere karakter van het buitengebied te behouden worden in ieder geval meegenomen en zo nodig aangepast (bijvoorbeeld door aanpassing van het gebied waarop de verordening van toepassing is, het op een andere manier raadpleegbaar maken of door een beleidsregel te actualiseren). Het betreft de verordeningen en beleidsregels die van belang zijn voor de landschapsstructuur (erfbeplantingsregels, waardevolle bomen en dergelijke) en voor de beeldkwaliteit (Beeldkwaliteitsnota). Voorts zijn de beleidsregels en verordeningen meegenomen waarvan opname noodzakelijk is (de erfgoednota is opgesteld in afwachting van de vertaling van het archeologiebeleid in een bestemmings- of omgevingsplan en hoeft dus niet te worden opgenomen) of relatief eenvoudig (zoals het stookbeleid). Het omgevingsplan moet zodanig van opzet zijn dat in de toekomst beleidsregels of verordeningen relatief eenvoudig aan het plan kunnen worden toegevoegd. In Bijlage 6 is een overzicht opgenomen van de beleidsregels en -nota's en de afweging of deze wordt vertaald in het omgevingsplan.

Naast het opnemen van de vigerende verordeningen en beleidsregels in het omgevingsplan is het mogelijk om - voor zover de wetgeving zich daar niet tegen verzet - eigen beleid en regels te formuleren voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Dat zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat niet-agrarische bewoners van het buitengebied wat meer hinder van de agrarische bedrijfsvoering moeten accepteren. Omgekeerd zou beleid opgesteld kunnen worden, waarmee bepaalde agrarische ontwikkelingen beperkt worden, met als doel gezondheidsrisico's te beperken. Op een aantal terreinen geldt al specifiek gemeentelijk beleid: geluid en hagelkanonnen. Dit beleid is geëvalueerd en wordt vertaald in het omgevingsplan. Vooralsnog lijkt er geen aanleiding te zijn om specifiek aanvullend beleid te formuleren. In bijlage 5 is een overzicht gegeven van mogelijke aspecten die daarbij een rol kunnen spelen.

2.3 Uitwerking: overzicht gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving     

De vierledige doelstelling zoals hiervoor beschreven in paragraaf 2.2 vormt de algemene basis voor het gemeentelijke beleid voor de fysieke leefomgeving. Dit algemene beleid is meer in detail uitgewerkt.

Deze uitwerking is opgenomen in bijlage 3 Uitwerking gemeentelijk beleid. In deze paragraaf wordt ingegaan op een aantal specifieke beleidsonderwerpen.

Uitgangspunt voor de uitwerking

Het gemeentelijk overzicht van het beleid voor de fysieke leefomgeving wordt in eerste instantie beschreven aan de hand van de karakteristiek van de verschillende deelgebieden. Hierbij is uitgegaan van de gebiedsindeling zoals deze in het bestemmingsplan Borsels Buiten en verschillende andere gemeentelijke beleidsdocumenten - zoals met name de Structuurvisie 2015-2020 - is gehanteerd. Het betreft de indeling: de Poel, Kleinschalige nieuwlandpolders, Herverkavelde oudlandpolders, Grootschalig polders en Westerschelde.

Gekoppeld aan de kernkwaliteiten van de deelgebieden worden ook de doelen per deelgebied geformuleerd. Kernkwaliteiten en doelen vormen de basis voor de toelaatbaarheid van functies en de toelaatbare ontwikkelingen. Voor zover aspecten van de fysieke leefomgeving niet aan bepaalde deelgebieden kunnen worden gekoppeld, worden deze in algemene zin, voor alle deelgebieden, weergegeven. Uit de uitwerking blijkt dat voor het toelaten van ontwikkelingen de indeling in deelgebieden kan worden aangepast.

Het ruimtelijke beleid is aangevuld met de elementen, relevant voor de fysieke leefomgeving die in diverse andere gemeentelijke nota's, verordeningen en beleidsregels zijn opgenomen (zie hiervoor bijlage 6 Beleidsregels en verordeningen). Daarnaast is het huidige provinciale beleid (zie bijlage 2 Provinciaal beleid) meegewogen.

Het beleid is meer dan een opsomming van alle vigerende beleidsstukken: nadrukkelijk is gekeken naar mogelijkheden om het aantal regels te verminderen en afwegingen meer integraal en kwalitatief te maken.

Vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen

Context

Net als de afgelopen jaren zal het aantal agrarische bedrijven in de planperiode van het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 afnemen. In het rapport Vrijkomende Agrarische Bebouwing, opgesteld in opdracht van de Rekenkamer Zeeland door Alterra en het Kadaster (2016), is onderzocht wat de te verwachten oppervlakte is van vrijkomende agrarische bebouwing in Zeeland in de periode 2012 tot 2030. Voor de gemeente Borsele is de verwachting dat de volgende oppervlakten gebouwen worden onttrokken aan de agrarische bedrijfsvoering:

Type gebouwen Oppervlakte vrijkomende gebouwen in ha Percentage van totaal aanwezige oppervlakte agrarische bebouwing per categorie
Agrarische bedrijfswoningen 2,7 35
Agrarische bedrijfsgebouwen 8,6 23
Totaal 11,3 25

In de periode 2000-2012 bedroeg de oppervlakte agrarische bedrijfsgebouwen op beëindigde bedrijven Zeelandbreed op basis van het onderzoek 150 ha (12,5 ha/jr). Voor de periode 2012-2030 wordt Zeelandbreed een afname met 125,5 ha verwacht (6,9 ha/jr). Dat betekent een halvering van de jaarlijks vrijkomende oppervlakte agrarische gebouwen. Qua oppervlakte neemt de jaarlijkse bedrijfsbeëindiging derhalve flink af. Daar komt bij dat de oppervlakte per agrarisch bedrijf die wordt beëindigd toeneemt; 95% van de vrijkomende bedrijven had in de periode 2000-2012 een oppervlakte gebouwen van minder dan 2.000 m2. Voor de periode 2012-2030 is dat 86%. Ervan uitgaande dat het percentage van de totale agrarische bebouwing recht evenredig is met het aantal agrarische bedrijven, zullen in Borsele in de periode tot 2030 ongeveer 85 bedrijven worden beëindigd (uitgaande van de 340 adressen met een agrarische hoofdfunctie in het voorontwerpomgevingsplan). Over een periode van 14 jaar zou het om ongeveer 6 bedrijven per jaar gaan.

Door de verschuiving naar een grotere oppervlakte vrijkomende gebouwen per bedrijf en een verschuiving naar meer recente bebouwing (met in het algemeen een lagere cultuurhistorische waarde en beeldkwaliteit) ligt een verschuiving van hergebruik uitsluitend voor de woonfunctie of voor kleinschalige ondergeschikte functies naar grootschaliger vervolgfuncties voor de hand.

In het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 (herziening 11 maart 2016) is bepaald dat alle bedrijfslocaties van 1 ha of groter worden aangemerkt als bedrijventerrein en worden opgenomen in het regionaal bedrijventerreinprogramma. Voormalige agrarische bedrijfslocaties (percelen) met een omvang van 1 ha of meer, waar niet-agrarische bedrijfsactiviteiten worden gevestigd, tellen mee in de regionale bedrijventerreinprogrammering.

Gemeentelijk beleid

De Rekenkamer Zeeland pleit voor integrale beleidsvorming onder provinciale regie voor de problematiek van de vrijkomende agrarische bedrijven en gebouwen. Aanbeveling is om gemeenten te vragen onderzoek te doen naar de diverse herbestemmingen van reeds vrijgekomen agrarisch vastgoed en een visie te ontwikkelen op de herbestemming voor de toekomst. Bepleit wordt om de beleidsvorming te baseren op de ligging ten opzichte van:

  • (te ontwikkelen) natuurgebieden;
  • woonkernen;
  • het verkeers- en landbouwnetwerk.

Daarnaast stelt de Rekenkamer voor de bredere vastgoedsituatie in de wijdere omgeving te betrekken bij het beleid. Verder wordt voorgesteld om het beleid voor vrijkomende agrarische bedrijven te koppelen aan beleid en regelgeving voor het saneren van asbestdaken in de landbouw.

Om gericht beleid te kunnen ontwikkelen is een goede inventarisatie van de huidige situatie en de ontwikkelingen in de afgelopen jaren gewenst. Op dit moment is daarover noch bij de provincie noch bij de gemeente goede informatie beschikbaar:

  • aantal bedrijven dat de afgelopen jaren is beëindigd;
  • oppervlakte bedrijfsgebouwen dat daarmee gemoeid is;
  • huidige gebruiksfuncties van deze locaties.

Op grond van de beschikbare informatie kan wel worden geconcludeerd dat er de afgelopen periode geen sprake is van de vestiging van grootschalige bedrijfsfuncties op voormalige agrarische bedrijven in het buitengebied van de gemeente Borsele.

Op grond van het rapport van de Rekenkamer Zeeland is te verwachten dat de jaarlijkse afname van de oppervlakte bedrijfsgebouwen op agrarische bedrijven die de komende tijd vrijkomt substantieel lager zal zijn dan de afgelopen periode. De omvang van de vrijkomende bebouwing per agrarisch bedrijf zal wel toenemen. Verder zal ook in Borsele sprake zijn van recentere bebouwing die vrijkomt, met een lagere cultuurhistorische waarde en beeldkwaliteit.

In het kader van het pilotomgevingsplan voor het buitengebied acht het gemeentebestuur het gewenst om nieuwe ontwikkelingen op een flexibele manier mogelijk te maken. Wat betreft het hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijven worden daarbij de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • wonen is in het algemeen toelaatbaar als vervolgfunctie (met uitzondering van specifieke situaties vanuit het oogpunt van hinder of gezondheid);
  • hergebruik voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering is in beginsel mogelijk, ook ten behoeve van andere agrarische bedrijven;
  • behoud van karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen is gewenst;
  • voor niet-karakteristieke of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen kan sloop een oplossing zijn;
  • uitgangspunt is dat alleen kleinschalige (naar aard en omvang) vervolgfuncties worden gevestigd;
  • hergebruiksfuncties zijn in beginsel alleen toelaatbaar binnen bestaande gebouwen;
  • een functie moet naar de aard van de functie passen op de locatie en in de omgeving; daarbij spelen de volgende aspecten een rol:
    1. ontsluiting;
    2. afstand ten opzichte van kernen, natuurgebieden en recreatieterreinen;
  • een nieuwe functie moet qua omgevingsaspecten passen op de betreffende locatie.

Het gemeentebestuur kiest daarbij voor een kwalitatieve insteek, waarbij per locatie een afweging wordt gemaakt op basis van de kenmerken van de functie en van de omgeving. Het hanteren van een strikte zonering in relatie tot de ontsluitingsstructuur, afstanden tot wegen, kernen, recreatiegebieden en natuurgebieden en het hanteren van afstanden doet geen recht aan het gewenste maatwerk.

Wat betreft de ontsluiting is van belang dat voor agrarische transporten en verkeersbewegingen in het buitengebied steeds zwaardere voertuigen worden gebruikt. Dat legt een druk op de ontsluiting en de breedte en fundering van de wegen. In het algemeen is bij vervolgfuncties op agrarische bedrijven sprake van minder en van veel lichter verkeer dan het agrarische verkeer. Vervolgfuncties met een grote verkeersaantrekkende werking (veel verkeersbewegingen of veel zwaar verkeer) zijn in het algemeen niet gewenst in het buitengebied. Alleen in bijzondere situaties zijn dergelijke vervolgfuncties mogelijk in de nabijheid van de doorgaande ontsluitingsroutes.

Wat betreft de sloop van niet karakteristieke en waardevolle gebouwen is een kostendrager nodig. Daarbij kan worden gedacht aan de ruimte-voor-ruimteregeling of een sloopfonds. Een sloopfonds zal Zeelandbreed vorm moeten krijgen. Een interessante optie is om de beschikbare middelen voor asbestsanering te combineren met een dergelijk sloopfonds. Ook is het gewenst om de fiscale aspecten van de functieverandering van agrarisch naar een andere functie in de afweging te betrekken. Het gemeentebestuur werkt graag mee aan een provinciale pilot om deze aspecten uit te werken.

Ontsluiting

Context

Wat betreft de ontsluiting van het buitengebied van Borsele kan onderscheid worden gemaakt in diverse categorieën wegen:

  • stroomwegen: A58, Tunnelweg, Sloeweg en Bernhardweg-West (N62/N254); zie figuur 2.8;
  • gebiedsontsluitingswegen (N665 ('s-Gravenpolder-Heinkenszand-Lewedorp), N666 Oost + Kruiningenpolderweg (Kapelle-afslag Stelsedijk/Dierikweg), N667 (Heinkenszand-'s-Heerenhoek), N669 ('s-Gravenpolder-Goes), Baarlandsezandweg (tussen N666 en afslag Langeweegje), Monsterweg/Kaaiweg (tussen Borsele en Europaweg), Europaweg Oost en Zuid; zie figuur 2.8.; aanduiding GOW);
  • erftoegangswegen: alle overige wegen.

verplicht

Figuur 2.8. Wegencategorisering gemeente Borsele (bron: gemeente Borsele)

De komende 30 jaar zal de inrichting van de erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen in het buitengebied verder worden afgestemd op het snelheidsregime van de weg: 60 of 80 km/uur.

De erftoegangswegen zijn in beheer bij het Waterschap Scheldestromen. Het waterschap maakt onderscheid in doorgaande plattelandswegen, wegen voor doorgaand verkeer en wegen voor bestemmingsverkeer.

Naast de wegencategorisering is door de gezamenlijke wegbeheerders in Zeeland een Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland vastgesteld (zie figuur 2.9.). Doel van dit netwerk is dat het landbouwverkeer zich over grotere afstanden vlot en veilig kan verplaatsen zonder dat dit ten koste gaat van de verkeersveiligheid en doorstroming van het overige verkeer. Voor het buitengebied van de gemeente Borsele zijn twee prioritaire knelpunten met betrekking tot het netwerk landbouwverkeer vastgesteld:

  • ontbrekend fietspad op de route Nisse – 's-Heer Abtskerke – Goes: hier is inmiddels een vrijliggend fietspad aangelegd;
  • ontbrekend fietspad op de route 's-Heerenhoek-Borssele ('s-Heerenhoeksedijk); gepland voor 2018.

verplicht

Figuur 2.9. Routes landbouwverkeer (bron Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan gemeente Borsele, 2014)

Gemeentelijk beleid

De afgelopen decennia is sprake van een verandering van de functie en het karakter van het buitengebied. Van een primair agrarisch gebied is het buitengebied nadrukkelijk een multifunctioneel gebied geworden. Zo is het aantal niet-agrarische woningen inmiddels veel groter dan het aantal agrarische bedrijven. Bovendien is het recreatief medegebruik van het buitengebied sterk toegenomen: fietsen, wandelen, skeeleren, paardrijden. Tegelijkertijd is de aard van het landbouwverkeer sterk veranderd: tractoren en werktuigen zijn veel groter geworden. De verkeersdruk op de plattelandswegen is daardoor toegenomen. Ook de risico's op onveilige situaties nemen toe, door de grotere voertuigen en het toegenomen toeristische gebruik van het buitengebied. De toegenomen verkeersdruk heeft ook invloed op de recreatieve belevingswaarde. Tot slot kan door verbreding van wegen het karakter van het landschap worden aangetast.

Het beleid in relatie tot de ontsluiting heeft in het licht van het voorgaande twee aspecten:

  • inrichtings- en verkeersmaatregelen;
  • ontwikkelingsmogelijkheden nieuwe functies.

Voorbeelden van inrichtings- en verkeersmaatregelen zijn de aanleg van fietspaden, verbreding van wegen (met doorgroeistenen of verbreding van het wegdek) en het sluiten van wegen voor doorgaand verkeer.

Daarbij verliest de gemeente Borsele het karakter van het buitengebied niet uit het oog. In het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan is het volgende aangegeven:

De Zak van Zuid-Beveland is een deelgebied van het Nationaal Landschap Zuidwest Zeeland. In het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan Zeeland is de mobiliteit in het gebied hoofdzakelijk gekenmerkt door het gebiedsprofiel “cultuurlandschap”. De plattelandswegen in het gebied worden beheerd door het Waterschap Scheldestromen. Vanuit de verschillende invalshoeken leeft bij het waterschap, de provincie en de gemeente Borsele de wens om binnen het raamwerk van stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen de plattelandswegen zoveel mogelijk verkeersluw te maken: bestemd voor wandelaars, fietsers en bestemmingsverkeer, ontmoedigen van sluipverkeer. Gekoppeld aan deze wens is het streven om bij de (her)inrichting van deze plattelandswegen, landschapsvriendelijke inrichtingsmaatregelen te treffen ter afremming van de snelheid van het autoverkeer. De gemeente Borsele ondersteunt deze visie met kracht en blijft bij waterschap en provincie aandringen op de realisatie daarvan.

Met betrekking tot het fietsverkeer is het beleid van de gemeente gericht op het bevorderen van het fietsen, door te zorgen voor een veilige en fietsvriendelijke infrastructuur. De gemeente maakt zich sterk voor veilige fietsroutes voor scholieren naar middelbare scholen in Goes en Krabbendijke. De gemeente maakt zich eveneens sterk voor een fietsvriendelijke inrichting van de recreatieve fietsroutes die onderdeel uitmaken van het provinciale fietsknooppuntennetwerk.

Het landbouwverkeer is deels lokaal van aard: tussen agrarische bedrijfscentra en de landbouwpercelen. Deels gaat het om meer interlokaal verkeer, vooral door loonwerkers en de aan- en afvoer van landbouwproducten. Gelet op het economisch belang van deze activiteiten dienen deze uiteraard mogelijk gemaakt te worden. Tegelijkertijd is het ook wenselijk eventuele negatieve effecten van het doorgaand landbouwverkeer zo veel mogelijk te minimaliseren. Het gaat daarbij om verkeersveiligheid en overlast.

Het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 kan een bijdrage leveren aan het voorkómen van nieuwe verkeersonveilige situaties in de toekomst door middel van het toelatingsbeleid voor nieuwe functies. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in nieuwe functies op locaties waar nog geen bebouwing aanwezig is en hergebruik van bestaande gebouwen, bijvoorbeeld voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Grootschalige nieuwe functies zoals nieuwe bedrijven voor verwerking, opslag en/of distributie van landbouwproducten, loon- en mechanisatiebedrijven, locaties voor (regionale) mestopslag worden alleen in de directe nabijheid van het landbouwroutenetwerk/ gebiedsontsluitingswegen toegelaten. Voor het hergebruik van agrarische bedrijfslocaties wordt als uitgangspunt gehanteerd dat nieuwe functies op de goede plek worden gesitueerd, aansluitend op de wegenstructuur, uitgaande van de bestaande breedte en zwaarte van de wegen. Nieuwe functies ter plaatse van een voormalig agrarische bedrijf mogen niet meer en zwaarder verkeer genereren dan het voorheen ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf. Daarnaast worden de volgende randvoorwaarden gehanteerd:

  • de bestaande verhardingsbreedte en de fundering van de weg moet het verkeer naar de nieuwe functie aankunnen;
  • de verkeersveiligheid moet zijn gewaarborgd.

Daarnaast is het van groot belang dat het verkeer in het buitengebied op een verkeersveilige manier wordt afgewikkeld. Het omgevingsplan is daarvoor echter niet het juiste instrument. De breedte van wegen zou in beginsel in het omgevingsplan geregeld kunnen worden. In het verleden werd de breedte van de belangrijkste wegen in bestemmingsplannen verankerd via dwarsprofielen. Dat gebeurt echter al jaren niet meer, omdat voor aanpassingen van wegprofielen altijd een planologische procedure doorlopen moest worden. Gelet op het belang van de verkeersveiligheid vond in het planologische spoor niet een fundamentele afweging plaats. Om onnodige procedures te voorkomen is het niet gewenst verhardingsbreedten opnieuw in het omgevingsplan op te nemen.

Gezondheid

Context

Met het oog op de verbreding van de reikwijdte van het omgevingsplan is gezondheid een belangrijk aandachtsveld. In het kader van een goede fysieke leefomgeving kan een gezonde leefomgeving worden gedefinieerd als een leefomgeving die als prettig wordt ervaren (welbevinden/kwaliteit), uitnodigt tot gezond gedrag (gezondheidsbevordering) en waar de druk op de gezondheid zo laag mogelijk is (gezondheidsbescherming). Een gezonde fysieke leefomgeving heeft verschillende maatschappelijke voordelen, waaronder vermindering van de ziektelast, positieve effecten op productiviteit en creativiteit, verminderen van stressproblemen, gezonde ontwikkeling van kinderen, verminderen van psychische problemen. Bovendien biedt een gezonde leefomgeving een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven. Gezondheidsbevordering: prettige en veilige omgeving om te recreëren en te sporten

Gemeentelijk beleid

Het is belangrijk dat op basis van het omgevingsplan gezondheidsbevorderende voorzieningen en activiteiten zo eenvoudig mogelijk kunnen worden gerealiseerd en dat voorzieningen en activiteiten die een negatieve invloed hebben op de gezondheid zo veel mogelijk worden beperkt.

Wat betreft de inrichting is behoud en versterking van de kwaliteiten van het Borselse landschap een belangrijke voorwaarde voor een gezonde fysieke leefomgeving. Verder is het vanuit het oogpunt van gezondheid wenselijk om voorzieningen zoals nieuwe fiets-, wandel- en ruiterpaden en nieuwe natuurgebieden of ondersteunende recreatieve voorzieningen eenvoudig te kunnen realiseren, zodat het buitengebied nog meer uitnodigt om daar al recreërend gebruik van te maken.

Met betrekking tot activiteiten zijn het gemeentelijk geluidbeleid, de anti-hagelgeneratoren, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en veehouderij-activiteiten belangrijke aandachtspunten voor het omgevingsplan. Het gemeentelijk geluidbeleid zoals dat is vastgelegd in de geluidverordening is in het pilotomgevingsplan vertaald. Daarbij gelden voor zone 4 (het groen/grijs/bruine gebied, zie figuur 2.10) van het wettelijk kader afwijkende normen, gericht op het handhaven van de bestaande geluidskwaliteit. Het gaat daarbij om een relatief stil gebied, waarbij lagere richt- en grenswaarden worden gehanteerd dan wettelijk toegestaan. Antihagelgeneratoren zijn hiervan overigens uitgezonderd. Het beleid voor de overige zones uit de gemeentelijke geluidverordening (zone 1 t/m 3) komt te vervallen, waarbij dus ook de mogelijkheid om meer geluid toe te staan dan wettelijk geregeld, vervalt.

verplicht

Figuur 2.10. Geluidverordening gemeente Borsele

Gelet op het belang van anti-hagelgeneratoren voor de fruitteelt, in verband met het beperken van de schade aan het fruit door hagelbuien, en het incidentele gebruik ervan, acht het gemeentebestuur het van belang om ruimte te bieden voor dergelijke voorzieningen. Het omgevingsplan maakt het oprichten van anti-hagelgeneratoren mogelijk. Bij de vergunningverlening wordt vervolgens getoetst aan het wettelijk kader, waarbij aandacht wordt besteed aan gezondheidsaspecten.

Gewasbeschermingsmiddelen kunnen effecten hebben op de gezondheid. In dat licht is voor boomgaarden en fruitteelt een afstandsmaat van 50 meter aangehouden tot tuinen en woningen, tenzij voldoende afschermende maatregelen zijn genomen. Voor overige agrarische teelten is vooralsnog aangenomen dat de wettelijke regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voorzien in voldoende bescherming voor kwetsbare functies.

Wat betreft veehouderij-activiteiten biedt het pilot-omgevingsplan primair beperkte ontwikkelingsmogelijkheden. Daarbij is met het oog op het voorkomen van mogelijke significant negatieve effecten op Natura2000 op basis van de planMER een emissie-standstil voor ammoniak opgenomen in de regels. Alleen als wordt aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn op Natura2000 en de emissie niet toeneemt, kan worden meegewerkt aan uitbreiding.

In het kader van het pilot-omgevingsplan is vooralsnog geen specifiek nieuw beleid ontwikkeld voor het aspect gezondheid. Wel is gezondheid vertaald in voorwaarden die worden gesteld aan nieuwe ontwikkelingen. In het licht van het voorgaande is wel een aantal voorwaarden opgenomen in het omgevingsplan met betrekking tot het aspect gezondheid, gericht op de aspecten overlast in verband met geur, stof, geluid, verkeer, gevaar en magnetische velden.

Hoofdstuk 3 PlanMER     

3.1 Algemeen     

Het buitengebied van de gemeente Borsele is opgenomen in de 11e tranche van de Chw. De Chw biedt mogelijkheden om in het omgevingsplan op een andere wijze om te gaan met de toetsing van de milieugevolgen dan gebruikelijk bij een 'regulier' bestemmingsplan. De meest relevante wijzigingen voor de beoordeling van omgevingsaspecten zijn de volgende.

  • De Chw biedt mogelijkheden om in het omgevingsplan (feitelijk een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) voorwaarden te stellen ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (dit biedt ruimere mogelijkheden dan het begrip 'goede ruimtelijke ordening' uit de Wro).
  • In de toelichting van een omgevingsplan onder de Chw hoeft de uitvoerbaarheid van het plan op voorhand niet te zijn aangetoond. Toetsing aan de van toepassing zijnde sectorale wet- en regelgeving kan plaatsvinden op het moment dat sprake is van een concreet initiatief. De Omgevingswet introduceert het begrip 'evidente onuitvoerbaarheid'. Dit betekent dat moet worden aangetoond dat er binnen de kaders die het omgevingsplan biedt, mogelijkheden zijn om te komen tot uitvoerbare initiatieven.
  • De Chw bevat mogelijkheden om af te wijken van wettelijke normen en grenswaarden uit onder andere de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), de Wet geluidhinder (Wgh) en de Wet milieubeheer (Wm).

Dit hoofdstuk bevat een toelichting op de wijze waarop in het omgevingsplan de relevante omgevingsaspecten zijn meegewogen.

3.2 PlanMER en passende beoordeling     

Waarom een planMER?

Evenals voor een 'regulier' bestemmingsplan buitengebied is voor een omgevingsplan een milieueffectrapportage noodzakelijk. Enerzijds omdat het omgevingsplan mogelijkheden biedt voor (veehouderij)-initiatieven waarbij sprake kan zijn van een overschrijding van de drempelwaarden uit de C- en D-lijst bij het Besluit milieueffectrapportage. Het omgevingsplan is daarmee kaderstellend voor mer-(beoordelings)plichtige vervolgbesluiten. Anderzijds omdat een passende beoordeling noodzakelijk is, aangezien significant negatieve effecten binnen Natura 2000 (als gevolg van een toename van stikstofdepositie) niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. PlanMER en passende beoordeling zijn opgenomen in bijlage 4 PlanMER.

Reikwijdte en detailniveau

Het planMER en de passende beoordeling geven inzicht in de bandbreedte aan mogelijke milieugevolgen die kunnen optreden. Daarbij is zowel gekeken naar de gevolgen van agrarische bedrijfsactiviteiten (in het bijzonder de veehouderijen) als naar de gevolgen van nevenfuncties bij agrarische bedrijven, bedrijven en burgerwoningen.

Eerst is in het planMER per milieuthema de referentiesituatie in beeld gebracht. Bij de beschrijving van de gevolgen van het omgevingsplan is vervolgens onderscheid gemaakt tussen een maximaal en een realistisch ontwikkelingsscenario. In eerste instantie zijn de effecten van het omgevingsplan beoordeeld zonder rekening te houden met maatregelen of randvoorwaarden. Vervolgens wordt bekeken welke uitgangspunten, randvoorwaarden of maatregelen in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen om ongewenste situaties te voorkomen en te zorgen dat nieuwe initiatieven een bijdrage leveren aan de beoogde kwaliteit.

verplicht

Figuur 3.1 Schematisch weergave verhouding planMER en omgevingsplan

Agrarische bedrijven

Voor de agrarische bedrijfsactiviteit leidt de keuze voor een omgevingsplan in vergelijking met een 'regulier' bestemmingsplan, in algemene zin niet tot meer ontwikkelingsruimte of flexibiliteit. De toetsing van de effecten is daarom in principe conform de toetsing in een planMER voor een 'regulier' bestemmingsplan buitengebied. Dit betekent dat uitgebreid onderzoek is uitgevoerd om de gevolgen van ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen in beeld te brengen. Het planMER is mede bepalend voor de voorwaarden waaronder veehouderij-initiatieven kunnen worden toegestaan.

Neven- en vervolgfuncties

Het omgevingsplan biedt onder voorwaarden ruime mogelijkheden voor nevenfuncties en vervolgfuncties. Deze mogelijkheden kunnen per deelgebied verschillen. Het betreft onder andere mogelijkheden voor kleinschalige recreatieve functies, horeca en niet-agrarische bedrijvigheid. Door de ruime mogelijkheden die het omgevingsplan biedt, is het onmogelijk om in het planMER een gedetailleerde kwantitatieve toetsing van de (maximale) gevolgen op te nemen. Een dergelijk toetsing past ook niet binnen de algemene visie achter het instrument omgevingsplan. In het planMER is aan de hand van ontwikkelingsscenario's op hoofdlijnen ingegaan op de mogelijke milieugevolgen. Vervolgens is bekeken welke uitgangspunten, randvoorwaarden of maatregelen in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen om ongewenste situaties te voorkomen en te zorgen dat nieuwe initiatieven een bijdrage leveren aan de beoogde kwaliteit. In paragraaf 3.3 is dit nader uitgewerkt.

Resultaten en conclusies

Op basis van de sectorale beoordelingen van de (potentiële) effecten zoals opgenomen in het planMER en de passende beoordeling kunnen op hoofdlijnen de volgende conclusies worden getrokken.

Effecten maximaal ontwikkelingsscenario

Uit de resultaten van de effectbeoordeling voor het maximale ontwikkelingsscenario blijkt dat uitbreidingsmogelijkheden en omschakelingsmogelijkheden voor veehouderijen kunnen leiden tot significant negatieve effecten binnen Natura 2000-gebieden in de wijde omgeving van het plangebied. Cumulatief kan bij maximale groei van de veestapel een grote toename van stikstofdepositie optreden in situaties binnen Natura 2000 waar reeds sprake is van een overbelasting. Daarnaast zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen mede bepalend voor het woon- en leefklimaat binnen de gemeente. In het maximale ontwikkelingsscenario is als gevolg van de mogelijkheden voor veehouderijen sprake van beperkte negatieve gevolgen voor de geurbelasting, de concentraties fijn stof en de daarmee samenhangende gezondheidssituatie.

Ook bouw- en gebruiksmogelijkheden die samenhangen met neven- en vervolgfuncties kunnen (zonder aanvullende randvoorwaarden en/of maatregelen) ongewenste effecten met zich meebrengen. Zo kan in het maximale ontwikkelingsscenario sprake zijn van negatieve effecten op beschermde soorten (flora en fauna), water en de verkeerssituatie (en de daarmee samenhangende effecten). Tevens kunnen in bepaalde landschappelijke deelgebieden ongewenste landschappelijke gevolgen optreden.

Effecten realistisch ontwikkelingsscenario

Zoals uit het voorgaande blijkt kunnen in het maximale ontwikkelingsscenario negatieve effecten optreden. Het is echter de vraag of deze (vaak theoretische) maximale situatie in alle gevallen leidend moet zijn voor de wijze waarop de uitkomsten uit het planMER worden doorvertaald in het omgevingsplan. Om een meer genuanceerd beeld te geven van de mogelijke milieugevolgen is ook een meer realistisch ontwikkelingsscenario onderzocht. Daarbij is rekening gehouden met trends in de agrarische sector en specifieke gebiedskenmerken. Uit de beoordeling van de effecten voor dit realistische ontwikkelingsscenario blijkt dat dat de milieugevolgen over het algemeen minder negatief worden beoordeeld dan de effecten van het maximale ontwikkelingsscenario.

3.3 Omgevingsaspecten in het omgevingsplan     

Het omgevingsplan maakt relevante ontwikkelingen (functieveranderingen) met een melding, via afwijking en via delegatie mogelijk. Om ongewenste effecten te voorkomen en te borgen dat ontwikkelingen een bijdrage leveren aan de gewenste omgevingskwaliteit worden voorwaarden verbonden aan nieuwe initiatieven. In bijlage 5 Sectorale aspecten is een overzicht opgenomen van de geldende sectorale toetsingskaders en de wijze waarop daarmee in het omgevingsplan is omgegaan. Uitgangspunt voor het omgevingsplan is het vastleggen van de kaders waarbinnen toekomstige ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. De verschillende omgevingsaspecten spelen een belangrijke rol bij de uitwerking van de voorwaarden, regels en onderzoeksverplichtingen. Toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief en gebruik wordt gemaakt van de flexibiliteitsbepalingen.

Algemene voorwaarden

In de regels is een set van 'standaard' voorwaarden opgenomen die (voor zover relevant/van toepassing) gekoppeld zijn aan de verschillende mogelijkheden voor functieveranderingen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om voorwaarden als:

  • de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  • de ontwikkeling vindt hydrologisch neutraal plaats;
  • de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van de verkeerstoename;
  • er vindt geen onevenredige aantasting van natuurwaarden plaats;
  • de bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde functie;
  • de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed;
  • er worden geen nieuwe kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  • bij ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van risicobronnen dient het groepsrisico te worden verantwoord;
  • voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing.

Meerwaarde

Voldoen aan de voorwaarden alleen is niet voldoende: om medewerking te verkrijgen is het ook noodzakelijk dat er sprake is van een meerwaarde voor het buitengebied. Het staat de initiatiefnemer vrij om te kiezen voor een (combinatie van) financieel-economische, maatschappelijke of ruimtelijke meerwaarde. Van een ruimtelijke meerwaarde is bijvoorbeeld sprake indien natuurwaarden of cultuurhistorische waarden worden versterkt.

Aanvullende maatregelen planMER en passende beoordeling

Uit de effectbeschrijvingen in het planMER en de passende beoordeling blijkt dat er op onderdelen aanvullende maatregelen wenselijk/noodzakelijk zijn.

Stikstofdepositie Natura 2000

De veehouderijsector levert een belangrijke bijdrage aan de stikstofdepositie binnen Natura 2000. Mede naar aanleiding van de resultaten van de passende beoordeling is besloten in het omgevingsplan geen mogelijkheden te bieden voor omschakeling naar of nieuwvestiging van intensieve veehouderij. Daarnaast dienen voorwaarden te worden verbonden aan de uitbreiding van bestaande veehouderijen. De gemeente kiest er voor om in de regels vast te leggen dat de emissies op perceelsniveau niet mogen toenemen. Dit betekent niet dat alle veehouderijen 'op slot' worden gezet. Uitbreiding is mogelijk door het treffen van voldoende stikstofreducerende maatregelen (toepassen van emissiearme stalsystemen).

Op deze wijze is in het omgevingsplan geborgd dat geen achteruitgang zal optreden en op termijn de depositie zal afnemen. Niet alleen kunnen nieuwe initiatieven leiden tot een daling van de emissies en daarmee tot een afname van de emissie, maar situaties waarin sprake is van bedrijfsbeëindiging kunnen positieve gevolgen hebben voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000.

 

Een emissiestandstill heeft vergaande gevolgen voor bijvoorbeeld de paardenhouderij omdat voor het houden van paarden geen emissiearme stalsystemen voorhanden zijn. Mede om deze reden wordt een binnenplanse afwijking via omgevingsvergunning opgenomen waarmee onder strikte voorwaarden een toename van emissie wordt toegestaan. Daarbij dient te worden aangetoond dat geen sprake is van een toename van depositie op Natura 2000 of aantasting van andere natuurwaarden, dan wel maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten van een toename van depositie te mitigeren.

Teeltondersteunende voorzieningen

Het op grote schaal realiseren van bepaalde teeltondersteunende voorzieningen in de nabijheid van natuurgebieden kan leiden tot verminderde infiltratie en daardoor een nadelige invloed hebben op de natuurwaarden. Het is wenselijk om in bepaalde gevallen voorwaarden te verbinden aan nieuwe initiatieven.In het voorontwerp omgevingsplan zijn op dit punt nog geen voorwaarden verbonden aan nieuwe teeltondersteunende voorzieningen, maar in het ontwerpomgevingsplan zullen naar verwachting nadere voorwaarden worden opgenomen.

Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving     

4.1 Algemeen     

In paragraaf 4.2 wordt in hoofdlijnen de gekozen juridische opzet voor het omgevingsplan toegelicht. Paragraaf 4.3 bevat een toelichting op verschillende onderdelen van het plan zoals de opgenomen functies en regels. in bijlage 8 is een inventarisatie opgenomen van diverse functies in het buitengebied.

4.2 Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017     

Bij de vertaling van het gemeentelijke beleid naar een omgevingsplan zijn op hoofdlijnen vier aspecten van belang:

  • het model of de opzet voor het omgevingsplan;
  • de instrumenten die de Omgevingswet gaat bieden;
  • de objectgerichte benadering van het plan;
  • de verbrede reikwijdte.

De vier aspecten resulteren in een opzet zoals opgenomen in paragraaf 4.2.5.

4.2.1 Opzet van een omgevingsplan     

Het omgevingsplan verschilt op een aantal onderdelen van het bestemmingsplan. Zo bevat het omgevingsplan regels voor activiteiten die gericht zijn op het bereiken en in stand houden van 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. Het vertrouwde referentiekader 'goede ruimtelijke ordening' uit de Wro verdwijnt. Een gezonde fysieke leefomgeving is een veel breder kader dan de goede ruimtelijke ordening. Ook bijvoorbeeld milieuaspecten, beeldkwaliteit en welstand zijn onderdeel van de gezonde fysieke leefomgeving en kunnen daarmee onderdeel zijn van een omgevingsplan. Volgens de Omgevingswet gaat het in een omgevingsplan om 'het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, het beschermen van het milieu, het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, het behoud van cultureel erfgoed, de natuurbescherming, het tegengaan van klimaatverandering, de kwaliteit van bouwwerken, de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten, het beheer van infrastructuur, het beheer van watersystemen, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen, het beheer van natuurlijke hulpbronnen, het beheer van natuurgebieden en het gebruik van bouwwerken' (artikel 1.2 Omgevingswet).

Een gemeente mag zelf bepalen of alle regels en bepalingen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving uiteindelijk in een omgevingsplan terecht komen. Er kan ook voor worden gekozen om bepaalde onderdelen separaat te blijven regelen in beleidsregels of verordeningen. Het omgevingsplan heeft dan echter niet het beoogde integrale karakter.

Het omgevingsplan kent geen geldigheidstermijn (uiterste houdbaarheidsdatum): een eenmaal vastgesteld omgevingsplan blijft gelden en kan op onderdelen steeds worden herzien. Alleen het onderdeel dat wordt herzien is daarbij onderdeel van de vaststellingsprocedure en staat open voor beroep. Bij de inrichting van de set van regels voor een omgevingsplan en de opzet van de verbeelding wordt rekening gehouden met deze mogelijkheid om onderdelen (modules) eenvoudig te kunnen herzien. Er hoeft daarmee ook geen uitgebreid feitelijk onderzoek gedaan te worden naar uiteenlopende uitvoeringsvarianten van het plan: dit kan worden doorgeschoven naar het moment waarop er daadwerkelijk sprake is van een ontwikkeling. Het omgevingsplan voor Borsele heeft als 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte' een plantermijn van 20 jaar.

Schematisch zou de opzet van een omgevingsplan er dan als volgt uit kunnen zien.

verplicht verplicht verplicht

Figuur 4.1 Lagen in de verbeelding (plat vlak en in digitale laagopbouw) met een voorbeeldmodule van de regels

De raadpleger 'prikt' door op de verbeelding op een bepaalde locatie te klikken als het ware door alle lagen/modules in het omgevingsplan en ziet alle relevante onderdelen van het omgevingsplan, met uitsluitend de onderdelen van de regels die voor de betreffende locatie van belang zijn.

Naar een opzet voor het omgevingsplan voor Borsele  

In het omgevingsplan voor Borsele:

  • worden waar mogelijk algemene regels gehanteerd;
  • wordt voor zover noodzakelijk en wenselijk een onderscheid in deelgebieden gemaakt;
  • zal sprake zijn van een module 'Functies: waarvoor mag ik deze locatie gebruiken' en een module 'Bouwen: wat mag ik op deze locatie bouwen': de reden hiervoor is tweeledig:
    1. de Omgevingswet spreekt van een omgevingsvergunningplicht voor verschillende activiteiten zoals een bouwactiviteit of een afwijkactiviteit en de aanvrager kan kiezen om aanvragen los van elkaar of gelijktijdig in te dienen; deze activiteiten hebben een eigen plek in het omgevingsplan gekregen;
    2. ten behoeve van de vraaggestuurde raadpleegbaarheid via een vraaggestuurd menu (zie hierna onder raadpleegbaarheid: 'waar kan ik mijn perceel voor gebruiken', 'hoe hoog mag ik bouwen') is het onderscheid wenselijk;
  • blijft natuurlijk uitgangspunt dat er uitsluitend voor het toegelaten gebruik mag worden gebouwd;
  • zullen concrete, feitelijk aanwezige, te verwachten of te realiseren waarden op perceelsniveau worden geborgd.

4.2.2 Instrumentarium van de Omgevingswet     

Bij de nieuwe doelen en uitgangspunten hoort ook een vernieuwd instrumentarium dat aansluit bij de beoogde doelen (integraal, globaal, doelgericht denken, afwegingsruimte, kwalitatief in plaats van kwantitatief, vertrouwen). Dit instrumentarium bestaat uit verschillende soorten van regels: bouw- en gebruiksregels en beoordelingsregels, meldingsregels, maatwerkvoorschriften en -regels en regels voor gelijkwaardigheid.

Een omgevingsplan kan geen verplichte vergunningen voorschrijven (in bestemmingsplan: omgevingsvergunning voor slopen of omgevingsvergunning voor uitvoeren werken en werkzaamheden) of binnenplanse afwijkingen bevatten: deze worden in de Omgevingswet zelf geregeld. Het omgevingsplan kan wel de criteria bevatten op basis waarvan een omgevingsvergunning voor een afwijkingsactiviteit van de Omgevingswet wordt verleend.

Voor een overzicht van het nieuwe instrumentarium wordt verwezen naar bijlage 7 Instrumentarium omgevingswet.

Naar een opzet voor het omgevingsplan voor Borsele

Bij de keuze voor instrumentarium wordt gestreefd naar minder regels en ontwikkelingen met minder of kortere procedures mogelijk maken. De voorkeur wordt gegeven aan het rechtstreeks toestaan van initiatieven en ontwikkelingen mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om aan deze voorwaarden te (blijven) voldoen. Dit vraagt extra aandacht en alertheid van de ambtelijke medewerkers die belast zijn met handhaving.

Waar nodig worden de regels aangevuld met de bepaling dat een melding van een ontwikkeling moet worden gedaan bij het college van burgemeester en wethouders. Hierdoor ontstaat een duidelijk signaleringsmoment.

Ontwikkelingen of activiteiten die niet rechtstreeks of met melding worden toegestaan kunnen met een afwijking of delegatie worden toegestaan: het omgevingsplan bevat de voorwaarden waaronder deze instrumenten kunnen worden toegepast.

4.2.3 Objectgerichtheid omgevingsplan     

Uitgangspunt voor omgevingsplannen is het objectgericht benaderen van de informatie en de regels die in een omgevingsplan staan. Gronden en panden zijn objectgericht te benaderen indien de gronden gekoppeld worden aan een getekend vlak waaraan de betreffende regels voor de gronden en panden zijn gekoppeld. Bij het omgevingsplan voor Borsele leidt een dergelijke systematiek er toe dat een van de doelstellingen (flexibiliteit om de begrenzing van bestemmingsvlakken en bouwblokken aan te passen) niet wordt bereikt. Daarnaast is de huidige landelijke raadpleegomgeving voor bestemmingsplannen (www.ruimtelijkeplannen.nl) nog niet geschikt om daadwerkelijk objectgericht te raadplegen.

Naar een opzet voor het omgevingsplan voor Borsele

Voor het omgevingsplan voor Borsele is daarom gekozen voor:

  • het opnemen van symbolen voor bestaande functies waarvan de locatie en begrenzing niet strikt behoeft te worden vastgelegd;
  • het raadplegen via een eigen aanvullende raadpleegomgeving.

4.2.4 Verbrede reikwijdte     

In het omgevingsplan kunnen gemeentelijke beleidsregels en verordeningen worden geïntegreerd of er kan naar worden verwezen. Voordeel van het werken met een verwijzing naar beleidsregels of verordeningen is dat het omgevingsplan niet behoeft te worden gewijzigd bij veranderende inzichten: het wijzigen van de materiële beleidsregel of de verordening is dan voldoende. Nadeel is dat het bedoelde integrale karakter minder goed uit de verf komt. Het uitgangspunt voor het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 is dan ook dat beleidsregels en verordeningen waar mogelijk in het omgevingsplan worden verwerkt.

De verbrede reikwijdte heeft niet alleen betrekking op de verwerking van beleidsregels en verordeningen die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving. Verbrede reikwijdte heeft ook betrekking op het bieden van een handvat om de verschillende aspecten die spelen in de fysieke leefomgeving met elkaar in verbinding te brengen en in onderlinge samenhang af te wegen (integraliteit). In het omgevingsplan wordt de integraliteit bij nieuwe ontwikkelingen in deelgebieden als volgt ingevuld:

  • algemene beoordeling of een functieverandering of bouwwerk naar aard en omvang past in het betreffende deelgebied, gelet op de kenmerken van het gebied;
  • beoordeling of aan de basis voorwaarden, voor zover relevant, wordt voldaan;
  • beoordeling of aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit wordt voldaan; er zijn verschillende mogelijkheden om tot versterking te komen en afhankelijk van de ontwikkeling is bepaald op hoeveel punten er een meerwaarde moet worden geleverd; het is aan de initiatiefnemer om hier keuzes in te maken;
  • indien niet aan de hiervoor genoemde beoordelingscriteria wordt voldaan kan, na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, een initiatief alsnog als aanvaardbaar en passend binnen een deelgebied worden aangemerkt, waarbij dan tevens sprake moet zijn van een voldoende mate van compensatie van de beoordelingsregels waaraan niet in voldoende mate wordt voldaan.

4.2.5 Opzet omgevingsplan voor Borsele     

Samenvattend leiden de aspecten in de hiervoor beschreven paragrafen tot de volgende opzet van het omgevingsplan voor Borsele.

Algemene regels

Waar mogelijk zijn in het plan algemene regels gehanteerd.

Eenvoudige procedure

Ontwikkelingen worden zoveel mogelijk rechtstreeks of met een melding toegestaan; hieraan zijn kwantitatieve en/of kwalitatieve voorwaarden verbonden.

Ontwikkelingen die met een afwijking of delegatie zijn toegestaan worden getoetst op voorwaarden (kwalitatief en/of kwantitatief) en geboden meerwaarde.

Deelgebieden

Er is een onderscheid in deelgebieden gemaakt; deze deelgebieden zijn op verschillende niveaus van elkaar te onderscheiden:

  • doel/koers op hoofdlijnen:
    1. zoals blijkt uit hoofdstuk 2 is op hoofdlijnen het onderscheid tussen de deelgebieden (de Poel, Kleinschalige nieuwlandpolders, Herverkavelde oudlandpolders, Grootschalig polders en Westerschelde) voor het huidige gebruik maar beperkt nuttig en nodig;
    2. ook voor de geboden ontwikkelmogelijkheden zijn de 5 deelgebieden niet onderscheidend genoeg en daardoor niet geschikt als afwegingskader;
    3. de indeling in deelgebieden uit het bestemmingsplan Borsels Buiten wordt zoals in hoofdstuk 2 beschreven voor het binnendijkse gebied vertaald in 3 deelgebieden te weten: kerngebied de Poel met omliggende schil en het heggengebied rond Nisse, kleinschalige polders (restgebied de Poel, Kleinschalige nieuwlandpolders en Herverkavelde oudlandpolders) en de grootschalige polders;
    4. de toelaatbaarheid van ontwikkelingen wordt voorts gekoppeld aan een locatietoets waarbij niet alleen voldaan moet worden aan algemene voorwaarden maar ook - in een aantal gevallen - een meerwaarde voor het buitengebied van Borsele moet worden gecreëerd;
  • gebruik:
    1. de vigerende systematiek van bestemmingen in bestemmingsplannen impliceert een gebiedsindeling op basis van feitelijk gebruik; in het omgevingsplan wordt hier terughoudendheid mee omgegaan; waar dat niet nodig is worden functies niet van elkaar onderscheiden maar worden meerdere vormen van gebruik rechtstreeks toegestaan; ten opzichte van het traditionele bestemmingsplan is sprake van een globalisering van bestemmingen en een vergroting van de flexibiliteit;
    2. dit betekent concreet dat in het plan onderscheid is gemaakt in:
      1. functies waarvan locatie en begrenzing worden vastgelegd (Natuur, Water, Waterkering en Groen);
      2. het 'overige' gebied waarbinnen relevante bestaande functies met een symbool (in SVBP2012 een functieaanduiding) indicatief zijn vastgelegd;
      3. het gebruik van indicatieve symbolen betekent dat de locatie en begrenzing niet dwingend op de verbeelding zijn vastgelegd maar dat in de regels is aangegeven welke gronden ten behoeve van de functies mogen worden gebruikt en mogen worden bebouwd;
      4. voor de gebieden waarbinnen functies met symbolen zijn weergegeven gelden algemene regels voor bouwen en gebruik (algemeen toelaatbaar gebruik, algemene bouwregels); de combinatie van regels (regels voor de indicatief aangeduide functieaanduidingen en regels voor algemene toelaatbaarheid) moet er voor zorgen dat het bestaande toelaatbare gebruik en de daarmee verband houdende bebouwing niet alleen ter plaatse van het symbool zijn toegestaan maar ook in een gebied daaromheen; deze systematiek maakt veranderingen en verplaatsingen/verschuivingen van gebruik en bebouwing mogelijk; deze flexibiliteit wordt onderkend en nagestreefd; de verwachting – in combinatie met de regels in het plan – is dat deze verschuivingen beperkt zullen blijven en om die reden met de geboden flexibiliteit gefaciliteerd kunnen worden;
  • concrete, feitelijk aanwezige, te verwachten of te realiseren waarden:
    1. op perceelsniveau wordt de bescherming van deze waarden geborgd;
  • ontwerpend aspect:
    1. de indeling in deelgebieden speelt met name een rol in de versterking van de verschillen tussen deelgebieden en versterking van de onderscheidende kenmerken van een deelgebied, door het stellen van gebiedsgerichte voorwaarden aan nieuwe ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld de voorwaarden voor landschappelijke inpassing per deelgebied.

Objectgerichte raadpleging

De opzet van de regels maakt, samen met de verbeelding, een objectgerichte raadpleging mogelijk; de opzet van de regels en de verbeelding kunnen daarmee niet precies volgens de standaarden van SVBP2012 worden opgesteld; de standaarden zijn gemanipuleerd om de gewenste raadpleegbaarheid mogelijk te maken.

Raadpleegomgeving

Het plan is geschikt voor publicatie op www.ruimtelijkeplannen.nl. De leesbaarheid van het plan komt op de aanvullende raadpleegomgeving beter tot zijn recht. De raadpleging van het plan geschiedt via een vragenstructuur. De toegankelijkheid van de vragen ( 'waarvoor mag ik deze locatie gebruiken', 'wat mag ik op deze locatie bouwen') heeft tot doel de leesbaarheid voor de gebruikers te vergroten.

Verbreding

Verordeningen en beleidsnota's zijn indien mogelijk in het omgevingsplan opgenomen; indien dit niet haalbaar is, wordt verwezen naar de betreffende nota of verordening.

Kwaliteitsverbetering

Het plan is opgezet vanuit de ambitie om bij te dragen aan de verdere verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, ten aanzien van:

  • omgevingskwaliteit, onder andere door:
    1. de duidelijke verwijzing naar de Beeldkwaliteitsnota;
    2. het opnemen van de voorwaarde bij bepaalde ontwikkelingen dat sprake moet zijn van een meerwaarde (financieel-economisch, maatschappelijk of ruimtelijke meerwaarde);
    3. het opnemen van kwalitatieve voorwaarden bij bepaalde ontwikkelingen zoals voorwaarden met betrekking tot milieuaspecten, duurzaamheid en gezondheid;
  • ondernemersklimaat:
    1. bieden van ruimte voor de hoofdfuncties van het gebied (agrarische en toeristische ontwikkelingen); ruimte voor bijzondere overnachtingsplaatsen;
    2. bieden van mogelijkheden voor nevenfuncties (bedrijfsmatig, dagrecreatief, horeca of agrarisch aanverwant).

4.3 Toelichting op onderdelen     

4.3.1 Opbouw van de regels en de verbeelding     

Het omgevingsplan heeft de volgende opbouw van de regels en verbeelding.

module
Gebruik Waarvoor mag ik deze locatie gebruiken
artikelen 1 tot en met 36
In deze module zijn opgenomen:
- de bestaande functies (functies met een aanduiding op de verbeelding zoals agrarische bedrijven en burgerwoningen);
- de huidige functies van bovengemeentelijk belang (op de verbeelding opgenomen bestaande natuurgebieden, de primaire waterkering, leidingen, hoofdwegenstructuur en de Westerschelde);
- algemeen toelaatbare functies in het overige gebied op de verbeelding; algemeen toelaatbaar is bijvoorbeeld het aanleggen van nieuwe landschapselementen of de aanleg van voet- en fietspaden mits aan de voorwaarden wordt voldaan.
Bouwen Wat mag ik op deze locatie bouwen
artikel 37 tot en met 61
Deze module is gekoppeld aan aanduidingen op de verbeelding en hierin is opgenomen:
- de bouwregels voor de met een symbool aangegeven functies;
- de bouwregels die in zijn algemeenheid voor het hele buitengebied gelden;
- specifieke bouwregels zoals bijvoorbeeld voor bouwen binnen belemmeringenzones van leidingen of binnen de geluidszone industrielawaai.
Veranderen Mag het toelaatbare gebruik en het bouwen op deze locatie ook veranderen
artikel 62 tot en met 65
De regels voor veranderingen van functies of afwijken van de bouwregels zijn gekoppeld aan 3 deelgebieden; binnen deze 3 deelgebieden zijn de veranderingen ingedeeld naar veranderingen:
- met een melding;
- met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid;
- veranderingen waarvoor het college een herziening van het omgevingsplan vast kan stellen (delegatie).

De toelaatbaarheid van veranderingen is afhankelijk van:
- de wijze waarop aan de voorwaarden wordt voldaan;
- of er sprake is van een meerwaarde voor het buitengebied van Borsele.

De regels bevatten ook de mogelijkheid om maatwerk te leveren voor initiatieven (integraliteit).

De mogelijkheid om bijzondere overnachtingsplaatsen te realiseren is opgenomen voor het gehele plangebied met uitzondering van de Westerschelde.
Landschappelijke inpassing Voor het bouwen of de functie geldt de voorwaarde van landschappelijke inpassing; hiervoor gelden regels
artikel 66 tot en met 71 De Richtlijn erfbeplantingen is 'opgeknipt' en gekoppeld aan het desbetreffende deelgebied op de verbeelding; een initiatief waarvoor in de gebruiks- of bouwregels een landschappelijke inpassing is voorgeschreven kan direct aan de eisen voor de landschappelijke inpassing van het deelgebied waarin het initiatief is gelegen, worden getoetst.
Bescherming houtopstanden Welke regels gelden er voor de houtopstanden op deze locatie
artikel 72 De regels voor het kappen van waardevolle bomen zijn gekoppeld aan het hele plangebied; een raadpleger kan via een link doorklikken naar de digitale kaart met daarop de waardevolle bomen; de regels bevatten ook de mogelijkheid voor het college om de lijst met waardevolle bomen te wijzigen.
Stoken Mag ik op deze locatie afvalstoffen verbranden
artikel 73 De regels voor het verbranden van afvalstoffen zijn gekoppeld aan het hele plangebied; een raadpleger kan altijd zien welke regels hiervoor gelden.
Geluid Welke regels gelden er voor activiteiten die geluid produceren
artikel 74 en 75 De Geluidverordening is geëvalueerd en verwerkt in de regels.
Archeologie Deze locatie bevindt zich in archeologisch waardevol gebied, hiervoor gelden regels
artikel 76 tot en met 81 Het vastgestelde archeologiebeleid van de gemeente is vastgelegd in de regels en op de verbeelding; er worden verschillende archeologische verwachtingswaarden onderscheiden. Sinds de vaststelling van het archeologiebeleid zijn al diverse archeologisch onderzoeken gedaan en in een aantal gevallen heeft dit geleid tot de conclusie dat er geen sprake is van archeologische verwachtingswaarden. Voor deze gronden is geen functie 'archeologische verwachtingswaarden' opgenomen.
Cultuurhistorie Op deze locatie is sprake van cultuurhistorische waarden, hiervoor gelden regels
artikel 82 tot en met 86 In de regels en op de verbeelding zijn de molenbiotopen, karakteristieke panden, gemeentelijke monumenten en overige cultuurhistorische elementen zoals sluizen en vliedbergen weergegeven; de regels zijn alleen te raadplegen indien binnen de molenbiotoop of op een waardevol pand wordt geklikt.
Natuur en landschap Op deze locatie is sprake van natuur en landschapswaarden, hiervoor gelden regels
artikel 87 en 88 Deze regels zijn opgenomen en gekoppeld op de verbeelding aan:
- agrarische gronden met natuur of landschapswaarden;
- dijken met natuur of landschapswaarden.
Voor deze gebieden is bepaald dat het uitvoeren van werken en werkzaamheden alleen is toegestaan indien door het college een afwijking van het verbod is verleend.
Waterkering Op deze locatie gelden regels voor de bescherming van de waterkering
artikel 31 en 89 De regel ter bescherming van de waterkering is gekoppeld aan de primaire waterkering langs de Westerschelde. De beschermingszones grenzend aan de primaire waterkering en de secundaire waterkeringen zijn beschermd met de functie Waterstaat - Waterkering.
Verklarende regels Verklarende regels
artikel 90 en 91 Begripsbepalingen en wijze van meten.
Overige regels Welke regels gelden er nog meer op deze locatie
artikel 92 tot en met 94 Overgangs- en slotbepalingen.

Bij het gebruik van de aanvullende raadpleegomgeving zijn door het aanklikken van een locatie alleen de modules zichtbaar die op de betreffende locatie van toepassing zijn.

4.3.2 Algemeen toelaatbare functies en bestaande functies     

In grote delen van het plangebied zijn de functies agrarisch grondgebruik, wegen en waterlopen, extensief dagrecreatief medegebruik, tuinen, nieuwe natuur en nieuwe landschapselementen rechtstreeks toegestaan. Bestaande functies, zoals agrarische bedrijven, burgerwoningen en niet agrarische bedrijven, zijn op de verbeelding aangeduid met een symbool (een aanduiding). In de regels van artikel 36 Algemeen toelaatbare functies, is opgenomen dat het algemeen toelaatbare gebruik is toegestaan én de bestaande functies zoals aangegeven met een indicatieve aanduiding. De indicatieve aanduiding heeft niet tot doel om de locatie en de begrenzing van het bestaande gebruik exact vast te leggen. Het symbool geeft aan waar de functie zich bevindt: indien nodig wordt de omvang van het gebruik en de mate van concentratie van bebouwing in de regels vastgelegd.

Bestaande functies zoals natuurgebieden, de Westerschelde, Sloegroen en de primaire waterkering hebben een functievlak gekregen.

4.3.3 Deelgebieden     

Bij de hiervoor genoemde algemeen toelaatbare functies en bestaande functies is aangegeven wat rechtstreeks toelaatbaar is aan functieveranderingen en bouwmogelijkheden. Voor veranderingen die niet rechtstreeks zijn toegestaan, zijn de deelgebieden van belang. In het omgevingsplan worden 3 deelgebieden onderscheiden, te weten:

Veranderingen van functies en (bouw)ontwikkelingen zijn in principe toegestaan indien ze naar aard en omvang passend zijn in het betreffende deelgebied en voldoen aan algemene voorwaarden, zoals geluid, milieuhygiënische inpasbaarheid en verkeer. De regels bevatten een gebiedsbeschrijving waarin de specifieke en onderscheidende kenmerken van een deelgebied zijn beschreven. Deze gebiedsbeschrijving én het beleidsuitgangspunt dat gestreefd wordt naar versterking van de ruimtelijke kwaliteit zijn bepalend voor het toestaan van nieuwe ontwikkelingen. Behalve dat aan de voorwaarden moet worden voldaan, moet een initiatief ook een meerwaarde hebben voor het buitengebied en een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Deze meerwaarde kan onder andere bestaan uit het versterken van natuurwaarden, het slopen van detonerende bebouwing of het versterken van een cultuurhistorisch element. De mate waarin sprake moet zijn van een meerwaarde is afhankelijk van de aard en omvang van het initiatief en het is aan de initiatiefnemer om een keuze te maken in de wijze waarop de meerwaarde wordt gerealiseerd.

Veranderingen met melding

Bij een beperkt aantal veranderingen kan met een melding van de initiatiefnemer aan het college worden volstaan. Om gebruik te kunnen maken van het instrument melding moet voldaan worden aan de voorwaarden die aan de verandering worden gesteld. De gemeente kan achteraf controleren of er daadwerkelijk aan de voorwaarden wordt voldaan. Onder andere de uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein naar 25 standplaatsen kan met een melding worden gedaan mits voldaan wordt aan de voorwaarden.

Verandering met afwijking

De mogelijkheid om van het plan af te wijken is opgenomen voor onder andere nevenactiviteiten die naar aard en omvang de beperkte rechtstreekse mogelijkheden voor nevenfuncties overstijgen, bouwen vóór de voorgevelrooilijn, plattelandswoningen en nieuwbouw ten behoeve van nevenfuncties.

Verandering met delegatie

Met toepassing van de delegatiebevoegdheid wordt een deel van het omgevingsplan herzien waarbij het college van burgemeester en wethouders het besluit tot vaststelling van de herziening neemt. In het plan is een delegatiebevoegdheid opgenomen voor onder andere het omzetten van een agrarisch functie naar wonen bij bedrijfsbeëindiging, de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf en het realiseren van duurzame initiatieven voor zonne-energie.

Deze zonneweides kunnen passend zijn in het grootschalige polderlandschap; om te beoordelen of een locatie geschikt is voor een dergelijk initiatief zijn de volgende (aanvullende) voorwaarden opgenomen in de regels:

  1. met een locatiestudie zijn verschillende locaties onderzocht en de meest geschikte locaties uit ruimtelijk oogpunt, gesteldheid van de ondergrond en/of energieopbrengst in beeld gebracht;
  2. realisering vindt plaats op een van de aantoonbaar geschikte locaties;
  3. het ontwerp en de wijze van plaatsing van zonnepanelen sluit aan bij het landschap ter plaatse;
  4. indien mogelijk wordt er gebruikgemaakt van functiecombinaties en meervoudig ruimtegebruik;
  5. er is sprake van een goede landschappelijke inpassing.

4.3.4 Agrarische bedrijven     

Indeling in bedrijven

In het omgevingsplan is een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten van agrarische bedrijven. De noodzaak om een onderscheid te maken wordt enerzijds ingegeven door het provinciale beleid dat specifieke regels kent voor intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven. Anderzijds vormen ook het gemeentelijke beleid en de resultaten van het planMER aanleiding voor de volgende indeling van agrarische bedrijven:

  • grondgebonden agrarische bedrijven, nader te onderscheiden in:
    1. grondgebonden teeltbedrijven (zoals akker- en tuinbouw, fruitteelt, boomkwekerij en grondgebonden aquacultuur);
    2. grondgebonden veehouderijbedrijven;
  • niet-grondgebonden agrarische bedrijven, nader te onderscheiden in:
    1. glastuinbouwbedrijf;
    2. intensieve veehouderij;
    3. intensieve kwekerijen in gebouwen;
    4. niet-grondgebonden aquacultuur.

De in het plangebied aanwezige bedrijven zijn geïnventariseerd en hebben een aanduiding gekregen overeenkomstig de aanwezige bedrijfsvoering. Daarbij kan sprake zijn van hoofd- en neventakken of gemengde bedrijven. Neventakken intensieve veehouderij bij grondgebonden agrarische bedrijven zijn niet algemeen toelaatbaar en worden om die reden aangeduid. Een neventak grondgebonden teeltbedrijf is bij alle agrarische bedrijven toegestaan en wordt om die reden niet apart aangeduid maar als algemeen toelaatbaar opgenomen bij het toelaatbare gebruik.

Bouwblok

Ten behoeve van een agrarisch bedrijf mag worden gebouwd binnen een denkbeeldig vlak met zijden van 175 m en een oppervlakte van 1 ha (bouwblok). Het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn. Verder gelden voor de bebouwing binnen deze bouwblokken nog aanvullende voorwaarden zoals afstanden tot wegen en perceelsgrenzen, aansluiten bij de situering en lengterichting van bestaande bebouwing, geen onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en handhaven van de voorgevelrooilijn. Bouwen binnen een bouwblok met een oppervlakte van 1,5 ha is ook mogelijk maar hiervoor gelden aanvullende voorwaarden. Voor glastuinbouwbedrijven zijn denkbeeldige bouwblokken van 2 ha mogelijk gemaakt, met uitzondering van het glastuinbouwbedrijf Hellenburgstraat 32. Deze locatie is in de structuurvisie aangewezen als herstructurering- transformatielocatie voor woningbouw. Voor deze locatie zijn specifieke (bouw)aanduidingen opgenomen om de bouw van een bedrijfswoning en de uitbreiding van bedrijfsgebouwen en kassen te voorkomen.

Ammoniakemissiestandstill

Voor bouwblokken waar het houden van dieren is toegestaan is een ammoniakemissiestandstill opgenomen. Dit betekent dat het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen op het moment van vaststelling van het omgevingsplan, het stalsysteem dat hiervoor op dat moment was vergund en de diersoort waarvoor de dierplaatsen zijn gerealiseerd, slechts mogen worden gewijzigd indien dit niet gepaard gaat met een toename van ammoniakemissie. In voorkomende situaties waarbij een toename van emissie niet leidt tot een aantasting van natuurwaarden en Natura 2000-gebieden, kan met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid medewerking worden verleend aan een wijziging van de aantallen dierplaatsen, de diersoort of het stalsysteem.

Uitbreiding intensieve veehouderij

Voor intensieve veehouderijen gelden de regels uit de Verordening ruimte provincie Zeeland waarbij er een grens is gesteld aan de maximale omvang van hoofd- en neventakken intensieve veehouderij. Bouwen ten behoeve van een uitbreiding van de bedrijfsvloeroppervlakte is mogelijk indien onder andere aan eisen van verduurzaming wordt voldaan.

Teeltondersteunende voorzieningen

Bij grondgebonden teeltbedrijven komt het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen voor. Het omgevingsplan maakt een onderscheid tussen lage teeltondersteunende voorzieningen die worden aangelegd (zoals gebruik van folies en containervelden) en hoge voorzieningen waarvoor wordt gebouwd (zoals kassen, boog- en gaaskassen en hagelnetten). Het gebruik van de gronden voor lage voorzieningen is zonder meer toegestaan met uitzondering van het gebruik in deelgebied Kerngebied de Poel en heggengebied Nisse.

Voor de bouw van teeltondersteunende kassen is een regel opgenomen bij de bouwblokken (de kassen moeten binnen het bouwblok worden gerealiseerd). Overige teeltondersteunende voorzieningen zoals hagelnetten mogen buiten bouwblokken worden gebouwd, overeenkomstig de regels die in de algemene bouwregels zijn opgenomen.

Niet-agrarische nevenactiviteiten

Bij de beschrijving van de specifieke regels voor gebruik is per functie ook aangegeven dat een aantal niet-agrarische nevenactiviteiten is toegestaan. Rechtstreeks toelaatbaar, mits aan de voorwaarden wordt voldaan, is de verkoop van (regionale) agrarische producten, kleinschalige plattelandshoreca, kleinschalige zorginitiatieven en kleinschalige kampeerterreinen tot 15 eenheden. Voor de realisering van een kleinschalig kampeerterrein gelden onder andere voorwaarden voor landschappelijke inpassing, situering van de standplaatsen, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

Huisvesting van arbeidsmigranten

Overeenkomstig de Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten worden in het plan mogelijkheden geboden om arbeidsmigranten te huisvesten op zogenoemde agrarische campings (rechtstreeks toegestaan overeenkomstig de mogelijkheden voor kleinschalig kamperen), in agrarische bedrijfsgebouwen en in leegstaande gebouwen (met toepassing van de delegatiebevoegdheid).

4.3.5 Burgerwoningen     

De bestaande burgerwoningen zijn met een aanduiding Wonen opgenomen op de verbeelding. Het symbool geeft weer dat ter plaatse één woning, erf en tuin zijn toegestaan. De omvang van dit gebruik is niet begrensd, het gebied waarbinnen mag worden gebouwd voor deze functie is evenmin op de verbeelding met een vlak vastgelegd. Uitgangspunt van de formuleringen in de regels is dat er wel sprake moet zijn van een concentratie van bebouwing (beperking van het erf en een maximale onderlinge afstand van woningen tot vrijstaande bijbehorende bouwwerken.

De gronden mogen gebruikt worden voor de huisvesting van personen: behalve de bewoning door huishoudens en gezinnen is daarmee ook de huisvesting van bijvoorbeeld arbeidsmigranten mogelijk.

De maximale inhoud, goot- of bouwhoogte van woningen is niet in het plan vastgelegd. Bij bouw, uitbreiding of verbouw is het uitgangspunt dat:

  • het uitwendige karakter niet ingrijpend wordt gewijzigd waaronder in ieder geval wordt verstaan dat de goot- en bouwhoogte ten opzichte van de bestaande goot- en bouwhoogte met niet meer dan 10% mag worden verhoogd;
  • voldaan moet worden aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de Beeldkwaliteitsnota; dit betekent bijvoorbeeld dat bij uitbreiding van kleine woningen (arbeiderswoning) uit oogpunt van welstand, de uitbreiding met een aan-of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk als passend wordt beoordeeld in tegenstelling tot de vergroting van het hoofdvolume.

Ook bij burgerwoningen zijn nevenactiviteiten toegestaan zoals aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige kampeerterreinen tot 15 eenheden. Voor de realisering van een kleinschalig kampeerterrein gelden onder andere voorwaarden voor landschappelijke inpassing, situering van de standplaatsen, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

4.3.6 Niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten     

In het plangebied komen verschillende niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten voor die zijn voorzien van de volgende aanduidingen:

Agrarisch aanverwante bedrijven en maneges

Zowel de agrarisch aanverwante bedrijven als de maneges zijn functioneel aan het buitengebied verbonden; het buitengebied is voor deze bedrijven de meest voor de hand liggende vestigingslocatie. De bestaande agrarisch aanverwante bedrijven en maneges zijn met een aanduiding op de verbeelding opgenomen. In de regels voor bouwen is opgenomen dat bebouwing is toegestaan binnen een denkbeeldig bouwblok met zijden van 175 m en een maximale oppervlakte van 1 ha. Het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn.

Overige bedrijvigheid

Voor de overige genoemde bedrijvigheid is in mindere mate sprake van een functionele relatie met het buitengebied. Ook voor deze bedrijven zijn symbolen opgenomen waarbij in het plan tevens de oppervlakte in gebruik en de toelaatbare oppervlakte aan bebouwing is vastgelegd. Met behulp van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en Staat van Horeca-activiteiten zijn de bedrijven ingedeeld naar de mate van milieubelasting en invloed op de omgeving.

Nevenactiviteiten

Bij de beschrijving van de specifieke regels voor gebruik is per functie ook aangegeven dat een beperkt aantal nevenactiviteiten is toegestaan. Rechtstreeks toelaatbaar, mits aan de voorwaarden wordt voldaan, zijn het bieden van recreatief nachtverblijf tot een vloeroppervlakte van niet meer dan 40 m², beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten in een woning en/of bijbehorende bouwwerken en kleinschalige kampeerterreinen tot 15 eenheden. Voor de realisering van een kleinschalig kampeerterrein gelden onder andere voorwaarden voor landschappelijke inpassing, situering van de standplaatsen, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

4.3.7 Hoofd- en nevenfuncties     

In het bestemmingsplan Borsels Buiten is voor de percelen met een hoofdfunctie horeca, detailhandel of bedrijf de uitbreidings- en ontwikkelingsruimte bepaald op 20 % en al vastgelegd in de voorschriften en bijlagen van het plan. Deze regeling wordt overgenomen in het omgevingsplan.

Voor de nevenfuncties die met melding of afwijking zijn of kunnen ontstaan geldt in principe dat de bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor de nevenfunctie en dat deze oppervlakte met 20% mag worden uitgebreid tot een maximum van 250 m2.

In het huidige Borsels Buiten is een quotum geïntroduceerd voor kleinschalig kamperen: er zijn in totaal 14 kleinschalige kampeerterreinen toegestaan (op het moment van vaststelling Borsels Buiten waren er al 7 aanwezig, momenteel in de fase van voorontwerp zijn er 12 kleinschalige kampeerterreinen). Het quotum wordt losgelaten: nieuwe kleinschalige kampeerterreinen zijn rechtstreeks toegestaan mits voldaan wordt aan kwalitatieve randvoorwaarden. In kerngebied de Poel en het heggengebied Nisse zijn geen kleinschalige kampeerterreinen toegestaan.

4.3.8 Landschappelijke inpassing     

Bij diverse ontwikkelingen die met het plan mogelijk zijn en worden gemaakt is het vereiste van een landschappelijke inpassing opgenomen. De Richtlijn voor erfbeplanting die hiervoor binnen de gemeente wordt gehanteerd is opgenomen in het omgevingsplan. Daarbij is de richtlijn 'opgeknipt' naar deelgebieden. De raadpleger van het plan wordt via de verbeelding en het deelgebied direct naar de relevante onderdelen van de richtlijn geleid.

4.3.9 Bouwbeperkingen     

In het plangebied is een aantal bouwbeperkingen opgenomen of zijn voorwaarden gesteld aan het bouwen. Het betreft het bouwen binnen belemmeringenzones van leidingen, het bouwen binnen geluidszones industrielawaai, het bouwen binnen de walradarketen en straalpaden en het bouwen op de waterkering. Voor deze bouwbeperkingen zijn vlakken opgenomen op de verbeelding zodat de raadpleger direct op de bouwbeperking wordt gewezen.

4.3.10 Houtopstanden     

De regels met betrekking tot het kappen, vellen en rooien van houtopstanden zijn opgenomen in de APV en in het huidige bestemmingsplan Borsels Buiten. In het omgevingsplan worden deze regelingen samengebracht.

In de APV is in zijn algemeenheid het kappen of vellen van bomen niet toegestaan, waarbij de APV tevens voorziet in een uitzondering indien een lijst van waardevolle bomen is vastgesteld. Het algemene verbod geldt dan niet voor bomen die niet op de lijst staan. Deze regeling is omslachtig en bovendien heeft Borsele een dergelijke lijst van waardevolle bomen vastgesteld.

In het omgevingsplan wordt volstaan met een verbod om deze waardevolle bomen te kappen en de bevoegdheid om de lijst met waardevolle bomen te wijzigen. De lijst met waardevolle bomen is ook digitaal te raadplegen en het plan bevat een link naar deze digitale raadpleegomgeving.

De lijst met waardevolle bomen biedt onvoldoende bescherming voor de kenmerkende dijkbeplantingen.

4.3.11 Natuur- en landschapswaarden op agrarische gronden en dijken     

Agrarische gebieden en dijken met natuur- en/of landschapswaarden zijn specifiek aangeduid op de verbeelding. Het uitvoeren van verschillende werken en werkzaamheden is op deze gronden niet zonder omgevingsvergunning toegestaan. De kenmerkende dijkbeplanting – voor zover deze niet onder de Boswet valt of, indien ze daar wel onder valt, de herplantplicht niet op hetzelfde dijkvlak is gelegen – wordt met deze regeling beschermd.

4.3.12 Geluidsverordening     

De huidige geluidsverordening biedt in delen van het buitengebied van Borsele meer en in andere delen minder geluidsruimte voor inrichtingen om geluid te produceren. Een van de belangrijke doelstellingen van het omgevingsplan is om de geluidsverordening te integreren in het omgevingsplan. Een andere doelstelling van het omgevingsplan is om regelgeving op elkaar af te stemmen en dubbele regelgeving te voorkomen. De geluidsverordening is dan ook geëvalueerd. In de zones 1 en 2 waar meer ruimte werd geboden om geluid te produceren, blijkt van deze mogelijkheid niet of nauwelijks gebruik te zijn gemaakt. Zone 3 heeft weinig betekenis omdat hier de wettelijke normen gelden en er geen sprake was van een verruiming of vermindering van de mogelijkheid om geluid te produceren. Zone 4 heeft tot doel de stilte te behouden en biedt minder ruimte dan wettelijk toegestaan om geluid te produceren. Samenvattend is het behoud van de geluidsverordening voor zone 4 zinvol en wenselijk; voor de overige gebieden kan de verordening komen te vervallen.

Ook de beleidsregel voor het toepassen van antihagelgeneratoren is in het plan verwerkt. In de regels is voor het gebied waar strengere normen gelden dan wettelijk is vastgelegd, opgenomen dat de strengere normen voor geluid niet van toepassing zijn op antihagelgeneratoren.

4.3.13 Archeologie     

In het archeologiebeleid zijn 8 categorieën van archeologische verwachtingswaarden onderscheiden die als volgt zijn vertaald.

beleidscategorie in het vastgestelde archeologiebeleid weergave op verbeelding en in de regels relevante omvang en diepte waarbij sprake is van verplicht archeologisch onderzoek
categorie 1: archeologisch rijksmonumenten met een wettelijk beschermde status niet vertaald in het omgevingsplan; gemeente geen bevoegd gezag n.v.t.
categorie 2: terrein van archeologische verwachtingswaarde = AMK-terreinen Waarde - Archeologie 1 dieper dan 40 cm, groter dan 50 m²
categorie 3: stads- en dorpskernen met een archeologische verwachtingswaarde en nieuwe vindplaatsen Waarde - Archeologie 1 dieper dan 40 cm, groter dan 50 m²
categorie 4: hoge archeologische verwachtingswaarde Waarde - Archeologie 2 dieper dan 40 cm, groter dan 250 m²
categorie 5: gematigde archeologische verwachtingswaarde Waarde - Archeologie 3 dieper dan 40 cm, groter dan 500 m²
categorie 6: lage archeologische verwachtingswaarde niet vertaald in het omgevingsplan n.v.t.
categorie 7: waterbodem met verwachte maritiem archeologische verwachtingswaarde Waarde - Archeologie 4 groter dan 2.500 m²
categorie 8: geen archeologische verwachtingswaarde; geen verder onderzoek nodig niet vertaald in het omgevingsplan n.v.t.

Daarnaast is in het plan het rijksinpassingsplan ' net op zee, Borssele' verwerkt: dit inpassingsplan heeft een specifieke archeologische bestemming die als Waarde - Archeologie 5 is overgenomen.

4.3.14 Cultuurhistorie     

Molenbiotopen

De molenbiotopen zijn in het plan opgenomen waarbij een onderscheid is gemaakt tussen de biotoop van de stellingmolen in Heinkenszand en de overige molens.

Waardevolle panden

De bescherming van de gemeentelijke monumenten en de (wijziging van de) aanwijzing van gemeentelijke monumenten wordt opgenomen in het omgevingsplan. Bij raadpleging is dan direct zichtbaar welke regels er gelden ter bescherming van de gemeentelijke monumenten.

In het buitengebied zijn ook vele panden gelegen die als karakteristiek en cultuurhistorisch waardevol zijn aangemerkt. Voorstel is om voor deze panden een bescherming tegen sloop op te nemen. Een omgevingsvergunning om van het verbod tot slopen af te wijken kan worden verleend indien de karakteristiek van de gronden/omgeving niet onevenredig wordt aangetast of, gelet op de staat van het bouwwerk, handhaving niet in redelijkheid kan worden verlangd.

Rijksmonumenten

De aanwijzing en bescherming van rijksmonumenten hoeft niet in het omgevingsplan te worden geregeld (de gemeente heeft en krijgt hierin geen leidende rol). Bij de beoordeling van vergunningaanvragen heeft de gemeente wel een taak en toetst zij overeenkomstig hetgeen in paragraaf 10.1.7 van de Beeldkwaliteitsnota is verwoord. Dit is in de regels vertaald.

Overige elementen

Cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals vliedbergen en sluizen worden aangeduid en beschermd.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid     

5.1 Financiële uitvoerbaarheid     

In het kader van de Grondexploitatiewet is de gemeente verplicht kosten die ten behoeve van het omgevingsplan worden gemaakt, te verhalen (het huidige regime van Wro en Grondexploitatiewet is nog aan de orde).

De gemeente maakt geen kosten voor plannen die op grond van dit omgevingsplan worden uitgevoerd. Dat betreft in alle gevallen particulier initiatief, waaraan in beginsel geen kosten voor de gemeente zijn verbonden, afgezien van kosten van het ambtelijk apparaat voor de begeleiding en toetsing van aanvragen. Deze kosten worden door middel van leges gedekt. Mochten er andere kosten zijn, die op grond van artikel 6.13 Wet ruimtelijke ordening dienen te worden verhaald, dan zal uitsluitend worden meegewerkt aan de omgevingsvergunning voor afwijken of herziening van het plan, nadat een exploitatieovereenkomst is gesloten. De initiatiefnemers zijn hiervoor verantwoordelijk.

Wel maakt de gemeente plankosten, dit zijn de kosten die zijn gemoeid bij het opstellen van het omgevingsplan. Deze kosten zijn niet toe te schrijven aan een specifieke groep gebruikers. De gemeente neemt deze plankosten daarom voor haar rekening. Indien er aanvullende plankosten gemaakt worden voor het uitvoeren van het omgevingsplan, bijvoorbeeld in de vorm van kosten voor het toepassen van een delegatie- of afwijkingsbevoegdheid, worden dergelijke plankosten verhaald op de initiatiefnemer.

In lijn met deze redenering is er geen sprake van verhaalbare kosten en is voor het omgevingsplan geen exploitatieplan opgesteld.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid     

De gemeente hecht veel waarde aan de grote betrokkenheid van haar inwoners bij het buitengebied en heeft het voorontwerp opgesteld met behulp van een klankbordgroep. In deze klankbordgroep zijn verschillende partijen vertegenwoording zoals de dorpsraden, stichting Behoud Zak van Zuid-Beveland, ZLTO-afdeling, waterschap Scheldestromen, provincie Zeeland, Recron, veiligheidsregio en GGD. Deze klankbordgroep is in de fase van opstelling van de Nota van Uitgangspunten en het voorontwerp veelvuldig geconsulteerd en bijgepraat.

Vooroverleg en inspraak

Het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 wordt in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening aan diverse instanties toegezonden. Tevens wordt het voorontwerpomgevingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd en wordt een inspraakavond georganiseerd voor bewoners en gebruikers van het buitengebied en hun adviseurs. Na de inspraakavond volgen inloopspreekuren om specifieke vragen te beantwoorden en informatie te delen.

Vaststellingsfase

De resultaten van de zienswijzefase worden te zijner tijd verwerkt.

5.3 Handhaving     

Met dit omgevingsplan wordt beoogd een voor de burgers duidelijk en herkenbaar beleid voor de fysieke leefomgeving te formuleren. Het omgevingsplan is zodanig opgezet dat het ruimte biedt voor ontwikkelingen binnen de randvoorwaarden die volgen uit 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'.  Het omgevingsplan biedt daarmee meer flexibiliteit en ruimte dan het traditionele bestemmingsplan.

Het omgevingsplan bevat ook meer rechtstreekse bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden waaraan voorwaarden zijn verbonden.

De ontwikkelingen die mogelijk zijn na het doen van een melding zijn aan voorwaarden gebonden die niet vooraf door het ambtelijk apparaat worden getoetst (het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om te blijven voldoen).

Daarnaast is er sprake van kwalitatieve voorwaarden.

Het uitgangspunt is dat er handhavend wordt opgetreden wanneer de regels van het omgevingsplan niet worden nageleefd. Het achterwege laten van handhaving kan ertoe leiden dat zich ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen voordoen, die negatieve gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Het omgevingsplan in combinatie met een goede handhaving van de vastgestelde regels beschermen de kwaliteiten van het buitengebied en geven ook veel beter sturing aan ontwikkelingen.

Aangezien het omgevingsplan meer kwalitatieve regels bevat en een aantal ontwikkelingen rechtstreeks of met melding mogelijk worden gemaakt, zal het accent bij veranderen 'toetsing vooraf' naar 'handhaving achteraf' en naar handhaving van kwantitatieve en kwalitatieve normen.

Bijlagen bij toelichting     

Bijlage 1 Rijksbeleid     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

Vanuit diverse overheidsinstanties is beleid voor het buitengebied geformuleerd. Deze beleidskaders en de daarin opgenomen randvoorwaarden bepalen mede de beleidsvrijheid die de gemeente heeft bij het opstellen van het omgevingsplan Borsele Buitengebied 2017. De gemeente kan, als daar goede redenen voor zijn, er voor kiezen buiten de door de overheid aangegeven kaders beleid te formuleren. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van het landelijke beleid dat relevant is voor het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017.

Hoofdstuk 2 Rijksbeleid     

2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)     

De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld. De SVIR vervangt de 'Nota Ruimte', de 'Structuurvisie Randstad 2040', de ' Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak' en de 'Structuurvisie voor de Snelwegomgeving'. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: 'PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen', de 'Agenda Landschap', de 'Agenda Vitaal Platteland' en 'Pieken in de Delta'. De SVIR geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Van rijksdoelen naar nationaal belang

In de structuurvisie formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

verplicht

Figuur B1.2.1 Uitsnede Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Voor de drie rijksdoelen worden de volgende onderwerpen van nationaal belang benoemd:

  • een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; voor Borsele relevant: Sloegebied is van nationaal belang;
  • ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; voor Borsele relevant: aangewezen als 'vestigingsplaats energieproductie vanaf 500 MW', '(mogelijke) vestigingsplaats kerncentrale', met ruimte voor 'nieuwe hoogspanningsverbinding' en 'kansrijk gebied windenergie';
  • ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; voor Borsele relevant: aanwijzing 'buisleidingstrook';
  • efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor- en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
  • betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor- en vaarwegen;
  • het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor- en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen; voor Borsele relevant: Westerschelde hoort tot de hoofdtransportassen met een zeetoegangsgeul;
  • verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; voor Borsele relevant: primaire waterkering langs de Westerschelde, verziltingsgevoelig gebied;
  • ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; voor Borsele relevant: de Ecologische Hoofdstructuur, thans Natuurnetwerk Zeeland;
  • ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; voor Borsele relevant: radarverstoringsgebied behorend bij het vliegveld Woensdrecht;
  • zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

Gebiedsgerichte nationale belangen

In de Structuurvisie worden verschillende deelgebieden onderscheiden. De Zuidwestelijke Delta beslaat de gehele provincie Zeeland.

Voor Borsele zijn de volgende relevante gebiedsgerichte nationale belangen en opgaven van belang:

  • het borgen van de waterveiligheid (versterken van de primaire waterkeringen) en -kwaliteit , van voldoende zoetwater (aandachtsgebied zoetwatervoorziening) en het herstel van de estuariene dynamiek als drager voor een duurzaam water- en ecosysteem;
  • het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000-gebieden die een groot deel van de Zuidwestelijke Delta beslaan;
  • uitvoeren van de afspraken voor het faciliteren van de ontwikkeling van 'de logistieke Delta' (Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium i.s.m. Vlaamse Gewest);
  • bereikbaarheid voor de binnenvaart en aansluiting op het Trans-Europese transportnetwerk;
  • het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk tussen Borssele en Midden-Brabant (Zuidwest 380 kV-verbinding en buisleidingennetwerk);
  • het aanwijzen van voorkeursgebieden voor grootschalige windenergie in Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden.

Waterveiligheid en zoetwatervoorziening in relatie tot klimaatveranderingen is een van de opgaven voor de Zuidwestelijke Delta. De Deltawateren vormen een kans voor economische sectoren zoals visserij en aquacultuur, recreatie en toerisme.

Door de Zuidwestelijke Delta loopt de belangrijke internationale achterlandverbinding van de haven van Rotterdam met Antwerpen/Parijs, die met de geplande uitbreiding van de Seine-Scheldeverbinding nog in betekenis zal toenemen. De delta is ook belangrijk voor verdere havensamenwerking. Samen met het Vlaams Gewest werkt het Rijk aan de uitvoering van de Scheldeverdragen voor een veilig, toegankelijk en natuurlijk Schelde-estuarium.

2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)     

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de EHS, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

Voor dit plangebied zijn de volgende doelstellingen vanuit het Barro van belang:

  • elektriciteitsvoorziening: transport van in het Sloegebied en op zee opgewekte elektriciteit naar het landelijke netwerk; hoogspanningsverbinding Borssele-Kreekrak-Geertruidenberg;
  • rijksvaarwegen: rijkswater Westerschelde met vrijwaringszone van 25 m;
  • defensie: radarverstoring (nog niet in werking), vliegveld Woensdrecht;
  • buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • EHS, zoals aangewezen in de provinciale verordening;
  • primaire waterkeringen buiten het kustfundament.

2.3 Nationaal Waterplan 2016-2021     

Het Nationaal Waterplan beschrijft de maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het Nationaal Waterplan bestaat uit een thematische uitwerking en een gebiedsuitwerking. Thema's die behandeld worden zijn: waterveiligheid, watertekort en zoetwatervoorziening, wateroverlast, waterkwaliteit en gebruik van water. Gebiedsuitwerkingen zijn er voor de Kust, Rivieren, IJsselmeergebied, Zuidwestelijke Delta, Randstad, Noordzee, Noord-Nederland en de Waddenzee, Hoog Nederland en het stedelijk gebied. Op basis van de Waterwet en de Wro heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie.

De centrale opgave voor de Zuidwestelijke Delta is duurzaam herstel van het evenwicht tussen veiligheid, economie en ecologie. Het perspectief van integrale gebiedsontwikkeling staat voorop, waarbij een betere verbinding wordt gelegd tussen water en ruimtelijke ordening. Het huidige stelsel van dijken en waterkeringen blijft ook in de toekomst de basis voor waterveiligheid in de Zuidwestelijke Delta. Voor de Oosterschelde en de Westerschelde kiest het kabinet voor het optimaliseren van de huidige veiligheidsstrategie.

verplicht

Figuur B1.2.2 Agenda voor de toekomst

In de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) zetten Vlaanderen en Nederland samen hun schouders onder het beheer van het Schelde-estuarium. De VNSC werkt vanuit een integrale aanpak, die tegelijk de veerkracht van de natuur versterkt, ons beschermt tegen overstromingen en de havens toegankelijk houdt. De Agenda voor de Toekomst duidt de noodzakelijke stappen aan om die duurzame balans op lange termijn te garanderen.

2.4 Omgevingswet (nog niet in werking)     

Door de Omgevingswet wordt het wettelijke kader voor burgers, ondernemers en overheden inzichtelijker en ontwikkeling en beheer van de leefomgeving beter beheersbaar. Onderwerpen die in de nieuwe wet worden geregeld verdwijnen uit de bestaande wetgeving, daartoe worden (delen van) bestaande wetten ingetrokken. De nieuwe wet zal daarmee een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels, wetten en regelingen op het terrein van de fysieke leefomgeving betekenen. De nieuwe wet regelt:

  • het versnellen en verbeteren van besluitvorming in het brede fysieke domein;
  • de integratie van plannen en toetsingskaders;
  • het vergroten van bestuurlijke afwegingsruimte;
  • het doelmatig uitvoeren van onderzoek.

De Omgevingswet omvat een aantal integrale instrumenten als de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. Hierin worden soortgelijke sectorale instrumenten geïntegreerd in één instrument. De omgevingsvisie vervangt de (gebiedsdekkende) structuurvisie voor ruimtelijke ordening, het waterplan, het milieubeleidsplan, het verkeers- en vervoerplan en de ruimtelijke aspecten van de natuurvisie uit de voorziene Wet natuurbescherming. Procedures worden al in de eerste fase geüniformeerd. Het omgevingsplan is een gebiedsdekkend plan voor de leefomgeving. Het vervangt onder meer:

  • bestemmingsplan(nen);
  • algemene plaatselijke verordening(en);
  • bomenverordening;
  • monumentenverordening;
  • reclameverordening.

Het verschil met het bestemmingsplan is dat in het omgevingsplan meer regels kunnen worden opgenomen dan enkel over de bestemming van grond; ook afspraken over natuur en milieu en bijvoorbeeld erfgoed kunnen er in. Gemeenten kunnen het plan zo 'breed' maken, als zij willen: van 'een goede ruimtelijke ordening' tot 'een goede fysieke leefomgeving'.

Op 1 juli 2015 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de Omgevingswet De Eerste Kamer heeft vervolgens op 22 maart 2016 ook met een ruime meerderheid ingestemd met de wet. Momenteel (zomer en najaar 2016) zijn de Algemene maatregelen van Bestuur (AmvB's) die bij de Omgevingswet horen, vrijgegeven voor consultatie.

Hierna volgt nog de publicatie in het Staatsblad en wordt er invoeringsregelgeving gemaakt. Naar verwachting treedt de Omgevingswet met de bijbehorende AmvB's in 2019 in werking.

Bijlage 5 Sectorale aspecten     

Hoofdstuk 1 Geurhinder agrarische bedrijven     

Toetsingskader

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel (de gemeente Borsele is niet binnen een concentratiegebied gelegen).

Tabel B5.1.1 Overzicht geurnormen Wgv

verplicht

Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van 100 m binnen de bebouwde kom en 50 m buiten de bebouwde kom.

Voor pelsdieren gelden afstandseisen, waarbij de minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom afhankelijk is van het aantal fokteven. De minimaal aan te houden afstand tot objecten binnen de bebouwde kom loopt op van 175 m tot 275 m. De minimaal aan te houden afstand tot objecten buiten de bebouwde kom loopt op van 100 m tot 200 m.

Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

De Wgv en het Activiteitenbesluit stellen eisen aan de maximaal optredende voorgrondbelasting (als gevolg van een individuele veehouderij). Voor de achtergrondbelasting (de cumulatieve geurbelasting door de bedrijven in een bepaald gebied) gelden op grond van de Wgv geen wettelijke normen.

Het omgevingsplan

Het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor de geurbelasting. In het planMER is ingegaan op de optredende achtergrondconcentraties, de daarmee samenhangende gezondheidseffecten en de wijze waarop hiermee kan worden omgegaan in het omgevingsplan. Uit de resultaten blijkt dat de maximale gevolgen van het omgevingsplan voor de optredende geurbelastingen beperkt blijven. De resultaten geven geen aanleiding om in het bestemmingsplan maatregelen vast te leggen.

Conclusie

Het omgevingsplan voldoet aan de geldende toetsingskaders.

Hoofdstuk 2 Luchtkwaliteit     

Toetsingskader

Wet milieubeheer

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer (Wm) luchtkwaliteitseisen 2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang en rond veehouderijen uitsluitend de grenswaarden voor fijn stof. De grenswaarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Tabel B5.2.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wlk

verplicht

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).

Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.

Het omgevingsplan

In het planMER is ingegaan op de mogelijke gevolgen van het omgevingsplan voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarbij gaat het enerzijds om een toename van emissies als gevolg van de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten. Anderzijds kunnen ook ontwikkelingen die leiden tot extra verkeer leiden tot een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Uit het planMER blijkt dat de effecten relatief beperkt zijn en het omgevingsplan in geen geval leidt tot een overschrijding van de wettelijke grenswaarden.

Conclusie

Het omgevingsplan voldoet aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 3 Externe veiligheid     

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) bevat de wet- en regelgeving voor het transport van gevaarlijke stoffen. De concrete uitwerking is vastgelegd in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. 

Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maken bij het PR onderscheid in bestaande en in nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden (het gebied waarin bij het realiseren van kwetsbare objecten rekening gehouden dient te worden met de effecten van een plasbrand) benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

Buisleidingenstraat

verplicht

Figuur B5.3.1 Buisleidingenstrook uit Structuurvisie Buisleidingen

In de Structuurvisie Buisleidingen is voor de gemeente Borsele een buisleidingenstrook opgenomen waarvoor een breedte wordt gehanteerd van 50 m.

Het omgevingsplan

Binnen het plangebied en in de omgeving daarvan zijn verschillende risicobronnen aanwezig (inrichtingen, wegen, spoorwegen, buisleidingen en vervoer over water). Voor een overzicht wordt verwezen naar de paragraaf externe veiligheid in het planMER. Nieuwe Bevi-inrichtingen worden niet toegestaan.

In het omgevingsplan is vastgelegd dat geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd binnen een PR 10-6-contour. Daarnaast dient bij ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het GR een verantwoording van het GR plaats te vinden.

Conclusie

Met de voorwaarden zoals vastgelegd in het omgevingsplan is geborgd dat nieuwe ontwikkelingen passen binnen de geldende toetsingskaders voor externe veiligheid. Verdere toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief.

Hoofdstuk 4 Hoogspanningsverbinding     

Toetsingskader

Rond hoogspanningsverbindingen ontstaan magnetische velden. Er is uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit onderwerp. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar wel sprake van Europees en nationaal beleid.

Voor nieuwe situaties, waaronder begrepen nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen, hanteert het Rijk het beleidsadvies op basis van het voorzorgbeginsel, zoals opgenomen in het 'Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen' (2005) en de 'Verduidelijking' van dit beleidsadvies (2008). Het beleidsadvies inzake magneetvelden is om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (0-15 jaar) langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Dit beleidsadvies is van toepassing op nieuwe bovengrondse verbindingen. Op ondergrondse verbindingen, hoogspanningsstations en opstijgpunten is het beleidsadvies niet van toepassing. Het Ministerie van VROM (inmiddels Ministerie van Infrastructuur en Milieu geheten) heeft in 2005 advies uitgebracht aan gemeenten en provincies over het omgaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van bovengrondse hoogspanningsleidingen. Zij adviseert om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de 0,4 microtesla zone rond een hoogspanningslijn. Aanleiding voor dit rijksbeleid voor hoogspanningsleidingen vormen mogelijke gezondheidsrisico's bij langdurige blootstelling van kinderen aan elektromagnetische velden.

Het omgevingsplan

In het plangebied zijn bestaande 150 kV- en 380 kV-hoogspanningsverbindingen gelegen. Deze verbindingen hebben een (indicatieve) magneetveldzone van 80 tot 100 m aan weerszijden. Het omgevingsplan biedt ontwikkelingsmogelijkheden voor diverse functies binnen de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningsverbindingen.

In het plangebied wordt ook de aanleg verwacht van:

  • nieuwe 150 kV- en 380 kV-hoogspanningsverbindingen, in combinatie met het buiten bedrijf stellen van bestaande hoogspanningsverbindingen; in het voorontwerpomgevingsplan wordt nog geen rekening gehouden met deze ontwikkelingen; een maal vastgestelde inpassingsplannen voor deze hoogspanningsverbindingen worden verwerkt in het ontwerp of vast te stellen omgevingsplan;
  • een ondergrondse hoogspanningsleiding die toekomstige windturbines op zee moet verbinden met het landelijke hoogspanningsnet; het hiervoor opgestelde inpassingsplan 'net op zee, Borssele' is op 27 juni 2016 vastgesteld en is verwerkt in dit voorontwerp.

Conclusie

De verschillende ontwikkelingsmogelijkheden die in het omgevingsplan worden geboden zijn gekoppeld aan voorwaarden waaronder gezondheid. In de regels wordt bepaald dat ontwikkelingen waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magneetvelden, niet voldoen aan de voorwaarden voor gezondheid.

Hoofdstuk 5 Radarverstoring en hoogtebeperkingen     

Toetsingskader

Het vliegveld Midden Zeeland is gelegen aan de Calandweg in Arnemuiden. Sinds 15 mei 2014 is voor het vliegveld de Verordening Luchthavenbesluit Midden Zeeland van toepassing. In deze verordening worden gebieden in en rond het vliegveld aangewezen als 'Luchthavengebied', 'Beperkingengebieden' en 'Aanvullend beperkingengebied'. Voor het plangebied is het deelgebied met hoogtebeperkingen (onderdeel van het Beperkingengebied) van belang. Binnen dit gebied geldt een hoogtebeperking van 45 m rondom Lewedorp, oplopend tot 100 m ten zuiden van Nieuwdorp.

verplicht

Figuur B5.5.1. Vliegveld Midden Zeeland

Het plangebied is in het radarverstoringsgebied van vliegveld Woensdrecht gelegen. Het radarverstoringsgebied legt beperkingen op aan de bouw van hoge bouwwerken zoals hoogspanningsmasten. Daarbij gaat het om bouwwerken met een hoogte van meer dan 113 m ten opzichte van NAP.

In het plangebied bevindt zich een optisch vrij veld ten behoeve van de walradarketen langs de Westerschelde. Dit optisch vrije veld begint bij de radartoren bij Baarland, en bestrijkt globaal het gebied ten zuiden van de lijn Baarland-Borssele. Om een goed radarbeeld te waarborgen is het nodig om hoge bebouwing en beplanting in het straalveld zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij gaat het op land om beplanting en bebouwing hoger van 10 m ten opzichte van NAP.

verplicht

Figuur B5.5.2 Walradarketen

In het plangebied bevinden zich vier optisch vrije paden ten behoeve van straalverbindingen. Deze optisch vrije paden hebben allen een breedte van 200 m. De eerste straalverbinding bevindt zich tussen Goes (Tv-toren) en Terneuzen. De overige optisch vrije paden zijn ten behoeve van de kerncentrale bij Borssele. De hoogtebeperkingen die hiermee samenhangen lopen op van 36 tot 93 m ten opzichte van NAP.

verplicht

Figuur B5.5.3 Straalverbindingen

Het omgevingsplan

De huidige in het plan aanwezige windturbines en hoogspanningsmasten zijn gedeeltelijk in gebieden gelegen waar sprake is van hoogtebeperkingen door vliegveld Midden Zeeland of de optisch vrije paden. Andere hoge bouwwerken die verstoring kunnen veroorzaken worden in het plan niet voorzien.

In het optisch vrije veld van de walradarketen kan bij bouwwerken hoger dan 10 m +NAP sprake zijn van verstoring.

Conclusie

Het plan biedt geen mogelijkheden voor nieuwe of grotere windturbines. Voor wat betreft de hoogspanningsverbindingen zal bij de bouwbepalingen worden verwezen naar de verschillende hoogtebeperkingen waarmee rekening moet worden gehouden.

In het gebied van de walradarketen zal een hoogtebeperking worden opgenomen.

Hoofdstuk 6 Geluidshinder     

Toetsingskader

Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging.

Ook langs spoorwegen en rond/op industrie- en bedrijventerreinen waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken zijn geluidszones gelegen.

Het omgevingsplan

Binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn verschillende geluidbronnen gelegen, waaronder gezoneerde wegen en het gezoneerde industrieterreinen Sloegebied. In de toekomst worden mogelijk nieuwe geluidsgevoelige functies gerealiseerd, zoals bedrijfswoningen. Het omgevingsplan zal geen rechtstreekse bouwmogelijkheden voor de nieuwbouw van woningen bieden waardoor een akoestisch onderzoek achterwege kan blijven. Ten behoeve van de ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuw- en/of herbouw van woningen wordt, omdat de plaats en de situering niet bekend is en omdat de geluidsbelasting in de loop der jaren kan wijzigen, een oplossing gezocht in een bepaling die een koppeling legt tussen het omgevingsplan en de wettelijk toelaatbare geluidsbelasting.

Conclusie

In het omgevingsplan is vastgelegd dat voor nieuwe geluidsgevoelige objecten of de wijziging/uitbreiding van bestaande geluidsgevoelige objecten dient te worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of de vast te stellen hogere waarde. Toetsing (en vaststelling van eventuele hogere waarden) vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief.

Hoofdstuk 7 Ecologie     

Toetsingskader

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  1. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  2. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  3. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het omgevingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Hetzelfde geldt voor de ecologische doelen van de beschermde natuurmonumenten (b), voor zover deze gebieden niet overlappen met Natura 2000. In de passende beoordeling (zie bijlage bij het planMER) is nader ingegaan op de eisen uit de Nb-wet.

Verordening ruimte provincie Zeeland

Nationaal Natuurnetwerk/Ecologische Hoofdstructuur

Het Rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de SVIR. De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden is geregeld via de Verordening ruimte provincie Zeeland (VrpZ).

Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN, voorheen EHS) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, legt de provincie nieuwe natuur aan.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten voor uitsterven te behoeden. Maar het netwerk is er ook voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur, om te recreëren en tot rust komen.

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van EZ. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang;
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van EZ de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, en slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  1. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Het omgevingsplan

Natura 2000

Binnen en in de (wijde) omgeving van het plangebied is een aantal Natura 2000-gebieden gelegen. Het betreft binnen het plangebied het gebied Westerschelde & Saeftinghe en daarbuiten de gebieden Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde, Veerse Meer en Manteling van Walcheren. Er bevinden zich buiten de Natura 2000-gebieden geen beschermde natuurmonumenten. De gebieden Westerschelde & Saeftinghe, Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde en Manteling van Walcheren zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De Westerschelde & Saeftinghe, Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde en Veerse Meer zijn ook gevoelig voor verstoring.

In het planMER is een passende beoordeling opgenomen vanwege de mogelijke effecten op Natura 2000 door de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen (stikstofdepositie). In Hoofdstuk 3 PlanMER is uitgewerkt op welke wijze in het omgevingsplan wordt omgegaan met de resultaten van de passende beoordeling.

Nationaal Natuurnetwerk

Verspreid door het buitengebied van Borsele liggen gebieden die deel uitmaken van het NNN. In het plangebied komen vooral veel dijkbeplantingen voor die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Ook de delen van het plangebied die deel uitmaken van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe zijn onderdeel van het NNZ. Daarnaast maken enkele verspreid liggende gebieden ook deel uit van het NNZ, zoals het Ganzenreservaat Sinoutskerke, de Zwaakse weel, Heggengebied Nisse en het Poelbos. De Kaloot is ook aangewezen als WAV-gebied (Wet Ammoniak en Veehouderij). In het plangebied zijn in de VrpZ ook enkele gebieden aangewezen als agrarisch gebied van ecologische betekenis (zie figuur 4.4), deze gebieden maken deel uit van het NNZ.

Een deel van de natuurgebieden is gevoelig voor veranderingen in het grondwater. In het Omgevingsplan Zeeland is aangegeven dat ten opzichte van natuurgebieden rekening moet worden gehouden met een afwegings(buffer)zone van 100 m. Als aangetoond wordt dat geen schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid of de natuur zullen optreden, kan een kleinere afstand toelaatbaar zijn. Evenals binnen Natura 2000 kan ook binnen het NNN een toename van stikstofdepositie leiden tot negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. De maatregelen die worden getroffen om significante negatieve effecten binnen Natura 2000 uit te sluiten (zie hoofdstuk 3 PlanMER) hebben tot gevolg dat ook binnen het NNN geen toename van depositie zal optreden.

Flora en fauna

In het planMER is (op basis van een bureaustudie) inzicht gegeven in de beschermde soorten binnen het plangebied. Uit de effectbeschrijving blijkt dat het omgevingsplan zonder het treffen van maatregelen gevolgen kan hebben voor beschermde soorten. De aantasting van individuen is niet uit te sluiten, maar effecten op populatieniveau kunnen echter wel worden uitgesloten. Over het algemeen zijn goede mitigerende maatregelen te treffen. De kans dat de Ffw een belemmering zal vormen voor de uitvoering van het omgevingsplan is daardoor zeer gering. In het omgevingsplan is in de verschillende flexibiliteitsbepalingen een toets van de effecten op natuurwaarden opgenomen.

Veranderende wetgeving

Naar verwachting treedt op 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming in werking. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Dit hoofdstuk zal hier te zijner tijd op worden aangepast.

Conclusie

In het omgevingsplan is geborgd dat geen sprake zal zijn van negatieve effecten op natuurwaarden.

Hoofdstuk 8 Bodem     

Toetsingskader

Bij functieveranderingen is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bestaande bodemkwaliteit niet verslechtert. Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, dient deze direct te worden opgeruimd. Bij bestaande mobiele verontreinigingen die voor 1987 ontstaan zijn (zogenaamde erfenisgevallen), zal bij de sanering ook naar de kosteneffectiviteit worden gekeken. Uitgangspunt voor verontreinigingen die zich in het grondwater manifesteren is dat deze beheersbaar zijn en blijven.

Het omgevingsplan

In de regels voor functieveranderingen is waar relevant als voorwaarde opgenomen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief. Als de onderzoeksresultaten daar aanleiding toe geven, zullen eventueel aanwezige verontreinigingen moeten worden gesaneerd.

Conclusie

In de regels van het omgevingsplan is geborgd dat bij functieveranderingen de kwaliteit van de bodem voldoende is voor het beoogde gebruik.

Hoofdstuk 9 Water     

Toetsingskader

Diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus liggen ten grondslag aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer:

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW);
  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet;
  • Deltaprogramma.

De provincie en het waterschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en uitvoeringsplannen. Wettelijke verankering van het waterbeleid vindt plaats in de Waterwet en onderliggende uitvoeringsregels. De regels die zijn vastgelegd in een verordening van de waterschappen, worden 'de Keur' genoemd. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. De Waterwet kent één watervergunning, de voormalige Keurvergunning is hierin opgenomen.

De watertoets is een proces waarmee in ruimtelijke plannen de mogelijke risico's (zoals waterveiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verdroging en verzilting van grond- en oppervlaktewater) en kansen van water vroegtijdig in beeld worden gebracht in overleg met de waterbeheerders. In het kader van het omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 vindt afstemming plaats met de waterbeheerders, in dit geval het Waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren.

In het Deltaprogramma heeft het rijk aangegeven dat de leefomgeving adaptief dient te worden gemaakt voor klimaatverandering. Klimaatadaptatie zal daartoe vanzelfsprekend als aandachtspunt moeten worden mee genomen bij nieuwe ontwikkelingen en herstructurering in het buitengebied. Uitgangspunt is dat de leefomgeving klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht.

Het omgevingsplan

Watersysteem

Binnen het plangebied komen meerdere grondwatertrappen voor. De grondwatertrap VI komt in het grootste deel van het plangebied voor. Dit houdt in dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,4 en 0,8 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand op meer dan 1,2 m beneden het maaiveld is gelegen. Verder komen ook de grondwatertrappen II, III, IIIb, VI, VIb en VII voor.

In het plangebied is over het algemeen geen sprake van zoute kwel. Bij de inlagen in het zuidwestelijk gedeelte van het plangebied is lokaal wel sterke, veelal matige tot afnemend geringe kwel aanwezig tot circa 1000 m landinwaarts. Aan de zuidoostkust zijn bandstroken zoute kwel aanwezig, met name in de zware schorgronden en de oude kreekbeddingen. De zoute kwel is hier tot circa 2.200 m landinwaarts aanwezig.

In het kreekruggen- en kreekopvullingensysteem rondom De Poel komt een zoetwaterbel voor. Overmatige grondwateronttrekking in dit gebied heeft een sterke stijging van het zich onder de zoetwaterbel bevindende zoute grondwater tot gevolg. In dit gebied is het beleid er dan ook op gericht om een gelijkblijvende omvang van de zoetwaterbel te behouden en het beperken van de vermenging van zoet water met zout water.

Waterlopen

Binnen het plangebied komen verschillende waterafvoergebieden voor, te weten De Poel, Maelstede, Van Borsele, Groenewege, Hellewoud, Baarland en Coudorpe. Deze gebieden wateren bijna allemaal af op de Westerschelde. Het afvoergebied Baarland watert af op het gebied Hellewoud en Maelstede ontvangt het water van De Poel.

Het plangebied wordt doorkruist door meerder primaire watergangen. Daarnaast komen ook talrijke andere oppervlaktewateren voor. Tevens komen op diverse plaatsen welen voor, zoals de welen aan de Brilletjesdijk, de polder 't Vlaandertje en de Westeindse weel. Een weel is een voormalig kolkgat, dat is ontstaan bij een dijkdoorbraak of een dijkval. Naast deze welen komen er in het plangebied ook voormalige kreken en kreekrestanten voor. Dit zijn langgerekte wateren, omzoomd door rietkragen en/of drassige oeverlanden en laaggelegen graslanden.

Waterveiligheid

De kust langs de Westerschelde wordt volledig begrensd door een primaire waterkering. Binnen het plangebied zijn verder nog verschillende regionale keringen gelegen. Rondom deze keringen is sprake van een beschermingszone waarbinnen beperkingen gelden voor bouwen en aanleggen. Delen van het plangebied zijn binnen deze zones gelegen.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is grotendeels aangesloten op een gescheiden rioleringsstelsel.

In het gemeentelijk waterplan is aangegeven dat 878 panden zijn aangesloten op drukriolering en 679 panden niet zijn aangesloten op de riolering.

Conclusie

In de regels van het omgevingsplan is geborgd dat bij functieveranderingen getoetst wordt op wateraspecten. Ook de bescherming tegen het water is in het omgevingsplan verwerkt.

Hoofdstuk 10 Archeologie     

Toetsingskader

De gemeente Borsele heeft eigen archeologiebeleid geformuleerd en op 11 oktober 2011 vastgesteld in de Beleidskaart en Beleidsnota Borsele.

In het archeologiebeleid zijn verwachtingskaarten gemaakt voor het gehele grondgebied van de gemeente. Hierin worden 4 verschillende archeologische niveaus onderscheiden:

  • laag 1: Walcheren;
  • laag 2: Hollandveen;
  • laag 3: Wormer;
  • laag 4: Pleistoceen.

Uit de onderzoeken is gebleken dat de verwachtingskaart laag 1 Walcheren voor Borsele het meest relevant is. De verwachtingen uit de lagen 2, 3 en 4 komen ook weer terug in laag 1.

verplicht

verplicht

Figuur B5.10.1 Huidig archeologiebeleid

De archeologische verwachtingen zijn onderverdeeld in de volgende beleidscategorieën:

  • categorie 1: archeologische rijksmonumenten met een wettelijk beschermde status; in de gemeente Borsele is sprake van 7 archeologische rijksmonumenten;
  • categorie 2: terrein van archeologische verwachtingswaarde = AMK-terreinen;
  • categorie 3: stads- en dorpskernen met een archeologische verwachtingswaarde en nieuwe vindplaatsen;
  • categorie 4: hoge archeologische verwachtingswaarde;
  • categorie 5: gematigde archeologische verwachtingswaarde;
  • categorie 6: lage archeologische verwachtingswaarde;
  • categorie 7: waterbodem met verwachte maritiem archeologische verwachtingswaarde;
  • categorie 8: geen archeologische verwachtingswaarde; geen verder onderzoek nodig.

Het omgevingsplan

In het plangebied van dit omgevingsplan komen alle categorieën voor, inclusief buitendijks gelegen gebieden uit de categorie 7 en gebieden zonder een archeologische verwachtingswaarde (categorie 8).

Voor de archeologische rijksmonumenten is geen gemeentelijk beleid geformuleerd (rijksoverheid is immers bevoegd gezag).

Als uitgangspunt voor beleid voor de categorieën 2 tot en met 6 geldt dat, ongeacht het te verstoren oppervlak, geen vooronderzoek hoeft plaats te vinden als de dieptemaat van 40 cm bij bodemverstorende activiteiten niet wordt overschreden. Het verbod geldt evenmin indien een rapport is overgelegd waaruit blijkt dat aanwezige archeologische waarden in voldoende mate kunnen worden veiliggesteld of dat deze niet onevenredig worden geschaad dan wel dat in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Voor de gronden gelegen in categorie 7, waterbodems, geldt specifiek beleid. Het aantreffen van archeologische waarden in deze zone dient gemeld te worden waarna in overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, een vervolgtraject zal worden bepaald.

De gronden in categorie 8 behoeven geen archeologische bescherming.

Sinds de vaststelling van het archeologiebeleid zijn al diverse archeologisch onderzoeken gedaan en in een aantal gevallen heeft dit geleid tot de conclusie dat er geen sprake is van archeologische verwachtingswaarden.

Conclusie

De gemeentelijke Archeologische waardenkaart is vertaald in het omgevingsplan. Daarmee is geborgd dat geen aantasting van archeologische waarden plaatsvindt.

Regels     

Hoofdstuk 1 Waarvoor mag ik deze locatie gebruiken     

Artikel 1 Agrarisch - aquacultuurbedrijf     

1.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'aquacultuur' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een niet grondgebonden aquacultuurbedrijf;
  2. alsmede een grondgebonden teelt bedrijf;
  3. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.

1.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 1.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het is niet toegestaan meer dan 3 ha te gebruiken voor de aanleg van vijvers en bassins voor aquacultuur waarbij voor bassins en vijvers tot een gezamenlijke oppervlakte van 3 ha geldt dat:
    1. de bassins en vijvers noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering;
    2. de bassins en vijvers aansluitend aan de bebouwing en het erf moeten worden gerealiseerd;
    3. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing die duurzaam in stand wordt gehouden;
  2. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het bouwblok ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    6. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen wordt niet toegestaan in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 1.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6 risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    7. het terrein voor kleinschalig kamperen mag tevens gebruikt worden voor de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers waarbij de volgende aanvullende voorwaarden gelden:
      • uitsluitend de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers die op het betreffende bedrijf werkzaam zijn is toegestaan;
      • van toepassing zijn de brandveiligheidseisen zoals opgenomen in bijlage 2 van de 'Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten';
      • de huisvesting is uitsluitend toegestaan gedurende een periode van maximaal 12 aaneengesloten weken gedurende enig kalenderjaar;
      • ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers mogen kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits worden geplaatst mits de kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits na afloop van deze periode van 12 weken telkenmale verwijderd te worden, met dien verstande dat ten hoogste 20 % van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits.

Artikel 2 Agrarisch - glastuinbouw     

2.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'glastuinbouw' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een glastuinbouwbedrijf;
  2. alsmede een grondgebonden teelt bedrijf;
  3. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij op de verbeelding de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen.

2.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 2.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het is niet toegestaan om waterbassins en vergelijkbare voorzieningen aan te leggen buiten de bouwblokken;
  2. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het bouwblok ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    6. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 2.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en/of het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6 risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    7. het terrein voor kleinschalig kamperen mag tevens gebruikt worden voor de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers waarbij de volgende aanvullende voorwaarden gelden:
      • uitsluitend de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers die op het betreffende bedrijf werkzaam zijn is toegestaan;
      • van toepassing zijn de brandveiligheidseisen zoals opgenomen in bijlage 2 van de 'Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten';
      • de huisvesting is uitsluitend toegestaan gedurende een periode van maximaal 12 aaneengesloten weken gedurende enig kalenderjaar;
      • ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers mogen kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits worden geplaatst mits de kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits na afloop van deze periode van 12 weken telkenmale verwijderd te worden, met dien verstande dat ten hoogste 20 % van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits.

Artikel 3 Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf     

3.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'grondgebonden' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een grondgebonden agrarisch bedrijf;
  2. niet grondgebonden aquacultuur bij wijze van nevenactiviteit;
  3. en, voor zover tevens de indicatieve aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' is opgenomen, tevens een intensief veehouderijbedrijf bij wijze van nevenactiviteit;
  4. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij op de verbeelding de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen.

3.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 3.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het is niet toegestaan om mestbassins, mestzakken en vergelijkbare voorzieningen voor mest aan te leggen buiten het bouwblok;
  2. het is niet toegestaan meer dan 1 ha, op en aansluitend aan het bouwblok bij een grondgebonden agrarisch bedrijf te gebruiken voor de aanleg van teeltondersteunende vijvers en bassins voor niet grondgebonden aquacultuur, waarbij voor bassins en vijvers tot een gezamenlijke oppervlakte van 1 ha geldt dat:
    1. de bassins en vijvers aansluitend aan het bouwblok moeten worden gerealiseerd;
    2. er sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
  3. het is niet toegestaan het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen te wijzigen, met dien verstande dat dit wel is toegestaan:
    1. indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie per bouwblok;
    2. en voorts met dien verstande dat:
      • voor de locaties genoemd in bijlage xx de genoemde dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen als bestaande dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen per bouwblok worden aangemerkt en zijn toegestaan;
  4. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het bouwblok ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    6. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen wordt niet toegestaan in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 3.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6-risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    7. het terrein voor kleinschalig kamperen mag tevens gebruikt worden voor de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers waarbij de volgende aanvullende voorwaarden gelden:
      • uitsluitend de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers die op het betreffende bedrijf werkzaam zijn is toegestaan;
      • van toepassing zijn de brandveiligheidseisen zoals opgenomen in bijlage 2 van de 'Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten';
      • de huisvesting is uitsluitend toegestaan gedurende een periode van maximaal 12 aaneengesloten weken gedurende enig kalenderjaar;
      • ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers mogen kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits worden geplaatst mits de kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits na afloop van deze periode van 12 weken telkenmale verwijderd te worden, met dien verstande dat ten hoogste 20 % van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits.

3.3 Toelaatbare verandering     

Het is verboden voor grondgebonden agrarische bedrijven om zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders, weidegang te beëindigen.

3.4 Beoordelingsregels melding     

Grondgebonden agrarische bedrijven die in plaats van weidegang voldoende ruwvoer telen, worden aangemerkt als grondgebonden agrarische bedrijven indien voldaan wordt aan het volgende:

  1. de gronden in gebruik voor ruwvoerteelt zijn in overwegende mate in de directe omgeving van het bedrijf gelegen;
  2. de gronden in gebruik voor ruwvoerteelt behoren feitelijk tot het bedrijf;
  3. de gronden worden feitelijk voor ruwvoerteelt voor het bedrijf gebruikt;
  4. de oppervlakte gronden in gebruik is toereikend voor voerteelt in relatie tot de omvang van de veestapel;
  5. er wordt voldoende voer geteeld voor de voerbehoefte van het eigen bedrijf, zodanig dat het niet gaat om bijvoedering maar om een hoofdbestanddeel in de voervoorziening;
  6. gewassen worden integraal voor voedering van vee gebruikt;
  7. bewerking van de gewassen vindt slechts in ondergeschikte mate plaats en in ieder geval op het bedrijf;
  8. toepassen van weidegang is vanuit de bedrijfssituatie niet mogelijk of niet gewenst;
  9. de continuïteit van voerteelt is ook op langere termijn verzekerd.

3.5 Procedureregels melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met een onderbouwing dat aan de beoordelingsregels wordt voldaan wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering.

3.6 Afwijking ammoniakemissiestandstill en bijbehorende beoordelingsregel     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 onder c en een toename van ammoniakemissie per bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:

  1. aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredig negatieve effecten op ten tijde van de aanvraag bestaande natuurwaarden binnen Natuur en;
  2. aangetoond is dat er geen sprake is van een onevenredige belemmering voor de totstandkoming van de beoogde natuurwaarden binnen Natuur en;
  3. aangetoond is dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden;
  4. dan wel anderszins is aangetoond dat geen sprake is van negatieve effecten op Natura 2000.

Artikel 4 Neventak intensieve veehouderij     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' opgenomen.

Artikel 5 Agrarisch - intensieve kwekerij     

5.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'intensieve kwekerij' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een bedrijf met intensieve tuinbouw in gebouwen;
  2. alsmede een grondgebonden teelt bedrijf;
  3. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.

5.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 5.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het bouwblok ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    6. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen wordt niet toegestaan in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 5.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6-risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    7. het terrein voor kleinschalig kamperen mag tevens gebruikt worden voor de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers waarbij de volgende aanvullende voorwaarden gelden:
      • uitsluitend de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers die op het betreffende bedrijf werkzaam zijn is toegestaan;
      • van toepassing zijn de brandveiligheidseisen zoals opgenomen in bijlage 2 van de 'Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten';
      • de huisvesting is uitsluitend toegestaan gedurende een periode van maximaal 12 aaneengesloten weken gedurende enig kalenderjaar;
      • ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers mogen kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits worden geplaatst mits de kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits na afloop van deze periode van 12 weken telkenmale verwijderd te worden, met dien verstande dat ten hoogste 20 % van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits.

Artikel 6 Agrarisch - intensieve veehouderij     

6.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'intensieve veehouderij' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een intensief veehouderijbedrijf;
  2. alsmede een bedrijfsvoering gericht op grondgebonden teelten, grondgebonden veehouderij of paardenhouderij;
  3. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij op de verbeelding de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen.

6.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 6.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het is niet toegestaan het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen te wijzigen, met dien verstande dat dit wel is toegestaan:
    1. indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie per bouwblok;
    2. en voorts met dien verstande dat:
      • voor de locaties genoemd in bijlage xx de genoemde dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen per bouwblok als bestaande dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen worden aangemerkt en zijn toegestaan;
  2. het is niet toegestaan om mestbassins, mestzakken en vergelijkbare voorzieningen voor mest aan te leggen buiten het bouwblok;
  3. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het bouwblok ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    6. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen wordt niet toegestaan in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 6.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6-risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    7. het terrein voor kleinschalig kamperen mag tevens gebruikt worden voor de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers waarbij de volgende aanvullende voorwaarden gelden:
      • uitsluitend de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers die op het betreffende bedrijf werkzaam zijn is toegestaan;
      • van toepassing zijn de brandveiligheidseisen zoals opgenomen in bijlage 2 van de 'Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten';
      • de huisvesting is uitsluitend toegestaan gedurende een periode van maximaal 12 aaneengesloten weken gedurende enig kalenderjaar;
      • ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers mogen kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits worden geplaatst mits de kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits na afloop van deze periode van 12 weken telkenmale verwijderd te worden, met dien verstande dat ten hoogste 20 % van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits.

6.3 Afwijking ammoniakemissiestandstill en bijbehorende beoordelingsregel     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 onder a en een toename van ammoniakemissie per bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:

  1. aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredig negatieve effecten op ten tijde van de aanvraag bestaande natuurwaarden binnen Natuur en;
  2. aangetoond is dat er geen sprake is van een onevenredige belemmering voor de totstandkoming van de beoogde natuurwaarden binnen Natuur en;
  3. aangetoond is dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden;
  4. dan wel anderszins is aangetoond dat geen sprake is van negatieve effecten op Natura 2000.

Artikel 7 Bedrijf - agrarisch aanverwant     

7.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch aanverwant' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een agrarisch hulp- en nevenbedrijf of agrarisch loonbedrijf;
  2. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij op de verbeelding de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen.

7.2 Specifieke regels voor het gebruik     

Voor het in 7.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. Bevi-inrichtingen en Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  2. opslag van professioneel of consumenten vuurwerk is niet toegestaan;
  3. buitenopslag is niet toegestaan met uitzondering van opslag die naar de aard van het product buiten opgeslagen moet worden en/of de opslag van producten waarvan uit oogpunt van redelijkheid geen binnenopslag verlangd kan worden;
  4. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen wordt niet toegestaan in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 7.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6 risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan.

Artikel 8 Bedrijf tot en met categorie 2     

8.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een bedrijf uit maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven op de verbeelding;
  2. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij op de verbeelding de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen.

8.2 Specifieke regels voor het gebruik     

Voor het in 8.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. Bevi-inrichtingen en Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  2. opslag van professioneel of consumenten vuurwerk is niet toegestaan;
  3. buitenopslag is niet toegestaan met uitzondering van opslag die naar de aard van het product buiten opgeslagen moet worden en/of de opslag van producten waarvan uit oogpunt van redelijkheid geen binnenopslag verlangd kan worden;
  4. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen wordt niet toegestaan in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 8.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6 risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan.

Artikel 9 Bedrijven uit een hogere categorie     

9.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' of 'bedrijf tot en met categorie 3.2' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een bedrijf uit maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven op de verbeelding;
  2. op de gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1': tevens:
    1. een handels- en constructiebedrijf uit maximaal categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven op de verbeelding op de locaties Baarsdorp ongenummerd en Polderweg ongenummerd;
    2. een kraanverhuur/grondverzetbedrijf uit maximaal categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven op de verbeelding op de locatie Sinoutskerksezandweg 4;
    3. opslag van agrarische producten uit maximaal categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven op de verbeelding op de locatie Wolfhoeksweg 4/4a;
  3. op de gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2': tevens:
    1. een dierenpension/dierenbegraafplaats/- mortuarium uit maximaal categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven op de verbeelding op de locaties Boerendijk 4 en Kruipuitsedijk 8;
  4. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij op de verbeelding de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen.

9.2 Specifieke regels voor het gebruik     

Voor het in 9.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. Bevi-inrichtingen en Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  2. opslag van professioneel of consumenten vuurwerk is niet toegestaan;
  3. buitenopslag is niet toegestaan met uitzondering van opslag die naar de aard van het product buiten opgeslagen moet worden en/of de opslag van producten waarvan uit oogpunt van redelijkheid geen binnenopslag verlangd kan worden;
  4. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen wordt niet toegestaan in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 9.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6 risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan.

Artikel 10 Begraafplaats     

Toelaatbaar gebruik

De gronden met de indicatieve aanduiding 'begraafplaats' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor een begraafplaats.

Artikel 11 Cultuurhistorie     

Toelaatbaar gebruik

De gronden met de indicatieve begrenzing aanduiding 'cultuurhistorie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. het in werking hebben, behoud en herstel van de molens De Hoop en Verwachting, De Blazekop, De Poel en De Korenhalm;
  2. het behoud en herstel van Fort Ellewoutsdijk;
  3. het behoud en herstel van Kasteel de Hellenburg;
  4. extensief dagrecreatief gebruik met een gebruik, openstelling en evenementen passend bij de cultuurhistorische waarden van de objecten;
  5. ondergeschikte horeca-activiteiten.

Artikel 12 Dagrecreatie     

12.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'dagrecreatie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een (vlinder)tuin, tropische tuin, museum, binnenspeeltuin;
  2. detailhandels- en horeca-activiteiten bij wijze van nevenactiviteit;
  3. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.

12.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 12.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte van detailhandel bedraagt niet meer dan 75 m²;
  2. de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte van horeca bedraagt niet meer dan 320 m², met dien verstande dat de keuken, opslagruimten en buitenterrassen daarbij niet worden meegerekend;
  3. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen wordt niet toegestaan in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 12.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6 risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan.

Artikel 13 Detailhandel     

13.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'detailhandel' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. grootschalige detailhandelsbedrijven met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven op de verbeelding;
  2. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij op de verbeelding de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen.

13.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 13.1 toelaatbare gebruik geldt het volgende:

  1. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 13.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6 risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan.

Artikel 14 Groen     

14.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. groenvoorzieningen en beplanting, waterpartijen en sloten;
  2. ter plaatse van en in de directe omgeving van een indicatieve aanduiding Wonen: het wonen met bijbehorende erven en tuinen;
  3. extensief dagrecreatief medegebruik.
  4. toegangspaden.

14.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 14.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. extensief dagrecreatief medegebruik waardoor de afschermende functie van het groen onevenredig afneemt of de natuurlijke kwaliteiten van het groen onevenredig worden aangetast, zijn niet toegestaan.

Artikel 15 Horeca     

15.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'horeca' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. horecabedrijf uit maximaal categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven op de verbeelding;
  2. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij op de verbeelding de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen.

15.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 15.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 15.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6 risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan.

Artikel 16 Jachthaven     

16.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. havens en aanlegplaatsen;
  2. water;
  3. bedrijfsmatige en horecamatige activiteiten die functioneel verbonden zijn met de haven.

Artikel 17 Leiding - Gas     

17.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. bestaande gasleidingen alsmede gasleidingen met een zodanige druk en diameter dat de daarbij behorende belemmeringenstrook en de 10-6-risicocontour binnen het geometrisch bepaald vlak met de functie Leiding - Gas zijn gelegen.

17.2 Werken en werkzaamheden     

17.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van gronden;
  2. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  4. het indrijven van voorwerpen of aanleggen van andersoortige ondergrondse kabels of leidingen;
  5. het aanleggen, vergraven of dempen van sloten, greppels of wateren.

17.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

17.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht;
  2. vooraf de leidingbeheerder van de desbetreffende leiding gedurende drie weken in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 18 Leiding - Hoogspanningsverbinding     

18.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor bestaande bovengrondse hoogspanningsverbindingen alsmede hoogspanningsverbindingen met een zodanig voltage dat de daarbij behorende belemmeringenstrook en 10-6-risicocontour binnen het geometrisch bepaald vlak met de functie Leiding - Hoogspanningsverbinding zijn gelegen.

18.2 Werken en werkzaamheden     

18.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen.

18.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

18.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht;
  2. vooraf de leidingbeheerder van de desbetreffende leiding gedurende drie weken in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 19 Leiding - Hoogspanning 1     

19.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen, dit met een maximum van twee verbindingen, elk bestaand uit twee elektriciteitskabels (drie fasen per kabel) met een maximum spanning van 220 kV per kabel met de daarbij behorende voorzieningen en toegangswegen.

19.2 Specifieke gebruiksregels     

Voor het in 19.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de kabels als bedoeld in lid 1.1 zonder gebruik te maken van rijplaten om effecten van betreding en vertrapping op het habitattype H1320 slijkgrasvelden te beperken, is niet toegestaan; en
  2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden die leiden tot aantasting van het habitattype H1320 slijkgrasvelden zonder het habitattype voorafgaand aan de werkzaamheden te verplaatsen door het bovenste gedeelte van de bodem (de wortelzone) af te graven en na afloop van de werkzaamheden weer terug te plaatsen, is niet toegestaan.

19.3 Werken en werkzaamheden     

19.3.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen of afgraven, dieper dan 60 cm onder peil;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen, dieper dan 60 cm onder peil;
  3. het indrijven van voorwerpen in de bodem, dieper dan 60 cm onder peil;
  4. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage, dieper dan 60 cm onder peil;
  5. het aanbrengen van andere kabels en leidingen dan in lid 19.1 aangegeven, en daarmee verband houdende constructies, dieper dan 60 cm onder peil;
  6. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen, dieper dan 60 cm onder peil;
  7. het aanbrengen van verhardingen;
  8. het opslaan van goederen.

19.3.2 Uitzonderingen op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  2. reeds in uitvoering zijn, overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; of
  4. de realisering betreft van het toelaatbare gebruik zoals bedoeld in lid 19.1.

19.4 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend indien:

  1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de hoogspanningsverbinding als bedoeld in lid 19.1;
  2. de beheerder van de leiding schriftelijk advies heeft uitgebracht dan wel gedurende drie weken in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen.

Artikel 20 Leiding - Hoogspanning 2     

20.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. ondergrondse hoogspanningsverbindingen, dit met een maximum van twee verbindingen, elk bestaand uit twee elektriciteitskabels (drie fasen per kabel) met een maximum spanning van 220 kV per kabel met de daarbij behorende voorzieningen.

20.2 Specifieke gebruiksregels     

Voor het in 20.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de kabels als bedoeld in lid 20.1 is gedurende het broedseizoen (15 maart-15 juli) niet toegestaan; en
  2. het inbaggeren van de kabels als bedoeld in lid 20.1 vanaf de wal tot aan de zeewaartse grens van de Vlakte aan de Raan is in de periode van 1 februari tot 1 september niet toegestaan;
  3. het uitvoeren van grondwerkzaamheden voor de aanleg van de kabels als bedoeld in lid 20.1 is niet toegestaan zonder een projectgebonden risicoanalyse of detectieonderzoek naar niet gesprongen explosieven uit te voeren.

20.3 Werken en werkzaamheden     

20.3.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het veranderen van het huidige waterbodemniveau door ontginnen, bodemverlagen of afgraven;
  2. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  3. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  4. het aanbrengen van andere kabels en leidingen dan in lid 20.1 aangegeven, en daarmee verband houdende constructies;
  5. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen;
  6. het opslaan van goederen.

20.3.2 Uitzonderingen op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  2. reeds in uitvoering zijn, overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; of
  4. de realisering betreft van het toelaatbare gebruik zoals bedoeld in lid 20.1.

20.4 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend indien:

  1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de hoogspanningsverbinding als bedoeld in lid 20.1;
  2. de beheerder van de leiding schriftelijk advies heeft uitgebracht dan wel gedurende drie weken in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen.

Artikel 21 Leiding - Leidingstrook     

21.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor leidingen met een zodanige druk en diameter dat de daarbij behorende belemmeringenstrook en de 10-6-risicocontour binnen het geometrisch bepaald vlak met de functie Leiding - Leidingstrook zijn gelegen.

21.2 Werken en werkzaamheden     

21.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van gronden;
  2. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  4. het indrijven van voorwerpen of aanleggen van andersoortige ondergrondse kabels of leidingen;
  5. het aanleggen, vergraven of dempen van sloten, greppels of wateren.

21.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

21.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht;
  2. vooraf de leidingbeheerder van de desbetreffende leiding gedurende drie weken in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 22 Leiding - Riool     

22.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor rioolleidingen.

22.2 Werken en werkzaamheden     

22.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van gronden;
  2. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  4. het indrijven van voorwerpen of aanleggen van andersoortige ondergrondse kabels of leidingen;
  5. het aanleggen, vergraven of dempen van sloten, greppels of wateren.

22.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

22.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht;
  2. vooraf de leidingbeheerder van de desbetreffende leiding gedurende drie weken in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 23 Manege     

23.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'manege' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een manege met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven op de verbeelding;
  2. paardenhouderij en/of paardenfokkerij bij wijze van nevenactiviteit;
  3. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij op de verbeelding de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen.

23.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 23.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen wordt niet toegestaan in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een bedrijfswoning op grond van lid 23.1 is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6 risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan.

Artikel 24 Natuur     

24.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. behoud, herstel en versterking van natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden van zowel beboste als niet beboste gronden zoals poelen, waterpartijen, waterlopen en graslanden;
  2. extensief dagrecreatief medegebruik;
  3. bijbehorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, toegangswegen en paden.

Artikel 25 Nutsvoorziening     

25.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'nutsvoorziening' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. nutsvoorzieningen;
  2. een radartoren;
  3. gsm-masten.

Artikel 26 Sport     

26.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'sport' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. veldsporten;
  2. andersoortige sportieve activiteiten in verenigingsverband zoals tennis, hondensport en (kruis)boogschieten.

Artikel 27 Verblijfsrecreatie     

27.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'verblijfsrecreatie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. de plaatsing van ten hoogste 32 kampeermiddelen mits:
    1. per kampeermiddel ten minste 20 m² onbebouwde en onoverdekte ruimte aanwezig is;
    2. per kampeermiddel ten minste 1,1 parkeerplaats aanwezig is;
    3. het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
    4. het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
    5. rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen een goede landschappelijke inpassing is gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing is gericht op de instandhouding ervan.

Artikel 28 Verkeer     

28.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van gronden voor:

  1. wegen met ten hoogste 2 x 2 doorgaande rijstroken, alsmede invoegstroken, opstelstroken, busstroken, parkeerstroken, voet- en fietspaden;
  2. een cultuurhistorische recreatieve spoorlijn met de daarbij behorende additionele voorzieningen, ondergeschikte detailhandels- en/of horeca activiteiten uitsluitend ten dienste van de bestemming, verkeers- en verblijfsdoeleinden, alsmede de bescherming van de cultuurhistorische, landschapswaarden en/of natuurwaarden.

Artikel 29 Volkstuin     

29.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'volkstuin' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. volkstuinen.

Artikel 30 Water     

30.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van gronden voor:

  1. vaar- en waterwegen voor beroeps- en recreatievaart;
  2. havens en aanlegplaatsen voor zover aangeduid op de verbeelding;
  3. extensief dagrecreatief medegebruik;
  4. het behoud en de versterking van natuurwaarden;
  5. met bijbehorende voorzieningen zoals voorzieningen voor de geleiding van de scheepvaart.

Artikel 31 Waterkering     

31.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. waterstaatkundige voorzieningen, dijken, sluizen, bruggen en duikers daaronder begrepen;
  2. wegen met doorgaande rijstroken (opstelstroken en busstroken daaronder begrepen), voet- en fietspaden;
  3. havens en aanlegplaatsen voor zover aangeduid op de verbeelding;
  4. water en bijbehorende voorzieningen voor de waterhuishouding;
  5. agrarisch grondgebruik zoals het (hobbymatig) weiden van dieren;
  6. bijbehorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, picknickplaatsen, parkeervoorzieningen, toegangswegen en paden.

31.2 Werken en werkzaamheden     

31.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, of egaliseren van gronden;
  2. het aanbrengen en verleggen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  3. het aanbrengen, verleggen en verbreden van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  4. het wijzigen dan wel verwijderen (vellen, rooien) van houtwalprofielen en houtgewassen;
  5. het beplanten van gronden met houtgewassen.

31.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

31.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:

  1. de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de waterkerende functie van de waterkering;
  2. vooraf de beheerder van de waterkering gedurende drie weken in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van het belang van de waterkering.

Artikel 32 Windturbine     

32.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. één windturbine met bijbehorende voorzieningen.

Artikel 33 Wonen     

33.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'wonen' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. het huisvesten van personen in een woning met bijbehorende erven en tuinen.

33.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 33.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het gebruik van gronden als erf is beperkt tot de percelen, of gedeelten daarvan die direct grenzen aan de woning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en waarbij voorts geldt dat:
    1. tot het erf worden gerekend de gronden die in gebruik zijn voor onder andere verhardingen, terrassen, in- en uitritten, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van het wonen;
    2. de omvang van het erf staat in verhouding tot de aanwezige woning en de locatie van de aanwezige woning, hetgeen in ieder geval betekent dat gronden die op een afstand van meer dan 35 m van de woning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken zijn gelegen niet als erf worden aangemerkt;
    3. tuinen onderscheiden zich van het erf doordat er overwegend sprake is van beplantingen en er geen gebouwen mogen worden gebouwd;
  2. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige kampeerterreinen waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • kleinschalig kamperen wordt niet toegestaan in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
      • kleinschalig kamperen kan uitsluitend worden toegestaan indien een woning op het bouwperceel aanwezig is en bewoond wordt;
      • het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
      • de kampeermiddelen worden geplaatst in aansluiting op de bebouwing of op of in aansluiting op het erf;
      • het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
      • het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
      • de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding of Leiding - Leidingstrook en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen of de 10-6-risicocontouren van inrichtingen;
      • rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen is een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan.

Artikel 34 Bedrijfswoning uitgesloten     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' opgenomen.

Artikel 35 Maximale oppervlakte in gebruik     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt de maximale oppervlakte in gebruik zoals bedoeld in de regels: xm², zijnde de maximale oppervlakte in gebruik zoals vermeld op de verbeelding.

Artikel 36 Algemeen toelaatbare functies     

36.1 Huidig en rechtstreeks toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

algemeen:

  1. ter plaatse van en in de directe omgeving van de indicatieve aanduiding: de aangegeven hoofdfunctie zoals aangeduid op de verbeelding en in dit plan;
  2. de op het moment van inwerkingtreding van dit plan vergunde kleinschalige horecamatige, (verblijfs)recreatieve, maatschappelijke en bedrijfsmatige nevenactiviteiten;
  3. agrarisch grondgebruik met dien verstande dat:
    1. bij de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden een uit oogpunt van volksgezondheid minimale afstand van 50 m tot woningen en daarbij behorende erven en tuinen in acht moet worden genomen; een kleinere afstand is aanvaardbaar indien er uit oogpunt volksgezondheid afdoende afschermende maatregelen zijn genomen;
    2. lage tijdelijke en lage permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan met uitzondering van het gebruik in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
    3. tot agrarisch grondgebruik ook wordt gerekend het gebruik van waterbassins in fruitgaarden;
    4. het aanleggen van voorzieningen voor paarden (paardenbak) uitsluitend is toegestaan:
      • in aansluiting op de bebouwing die aanwezig is op het bouwperceel waartoe ook de voorzieningen voor paarden behoren;
      • maar niet vóór de denkbeeldige voorgevelrooilijn van de bestaande woning op het bijbehorende bouwperceel;

verkeer:

  1. wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstroken, alsmede opstelstroken en busstroken, met dien verstande dat:
    1. bij aanpassing van het profiel of geringe aanpassingen van het tracé van bestaande wegen:
      • de aanpassing uit oogpunt van verkeersintensiteiten en verkeersveiligheid noodzakelijk is;
      • er geen onevenredige geluidsoverlast zal optreden;
      • - indien sprake is van kenmerkende wegbeplanting - de kenmerkende wegbeplanting in stand wordt gehouden of met de herplant van wegbeplanting op peil blijft;
    2. de aanleg van geheel nieuwe wegen niet is toegestaan;
  2. voet- en fietspaden met dien verstande dat:
    1. bij aanpassing van het profiel of geringe aanpassingen van het tracé van bestaande voet- en fietspaden:
      • de aanpassing uit oogpunt van verkeersintensiteiten en verkeersveiligheid noodzakelijk is;
      • – indien sprake is van kenmerkende wegbeplanting – de kenmerkende wegbeplanting in stand wordt gehouden of met de herplant van wegbeplanting op peil blijft;
    2. bij de aanleg van geheel nieuwe voet- en fietspaden:
      • het tracé vormt een belangrijke schakel in het toeristisch netwerk voor fietsers en voetgangers;
      • of heeft een lokale functie ('ommetje');
      • of vormt de oplossing van een verkeersonveilige bestaande situatie;
      • er is sprake van een verkeersveilige nieuwe situatie;
      • er zal geen onevenredige overlast in de vorm van geluid of andersoortige hinder optreden;
      • er wordt een goede en streekeigen landschappelijke inpassing (wegbeplanting passend in het gebied) gerealiseerd en in stand gehouden;

natuur en landschap:

  1. natuurgebieden en landschapselementen met dien verstande dat de aanleg van nieuwe natuurgebieden en nieuwe landschapselementen niet leidt tot onevenredige beperkingen van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de functies in de directe omgeving;
  2. waterlopen, waterpartijen en bluswatervoorzieningen;
  3. tuinen aansluitend bij woongebruik (burgerwoningen of bedrijfs- en dienstwoningen) met dien verstande dat het gebruik ten behoeve van tuinen niet is toegestaan:
    1. op gronden met Waarde - Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied of met Waarde - Natuur en landschapswaarden op dijken;
    2. aansluitend aan fruitboomgaarden indien er geen afschermende maatregelen zijn genomen;
  4. groengebied, met dien verstande dat:
    1. aanleg en gebruik is toegestaan op de gronden met de aanduiding 'groenvoorziening';
    2. mits de aanleg niet leidt tot onevenredige beperkingen van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de functies in de directe omgeving;

overig:

  1. extensief dagrecreatief medegebruik;
  2. overdraaiende wieken van in het plan toegestane windturbines;
  3. gsm-masten;
  4. voorzieningen die horen bij de toegelaten functies zoals groen, water, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, geluidswerende voorzieningen en voorzieningen voor de verkeersgeleiding bij wegen, uitingen van kunstzinnigheid en reclame-uitingen;
  5. voor deze reclame-uitingen geldt dat:
    1. deze beperkt van afmetingen moeten zijn;
    2. niet ontsierend zijn in het landschap en bij het perceel;
    3. geen afbreuk mogen doen aan de verkeersveiligheid.

36.2 Verboden gebruik     

Het is verboden:

  1. gronden op een andere wijze te gebruiken dan toegestaan;
  2. bij een paardenbak en vergelijkbare voorzieningen een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten die niet zijn voorzien van bovenafdekking, te gebruiken;
  3. het storten en lozen van bagger en grondspecie; het gebruik van gronden als tijdelijk of permanent gronddepot;
  4. hoogopgaande beplantingen aan te brengen op de gronden die zijn aangeduid met 'walradarketen'.

36.3 Afwijken voor tijdelijk baggerdepot     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 36.2 onder c en een tijdelijke baggerdepot toestaan indien:

  1. sprake is van een tijdelijke voorziening, die verband houdt met een uit te voeren werk of werkzaamheden;
  2. verdere voorwaarden nog nader in te vullen.

Hoofdstuk 2 Wat mag ik op deze locatie bouwen (bouwregels)     

Artikel 37 Specifieke bouwaanduiding windturbine     

Toegestaan zijn:

  1. windturbines tot de aangegeven ashoogte;
  2. daarbij noodzakelijke bebouwing voor de exploitatie van de windturbine.

Artikel 38 Bebouwing ten behoeve van een indicatief begrensde functie     

Ter plaatse van en in de directe omgeving van de met een indicatieve aanduiding aangegeven functies mag worden gebouwd ten beheove van deze functie volgens de regels die voor de bebouwing van deze functies gelden.

Artikel 39 Specifieke bouwaanduiding agrarisch bedrijf     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functies Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf of Agrarisch - intensieve kwekerij geldt het volgende:

  1. de hierna onder b tot en met i genoemde bebouwing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van:
    1. ten hoogste 1 ha met zijden die gelet op de lengte-breedte verhouding passend zijn in de omgeving met dien verstande dat geen van de zijden langer is dan 175 m; het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
    2. bouwblokken die zijn verbonden met een relatieteken worden geacht samen één bouwblok te vormen;
    3. waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 60 en/of 61, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven;
    4. waarbij aangesloten wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
    5. waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok is gewaarborgd;
    6. waarbij geen bebouwing is toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    7. waarbij er geen sprake is van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    8. waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;

met dien verstande dat bebouwing ook kan worden toegestaan:

  1. ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van ten hoogste 1,5 ha met zijden met een maximale lengte van 175 m indien:
    • het bouwblok van 1 ha is benut en redelijkerwijs geen ruimte meer biedt voor verdere bedrijfsontwikkeling;
    • het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
    • bouwblokken die zijn verbonden met een relatieteken worden geacht samen één bouwblok te vormen;
    • waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 60 en/of 61, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven;
    • aangesloten wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
    • waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok is gewaarborgd;
    • geen bebouwing is toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
    • er geen sprake is van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    • waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
  2. per bouwblok is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwd bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven op de verbeelding;
  3. voor de bedrijfswoning geldt:
    • de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    • er worden geen nieuwe woningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
    • bij herbouw van de woning binnen het bouwblok:
      • mag niet vóór de denkbeeldige voorgevelrooilijn van de bestaande woning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe woning overeen met het gebouwtype, zoals beschreven in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' waartoe de bestaande woning behoort met dien verstande dat een ander gebouwtype mogelijk is mits passend in de omgeving;
      • indien de nieuwe woning in een ander gebouwtype wordt gerealiseerd dan de bestaande woning en/of de nieuwe woning op een andere locatie binnen het bouwblok wordt gesitueerd dient tevens sprake te zijn van een levensloopbestendige woning en het voorerf te voldoen aan het streekeigen erf-principe zoals uitgewerkt in bijlage 6 van de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    • in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  4. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    • vrijstaande bijbehorende bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    • er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelgrens van het hoofdgebouw en/of de woning;
    • de oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    • bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer zal bedragen dan die van het bestaande vrijstaand bijbehorend bouwwerk;
    • in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    • indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    • in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bouwblok zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:
    • de bebouwing is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
    • de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen en daarbij blijft, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok gewaarborgd;
    • de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    • de bebouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    • voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen vastgelegd;
  6. per bouwblok zijn gebouwen toegestaan voor het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers al dan niet met een binding met het betreffende agrarische bedrijf, waarbij geldt:
    • er is geen sprake van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    • parkeren vindt plaats op het eigen erf;
    • er worden geen kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
    • er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in het BRP;
    • op het moment van in gebruik name van de voorziening en gedurende het gebruik beschikt de voorziening over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
  7. voor teeltondersteunende kassen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan:
    • als ondersteuning van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
    • tot een oppervlakte van ten hoogste 2.000 m²;
  8. voor gebouwen ten behoeve van een neventak aquacultuur geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 2.000 m2;
  9. de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte van gebouwen en overkappingen ten behoeve van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' mag worden vergroot tot ten hoogste 2.100 m² waarbij geldt:
    • uitbreiding is noodzakelijk voor de continuïteit van het bedrijf en een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
    • er vindt geen onevenredige aantasting plaats van landschaps- of natuurwaarden;
    • er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  10. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, binnen het bouwblok zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 5 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 61.3 en met dien verstande dat de bouwhoogte van silo's 10 m mag bedragen.

39.1 Indieningsvereisten     

Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.

Artikel 40 Neventak intensieve veehouderij     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' opgenomen.

Artikel 41 Specifieke bouwaanduiding glastuinbouwbedrijf     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Agrarisch - glastuinbouw geldt het volgende:

  1. de hierna onder b tot en met g genoemde bebouwing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van:
    1. ten hoogste 2 ha met zijden die gelet op de lengte-breedte verhouding passend zijn in de omgeving met dien verstande dat geen van de zijden langer is dan 250 m; het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
    2. waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 60 en/of 61, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven;
    3. waarbij aangesloten wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
    4. waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok is gewaarborgd;
    5. waarbij geen bebouwing is toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    6. waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
    7. met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitbreiding uitgesloten', in afwijking van het in dit artikel bepaalde, geen uitbreiding plaats mag vinden van de bestaande bedrijfsgebouwen en bestaande kassen;
  2. per bouwblok is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven op de verbeelding;
  3. voor de bedrijfswoning geldt:
    1. de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    2. er worden geen nieuwe woningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
    3. bij herbouw van de woning binnen het bouwblok:
      • mag niet vóór de denkbeeldige voorgevelrooilijn van de bestaande woning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe woning overeen met het gebouwtype, zoals beschreven in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' waartoe de bestaande woning behoort met dien verstande dat een ander gebouwtype mogelijk is mits passend in de omgeving;
      • indien de nieuwe woning in een ander gebouwtype wordt gerealiseerd dan de bestaande woning en/of de nieuwe woning op een andere locatie binnen het bouwblok wordt gesitueerd dient tevens sprake te zijn van een levensloopbestendige woning en het voorerf te voldoen aan het streekeigen erf-principe zoals uitgewerkt in bijlage 6 van de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    4. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  4. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. vrijstaande bijbehorende bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    2. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    3. de oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    4. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaand bijbehorend bouwwerk;
    5. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    6. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    7. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bouwblok zijn bedrijfsgebouwen, kassen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen, kassen en overkappingen geldt:
    1. de bebouwing is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
    2. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen en daarbij blijft, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok gewaarborgd;
    3. de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    4. de bebouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    5. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen vastgelegd;
  6. per bouwblok zijn gebouwen toegestaan voor het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers al dan niet met een binding met het betreffende agrarische bedrijf, waarbij geldt:
    1. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    2. parkeren vindt plaats op het eigen erf;
    3. er worden geen kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
    4. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in het BRP;
    5. op het moment van in gebruik name van de voorziening en gedurende het gebruik beschikt de voorziening over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
  7. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, binnen het bouwblok zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 5 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 61.3 en met dien verstande dat de bouwhoogte van silo's 10 m mag bedragen.

41.1 Indieningsvereisten     

Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.

Artikel 42 Uitbreiding niet toegestaan     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitbreiding uitgesloten' opgenomen.

Artikel 43 Specifieke bouwaanduiding intensieve veehouderij     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Agrarisch - intensieve veehouderij geldt het volgende:

  1. de hierna onder b tot en met i genoemde bebouwing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van:
    1. ten hoogste 1 ha met zijden die gelet op de lengte-breedte verhouding passend zijn in de omgeving met dien verstande dat geen van de zijden langer is dan 175 m; het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
    2. waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 60 en/of 61, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven;
    3. waarbij aangesloten wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
    4. waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok is gewaarborgd;
    5. waarbij geen bebouwing is toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    6. waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;

met dien verstande dat bebouwing ook kan worden toegestaan:

  1. ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van ten hoogste 1,5 ha met zijden met een maximale lengte van 175 m indien:
    • het bouwblok van 1 ha is benut en redelijkerwijs geen ruimte meer biedt voor verdere bedrijfsontwikkeling;
    • het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
    • waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 60 en/of 61, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven;
    • aangesloten wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
    • waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok is gewaarborgd;
    • geen bebouwing is toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
    • er geen sprake is van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    • waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
  2. buiten een bouwblok in gebruik voor de pelsdierenhouderij uitsluitend voor zover het bestaande, op het moment van inwerkingtreding van het plan aanwezige sheds betreft;
  3. per bouwblok is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven op de verbeelding;
  4. voor de bedrijfswoning geldt:
    • de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    • er worden geen nieuwe woningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
    • bij herbouw van de woning binnen het bouwblok:
      • mag niet vóór de denkbeeldige voorgevelrooilijn van de bestaande woning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe woning overeen met het gebouwtype, zoals beschreven in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' waartoe de bestaande woning behoort met dien verstande dat een ander gebouwtype mogelijk is mits passend in de omgeving;
      • indien de nieuwe woning in een ander gebouwtype wordt gerealiseerd dan de bestaande woning en/of de nieuwe woning op een andere locatie binnen het bouwblok wordt gesitueerd dient tevens sprake te zijn van een levensloopbestendige woning en het voorerf te voldoen aan het streekeigen erf-principe zoals uitgewerkt in bijlage 6 van de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    • in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    • vrijstaande bijbehorende bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    • er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    • de oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    • bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorend bouwwerk;
    • in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    • indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    • in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  6. per bouwblok zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:
    • de bebouwing is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
    • de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen en daarbij blijft, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok gewaarborgd;
    • de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    • de bebouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    • voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen vastgelegd;
  7. per bouwblok zijn gebouwen toegestaan voor het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers al dan niet met een binding met het betreffende agrarische bedrijf, waarbij geldt:
    • er is geen sprake van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    • parkeren vindt plaats op het eigen erf;
    • er worden geen kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
    • er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in het BRP;
    • op het moment van in gebruik name van de voorziening en gedurende het gebruik beschikt de voorziening over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
  8. voor teeltondersteunende kassen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan:
    • als ondersteuning van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
    • tot een oppervlakte van ten hoogste 2.000 m²;
  9. vergroting van de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van de intensieve veehouderij is toegestaan waarbij geldt:
    • er wordt een significante bijdrage geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf waarbij de omvang van de uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de mate waarin sprake is van verduurzaming;
    • de uitbreiding is noodzakelijk voor de continuïteit van het bedrijf en een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
    • er vindt geen onevenredige aantasting plaats van landschaps- of natuurwaarden;
    • er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen;
    • uitbreiding is mogelijk tot ten hoogste 5.000 m² of, indien de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte groter is dan 5.000 m², eenmalig met ten hoogste 10% van het bestaande bedrijfsvloeroppervlak;
    • bij de vergroting van de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte met meer dan 20 % moet tevens sprake zijn van een aantoonbare kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Borsele, waarbij de provinciale 'Handreiking verevening' zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van het plan, zal worden gehanteerd;
  10. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, binnen het bouwblok zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 5 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 61.3 en met dien verstande dat de bouwhoogte van silo's 10 m mag bedragen.

43.1 Indieningsvereisten     

Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.

Artikel 44 Specifieke bouwaanduiding agrarisch aanverwant bedrijf     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Bedrijf - agrarisch aanverwant geldt het volgende:

  1. de hierna onder b tot en met f genoemde bebouwing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van:
    1. ten hoogste 1 ha met zijden die gelet op de lengte-breedte verhouding passend zijn in de omgeving met dien verstande dat geen van de zijden langer is dan 175 m; het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
    2. waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 60 en/of 61, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven;
    3. waarbij aangesloten wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
    4. waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok is gewaarborgd;
    5. waarbij geen bebouwing is toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    6. waarbij er geen sprake is van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    7. waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
  2. per bouwblok is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven op de verbeelding;
  3. voor de bedrijfswoning geldt:
    1. de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    2. er worden geen nieuwe woningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
    3. bij herbouw van de woning binnen het bouwblok:
      • mag niet vóór de denkbeeldige voorgevelrooilijn van de bestaande woning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe woning overeen met het gebouwtype, zoals beschreven in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' waartoe de bestaande woning behoort met dien verstande dat een ander gebouwtype mogelijk is mits passend in de omgeving;
      • indien de nieuwe woning in een ander gebouwtype wordt gerealiseerd dan de bestaande woning en/of de nieuwe woning op een andere locatie binnen het bouwblok wordt gesitueerd dient tevens sprake te zijn van een levensloopbestendige woning en het voorerf te voldoen aan het streekeigen erf-principe zoals uitgewerkt in bijlage 6 van de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    4. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  4. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. vrijstaande bijbehorende bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    2. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    3. de oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    4. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorende bouwwerk;
    5. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    6. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    7. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bouwblok zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:
    1. de bebouwing is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering;
    2. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen en daarbij blijft, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok gewaarborgd;
    3. de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    4. de bebouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    5. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen vastgelegd;
  6. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, binnen het bouwblok zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 5 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 61.3 en met dien verstande dat de bouwhoogte van silo's 10 m mag bedragen.

44.1 Indieningsvereisten     

Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.

Artikel 45 Specifieke bouwaanduiding manege     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Manege geldt het volgende:

  1. de hierna onder b tot en met f genoemde bebouwing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van:
    1. ten hoogste 1 ha met zijden die gelet op de lengte-breedte verhouding passend zijn in de omgeving met dien verstande dat geen van de zijden langer is dan 175 m; het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
    2. waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 60 en/of 61, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven;
    3. waarbij aangesloten wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
    4. waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok is gewaarborgd;
    5. waarbij geen bebouwing is toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    6. waarbij er geen sprake is van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    7. waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
  2. per bouwblok is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven op de verbeelding;
  3. voor de bedrijfswoning geldt:
    1. de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    2. er worden geen nieuwe woningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
    3. bij herbouw van de woning binnen het bouwblok:
      • mag niet vóór de denkbeeldige voorgevelrooilijn van de bestaande woning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe woning overeen met het gebouwtype, zoals beschreven in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' waartoe de bestaande woning behoort met dien verstande dat een ander gebouwtype mogelijk is mits passend in de omgeving;
      • indien de nieuwe woning in een ander gebouwtype wordt gerealiseerd dan de bestaande woning en/of de nieuwe woning op een andere locatie binnen het bouwblok wordt gesitueerd dient tevens sprake te zijn van een levensloopbestendige woning en het voorerf te voldoen aan het streekeigen erf-principe zoals uitgewerkt in bijlage 6 van de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    4. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  4. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. vrijstaande bijbehorende bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    2. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    3. de oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    4. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorende bouwwerk;
    5. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    6. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    7. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bouwblok zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:
    1. de bebouwing is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering;
    2. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen en daarbij blijft, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok gewaarborgd;
    3. de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    4. de bebouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    5. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen vastgelegd;
  6. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, binnen het bouwblok zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 5 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 61.3 en met dien verstande dat de bouwhoogte van silo's 10 m mag bedragen.

45.1 Indieningsvereiste     

Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.

Artikel 46 Specifieke bouwaanduiding niet agrarisch bedrijf     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functies Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit een hogere categorie, Detailhandel, Horeca of Dagrecreatie geldt het volgende:

  1. bedrijfsbebouwing (uitgezonderd de bedrijfswoning met vrijstaande bijbehorende bouwwerken) is toegestaan tot de maximale bebouwingsoppervlakte zoals aangegeven op de verbeelding:
    1. waarbij de afstand tot de bouwperceelsgrens ten minste 5 m bedraagt;
    2. waarbij geen bebouwing is toegestaan vóór de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
  2. per indicatief begrensde functie is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven op de verbeelding;
  3. voor de bedrijfswoning geldt:
    1. de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    2. er worden geen nieuwe woningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
    3. bij herbouw van de woning binnen het bouwblok:
      • mag niet vóór de denkbeeldige voorgevelrooilijn van de bestaande woning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe woning overeen met het gebouwtype, zoals beschreven in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' waartoe de bestaande woning behoort met dien verstande dat een ander gebouwtype mogelijk is mits passend in de omgeving;
      • indien de nieuwe woning in een ander gebouwtype wordt gerealiseerd dan de bestaande woning en/of de nieuwe woning op een andere locatie binnen het bouwperceel wordt gesitueerd dient tevens sprake te zijn van een levensloopbestendige woning en het voorerf te voldoen aan het streekeigen erf-principe zoals uitgewerkt in bijlage 6 van de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    4. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  4. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. vrijstaande bijbehorende bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    2. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    3. de onderlinge afstand tussen de bedrijfswoning en de op hetzelfde bouwperceel te realiseren vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 25 m mag bedragen;
    4. de oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    5. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorende bouwwerk;
    6. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    7. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    8. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bouwblok zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:
    1. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen;
    2. de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    3. de bebouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
  6. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten dienste van het gebruik zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 5 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 61.3.

Artikel 47 Specifieke bouwaanduiding begraafplaats     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Begraafplaats geldt het volgende:

  1. bebouwing is toegestaan:
    1. naar de aard en tot de omvang die noodzakelijk is voor het gebruik als begraafplaats;
    2. waarbij er geen sprake is van een onevenredige beperking van het gebruik van de aangrenzende percelen.

Artikel 48 Specifieke bouwaanduiding cultuurhistorie     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Cultuurhistorie geldt het volgende:

  1. toegestaan is de bestaande bebouwing.

Artikel 49 Specifieke bouwaanduiding jachthaven     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de functie Jachthaven geldt het volgende:

  1. toegestaan zijn de bestaande gebouwen;
  2. toegestaan zijn de bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de aanleg van schepen en boten.

Artikel 50 Specifieke bouwaanduiding nutsvoorziening     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Nutsvoorziening geldt het volgende:

  1. bebouwing is toegestaan:
    1. naar de aard en tot de omvang die noodzakelijk is voor het gebruik ten behoeve van het algemeen nut;
    2. waarbij er geen sprake is van een onevenredige beperking van het gebruik van de aangrenzende percelen;
    3. hoge bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die noodzakelijk zijn voor het algemene nut (de radartoren en gsm-masten) zijn toegelaten tot een bouwhoogte waarbij geen ontoelaatbare verstoring plaatsvindt van de radar van vliegveld Woensdrecht, de veiligheid van het vliegverkeer Midden Zeeland is gewaarborgd en de optische vrije paden niet worden verstoord.

Artikel 51 Specifieke bouwaanduiding sportvoorzieningen     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Sport geldt het volgende:

  1. bebouwing is toegestaan:
    1. naar de aard en tot de omvang die noodzakelijk is voor het gebruik als sportterrein;
    2. waarbij er geen sprake is van een onevenredige beperking van het gebruik van de aangrenzende percelen;
    3. waarbij rekening wordt gehouden met minimaal aan te houden afstanden tot wegen uit oogpunt van verkeersveiligheid;
    4. waarbij de bebouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele'.

Artikel 52 Specifieke bouwaanduiding verblijfsrecreatie     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Verblijfsrecreatie geldt het volgende:

  1. gebouwen en overkappingen zijn toegestaan:
    1. tot een gezamenlijke omvang van maximaal 200 m² en een bouwhoogte van 4 m;
    2. waarbij er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de bestaande landschappelijke inpassing;
    3. waarbij rekening wordt gehouden met minimaal aan te houden afstanden tot wegen uit oogpunt van verkeersveiligheid;
  2. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 3 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 61.3.

Artikel 53 Specifieke bouwaanduiding volkstuin     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Volkstuin geldt het volgende:

  1. gebouwen en overkappingen zijn toegestaan:
    1. tot een omvang van maximaal 10% van de volkstuin en een bouwhoogte van 4 m;
    2. waarbij er geen sprake is van een onevenredige beperking van het gebruik van de aangrenzende volkstuinen en percelen;
  2. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 3 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 61.3.

Artikel 54 Specifieke bouwaanduiding wonen     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Wonen geldt het volgende:

  1. toegestaan zijn:
    1. één hoofdgebouw met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen (woning);
    2. vrijstaande bijbehorende bouwwerken met aangebouwde overkappingen;
    3. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde;
  2. voor de woning geldt:
    1. vernieuwen en veranderen van de woning binnen het bestaande bouwvolume van de woning met de daarmee een geheel vormende ruimten (voormalige schuren en stallen en dergelijke) is toegestaan waarbij geldt dat:
      • het uitwendige karakter niet ingrijpend mag worden gewijzigd;
      • voldaan wordt aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    2. uitbreiden van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen is toegestaan waarbij geldt dat:
      • niet gebouwd mag worden vóór de denkbeeldige voorgevelrooilijn van de woning;
      • het uitwendige karakter niet ingrijpend mag worden gewijzigd, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat de goot- en bouwhoogte ten opzichte van de bestaande goot- en bouwhoogte met niet meer dan 10% mag worden vergroot;
      • voldaan wordt aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
      • de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m bedraagt;
    3. nieuwbouw van een woning in combinatie met sloop van de bestaande woning is toegestaan waarbij geldt dat:
      • niet gebouwd mag worden vóór de denkbeeldige voorgevelrooilijn van de bestaande woning tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m bedraagt;
      • de afstand van de nieuwe woning tot de bestaande te slopen woning niet meer dan 10 m mag bedragen met dien verstande dat een grotere afstand mogelijk is indien er sprake blijft van een mate van concentratie van bebouwing, gelet op de situering van de overige aanwezige gebouwen;
      • het uitwendige karakter van de nieuwe woning overeenkomt met het gebouwtype, zoals beschreven in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele' waartoe de bestaande woning behoort met dien verstande dat een ander gebouwtype mogelijk is mits passend in de omgeving;
      • voldaan wordt aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
      • indien de nieuwe woning in een ander gebouwtype wordt gerealiseerd dan de bestaande woning en/of de nieuwe woning op een andere locatie binnen het bouwperceel wordt gesitueerd dient tevens sprake te zijn van een levensloopbestendige woning en het voorerf te voldoen aan het streekeigen erf-principe zoals uitgewerkt in bijlage 6 van de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
      • er worden geen nieuwe woningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd;
  3. per woning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. vrijstaande bijbehorende bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
    2. vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan op de gronden die als erf bij de woning mogen worden gebruikt;
    3. er is sprake van een bepaalde mate van concentratie van gebouwen waarbij de onderlinge afstand tussen het hoofdgebouw en de op hetzelfde bouwperceel te realiseren vrijstaande bijbehorende bouwwerken in ieder geval niet meer dan 25 m mag bedragen;
    4. de bebouwde oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken met aangebouwde overkappingen mag maximaal 50% bedragen van de bij de woning bijbehorende gronden met een maximum van 150 m²;
    5. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de denkbeeldige voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw en/of de woning;
    6. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorende bouwwerk;
    7. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    8. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30 o en maximaal 45 o;
    9. de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens bedraagt ten minste 2 m;
  4. bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 3 m tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 61.3.

Artikel 55 Maximale oppervlakte bebouwd     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt de maximale bebouwingsoppervlakte zoals bedoeld in de regels: xm², zijnde de maximale bebouwingsoppervlakte zoals vermeld op de verbeelding.

Artikel 56 Maximum aantal bedrijfswoningen     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt het aantal bedrijfswoningen: x, zijnde het aantal bedrijfswoningen zoals vermeld op de verbeelding.

Artikel 57 Bouwen binnen een geluidszone     

Indien en voorzover hier op grond van dit plan bebouwing is toegestaan geldt het volgende:

  1. bouwen van nieuwe gebouwen met een geluidsgevoelige bestemming is uitsluitend toegestaan, indien is gebleken dat de geluidsbelasting vanwege het industrielawaai op de gevels van de gebouwen met deze geluidsgevoelige bestemming niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

Artikel 58 Bouwen binnen het gebied van de walradarketen     

Bouwen binnen het gebied van de walradarketen is uitsluitend toegestaan tot een bouwhoogte van 10 m + NAP. Voor bebouwing hoger dan 10 m + NAP binnen dit gebied geldt dat bebouwing uitsluitend is toegestaan indien het belang van de walradarketen niet onevenredig wordt geschaad; hierover wordt de beheerder van de walradarketen advies gevraagd.

Artikel 59 Bouwen in de nabijheid van leidingen     

59.1 Bouwen ten behoeve van samenvallende functies     

  1. bouwen ten behoeve van de samenvallende functies is uitsluitend toegestaan indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij:
    1. de oppervlakte bij gronden met de functie Leiding - Hoogspanning 2 voor zover gelegen op of onder Normaal Amsterdams Peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    2. de oppervlakte bij de overige gronden, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. bouwen ten behoeve van de samenvallende functies is voorts uitsluitend toegestaan indien het belang en de veiligheid van de leiding door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad en de leidingbeheerder schriftelijk advies heeft uitgebracht dan wel gedurende drie weken in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen.

59.2 Bouwen ten behoeve van de leiding     

59.2.1 Hoogspanningsverbinding     

Bouwen ten behoeve van de leiding en vervanging van de bestaande hoogspanningsmasten is toegestaan tot een bouwhoogte waarbij geen ontoelaatbare verstoring plaatsvindt van de radar van vliegveld Woensdrecht, de veiligheid van het vliegverkeer Midden Zeeland is gewaarborgd en de optische vrije paden niet worden verstoord.

59.2.2 Gasleiding Lange Zuidweg 2     

Bouwen ten behoeve van het bovengrondse gastransport is toegestaan.

59.2.3 Overige leidingen en bouwwerken     

Bouwen ten behoeve van de leidingen is toegestaan.

Artikel 60 Bouwen anti-hagelgeneratoren en teeltondersteunende voorzieningen     

Toegestaan zijn:

60.1 Anti-hagelgeneratoren     

Anti-hagelgeneratoren op gronden in agrarisch gebruik.

60.2 Teeltondersteunende voorzieningen     

De volgende teeltondersteunende voorzieningen op gronden in agrarisch gebruik, waarbij het volgende geldt:

  1. lage tijdelijke en lage permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan met uitzondering van het bouwen in Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse;
  2. hoge tijdelijke en hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan waarbij geldt:
    1. boog- en gaas kassen zijn toegestaan in aansluiting op een agrarische bouwblok waarbij geldt:
      • de boog- en gaaskassen zijn en blijven teeltondersteunend aan een grondgebonden agrarisch teeltbedrijf;
      • de bouwhoogte van boog- en gaaskassen bedraagt ten hoogste 3,5 m;
      • de oppervlakte van de boog- en gaaskassen bedraagt per bouwblok ten hoogste 1 ha;
      • voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    2. regenkappen zijn toegestaan waarbij geldt:
      • de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3 m;
      • voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    3. stellingen en hagelnetten zijn toegestaan waarbij geldt:
      • de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 6 m;
      • de netten en folies zijn ten hoogste 7 maanden per kalenderjaar uitgerold aanwezig;
      • de kleur van de netten en folies is wit of grijs;
      • de palen mogen jaarrond aanwezig zijn;
      • voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    4. voor de toelaatbaarheid van teeltondersteunende kassen wordt verwezen naar artikel 39 en 43;
  3. met dien verstande dat boog- en gaaskassen, stellingen, regenkappen en hagelnetten niet zijn toegestaan binnen het Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse.

Artikel 61 Algemeen toelaatbare gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voorts zijn nog toegestaan:

61.1 Bestaande maten     

61.1.1 Bestaande afstanden     

Indien afstanden op de datum van de inwerkingtreding van dit plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge het plan is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangenomen.

61.1.2 Bestaande maten en hoeveelheden     

In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantal en/of (bebouwings)oppervlakten van bestaande bouwwerken op de dag van de inwerkingtreding van dit plan meer of minder bedragen dan ingevolge het plan is toegestaan, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

61.2 Gebouwen en overkappingen     

De volgende gebouwen en overkappingen, uitsluitend ten behoeve van de toegelaten functie, waarbij het volgende geldt:

  1. toelaatbaar zijn de vergunde, solitaire schuilgelegenheden voor vee, fruitschuren en veldschuren;
  2. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van schuilgelegenheden of stallen voor het hobbymatig houden van vee/paarden tot een maximale oppervlakte van 25 m² (inclusief overkappingen) per schuilgelegenheid waarbij geldt:
    1. deze bouwwerken zijn niet toegestaan op de gronden aangeduid als Waarde - Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied of Waarde - Natuur en landschapswaarden op dijken;
    2. de locatie van de bouwwerken zijn in landschappelijke en stedenbouwkundig opzicht passend in de omgeving;
    3. de locatie van de bouwwerken zorgt niet voor overlast en hinder voor omwonenden;
    4. bij de toepassing van een zadeldak bedraagt de goothoogte maximaal 2,5 m en de dakhelling maximaal 45o met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 4,5 m mag bedragen;
    5. bij de toepassing van een lessenaarsdak bedraagt de goothoogte aan de lage zijde maximaal 2 m en de dakhelling maximaal 20o met dien verstande dat de goothoogte aan de hoge zijde niet meer dan 3,5 m mag bedragen;
  3. toelaatbaar zijn gebouwen en overkappingen van geringe omvang voor natuuronderhoud, -beheer, natuurrecreatie of -educatie;
  4. toelaatbaar zijn fruitschuren, veldschuren en schuilgelegenheden of stallen voor vee voor een grondgebonden veehouderij met weidegang met een oppervlakte van ten hoogste 50 m² en een bouwhoogte van ten hoogste 6 m ten behoeve van agrarisch bedrijven waarbij:
    1. de opstallen noodzakelijk zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering;
    2. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan.

61.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

De volgende bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, uitsluitend ten behoeve van de toegelaten functie, waarbij het volgende geldt:

  1. perceels- en terreinafscheidingen zijn toegestaan:
    1. tot een bouwhoogte van 1 m voor de voorgevelrooilijn van woningen;
    2. tot een bouwhoogte van 2 m in overige situaties;
    3. tot een bouwhoogte van 2,5 m indien deze hoogte uit oogpunt van veiligheid en beveiliging noodzakelijk is;
  2. bouwwerken voor verkeersgeleiding, verlichting, bewegwijzering, abri's, kunstwerken en vergelijkbare noodzakelijke voorzieningen van algemeen nut, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 6 m;
  3. bouwwerken noodzakelijk voor de waterkering, het beheer en onderhoud ervan en de waterbeheersing zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 6 m;
  4. bouwwerken ten behoeve van paardenbakken, stapmolens en vergelijkbare voorzieningen zijn uitsluitend in aansluiting op bouwblokken en bestaande bebouwing toegestaan en tot een bouwhoogte van 1,5 m.

Hoofdstuk 3 Mag het toelaatbare gebruik en het bouwen op deze locatie ook veranderen     

Artikel 62 Bijzondere overnachtingsplaatsen     

62.1 Toelaatbare verandering     

Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor bijzondere overnachtingsplaatsen op bijzondere locaties.

62.2 Beoordelingsregels afwijken     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat:

  1. de bijzondere overnachtingsplaatsen dienen onderscheidend te zijn gelet op de architectuur en gelet op de locatie;
  2. er dient een inventieve en originele relatie te zijn tussen de architectuur van de overnachtingsplaats en de locatie waar de overnachtingsplaats zich bevindt; verwezen wordt naar referentiebeelden in lid 62.3;
  3. de bijzondere overnachtingsplaatsen op een locatie zijn kleinschalig in omvang en aantal;
  4. een bijzondere overnachtingsplaats is toegestaan in een (verbouwd) bestaand gebouw of wordt gerealiseerd als een tijdelijk object;
  5. de bijzondere overnachtingsplaatsen die worden gerealiseerd als tijdelijk object zijn niet jaarrond toegestaan.

62.3 Referentiebeelden     

Voor de toepassing van de beoordelingsregel zoals genoemd in lid 62.2 onder b gelden de volgende, niet limitatieve, referentiebeelden ter ondersteuning van de creatieve invulling van bijzondere overnachtingsplaatsen.

  1. architectuur die wegvalt in het landschap of juist de karakteristiek van het landschap versterkt;
  2. architectuur die aansluit bij een thema;
  3. kracht van de omgeving vertaald in het ontwerp van de bijzondere overnachtingsplaats;
  4. uitnodigend tot beleving van de bijzondere locatie;
  5. kunstzinnig;
  6. spraakmakend element in het landschap;
  7. exclusiviteit in relatie tot beleving;
  8. verbinding van de locatie met de overnachtingsplaats rond een thema zoals:
    1. omgeving Sloegebied/Borssele < > Industrieel Toerisme;
    2. omgeving Fort Ellewoutsdijk/kuststrook Westerschelde < > Liberation Route en Dark Tourism;
    3. omgeving De Zak van Zuid-Beveland < > platteland, 'slapen in kunst'.

Artikel 63 Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse     

63.1 Toelaatbare veranderingen van gebruik en bouwen     

In het kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:

  1. voor de relatief eenvoudige veranderingen die zijn opgenomen in lid 63.3 een melding nodig is;
  2. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 63.4 een afwijkingsprocedure nodig is;
  3. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 63.5 dit omgevingsplan dient te worden herzien; de gemeenteraad heeft deze bevoegdheid gedelegeerd aan burgemeester en wethouders indien voldaan wordt aan de voorwaarden die in lid 63.5 zijn opgenomen;

waarbij:

  1. de veranderingen in ieder geval aan de Gebiedsbeschrijving worden getoetst;
  2. indien van toepassing de provinciale 'Handreiking verevening' zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van het plan, zal worden gehanteerd.

63.2 Gebiedsbeschrijving     

De ruimtelijke kwaliteit van het kerngebied de Poel en het heggenlandschap rond Nisse wordt bepaald door:

  1. het heggenlandschap rond Nisse, bestaande uit meidoornhagen, welen, drinkputten/poelen en ruige graslanden waardoor er sprake is van een kleinschalig en afwisselend landschap;
  2. de (bloem)dijken rond Nisse;
  3. het open karakter van kerngebied de Poel en het contrast van het open poellandschap met de ruimtelijk verdichte kreekruggen;
  4. de overgangen en het hoogteverschil tussen de hogere kreekruggen en lager gelegen poelgronden;
  5. de aanwezige overgangen tussen de zoute, lager gelegen poelgronden en de zoete, hoger gelegen kreekruggen;
  6. de aanwezige soortenrijke flora en fauna.

63.3 Functieverandering met melding in kerngebied de Poel en heggengebied Nisse     

63.3.1 Toelaatbare veranderingen     

Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:

  1. de vestiging van kleinschalige agrarisch aanverwante functies in de bestaande bebouwing bij Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf of Agrarisch - intensieve veehouderij.

63.3.2 Beoordelingsregels melding     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden zoals vermeld in tabel 57.1.

Tabel 57.1

Passend op de locatie
de ontwikkeling is kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden
de activiteit past naar de omvang in het buitengebied
de activiteit past in het Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied
Passend bij omgevingsaspecten locatie
verkeer de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd
er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein
er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking
aangrenzende percelen er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven
draagvlak er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving

63.3.3 Procedureregels melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met:
    1. een beschrijving van het initiatief;
    2. een onderbouwing dat aan de voorwaarden wordt voldaan;

wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering en het vereveningsplan.

63.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in kerngebied de Poel en heggengebied Nisse     

63.4.1 Toelaatbare veranderingen     

Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:

  1. de vestiging van kleinschalige horecamatige, kleinschalige dagrecreatieve of kleinschalige bedrijfsmatige functies, niet zijnde detailhandel, in de bestaande bebouwing bij Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve veehouderij of Wonen;
  2. de vestiging van een paardenpension bij wijze van nevenactiviteit in de bestaande bebouwing;
  3. het gebruik van bedrijfswoningen voor bewoning door personen die geen relatie hebben met het bedrijf dat ter plaatse wordt uitgeoefend (plattelandswoning);
  4. verkleining of vergroting van voorgeschreven afstandsmaten;
  5. bouwen vóór een voorgevelrooilijn;
  6. de ontwikkeling van zorginitiatieven bij wijze van nevenactiviteit zoals zorgboerderijen, leerboerderijen, dagbestedingsplaatsen, kinderopvang en stage- of werkervaringsplaatsen, in de bestaande bebouwing;
  7. ver- of herbouw van woningen waarbij het uitwendige karakter ingrijpend wordt gewijzigd maar waarbij wel voldaan wordt aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
  8. het gebruik van bestaande bebouwing als verblijfsrecreatieve groepsaccommodatie of ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden bij Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve veehouderij of Wonen;
  9. nieuwbouw ten behoeve van de in dit artikel genoemde en bestaande kleinschalige functies of nevenactiviteiten waarbij de oppervlakte met ten hoogste 20% van de bestaande bebouwing in gebruik voor de functie, mag worden vergroot, tot een maximum van 250 m².

63.4.2 Beoordelingsregels afwijking     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 57.2.

Tabel 57.2

Passend op de locatie
de ontwikkeling kleinschalige functies zijn kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden
de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied met dien verstande dat uitsluitend bedrijfsactiviteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met categorie 1 of 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan
de activiteit past in het Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied
Passend bij omgevingsaspecten locatie
ondergrond de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit
geluid voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde
voor zover relevant is het bepaalde in Hoofdstuk 7 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren van toepassing
gezondheid en milieu de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen
er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen
er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico
activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla)
water er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit
er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling
verkeer de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd
er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein
er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking
aangrenzende percelen er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven
waarden er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden

indien sprake is van een paardenpension geldt specifiek dat ook wordt aangetoond dat er geen sprake is van negatieve effecten op Natura 2000
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden
beeldkwaliteit er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele'
landschappelijke inpassing verblijfsrecreatieve eenheden er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan
landschappelijke inpassing bij overige ontwikkelingen er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan
draagvlak er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving

63.4.3 Integraliteit     

In afwijking van de beoordelingsregels in lid 63.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief, na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt, waarbij sprake is van een voldoende mate van compensatie van de beoordelingsregels waaraan niet in voldoende mate wordt voldaan.

63.4.4 Maatwerkregels     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

63.4.5 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 63.4.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 63.4.2 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

63.5 Functieverandering en bouwen met delegatie in kerngebied de Poel en heggengebied Nisse     

63.5.1 Toelaatbare veranderingen     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan herzien voor:

  1. het gebruik ten behoeve van Wonen op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf of Agrarisch - intensieve veehouderij is of wordt beëindigd en een bedrijfswoning aanwezig is;
  2. de nieuwvestiging van een functie Wonen indien:
    1. binnen het deelgebied Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse een functie Wonen wordt gesaneerd en de daarbij behorende bebouwing wordt gesloopt (één woning voor één woning); of
    2. binnen het deelgebied Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, waarbij geldt:
      • de te slopen gebouwen zijn onbruikbaar of detonerend;
      • de te slopen gebouwen zijn niet aangemerkt als Karakteristiek pand;
      • ter compensatie van ten minste 500 m2 te slopen bedrijfsbebouwing mag ten hoogste 1 nieuwe woning mogelijk worden gemaakt;
  3. het gebruik ten behoeve van Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf of Agrarisch - intensieve veehouderij is, of wordt beëindigd;
  4. de toevoeging van een functie Wonen aan een gebouw of een ensemble dat is aangemerkt als rijksmonument, Gemeentelijk monument of Karakteristiek pand mits de toevoeging van de woonfunctie leidt tot de versterking of het behoud van de monumentale of karakteristieke waarden;
  5. het gebruik van bestaande leegstaande gebouwen voor het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, waarbij geldt:
    1. het voorheen bestaande gebruik is of wordt beëindigd;
    2. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in het BRP;
    3. de voorziening dient te beschikken over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
    4. nieuwbouw is toegestaan tot een oppervlakte van 20% van de bestaande oppervlakte met een maximum van 250 m²;
  6. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

63.5.2 Overige toelaatbare veranderingen     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan herzien voor:

  1. de bescherming van nieuwe natuur door na realisatie de functie Natuur toe te kennen;
  2. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

63.5.3 Beoordelingsregels delegatie     

Voor een verandering als bedoeld in 63.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:

  1. ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 57.3 en;
  2. bij de verandering zoals bedoeld in lid 63.5.1 onder b of c dient sprake te zijn van een aantoonbare kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Borsele, passend bij de Gebiedsbeschrijving; er is sprake van een kwaliteitsverbetering en meerwaarde voor het buitengebied van Borsele indien aan ten minste drie voorwaarden uit tabel 57.4 wordt voldaan:

Tabel 57.3

Passend op de locatie
de ontwikkeling de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied
de activiteit past in het Kerngebied de Poel en Heggengebied Nisse gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied
Passend bij omgevingsaspecten locatie
ondergrond de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit
geluid voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde
gezondheid en milieu er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen
er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico
activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla)
water er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit
er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling
verkeer de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd
er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein
er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking
aangrenzende percelen er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven
waarden er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden
beeldkwaliteit er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele'
landschappelijke inpassing er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan
draagvlak er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving

Tabel 57.4

Meerwaarde, in redelijke verhouding tot aard en omvang van de verandering
maatschappelijke meerwaarde er is onderzoek gedaan naar de wijze waarop en de mate waarin het initiatief energieneutraal ontwikkeld zou kunnen worden en hier wordt in redelijkheid uitvoering aan gegeven
ruimtelijke meerwaarde detonerende bebouwing wordt gesaneerd
natuurwaarden worden versterkt en in stand gehouden
landschapswaarden worden versterkt en in stand gehouden
cultuurhistorische waarden worden versterkt
er is sprake van extra waterretentie en/of de waterkwaliteit wordt verbeterd

63.5.4 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

63.5.5 Gelijkwaardigheidsregels     

Voor de beoordelingsregels in lid 63.5.3 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 63.5.3 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

Artikel 64 Kleinschalige polders     

64.1 Toelaatbare veranderingen van gebruik en bouwen     

In de kleinschalige polders zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:

  1. voor de relatief eenvoudige veranderingen die zijn opgenomen in lid 64.3 een melding nodig is;
  2. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 64.4 een afwijkingsprocedure nodig is;
  3. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 64.5 dit omgevingsplan dient te worden herzien; de gemeenteraad heeft deze bevoegdheid gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders indien voldaan wordt aan de voorwaarden die in lid 64.5 zijn opgenomen;

waarbij:

  1. de veranderingen in ieder geval aan de Gebiedsbeschrijving worden getoetst;
  2. indien van toepassing de provinciale 'Handreiking verevening' zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van het plan, zal worden gehanteerd.

64.2 Gebiedsbeschrijving     

De ruimtelijke kwaliteit kleinschalige polders wordt bepaald door:

  1. de kleinschalige polders en het dichte (hoger gelegen) dijkenpatroon in combinatie met laaggelegen kreken; richting Oudelande en Ellewoutsdijk krijgt het landschap een meer open karakter;
  2. de (bloemen)dijken als verwijzing naar de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  3. de verspreid voorkomende kreekresten, welen, erven en andere historische landschapselementen;
  4. de kreken en kreekrestanten die herkenbaar zijn als laagten in het landschap;
  5. de waardevolle elementen Zwaakse weel en Westeindse weel;
  6. de inlagen, karrevelden bij Ellewoutsdijk en de buitendijkse schorren;
  7. de gebieden met zoute kwel vanuit de Westerschelde;
  8. de aanwezige wegbeplantingen.

64.3 Functieverandering met melding in de kleinschalige polders     

64.3.1 Toelaatbare veranderingen     

Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:

  1. de vestiging van kleinschalige agrarisch aanverwante functies in de bestaande bebouwing bij Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij of Agrarisch - intensieve veehouderij;
  2. de uitbreiding van bestaande kleinschalige kampeerterreinen met dien verstande dat:
    1. het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen ten hoogste 25 mag bedragen waarvan ten hoogste 20% mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
    2. aan de regels voor kleinschalige kampeerterreinen tot 15 kampeermiddelen moet worden voldaan.

64.3.2 Beoordelingsregels melding     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat:

  1. ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 58.1 en;
  2. bij de uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein moet sprake zijn van een aantoonbare kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Borsele, passend bij de Gebiedsbeschrijving; er is sprake van een kwaliteitsverbetering en meerwaarde voor het buitengebied van Borsele indien:
    1. aan ten minste twee voorwaarden uit tabel 58.2 wordt voldaan;
    2. waarbij de provinciale 'Handreiking verevening' zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van het plan, zal worden gehanteerd.

Tabel 58.1

Passend op de locatie
de ontwikkeling kleinschalige functies zijn kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden
de activiteit past naar de omvang in het buitengebied
de activiteit past in de Kleinschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied
Passend bij omgevingsaspecten locatie
water er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling
gezondheid er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen
verkeer de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd
er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein
er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking
aangrenzende percelen er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven
landschappelijke inpassing bij uitbreiding kleinschalig kamperen er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan
draagvlak er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving

Tabel 58.2

Meerwaarde, in redelijke verhouding tot aard en omvang van de verandering
financieel-economische meerwaarde er is sprake van een versterking van de recreatieve potentie
ruimtelijke meerwaarde detonerende bebouwing wordt gesaneerd
natuurwaarden worden in beperkte mate versterkt en in stand gehouden
landschapswaarden worden in beperkte mate versterkt en in stand gehouden
cultuurhistorische waarden worden in beperkte mate versterkt
er is sprake van extra waterretentie en/of de waterkwaliteit wordt in beperkte mate verbeterd

64.3.3 Procedureregels melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met:
    1. een beschrijving van het initiatief;
    2. een onderbouwing dat aan de voorwaarden wordt voldaan, en;
    3. een vereveningsplan met betrekking tot de meerwaarde die wordt gecreëerd;

wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering en het vereveningsplan.

64.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in de kleinschalige polders     

64.4.1 Toelaatbare veranderingen     

Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:

  1. de vestiging van kleinschalige horecamatige, kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies, niet zijnde detailhandel, in de bestaande bebouwing bij Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Manege of Wonen;
  2. de vestiging van kleinschalige horecamatige of kleinschalige dagrecreatieve functies in de bestaande bebouwing bij Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2 of Bedrijven uit een hogere categorie;
  3. de vestiging van kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies, niet zijnde detailhandel, in de bestaande bebouwing bij Horeca;
  4. de vestiging van kleinschalige horecamatige, kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies in de bestaande bebouwing bij Detailhandel;
  5. de vestiging van een paardenpension bij wijze van nevenactiviteit in de bestaande bebouwing;
  6. het gebruik van bedrijfswoningen voor bewoning door personen die geen relatie hebben met het bedrijf dat ter plaatse wordt uitgeoefend (plattelandswoning);
  7. verkleining of vergroting van voorgeschreven afstandsmaten;
  8. bouwen vóór een voorgevelrooilijn;
  9. de ontwikkeling van zorginitiatieven bij wijze van nevenactiviteit zoals zorgboerderijen, leerboerderijen, dagbestedingsplaatsen, kinderopvang en stage- of werkervaringsplaatsen, in de bestaande bebouwing;
  10. ver- of herbouw van woningen waarbij het uitwendige karakter ingrijpend wordt gewijzigd maar waarbij wel voldaan wordt aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
  11. het gebruik van bestaande bebouwing als verblijfsrecreatieve groepsaccommodatie of ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden bij Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit een hogere categorie, Detailhandel, Manege of Wonen;
  12. nieuwbouw ten behoeve van de in dit artikel genoemde en bestaande kleinschalige functies of nevenactiviteiten waarbij de oppervlakte met ten hoogste 20% van de bestaande bebouwing in gebruik voor de functie, mag worden vergroot, tot een maximum van 250 m².

64.4.2 Beoordelingsregels afwijking     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 58.3.

Tabel 58.3

Passend op de locatie
de ontwikkeling kleinschalige functies zijn kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden
de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied met dien verstande dat uitsluitend bedrijfsactiviteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met categorie 1 of 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan
de activiteit past in de Kleinschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied
Passend bij omgevingsaspecten locatie
ondergrond de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit
geluid voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde
voor zover relevant is het bepaalde in Hoofdstuk 7 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren van toepassing
gezondheid en milieu de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen
er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen
er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico
activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla)
water er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit
er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling
verkeer de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd
er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein
er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking
aangrenzende percelen er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven
waarden er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden

indien sprake is van een paardenpension geldt specifiek dat ook wordt aangetoond dat er geen sprake is van negatieve effecten op Natura 2000
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden
beeldkwaliteit er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele'
landschappelijke inpassing verblijfsrecreatieve eenheden er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan
landschappelijke inpassing bij overige ontwikkelingen er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan
draagvlak er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving

64.4.3 Integraliteit     

In afwijking van de beoordelingsregels in lid 64.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief, na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt, waarbij sprake is van een voldoende mate van compensatie van de beoordelingsregels waaraan niet in voldoende mate wordt voldaan.

64.4.4 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

64.4.5 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 64.4.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 64.4.2 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

64.5 Functieverandering en bouwen met delegatie in de kleinschalige polders     

64.5.1 Toelaatbare veranderingen     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan herzien voor:

  1. het gebruik ten behoeve van Wonen op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - glastuinbouw of Agrarisch - intensieve kwekerij is of – in samenhang met de toepassing van de afwijking – wordt beëindigd en een bedrijfswoning aanwezig is;
  2. het gebruik ten behoeve van Wonen op een locatie waar de bestaande functie Detailhandel, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit een hogere categorie of Manege is of – in samenhang met de toepassing van de afwijking – wordt beëindigd en een bedrijfswoning aanwezig is;
  3. de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf mits:
    1. nieuwvestiging noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering; de agrarisch deskundige wordt hierover schriftelijk advies gevraagd;
    2. elders geen geschikt vrijkomend agrarische bouwblok voorhanden is;
    3. elders een agrarisch bouwblok wordt gesaneerd en overtollige bebouwing – met uitzondering van een aanwezige voormalige bedrijfswoning met vrijstaande bijbehorende bouwwerken – wordt gesloopt;
  4. de nieuwvestiging van een functie Wonen indien:
    1. elders in de gemeente een functie Wonen wordt gesaneerd en de daarbij behorende bebouwing wordt gesloopt (één woning voor één woning); of
    2. elders in de gemeente bedrijfsbebouwing of kassen worden gesloopt, waarbij geldt:
      • de te slopen gebouwen zijn onbruikbaar of detonerend;
      • de te slopen gebouwen zijn niet aangemerkt als Karakteristiek pand;
      • ter compensatie van ten minste 500 m2 te slopen bedrijfsbebouwing of 0,5 ha kassen mag ten hoogste 1 nieuwe woning mogelijk worden gemaakt;
  5. het gebruik ten behoeve van Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - intensieve kwekerij, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijven uit een hogere categorie of Manege is, of wordt beëindigd;
  6. de toevoeging van een functie Wonen aan een gebouw of een ensemble dat is aangemerkt als rijksmonument, Gemeentelijk monument of Karakteristiek pand mits de toevoeging van de woonfunctie leidt tot de versterking of het behoud van de monumentale of karakteristieke waarden;
  7. het gebruik van bestaande leegstaande gebouwen voor het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, waarbij geldt:
    1. het voorheen bestaande gebruik is of wordt beëindigd;
    2. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in het BRP;
    3. de voorziening dient te beschikken over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
    4. nieuwbouw is toegestaan tot een oppervlakte van 20% van de bestaande oppervlakte met een maximum van 250 m²;
  8. de vestiging van grootschalige dagrecreatieve voorzieningen in relatie tot de Westerschelde en/of de recreatieve spoorlijn Goes-Hoedekenskerke;
  9. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

64.5.2 Overige toelaatbare veranderingen     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan herzien voor:

  1. de bescherming van nieuwe natuur door na realisatie de functie Natuur toe te kennen;
  2. het met enige regelmaat verwerken van verleende afwijkingen zoals bedoeld in lid 64.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in de kleinschalige polders;
  3. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

64.5.3 Beoordelingsregels delegatie     

Voor een verandering als bedoeld in 64.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:

  1. ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 58.4 en;
  2. bij de veranderingen zoals bedoeld in lid 64.5.1 onder c tot en met h dient sprake te zijn van een aantoonbare kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Borsele, passend bij de Gebiedsbeschrijving; er is sprake van een kwaliteitsverbetering en meerwaarde voor het buitengebied van Borsele indien aan ten minste drie voorwaarden uit tabel 58.5 wordt voldaan:

Tabel 58.4

Passend op de locatie
de ontwikkeling de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied
de activiteit past in de Kleinschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied
Passend bij omgevingsaspecten locatie
ondergrond de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit
geluid voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde
voor zover relevant is het bepaalde in Hoofdstuk 7 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren van toepassing
gezondheid en milieu de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen
er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen
er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico
activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla)
water er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit
er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling
verkeer de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd
er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein
er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking
aangrenzende percelen er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven
waarden er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden
beeldkwaliteit er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele'
landschappelijke inpassing er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan
draagvlak er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving

Tabel 58.5

Meerwaarde, in redelijke verhouding tot aard en omvang van de verandering
financieel-economische meerwaarde er is sprake van een versterking van de recreatieve potentie
maatschappelijke meerwaarde de activiteit maakt onderdeel uit van een netwerk van verbindingen en initiatieven
er is onderzoek gedaan naar de wijze waarop en de mate waarin het initiatief energieneutraal ontwikkeld zou kunnen worden en hier wordt in redelijkheid uitvoering aan gegeven
ruimtelijke meerwaarde detonerende bebouwing wordt gesaneerd
natuurwaarden worden versterkt en in stand gehouden
landschapswaarden worden versterkt en in stand gehouden
cultuurhistorische waarden worden versterkt
stilte en/of duisternis worden gerespecteerd
er is sprake van extra waterretentie en/of de waterkwaliteit wordt verbeterd

64.5.4 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

64.5.5 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 64.5.3 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 64.5.3 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

Artikel 65 Grootschalige polders     

65.1 Toelaatbare veranderingen van gebruik en bouwen     

In de grootschalige polders zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:

  1. voor de relatief eenvoudige veranderingen die zijn opgenomen in lid 65.3 een melding nodig is;
  2. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 65.4 een afwijkingsprocedure nodig is;
  3. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 65.5 dit omgevingsplan dient te worden herzien; de gemeenteraad heeft deze bevoegdheid gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders indien voldaan wordt aan de voorwaarden die in lid 65.5 zijn opgenomen;

waarbij:

  1. de veranderingen in ieder geval aan de Gebiedsbeschrijving worden getoetst;
  2. indien van toepassing de provinciale 'Handreiking verevening' zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van het plan, zal worden gehanteerd.

65.2 Gebiedsbeschrijving     

De ruimtelijke kwaliteit van de grootschalige polders wordt bepaald door:

  1. de grootschalige, lineaire en efficiënte inrichting van de polders en de landschappelijke openheid;
  2. de dijken die over het algemeen onbeplant zijn, evenals de bermen van de meeste polderwegen;
  3. renaissancepolder Borsselepolder met een rationele renaissancestructuur en een noord-zuidrichting van inpoldering;
  4. het waardevolle element de Sloekreek;
  5. de aanwezige inlagen;
  6. de gebieden met zoute kwel vanuit de Westerschelde.

65.3 Functieverandering met melding in de grootschalige polders     

65.3.1 Toelaatbare veranderingen     

Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:

  1. de vestiging van kleinschalige agrarisch aanverwante functies in de bestaande bebouwing bij Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij of Agrarisch - intensieve veehouderij;
  2. de uitbreiding van bestaande kleinschalige kampeerterreinen met dien verstande dat:
    1. het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen ten hoogste 25 mag bedragen waarvan ten hoogste 20% mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
    2. aan de regels voor kleinschalige kampeerterreinen tot 15 kampeermiddelen moet worden voldaan;

65.3.2 Beoordelingsregels melding     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat:

  1. ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 59.1 en;
  2. bij de uitbreiding van kleinschalige kampeerterreinen moet sprake zijn van een aantoonbare kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Borsele, passend bij de Gebiedsbeschrijving; er is sprake van een kwaliteitsverbetering en meerwaarde voor het buitengebied van Borsele indien:
    1. aan ten minste twee voorwaarden uit tabel 59.2 wordt voldaan;
    2. waarbij de provinciale 'Handreiking verevening' zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van het plan, zal worden gehanteerd.

Tabel 59.1

Passend op de locatie
de ontwikkeling kleinschalige functies zijn kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden
de activiteit past naar de omvang in het buitengebied
de activiteit past in de Grootschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied
Passend bij omgevingsaspecten locatie
gezondheid er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen
water er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling
verkeer de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd
er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein
er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking
aangrenzende percelen er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven
landschappelijke inpassing bij uitbreiding kleinschalig kampeerterrein er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan
draagvlak er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving

Tabel 59.2

Meerwaarde, in redelijke verhouding tot aard en omvang van de verandering
financieel-economische meerwaarde er is sprake van een versterking van de recreatieve potentie
ruimtelijke meerwaarde detonerende bebouwing wordt gesaneerd
natuurwaarden worden in beperkte mate versterkt en in stand gehouden
landschapswaarden worden in beperkte mate versterkt en in stand gehouden
cultuurhistorische waarden worden in beperkte mate versterkt
er is sprake van extra waterretentie en/of de waterkwaliteit wordt in beperkte mate verbeterd

65.3.3 Procedureregels melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met:
    1. een beschrijving van het initiatief;
    2. een onderbouwing dat aan de voorwaarden wordt voldaan, en;
    3. een vereveningsplan met betrekking tot de meerwaarde die wordt gecreëerd;

wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering en het vereveningsplan.

65.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in de grootschalige polders     

65.4.1 Toelaatbare veranderingen     

Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:

  1. de vestiging van kleinschalige horecamatige, kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies, niet zijnde detailhandel, in de bestaande bebouwing bij Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Manege of Wonen;
  2. de vestiging van kleinschalige horecamatige of kleinschalige dagrecreatieve functies in de bestaande bebouwing bij Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, of Bedrijven uit een hogere categorie;
  3. de vestiging van kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies, niet zijnde detailhandel, in de bestaande bebouwing bij Horeca;
  4. de vestiging van kleinschalige horecamatige, kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies in de bestaande bebouwing bij Detailhandel;
  5. de vestiging van een paardenpension bij wijze van nevenactiviteit in de bestaande bebouwing;
  6. het gebruik van bedrijfswoningen voor bewoning door personen die geen relatie hebben met het bedrijf dat ter plaatse wordt uitgeoefend (plattelandswoning);
  7. verkleining of vergroting van voorgeschreven afstandsmaten;
  8. bouwen vóór een voorgevelrooilijn;
  9. de ontwikkeling van zorginitiatieven bij wijze van nevenactiviteit zoals zorgboerderijen, leerboerderijen, dagbestedingsplaatsen, kinderopvang en stage- of werkervaringsplaatsen, in de bestaande bebouwing;
  10. ver- of herbouw van woningen waarbij het uitwendige karakter ingrijpend wordt gewijzigd maar waarbij wel voldaan wordt aan redelijke eisen van welstand zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele';
  11. het gebruik van bestaande bebouwing als verblijfsrecreatieve groepsaccommodatie of ten behoeve van verblijfsrecreatieve eenheden bij Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit een hogere categorie, Detailhandel, Horeca of Wonen;
  12. nieuwbouw ten behoeve van de in dit artikel genoemde en bestaande kleinschalige functies of nevenactiviteiten waarbij de oppervlakte met ten hoogste 20% van de bestaande bebouwing in gebruik voor de functie, mag worden vergroot, tot een maximum van 250 m².
65.4.2 Beoordelingsregels afwijking     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 59.3.

Tabel 59.3

Passend op de locatie
de ontwikkeling kleinschalige functies zijn kleinschalig van omvang gelet op de oppervlakte die in gebruik wordt genomen ten opzichte van de totale bebouwde oppervlakte en/of de omvang van de werkzaamheden die nodig zijn om de activiteit uit te oefenen en/of de omvang van bezoekersaantallen en/of in relatie tot de andere functie waarvoor de gronden gebruikt mogen worden
de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied met dien verstande dat uitsluitend bedrijfsactiviteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met categorie 1 of 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan
de activiteit past in de Grootschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied
Passend bij omgevingsaspecten locatie
ondergrond de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit
geluid voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde
voor zover relevant is het bepaalde in Hoofdstuk 7 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren van toepassing
gezondheid en milieu de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen
er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen
er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico
activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla)
water er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit
er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling
verkeer de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd
er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein
er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking
aangrenzende percelen er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven
waarden er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden

indien sprake is van een paardenpension geldt specifiek dat ook wordt aangetoond dat er geen sprake is van negatieve effecten op Natura 2000
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden
beeldkwaliteit er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele'
landschappelijke inpassing verblijfsrecreatieve eenheden er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan
landschappelijke inpassing bij overige ontwikkelingen er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan
draagvlak er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving

65.4.3 Integraliteit     

In afwijking van de beoordelingsregels in lid 65.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief, na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt, waarbij sprake is van een voldoende mate van compensatie van de beoordelingsregels waaraan niet in voldoende mate wordt voldaan.

65.4.4 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

65.4.5 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 65.4.2 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 65.4.2 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

65.5 Functieverandering en bouwen met delegatie in de grootschalige polders     

65.5.1 Toelaatbare veranderingen     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor:

  1. het gebruik ten behoeve van Wonen op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij of Agrarisch - intensieve veehouderij is of – in samenhang met de toepassing van de afwijking – wordt beëindigd en een bedrijfswoning aanwezig is;
  2. het gebruik ten behoeve van Wonen op een locatie waar de bestaande functie Detailhandel, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit een hogere categorie of Horeca is of – in samenhang met de toepassing van de afwijking – wordt beëindigd en een bedrijfswoning aanwezig is;
  3. de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf mits:
    1. nieuwvestiging noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering; de agrarisch deskundige wordt hierover schriftelijk advies gevraagd;
    2. elders geen geschikt vrijkomend agrarische bouwblok voorhanden is;
    3. elders een agrarisch bouwblok wordt gesaneerd en overtollige bebouwing – met uitzondering van een aanwezige voormalige bedrijfswoning met vrijstaande bijbehorende bouwwerken – wordt gesloopt;
  4. het gebruik ten behoeve van Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - intensieve kwekerij, Bedrijf - agrarisch aanverwant, of Bedrijven uit een hogere categorie is, of wordt beëindigd;
  5. de realisering van duurzame initiatieven voor zonne-energie; bedoeld worden grootschalige initiatieven die de aanleg voor eigen gebruik overstijgen en waarvoor de volgende voorwaarden gelden:
    1. met een locatiestudie zijn verschillende locaties onderzocht en de meest geschikte locaties uit ruimtelijk oogpunt, gesteldheid van de ondergrond en/of energieopbrengst in beeld gebracht;
    2. realisering plaatsvindt op een van de aantoonbaar geschikte locaties;
    3. het ontwerp en de wijze van plaatsing van zonnepanelen sluit aan bij het landschap ter plaatse;
    4. indien mogelijk wordt er gebruik gemaakt van functiecombinaties en meervoudig ruimtegebruik;
  6. de nieuwvestiging van een functie Wonen indien:
    1. elders in de gemeente een functie Wonen wordt gesaneerd en de daarbij behorende bebouwing wordt gesloopt (één woning voor één woning); of
    2. elders in de gemeente bedrijfsbebouwing of kassen worden gesloopt, waarbij geldt:
      • de te slopen gebouwen zijn onbruikbaar of detonerend;
      • de te slopen gebouwen zijn niet aangemerkt als Karakteristiek pand;
      • ter compensatie van ten minste 500 m2 te slopen bedrijfsbebouwing of 0,5 ha kassen mag ten hoogste 1 nieuwe woning mogelijk worden gemaakt;
  7. de toevoeging van een functie Wonen aan een gebouw of een ensemble dat is aangemerkt als rijksmonument, Gemeentelijk monument of Karakteristiek pand mits de toevoeging van de woonfunctie leidt tot de versterking of het behoud van de monumentale of karakteristieke waarden;
  8. het gebruik van bestaande leegstaande gebouwen voor het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, waarbij geldt:
    1. het voorheen bestaande gebruik is of wordt beëindigd;
    2. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in het BRP;
    3. de voorziening dient te beschikken over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
    4. nieuwbouw is toegestaan tot een oppervlakte van 20% van de bestaande oppervlakte met een maximum van 250 m²;
  9. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

65.5.2 Overige toelaatbare veranderingen     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor:

  1. de bescherming van nieuwe natuur door na realisatie de functie Natuur toe te kennen;
  2. bescherming groene buffer Sloe door na realisatie functie Groen toe te kennen;
  3. het met enige regelmaat verwerken van verleende afwijkingen zoals bedoeld in lid 65.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in de grootschalige polders;
  4. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

65.5.3 Beoordelingsregels delegatie     

Voor een verandering als bedoeld in 65.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:

  1. ten minste voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 59.4 en;
  2. bij de veranderingen zoals bedoeld in lid 65.5.1 onder c tot en met h dient sprake te zijn van een aantoonbare kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Borsele, passend bij de Gebiedsbeschrijving; er is sprake van een kwaliteitsverbetering en meerwaarde voor het buitengebied van Borsele indien aan ten minste drie voorwaarden uit tabel 59.5 wordt voldaan:

Tabel 59.4

Passend op de locatie
de ontwikkeling de activiteit past naar de aard en omvang in het buitengebied
de activiteit past in de Grootschalige polders gelet op de Gebiedsbeschrijving van dat gebied
Passend bij omgevingsaspecten locatie
ondergrond de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit
geluid voor zover sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een nog vast te stellen hogere waarde
voor zover relevant is het bepaalde in Hoofdstuk 7 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren van toepassing
gezondheid en milieu de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen
er is geen sprake van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen of inrichtingen
er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico
activiteiten mogen er niet toe leiden dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magnetische velden van hoogspanningsverbindingen (veldsterkte (jaargemiddeld) hoger dan 0,4 microtesla)
water er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit
er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling
verkeer de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd
er is in voldoende mate sprake van parkeervoorzieningen op eigen terrein
er is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking
aangrenzende percelen er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven
waarden er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige archeologische waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuurwaarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige landschappelijke waarden
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden
beeldkwaliteit er is sprake van een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied zoals uitgewerkt in de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsnota Borsele'
landschappelijke inpassing er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan
draagvlak er wordt inzicht geboden in het draagvlak voor het initiatief in de omgeving

Tabel 59.5

Meerwaarde, in redelijke verhouding tot aard en omvang van de verandering
financieel-economische meerwaarde er is sprake van een versterking van de recreatieve potentie
maatschappelijke meerwaarde de activiteit maakt onderdeel uit van een netwerk van verbindingen en initiatieven
er is onderzoek gedaan naar de wijze waarop en de mate waarin het initiatief energieneutraal ontwikkeld zou kunnen worden en hier wordt in redelijkheid uitvoering aan gegeven
ruimtelijke meerwaarde detonerende bebouwing wordt gesaneerd
natuurwaarden worden versterkt en in stand gehouden
landschapswaarden worden versterkt en in stand gehouden
cultuurhistorische waarden worden versterkt
stilte en/of duisternis worden gerespecteerd
er is sprake van extra waterretentie en/of de waterkwaliteit wordt verbeterd

65.5.4 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

65.5.5 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 65.5.3 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 65.5.3 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Deze maatregel kan alleen worden getroffen voor zover daarmee ten minste hetzelfde doel wordt bereikt als met de betreffende beoordelingsregel.

Hoofdstuk 4 Voor het bouwen of de invulling van de functie geldt de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing, hiervoor gelden regels     

Artikel 66 Landschappelijke inpassing in De Poel (inclusief het heggengebied Nisse)     

66.1 Algemene regels voor goede landschappelijke inpassing     

Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:

  1. alvorens over te gaan tot realisatie van een landschappelijke inpassing wordt een inrichtings- of erfbeplantingsplan met beheervisie opgesteld; hierin wordt het eindbeeld van de beplantingen omschreven;
  2. het erfbeplantingsplan omvat een korte onderbouwing, is getekend op een goed leesbare schaal en bevat een lijst van de toe te passen soorten en een onderverdeling in aantallen of percentages (singelbeplantingen);
  3. het erfbeplantingsplan houdt rekening met de uit hoofde van nadere regelgeving verplichte beplantingsvrije stroken;
  4. de landschappelijke inpassing sluit aan op de kenmerken van het gebied; de kenmerken moeten intact blijven en waar mogelijk verder worden versterkt;
  5. met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  6. moderne erven verdienen in tegenstelling tot oude erven een meer eigentijdse benadering;
  7. de plaatselijke omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid van de specifieke regels;
  8. de beplantingen kunnen het karakter van de bedrijfsgebouwen accentueren en minder fraaie opstallen camoufleren;
  9. de aanplant van meidoorn binnen een afstand van 500 m van fruitboomgaarden wordt vanwege de kans op bacterievuur afgeraden;
  10. een erfbeplanting mag een doelmatige bedrijfsvoering niet in de weg staan; er vindt afstemming plaats tussen de wensen van de initiatiefnemer en het volume en de compositie van de beplanting;
  11. het uitgangspunt bij het opstellen van een erfbeplantingsplan is dat er een duidelijke samenhang bestaat in de terreinindeling tussen de beplanting en de bedrijfsgebouwen; de beplantingen mogen geen belemmering vormen voor de bouwmogelijkheden;
  12. er wordt rekening gehouden met reeds aanwezige beplantingselementen; voorwaarde is dat een evenwichtige inrichtingssituatie ontstaat;
  13. voor de kleinschalige kampeerterreinen gelden de aanvullende voorwaarden zoals vermeld in lid 66.4.

66.2 Kenmerken van het gebied     

De Poel is een grootschalig en open gebied. De (opgaande) erfbeplantingen spelen hier een belangrijke rol in het landschapsbeeld. In de randen komen de karakteristieke heggengebieden voor. Van oorsprong werd de zogenaamde Zeeuwse haag aangeplant op de perceelsgrenzen of langs slootjes en diende als veekering. Het vormt een losse (niet geschoren) haag en bestaat uit soorten die een dichte ondoordringbare begroeiing vormen. Vaak zitten hier doornen aan, zoals bijvoorbeeld aan de meidoorn.

Het meest verdichte deel vormt het gebied rondom Nisse, dat gekenmerkt wordt door meidoornheggen op de perceelsgrenzen. Hierdoor ontstaat een besloten beeld en zijn de erfbeplantingen iets minder beeldbepalend.

66.3 Specifieke regels voor goede landschappelijke inpassing     

De nadruk ligt op de toepassing van streekeigen elementen, omdat de traditionele, streekeigen erven een belangrijke landschappelijke karakteristiek vormen. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting (Zeeuwse haag) zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.

Regels:

  1. de inrichtingsmaatregelen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van bedrijfsgebouwen en afscherming van storende elementen (bijvoorbeeld voederopslag);
  2. door de openheid van het gebied kunnen bedrijfsgebouwen het landschapsbeeld gaan domineren; daarom is het wenselijk dat rondom de nieuwbouw een beplantingsstrook (Zeeuwse haag) wordt aangelegd (zie bijlage 2 Streekeigen beplantingen);
  3. afhankelijk van de mate van snoei, dient de strook van de Zeeuwse haag minimaal 2 à 3 m breed te zijn;
  4. de bedekking door de Zeeuwse haag moet minimaal zijn 3 zijden van het gebouw en 60% van de totale gevellengte (omtrek); het is van belang dat deze doorgaande beplanting als een geheel overkomt en niet versnipperd is; uiteraard dient een normale bedrijfsvoering mogelijk te zijn; om relaties vanaf het erf met het omliggende landschap te leggen kunnen in beperkte mate 'doorzichten' gemaakt worden;
  5. in het Poelgebied nabij het ganzenreservaat is een te hoge beplanting niet gewenst in verband met de vereiste openheid voor de ganzen; een Zeeuwse haag voldoet aan de eisen, omdat deze niet hoger wordt dan circa 4 m;
  6. aanvulling van de Zeeuwse haag met minimaal één van de volgende streekeigen beplantingselementen is noodzakelijk: drinkputten, knotbomen, kleine boomgroepen en solitaire bomen (zoals noten);
  7. elzen- of populierenschermen zijn uitgesloten;
  8. het beplantingssortiment moet bestaan uit inheemse of streekeigen soorten (zie bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen); erfafscheidingen moeten bestaan uit groenelementen; schuttingen, coniferen en dergelijke zijn niet toegestaan;
  9. voor de landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen geldt dat volstaan kan worden met een elzenhaag met een minimale eindhoogte van 3 tot 4 m; ook een Zeeuwse haag zonder doorns en stekels kan als landschappelijke inpassing worden gerealiseerd.

66.4 Aanvullende voorwaarden kleinschalige kampeerterreinen     

Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:

  1. naast de standplaatsen voor kampeermiddelen moeten ook de parkeervoorzieningen middels passende beplantingsvormen worden ingepast in het landschappelijk beeld;
  2. de beplantingsvormen worden afgestemd op de voor de Zak van Zuid-Beveland karakteristieke boerenerven; een sobere en bij de streek passende vormgeving is gewenst;
  3. aanvullend op de regels voor de erfbeplantingen moet één of meer van de volgende streekeigen elementen aan de terreininrichting worden toegevoegd:
    1. boomweiden/boomrijen/boomgroepen/solitaire bomen;
    2. boomgaard met hoogstamfruitbomen;
    3. vogelbosje (struweel);
    4. hagen;
    5. facultatief kunnen bijvoorbeeld ook drinkputten deel uitmaken van de inrichting;
  4. het beplantingsplan moet zijn uitgevoerd vooraleer de eerste kampeermiddelen worden geplaatst.

Artikel 67 Landschappelijke inpassing in Kleinschalige nieuwlandpolders     

67.1 Algemene regels voor goede landschappelijke inpassing     

Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:

  1. alvorens over te gaan tot realisatie van een landschappelijke inpassing wordt een inrichtings- of erfbeplantingsplan met beheervisie opgesteld; hierin wordt het eindbeeld van de beplantingen omschreven;
  2. het erfbeplantingsplan omvat een korte onderbouwing, is getekend op een goed leesbare schaal en bevat een lijst van de toe te passen soorten en een onderverdeling in aantallen of percentages (singelbeplantingen);
  3. het erfbeplantingsplan houdt rekening met de uit hoofde van nadere regelgeving verplichte beplantingsvrije stroken;
  4. de landschappelijke inpassing sluit aan op de kenmerken van het gebied; de kenmerken moeten intact blijven en waar mogelijk verder worden versterkt;
  5. met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  6. moderne erven verdienen in tegenstelling tot oude erven een meer eigentijdse benadering;
  7. de plaatselijke omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid van de specifieke regels;
  8. de beplantingen kunnen het karakter van de bedrijfsgebouwen accentueren en minder fraaie opstallen camoufleren;
  9. de aanplant van meidoorn binnen een afstand van 500 m van fruitboomgaarden wordt vanwege de kans op bacterievuur afgeraden;
  10. een erfbeplanting mag een doelmatige bedrijfsvoering niet in de weg staan; er vindt afstemming plaats tussen de wensen van de initiatiefnemer en het volume en de compositie van de beplanting;
  11. het uitgangspunt bij het opstellen van een erfbeplantingsplan is dat er een duidelijke samenhang bestaat in de terreinindeling tussen de beplanting en de bedrijfsgebouwen; de beplantingen mogen geen belemmering vormen voor de bouwmogelijkheden;
  12. er wordt rekening gehouden met reeds aanwezige beplantingselementen; voorwaarde is dat een evenwichtige inrichtingssituatie ontstaat;
  13. voor de kleinschalige kampeerterreinen gelden de aanvullende voorwaarden zoals vermeld in lid 67.4.

67.2 Kenmerken van het gebied     

De polders zijn vaak kleinschalig van opzet. De boerderijen komen op twee manieren voor: onderaan de dijk en midden in de polder, gelegen aan de polderweg. In de kleinste polders komt alleen de eerste variant voor. In de grotere polders waar sprake is van een (stelsel) van polderwegen komen beide varianten voor.

In het geval dat de boerderijen onder aan de dijk liggen speelt de erfbeplanting mee met de beplanting op de dijken. Midden in een polder is een erfbeplanting te beschouwen als een eiland in een ruimte die dikwijls door de omringende beplanting wordt gedomineerd.

Opvallend is de veelal ruime opzet van de erven. In dit gebied zijn niet alleen de hoog opgaande beplantingen bepalend voor het boerenerf.

Doordat in dit gebied de nadruk op de fruitteelt ligt, komen rondom het erf veel boomgaarden met laagstamfruit voor. De elzenhagen die het fruit omsluiten zijn zeer karakteristiek voor dit gebied. Af en toe wordt een boomgaard met hoogstamfruit aangetroffen, meestal dichtbij de woning. Naast de woning is ook vaak een huisweitje aanwezig. Knotbomen komen veelvuldig voor. Het betreft de traditionele, streekeigen erven van de Zak van Zuid-Beveland.

67.3 Specifieke regels voor goede landschappelijke inpassing     

De nadruk ligt op de toepassing van streekeigen elementen, omdat de traditionele, streekeigen erven een belangrijke landschappelijke karakteristiek vormen. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting (5 m brede singelbeplanting zonder boomvormers) zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.

Regels:

  1. de inrichtingsmaatregelen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van bedrijfsgebouwen en afscherming van storende elementen (bijvoorbeeld voederopslag);
  2. de beplantingsvormen kunnen gevarieerder; dit kan door een combinatie te kiezen tussen singelbeplantingen bestaande uit heesters en andere, streekeigen beplantingselementen (zie bijlage Streekeigen beplantingen); aanvulling van de singelbeplanting met minimaal één van de volgende streekeigen beplantingselementen is noodzakelijk: boomweiden, boomgroepen, boomgaarden met hoogstamfruit en vogelbosjes; de vrijwillige keuze voor leilinden, lage hagen, knotbomen of drinkputten kan het erf verder verrijken;
  3. singelbeplantingen moeten minimaal 5 m breed zijn;
  4. de bedekking door de singelbeplanting moet minimaal zijn 3 zijden van het gebouw en 60% van de totale gevellengte (omtrek); het is van belang dat deze doorgaande beplanting als een geheel overkomt en niet versnipperd is; uiteraard dient een normale bedrijfsvoering mogelijk te zijn; om relaties vanaf het erf met het omliggende landschap te leggen kunnen enkele 'doorzichten' gemaakt worden;
  5. het beplantingssortiment moet bestaan uit inheemse of streekeigen soorten (zie bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen); erfafscheidingen moeten bestaan uit groenelementen; schuttingen, coniferen en dergelijke zijn niet toegestaan;
  6. voor de landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen geldt dat volstaan kan worden met een elzenhaag met een minimale eindhoogte van 3 tot 4 m; ook een Zeeuwse haag zonder doorns en stekels kan als landschappelijke inpassing worden gerealiseerd.

67.4 Aanvullende voorwaarden kleinschalige kampeerterreinen     

Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:

  1. naast de standplaatsen voor kampeermiddelen moeten ook de parkeervoorzieningen middels passende beplantingsvormen worden ingepast in het landschappelijk beeld;
  2. de beplantingsvormen worden afgestemd op de voor de Zak van Zuid-Beveland karakteristieke boerenerven; een sobere en bij de streek passende vormgeving is gewenst;
  3. aanvullend op de regels voor de erfbeplantingen moet één of meer van de volgende streekeigen elementen aan de terreininrichting worden toegevoegd:
    1. boomweiden/boomrijen/boomgroepen/solitaire bomen;
    2. boomgaard met hoogstamfruitbomen;
    3. vogelbosje (struweel);
    4. hagen;
    5. facultatief kunnen bijvoorbeeld ook drinkputten deel uitmaken van de inrichting;
  4. het beplantingsplan moet zijn uitgevoerd vooraleer de eerste kampeermiddelen worden geplaatst.

Artikel 68 Landschappelijke inpassing in de Herverkavelde oudlandpolders     

68.1 Algemene regels voor goede landschappelijke inpassing     

Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:

  1. alvorens over te gaan tot realisatie van een landschappelijke inpassing wordt een inrichtings- of erfbeplantingsplan met beheervisie opgesteld; hierin wordt het eindbeeld van de beplantingen omschreven;
  2. het erfbeplantingsplan omvat een korte onderbouwing, is getekend op een goed leesbare schaal en bevat een lijst van de toe te passen soorten en een onderverdeling in aantallen of percentages (singelbeplantingen);
  3. het erfbeplantingsplan houdt rekening met de uit hoofde van nadere regelgeving verplichte beplantingsvrije stroken;
  4. de landschappelijke inpassing sluit aan op de kenmerken van het gebied; de kenmerken moeten intact blijven en waar mogelijk verder worden versterkt;
  5. met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  6. moderne erven verdienen in tegenstelling tot oude erven een meer eigentijdse benadering;
  7. de plaatselijke omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid van de specifieke regels;
  8. de beplantingen kunnen het karakter van de bedrijfsgebouwen accentueren en minder fraaie opstallen camoufleren;
  9. de aanplant van meidoorn binnen een afstand van 500 m van fruitboomgaarden wordt vanwege de kans op bacterievuur afgeraden;
  10. een erfbeplanting mag een doelmatige bedrijfsvoering niet in de weg staan; er vindt afstemming plaats tussen de wensen van de initiatiefnemer en het volume en de compositie van de beplanting;
  11. het uitgangspunt bij het opstellen van een erfbeplantingsplan is dat er een duidelijke samenhang bestaat in de terreinindeling tussen de beplanting en de bedrijfsgebouwen; de beplantingen mogen geen belemmering vormen voor de bouwmogelijkheden;
  12. er wordt rekening gehouden met reeds aanwezige beplantingselementen; voorwaarde is dat een evenwichtige inrichtingssituatie ontstaat;
  13. voor de kleinschalige kampeerterreinen gelden de aanvullende voorwaarden zoals vermeld in lid 68.4.

68.2 Kenmerken van het gebied     

Qua openheid neemt dit gebied een positie in tussen de open grootschalige polders en de kleinschalige, besloten polders. Het gebied rondom Ellewoutsdijk maakt de meest open en grootschalige indruk.

De hoofdstructuur van het landschap wordt bepaald door de wegbeplantingen. Het gaat hier om boomsingels met een onderbeplanting, waarbij de bomen vaak in een onregelmatig plantverband staan. Bij Baarland en Hoedekenskerke is het landschap fijnmazig gestructureerd door dijken. Richting Oudelande en Ellewoutsdijk krijgt het landschap een meer open en grootschalig karakter.

Ruimtelijk vormen de erfbeplantingen een belangrijke aanvulling op de landschappelijke opbouw. De erven komen meestal voor langs de beplante polderwegen. In de buurt van de dorpen wordt de concentratie hoger. De erven in dit gebied zijn over het algemeen vrij bescheiden van opzet. De variatie aan beplantingen en beplantingsvormen is in deze gebieden gering. De samenstelling is eenzijdiger. Iep, es en populier komen veelvuldig in de beplantingen voor.

68.3 Specifieke regels voor goede landschappelijke inpassing     

In de Herverkavelde Oudlandpolders kan een keuze worden gemaakt uit een singelbeplanting met heesters (minimaal 5 m breed), in combinatie met één streekeigen beplantingselement, of een singelbeplanting met bomen en heesters (minimaal 10 m breed)

De nadruk ligt in de omgeving van Hoedekenskerke en Baarland op de toepassing van streekeigen elementen. De traditionele, streekeigen erven vormen een belangrijke landschappelijke karakteristiek. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting (singelbeplanting met heesters) zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.

Het gebied in de richting van Oudelande en Ellewoutsdijk heeft een meer open karakter. Een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting is wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.

Regels:

  1. de inrichtingsmaatregelen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van bedrijfsgebouwen en afscherming van storende elementen (bijvoorbeeld voederopslag);
  2. de beplantingsvormen kunnen gevarieerder; dit kan door een combinatie te kiezen tussen singelbeplantingen bestaande uit heesters en andere, streekeigen beplantingselementen (zie bijlage 2 Streekeigen beplantingen); aanvulling van de singelbeplanting met minimaal één van de volgende streekeigen beplantingselementen is noodzakelijk: boomweiden, boomgroepen, boomgaarden met hoogstamfruit en vogelbosjes; de vrijwillige keuze voor leilinden, lage hagen, knotbomen of drinkputten kan het erf verder verrijken;
  3. singelbeplantingen moeten minimaal 5 m breed zijn;
  4. de bedekking door de singelbeplanting moet minimaal zijn 3 zijden van het gebouw en 60% van de totale gevellengte (omtrek); het is van belang dat deze doorgaande beplanting als een geheel overkomt en niet versnipperd is; uiteraard dient een normale bedrijfsvoering mogelijk te zijn, om relaties vanaf het erf met het omliggende landschap te leggen kunnen enkele 'doorzichten' gemaakt worden;
  5. meer variatie in de soortensamenstelling, dan in de huidige situatie, is wenselijk, mede omdat de iep uit het sortiment verdwijnt dienen vervangende soorten toegevoegd te worden;
  6. het beplantingssortiment moet bestaan uit inheemse of streekeigen soorten (zie bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen); erfafscheidingen moeten bestaan uit groenelementen; schuttingen, coniferen en dergelijke zijn niet toegestaan;
  7. voor de landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen geldt dat volstaan kan worden met een elzenhaag met een minimale eindhoogte van 3 tot 4 m; ook een Zeeuwse haag zonder doorns en stekels kan als landschappelijke inpassing worden gerealiseerd.

68.4 Aanvullende voorwaarden kleinschalige kampeerterreinen     

Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:

  1. naast de standplaatsen voor kampeermiddelen moeten ook de parkeervoorzieningen middels passende beplantingsvormen worden ingepast in het landschappelijk beeld;
  2. de beplantingsvormen worden afgestemd op de voor de Zak van Zuid-Beveland karakteristieke boerenerven; een sobere en bij de streek passende vormgeving is gewenst;
  3. aanvullend op de regels voor de erfbeplantingen moet één of meer van de volgende streekeigen elementen aan de terreininrichting worden toegevoegd:
    1. boomweiden/boomrijen/boomgroepen/solitaire bomen;
    2. boomgaard met hoogstamfruitbomen;
    3. vogelbosje (struweel);
    4. hagen;
    5. facultatief kunnen bijvoorbeeld ook drinkputten deel uitmaken van de inrichting;
  4. het beplantingsplan moet zijn uitgevoerd vooraleer de eerste kampeermiddelen worden geplaatst.

Artikel 69 Landschappelijke inpassing in de Kraaijertpolder en omgeving     

69.1 Algemene regels voor goede landschappelijke inpassing     

Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:

  1. alvorens over te gaan tot realisatie van een landschappelijke inpassing wordt een inrichtings- of erfbeplantingsplan met beheervisie opgesteld; hierin wordt het eindbeeld van de beplantingen omschreven;
  2. het erfbeplantingsplan omvat een korte onderbouwing, is getekend op een goed leesbare schaal en bevat een lijst van de toe te passen soorten en een onderverdeling in aantallen of percentages (singelbeplantingen);
  3. het erfbeplantingsplan houdt rekening met de uit hoofde van nadere regelgeving verplichte beplantingsvrije stroken;
  4. de landschappelijke inpassing sluit aan op de kenmerken van het gebied; de kenmerken moeten intact blijven en waar mogelijk verder worden versterkt;
  5. met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  6. moderne erven verdienen in tegenstelling tot oude erven een meer eigentijdse benadering;
  7. de plaatselijke omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid van de specifieke regels;
  8. de beplantingen kunnen het karakter van de bedrijfsgebouwen accentueren en minder fraaie opstallen camoufleren;
  9. de aanplant van meidoorn binnen een afstand van 500 m van fruitboomgaarden wordt vanwege de kans op bacterievuur afgeraden;
  10. een erfbeplanting mag een doelmatige bedrijfsvoering niet in de weg staan; er vindt afstemming plaats tussen de wensen van de initiatiefnemer en het volume en de compositie van de beplanting;
  11. het uitgangspunt bij het opstellen van een erfbeplantingsplan is dat er een duidelijke samenhang bestaat in de terreinindeling tussen de beplanting en de bedrijfsgebouwen; de beplantingen mogen geen belemmering vormen voor de bouwmogelijkheden;
  12. er wordt rekening gehouden met reeds aanwezige beplantingselementen; voorwaarde is dat een evenwichtige inrichtingssituatie ontstaat;
  13. voor de kleinschalige kampeerterreinen gelden de aanvullende voorwaarden zoals vermeld in lid 69.4.

69.2 Kenmerken van het gebied     

De grootschalige polders hebben een minder luisterrijke uitstraling in vergelijking met andere delen van de gemeente. Het gebied is open en efficiënt ingedeeld. De polders zijn grootschalig en de dijken dikwijls onbeplant, evenals de bermen van de meeste polderwegen. De nabijheid van het Sloegebied versterkt het industriële karakter van het gebied.

De erfbeplantingen zijn over het algemeen beperkt van opzet en weinig gevarieerd in beplantingsvormen en soortensamenstelling. De erven komen voor onder aan de dijk of midden in de polder aan een weg. Door de openheid van het gebied vervullen de erfbeplantingen een belangrijke rol in het landschappelijke beeld. De erfbeplantingen zijn hier op een aantal plaatsen de enige opgaande elementen. De erfbeplantingen van de Kraaijertpolder en omgeving kenmerken zich in het algemeen door weinig variatie in beplantingsvormen en soortensamenstelling.

69.3 Specifieke regels voor goede landschappelijke inpassing     

Gelet op het open, grootschalige karakter van de Kraaijertpolders is een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.

Regels:

  1. de inrichtingsmaatregelen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van bedrijfsgebouwen en afscherming van storende elementen (bijvoorbeeld voederopslag);
  2. gezien de openheid van het gebied is een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting wenselijk; de sobere beplantingsvormen van het gebied vormen een karakteristiek; andere streekeigen beplantingselementen (zie bijlage 2 Streekeigen beplantingen) kunnen meer terughoudend worden toegepast;
  3. singelbeplantingen bestaande uit bomen en heesters moeten minimaal 10 m breed zijn;
  4. de bedekking door de singelbeplanting moet minimaal zijn 3 zijden van het gebouw en 60% van de totale gevellengte (omtrek); het is van belang dat deze doorgaande beplanting als een geheel overkomt en niet versnipperd is; uiteraard dient een normale bedrijfsvoering mogelijk te zijn; om relaties vanaf het erf met het omliggende landschap te leggen kunnen enkele 'doorzichten' gemaakt worden;
  5. meer variatie in de soortensamenstelling, dan in de huidige situatie, is wenselijk, mede omdat de iep uit het sortiment verdwijnt dienen vervangende soorten toegevoegd te worden;
  6. het beplantingssortiment moet bestaan uit inheemse of streekeigen soorten (zie bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen); erfafscheidingen moeten bestaan uit groenelementen; schuttingen, coniferen en dergelijke zijn niet toegestaan;
  7. voor de landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen geldt dat volstaan kan worden met een elzenhaag met een minimale eindhoogte van 3 tot 4 m; ook een Zeeuwse haag zonder doorns en stekels kan als landschappelijke inpassing worden gerealiseerd.

69.4 Aanvullende voorwaarden kleinschalige kampeerterreinen     

Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:

  1. naast de standplaatsen voor kampeermiddelen moeten ook de parkeervoorzieningen middels passende beplantingsvormen worden ingepast in het landschappelijk beeld;
  2. de beplantingsvormen worden afgestemd op de voor de Zak van Zuid-Beveland karakteristieke boerenerven; een sobere en bij de streek passende vormgeving is gewenst;
  3. aanvullend op de regels voor de erfbeplantingen moet één of meer van de volgende streekeigen elementen aan de terreininrichting worden toegevoegd:
    1. boomweiden/boomrijen/boomgroepen/solitaire bomen;
    2. boomgaard met hoogstamfruitbomen;
    3. vogelbosje (struweel);
    4. hagen;
    5. facultatief kunnen bijvoorbeeld ook drinkputten deel uitmaken van de inrichting;
  4. het beplantingsplan moet zijn uitgevoerd vooraleer de eerste kampeermiddelen worden geplaatst.

Artikel 70 Landschappelijke inpassing in de Borsselepolder en omgeving     

70.1 Algemene regels voor goede landschappelijke inpassing     

Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:

  1. alvorens over te gaan tot realisatie van een landschappelijke inpassing wordt een inrichtings- of erfbeplantingsplan met beheervisie opgesteld; hierin wordt het eindbeeld van de beplantingen omschreven;
  2. het erfbeplantingsplan omvat een korte onderbouwing, is getekend op een goed leesbare schaal en bevat een lijst van de toe te passen soorten en een onderverdeling in aantallen of percentages (singelbeplantingen);
  3. het erfbeplantingsplan houdt rekening met de uit hoofde van nadere regelgeving verplichte beplantingsvrije stroken;
  4. de landschappelijke inpassing sluit aan op de kenmerken van het gebied; de kenmerken moeten intact blijven en waar mogelijk verder worden versterkt;
  5. met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  6. moderne erven verdienen in tegenstelling tot oude erven een meer eigentijdse benadering;
  7. de plaatselijke omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid van de specifieke regels;
  8. de beplantingen kunnen het karakter van de bedrijfsgebouwen accentueren en minder fraaie opstallen camoufleren;
  9. de aanplant van meidoorn binnen een afstand van 500 m van fruitboomgaarden wordt vanwege de kans op bacterievuur afgeraden;
  10. een erfbeplanting mag een doelmatige bedrijfsvoering niet in de weg staan; er vindt afstemming plaats tussen de wensen van de initiatiefnemer en het volume en de compositie van de beplanting;
  11. het uitgangspunt bij het opstellen van een erfbeplantingsplan is dat er een duidelijke samenhang bestaat in de terreinindeling tussen de beplanting en de bedrijfsgebouwen; de beplantingen mogen geen belemmering vormen voor de bouwmogelijkheden;
  12. er wordt rekening gehouden met reeds aanwezige beplantingselementen; voorwaarde is dat een evenwichtige inrichtingssituatie ontstaat;
  13. voor de kleinschalige kampeerterreinen gelden de aanvullende voorwaarden zoals vermeld in lid 70.4.

70.2 Kenmerken van het gebied     

De polder kenmerkt zich door een grootschalige opzet met, in dit geval, een vierkante wegenstructuur. Het industriegebied vormt een belangrijke beeldbepalende factor. De hoge Westerscheldedijk vormt een ander dominant gegeven.

De polderwegen zijn momenteel onbeplant. De erven liggen langs de wegen, waarbij op een gedeelte van de Monsterweg sprake is van lintbebouwing. Langs de andere wegen vormen de erven eilanden in de grootschalige open ruimte. De variatie in beplantingsvormen en soortensamenstelling is in de Borsselepolder niet groot.

70.3 Specifieke regels voor goede landschappelijke inpassing     

Gelet op het open, grootschalige karakter van de Borsselepolder is een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m breed benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.

Regels:

  1. de inrichtingsmaatregelen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van bedrijfsgebouwen en afscherming van storende elementen (bijvoorbeeld voederopslag);
  2. het is van belang dat de structuur van de erven met een stevige singelbeplanting, gesitueerd aan polderwegen, wordt hersteld; de sobere beplantingsvormen van het gebied vormen een karakteristiek en moeten worden gehandhaafd. Andere streekeigen (beplantings)elementen (zie bijlage 2 Streekeigen beplantingen) kunnen meer terughoudend worden toegepast;
  3. singelbeplantingen bestaande uit bomen en heesters moeten minimaal 10 m breed zijn;
  4. de bedekking door de singelbeplanting moet minimaal zijn 3 zijden van het gebouw en 60% van de totale gevellengte (omtrek); het is van belang dat deze doorgaande beplanting als een geheel overkomt en niet versnipperd is; uiteraard dient een normale bedrijfsvoering mogelijk te zijn; om relaties vanaf het erf met het omliggende landschap te leggen kunnen enkele 'doorzichten' gemaakt worden;
  5. meer variatie in de soortensamenstelling, dan in de huidige situatie, is wenselijk, mede omdat de iep uit het sortiment verdwijnt dienen vervangende soorten toegevoegd te worden;
  6. het beplantingssortiment moet bestaan uit inheemse of streekeigen soorten (zie bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen); erfafscheidingen moeten bestaan uit groenelementen; schuttingen, coniferen en dergelijke zijn niet toegestaan;
  7. voor de landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen geldt dat volstaan kan worden met een elzenhaag met een minimale eindhoogte van 3 tot 4 m; ook een Zeeuwse haag zonder doorns en stekels kan als landschappelijke inpassing worden gerealiseerd.

70.4 Aanvullende voorwaarden kleinschalige kampeerterreinen     

Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:

  1. naast de standplaatsen voor kampeermiddelen moeten ook de parkeervoorzieningen middels passende beplantingsvormen worden ingepast in het landschappelijk beeld;
  2. de beplantingsvormen worden afgestemd op de voor de Zak van Zuid-Beveland karakteristieke boerenerven; een sobere en bij de streek passende vormgeving is gewenst;
  3. aanvullend op de regels voor de erfbeplantingen moet één of meer van de volgende streekeigen elementen aan de terreininrichting worden toegevoegd:
    1. boomweiden/boomrijen/boomgroepen/solitaire bomen;
    2. boomgaard met hoogstamfruitbomen;
    3. vogelbosje (struweel);
    4. hagen;
    5. facultatief kunnen bijvoorbeeld ook drinkputten deel uitmaken van de inrichting;
  4. het beplantingsplan moet zijn uitgevoerd vooraleer de eerste kampeermiddelen worden geplaatst.

Artikel 71 Aanpassing regels landschappelijke inpassing     

De raad heeft aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gedelegeerd om een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:

  1. de regels voor landschappelijke inpassing zoals opgenomen in de artikelen 66, 67, 68, 69 en/of 70 aan te passen;
  2. de begrenzing van de deelgebieden zoals genoemd in de artikelen 66, 67, 68, 69 en/of 70 aan te passen;

met dien verstande dat daarbij sprake moet blijven van een goede regeling voor landschappelijke inpassing die aansluit bij de landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken van deelgebieden.

Hoofdstuk 5 Welke regels gelden er voor de houtopstanden op deze locatie     

Artikel 72 Regels voor beschermwaardige bomen     

72.1 Kappen van beschermwaardige bomen     

Het is verboden de houtopstanden die aangemerkt zijn op de lijst van beschermwaardige bomen te vellen of te doen vellen. Het verbod geldt niet voor bomen die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een Aanwijzing of last bij iepenziekte van het college van burgemeester en wethouders.

72.2 Beoordelingsregels     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  1. de natuurwaarde van de houtopstand en/of;
  2. de landschappelijke waarde van de houtopstand en/of;
  3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon (versterking landschapsstructuur, inpassing bebouwing, oriëntatie, waarde voor leefbaarheid);
  4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand en/of;
  5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand en/of;
  6. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

72.3 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven, gericht op herplant.

72.4 Aanwijzen van beschermwaardige bomen     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bomen aan te wijzen als beschermwaardige boom en deze toe te voegen aan de lijst beschermwaardige bomen of te verwijderen van de lijst beschermwaardige bomen.

72.5 Aanwijzing of last bij iepenziekte     

Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor de verspreiding van de iepziekte of de vermeerdering van iepenspintkevers is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college van burgemeester en wethouders is aangeschreven verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

  1. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
  2. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;
  3. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

Hoofdstuk 6 Mag ik op deze locatie afvalstoffen verbranden     

Artikel 73 Afvalstoffen verbranden     

Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:

  1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
  2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;
  3. vuur voor koken, bakken en braden voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

73.1 Beoordelingsregels     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend voor het zich ontdoen van bepaalde afvalstoffen door deze buiten de inrichting te verbranden met dien verstande dat:

  1. de omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit kan worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna;
  2. omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit uitsluitend wordt verleend indien de afwijking in overeenstemming is met de Beleidsregels ontheffing stookverbod.

Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit kan het volgende aanvraagformulier worden gebruikt.

Hoofdstuk 7 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren     

Artikel 74 Handhaven bestaande geluidskwaliteit     

74.1 Geluidsnormen     

Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) ten gevolge van inrichtingen die in dit gebied zijn gelegen geldt dat de niveaus op de gevel van geluidsgevoelige functies of wanneer er geen woning binnen 50 m staat, dan geldt de afstand van 50 m vanaf de grens van de inrichting, binnen de in tabel 68.1 genoemde dagdelen niet meer mag bedragen dan de aangegeven richtwaarden.

Tabel 68.1: Richt- en grenswaarden (handhaving bestaande geluidskwaliteit)

In afwijking van de volgende regelgeving Referentieniveau Beleid voor bedrijven Richtwaarde
(etmaalwaarde)
Grenswaarde
(etmaalwaarde)
Handreiking industrielawaai en
vergunningverlening
<40 dB(A) Afwijking mogelijk tot maximaal de
wettelijke waarde
Dag: 40
Avond: 35
Nacht: 30
Dag: 45
Avond: 40
Nacht: 35
Activiteitenbesluit milieubeheer <40 dB(A) Afwijking mogelijk tot maximaal de
wettelijke waarde
Dag: 45
Avond: 40
Nacht: 35
Dag: 50
Avond: 45
Nacht: 40

74.2 Afwijken van de geluidsnormen     

Omgevingsvergunning om van de richtwaarde af te wijken tot maximaal de grenswaarde kan door burgemeester en wethouders worden verleend indien:

  1. toepassing wordt gegeven en gebruik wordt gemaakt van de Best Beschikbare Technieken;
  2. indien het bestaan van de in sub a genoemde Best Beschikbare Technieken niet door de ondernemer kan worden aangetoond kan de betreffende afwijking worden aangevraagd na voldoende oordeel van burgemeester en wethouders.
  3. aan de afwijking kunnen maatwerkvoorschriften worden verbonden overeenkomstig de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

74.3 Anti-hagelgeneratoren     

De bepalingen zoals opgenomen in lid 74.1 zijn niet van toepassing op anti-hagelgeneratoren.

74.4 Toezichthouders     

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen.

74.5 Afwijken bij onbillijkheid, hardheidsclausule     

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bepalingen in dit artikel, indien naar hun oordeel een strikte toepassing daarvan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepaling(en) te dienen doelen, dan wel zou leiden tot onbillijkheden van zwaarwegende aard.

Artikel 75 Aanwijzing van geluidszones     

75.1 Delegatiebevoegdheid om zones aan te passen     

De raad heeft aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gedelegeerd om een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:

  1. een of meerdere zones aan te wijzen of de zone 'Handhaven bestaande geluidskwaliteit' te wijzigen waarin geluidsnormen gelden voor inrichtingen die zijn gelegen in de aangewezen zones en die afwijken van de geluidsnormen gesteld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening;
  2. een of meerdere zones aan te wijzen of de zone 'Handhaven bestaande geluidskwaliteit' te wijzigen waarin geluidsnormen gelden voor inrichtingen die zijn gelegen in de aangewezen zones en die afwijken van de geluidsnormen gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Hoofdstuk 8 Deze locatie bevindt zich in archeologisch waardevol gebied, hiervoor gelden regels     

Artikel 76 Waarde - Archeologie 1     

76.1 Bouwen     

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:

  1. de archeologische verwachtingswaarden:
    1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  2. ten behoeve van de samenvallende functie, indien:
    1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden niet nodig is, of;
    2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen;
    4. het bepaalde in dit lid onder 2 en 3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
      • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
      • de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 50 m²;
      • de bodem wordt tot maximaal 40 cm onder maaiveld geroerd.

76.2 Werken en werkzaamheden     

76.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  2. het planten of verwijderen van houtgewas, niet zijnde fruit- en boomgaarden;
  3. het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  5. het aanleggen van drainage;
  6. het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  7. het uitvoeren van overige grondbewerkingen.

76.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 76.1 in acht is genomen;
  2. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan;
  3. werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  4. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 50 m² of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

76.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:

  1. aan de hand van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen.

76.4 Kwaliteitseisen archeologisch rapport     

Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

76.5 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 77 Waarde - Archeologie 2     

77.1 Bouwen     

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:

  1. de archeologische verwachtingswaarden:
    1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  2. ten behoeve van de samenvallende functie, indien:
    1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden niet nodig is, of;
    2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen;
    4. het bepaalde in dit lid onder 2 en 3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
      • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
      • de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 250 m²;
      • de bodem wordt tot maximaal 40 cm onder maaiveld geroerd.

77.2 Werken en werkzaamheden     

77.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  2. het planten of verwijderen van houtgewas, niet zijnde fruit- en boomgaarden;
  3. het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  5. het aanleggen van drainage;
  6. het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  7. het uitvoeren van overige grondbewerkingen.

77.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 77.1 in acht is genomen;
  2. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan;
  3. werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  4. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 250 m² of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

77.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:

  1. aan de hand van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen.

77.4 Kwaliteitseisen archeologisch rapport     

Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

77.5 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 78 Waarde - Archeologie 3     

78.1 Bouwen     

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:

  1. de archeologische verwachtingswaarden:
    1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  2. ten behoeve van de samenvallende functie, indien:
    1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden niet nodig is, of;
    2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen;
    4. het bepaalde in dit lid onder 2 en 3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
      • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
      • de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 500 m²;
      • de bodem wordt tot maximaal 40 cm onder maaiveld geroerd.

78.2 Werken en werkzaamheden     

78.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  2. het planten of verwijderen van houtgewas, niet zijnde fruit- en boomgaarden;
  3. het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  5. het aanleggen van drainage;
  6. het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  7. het uitvoeren van overige grondbewerkingen.

78.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 78.1 in acht is genomen;
  2. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan;
  3. werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  4. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 500 m² of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

78.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:

  1. aan de hand van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen.

78.4 Kwaliteitseisen archeologisch rapport     

Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

78.5 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 79 Waarde - Archeologie 4     

79.1 Bouwen     

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:

  1. de archeologische verwachtingswaarden:
    1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  2. ten behoeve van de samenvallende functie, indien:
    1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden niet nodig is, of;
    2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen;
    4. het bepaalde in dit lid onder 2 en 3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
      • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
      • de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 2.500 m².

79.2 Werken en werkzaamheden     

79.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ontginnen, bodem verlagen, bodem ophogen, afgraven, egaliseren of baggeren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  2. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  4. het uitvoeren van overige grondbewerkingen.

79.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 79.1 in acht is genomen;
  2. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan;
  3. werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  4. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 2.500 m².

79.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:

  1. aan de hand van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen.

79.4 Kwaliteitseisen archeologisch rapport     

Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

79.5 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 80 Waarde - Archeologie 5     

80.1 Werken en werkzaamheden     

80.1.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden ten behoeve van de functie Leiding - Hoogspanning 2 uit te voeren:

  1. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
  2. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies installaties en apparatuur.

80.1.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  2. reeds in uitvoering zijn, overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; of
  3. de uitvoering betreffen van archeologisch onderzoek.

80.2 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien mede op basis van archeologisch onderzoek met betrekking tot scheepswrakken is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

Artikel 81 Delegatiebevoegdheid om archeologische verwachtingswaarden aan te passen     

De raad heeft aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gedelegeerd om een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:

  1. de begrenzing van Waarde - Archeologie 1, Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3 en/of Waarde - Archeologie 4 aan te passen en/of te laten vervallen naar aanleiding van de resultaten van archeologisch onderzoek;
  2. de begrenzing van Waarde - Archeologie 5 naar omvang te verkleinen of in voorkomend geval uit het plan te verwijderen voor zover:
    1. daartoe een verzoek is ontvangen van het minister van Economische Zaken; en
    2. uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; en
    3. het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het plan voorziet in de bescherming van archeologische waarden.

Hoofdstuk 9 Op deze locatie is sprake van cultuurhistorische waarden, hiervoor gelden regels     

Artikel 82 Vrijwaringszone - Molenbiotoop 1     

82.1 Bouwen     

Op deze gronden gelden bij de bouw van enig bouwwerk de volgende hoogteregels:

  1. binnen 100 m vanaf de molen mag geen bebouwing, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek worden opgericht;
  2. tussen de 100 en de 400 m vanaf de molen geldt ten aanzien van de maximale bouwhoogte de volgende regel:
    1. maximale bouwhoogte = (0,013 x afstand tot molen) + (0,2 x askophoogte van molen);
    2. waarbij alle maten in meters worden uitgedrukt;
    3. de hoogte van het geplande bouwwerk en de askophoogte beide dienen te worden bepaald ten opzichte van hetzelfde peil.

82.2 Werken en werkzaamheden     

82.2.1 Verbod     

Het is verboden om binnen 100 m vanaf de molen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het beplanten met bomen, heesters en andere hoog opgaande beplanting;
  2. ophogen van gronden.

82.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

82.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregels     

Omgevingsvergunning om van de hoogteregels in 82.1 en/of het gestelde verbod in 82.2.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:

  1. geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de molen als werktuig en als beeldbepalend element;
  2. bij de voorbereiding van de afwijking wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent de mogelijke gevolgen voor de windvang van de molen en de waarde van de molen als landschapsbepalend element.

Artikel 83 Vrijwaringszone - Molenbiotoop 2     

83.1 Bouwen     

Op deze gronden gelden bij de bouw van enig bouwwerk de volgende hoogteregels:

  1. binnen 300 m vanaf de molen mag geen bebouwing, hoger dan de stelling van de molen worden opgericht;
  2. tussen de 300 en de 500 m vanaf de molen geldt ten aanzien van de maximale bouwhoogte de volgende regel:
    1. maximale bouwhoogte = 8 + (afstand tot molen - 300)/100;
    2. waarbij alle maten in meters worden uitgedrukt;
    3. de hoogte van het geplande bouwwerk en de stelling beide dienen te worden bepaald ten opzichte van hetzelfde peil.

83.2 Werken en werkzaamheden     

83.2.1 Verbod     

Het is verboden om binnen 100 m vanaf de molen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het beplanten met bomen, heesters en andere hoog opgaande beplanting;
  2. ophogen van gronden.

83.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

83.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregels     

Omgevingsvergunning om van de hoogteregels in 83.1 en/of het gestelde verbod in 83.2.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien:

  1. geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de molen als werktuig en als beeldbepalend element;
  2. bij de voorbereiding van de afwijking wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent de mogelijke gevolgen voor de windvang van de molen en de waarde van de molen als landschapsbepalend element.

Artikel 84 Gemeentelijk monument     

84.1 Aanwijzen van een gemeentelijk monument     

  1. bevoegdheid om gemeentelijke monumenten aan te wijzen, voor bescherming, toetsing en advies bij aanwijzing, wijziging van een aanwijzing;
  2. bescherming van een gemeentelijk monument.

(invulling nog pm)

Artikel 85 Karakteristiek pand     

85.1 Bescherming van karakteristieke panden     

Bij de toepassing van het bepaalde in Hoofdstuk 2 Wat mag ik op deze locatie bouwen (bouwregels) gelden de volgende bepalingen:

  1. de regels overeenkomstig paragaaf 10.1.1 van de 'Beeldkwaliteitsnota';
  2. nadere uitwerking nog pm.

85.2 Slopen     

85.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het slopen van de bouwwerken.

85.2.2 Utzondering van het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. van geringe omvang zijn dan wel het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

85.2.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod in 85.2.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan door het bevoegd gezag worden verleend, indien:

  1. de ruimtelijke en visuele karakteristiek van de gronden en de gebouwde omgeving niet in onevenredige mate worden aangetast dan wel in redelijkheid behoud van het object gelet op de staat waarin het object verkeert niet kan worden verlangd/regels overeenkomstig paragraaf 10.1.1 van de Beeldkwalitetisnota'/nadere uitwerking pm.

Artikel 86 Rijksmonumenten en overige cultuurhistorische elementen     

(vliedbergen, sluizen pm)

86.1 Rijksmonumenten     

Bij de beoordeling van aanvragen voor rijksmonumenten wordt het bepaalde in paragraaf 10.1.7 van de Beeldkwaliteitsnota in acht genomen.

86.2 Werken en werkzaamheden     

86.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen;
  2. het ophogen van gronden.

86.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. van geringe omvang zijn dan wel het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

86.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod in 86.2 af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan door het bevoegd gezag worden verleend, indien:

  1. de aanwezige cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden niet significant worden aangetast;
  2. de oppervlakte van gronden die als waardevol zijn aangemerkt niet significant vermindert;
  3. er geen significante aantasting van de samenhang tussen gronden en elementen plaatsvindt.

Hoofdstuk 10 Op deze locatie is sprake van natuur- en landschapswaarden, hiervoor gelden regels     

Artikel 87 Waarde - Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied     

87.1 Werken en werkzaamheden     

Het is verboden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het vernietigen van voor het gebied kenmerkende bodemvegetatie door het afbranden van beplanting of restanten hiervan dan wel door toepassing van biociden;
  2. het ophogen, ontginnen, bodemverlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  3. het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, voet-, ruiter-, of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanbrengen van voorzieningen voor extensieve dagrecreatie/natuurrecreatie;
  5. het omzetten van grasland naar bouwland dan wel het scheuren van grasland ten behoeve van graslandverbetering;
  6. het aanleggen van drainage;
  7. het graven of dempen van sloten, watergangen, waterpartijen of vaarten;
  8. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen;
  9. het aanbrengen en verleggen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  10. het planten van gronden met houtopstanden;
  11. het kappen of vellen van houtopstanden, welke een zelfstandige eenheid vormen, en hetzij geen grotere oppervlakte beslaan dan 10 are, hetzij ingeval van rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, niet meer bomen omvatten dan 20, met dien verstande dat hiervan zijn uitgezonderd:
    1. beschermwaardige bomen: hiervoor geldt het bepaalde in artikel 72;
    2. houtopstanden op erven en in tuinen;
    3. wegbeplantingen en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen;
    4. Italiaanse populier, linde, paardenkastanje en treurwilg;
    5. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
    6. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld.

87.2 Uitzondering van het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

87.3 Beoordelingsregel     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de natuurwaarden en/of de landschappelijke waarden.

87.4 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven om schade aan de natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de natuurwaarden en/of landschappelijke kwaliteiten.

Artikel 88 Waarde - Natuur en landschapswaarden op dijken     

88.1 Werken en werkzaamheden     

Het is verboden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het vernietigen van voor het gebied kenmerkende bodemvegetatie door het afbranden van beplanting of restanten hiervan dan wel door toepassing van biociden;
  2. het ophogen, ontginnen, bodemverlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  3. het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, voet-, ruiter-, of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanbrengen van voorzieningen voor extensieve dagrecreatie/natuurrecreatie;
  5. het graven of dempen van sloten, watergangen, waterpartijen of vaarten;
  6. het aanbrengen en verleggen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  7. het kappen of vellen van houtopstanden met dien verstande dat hiervan zijn uitgezonderd:
    1. beschermwaardige bomen: hiervoor geldt het bepaalde in artikel 72;
    2. houtopstanden op erven en in tuinen;
    3. wegbeplantingen en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen;
    4. Italiaanse populier, linde, paardenkastanje en treurwilg;
    5. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
    6. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld.

88.2 Uitzondering van het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. voor zover het betrekking heeft op de werken en werkzaamheden zoals bedoeld in dit lid onder c:
    1. omgevingsvergunning is niet noodzakelijk indien voor het kappen een melding in het kader van de Boswet is gedaan en er sprake is van een herplantplicht overeenkomstig de Boswet binnen het dijkvlak waar gekapt wordt;
  2. beschermwaardige bomen: hierop is artikel 72 Regels voor beschermwaardige bomen van toepassing;
  3. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  4. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  5. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

88.3 Beoordelingsregel     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en/of de landschappelijke waarden.

88.4 Maatwerkregel     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven om schade aan de natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en/of landschappelijke kwaliteiten.

Hoofdstuk 11 Op deze locatie gelden regels voor de bescherming van de waterkeringen     

Artikel 89 Waterstaat - Waterkering     

89.1 Aanvullende regels voor bouwen     

Het bebouwen van de gronden mag niet leiden tot een aantasting van de waterkerende functie van de secundaire waterkering of van de aangrenzende primaire waterkering.

89.2 Werken en werkzaamheden     

89.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, of egaliseren van gronden;
  2. het aanbrengen en verleggen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  3. het aanbrengen, verleggen en verbreden van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  4. het wijzigen dan wel verwijderen (vellen, rooien) van houtwalprofielen en houtgewassen;
  5. het beplanten van gronden met houtgewassen.

89.2.2 Uitzonderingen van het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

89.3 Beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor afwijkingsactiviteit) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de waterkerende functie van de secundaire of aangrenzende primaire waterkering. Omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd van de beheerder van de waterkering.

Hoofdstuk 12 Verklarende regels     

 

Artikel 90 Begripsbepalingen     

90.1 Plan     

het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017 met identificatienummer NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0001 van de gemeente Borsele.

90.2 Verbeelding     

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0001

90.3 Aanduiding     

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

90.4 Aanduidingsgrens     

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

90.5 Agrarisch bedrijf     

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen (of veredelen) van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

  1. grondgebonden agrarisch bedrijf: een bedrijf dat (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de tot het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel en waar (nagenoeg) geheel gebruikgemaakt wordt van open grond (de teelt onder afdekmateriaal daarbij inbegrepen), nader te onderscheiden in:
    1. grondgebonden teelt bedrijf:
      • akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt;
      • bollenteelt: de teelt van bloembollen op open grond al dan niet in samenhang met de teelt van bolbloemen;
      • sierteelt: de teelt van siergewassen op open grond al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten;
      • grondgebonden aquacultuur: de teelt van (zout)watergebonden organismen en zouttolerante gewassen, waarbij de grond als productiefactor wordt gebruikt;
      • fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;
    2. grondgebonden dierhouderij:
      • grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee waarbij in de bedrijfsvoering weidegang essentieel is;
      • paardenhouderij: het houden, melken, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden en/of het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij;
  2. niet-grondgebonden agrarisch bedrijf: een bedrijf dat (nagenoeg) niet afhankelijk is van de tot het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel, nader te onderscheiden in:
    1. glastuinbouwbedrijf: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen en/of permanent aanwezige tunnels, met een hoogte van 1,5 m of meer;
    2. intensieve veehouderij; een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf of bedrijfsonderdeel dat zich toelegt op het houden of mesten van vee en/of slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen zonder of nagenoeg zonder weidegang (zoals een kalvermesterij, kippenfarm, varkensfokkerij en –mesterij), met uitzondering van een biologische veehouderij waarbij dieren een buitenuitloop hebben;
    3. intensief tuinbouwbedrijf in gebouwen: de teelt van gewassen, paddenstoelen daaronder begrepen, in gebouwen, niet vervaardigd van glas of ander lichtdoorlatend materiaal;
    4. niet-grondgebonden aquacultuur: een niet aan de grond gebonden bedrijf of bedrijfsonderdeel dat zich toelegt op teelt van (zout)watergebonden organismen en zouttolerante gewassen, waaronder begrepen vis, zagers, schaal- en schelpdieren en andere aquatische producten.

90.6 Agrarisch deskundige     

de Agrarische Adviescommissie Zeeland dan wel een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige, of commissie van deskundigen, op het gebied van land- en tuinbouw.

90.7 Agrarisch grondgebruik     

het gebruik van onbebouwde gronden voor:

  1. de teelt van akker- en vollegrondstuinbouwgewassen, boomkwekerij-, siergewassen-, en bollenteelt;
  2. de teelt van (zout)watergebonden organismen en zouttolerante gewassen;
  3. de fruitteelt;
  4. graslanden voor de grondgebonden dierhouderij;
  5. beweiding door manegepaarden;
  6. hobbymatig agrarisch grondgebruik, dierenweide.

90.8 Antennedrager     

een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

90.9 Agrarisch aanverwant bedrijf     

een aan het agrarisch buitengebied gelieerd bedrijf, nader te onderscheiden in:

  1. agrarisch hulp- en nevenbedrijf:

een niet-industrieel bedrijf gericht op het opslaan en leveren van goederen aan agrarische bedrijven en/of het opslaan, bewerken en verwerken van producten, die afkomstig zijn van agrarische bedrijven, waaronder tevens wordt begrepen een zaadveredelingsbedrijf;

  1. agrarisch loonbedrijf:

een niet-industrieel bedrijf dat met behulp van verplaatsbare landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur, uitsluitend of overwegend diensten verleent aan agrarische bedrijven ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering.

90.10 Antenne-installatie     

een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

90.11 Archeologisch deskundige     

de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van archeologie.

90.12 Archeologisch onderzoek     

onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed (RCE) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

90.13 Archeologische verwachting     

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten.

90.14 Archeologische waarde     

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten.

90.15 Architectonische waarde     

de in het kader van dit plan aan een gebouw toegekende waarde gekenmerkt door de opbouw en/of indeling van de gevels, de dakopbouw en het materiaal en/of kleurgebruik eventueel in samenhang met de omgeving.

90.16 Bebouwing     

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

90.17 Bedrijf     

een onderneming met winstoogmerk gericht op het uitvoeren van werkzaamheden en/of het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.

90.18 Bedrijfsgebouw     

een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.

90.19 Bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning     

het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of bijbehorende bouwwerken voor bedrijfs- en/of beroepsmatige activiteiten of een praktijkruimte, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt.

90.20 Bedrijfsvloeroppervlak     

de gezamenlijke vloeroppervlakte van verkoopruimten, magazijnen, bergingen, kantoren en verblijfsruimten en de overige voor de bedrijfsvoering benodigde vloeroppervlakte.

90.21 Bedrijfs- of dienstwoning     

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de toegestane functie van het gebouw of het terrein.

90.22 Bestaande bedrijfsvloeroppervlakte intensieve veehouderij     

de gezamenlijke oppervlakte van vaste vloeren in gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, – mestdoorlatende vloeren daaronder begrepen – die worden of kunnen worden gebruikt voor de huisvesting van dieren ten behoeve van intensieve veehouderij, waaronder begrepen de hok- of stalruimte, inclusief scheidingswanden en gangpaden, zoals die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen.

90.23 Beperkt kwetsbaar object     

als beperkt kwetsbare objecten worden aangemerkt:

  1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen en woonwagens per hectare en dienst- en bedrijfswoningen van derden;
  2. kantoorgebouwen, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt;
  3. hotels en restaurants, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt;
  4. winkels, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt;
  5. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
  6. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt;
  7. bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt;
  8. objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn;
  9. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.

90.24 Beschermd monument     

beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

90.25 Beschermwaardige bomen     

bomen opgenomen op de lijst van waardevolle bomen zoals deze is weergegeven op de website beschermwaardige bomen van de gemeente Borsele.

90.26 Bestaande aantal dierplaatsen     

het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan, met dien verstande dat indien met verifieerbare informatie (zoals bedrijfsregister, identificatie en registratiesysteem) aangetoond kan worden dat op het moment van vaststelling van het plan  het feitelijk, legaal aanwezige aantal dieren meer bedraagt dan het legaal aanwezige aantal dierplaatsen, de legaal aanwezige aantallen dieren bepalend zijn voor de bestaande ammoniakemissie.

90.27 Bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen     

de afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen van een bouwwerk dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden.

90.28 Bestaande ammoniakemissie     

bestaande aantal dierplaatsen voor de bestaande diersoorten, vermenigvuldigd met de ammoniakemissiefactoren van het bestaande stalsysteem.

90.29 Bestaande diersoorten     

de diersoorten waarvoor de legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan zijn gebouwd.

90.30 Bestaande gebouwen in relatie tot functieveranderingen     

gebouwen die op het tijdstip van de functieverandering tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

90.31 Bestaand stalsysteem     

het legaal gerealiseerde stalsysteem ten tijde van de vaststelling van het plan; bedoeld zijn de stalsystemen overeenkomstig de unieke stalbeschrijvingen van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav).

90.32 Best Beschikbare Technieken     

voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu de meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die – kosten en baten in aanmerking genomen – economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.

90.33 Bevi-inrichting     

een bedrijf zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

90.34 Bevoegd gezag     

het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

90.35 Bijbehorend bouwwerk     

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak, nader te onderscheiden in:

  1. aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk: een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw;
  2. vrijstaand bijbehorend bouwwerk: een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

90.36 Bouwblok     

een, ter plaatse van en aansluitend aan een indicatieve aanduiding, gesitueerd denkbeeldig vlak met flexibele grenzen zoals in het plan beschreven waar de bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf, manege of een agrarisch aanverwant bedrijf is toegestaan.

90.37 Bouwen     

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

90.38 Bouwlaag     

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor de toegelaten functies geschikt of geschikt te maken is.

90.39 Bouwperceel     

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

90.40 Bouwperceelgrens     

een grens van een bouwperceel.

90.41 Bouwwerk     

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de functie hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond bedoeld om ter plaatse te functioneren.

90.42 Café     

een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren.

90.43 Consumentenvuurwerk     

vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik.

90.44 Cultuurhistorisch deskundige     

een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van cultuurhistorie.

90.45 Cultuurhistorische waarde     

de in het kader van dit plan aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en gaafheid.

90.46 Dagrecreatie     

activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting uitdrukkelijk is uitgesloten.

90.47 Dagrecreatieve voorziening     

speciaal aangelegde accommodatie al dan niet overdekt ten behoeve van dagrecreatie.

90.48 Detailhandel     

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

90.49 Dienstverlening     

het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek op het bezoekadres rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen zoals een reis- of uitzendbureau, kapsalon, pedicure, schoonheidssalon, medische of therapeutische praktijk, juridisch adviesbureau of bankfiliaal.

90.50 Discotheek/bar/dancing     

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van drank voor gebruik ter plaatse, waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dans een wezenlijk onderdeel vormen.

90.51 Dunne mest     

mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan niet vermengd met mors-, spoel-, reinigings- of regenwater.

90.52 Erf     

al dan niet bebouwd bouwperceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat hoofdgebouw.

90.53 Extensief dagrecreatief medegebruik     

die vormen van dagrecreatie die zijn gericht op de beleving van en/of kennismaking met natuur, landschap en cultuur van het platteland dan wel de plattelandskernen, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, kanoën, zwemmen en natuurobservatie.

90.54 Evenement     

een gebeurtenis, gericht op een groot publiek, met betrekking tot kunst, sport, ontspanning en cultuur.

90.55 Feestzaal     

een ruimte gericht op het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide en al dan niet ter plaatse te nuttigen dranken en/of etenswaren en/of het exploiteren van zaalaccommodaties.

90.56 Gebouw     

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

90.57 Geluidsgevoelige objecten     

woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

90.58 Geluidsgevoelige bestemmingen     

onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan:

  1. gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status;
  2. andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen en psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);
  3. geluidsgevoelig terrein (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen).

90.59 Gemeentelijk monument     

een overeenkomstig dit plan als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

  1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;
  2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als hiervoor bedoeld.

90.60 Gemeentelijke monumentenlijst     

de lijst in de bijlage waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig dit plan als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in lid 90.59.

90.61 Geomorfologische waarde     

de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door een karakteristieke hogere dan wel lagere ligging, veroorzaakt door de ontstaansgeschiedenis van het grondgebied.

90.62 Grootschalige detailhandel     

detailhandel in een of meer van de volgende categorieën:

  1. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;
  2. detailhandel in volumineuze goederen, zoals auto's, boten, motoren, caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en materialen;
  3. tuincentra;
  4. grootschalige detailhandelsbedrijven in meubels, keukens en badkamers, al dan niet – in ondergeschikte mate – in combinatie met woninginrichting en stoffering;
  5. bouwmarkten;
  6. detailhandelsvoorzieningen met een brutovloeroppervlak van 1.500 m² of meer.

90.63 Hoofdgebouw     

een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige toegestane functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.

90.64 Horecabedrijf     

een onderneming gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van een zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.

90.65 Houtopstand     

hakhout (een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen), een houtwal of een of meer bomen.

90.66 Hotel     

een horecabedrijf, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met – al dan niet – als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse.

90.67 Hoveniersbedrijf     

een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.

90.68 Iepenspintkever     

het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.

90.69 Iepziekte     

de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. M).

90.70 Kampeermiddel     

tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan, dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor ingevolge artikel 2.1, lid 1, sub a van de Wabo een omgevingsvergunning vereist is, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor nachtverblijf.

90.71 Kantoor     

het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek niet of slechts in beperkte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen zoals een administratiekantoor, ontwerp-technisch bureau, makelaarskantoor of assurantiekantoor.

90.72 Kas     

een bouwwerk van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen.

90.73 Kleinschalig kampeerterrein     

terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en zoals blijkt uit die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

90.74 Kleinschalige plattelandshoreca     

een aan het plattelandstoerisme gerelateerde inrichting van geringe omvang bestemd voor het bedrijfsmatig, voor gebruik ter plaatse, verstrekken van alcoholische en/of niet-alcoholische dranken, eventueel in combinatie met het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren; verblijfsrecreatieve voorzieningen hieronder niet begrepen.

90.75 Kleinschalige (bedrijfsmatige, horecamatige, agrarisch aanverwante, dagrecreatieve) functies     

nevenfunctie die bij een andere hoofdfunctie op een bouwperceel – al dan niet door een bewoner, samen met personeelsleden – op bedrijfsmatige wijze wordt uitgeoefend, waarbij de hoofdfunctie in overwegende mate aanwezig blijft en het bouwperceel een ruimtelijke uitstraling behoudt die daarbij past.

90.76 Kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen     

voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van extensief dagrecreatief medegebruik.

90.77 Kwetsbaar object     

als kwetsbare objecten worden aangemerkt:

  1. woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde beperkt kwetsbare objecten;
  2. gebouwen bestemd voor verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:
    1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
    2. scholen, of;
    3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
  3. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals:
    1. kantoorgebouwen en hotels met een brutovloeroppervlakte van meer dan 1.500 m²;
    2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk brutovloeroppervlakte meer dan 1.000 m² bedraagt en winkels met een totaal brutovloeroppervlakte van meer dan 2.000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd, en;
    3. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen.

90.78 Landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige     

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake landschap en natuur.

90.79 Landschapswaarde     

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur.

90.80 Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau     

langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.

90.81 Logies met ontbijt     

een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, ondergeschikt aan de (woon)bestemming.

90.82 Maaiveld     

  1. het oppervlak (of de hoogte daarvan) van het land;
  2. de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft.

90.83 Manege     

een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, al dan niet in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen:

  1. het stallen en/of in pension houden van paarden en/of pony's;
  2. kleinschalige horeca-activiteiten (kantine, foyer en dergelijke) en verenigingsaccommodatie;
  3. het houden van wedstrijden of andere evenementen.

90.84 Mestbassin     

een reservoir bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal.

90.85 Milieudeskundige     

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake milieu.

90.86 Molendeskundige     

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake molens.

90.87 Monumentencommissie     

een op basis van artikel 15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dit plan en het monumentenbeleid.

90.88 Natura 2000-gebieden     

Natura 2000-gebieden zoals begrensd op het moment van een aanvraag.

90.89 Natuurwaarde     

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

90.90 NEN     

de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.

90.91 Niet-permanente verblijfsrecreatie     

verblijfsrecreatie waarbij uitsluitend van seizoensgebonden standplaatsen voor kampeermiddelen gebruik wordt gemaakt.

90.92 Nutsvoorzieningen     

de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

90.93 Omgevingsplan     

bestemmingsplan met verruimde reikwijdte op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, artikel 2.4 Crisis- en herstelwet en artikel 7c Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet; het bestemmingsplan met verruimde reikwijdte bestaat uit de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

90.94 Ondergeschikte detailhandel     

detailhandel die als nevenactiviteit een duidelijke relatie heeft met de toegestane hoofdactiviteit en in ruimtelijk en functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de toegestane hoofdactiviteit.

90.95 Overkapping     

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak.

90.96 Paardenbak en vergelijkbare voorzieningen     

een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining; onder vergelijkbare voorzieningen worden verstaan paddocks (relatief kleine omheinde uitloop, veelal voorzien van een zandbodem, in aansluiting op de stalling en ten behoeve van de vrije uitloop van paarden en pony's), stap- en trainingsmolens en longeercirkels.

90.97 Paardenpension     

het houden van paarden en/of pony's, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en/of pony's in pension te stallen en te weiden.

90.98 Peil     

  1. de kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 m bedraagt;
  2. bij ligging in het water het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water;
  3. op of in het water van de Westerschelde: 0 m Normaal Amsterdams Peil;
  4. in andere gevallen de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte bouwterrein.

90.99 Permanente aanwezig kampeermiddel     

kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, dat gedurende het gehele jaar op een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van kampeermiddelen aanwezig is of mag zijn.

90.100 Piekniveau     

maximaal geluidsniveau (LAmax) gemeten in de meterstand «F» of «fast», als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.

90.101 Platte afdekking     

een horizontaal vlak, ter afdekking van een gebouw, dat meer dan tweederde van de grondoppervlakte van het gebouw beslaat.

90.102 Plattelandstoerisme     

alle vormen van kleinschalige recreatie en toerisme (met de nadruk op dagtoerisme en klein verblijfstoerisme), die plaatsvinden op en gebonden zijn aan het platteland.

90.103 Plattelandswoning     

een agrarische bedrijfswoning welke gebruikt mag worden door derden die geen binding hebben met het op hetzelfde perceel aanwezige agrarische bedrijfscomplex.

90.104 Praktijkruimte     

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.

90.105 Professioneel vuurwerk     

vuurwerk, niet zijnde consumentenvuurwerk.

90.106 Recreatief nachtverblijf     

een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch verblijf, ondergeschikt aan de (woon)bestemming, zoals een recreatie appartement of het bieden van logies met ontbijt.

90.107 Slopen     

het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.

90.108 Staat van Horeca-activiteiten     

de Staat van Horeca-activiteiten die van deze regels deel uitmaakt.

90.109 Staat van Bedrijfsactiviteiten     

de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt.

90.110 Standplaats voor kampeermiddel     

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.

90.111 Stacaravan     

een gebouw dat in zijn geheel kan worden verplaatst en is bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

90.112 Teeltondersteunende voorzieningen     

voorzieningen of constructies die bij agrarische bedrijven worden toegepast ten behoeve van de bescherming van plantaardige agrarische teelten (tegen neerslag, zonlicht, vogelvraat) en/of de voorkweek van ten behoeve van het eigen bedrijf benodigd plantmateriaal en/of de voorkoming van verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, ten behoeve van grondgebonden agrarische teelten, nader te onderscheiden in:

  1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen die niet langer dan 6 maanden gedurende een jaar worden geplaatst, te onderscheiden in:
    1. lage tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals afdekfolies, acryldoek, insectengaas, tunnels met een bouwhoogte van niet meer dan 1.50 m;
    2. hoge tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals plastic boogkassen (een constructie vervaardigd van lichtdoorlatend materiaal, geen glas zijnde), wandelkappen en regenkappen (een open constructie zonder wanden overtrokken met lichtdoorlatend materiaal anders dan glas) met een bouwhoogte van meer dan 1.50 m;
  2. permanente teeltondersteunende voorzieningen, te onderscheiden in:
    1. lage permanente voorzieningen: voorzieningen zoals containervelden en regenkappen met een bouwhoogte van minder dan 1.50 m;
    2. hoge permanente voorzieningen: voorzieningen zoals kassen, plastic boogkassen (een constructie vervaardigd van lichtdoorlatend materiaal, geen glas zijnde) tunnelkassen, rolkassen, gaaskassen, stellingen, paalconstructies met netten (een open constructie zonder wanden overtrokken met netten; hagelnetten) en regenkappen met een bouwhoogte van meer dan 1.50 m.

90.113 Toeristische standplaats kampeermiddel     

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, gedurende een beperkte tijd zoals enkele weken.

90.114 Tuincentrum     

een bedrijf, gericht op de teelt en de verhandeling van bomen, heesters, planten, bloemen en andere siergewassen en in samenhang daarmee op de verkoop van artikelen die met de tuinbewerking of de inrichting van tuinen verband houden, zoals tuingereedschap, tuinmeubilair en tuingrond.

90.115 Vellen van houtopstand     

omhakken of -zagen van houtopstand; onder vellen wordt mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

90.116 Verblijfsmiddelen     

de voor verblijf geschikte - al dan niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken - voer- en vaartuigen, arken, caravans, tenten en andere soortgelijke constructies, voor zover geen bouwwerken en geen kampeermiddelen zijnde.

90.117 Verkoopvloeroppervlakte     

de vloeroppervlakte van voor het publiek toegankelijke winkelruimten.

90.118 Volkstuin     

particuliere tuin of complex van particuliere tuinen die niet bij de eigen woning zijn gelegen en die gebruikt worden als moestuin of siertuin.

90.119 Voorgevelrooilijn     

denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van een hoofdgebouw en/of woning loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen.

90.120 Weidegang     

gedurende een substantieel gedeelte van het jaar, nagenoeg dagelijks buiten laten lopen van dieren, op een substantiële oppervlakte landbouwgrond, waarbij een deel van de voerbehoefte door de dieren buiten verzameld wordt en waarbij meer dan 50% van de betreffende landbouwgrond is begroeid.

90.121 Wgh-inrichting     

bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken.

90.122 Woning     

een gebouw of gedeelte van een gebouw, bestaande uit een complex van ruimten, dat is bedoeld en dat dient voor de huisvesting van personen.

90.123 Zijerf     

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.

Artikel 91 Wijze van meten     

Bij het toepassen van deze regels wordt als volgt gemeten:

91.1 Afstanden     

van bouwwerken onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn.

91.2 De afstand van een gebouw tot de zijdelingse bouwperceelsgrens     

vanaf het dichtst bij de bouwperceelsgrens gelegen punt van het gebouw en haaks op de bouwperceelsgrens.

91.3 De bouwhoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

91.4 De breedte en diepte van een bouwwerk     

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat.

91.5 De dakhelling     

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

91.6 De goothoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

91.7 De inhoud van een bouwwerk     

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

91.8 De oppervlakte van een bouwwerk     

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

91.9 Het bebouwde oppervlak     

van een bouwperceel, of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar op te tellen, tenzij in de regels anders is bepaald.

91.10 De hoogte van een windturbine     

vanaf het peil tot aan de as van de windturbine.

91.11 Bruto vloeroppervlak     

de bruto vloeroppervlakte volgens NEN 2580.

Hoofdstuk 13 Welke regels gelden er nog meer op deze locatie     

Artikel 92 Anti-dubbeltelregel     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 93 Overgangsrecht     

93.1 Overgangsrecht bouwwerken     

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

  1. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  2. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  3. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

93.2 Overgangsrecht bouwen en bestaande maten     

Op bouwwerken waarvoor in deze regels is bepaald dat de bestaande afstand, inhoud, (bebouwings)oppervlakte, dakhelling, goot- of bouwhoogte in afwijking van de algemeen geldende regels, als maximaal of minimaal toelaatbare maat mag gelden, is het Overgangsrecht bouwwerken zoals opgenomen in lid 93.1 niet van toepassing.

93.3 Overgangsrecht gebruik     

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 94 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2017'.