Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Aanleiding     

Het huidige bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt is in 2011 vastgesteld en is op onderdelen verouderd. Daarom wordt een nieuw bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 opgesteld.

De actualisatie maakt onderdeel uit van de Actualisatieopgave Bestemmingsplannen Amsterdam (hierna: ABA) van het college. De ambitie van de gemeente Amsterdam is dat alle bestemmingsplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet actueel en digitaal beschikbaar zijn.

Het ontwerpbestemmingsplan Museumkwartier en Valeriusbuurt moet vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage worden gelegd. Daarna kan er namelijk geen ontwerpbestemmingsplan meer ter visie worden gelegd.

1.2 Doel bestemmingsplan     

Met de actualisatie van dit bestemmingsplan streeft de gemeente de volgende doelen na:

  1. het komen tot uniformiteit in regels en wijze van bestemmen;
  2. het verkrijgen van een actuele ruimtelijk-juridische vertaling van de bestaande bebouwing en het gebruik (conserverende bestemmingsplannen) en het eventueel mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen (ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen);
  3. het komen tot digitaal raadpleegbare en uitwisselbare bestemmingsplannen.

Bouwdynamiek

Naast het voorzien in een digitaal beschikbaar, actueel bestemmingsplan, wordt met het actualiseren van dit plan gestreefd naar een nieuw evenwicht tussen het mogelijk maken van investeringen en het beschermen van de bestaande kwaliteiten in het plangebied.

In het hele plangebied is het aantal verbouwingen in woningen en winkelpanden de afgelopen jaren toegenomen. Verbouwingen vinden plaats om het wooncomfort te verbeteren, bijvoorbeeld bij gezinsuitbreiding. Maar er wordt ook veel geïnvesteerd door projectontwikkelaars en beleggers, ogenschijnlijk vooral met het doel om zoveel mogelijk vierkante meters toe te voegen. Veel bouwinitiatieven zijn een combinatie van de bouw van kelders, aanbouwen en een extra bouwlaag. Een deel van de woningen wordt daarbij opgesplitst in meer woningen. Plannen zijn niet meer alleen ingegeven door de wens om te renoveren en woonkwaliteit toe te voegen, maar ook door de wens om de vastgoedwaarde te verhogen. Door de veranderingen in de woningvoorraad (bijvoorbeeld verhuur in plaats vaneigenaar-bewoners) en de aantrekkingskracht van de stad verandert ook de samenstelling van de bewoners.

Het toevoegen van woonoppervlak past in het beleid om de bestaande stad te verdichten. De bouwdynamiek leidt echter ook tot overlast voor omwonenden. Die hinder bestaat uit feitelijke bouwoverlast tijdens verbouwingen en minder woongenot na de verbouwingen. Veel bewoners maken zich daarnaast zorgen over de constructieve schade die kan ontstaan als gevolg van de verbouwingen en de gevolgen voor de grondwaterstand en afwatering door de bouw van kelders.

Het stadsbestuur heeft zich uitgesproken actie te willen ondernemen als het gaat over de overlast van de bouwdynamiek. Het uitgangspunt voor het bestuur is daarbij een nieuwe balans te vinden tussen ruimte om te investeren in de verhoging van kwaliteit en comfort en het beperken van de negatieve effecten hiervan, zoals de overlast en permanente aantasting van het stadsgezicht.

1.3 Ligging plangebied en plangrens     

Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld voor het plangebied Museumkwartier - Valeriusbuurt. Het plangebied ligt ten zuidwesten van het stadscentrum van Amsterdam en ten zuiden van het Vondelpark.

verplicht
Afbeelding: Ligging plangebied

Het westelijke deel van het plangebied wordt gevormd door de Valeriusbuurt, het oostelijke deel door het Museumkwartier. De scheiding tussen de twee buurten wordt gevormd door de Emmastraat. De deelgebieden worden hieronder kort beschreven.

verplicht
Afbeelding: Het plangebied en de te onderscheiden buurtend 

Museumkwartier

Het Museumkwartier is een levendige stadswijk met veel niet-woonfuncties, zoals winkels, hotels, kantoren en consulaten. De P.C. Hooftstraat heeft als chique winkelstraat een bovenstedelijke functie. Het Museumplein, met zijn internationaal bekende musea en het Concertgebouw vormt het culturele hart en het internationale visitekaartje van de stad. Dit gebied trekt veel bezoekers. Het Museumkwartier valt daarom te karakteriseren als een centrummilieu.

Het aantal bezoekers is de laatste jaren sterk gestegen. Met name rondom het Museumplein, maar ook daarbuiten. De grote musea trekken steeds meer bezoekers. Van oudsher zijn er veel hotels en bed & breakfast in het Museumkwartier gevestigd. De laatste jaren vindt er ook veel verhuur via AIR-bnb plaats.

Binnen het Museumkwartier kunnen het Duivelseiland en de Harmoniehofbuurt als aparte buurten worden onderscheiden, elk met een geheel eigen karakter.

Duivelseiland

Het Duivelseiland is een kleine dichtbebouwde 19e eeuwse arbeidersbuurt aan de zuidkant van het Museumkwartier. De buurt lijkt qua karakter meer op De Pijp dan op het chique Museumkwartier. In de plinten bevinden zich diverse voorzieningen, waaronder ook kleine ambachtelijke bedrijven. De buurt heeft een proces van gentrificatie ondergaan en is net als De Pijp inmiddels een zeer gewilde woonbuurt.

Harmoniehofbuurt

De Harmoniehof en omgeving is een kleine woonbuurt in de zuidoostpunt van het plangebied. Bijna alle woningen in deze buurt zijn eigendom van woningcorporatie Samenwerking. De buurt is gebouwd in de stijl van de Amsterdamse School en vormt in stedenbouwkundig en architectonisch opzicht een harmonieus geheel. Langs de Roelof Hartstraat zijn winkels en horeca gevestigd en rondom het Roelof Hartplein bevinden zich enkele maatschappelijke voorzieningen. In de rest van de buurt staan uitsluitend woningen.

Valeriusbuurt

De Valeriusbuurt is een woonbuurt met voornamelijk buurgerichte voorzieningen en enkele scholen. De Emmastraat vormt de administratieve grens met het Museumkwartier. Typologisch gezien is er echter geen duidelijke grens aan te wijzen, omdat het gemengde centrummilieu van het Museumkwartier geleidelijk overloopt in de meer rustige Valeriusbuurt.

In de Valeriusbuurt is weinig te merken van de sterke stijging van het aantal bezoekers. Wel staat het huidige voorzieningenniveau onder druk. Buurtwinkels gericht op de dagelijkse boodschappen verdwijnen omdat de huren stijgen. Nieuwe winkels met een meer specialistisch karakter vestigen zich in de Valeriusbuurt.

In ruimtelijk opzicht kennen de Valeriusbuurt en het Museumkwartier veel overeenkomsten. Beide buurten bestaan uit lange, smalle, gesloten bouwblokken met bebouwing van vier of vijf bouwlagen al dan niet met kap en een binnentuin. Het grootste gedeelte van het plangebied maakt deel uit van de '19e-eeuwse Ring'. De buurten ten zuiden van de Roelof Hartstraat en ten zuiden van de Cornelis Krusemanstraat behoren, wat de karakteristieken van de bebouwing betreft, tot de 'Gordel '20-'40'.

Plangrenzen

Het plangebied Museumkwartier en Valeriusbuurt heeft de volgende plangrenzen:

  • aan de noordzijde: de Sophialaan, Saxen Weimarlaan, Koninginneweg, Van Eeghenstraat, het Vondelpark en de Singelgracht;
  • aan de oostzijde: de Boerenwetering en de bestemmingsplangrens van het bestemmingsplan Boerenweteringgarage;
  • aan de zuidzijde: het Noorder Amstelkanaal, de Hendrik Jacobszstraat en de Cornelis Krusemanstraat;
  • aan de westzijde: de Amstelveenseweg.

verplicht
Afbeelding: Grenzen bestemmingsplangebied  

1.4 Geldende bestemmingsplannen     

De plangrenzen komen nagenoeg overeen met het bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2012.

Aan de oostzijde is de plangrens ter plaatse van het bestemmingsplan Boerenweteringgarage een klein stukje opgeschoven. Hier is voor gekozen om te voorkomen dat de regels van dit bestemmingsplan moeten worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt.

Ten behoeve van de ontwikkeling van het conservatoriumhotel aan de Van Baerlestraat 27 is het postzegelbestemmingsplan 'Herontwikkeling voormalige Rijkspostspaarbank' opgesteld. Dit postzegelplan maakte destijds geen onderdeel uit van het huidige bestemmingsplan, maar is nu opgenomen in dit nieuwe bestemmingsplan.

Voor de Banstraat 23-27 is voor de oprichting van een nieuwe woongebouw met apprtementen het postzegelbestemmingsplan 'Banstraat 23-27 opgesteld. Dit postzegelplan is eveneens opgenomen in dit nieuwe bestemmingsplan.

Medio 2020 is voor een klein deel van het huidige bestemmingsplan het bestemmingsplan 'Museumkwartier en Valeriusbuurt 1 herziening' vastgesteld. In het huidige bestemmingsplan was voor het grootste deel van het bouwblok De Lairessestraat / Jan van Goyenkade de maximaal toegestane bouwhoogte aanzienlijk hoger dan dan de bestaande bouwhoogte. Op grond van de toegestane bouwhoogte konden bij een groot aantal panden in dit blok bouwlagen worden toegevoegd, terwijl het bouwblok ligt in een gebied dat op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1998 per 1 april 2018 als beschermd stadsgezicht is aangewezen. Dit betekende dat de gemeenteraad verplicht was om het geldende bestemmingsplan, ter bescherming van het beschermde stadsgezicht, voor het betreffende bouwblok te herzien door de bestaande bouw- en goothoogtes vast te leggen. Deze herziening is in dit bestemmingsplan overgenomen.

Daarmee zijn in het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan momenteel de volgende vastgestelde bestemmingsplannen van kracht:

Bestemmingsplan Vastgesteld Onherroepelijk
Museumkwartier - Valeriusbuurt 19 december 2012;

Stadsdeel Zuid
31 juli 2013

(definitieve uitspraak RvS)
Herontwikkeling voormalige Rijkspostspaarbank 26 september 2007;

Stadsdeel Oud-Zuid
27 februari 2008
Banstraat 23-27 30 mei 2012;

Stadsdeel Zuid
28 augustus 2013
Museumkwartier en Valeriusbuurt 1e herziening 19 mei 2020 Gemeenteraad 9 juni 2021

Daarnaast zijn de afgelopen tien jaar in afwijking van het vigerende bestemmingsplan meerdere omgevingsvergunningen verleend. Deze ontwikkelingen zijn in dit nieuwe bestemmingsplan opgenomen.

1.5 Totstandkoming bestemmingsplan     

Het college van B & W heeft op 16 januari 2018 de Actualisatieopgave Bestemmingsplannen Amsterdam (hierna: ABA) vastgesteld. De ambitie van de gemeente Amsterdam is dat alle bestemmingsplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet actueel en digitaal beschikbaar zijn. Het doel van de ABA is om de actualisatie van verouderde bestemmingsplannen te versnellen. Het bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt is een van de bestemmingsplannen die in het kader van de ABA dient te worden geactualiseerd.

In deze paragraaf wordt toegelicht hoe het bestemmingsplan tot stand is gekomen. De totstandkoming bestaat voor dit bestemmingsplan uit vijf fases, te weten: het plan van aanpak, de nota van uitgangspunten, het voorontwerpbestemmingsplan, het ontwerpbestemmingsplan en de vaststelling van het bestemmingsplan. Hieronder worden deze vijf fases toegelicht.

Plan van aanpak

Het Dagelijks Bestuur van stadsdeel Zuid (hierna: DB) heeft op 18 december 2018 het Plan van Aanpak voor de actualisatie van dit bestemmingsplan vastgesteld. Hierin zijn o.a. de processtappen, de projectorganisatie, de planning en het participatieproces vastgelegd. In het plan van aanpak is ervoor gekozen om eerst een Nota van uitgangspunten op te stellen. Daarnaast is ervoor gekozen om zo vroeg mogelijk in het planproces te starten met de participatie. Aan deze keuzes liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

Met het oog op de nieuwe Omgevingswet wordt in het nieuwe bestemmingsplan geanticipeerd op ontwikkelingen die in het gebied spelen. Om een goed afgewogen bestemmingsplan te maken is daarom eerst een nota van uitgangspunten opgesteld. Met het oog op de nieuwe Omgevingswet en het coalitie akkoord 2018-2022 houdt het bestemmingsplan waar mogelijk rekening met lokale wensen vanuit het gebied. Daarom heeft er in een zo vroeg mogelijk stadium participatie plaatsgevonden.

Het is bij de actualisatie van een bestemmingsplan gebruikelijk dat bewoners en ondernemers pas voor het eerst kunnen reageren als het voorontwerpbestemmingsplan ter visie wordt gelegd. Maar dan zijn de keuzes voor de plansystematiek al gemaakt. Bewoners en ondernemers kunnen op dat moment alleen reageren op de vertaling van die keuzes naar hun perceel of dat van hun buren. Bovendien is er met de Nota van Uitgangspunten voor gekozen, mede op advies van de stadsdeelcommissie van stadsdeel Zuid (hierna: SDC), om geen voorontwerpbestemmingsplan ter visie te leggen, om zo het planproces te versnellen.

Bij de actualisatie van dit bestemmingsplan konden bewoners en ondernemers meepraten over de formulering van de uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan en konden zij zelf ideeën aandragen voor het plan. Hierdoor hebben zij invloed gehad op de keuzes die in de plansystematiek zijn gemaakt.

Nota van Uitgangspunten

In de nota van uitgangspunten (hierna: NvU) zijn de keuzes met betrekking tot de systematiek van bestemmen vastgesteld. Bijvoorbeeld over de bouwdiepte van aan- en uitbouwen en over de functies die zijn toegestaan op begane grond van de winkelstraten. Deze uitgangspunten vormen de basis voor het bestemmen van alle gronden en gebouwen in het bestemmingsplan. In deze paragraaf wordt toegelicht hoe de NvU tot stand is gekomen.

Het opstellen van de NvU startte met een participatietraject. In juni 2019 is er een mini-enquête gehouden. Alle bewoners en ondernemers in het plangebied zijn in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan deze mini-enquête. In de enquête zijn vragen gesteld over bouwen en verbouwen, cultuurhistorische waarden, het voorzieningenniveau en over het toevoegen van woningen aan de bestaande woningvoorraad. De enquête is gehouden om in beeld te krijgen welke wensen er in het plangebied leven. Er zijn ruim 10.000 huis-aan-huisbrieven verstuurd over de mini-enquête. De enquête is ruim 1.200 keer ingevuld.

In september 2019 zijn er afzonderlijke rondetafelgesprekken gevoerd met bewonersorganisaties, ondernemers, culturele instellingen en partijen uit de bouw- en vastgoedsector. Het doel van deze gesprekken was het inventariseren van de wensen en belangen van deze groepen. Bewonersorganisaties hebben daarbij hun wensen voor het nieuwe bestemmingsplan in een speerpuntennotitie kenbaar gemaakt.

Op 29 oktober 2019 heeft er een verdiepingssessie plaatsgevonden. Hierin gingen bewoners, ondernemers, culturele instellingen en partijen uit de bouw- en vastgoedsector met elkaar en met de gemeente in gesprek over de uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan. Het doel van deze gesprekken was om te bepalen welke onderwerpen prioriteit moeten krijgen en hoe belanghebbenden met deze onderwerpen willen omgaan.

Tenslotte heeft het stadsdeel op 23 januari 2020 een informatiebijeenkomst gehouden over de concept NvU. Alle bewoners en ondernemers uit het plangebied en de deelnemers aan de rondetafelgesprekken en verdiepingsbijeenkomst zijn voor deze bijeenkomst uitgenodigd. Het doel van deze bijeenkomst was om bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden te informeren over de voorgestelde uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan.

De resultaten van de mini-enquête, de verslagen van de rondetafelgesprekken, het verslag van de verdiepingsbijeenkomst en het verslag van de informatieavond zijn als bijlagen opgenomen bij de NvU.

De concept uitgangspunten zijn vervolgens vastgelegd in een consultatieversie van NvU. Deze consultatieversie is op 7 januari 2020 vastgesteld door het DB. De consultatieversie is voor advies aangeboden aan de SDC. Tevens is de consultatieversie ter kennisname naar de wethouder ruimtelijke ordening gestuurd.

De opmerkingen van de wethouder en de stadsdeelcommissie zijn verwerkt in de definitieve versie van de NvU. Tevens zijn er enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Het DB heeft de definitieve NvU vervolgens op 17 maart 2020 vastgesteld.

Op 5 oktober 2021 heeft het dagelijks bestuur ingestemd met een notitie met aanvullende uitgangspunten voor het ontwerp bestemmingsplan. Reden is dat bij het uitwerken van de nota van uitgangspunten naar het ontwerpbestemmingsplan is gebleken dat er functies en voorzieningen in het plangebied aanwezig zijn waarover geen uitgangspunten zijn vastgesteld. Daarnaast bleek dat enkele uitgangspunten niet goed aansluiten bij de situatie in het plangebied.

Geen voorontwerpbestemmingsplan ter visie

Zoals hierboven aangegeven is er, om het planproces te versnellen, voor gekozen om geen voorontwerpbestemmingsplan ter visie te leggen. Er geldt geen wettelijke verplichting om een voorontwerpbestemmingsplan ter visie te leggen en door dit achterwege te laten, kan tijdwinst worden behaald.

Dit betekent niet dat er geen voorontwerpbestemmingsplan moet worden wordt opgesteld. Dit is nodig in verband met het wettelijk verplichte vooroverleg conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond daarvan wordt het voorontwerpbestemmingsplan voor een reactie voorgelegd aan de wettelijke (voor)overlegpartners. Dit zijn de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

De ontvangen reacties van (voor)overlegpartners zullen worden samengevat en beantwoord in de Nota vooroverleg, die in het ontwerpbestemmingsplan als bijlage bij de toelichting zal worden gevoegd. Bij de beantwoording wordt tevens toegelicht of en zo ja tot welke aanpassingen de ingediende vooroverlegreacties hebben geleid.

Ontwerpbestemmingsplan

Medio 2020 is gestart met het uitvoeren van alle inventarisaties. De bestaande bouwhoogtes zijn ingemeten. De cultuurhistorische waarden zijn in kaart gebracht. En er is geïnventariseerd welke niet-woonfuncties er in het plangebied aanwezig zijn. Daarbij is tevens nagegaan of deze niet-woonfuncties ook op de betreffende locaties zijn toegestaan conform het huidige bestemmingsplan. Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt opgesteld.

Het ontwerpbestemmingsplan zal, conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening, in 2022 ter visie worden gelegd. Gedurende deze periode van ter inzage legging (een termijn van zes weken) kan iedereen een zienswijze indienen. Alle zienswijzen zullen in de Nota van beantwoording zienswijzen worden samengevat en beantwoord. In de nota wordt tevens toegelicht tot welke aanpassingen de ingediende zienswijzen hebben geleid. Zoals hierboven aangegeven, vindt de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan daarmee plaats vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Vaststellen bestemmingsplan 

Het bestemmingsplan wordt naar verwachting in juli 2022 door de gemeenteraad van Amsterdam vastgesteld. Het bestemmingsplan wordt dan voor beroep ter visie gelegd. Beroep kan ingesteld worden bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Nadat de beroepstermijn is afgelopen, treedt het nieuwe bestemmingsplan in werking.

1.6 Leeswijzer     

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plangebied opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven.

De toelichting bestaat uit 10 hoofdstukken.

Na de inleiding in Hoofdstuk 1, wordt in Hoofdstuk 2 de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied beschreven en aangegeven welke ontwikkelingen zich voordoen in het plangebied.

In Hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten voor het bestemmingsplan uiteengezet. In het daarop volgende Hoofdstuk 4 worden de ontwikkelingen beschreven die in het bestemmingsplan een plek krijgen.

De voor het plan relevante beleidsuitspraken van rijk, provincie en regio en het eigen gemeentelijke beleid zijn in Hoofdstuk 5 beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en Hoofdstuk 7 behandelt de relevante omgevingsaspecten. Hierbij vindt er een toets aan de diverse milieu- en omgevingsaspect plaats.

Een toelichting op het juridische systematiek, een omschrijving van de afzonderlijke bestemmingen is beschreven in Hoofdstuk 8. In Hoofdstuk 9 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven en in Hoofdstuk 10 komen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te doorlopen procedures aan bod.

Hoofdstuk 2 Het plangebied     

In dit hoofdstuk wordt in paragraaf 2.1 eerst kort de ontstaansgeschiedenis van het plangebied beschreven. Vanwege die ontstaansgeschiedenis wordt het plangebied daarbij opgedeeld in drie deelgebieden. Voor een uitgebreide beschrijving van de ontstaansgeschiedenis wordt verwezen naar de Cultuurhistorische verkenning Museumkwartier - Valeriusbuurt, die als bijlage bij de toelichting is opgenomen.

In de daarna volgende paragraaf 2.2 wordt de huidige situatie in het plangebied beschreven. Daarbij:

  • Komt in paragraaf 2.2 eerst de ruimtelijke structuur aan bod. Hierbij worden dezelfde drie deelgebieden aangehouden als bij de ontstaansgeschiedenis. Bij de ruimtelijke structuur komen in drie subparagrafen de volgende aspecten aan bod: de stedenbouwkundige structuur, de architectuur en de openbare ruimte, het groen en het water;
  • Wordt in paragraaf 2.3 de functionele structuur van het plangebied toegelicht.

De bereikbaarheid van het plangebied voor de verschillende vervoersvormen (auto, openbaar vervoer, fiets en voetganger is beschreven in paragraaf 7.1 'Mobiliteit'.

2.1 Historie     

Het plangebied ligt ten zuidwesten van de Singelgracht, net buiten de historische binnenstad. Tot het einde van de negentiende eeuw was het ruraal gebied en maakte het deel uit van de Binnendijkse Buitenvelderse Polder - het ontgonnen veengebied tussen de Amstel en de Schinkel. Dit poldergebied werd doorsneden door sloten die uitmondden in de Singelgracht en de Boerenwetering, het water dat het plangebied aan de oostzijde begrenst. Afgezien van het Schapenburgerpad (achter de P.C. Hooftstraat), het verdwenen Mennonietenpad (ter hoogte van de Hobbemastraat) en de Schagerlaan (nu Ruysdaelstraat) kon het gebied alleen te water doorkruist worden. Er waren met name molens, tuinderijen en lusthoven te vinden. Aan de Boerenwetering bevond zich bovendien wat industrie.

Het plangebied raakt in de periode 1870-1930 gebouwd. Doordat hier verschillende plannen aan ten grondslag lagen en sommige ontwikkelingen simultaan op verschillende locaties in het gebied plaatsvonden, is bij de onderstaand ontstaansgeschiedenis en beschrijving van de huidige situatie het plangebied opgesplitst in drie deelgebieden:

  1. Museumpleinbuurt en Duivelseiland;
  2. Concertgebouw- en Valeriusbuurt;
  3. Plan Zuid-strook.

verplicht
Afbeelding: Het plangebied en de drie onderscheiden deelgebieden.  

1. Museumpleinbuurt en Duivelseiland

De eerste stedelijke bebouwing ontstond in de jaren 1870 direct ten zuiden van het Vondelpark met de aanleg van de P.C Hooftstraat en de Vossiusstraat. Deze volgden de aanwezige polderverkaveling. De rest van de Museumpleinbuurt werd in het uitbreidingsplan van Kalff (1877) bestemd tot een luxewijk, waarvoor het in 1902 vastgestelde uitbreidingsplan van P.J.H. Cuypers (tevens architect van het in 1885 gerealiseerde Rijksmuseum) grotendeels de basis vormde. Op basis daarvan kreeg de wijk een waaiervormige structuur van radialen en geknikte dwarsverbindingen die voortborduurt op de opzet van de zeventiende-eeuwse grachtengordel. Het middelpunt wordt gevormd door het Rijksmuseum met het daarachter gelegen Museumplein, dat werd gebruikt voor diverse manifestaties en waarop in de winters altijd werd geschaatst. Daaromheen bevonden zich al sinds de jaren 1880-90 het Stedelijk Museum en - aan de overkant van de Van Baerlestraat - het Concertgebouw. Duivelseiland vormt de zuidpunt van dit gebied en werd al vanaf 1890 bebouwd. Het ging hierbij om speculatiebouw, waarbij de verkaveling de oude poldersloten volgde. Deze rastervormige opzet botste met het plan van Cuypers, wat de verdraaiing in de straten ten zuidoosten van het Museumplein, waaronder de Gabriël Metsustraat, verklaart. Beide buurten behoren tot de 19de-eeuwse Ring.

2. Concertgebouw- en Valeriusbuurt

Het gebied ten westen van de Van Baerlestraat lag aanvankelijk op het grondgebied van de gemeente Nieuwer-Amstel, waarvan dit deel in 1896 door Amsterdam werd geannexeerd. Vanwege de dreigende annexatie was er in de jaren 1880 al begonnen met het ontwikkelen van het gebied dat tegen de grens aan lag, wat leidde tot de aanleg van de Willemsparkweg, Koninginneweg, Van Eeghenstraat en -laan en de Alexander Boersstraat, die precies de loop van de gemeentegrens volgde. Na de annexatie maakte L.C.M. Lambrechtsen van Ritthem, de toenmalige directeur van Dienst Publieke Werken, in 1899 een uitbreidingsplan voor de invulling van dit gebied. Nadat dit was afgewezen, werd architect H.P. Berlage gevraagd een plan te maken. Ook dit eerste Plan Zuid (1905) werd niet vastgesteld. Toch zijn delen van beide plannen gebruikt voor de verdere invulling van het gebied ten zuiden van de Willemsparkweg. Net als de wijken die volgens het plan van Kalff tot stand zijn gekomen, volgt de opzet van dit gebied de oude polderverkaveling en wordt het dan ook tot de 19e-eeuwse Ring gerekend. De structuur bestaat uit een raster van lange oost-westlopende straten dat wordt doorsneden door noord-zuidlopende dwarsstraten, gelegen tussen de Van Baerlestraat en Amstelveenseweg, waarbij de bebouwing in het westelijk deel in de jaren 1910 werd gerealiseerd.

3. Plan Zuid-strook

Dit gebied is tot stand gekomen op basis van het tweede, vastgestelde Plan Zuid van Berlage (1917) en werd gerealiseerd in de jaren 1920-30. Het is in veel opzichten een overgangsgebied tussen de 19e-eeuwse Ring en de Gordel '20-'40. Het westelijke deel van de strook bouwt voort op de negentiende-eeuwse orthogonale structuur, waarbij de noord-zuidlopende dwarsstraten tot aan het kanaal werden doorgetrokken en drie daarvan, de Cornelis Schuytstraat, Emmastraat en de Emmalaan/het Valeriusplein de buurt middels bruggen verbinden met de Stadionbuurt. In het zuidoostelijk deel, gelegen tussen de Cornelis Schuytstraat en de Boerenwetering, gaat de orthogonale structuur over in een verkaveling van onregelmatig gevormde bouwblokken, begeleid door knikkende noord-zuidstraten. Tussen de Joh. M. Coenenstraat en Roelof Hartstraat is de Harmoniehofbuurt, voor Plan Zuid kenmerkende hovenbebouwing, gerealiseerd. Ook het Noorder Amstelkanaal maakte onderdeel uit van Berlage's plan: dit heeft een belangrijke structurerende functie binnen het op basis van Plan Zuid gerealiseerde gebied.

Alle buurten binnen het plangebied zijn grotendeels herkenbaar gebleven als onderdelen van de 19e-eeuwse Ring en de Gordel '20-'40. Er hebben in tegenstelling tot een aantal andere buurten binnen de 19de-Ring geen grote stadsvernieuwingsprojecten plaatsgevonden. Het enige dat veel veranderingen heeft ondergaan is het Museumplein, waar op basis van een door Cornelis van Eesteren gemaakt ontwerp vanaf 1953 een autoweg overheen liep - een ontwikkeling die weer is teruggedraaid met het in 1999 gerealiseerde ontwerp van architect S.I. Andersson. Daarnaast zijn de culturele instellingen die het plein afbakenen in de afgelopen decennia één of meerdere keren verbouwd en/of voorzien van een uitbreiding.

2.2 Beschrijving huidige situatie: ruimtelijke structuur     

2.2.1 Stedenbouwkundige opzet     

1. Museumpleinbuurt en Duivelseiland

De P.C. Hooftstraat, Vossiusstraat en het Schapenburgerpad volgen de oorspronkelijke polderverkaveling, het deel van de Museumpleinbuurt gelegen tussen de Jan Luijken-, Van Baerle- en Nicolaas Maesstraat is planmatig tot stand gekomen en volgt een waaiervormige structuur van radialen en geknikte dwarsverbindingen die voortborduurt op de opzet van de zeventiende-eeuwse grachtengordel. Het middelpunt wordt gevormd door het Museumplein. De bebouwing is noord-zuidgeoriënteerd en bestaat overwegend uit gesloten blokbebouwing. Aan de weerszijden van het Museumplein bevinden zich villa's en ensembles van twee- en drie-onder-één kap. Culturele voorzieningen bevinden zich in de grote, beeldbepalende gebouwen rondom het Museumplein en aan de Van Baerlestraat. Een aantal publieke voorzieningen, waaronder een school en het Zuiderbad, ligt aan de Boerenwetering. Winkels bevinden zich met name in de P.C. Hooftstraat en in de Van Baerlestraat, die net als de Paulus Potterstraat een belangrijke uitvalsroute vormt. Aan deze straten zijn ook kantoren en horeca te vinden.

De bebouwing op het Duivelseiland volgt de oude slotenverkaveling van de polder. Ten zuidoosten van het Museumplein botst deze rastervormige opzet met de waaiervormige opzet in de Musempleinbuurt, wat de verdraaiing in de straten, waaronder de Gabriël Metsustraat, verklaart. Rondom het grotendeels onder Plan Zuid gerealiseerde Roelof Hartplein bevinden zich van oudsher maatschappelijke voorzieningen. Zowel hier als aan de Van Baerle-/Roelof Hartstraat, die deel uitmaken van de binnenring en aantakken op de Ceintuurbaan, zijn horeca, winkels en kantoren gevestigd. Verspreid in de buurt zijn in de plinten van de bebouwing winkels en horeca te vinden.

2. Concertgebouw- en Valeriusbuurt

Deze wijk volgt de oude slotenverkaveling van de polder en bestaat uit een grid van lange oost-westlopende straten dat wordt doorsneden door noord-zuidlopende dwarsstraten. Uitzonderingen op de rechtlijnige verkaveling zijn de Koninginneweg, die haar slingerende loop te danken heeft aan de parkachtige opzet van het Willemspark (geen onderdeel van het plangebied), en de kronkelende Alexander Boersstraat, die de voormalige gemeentegrens tussen Amsterdam en Nieuwer-Amstel volgt. Het Valeriusplein en de ruitvormige pleintjes in de Willemsparkweg en Johannes Verhulststraat, zijn de enige pleinen in de buurt (het Concertgebouwplein vervult die functie tegenwoordig niet meer). De wijk is voornamelijk bebouwd met gesloten bouwblokken met etagewoningen en herenhuizen. Winkel- en horecavoorzieningen bevinden zich vaak in de plinten van bebouwing en zijn verspreid in de buurt te vinden, veelal in afschuinde hoeken op kruispunten. In de De Lairessestraat zijn veel kantoren en publieke gebouwen te vinden. Deze as vormt tevens een belangrijkste verkeersverbinding tussen de Van Baerlestraat en Amstelveenseweg. Dit geldt ook voor de Willemsparkweg-Koninginneweg, die zowel aantakt op de Paulus Potterstraat in de Museumpleinbuurt als de Zeilstraat in de Schinkelbuurt.

3. Plan Zuid-strook

Het zuidelijk deel van het plangebied, gelegen tussen de Cornelis Krusemanstraat / De Lairessestraat, Jacob Obrechtstraat, Bonckhorststraat, Roelof Hartstraat en het Noorder Amstelkanaal, is tot stand gekomen op basis van het tweede, vastgestelde Plan Zuid van Berlage (1917). Het westelijk deel van de strook bouwt voort op de negentiende-eeuwse orthogonale structuur, waarbij de noord-zuidlopende dwarsstraten tot aan het kanaal zijn doorgetrokken en drie daarvan eroverheen zijn gelegd en de buurt verbinden met de Stadionbuurt. Het Valeriusplein maakt deel uit van een hoofdas die het Vondelpark verbindt met Plan Zuid. In het zuidoostelijk deel, gelegen tussen de Cornelis Schuytstraat en de Boerenwetering, gaat de orthogonale structuur over in een verkaveling van onregelmatig gevormde bouwblokken, begeleid door knikkende noord-zuidstraten. De bebouwing bestaat voornamelijk uit grote, gesloten bouwblokken met etagewoningen. Uitzonderingen zijn enkele villa's en twee-onder-één-kapwoningen aan het Noorderamstelkanaal, de Lairessestraat en Cornelis Schuytstraat, en de vrijstaande huizen in de Harmoniehof. Winkel- en horecavoorzieningen bevinden zich in de plinten van bebouwing aan de belangrijkere hoofdstraten, de Cornelis Kruseman-/De Lairessestraat, Joh. M. Coenenstraat, Van Baerle-/Roelof Hartstraat en het Roelof Hartplein. Veel scholen liggen aan het Noorder Amstelkanaal.

2.2.2 Architectuur     

1. Museumpleinbuurt en Duivelseiland

De Museumpleinbuurt bestaat grotendeels uit gesloten blokbebouwing van vier bouwlagen met kap. De gevels van de woonblokken bestaan uit apart vormgegeven huizen of uit ensembles van twee of meer. Aan de weerszijden van het Museumplein bevindt zich vrijstaande bebouwing: villa's en ensembles van twee- en drie-onder-één kap. Rondom het plein en aan de Van Baerlestraat zijn grotere, beeldbepalende gebouwen te vinden waarin veelal culturele instellingen zijn gevestigd. In de Johannes Vermeerstraat is woningbouw gerealiseerd die verwant is aan Engelse 'terrace' bouw, met huizen van drie of meer verdiepingen met voortuinen. Aan de Hobbemakade en Pieter de Hoochstraat bevindt zich een aantal later gerealiseerde grootschalige appartementencomplexen. De planmatige opzet van deze luxewijk voorzag in een hoge kwaliteit van architectuur. De bebouwing in de P.C. Hooft- en Vossiusstraat wisselt wat in hoogte, doordat deze al voor 1890, toen de stadsuitbreiding pas net op gang kwam, werd gerealiseerd. Deze is meestal niet hoger dan drie lagen met kap. Hoewel de manier waarop de gesloten woonblokken zijn vormgegeven in Museumpleinbuurt en Duivelseiland hetzelfde is, verschilt deze sterk in kwaliteit. Gaat het bij de eerste buurt om woningen voor de gegoede burgerij, op Duivelseiland om speculatiebouw met merendeels etagewoningen. Kenmerkend voor deze buurt is de aaneengeschakelde gesloten blokbebouwing en de ingetogen baksteenarchitectuur met staande ramen en gemetselde lateien. Hier is ook veel gebruik gemaakt van afgeschuinde hoeken, een belangrijk kenmerk van de 19e-eeuwse Ring.

2. Concertgebouw- en Valeriusbuurt

In dit deel van het plangebied zijn vooral aaneengeschakelde etagewoningen, meestal van vier of vijf lagen hoog met kap, te vinden. Een uitzondering hierop vormt de Willemsparkweg en de Alexander Boersstraat. Hier staat ook bebouwing van drie lagen of in enkele gevallen zelfs minder, omdat deze werd ontwikkeld in vroeger stadium - toen dit gebied nog onderdeel was van de gemeente Nieuwer-Amstel. Het merendeel is echter gebouwd in de periode 1900-1915. De bebouwing is vormgegeven in een eenvoudige vormentaal met baksteen en versieringen in natuursteen en staal. Op de kruispunten van de ruitvormige pleintjes weerspiegelt de architectuur van de hoekbebouwing die van de overzijde. Ook de afgeschuinde hoeken die op veel plekken terugkomen in de wijk, zijn vaak voorzien van verbijzonderingen in de architectuur. Tot aan de Jacob Obrechtstraat is de architectuur wat rijker van ornament, en in de Alexander Boersstraat zelfs zeer schilderachtig, maar daarna wordt de architectuur sober. Kenmerkend aan de bebouwing die hier tot 1915 is gerealiseerd, is dat op veel plaatsen ruimtes tussen de kopbebouwing en de lange zijde van het woonblok zijn opengelaten of, zoals in sommige delen van de Valeriusbuurt, tussen de beide langswanden. Reden hiervoor was dat op die manier het probleem van het ontwerp van een goede hoekwoning werd omzeild en voor de woningen op de kop van een bouwblok een betere daglichttoetreding mogelijk was. De gaten zijn op de begane grond vaak afgesloten met een provisorisch ontworpen muur, maar vormen soms ook een integraal onderdeel van de architectuur van de aangrenzende woningen. Hoewel esthetisch niet altijd van grote waarde, zijn ze vanuit cultuurhistorisch oogpunt kenmerkend voor de negentiende-eeuwse stedenbouw.

3. Plan Zuid-strook

Bij de invulling van Plan Zuid werden gehele woningbouwblokken of delen daarvan als een geheel ontworpen en vrijwel altijd met platte daken. In het plangebied gaat het hoofdzakelijk om gesloten bouwblokken voor de middenklasse in donkere baksteen, gebouwd in de voor Plan Zuid kenmerkende Amsterdamse Schoolstijl, en enkele villa's en twee-onder-één-kapwoningen. De hiërarchie tussen de secundaire en hoofdwegen komt tot uiting in de architectuur. Aan de meeste hoofdwegen telt de bebouwing overwegend vijf lagen, aan de secundaire wegen zijn dat er vier of drie, wat vooral tot uiting komt in het zuidoostelijk deel van dit gebied. De architectuur van de bouwblokken bepaalt door het terugspringen van wanden of hoeken de vorm van de stedenbouwkundige ruimtes van straten en pleinen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van in het oog springende geaccentueerde hoekbebouwing, torens in de zichtas van de straat, poorten en andere elementen. Tussen de Joh. M. Coenenstraat en Roelof Hartstraat is voor Plan Zuid kenmerkende hovenbebouwing gerealiseerd. Deze buurt kent een sterke eenheid. Aan De Lairessestraat/Cornelis Krusemanstraat wisselen villa's, losstaande appartementencomplexen en aaneengesloten bebouwing elkaar af.

2.2.3 Openbare ruimte, groen en water     

1. Museumpleinbuurt en Duivelseiland

Door de planmatige opzet kent de Museumpleinbuurt een hoogwaardige inrichting van de openbare ruimte. Alle straten in de buurt zijn voorzien van boombeplanting, waarbij er vaak sprake is van een middenstoep of -berm waarop een enkele of dubbele rij bomen is geplant. Het Museumplein fungeert met haar grote gazon en geplante bomenrijen als groene long van de buurt. Ook de tuinen van het Rijksmuseum, die van de villa's rondom het Museumplein en de (voor)tuinen in de Johannes Vermeer- en Gabriël Metsustraat dragen bij aan de groenbeleving. Ander openbaar groen is aanwezig in de vorm van de driehoekige plantsoentjes rondom het Johannes Vermeerplein en aan het begin van de P.C. Hooftstraat. Het openbare groen op het Duivelseiland beperkt zich tot de enkele bomen die aan één straatzijde geplant in de aanvankelijk stenige straten, en het plantsoen aan het Roelof Hartplein. Verder is het groen hier uitsluitend te vinden achter de gesloten gevels van de binnentuinen. De Boerenwetering is naast een historische ook een belangrijke ruimtelijke as.

2. Concertgebouw- en Valeriusbuurt

In de Concertgebouw- en Valeriusbuurt zijn verschillende pleinen te vinden, waarvan de grootste het Valeriusplein is, dat samen met het (buiten het plangebied gelegen) Emmaplein een aaneenschakeling van stedelijke ruimtes met plantsoenen en laanbeplanting vormt die richting het Vondelpark loopt. Ook het Concertgebouwplein was aanvankelijk voorzien van een groenstrook, maar deze is later verdwenen. De ruitvormige pleintjes in de Cornelis Schuytstraat en Willemsparkweg hebben hun vorm te danken aan de afgeschuinde bouwblokken. Op deze wijze zijn op meer plekken in het gebied open ruimtes gerealiseerd, zoals op de kruising van de Johannes Verhulst- en Dufaystraat. Doordat bijna alle straten zijn voorzien van beplanting, draagt het groen in grote mate bij aan de kwaliteit van de wijk. Noemenswaardig is de Lohmanstraat, die wordt gekenmerkt door scheef gegroeide platanen. In de Van Eeghenstraat en -laan, P.C. Hooft- en Vossiusstraat draagt het Vondelpark bij aan de groenbeleving. Verder is ook in deze wijk veel privégroen niet zichtbaar vanwege de stedenbouwkundige opzet van gesloten bouwblokken. Het groen in de binnentuinen is dan ook belangrijk voor de woonkwaliteit van de buurt.

3. Plan Zuid-strook

De pleinen in dit deel van het plangebied liggen bijna allemaal op de grens met de 19e-eeuwse Ring en hebben een scharnierfunctie tussen de verschillende systemen. Zowel het onder Berlage verder naar het zuiden doorgetrokken Valeriusplein als het Roelof Hartplein hebben daarnaast de functie van verkeersplein. Groen werd in het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan mee ontworpen en is royaal aanwezig in dit deel van het plangebied. De openbare groenvoorzieningen bestaan voornamelijk uit grasvelden en plantsoenen die dienen ter accentuering van de stedenbouwkundige structuur. Dit is onder andere te zien bij het Banplein, dat is voorzien van een geometrisch gazon, en het rechthoekige plantsoen met vijver dat het hart vormt van het door J. van Epen ontworpen Harmoniehof. De bomen zijn in dit gebied gerelateerd aan de hoogte van de bebouwing: in hoofdstraten zijn deze hoger dan in de kleinere zij- en dwarsstraten. Ook de plaatsing van de bomen verschilt per straatprofiel. Zo is de royale groenstrook langs de Hobbemakade, die als een buffer tussen de drukke weg en de bebouwing van de Harmoniehofbuurt in ligt, voorzien van groepen bomen, terwijl het plantsoen in de Harmoniehof is voorzien van solitaire bomen. Groen is ook ingezet om de waterlopen, die een structurerende functie hebben binnen Plan Zuid, te accentueren. Zowel de kade van het Noorder Amstelkanaal als het deel van de Boerenwetering dat zich ten zuiden van de Ceintuurbaan bevindt, bestaat uit met gras beplante, licht glooiende taluds waarin verschillende solitaire bomen zijn gepland. Zij dragen in grote mate bij aan de groenbeleving van dit gebied. Een belangrijk maar onzichtbaar onderdeel van de groenstructuur bestaat uit de royale binnentuinen van de woningbouwcomplexen.

2.3 Beschrijving huidige situatie: functionele structuur     

Het Museumkwartier - Valeriusbuurt is een divers plangebied. Zowel het Museumkwartier als de Valeriusbuurt zijn te typeren als woongebieden, maar het zijn geen monofunctionele woongebieden. Er vindt een duidelijke menging van woningen met niet-woonfuncties plaats, waarbij verschillende buurten met elk een eigen karakter kunnen worden onderscheiden. Tussen deze buurten is er meestal ook geen sprake van een duidelijke grens. De verschillende buurten lopen geleidelijk in elkaar over. Het voorzieningenaanbod verschilt dan ook per buurt. Zo heeft het voorzieningenaanbod in het Museumkwartier een grootstedelijk en meer internationaal karakter, terwijl het aanbod in de Valeriusbuurt vooral buurtgericht is.

In deze paragraaf wordt de huidige functionele structuur van het plangebied beschreven. Daarbij komen eerst de diverse niet-woonfuncties aan bod. Afgesloten wordt met een korte toelichting op de woonfunctie in het plangebied.

2.3.1 Niet-woonfuncties     

Functiemenging

Functiemenging betekent simpelweg dat een bepaald gebied zich kenmerkt door de aanwezigheid van verschillende functies. Binnen een gebouw, een straat, buurt of wijk en op de hogere schaalniveaus, en steeds weer in een andere verhouding. Het gaat om de menging tussen wonen, werken en vrijetijdsbesteding, en om de menging binnen deze functies.

verplicht
Afbeelding: Uitsnede kaart Functiemix Amsterdam

Op de bovenstaande uitsnede van de kaart 'Functiemix Amsterdam' van de gemeente Amsterdam is goed te zien dat het Museumkwartier en de Valeriusbuurt hoofdzakelijk woonbuurten zijn, maar dat er in een aantal buurten sprake is van een hoge mate van functiemenging. Die doet zich vooral voor rond het Museumplein (menging met kantoren en de grote culturele instellingen), langs de P.C. Hooftstraat (met winkels), langs de Van Baerlestraat (met winkels en cosumentgerichte dienstverlening) en langs het zuidelijke deel van de De Lairessestraat (met kantoren). Naast de economische linten is ook verspreid over de woonbuurten relatief veel sprake van invulling door een niet-woonfunctie, en dan vooral in de plint. Onderstaande uitsnede van de 'Functiekaart Amsterdam' van de gemeente geeft hiervan een goede indruk.

verplicht
Afbeelding: Uitsnede Functiekaart Amsterdam

Voorzieningenstructuur 

Als het gaat om de voorzieningenstructuur, dan wordt in dit bestemmingsplan onderscheid gemaakt naar vier deelgebieden. Deze gebiedsindeling hangt samen met een aantal gebiedsspecifieke uitgangspunten. De uitgangspunten worden in Hoofdstuk 3 nader toegelicht.

De vier onderscheiden deelgebieden zijn elk in min of meerdere mate voor hun voorzieningen georiënteerd op een bepaald voorzieningencluster. De vier deelgebieden zijn:

  1. Museumplein en omgeving: Veel voorzieningen in dit deel van het plangebied hebben een grootstedelijk en internationaal karakter. Ze zijn gericht op zowel bewoners, bezoekers als toeristen. Daarmee onderscheiden deze voorzieningen zich van de voorzieningen uit de andere clusters die vooral op bewoners zijn gericht. Het voorzieningencluster wordt gevormd door de P.C. Hooftstraat en het noordelijk deel van de Van Baerlestraat. Deze straten maken onderdeel uit van het Amsterdamse kernwinkelgebied en kenmerken zich als een exclusief winkelgebied met niet-dagelijkse winkels in hogere segment. Daarnaast bevindt zich in dit deelgebied een cultureel cluster met een aantal toonaangevende musea en het Concertgebouw.
  2. Roelof Hartplein en omgeving: De voorzieningen in dit plandeel zijn geclusterd in het zuidelijk deel van de Van Baerlestraat en in de Roelof Hartstraat. Het voorzieningenaanbod richt zich vooral op bewoners met een mix van dagelijkse en niet-dagelijkse winkels en dienstverleners. Er zijn relatief veel winkels en horeca uit het hogere segment gevestigd. Daarnaast is er een kleiner cluster met vooral buurtgerichte voorzieningen aanwezig in de Ruysdaelstraat.
  3. Cornelis Schuytstraat en omgeving: De voorzieningen in dit plandeel zijn geclusterd in de Cornelis Schuytstraat. Deze van oorsprong typische buurtgerichte winkelstraat heeft zich in de afgelopen 15 jaar getransformeerd tot een nichewinkelstraat met winkels voor dagelijkse en niet-dagelijkse boodschappen in het hogere segment. Daarnaast zijn er in het eerste deel van de Willemsparkweg, de Jacob Obrechtstraat en de Emmastraat ook winkels aanwezig. Deze winkels liggen echter verspreid langs deze straten en zijn niet geclusterd.
  4. Valeriusbuurt: In dit plandeel zijn de voorzieningen verspreid over drie kleinere clusters langs de Hendrik Jacobszstraat, de kruising Valeriusplein/ Koninginneweg en de Cornelis Krusemanstraat. Er zijn ook een aantal winkels aanwezig in het deel van de Koninginneweg tussen de Hendrik Jacobstraat en de Amstelveenseweg. Met uitzondering van de winkels op de kop van de Koninginneweg (die onderdeel uitmaken van het winkelgebied Amselveenseweg-Zeilstraat-Hoofddorpplein) liggen deze echter verspreid. Bewoners uit deze buurt zijn voor een deel van hun dagelijkse en niet-dagelijkse boodschappen aangewezen op nabijgelegen winkelgebieden zoals de Amstelveenseweg - Zeilstraat - Hoofddorpplein, de Cornelis Schuytsstraat of de Stadionweg - Olympiaplein.

In de onderstaande kaart zijn de verschillende voorzieningenclusters in het plangebied afgebeeld.

verplicht
Afbeelding: De voorzieningenstructuur in het plangebied.  

De straten waarin in het bestemmingsplan ruimte wordt geboden voor nieuwe publieksgerichte voorzieningen (zoals de Honthorststraat en Paulus Potterstraat) zijn eveneens in de afbeelding opgenomen. In Hoofdstuk 3 'Uitgangspunten' wordt nader toegelicht waarom er in deze straten ruimte wordt geboden voor de vestiging van nieuwe publieksgerichte voorzieningen.

Cultuur en ontspanning

Rond het Museumplein staan niet alleen de drie grote internationale musea (Rijksmuseum, Van Gogh Museum en Stedelijk Museum). Ook het Moco Museum, het Coster Diamonds/ Diamant museum en het House of Bols trekken jaarlijks veel (internationale) toeristen. De populariteit van deze publiekstrekkers, en daarmee de bezoekersaantallen, is de afgelopen jaren ook aanzienlijk groter geworden. Het Rijksmuseum kreeg in 2016 ruim twee keer, en het Stedelijk Museum vier keer zoveel bezoekers ten opzichte van 2008 (Bron: Trendrapport Stad 2016, Verkenning naar de ruimtelijk-economische functiemenging in Amsterdam). Sindsdien zijn deze bezoekersaantallen alleen maar verder gegroeid. In 2019 (voor de uitbraak van de Covid19-pandemie) trokken alleen al de drie grote musea (Rijksmuseum, Van Gogh Museum en Stedelijk Museum) te samen bijna 5,5 miljoen bezoekers per jaar.

De groei van het aantal bezoekers is niet alleen het gevolg geweest van een toename van het aantal buitenlandse toeristen. Ook de bewoners van Amsterdam en binnenlandse bezoekers hebben daaraan bijgedragen. Het vrijetijdsgedrag van de Nederlander is de afgelopen jaren intensiever, frequenter, gevarieerder en uithuiziger geworden.

Op het Museumplein zelf vinden daarnaast jaarlijks meerdere grootschalige manifestaties en evenementen plaats.

Het Museumplein, met de daarbij behorende randen, kent een specifiek gebruik. Door de aanwezigheid van grote musea en het concertgebouw vormt het Museumplein een belangrijk cultureel centrum. Aan de noord-westzijde en de zuid-oostzijde zijn grote kantoorpanden aanwezig. In de panden rondom het Museumplein zijn weinig publiekgerichte functies aanwezig.

Hierboven zijn in het kader van de voorzieningenstructuur de detailhandel en consumentgerichte dienstverlening in de vier deelgebieden van het plangebied beschreven. Aanvullend daarop wordt hieronder een beschrijving gegeven van de belangrijkste andere niet-woonfuncties die in het plangebied aanwezig zijn.

Overige functies

Bovenstaande ontwikkelingen hebben geresulteerd in een toename van de drukte en meer verkeersbewegingen (met name fietsen en lopen) in en rond het Museumkwartier. Veel winkels en voorzieningen hebben daarop ingespeeld en zijn van profiel veranderd naar nieuwe soorten formules. Traditionele winkels en voorzieningen zijn zo veranderd naar een toeristisch profiel. Het zijn toeristische voorzieningen geworden, vormen van detailhandel en dienstverlening waarbij de exploitatie uitsluitend nog gericht is op dagjesmensen en toeristen, zoals souvernirwinkels, fietsverhuur of ticketshops.

Uitgangspunt is dat in het bestemmingsplan een regeling wordt opgenomen om ongewenst gebruik tegen te gaan vanwege hun negatieve effecten op het woon- en leefklimaat. Hierbij moet worden gedacht aan belwinkels, automatenhallen, seksinrichtingen, geldwisselkantoren en smartshops. Reeds aanwezig ongewenste gebruiksfuncties worden in dit bestemmingsplan positief bestemd. Daarnaast worden ook vuilstort en milieuzoneringsplichtige bedrijven uitgesloten.

Om een verdere toename van toeristische voorzieningen tegen te gaan, geldt in dit bestemmingsplan een vergelijkbare regeling winkels en voorzieningen die zich uitsluitend of voornamelijk richten op toeristen (zie verder Hoofdstuk 3. 'Uitgangspunten').

2.3.1.1 Kantoren en bedrijven     

Kantoren 

In het plangebied zijn veel kantoren gevestigd in de niet-consumentgerichte dienstverleningssector Vaak zijn deze bedrijven gevestigd in voormalige villa's en herenhuizen die tot kantoor zijn omgebouwd. Een concentratie van kantoorpanden is te vinden in o.a. de De Lairessestraat, de J.J. Viottastraat, de Willemsparkweg, de Paulus Potterstraat en de Johannes Vermeerbuurt.

Aan en in de omgeving van het Museumplein bevinden zich enkele buitenlandse consulaten. Aan de zuid-oosthoek van het Museumplein gaat het om het Consulaat Generaal Verenigde Staten (Museumplein 19) en het Consulaat van Turkije (Museumplein 17). Het Consulaat-Generaal van Duitsland is gevestigd in de Honthorststraat 36-38. In het pand aan de Jan Luijkenstraat 5 bevindt zich het Consulaat van Grenada.

Niet-publieksgerichte zakelijke dienstverlening, dat wil zeggen kantoren die alleen in de begane grond zijn gevestigd en geen inloop- of baliefunctie hebben, maken eveneens onderdeel uit van de kantoren. Hierbij moet worden gedacht aan kleine kantoren van advocaten, notarissen, adviesbureaus en dergelijke. Deze vorm van dienstverlening komt verspreid over het plangebied veel voor, met name op hoekpunten van straten.

Bedrijven 

Met uitzondering van enkele garagebedrijven zijn bedrijven in het plangebied nagenoeg niet aanwezig. Het Museumkwartier en de Valeriusbuurt zijn gebouwd als wijken voor de hogere klassen. In dit soort wijken werden productiebedrijven van oudsher geweerd. Deze vestigden zich in de volksbuurten.

Het Duivelseiland is de enige buurt binnen het plangebied waar enkele ambachtelijke bedrijven zijn gevestigd. Dit is een voormalige volksbuurt die qua karakter meer op De Pijp lijkt dan op het chique Museumkwartier.

2.3.1.2 Maatschappelijke voorzieningen     

Bij maatschappelijke functies gaat het om verschillende vormen van (medische) gezondheidszorg, kunst, (sociaal-)cultureel werk, welzijnsinstellingen, woonzorg (waarbinnen woonzorgcentrum), kinderopvang, onderwijs en educatie, sport, religie, overheidsvoorzieningen en dergelijke.

In het plangebied komen verschillende vormen van maatschappelijke dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen voor.

De kleinschalige vestigingen van maatschappelijke dienstverlening zijn in het plangebied verspreid te vinden, met name in de begane grond. Het gaat om praktijkruimtes van huisartsen, tandartsen, fysiotherapeuten en dergelijke. De meeste van deze voorzieningen bevinden zich in de woonstraten.

Dat laatste geldt ook voor kinderdagverblijven, waarvan er in dit plangebied relatief veel aanwezig zijn.

De grote maatschappelijke voorzieningen zijn meestal gevestigd in een eigen gebouw. Dat geldt onder andere voor de basisscholen en de scholen voor middelbaar onderwijs:

  • in het plangebied bevinden zich meerdere scholen voor basisonderwijs. Het betreft de Cornelis Vrijschool (Van de Veldestraat 3), Basisschool Schreuder (Van de Veldestraat 10), de Nicolaas Maesschool (Nicolaas Maesstraat 124), de Peetersschool (Richard Holstraat 8), De Kleine Nicolaas (Cornelis Krusemanstraat 10) en basisschool Elout (Cornelis Krusemanstraat 68-70);
  • daarnaast zijn er vier grote scholen voor middelbaar onderwijs, te weten het Montessori Lyceum Amsterdam (Pieter de Hooghstraat 59), het Sweelinck College (Moreelsestraat 21), het Fons Vitae Lyceum (Reijnier Vinkeleskade 53) en het Amsterdams Lyceum (Valeriusplein 15).

Ook het College Hotel, gevestigd aan de Roelof Hartstraat 1, behoort tot de maatschappelijke voorzieningen. Het hotel heeft primair tot doel het bieden van onderwijs en opleiding. Daarmee valt het onder de noemer ''opleidingshotel".

In het plangebied staan een klein aantal kerkgebouwen die als zodanig in gebruik zijn. Het betreft de Sint-Agneskerk aan de Amstelveenseweg 163, de Obrechtkerk aan de Jacob Obrechtstraat 30 en de H.H. Petrus en Paulus kerk aan de Ruysdaelstraat 39.

In het plangebied bevinden zich tevens meerdere privéklinieken. Een deel daarvan heeft alleen de begane grond of de begane grond en eerste etage in gebruik, en een deel heeft een geheel pand in gebruik. Een aantal klinieken biedt hoofdzakelijk medisch niet-noodzakelijke zorg aan in de vorm van cosmetische behandelingen zoals plastische chirurgie of laserbehandelingen. Maar er is ook een aantal privéklinieken die hoofdzakelijk medisch noodzakelijke zorg aanbieden. Zo is het gehele pand De Lairessestraat 59 in gebruik bij het Oogziekenhuis Amsterdam en is het pand Jan van Goyenkade in gebruik bij het Medisch Centrum Jan van Goyen.

Bovenwijkse maatschappelijke voorzieningen zijn het Zuiderbad op de zuidelijke hoek Hobbemastraat-Hobbemakade, de brandweerkazerne 'Dirk' op de noordelijke hoek Hobbemastraat-Hobbemakade en de Jellinek Kliniek aan de Jacob Obrechtstraat 92.

2.3.1.3 Horeca     

De horeca in het plangebied bevindt zich vooral in de omgeving van het Museumkwartier. Dit hangt samen met de jaarlijks vele toeristen die de musea en de andere attracties rond het Museumplein bezoeken.

Eten en drinken 

De eet- en drinkgelegenheden in het plangebied bestaan voornamelijk uit restaurants en cafés. De meeste van deze horecagelegenheden zijn gevestigd langs de gehele Van Baerlestraat en de Roelof Hartstraat, de belangrijkste doorgaande route door het plangebied. De horeca in het zuidelijke deel van de Van Baerlestraat richt zich voor een deel op de bezoekers van het Concertgebouw.

Langs de Hobbemakade ter hoogte van het Duivelseiland bevinden zich eveneens meerdere horecagelegenheden. Dit sluit aan op de horeca zoals die zich in de naastgelegen De Pijp bevindt.

In het winkelcluster langs de Cornelis Schuytstraat zijn eveneens meerdere horecagelegenheden gevestigd. Deze horeca is vooral ondersteunend aan het hier aanwezige winkelaanbod.

Op en rond het Museumplein zijn horecagelegenheden gevestigd die zich vooral richten op de bezoekers van de musea rond het plein. Meerdere van de kiosken op het plein langs de Paulus Potterstraat worden als zodanig geëxploiteerd. Een deel van de in de omgeving van het Museumplein gevestigde en voor publiek toegankelijke horeca is onderdeel van de hier gevestigde hotels.

Hotels 

Vergeleken met de andere wijken in Amsterdam zijn in het plangebied veel hotels aanwezig.

De meeste hotels in het plangebied bevinden zich aan de noordzijde van het Museumplein, in het gebied tussen de Paulus Potterstraat en het Vondelpark. Enkele van deze hotels zijn groot tot zeer groot, zoals het Park Hotel aan de Stadhouderskade (circa 190 kamers), en het Conservatoriumhotel (circa 130 kamers) op de hoek van de Van Baerlestraat en de Paulus Potterstraat.

In het gebied rondom het Concertgebouw zijn eveneens relatief veel hotels aanwezig. Deze hotels richten zich niet alleen op toeristen, maar voorzien ook in logies voor musici die in het Concertgebouw optreden.

Aan de Stadhouderskade 50, ter hoogte van de Nicolaas Maesstraat, bevindt zich het (met circa 160 kamers) eveneens grote hotel Amsterdam Museum Quarter.

2.3.2 Wonen     

Het plangebied kenschetst zich als een overwegend woongebied. Vrijwel overal in het plangebied wordt gewoond. Het grootste deel van de woonbebouwing bestaat uit meergezinsbouw in gesloten bouwblokken, een gering deel bestaat uit losstaande villa's. De gemiddelde WOZ-waarde van de woningen is in het gehele plangebied (aanzienlijk) hoger dan in de stad als geheel.

Van west naar oost in het plangebied geldt dat hoe dichter men bij het centrum komt, er meer andere functies er aanwezig zijn. Deels betreffen dit centrumfuncties ten behoeve van de gehele stad, deels zijn het winkelstraten en deels zijn het functionele zones met overwegend zakelijke en financiële dienstverlening.

Voor het gehele plangebied geldt dat er relatief zeer weinig niet-westerse inwoners met een migratieachtergrond wonen en relatief veel nieuwe stedelingen van westerse afkomst (studenten en kenniswerkers).

Ten opzichte van het stedelijke gemiddelde kenmerkt de bevolkingsamensteling in het westelijke deel van het plangebied (de Valeriusbuurt) zich door de aanwezigheid van relatief veel jongeren in de leeftijd 0-17. Dit komt ook tot uiting in de huishoudenssamenstelling. In dit deel van het plangebied wonen in verhouding zeer veel gezinnen met kinderen en weinig alleenstaanden. In het oostelijke deel van het plangebied (het Museumkwartier) wonen in verhouding juist veel 65-plussers. De huishoudenssamenstelling is hier vergelijkbaar met het stedelijk gemiddelde. Alleen het aantal eenoudergezinnen is hier lager dan dat gemiddelde.

In beide delen van het plangebied is de tevredenheid met de eigen buurt hoog tot zeer hoog. De beoordeling van de ontwikkelingen in de buurt ligt in het gehele plangebied eveneens boven het stedelijke gemiddelde. Dat geldt ook ten aanzien van het veiligheidsgevoel in de buurt. In het Museumkwartier is de score op het ervaren van verloedering van de buurt hoger dan het stedelijk gemiddelde. Dit is waarschijnlijk mede een gevolg van de hoge aantallen bezoekers op en om het Museumplein.

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten     

De toelichting op de in het bestemmingsplan gehanteerde uitgangspunten bestaat uit vier delen. Begonnen wordt met de algemene uitgangspunten. Vervolgens zijn de uitgangspunten voor het bouwen uiteengezet. Dan worden de uitgangspunten voor de voorzieningenclusters beschreven en tot slot worden de uitgangspunten met betrekking tot de verschillende functies in het plangebied uiteengezet.

3.1 Algemene uitgangspunten     

Het huidige bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt is in 2011 vastgesteld en bevat ruimere bouw- en gebruiksmogelijkheden dan de recent vastgestelde bestemmingsplannen in stadsdeel Zuid. Het bieden van bouwmogelijkheden in bestaande stadswijken past goed in de compacte stadgedachte. Bovendien stimuleert dit investeringen die de bouwkundige kwaliteit van de bestaande voorraad op peil houden. Bouwinitiatieven kunnen echter ook de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid aantasten.

Sinds een aantal jaren is er sprake van een toegenomen bouwdynamiek in het plangebied. Bewoners en professionele vastgoedpartijen maken veel gebruik van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het plan bevat o.a. een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor de bouw van een extra daklaag. Ook worden er veel kelders, aan- en uitbouwen en dakterrassen gebouwd. Binnentuinen raken hierdoor meer versteend. Daarnaast is het straatbeeld op een aantal plekken aangetast door dakopbouwen die niet goed in het straatbeeld passen.

Onder een deel van de bewoners is weerstand ontstaan tegen deze bouwdynamiek. Zij vinden dat hun woongenot wordt aangetast. Ook zijn veel bewoners bezorgd over de aantasting van de cultuurhistorische waarden van het plangebied. Een groep bewoners heeft daarom een oproep gedaan aan stadsdeel Zuid om de ruime bouwmogelijkheden in te perken. Het opstellen van meer conserverende bestemmingsplannen is één van de maatregelen uit de aanpak bouwdynamiek. Om deze redenen is prioriteit gegeven aan de actualisering van dit bestemmingsplan.

De ambitie van het nieuwe bestemmingsplan is om een nieuw evenwicht te creëren tussen het mogelijk maken van investeringen en het beschermen van de bestaande kwaliteiten. Daarom worden de bouwmogelijkheden uit het huidige bestemmingsplan ingeperkt en worden de cultuurhistorische waarden beter beschermd. Deze ambitie sluit aan bij de doelstelling van de aanpak bouwdynamiek die luidt: "Het vinden van een goede balans tussen enerzijds het vergroten van leef- en woonoppervlakte en het waarborgen van kwaliteit in de stad, en anderzijds het bestrijden van de negatieve gevolgen van bouwdynamiek."

Opvallend is dat het huidige bestemmingsplan ook ruime gebruiksmogelijkheden bevat voor niet-woonfuncties. De gemeente wilde destijds de uitrol van het binnenstadsmilieu richting Oud-Zuid faciliteren en de ontwikkeling van het Museumkwartier tot een hoogstedelijk centrum met internationale allure stimuleren. Daarom maakt het bestemmingsplan op diverse plekken functionele transformaties mogelijk. Zo maakt het bestemmingsplan langs de Paulus Potterstraat en het grootste deel van de Willemsparkweg in alle panden nieuwe detailhandel mogelijk. Het grootste deel van deze panden is nu nog in gebruik als woning of kantoor. Ook hebben alle kantoorpanden langs de De Lairessestraat een gemengde bestemming gekregen waar detailhandel is toegestaan. Daarnaast maakt het bestemmingsplan in alle panden langs de zuidoostrand van het Museumplein nieuwe musea mogelijk. In deze panden zijn voornamelijk kantoren en enkele consulaten gevestigd. Tenslotte wordt via wijzigingsbevoegdheden op diverse plekken in het Museumkwartier nieuwe horeca mogelijk gemaakt.

De ruime gebruiksmogelijkheden hebben niet geleid tot een significante toename van het aantal winkels in de genoemde straten. De De Lairessestraat en de zuidoostrand van het Museumplein zijn nog steeds kantorenmilieus. In de Willemsparkweg zijn enkele winkels gevestigd, maar de betreffende panden waren vermoedelijk voor 2011 ook al in gebruik als winkel. Sinds 2011 heeft zich maar één nieuw museum in het plangebied gevestigd: het Moco museum. Dit museum is echter niet gevestigd in één van de panden waar nieuwe musea zijn toegestaan. De gemeente heeft voor de vestiging van dit museum een afwijking van het bestemmingsplan verleend.

Het huidige beleid van de gemeente is erop gericht om toeristen en bezoekers juist meer te spreiden over de stad. Het toestaan van nieuwe musea, horeca en winkels zorgt juist voor een concentratie van bezoekers in het toch al drukke Museumkwartier. Door de komst van het internet winkelen is de vraag naar fysieke winkelruimtes afgenomen. Hoewel in het Museumkwartier weinig winkelruimtes leegstaan, lijkt het niet erg waarschijnlijk dat straten waar nu geen winkels zijn gevestigd zullen transformeren naar winkelstraten. Mede daarom worden de ruime mogelijkheden voor het vestigen van nieuwe winkels, horeca en musea, zoals hiervoor beschreven (in voornoemde straten), ingeperkt.

Er moet echter wel ruimte blijven voor de vestiging van kleinschalige culturele voorzieningen. Het Museumkwartier wordt nu gedomineerd door grote culturele en toeristische trekpleisters, maar kleine culturele voorzieningen zoals bijvoorbeeld galeries zijn afwezig. Kleinschalige culturele voorzieningen kunnen een waardevolle toevoeging zijn aan het culturele klimaat van het gebied. Ze zorgen voor een meer divers cultureel klimaat, terwijl ze geen grote aantallen extra bezoekers aantrekken.

Gehanteerde algemene uitgangspunten

Voor het bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2022 gelden de volgende algemene uitgangspunten.

  • De bestaande legaal aanwezige situatie wordt positief bestemd. Alle bebouwing die en al het gebruik dat legaal aanwezig is, wordt in het bestemmingsplan toegestaan.
  • De bouwmogelijkheden worden ingeperkt ten opzichte van wat het huidige bestemmingsplan toelaat.
  • De cultuurhistorische waarden worden beter beschermd dan in het huidige bestemmingsplan.
  • De gebruiksmogelijkheden van panden met een niet-woonfunctie worden meer in overeenstemming gebracht met het bestaande gebruik van deze panden. Er blijft wel een bepaalde mate van uitwisselbaarheid tussen niet-woonfuncties mogelijk.

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is rekening gehouden met actuele wet- en regelgeving, de actuele gemeentelijke beleidskaders en de ambities uit het coalitieakkoord. Deze zijn waar mogelijk verwerkt in het bestemmingsplan.

In dit bestemmingsplan worden in beginsel geen nieuwe bouwprojecten mogelijk gemaakt. Een uitzondering hierop vormen initiatieven waarvoor reeds een omgevingsvergunning is verleend. Voorwaarde is wel dat die omgevingsvergunning nog steeds van kracht is en er geen bezwaar of beroep loopt. Indien een omgevingsvergunning weer is ingetrokken, dan wordt het betreffende initiatief niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan.

Met het bestemmingsplan worden geen bouwplannen mogelijk gemaakt waarvoor op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro een exploitatieplan opgesteld dient te worden. Dit soort bouwplannen wordt alleen opgenomen op het moment dat het kostenverhaal (anderszins dan door een exploitatieplan) verzekerd is (d.m.v. bijvoorbeeld een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer).

3.2 Uitgangspunten bouwen     

De uitgangspunten ten aanzien van de bouwmogelijkheden gelden in beginsel voor alle particuliere percelen met hoofdbebouwing. In voorkomende gevallen kan maatwerk worden toegepast voor een bepaald perceel of een bepaalde bestemming.

Hier worden achtereenvolgens de uitgangspunten voor de volgende aspecten uiteengezet:

  • Cultuurhistorische waarden;
  • Goot- en bouwhoogtes;
  • Ondergronds bouwen;
  • Aan- en uitbouwen (op binnenterreinen).

3.2.1 Cultuurhistorische waarden     

De cultuurhistorische waarden van het Museumkwartier en de Valeriusbuurt worden algemeen erkend. Dit blijkt o.a. uit feit dat de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed heeft onderzocht of het gehele plangebied kan worden aangewezen tot Rijksbeschermd stadsgezicht. De zuidelijke rand van het plangebied is uiteindelijk onderdeel geworden van het Rijksbeschermd Stadsgezicht Plan Zuid. Tijdens de rondetafelgesprekken en de verdiepingsbijeenkomst waren alle belanghebbenden het dan ook met elkaar eens dat het plangebied een hoge cultuurhistorische waarde heeft.

De cultuurhistorische waarden worden in het nieuwe bestemmingsplan daarom beter beschermd. Wel is het van belang om een geleding aan te brengen in de mate van bescherming. Hoe hoger de architectonische en stedenbouwkundige ordewaardering, hoe strenger het beschermingsniveau. Monumenten worden al via wetgeving beschermd, waardoor aanvullende bescherming in het bestemmingsplan niet noodzakelijk is.

Om te borgen dat zorgvuldig wordt omgegaan met waardevolle panden die niet wettelijk beschermd zijn, heeft Amsterdam architectonische waarderingskaarten opgesteld (deze zijn te raadplegen op https://maps.amsterdam.nl/). De architectonische kwaliteit van de bebouwing wordt gewaardeerd in vier opklimmende ordes (basisorde, orde 3, orde 2 en orde 1). De ordewaardering is gekoppeld aan een opklimmend beschermingsniveau. Daarnaast is het cultuurhistorisch beleid erop gericht om de beeldkwaliteit binnen architectonische eenheden intact te houden, ongeacht de ordewaardering.

Het gaat bij de waardering niet alleen om het individuele gebouw of de architectonische eenheid, maar ook om de stedenbouwkundige samenhang. Daarom is ook aan de stedenbouw een waardering gegeven oplopend van basiszone naar zone C, zone B en zone A. Door de combinatie van deze twee waarderingssystemen kan genuanceerd naar bepaalde bebouwing worden gekeken. Lager gewaardeerde architectonische eenheden gelegen in een hoog gewaardeerde stedenbouwkundige zone, moeten vanwege hun belangrijke bijdrage aan het stadsbeeld zodanig worden behandeld, dat de kwaliteit van de stedenbouwkundige zone intact blijft.

In het bestemmingsplan wordt aangesloten bij deze systematiek van architectonische en stedenbouwkundige waarden en hun onderlinge samenhang. Stedenbouwkundige en architectonische waarden worden elk op hun eigen manier beschermd.

In de regels voor de drie dubbelbestemmingen Waarde - Cultuurhistorie is tot uitdrukking gebracht dat de kapvormen niet gewijzigd mogen worden. Daarnaast is een sloopvergunningsplicht opgenomen voor het gedeeltelijk of geheel slopen van het desbetreffende pand. Deze vergunning wordt enkel verleend indien uit cultuurhistorisch onderzoek blijkt dat dat de architectonische en cultuurhistorische waarden zodanig laag zijn, dat behoud van het bouwwerk niet te rechtvaardigen is, waarbij advies wordt gevraagd bij de dienst die belast is met erfgoedbescherming (Monumenten en Archeologie gemeente Amsterdam). Hiermee wordt duidelijk tot uitdrukking gebracht dat het voorkomen van een gedeeltelijke of gehele sloop voorop staat.

Bij de bescherming van stedenbouwkundige waarden worden de rooilijn, het bouwvlak en de maximale bouwhoogtes vastgelegd. De gevel en het kapprofiel worden niet beschermd en mogen worden gewijzigd. Wel dient de nokrichting te worden gehandhaafd, omdat deze medebepalend is voor de ruimtelijke beleving van het straatbeeld. Indien een pand onderdeel uitmaakt van een architectuureenheid met andere panden, dan dient ook de hellingshoek van de kap te worden gehandhaafd. Verschillende hellingshoeken binnen één architectuureenheid zorgen namelijk voor een rommelig straatbeeld. Deze eis geldt niet voor bouwblokken waar elk pand verschillend is. Variaties in het daklandschap zijn karakteristiek voor dit soort bouwblokken en versterken juist de ruimtelijke beleving van het straatbeeld.

Bij de bescherming van architectonische waarden wordt naast de bouwmassa ook het kapprofiel beschermd. Het kapprofiel mag niet worden gewijzigd. Hierdoor kan een initiatiefnemer niet zonder meer gebruik maken van bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan om de kap te veranderen. Bijkomend voordeel is dat de goothoogtes niet meer op de verbeelding hoeven te worden vastgelegd. Het vastleggen van goothoogtes is foutgevoelig. In het Museumkwartier staan bovendien veel panden met verspringende goothoogtes, waarbij het haast onmogelijk is om de kap te beschermen door het vastleggen van een maximaal toegestane goothoogte.

Bescherming van de architectonische waarden wordt gecombineerd met een sloopvergunningenstelsel. Het doel van een sloopvergunningenstelsel is tweeledig. Enerzijds wordt hierdoor voorkomen dat een pand wordt gesloopt zonder dat er een vergunning is verleend voor vervangende nieuwbouw. Daarnaast kan worden afgedwongen dat de nieuwbouw architectonisch refereert naar het bestaande te slopen pand en/of passend is in de bestaande straatwand.

Omdat er een sloopvergunningenstelsel wordt opgenomen is het niet nodig om de gevels nog apart te beschermen. Deze worden namelijk al beschermd door het sloopvergunningenstelsel. Het sloopvergunningenstelsel is ook van toepassing op gedeeltelijke sloop van een gebouw. Dit betekent dat er dus ook een sloopvergunning nodig is als de gevel wordt vervangen zonder dat het pand zelf wordt gesloopt. Ook in dit geval kan dus worden afgedwongen dat de nieuwe gevel architectonisch refereert naar de bestaande gevel en/of passend is in de bestaande straatwand.

Er geldt ook een sloopvergunningenstelsel voor panden met een lagere architectonische waarde die zijn gelegen in het beschermd stadsgezicht Plan Zuid. Op die manier kan ook bij het vervangen van laag gewaardeerde panden worden afgedwongen dat de nieuwbouw architectonisch passend is in het straatbeeld. Daarbuiten geldt geen sloopvergunningsstelsel voor panden met een lagere architectonische waarde, ook niet indien deze zijn gesitueerd in een hooggewaardeerde stedenbouwkundige zone. Het beschermingsregime voor de stedenbouwkundige waarden biedt hier in combinatie met het welstandsbeleid voldoende waarborg dat vervangende nieuwbouw passend is in het straatbeeld.

Onder normaal onderhoud waarbij geen sloopvergunning nodig is (zoals bedoeld in paragraaf 3.2.1) gaat het bijvoorbeeld om de volgende bouwactiviteiten:

  • sloopactiviteiten aan de achterzijde van een pand (en zijkant, voor zover niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte) en voor zover geen (wezenlijk) onderdeel van een rijks- of gemeentelijk monument;
  • inpandige sloopactiviteiten, voor zover geen wezenlijk onderdeel van een rijks- of gemeentelijk monument;
  • sloopactiviteiten die geen afname in volume inhouden aan de voorzijde (en zijkant, voor zover wel zichtbaar vanaf de openbare ruimte), voor zover geen wezenlijk onderdeel van een rijks- of gemeentelijk monument.

Gehanteerde uitgangspunten

Een en ander betekent dat in het bestemmingsplan het volgende is geregeld voor het beschermen van de cultuurhistorische waarden.

  • Stedenbouwkundige waarden worden beschermd door de bestaande bouwmassa (rooilijn, bouwvlak, bouwhoogte en eventueel de kapvorm) in het bestemmingsplan vast te leggen.
  • Architectonische waarden worden aanvullend beschermd door te bepalen dat het kapprofiel niet mag worden gewijzigd.
  • Er is een sloopvergunning nodig om architectonisch waardevolle panden te vervangen door nieuwbouw.
  • In het plandeel dat onderdeel uitmaakt van het beschermd stadsgezicht Plan Zuid is altijd een sloopvergunning nodig om panden te vervangen door nieuwbouw, ongeacht de architectonische waarde van het betreffende pand.

3.2.2 Goot- en bouwhoogtes     

Het huidige bestemmingsplan biedt veel mogelijkheden om bestaande panden op te hogen. Er is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen om een extra bouwlaag toe voegen of een kapverdieping te vervangen door een reguliere bouwlaag. Deze afwijkingsbevoegdheid geldt voor het hele plangebied. Daarnaast is bij sommige panden met een lagere ordewaardering een hogere bouwhoogte bestemd dan de bestaande bouwhoogte. Bij bouwblokken waarbij verschillen in bouwhoogte niet beschermenswaardig zijn, is in het huidige bestemmingsplan namelijk één maximale bouwhoogte voor het hele bouwblok opgenomen. Deze maximaal toegestane bouwhoogte is gebaseerd op de hoogste bestaande bouwhoogte binnen het blok.

Er is de afgelopen jaren veel gebruik gemaakt van deze twee mogelijkheden om panden op te hogen. De kwaliteit van deze optoppingen is wisselend. Sommige zijn in architectonisch opzicht zeer geslaagd. De extra bouwlaag is niet herkenbaar als een latere toevoeging. Het lijkt of deze onderdeel uitmaakt van het oorspronkelijke gebouw. Voorbeelden van geslaagde extra bouwlagen zijn bijvoorbeeld Hondecoetersstraat 5 en Van Baerlestraat 55 (zie onderstaande afbeeldingen).

verplicht
Afbeelding: Hondecoetersstraat 5 (boven) en Van Baerlestraat 55 (onder): voorbeelden van het toevoegen van een extra bouwlaag onder de kap  

Een groot deel van het plangebied heeft echter al een hoge stedenbouwkundige kwaliteit. Veel plekken zijn stedenbouwkundig gezien 'af'. Het ophogen van panden kan dan gemakkelijk tot een aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld leiden. Er zijn in het verleden dan ook diverse daklagen gerealiseerd die het straatbeeld hebben verstoord. Bijvoorbeeld bouwlagen met een plat dak bovenop een kapverdieping.

Er is daarom in het kader van het nieuwe bestemmingsplan onderzocht op welke locaties het ophogen van panden het straatbeeld kan verbeteren, bijvoorbeeld in straatwanden met verspringende bouwhoogtes. Uit het participatietraject blijkt dat hier ook draagvlak voor is. Circa de helft van de respondenten uit de mini-enquête vindt dat de bouw van een extra verdieping op een bestaand pand, al dan niet onder voorwaarden, moet worden toegestaan. Als belangrijkste voorwaarden worden hierbij genoemd: het pand mag niet hoger worden dan de naastgelegen panden en het woongenot van de buren mag niet worden aangetast.

Als het straat- en bebouwingsbeeld kan worden versterkt, betekent dat overigens niet dat er ook daadwerkelijk een hogere bouwmassa kan worden toegestaan. Er moet namelijk ook worden beoordeeld of een hogere bouwmassa ruimtelijk aanvaardbaar is. En daarnaast mogen cultuurhistorische waarden niet worden aangetast door de toevoeging van een extra bouwlaag. Daarom is in samenspraak met Monumenten en Archeologie en de Commissie voor Ruimtelijke Kwaliteit nader onderzocht op welke locaties het ophogen van panden wel en niet mogelijk is.

De uitkomst van dit onderzoek is dat er diverse panden in het plangebied zijn waar een extra bouwlaag mogelijk zijn. Maar dat het ophogen van een pand altijd maatwerk is. Een extra bouwlaag moet het oorspronkelijke ontwerp versterken en zich op een natuurlijke wijze in de straatwand voegen. De manier waarop dit kan worden bereikt is voor elk pand weer anders. Om die reden is het niet wenselijk om een generieke regeling in het bestemmingsplan op te nemen voor het toevoegen van een extra bouwlaag op de betreffende panden.

Als een initiatiefnemer op een van deze panden een extra bouwlaag wil toevoegen, dan heeft het de voorkeur om zo'n aanvraag via een buitenplanse afwijking te vergunnen. Op die manier kunnen er maatwerkvoorschriften worden gesteld. En kan een aanvraag ook makkelijker geweigerd worden als niet wordt voldaan aan de maatwerkvoorschriten.

Gehanteerde uitgangspunten

Bovenstaande afweging heeft ertoe geleid dat in het bestemmingsplan het volgende is geregeld voor de goot- en bouwhoogtes.

  • In beginsel wordt voor alle panden de bestaande bouwhoogte als maximaal toegestane bouwhoogte vastgelegd.
  • Voor een aantal panden die lager zijn dan de naastgelegen panden is onderzocht of een hogere bouwhoogte kan worden vastgelegd. Voorwaarde is dat een hogere bouwmassa stedenbouwkundig verantwoord is in te passen en de cultuurhistorische waarden niet worden aangetast. De uitkomst van dit onderzoek is er in het nieuwe bestemmingsplan nergens een hogere bouwhoogte wordt vastgelegd.
  • Voor de panden waarbij uit het bovengenoemde onderzoek volgt dat er een extra bouwlaag denkbaar is, kan een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan worden verleend. Dit maakt het mogelijk om maatwerkvoorwaarden te stellen aan de stedenbouwkundige en architectonische vormgeving van de extra bouwlaag.

3.2.3 Bouwen in binnentuinen     

Tot en met 2014 was in het Besluit omgevingsrecht bepaald dat aan een woning een vergunningsvrije aan- of uitbouw van één bouwlaag van maximaal 2,5 meter diep mag worden gebouwd. Sinds 2014 mogen panden (woningen én niet-woonfuncties) maximaal 4 meter vergunningsvrij worden uitgebouwd. Het totale oppervlak aan bijgebouwen (aan- en uitbouwen en vrijstaande bergingen) per tuin mag niet meer dan 50% van het oppervlak van de tuin bedragen.

Met deze verruiming kan het groene en open karakter van de binnentuinen onder druk komen te staan. Stadsdeel Zuid zoekt daarom naar mogelijkheden om de vergunningsvrije bouwmogelijkheden in te perken tot een voor Amsterdam aanvaardbaar niveau. In het bestemmingsplan De Pijp 2018 is dit gedaan door het oppervlak van het erf in te perken. Aan- en uitbouwen zijn in De Pijp toegestaan tot een bouwdiepte van maximaal 2,5 meter. Daarbij geldt de aanvullende eis dat de aan- of uitbouw moet worden voorzien van een groen dak.

In deze paragraaf wordt onderbouwd in hoeverre de binnentuinen in het plangebied zijn verhard en wordt het belang van het mogelijk maken van aan- en uitbouwen aangegeven. Daarna wordt het belang van het groen en open houden van de binnentuinen uiteengezet en onderbouwd. Vervolgens wordt toegelicht hoe dit wordt doorvertaald in het bestemmingsplan. Aan het eind worden de in dit bestemmingsplan gehanteerde uitgangspunten samengevat.

Groenpercentage plangebied

In de data-analyse "Nederlandse tuin kan bijna drie keer groener, een onderzoek naar het groenpercentage en het vergroeningspotentieel van de Nederlandse particulierentuin" van oktober 2019, is het groenpercentage van Nederlandse tuinen in kaart gebracht. Landelijk zijn particuliere tuinen gemiddeld met 36% bedekt met vegetatie. In Amsterdam zijn particuliere tuinen gemiddeld met 11 % bedekt met vegetatie. Amsterdam behoort daarmee tot de minst groene gemeentes van Nederland. In het bestemmingsplangebied Museumkwartier en Valeriusbuurt ligt het groenpercentage van de binnentuinen op 12%. Dat is vergelijkbaar met het lage stedelijke gemiddelde.

Aangenomen mag worden dat de druk op de binnentuinen door de heersende bouwdynamiek hoog zal blijven. De vraag naar ruimte in de gebieden rond het centrum van Amsterdam blijft immers onverminderd groot, zowel bij bewoners als bij ondernemers. De verwachting is dat als het aandeel bebouwing en verharding in de binnentuinen niet gereguleerd wordt, het aandeel groen nog verder zal dalen. Dit is ongewenst, aangezien de gemeente Amsterdam juist de ambitie heeft om de stad groener te maken.

Wens tot uitbreiding op de begane grond

De aanwezigheid van groene binnentuinen in de gesloten bouwblokken vormt één van de kernkwaliteiten van stadsdeel Zuid. De binnentuinen in het Museumkwartier en de Valeriusbuurt zijn van groot belang voor een prettig woon- en leefklimaat van de bewoners. De stedelijke drukte aan de voorzijde van de woning wordt gecompenseerd door de rust en ruimte in de binnentuinen.

In Stadsdeel Zuid bestaat bij veel bewoners en ondernemers de wens om het woonoppervlak respectievelijk bedrijfsvloeroppervlak in de begane grond te vergroten door in de binnentuin uit te bouwen.

  • Bewoners hebben baat bij een groter woonoppervlak. Veel bewoners verhuizen daarom zodra ze kinderen krijgen. Als benedenwoningen kunnen worden uitgebouwd, wordt het aantrekkelijker voor gezinnen om in de buurt te blijven wonen. Dit draagt bij aan de Amsterdamse ambitie om gezinnen in de stad te houden en gemengde wijken te creëren. In deze wijk waar huishoudens zonder kinderen oververtegenwoordigd zijn, dragen gezinnen bij het aan het gemengde karakter van de wijk.
  • De meeste winkels en bedrijfsruimtes in dit plangebied zijn relatief klein. Ondernemers kunnen door een vergroting van hun bedrijfsvloeroppervlak een hogere omzet behalen en zodoende (meer) rendabel hun onderneming exploiteren. Meestal kijken ondernemers in eerste instantie naar de mogelijkheden om een uitbouw te realiseren. Pas later wordt gekeken naar een mogelijke samenvoeging met een naastgelegen pand of het onderkelderen van een bestaand pand.

Wens tot zo open en zo groen mogelijke binnentuinen

Tegenover de wens tot uitbreiding in de binnentuinen staan belangen om de tuinen zo onbebouwd mogelijk te houden en verharding tegen te gaan. Daarmee wordt maximaal ruimte gegeven om de tuinen groen in te richten, dat wil zeggen in te richten met een variatie aan beplanting (kruiden, planten, struiken, bomen, aangevuld met klimplanten en gevelgroen). De groene binnentuinen hebben een positieve invloed op het woongenot en dragen bij aan de groenopgaven in de stad. Het is daarom van groot belang dat deze kwaliteit behouden blijft.

Bij het behouden van het open en groene karakter van de binnentuinen zijn de volgende aspecten van belang.

  1. Klimaatadaptatie: Naar verwachting zal het klimaat alleen maar sneller veranderen en worden de gevolgen alleen maar groter. Klimaatadaptatie is essentieel om te zorgen dat Amsterdam in fysiek, sociaal en economisch opzicht waardevol blijft. In de 'Strategie Klimaatadaptatie Amsterdam' zijn de opgaven benoemd om als stad in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig te zijn. Daarbij gaat het om:
    1. Wateroverlast: Extreme buien kunnen het openbare leven flink beperken en hinderen, zeker als het water niet plaatselijk wordt vastgehouden, snel kan infiltreren of afvloeien. De risico's zijn onder andere het onderlopen van straten met schade aan verharding en verslechterde bereikbaarheid tot gevolg; het afsterven van bomen en planten in parken; schade aan kelders en gebouwen. Groene binnentuinen kunnen veel regenwater opnemen en houden het regenwater ook langer vast. Er ontstaat na een regenbui minder snel wateroverlast en de bodem droogte minder snel uit als er juist geen regen valt. Zo wordt een bijdrage geleverd aan een stabiele en evenwichtige grondwaterstand.
    2. Overstromingsrisico: De kans op een overstroming is door reeds getroffen maatregelen klein, maar de gevolgen van een overstroming kunnen groot zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan maatschappelijke ontwrichting door onbereikbaarheid van de stad of delen ervan, ook voor de nood- en hulpdiensten; uitval van vitale functies; schade aan infrastructuur en bebouwing; lange hersteltijden; economische schade.
    3. Droogte: Door neerslagtekort en verdamping ontstaat droogte. Droogte heeft verschillende risico's, zoals schade aan het stedelijk groen en de ecologie, funderingsproblemen en beschadigingen aan leidingen en netwerkkabels.
    4. Hitte: Door klimaatverandering neemt het aantal zomerse en tropische dagen toe. Hitte kan tot verschillende problemen leiden op het gebied van onder andere gezondheid, leefbaarheid, energievraag, arbeidsproductiviteit, biodiversiteit, infrastructuur zoals bruggen, netwerken waaronder elektriciteit, en de kwaliteit van het oppervlaktewater. De aanwezigheid van groen in de binnentuinen zorgt voor een verkoelend effect op warme dagen en vermindert 'hittestress'.
  2. Biodiversiteit: Groene binnentuinen vormen een natuurlijke biotoop voor planten en dieren en vervullen een wezenlijke rol in het verbinden van de parken en andere groenstructuren in de stad. Zij vervullen een rol als stapstenen/stepping stones van groen. Hier kunnen zich plant- en diersoorten vestigen die in de 'openbare' stad veel meer moeite hebben.
  3. Stedenbouwkundige kwaliteiten en beleving van de binnentuinen: De groene binnentuinen vormen de stedenbouwkundige contramal van de openbare ruimte (straten en pleinen), die in dit plangebied vaak volledig verhard zijn. Zicht op groen heeft een positief effect op het welzijn van bewoners en draagt zo bij aan het woongenot. Zicht en op groen geeft hierdoor ook extra waarde aan de woningen.

In de onderstaande paragrafen worden deze aspecten nader toegelicht aan de hand van de situatie in dit plangebied.

Klimaatadaptatie

Klimaatadaptatie is essentieel om te zorgen dat Amsterdam in fysiek, sociaal en economisch opzicht waardevol blijft. Een deel van de opgaven om de stad in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig maken heeft betrekking op de waterhuishouding: het opvangen van extreme regenbuien, het beperken van het risico op daaruit voortvloeiende overstromingen en het beheersbaar maken en houden van een stabiele grondwaterspiegel. Deze aspecten komen hier eerst aan de orde. Daarna wordt ingegaan op het aspect hittestress.

Wateroverlast bij hevige regenval 

Als gevolg van de opwarming van de aarde moet er in de toekomst rekening worden gehouden met heftiger regenbuien die vaker voorkomen. Hierdoor krijgen niet alleen de riolen in de stad veel meer water te verwerken dan voorheen, waardoor de kans op wateroverlast in de openbare ruimte groter wordt, maar wordt ook de kans op wateroverlast in de binnentuinen groter.

De binnentuinen in het plangebied zijn kwetsbaar voor extreme regen. Dat blijkt uit onderstaande Waterdieptekaart. Op de kaart zijn de plekken aangegeven waar zich bij extreme regenbuien knelpunten voordoen en waar zich welke risico's op overlast en schade voordoen. De kaart is gebaseerd op een extreme regenbui waarbij in 2 uur tijd 120 mm regen valt.

verplicht
Afbeelding: Wateroverlast in de binnentuinen bij een extreme regenbui van 120 mm in 2 uur tijd in het plangebied.

In de meeste binnentuinen in het plangebied zal het waterpeil na een extreme regenbui tot 50 cm boven tuinniveau staan, en in veel binnentuinen zelfs tot 85 cm. Wateroverlast in de binnentuinen is daarmee een probleem voor het gehele plangebied. Verwacht kan worden dat als gevolg van deze wateroverlast tevens schade aan de tuinen zal ontstaan als het gaat om de aanwezige beplanting en bebouwing. De wateroverlast in de binnentuinen hangt nauw samen met de hoge mate van verharding in de binnentuinen in het plangebied. Naarmate de hoeveelheid verharding verder toeneemt, zal het risico op wateroverlast na een extreme regenbui ook verder toenemen.

In een stedelijke omgeving leidt hevige regenval sneller tot overbelasting van het rioleringsstelsel. Verharding zorgt ervoor dat regenwater direct naar het riool vloeit. Door het oppervlak te verharden, kan regenwater niet meer in de grond zakken; het natuurlijke systeem van wateropvang is dan onderbroken.

In het Museumkwartier en Duivelseiland bestaat het rioleringssysteem voornamelijk uit een gemengd stelsel. Dat betekent dat onder de straten in één rioolbuis regenwater en afvalwater samenkomen. Wanneer er meer regen valt dan het rioleringsstelsel aan kan, raakt de buis vol. Het regenwater vloeit dan bij een gemengd stelsel via een overstort direct naar het oppervlaktewater, of komt op straat te staan. Dit wordt riooloverstort genoemd. Omdat rioolwater verontreinigd is met ziekteverwekkers kan dit gezondheidsklachten (diarree, overgeven, keelpijn of huidklachten) veroorzaken wanneer mensen met het water in contact komen.

In de overige delen van het plangebied, waar het rioolstelsel voornamelijk bestaat uit een gescheiden stelsel waarbij de afvoer van vuil afvalwater gescheiden plaatsvindt van de afvoer van regenwater, zijn deze gezondheidsrisico's minder aan de orde. Dat neemt echter niet weg dat ook bij een gescheiden rioolstelsel bij een hoosbui wateroverlast en schade van regenwater kan ontstaan.

Het vergroten van rioolbuizen, waardoor extreme piekbuien wél direct verwerkt kunnen worden, is zeer kostbaar. Het heeft daarom de voorkeur om de infiltratiecapaciteit te vergroten, zowel in de openbare ruimte als in de binnentuinen.

Overstromingsrisico 

De gevolgen van een overstroming kunnen groot zijn. Een overstroming kan leiden tot ontwrichting van het openbare leven doordat de stad (of delen daarvan) onbereikbaar wordt, ook voor de nood- en hulpdiensten, door uitval van vitale functies, door schade aan infrastructuur en bebouwing en daarmee economische schade.

Overstromingen in Amsterdam kunnen optreden vanuit de Noordzee (via IJmuiden), de Lek, het Markermeer en de regionale watersystemen. De kans op een overstroming is door alle reeds getroffen maatregelen (het systeem van waterkeringen, de ingrepen om rivieren de ruimte te geven en dergelijke) weliswaar klein, maar de klimaatverandering zorgt er voor dat de grenzen van het watersysteem sneller bereikt worden. Voor het watersysteem komen de limieten in zicht en er is weinig flexibiliteit over om extremen op te vangen. Aangezien de buffercapaciteit van het watersysteem in dit dichtbevolkte gebied zeer beperkt is, leidt dit sneller tot wateroverlast.

Ook dit draagt bij aan de belangrijke rol die de binnentuinen, naast de maatregelen die de gemeente in de openbare ruimte kan nemen om de stad regenbestendig te maken, hebben in het opvangen van extreme regenbuien.

Grondwater 

In zijn algemeenheid is het grondwaterpeil in het plangebied op gemiddeld niveau. Dat neemt niet weg dat het waterbergend vermogen van de binnentuinen beperkt en is er kans op grondwateroverlast. Grondwateroverlast kan zich onder andere uiten in de vorm van wortelrot bij planten en bomen (de wortels komen permanent onder water te staan), vochtproblemen in kruipruimtes en/of optrekkend vocht. Doordat de waterbergingscapaciteit van de binnentuinen beperkt is, zal er bij een hevige regenbui zeer snel wateroverlast en schade ontstaan. Een (verdere) afname van de bergingscapaciteit van de binnentuinen is daarom niet gewenst.

In hete zomers kan het tegenstelde effect ontstaan in de vorm van grondwateronderlast, een te lage grondwaterstand. Grondwateronderlast kan onder andere leiden tot problemen in de vorm van ongelijkmatige maaiveldzettingen (risico op schade aan leidingen en aansluitingen), paalrot (droogvallen van houten paalfunderingen, en het risico op wortelrot als de grondwaterstand weer stijgt is groter.

De hoeveelheid bebouwing en verharding hebben grote invloed op de grondwaterspiegel en de regenbestendigheid van (binnen)tuinen. Bij een hoge grondwaterstand is het vooral van belang op de pieken tijdelijk op te kunnen vangen, bijvoorbeeld op groene daken in combinatie met een voorziening voor het op eigen perceel opvangen en verwerken van regenwater. Het verwijderen van verharding en de aanleg van groen in de binnentuinen in het plangebied zorgt ook voor een meer stabiele grondwaterstand en maakt de binnentuinen beter bestand tegen zowel hevige regenbuien als droogte. Vooral bomen en struiken (meer dan gras en bloemperken) verdampen het (teveel aan) water en hebben hiermee daarmee tevens een verkoelend effect op de stad.

Hemelwaterverordening Amsterdam

In beginsel zijn particulieren zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater op hun eigen perceel. Om te bevorderen dat er bij nieuw- en verbouwinitiatieven voldoende waterberging gerealiseerd wordt, is in de Hemelwaterverordening Amsterdam (zie ook paragraaf 5.5.12) vastgelegd dat bij nieuw- en verbouwplannen de verplichting bestaat om het regenwater op eigen perceel op te vangen en te verwerken. Bepaald is dat een hemelwaterberging een capaciteit heeft van tenminste 60 liter per m2 bebouwd oppervlak.

Afwegingskader en paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders

In paragraaf 5.5.13 'Afwegingskader en paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders' zijn het gemeentelijke beleid en de bijbehorende regels met betrekking tot het bouwen van kelders toegelicht. Uitgangspunt van dat beleid is dat het bouwen van nieuwe kelders geen nadelige gevolgen heeft voor de stand van het grondwater en dat de kans op schade aan aangrenzende terreinen of panden of de openbare ruimte minimaal is. Alleen de aanleg van 'grondwaterneutrale' kelders is daarom nog toegestaan. Dat wil zeggen dat het grondwater ook na de komst van de kelder goed kan blijven doorstromen, de stand van het grondwater niet of nauwelijks verandert (en waar mogelijk zelfs verbetert) en als er ook verder geen negatieve gevolgen zijn voor het grondwater. Het bouwen van grondwaterneutrale kelders draagt daarmee ook bij aan het klimaatbestendig maken van de stad.

Hittestress

Bij klimaatverandering gaat het niet alleen om heftiger regenbuien. Een ander thema dat zich steeds meer manifesteert in de stad is hitteproblematiek en hittestress. Klimaatverandering leidt tot hetere zomers, meer warme en tropische nachten en meer hittegolven. Hitte heeft invloed op de gezondheid en welzijn van mensen, de leefbaarheid van buurten en comfort in woningen en gebouwen. Hoge temperaturen vormen een risico voor de gezondheid. Als gevolg van klimaatverandering zal het aantal hete dagen (en nachten) per jaar stijgen. Het is daarom waarschijnlijk dat hitte gerelateerde ziekten in de toekomst vaker plaats zullen vinden.

Hittestress manifesteert zich het meest in dichtbebouwd stedelijk gebied. Steden worden warmer gedurende de dag en blijven 's nachts ook langer warm dan het platteland. Problemen met hitte in het stedelijk gebied ontstaan enerzijds door klimaatopwarming, waardoor we steeds vaker te maken hebben met hoge luchttemperaturen: hete dagen en hete nachten. Anderzijds leidt de stedelijke omgeving zelf tot meer hitte: vooral 's nachts zorgt het hitte-eilandeffect ervoor dat de luchttemperatuur in de stad een paar graden warmer is dan in de omgeving, Overdag leiden de stedelijke bebouwing en op sommige plekken het gebrek aan schaduw ertoe dat de gevoelstemperatuur op bepaalde locaties onaangenaam hoog is.

Uit onderstaande kaart blijkt dat het plangebied onderdeel is van het 'hitte-eiland' dat de stad vormt. De kaart geeft het stedelijk hitte-eilandeffect (UHI) weer in graden Celsius. Dit is het gemiddelde luchttemperatuurverschil tussen de stedelijke en omliggende landelijke gebieden. Het stedelijk hitte-eiland effect is het sterkst 's nachts. Het zorgt ervoor dat de luchttemperatuur 's nachts niet daalt waardoor gevoelige bevolkingsgroepen (baby's, kinderen, ouderen) gezondheidseffecten ondervinden.

De waarden op de kaart zijn jaargemiddelden. Het temperatuurverschil tussen stad en omringend gebied blijft daardoor onder de 3 graden Celsius. Op hete zomerdagen kan het verschil echter beduidend verder oplopen dan de waarden in de kaart, zeker tijdens de avonden als het platteland sneller afkoelt dan de stad. In Nederlandse steden is het soms tot 8 graden Celsius warmer dan in de rest van het land.

verplicht
Afbeelding: Kaart hittestress op stedelijk niveau en het plangebied (Bron: Atlas Natuurlijk Kapitaal)  

Het hitte-eilandeffect neemt bovendien toe als gevolg van stadsuitbreiding en -inbreiding. Met name overdag kan de gevoelstemperatuur op bepaalde locaties in de stad onaangenaam hoog worden. Dat komt vooral doordat daar geen schaduw van bomen is of doordat bepaalde materialen veel warmte uitstralen, zoals asfalt en baksteen. De reflectie van zonnestraling door ramen en glazen gevels of zeer lichtgekleurde oppervlakken versterkt dit effect nog.

De grootte van dit stedelijk hitte-eiland effect hangt sterk af van de dichtheid en hoogte van de bebouwing en van de hoeveelheid groen. Donkere oppervlaktes absorberen de hitte namelijk meer dan witte of groene oppervlaktes. Dit speelt des te meer nu de temperaturen door klimaatverandering stijgen. Cijfers laten zien dat in de afgelopen 70 jaar het aantal zomerse dagen in Amsterdam verdubbeld is. Er is een duidelijke stijgende trend.

In versteende gebieden zoals het Museumkwartier en Valeriusbuurt zijn de effecten groter dan in meer groene gebieden binnen en buiten de stad. Het plangebied is binnen Amsterdam een versteend gebied met relatief weinig groen. Het is belangrijk dat rekening wordt gehouden met hitteproblematiek en wordt ingespeeld op de te verwachten ontwikkelingen. Het plangebied behoort tot de dichtst bebouwde woonomgevingen van Amsterdam. Door het zogeheten stedelijk hitte-eilandeffect is het vooral in de avond en 's nachts een paar graden warmer dan op het platteland.

Op onderstaande hittekaart is de gemiddelde gevoelstemperatuur (PET) in het plangebied weergegeven voor 1 juli 2015 tussen 12.00 en 18.00 uur. Deze dag is door het RIVM geselecteerd als uitgangspunt voor het uitvoeren van de stresstesten voor hitte, omdat deze dag wordt gezien als de representatieve hittedag voor de zomerperiode april tot en met september. Als indicator voor de invloed van hitte op de menselijke gezondheid is de gevoelstemperatuur gebruikt. Dit is een betere indicator dan luchttemperatuur.

verplicht
Afbeelding: Hittestress in het plangebied.  

De kaart laat zien dat de gevoelstemperatuur in het plangebied op de representatieve hittedag kan oplopen tot 46 graden Celsius. Deze hoge gevoelstemperatuur (hittestress) doet zich met name voor in de versteende openbare ruimte. Op het met gras ingerichte Museumplein ligt de gevoelstemperatuur op de representatieve hittedag met 40 graden lager, maar nog steeds erg hoog. In het niet-versteende openbaar groen in het plangebied (zoals de groene oevers langs het Noorder Amstelkanaal) ligt de gevoelstemperatuur op de representatieve hittedag met 34 graden Celsius lager.

Mogelijke maatregelen tegen hittestress

In Nederlandse steden is het soms tot 8 graden Celsius warmer dan in de rest van het land. Inrichtingsmaatregelen voor een hittebestendige stad zijn onder te verdelen in:

  • maatregelen die stadsbreed zorgen voor een verlaging in de luchttemperatuur;
  • maatregelen die lokaal de gevoelstemperatuur verlagen, waarmee op straat- of buurtschaal koele plekken kunnen worden gecreëerd.

Bijna alle maatregelen zijn gebaseerd op vier verkoelende principes: verdamping, beschaduwing, reflectie en ventilatie, die ieder op een eigen manier zijn gekoppeld aan de stedelijke energiebalans en de energiebalans van het lichaam, die de uiteindelijke lucht- en gevoelstemperatuur bepalen.

Van de genoemde principes is schaduw de meest effectieve manier om de gevolgen van hitte tegen te gaan en lokaal koelteplekken te creëren. Dat kan met bomen. Bomen zorgen lokaal voor schaduw en verdampen daarnaast aanzienlijke hoeveelheden water - tot wel 170 liter per dag. De sterkste verkoeling wordt in een onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam waargenomen bij de schaduw van een boom die ook nog de gevel beschaduwt. Op plaatsen waar de ruimte te klein is om bomen te planten, zijn andere schaduw biedende voorzieningen, zoals pergola's, parasols of doeken voorstelbaar.

Daarnaast kan gras de oppervlaktetemperatuur verminderen. Vergeleken met betonnen bestrating kan de oppervlaktetemperatuur van gras 24 graden Celsius lager zijn (Armson et al., 2012). Dit beïnvloedt ook de gevoelstemperatuur.

Groene daken kunnen ook helpen het hitte-eilandeffect te verminderen en zomerse luchttemperaturen direct boven het dak te verlagen. Het effect van individuele en enkele groendaken wordt meestal niet waargenomen op straatniveau. Verschillende modelstudies hebben echter aangetoond dat als elk gebouw in de stad zou worden bedekt met een groen dak, het verkoelend effect op straatniveau tot 4 graden Celsius kan bedragen.

Gevelgroen kan eveneens bijdragen aan het verkoelend effect. Klimplanten die in de volle grond staan zijn het beste bestand tegen weersinvloeden en dragen zowel bij aan een betere regulering van het vocht als aan het geven van schaduw op de gevels van de woningen.

De temperatuur in de stad kan dus verlaagd worden door meer groen en minder bestrating of bebouwing, ook in binnentuinen. Groen zorgt voor schaduw en door verdamping vindt verkoeling plaats. Op een hete zomerse dag kan het wel 10 tot 15 graden koeler zijn onder een boom dan in de zon.

Zoals boven aangegeven kan de gevoelstemperatuur in de versteende openbare ruimte in het plangebied oplopen tot 46 graden Celsius. De gevoelstemperatuur in de binnentuinen ligt op veel plekken aanzienlijk lager (37 graden Celsius), maar de gevoelstemperatuur wordt hoger naarmate de binnentuin meer is verhard. Binnen het stedelijk hitte-eiland waar de Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt onderdeel van uitmaakt, kan het open houden en (verder) vergroenen van de binnentuinen een bijdrage leveren aan het bieden van koelte-eilandjes. Daarmee bieden de binnentuinen meer tegenwicht aan de hittestress in de versteende openbare ruimte.

Biodiversiteit

Biodiversiteit is gebaseerd op een voedselketen. Die begint in de bodem waar bodemleven (schimmels/ongewervelden/insecten) een voedselbron vormt voor planten, insecten en hogere levensvormen als vogels en zoogdieren. Meer groen in de binnentuinen betekent ook een gezondere bodem en meer ruimte voor flora en fauna, en daarmee meer biodiversiteit. Dit levert tevens een bijdrage aan het klimaatbestendig maken van de stad.

Eén van de doelstellingen in de stedelijke 'Groenvisie 2020-2050' (vastgesteld door de gemeenteraad op 21 december 2020) is het zo ecologisch mogelijk inrichten en beheren van de stad, gericht op een grote biodiversiteit. Daarmee streeft de stad naar het vergroten van de biodiversiteit en krijgt de flora en fauna de kans zich te ontwikkelen door middel van natuurlijke processen.

Deze opgave speelt op alle niveaus, van stads-, wijk- en buurtniveau tot het niveau van straten en individuele tuinen. Bewoners, bedrijven en organisaties worden aangemoedigd om (binnen)tuinen, gevels en daken groener te maken en ecologisch te beheren. Bij (ver)bouwen bij renovatie, transformatie en nieuwbouw van gebouwen geldt als norm dat dit op een 'natuurinclusieve' wijze gebeurt. Door natuurinclusief te bouwen worden specifieke stadssoorten geholpen. Nestkasten voor gierzwaluwen, huismussen, slechtvalken en spreeuwen kunnen in gevels worden gemetseld. Vleermuiskasten in en aan gebouwen bieden slaapplekken voor deze zoogdieren. Natuurinclusief bouwen houdt ook in dat het daklandschap en de gevels groen worden gemaakt. Dat is vooral belangrijk voor planten en voor insecten zoals vlinders en wilde bijen.

Groene binnentuinen spelen een wezenlijke rol in het verbinden van de parken en andere grootschalige(r) groenstructuren in de stad en vervullen in die zin een rol als stapstenen/stepping stones van groen. Hier kunnen zich plant- en diersoorten vestigen die in de rest van de 'openbare' stad veel meer moeite hebben. In deze rol kunnen de binnentuinen een wezenlijke bijdrage leveren aan de biodiversiteit binnen de stad. Zij vormen een goede basis voor het in stand houden en ontwikkelen van een groen en biodivers netwerk.

Het plangebied ligt tussen de belangrijke groene-blauwe zones van het Vondelpark aan de noordzijde en het Noorder Amstelkanaal langs de zuidzijde. Langs het kanaal heeft het plangebied ook een directe relatie met het water van de Schinkel, die als landschappelijke lijn dwars langs het plangebied loopt. Diergroepen als kleine zangvogels, vleermuizen, vlinders en bijen kunnen niet zonder biodiverse stapstenen / stepping stones tussen deze groen- en waterstructuren.

In het plangebied zelf is slechts in zeer beperkte mate groen in de openbare ruimte aanwezig. De meeste straten zijn volledig verhard. Datzelfde geldt voor veel pleinen. In veel binnentuinen is wel groen aanwezig, maar zoals aangegeven eveneens slechts in zeer beperkte mate. Daar staat tegenover staat dat het in de binnentuinen stiller en rustiger is dan in het vaak druk gebruikte groen in de openbare ruimte. Dat maakt de binnentuinen zeer geschikt om de rol als groene stapstenen/stepping stones te vervullen. Daarmee staat een teveel aan verharding en bebouwing in de binnentuinen op gespannen voet met de gewenste instandhouding en ontwikkeling van het groene en biodiverse netwerk in de stad.

Stedenbouwkundige kwaliteiten en beleving van de binnentuinen

Het grootste deel van het plangebied maakt onderdeel uit van de 19e-eeuwse Ring. De Harmoniehof is gebouwd tussen de beide wereldoorlogen en valt daarmee binnen de Gordel '20-'40. Beide zones zijn stenige woonbuurten met voornamelijk middelhoge gesloten woonblokken. Blokken bestaan uit individuele panden en samenhangende ensembles van hoogstens vijf bouwlagen. De waarde ligt vooral in de stedenbouwkundige structuur met de gesloten bouwblokken en doorgaande straatwanden. Bij de bouw werd een prettig woon- en leefklimaat nagestreefd. Het was belangrijk dat er voldoende licht en frisse lucht in de woningen kon komen. Bij het ontwerp is gezocht naar een goede verhouding tussen bouwhoogtes, straatbreedtes en blokdieptes. De binnenterreinen van de bouwblokken vormen daarbij de stedenbouwkundige contramal van de openbare ruimte. De openbare ruimte is druk en verhard, terwijl de binnentuinen privacy bieden en groen zijn.

Groene en rustige binnentuinen vormen nog altijd een belangrijke kwaliteit ter compensatie van de drukte in de versteende openbare ruimte. Door de relatief hoge dichtheid van de bebouwing zijn de binnentuinen meestal de enige rustige en deels nog groene plekken in de directe woonomgeving. In de openbare ruimte zijn groenvoorzieningen beperkt aanwezig op enkele grotere groenstroken en pleintjes na. In enkele, meestal wat diepere bouwblokken staat in de binnentuinen bedrijfsbebouwing of een maatschappelijke voorziening. De buitenruimte bij deze bedrijven en voorzieningen toont vaak veel verharding.

In het plangebied is in veel binnentuinen nog groen aanwezig, maar zoals boven aangegeven slechts in zeer beperkte mate. Het merendeel van de binnentuinen is in hoge mate verhard in de vorm van betegeling en bebouwing. Deze verharding tast niet alleen het groene karakter, maar ook de oorspronkelijk beoogde stedenbouwkundige kwaliteit van rustige binnentuinen aan.

Open, groene en rustige binnentuinen dragen bij aan het woon- en leefklimaat voor alle bewoners. Dit geldt zowel voor de bewoners met een eigen binnentuin als voor de bewoners rondom de binnentuin die op de eerste verdieping of hoger wonen. In het plangebied, waar aan de voorzijde van de (woon)bebouwing de drukte van de stad duidelijk aanwezig is en de mogelijkheden tot recreëren in een rustige omgeving zich op enige afstand van de woning bevinden, dient de rust en ruimte aan achterzijde van de woning als compensatie. Dit geldt voornamelijk voor de bewoners op hogere verdiepingen. Zij hebben immers niet de baten die de ondernemers en bewoners op de begane grond wel hebben van de tuinbebouwing. Om de stille beleving van de binnentuinen kracht bij te zetten en daarmee het verblijfsklimaat aangenaam te houden, is een verregaande verdichting van de binnentuinen niet wenselijk.

Samenvatting

Samengevat geldt ten aanzien van de belangen om de tuinen zo onbebouwd mogelijk te houden en verharding tegen te gaan het volgende.

Het meeste (potentiële) groen in het plangebied bevindt zich in de binnentuinen. Deze vormen de stedenbouwkundige contramal van de straten en pleinen, die in dit plangebied vaak volledig verhard zijn. In praktijk geldt voor de binnentuinen echter dat deze in hoge mate eveneens reeds zijn verhard.

Bij zware regen ontstaat in nagenoeg het gehele plangebied in het plangebied wateroverlast in de binnentuinen. Bij een extreme regenbui zal het waterpeil tot 50 cm en hoger boven tuinniveau staanWateroverlast in de binnentuinen is daarmee een probleem voor het gehele plangebied.

Om de stad, en daarmee dit plangebied, klimaatbestendig te maken en te houden, is het belangrijk de binnentuinen in het plangebied zo groen en open mogelijk te maken en hemelwaterbestendig in te richten. Groene binnentuinen kunnen veel regenwater opnemen en houden het regenwater ook langer vast. Het realiseren van groene daken op de bebouwing in de binnentuinen (conform de Hemelwaterverordening Amsterdam) draagt bij aan het bevorderen van het waterbergend vermogen van de binnentuinen. Het verwijderen van verharding en de aanleg van groen in de binnentuinen zorgt ook een meer stabiele grondwaterstand en maakt de binnentuinen beter bestand tegen zowel hevige regenbuien als droogte.

Vooral bomen en struiken verdampen het (teveel aan) water en hebben daarmee tevens een verkoelend effect op de stad. Groene binnentuinen zijn dan ook tevens belangrijk om bij het warmer wordende klimaat hittestress op te vangen. Klimaatverandering leidt tot hetere zomers, meer warme en tropische nachten en meer hittegolven, waarbij de gevoelstemperatuur oploopt tot (zeer) onaangename hoogte en kan leiden tot gezondheidsproblemen en oversterfte. Het gehele plangebied is onderdeel van het hitte-eiland dat de stad ten opzichte van het landelijke gebied vormt. De hoeveelheid groen in het plangebied (zowel in de openbare ruimte als in de binnentuinen) is laag tot zeer laag, terwijl groen juist bijdraagt aan de hittebestendigheid van de stad en daarmee aan het reduceren van hittestress. Door hun schaduwwerking dragen bomen het meeste bij aan het reduceren van de gevoelstemperatuur, maar ook laag groen, gras, en groene daken dragen daaraan bij.

Groene, open en rustige binnentuinen dragen tevens bij aan het bevorderen van de biodiversiteit van de stad. Groene binnentuinen vormen de belangrijkste schakels binnen het netwerk van biodiversiteit. Zij vormen een natuurlijke biotoop voor planten en dieren in de stad en een belangrijke aanvulling ten opzichte van openbaar groen en vervullen zo een rol als stapstenen/stepping stones van groen. Hier kunnen zich plant- en diersoorten vestigen die in de 'openbare' stad veel meer moeite hebben. Het plangebied ligt tussen de belangrijke groene en blauwe zones van het Vondelpark en het Noorder Amstelkanaal. Het stillere en rustiger karakter van de binnentuinen maakt dat de binnentuinen zeer geschikt zijn om voor deze dier- en plantensoorten een rol als groene stapstenen/stepping stones te vervullen tussen deze groenblauwe structuren.

Een teveel aan verharding en bebouwing in de binnentuinen staat op gespannen voet met de gewenste instandhouding en ontwikkeling van het groene en biodiverse netwerk in de stad. Bewoners, bedrijven en organisaties worden bovendien aangemoedigd om (binnen)tuinen, gevels en daken groener te maken en ecologisch te beheren. Bij (ver)bouwen bij renovatie, transformatie en nieuwbouw van gebouwen geldt als norm dat dit op een 'natuurinclusieve' wijze gebeurt.

Bij het stedenbouwkundig ontwerp van de bebouwing werd al een prettig woon- en leefklimaat nagestreefd. Om er voor te zorgen dat er voldoende licht en frisse lucht in de woningen kon komen, werd gezocht naar een goede verhouding tussen bouwhoogtes, straatbreedtes en blokdieptes. Het binnenterrein vormde daarbij de stedenbouwkundige contramal van de openbare ruimte. De openbare ruimte is druk en verhard, terwijl de binnentuinen privacy bieden en groen zijn. Vandaag de dag vormen groene en rustige binnentuinen nog steeds een belangrijke kwaliteit ter compensatie van de drukte in de versteende openbare ruimte.

De binnentuinen in het plangebied zijn over het algemeen langgerekt en ondiep van karakter. In het plangebied is in veel binnentuinen nog groen aanwezig, maar het merendeel van de binnentuinen is in hoge mate verhard in de vorm van betegeling en bebouwing. Deze verharding tast niet alleen het groene karakter, maar ook de oorspronkelijk bedoelde stedenbouwkundige kwaliteit van rustige binnentuinen aan.

Dit geldt voornamelijk voor de bewoners op hogere verdiepingen. Zij hebben immers niet de baten die de ondernemers en bewoners op de begane grond wel hebben van de tuinbebouwing. Om de rustige beleving van de binnentuinen kracht bij te zetten en daarmee het verblijfsklimaat aangenaam te houden, is een verregaande verdichting van de binnentuinen niet wenselijk.

De verschillende belangen om de binnentuinen zo open en groen mogelijk te maken en houden, zijn ingegeven door problematiek op verschillende schaalniveaus. De gevoeligheid voor wateroverlast in de binnentuinen geldt voor alle binnentuinen in het plangebied. En op stedelijk en regionaal niveau maakt het plangebied deel uit van het veel grotere stedelijke hitte-eiland waarbinnen de problematiek van het voorkòmen van hittestress speelt. Daarnaast zijn veel beleidsuitgangspunten van toepassing op de gehele stad. Dat geldt bijvoorbeeld voor de stedelijke Groenvisie 2020-2050, de stedelijke Hemelwaterverordening en de verplichting om in de gehele stad alleen nog kelders te bouwen die grondwaterneutraal zijn. Op de plekken in de stad die erg versteend zijn en waar weinig schaduw is, wordt ook gestimuleerd om gevels, daken en tuinen groener te maken. Deze stedelijke beleidsuitgangspunten, maatregelen en belangen zijn vanzelfsprekend tevens van toepassing op dit plangebied.

Doorvertaling in het bestemmingsplan

Uit de bovenstaande analyse blijkt het belang van het behoud van het open en groene karakter van de binnentuinen. Het groen vergroot de sponswerking en vertraagt de afvoer van regenwater, reduceert de gezondheidsrisico's van hittestress, draagt bij aan een prettig woon- en leefklimaat voor bewoners rondom binnentuinen en bevordert de biodiversiteit.

Naarmate de verharding toeneemt komen deze belangen meer onder druk te staan. Daarmee is het gewenst om aan- en uitbouwen in de binnentuinen in beperkte mate toe te staan. Voor dit bestemmingsplan wordt als richtlijn gehanteerd dat bij voorkeur maximaal een kwart van de binnentuin mag worden bebouwd. En dat maximaal de helft van de binnentuin mag worden verhard (dit is inclusief bebouwing). Het percentage verharding mag iets hoger zijn, zodat bewoners de mogelijkheid houden om bijvoorbeeld een terras aan te leggen zonder dat dit ten koste gaat van de hoeveelheid bebouwing die wordt toegestaan.

Omdat het uitbouwen van woningen ten koste gaat van het waterbergend vermogen van zowel de onder- als bovengrond van de binnentuinen zijn compenserende maatregelen gewenst. Het niet-bebouwde oppervlak en het groen nemen af, terwijl de afvoer van regenwater vanaf het extra dakoppervlak juist toeneemt. De verplichting uit de hemelwaterverordening om een groen dak met hemelwaterberging aan te leggen op nieuwe bijbehorende bouwwerken is daarom in dit bestemmingsplan doorvertaald.

Het beperken van het vergunningvrij bouwen en het verplichten van groene daken is niet de enige manier om het waterbergend vermogen en de hittebestendigheid van de tuinen zoveel mogelijk in stand te houden. Het verharden van het achtererfgebied leidt eveneens tot een verslechtering van het waterbergend vermogen van hemelwater in de binnentuinen en een verhoging van de hittestress. Daarom worden er in het bestemmingsplan ook voorwaarden gesteld aan het verharden van de binnentuinen.

De verharding van een tuin mag maximaal 50% van het oppervlak van de tuin bedragen. Daarbij wordt het grondoppervlak van de bebouwde gronden meegerekend. Indien de verharding meer dan 50% van het totale oppervlak van de tuin bedraagt, dan is het aanleggen of toevoegen van nieuwe verharding in de vorm van betegeling alleen toegestaan met een omgevingsvergunning. Hiervoor dient een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan te worden verleend. Er is gekozen om geen regeling in het bestemmingsplan op te nemen voor het verharden van meer dan 50 % van de tuin, omdat dit maatwerk is.

Indien meer dan 50 % van de tuin wordt verhard, dan geldt in ieder geval de voorwaarde dat het waterbergend vermogen van de tuin in de nieuwe situatie een capaciteit heeft van tenminste 60 mm hemelwater per uur. Daarmee kan bij een zware regenbui het regenwater op eigen terrein worden verwerkt. Dit waterbergend vermogen kan op meerdere manieren worden gerealiseerd, bijvoorbeeld middels waterdoorlatende verharding, het leggen van tegels met een open voeg, het plaatsen van een regenton, het aanleggen van een vijver en dergelijke, al dan niet in verschillende combinaties.

Wettelijk is het toegestaan om in de begane grond aan de oorspronkelijke achtergevel aan- en uitbouwen tot maximaal 4 meter diep vergunningsvrij te realiseren. Gezien de ondiepe binnentuinen in het plangebied zouden aan- en uitbouwen van deze diepte het groene karakter van de woonbuurt, en daarmee de waterbergende capaciteit en de hittebestendigheid, te veel aantasten. Veel binnentuinen hebben een beperkte diepte van achtergevel tot achtergevel. Met aan beide zijden een uitbouw van 4 meter diep blijft er maar heel beperkt open binnentuin over. De meeste tuinen hebben achterin ook nog een schuurtje / berging staan en tegen de achtergevel is er meestal een verhard terras. Dan blijft er weinig over van het groene karakter van de binnentuinen.

Ruimtelijke studie 'Aan- en uitbouwen in binnentuinen Musemkwartier en Valeriusbuurt'

In de ruimtelijke studie 'Aan- en uitbouwen in binnentuinen Museumkwartier en Valeriusbuurt' (oktober 2021) is aan de hand van uiteenlopende voorbeelden inzichtelijk gemaakt wat de ruimtelijke effecten zijn op de binnentuinen van het inperken van de maximale diepte van aan- en uitbouwen. De studie ligt mede ten grondslag aan de regelingen voor de bebouwingsmogelijkheden van de binnentuinen. De studie is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.

Museumkwartier en Valeriusbuurt zijn beide gekenmerkt door meestal gesloten bouwblokken met 3 á 4 bouwlagen met of een platte dak of en schuine dak. De binnentuinen van deze bouwblokken zijn met een diepte van meestal 15 tot 25m van gevel tot gevel ondiep. Er bestaan zelfs bouwblokken die een diepte van alleen maar 10m hebben. Bij bouwblokken met woningen op de begaande grond is het binnenterrein meestal groen ingericht met privétuinen voor de woningen. In sommige bouwblokken zijn voorzieningen in het binnenterrein opgenomen zoals schoolgebouwen of een kerk die in het binnenterrein rijkt. Deze gebouwen hebben over het algemeen een verharde buitenruimte zodat alleen de tuinen van de woningen er omheen een groene en open inrichting tonen.

Vooral de gebouwen rond het Museumplein wijken af van de homogene bebouwingstypologie van gesloten bouwblokken. Hier en incidenteel ook nog verspreid over het gebied zijn los staande, solitaire gebouwen gesitueerd die met de buitenruimtes direct aan het openbaar gebied grenzen. Vaak zijn dat gebouwen met een publieke functie die belangrijke schakelpunten in de stadstructuur vormen. Bovendien vormen de hoofdwinkelstraten Pieter Cornelisz Hooftstraat (tussen de Van Baerlestraat en de Hobbemastraat) en het noordelijke deel van de Van Baerlestraat (ten noorden van het Concertgebouw), en de buurtgerichte (niche)winkelstraat Cornelis Schuytstraat qua functie een uitzondering in de opbouw van de wijk. Zij zijn belangrijke straten en de functie aan de voorkant is vaak ook afleesbaar in de binnentuinen. Zij hebben meestal geen groen karakter. Het achtererf van een winkelpand is bijna altijd verhard en wordt gebruikt om bijvoorbeeld afvalcontainers te stallen of als opslagruimte of is al bebouwd met een winkel ondersteunende gebouw.

Begrenst worden het Museumkwartier en de Valeriusbuurt door twee grote waterlopen, de Noorder Amstelkanaal in het Zuiden en de Boerenwetering in het Oosten. In het Noorden sluit direct het Vondelpark aan met zijn recreatieve betekenis voor de hele stad. Maar toch zijn door de relatief hoge dichtheid van de bebouwing de binnentuinen meestal de enige groene plekken in de directe woonomgeving. Daarom hebben de groene binnentuinen een belangrijke invloed op de woonkwaliteit in dit gebied m.b.t. gezondheid, lucht, koeling, waterbergende capaciteit en meer. Het is daarom van groot belang dat deze kwaliteit behouden blijft.

Door de maximaal toegestane bouwdiepte van vergunningsvrije aan- en uitbouwen in ondiepe binnentuinen terug te brengen tot 2,5 meter, blijft de open en groene kwaliteit van de binnentuinen zo veel mogelijk gehandhaafd zonder de uitbreidingsmogelijkheden van de woningen op begane grond volledig te beperken. Aan de hand van onderstaande uitgangspunten is onderzocht bij welke bouwblokken een beperking van de maximale diepte van aan- en uitbouwen nodig is om het groene karakter van de binnentuinen te behouden en waar mogelijk diepere aan- en uitbouwen aanvaardbaar zijn.

Voor de bouwblokken zijn hiervoor de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  1. Per straatfront van een bouwblok dienen zo weinig als mogelijke verschillende maximale dieptes van aanbouwen aangehouden te worden zodat er zo veel mogelijk een rechte lijn aan de achterkant van de bebouwing op begane grond ontstaat. Het verspringen van de diepte van aanbouwen in eenzelfde straatfront zou ten kosten gaan van het woongenot van de woningen op begane grond met ondiepe tuinen.
  2. Bij de beoordeling van de impact van aan-/uitbouwen op de groene uitstraling van de binnentuinen zijn niet alleen de diepte van de individuele kavels van belang maar de maat van de gehele open ruimte tussen de tegenover elkaar liggende gevels. Om de open en groene kwaliteit te behouden is de onbebouwde ruimte tussen de tegenover elkaar liggende gevels, inclusief de aan-/uitbouwen op de eerste bouwlaag, bij voorkeur minimaal 25 m diep.

Hieronder is het ruimtelijke effect van de aan- en uitbouwen op de binnentuinen aan de hand van een aantal voorbeelden geschetst. Deze voorbeelden zijn op onderstaande overzichtskaart weergegeven. De nummering van de voorbeeld-blokken correspondeert met de analyses per voorbeeld-blok hierna.

verplicht
Afbeelding: Overzichtskaart onderzochte voorbeeld-bouwblokken in het plangebied  

De onderzochte voorbeeld-blokken zijn vergeleken met alle bouwblokken in het plangebied. Zo is bepaald welke bouwblokken vergelijkbaar zijn met een voorbeeld-blok en dezelfde regeling behoren te krijgen als het voorbeeld-blok.

verplicht
Afbeelding: Overzichtskaart alle bouwblokken in het plangebied

1. Bouwblokken aan woon- en doorgaande straten

In het plangebied van het bestemmingsplan zijn een aantal varianten van bouwblokken:

1.1 Smalle bouwblokken (tot 31m diepte)

Deze bouwblokken zijn kenmerkend voor een groot deel van het plangebied. Ze beschikken over ondiepe binnentuinen van ca. 10 tot 27m diepte tussen de tegenover elkaar liggende vlakke achtergevels. In deze ondiepe bouwblokken gaan aan-/uitbouwen altijd ten kosten van de open en groene kwaliteit van de binnentuinen (zie uitgangspunt 2). Om het vergunningsvrije bouwen echter niet helemaal in te perken wordt hier gekozen voor een (smalle) balans tussen uitbreidingswensen en groene binnentuinen. De diepte van aan-/uitbouwen dient hier beperkt te blijven tot max. 2,5 m.

verplicht

De in voorbeeldblok 1.1 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 2, 3, 5-7, 11-14, 15 (midden), 17, 19-24, 25 (oost en west), 26-31, 34, 36, 38-41, 45, 48, 50, 55-57, 60, 63 (noord), 64 (zuid), 65 (oost), 68, 70, 71, 73-75, 77 (zuid), 78-80, 82 (zuid), 84 en 86-89.

1.2 Bouwblok met voorziening in de binnentuin

Naast bouwblokken met woningen op de begane grond zijn er ook wat diepere bouwblokken met voorzieningen- /bedrijfsgebouwen in het binnenterrein. De afstand tussen de tegenover elkaar gelegen vlakke achtergevels is weliswaar meer dan 32 meter. Maar door de aanwezigheid van bebouwing zijn de tuinen van de woningen ook in deze bouwblokken relatief ondiep. Diepe uitbouwen zouden hier tot kosten gaan van het open en groene karakter van de binnentuinen. Daarom wordt de mogelijkheid voor vergunningsvrije aan- en uitbouwen tot maximaal 2,5 m beperkt.

verplicht

De in voorbeeldblok 1.2 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 4, 8, 33, 35, 44, 46, 58, 59, 66, 69, 81, 83, 85 en 90.

1.3 Bouwblok met (keuken)uitbouwen

In sommige bouwblokken hebben de woongebouwen deels kenmerkende (keuken)uitbouwen. Deze bouwvolumes steken uit in de binnentuinen waardoor de achtergevellijn verspringt. Dit gaat ten koste van de openheid van de sowieso vaak al ondiepe binnentuinen. Diepe uitbouwen zouden leiden tot nog verdere inperking van de openheid en zouden de binnentuinen deels afscheiden dus opdelen in meerdere kleine binnentuinen. Daarom dienen vergunningsvrije aan- en uitbouwen tot maximaal 2,5 m beperkt te worden om de kwaliteit van open en groene tuinen te waarborgen. Daarnaast zijn aan- en uitbouwen alleen toegestaan aan de oorspronkelijke vlakke achtergevel. Achter de keukenuitbouwen zijn geen verdere aan-/uitbouwen toegestaan om de al beperkte open ruimte te behouden.

verplicht

De in voorbeeldblok 1.3 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt (deels) voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 02, 06, 07, 13, 23, 28, 30, 34, 35, 39, 40, 44, 46, 53, 58, 59, 63, 64, 65, 68-70, 80 en 87.

1.4 Bouwblok met veelhoekige vorm en verschillend diepe tuinen

Door een verdraaiing in het stratenpatroon ontstaan deels bouwblokken met een veelhoekige vorm. Hierdoor hebben de panden soms zeer verschillend diepe tuinen. Diepere kavels liggen tussen minder diepe kavels zoals in onderstaand voorbeeld in het zuidelijke eind van de Banstraat. Aan de Banstraat (in de afbeelding rechts) hebben de meeste kavels weliswaar eenzelfde relatief diepe maat maar zijn de tuinen in de westelijke hoek van het bouwblok juist zeer ondiep. Indien er in eenzelfde straatfront diepere aan-/uitbouwen (4m) bij langere kavels zouden worden gerealiseerd naast panden met ondiepe kavels, zou de aanbouwdiepte verspringen en zouden de diepe aanbouwen grote impact hebben op de naastgelegen benedenwoningen. Conform de boven benoemde uitgangspunten is dit niet wenselijk. Daarnaast is de impact van aan-/uitbouwen op de groene uitstraling van de binnentuinen in een bouwblok niet alleen op basis van de diepte van de individuele kavels te beoordelen maar wordt de gehele open ruimte tussen de tegenover elkaar liggende gevels beschouwd. Om deze redenen worden vergunningsvrije aan- en uitbouwen ook bij diepere kavels tot maximaal 2,5 m beperkt.

verplicht

De in voorbeeldblok 1.4 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 01, 10, 16, 18, 32, 37, 42, 43, 47, 52-54, 61, 62, 67, 72 en 76.

1.5 Bouwblok met grote diepte

Heel soms in de gebieden Museumskwartier en Valeriusbuurt is een bouwblok (gedeeltelijk) zo diep dat het groene onbebouwde binnenterrein voldoende aanwezig en overtuigend is - ook met een aan- of uitbouw van 4m diepte aan allebeide blokkanten. De groene karakter gaat hier ook met een diepere volumen niet verloren en de tuinen van de kavels zijn groot genoeg om een aan- of uitbouw van 4m op te nemen. Dit geldt voor blokken die (gedeeltelijk) dieper dan 33m zijn gemeten van de vlakke achtergevels. Bovendien moeten meerdere kavels in samenhang deze diepte hebben om een 4m diepe uitbouw mogelijk te kunnen maken. Meerdere verspringingen van de diepte van de aan- en uitbouwen is ruimtelijk namelijk wederom niet wenselijk.

verplicht

De in voorbeeldblok 1.5 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 09, 15 (west) en 25 (midden).

2. Bouwblokken aan hoofdwinkelstraten

2.1. Pieter Cornelisz Hoofdstraat en Cornelis Schuytstraat

Naast bouwblokken met vooral woningen op de begane grond zijn er bouwblokken die aan een kant aan hoofdwinkelstraten (Pieter Cornelisz Hooftstraat en Cornelis Schuytstraat) zijn gelegen. De achtererven van deze winkelpanden zijn grotendeels verhard en veel winkelpanden in deze straten beschikken al over een uitbouw van vier meter of dieper tot aan de perceelgrens. Een aantal van deze bouwblokken hebben dan ook diepere binnenterreinen. Het ruimtelijk effect van aan- en uitbouwen tot aan de perceelgrens bij de panden langs deze twee winkelstraten is beperkt. Het groene en open karakter ontstaat in deze binnentuinen voornamelijk door de tuinen van de woningen aan de andere kanten van de bouwblokken waar de maximale diepte van aan- en uitbouwen op 2,5 m beperkt wordt. Bij de panden langs deze twee winkelstraten zijn daarom aan- en uitbouwen tot aan de perceelgrens ruimtelijk aanvaardbaar.

Deze regeling geldt voor de Pieter Cornelisz Hoofdstraat tussen de Hobbemastraat en de Van Baerlestraat maar niet voor het oostelijke en westelijke einde. Hier zijn de winkels en percelen kleinschaliger en moeten ook de aan- en uitbouwen kleiner dus 2,5m diep zijn. Deze regeling geldt ook voor de panden langs de Cornelis Schuytstraat tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat die te samen functioneren als de buurtgerichte (niche)winkelstraat. In enkele gevallen behoren ook panden in de zijstraten van dit deel van de Cornelis Schuytstraat bij deze winkelstraat. Deze regeling geldt niet voor het zuidelijke einde van de Cornelis Schuytstraat omdat hier geen winkels meer op de begane grond gesitueerd zijn maar woningen.

verplicht

De in voorbeeldblok 2.1 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 19-23 (oost), 25-29 (west), 63 (zuid), 64 (noord), 77 (noord) en 84 (noord).

2.2. Van Baerlestraat

Ook in het noordelijke gedeelte van de Van Baerlestraat (tussen het Vondelpark en de Willemsparkweg) zijn er bouwblokken die aan een kant op de begane grond hoofdwinkelstraat als functie hebben. De andere kanten van de bouwblokken liggen aan woon- of doorgaande straten of aan het Vondelpark. De achtererven van deze winkelpanden zijn nu al grotendeels verhard en veel winkelpanden in deze straten beschikken al over een uitbouw van 4 meter of dieper tot aan de perceelgrens. Een aantal van deze bouwblokken hebben ook diepere binnenterreinen. Het ruimtelijk effect van aan- en uitbouwen tot 4m bij de panden langs deze winkelstraat is beperkt en er blijft nog voldoende onbebouwde ruimte over. Daarom is een aan- of uitbouw van 4m ruimtelijk aanvaardbaar. eze regeling geldt voor de Van Baerlestraat tussen het Vondelpark en de Willemsparkweg maar niet voor het zuidelijke gedeelte. Hier zijn de winkels en percelen kleinschaliger en moeten ook de aan- en uitbouwen kleiner dus 2,5m diep zijn.

verplicht

De in voorbeeldblok 2.2 onderzochte situatie en de hierbij gemaakte keuze voor de binnentuinenregeling in dit bestemmingsplan met de daarbij behorende onderbouwing, geldt voor de volgende bouwblokken in het plangebied: 48-49 (oost), 51 (oost) en 63-65 (west).

3) Naast voorbeeldblokken: afwijkende regeling hoekbebouwing

In voorgaande voorbeeldblokken is per bouwblok de gemaakte keuze belicht voor de binnentuinenregeling. De daarin gemaakte keuzes gelden voor de lange en korte zijden van de bouwblokken. Voor de hoeken van de bouwblokken in het plangebied, wordt een andere keuze gemaakt. e hoekpercelen in bouwblokken zijn nagenoeg altijd kleiner dan de percelen op de lange en korte zijden van de bouwblokken. Soms is bij de panden in deze hoeken helemaal geen tuin aanwezig. Voor de veelal geldende situaties dat de hoektuinen duidelijk kleiner zijn dan de overige tuinen in het betreffende bouwblok, is het niet logisch een aan- of uitbouwmogelijkheid van 2,5 of 4 meter vast te leggen. Voor deze situaties wordt dan ook een andere keuze gemaakt. In de hier bedoelde tuinen is gekozen voor een maximaal bebouwingspercentage van 50%. Met maximaal 50% bebouwing wordt aangesloten op de huidige regeling omtrent het vergunningsvrij bouwen uit het Besluit omgevingsrecht. De koppeling van de bouwmogelijkheden in de hoeken van bouwblokken aan een maximumpercentage, zal er toe leiden dat in vrijwel elke hoektuin minder mogelijkheid tot bebouwen wordt geboden dan bij een regel om maximaal 2,5 meter te bebouwen of - voor de genoemde winkelstraten - maximaal 4 meter. In de hieronder opgenomen tekeningen van de voorbeeldblokken zijn de hier bedoelde hoektuinen indicatief met een groene kleur weergegeven. De precieze keuze op blok- en perceelsniveau voor welke hoektuinen deze regeling zal gelden, zal uiteindelijk worden weergegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan. Hieronder zijn twee uitsneden opgenomen uit twee voorbeeldblokken met daarin de indicatieve hoekpanden. Daarnaast is de werkelijke (kadastrale) perceelindeling weergegeven.

verplicht

4) Open bouwblokken

In het gebied zijn ook een aantal open bouwblokken of solitaire gebouwen die aan de openbare ruimte grenzen en de binnentuinen dus niet in een afgesloten binnenterrein liggen. In de analysekaart zijn deze gebouwen in donkerblauw weergegeven. Dit zijn vaak gebouwen in een groen en open setting en liggen deels aan het Vondelpark of aan belangrijke open pleinen. Deze panden liggen vaak aan een hoog gewaardeerde stedenbouwkundige zone of zelfs in Plan Zuid waar het straatbeeld door zijn hoge cultuurhistorische waarde niet verandert mag worden. Daarnaast hebben de hier opgenomen gebouwen vaak een hoge architectonische waardering / ordestatus (zie ook bijlage 3 op p. 15). Dit maakt terughoudendheid in de aanbouwmogelijkheden wenselijk. Daarom dient ook hier de diepte van aan- /uitbouwen beperkt te blijven tot max. 2,5 m.

verplicht

5) Verspringende achtergevel

In het onderzoeksgebied zijn heel veel bouwblokken waar de achtergevels verspringen. Dit omdat de privé buitenruimtes (balkons) inpandig dus zonder verspringing uit de rooilijn ontworpen zijn. Het gevelbeeld in de binnentuinen krijgt zo een rustig doorlopend beeld maar de achtergevel verspringen duidelijk. Om voldoende groene binnenterreinen te waarborgen en om een rustig gevelaanzicht op de begane grond te waarborgen is daarom ruimtelijk belangrijk de aan- en uitbouwen (maakt niet uit of deze 2,5m of in weinig gevallen ook 4m diep zijn) vanaf de terugliggende achtergevel te laten beginnen. Dit zal ook zo op de verbeelding van het bestemmingsplan worden vastgelegd.

verplicht

Gehanteerde uitgangspunten

De gemeente Amsterdam wil het bouwen van aan- en uitbouwen bij woningen en ondernemingen niet verbieden, maar hecht tegelijkertijd aan de belangen die spreken vóór het open en groen houden van de binnentuinen.

Uit het voorgaande blijkt dat er in het plangebied meerdere belangen spelen als het gaat om bebouwing in de binnentuinen. Er is een uitbreidingswens van bewoners en ondernemers in de begane grond. Deze wens staat in bepaalde gevallen haaks op de andere belangen die worden gevormd door de belevingswaarde van de binnentuinen, het behoud van een stedenbouwkundig waardevolle verhouding tussen groen en bebouwing en het anticiperen op klimaatveranderingen door het waterbergend vermogen van de binnentuinen op peil te houden en het beperken van hittestress. Deze belangen zijn allemaal gediend bij het tegengaan van verregaande verdichting van de binnentuinen.

Echter, in het kader van de afweging van alle belangen, is ervoor gekozen om enige ruimte voor uitbreiding te blijven toestaan voor de bewoners en ondernemers in de begane grond in een mate waarin het groene en open karakter en het waterbergend vermogen van de binnentuinen niet onevenredig wordt aangetast.

Deze afweging heeft ertoe geleid dat in dit bestemmingsplan de volgende uitgangspunten gelden voor bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen) in de binnentuinen.

  • In binnentuinen die, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevels, tenminste 32 meter diep zijn, mogen aan- en uitbouwen maximaal 4 meter diep zijn.
  • In binnentuinen die, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevels, minder dan 32 meter diep zijn mogen aan- en uitbouwen maximaal 2,5 meter diep zijn.
  • De bouw van bijgebouwen op een afstand van meer dan 4 resp. 2,5 meter achter de oorspronkelijke achtergevel is niet toegestaan, uitgezonderd een kleine berging in de achtertuin.
  • De achtererven van de percelen in de P.C. Hooftstraat, tussen de Hobbemastraat en de Van Baerlestraat mogen volledig worden bebouwd.
  • De achtererven van de percelen in de Cornelis Schuytstraat, tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat mogen volledig worden bebouwd.
  • Op de achtererven van de percelen in het noordelijk deel van de Van Baerlestraat (tussen het Vondelpark en de Willemsparkweg) mogen aan- en uitbouwen maximaal 4 meter diep zijn. Bestaande aan- en uitbouwen die dieper zijn worden positief bestemd.
  • Indien bovenstaande regeling in onvoldoende mate zorg draagt voor het openhouden van de hoektuinen, dan geldt een afwijkende regeling. Daarbij bedraagt het bebouwingspercentage van de tuinen maximaal 50%;
  • In alle gevallen geldt dat nieuwe aan- en uitbouwen moeten worden voorzien van een groen dak. Dit groene dak dient tevens een waterbergende functie te hebben.

3.2.4 Ondergronds bouwen     

In het huidige bestemmingsplan is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen om kelders en souterrains onder het hoofdgebouw en in de tuin te bouwen. Het aantal ondergrondse verdiepingen en het oppervlak van de kelder zijn daarbij niet gelimiteerd. Er worden geen voorwaarden gesteld om negatieve effecten op de grondwaterhuishouding te voorkomen. Een kelder of parkeerkelder onder een tuin moet worden voorzien van een grondpakket van minimaal 80 cm boven op het dak en mag niet ten koste gaan van (waardevolle) bomen. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor parkeerkelders onder het hoofdgebouw en in de tuin te bouwen.

De bouw van kelders heeft in beginsel een positief effect op de leefbaarheid van de vooroorlogse stadswijken. Veel vooroorlogse panden hebben te maken met een matige tot slechte fundering. Funderingsherstel is een kostbare operatie. Indien dit gecombineerd wordt met de bouw van een kelder, staat tegenover deze investering een waardevermeerdering van het pand. Dit kan een extra stimulans zijn om tot funderingsherstel over te gaan.

Door de bouw van een kelder wordt het vloeroppervlak vergroot, waardoor gezinnen met kinderen in de wijk kunnen blijven wonen en ondernemers kunnen uitbreiden. Dit draagt bij aan het gemengde karakter van de wijk. Kelders kunnen ook een oplossing bieden voor de parkeerdruk. Het gemeentelijk beleid is erop gericht om het parkeren op eigen terrein op te lossen. De bouw van een parkeerkelder is in de vooroorlogse wijken een effectieve manier om parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren.

De bouw van kelders staat in het kader van de bouwdynamiek echter ter discussie. Uit het participatietraject komt naar voren dat veel bewoners zich zorgen maken over de constructieve schade die hierdoor kan ontstaan. Het feit dat de gemeente voorwaarden stelt aan de bouw van kelders neemt deze zorgen niet voor iedereen weg. Circa 40 % van de respondenten van de mini-enquête vindt dan ook dat de bouw van kelders helemaal verboden moet worden. De meerderheid van de respondenten (56 %) vindt dat de bouw van kelders al dan niet onder voorwaarden moet worden toegestaan. Veelgenoemde voorwaarden zijn o.a. het intact houden van de grondwaterstand en het voorkomen van overlast en schade voor buurpanden.

De bouw van kelders heeft ook invloed op de afvoer van regenwater en grondwaterstromen. In het afwijkingenbeleid is daarom de voorwaarde opgenomen dat de bouw van een kelder de grondwaterstand en grondwaterstromen niet mag verstoren. De bouw van één kelder heeft echter weinig invloed op het grondwater. En de geohydrologische situatie is in elke wijk anders. In de ene wijk kan de bouw van kelders de wateroverlast beperken (door barrièrewerking), terwijl de bouw van kelders elders juist tot meer wateroverlast kan leiden.

De gemeente Amsterdam heeft daarom onderzoek gedaan naar de cumulatieve effecten van de bouw van kelders op het grondwater in een aantal verschillende wijken. De conclusie van dit onderzoek is dat de cumulatieve effecten van kelderbouw op de langere termijn tot ernstige grondwateroverlast kunnen leiden, maar dat voor elke wijk weer andere maatwerkoplossingen nodig zijn om grondwateroverlast te beperken of te voorkomen.

Op basis van het voorgaande waren in de Nota van Uitgangspunten voor dit bestemmingsplan uitgangspunten opgenomen over het aanscherpen van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (alleen onder hoofdgebouwen, waarbij moet worden aangetoond dat dit niet leidt tot een substantiële belemmering van de grondwaterstromen).

Na vaststelling van de Nota van Uitgangspunten is echter nieuw stedelijk beleid vastgesteld op 20 januari 2021 in de vorm van het 'Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam' en de 'beleidsregel grondwaterneutrale kelders'. Doel van het afwegingskader en beleidsregel is het voorkomen van negatieve effecten van (cumulatieve) aanleg van kelders op de stand en de stroom van het grondwater in Amsterdam. Om te zorgen dat een kelder geen nadelige gevolgen heeft voor de stand van het grondwater en dat de kans op schade aan aangrenzende terreinen of panden of de openbare ruimte minimaal is, zijn met het afwijkingskader regels opgesteld voor de aanleg van kelders. Alleen de aanleg van 'grondwaterneutrale' kelders is toegestaan. De aanleg van kelders die 'niet-grondwater- neutraal' zijn, is op grond van de regels niet langer toegestaan. Een aanvraag voor de aanleg van een kelder wordt alleen goedgekeurd als het gaat om een grondwaterneutrale kelder. Dat wil zeggen dat het grondwater ook na de komst van de kelder goed kan blijven doorstromen, de stand van het grondwater niet of nauwelijks verandert (en waar mogelijk zelfs verbetert) en als er ook verder geen negatieve gevolgen zijn voor het grondwater.

Om te bepalen of een kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd, is in het afwegingskader op basis van de omvang en de diepte van de te bouwen kelder het volgende onderscheid gemaakt:

  • Kelders met één verdieping, een oppervlakte van maximaal 300 m2 en een diepte van maximaal 4 meter onder het grondoppervlak (maaiveld, gerekend aan de straatkant) kunnen grondwaterneutraal worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de technische maatregelen die zijn opgenomen in de beleidsregels. Deze (bouw)technische maatregelen moeten er voor zorgen dat zowel gedurende de aanleg en bouw van de kelder (op korte termijn) als gedurende de levensduur daarvan (op lange termijn) de grondwaterneutraliteit gegarandeerd blijft. In de praktijk gaat het bij kelders binnen de gestelde maximum maten om kelderbouw die de afgelopen jaren met name gewenst is gebleken onder particuliere woningen.
  • Kelders die wat betreft omvang en/of diepte groter zijn dan bovenstaande kelders, kunnen alleen mogelijk worden gemaakt indien op basis van een geohydrologisch onderzoek is aangetoond dat het bouwplan niet strijdig is met het belang van grondwaterneutraal bouwen. Hiervoor zal vrijwel altijd maatwerk noodzakelijk zijn.

In het afwegingskader is onderzocht in welke gebieden welke maatregelen vereist zijn om grondwaterneutraliteit te waarborgen. In alle buurten van Amsterdam zijn de belangrijkste eigenschappen van de bodem die een rol spelen bij kelderbouw in kaart gebracht (zoals samenstelling van de bodem, de grondwaterstand, hoe het grondwater stroomt en hoe er gebouwd is).

Het afwegingskader is na de vaststelling opgenomen in het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders, dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam op 7 oktober 2021, dat wil zeggen vóórdat het onderhavige bestemmingsplan is vastgesteld. Daarom is in dit bestemmingsplan de planregeling van het paraplubestemmingsplan overgenomen voor zover die van toepassing is voor dit plangebied. Dit houdt in praktijk het volgende in:

  • Als hoofdregel is vastgelegd dat het bouwen van nieuwe kelders en souterrains onder zowel bestaande als nieuwe gebouwen, alsmede het vergroten van bestaande kelders en souterrains, niet is toegestaan.
  • Van dit algemene verbod kan alleen worden afgeweken als de kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Om te bepalen of een kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd gelden de hierboven genoemde criteria uit het afwegingskader.

In paragraaf 5.5.13 wordt hier verder uitgebreid op ingegaan.

3.3 Uitgangspunten voorzieningenstructuur     

In deze paragraaf worden de gebiedsspecifieke uitgangspunten voor de in Hoofdstuk 2 onderscheiden voorzieningenclusters beschreven. Daarbij wordt gemotiveerd waarom bepaalde voorzieningen in bepaalde straten binnen deze clusters wel of niet worden toegestaan.

In het bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2011 is uitgegaan van een aantal gebiedsspecifieke regelingen voor het gebruik van panden met een niet-woonfunctie. Daarbij werden drie gebieden onderscheiden. Ook in het nieuwe bestemmingsplan gelden gebiedsspecifieke uitgangspunten. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen vier gebieden. Deze vier deelgebieden zijn elk in min of meerdere mate voor hun voorzieningen georiënteerd op een bepaald voorzieningencluster. De vier onderscheiden deelgebieden zijn:

  1. het Museumplein en omgeving;
  2. het Roelof Hartplein en omgeving;
  3. de Cornelis Schuytstraat en omgeving;
  4. de Valeriusbuurt.

Deze vier deelgebieden komen hieronder achtereenvolgens aan bod. De in de deelgebieden aanwezige culturele voorzieningen, het kernwinkelgebied, de wijkwinkelstraten en de overige voorzieningenclusters krijgen elk een op maat gemaakte regeling.

De niet-woonfuncties in de overige straten worden in het gehele plangebied op dezelfde manier bestemd. Daarvoor geldt een aantal algemene uitgangspunten ten aanzien van de niet-woonfuncties. Deze worden aan het eind van deze paragraaf toegelicht. Ook de regeling om ongewenste vormen van detailhandel en dienstverlening (bijvoorbeeld toeristenwinkels, belwinkels en massagesalons) te weren zal voor het gehele plangebied gelden. Deze uitgangspunten staan daarom in de laatste subparagraaf van dit hoofdstuk beschreven.

In beginsel gelden de hier aangegeven uitgangspunten voor alle percelen die als zodanig worden gebruikt. Indien de situatie daarom vraagt, is voor een bepaald perceel of een bepaalde functie maatwerk toegepast.

3.3.1 Museumplein en omgeving     

Het Museumplein is een unieke plek in Amsterdam met vier culturele instellingen van wereldniveau. Het Museumkwartier is bovendien een belangrijke toeristische trekpleister. Eén van de opgaves voor het Museumkwartier is het creëren van betere verbindingen naar omliggende buurten zoals De Pijp en de P.C. Hooftbuurt met meer publieksgerichte voorzieningen langs de betreffende langzaam verkeersroutes.

Het bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2011 beschermt het brede en gevarieerde voorzieningenaanbod rond het Museumplein. Het merendeel van de panden heeft een gemengde bestemming en er is veel maatwerk toegepast. Ook worden er veel nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Zo hebben de panden aan de noordzijde van de Paulus Potterstraat allemaal een gemengde bestemming gekregen, waarbij de vestiging van detailhandel bij rechte is toegestaan. Hoewel de Paulus Potterstraat in het stadsstratenbeleid wordt aangemerkt als een 'voldragen stadsstraat', zijn er in deze straat geen winkels gevestigd. Veel panden zijn in gebruik als kantoor. Een aantal panden wordt bewoond en er zijn twee toeristische publiekstrekkers gevestigd: House of Bols en Coster Diamonds/ Diamant museum.

In alle panden aan de zuidoostzijde van het Museumplein en in de Hobbemastraat en Honthorststraat tussen het Museumplein en de Hobbemakade zijn in het bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2011 nieuwe musea toegestaan. Hier zijn echter geen musea gevestigd. In deze straten zijn vooral kantoren en woningen gevestigd.

In dit bestemmingsplan wordt in dit plandeel ook weer veel maatwerk toegepast. Voor een aantal straten en percelen worden de gebruiksmogelijkheden echter gewijzigd, zodat ze beter aansluiten op de bestaande situatie. Op deze manier kan worden bijgedragen aan de ambities uit de structuurvisie Amsterdam en de gebiedsagenda Oud-Zuid. De unieke mix van cultuur, winkels, horeca, wonen en werken wordt behouden zonder dat het plangebied op slot gaat. Maar er wordt voorkomen dat er een te grote concentratie van (nieuwe) detailhandel, horeca en toeristische publiekstrekkers ontstaat. Dit zou in strijd zijn met de ambitie om bezoekers juist meer over de stad te spreiden.

De regeling in bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2011 voor winkelpanden aan de P.C. Hoofstraat en het deel van de Van Baerlestraat tussen het Vondelpark en het Concertgebouw (hierna: Van Baerlestraat Noord) blijft gehandhaafd. Amsterdam streeft met haar detailhandelsbeleid naar meerdere aantrekkelijke winkelgebieden waar kan worden gewinkeld voor producten die men niet elke dag koopt. Het aanbod moet voorzien in uiteenlopende behoeftes in verschillende segmenten. Dit vraagt om een ruim aanbod in niche-, top- en luxe segmenten en ruimte om in het kernwinkelgebied mee te bewegen met veranderingen in de consumentenbehoeften.

De P.C. Hooftstraat voorziet als meest exclusieve winkelstraat van de stad in de vraag naar luxe winkels in het topsegment. De Hobbemastraat en de Van Baerlestraat Noord fungeren als aanloopstraat respectievelijk uitloper van de P.C. Hooftstraat. Ook in deze straten zijn voornamelijk luxe winkels in het dure segment te vinden. Het hele gebied wordt in het detailhandelsbeleid gerekend tot het kernwinkelgebied van de binnenstad waar de winkels voor niet-dagelijkse boodschappen zijn geconcentreerd die zich vooral op bezoekers richten. Winkels voor dagelijkse boodschappen en consumentgerichte dienstverleners richten zich vooral op bewoners en zijn daarom voornamelijk buiten het kernwinkelgebied te vinden. Om die reden wordt in het nieuwe bestemmingsplan in de P.C. Hooftstraat, de Van Baerlestraat Noord en de kop van de Hobbemastraat alleen detailhandel bij rechte toegestaan en wordt er een groter winkelvloeroppervlak toegestaan dan in de wijkwinkelgebieden.

Het Amsterdamse detailhandelsbeleid is gericht op clustering van het winkelaanbod in bestaande winkelgebieden. Op die manier profiteren winkels van elkaars bezoekersstromen en heeft de consument het gemak van alle winkels bij elkaar. Dit betekent dat er in principe geen nieuwe winkels kunnen worden gevestigd buiten de bestaande winkelgebieden.

De bestemming van de panden aan de noordzijde van de Paulus Potterstraat wordt ingeperkt. Er worden geen nieuwe winkels en consumentgerichte dienstverleners toegestaan. Aan de noordzijde van de Paulus Potterstraat bevinden zich weinig publieksgerichte voorzieningen. Er bevinden zich vooral woningen en kantoren. De straat wordt in het stadsstratenbeleid aangemerkt als een 'voldragen stadsstraat' en leent zich daarom goed voor de vestiging van voorzieningen. Het is een doorgaande route waar diverse bussen en trams doorheen rijden. Alle panden hebben echter een hoge cultuurhistorische waarde. De voorgevels dienen daarom beschermd te worden. Voor de vestiging van nieuwe winkels en consumentgerichte dienstverleners zijn in veel gevallen aanpassingen aan de gevels nodig. Dit is onwenselijk. Voor de vestiging van kantoren en maatschappelijke voorzieningen zijn in de regel geen aanpassingen aan de gevel nodig. Om die reden worden in het nieuwe bestemmingsplan alleen kantoren en maatschappelijke voorzieningen toegestaan in de Paulus Potterstraat. bestaande publieksgerichte functies worden positief bestemd. House of Bols en Coster Diamonds/ Diamant museum krijgen een maatwerkbestemming.

De mogelijkheid om nieuwe musea te vestigen in alle panden aan de zuidoostzijde van het Museumplein en in de Hobbemastraat en Honthorststraat komt in dit bestemmingsplan te vervallen. Het stadsbestuur wil bezoekers en toeristen meer over de stad spreiden. In het strategisch huisvestingsplan Kunst en Cultuur staat een aantal beleidslijnen die in het verlengde liggen van de spreidingsgedachte van bezoekers. Zo is er opgenomen dat nieuwe grootstedelijke voorzieningen voor Kunst en Cultuur niet in het centrum komen, maar juist daarbuiten. De vestiging van nieuwe musea aan de zuidoostkant van het Museumplein past niet bij deze ambities. De bestemming van de panden wordt in overeenstemming gebracht met het bestaande gebruik (wonen en kantoren).

Wel kan er op de begane grond van de panden aan de Honthorststraat onder voorwaarden ruimte worden geboden voor kleinschalige culturele voorzieningen. Het oostelijk deel van de Honthorststraat maakt onderdeel uit van de verbindingsroute tussen het Marie Heinekenplein en het Museumplein. In de structuurvisie is de ambitie geformuleerd om de functierijkdom in de verbindende straten richting de Pijp te vergroten. In de Eerste Jacob van Campenstraat zijn al diverse voorzieningen zoals winkels, ateliers en horecazaken gevestigd. Deze ontwikkeling heeft zich echter nog niet doorgezet in de Honthorststraat. Hier zijn nog geen publieksgerichte voorzieningen aanwezig. De vestiging van nieuwe detailhandel buiten de winkelstraten is vanuit het detailhandelsbeleid echter niet gewenst. Kleinschalige culturele voorzieningen (galeries, ateliers, cultuureducatie) kunnen echter ook bijdragen aan de verlevendiging van deze straat. Bovendien draagt dit ook bij aan de ambitie om de status van het Museumplein en omgeving als cultureel centrum te versterken. Kleinschalige culturele voorzieningen leiden niet tot noemenswaardige extra aantallen bezoekers. Vanuit het spreidingsbeleid is het geen bezwaar om kleinschalige culturele voorzieningen mogelijk te maken in de Honthorststraat.

De vestiging van kleinschalige culturele voorzieningen in de Honthorststraat is echter maatwerk. De meeste panden aan de Honthorststraat hebben een hoge cultuurhistorische waarde. Er moet worden voorkomen dat de gevels worden aangetast door de vestiging van een galelie of atelier. Ook moet worden voorkokmen dat er geen negatieve effecten optreden voor het woon- en leefklimaat.

Om die reden is er geen regeling in het bestemmingsplan opgenomen voor het vestigen van kleinschalige culturele voorzieningen in de Honthorststraat. Als een initiatiefnemer een kleinschalige culturele voorzieningen wil vestigen, dan heeft het de voorkeur om zo'n aanvraag via een buitenplanse afwijking te vergunnen. Op die manier kunnen er maatwerkvoorschriften worden gesteld. En kan een aanvraag ook makkelijker geweigerd worden als niet wordt voldaan aan de maatwerkvoorschriten.

Uitgangspunten Museumplein en omgeving 

Samengevat worden daarmee voor het voorzieningencluster Museumplein en omgeving de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  1. Alle culturele publiekstrekkers (Concertgebouw en de musea rond het Museumplein: Rijksmuseum, Stedelijk Museum, Van Goghmuseum, Coster Diamonds/Diamond Museum en Moco Museum) krijgen een culturele bestemming. De mogelijkheid om zelfstandige horeca te vestigen bij het Concertgebouw, het Rijksmuseum, het Stedelijk museum en het Van Goghmuseum blijft gehandhaafd.
  2. Voorziening(en) gericht die gericht zijn op entertainment, zoals House of Bols, krijgen een eigen bestemming.
  3. De P.C. Hoofstraat is onderdeel van het kernwinkelgebied van Amsterdam. De maatwerkbestemming uit het bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2012 voor het deel tussen de Van Baerlestraat en de Hobbemastraat wordt gehandhaafd. In alle panden wordt detailhandel toegestaan op de begane grond én de eerste verdieping, mits daarboven nog tenminste twee woonlagen aanwezig zijn. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Winkels mogen een bruto vloeroppervlak van maximaal 750 m2 hebben en een maximale gevelbreedte van 15 meter. Bestaande andere niet-woonfuncties worden positief bestemd.
  4. Het noordelijk deel van de Van Baerlestraat (tussen het Concertgebouw en het Vondelpark), de kop van de Willemsparkweg (tussen de Van Baerlestraat en de Alexander Boerstraat), de kop van de Hobbemastraat (tussen de Stadhouderskade en de P.C. Hooftstraat) en de kop van de P.C. Hooftstraat (tussen de Stadhouderskade en de Hobbemastraat) maken onderdeel uit van het kernwinkelgebied. Detailhandel wordt in alle panden toegestaan op de begane grond. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Winkels mogen een bruto vloeroppervlak van maximaal 500 m2 hebben. Bestaande andere niet-woonfuncties worden positief bestemd.
  5. De bestemming van de niet-woonfuncties aan de noordzijde van de Paulus Potterstraat wordt ingeperkt. Er worden kantoren en maatschappelijke voorzieningen toegestaan in de benedenwoningen, dan wel het gehele pand, afhankelijk van de situatie ter plaatse. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd. House of Bols krijgt een maatwerkbestemming.
  6. De maatwerkbestemming voor de panden aan de zuidoostzijde van het Museumplein wordt gewijzigd. De bestaande gebruiksrechten voor musea komen te vervallen. Alle kantoren krijgen een gemengde woon- en kantoorbestemming. Alle woningen krijgen de bestemmingen Wonen. Bestaande andere niet-woonfuncties worden positief bestemd.

3.3.2 Roelof Hartplein en omgeving     

In het bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2012 is ervoor gekozen om de winkelfunctie in het deel van de Van Baerlestraat ten zuiden van het Concertgebouw (hierna: Van Baerlestraat Zuid) en de Roelof Hartstraat te beschermen. Daarom werd alleen detailhandel bij rechte toegelaten op de begane grond. In veel panden waren en zijn andere functies dan detailhandel gevestigd, zoals dienstverlening, kantoren en woningen op de begane grond. Deze functies werden in het bestemmingsplan positief bestemd. Dit houdt in dat in de desbetreffende panden naast detailhandel ook dienstverlening, kantoren of woningen op de begane grond was toegestaan.

In de afgelopen tien jaar is het Amsterdamse winkellandschap veranderd. Als gevolg van het internetwinkelen zijn er minder winkels voor niet-dagelijks boodschappen. Het aandeel dienstverleners en horecazaken is echter toegenomen. In de Van Baerlestraat Zuid en de Roelof Hartstraat is het aantal niet-dagelijkse winkels en horecazaken vrijwel gelijk gebleven, maar het aandeel dienstverleners nam juist sterk toe (van 10 naar 18 vestigingen).

Het winkellint functioneert goed. De leegstand is lager dan gemiddeld in stadsdeel Zuid. De huren liggen iets hoger dan gemiddeld in stadsdeel Zuid. In beide straten zijn diverse winkels en horecazaken in het hogere segment gevestigd. Er zijn geen prijsvechters of low budgetzaken aanwezig. Opvallend is dat er relatief weinig filialen van ketens zijn gevestigd.

Onder bewoners en ondernemers leven echter zorgen over de toekomst van het winkellint. Men verwacht dat de vraag naar winkelruimtes zal afnemen. Door de beperkte bestemming wordt het risico op leegstand groter. Het uitgangspunt in het huidige detailhandelsbeleid is dat op de begane grond van wijkwinkelstraten zowel winkels als consumentverzorgende dienstverlening is toegestaan. Het toestaan van zowel winkels en consumentgerichte dienstverlening draagt bij aan het op peil houden van een goed voorzieningenaanbod en het voorkomen van leegstand.

De ambitie is om de kwaliteit en het voorzieningenaanbod in dit winkellint op peil te houden en waar mogelijk te versterken. Het winkellint Van Baerlestraat Zuid - Roelof Hartstraat krijgt daarom een ruimere bestemming die beter aansluit bij het gemengde karakter van het lint en de toekomstige vestigingsmogelijkheden vergroot. Detailhandel en consumentgerichte dienstverlening worden bij rechte toegestaan op de begane grond. Andere niet-woonfuncties, zoals maatschappelijke voorzieningen, kantoren en bedrijven worden niet bij rechte toegestaan op de begane grond. Dit zijn geen voorzieningen die bijdragen aan het uitwisselingsmilieu van een winkelstraat.

In het winkellint bevinden zich diverse woningen op de begane grond. De meeste van deze woningen hebben in het bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2012 een gemengde bestemming met de aanduiding 'wonen'. De panden aan de Van Baerlestraat 138, 140 en 142 hebben echter de bestemming Wonen. Het is niet bekend waarom voor een afwijkende bestemming is gekozen. In dit bestemmingsplan krijgen alle panden in het winkellint een gemengde bestemming. De aanwezige woningen op de begane grond worden positief bestemd.

Op grond van het bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2012 mogen winkels in de Van Baerlestraat Zuid een maximaal vloeroppervlak van 500 m2 hebben. Dit wordt in het nieuwe bestemmingsplan teruggebracht naar 300 m2. In dit deel van de Van Baerlestraat bevinden zich geen winkels die groter zijn dan 300 m2. Door het maximale vloeroppervlak in te perken naar 300 m2 worden de winkelpanden minder aantrekkelijk voor grote winkelfilialen. Hiermee worden de overlevingskansen voor kleinere, meer buurtgerichte winkels en dienstverleners vergroot.

De niet-woonfuncties langs de Hobbemakade, Johannes Vermeerstraat en Ruysdaelstraat hebben in het bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt 2012 een gemengde bestemming. Detailhandel, bedrijf en dienstverlening zijn bij rechte toegestaan. De overige functies (kantoor, horeca en hotel) zijn alleen toegestaan waar dit met een aanduiding is aangegeven.

De bestemming van het buurtvoorzieningenclusters aan de Ruysdaelstraat wordt in dit bestemmingsplan verruimd. Naast winkels, consumentgerichte dienstverlening en bedrijven worden hier ook maatschappelijke voorzieningen, galeries en kantoren toegelaten. Enerzijds wordt hiermee de overlevingskans van dit cluster vergroot, nu de vraag naar winkelruimtes afneemt. Anderzijds worden de vestigingsmogelijkheden voor maatschappelijke voorzieningen en kleine kantoren vergroot.

De bestemming van de niet-woonfuncties in de Johannes Vermeerstraat wordt ingeperkt. De Johannes Vermeerstraat is geen winkelstraat of stadsstraat en is ook niet aangewezen als potentiele stadsstraat. Het toestaan van nieuwe detailhandel en consumentgerichte dienstverlening in de Johannes Vermeerstraat kan een bedreiging vormen voor het bestaande winkelaanbod in de nabijgelegen wijkwinkelgebieden. In het nieuwe bestemmingsplan worden langs deze straat daarom geen nieuwe publieksgerichte voorzieningen toegestaan. Maatschappelijke voorzieningen, kantoren en bedrijven zijn hier wel toegestaan.

Dit betekent overigens niet dat er helemaal geen ruimte is voor nieuwe publieksgerichte voorzieningen (winkels en dienstverleners) in de Johannes Vermeerstraat. De route Gabriel Metsusstraat - Johannes Vermeerstraat - Ruysdaelstraat vormt een belangrijke langzaam verkeersverbinding tussen De Pijp en het Museumplein. Door de opening van de Noord/Zuidlijn is het belang van deze langzaam verkeersverbinding toegenomen. Veel bezoekers wandelen vanaf station De Pijp via de Albert Cuypstraat en de Ruysdaelstraat naar het Museumplein. Dit biedt kansen voor de vestiging van publieksgerichte voorzieningen langs de Ruysdaelstraat, de Johannes Vermeerstraat en de Gabriel Metsusstraat.

Er dient echter een afweging op maat plaats te vinden of de voorziening past in het woon- en leefklimaat van de Johannes Vermeerstraat en de Gabriel Metsusstraat. Ook dient te worden beoordeeld of de vestiging van een nieuwe publieksgerichte voorziening al dan niet een bedreiging vormt voor het voorzieningenaanbod in omliggende winkelstraten. Indien het stadsdeel hieraan wil meewerken, dient er daarom een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan te worden verleend. Hierdoor is het makkelijker om op maat gemaakte voorwaarden te stellen aan nieuwe publieksgerichte functies.

Ook de bestemming van de niet-woonfuncties aan de Hobbemakade wordt ingeperkt. De Hobbemakade is geen stadsstraat of winkelstraat en is ook niet aangewezen als potentiele stadsstraat. De Hobbemakade maakt onderdeel uit van het hoofdnet auto en heeft aan de gebouwenzijde een relatief smalle stoep. De straat leent zich daarom niet goed voor de vestiging van publieksgerichte voorzieningen. Met uitzondering van enkele straathoeken zijn er ook geen winkels en dienstverleners aanwezig langs de Hobbemakade. De mogelijkheid om winkels en dienstverleners te vestigen in de panden met een niet-woonfunctie komt daarom te vervallen. Andere niet-woonfuncties, zoals maatschappelijke voorzieningen, kantoren en bedrijven zijn hier wel toegestaan.

De bestemming van de overige niet-woonfuncties in de woonstraten wordt ook ingeperkt. De mogelijkheid om publieksgerichte voorzieningen te vestigen in panden met een niet-woonfunctie komt in het nieuwe bestemmingsplan te vervallen. Niet publieksgerichte voorzieningen, zoals maatschappelijke voorzieningen, kantoren en bedrijven zijn hier wel toegestaan. Bestaande winkels en dienstverleners worden met een aanduiding bestemd. Voor een motivering van deze keuze wordt verwezen naar paragraaf 3.3.5 (Overige uitgangspunten voorzieningenclusters).

Uitgangspunten Roelof Hartplein en omgeving 

Daarmee gelden voor het voorzieningencluster Roelof Hartplein en omgeving de volgende uitgangspunten:

  1. De bestemming van de panden in het zuidelijke deel van de Van Baerlestraat (tussen het Concertgebouw en het Roelof Hartplein) en de Roelof Hartstraat wordt verruimd. In alle panden wordt op de begane grond detailhandel en consumentgerichte dienstverlening toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Het maximale bvo voor winkels en consumentgerichte dienstverlening is 300 m2. Bestaande andere niet-woonfuncties en woningen op de begane grond worden positief bestemd.
  2. De bestemming van het voorzieningencluster aan de Ruysdaelstraat (tussen de Hobbemakade en de Johannes Vermeerstraat) wordt verruimd. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca wordt positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.
  3. De bestemming van de niet-woonfuncties in de Johannes Vermeerstraat en langs de Hobbemakade wordt ingeperkt. Detailhandel en consumentgerichte dienstverlening worden niet meer bij rechte toegestaan op de begane grond. Op de begane grond worden maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. Bestaande winkels, consumentgerichte dienstverlening en horeca worden positief bestemd.

3.3.3 Cornelis Schuytstraat en omgeving     

Dit deel van het plangebied zit qua voorzieningendichtheid en aanbod tussen het Museumkwartier en de Valeriusbuurt in. De voorzieningendichtheid is hoger dan in de Valeriusbuurt, maar een stuk lager dan rondom het Museumplein. In dit plandeel bevinden zich geen landelijke en internationale publiekstrekkers zoals musea of een P.C. Hooftstraat. De Cornelis Schuytstraat is echter een bekende Amsterdamse winkelstraat met speciaalzaken en winkels uit het duurdere segment, die ook bezoekers uit de omliggende buurten trekt.

In dit plandeel bevinden zich veel winkels in het midden- en hogere segment. Winkels zijn niet alleen in de Cornelis Schuytstraat te vinden, maar ook verspreid in het eerste deel van de Willemsparkweg, de Jacob Obrechtstraat, de Emmastraat en op de hoeken van de woonstraten. Er is al jaren een ontwikkeling gaande dat traditionele buurtwinkels worden verdrongen door winkels uit het hogere segment. Veel bewoners maken zich hier zorgen over.

Verspreid door dit plandeel bevinden zich relatief veel kantoren. Aan de De Lairessestraat en de J.J. Viottastraat zijn enkele concentraties van kantoorpanden te vinden. Bijzonder aantrekkelijk aan deze buurt zijn de vele kleine restaurants en lunchgelegenheden op de hoeken van de woonstraten. Dit hangt samen met het welvarende karakter van de buurt. Ook de aanwezigheid van de vele vaak kleine kantoren draagt bij aan het draagvlak voor horeca in deze buurt.

In het huidige bestemmingsplan is ervoor gekozen om de winkelfunctie in de Cornelis Schuytstraat te beschermen. Daarom wordt alleen detailhandel bij rechte toegelaten op de begane grond. In het nieuwe bestemmingsplan wordt in alle panden in het noordelijk deel van de Cornelis Schuytstraat (tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat) zowel detailhandel als consumentgerichte dienstverlening bij rechte toegelaten op de begane grond.

De bestemming wordt verbreed omdat de Cornelis Schuytstraat een wijkwinkelstraat is, die geen onderdeel uitmaakt van het kernwinkelgebied. Het voorzieningenaanbod in de Cornelis Schuytstraat richt zich vooral op bewoners. In het kernwinkelgebied zijn niet-dagelijkse winkels gericht op bezoekers geconcentreerd. Daarom worden winkelpanden in het kernwinkelgebied uitsluitsel voor detailhandel bestemd. Omdat wijkwinkelstraten zich vooral op bewoners richten, wordt hier zowel detailhandel als consumentgerichte dienstverlening toegestaan.

In de Cornelis Schuytstraat zijn op dit moment vooral winkels gevestigd. De straat heeft een sterk imago en oefent op dit moment nog voldoende aantrekkingskracht uit als vestigingslocatie voor winkels. Het winkellandschap staat echter onder druk. Het risico bestaat dat er in de toekomst vanuit de markt minder vraag naar winkelruimte in de Cornelis Schuytstraat zal zijn. Door ook consumentgerichte dienstverlening bij rechte toe te staan, worden overlevingskansen van deze niche winkelstraat vergroot.

Eén van de ambities uit het huidige bestemmingsplan was om de ontwikkeling van de Willemsparkweg als verbindingsroute tussen de Cornelis Schuytstraat en de Van Baerlestraat te faciliteren. Op die manier zou er meer doorstroom tussen deze twee winkelgebieden ontstaan. Bovendien zouden winkels die door de hoge huurprijzen uit deze straten worden verdrongen zich dan kunnen vestigen in de Willemsparkweg. Daarom zijn winkels in dit deel van de Willemsparkweg in het huidige bestemmingsplan in alle panden bij rechte toegestaan. De Willemsparkweg heeft zich echter (nog) niet ontwikkeld tot een straat met publieksgerichte voorzieningen. Het merendeel van de panden is in gebruik als woning. Daarnaast zijn er diverse kantoren gevestigd.

Deze ambitie om de Willemsparkweg te ontwikkelen tot een winkelstraat past niet in het huidige detailhandelsbeleid, dat is gericht op clustering van het winkelaanbod in bestaande winkelgebieden. Er is bovendien onvoldoende vraag naar winkelruimte om alle panden in dit stuk straat te vullen met winkels.

Daarom wordt het uitgangspunt om de bestaande functies in Willemsparkweg zoveel mogelijk conform te bestemmen. De generieke gemengde bestemming wordt in het nieuwe bestemmingsplan vervangen door maatwerkbestemmingen. Alle woningen krijgen de bestemming Wonen. Alle kantoren krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Alle maatschappelijke voorzieningen krijgen een maatschappelijke bestemming. De uitgangspunten voor het bestemmen van kantoren, woningen en maatschappelijke voorzieningen worden toegelicht in hoofdstuk 3.4. De overige panden met een niet-woonfunctie op de begane grond krijgen een gemengde bestemming, Binnen deze gemengde bestemming zijn zowel publieksgerichte voorzieningen (detailhandel en consumentgerichte voorzieningen) als niet publieksgerichte voorzieningen (maatschappelijke voorzieningen, kantoren en kleinschalige bedrijvigheid) toegestaan.

Het uitgangspunt om de bestaande functies zoveel mogelijk conform te bestemmen geldt ook voor de zuidzijde van de Koninginneweg (de noordzijde van de Koninginneweg maakt geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan).

Op het gehele tracé Willemsparkweg - Koninginneweg zijn namelijk diverse publieksgerichte voorzieningen aanwezig, met name op de straathoeken (zie ook onderstaande afbeelding). In de Omgevingsvisie 2050 wordt bovendien het hele tracé Willemsparkweg – Koninginneweg aangemerkt als een te ontwikkelen stadsstraat. Door publiekgerichte voorzieningen bij rechte toe te staan in panden met een niet-woonfunctie in de plint wordt bijgedragen aan de ambitie om het tracé als stadsstraat te versterken.

verplicht
Afbeelding: publieksgerichte voorzieningen Willemsparkweg en Koninginneweg

Naast voorzieningen op de begane grond zijn er op het trace ook diverse kantoren gevestigd in benedenwoningen en herenhuizen. Deze kantoren krijgen een gemengde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Deze panden mogen niet worden omgezet naar publieksgerichte voorzieningen. De betreffende panden zijn van oorsprong geen winkelpand en lenen zich minder goed voor omzetting naar een publieksgerichte voorziening. Bovendien wordt hiermee voorkomen dat er te veel nieuwe solitaire winkelvestigingen ontstaan. Dit is immers in strijd met het detailhandelsbeleid.

De niet-woonfuncties langs de De Lairessestraat hebben in het huidige bestemmingsplan ook een gemengde bestemming. De vestiging van winkels, dienstverleners en bedrijven is bij rechte toegestaan op de begane grond. Kantoren zijn alleen toegestaan in panden met de aanduiding kantoor. Er zijn echter geen winkels, dienstverleners en bedrijven gevestigd in deze straat. Er staan vooral woningen en kantoren in deze straat. De gebruiksrechten voor detailhandel, dienstverlening en bedrijven komen daarom in het nieuwe bestemmingsplan te vervallen. Alle woningen krijgen de bestemming Wonen. Alle kantoren krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Alle maatschappelijke voorzieningen krijgen een maatschappelijke bestemming.

De bestemming van de niet-woonfuncties in het deel van de Jacob Obrechtstraat tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat wordt in het nieuwe bestemmingsplan verbreed. Ook de bestemming van de niet-woonfuncties in het deel van de Emmastraat tussen de Willemsparkweg en de De Lairessestraat wordt in het nieuwe bestemmingsplan verbreed. Van oorsprong waren veel buurtwinkels en andere voorzieningen gevestigd in de dwarsstraten die de verbinding vormen tussen de lange oost-west gerichte woonstraten. Daarom zijn er tegenwoordig nog steeds veel niet-woonfuncties in deze dwarsstraten gevestigd, zowel publieksgerichte voorzieningen, als kantoren, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. Een brede gemengde bestemming past goed bij het gevarieerde voorzieningenaanbod in de dwarsstraten.

Uitgangspunten Cornelis Schuytstraat en omgeving

Daarmee gelden voor het voorzieningencluster Cornelis Schuytstraat en omgeving de volgende uitgangspunten:

  1. De bestemming van panden in het deel van de Cornelis Schuytstraat tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat wordt verruimd. In alle panden wordt op de begane grond detailhandel en consumentgericht dienstverlening toegestaan. Het maximale bvo per vestiging is 300 m2. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande andere niet woonfuncties en woningen op de begane grond worden positief bestemd.
  2. De bestemming van de panden in de Willemsparkweg wordt gewijzigd. Alle woningen krijgen de bestemming Wonen. Alle kantoren krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Alle maatschappelijke voorzieningen krijgen een maatschappelijke bestemming. De overige niet-woonfuncties op de begane grond krijgen een gemengde bestemming. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleinschalige bedrijvigheid toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd. In de panden met een gemengde bestemming geldt voor alle niet-woonfuncties een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.
  3. De bestemming van de kantoren in de De Lairessestraat wordt gewijzigd. Deze krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. De vestiging van winkels, dienstverleners en bedrijven is niet meer bij rechte toegestaan. Hotels in de De Lairessestraat krijgen een gecombineerde woon- en hotelbestemming. Maatschappelijke voorzieningen in de De Lairessestaat krijgen een maatschappelijke bestemming. De andere toegestane functies komen te vervallen.
  4. De bestemming van de niet-woonfuncties in de Jacob Obrechtstraat (tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat) en de niet-woonfuncties in de Emmastraat (tussen de Willemsparkweg en de De Lairessestraat) wordt verruimd. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleinschalige bedrijvigheid toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca wordt positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.

3.3.4 Valeriusbuurt     

In vergelijking met de andere plandelen staat de woonfunctie hier meer centraal. De buurt kent net zoals de andere buurten een redelijke mate van functiemenging. Het verschil is echter dat veel niet-woonfuncties in de Valeriusbuurt meer buurtgericht zijn. Ook zijn er minder horecagelegenheden. Langs de Hendrik Jacobszstraat, bij de kruising Valeriusplein/ Koninginneweg en langs de Cornelis Krusemanstraat zijn drie kleine clusters met buurtgerichte voorzieningen aanwezig.

De voorzieningen aan de oostzijde van de Amstelveenseweg en op de kop van de Koninginneweg maken onderdeel uit van het wijkwinkelgebied Amstelveenseweg – Zeilstraat – Hoofddorpplein en hebben een groter verzorgingsgebied. Deze panden krijgen in het nieuwe bestemmingsplan dezelfde bestemming als de panden in het wijkwinkelgebied Hoofddorpplein – Zeilstraat – Amstelveenseweg. Detailhandel en consumentgerichte dienstverlening zijn bij rechte toegestaan op de begane grond, wonen op de etages. Woningen op de begane grond en andere niet-woonfuncties worden met een aanduiding bestemd.

De bestemming van de buurtvoorzieningenclusters aan de Hendrik Jacobszstraat, bij de kruising Valeriusplein/ Koninginneweg en aan de Cornelis Krusemanstraat wordt in het nieuwe bestemmingsplan verruimd. Naast winkels, dienstverlening en bedrijven worden hier ook maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleinschalige bedrijvigheid toegelaten. Enerzijds worden hiermee de overlevingskansen van deze clusters vergroot, nu de vraag naar winkelruimtes afneemt. Anderzijds worden de vestigingsmogelijkheden voor maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleinschalige bedrijvigheid vergroot.

De kantoren en andere niet-woonfuncties in het westelijk deel van de De Lairessestraat krijgen dezelfde bestemming als de kantoren en andere niet-woonfuncties in het oostelijk deel van deze straat. Voor de motivering wordt verwezen naar hoofdstuk 3.3.3.

Uitgangspunten Valeriusbuurt

  1. De panden langs de Amstelveenseweg en de kop van de Koninginneweg (tussen de Amstelveenseweg en de Saxen Weimarlaan) krijgen dezelfde bestemming als de wijkwinkelstraten in het bestemmingsplan Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt. In alle panden wordt detailhandel en consumentgerichte dienstverlening toegestaan op de begane grond. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Andere niet-woonfuncties en bestaande woningen op de begane grond worden positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bvo van 300 m2 per vestiging.
  2. De bestemming van de voorzieningenclusters in de Hendrik Jacobszstraat, bij de kruising Koninginneweg/ Valeriusplein en in de Cornelis Krusemanstraat wordt verbreedt. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleinschalige bedrijvigheid toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.
  3. De panden aan de zuidzijde van de Koninginneweg worden op dezelfde wijze bestemd als de panden aan de Willemsparkweg (m.u.v. de kop van de Koninginneweg. Dit wordt toegelicht in hoofdstuk 3.3.3). Alle woningen krijgen de bestemming Wonen. Alle kantoren krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Alle maatschappelijke voorzieningen krijgen een maatschappelijke bestemming. De overige niet-woonfuncties op de begane grond krijgen een gemengde bestemming. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleinschalige bedrijvigheid toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd. In de panden met een gemengde bestemming geldt voor alle niet-woonfuncties een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.

3.3.5 Overige uitgangspunten voorzieningenclusters     

Een groot deel van de niet-woonfuncties in de woonstraten heeft in het huidige bestemmingsplan een gemengde bestemming. Detailhandel, bedrijf en dienstverlening (m.u.v. zakelijke dienstverlening) zijn bij rechte toegestaan in de plint. De overige functies (maatschappelijke voorzieningen, zakelijke dienstverlening, kantoor, horeca, hotel) zijn alleen toegestaan waar dit met een aanduiding is aangegeven dan wel waar de betreffende bestemming geldt.

In het huidige bestemmingsplan is ervoor gekozen om in deze panden geen wonen en kantoor op de begane grond toe te staan. Op deze manier moet de trend dat buurtwinkels worden omgezet naar een woning of kantoor worden tegengegaan. Voor de winkelstraten, stadsstraten en buurtwinkelstrips is het behoud van winkels nog steeds actueel. Het is echter niet nodig om solitaire winkels en dienstverleners in de woonstraten te beschermen. Het detailhandelsbeleid is er op gericht om geen losstaande winkels mogelijk te maken, maar winkels juist te concentreren in winkelstraten en stadsstraten. Ook consumentgerichte dienstverlening wordt bij voorkeur geconcentreerd in de winkelstraten en stadsstraten.

De gebruiksrechten voor de niet-woonfuncties in de woonstraten worden daarom herzien. De gebruiksrechten voor detailhandel en consumentgerichte dienstverlening komen te vervallen, uitgezonderd de panden waar al een winkel of dienstverlener is gevestigd. Er wordt juist ruimte geboden voor functies die bijdragen aan het gemengde woon-werkmilieu, maar minder goed passen in de winkelstraten zoals maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleine bedrijven. Daarnaast wordt ook wonen op de begane grond toegestaan.

In 2018 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan winkeldiversiteit Centrum vastgesteld. Hierin is bepaald dat in het centrum geen nieuwe winkels zijn toegelaten die zich uitsluitend op toeristen richten. Het stadsbestuur wil dit brancheringsinstrument uitbreiden naar de hele stad om een monocultuur in het winkelaanbod tegen te gaan. In de gebiedsagenda wordt geconstateerd dat in Oud-Zuid steeds meer winkels verschijnen die gericht zijn op toeristen. In sommige straten dreigt hierdoor een monocultuur te ontstaan. Ongewenste vormen van detailhandel en dienstverlening, zoals massagesalons, belwinkels en toeristenwinkels worden daarom uitgesloten.

Overige uitgangspunten voorzieningenclusters

  1. Panden in de woonstraten met een niet-woonfunctie op de begane grond en woningen op de etages krijgen een gemengde bestemming. In deze panden worden op de begane grond maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Wonen wordt toegestaan op alle bouwlagen. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. Bestaande winkels, consumentgerichte dienstverleners en horecazaken worden positief bestemd.
  2. De volgende vormen van detailhandel en dienstverlening worden uitgesloten: toeristische voorziening, automatenhal, belwinkel, geldwisselkantoor, seksinrichting, smartshop, shishalounge en massagesalon. Bestaande, legale vestigingen worden positief bestemd.

3.4 Uitgangspunten gebruiksmogelijkheden     

In deze paragraaf hoofdstuk worden de uitgangspunten voor de gebruiksmogelijkheden van niet-woonfuncties beschreven. Indien gebiedspecifieke kenmerken hiertoe aanleiding geven, wordt er een afweging op maat gemaakt. In dit hoofdstuk worden geen uitgangspunten voor detailhandel en consumentgerichte dienstverlening opgenomen. De uitgangspunten voor detailhandel en consumentgerichte dienstverlening zijn reeds bij de uitgangspunten voor het voorzieningenaanbod beschreven.

3.4.1 Maatschappelijke voorzieningen     

De vastgoedprijzen behoren in dit plangebied tot de hoogste van de hele stad. Hierdoor staan minder kapitaalkrachtige niet-woonfuncties onder druk. Gemeente en bewoners delen de wens om het huidige aanbod aan maatschappelijke voorzieningen te behouden. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om maatschappelijke voorzieningen te beschermen.

Panden die geheel in gebruik zijn als maatschappelijke voorziening hebben in het huidige bestemmingsplan de bestemming Maatschappelijk. Hierdoor wordt voorkomen dat maatschappelijke functies worden omgezet naar functies die meer geld opleveren, zoals bijvoorbeeld woningen. Deze panden krijgen in het nieuwe bestemmingsplan ook een maatschappelijke bestemming.

Er zijn ook maatschappelijke voorzieningen gevestigd op de begane grond van panden met een gemengde bestemming. Het huidige bestemmingsplan maakt het mogelijk om deze maatschappelijke voorzieningen om te zetten naar een andere niet-woonfunctie. De wens is om deze maatschappelijke voorzieningen beter te beschermen. Er moet worden voorkomen dat ze worden verdrongen door functies die meer huur opleveren. Daarom wordt ervoor gekozen om deze panden in het nieuwe bestemmingsplan in beginsel een maatschappelijke bestemming te geven.

Er wordt een uitzondering gemaakt voor de winkelstraten. Hier krijgen maatschappelijke voorzieningen op de begane grond een gemengde bestemming en kunnen deze voorzieningen dus worden omgezet naar een andere niet-woonfunctie. Het detailhandelsbeleid is erop gericht om winkels en consumentgerichte dienstverlening te clusteren in de winkelstraten en stadsstraten. Veel maatschappelijke voorzieningen hebben geen publieksgerichte uitstraling en dragen niet bij aan het uitwisselingsmilieu dat wordt nagestreefd in de winkelstraten. In de winkelstraten wordt aan het behoud en versterken van het uitwisselingsmilieu een zwaarder gewicht toegekend dan aan het behoud van maatschappelijke voorzieningen. Overigens is in dit plangebied het merendeel van de maatschappelijke voorzieningen buiten de winkelstraten gevestigd.

Binnen de maatschappelijke bestemming wordt kinderdagopvang toegestaan. Het gebruik van de tuin als (wettelijk verplichte) buitenruimte kan tot overlast leiden voor omwonenden. Het geluid van spelende kinderen doorbreekt de stilte in de binnentuinen. Het beleid is juist gericht op het creëren of intact houden van een stille zijde aan de achterzijde als compensatie voor de stedelijke levendigheid aan de voorzijde van de woningen. Daarom zal er in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan een binnenplanse afwijking worden opgenomen om een buitenruimte voor een kinderdagverblijf op een binnenterrein te kunnen realiseren. Er kan alleen een afwijking worden verleend indien dit niet tot onevenredige geluidsoverlast voor de omliggende woningen leidt. De criteria hiervoor worden uit andere bestemmingsplannen in stadsdeel Zuid overgenomen.

Uitgangspunten maatschappelijke voorzieningen

  1. Panden die geheel in gebruik zijn als maatschappelijke voorziening krijgen maatschappelijke bestemming en kunnen niet worden omgezet naar een andere functie. Het vloeroppervlak van deze maatschappelijke voorzieningen wordt niet gelimiteerd.
  2. Maatschappelijke voorzieningen die zijn gevestigd op de begane grond van een winkelstraat krijgen een gemengde bestemming. Op deze locaties is uitwisseling tussen maatschappelijke voorzieningen en andere niet-woonfuncties op de begane grond mogelijk. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen.
  3. Maatschappelijke voorzieningen die zijn gevestigd op de begane grond van overige straten krijgen een gecombineerde woon- en maatschappelijke bestemming. Op de begane grond is een maatschappelijke voorziening toegestaan. Deze mag niet worden omgezet naar een andere niet-woonfuncties. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen.
  4. Er wordt een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de vestiging van nieuwe kinderdagverblijven. Deze worden alleen toegestaan indien er geen onevenredige geluidsoverlast ontstaat op het binnenterrein van het betreffende bouwblok.

Particuliere zorgklinieken

In het plangebied bevinden zich diverse particuliere zorgklinieken. Een aantal van deze klinieken biedt medisch noodzakelijke zorg, die in beginsel gewoon wordt vergoed door de zorgverzekeraar (mits die uiteraard een contract heeft met de kliniek). Maar er zijn ook een aantal klinieken die gespecialiseerd zijn in cosmetische behandelingen zoals plastische chirurgie. Dit is, enkele uitzonderingen daargelaten, doorgaans medisch niet-noodzakelijke zorg, die dan ook niet in aanmerking komt voor een vergoeding door de zorgverzekeraar.

Medische en zorgfuncties zijn maatschappelijke voorzieningen. Maatschappelijke voorzieningen dienen een publiek belang en moeten daarom toegankelijk zijn voor alle burgers. Om die toegankelijkheid te waarborgen is het van belang dat er in alle wijken voldoende maatschappelijke voorzieningen aanwezig zijn.

Omdat maatschappelijke dienstverleners geen winstoogmerk hebben, kunnen zij minder hoge markthuren betalen dan sommige commerciële bedrijven. De gemeente wil voorkomen dat maatschappelijke voorzieningen uit populaire wijken worden weggeconcurreerd door bedrijven met een winstoogmerk omdat ze minder hoge markthuren kunnen betalen. Panden waarin maatschappelijke voorzieningen zijn gevestigd, krijgen daarom een maatschappelijke bestemming. In deze panden kunnen zich geen kantoren, bedrijven, dienstverleners of winkels vestigen.

Of een particuliere zorgkliniek wordt aangemerkt als een maatschappelijke voorziening, hangt af van het type zorg dat wordt aangeboden. Indien een kliniek hoofdzakelijk medisch noodzakelijke zorg aanbiedt dan dient deze een publiek belang. Omdat de geboden zorg in beginsel wordt vergoed door de zorgverzekeraar is de kliniek toegankelijk voor alle burgers.

Particuliere zorgklinieken die medisch niet-noodzakelijke zorg aanbieden (hierna: privéklinieken), zoals bijvoorbeeld plastische chirurgie, dienen echter geen publiek belang. Er is daarom geen noodzaak om dit soort voorzieningen te beschermen tegen hoge markthuren. Het toekennen van de maatschappelijke bestemming aan privéklinieken vormt juist een risico. Omdat wordt aangenomen dat privéklinieken een hogere huur kunnen betalen, ontstaat juist het risico dat ze andere maatschappelijke voorzieningen wegconcurreren. Dat is een reden om privéklinieken juist geen maatschappelijke bestemming te geven.

Een privékliniek valt echter wel binnen de definitie van maatschappelijke dienstverlening. Plastische chirurgie en andere cosmetische ingrepen zijn een vorm van medische zorg, die wordt verricht door medisch-specialisten. Hoewel er sprake is van commerciële dienstverlening aan consumenten, kan een privékliniek niet worden aangemerkt als een vorm van consumentgerichte dienstverlening. Een privékliniek heeft doorgaans geen publieksgerichte karakter. Het is geen voorziening die gericht is op het langslopend publiek en waarbij het publiek rechtstreeks of via een balie te woord wordt gestaan en/of geholpen.

Om die reden worden privéklinieken planologisch gezien wel toegelaten binnen de bestemming Maatschappelijk. Omdat ze planologisch echter niet beschermd worden, krijgen ze in beginsel een kantoorbestemming. Binnen deze bestemming zijn kantoren en maatschappelijke dienstverlening bij rechte toegestaan. Een privékliniek die is gevestigd in de begane grond van een pand met daarboven woningen, krijgt de bestemming Gemengd-4 of Gemengd-5, al naar gelang het type straat waar de kliniek is gevestigd.

3.4.2 Horeca     

In het huidige bestemmingsplan zijn diverse wijzigingsbevoegdheden opgenomen om het aantal hotels en horeca-vestigingen uit te breiden. De wijzigingsbevoegdheden om nieuwe hotels te vestigen komt te vervallen. Het gehele plangebied is in het overnachtingenbeleid aangewezen als 'nee-gebied'. Dit betekent dat zich hier geen nieuwe hotels mogen vestigen.

In het nieuwe bestemmingsplan worden evenmin nieuwe horecavestigingen toegelaten. In de meeste buurten is voldoende kwalitatief goede horeca aanwezig. Het draagvlak om het aantal horecavestigingen uit te breiden lijkt beperkt. Uit de mini-enquête blijkt dat de meerderheid van de bewoners (ruim 60 %) vindt dat het huidige horeca aanbod precies goed is.

Elk stadsdeel heeft op dit moment nog zijn eigen horecabeleid. De gemeente Amsterdam wil daarom een nieuw stedelijk beleidskader horeca en terrassen opstellen. De nota van uitgangspunten voor dit beleidskader wordt naar verwachting in de loop van 2020 vastgesteld. Het is nog niet bekend wanneer het nieuwe horecabeleid in werking zal treden. Nu de ambities uit het huidige horecabeleid worden geactualiseerd, wil het Dagelijks Bestuur in het nieuwe bestemmingsplan niet op de zaken vooruit lopen. Daarom worden de bestaande horecavestigingen conform het huidige gebruik te bestemmen en worden er geen nieuwe horecavestigingen mogelijk gemaakt.

De huidige horeca categorieën komen naar alle waarschijnlijkheid in het nieuwe horecabeleid te vervallen. In het nieuwe horecabeleid worden inrichtingen ingedeeld op grond van de activiteiten van de horecazaak en de overlast die deze activiteiten met zich meebrengen. Hierdoor kan er meer maatwerk worden toegepast.

In het nieuwe bestemmingsplan worden vooralsnog de huidige horeca-categorieën gebruikt. De nieuwe indeling kan pas worden toegepast wanneer het nieuwe horecabeleid is vastgesteld. Mogelijk moet het bestemmingsplan na de vaststelling van het nieuwe horecabeleid op dit punt worden geactualiseerd. Daarover is nu echter nog geen uitsluitsel te geven.

Dat het bestemmingsplan geen ruimte biedt voor nieuwe horecavestigingen betekent overigens niet dat helemaal geen ruimte is om nieuwe horeca toe te staan. Het gemeentelijke beleid biedt namelijk wel ruimte voor nieuwe horeca in dit plangebied. In de structuurvisie staat dat het wenselijk is dat zich rond het Museumplein en in de verbindende straten richting de Pijp meer publieksgerichte voorzieningen vestigen: winkels, galeries en vooral meer restaurants, grand cafés en brasserieën. Ook het horecabeleid van Stadsdeel Zuid biedt ruimte om op een aantal plekken in het plangebied nieuwe horeca te vestigen.

Horeca kan bijdragen aan een kwaliteitsimpuls van de voorzieningenclusters. In sommige voorzieningenclusters is sprake van een goede mix tussen horeca, winkels en andere voorzieningen. Maar in andere voorzieningenclusters is te weinig horeca aanwezig en/of ontbreekt het aan een kwalitatief goed aanbod. Zo is in de P.C. Hooftstraat bijvoorbeeld ruimte voor nieuwe daghoreca ter ondersteuning van de winkelfunctie.

Er dient echter een afweging op maat plaats te vinden over de vraag of het wenselijk is om een nieuwe horeca-inrichting op een bepaalde locatie toe te staan. Dit hangt onder meer samen met het voorgestelde horecaconcept. Daarbij moet o.a. worden afgewogen of een horeca-inrichting daadwerkelijk iets toevoegt aan het voorzieningenaanbod en hoe dit zich verhoudt tot de bestaande functies in de omgeving. Tevens dient te worden beoordeeld welke impact het horecaconcept heeft op het woon- en leefklimaat en welke uitstraling het concept heeft. Tenslotte moeten er indien nodig voorwaarden worden gesteld om overlast voor omwonenden te voorkomen.

Indien het stadsdeel wil meewerken aan een nieuwe horeca-inrichting, dient er daarom een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan plaats te vinden. Met een buitenplanse afwijking is het namelijk makkelijker om op maat gemaakte voorwaarden te stellen aan het horecaconcept.

Coffeeshops

Coffeeshops vormen een aparte categorie horeca-inrichtingen waarvoor een specifieke exploitatievergunning wordt verleend. Coffeeshops vallen planologisch gezien onder horeca categorie IV (restaurant, lunchroom, koffie- of theehuis). De verkoop van hasj wordt niet in een bestemmingsplan vastgelegd, maar via de APV gereguleerd. Indien een coffeeshops zijn deuren sluit, is in het betreffende pand horeca-exploitatie mogelijk binnen de geldende horecacategorie.

Uitgangspunten horeca

  1. De bestaande, legale horecavestigingen worden positief bestemd. Het bestemmingsplan biedt geen ruimte voor nieuwe horecavestigingen.
  2. Horeca inrichtingen krijgen een maximale vestigingsgrootte van 300 m2. Bestaande legale vestigingen groter dan 300 m2 worden positief bestemd.
  3. Zwaardere horeca categorieën mogen worden omgezet naar lichtere. Lichtere horeca-categorieën mogen niet worden omgezet naar zwaardere.
  4. Mengformules worden bij rechte toegestaan in detailhandel. Maximaal 20 % van het verkoopvloeroppervlak mag worden gebruikt voor horeca tot maximaal 20 m2.
  5. Bestaande gedoogde coffeeshops worden bestemd als de lichtste horeca categorie.

3.4.3 Kantoren     

De uitgangspunten voor kantoren zijn samengesteld uit de uitgangspunten zoals verwoord in de Nota van Uitgangspunten en de later vastgestelde notitie 'Aanvullende uitgangspunten bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt'.

In het Museumkwartier en de Valeriusbuurt zijn veel bedrijven uit de zakelijke dienstverleningssector gevestigd. Vaak zijn deze bedrijven gevestigd in voormalige villa's en herenhuizen die tot kantoor zijn omgebouwd. Een concentratie van kantoorpanden is te vinden in o.a. de De Lairessestraat, de J.J. Viottastraat, de Willemsparkweg, de Paulus Potterstraat en de Johannes Vermeerbuurt.

Het economisch beleid van de gemeente Amsterdam is erop gericht om de gemengde woon-werkmilieus in de wijken binnen de ring A10 te behouden en waar mogelijk te versterken. Bedrijven uit de hedendaagse kenniseconomie vestigen zich graag in gemengde woon-werkmilieus. De aanwezigheid van kantoorruimte en goede publieksgerichte voorzieningen dragen bij aan de aantrekkingskracht van wijken als vestigingsmilieu voor bedrijven uit de kenniseconomie. Omdat deze bedrijven geen hinder voor de omgeving veroorzaken, kunnen zij zich zonder problemen vestigen in wijken waar ook wordt gewoond.

De gemeente Amsterdam onderscheidt een aantal typen gemengde woon-werkmilieus. Het Museumkwartier en de Valeriusbuurt maken onderdeel uit van het 'internationale topmilieu' dat zich in de stadsdelen Centrum en Zuid bevindt. Het internationale topmilieu kenmerkt zich door hoogwaardige, goed bereikbare locaties, geschikt voor de vestiging van internationale kantoren, met in de omgeving een groot aanbod aan stedelijke voorzieningen.

De beschikbare ruimte voor kantoren in Oud-Zuid is de afgelopen jaren echter afgenomen. Veel kantoren zijn bijvoorbeeld omgebouwd tot hotels en appartementen. De gemeente ziet daarom in Oud-Zuid ruimte voor de uitbreiding van het aanbod aan kantoren.

In het huidige bestemmingsplan mogen kantoren een maximaal vloeroppervlak van 300 m2 hebben. Deze limitering is achterhaald en komt daarom te vervallen. Ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan was het kantorenbeleid erop gericht om de kantorenleegstand terug te dringen. Dit beleid is achterhaald. Het uitgangspunt van het nieuwe kantorenplan 2019 – 2025 is om binnen de ring A10 functiemenging te stimuleren en ruimte te bieden aan kantoren. Het limiteren van het vloeroppervlak van kantoorpanden past niet bij deze ambitie.

In het huidige bestemmingsplan hebben alle kantoren een gemengde bestemming. Op de begane grond van deze panden zijn in de meeste gevallen detailhandel, dienstverlening en bedrijven bij rechte toegestaan, op de verdiepingen zijn woningen toegestaan. De gebruiksrechten voor detailhandel, dienstverlening en bedrijven van deze kantoorpanden komen in het nieuwe bestemmingsplan te vervallen. In het Amsterdamse detailhandelsbeleid is namelijk bepaald dat publieksgerichte voorzieningen (detailhandel en dienstverlening) dienen te worden geconcentreerd in bestaande winkelgebieden. De vestiging van solitaire winkels buiten de bestaande winkelgebieden moet worden tegengegaan.

Panden die geheel in gebruik zijn als kantoor

In dit plangebied staan veel kantoorpanden die geheel in gebruik zijn als kantoor. Het gaat in veel gevallen om villa's en herenhuizen die zijn omgebouwd naar een kantoorpand. Het bruto vloeroppervlak van deze kantoorpanden wordt niet gelimiteerd. In het nieuwe bestemmingsplan mogen zich in deze panden kantoren én maatschappelijke voorzieningen vestigen. Maatschappelijke voorzieningen hebben moeite om zich in het Museumkwartier en de Valeriusbuurt te vestigen. Door deze toe te laten in kantoorpanden worden de vestigingsmogelijkheden voor maatschappelijke voorzieningen vergroot. Maatschappelijke voorzieningen hebben een vergelijkbare impact op het woon- en leefklimaat als kantoren. Het zijn allebei functies die niet publieksgericht zijn en een beperkte verkeersaantrekkende werking hebben. Bovendien zijn het beide functies die geen tot minimale overlast veroorzaken voor de omgeving.

In dit bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen drie typen kantoorpanden:

  1. kantoorpanden die niet mogen worden omgezet naar woningen;
  2. kantoorpanden waarbij de 2e bouwlaag en hoger mag worden omgezet naar woningen;
  3. kantoorpanden die geheel mogen worden omgezet naar woningen.

Hieronder worden de drie typen kantoorpanden beschreven.

Kantoor op alle bouwlagen, wonen uitgesloten

Kantoorpanden op prominente A-locaties, zoals het Museumplein en grote kantoorpanden mogen niet worden omgezet naar woningen. De aanwezigheid van dit soort kantoorpanden draagt bij aan de aantrekkingskracht van het plangebied als internationaal topmilieu voor kantoren. De gemeente wil dat deze kantoorpanden behouden blijven voor de kantorenvoorraad. Bij een deel van deze panden (o.a. de consulaten aan het Museumplein) zijn woningen in het huidige bestemmingsplan ook al uitgesloten.

Bij een aantal grote kantoorpanden op andere locaties is dat echter niet het geval. De druk op de Amsterdamse woningmarkt is al jaren erg hoog. Daarom kan het voor eigenaren aantrekkelijk zijn om deze kantoorpanden om te zetten naar woningen, zelfs indien het prominente kantoorpanden op een A-locatie betreft. De gemeente wil de kantoorfunctie van dit soort panden graag beschermen. Om die reden komen de woonrechten voor deze panden in het nieuwe bestemmingsplan te vervallen.

Kantoor op alle bouwlagen, wonen op de etages toegestaan

Bij kleinere kantoorpanden (vaak oorspronkelijk gebouwd als villa of herenhuis), die geheel in gebruik zijn als kantoor en zijn gelegen in een stadsstraat, een doorgaande straat of in een voorzieningencluster mogen de etages worden omgezet naar woningen. Op de begane grond dient de kantoorfunctie echter gehandhaafd te blijven. Vanuit het oogpunt van functiemenging wil de gemeente niet-woonfuncties graag clusteren in stadsstraten, doorgaande straten en voorzieningenclusters. Om deze reden mogen kantoorpanden in deze straten niet geheel worden omgezet naar woningen. Op de begane grond moet een niet-woonfunctie gehandhaafd blijven.

In beginsel worden deze kantoorpanden daarom op dezelfde manier bestemd als in het huidige bestemmingsplan, namelijk kantoor in het hele pand en wonen op de etages. Hieraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag:

  • In de meeste gevallen kan op grond van het huidige bestemmingsplan 75 tot 80 % van het BVO worden omgezet naar wonen. Het laten vervallen van de woonrechten leidt tot een onevenredige inperking van gebruiksrechten.
  • Er is een grote vraag naar woningen. Als deze panden worden omgezet naar wonen, dan kunnen er in de meeste gevallen meerdere woningen boven de plint worden gerealiseerd. Deze bouwrechten kunnen een substantiële bijdrage leveren aan het bestrijden van de woningnood.

De consequentie is wel dat er in potentie een groot vloeroppervlak aan kantoorruimte uit de markt kan worden gehaald. Dit past niet bij het streven om binnen de ring A10 ruimte te bieden aan kantoren, zoals verwoord in het kantorenplan. Aan het belang van het handhaven van de gebruiksrechten voor wonen wordt in dit geval echter een zwaarder gewicht toegekend dan aan het belang van het beschermen van het vloeroppervlak voor kantoren.

Kantoor op alle bouwlagen, wonen op alle bouwlagen toegestaan

Bij kleinere kantoorpanden (vaak oorspronkelijk gebouwd als villa of herenhuis), die geheel in gebruik zijn als kantoor en zijn gelegen in een woonstraat mogen alle bouwlagen worden omgezet naar woningen. Een woonstraat leent zich minder goed voor een functioneel gemengd programma. Daarom is het in deze straten niet nodig om bij transformatie van een kantoorpand naar wonen op de begane grond een niet-woonfunctie te handhaven. In het huidige bestemmingsplan zijn o.a. de kantoorvilla's in de J.J. Viottastraat al op deze manier bestemd.

Deze wijze van bestemmen sluit aan bij hoe de kantoorvilla's in het bestemmingsplan Willemspark - Vondelpark zijn bestemd. In dit bestemmingsplan is het uitgangspunt dat de uitwisselbaarheid tussen kantoren en wonen blijft gehandhaafd. Het gebruik van panden kan zich hierdoor aanpassen aan de behoeftes vanuit de markt. Deze wijze van bestemmen sluit tevens aan bij de bestemmingsplansystematiek voor meerdere gebieden in stadsdeel Zuid

Bij kleinere kantoorpanden in woonstraten kan uitwisselbaarheid tussen kantoren en wonen bijdragen aan de toekomstbestendigheid van een pand. Als er vanuit de markt minder vraag is naar kantoren, kan het pand worden omgezet naar wonen. Hierdoor wordt voorkomen dat een pand leeg komt te staan.

Kantoren op de begane grond

Kantoren die zijn gevestigd op de begane grond van een pand met daarboven woningen krijgen in het nieuwe bestemmingsplan een gemengde bestemming. Het bruto vloeroppervlak van deze kantoren wordt wel gelimiteerd. Kantoren die zijn gevestigd op de begane grond van een pand met daarboven woningen zijn meestal oorspronkelijk gebouwd als winkel of bedrijfsruimte. Deze bedrijfsruimtes lenen zich vaak goed voor de vestiging van andere niet-woonfuncties. Kleinschaligheid is het uitgangspunt voor niet-woonfuncties op de begane grond (uitgezonderd de winkelstraten in het kernwinkelgebied). Daarom wordt het bvo van deze kantoren gelimiteerd op maximaal 300 m2 en mogen er maximaal 2 panden worden samengevoegd.

Afhankelijk van de vestigingslocatie (voorzieningencluster of overige locatie) wordt bepaald welke functies toegelaten zijn binnen de gemengde bestemming. Panden langs stadsstraten, doorgaande straten en in voorzieningenclusters krijgen een brede gemengde bestemming. Op de begane grond zijn zowel publiekgerichte als niet-publieksgerichte voorzieningen toegestaan. Wonen is echter alleen op de etages toegestaan.

Bij panden in woonstraten zijn op de begane grond alleen niet-publieksgerichte voorzieningen (maatschappelijke voorzieningen, kantoren en kleinschalige bedrijvigheid) toegestaan. Wonen is echter toegestaan op alle bouwlagen. Dit betekent dat de begane grond mag worden omgezet naar woningen.

Kantoren in de eerste twee bouwlagen

In het plangebied zijn veel dubbele benedenwoningen omgezet naar een kantoor. In het huidige bestemmingsplan mag de tweede bouwlaag worden omgezet naar wonen. Deze mogelijkheid wordt in het nieuwe bestemmingsplan gehandhaafd.

Het gevolg is dat deze kantoren in oppervlakte kunnen worden gehalveerd, waardoor ze minder goed verhuurbaar zijn. Het wordt dan lastiger om ze te behouden voor de kantorenvoorraad. Het omzetten van vloeroppervlak voor kantoren naar woningen past ook niet bij het streven om in functioneel gemengde buurten binnen de ring A10 ruimte te bieden aan kantoren zoals verwoord in het kantorenplan 2019-2025.

Bij panden die geheel in gebruik zijn als kantoor wordt echter de mogelijkheid om de tweede bouwlaag om te zetten naar wonen gehandhaafd. Hetzelfde geldt daarom voor de gebruiksrechten voor woningen in kantoren die zijn gevestigd in een dubbele benedenwoning.

Gehanteerde uitgangspunten

Bovenstaande heeft ertoe geleid dat in het bestemmingsplan voor kantoren de volgende uitgangspuntengelden

  • Panden die geheel in gebruik zijn als kantoor krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Het vloeroppervlak van panden die geheel in gebruik zijn als bij deze functies wordt niet gelimiteerd; Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen drie soorten vestigingslocaties, die elk hun eigen bestemming krijgen.
    1. De grotere kantoorpanden (van oorsprong als utilitair pand gebouwd) en de kantoorpanden aan de oostzijde van het Museumplein. De kantoorfunctie mag niet worden omgezet naar een woonfunctie.
    2. De kleinere kantoorpanden (in voormalige villa's en herenhuizen) die zijn gelegen aan een stadsstraat, een doorgaande straat of in een voorzieningencluster. De kantoorfunctie op de begane grond moet gehandhaafd blijven. De verdiepingen mogen worden omgezet naar wonen.
    3. De kleinere kantoorpanden (in voormalige villa's en herenhuizen) die zijn gelegen in een woonstraat. Deze kantoorpanden mogen geheel worden omgezet naar wonen.
  • Kantoren die zijn gevestigd op de begane grond van een pand met daarboven woningen krijgen een gemengde bestemming. Op de begane grond is een uitwisseling met andere niet-woonfuncties toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Voor alle niet-woonfuncties in de begane grond geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. Tevens mogen door één vestiging maximaal twee panden worden samengevoegd. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen twee soorten vestigingslocaties, die elk hun eigen bestemming krijgen:
    1. Panden langs stadsstraten, doorgaande straten en in voorzieningenclusters. Deze krijgen een brede gemengde bestemming. Op de begane grond zijn zowel publiekgerichte als niet-publieksgerichte voorzieningen toegestaan. Wonen is echter alleen op de etages toegestaan.
    2. Panden in woonstraten. Op de begane grond alleen niet-publieksgerichte voorzieningen toegestaan. Wonen is echter toegestaan op alle bouwlagen. Dit betekent dat de begane grond mag worden omgezet naar woningen.
  • Kantoren die zijn gevestigd in voormalige dubbele benedenwoningen. Het kantoor krijgt een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Het vloeroppervlak wordt niet gelimiteerd; woningen zijn toegestaan in de tweede bouwlaag en hoger. Dit betekent dat de kantoorfunctie op de tweede bouwlaag mag worden omgezet naar een woning, maar dat de kantoorfunctie op de begane grond moet worden gehandhaafd.

3.4.4 Ambachtelijke bedrijven     

In wijken binnen de ring A10 bevinden zich ook veel ambachtelijke bedrijven, zoals meubelmakers en kleermakers. Ambachtelijke bedrijven zijn vooral gevestigd in het centrum en in de 19e eeuwse ring. Voor nieuwe ambachtelijke bedrijven wordt het echter steeds moeilijker om zich in deze wijken te vestigen, omdat ze vaak de hoge huren voor bedrijfsruimten niet kunnen opbrengen. Ambachtelijke bedrijven zijn waardevol voor de buurt. Ze voorzien in een behoefte en passen goed in het gemengde woon-werkmilieu van het centrum en de 19e eeuwse ring, waarin van oudsher veel kleinschalige productiebedrijven waren gevestigd.

Ambachtelijke bedrijven zijn in het plangebied Museumkwartier – Valeriusbuurt echter nagenoeg afwezig. Het Museumkwartier en de Valeriusbuurt zijn gebouwd als wijken voor de hogere klassen. In dit soort wijken werden productiebedrijven van oudsher geweerd. Deze vestigden zich in de volksbuurten.

Het Duivelseiland is de enige buurt binnen het plangebied waar enkele ambachtelijke bedrijven zijn gevestigd. Dit is een voormalige volksbuurt die qua karakter meer op De Pijp lijkt dan op het chique Museumkwartier. De buurt heeft een proces van gentrificatie ondergaan en is net als De Pijp inmiddels een zeer gewilde woonbuurt. Hierdoor is het voor ambachtelijke bedrijven lastig geworden om zich in deze buurt te vestigen. Om te voorkomen dat ambachtelijke bedrijven als gevolg van de gentrificatie verdwijnen, zal een uitwisseling met andere niet-woonfuncties daarom niet direct mogelijk zijn.

Het gevolg van het planologisch beschermen van ambachtelijke bedrijven is dat het risico op leegstand bij bedrijfsbeëindiging groter wordt. De verhuurder heeft immers minder potentiele huurders aan wie hij het pand kan verhuren. Leegstand kan de leefbaarheid aantasten en zorgt voor een minder goede uitstraling van een straat. In de winkelstraten wordt aan dit bezwaar een zwaarder gewicht toegekend dat in overige straten. De winkelstraten hebben namelijk een meer representatieve functie dan de woonstraten. Daarom wordt ervoor gekozen om alleen ambachtelijke bedrijven die in de woonstraten zijn gevestigd te beschermen.

Gehanteerde uitgangspunten

Ambachtelijke bedrijven die zijn gevestigd buiten de winkelstraten worden als een aparte functiecategorie bestemd.

3.4.5 Wonen     

Wonen is de meest voorkomende functie in het plangebied. In het huidige bestemmingsplan zijn woningen zonder nadere aanduidingen of gebruiksbepalingen bestemd. Hierdoor is een woning voor iedere gewenste woonvorm en doelgroep te gebruiken. Ook is het mogelijk om woningen te splitsen, samen te voegen of een zolderetage om te zetten naar een woning zonder dat hiervoor een planologisch besluit nodig is. Wel is hier in veel gevallen een vergunning op grond van de huisvestingsverordening voor nodig. Dit valt echter buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan.

Deze wijze van bestemmen geeft veel flexibiliteit. Ontwikkelingen op de woningmarkt kunnen tot op zekere hoogte worden opgevangen binnen de bestaande woningvoorraad. Bewoners kunnen bijvoorbeeld de zolderetage bij hun woning voegen. Hierdoor ontstaan grotere woningen, waardoor gezinnen in de wijk kunnen blijven wonen of wooncarrière kunnen maken binnen de wijk. Maar het is ook mogelijk om woningen te splitsen, waardoor er kleinere woningen ontstaan voor starters en alleenstaanden. Tevens kunnen woningen worden verbouwd tot zorgwoningen. De bevolking vergrijst en ouderen blijven steeds langer zelfstandig wonen. De behoefte aan zorgwoningen zal daarom toenemen.

Het nadeel is dat deze wijze van bestemmen minder rechtszekerheid geeft. Maar dit wordt ondervangen door de huisvestingsverordening, waarin is bepaald dat er een woning onttrekkingsvergunning nodig is voor wijzigingen in de woningvoorraad. Met dit instrument kan een afweging op maat worden gemaakt. Het toetsen van wijzigingen in de woningvoorraad aan het bestemmingsplan voegt niets toe aan deze afweging op maat, maar leidt wel tot een extra administratieve last voor burger en overheid. Tevens bestaat het risico dat bestemmingsplanregels afwijken van de regels uit de huisvestingsverordening, waardoor er twee tegenstrijdige toetsingskaders ontstaan. Daarom blijft het uitgangspunt dat woningen zonder nadere aanduidingen of gebruiksbepalingen ongewijzigd worden bestemd.

In het huidige bestemmingsplan is bepaald dat een woning is bestemd voor de huisvesting van één huishouden. In het woonbeleid is bepaald dat woningdelen onder bepaalde voorwaarden is toegestaan. In de praktijk worden veel woningen gedeeld door twee of meer mensen die samen geen huishouden vormen. Veel starters die onvoldoende wachttijd hebben opgebouwd voor een sociale huurwoning en te weinig verdienen om te kopen of in de vrije sector te huren delen een woning. Het voordeel hiervan is dat deze groep toch een woonruimte kan bemachtigen in een markt waarin het moeilijk is om een eigen woning te huren of te kopen. Het risico is echter dat huurprijzen worden opgedreven en de leefbaarheid onder druk komt te staan. In de nieuwe huisvestingsverordening zijn daarom regels over het woningdelen opgenomen. Er wordt een quotum per gebouw en per wijk voorgesteld en een maximaal aantal bewoners per woning.

Gehanteerde uitgangspunten

Bovenstaande heeft ertoe geleid dat in het bestemmingsplan voor de woonfunctie de volgende aspecten zijn geregeld.

  • Woningen krijgen een algemene woonbestemming en zijn in beginsel door iedere doelgroep te gebruiken. Regels over woonruimteverdeling staan in de huisvestingsverordening;
  • Het aantal woningen wordt niet vastgelegd. Het splitsen, samenvoegen of toevoegen van woningen binnen een bestaande bouwmassa is bij recht toegestaan. Aanvragen voor het splitsen, samenvoegen of toevoegen van woningen worden op grond van de huisvestingsverordening afgewogen.

Beroep en bedrijf aan huis

Binnen de woonfunctie is het toegestaan om een deel van de woning bedrijfsmatig te gebruiken. Dit kan door een bedrijf aan huis te beginnen, of een beroep aan huis zoals huisarts, tandarts, advocaat en notaris uit te oefenen. Het is eveneens toegestaan om een Bed & Breakfast te beginnen. Hiervoor geldt dat er niet meer dan vier personen tegelijk van de overnachtingsfaciliteit gebruik mogen maken.

Ook is het toegestaan om een internetbedrijf aan huis te hebben. De volgende drie typen internetbedrijven mogen als bedrijf aan huis worden uitgeoefend: (1) een afhaalpunt internetaankopen, (2) een internetbedrijf waar alleen een elektronische transactie tot stand komt en (3) een internetbedrijf met opslag- en verzendfunctie. Een internetbedrijf dat functioneert als detailhandel (met afhaalmogelijkheden en de mogelijkheid de goederen ter plaatse te bekijken) is niet toegestaan als bedrijf aan huis. Voor een beschrijving van de verschillende typen internetbedrijven wordt verwezen naar paragraaf 5.4.14 'Detailhandelsbeleid 2018 - 2022'.

Voor alle aan huis gebonden beroepen en bedrijfsactiviteiten geldt dat deze niet groter mogen worden dan het bewoonde deel van de woning. Om te waarborgen dat deze ondergeschiktheid behouden blijft, mag in woningen maximaal 40% van de woning, met een maximum van 60 m2 worden gebruikt voor huisgebonden beroep, huisgebonden bedrijf of Bed & Breakfast. De bedrijvigheid moet uitgevoerd worden door de hoofdbewoner(s) zelf.

Short stay

Short stay is het tijdelijk verhuren van een woning voor een periode van minimaal zeven nachten tot maximaal zes maanden aan buitenlandse werknemers die voor een kortere periode in Nederland verblijven. De gemeente Amsterdam heeft deze vorm van verblijf een tijd lang gefaciliteerd via een vergunningenstelsel. Omdat short-stay is strijd is met de woonbestemming, is in die periode short-stay in nieuwe bestemmingsplannen bij rechte mogelijk gemaakt in alle panden met een woonbestemming.

Short-stay bleek in bepaalde wijken echter dermate populair dat de reguliere woonfunctie onder druk kwam te staan. Bovendien bleek dat short-stay appartementen ook op ruime schaal aan toeristen werden verhuurd. Daarom worden sinds 2014 geen nieuwe vergunningen meer verleend voor short stay. Dit geldt zowel voor bestaande bouw als voor nieuwbouw en transformatie.

In het huidige bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt is short-stay bij rechte toegestaan in alle panden waar woningen zijn toegestaan. Dit betekent onder andere dat ook kantoorpanden vanaf de tweede bouwlaag kunnen worden omgezet naar short-stay. Zelfs kantoorpanden waar wonen via een aanduiding is uitgesloten kunnen vanaf de tweede bouwlaag worden omgezet naar short-stay.

Short-stay is een vorm van woningonttrekking. Als een woning wordt omgezet naar short-stay is daar een woning onttrekkingsvergunning voor nodig. Nu de gemeente Amsterdam sinds 2014 geen nieuwe short-stay vergunningen meer verleent, wordt de benodigde woning onttrekkingsvergunning ook geweigerd. Dit betekent dat er geen gebruik meer kan worden gemaakt van de planologische mogelijkheid om woningen om te zetten naar short-stay appartementen.

Voor het omzetten van een niet-woonfunctie naar short-stay is echter geen woning onttrekkingsvergunning nodig. Dit betekent dat er nog wel gebruik kan worden gemaakt van de planologische mogelijkheid om niet-woonfuncties om te zetten naar short-stay.

Omdat short-stay tegenwoordig als een niet-wenselijke vorm van wonen/ verblijf wordt gezien, is het wenselijk om de planologisch rechten voor short-stay bij een actualisatie te laten vervallen, ook in panden met een niet-woonfunctie. Het wegbestemmen van de short-stayrechten in panden met een niet-woonfunctie kan echter tot planschade leiden. De eerste bestemmingsplannen met short-stay rechten worden in de komende jaren herzien.

Als aanvullend uitgangspunt wordt voorgesteld om de planologische rechten voor short-stay in het nieuwe bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt te laten vervallen. Het beleid is immers om geen medewerking meer te verlenen aan het realiseren van short-stay appartementen. Dit beleid zal moeten worden doorvertaald in het nieuwe bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Ontwikkelingen     

Dit bestemmingsplan is bedoeld om de bestaande situatie te bestemmen. In beginsel worden er geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Uitzondering hierop zijn reeds vergunde ontwikkelingen en ontwikkelingen waarvan de planologische haalbaarheid al is aangetoond. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State moeten ontwikkelingen die concreet genoeg zijn om te kunnen toetsen, tijdig kenbaar zijn gemaakt èn waarvan de planologische haalbaarheid is aangetoond namelijk worden opgenomen in een nieuw bestemmingsplan.

Op dit moment zijn er geen ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied bekend die aan deze voorwaarden voldoen. Indien tijdens het planproces een ontwikkeling kenbaar wordt gemaakt, die aan deze voorwaarden voldoet, dan kan deze alsnog worden opgenomen in het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Beleidskader     

In dit hoofdstuk worden de beleidskaders voor dit bestemmingsplan beschreven. Dat gebeurt op verschillende beleidsniveaus: Rijksbeleid, provinciaal beleid, beleid op regionaal niveau, gemeentelijk beleid en stadsdeelbeleid.

Alleen het beleid dat voor dit bestemmingsplan relevant is komt aan de orde. Geldend beleid dat niet van toepassing is voor het onderhavige bestemmingsplan wordt niet nader toegelicht. Dat geldt ook voor gemeentelijke verordeningen die buiten het bestemmingsplan functioneren. Voorbeelden zijn het beleid dat geldt voor het Natuurnetwerk Nederland (binnen en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen gronden die deel uitmaken van dit natuurnetwerk), de gemeentelijke nota Hoogbouw in Amsterdam (het bestemmingsplan maakt hoogbouw niet mogelijk) en de gemeentelijke Bomenverordening (die de regels bevat die gelden voor het kappen en herplanten van bomen).

5.1 Europees recht     

5.1.1 Richtlijn betreffende diensten op de interne markt (2006/123/EG, 'Dienstenrichtlijn')     

In het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt de interne Europese markt beschreven als een ruimte zonder binnengrenzen, waarin vrij verkeer van kapitaal, personen, goederen en diensten is gewaarborgd. De Dienstenrichtlijn neemt als uitgangspunt dat diensten een bijzonder belangrijke economische sector zijn. Concurrentie op de Europese dienstenmarkt wordt beschouwd als een belangrijke voorwaarde voor het bevorderen van de groei van de economie en de werkgelegenheid.

De Dienstenrichtlijn geeft juridische kaders om die concurrentie te bevorderen en om belemmeringen voor een vrij dienstenverkeer tussen de lidstaten weg te nemen. Voor ieder algemeen verbindend voorschrift, beleidsregel of vergunningstelsel dient te worden nagegaan of deze betrekking heeft op de toegang tot of de uitoefening van een dienst die onder de Dienstenrichtlijn valt.

Ruimtelijke voorschriften in de vorm van een bestemmingsplan vallen daar ook onder. Dat betekent dat beperkende ruimtelijke voorschriften in bestemmingsplannen op grond van de Dienstenrichtlijn in beginsel verboden zijn. Met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake Appingedam en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak van de Afdeling (Raad van State, uitspraak d.d. 20 juni 2018: ECLI:NL:RVS:2018:2062) heeft bovendien een aanscherping plaatsgevonden van de wijze waarop de Dienstenrichtlijn moet worden begrepen binnen de ruimtelijke ordening:

  • detailhandel in goederen behoort eveneens tot de dienstverleningsactiviteiten waar de Dienstenrichtlijn betrekking op heeft;
  • een in ruimtelijke voorschriften opgenomen brancheringsregeling of oppervlaktemaatregel vormen een 'eis' (beperking) in de zin van artikel 15 lid 2 onder a van de Dienstenrichtlijn (een territoriale of kwantitatieve beperking).

Op grond van de richtlijn zijn dit soort beperkingen weliswaar in beginsel verboden, maar zij kunnen wel gerechtvaardigd zijn, mits gemotiveerd wordt dat is voldaan aan de in artikel 15 lid 3 Dienstenrichtlijn opgenomen voorwaarden. Dat houdt in dat dwingende redenen van algemeen belang een beperking van de beoogde vrijheid van vestiging kunnen rechtvaardigen. Tot de dwingende redenen van algemeen belang behoren onder meer de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke (en rurale) ruimtelijke ordening. Daarin kan rechtvaardiging worden gevonden voor het stellen van eisen en het opzetten van vergunningenstelsels.

Aan een beroep op deze dwingende redenen van algemeen belang om een beperking te rechtvaardigen, zijn echter wel voorwaarden verbonden. Samengevat betekent dit dat beperkingen aan het vrij verkeer, zoals het stellen van bepaalde eisen, alleen gerechtvaardigd is als daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn:

  1. Het verbod van discriminatie: De eisen mogen geen direct of indirect onderscheid maken naar nationaliteit of statutaire vestigingsplaats;
  2. De voorwaarde van noodzakelijkheid: De eisen moeten gerechtvaardigd zijn vanwege dwingende redenen van algemeen belang;
  3. De voorwaarde van evenredigheid: De eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken, ze mogen niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken en het doel kan niet met minder vergaande beperkingen bereikt worden.

Daarmee kunnen overheden in hun ruimtelijke voorschriften dus wel beperkende eisen stellen, maar dergelijke eisen zullen steeds primair moeten worden onderbouwd en gemotiveerd aan de hand van overwegingen van ruimtelijke kwaliteit. Beperkingen kunnen niet enkel gesteld worden om economische doelen na te streven.

Consequenties voor dit bestemmingsplan 

In dit bestemmingsplan worden in verschillende regelingen beperkingen gesteld aan de vestigingsmogelijkheden voor niet-woonfuncties, zoals winkels, horeca, consumentgerichte dienstverleners, maatschappelijke voorzieningen, kantoren en kleinschalige bedrijven.

Hier worden deze beperkingen eerst kort weergegeven. Voor een uitgebreide beschrijving van de betreffende regelingen wordt verwezen naar de paragraaf 3.3 'Uitgangspunten voorzieningenstructuur' en paragraaf 3.4 'Uitgangspunten gebruiksmogelijkheden' in Hoofdstuk 3 van de toelichting.

Om te bepalen of de beperkingen in het bestemmingsplan in het kader van de Dienstenrichtlijn gerechtvaardigd zijn, zijn de diverse regelingen vervolgens getoetst aan de voorwaarden in artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn.

Beperkingen in het bestemmingsplan

Het Museumkwartier - Valeriusbuurt is een groot en divers plangebied. Het plangebied bestaat uit verschillende buurten met elk een eigen karakter. Er is meestal geen sprake van een duidelijke grens, de verschillende buurten lopen geleidelijk in elkaar over. Het voorzieningenaanbod verschilt dan ook per buurt. In het bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt naar vier deelgebieden met elk een eigen karakteristiek:

  • Museumplein en omgeving;
  • Roelof Hartplein en omgeving;
  • Cornelis Schuytstraat en omgeving;
  • Valeriusbuurt.

De voorzieningenstructuur en de bij elk deelgebied behorende regelingen komen hierna aan bod.

In het algemeen geldt dat de hogere bouwlagen veelal een woonfunctie hebben. Menging met kleinschalige niet-woonfuncties vindt in het plangebied vooral plaats op de begane grond. Om de woonfunctie en het overwegend kleinschalige karakter van het plangebied te behouden, is vestiging van niet-woon-functies dan ook veelal uitsluitend toegestaan op de begane grond, de kelder en het souterrain. Om de functiemenging te beschermen, maakt het bestemmingsplan het op de meeste plekken niet mogelijk om niet-woonfuncties in de begane grond om te zetten naar een woning. In de hogere bouwlagen mag alleen worden gewoond.

Voor de vestiging van niet-woonfuncties in de begane grond (detailhandel, consumentgerichte diensten, maatschappelijke dienstverlening, horeca, kantoren en kleinschalige bedrijven) gelden algemene beperkingen ten aanzien van de vestigingsgrootte. Deze maximering van de vestigingsgrootte in de begane grond is ingegeven door de wens om het bestaande kleinschalige karakter van de voorzieningen en de bestaande fijnmazige functiemenging in het plangebied te behouden. Voor vrijwel alle niet-woonfuncties in de begane grond geldt daarom een maximale vestigingsgrootte van 300 m2 vloeroppervlak. Alleen in de winkelstraten die deel uitmaken van het kernwinkelgebied gelden grotere maximum maten (zie verder hierna). Daarmee wordt voortgebouwd op de maximale vestigingsgrootte die gold in het voorgaande bestemmingsplan.

Voorzieningenstructuur

Zoals aangegeven bestaat het plangebied uit verschillende buurten met elk een eigen karakter, waardoor het voorzieningenaanbod per buurt verschilt. Zo heeft het voorzieningenaanbod in het Museumkwartier een grootstedelijk en meer internationaal karakter, terwijl het aanbod in de Valeriusbuurt vooral buurtgericht is. Dit vraagt om maatwerk in het bestemmingsplan. Voor de vier onderscheiden deelgebieden gelden de volgende regelingen c.q. beperkingen.

Museumplein en omgeving

Dit gebied wordt in het detailhandelsbeleid gerekend tot het kernwinkelgebied van de binnenstad, waar de winkels voor niet-dagelijkse boodschappen zijn geconcentreerd die zich vooral op bezoekers richten. Winkels voor dagelijkse boodschappen en consumentgerichte dienstverleners richten zich vooral op bewoners en zijn daarom voornamelijk buiten het kernwinkelgebied te vinden. Om die reden wordt in dit bestemmingsplan in de P.C. Hooftstraat, de Van Baerlestraat Noord en de kop van de Hobbemastraat alleen detailhandel bij rechte toegestaan en wordt er een groter winkelvloeroppervlak toegestaan dan in de wijkwinkelgebieden.

In de P.C. Hoofstraat is in alle panden detailhandel toegestaan op de begane grond én de eerste verdieping, mits daarboven nog tenminste twee woonlagen aanwezig zijn. Winkels mogen een bruto vloeroppervlak van maximaal 750 m2 hebben en een maximale gevelbreedte van 15 meter. Bestaande andere niet-woonfuncties zijn positief bestemd.

In het noordelijk deel van de Van Baerlestraat (tussen het Concertgebouw en het Vondelpark), de kop van de Willemsparkweg (tussen de Van Baerlestraat en de Alexander Boerstraat), de kop van de Hobbemastraat (tussen de Stadhouderskade en de P.C. Hooftstraat) en de kop van de P.C. Hooftstraat (tussen de Stadhouderskade en de Hobbemastraat) wordt detailhandel in alle panden toegestaan op de begane grond. Winkels mogen een bruto vloeroppervlak van maximaal 500 m2 hebben. Bestaande andere niet-woonfuncties worden ook hier positief bestemd.

Het Amsterdamse detailhandelsbeleid is gericht op clustering van het winkelaanbod in bestaande winkelgebieden. Op die manier profiteren winkels van elkaars bezoekersstromen en heeft de consument het gemak van alle winkels bij elkaar. Dit betekent dat er in principe geen nieuwe winkels kunnen worden gevestigd buiten de bestaande winkelgebieden.

Voor de Paulus Potterstraat en het deel van de Hobbemastraat tussen de P.C. Hooftstraat en de Paulus Potterstraat is hiervoor een uitzondering gemaakt. Deze route wordt in het stadsstratenbeleid aangemerkt als een 'voldragen stadsstraat'. Aan de noordzijde van de Paulus Potterstraat en dit deel van de Hobbemastraat bevinden zich echter nauwelijks publieksgerichte voorzieningen. Er bevinden zich vooral woningen en kantoren. De route leent zich echter goed voor de vestiging van meer publieksgerichte voorzieningen.

Daarom hebben deze straten een brede gemengde bestemming gekregen. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd. Hiervoor geldt een bruto vloeroppervlak van maximaal 300 m2. House of Bols en Coster Diamonds/ Diamant museum hebben een maatwerkbestemming gekregen.

Consumentgerichte dienstverlening is dienstverlening die gericht is op langslopend publiek dan wel de consument. Hierbij gaat het om persoonlijke verzorging zoals kappers, schoonheidsspecialisten, zonnestudio's, nagelstudio's en dergelijke, alsmede reisbureaus, hypotheekkantoren, uitzendbureaus en dergelijke. Deze vormen van dienstverlening hebben dezelfde ruimtelijke uitstraling en dezelfde ruimtelijke effecten als detailhandel en vestigen zich doorgaans dan ook in winkelstraten en doorgaande straten.

De mogelijkheid om nieuwe musea te vestigen in alle panden aan de zuidoostzijde van het Museumplein en in de Hobbemastraat en Honthorststraat is in het nieuwe bestemmingsplan komen te vervallen. Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bezoekers en toeristen meer over de stad spreiden. Nieuwe grootstedelijke voorzieningen voor Kunst en Cultuur dienen niet meer in het centrumgebied te komen, maar juist daarbuiten. De vestiging van nieuwe musea aan de zuidoostkant van het Museumplein past niet bij deze ambities. De bestemming van deze panden is daarom in overeenstemming gebracht met het bestaande gebruik (wonen en kantoren).

Roelof Hartplein en omgeving 

De ambitie is om de kwaliteit en het voorzieningenaanbod in dit winkellint op peil te houden en waar mogelijk te versterken. Het winkellint Van Baerlestraat Zuid - Roelof Hartstraat heeft daarom een ruimere bestemming gekregen die beter aansluit bij het gemengde karakter van het lint en de toekomstige vestigingsmogelijkheden vergroot. Detailhandel en consumentgerichte dienstverlening zijn bij rechte toegestaan op de begane grond. Andere niet-woonfuncties, zoals maatschappelijke voorzieningen, kantoren en bedrijven worden niet bij rechte toegestaan op de begane grond. Dit zijn geen voorzieningen die bijdragen aan het uitwisselingsmilieu van een winkelstraat. In het nieuwe bestemmingsplan krijgen alle panden in het winkellint een gemengde bestemming. De aanwezige woningen op de begane grond worden positief bestemd.

Op grond van het voorgaande bestemmingsplan mogen winkels in de Van Baerlestraat Zuid een maximaal vloeroppervlak van 500 m2 hebben. Dit is in het nieuwe bestemmingsplan teruggebracht naar 300 m2. In dit deel van de Van Baerlestraat bevinden zich geen winkels die groter zijn dan 300 m2. Door het maximale vloeroppervlak in te perken naar 300 m2 worden de winkelpanden minder aantrekkelijk voor grote winkelfilialen. Hiermee worden de overlevingskansen voor kleinere, meer buurtgerichte winkels en dienstverleners vergroot.

De bestemming van het buurtvoorzieningencluster aan de Ruysdaelstraat (tussen de Hobbemakade en de Johannes Vermeerstraat) is in het nieuwe bestemmingsplan verruimd. Naast winkels, consumentgerichte dienstverlening en bedrijven worden hier nu ook maatschappelijke voorzieningen, galeries en kantoren toegelaten. Enerzijds wordt hiermee de overlevingskans van dit cluster vergroot, nu de vraag naar winkelruimtes afneemt. Anderzijds worden de vestigingsmogelijkheden voor maatschappelijke voorzieningen en kleine kantoren vergroot. Ook hier geldt voor alle niet-woonfuncties een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.

De bestemming van de niet-woonfuncties in de Johannes Vermeerstraat en langs de Hobbemakade is ingeperkt. Detailhandel en consumentgerichte dienstverlening zijn hier niet langer bij rechte toegestaan op de begane grond. Het toestaan van nieuwe detailhandel en consumentgerichte dienstverlening in de Johannes Vermeerstraat kan een bedreiging vormen voor het bestaande winkelaanbod in de nabijgelegen wijkwinkelgebieden. De Hobbemakade onderdeel van het hoofdnet auto en leent zich niet goed voor de vestiging van publieksgerichte voorzieningen. Op de begane grond worden maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. Bestaande winkels, consumentgerichte dienstverlening en horeca worden positief bestemd.

De bestemming van de overige niet-woonfuncties in de woonstraten is eveneens ingeperkt. De mogelijkheid om publieksgerichte voorzieningen te vestigen is in het nieuwe bestemmingsplan komen te vervallen. Niet publieksgerichte voorzieningen, zoals maatschappelijke voorzieningen, kantoren en bedrijven zijn hier wel toegestaan. Bestaande winkels en dienstverleners worden met een aanduiding bestemd.

Cornelis Schuytstraat en omgeving

In de Cornelis Schuytstraat zijn op dit moment vooral winkels gevestigd. De straat heeft een sterk imago en oefent op dit moment nog voldoende aantrekkingskracht uit als vestigingslocatie voor winkels. Het winkellandschap staat echter onder druk. Het risico bestaat dat er in de toekomst vanuit de markt minder vraag naar winkelruimte in de Cornelis Schuytstraat zal zijn. Door ook consumentgerichte dienstverlening bij rechte toe te staan, worden overlevingskansen van deze niche winkelstraat vergroot. De bestemming van panden in het deel van de Cornelis Schuytstraat tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat is daarom verruimd. In alle panden is op de begane grond naast detailhandel nu ook consumentgericht dienstverlening toegestaan. Het maximale bvo per vestiging is 300 m2. Bestaande andere niet woonfuncties en woningen op de begane grond worden positief bestemd.

Het oostelijke deel van de Willemsparkweg (tot en met de Jacob Obrechtstraat) en het laatste stuk van de Koninginneweg (vanaf de Hendrik Jacobszstraat) zijn in het stadsstratenbeleid aangemerkt als een 'voldragen stadsstraat'. Deze stukken fungeren als aanloopstraten van het kernwinkelgebied Van Baerlestraat Noord - P.C. Hooftstraat respectievelijk het wijkwinkelgebied Amstelveenseweg - Zeilstraat - Hoofddorpplein. Daarom hebben de niet-woonfuncties in deze twee stukken van de route Willemsparkweg - Koninginneweg een brede gemengde bestemming gekregen. Hier kunnen zich zowel publieksgerichte als overige voorzieningen vestigen. In deze panden zijn op de begane grond detailhandel, consumentgerichte dienstverlening , maatschappelijke voorzieningen, galeries en kleine kantoren en kleine bedrijven toegelaten. Het maximale bvo per vestiging is 300 m2.

Het westelijke deel van de Willemsparkweg en de Koninginneweg (tot de Hendrik Jacobszstraat) zijn in het stadsstratenbeleid aangemerkt als een potentiele stadsstraat. Door hier eveneens publiekgerichte voorzieningen bij rechte toe te staan in panden met een niet-woonfunctie in de plint, wordt bijgedragen aan de ambitie om het tracé als stadsstraat te versterken. Daarom hebben de niet-woonfuncties langs dit tracé eveneens een brede gemengde bestemming gekregen waarbinnen zich zowel publieksgerichte als overige voorzieningen kunnen vestigen. In deze panden zijn op de begane grond detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, kantoren en kleinschalige bedrijven bij rechte toegestaan. Het maximale bvo per vestiging is ook hier 300 m2.

In het voorgaande bestemmingsplan hebben de niet-woonfuncties in de De Lairesstraat een gemengde bestemming gekregen. Er zijn echter geen winkels, dienstverleners en bedrijven gevestigd in deze straat, maar hoofdzakelijk woningen en kantoren. In dit bestemmingsplan zijn de gebruiksrechten voor de niet-woonfuncties daarom beperkt tot kantoren. De gebruiksrechten voor detailhandel, dienstverlening en bedrijven zijn komen te vervallen. Alle kantoren krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Daarbij gelden geen beperkingen ten aanzien van het maximale vloeroppervlak per vestiging. De maatschappelijke voorzieningen in de straat hebben een maatschappelijke bestemming gekregen.

De bestemming van de niet-woonfuncties in de Jacob Obrechtstraat (tussen de Van Eeghenstraat en de De Lairessestraat) en de niet-woonfuncties in de Emmastraat (tussen de Willemsparkweg en de De Lairessestraat) wordt verruimd. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca wordt positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt hier een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.

Valeriusbuurt

De panden langs de Amstelveenseweg en de kop van de Koninginneweg (tussen de Amstelveenseweg en de Saxen Weimarlaan) zijn bestemd als wijkwinkelstraat. In alle panden is detailhandel en consumentgerichte dienstverlening toegestaan op de begane grond. Andere niet-woonfuncties en bestaande woningen op de begane grond worden positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt ook hier een maximaal bvo van 300 m2 per vestiging.

Ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan is de bestemming voor de niet-woonfuncties in de voorzieningenclusters in de Hendrik Jacobszstraat, bij de kruising Koninginneweg/Valeriusplein en in de Cornelis Krusemanstraat verruimd. Op de begane grond worden nu detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd. Ook hier geldt voor alle niet-woonfuncties weer een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.

De bestemming van de niet-woonfuncties in het deel van de Koninginneweg tussen de Saxen Weimarlaan en de Hendrik Jacobszstraat is op dezelfde manier verruimd. Op de begane grond zijn nu detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Bestaande horeca wordt positief bestemd. En ook hier geldt voor alle niet-woonfuncties een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.

De bestemming van de panden in de rest van de Koninginneweg is gewijzigd. Alle kantoren krijgen een gecombineerde kantoor- en maatschappelijke bestemming. Alle maatschappelijke voorzieningen krijgen een maatschappelijke bestemming. De overige niet-woonfuncties krijgen een gemengde bestemming. Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. In deze panden is wonen toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca-inrichtingen worden positief bestemd. In de panden met een gemengde bestemming geldt voor alle niet-woonfuncties ook weer een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.

De bestemming van de niet-woonfuncties in in het deel van de De Lairessestraat dat ligt in de Valeriusbuurt, is op dezelfde wijze aangepast als het deel van de straat dat ligt in de Cornelis Schuytstraat en omgeving.

Overige uitgangspunten voorzieningenclusters 

Ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan zijn de gebruiksrechten voor de niet-woonfuncties in de woonstraten herzien. Er is in dit bestemmingsplan aangesloten bij de regeling voor niet-woonfuncties in woonstraten uit het nieuwe bestemmingsplan Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt. Dit betekent dat de gebruiksrechten voor detailhandel en consumentgericht dienstverlening komen te vervallen, uitgezonderd de panden waar al een winkel of dienstverlener is gevestigd. Dat past bij het gemeentelijke detailhandelsbeleid, dat erop gericht is om geen losstaande winkels mogelijk te maken maar winkels juist te concentreren in winkelstraten en stadsstraten. Er wordt juist ruimte geboden voor functies die bijdragen aan het gemengde woon-werkmilieu, maar minder goed passen in de winkelstraten zoals maatschappelijke voorzieningen, kleine kantoren, galeries en kleine bedrijven. Bestaande winkels, consumentgerichte dienstverleners en horecazaken zijn positief bestemd. Net als voor het overgrote deel van het plangebied geldt voor alle niet-woonfuncties in de woonstraten ook een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.

Specifieke regelingen 

Naast bovenstaande gebieds- en straatgerichte benadering, die gericht is op het behouden en versterken van de voorzieningenstructuur in het plangebied als geheel, bevat het bestemmingsplan ook regelingen die gericht zijn op een aantal specifieke soorten gebruik.

Kantoren in gehele panden 

In het voorgaande bestemmingsplan gold voor kantoren een maximaal vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging. Het gemeentelijke kantorenbeleid heeft als uitgangspunt om binnen de ring A10 functiemenging te stimuleren en ruimte te bieden aan kantoren. Het limiteren van het vloeroppervlak van kantoorpanden past niet bij deze ambitie en is daarmee achterhaald. Zoals boven aangegeven, is het vloeroppervlak van panden die geheel in gebruik zijn als kantoor in dit bestemmingsplan niet gelimiteerd.

De panden in het plangebied die geheel in gebruik zijn als kantoor en/of bedrijfsverzamelgebouw, hebben een eigen bestemming gekregen. Binnen deze bestemming zijn kantoren en kantoorconcepten met een mix van startende (creatieve) ondernemers in alle bouwlagen toegestaan. In deze panden zijn daarnaast ook maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Daarmee hebben deze panden een gecombineerde kantoor-, bedrijfs- en maatschappelijke bestemming. Het vloeroppervlak van panden die geheel in gebruik zijn bij deze functies is niet gelimiteerd.

Maatschappelijke voorzieningen hebben moeite om zich in het Museumkwartier en de Valeriusbuurt te vestigen. Door deze toe te laten in kantoorpanden worden de vestigingsmogelijkheden voor maatschappelijke voorzieningen vergroot. Maatschappelijke voorzieningen hebben ook een vergelijkbare impact op het woon- en leefklimaat als kantoren. Het zijn allebei functies die niet publieksgericht zijn en een beperkte verkeersaantrekkende werking hebben. Bovendien zijn het beide functies die geen tot minimale overlast veroorzaken voor de omgeving.

Kantoren op de begane grond 

Niet-publieksgerichte dienstverlening, zoals een advocaten- en notariskantoor, functioneert op vergelijkbare wijze, en heeft dezelfde ruimtelijke uitstraling als een 'regulier' kantoor. Daarom is dit soort dienstverlening in het bestemmingsplan aangemerkt als kantoorfunctie. Een kantoor is een niet-publieksgerichte functie, omdat consumenten niet of slechts in onderschikte mate (bijvoorbeeld telefonisch) rechtstreeks te woord worden gestaan of geholpen. Aangezien het detailhandelsbeleid er op gericht is om publieksgerichte functies te clusteren in de winkelstraten, worden kantoren niet bij rechte toegestaan in de winkelstraten in de winkelstraten die behoren tot het kernwinkelgebied. Kantoren die hier reeds zijn gevestigd hebben een bestemming die uitwisseling mogelijk maakt met detailhandel en consumentgerichte dienstverlening. Het bestemmingsplan maakt in deze winkelstraten daarom de vestiging van nieuwe en de uitbreiding van bestaande kantoren niet mogelijk. Bestaande kantoren in de winkelstraten zijn als zodanig aangeduid op de verbeelding.

Buiten het kernwinkelgebied hebben kantoren op de begane grond (met daarboven woningen) een gemengde bestemming gekregen. Afhankelijk van de vestigingslocatie (voorzieningencluster of overige locatie) kan een kantoor worden omgezet naar een andere niet-woonfunctie dan wel een woning. Omdat kleinschaligheid het uitgangspunt is voor niet-woonfuncties op de begane grond (uitgezonderd de winkelstraten in het kernwinkelgebied) is het vloeroppervlak van deze kantoren gelimiteerd tot maximaal 300 m2 bvo per vestiging.

Kleinschalige bedrijven 

Kleinschalige bedrijven, zoals fietsenmakers, meubelmakers, kleermakers en garagebedrijven, dragen bij aan een goed en compleet voorzieningenaanbod. Het zijn doorgaans laagdrempelige voorzieningen waar veel bewoners gebruik van maken en die passen bij het gemengde karakter van het bestemmingsplangebied. Kleinschalige bedrijven kunnen vaak minder hoge markthuren betalen dan andere niet-woonfuncties, zoals kantoren, consumentgerichte dienstverleners en winkels. De gemeente wil voorkomen dat kleinschalige bedrijvigheid uit populaire wijken wordt verdrongen omdat ze minder hoge markthuren kunnen betalen.

Het gevolg van het beschermen van kleinschalige bedrijven voorzieningen is dat het risico op leegstand bij beëindiging van de vestiging groter wordt. De verhuurder heeft immers minder potentiele huurders aan wie hij het pand kan verhuren. Ditzelfde speelt bij het beschermen van de maatschappelijke voorzieningen. Leegstand kan de leefbaarheid aantasten en zorgt voor een minder goede uitstraling van een straat. In de winkelstraten wordt aan dit bezwaar een zwaarder gewicht toegekend dat in overige straten. De winkelstraten hebben namelijk een meer representatieve functie dan de doorgaande straten en woonstraten. Daarom is ervoor gekozen om alleen ambachtelijke bedrijven die in de woonstraten zijn gevestigd te beschermen.

Dat is gedaan door de kleinschalige bedrijven een eigen specifieke bestemming te geven. Uitwisseling met andere niet-woonfuncties en wonen is niet mogelijk. Dit is vergelijkbaar met de regeling voor maatschappelijke voorzieningen in de begane grond (zie ook hierna).

In de winkelstraten is de kleinschalige bedrijvigheid in de begane grond niet beschermd. Het detailhandelsbeleid er immers op gericht is om de publieksgerichte functies detailhandel en consumentgerichte dienstverlening te clusteren in de winkelstraten. Het beschermen van ambachtelijke bedrijven in de winkelstraten past hier niet bij.

Voor alle kleinschalige en ambachtelijke bedrijven in het plangebied geldt dat zij geen onaanvaardbare overlast mogen veroorzaken voor het woon- en leefmilieu. Een goede ruimtelijke ordening dient immers te voorzien in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten.

Supermarkten 

Door de grote aantallen mensen die op supermarkten afkomen, de frequente laad- en losactiviteiten en de bijbehorende verkeersbewegingen onderscheiden supermarkten zich van andere winkels. De effecten die supermarkten op het woon- en leefklimaat hebben, zorgen ervoor dat er terughoudend omgegaan dient te worden met het aantal supermarkten en de grootte daarvan in een dicht bebouwde woonomgeving zoals het plangebied.

In het gemeentelijke detailhandelsbeleid is voor het onderhavig plangebied (dat in het beleid onderdeel is van de 'Centrumzone') aangegeven dat de boodschappenfunctie geborgd dient te worden in clusterpunten en stadsstraten. Op grond van het detailhandelsbeleid is uitbreiding van bestaande supermarkten als belangrijke trekkers in kansrijke winkelgebieden op zich mogelijk. Echter, indien een supermarkt in een bestaand winkelgebied wil uitbreiden, moet eerst aan de hand van een concreet plan worden beoordeeld of een uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is. Het is daarom niet wenselijk om voor supermarkten extra vierkante meters in het bestemmingsplan mogelijk te maken. Om die reden maakt het bestemmingsplan de vestiging van nieuwe supermarkten en de uitbreiding van bestaande supermarkten die groter zijn dan 300 m2 niet mogelijk. De bestaande supermarkten die groter zijn dan 300 m2 zijn als zodanig aangeduid op de verbeelding.

Sportscholen 

Sportscholen vormen een bijzondere vorm van dienstverlening. Sportscholen zijn commerciele bedrijven met een winstoogmerkt en worden daarom niet aangemerkt als een maatschappelijke voorziening. Sportscholen onderscheiden zich tevens van andere vormen van consumentgerichte dienstverlening. Ze zijn alleen tegen betaling (abonnement) toegankelijk en zijn voor hun functioneren niet afhankelijk van bezoekersstromen. Ze hoeven zich daarom niet noodzakelijkerwijs te vestigen in winkelstraten. Sportscholen zijn daarom aangemerkt als een bijzondere vorm van consumentgerichte dienstverlening.

Een sportschool kan overlast veroorzaken voor de omgeving in de vorm van veel geparkeerde fietsen op straat en geluidsoverlast (muziek) voor omwonenden. Vanwege de mogelijk negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat maakt het bestemmingsplan de vestiging van nieuwe sportscholen en de uitbreiding van bestaande sportscholen niet mogelijk. Bestaande sportscholen zijn als zodanig aangeduid op de verbeelding.

Maatschappelijke voorzieningen in gehele panden 

Maatschappelijke voorzieningen omvatten activiteiten zoals gezondheidszorg, onderwijs, religie, kunst & cultuur en welzijnsvoorzieningen en dergelijke, die een publiek belang dienen en daarom toegankelijk moeten zijn voor alle burgers. In het plangebied bevinden zich diverse panden die geheel in gebruik zijn als maatschappelijke voorziening, zoals scholen en kerkgebouwen. Panden die geheel in gebruik zijn als maatschappelijke voorziening hebben in het vigerende bestemmingsplan de bestemming Maatschappelijk. Hierdoor wordt voorkomen dat deze maatschappelijke voorzieningen worden omgezet naar meer kapitaalkrachtige functies zoals woningen. Deze panden hebben daarom in dit bestemmingsplan wederom de bestemming Maatschappelijk gekregen. Voor de maatschappelijke voorzieningen in deze panden geldt geen maximum vloeroppervlak.

Maatschappelijke dienstverlening op de begane grond 

Er zijn ook maatschappelijke voorzieningen gevestigd op de begane grond van panden met een gemengde bestemming, zoals huisartsen, tandartsen en dergelijk. Het huidige bestemmingsplan maakt het mogelijk om deze maatschappelijke dienstverlening om te zetten naar een andere niet-woonfunctie. De wens is echter om deze maatschappelijke dienstverlening beter te beschermen. Dat is gedaan door maatschappelijke dienstverleners die zijn gevestigd op de begane grond een eigen specifieke bestemming te geven. Op de begane grond is uitsluitend een maatschappelijke voorziening toegestaan. Deze mag niet worden omgezet naar een andere niet-woonfuncties. Dit is vergelijkbaar met de regeling voor de kleinschalige bedrijven (zie boven). Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen.

Er is een uitzondering gemaakt voor de winkelstraten. Hier krijgen maatschappelijke dienstverleners op de begane grond een gemengde bestemming op grond waarvan deze voorzieningen kunnen worden omgezet naar een andere niet-woonfunctie. Het detailhandelsbeleid is erop gericht om winkels en consumentgerichte dienstverlening te clusteren in de winkelstraten en stadsstraten. Veel maatschappelijke voorzieningen hebben geen publieksgerichte uitstraling en dragen niet bij aan het uitwisselingsmilieu dat wordt nagestreefd in de winkelstraten. In de winkelstraten wordt aan het behoud en versterken van het uitwisselingsmilieu een zwaarder gewicht toegekend dan aan het behoud van maatschappelijke voorzieningen. Overigens is in dit plangebied het merendeel van de maatschappelijke voorzieningen buiten de winkelstraten gevestigd.

Binnen de maatschappelijke bestemming wordt kinderdagopvang toegestaan. Het gebruik van de tuin als (wettelijk verplichte) buitenruimte kan echter tot overlast leiden voor omwonenden. Het geluid van spelende kinderen doorbreekt de stilte in de binnentuinen. Het beleid is juist gericht op het creëren of intact houden van een stille zijde aan de achterzijde als compensatie voor de stedelijke levendigheid aan de voorzijde van de woningen. Daarom bevat het bestemmingsplan een binnenplanse afwijking om een buitenruimte voor een kinderdagverblijf op een binnenterrein te kunnen realiseren. Er kan alleen een afwijking worden verleend indien dit niet tot onevenredige geluidsoverlast voor de omliggende woningen leidt. De criteria hiervoor zijn overgenomen uit andere bestemmingsplannen in stadsdeel Zuid overgenomen.

In het plangebied bevinden zich meerdere zorgklinieken. Een aantal van deze klinieken biedt medisch noodzakelijke zorg aan die in beginsel gewoon wordt vergoed door de zorgverzekeraar (mits die uiteraard een contract heeft met de kliniek). Maar er is ook een aantal klinieken dat gespecialiseerd is in cosmetische behandelingen zoals plastische chirurgie. Dit is, enkele uitzonderingen daargelaten, doorgaans medisch niet-noodzakelijke zorg die niet in aanmerking komt voor een vergoeding door de zorgverzekeraar. Of een zorgkliniek wordt aangemerkt als een maatschappelijke voorziening, hangt af van het type zorg dat wordt aangeboden.

Indien een kliniek hoofdzakelijk medisch noodzakelijke zorg aanbiedt dan dient deze een publiek belang. Omdat de geboden zorg in beginsel wordt vergoed door de zorgverzekeraar is de kliniek toegankelijk voor alle burgers. Deze zorgverleners hebben echter geen winstoogmerk en hebben en kunnen minder hoge markthuren betalen dan sommige commerciële bedrijven. Om deze zorgklinieken te beschermen, hebben klinieken die hoofdzakelijk medisch noodzakelijke zorg aanbieden, een maatschappelijke bestemming gekregen.

Privéklinieken die medisch niet-noodzakelijke zorg aanbieden, zoals plastische chirurgie, dienen daarentegen geen publiek belang. Er is daarom geen noodzaak om dit soort voorzieningen te beschermen tegen hoge markthuren. Het toekennen van de maatschappelijke bestemming aan deze klinieken vormt juist een risico. Omdat wordt aangenomen dat privéklinieken een hogere huur kunnen betalen, ontstaat het risico dat ze andere maatschappelijke voorzieningen wegconcurreren. Dat is een reden om privéklinieken géén maatschappelijke bestemming te geven. Omdat privéklinieken planologisch niet beschermd worden, krijgen ze in beginsel een kantoorbestemming. Binnen deze bestemming zijn kantoren en maatschappelijke dienstverlening bij rechte toegestaan. Privéklinieken die zijn gevestigd in de begane grond van een pand met daarboven woningen, hebben (afhankelijk van het type straat waar de kliniek is gevestigd) een gemengde bestemming gekregen.

Horeca 

Vanwege de mogelijke overlast van horeca op het woon- en leefklimaat, is een (verdere) uitbreiding van het aantal horecapanden in het plangebied in beginsel niet gewenst. Het bestemmingsplan biedt daarom geen ruimte om het aantal horecavestigingen of het vloeroppervlak uit te breiden. In het bestemmingsplan zijn de bestaande, legale horecavestigingen positief bestemd door deze op te nemen met de bijbehorende horeca-categorie (zie ook paragraaf 5.6.1 'Horecabeleid'). De vier gehanteerde horeca-categorieën zijn onderscheiden naar de mate waarin overlast ontstaat voor het woon- en leefklimaat. In het algemeen mogen zwaardere horeca-categorieën worden omgezet naar lichtere. Lichtere horeca-categorieën mogen daarentegen niet worden omgezet naar zwaardere. Hierdoor blijft het mogelijk om het bestaande horeca-aanbod te vernieuwen en kan de horecasector blijven inspelen op veranderende behoeftes van het horecapubliek. Er kunnen echter geen horeca-inrichtingen ontstaan die onevenredig veel overlast veroorzaken op het woon- en leefklimaat.

Het bestemmingsplan maakt ook geen uitbreiding van hotels (in aantal of oppervlak) mogelijk. Dit is in overeenstemming met het gemeentelijke Overnachtingsbeleid (hotelbeleid). De bestaande, legale hotels zijn als zodanig bestemd.

Uitgesloten gebruik 

Binnen de verschillende gemengde bestemmingen is een aantal vormen van dienstverlening en detailhandel uitgesloten als gebruiksmogelijkheid. Het betreft de volgende gebruikstypen: belwinkels, automatenhallen, seksinrichtingen, geldwisselkantoren en smartshops. Dit zijn functies met een ruimtelijk ongewenste uitstraling die kunnen zorgen voor een negatieve impact op het woon- en leefklimaat van een buurt.

Hieraan zijn 'toeristische voorzieningen' toegevoegd. In 2018 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan winkeldiversiteit Centrum vastgesteld. Hierin is bepaald dat in het centrum geen nieuwe winkels en diensten zijn toegelaten die zich uitsluitend op toeristen richten. In de gebiedsagenda van Oud-Zuid is geconstateerd dat ook in dit gebied buiten het Centrum steeds meer winkels verschijnen die gericht zijn op toeristen. In sommige straten in het stadsdeel dreigt hierdoor een monocultuur te ontstaan. Om dit te voorkomen, zijn deze voorzieningen uit voorzorg uitgesloten. Hiermee wordt ook voorkomen dat een 'waterbedeffect' ontstaat doordat toeristische voorzieningen in het Centrum, en inmiddels ook in andere delen van de stad, worden geweerd. Vestiging in de begane grond van ongewenste vormen van detailhandel en dienstverlening die uitsluitend gericht is op toeristen, zoals souvenirwinkels, fietsverhuur of ticketshops, is daarom uitgesloten.

Dit laatste past tevens bij de ambities in het gemeentelijke programma 'Stad in Balans'. Stad in Balans is gericht op het herstellen en bewaren van de balans tussen rust en drukte, tussen wonen, werken en recreëren en het bewaren van evenwicht tussen het profijt en de hinder van drukte. De daartoe geformuleerde doelstellingen zijn (onder andere) het bieden van meer kwaliteit en diversiteit in het winkel- en voorzieningenaanbod, het verminderen van overlast en het stellen van grenzen.

Toets aan artikel 15 lid 3 Dienstenrichtlijn 

Om te bepalen of de beperkingen in het bestemmingsplan in het kader van de Dienstenrichtlijn gerechtvaardigd zijn, zijn de diverse regelingen getoetst aan de voorwaarden in artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn. Het betreft de volgende drie voorwaarden:

1. Discriminatieverbod 

Met brancheringsregelingen, oppervlaktecriteria en andere ruimtelijke voorschriften in bestemmingsplannen mag geen direct of indirect onderscheid worden gemaakt naar nationaliteit of, in het geval van vennootschappen, naar de plaats waar hun statutaire zetel is gevestigd.

In het onderhavige bestemmingsplan wordt geen onderscheid gemaakt tussen winkels en diensten gericht op Amsterdammers (Nederlanders) en winkels en diensten gericht op andere nationaliteiten. Tevens is het zowel Nederlandse als buitenlandse ondernemingen en ondernemers niet verboden om producten te verkopen of diensten aan te bieden aan dagjesmensen en/of toeristen. De verkoop mag echter niet uitsluitend daarop gericht zijn. Daarmee is van discriminatie naar nationaliteit of statutaire zetel van de onderneming geen sprake. Integendeel, de brancheringsregeling is juist gericht op inclusiviteit en het creëren van een divers (winkel)aanbod dat aantrekkelijk is voor iedereen die in Amsterdam woont, werkt, verblijft of op bezoek is.

Dat betekent dat bij de diverse regelingen in het bestemmingsplan op geen enkele wijze sprake is van discriminatie.

2. Noodzakelijkheid 

In het kader van de Dienstenrichtlijn behoren alle centrale winkelgebieden (van dorpscentra tot de binnensteden) en alle ondersteunende winkelgebieden (de buurt-, wijk- en stadsdeelcentra) tot het 'centrumgebied'. Het gehele bestemmingsplangebied Museumkwartier-Valeriusbuurt kan daarom worden aangemerkt als centrumgebied.

De voorwaarde dat beperkingen in het bestemmingsplan noodzakelijk moeten zijn, houdt in dat voor die beperkingen een 'dwingende reden van algemeen belang' bestaat, zoals bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 8 Dienstenrichtlijn. Hierbij gaat het om meerdere, als zodanig aangemerkte dwingende redenen van algemeen belang. Tot die redenen behoort in elk geval ook 'de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu'. In de rechtspraak heeft het Hof van Justitie van de EU inmiddels varianten en verfijningen van dit (meer algemene) belang erkend, te weten:

  • Belangen vanuit detailhandelsbeleid: het behouden en bevorderen van aantrekkelijkheid, leefbaarheid, mix aan winkels, vitaliteit en waardering van het centrum en van een voldoende voorzieningenniveau en aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • Het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik, bereikbaarheid en concentratie van functies;
  • Het voorkomen of tegengaan van leegstand, monocultuur van winkels en voorzieningen, eenzijdig aanbod van stedelijke functies en openbare ordeproblemen of het risico hierop.

De diverse regelingen en beperkingen in het bestemmingsplan staan in het teken van deze belangen. De diverse hierboven beschreven regelingen en beperkingen hebben (zoals beschreven) tot doel de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur in het gehele plangebied (zowel in het wijkwinkelgebied als in de doorgaande straten en de woonstraten) te ehouden en te versterken en het woon- en leefklimaat te beschermen met het oog op de leefbaarheid. De regelingen volgen tevens uit meerdere gemeentelijke beleidskaders zoals het detailhandelsbeleid. Dat betekent dat de regelingen te scharen zijn onder het algemeen belang om het stedelijk milieu te beschermen. Daarmee zijn zij gerechtvaardigd als dwingende reden van algemeen belang.

3. Evenredigheid 

De derde voorwaarde is dat de regelingen in het bestemmingsplan 'evenredig' moeten zijn. Bij de beoordeling of aan de evenredigheid is voldaan, spelen twee hoofdvragen:

  1. Is de (territoriale of kwantitatieve) beperking geschikt om het daarmee beoogde doel te bereiken?
  2. Is de in de ruimtelijke voorschriften opgenomen brancheringsregeling of oppervlaktemaatregel proportioneel: gaat zij niet verder dan nodig en zijn er geen minder beperkende maatregelen?

Deze twee vragen komen hier achtereenvolgens aan bod.

Ad a. Geschikt om het nagestreefde doel te bereiken 

De vraag of een beperking geschikt is om het daarmee beoogde doel te bereken, valt uiteen in twee deelvragen: wordt de regeling coherent en systematisch toegepast (consistentievereiste) en bereikt de regeling effectief het beoogde doel.

Belangrijke doelen voor het onderhavige bestemmingsplan zijn het behouden en versterken van de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur in het plangebied en (met het oog op de leefbaarheid) het beschermen van het woon- en leefklimaat. Dit is bij uitstek een ruimtelijk ordeningsvraagstuk en het bestemmingsplan is hèt centrale instrument om ruimtelijke doelstellingen op gemeentelijk niveau te bereiken.

Om de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur te behouden en versterken, bevatten vrijwel alle bestemmingsplannen in stadsdeel Zuid (overigens net als in andere stadsdelen binnen de Ring A10) een maximum vestigingsgrootte. De lijn om in dit plangebied vrijwel overal een maximum vloeroppervlak aan te houden van 300 m2 was al ingezet in het voorgaande bestemmingsplan Hoofddorpplein en Schinkelbuurt uit 2012. Dat geldt ook voor de gehanteerde (grotere) maximum omvang van vestigingen in de kernwinkelstraten P.C. Hooftstraat en het noordelijke deel van de Van Baerlestraat. De voorwaarde dat winkelvestigingen in de P.C. Hooftstraat een gevelbreedte van maximaal 15 meter in beslag mogen nemen, is eveneens een voortzetting van de regeling in het voorgaande bestemmingsplan.

Het bewaren van het evenwicht tussen verschillende functies is voor de gemeente Amsterdam een voortdurende zorg en de gemeente heeft de afgelopen decennia veel ervaring opgedaan met succesvol '(tegen)sturen' op het moment dat de functiebalans onder druk kwam te staan. Om de functiemenging zo min mogelijk in de weg te leggen, is het in Amsterdam sinds jaar en dag gebruikelijk om panden met een niet-woonfunctie een Gemengde bestemming te geven. Binnen deze bestemming zijn diverse functies bij rechte toegestaan. Een aantal functies is echter nader geregeld. Het betreft functies die een negatieve impact op het woon- en leefklimaat kunnen hebben, zoals horeca en seksgerelateerde functies. Deze zijn alleen toegestaan in panden met een specifieke bestemming of aanduiding op de digitale verbeelding. Deze lijn wordt in Amsterdam al tenminste 20 jaar gehanteerd.

Een recenter voorbeeld is de stop op nieuwe hotels in het grootste deel van het gebied binnen de Ring A10, die is opgenomen in het stadsbreed geldende Overnachtingsbeleid uit 2017 (het hotelbeleid). Op grond van dat beleid is, zowel in het onderhavige bestemmingsplan als in andere bestemmingsplannen in Amsterdam, een uitbreiding van hotels (zowel in aantal als in omvang en omvang) uitgesloten.

Een ander recent voorbeeld is het bestemmingsplan 'Winkeldiversiteit Centrum' uit 2018. Het doel van dat bestemmingsplan is het tegengaan van een (verdere) afname van de winkeldiversiteit in een groot deel van de binnenstad, met het oog op de leefbaarheid, het herstellen van de functiebalans en het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig en divers stadshartgebied. Voorafgaand aan dat bestemmingsplan is onderzocht in hoeverre het 'Project 1012' en het bestemmingsplan 'Postcodegebied 1012' uit 2015 hebben bijgedragen aan het tegengaan van een (verdere) monocultuur in het stadshart, als gevolg van de sterke toename van op toeristen gerichte functies. Het onderzoek bevestigt dat planologische maatregelen succesvol kunnen zijn in het tegengaan ongewenste, op toeristen gerichte functies. Dat is tevens een bevestiging dat het instrument bestemmingsplan geschikt is om een (verdere) afname van de winkeldiversiteit tegen te gaan en functiediversiteit te bevorderen. Het op dat moment geldende bestemmingsplan 'Postcodegebied 1012' uit 2015 bevatte echter geen verbod op de vestiging van dergelijke functies. Om die reden is in 2018 het bestemmingsplan 'Winkeldiversiteit Centrum' vastgesteld, met daarin een verbod op een (verdere) toename van toeristische voorzieningen.

Zoals aangegeven in paragraaf 3.3 'Uitgangspunten voorzieningenstructuur' wil het stadsbestuur de regeling ten aanzien van toeristische voorzieningen uitbreiden naar de hele stad om stadsbreed een (ontwikkeling richting) monocultuur in het winkelaanbod tegen te gaan. Daarmee kan worden voorkomen dat er een 'waterbed-effect' ontstaat doordat deze functies in stadsdeel Centrum zijn uitgesloten. In de gebiedsagenda van Oud-Zuid is bovendien geconstateerd dat in Oud-Zuid steeds meer winkels verschijnen die gericht zijn op toeristen, waardoor in sommige straten een monocultuur dreigt te ontstaan. In het recente nieuwe bestemmingsplannen De Pijp 2018 en Hoofddorpplein-Schinkelbuurt is daarom reeds een regeling opgenomen om toeristische voorzieningen tegen te gaan, vergelijkbaar met het bestemmingsplan 'Winkeldiversiteit Centrum'. Om te voorkomen dat een dergelijke ontwikkeling zich als gevolg van het 'waterbed-effect' ook in het onderhavige gebied gaat voordoen, zijn winkels en dienstverleners die zich uitsluitend richten op toeristen ook in dit bestemmingsplan uitgesloten. Daar kan aan worden toegevoegd dat de gemeente verschillende maatregelen treft met het oog op het beter verspreiden van dagjesmensen en toeristen over de stad en daarbuiten. Deze beoogde spreiding heeft mogelijk tot gevolg dat het onderhavige plangebied meer gaat worden bezocht door dagjesmensen en toeristen, waardoor het risico op de vestiging van toeristische voorzieningen, en daarmee het risico op een afname van de winkeldiversiteit in het plangebied toeneemt.

Hiermee wordt in dit bestemmingsplan een goede ruimtelijke ordening nagestreefd die samenhangend (coherent) en systematisch is, ook ten opzichte van andere bestemmingsplannen binnen stadsdeel Zuid en Amsterdam als geheel. Het in het bestemmingsplan uitsluiten van ongewenste functies is tevens een effectief instrument om de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur in het plangebied te behouden en te versterken en het woon- en leefklimaat te beschermen. Daarmee is het bestemmingsplan geschikt als instrument om de beoogde doelen na te streven.

Ad b. Proportioneel 

De vraag of een in de ruimtelijke voorschriften opgenomen beperking proportioneel is, valt eveneens uiteen in twee deelvragen: gaat de regeling niet verder dan nodig is en het moet aannemelijk zijn dat er geen minder beperkende maatregelen voorhanden zijn om het doel te bereiken.

Om de kleinschalige, fijnmazige voorzieningenstructuur te behouden en versterken, staat het bestemmingsplan niet toe dat de vestigingsgrootte van niet-woonfuncties niet groter worden dan de gestelde maximum maten. Ten behoeve van het op te stellen bestemmingsplan is onderzocht of er in het plangebied vestigingen zijn die groter zijn dan deze maten. Dat is het geval en betreft zowel kleinschaliger detailhandel en dienstverlening als een aantal grote supermarkten in het plangebied. De rechten van deze pandeigenaren, exploitanten en ondernemers zijn in het bestemmingsplan gerespecteerd:

  • De bestaande, legale grotere vestigingen zijn in de regels van het bestemmingsplan positief bestemd. Daarmee mogen deze bestaande grotere vestigingen worden voortgezet, maar niet verder worden vergroot.
  • De supermarkten in het plangebied zijn op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen met een specifieke functieaanduiding 'supermarkt'. Aangezien deze functieaanduiding ligt over de gehele bestaande vestiging, geldt ook voor de bestaande grote supermarkten dat zij mogen worden voortgezet. Een verdere vergroting is echter niet toegestaan.

Het bestemmingsplan bevat een vergelijkbare regeling voor ongewenste functies (belwinkels, automatenhallen, seksinrichtingen et cetera) en toeristische voorzieningen. Het gebruik ten behoeve van deze functies is in de algemene gebruiksregels van het bestemmingsplan expliciet uitgesloten. De bestaande, legale vestigingen van deze functies zijn ten behoeve van het op te stellen bestemmingsplan eveneens onderzocht. De bestaande vestigingen zijn eveneens als zodanig op de verbeelding opgenomen met een specifieke functieaanduiding. Op basis daarvan mogen deze bestaande vestigingen worden voortgezet.

Door bestaande rechten te respecteren en uitsluitend nieuwe grote vestigingen en uitbreiding van de verboden gebruiksvormen tegen te gaan, is sprake van een bestemmingsplan dat het doel niet voorbijschiet en niet verder gaat dan absoluut nodig is om het doel te bereiken. Minder vergaande planologische maatregelen om grote vestigingen tegen te gaan of die een toename van de verboden functies kan voorkomen, zijn niet voorhanden. Dit betekent dat de regelingen en beperkingen in het bestemmingsplan tevens proportioneel zijn.

Bovenstaande toets aan artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn leidt tot de conclusie dat voldoende onderbouwd is dat het bestemmingsplan Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt niet discriminerend is, dat het noodzakelijk is om de gestelde beleidsdoelen te bereiken en dat het bestemmingsplan evenredig is. Daarmee is er geen sprake van strijd met artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn.

5.2 Rijksbeleid     

5.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)     

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld; deze is op 15 september 2020 bekend gemaakt. In de NOVI zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) wordt door deze nieuwe omgevingsvisie vervangen. De NOVI is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Het is de eerste integrale nationale beleidsvisie conform de Omgevingswet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de NOVI vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening als structuurvisie. De inrichting van de NOVI sluit aan op de voorwaarden die op basis van de Omgevingswet aan de visie worden gesteld. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de Omgevingswet bedoeld.

De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda.

De Visie

De NOVI bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een groot aantal opgaven, op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De NOVI biedt daarbij een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Omgevingskwaliteit is daarbij het kernbegrip.

De NOVI staat voor een nieuwe aanpak waarbij overheden en maatschappelijke organisaties met regie vanuit het Rijk integrale afwegingen maken. Beschreven wordt een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken?

Toelichting

In de toelichting worden 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving beschreven en de daarbij horende opgaven waarvoor het Rijk zich gesteld ziet. Steeds wordt per belang het huidige beleid gekoppeld en wordt de opgave gesteld die met het belang samenhangt.

Uitvoeringsagenda

In de uitvoeringsagenda staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. In de uitvoeringsagenda worden de opgaven centraal gesteld aan de hand van vier prioriteiten. De Uitvoeringsagenda beschrijft de volgende vier prioriteiten:

  1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
  2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in standhouden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, beschermen en ontwikkelen gaan niet altijd en overal zonder meer samen en ze zijn soms onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd:

  1. Combineren boven enkelvoudig;
  2. Kenmerken & identiteit;
  3. Afwentelen voorkomen.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Het onderhavige bestemmingsplangebied is een binnenstedelijke locatie waar de in de NOVI aangegeven Rijksbelangen niet in het geding zijn.

5.2.2 Ladder Duurzame verstedelijking     

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Overheden dienen op grond van het Bro nieuwe stedelijke ontwikkeling standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent. Dit gezag draagt de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling.

De ladder voor duurzame verstedelijking is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden, waaronder bestemmingsplannen. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) schrijft voor dat gemeenten bestemmingsplannen vaststellen voor een "goede ruimtelijke ordening". De ladder voor duurzame verstedelijking is een hulpmiddel, dat een bijdrage levert aan een goede ruimtelijke ordening.

In trede 1 wordt de regionale ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) voor wonen, werken, detailhandel en overige voorzieningen bepaald. Er is een regionale vraag naar woningbouw, dus trede 2 is aan de orde. In trede 2 gaat het om de vraag: "Kan de beoogde ontwikkeling plaatsvinden binnen het stedelijk gebied door een andere bestemming van een gebied, door herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden?"

Op 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd op de volgende punten:

  • het begrip 'actuele regionale behoefte' wordt geschrapt en is in de nieuwe Ladder vervangen door 'behoefte';
  • de nieuwe Ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt;
  • voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht.

In het Bro is geen exacte minimale omvang vastgelegd waaraan een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet voldoen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling, wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Wel worden de volgende richtlijnen gegeven:

  • voor woningbouwlocaties is als richtlijn gegeven dat er bij realisatie van twaalf of meer woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling;
  • voor overige stedelijke functies is het volgende aangegeven:
  1. voor ontwikkeling van terreinen is als richtlijn gegeven dat er bij een terrein van 500 m2 of meer sprake is van een stedelijke ontwikkeling;
  2. voor ontwikkelingen van gebouwen is als richtlijn gegeven dat er bij een gebouw met een vloeroppervlak van 500 m2 bvo of meer sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Het onderhavige bestemmingsplangebied valt binnen stedelijk gebied, zodat de uitgebreide motiveringsplicht voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijke gebied niet van toepassing is. Het bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast en worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die op grond van deze richtlijnen als nieuwe stedelijke ontwikkelingen zijn aan te merken. Daarmee is ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan de Laddertoets niet van toepassing. Voor de motivering waarom bij dit bestemmingsplan sprake is van een goede ruimtelijke ordening, wordt hier verwezen naar de verantwoording elders in deze toelichting.

5.2.3 Luchthavenindelingsbesluit (LIB) Schiphol     

Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bevat ruimtelijke beperkingen die gesteld worden in verband met het Luchthaven Schiphol. Deze beperkingen worden enerzijds gesteld vanwege externe veiligheidsrisico's en geluidbelasting vanwege het luchtverkeer. Anderzijds hebben de beperkingen te maken met waarborgen van veilig luchtverkeer (beperking aan hoogte en aan functies die vogels aantrekken).

Het plangebied valt geheel binnen de beperkingengebieden voor wat betreft de maximale bouwhoogtes en windturbines en lasers. Het meest westelijke deel van het plangebied (aan de zijde van de Amstelveenseweg) valt binnen de beperkingen voor wat betreft functies die vogels aantrekken. Het plangebied valt niet binnen het beperkingengebied uit het LIB 4 om ernstige geluidhinder te voorkomen en ligt ook niet in het Afwegingsgebied LIB 5.

5.2.3.1 Hoogtebeperkingen     

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten de toetshoogtes van het LIB in acht worden genomen. Er zijn twee toetshoogtes: de algemene of maatgevende toetshoogte (bijlage 4 bij het LIB) en de toetshoogte in verband met radar (bijlage 4a bij het LIB). Met een bestemmingsplan kan van de maatgevende toetshoogte van het LIB worden afgeweken indien van de minister van Infrastructuur en Waterstaat de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft; de zogenoemde verklaring van geen bezwaar (VVGB). Indien (de bouwhoogten van) het bestemmingsplan is strijd zijn met de radartoetshoogte, is het vaststellen van het bestemmingsplan mogelijk indien uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT) blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer.

Het voorliggende bestemmingsplan valt binnen het beperkingengebied voor hoogte zoals opgenomen in bijlage 4 (maatgevende toetshoogte) en 4a (maatgevende toetshoogte radar) bij het LIB.

Maatgevende toetshoogte

Op grond van artikel 2.2.2, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4 bij het LIB geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de op de kaarten aangegeven maximale waarden. In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.

verplicht
Afbeelding: Uitsnede hoogtebeperkingen 'Maatgevende kaart toetshoogte', bijlage 4 bij het LIB, en het plangebied.  

De maximaal toelaatbare bouwhoogtes op basis van de maatgevende toetshoogte lopen op van circa 55 meter + N.A.P. aan de westzijde van het plangebied (ter hoogte van de Amstelveenseweg) tot ongeveer 130 meter + N.A.P. aan oostzijde van het plangebied (ter hoogte van de Stadhouserskade). Aangezien het bestemmingsplan dergelijke bouwhoogtes niet mogelijk maakt, staat de maatgevende toetshoogte de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

Toetshoogte in verband met radar

Op grond van artikel 2.2.2a, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4a bij het LIB objecten toegestaan die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarden, mits uit een positief advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.

verplicht
Afbeelding: Uitsnede hoogtebeperkingen 'Maatgevende toetshoogte radar', bijlage 4a bij het LIB, en het plangebied.  

De maximaal toelaatbare bouwhoogtes op basis van de toetshoogte in verband met de radar lopen op van circa 47 meter + N.A.P. aan de westzijde van het plangebied (ter hoogte van de Amstelveenseweg) tot ongeveer 57 meter + N.A.P. aan oostzijde van het plangebied (ter hoogte van de Stadhouserskade). Aangezien het bestemmingsplan dergelijke bouwhoogtes niet mogelijk maakt, staat de maatgevende toetshoogte voor radar de vaststelling van het bestemmingsplan evenmin niet in de weg.

5.2.3.2 Beperkingen ten aanzien van het aantrekken van vogels     

Het LIB bevat een gebied waarbinnen, vanwege de veiligheidsoverwegingen die samenhangen met de luchtvaart, beperkingen gelden voor activiteiten die een sterke aantrekkingskracht op vogels kunnen hebben. Op basis van artikel 2.2.3 van het LIB gaat het hierbij om grote wateroppervlakten en moerasgebieden van meer dan 3 hectare (natuurreservaten / vogelreservaten / viskwekerijen met extramurale bassins). Het bestemmingsplan maakt nergens nieuwe vogelaantrekkende functies mogelijk, zodat het bestemmingsplan ook op dit onderdeel in overeenstemming is met het LIB.

5.2.3.3 Beperkingen windturbines en lasers     

Voor windturbines en lasers geldt één toetsgebied, dat alle andere toetsvlakken omvat. Binnen het toetsgebied geldt voor windturbines een maximum ashoogte van 35 meter. Voor dakturbines op een gebouw geldt een maximale tiphoogte van de turbine van 5 meter en de hoogte van het gebouw inclusief de tiphoogte van de turbine mag niet hoger zijn dan 35 meter. Het bestemmingsplan maakt windturbines en dakturbines met deze hoogte niet mogelijk.

In het toetsgebied is het gebruik van (vaste) laserinstallaties verboden. Wanneer iemand binnen dit gebied van plan is om een lasershow of lichtshow te organiseren, of lichten te plaatsen die in het luchtruim schijnen, dient het voornemen daartoe ter toetsing voor te worden gelegd. Het betreft zowel tijdelijke als permanente laseropstellingen. Windturbines die niet binnen de maximum hoogte passen en laserinstallaties kunnen alleen mogelijk worden gemaakt als er op grond van het LIB een verklaring van geen bezwaar is. Omdat dit bestemmingsplan geen aangewezen bestemmingen met laserinstallaties of windmolens toestaat, zijn bovengenoemde beperkingen niet aan de orde.

5.2.3.4 Beperkingengebied geluid (LIB 4)     

Het beperkingengebied LIB4 is ingesteld om ernstige geluidhinder en slaapverstoring te voorkomen. Het bestemmingsplangebied maakt geen onderdeel uit van dit beperkingengebied.

5.2.3.5 Afwegingsgebied LIB 5     

Bijlage 3 van het LIB bevat het ruimtelijk afwegingsgebied geluid en externe veiligheid (voorheen: 20 Ke gebied), aangeduid met nummer 5. Volgens het bepaalde in artikel 2.2.1.d, eerste lid, van het LIB zijn binnen het ruimtelijke afwegingsgebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan buiten bestaand stedelijk gebied. In bestaand stedelijk gebied binnen het ruimtelijke afwegingsgebied moeten gemeenten bij het bouwen van nieuwe woningen rekening houden met de geluidsproductie en het risico die vliegroutes van en naar Schiphol met zich meebrengen. Hier moet de gemeente de nieuwe bewoners informeren over de belasting door vliegtuiggeluid en eventuele klachten van nieuwe bewoners afhandelen.

De provinciale Omgevingsverordening (POV) NH2020 van de provincie Noord-Holland (zie hierna) bevat overigens eveneens (en vergelijkbare) regelgeving ten aanzien van het bij nieuwe woningbouw rekenschap geven van de geluidsbelasting. Op grond van artikel 6.24 POV dient in een ruimtelijk plan dat nieuwe woningen toestaat in de toelichting op dat plan rekenschap te worden gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en dienen de redenen te worden vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen.

Op 28 juni 2017 heeft de gemeenteraad de beleidsregel 'Wonen en vliegen 20Ke-contour Schiphol' vastgesteld waarin is vastgelegd hoe het 'rekenschap geven' zoals bedoeld in de POV in de toelichting van een bestemmingsplan vorm krijgt.

Afweging ten aanzien van geluidbelasting 

De geluidregels van PRV hebben betrekking op nieuwe woningen. Aangezien het bestemmingsplangebied niet valt binnen het ruimtelijke afwegingsgebied van het LIB 5, staat de geluidbelasting de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

Afweging ten aanzien van externe veiligheidsrisico's

Het vliegverkeer van en naar Schiphol brengt externe veiligheidsrisico's met zich mee. In heel Nederland kan een vliegtuig neerstorten maar de meeste luchtvaartongevallen gebeuren op of in de directe omgeving van een vliegveld. Zoals aangegeven, valt het bestemmingsplangebied niet binnen het ruimtelijke afwegingsgebied van het LIB 5, zodat de externe veiligheidsrisico's als gevolg van het vliegverkeer de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staan.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol staat het vaststellen van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg.

5.3 Provinciaal beleid     

5.3.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050     

Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de 'Omgevingsvisie NH2050' vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond.

In de visie zijn vijf bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving:

  1. Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend;
  2. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert;
  3. Sterke kernen, sterke regio's, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden;
  4. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie;
  5. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal.

Met de Omgevingsvisie zijn de wettelijke verplichte provinciale plannen (Structuurvisie, het Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan, het Milieubeleidsplan en de Watervisie) komen te vervallen.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

De omgevingsvisie is een zelfbindend document en heeft geen bindende werking voor andere overheidsorganen. De belangen uit de omgevingsvisie die planologische borging in gemeentelijke bestemmingsplannen behoeven, worden daarom doorvertaald in de Provinciale Omgevingsverordening (POV) NH2020.

5.3.2 Provinciale Omgevingsverordening (POV) NH2020     

Op 17 november 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 van de provincie Noord-Holland in werking getreden. De omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De provinciale Omgevingsverordening (POV) geeft een verdere invulling van de hoofdambitie van de Omgevingsvisie, een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De regels geven de kaders waarbinnen deze ruimte voor afweging en maatwerk mogelijk is en zijn in overeenstemming met het ontwikkelprincipes en ambities zoals verwoord in de Omgevingsvisie. Deze regels zijn er onder andere op gericht om zoveel mogelijk binnenstedelijk te verdichten en het landschap te behouden en beschermen.

In de POV is de provinciale regelgeving (zoals ten aanzien van milieu en luchthavens) beleidsneutraal omgezet ten opzichte van de voordien geldende provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Het beleidsneutrale karakter betekent dat de in de PRV geldende regelgeving zonder aanpassing van de normstelling en met een gelijkwaardig beschermingsniveau is overgezet in de integrale POV. Waar nodig zijn de regels wel verduidelijkt en vereenvoudigd.

De provincie werkt overigens aan de opvolger van de Omgevingsverordening NH2020; de Omgevingsverordening NH2022. Deze zal tegelijk in werking treden met de Omgevingswet op 1 januari 2022. Ook in de Omgevingsverordening NH2022 is gericht op een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid, zoals omschreven in de Omgevingsvisie NH2050.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

In de provinciale omgevingsverordening is (gelet op artikel 1.1.1 eerste lid onder h. van het Besluit ruimtelijke ordening) het gehele onderhavige plangebied aangemerkt als bestaand stedelijk gebied: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

De regels die voor bestaand stedelijk gebied gelden hebben betrekking op ontwikkelingen die in dit plangebied niet spelen. Zo zijn er geen bedrijventerreinen die getransformeerd worden en het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regelgeving in de POV die betrekking heeft op het Luchthavenbesluit (LIB) Schiphol is hierboven beschreven. Het provinciale detailhandelsbeleid komt hierna aan de orde.

5.3.3 Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2015-2020     

In het 'Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2015-2020' (vastgesteld op 15 december 2015) zijn de primaire verantwoordelijkheid voor detailhandelsbeleid bij gemeenten en regio’s neergelegd, waarbij er wordt gestuurd op de gewenste balans tussen het geven van ruimte aan (nieuwe) ontwikkelingen en het behoud van bestaande winkelgebieden. De regionale afstemming staat centraal, met de provincie als regisseur.

De Nota Ruimte schrijft voor dat gemeenten regionaal afstemmen. De provincie stelt eisen aan de wijze waarop gemeenten in de regio met elkaar afstemmen om er voor te zorgen dat er daadwerkelijk keuzes worden gemaakt. Er kan advies worden gevraagd aan de Regionale Advies Commissies Detailhandel voor grote en middelgrote plannen, waar gemeenten en het bedrijfsleven er niet uit komen. Indien het de regio niet lukt om er samen uit te komen kan de provincie een besluit nemen.

De missie van de provincie is ‘het versterken van de detailhandelstructuur in Noord-Holland’ met de volgende drie hoofddoelstellingen:

  • een detailhandelstructuur die uitgaat van duurzaam ruimtegebruik;
  • een detailhandelstructuur die bijdraagt aan een vitale regionale economie;
  • een detailhandelstructuur die bijdraagt aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving.

Met de drie hoofddoelstellingen geeft de provincie invulling aan people, planet, profit. Het geeft ook de uiteenlopende belangen aan die gepaard gaan met detailhandel en de veelzijdigheid van detailhandel. De hoofddoelstellingen zijn uitgewerkt in zes beleidsdoelen:

  1. prioriteit geven aan hoofdwinkelgebieden;
  2. voorkómen van extra leegstand;
  3. internet-afhaalpunten bij voorkeur situeren in bestaande winkelcentra;
  4. een vitale, dynamische en concurrerende detailhandelstructuur, ruimte geven aan kwaliteit;
  5. primaire detailhandel bereikbaar op een aanvaardbare afstand;
  6. detailhandel die bijdraagt aan aantrekkelijke binnensteden.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

De doelstellingen in het provinciaal detailhandelsbeleid zijn verder uitgewerkt in het Regionaal detailhandelsbeleid en het Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022. Deze beleidsstukken komen hoeronder aan bod bij het gemeentelijk beleid.

5.4 Regionaal beleid     

5.4.1 MRA-Agenda 2.0 (2020-2024)     

De Metropoolregio Amsterdam (MRA) is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten gemeenten en provincies.

De MRA Agenda 2.0 (2020-2024) vormt de inhoudelijke basis van de MRA-samenwerking. De overkoepelende ambitie in de MRA-Agenda is het werken aan een internationale topregio met hoge leefkwaliteit door te investeren in een toekomstbestendige en evenwichtige metropool. Deze overkoepelende ambitie is (naast het verder versterken van de samenwerking) vertaald naar de volgende bestuurlijke opdrachten:

  • werk maken van een veerkrachtige, inclusieve en schone MRA-economie;
  • mbouwen voor de woningbehoefte en met groei de leefkwaliteit van het geheel versterken;
  • vaart maken met het metropolitaan mobiliteitssysteem.

Met deze opdrachten wordt de samenhang bewaakt binnen respectievelijk de thema's economie, ruimte en mobiliteit. Binnen elke opdracht is op basis van specifieke uitdagingen een ambitie geformuleerd en is aangegeven wat daarvan het beoogd effect is. De ambitie is vervolgens uitgewerkt naar een aantal uitvoeringslijnen. Elke uitvoeringslijn is tevens voorzien van een doelomschrijving.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast en maakt geen ontwikkelingen mogelijk op regionaal niveau. De in de MRA-Agenda opgenomen ambities en uitvoeringslijnen hebben ook geen directe gevolgen voor het onderhavige bestemmingsplan. Dat kan in de toekomst wel aan de orde zijn als (deel)aspecten uit de agenda worden uitgewerkt tot concreet beleid. Vooralsnog is dit niet het geval.

5.4.2 Regionaal detailhandelsbeleid 2015-2020     

De regioraad van de Stadsregio Amsterdam heeft op 15 maart 2016 het Regionaal detailhandelsbeleid Stadsregio Amsterdam 2016 – 2020 vastgesteld. De vernieuwing is een actualisatie van het eerdere beleid uit 2011 en is op 1 april 2016 in werking getreden. Er wordt opgeroepen tot meer regionale afstemming van de winkelstructuur, zodat de fijnmazigheid van die structuur behouden blijft en iedereen op aanvaardbare afstand zijn boodschappen kan blijven doen. Centrale doelstelling in het regionale detailhandelsbeleid is het vasthouden aan het op aanvaardbare afstand hebben van winkels in dagelijkse artikelen (levensmiddelen en persoonlijke verzorging). Daarnaast staat behoud en versterking van kansrijke winkelgebieden centraal.

Fijnmazige detailhandelsstructuur

Een belangrijk speerpunt van het regionaal detailhandelsbeleid is de keuze voor een fijnmazige detailhandelsstructuur geweest. Een fijnmazige detailhandelsstructuur zet de leefbaarheid centraal en gaat uit van de behoefte van inwoners om dichtbij huis - op aanvaardbare afstand - hun aankopen te kunnen doen. Voor de consument is het aangenaam en efficiënt om een aaneengesloten, compact winkelgebied te hebben met een breed palet aan soorten winkels. Om dergelijke – kansrijke – locaties te behouden zal soms verspreide bewinkeling of een niet goed lopend (deel)centrum moeten worden afgebouwd. De fijnmazigheid komt daarmee wellicht deels onder druk te staan, maar het behoud van een netwerk aan goede en goed bereikbare winkelgebieden in de nabijheid van de consument blijft daarmee wel gewaarborgd. Een dergelijke detailhandelsstructuur impliceert dat afspraken nodig zijn die deze structuur in stand houden of verder versterken:

  • vasthouden aan het op aanvaardbare afstand hebben van winkels in dagelijkse artikelen(levensmiddelen en persoonlijke verzorging);
  • vasthouden aan terughoudendheid ten aanzien van nieuwe (perifere) locaties waar (grootschalige) detailhandel is toegestaan;
  • vasthouden aan terughoudendheid ten aanzien van brancheverruiming, zeker op bestaande perifere locaties;
  • vasthouden aan het weren van foodretail of de verkoop van dagelijkse artikelen op bedrijventerreinen en perifere winkellocaties;
  • behoud en versterking van – met name kansrijke - winkelgebieden staat centraal;
  • weidewinkels zijn niet toegestaan.

Consequenties voor dit plan

Uitgangspunt is dat iedere gemeente de lokale detailhandelsstructuur in ruimtelijke termen vastlegt in de gemeentelijke structuurvisie of in een gemeentelijke detailhandelsvisie, die past binnen het regionale detailhandelsbeleid en binnen het kader dat is vastgesteld in het provinciale detailhandelsbeleid uit 2014. Het gemeentelijke Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022 komt aan bod bij het gemeentelijk beleid.

5.4.3 Regionale hotelstrategie 2016-2022     

De 'Regionale hotelstrategie 2016-2022', vastgesteld door de Metropoolregio Amsterdam (MRA) op 27 november 2013, bevat het regionale afwegingskader voor nieuwe hotelinitiatieven. Uitgangspunt daarbij is 'het juiste hotel op de juiste plek'. De bij de strategie behorende Hotelladder MRA en Kansenkaart vormen de instrumenten om hotelontwikkeling te sturen. De MRA-gemeenten kunnen in afzonderlijke beleidsplannen de gemeentelijke uitgangspunten voor hotelontwikkeling vastleggen. Per 1 januari 2017 is voor de gemeente Amsterdam het nieuwe Overnachtingsbeleid in werking getreden.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Per 1 januari 2017 is voor de gemeente Amsterdam het nieuwe Overnachtingsbeleid in werking getreden. Dit wordt verder toegelicht bij het gemeentelijk beleid. Het gemeentelijke Overnachtingsbeleid is het beleidskader voor hotelontwikkeling in Amsterdam.

5.4.4 Woonakkoord 2021-2025     

Het woonakkoord 2021-2025 'Samen bouwen aan een vitale en toegankelijke regio' beschrijft de gedeelde doelen van provincie Noord-Holland, de gemeenten en woningcorporaties in de Gooi en Vechtstreek. Het woonakkoord 2021-2025 regio Gooi en Vechtstreek is ondertekend door provincie Noord-Holland, de gemeenten Blaricum, Gooise Meren, Huizen, Laren en Weesp en de woningcorporaties de Alliantie, Dudok Wonen, Stichting woningcorporaties Het Gooi en Omstreken, Woningstichting Naarden, Woonzorg Nederland, Habion, Woningstichting Vecht en Omstreken en Ymere.

Tot 2040 worden in de regio 11.500 woningen toegevoegd, waarvan bijna 3.000 sociale huurwoningen. Het aandeel sociale huurwoningen groeit zo mee met de woningvoorraad. Het aantal betaalbare middeldure huurwoningen groeit met 1.500. Daarnaast wordt ingezet op het toekomstbestendig maken en verduurzamen van de bestaande woningvoorraad.

Duurzaamheid, een prettige leefomgeving en het karakteristieke landschap zijn belangrijke uitgangspunten voor het bouwen van nieuwe woningen. De kern van de woningbouwopgave ligt binnenstedelijk, langs OV-lijnen en bij OV-knooppunten. Kleine kernen moeten daarbij vitaal blijven. Al deze doelen liggen in lijn met de plannen voor woningbouw zoals de regiogemeenten die nu al hebben.

Woonakkoord 2021-2025 Gemeente Amsterdam - Provincie Noord-Holland

Amsterdam heeft volgens de provinciale berekeningen in de jaren 2020-2025 een woningbehoefte v an 25.700. De plancapaciteit van Amsterdam is echter groot: 226.600. Hiervan is een groot deel in de verdere toekomst gepland, maar toch is momenteel al een aantal van 55.500 woningen als harde capaciteit aan te merken. Dat is zelfs voldoende voor de woningbehoefte tot aan 2030 (51.300). De Provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam realiseren zich dat het, met het oog op vertraging in de uitvoering, nodig is meer delen van de plancapaciteit 'hard' te maken om de woningbehoefte te kunnen inlossen en zeker te zijn van voldoende woningbouw.

In het woonakkoord tussen Amsterdam en de provincie is daarom een aantal afspraken gemaakt en zijn acties vastgelegd. Het betreft:

  • regionale afspraken over het woningbouwprogramma en regionale afstemming;
  • verdeling van sociale huurwoningen in Amsterdam en de omliggende gemeenten;
  • het realiseren van flexwoningen;
  • bouwprogramma's in landelijk gebied;
  • zoeken naar oplossingen voor de ontwikkeling en verdichting van Sloterdijken-West;
  • duurzame woningen, duurzaam bouwen en circulaire economie;
  • gezonde leefomgeving.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Het onderhavige bestemmingsplangebied draagt bij aan de regionale woningbouwopgaven.

verplicht
Afbeelding: Winingbouwplannen in het bestemmingsplagebied

Volgens de gemeentelijke 'Monitor Woningbouwplannen (1-7-2021)' bevinden zich in het plangebied meerdere woningbouwplannen die sinds 2018 in aanbouw zijn genomen (rood op bovenstaande kaart). Daarnaast behoren enkele locaties tot de strategische ruimte voor toekomstige ontwikkeling van woningen (oranje op bovenstaande kaart).

5.5 Gemeentelijk beleid     

5.5.1 Structuurvisie Amsterdam 2040     

Met de Structuurvisie Amsterdam 2040 "Economisch Sterk en Duurzaam" (17 februari 2011) legt de gemeente Amsterdam zichzelf regels op waar ruimtelijke plannen aan moeten voldoen. Amsterdam heeft zichzelf onder meer voor de opgave gesteld te verdichten en tegelijk het omliggende landschap open te houden. Dat leidt tot belangrijke uitgangspunten: het groen in en rond de stad vraagt om stevige bescherming, terwijl andere delen van de stad optimaal worden benut. Verdichting leidt ook tot (geleidelijke) transformatie en toenemende menging. Dat vergt veel van de bestaande infrastructuur en openbare ruimte. Respect voor de rijkdom aan cultuurhistorische schatten van Amsterdam is hierbij een belangrijke voorwaarde.

De centrale ambitie van de Structuurvisie is dat Amsterdam zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt aan tal van mensen woon- en werkruimte. Het betekent extra draagvlak voor voorzieningen, extra investeringen in de openbare ruimte en in recreatief gebruik van water en groen, efficiënter omgaan met energie en vervoer zodat buiten de stad minder landschap hoeft te worden aangetast. De ambities zijn om 70.000 woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen tot 2040, de haven en huidige bedrijventerreinen intensiever te gebruiken en ruimte te creëren voor waterberging.

In de structuurvisie zijn de onderstaande onderwerpen relevant voor het onderhavige bestemmingsplangebied.

5.5.1.1 Uitrol centrummilieu: stadsstraten     

Stadsstraten en -pleinen zijn in het algemeen de ruimere, drukkere straten en pleinen in of tussen buurten. Het zijn de stedelijke openbare ontmoetings- en uitwisselingsruimtes bij uitstek. Het zijn visitekaartjes van de stad. Ze hebben nagenoeg altijd een belangrijke winkel- of horecafunctie en meestal hebben ze een belangrijke verkeersgeleidende functie.

Structuurvisie

In de gemeentelijke Structuurvisie Amsterdam 2040 is onderscheid gemaakt naar 'voldragen stadsstraten' en 'stadstraten in ontwikkeling'.

  • 'Voldragen stadsstraten' zijn straten met een onmiskenbare uitwisselings- én verbindingsfunctie en een sterke identiteit. Men 'kent' de aanliggende buurten vooral door de desbetreffende stadsstraat. De aanliggende buurten zijn in de meeste gevallen gewilde woonmilieus;
  • 'Stadsstraten in ontwikkeling' zijn straten en pleinen die zich voornamelijk manifesteren als verkeersstraat of -plein. Aangezien het uitwisselingsmilieu met de aangrenzende buurten door het ontbreken van de kwaliteit van de voorzieningen vooralsnog onvoldoende ontwikkeld is, zijn deze straten en het plein benoemd als 'stadsstraat of -plein' in ontwikkeling'.

In de Structuurvisie Amsterdam 2040 zijn de stadsstraten in het plangebied als volgt benoemd (zie onderstaande uitsnede van de Totaalkaart Structuurvisie Amsterdam 2040).

verplicht
Afbeelding: Uitsnede stadsstraten in het plangebied uit de Totaalkaart Structuurvisie Amsterdam 2040  

De P.C. Hooftstraat, de Van Baerlestraat tussen het Vondelpark en de Willemsparkweg, de Willemsparkweg, de Jacob Obrechtstraat tussen de Willemsparkweg en de De Lairessestraat, de Koninginneweg, de Amstelveenseweg en de De Lairessestraat zijn benoemd als voldragen stadsstraten waar niet meer dan een beperkte kwaliteitsimpuls aan de orde is.

Volgens de Structuurvisie zijn het zuidelijke deel van de Van Baerlestraat (tussen de Willemsparkweg en de Hobbemakade) en de Johan M. Coenenstraat (potentiële) stadsstraten in ontwikkeling waar een kwaliteitsimpuls van het voorzieningenaanbod gewenst is. Dat geldt ook voor het Museumplein. Naast het verbeteren van de inrichting van de openbare ruimte van het Museumplein, is er volgens de Structuurvisie ook aandacht nodig voor meer ruimte voor functies en voorzieningen op en in de omgeving van het plein: winkels, galeries en vooral meer goede restaurants, grand cafés en brasserieën. De zuidwest-wand van het Museumplein is daarom ook opgenomen als een plek waar een kwaliteitsimpuls gewenst is. Deze straten en het Museumplan kunnen met een kwaliteitsimpuls uitgroeien tot voldragen stadsstraten en -plein. Daarbij moet worden gedacht aan het verruimen en diversifiëren van het voorzieningenniveau. Dat kan worden bewerkstelligd door een bestemmingswijziging in met name de plint, bijvoorbeeld door een omzetting van de woonbestemming naar winkel- of horecabestemming.

Onderzoeksrapport Stadsstraten 

Het Onderzoeksrapport Stadsstraten is onderdeel van de Agenda Stadsstraten. Deze agenda is op 19 september 2017 door het college van B&W vastgesteld. Doel van het onderzoek is het aangeven hoe de stadsstraten functioneren en (op basis daarvan) het geven van een nadere prioriteitsstelling en investeringsagenda voor stadsstraten. Het rapport geeft echter ook een recent beeld van de stand van zaken met betrekking tot de stadsstraten in het plangebied (zie onderstaande uitsnede van het plangebied uit het onderzoeksrapport Satdsstraten).

verplicht
Afbeelding: Uitsnede stadsstraten in het plangebied uit het Onderzoeksrapport Stadsstraten (Gemeente Amsterdam, augustus 2017)  

In het Onderzoeksrapport Stadsstraten zijn de De Lairessestraat, de Hobbemakade en de Stadhouderskade niet opgenomen als (stadsstraten (voldragen of in ontwikkeling), maar als hoofdstraten in het plangebied. De volgende straten zijn wel opgenomen als voldragen stadsstraten dan wel stadsstraten in ontwikkeling.

  • Voldragen stadsstraten: Binnen het plangebied functioneren de Amstelveenseweg, de Paulus Potterstraat, de Hobbemastraat,, de Van Baerlestraat en de Johan M. Coenenstraat in hun geheel als voldragen stadsstraten. De Willemsparkweg tussen de Van Baerlestraat en de Jacob Obrechtstraat en de Koninginneweg tussen de Amstelveenseweg en de Hendrik Jacobszstraat functioneren volgens het rapport eveneens als voldragen stadsstraten;
  • Stadsstraten in ontwikkeling: Voor de overige straatdelen van de route Willemsparkweg - Koninginneweg (de Willemparkweg tussen de Jacob Obrechtstraat en de Emmastraat en de Koninginneweg tussen de Emmastraat en de Hendrik Jacobszstraat) geldt dat deze straatdelen functioneren als potentiële stadsstraat dan wel stadsstraat in ontwikkeling. Deze straatdelen kunnen met een kwaliteitsimpuls in de vorm van een diversifiëring van het voorzieningenaanbod uitgroeien tot voldragen stadsstraten.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

De wijze waarop in dit bestemmingsplan de uitrol van het centrummilieu is vormgegeven, is nader toegelicht in 'de paragraaf 'Uitgangspunten voorzieningenstructuur' in Hoofdstuk 3 'Uitgangspunten'. Daarin is per deelgebied aangegeven hoe in het bestemmingsplan is omgegaan met de (ontwikkeling van) de winkelstraten, de stadsstraten, en de buurtwinkelstrips in het plangebied.

In het algemeen zijn de winkelstraten in het plangebied die functioneren als voldragen stadsstraten in het bestemmingsplan aangemerkt als winkelstraat. Om het karakter als winkelstraat te behouden, is hier alleen de vestiging van detailhandel en consumentgerichte dienstverlening mogelijk gemaakt.

Voor de straten die in het stadsstratenbeleid zijn aangemerkt als 'stadsstraten in ontwikkeling' geldt in het algemeen dat het bestemmingsplan de vestiging van meer niet-woonfuncties mogelijk maakt. Op grond van het stadsstratenbeleid is in deze straten diversifiëring van het voorzieningenaanbod gewenst, waarmee de mogelijkheid wordt geboden om deze straten te laten groeien tot stadsstraten. Zoals aangegeven, is volgens de gemeentelijke Structuurvisie het mogelijk maken van meer horeca één van de mogelijkheden om de gewenste diversifiëring te bewerkstelligen. In het algemeen geldt echter dat in het plangebied een toename van horeca niet zonder meer en niet overal gewenst is. Hoe in de verschillende deelgebieden wordt omgegaan met (een toename van) horeca, is nader toegelicht in de paragraaf 'Horeca' in Hoofdstuk 3 'Uitgangspunten.

5.5.1.2 Verkeersnetten en Ruimtelijke reserveringen     

Verkeersnetten 

In de Structuurvisie Amsterdam 2040 is vastgesteld waar de hoofdnetten gelegen zijn, welke doelen ze dienen en aan welke eisen ze moeten voldoen. Bereikbaarheid geldt binnen dit beleidskader als centrale doelstelling. Deze doelstelling wordt vertaald naar concrete en meetbare eisen. Een bijkomend argument voor de vaststelling van de hoofdnetten in een beleidskader, is dat het in grote mate heeft gezorgd voor helderheid bij de betrokken partijen over wat de hoofdnetten zijn en aan welke eisen de hoofdnetten dienen te voldoen.

De netwerken voor voetganger, fiets, openbaar vervoer en auto komen verder aan de orde in Hoofdstuk 7 in de paragraaf 'Mobiliteit'.

Ruimtelijke reserveringen

In de Structuurvisie zijn voor het plangebied geen planologische voorzieningen opgenomen waarmee ruimte bewaard c.q. bestemd (gereserveerd) dient te worden voor de fysieke aanleg van toekomstige (hoofd)infrastructuur.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

In het bestemmingsplan vallen de wegen en fiets- en voetpaden binnen de bestemming 'Verkeer'. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd, zodat het verkeers- en voetgangersareaal in stand blijft.

5.5.2 Omgevingsvisie Amsterdam 2050     

Van Structuurvisie Amsterdam 2040 naar Omgevingsvisie Amsterdam 2050

De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is een langetermijnvisie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving, die elke overheid opstelt in het kader van de Omgevingswet. De ontwerp-omgevingsvisie heeft samen met het ontwerp-OmgevingsEffectRapport (OER) vanaf 21 januari 2021 zes weken ter inzage gelegen. De omgevingsvisie is samen met het OER op 8 juli 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040.

Met vaststelling van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 door de gemeenteraad is de Structuurvisie Amsterdam 2040 vervangen. Hierop zijn twee uitzonderingen, de Hoofdgroenstructuur en het hoogbouwbeleid, die integraal opgenomen waren in de structuurvisie. Deze blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. De Gemeente Amsterdam wil met een brede blik sturen. Deze omgevingsvisie heeft daarbij een drieledige functie:

  • richting geven aan groei;
  • versnellen van transities;
  • ruimte bieden aan initiatieven.

De omgevingsvisie bouwt voort op eerder geformuleerde beleidsinzetten. In sommige paragrafen wordt derhalve nog verwezen naar de Structuurvisie Amsterdam 2040. Op een aantal punten formuleert de omgevingsvisie een aangepaste ruimtelijke koers. Die is gericht op het tegengaan van negatieve effecten op kansengelijkheid en leefbaarheid, op het verduurzamen van de stad en op herstel en vernieuwing van de economie.

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

Wereldwijd groeien steden. Steden hebben aantrekkingskracht omdat ze bedrijvigheid, wetenschap en creativiteit dicht bijeenbrengen en zo innovatie stimuleren en kansen bieden aan individuen. De stad moet kansen bieden aan iedereen. Om die reden omarmt Amsterdam zowel nieuwe inwoners als nieuwe banen. Economische groei is gewenst, niet in de laatste plaats vanwege de inkomsten. Maar Amsterdam wil ook ruimte bieden aan vernieuwing en een meer circulaire economie. Groei een plek geven in de stad is daarmee ook een verantwoordelijkheid. Om volledig profijt te trekken moet die groei richting gegeven worden. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur vijf strategische keuzes:

  • Meerkernige ontwikkeling: Amsterdam is uit balans met één centrum waar alles op is gericht is. Een van de hoofddoelen van deze visie is een stad te worden met meer stedelijke centra. Ook in de regio willen we de kernen meer stedelijke kwaliteit geven.
  • Meerkernige ontwikkeling: Amsterdam is uit balans met één centrum waar alles op is gericht is. Een van de hoofddoelen van deze visie is een stad te worden met meer stedelijke centra. Ook in de regio willen we de kernen meer stedelijke kwaliteit geven.
  • Groeien binnen grenzen: duurzame, compacte stedelijke ontwikkeling en intensief ruimtegebruik. Daarmee maken we sociaal sterke buurten, met veel ruimte voor ondernemerschap en beperken we de ecologische voetafdruk van de stad.
  • Duurzaam en gezond bewegen: in een compacte stad staan ontmoeten en bewegen in de openbare ruimte voorop. In de hele stad krijgen lopen, fietsen en openbaar vervoer ruim baan.
  • Rigoureus vergroenen: nieuwe parken en meer groen in de openbare ruimte en op en aan gebouwen houdt de stad klimaatbestendig en leefbaar voor mens, dier en plant.
  • Samen stadmaken: meer mogelijkheden voor maatschappelijk initiatief. Samen met Amsterdammers, corporaties en private partijen bouwen we aan de stad. Daarbij maken we meer ruimte voor experimenten en verantwoordelijk en eigenaarschap voor onze inwoners.

Gebiedspecifieke opgaven stadsdeel Zuid

De groei van Amsterdam wordt mogelijk gemaakt binnen de huidige stadsgrenzen. De opgave tot verdichting ten behoeve van wonen en werken is beschreven in vier buurttypen, waarmee we sturen op een programma dat geschikt is voor een specifieke plek in de stad. De buurttypen zijn samengesteld uit een combinatie van woningen, werkruimte en bedrijvigheid (kantoren, horeca, bedrijven enzovoorts), maatschappelijke voorzieningen, nutsvoorzieningen, groen en sport (op basis van de norm maatschappelijke voorzieningen). Daarnee wordt op buurtniveau invulling gegeven aan de normen voor maatschappelijke voorzieningen en aan ruimte voor economie en deels aan de groennormen. Deze laatste worden deels in grotere groengebieden buiten buurten ingevuld, zoals stadsparken en landschapsparken.

De hoogste dichtheid wordt mogelijk gemaakt op goed bereikbare plekken, langs de OV-lijnen (zuidoostkant, zuidwestkant, Haven-Stad en noordwestkant). Geconcentreerd rondom de stations komen de meest dichte buurten: de hoogstedelijke centra en hoogstedelijke buurten. Om op een klein oppervlak veel dichtheid te maken is hoogbouw hier een bruikbare bouwvorm.

De openbare-ruimtestructuur van nieuwe buurten sluit zoveel mogelijk naadloos aan op die van de bestaande buurten waaraan ze grenzen.

De groei brengt een opgave voor stedelijk groen met zich mee: de ontwikkeling van een aantal landschapsparken dicht tegen de stad (kop Brettenzone, Tuinen van West en Ookmeerpark, Oeverlanden, kop Amstelscheg, Diemerbos, Waterlandsportlandschap en Noorder IJplas).

In bestaande buurten is een balans tussen rust en reuring en een bescherming en logische ordening van werkfuncties en voorzieningen het doel. Ontwikkeling is in bestaande buurten kleinschalig en vindt vaak op pandniveau plaats. Zeker in de vooroorlogse stad is het grip houden op bouwdynamiek op daken en in de ondergrond nodig. In de naoorlogse stad kan de bouwdynamiek ook bijdragen aan het vergroten van de woonkwaliteit en het draagvlak voor voorzieningen en openbaar vervoer.

verplicht Afbeelding: Uitsnede Omgevingsvisie Amsterdam 2050.

Op bovenstaande uitsnede van de omgevingsvisie is te zien dat het plangebied deels in een gemengd gebied (Concertgebouw- en Valeriusbuurt, Plan Zuid-strook) en deels in een centrumegebied (Museumpleinbuurt en Duivelseiland) met stedelijke betekening is gelegen. Voor deze gebiedstypen in bestaande buurten zijn in de omgevingsvisie de volgende ontwikkelingen en opgaven gedefinieerd:

Centrumgebied: De binnenstad en de aangrenzende buurten in West, Zuid en Oost vervullen binnen de stad en ver daarbuiten een unieke en onvervangbare rol als stadscentrum. Hier ligt een grote opgave om de balans te bewaren tussen de stedelijke, nationale en internationale centrumfunctie en de lokale betekenis voor bewoners en mensen die er werken.

Gemengde gebieden: Deze stadsbuurten met hoge dichtheid aan woningen worden gekenmerkt door een aantrekkelijke afwisseling tussen rustig wonen en levendige concentraties van voorzieningen in stadsstraten en aan pleinen. Het behoud

van deze afwisseling staat hier voorop. Dat betekent dat we de bouwdynamiek controleren en ruimte voor publieksfuncties in stadsstraten beschermen.

Delen van Zuid worden steeds meer onderdeel van het stadscentrum. De Noordpijp en het Museumkwartier trekken bezoekers uit de hele stad en de regio en zijn ook voor toeristen een belangrijke bestemming. Mensen komen er om uit te gaan en te winkelen. Het Museumplein is een van de toeristische toplocaties van Europa geworden. De opgave in deze gebieden is om het beheer van de openbare ruimte op niveau te houden en om de leefbaarheid en de balans tussen rust en reuring te bewaken. Zuid is een sterk stadsdeel, maar kent ook sociaaleconomsich kwetsbare buurten. In die buurten zal worden geïnvesteerd om ervoor te zorgen dat iedereen mee kan doen.

Stadsdeel Zuid is een zeer populaire woonplek. In het hele stadsdeel is daardoor sprake van grote bouwdynamiek. Woningen worden onderkelderd, uitgebouwd en opgetopt. Dit zorgt voor veel overlast in de woonbuurten en gaat soms ten koste van groen en architectonische kwaliteit. Het stadsdeel wil de bouwdynamiek aan heldere regels binden. Daarbij is behoud van bestaande kwaliteiten, de leefbaarheid, het groen en kleinschalige voorzieningen, met ruimte voor mogelijkheden voor transformatie het uitgangspunt. Investeren in bestaande buurten blijft hard nodig. In de kwaliteit van woningen, het groen en de openbare ruimte en in de verbindingen, zoals stadsstraten en stadslanen.

Deze smeden het stadsdeel immer aaneen en verankeren Zuid in de omliggende stad. Zuid kent veel bijzonder groen. Zo ligt er een aantal hoogwaardige parken en zijn de twee entrees naar de scheggen een belangrijke kwaliteit.

Consequenties voor dit bestemmingsplan 

In dit bestemmingsplan zijn, voor zover mogelijk binnen de reikwijdte van het bestemmingsplan, regels opgenomen om de balans tussen hoogstedelijke leven en de bescherming van de woon- en leefklimaat te waarborgen.

5.5.3 Koers 2025, Ruimte voor de stad     

De 'Structuurvisie Amsterdam 2040' (2011) schetst in grote lijnen hoe de vraag naar bouwlocaties opgevangen kan worden. Hierin staat de ambitie woningen toe te willen voegen door 'verdichting' en 'transformatie'. Amsterdam groeit elk jaar met gemiddeld 11.000 inwoners. Om deze groei mogelijk maken en de druk op de woningmarkt te verlichten is in het actieplan Woningbouw de ambitie geformuleerd om tot 2025 de bouw van 50.000 woningen binnen de stadsgrenzen mogelijk te maken, grotendeels door nieuwbouw en voor een gedeelte door transformatie. Koers 2025, Ruimte voor de stad is vastgesteld door college van B&W in juni 2016 en operationaliseert de Structuurvisie en het actieplan Woningbouw in een ontwikkelstrategie voor de stad tot 2025. Koers 2025 gaat in op welke locaties en onder welke condities en voorwaarden gebiedsontwikkeling en woningbouw wenselijk zijn.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

In Koers 2025 valt het bestemmingsplangebied valt aan de zuidwest-punt (op de hoek Amstelveenseweg - Cornelis Krusemanstraat bij het Haarlemmermeercircuit) voor een klein deel binnen de Gebiedsuitwerking 2016 voor het Schinkelkwartier. Deze gebiedsuitwerking heeft echter geen directe consequenties voor het plangebied. De projecten die onderdeel uitmaken van de gebiedsuitwerking liggen buiten het plangebied en het doel van het bestemmingsplan niet is om te verdichten.

verplicht
Afbeelding: Uitsnede uit de kaart Koers 2025 en het plangebied.  

Het plangebied is weliswaar geen onderdeel van de locaties die zijn aangewezen om te verdichten, maar vormt wel onderdeel van het bestaande stedelijk weefsel van de snelgroeiende stad. De borging van de bestaande woningen en functiemix is mede nodig om de snelle groei van het aantal inwoners, bedrijvigheid, bezoekers en toerisme niet te frustreren en om een goede aansluiting te kunnen maken met de gebieden waar wel (verder) verdicht en verstedelijkt gaat worden. Dit bestemmingsplan voorziet in deze borging.

5.5.4 Stad in Balans     

Startdocument 2015

In het 'Startdocument Stad in Balans' (mei 2015) is een begin gemaakt met het bepalen van de koers en het formuleren van ambities die eraan bijdragen dat Amsterdam en de metropoolregio aantrekkelijk blijft voor alle gebruikers en voor bewoners in het bijzonder. Eén van de voordelen van de groei van de stad, is dat de reeds aanwezige druk op de binnenstad ruimtelijke, economische en sociale ontwikkelingen stimuleert in andere delen van de stad. Dit heeft echter ook een keerzijde, namelijk dat de druk op de schaarse ruimte ook daar groter wordt en het evenwicht tussen wonen, werken en recreëren verstoord kan worden. Enerzijds is er behoefte om positieve ontwikkelingen voor de stad te ondersteunen en anderzijds moet de regelgeving toegerust zijn op het bestrijden van nadelige effecten zoals monocultuur en een (te) eenzijdig aanbod van voorzieningen.

In Stad in Balans is de koers uitgezet om de balans tussen rust en drukte, tussen wonen, werken en recreëren en tussen het profijt en de hinder te bewaren. De koers bevat vier strategische richtingen met betrekking tot de thema's verplaatsen, verblijven en recreëren om de groei van Amsterdam en de regio in goede banen te leiden:

  • meer kwaliteit en diversiteit van het winkel- en voorzieningenaanbod;
  • verminderen van overlast en stellen van grenzen;
  • spreiden van bezoekers over de stad en regio;
  • creëren van meer ruimte op straat in drukke gebieden.

Stad in Balans vormt een eerste aanzet om deze gemeentelijke ambities, doelen en werkwijzen in beeld te brengen. Een aspect dat veel aandacht krijgt in Stad in Balans is de druk op het schoon en heel houden van de openbare ruimte. Het bestemmingsplan is in het algemeen niet het instrument waarbinnen het schoon en heel houden van de openbare ruimte wordt geregeld, maar het bestemmingsplan vormt hiertoe ook geen belemmering.

Monitoring

Vanuit Stad in Balans is in samenhang met andere monitoren - zoals de Veiligheidsindex en de bereikbaarheidsmonitor - gewerkt aan een monitor die zich richt op de onderwerpen die in het Startdocument 2015 zijn beschreven. In de monitor is ingezoomd op de 22 gebieden in Amsterdam. Daarmee bevat de monitor geen uitkomsten op buurtniveau, waarmee tevens geen uitkomsten worden gegeven voor dit specifieke bestemmingsplangebied.

  • Stand van de Balans (juni 2016): De monitor 'Stand van de Balans' (juni 2016) laat aan de hand van objectieve en subjectieve indicatoren de stand van de balans zien. Er wordt een beeld geschetst van hoe bewoners en ondernemers in alle delen van de stad tegen drukte en balans in Amsterdam aankijken, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar verschillende leeftijdsgroepen en gebieden in de stad. De belangrijkste uitkomsten van de monitor voor Zuid is dat de bewoners in Zuid het tamelijk druk vinden. Dat wordt overigens vooral ervaren in De Pijp. In Zuid is, net als in West, het aandeel respondenten dat het aanbod vakantieverhuur te veel vindt hoog, onder andere in de wijken rondom het Museumplein en in De Pijp. Rondom het Museumplein (en het Vondelpark) vinden allerlei toerisme-gerelateerde activiteiten plaats, wat bijdraagt aan de negatieve beleving.
  • Stadsenquête Drukte en Balans (mei 2018): Uit de Stadsenquête Drukte en Balans (mei 2018) blijkt dat de ondervraagden vinden dat het, vergeleken met 2016, drukker is geworden in de stad. Stadsdeel Zuid komt (na Centrum) op de tweede plaats als het om druktebeleving van de stad gaat. Ook 's avonds is de drukte in de buurt toegenomen, ruim vier van de tien ondervraagden vinden het 's avonds druk in de buurt. In Zuid vindt een tiende van de ondervraagden het ook druk in de nacht. De geënquêteerden vinden dat de stadsdelen West, Zuid en (in mindere mate) Oost meer op het Centrum gaan lijken. Het draagvlak voor toerisme is laag in buurten waar het druk is. Hoe verder van het Centrum, hoe meer draagvlak er is voor toerisme. Over de hele linie genomen zijn de verschillen ten opzichte van 2016 overigens klein.

Stad in Balans 2018-2022

Het programma 'Stad in Balans 2018-2022; Naar een nieuw evenwicht tussen leefbaarheid en gastvrijheid' is een uitwerking van de bestuurlijke ambities en bundelt alle afzonderlijke doelen en maatregelen uit het coalitieakkoord voor de periode 2018-2022. De gemeenteraad ontvangt halfjaarlijks een rapportage met daarin de voortgang van de doelen en maatregelen. Gedurende de looptijd wordt het programma doorlopend aangevuld met nieuwe inzichten, maatregelen, moties en initiatiefvoorstellen. De operationele uitwerking gebeurt in de verschillende betrokken beleidsportefeuilles. Het programma is complementair aan de gebiedsplannen en geeft uitwerking aan de gebiedsagenda's (zie ook de paragraaf 'Gebiedsagenda 2019-2022' bij het stadsdeelbeleid).

Het college streeft er naar de leefbaarheid te versterken door overlast te verminderen, een diverser voorzieningenaanbod te realiseren en meer ruimte te bieden op straat en op het water. Een meer gevarieerde en aantrekkelijke functiemenging past bij de functie van gebieden als woonbuurt. In Amsterdam heeft elke buurt haar eigen karakter waarmee buurtbewoners zich verbonden voelen. Door het toenemende aantal winkels dat zich primair op bezoekers richt, wordt het voorzieningenaanbod voor bewoners minder aantrekkelijk. Daar komt de toenemende vakantieverhuur van woningen bovenop waardoor de sociale cohesie wordt aangetast. In het programma is aangegeven dat de straatgerichte aanpak winkeldiversiteit, conform het bestaande beleid, wordt uitgebreid, in samenwerking met ondernemers en vastgoedeigenaren.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

In dit bestemmingsplan zijn, voor zover mogelijk binnen de reikwijdte van het bestemmingsplan, regels opgenomen om de balans tussen hoogstedelijke leven en de bescherming van de woon- en leefklimaat te waarborgen. Deels gebeurt dit tevens door flankerend beleid, zoals het gemeentelijke hotelbeleid.

Om de balans in het plangebied te behouden en te voorkomen dat de druk op het woon- en leefklimaat in het plangebied (nog) verder wordt verhoogd, is vestiging van nieuwe belwinkels, automatenhallen, massagesalons, seksinrichtingen, geldwisselkantoren en smartshops uitgesloten. Dat geldt ook voor ongewenste vormen van detailhandel en dienstverlening die gericht zijn op toeristen, zoals op toeristen gerichte kaaswinkels, wafelverkoop, fietsverhuur, ticketshops en dergelijke.

5.5.5 Ruimte voor de economie van morgen     

Volgens Koers 2025 staat Amsterdam met die nieuwe groeistrategie aan de vooravond van een nieuwe stedelijke groeispurt. De komst van meer woningen en inwoners biedt kansen voor het versterken van Amsterdam als aantrekkelijke (internationale) vestigingsplaats. Naast woningen en voorzieningen zoals internationale scholen heeft Amsterdam ook ruimte nodig om nieuwe economische groei te faciliteren. Koers 2025 wijst daarbij in algemene zin op kansen in stadsstraten, op multimodale knooppunten, gemengde woon-werkwijken, de haven en bedrijventerreinen.

De opgave is om bij de nieuwe groei van Amsterdam aan te sluiten bij de vestigingsbehoefte van de groeiende kennis- en innovatie economie. Deze vraagt om specifieke gemengde stedelijke werkmilieus. De economische potentie van nieuwe wijken en de mate waarin economische menging succesvol kan zijn, is afhankelijk van de netwerkverbondenheid, dichtheid, de aanwezigheid van economische dynamiek, bereikbaarheid voor werknemers en logistiek en de woon-werkbalans.

Om de te ontwikkelen gebieden ruimtelijk-economisch kleur te geven, zijn de economische kansen van de gebieden geïnventariseerd en op een kansenkaart getypeerd. Ruimte voor de Economie van Morgen is weliswaar met name gericht op de in het kader van Koers 2025 te ontwikkelen nieuwe stedelijke gebieden, maar bevat ook aspecten die relevant zijn voor de bestaande stad en daarmee voor het onderhavige bestemmingsplan. Voor dit bestemmingsplangebied zijn de volgende twee milieutypes op de kansenkaart van belang.

  • Internationaal topmilieu: Dit zijn hoogwaardig ingerichte, internationaal verbonden locaties met in de omgeving een groot voorzieningenaanbod, die geschikt zijn voor vestiging van internationale hoofkantoren.
  • Creatieve wijk: Dit zijn woon-werkwijken binnen het bestaande centrummilieu binnen de Ring A10, die door menging met zelfstandige kantoorruimtes voorzien in de behoefte aan informeel stedelijk werkmilieu.

verplicht
Afbeelding Uitsnede kansenkaart 'Ruimte voor de economie van Morgen' en het plangebied  

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Het gehele plangebied is op de kansenkaart opgenomen als gebiedstype 'Creatieve wijk'. De aanwezigheid van kantoorruimten en ruimten voor creatieve bedrijven draagt bij aan de aantrekkingskracht van wijken als vestigingsmilieu voor bedrijven uit de kenniseconomie. Omdat kantoren en creatieve bedrijven geen hinder veroorzaken voor de omgeving, kunnen zij zich bovendien zonder problemen vestigen in wijken waar ook wordt gewoond. Het uitgangspunt van het gemeentelijke kantorenbeleid is dan ook om binnen de ring A10 functiemenging stimuleren en ruimte te (blijven) bieden aan kantoren en bedrijven uit de kenniseconomie.

Op de kansenkaart is het gehele plangebied eveneens opgenomen als gebiedstype 'Internationaal topmilieu'. Dat maakt het gebied een kansrijke locatie voor vestiging van internationale (hoofd)kantoren, bijvoorbeeld bij transformatie van vrijkomende panden.

Bovenstaande is in dit bestemmingsplan vertaald door de bestaande gebouwen die geheel in gebruik zijn als kantoor en/of bedrijfsruimte voor startende (creatieve) ondernemers, een eigen bestemming te geven. De toegestane gebruiksmogelijkheden hangen af van de betreffende locaties.

De prominente (kantoor)panden rond het Museumplein vormen een internationale panden beschikbaar voor A-locatie met een aantrekkingskracht voor kantoren in het topsegment. Binnen de voor deze panden geldende bestemming zijn alleen kantoren (en maatschappelijke voorzieningen) toegestaan. Door hier wonen uit te sluiten, blijven deze panden beschikbaar voor vestiging van internationale (hoofd)kantoren.

Kantoorpanden die zijn gelegen in een stadsstraat die geen winkelstraat is, zoals de Willemsparkweg - Koninginneweg, en kantoorpanden die gelegen zijn in een doorgaande straat of in een voorzieningencluster, hebben een kantoorbestemming waarbinnen de begane grond gereserveerd is voor niet woonfuncties. Vanuit het oogpunt van functiemenging wil de gemeente niet woonfuncties graag clusteren in stadsstraten, doorgaande straten en voorzieningenclusters. De hogere bouwlagen mogen hier wel worden omgezet naar wonen.

De panden die geheel in gebruik zijn als kantoor en zijn gelegen in een woonstraat, hebben een kantoorbestemming gekregen waarbinnen het gebruik van het gehele pand kan worden uitgewisseld met wonen. Een woonstraat leent zich minder goed voor een functioneel gemengd programma op de begane grond, zodat het niet nodig is om bij transformatie van een kantoorpand naar wonen op de begane grond een niet-woonfunctie te handhaven.

Daarmee wordt in dit bestemmingsplan waar mogelijk en gewenst tegemoet gekomen aan de bij dit economisch beleid horende flexibiliteit in vestigingsmilieus.

5.5.6 Kantorenplan 2019-2026     

Het doel van het kantorenplan 2019-2026, dat op 24 september 2019 door het college van B&W is vastgesteld, is een uitgebalanceerde en toekomstbestendige kantorenmarkt waarin op korte en middellange termijn voldoende kwalitatieve woonwerkmilieus beschikbaar zijn voor de uitbreidingsvraag van 125.000 m2 kantoor per jaar. Voor dit doel gelden de volgende uitgangspunten:

  • meer en sneller kantoren ontwikkelen om te voldoen aan de marktvraag;
  • toekomstbestendige kantoren: flexibel, efficiënt, bereikbaar en klimaatneutraal;
  • transformatie van monofunctionele kantoorlocaties met behoud van werk;
  • realiseren van gemengde woon-werkmilieus.

De diversiteit aan bedrijven en vestigingsbehoeften vraagt om diversiteit in werk- en vestigingsmilieus. De ruimtelijk economische visie van Amsterdam (het hierboven genoemde Ruimte voor de economie van morgen) geeft aan hoe de ontwikkeling van diverse woon-werkmilieus mogelijk is en kan bijdragen aan een flexibele, robuuste en duurzame economie. Dit aan de hand van de volgende in Ruimte voor de economie van morgen gehanteerde werkmilieus:

  • Creatieve en productieve wijken (Stedelijk werkmilieus);
  • Multimodale knooppunten;
  • (Internationaal) topmilieu;
  • Innovatiedistricten.

verplicht
Afbeelding: Uitsnede Kantorenplan 2019-2026, Toekomst t/m 2040. en het plangebied  

Consequenties voor dit bestemmingsplan

In Ruimtevoor de economie voor morgen is aangegeven dat het onderhavige plangebied een kansrijke locatie is voor vestiging van internationale (hoofd)kantoren. In navolging van Ruimte voor de economie voor morgen, is het gehele plangebied in het Kantorenplan dan ook onderdeel van het gebiedstype 'Topmilieu'.

Naast nieuwbouw is ook het behoud van kantoorruimte belangrijk voor de werkgelegenheid in de stad. Sturen op het behoud van grote(re) kantoren in het stedelijke milieu (waaronder in stadsdeel Zuid) voorkomt dat er monofunctionele woonwijken ontstaan en behoudt ruimte voor werk in de gemengde stad.

De wijze van bestemming van kantoren in het bestemmingsplan zoals in de voorgaande paragraaf is aangegeven, komt overeen met het gewenst behoud van kantoorruimten.

5.5.7 Afwegingskader voor omzetting kleinschalige bedrijfsruimten     

In 2020 is het afwegingskader voor het omzetten van kleinschalige bedrijfsruimtes vastgesteld. Dit gemeentelijke afwegingskader heeft als doel het beschermen van kleinschalige bedrijvigheid in de wijken binnen de ring A10. Het behoud van kleinschalige bedrijfsruimtes is belangrijk, omdat ze bijdragen aan de leefbaarheid en de functionele diversiteit van stadswijken. De ambitie om kleinschalige bedrijvigheid in de stad te beschermen is overigens ook reeds vastgelegd in de Structuurvisie.

Kleinschalige bedrijfshuisvesting staat in Amsterdam onder druk. De groei van de toeristische en vrijetijdssector van de afgelopen decennia en de prijsstijgingen op de woningmarkt leiden tot een grote vraag naar omzetting van kleinschalige bedrijfsruimte. Door de relatief lage vierkante meter prijs van bedrijfsruimte is omzetting naar een andere functie met een hogere vierkante meter prijs, zoals wonen, winkels, horeca of kantoren, lucratief. Deze ontwikkeling doet zich vooral voor binnen de ring A10. Dit wordt versterkt doordat kleinschalige bedrijfsruimten steeds meer worden verkocht door gemeente en corporaties. Daardoor is kleinschalige bedrijfsruimte steeds meer in commerciële handen en sterker onderhavig aan marktwerking. Gezien de financiële aantrekkelijkheid van omzetting is bescherming vanuit het algemeen belang op zijn plaats.

In het afwegingskader is bepaald dat bedrijfsruimtes in woonstraten mogen worden omgezet naar woningen indien is aangetoond dat deze onverhuurbaar zijn als bedrijfspand. Dit houdt in dat de bedrijfsruimte tenminste twee jaar te huur heeft gestaan voor een marktconforme prijs. Bedrijfsruimtes die zijn gevestigd in een structuurbepalend pand mogen niet worden omgezet naar woningen. Een structuurbepalend pand is een pand op een zichtlocatie, een pand dat onderdeel is van een bedrijven- of voorzieningenstrook of een bedrijfsruimte in een bedrijfsverzamelgebouw.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Bestaande kleinschalige (al dan niet ambachtelijke) bedrijvigheid worden in dit bestemmingsplan beschermd. Dat is gedaan door de kleinschalige bedrijven een eigen specifieke bestemming te geven. Uitwisseling met andere niet-woonfuncties en wonen is niet mogelijk.

In de winkelstraten is de kleinschalige bedrijvigheid op de begane grond niet beschermd. Het detailhandelsbeleid is er immers op gericht om de publieksgerichte functies detailhandel en consumentverzorgende dienstverlening te clusteren in de winkelstraten. Het beschermen van kleinschalige bedrijven in de winkelstraten past hier niet bij.

5.5.8 Woonagenda 2025     

Op 20 juli 2017 heeft de gemeenteraad de Woonagenda 2025 vastgesteld. Uit de prognose van de woningbehoefte en de woningvoorraad blijkt dat in 2025 het grootste tekort zit in de gereguleerde huurvoorraad: een voorraad van 39% terwijl 49% van de huishoudens behoefte heeft aan deze woningen. De voorraad middeldure huur groeit volgens de prognose naar 9%, waardoor de voorraad meer in de buurt komt van de behoefte (11%). Er is in algemene zin behoefte aan huurwoningen.

De woonagenda 2025 zet concreet in op de betaalbaarheid van woningen in Amsterdam, waarbij de komende jaren substantieel wordt ingezet op de bouw van sociale huurwoningen en huurwoningen in het middensegment. Amsterdam wil een inhaalslag maken en vooral bouwen voor huishoudens met een inkomen tot 1,5 maal modaal. Het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen is: 40% sociale huur 40% middelduur en 20% dure huur en koop. Aan de hand van spelregels voor woningbouwprogrammering wordt per plangebied bepaald welk programma gerealiseerd wordt.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

In dit bestemmingsplan zijn geen woningbouwprojecten opgenomen. De planregels zijn echter zo geformuleerd dat er geen planologische belemmeringen zijn om de ambities uit de woonagenda indien mogelijk door te laten werken in de bestaande woningvoorraad.

Woningen hebben in dit bestemmingsplan een algemene woonbestemming gekregen, zonder nadere bepalingen over prijssegmenten of doelgroepen. Evenmin is het aantal woningen vastgelegd. Het bestemmingsplan maakt het splitsen, samenvoegen of toevoegen van woningen binnen de bestaande bouwmassa mogelijk. De overwegingen die hieraan ten grondslag liggen worden toegelicht in hoofdstuk 3.4.8. Door deze wijze van bestemmen kunnen ontwikkelingen in de woningmarkt tot op zekere hoogte worden opgevangen binnen de bestaande woningvoorraad. Ambities uit het woonbeleid kunnen tot op zekere hoogte doorwerken in de bestaande woningvoorraad.

5.5.9 Programma Ouderenhuisvesting 2019-2022     

Het Programmaplan Ouderenhuisvesting 2019- 2022, dat op 14 februari 2019 door de gemeenteraad is vastgesteld, is het vervolg op het Programma Ouderenhuisvesting 2015-2018. Het programmaplan beschrijft op welke wijze het College van B&W en de gemeenteraad zich in de lopende bestuursperiode zullen inspannen om de ouderen in Amsterdam een goede huisvesting te bieden. Kern van het programma is het gerichter kunnen uitvoeren van activiteiten en projecten die de verschillende woonvormen voor ouderen in de stad bevorderen.

De nog bestaande 62 verpleeg- en verzorgingshuizen in de stad zijn belangrijk voor de ouderenhuisvesting en verpleeghuiszorg in Amsterdam. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:

  • een goede ruimtelijke spreiding van zorghuisvestingslocaties;
  • samenhang tussen zorgaanbod en huisvestingsaanbod voor ouderen;
  • monitoring van ontwikkelingen in de vraag naar wonen met zorg;
  • behoud van het huidige zorghuisvesting voor ouderenhuisvesting.

Bij de transformatie van individuele zorghuisvestingslocaties is de volgende prioriteitsvolgorde afgesproken:

  1. bestemmen voor zwaardere zorg;
  2. ombouwen naar zelfstandige ouderenwoningen;
  3. ombouwen ten behoeve van uitstroom van mensen in de maatschappelijke opvang;
  4. ombouwen naar wonen voor jongeren en eventueel studenten;
  5. slopen en in de nieuwbouw volgorde hanteren zoals hiervoor aangegeven.

Prioriteit daarbij is het hanteren van een duidelijk juridisch-planologisch kader voor zelfstandig wonen met zorg (zorgwonen) op de bestemming maatschappelijk.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Het bestemmingsplan staat dit gemeentelijke beleid niet in de weg. De aanwezige woonzorgcentra in het plangebied, zoals het verzorgingshuis/hospice aan het Valeriusplein 6, hebben de bestemming 'Maatschappelijk' gekregen.

5.5.10 Beleidsnotitie short-stay     

Short stay is het verhuren van een woning voor een periode vanaf zeven nachten tot en met zes maanden aan buitenlandse werknemers die voor kortere periode in Nederland verblijven. In de 'Beleidsnotitie short stay 2014' is geconstateerd dat de overlap tussen short stay en toeristische verhuur steeds groter wordt en dat short stay daardoor haar eigen positie tussen particuliere verhuur van appartementen en hotels dreigt te verliezen. Omdat short stay appartementen bovendien ook op ruime schaal aan toeristen worden verhuurd, wordt de leefbaarheid in wijken aangetast. Daarom worden sinds het tweede kwartaal van 2014 geen nieuwe vergunningen meer verleend voor short stay. Dit geldt zowel voor bestaande bouw als nieuwbouw c.q. transformatie.

  • Bestaande bouw: het per 2014 beeindigen van de vergunningverlening voor short stay in bestaande bouw betekent dat de laatste hiervoor afgegeven vergunningen in 2024 aflopen.
  • Nieuwbouw/transformatie: in de beleidsnotitie is opgenomen dat short stay in woningen in nieuwbouw/transformatie niet langer vergunningvrij is, maar dat hiervoor (net als in bestaande bouw) per 2014 een tijdelijke woningonttrekkingsvergunning nodig is. Omdat met het beleid de vergunningverlening voor alle short stay is beeindigd, geldt in de praktijk ook voor short stay in nieuwbouw/transformatie een stadsbrede stop.

In vervolg op het besluit dat geen nieuwe short stay-vergunningen meer worden verstrekt, is in het beleid aangegeven dat in nieuw vast te stellen bestemmingsplannen de mogelijkheid van short stay niet opgenomen wordt indien dat in het voorgaande bestemmingsplan ook niet het geval was.

In het huidige bestemmingsplan Museumkwartier - Valeriusbuurt is short stay weliswaar toegestaan. In de notitie aanvullende uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan is echter bepaald dat in het nieuwe bestemmingsplan geen short-stay zal worden toegestaan. Dit laat onverlet dat verleende vergunningen voor short stay geldig blijven tot het moment dat ze aflopen.

Voor toeristische verhuur van woningen (vakantieverhuur en Bed & Breakfast) gelden aparte beleidsregels. Deze beleidsregels staan los van het bestemmingsplan.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Binnen de woonfuncties in het voorliggende bestemmingsplan wordt op basis van het voorgaande geen nieuwe short stay toegelaten.

5.5.11 Agenda Duurzaamheid     

De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duuzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbetendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015.

In de agenda duurzaamheid wordt ingezet op vijf transitiepaden. Voor elk transitiepad geldt dat 'omdenken' de essentie is: om te komen tot nieuwe manieren van productie, consumptie en distributie om zo te verduurzamen.

  • Duurzame energie: De ambitie is om per inwoner 20 procent meer op te wekken ten opzichte van 2013. Daarbij wordt ingezet op extra windmolens, extra zonnepanelen en een groei van het aantal aansluitingen op duurzame stadswarmte. De ambitie is ook om in 2020 per inwoner 20 procent minder energie te verbruiken dan in 2013. De gemeente ziet kansen deze versnelling te realiseren door de bestaande woningvoorraad te verduurzamen, energiebesparing in woningen, bedrijven en maatschappelijk vastgoed te realiseren en door energieneutraal bouwen te stimuleren.
  • Schone lucht: Om de luchtkwaliteit te verbeteren stimuleert en faciliteert de gemeente slimmer en schoner gemotoriseerd verkeer. De meetlat wordt hoger gelegd en de focus wordt verschoven van 'normen' naar 'gezondheid'. Verder wordt uitstoot van roet teruggedrongen, een schadelijke stof waarvoor nog geen normen gelden. Doel daarbij is om in 2025 uitstootvrij of zo schoon mogelijk te rijden. De ingestelde milieuzones worden gereguleerd en gehandhaafd. Daarnaast wordt sterker ingezet op elektrisch vervoer.
  • Circulaire economie: In de regio Amsterdam is de afgelopen periode via enkele pilots geëxperimenteerd met de overgang naar een circulaire economie. In een circulaire economie wordt slim omgegaan met energie, water, grondstoffen en voedsel. De gewenste omschakeling vraagt om stimuleren van bedrijvigheid, onderzoek en innovatie. De ambitie is om in 2020 65 procent van het huishoudelijk afval te scheiden voor nuttig hergebruik.
  • Klimaatbestendige stad: Klimaatadaptatie is bij uitstek een samenwerkingsopgave. Uitgangspunt is dat wateroverlast geaccepteerd zal moeten worden, maar nu al kan de stad worden aangepast op méér water, en op droge periodes.
  • Gemeente Duurzaam: De gemeente Amsterdam verduurzaamt de eigen bedrijfsvoering. In 2025 is de eigen CO2-uitstoot 45 procent minder dan in 2012. Daarnaast zal de gemeente het percentage gescheiden afval van de gemeentelijke kantoren omhoog brengen van ca. 40% nu tot 75% deze periode.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

De ambities op het gebied van energietransitie, schone lucht, circulaire economie en de verduurzaming van de eigen bedrijfsvoering kunnen niet worden doorvertaald in dit bestemmingsplan. Deze onderwerpen vallen namelijk buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan.

De ambities op het gebied van een klimaatbestendige stad kunnen wel worden doorvertaald in het bestemmingsplan. In hoofdstuk 3.2.4 van deze toelichting wordt toegelicht welke ambities op het gebied van de klimaatbestendige stad relevant zijn voor dit bestemmingsplan en hoe deze ambities zijn doorvertaald in dit bestemmingsplan.

5.5.12 Strategie Klimaatadaptatie Amsterdam en Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie     

Strategie Klimaatadaptatie Amsterdam 

Met de 'Strategie Klimaatadaptatie Amsterdam' (vastgesteld op 4 februari 2020) zet de gemeente Amsterdam samen met de drie waterschappen Amstel, Gooi en Vecht, Hollands Noorderkwartier en Rijnland, een stip op de horizon voor een klimaatbestendige stad. Het doel is om 2050 zo goed mogelijk voorbereid te zijn op het veranderende klimaat. In de strategie worden nog geen nieuwe plannen vastgesteld, maar het vormt wel de eerste stap daartoe.

In de strategie is aangegeven dat de stad, als gevolg van het veranderende klimaat, wat betreft de leefbaarheid voor een aantal uitdagingen wordt gesteld. Extremer weer is één van die uitdagingen. Volgens de KNMI '14-klimaatscenario's moet er in de toekomst rekening worden gehouden met hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en de kans op drogere zomers. De noodzaak om de stad zo goed mogelijk voor te bereiden op klimaatverandering is groot, ook omdat klimaatverandering nu al gaande is.

Er vinden al verschillende projecten plaats die bijdragen aan een klimaatbestendige stad. Zo zijn vanuit Rainproof allerlei projecten in de stad (publiek en privaat) afgerond om beter bestand te zijn tegen extreme regenbuien. Bij beheer- en onderhoudswerkzaamheden in de openbare ruimte neemt de gemeente het regenbestendigheidsprincipe mee: daar waar een verhoogde kans is op wateroverlast en -schade, wordt dit zogenaamde 'regenwaterknelpunt' versneld opgelost. Daarnaast bestaat er een 'noodprotocol Hoosbui', een draaiboek voor de crisis-organisatie van Waternet om bij extreme buien snel te kunnen handelen op meldingen. Ook aan het beperken van overstromingsrisico's wordt gewerkt en de thema's hitte en droogte krijgen meer aandacht. Zo wordt er volop geëxperimenteerd met groen-blauwe daken en projecten in de openbare ruimte. Daarnaast heeft de GGD een hitteplan om gezondheidsrisico's te beperken.

Naar verwachting zal het klimaat alleen maar sneller veranderen en worden de gevolgen alleen maar groter. In lijn met het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is een eerste inschatting gemaakt van de opgaven en risico's voor Amsterdam, voor nu en in de toekomst. Daarbij gaat het om:

  • Hitte: Door klimaatverandering neemt het aantal zomerse en tropische dagen toe. Hitte kan tot verschillende problemen leiden op het gebied van onder andere gezondheid, leefbaarheid, energievraag, arbeidsproductiviteit, biodiversiteit, infrastructuur zoals bruggen, netwerken waaronder elektriciteit, en de kwaliteit van het oppervlaktewater.
  • Droogte: Door neerslagtekort en verdamping ontstaat droogte. Droogte heeft verschillende risico's, zoals schade aan het stedelijk groen en de ecologie, funderingsproblemen, veenoxidatie, afname (zwem)waterkwaliteit, verzilting, bodemdaling en daardoor mogelijk verzakkingen en beschadigingen aan leidingen en netwerkkabels.
  • Wateroverlast: Extreme buien kunnen het openbare leven flink beperken en hinderen, zeker als het water niet plaatselijk wordt vastgehouden, snel kan infiltreren of afvloeien. De risico's zijn onder andere het onderlopen van straten met schade aan verharding en verslechterde bereikbaarheid tot gevolg; het afsterven van bomen en planten in parken; schade aan kelders en gebouwen; uitval van vitale functies zoals de stroomvoorziening; afname van kwaliteit van het oppervlaktewater.
  • Overstromingen: De kans op een overstroming is door reeds getroffen maatregelen klein, maar de gevolgen van een overstroming kunnen groot zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan maatschappelijke ontwrichting door onbereikbaarheid van de stad of delen ervan, ook voor de nood- en hulpdiensten, uitval van vitale functies, schade aan infrastructuur en bebouwing, lange hersteltijden en economische schade.

Klimaatadaptatie is essentieel om te zorgen dat Amsterdam in fysiek, sociaal en economisch opzicht waardevol blijft. Het is een kans om samen met alle Amsterdammers een belangrijke bijdrage aan een veilige, groene, leefbare en aantrekkelijke stad te leveren. Het streven is om klimaatadaptatie tot het 'nieuwe normaal' te maken. Dat wil zeggen: klimaatadaptatie als vanzelfsprekend meenemen in relevante ontwikkelingen en projecten in de stad. Het klimaatbestendiger en veerkrachtiger maken van de stad vereist een nieuwe wijze van inrichten en beheren van de stad. De strategie is de eerste stap daartoe.

Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie 

Met de 'Strategie Klimaatadaptatie Amsterdam' is uitgestippeld hoe de gemeente de stad wil voorbereiden op extremer weer, tot aan 2050. De 'Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie' (vastgesteld april 2021) is een nadere uitwerking van de strategie, met concrete acties, prioritering en fasering voor de komende jaren. De Uitvoeringsagenda is gericht op een breed palet aan partijen. Door samen te werken met bewoners, ondernemers, woningeigenaren, kennisinstellingen en anderen, kan de stad groener, slimmer en duurzamer worden en meer bestand worden gemaakt tegen de weersomstandigheden van de toekomst.

Op verschillende schaalniveaus (Huis en Pand, Straat, Gebied en Wijk, Stad en Regio, Nationaal en Internationaal) laat de Uitvoeringsagenda zien wat de bewoners, bedrijven en andere betrokkenen kunnen doen, welke inspirerende activiteiten al gaande zijn en waar de gemeente en waterschappen zich tot en met 2022 op gaan richten.

Omdat de stad en het klimaat blijven veranderen, zijn ook acties na 2022 nodig. Alleen op die manier kunnen de langtermijnopgaven 2030, 2050 en verder worden waargemaakt. De ambitie is om als stad zowel weerbaar als wendbaar te zijn, om water als sturend principe te introduceren en om water en groen in samenhang te bekijken met een ecologische bril op.

De Uitvoeringsagenda geeft zo concreet mogelijk aan wat er nu al gebeurt en nu al gedaan kan worden. Dat kan variëren van het plaatsen van regentonnen in groene, 'ont-tegelde' tuinen en meer opvang van regen op daken op particulier terrein, tot het herinrichten van pleinen, straten en buurten met aandacht voor koele plekken, waterberging en watervertragende groenstroken in de straat.

Om helder te krijgen wat de consequenties zijn van de transformatie naar een klimaatadaptieve stad in het fysieke, sociale en economische domein, moet de uitvoeringsagenda worden gezien als onderdeel van een proces. In dat proces wordt elk jaar meer kennis vergaard over wat nodig is, wat wel en niet werkt en hoe een en ander in beleid kan worden omgezet en kan worden vertaald naar zichtbare en effectieve maatregelen. De plannen en opgaven zullen daarom regelmatig worden geactualiseerd als het gaat om klimaatstress, welke activiteiten er zijn uitgevoerd en welke effecten de maatregelen hebben. Dit kan betekenen dat de planning of aanpak moet worden aangepast of bijgestuurd.

Consequenties voor dit bestemmingsplan 

In hoofdstuk 3.2.4 van deze toelichting wordt toegelicht welke ambities op het gebied van de klimaatbestendige stad relevant zijn voor dit bestemmingsplan en hoe deze ambities zijn doorvertaald in dit bestemmingsplan.

5.5.13 Hemelwaterverordening Amsterdam     

De ambities ten aanzien van het verwerken van hemelwater zijn vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam (GPRA) 2016-2021. In dat beleid is specifiek stilgestaan bij de extra inspanning die nodig is in een verdichtende stad om schade als gevolg van een extremer wordend klimaat te voorkomen en de stad hemelwaterbestendig in te richten. Het GPRA bevat de ambitie om in 2020 een bui van 60 mm per uur te verwerken zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur. Om dit te bereiken moet er zowel in de openbare ruimte als op particulier terrein voldoende mogelijkheden zijn om hemelwater op te vangen en te bergen.

In beginsel zijn particulieren zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater op hun eigen perceel. Om te bevorderen dat er bij nieuw- en verbouwinitiatieven voldoende waterberging gerealiseerd wordt, is in de Hemelwaterverordening Amsterdam'', die op 26 april 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld, vastgelegd dat bij nieuw- en verbouwinitiatieven de verplichting bestaat om het regenwater op eigen perceel op te vangen en te verwerken. Bepaald is dat een hemelwaterberging een capaciteit heeft van tenminste 60 liter per m2 bebouwd oppervlak.

Consequenties voor dit bestemmingsplan 

De verplichting voor het op eigen perceel opvangen en verwerken van regenwater en de minimum capaciteit van een hemelwaterberging uit Hemelwaterverordening Amsterdam zijn doorvertaald in dit bestemmingsplan.

5.5.14 Grondwaterneutrale kelders     

5.5.14.1 Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders en beleidsregel     

Op 20 januari 2021 is het 'Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam en beleidsregel grondwaterneutrale kelders' vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam vastgesteld. Doel van het afwegingskader en beleidsregel is het voorkomen van negatieve effecten van (cumulatieve) aanleg van kelders op de stand en de stroom van het grondwater in Amsterdam. Waar de aanleg van een enkele kelder in de regel geen of nauwelijks effect heeft op het grondwater kan een cumulatie van kelders wel effect hebben. Door de situatie op de Amsterdamse woningmarkt is een (verdere) toename van de aanleg van kelders te verwachten.

Amsterdam moet voor iedereen een veilige, gezonde woonplek zijn. Tegelijkertijd moet de stad zich aanpassen aan het veranderende klimaat (het regent bijvoorbeeld vaker en heftiger), zodat de schadelijke gevolgen, zoals wateroverlast, worden beperkt. De gemeente Amsterdam beschermt de stad daarom zoveel als mogelijk tegen grondwaterproblemen door maatregelen te treffen in de openbare ruimte. Grondwater houdt zich echter niet aan perceelgrenzen. Activiteiten op zowel openbaar als privéterrein kunnen invloed hebben op het grondwater.

Het bouwen van kelders (bijvoorbeeld onder woningen) leidt op een aantal plekken in de stad tot problemen met de stand van het grondwater, vooral als sprake is van meerdere kelders naast elkaar. Als naast elkaar gelegen kelders een ondergrondse muur vormen, kan het grondwater niet (goed) doorstromen en ontstaat barrièrewerking. Het grondwater komt dan te hoog of juist te laag te staan met kans op schade tot gevolg. Andere plekken in de stad hebben geen of minder last van deze problemen.

Waar het kan, wil de gemeente de aanleg van kelders blijven toestaan, omdat een kelder in diverse situaties een oplossing kan zijn. Daarbij kan worden gedacht aan woonruimte-uitbreiding als het moeilijk is om ergens anders een betaalbare grotere woning te vinden, aan het financieren van funderingsherstel door dit te combineren met de aanleg van een kelder, aan opslagruimte voor een ondernemer of aan (fiets)parkeerruimte zodat schaarse openbare ruimte en tuinen hiervoor niet opgeofferd hoeven te worden.

Om te zorgen dat een kelder geen nadelige gevolgen heeft voor de stand van het grondwater en dat de kans op schade aan aangrenzende terreinen of panden of de openbare ruimte minimaal is, zijn met het afwijkingskader regels opgesteld voor de aanleg van kelders. Alleen de aanleg van 'grondwaterneutrale' kelders is toegestaan. De aanleg van kelders die 'niet-grondwaterneutraal' zijn, is op rond van de regels niet langer toegestaan. Een aanvraag voor de aanleg van een kelder wordt alleen goedgekeurd als het gaat om een grondwaterneutrale kelder. Dat wil zeggen dat het grondwater ook na de komst van de kelder goed kan blijven doorstromen, de stand van het grondwater niet of nauwelijks verandert (en waar mogelijk zelfs verbetert) en als er ook verder geen negatieve gevolgen zijn voor het grondwater.

Om te bepalen of een kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd, is in het afwegingskader op basis van de omvang en de diepte van de te bouwen kelder het volgende onderscheid gemaakt:

  • Kelders met één verdieping, een oppervlakte van maximaal 300 m2 en een diepte van maximaal 4 meter onder het grondoppervlak (maaiveld, gerekend aan de straatkant) kunnen grondwaterneutraal worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de technische maatregelen die zijn opgenomen in de beleidsregels. Deze (bouw)technische maatregelen moeten er voor zorgen dat zowel gedurende de aanleg en bouw van de kelder (op korte termijn) als gedurende de levensduur daarvan (op lange termijn) de grondwaterneutraliteit gegarandeerd blijft. In de praktijk gaat het bij kelders binnen de gestelde maximum maten om kelderbouw die de afgelopen jaren met name gewenst is gebleken onder particuliere woningen.
  • Kelders die wat betreft omvang en/of diepte groter zijn dan bovenstaande kelders, kunnen alleen mogelijk worden gemaakt indien op basis van een geohydrologisch onderzoek is aangetoond dat het bouwplan niet strijdig is met het belang van grondwaterneutraal bouwen. Hiervoor zal vrijwel altijd maatwerk noodzakelijk zijn.

In het afwegingskader is onderzocht in welke gebieden welke maatregelen vereist zijn om grondwaterneutraliteit te waarborgen. In alle buurten van Amsterdam zijn de belangrijkste eigenschappen van de bodem die een rol spelen bij kelderbouw in kaart gebracht (zoals samenstelling van de bodem, de grondwaterstand, hoe het grondwater stroomt en hoe er gebouwd is). De situatie in de verschillende buurten blijkt nogal te verschillen. Het effect van een kelder op de grondwatersituatie is daarom ook verschillend. Het risico op te hoge grondwaterstand, te lage grondwaterstand en onherstelbare schade is in sommige buurten veel groter dan in andere. Per buurt is daarom gekeken of het mogelijk is om grondwaterneutrale kelders aan te leggen en zo ja welke maatregelen daarvoor nodig zijn. Daarbij is ook gebleken dat er in de stad een aantal 'rode gebieden' ligt, dat wil zeggen gebieden waar kelders (ongeacht de omvang) in het geheel niet kunnen worden toegestaan.

Consequenties voor dit bestemmingsplan 

Het bestemmingsplangebied Museumkwartier-Valeriusbuurt maakt onderdeel uit van de in het afwegingskader gekarakteriseerde 'Eind 19e eeuwse schil' (roze op onderstaande kaart).

verplicht
Afbeelding: Ligging van het plangebied binnen de in het afwegingskader gekarakteriseerde schillen/gebieden

Eind 19e eeuwse schil 

De 'Eind 19e eeuwse schil' is in het afwegingskader als volgt gekarakteriseerd.

Het gebied ligt als een schil rondom het Centrum en de bouwperiode loopt van circa 1870 tot circa 1920. De gebieden zijn veelal integraal bouwrijp gemaakt en opgehoogd. Het betreft vaak gesloten bouwblokken waarvan de woningen op houten palen zijn gefundeerd. Deze hele schil ligt in het watersysteem Boezem Amsterdam of Amstellandse Boezem met een waterpeil van NAP -0,40 m, met enkele stadsparken waarin een lager waterpeil wordt gehanteerd.

Binnen deze schil spelen alleen in het westelijke deel van het buiten het onderhavige bestemmingsplangebied gelegen het Vondelpark zogenoemde 'opbarstrisico's'. Opbarstrisico is het risico dat de bodem 'opbarst' doordat er een te hoge waterdruk vanuit de onderste bodemlagen aanwezig is met permanente welvorming als gevolg. Vanwege dat opbarstrisico zijn in dat deel van het Vondelpark geen kelders toegestaan. Als grondwateraandachtsgebieden zijn aangemerkt: de zones rond de parken waar een sterk verhang van het grondwater heerst, de zones rond polderriolen en een aantal oude dijken. Binnen de Eind 19e eeuwse schil is veel overlast en onderlast van grondwater. Kelderbouw kan zowel leiden tot vergroting van de overlast als de onderlast. Bij kelderbouw in deze schil zijn daarom maatregelen nodig om kelders grondwaterneutraal te realiseren.

Maatregelen 

In het afwegingskader is vervolgens per buurt onderzocht welke maatregelen nodig zijn om grondwaterneutrale kelders te kunnen bouwen. Dat is gedaan op basis van de belangrijkste eigenschappen wat betreft de bodemopbouw, de bouwwijze et cetera, en welke problemen er zijn op het gebied van grondwater. Voor dit laatste is het zogenoemde 'doorlaatvermogen (kD)' van de bodem gehanteerd. Het doorlaatvermogen is een maat voor het vermogen van een watervoerend pakket om grondwater door te laten. Een of meerdere kelders naast elkaar kunnen leiden tot barrièrewerking en daarmee tot negatieve beïnvloeding van het doorlaatvermogen. Onderzocht is of het doorlaatvermogen dat verloren zou gaan bij de aanleg van een kelder, dient te worden teruggebracht naast of onder de kelder. Daardoor kan het grondwater blijven stromen en kunnen negatieve grondwatereffecten worden voorkomen.

De binnen dit bestemmingsplangebied per buurt te nemen maatregelen zijn weergegeven in onderstaande tabel en op onderstaande kaart. Op de kaart is met kleur aangegeven waar welke maatregelen gelden.

verplicht
Afbeelding: Maatregelen per buurt in het plangebied (tabel)  

verplicht
Afbeelding: Maatregelen per buurt in het plangebied inclusief de nummering van de buurten (kaart)

Uit de tabel en de kaart blijkt dat bij kelderbouw in alle buurten in het plangebied op het eigen perceel maatregelen moeten worden genomen om de kelders grondwaterneutraal te maken. Afhankelijk van de specifieke buurt zijn in het plangebied de volgende maatregelenpakketten van toepassing.

  • Maatregelenpakket 2: De maatregelen in dit pakket worden toegepast in buurten of gebieden waar de grondwaterstroming en -problematiek complex is. Er is vaak slechts een kleine bandbreedte tussen de laagste en hoogste grondwaterstanden waarbij onderlast en overlast ontstaat. Om verdere problemen met onderlast of overlast te voorkomen dient men het doorlaatvermogen terug te brengen dat voor de bouw van de kelder aanwezig was. De grondwatersituatie blijft dan gelijk. Maatregelenpakket 2 (geel op bovenstaande kaart) is van toepassing in de buurten:
  • 1. P.C. Hooftbuurt
  • 2. Museumplein
  • 7. Concertgebouwbuurt
  • 9. Cornelis Schuytbuurt
  • 10. Valeriusbuurt-Oost (ten noorden van de De Lairessestraat)
  • 12. Valeriusbuurt-West (ten noorden van de Cornelis Krusemanstraat)

  • Maatregelenpakket 3: De maatregelen in dit pakket zijn benodigd in verband met het voorkomen van overlast of onderlast, en passen daarmee bij het klimaatbestendig maken van de stad. De maatregelen zijn er op gericht per buurt/woonblok een vast doorlaatvermogen terug te brengen, door bijvoorbeeld een zand- of grondlaag of buis met een bepaalde doorlaatbaarheid aan te brengen. De waarde van het doorlaatvermogen varieert per buurt en past bij de geohydrologische omstandigheden van die buurt, mede met het oog op de te verwerken toekomstige neerslaghoeveelheden.

  1. Maatregelenpakket 3 met een doorlaatvermogen van "15" (donkerblauw op bovenstaande kaart) is van toepassing in de buurten:
  • 3. Johannes Vermeerbuurt
  • 4. Duivelseiland
  • 5. Harmoniehofbuurt
  • 6. Hondecoeterbuurt
  • 8. Banpleinbuurt

  1. Maatregelenpakket 3 met een doorlaatvermogen van "10" (lichtblauw op bovenstaande kaart) is van toepassing in de buurten:
  • 11 Valeriusbuurt-Oost ten zuiden van de De Lairessestraat
  • 13. Valeriusbuurt-West ten zuiden van de Cornelis Krusemanstraat

5.5.14.2 Paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders     

De maatregelen uit het afwegingskader om bij kelderbouw de grondwaterneutraliteit te waarborgen zijn doorvertaald in het '(Paraplu-)bestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders'. Op grond van dat bestemmingsplan kunnen in de gehele stad uitsluitend nog grondwaterneutrale kelders worden gebouwd.

In het paraplubestemmingsplan is (vrijwel) de gehele stad onderverdeeld in twee zones. Binnen beide zones is het verboden onder bestaande en nieuwe gebouwen kelders te bouwen, dan wel bestaande kelders te vergroten.

Binnen 'zone 1' wordt het bouwen van kelders onder geen enkele voorwaarde mogelijk gemaakt. Dat geldt bijvoorbeeld voor het buiten het onderhavige plangebied gelegen westelijke deel van het Vondelpark.

verplicht
Afbeelding: Uitsnede verbeelding (Paraplu-)bestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders met de twee onderscheiden zones en het plangebied (blauw)

Binnen 'zone 2' (het grootste deel van de stad, en de zone waar ook het onderhavige plangebied toe behoort) kan worden afgeweken van het verbod op kelderbouw, op voorwaarde dat de kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Daarbij geldt het volgende.

  1. Kelders met een totale brutovloeroppervlakte van maximaal 300 m2 en een maximale bouwdiepte van 4 meter worden getoetst aan de beleidsregels in het 'Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam'. Daaruit volgt een pakket aan te nemen (technische) maatregelen die zijn toegespitst op specifieke gebieden.
  2. Voor kelders met een totale brutovloeroppervlakte van meer dan 300 m2 of een bouwdiepte van meer dan 4 meter geldt dat per geval op basis van een geohydrologisch onderzoek moet worden aangetoond dat het bouwplan niet strijdig is met het belang van grondwaterneutraal bouwen.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders is vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam op 7 oktober 2021, dat wil zeggen vóórdat het onderhavige bestemmingsplan is vastgesteld. Het onderhavige bestemmingsplan overschrijft dus het paraplubestemmingsplan Grondwaterneurale Kelders, en daarmee is het het geldend planologisch kader geworden.

Daarom is in dit bestemmingsplan de planregeling van het paraplubestemmingsplan overgenomen voor zover die van toepassing is voor dit plangebied. Dat is gedaan door over het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'overige zone - 2' te leggen (zoals aangegeven zijn de regels die gelden voor de gebiedsaanduiding 'overige zone - 1' hier niet van toepassing). De benaming van de gebiedsaanduiding 'overige zone - 2' komt overeen met de benaming van deze zone in het Parapluplan Grondwaterneutrale Kelders. Er is voor gekozen om de zone in dit bestemmingsplan dezelfde naam geven als in het paraplubestemmingsplan, om te voorkomen dat er als gevolg van een afwijkende naamgeving verwarring kan ontstaan.

Inhoudelijk is de planologische regeling uit het parapluplan Grondwaterneutrale Kelders in zijn geheel (maar voor zover hier van toepassing) overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Dit houdt in praktijk het volgende in.

  • De regels voor grondwaterneutraal bouwen zijn opgenomen in artikel 42. 'Algemene aanduidingsregels'.
  • Hierin is allereerst bepaald dat de 'gebiedsaanduiding - 2' (die dus geldt voor dit gehele bestemmingsplangebied) dient ter bescherming van het belang van grondwaterneutraal bouwen.
  • Vervolgens is bepaald dat het bouwen van nieuwe kelders en souterrains onder zowel bestaande als nieuwe gebouwen, alsmede het vergroten van bestaande kelders en souterrains, niet is toegestaan. Uitsluitend bestaande, legale kelders toegestaan. Dat laatste geldt ook voor kelders waarvoor voorafgaand aan het moment waarop dit plan in ontwerp ter inzage is gelegd een omgevingsvergunning is verleend waar nog uitvoering aan gegeven kan worden, dan wel kelders waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend die niet geweigerd kan worden.
  • Tot slot wordt de mogelijkheid geboden om hiervan af te wijken. Dat kan alleen mits de kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Om te bepalen of een kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd gelden de hierboven aangegeven criteria:
    1. Kelders met een totale brutovloeroppervlakte van maximaal 300 m2 en een maximale bouwdiepte van 4 meter worden getoetst aan de beleidsregels in het 'Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam'. Daaruit volgt een pakket aan te nemen (technische) maatregelen die zijn toegespitst op specifieke gebieden;
    2. Voor kelders met een totale brutovloeroppervlakte van meer dan 300 m2 of een bouwdiepte van meer dan 4 meter geldt dat per geval op basis van een geohydrologisch onderzoek moet worden aangetoond dat het bouwplan niet strijdig is met het belang van grondwaterneutraal bouwen.

Indien de beleidsregels in de toekomst worden gewijzigd of herzien, moet bij de toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning rekening worden gehouden met die wijziging of herziening. Daarmee vindt de toetsing altijd plaats aan de beleidsregels die op het moment van een aanvraag omgevingsvergunning actueel zijn.

Daarmee is dit bestemmingsplan 2021 in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

5.5.15 Groenvisie 2020-2050     

Op 21 december 2020 heeft de gemeenteraad de 'Groenvisie 2020-2050, Een leefbare stad voor mens en dier' vastgesteld. De Groenvisie schetst een beeld van Amsterdam als groene stad en hoe dit zich tot 2050 verder kan ontwikkelen.

Groen in de stad levert een essentiële bijdrage aan de gezondheid en het sociale welzijn van de bewoners. In de visie van Amsterdam wordt daarom gestreefd naar verbinding en verbetering van het groen in de stad, met als doel een sterke groene structuur. De groenstructuur moet bestaan uit een gevarieerd palet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. In de publieke en in de private buitenruimte moet geleidelijk een samenhangend groen netwerk ontstaan waarin en waarlangs men kan bewegen en elkaar kan ontmoeten. Die groene structuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan, en groen zo aan te leggen dat het meer waarde heeft voor mens en dier. Groen draagt ook bij aan de opgave om hitte te dempen en om het toenemende regenwater als gevolg van de verandering van het klimaat op te vangen. En groen draagt bij aan een grotere biodiversiteit. De Groenvisie streeft daarmee naar het beter maken van de stad: een prettiger plek om te leven, gezonder, socialer, ecologisch sterker en duurzamer.

De hoofdlijnen van de Groenvisie zijn verbeeld op een schetskaart met de ambities voor 2050. De schetskaart vormt een bouwsteen voor de Omgevingsvisie en de herziening van de Hoofdgroenstructuur, en vormt het bovenwijkse kader voor uitwerkingen op gebiedsniveau.

verplicht
Afbeelding: Het toekomstperspectief op de groene structuur van Amsterdam voor het bovenwijks groen.  

De uitwerking op gebiedsniveau is maatwerk en is afhankelijk van wat gewenst en mogelijk is op een specifieke plek in de stad. De Groenvisie wordt daarom vertaald naar de praktijk van stadsdelen, gebieden en buurten. Per stadsdeel wordt een kaart gemaakt met daarop de kansen voor groen. Projecten die veel kunnen bijdragen aan de ambities van de Groenvisie worden eerder uitgevoerd. De uitwerking per gebied gebeurt in het kader van het Uitvoeringsprogramma Groen. Hiermee is in 2020 een start gemaakt.

Bij de gebiedsuitwerkingen worden de volgende vier principes gehanteerd:

  1. Zorgen voor genoeg gevarieerd groen voor iedereen: Parken en landschappen zijn goed bereikbaar via groene routes.
  2. Zorgen voor groen dat bijdraagt aan verschillende opgaven: Een goed ingericht en beheerd park kan een prettige plek zijn voor veel bezoekers en tegelijk waardevol zijn voor de natuur.
  3. De stad wordt natuurinclusief aangelegd en beheerd: Amsterdam als natuurgebied zorgt voor een toename van wilde planten en dieren in de stad.
  4. Aan groen wordt samengewerkt: Bewoners, bedrijven en organisaties worden aangemoedigd om (binnen)tuinen, gevels en daken groener te maken en ecologisch te beheren. Dit levert tevens een bijdrage aan het klimaatbestendig maken van de stad.

Daarnaast wordt de huidige Hoofdgroenstructuur (HGS), zoals die is opgenomen in de Structuurvisie 2040, geactualiseerd. Met de nieuwe HGS wordt gestreefd naar een aaneengesloten netwerk. Waar mogelijk worden de Ecologische structuur, de Hoofdbomenstructuur, het Groennet en de Groene straten- en padenkaart in de nieuwe HGS geïntegreerd.

Consequenties voor dit bestemmingsplan 

Het Museumplein is in de Structuurvisie 2040 niet getypeerd als 'stadspark', maar als 'overig recreatief groen'. Daarmee is het plein op dit moment geen onderdeel van de Hoofdgroenstructuur. Ditzelfde geldt voor de groene oevers langs het Noorder Amstelkanaal.

Indien dit tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan wijzigt, zal dat worden doorvertaald in dit bestemmingsplan. Dit laatste geldt, mits tijdig bekend en voor zover nodig, ook voor projecten die voortkomen uit de gebiedsuitwerking.

De andere ambities uit de Groenvisie zijn als volgt doorvertaald in dit bestemmingsplan:

  1. De ambitie om extra groen in de stad toe te voegen en de stad klimaatbestendig te maken is doorvertaald door de aanleg van groene daken op nieuwe bijbehorende bouwwerken verplicht te stellen en voorwaarden te stellen aan het verharden van de binnentuinen.
  2. Alle bestaande parken, plantsoenen en andere groenvoorzieningen in de openbare ruimte hebben de bestemming Groen gekregen. Groenvoorzieningen zijn tevens toegestaan binnen de bestemming Verkeer. Het bestemmingsplan maakt het hierdoor mogelijk om extra groen toe te voegen in de openbare ruimte.
  3. De aanleg van nieuwe fiets- en voetpaden is toegestaan binnen de bestemmingen Groen en Verkeer. Het bestemmingsplan maakt het hierdoor mogelijk om nieuwe fiets- en voetpaden naar groengebieden aan te leggen.

Het Leidsebosje ligt voor een klein deel (maximaal 200 m²) in het plangebied van dit bestemmingsplan. Het Leidsebosje wordt getypeerd als 'stadspark' en maakt onderdeel uit van de Hoofdgroenstructuur. Om dit waardevolle gebied te behouden en te beschermen is de dubbelbestemming Waarde - Hoofdgroenstructuur opgenomen in artikel 36.

5.5.16 Overnachtingsbeleid Amsterdam     

Op 14 juli 2016 is de "herziening van het Amsterdamse deel van de Regionale hotelstrategie 2016 2022: van hotelbeleid naar overnachtingsbeleid" vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. Het accent wordt in het nieuwe beleid verschoven van een hotelbeleid naar een integraal (regionaal) overnachtingsbeleid dat zich richt op kwaliteit, spreiding en een gelijkwaardig ondernemersveld. Met vernieuwende en concrete instrumenten wordt bijgedragen aan het behoud van de balans tussen wonen, werken en recreëren in de stad.

Het nieuwe Overnachtingsbeleid is uitgewerkt in 2 delen:

  • Deel I: "nee-tenzij-kaart", exceptionele kwaliteitstoevoeging, en voorwaarden;
  • Deel II: ruimtelijk planologisch kader voor hotelontwikkeling en overgangsregeling.

Een aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van een verplicht in te vullen 'Stappenplan', dat bij Deel I is gevoegd.

verplicht
Afbeedling: Uitsnede gebiedskaart Overnachtingsbeleid en het plangebied.  

Medewerking aan nieuwe hotelinitiatieven wordt in de gemeente Amsterdam in de basis niet gegeven. Alleen als hotelinitiatieven ècht iets toevoegen aan de omgeving en de markt, en het initiatief ligt in het zogenoemde 'nee-tenzij-gebied', kan hotelontwikkeling bij hoge uitzondering mogelijk worden gemaakt. In het 'nee-gebied' is hotelontwikkeling niet toegestaan.

Hotelbeleid verder aangescherpt

Het college heeft in oktober 2021 het overnachtingsbeleid verder aangescherpt. Het deel van de stad waarin de gemeente niet meewerkt aan nieuwe hotelinitiatieven is uitgebreid. Hotelontwikkeling mag alleen nog in een nee, tenzij-gebied. Het plangebied is volgens de gebiedskaart 'overnachtingsgebied' gelegen binnen een gebied waar geen hotelontwikkeling is toegestaan.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Het onderhavige bestemmingsplan is onderdeel van het 'nee'-gebied op de gebiedskaart bij het Overnachtingsbeleid. Het bestemmingsplan voorziet daarom uitsluitend in het bestemmen van bestaande hotels en maakt geen nieuwe hotelontwikkeling mogelijk.

5.5.17 Evenementenbeleid     

Met ingang van 1 maart 2018 geldt het 'Geluidbeleid voor evenementen in Amsterdam'. De insteek van het nieuwe evenementenbeleid is dat evenementen bij de stad horen en gewenst zijn, maar dat tegelijkertijd bewoners van de stad daar geen onacceptabele en onnodige hinder van mogen ondervinden. Het geluidbeleid kent een aantal nieuwe elementen ten opzichte van het oude beleid èn ten opzichte van beleid in andere gemeenten. Het totaal samenspel van de eisen en voorschriften moet de geluidoverlast van evenementen terugdringen en beheersen.

Locatieprofiel Museumplein

Onderdeel van het evenementenbeleid zijn locatieprofielen voor in totaal 67 locaties waar evenementen kunnen worden gehouden. In elk locatieprofiel is onder meer terug te vinden wat per locatie de regels zijn voor muziek en geluid, hoeveel dagen per jaar hier een evenement georganiseerd mag worden en zijn de plek en de gebouwen beschreven die dichtbij het terrein staan.

verplicht
Afbeelding: Het evenemententerrein Museumplein 

Het locatieprofiel voor het Museumplein bevat de voorwaarden waaronder op het Museumplein evenementen mogen plaatsvinden. In het profiel voor het Museumplein is het plein als volgt beschreven.

  • Het Museumplein is een grote open ruimte in het 'museum en fashion district' met diverse culturele instellingen direct gelegen aan het plein en veel modezaken in nabijgelegen straten. Het Museumplein en omgeving behoren tot het toeristisch kerngebied van Amsterdam.
  • Het plein bestaat deels uit een grasveld met enkele bomen, doorsneden door wandelpaden en een leemveld aan de noordzijde. Het leemveld bevat een vijver, sport- en spelvoorzieningen en enkele kleine gebouwen. Tijdens de wintermaanden doet de vijver dienst als ijsbaan. Het grasveld op het plein is circa 30.000 m² en het leemveld circa 10.000 m² groot.
  • De hoofdfunctie van het plein is een plein om te verpozen. Een open en toegankelijk plein waar mensen een rondje lopen of even zitten. Het Museumplein wordt regulier gebruikt door buurtbewoners, maar ook door toeristen die in grote getalen de buurt bezoeken. Ingangen van diverse musea zijn aan het plein gesitueerd. Ook zijn er sportvoorzieningen aanwezig zoals een halfpipe, dus ook sporters weten het veld te vinden.
  • Het Museumplein biedt ruimte voor culturele evenementen in de breedste zin van het woord. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het karakter van de culturele instellingen gelegen aan het plein en bij de verscheidenheid aan voorkeuren binnen de bevolkingsgroepen in Amsterdam. Culturele evenementen dienen van wereldklasse te zijn en hebben een hoogwaardige uitstraling. Aan de andere kant blijft het Museumplein ook een plek waar bijzondere evenementen met een typisch Amsterdams karakter of culturele evenementen van stedelijk of (inter)nationaal belang kunnen plaatsvinden, waaronder ook sport- of aan sport gerelateerde evenementen zoals huldigingen of public viewings. Daarnaast wordt er jaarlijks een kerstboomverbranding georganiseerd.
  • Het stadsdeel werkt met de vijf culturele instellingen aan het plein samen om hen een grotere rol te geven in de evenementenprogrammering. Momenteel leveren de instellingen geen vast onderdeel van de programmering, maar denken wel mee. Dit betekent ook dat er in principe voorrang wordt gegeven aan evenementen door de instellingen rondom het plein. Het stadsdeel wil de instellingen ook betrekken tot het innemen van een vaste rol bij de programmacommissie die de aanvragen toetst.
  • Product-promotie of andere activiteiten waarbij het hoofddoel reclame/marketing is, zijn niet toegestaan.
  • Het maximaal aantal deelnemers aan een evenement wordt gemaximaliseerd op 100.000, gelijktijdig aanwezig.

Voor de evenementen op het Museumplein gelden de volgende voorwaarden.

  1. Groot (>2.000 bezoekers): Maximaal zes grote evenementen per jaar. De grote evenementen mogen meerdaags zijn. Daarbij geldt een maximum van twaalf evenementendagen per jaar. Daarvan mogen maximaal vijf evenementendagen een geluidsbelasting een hoge geluidbelasting hebben hebben van 75-85 dB(C). Ten aanzien van dat laatste is gespecificeerd dat er maximaal twee evenementen van twee dagen mogen worden georganiseerd met hoge geluidbelasting. Alleen de Uitmarkt mag drie in plaats van twee dagen hoge geluidbelasting gebruiken.
  2. Middel (> 500 - < 2.000 bezoekers): Maximaal vier evenementen per jaar. De middelgrote evenementen mogen meerdaags zijn, waarbij een maximum geldt van acht evenementendagen per jaar. Middelgrote evenementen met een hoge geluidbelasting zijn niet toegestaan.
  3. Klein (< 500 bezoekers): Voor kleine evenementen geldt geen maximum, maar het mogen organiseren van een klein evenement is wel afhankelijk van de ingediende aanvraag.
  4. In het algemeen geldt dat evenementen op het gras maximaal drie dagen mogen duren.
  5. Het aantal evenementen met een minimale geluidsbelasting (niet uitkomend boven reguliere achtergrondgeluiden) wordt niet gelimiteerd en mogen maximaal 7 dagen duren.

Daarnaast gelden voor evenementen de volgende algemene specificaties.

  1. De maximum duur van op-afbouwen is conform de stedelijke richtlijn.
  2. Het gehele Museumplein zoals aangegeven op het kaartje bij het locatieprofiel is in principe beschikbaar voor evenementen indien dit noodzakelijk is. Het uitgangspunt is dat er niet meer ruimte wordt gebruikt dan nodig en dat er maar één evenement gelijktijdig plaatsvindt zodat zo vaak mogelijk een deel van het plein beschikbaar is voor regulierpleingebruik.

Naast de voorwaarden voor evenementen, is in het locatieprofiel aangegeven welke maatregelen worden toegepast ter bescherming van flora en fauna en is aangegeven wat de rustperiode is tussen evenementen (in verband met het herstel van de grasmat en mogelijk ontstane schade aan het leemveld). Ook is aangegeven hoe het Museumplein kan worden gebruikt voor manifestaties en demonstraties (waar in principe geen vergunning voor nodig is maar die wel voor overlast kunnen zorgen) en voor stadsdeeloverschrijdende of risicovolle evenementen die soms op korte termijn op komen zetten.

Met het opstellen van de beleidsregels is duidelijk waarom voor het ene evenement wel en voor het andere evenement geen vergunning wordt verleend. De bevoegdheid voor het opstellen van beleidsregels voor evenementen én verlenen van evenementenvergunningen ligt bij de burgemeester. Aanvragen voor een evenementenvergunning worden getoetst aan het stedelijk evenementenbeleid. Evenementen moeten tevens voldoen aan het bestemmingsplan.

Meer informatie over het organiseren van een evenement of het aanvragen van een evenementenvergunning is te vinden op de website https://www.amsterdam.nl/ondernemen/vergunningen/evenement-organiseren/locatieprofielen-evenementen/

Consequenties voor dit bestemmingsplan

In het bestemmingsplan is het Museumplein opgenomen als evenemententerrein. De ruimtelijke voorwaarden uit het locatieprofiel van het Museumplein zoals verwoord in het evenementenbeleid zijn doorvertaald in de regels.

5.5.18 Detailhandelsbeleid     

De gemeenteraad heeft op 20 december 2017 het 'Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022: sterke winkelgebieden in een groeiende stad' vastgesteld. Amsterdam wil een aantrekkelijke stad zijn voor zowel bewoners als bezoekers, als winkeliers en voorzien in een economisch gezonde winkelmarkt. Voor de detailhandel heeft Amsterdam twee hoofdbeleidsdoelstellingen.

  1. Boodschappen dichtbij voor bewoners: Met dit beleid wil Amsterdam in de eerste plaats dat bewoners op redelijke afstand van de woning (maximaal 750 meter loopafstand) dagelijkse boodschappen kunnen doen.
  2. Meerdere aantrekkelijke winkelgebieden, ook buiten de binnenstad: Amsterdam wil meerdere aantrekkelijke winkelgebieden, ook buiten de binnenstad, waar je kunt winkelen voor producten die je niet elke dag koopt.

Om deze doelstellingen te bewerkstelligen, bevat het detailhandelsbeleid de volgende algemene beleidsregels.

  1. Meer diversiteit in het winkelaanbod: voor een gevarieerder winkelaanbod is samenwerking noodzakelijk tussen vastgoedeigenaren, ondernemers en andere betrokkenen. Amsterdam reikt een pakket aan mogelijke maatregelen aan en onderzoekt extra juridisch-planologische instrumenten voor balans in het winkelaanbod. Welke acties nodig zijn in een specifiek winkelgebied, is maatwerk.
  2. Geen losstaande winkels, maar een clustering van het winkelaanbod in winkelgebieden: ondernemers profiteren van elkaars bezoekersstromen. Winkels bij elkaar betekent gemak voor de consument.
  3. Selectieve groei van het aantal winkel(meter)s ter voorkoming van winkelleegstand: in gebieden met groeiend draagvlak door woningbouw: Amsterdam is bedachtzaam in het toestaan van extra winkels om te voorkomen dat er in de toekomst winkelleegstand ontstaat. Afhankelijk van het aantal nieuwe bewoners, is er ruimte voor winkels.
  4. Versterken van winkelgebieden met potentie, zogenaamde 'toekomstbestendige' of kansrijke winkelgebieden. In deze winkelgebieden zijn er - onder voorwaarden - mogelijkheden voor uitbreiding van winkeloppervlakte, zodat in Amsterdam de winkelleegstand laag blijft.
  5. Behoud, vernieuwing of uitbreiding van supermarkten als belangrijke trekkers is mogelijk in kansrijke winkelgebieden. Van belang is dat deze ruimtelijk inpasbaar zijn en dus geen onnodige overlast of druk veroorzaken op het woon- en leefklimaat in de buurt. In gebieden die meer dan 750 meter afliggen van een supermarkt, wordt mogelijk ruimte geboden aan een gemakssupermarkt van maximaal 300 m2 winkelvloeroppervlak.
  6. Winkels in dagelijkse artikelen worden in stadsstraten geclusterd rondom de supermarkt(en): in de straten die een belangrijke verbindende functie hebben tussen delen van de stad, de stadsstraten, worden winkels geclusterd zodat er een duidelijk boodschappencentrum is en winkels niet overal verspreid zitten. Buiten het winkelcluster in de stadsstraat, is er een mix aan functies zoals dienstverlenende bedrijven, horeca, kantoren naast winkels toegestaan.
  7. Ruimte voor horeca en mengformules in winkelgebieden in afwachting van de evaluatie van de pilot mengformules: de aanwezigheid van horeca en mengformules zijn steeds belangrijker vanwege de beleving en de groeiende markt. Amsterdam experimenteert al met freezones en mengformules. Na afloop van deze experiment, bepaalt Amsterdam of beleidswijzigingen nodig zijn.
  8. Amsterdam ziet ruimte voor één voldoende onderscheidend hoofdwinkelcentrum per stadsdeel waar een breder aanbod is dan in wijkwinkelcentra. Je kunt er ook terecht voor de film, cultuur, horeca of een zorg- of maatschappelijke voorziening.
  9. Het omzetten van winkelpanden naar ruimere en andere functies is mogelijk in aanloopstraten in minder kansrijke winkelgebieden. Bij langdurige leegstand kunnen winkelpanden omgezet worden naar een andere publiekgerichte functie. Hiermee krijgen de winkelpanden meer betekenis voor de buurt en wordt verdere leegstand van winkels en verloedering voorkomen.
  10. Maatwerk voor kleinschalige winkels in een winkelkwartier: op termijn is er de mogelijkheid voor kleinschalig winkelaanbod in winkelkwartieren buiten een winkelgebied. Hiermee kan een woonbuurt aantrekkelijker worden voor bewoners, bezoekers en ondernemers.
  11. Op termijn gaat Amsterdam voor minder perifere detailhandelsvestigingslocaties (afgekort als 'PDV') met doe-het-zelf- en woninginrichtingwinkels. Binnen nu en vijf jaar werkt Amsterdam een plan uit met mogelijkheden voor minder perifere detailhandelslocaties. Dit onderzoek wordt gedaan in afstemming met de regiogemeenten, omdat keuzes van Amsterdam over dit soort locaties ook een regionaal effect kunnen hebben.
  12. Amsterdam vermindert het aantal grootschalige detailhandelsvestigingslocaties (GDV) gelet op de afnemende behoefte aan winkelmeters op dergelijke locaties. Het consumentengedrag is ingrijpend veranderd en kan op termijn tot leegstand leiden.
  13. Amsterdam gaat voor het versterken van het gemakskarakter op trafficlocaties zoals stations voor openbaar vervoer. Winkels op trafficlocaties zijn maximaal 300 m2 winkelvloeroppervlak per unit. Door kleine winkelpanden in het bestemmingsplan blijft er een focus op gemaksboodschappen voor reizigers en ontstaat er geen gewoon winkelgebied op stations.
  14. Afhaalpunten voor online winkels zijn bij voorkeur in bestaande winkelgebieden waar al bezoekersstromen zijn. Deze gebieden zijn al toegerust op laden en lossen van goederen. Online winkels mogen in woningen en op bedrijfsbestemmingen als er géén bezoekersfunctie en uitstalfunctie is.
  15. Markten en staanplaatsen zijn versterkend aan het winkelaanbod. Samen bieden zij een totaalaanbod voor de dagelijkse boodschappen. Er is apart beleid voor de markten en voor de verkooppunten in de openbare ruimte in ontwikkeling.
  16. Amsterdam wil ongezond voedselaanbod en rookwaren beperken en gezond aanbod stimuleren. Het college van b en w werkt nadere voorstellen uit voor gezonder aanbod via detailhandel die na vaststelling onderdeel worden van het detailhandelsbeleid, dan wel van ander relevant beleid.
verplicht
Afbeelding: De drie zones van het Detailhandelsbeleid en het plangebied.

In het detailhandelsbeleid is de stad onderverdeeld in drie zones: een kernzone, een centrumzone en een stadszone. De zones verschillen in het al aanwezige winkelaanbod, de stedenbouwkundige structuur en het verzorgingsgebied. De bij de zones behorende algemene opgaven zijn:

  • in de Kernzone: geleiding en spreiding van drukte, aanpak diversiteit, meer belevenis, beperkt nieuwe grootschalige winkels en aandacht voor borging dagelijks aanbod;
  • in de Centrumzone: borging boodschappen in stadsstraten en ruimte voor nieuwe formules en concepten;
  • in de Stadszone: uitrol centrummilieu/transformatie van functies, toekomstbestendig maken van de stadsdeelcentra en aanpak leegstand.

Gebiedsspecifieke opgaven

Naast bovenstaande algemene, stadsbrede beleidslijnen is voor elk van de drie zones een specifieke koers bepaald. Voor het onderhavige plangebied zijn de Kernzone en de Centrumzone van belang. Voor deze beide zones betreft het respectievelijk de volgende uitgangspunten.

Kernzone 

In het beleid is het Museumkwartier (te samen met de binnenstad) opgenomen als het kernwinkelgebied. Naast de hierboven genoemde beleidsregels die relevant zijn voor het kernwinkelgebied, zoals het bevorderen van een gevarieerder winkelaanbod, wil Amsterdam borgen dat bewoners dichtbij boodschappen kunnen blijven doen. In de eerste plaats kunnen bewoners voor de boodschappen terecht in winkels. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor versmarkten op straat in of net buiten de kernzone. Of en in welke mate (extra) markten mogelijk zijn, wordt in samenhang bekeken met het aanbod van overdekte versmarkten in winkelpanden. Amsterdam werkt in apart beleid uit waar ruimte wordt geboden aan markten en verkooppunten in de openbare ruimte. Op de plekken waar op straat ruimte is voor staanplaatsen en kiosken, richten deze zich bij voorkeur op behoeften van bewoners. Dit betekent niet dat elke plek waar een staanplaats of kiosk ruimtelijk mogelijk is ook benut hoeft te worden.

In de kernzone is (grootschalige) niet-dagelijkse detailhandel op veel locaties mogelijk met een gemengde bestemming op panden in de bestemmingsplannen. Uitbreiding van ruimtes voor detailhandel of het toevoegen van nieuwe (grote) detailhandel in panden die nu bestemd zijn voor een andere functie zoals wonen, is niet wenselijk en mogelijk. Intensieve bevoorrading en extra bezoekersstromen leggen dan teveel extra druk op het leefklimaat voor omwonenden. Op sommige locaties in de kernzone kan een vestiging een welkome toevoeging zijn als het gaat om een zeer bijzondere, nog niet in Amsterdam gevestigde retailer, die helpt om de drukte te spreiden en een positieve impuls geeft aan de delicate balans tussen wonen, werken en recreatie.

Voor het functioneren van de winkelgebieden moet Amsterdam ook blijven werken aan spreiding en geleiding van drukte. Nieuwe interessante trekkers ziet Amsterdam daarom liever in andere delen van de stad. Om de winkelgebieden buiten de kernzone aantrekkelijk te houden, wordt gestimuleerd dat ook daar meer 'beleving' wordt toegevoegd.

Uitgangspunten

Voor de kernzone, waartoe naast de binnenstad ook het Museumkwartier behoort, zijn daarom de volgende gebiedsgerichte uitgangspunten geformuleerd.

  1. De dagelijkse boodschappen zijn op redelijke afstand van de woning verkrijgbaar:
    1. Meer diversiteit in het winkelaanbod;
    2. Versmarkten en staanplaatsen als aanvulling op dagelijks winkelaanbod.
  2. Amsterdam heeft verschillende aantrekkelijke winkelgebieden:
    1. Topwinkels óók buiten de kernzone, omdat het toevoegen van nieuwe (grote) detailhandel, in de Kernzone niet altijd wenselijk en mogelijk is vanwege de hier al bestaande druk op het woon- en leefklimaat door intensieve bevoorrading en extra bezoekersstromen;
    2. Selectieve ruimte voor vernieuwing van detailhandel, dat wil zeggen in de uitzonderlijke gevallen dat in de Kernzone panden met een maatschappelijke bestemming vrijkomen, die de eigenaar wenst om te zetten naar een winkel. In dergelijke unieke situaties, maakt Amsterdam mogelijk wèl een uitzondering in het toestaan van winkelinitiatieven in die panden in de Kernzone, maar daarbij dient wel aan een aantal voorwaarden te worden voldaan;
    3. Geen winkels aan de grachten in de binnenstad.

Centrumzone

Deze zone omvat de 19e- en vroeg 20e-eeuwse gordel in de stadsdelen West, Zuid en Oost. Het grootste deel van het onderhavige plangebied is onderdeel van deze Centrumzone. Naast de hierboven genoemde beleidsregels die relevant zijn voor de centrumzone (de clusterpunten van dagelijkse boodschappen in de stadsstraten én ruimte voor uitbreiding van supermarkten in kansrijke winkelgebieden), is er in deze zone al een ruim aanbod aan algemene warenmarkten, staanplaatsen, kiosken en een aantal versmarkten. In het (in ontwikkeling zijnde) marktbeleid wordt onderzocht of er ruimte is voor toevoeging van enkele nieuwe versmarkten in dit gebied.

Uitgangspunten

Voor de Centrumzone zijn daarom de volgende gebiedsgerichte uitgangspunten geformuleerd.

  1. De dagelijkse boodschappen zijn op redelijke afstand van de woning verkrijgbaar:
    1. De boodschappenfunctie borgen in clusterpunten van detailhandel in gemengde stadsstraten;
    2. In kansrijke winkelgebieden is uitbreiding van supermarkten mogelijk;
    3. Een beperkt aantal nieuwe versmarkten krijgt de ruimte.
  2. Amsterdam heeft verschillende aantrekkelijke winkelgebieden:
    1. Het stimuleren van meer 'winkelbeleving' in winkelgebieden en -straten;
    2. In winkelgebieden experimenten met mengformules.

Algemene uitgangspunten

Het detailhandelsbeleid bevat daarnaast nog de volgende algemene beleidsuitgangspunten die van belang zijn voor dit bestemmingsplan.

Ondergeschikte detailhandel

Ondergeschikte detailhandel binnen een andere functie zoals een bedrijf, ambacht, dienstverlening of cultuur wordt in het detailhandelsbeleid buiten de winkelgebieden wel mogelijk gemaakt. De ondergeschikte detailhandel mag maximaal 20% van het netto oppervlak beslaan, met een absoluut maximum van 50 m2.

Internetverkopen

In de detailhandel doet zich een afname voor van het winkelaanbod met niet-dagelijkse artikelen als gevolg van de trend van toenemende internetverkopen. In het plangebied is geen detailhandel in fysieke vorm gevestigd, maar er zijn diverse vestigingen van webwinkels/postorderbedrijven. Het detailhandelsbeleid benoemt vier typen internetbedrijven en verbindt beleidsuitgangspunten aan elk type.

  1. Internetbedrijf dat functioneert als detailhandel: Internetbedrijven met afhaalmogelijkheid en mogelijkheid de goederen ter plaatse te bekijken (in showroom/uitstalling) en/of af te rekenen, functioneren in praktijk net zoals detailhandel en worden zowel binnen de woon- als bedrijfsbestemming ontoelaatbaar geacht. Deze vorm van internetwinkels dient zich te vestigen op een locatie met een detailhandels-/winkelbestemming. Er wordt geen omgevingsvergunning verleend voor locaties waarop detailhandel niet is toegestaan.

De andere drie typen internetbedrijven zijn onder voorwaarden wel inpasbaar:

  1. Afhaalpunt internetaankopen: Binnen een woonbestemming zijn afhaalpunten voor internetaankopen beperkt toelaatbaar via de 'bedrijf aan huisregeling' in het bestemmingsplan. Daarmee blijven de activiteiten ondergeschikt aan de woonfunctie. Vestiging binnen een kantoor- of bedrijfsbestemming is eveneens toelaatbaar.
  2. Internetbedrijf waar alleen een elektronische transactie tot stand komt: Een internetwinkel waar op het woon- of bedrijfsadres alleen een elektronische transactie tot stand komt en die dus verder geen ruimtelijke uitstraling heeft (zoals parkeer- en verkeeroverlast) past binnen de bestemming wonen.
  3. Internetbedrijf met opslag- en verzendfunctie: Deze bedrijven zijn binnen een woonbestemming toelaatbaar via de 'bedrijf aan huisregeling' in het bestemmingsplan. Daarmee blijven de activiteiten ondergeschikt aan de woonfunctie.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Het onderhavige bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

De P.C. Hooftstraat, de straten die deel uitmaken van het kernwinkelgebied (en fungeren als aanloopstraten van het centrale deel van de P.C. Hooftstraat) en de buurtvoorzieningenclusters en straten met niet-geclusterde publieksgerichte voorzieningen hebben in het bestemmingsplan afzonderlijke bestemmingen Gemengd gekregen. De vestigingsmogelijkheden voor detailhandel binnen deze bestemmingen komen overeen met de doelstellingen in het detailhandelsbeleid.

Alle overige straten zijn opgenomen als woonstraten. In deze straten is alleen de bestaande detailhandel en consumentgerichte dienstverlening toegestaan.

5.5.19 Ruimtelijk-economisch kader voor verkooppunten in de openbare ruimte     

Op 10 juli 2018 heeft het college het Ruimtelijk-economisch kader voor verkooppunten in de openbare ruimte vastgesteld. Hat kader ziet toe op staanplaatsen en kiosken, die een aanvulling vormen op het aanbod van winkels, horeca en markten. Maar niet overal in de stad is daarvoor voldoende ruimte en in rustige woonstraten en natuurgebieden zijn ze niet wenselijk. Door de groei van de stad ontstaan op andere plekken nieuwe mogelijkheden. De wenselijkheid van staanplaatsen, kiosken en andere vormen van verkoop in de openbare ruimte wordt op drie aspecten beoordeeld:

  1. Voorziet het in de behoefte van degenen die in Amsterdam wonen en werken.
  2. Draagt het bij aan de detailhandelsstructuur in de stad (gewenste spreiding en diversiteit).
  3. Is het ruimtelijk inpasbaar en draagt het bij aan de kwaliteit en levendigheid van de openbare ruimte en het stadsbeeld.

Het ruimtelijk-economisch kader vormt het afwegingskader voor:

  • het aanwijzen van nieuwe staanplaatsen, het verlenen van staanplaatsvergunningen en het intrekken daarvan;
  • het toestaan van verkoop door winkels op straat en voor het aanwijzen van gebieden waar venten niet is toegestaan.

In het kader voor de verkooppunten wordt onderscheid gemaakte tussen verschillende gebieden, waarvan de gebiedsindeling globaal overeen komt met die in de detailhandelsnota.

verplicht
Afbeelding: Uitsnede overzichtkaart staanplaatsen en het plangebied

In het kader maakt het onderhavige bestemmingsplan in zijn geheel onderdeel uit van het gebied 'Vooroorlogse woonwijk'. Het Museumkwartier behoort daarnaast tevens tot de kernzone van het winkelgebied.

Het kernwinkelgebied

In het kernwinkelgebied richt de detailhandel zich steeds meer op niet-dagelijks aanbod, zoals mode en toeristische producten en direct consumeerbaar voedsel. Winkels voor dagelijkse boodschappen worden steeds meer verdrongen. Wat resteert, is voornamelijk een basisaanbod van supermarkten. Het is wenselijk dat ook in dit deel van de stad de bewoners kunnen kiezen uit een gevarieerd aanbod van dagelijkse benodigdheden. De mogelijkheden daarvoor zijn echter beperkt. Door de toenemende drukte is de openbare ruimte schaars en zijn verkooppunten al gauw een obstakel.

Vanuit dit perspectief zullen alle bestaande staanplaatsen, inclusief de roulatieplaatsen voor venters, in dit gebied tegen het licht worden gehouden. Streven is het aantal plaatsen terug te dringen waar hoofdzakelijk op toeristen en dagjesmensen gerichte producten en/of direct consumeerbare etenswaren worden verkocht, in aansluiting op het beleid voor diversiteit van het winkelaanbod en het voorbereidingsbesluit dat in het grootste deel van het kernwinkelgebied van kracht is. Met dit voorbereidingsbesluitbeperkt de gemeente de mogelijkheid voor vestiging van winkels met een voornamelijk op toeristengericht aanbod en van winkels die direct consumeerbaar voedsel verkopen. Aanbod dat gericht is op degenen die in dit gebied wonen en werken is wel gewenst als het een aanvulling is op het aanbod van de winkels. De gewenste verkooppunten worden gesitueerd op plekken waar ze geen afbreuk doen aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de bewoners en werkenden goed kunnen bedienen.

De vooroorlogse woonwijken

Deze wijken zijn populair om in te wonen, mede vanwege de kleinschalige menging van wonen en werken en de kwaliteit van de openbare ruimte. Hierin spelen stadstraten een belangrijke rol: lange, vaak aaneengesloten straten met winkels en een variëteit aan andere functies. In de visie openbare ruimte wordt benadrukt dat het wenselijk is om activiteiten zo veel mogelijk in stadstraten te concentreren, zodat de achterliggende woonbuurten een relatief rustig verblijfsklimaat kunnen behouden. Veel van deze stadstraten zijn relatief smal, zodat er scherpe keuzes gemaakt moeten worden bij de inrichting. Daarbij is het streven om de ruimte voor voetgangers en verblijfsfuncties te vergroten. Daartoe moet het ruimtebeslag van objecten waar mogelijk worden verminderd. Ook wordt gestreefd naar multifunctioneel gebruik: op verschillende dagen en tijden moet een plek meerdere functies kunnen vervullen.

Dit betekent dat zorgvuldig zal worden gekeken naar de inpasbaarheid van staanplaatsen en kiosken in stadstraten en in sommige gevallen een staanplaats voor een verkoopwagen de voorkeur verdient boven een vaste staanplaats of kiosk. Ruimte voor verkooppunten kan wel aanwezig zijn op pleinen en andere plekken waar de stadstraat breder is, of waar een brede zijstraat op de stadstraat uitkomt. Gewenste verkooppunten worden bij voorkeur op dergelijke plekken gesitueerd. Op een aantal plekkenkunnen ze daarbij bijdragen aan het overbruggen van twee winkelstraten, waardoor deze meer als één doorlopend winkelgebied kunnen functioneren. Daarmee wordt de functie van deze straten versterkt.

Daarom worden de bestaande verkooppunten tegen het licht gehouden, om te bezien of zij in de toekomst gehandhaafd kunnen blijven, verplaatst moeten worden of op termijn moeten worden opgeheven. Dit is in elk geval aan de orde indien de verkooppunten zijn gelegen in of aan straten waarvoor een voorbereidingsbesluit is genomen ter beperking van het aantal winkels dat voornamelijk op toeristen is gericht of direct consumeerbaar voedsel verkoopt, en het aanbod van de verkooppunten hiermee vergelijkbaar is.

In woonstraten is geen ruimte voor verkooppunten om het karakter van rustig woongebied niet aan te tasten. In drukkere straten kunnen soms wel verkooppunten gewenst zijn. Met name waar de winkelgebieden wat verder uit elkaar zijn gelegen kan er aanleiding zijn om verkooppunten te situeren op plekkenwaar veel verkeer langs komt, ook wel traffic-locaties genoemd. Vaak zijn dit plekken waar verbindingswegen tussen wijken en doorgaande fietsroutes elkaar kruisen, vooral in de gordel '20-'40 (gebouwd tussen de twee Wereldoorlogen).

Consequenties voor dit bestemmingsplan

In het gebied 'Vooroorlogse woonwijk' wordt zorgvuldig gekeken naar de inpasbaarheid van staanplaatsen en kiosken in stadstraten. Dat kan betekenen dat in sommige gevallen een staanplaats voor een verkoopwagen de voorkeur verdient boven een vaste staanplaats of kiosk. Ruimte voor verkooppunten kan wel aanwezig zijn op pleinen en andere plekken waar de stadstraat breder is, of waar een brede zijstraat op de stadstraat uitkomt. Gewenste verkooppunten worden bij voorkeur op dergelijke plekken gesitueerd. Daarmee kunnen zij bijdragen aan het overbruggen van twee winkelstraten, waardoor deze meer als één doorlopend winkelgebied kunnen functioneren.

Om een ongewenste druk op het woon- en leefklimaat tegen te gaan, bevat het bestemmingsplan een regeling om toeristische voorzieningen te weren, door het aantal winkels te beperken dat voornamelijk op toeristen is gericht of direct consumeerbaar voedsel verkoopt. Indien het aanbod van de verkooppunten daarmee vergelijkbaar is, kunnen de bestaande verkooppunten tegen het licht worden gehouden en worden bezien of zij in de toekomst gehandhaafd kunnen blijven, wellicht verplaatst moeten worden of op termijn moeten worden opgeheven.

In woonstraten is geen ruimte voor verkooppunten om het karakter van rustig woongebied niet aan te tasten. In drukkere straten kunnen soms wel verkooppunten gewenst zijn. Met name waar de winkelgebieden wat verder uit elkaar zijn gelegen kan er aanleiding zijn om verkooppunten te situeren op plekken waar veel verkeer langs komt, ook wel traffic-locaties genoemd. Vaak zijn dit plekken waar verbindingswegen tussen wijken en doorgaande fietsroutes elkaar kruisen, vooral in de gordel '20-'40. Het onderhavige plangebied ligt in de gordel '20-'40.

Omdat nieuwe vaste staanplaatsen niet zonder meer gewenst zijn, zijn de bestaande staanplaatsen in het plangebied als zodanig geregeld in de regels van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bevat geen afwijkingsmogelijkheid om nieuwe staanplaatsen mogelijk te maken.

De bestaande vaste staanplaatsen in het plangebied zijn:

  • de bloemenkiosk op de hoek Van Eeghenstraat - Alexander Boersstraat ter hoogte van de Alexander Boersstraat 52;
  • de bloemenkiosk Van Baerlestraat 58K op het trottoir tegenover de Van Baerlestraat 56-58;
  • de Bijbelkiosk Amsterdam 'The word of God' op het Concertgebouwplein 1K op de hoek van de Van Baerlestraat 102;
  • de souvenirkiosk op het Willem Sandbergplein aan de zijde van het Van Goghmuseum;
  • de etenswarenkiosk Best Hotdogs In Town op het Willem Sandbergplein aan de zijde van het Stedelijk Museum;
  • de bloemenkiosk Amsterdam Flowers op de hoek Roelof Hartplein - Bronckhorststraat tegenover Roelof Hartplein 2.

5.5.20 Marktvisie 2018-2026     

De Marktvisie 2018-2026 is op 19 september 2018 vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam.

Markten maken van oudsher onlosmakelijk onderdeel uit van Amsterdam en zijn van grote economische, sociale en culturele waarde voor de stad. Markten bieden een unieke ontmoetingsplek waar de grote diversiteit aan Amsterdammers elkaar kunnen ontmoeten. De unieke verscheidenheid draagt bij aan het typische karakter van Amsterdam waarbij een groot deel van het openbare leven zich afspeelt in de buitenruimte.

Door verschillende maatschappelijke ontwikkelingen zijn de markten de laatste jaren onder druk komen te staan. De traditionele functie van de markt als één van de belangrijkste voorzieningen voor het dagelijks aanbod is drastisch gewijzigd. De rol en positie van de markt is grotendeels verdrongen door de ruim gesorteerde supermarkten en aanbieders zoals Lidl, Action en Primark.

De ontwikkeling op de markt vertaalt zich in de bezettingsgraadcijfers. Bij meer dan de helft van de markten in de stad is de bezettingsgraad onder de 85% gedaald en bij sommige markten zelfs onder de 50%. Zowel aan de vraagzijde als de aanbodzijde is sprake van vergrijzing. Vooral jongeren bezoeken markt steeds minder. En als de markt bezocht wordt is dat gemiddeld nog maar eenmaal per week. Beperkte instroom en snelle uitstroom van jonge marktondernemers baart zorgen. Daarnaast neemt de productvariatie op de onderbezette markten terug met als gevolg een nog verder afnemend bezoekersaantal. Als gevolg hiervan is een vicieuze cirkel ontstaan. De verwachting is dat zonder ingrijpen een (groot) deel van de markten de concurrentieslag met de consument zal verliezen.

In de Marktvisie worden, in het verlengde van de detailhandelsvisie, voor de Amsterdamse markten twee doelen genoemd, te weten:

  • Een evenwichtige spreiding van warenmarkten waardoor zij voor alle Amsterdammers op redelijke afstand bereikbaar zijn;
  • Het behouden van een grote verscheidenheid aan bijzondere themamarkten voor niet dagelijkse benodigdheden.

Omdat van een gezonde marktwerking op de markten momenteel geen sprake is, stelt de Marktvisie voor om voor de verschillende soorten van markten passende maatregelen te treffen met als doel om vraag en aanbod weer in balans te brengen. Het zal steeds gaan om een mix van maatregelen die per markt kunnen verschillen:

  • Kwantitatieve maatregelen om de vraag en aanbod van marktplaatsen in evenwicht te brengen, zoals het verminderen van marktplaatsen en marktdagen.
  • Maatregelen om de kwaliteit op de markt te verbeteren waardoor de consument weer besluit naar de markt te gaan. Hieronder valt de branchering van de markt maar ook voorzieningen als zitgelegenheid en markttijden.
  • Het versterken van het ondernemerschap. Het stimuleren van zowel individueel als collectief ondernemerschap en samenwerking met aangrenzende winkelgebieden.

verplicht
Afbeelding: Markten binnen het plangebied: de ZuiderMRKT'  

Consequenties voor dit bestemmingsplan

In het bestemmingsplangebied bevindt zich één markt: de 'ZuiderMRKT' op de hoek van de Johannes Verhulststraat en de Jacob Obrechtstraat. Het is een kleine wekelijkse food-/boerenmarkt met 24 kramen. De markt wordt gehouden op zaterdag. Gespecialiseerde winkels in food uit de buurt gebruiken een kraam op de markt als extra verkooppunt. De markt functioneert goed en fungeert op de zaterdag ook als ontmoetingsplek voor ondernemers en bewoners.

De ZuiderMRKT wordt niet in het bestemmingsplan opgenomen. De markt vindt namelijk incidenteel (eens per week) plaats. Deze overige dagen fungeert het kruispunt Johannes Verhulststraat en de Jacob Obrechtstraat namelijk als een regulier buurtplein.

5.5.21 Beleidskader Verkeersnetten     

Op 24 januari 2018 heeft de gemeenteraad het Beleidskader Verkeersnetten vastgesteld. In het beleidskader staan eisen en toetswaarden waaraan de verschillende onderdelen van de Amsterdamse verkeersinfrastructuur moeten voldoen. Het is de basis voor investeringen, herinrichtingsplannen en andere maatregelen om de doorstroming van verkeer te verbeteren, en het is een toetsingskader voor ruimtelijke plannen. Het Beleidskader Verkeersnetten is gebaseerd op het Beleidskader Hoofdnetten uit 2005, de MobiliteitsAanpak Amsterdam (2013) en de Uitvoeringsagenda Mobiliteit (2015). Het beleidskader is een beleidsstuk waarin staat aangegeven waar de belangrijkste routes voor voetganger, fiets, openbaar vervoer en auto liggen, welk doel ze hebben en aan welke kwaliteitseisen zij moeten voldoen. De functie van de netten is onder andere de stad bereikbaar houden, zorgen voor een goede bereikbaarheid tussen stadsdelen en goede en veilige doorstroming van het verkeer.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

De netwerken voor voetganger, fiets, openbaar vervoer en auto komen hierna verder aan de orde in paragraaf 7.1 Mobiliteit.

5.5.22 30 km/u in de stad     

Vanaf 2023 gaat de maximumsnelheid op de meeste wegen in Amsterdam naar 30 kilometer per uur. De stad wordt zo veiliger gemaakt, met minder ongelukken. Ook is er dan sprake van minder verkeerslawaai. Dit besluit vloeit voort uit een breed gesteunde motie in de raad. De gemeenteraad heeft op 23 december 2021 positief over 30 kilometer per uur in de stad besloten.

verplicht

Afbeelding: Uitsnede wegenkaart 'voorgestelde maximumsnelheid' 30 km/u in de stad  

Het traditionele onderscheid tussen de categorieën gebiedsontsluitingsweg (GOW, een weg met doorgaand verkeer, nu 50 km/u) en erftoegangsweg (ETW, weg in woonbuurten met alleen bestemmingsverkeer, nu 30 km/u) sluit niet meer goed aan bij het hedendaagse gebruik van de openbare ruimte. Er is meer (verschillend) verkeer en meer verschillend gebruik van de openbare ruimte.

De nieuwe categorie GOW30 is een gebiedsontsluitingsweg waar een maximumsnelheid van 30 km/u geldt. Deze categorie sluit goed aan bij wegen met relatief veel autoverkeer, waar vanuit leefbaarheid en stedelijkheid de verblijfsfunctie prioriteit krijgt boven de verkeersfunctie. De inrichting van een GOW30 heeft zowel kenmerken die bij een doorgaande weg horen als kenmerken van een weg met een lagere maximumsnelheid

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Alle huidige 50 km/u-wegen in het plangebied worden vanaf 2023 gebiedsontsluitingswegen met een maximumsnelheid van 30 km/u.

In het voorliggende bestemmingsplan is vastgelegd welke wegen voor verkeer zijn bestemd. Een bestemmingsplan gaat niet over welk snelheidsregime ter plaatse van een bepaalde weg is toegestaan of over welke gebruiker van welke modaliteit gebruik mag maken. In het akoestisch onderzoek is met de verandering van het snelheidsregime wel rekening mee gehouden. Het vastgestelde beleid is derhalve niet verder doorvertaald naar het voorliggende bestemmingsplan.

5.5.23 Parkeerbeleid     

5.5.23.1 Parkeernormen Auto     

De gemeente Amsterdam voert al jaren parkeerbeleid, waarmee invloed kan worden uitgeoefend op de bereikbaarheid en leefbaarheid in de stad. Dit onder meer vanuit het idee dat minder auto's op straat leidt tot meer ruimte voor voetgangers en fietsen en een aantrekkelijkere openbare ruimte voor bewoners, bezoekers en ondernemers. Daarnaast willen ondernemers en bewoners ook een bereikbare stad, een stad waar zij hun auto kwijt kunnen en klanten een parkeerplek kunnen vinden.

Minder auto's op straat en tegelijkertijd een goede (auto)bereikbaarheid van de stad lijken tegenstrijdige doelstellingen. Een oplossing om deze doelstellingen te verenigen, is het verplaatsen van een groot deel van de parkeerplaatsen op straat naar parkeergarages. In het Parkeerplan uit 2012 staat de aanpak om de auto minder op straat te parkeren, de openbare ruimte te verbeteren en het verkeer te laten doorstromen door het verminderen van zoekverkeer. In de Uitvoeringsagenda Mobiliteit is die lijn doorgetrokken met de aankondiging meer ruimte op straat te maken voor voetgangers en fietsers door de bouw van parkeergarages en het opheffen van parkeerplaatsen op straat. Parkeernormering helpt om de toekomstige parkeervraag in (ondergrondse) garages op te lossen, door ontwikkelaars te verplichten om bij nieuwbouw parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren.

In de 'Nota Parkeernormen Auto', vastgesteld door de gemeenteraad op 29 november 2017, staan beleidsregels en parkeernormen voor (sloop)nieuwbouw- en transformatieplannen. Ook is aangegeven wanneer de regels en beleid worden toegepast. Het nieuwe beleid treedt in werking voor alle ontwikkelingen waarvoor de eerste grondprijsovereenkomst wordt gesloten, na moment van vaststelling van de Nota Parkeernormen Auto. Over bestemmingsplannen die ten tijde van de inwerkingtreding van de nota reeds zijn vastgesteld en waarin een eigen parkeernormering is opgenomen, is aangegeven dat de parkeernorm van het bestemmingsplan het toetsingskader blijft. Dit geldt ook voor bestemmingsplannen waarin een uitwerkingsverplichting is opgenomen en waarvan de uitwerking plaats vindt nadat de nota in werking is getreden.

Parkeernormen

In de 'Nota Parkeernormen Auto' is voor parkeernormen onderscheid gemaakt in drie typen locaties: A-, B-, en C-locaties. Onderhavig plangebied is aangemerkt als B-locatie. De B-locaties hebben goed openbaar vervoer, maar liggen verder van de intercitystations af.

verplicht
Afbeelding: Uitsnede kaart Parkeernormen auto, ABC-locaties, en het plangebied.  

In B-locaties wordt naast een maximumparkeernorm ook een minimumparkeernorm gehanteerd. Ontwikkelaars worden verplicht om bij nieuwbouw een minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. De in het plangebied te hanteren parkeernormen zijn de volgende.

  1. vrije sectorwoningen:
    1. woningen tot 30m2: minimaal 0,1 parkeerplaats per woning tot maximaal 1 parkeerplaats per woning;
    2. woningen tussen de 30 - 60 m2: minimaal 0,3 parkeerplaats per woningen tot maximaal 1 parkeerplaats per woning;
    3. woningen groter dan 60 m2: minimaal 0,6 parkeerplaats per woningen tot maximaal 1 parkeerplaats per woning.
  2. sociale en middeldure huurwoningen: maximumnorm van 1 parkeerplaats per woning; er geldt geen minimumparkeernorm; onafhankelijk van de invulling van het parkeerprogramma geldt voor bewoners dat zij geen recht hebben op een parkeervergunning voor de openbare ruimte;
  3. kantoren: maximumnorm van 1 parkeerplaats per 125 m2 bruto vloeroppervlak; er geldt geen minimumparkeernorm;
  4. voorzieningen: de actuele kencijfers van kenniscentrum CROW, gecombineerd met actuele Amsterdamse gegevens.

Voor kleine projecten voor vrije sectorwoningen op B-locaties bestaat een uitzondering op de te hanteren parkeernorm voor woningen. Als de minimumnorm op 4 parkeerplaatsen of lager uitkomt, dan geldt een standaard vrijstelling van de parkeernorm.

Afwijken van de parkeernormen

Alle (sloop)nieuwbouwplannen en transformatieplannen worden getoetst aan de parkeernormen. Een deel van deze plannen zal niet (kunnen) voldoen aan de gestelde minimum parkeernormen. Daarom biedt het beleid de mogelijkheid om af te wijken van de parkeernormen en vergunningverlening bij nieuwbouw, indien het realiseren van parkeerplaatsen op eigen terrein op overwegende bezwaren stuit en/of op andere geschikte wijze in de benodigde parkeerplaatsen wordt voorzien. Daarbij kunnen in de omgevingsvergunning aanvullende voorwaarden worden opgenomen.

Vergunningverlening

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor (sloop)nieuwbouwplannen en transformatieplannen moet ten behoeve van de te realiseren functies voldoende parkeergelegenheid voor auto's aanwezig zijn of gerealiseerd worden. Hierbij moet voldaan worden aan de beleidsregels in de 'Nota Parkeernormen Auto' (gepubliceerd op 22 december 2017). Het parkeerbeleid kan in de toekomst wijzigen. Voor de toepassing van het parkeerbeleid dient op grond van de bepalingen van dit bestemmingsplan te worden uitgegaan van de meest recente versie van het vastgestelde en in werking getreden beleid. Het parkeerbeleid is voor een ieder raadpleegbaar op internet.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

De Nota Parkeernormen, inclusief de mogelijkheden om van de normen af te wijken, is van toepassing verklaard door in de bestemmingsplanregels te verwijzen naar het vigerend parkeerbeleid voor autoparkeren. Daarmee is het onderhavige bestemmingsplan in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

5.5.23.2 Parkeren fiets en scooter     

Bij de planvorming van bouwinitiatieven is het verplicht om te zorgen voor voldoende en goede parkeervoorzieningen voor fietsen bij niet-woonfuncties. De nota 'Parkeernormen Fiets en Scooter', vastgesteld door de gemeenteraad op 14 maart 2018, is het beleidskader op basis waarvan bij ruimtelijke (her-)ontwikkelingen eisen gesteld worden aan de parkeervoorzieningen bij niet-woonfuncties. Om de stad leefbaar en bereikbaar te houden heeft de beleidsnota als uitgangspunt dat bij nieuwbouw en herontwikkeling zowel het fiets- als het scooterparkeren op eigen terrein wordt geregeld, al dan niet inpandig.

De beleidsregels gelden alleen voor niet-woonfuncties. Voor woningen eist het landelijke Bouwbesluit reeds een fietsenberging. Het Bouwbesluit 2012 verplicht ontwikkelaars om bij nieuwe woningen een individuele (fietsen)berging te realiseren, maar biedt ook ruimte voor gelijkwaardige alternatieven. In de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 wordt de voorkeur uitgesproken voor een gelijkwaardig alternatief; een gezamenlijke fietsenstalling. Bewoners zullen die beter benutten voor het parkeren van hun fiets dan een individuele berging. Zo wordt voorkomen dat geparkeerde fietsen van bewoners de openbare ruimte onnodig belasten.

Normen fiets

Ten aanzien van het fietsparkeren bevat de nota bindende beleidsregels. Bij de planvorming van bouwinitiatieven is het verplicht om te zorgen voor voldoende en goede parkeervoorzieningen voor fietsen bij niet-woonfuncties. De beleidsregels bepalen wat de minimale eisen zijn die aan verschillende niet-woonfuncties worden gesteld voor fietsparkeervoorzieningen.

De nota bevat de volgende vijf bindende beleidsregels waaraan de gemeente bouwplannen toetst:

  1. parkeervoorzieningen voor fietsen komen altijd op eigen terrein, al dan niet inpandig, tenzij wordt voldaan aan tenminste één van de afwijkingscriteria;
  2. voor het bepalen van de parkeereis voor fietsen hanteert de gemeente de toepassingsregels voor parkeernormen; bij dubbelgebruik kan de parkeereis naar beneden worden bijgesteld, mits de initiatiefnemer dit onderbouwt met een parkeerbalans; afwijken van de parkeernormen en het 'eigen terrein'-principe kan, mits voldaan wordt aan de afwijkingscriteria;
  3. de gemeente kan aan een initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling een financiële bijdrage vragen, als door het afwijken van de parkeernormen voor de fiets de gemeente extra parkeervoorzieningen moet maken;
  4. voor het toepassen van de fietsparkeernormen is de stad verdeeld in drie zones met een hoge, gemiddelde en lage fietsparkeerdruk; deze parkeerdruk is in zone 1 het hoogst;
  5. de gemeente bepaalt de minimum fietsparkeereis aan de hand van de normen voor fietsparkeren in de nota.
verplicht
Afbeelding: zone-indeling normen fietsparkeren voor niet-woonfuncties en het plangebied  

In het gehele bestemmingsplangebied zijn de fietsparkeernormen van toepassing die gelden voor de in de nota aangegeven Zone 1, de zone met een hoge fietsparkeerdruk. Het vaststellen van het minimaal vereiste aantal parkeerplekken is volgens de nota een fietsparkeereis, waarbij maatwerk wordt toegepast. Net als bij de parkeernormen voor auto's kan van de fietsparkeernormen worden afgeweken mits aan de daaraan gestelde criteria wordt voldaan.

Richtlijnen scooter

Voor het realiseren van scooterparkeervoorzieningen geldt geen verplichting, maar wordt geadviseerd de normen in de nota toe te passen. Daartoe bevat de nota niet-bindende richtlijnen. Toepassing van deze richtlijnen is in elk geval nodig bij de planvorming voor initiatieven die veel publiek trekken en waarbij veel scooters worden verwacht en voor bedrijven en organisaties waarvan veel werknemers met de scooter komen.

Vergunningverlening

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, transformatie, herontwikkeling en bestemmingswijzigingen, moet ten behoeve van de te realiseren functies voldoende parkeergelegenheid voor fietsen aanwezig zijn of gerealiseerd worden. Hierbij moet voldaan worden aan de beleidsregels in de 'Nota Parkeernormen Fiets en Scooter' (gepubliceerd op 28 augustus 2018). Net als het beleid voor autoparkeren, kan ook dit beleid in de toekomst wijzigen. Voor de toepassing van het beleid dient op grond van de bepalingen van dit bestemmingsplan te worden uitgegaan van de meest recente versie van het vastgestelde en inwerking getreden beleid. Het beleid is voor een ieder raadpleegbaar op internet.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

De Nota Parkeren fiets en scooter, inclusief de mogelijkheden om van de normen af te wijken, is van toepassing verklaard door in de bestemmingsplanregels te verwijzen naar het vigerend parkeerbeleid voor fietsparkeren. Daarmee is het onderhavige bestemmingsplan in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

5.5.24 Sportvisie 2025     

De sportvisie 2025 'De Sportieve Stad' beschrijft de ambities van gemeente Amsterdam in de komende jaren. Het gaat om ambities op het gebied van mogelijkheden voor Amsterdammers om te sporten en ambities voor de inrichting van de eigen interne sportorganisatie van de gemeente.

Amsterdam is een alom erkende sportstad die uitnodigt tot (sportief) bewegen door een beweegvriendelijke en -stimulerende inrichting van de openbare ruimte, een duurzame en toegankelijke sportinfrastructuur en een rijk en divers aanbod van sport- en beweegactiviteiten voor alle Amsterdammers.

De sportvisie staat op vier pijlers en is uitgewerkt in negen speerpunten. De vier pijlers van het sportbeleid zijn:

  • sportparticipatie: Alle Amsterdamse kinderen genieten van sport en bewegen. Voor Amsterdammers met een achterstand of beperking biedt het brede scala aan sportaanbieders een passend sport- en beweegaanbod. In Amsterdamse wijken en buurten brengt sport plezier in het leven van alledag.
  • sportieve ruimte: Amsterdam heeft een toegankelijk, aantrekkelijk en duurzaam aanbod van sportieve ruimte en (top)sportaccommodaties, die bijdragen aan de kwaliteit van de stad, wijken en buurten.
  • sportaanbieders: Amsterdam kent een rijk en divers palet aan vitale en maatschappelijk actieve sportaanbieders, die actief sporten en bewegen toegankelijk maken voor alle Amsterdammers.
  • topsport: Amsterdam is een nationaal en internationaal erkende (top)sportstad met structurele faciliteiten voor topsporters en toptalent en aansprekende evenementen die bijdragen aan de sportieve uitstraling en maatschappelijke en economische ontwikkeling van de stad.

Naast de Sportvisie 2025 zijn met betrekking tot sport de volgende nota's belang.

  • Sportaccommodatieplan 2015-2022: In het Sportaccommodatieplan staat waar de gemeente zich in de komende jaren op wil richten als het gaat om sportaccommodaties. Het gaat daarbij niet alleen over de sporthallen, zwembaden en sportparken, maar ook over de openbare ruimte. De speerpunten in het sportaccommodatieplan zijn het wegwerken wachtlijsten, de stad als speelveld: sportieve openbare ruimte, toegankelijke en bereikbare sportaccommodaties, het intensiveren gebruik van accommodaties, het behoud van unieke voorzieningen, het realiseren van duurzame accommodaties, nieuwe sporten en innovatieve concepten. In het plan is de accommodatiebehoefte per accommodatietype en per sport verder uitgewerkt, en voor zover mogelijk gekwantificeerd. Daarmee geeft het plan een overzicht van de sportinfrastructuur in Amsterdam voor de accommodaties voor binnensport (sporthallen, sportzalen, gymnastieklokalen en binnenzwembaden), buitensport (voetbal, tennis, hockey, watersport et cetera) en sportvoorzieningen in de openbare ruimte. Specifiek voor Zuid wordt in het sportaccommodatieplan geconstateerd dat:
    1. er behoefte is aan een accommodatie met specifieke voorzieningen voor turnen, met deels een gymzaal en deels een turnzaal met vrije vloer en vaste opstelling;
    2. in Zuid de laatste jaren veel geïnvesteerd is in sport in de openbare ruimte.
  • Strategisch Huisvestingsplan Sport: Het strategisch huisvestingsplan Sport (SHP-Sport) geeft een overzicht van de investeringsopgave in de Amsterdamse sportaccommodaties voor de periode van 2020-2023. Het plan beantwoordt de vraag wat nodig is om de sportinfrastructuur mee te ontwikkelen met de groei van de stad en te voorzien van de benodigde kwaliteitsimpuls. Het SHP-Sport laat zien welke ruimteclaims, huisvestings-, beheer-, exploitatie- en organisatiekosten daarvoor nodig zijn. Voor Zuid wordt in de investeringsopgave het Zuiderbad specifiek genoemd. Het betreft het doorvoeren van duurzaamheidsmaatregelen (het aardgasvrij maken) van het zwembad.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Binnen het onderhavige plangebied bevinden zich geen sportparken en dergelijke. Deze worden in dit plangebied ook niet voorzien. In het onderhavige plangebied bevindt zich wel een aantal sportaccommodaties en -verenigingen. Het betreft het zwembad van het Zuiderbad aan de Hobbemastraat 26 en de Roei- en Zeilvereniging 'De Amstel' aan de Hobbemakade 122, op de hoek van de Boerenwetering en het Amstelkanaal. Overigens valt het doorvoeren van duurzaamheidsmaatregelen als het aardgasvrij maken van het zwembad buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan.

verplicht
Afbeelding: Sportaccommodaties en openbare sportplekken in het plangebied  

Een bijzondere sportvereniging is de schoolroeivereniging 'De Drietand' van het Amsterdams Lyceum aan het Valeriusplein. Dit is de enige schoolroeivereniging in Nederland, aangesloten bij de Koninklijke Nederlandse Roeibond. De roeiers hebben een eigen onderkomen in het club- annex botenhuis onder de Lyceumbrug over het Noorder Amstelkanaal.

Naast deze sportvoorzieningen zijn in het plangebied nog enkele accommodaties voor binnensport aanwezig. Zo beschikken het Montessori Lyceum Amsterdam (aan de Hobbemakade 54 - Pieter de Hooghstraat 59) en het Sweelinck College (aan de Moreelsestraat 21 - Gabriël Metsustraat 20) over sportzalen die na schooltijd tevens (kunnen) worden gebruikt voor sportactiviteiten in verenigingsverband. Bijvoorbeeld als trainingsvoorziening voor teamsporten als basketbal en volleybal, om een deel van de benodigde trainingsruimte in sporthallen op te vangen, of voor sporten als turnen, vecht- en verdedigingssporten of buurtsportactiviteiten. Mits zij daarvoor geschikt zijn (bijvoorbeeld wat betreft afmetingen), kan het daarvoor benutten van gymnastieklokalen die buiten schooltijd ongebruikt zijn bijdragen aan een efficiënter ruimtegebruik.

In het bestemmingsplan hebben de sportaccommodaties en -verenigingen de bestemming 'Maatschappelijk'. De sportvoorzieningen die onderdeel uitmaken van scholen hebben dezelfde bestemming als de scholen zelf (eveneens 'Maatschappelijk'). Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' is ook het gebruik ten behoeve van verenigingssport toegestaan.

In het plangebied bevinden zich tevens meerdere sportplekken in de openbare ruimte. Op het Museumplein betreft het een basketbalveld, een jeu de boulesbaan en een skatebaan (Skate Big Ramp). Op het Jacob Obrechtplein ligt een voetbal-/basketbalveld en staan enkele tafeltennistafels. Binnen de voor deze pleinen geldende bestemming (de bestemming 'Groen') is het realiseren van dit soort voorzieningen mogelijk.

Overigens zijn sportscholen/fitnesscentra in dit bestemmingsplan niet aangemerkt als maatschappelijke voorzieningen, maar als een bijzondere vorm van consumentgerichte dienstverlening. Voor sportscholen/fitnesscentra geldt dat alleen de bestaande vestigingen zijn toegestaan. Deze zijn als zodanig aangeduid op de verbeelding. De vestiging van nieuwe sportscholen en de uitbreiding van bestaande sportscholen is niet mogelijk.

5.5.25 Watervisie Amsterdam 2040     

Op 14 september 2016 heeft het de gemeenteraad de Watervisie Amsterdam 2040 vastgesteld. De Watervisie geeft een ruimtelijk-economisch perspectief op het gebruik van water en oevers in Amsterdam op de lange termijn (2040) met een aantal speerpunten voor de korte termijn (2020). De Watervisie bestaat daarom uit de volgende twee onderdelen:

  1. De visie: thematische en gebiedsambities met alsmtijdshorizon 2040 , inclusief kaartbeelden;
  2. De uitvoeringsagenda: een uitvoeringsagenda met speerpunten (maatregelen en acties) met als tijdshorizon 2016 - 2018.

De Watervisie Amsterdam 2040 is een uitwerking van de structuurvisie. Dat betekent dat de Watervisie als een onderdeel van de Structuurvisie Amsterdam 2040 wordt beschouwd. De Watervisie is daarmee zowel een beleidsvisie als een planologisch-juridisch toetsinstrument. Ze wordt als planologisch-juridisch toetsingsdocument ingezet bij ruimtelijke plannen en initiatieven om watergerelateerde ontwikkelingen in balans met elkaar en integraal te laten plaatsvinden.

De centrale ambitie van de Watervisie Amsterdam 2040 is: "Amsterdam gebruikt haar water en oevers beter en duurzamer en optimaliseert de ordening van het gebruik van het water en oevers. Dit leidt er toe dat Amsterdam zich verder kan ontwikkelen als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame en leefbare Europese metropool".

Daartoe is in de Watervisie de volgende koers uitgezet:

  • water toegankelijk en beleefbaar maken & activeren;
  • groei door spreiding van recreatie en toerisme;
  • dynamisch en duurzaam gebruik water stimuleren.

De ambities in de Watervisie zijn gebiedsgericht uitgewerkt. Daartoe is de stad voor wat betreft het gebruik van water en oevers verdeeld in vier gebieden, met elk een eigen karakteristiek, opgave en daarbij aansluitende ambities. De verdeling in gebieden betreft is als volgt:

  1. de binnenstad;
  2. de stad rondom de binnenstad;
  3. het IJ en de haven;
  4. de stad grenzend aan het landschap.

verplicht
Afbeelding: Het gebied 'De stad rondom de binnenstad' en het plangebied  

Consequenties voor dit bestemmingsplan

In de Watervisie is het onderhavige plangebied onderdeel van het gebied De stad rondom de binnenstad. Dat gebied beslaat grofweg Amsterdam West, Zuid en Oost en ligt direct tegen de populaire grachtengordel aan. Door de directe aansluiting van het water op de grachtengordel kan juist dit gebied een deel van de druk op het (gebruik van) het water in de binnenstad opvangen. Deze zone rondom de binnenstad kan daarom ook het 'uitrolgebied van de drukke binnenstad' worden genoemd. Volgens de Watervisie liggen in en aan de grachten, vaarten en kanalen van dit uitrolgebied kansen voor de ontwikkeling van nieuwe ligplaatsen voor de passagiersvaart, nieuwe vaarroutes en verbetering van de openbare ruimte. Er zijn hier mogelijkheden om nieuwe wandel- en fietsroutes aan het water te realiseren, het zicht op het water te verbeteren en nieuwe recreatie- en attractieplekken aan het water te ontwikkelen.

Voor de zone 'uitrolgebied' worden in de Watervisie diverse ambities gesteld. Enkele van deze ambities hebben betrekking op het onderhavige bestemmingsplangebied. Het betreft de volgende ambities om de druk op het water in het centrum op te vangen.

Boerenwetering

De Boerenwetering is door zijn directe verbinding met de Singelgracht en de grachtengordel aantrekkelijk als locatie voor ligplaatsen voor de passagiersvaart (bemande en onbemande bootverhuur).

Amstelkanalen 

Op termijn kan de met de aanleg van twee (duiker-)bruggen over het Noorder Amstelkanaal ter hoogte van de Amstelveenseweg ook dit kanaal doorvaarbaar maken voor de plezier- en passagiersvaart. Zo ontstaat een alternatieve vaarroute tussen Schinkel en Amstel en wordt het vaarrondje Amstelkanalen gerealiseerd. Dit kan bijdragen aan de spreiding van de plezier- en passagiersvaart. De Amstelkanalen zijn door hun ligging niet ver van de binnenstad en in het aantrekkelijke Zuid van Berlage tevens interessant voor de ontwikkeling van nieuwe (kleinschalige) locaties met ligplaatsen voor de passagiersvaart (bemande en onbemande bootverhuur).

In de Watervisie is bij de Amstelkanalen verder aangegeven dat zij zijn ontworpen als sierkanalen in Plan Zuid van Berlage, met een prachtig waterplein op de plek waar het Amstelkanaal splitst in het Noordelijk en Zuidelijk Amstelkanaal en kruist met de Boerenwetering. De Amstelkanalen kenden geen aanlegvoorzieningen voor de pleziervaart met als gevolg dat er op de groene oevers een wildgroei van paaltjes, planken en steigertjes ontstond. Hiervoor is de laatste jaren een nieuwe aanlegvoorziening ontwikkeld en op de meeste plaatsen gerealiseerd. Goede handhaving moet er voor zorgen dat de openbare groene kades aantrekkelijk blijven.

De in de Watervisie opgenomen ambities zijn uitgewerkt in de Nota Varen (deel 1 en deel 2) en het Uitwerkingsplan Overstaplocaties Touringcar-Riviercruise-Rondvaart. Deze uitwerkingen worden hieronder toegeicht.

5.5.26 Nota Varen (deel 1 en deel 2)     

Toerisme hoort bij Amsterdam, maar de toenemende drukte zet de leefbaarheid van onze stad, het karakter van de grachtengordel en de openbare orde onder druk. Met de Nota Varen (deel 1 en deel 2) is in 2019 en 2020 een aantal nieuwe maatregelen voor varen op en om de Amsterdamse grachten ingesteld.

Nota Varen deel 1 

Uitgangspunt in de op 19 mei 2019 door de gemeenteraad vastgestelde Nota Varen deel 1 is een duurzaam, evenwichtig, rechtvaardig gebruik van wal en water door de verschillende gebruikers (pleziervaart, passagiersvaart, goederenvaart). Het water wordt beschouwd als levend erfgoed met zo min mogelijk overlast voor 'bewoners en bezoekers'. Het gebruik daarvan moet in balans zijn met de overlast die bewoners en bezoekers daarvan ondervinden. In deel 1 van de Nota Varen is dit vertaald in de volgende beleidsdoelstellingen.

  • voldoende ruimte voor bewoners door het aantal vaarbewegingen en boten te beheersen en door het spreiden van plezier- en passagiersvaart;
  • beheersen drukte en vermindering overlast: de toenemende drukte op het water maakt dat het stedelijk milieu en de leefbaarheid onder druk staan. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid worden emissie-eisen gesteld;
  • verdeling schaarse ruimte: de capaciteit van de grachten is beperkt. Dat maakt dat er keuzes gemaakt moeten worden voor wie er ruimte wordt geboden en in welke mate. Het is voor de gemeente van belang dat er in ieder geval voldoende ruimte is voor pleziervaart, waar ook bewoners in het bijzonder aan hechten, en voor goederenvervoer over het water;
  • bescherming van het karakter van de grachten als historisch erfgoed: de grachtengordel is UNESCO werelderfgoed. De uitstraling en het karakter dienen behouden te worden;
  • filevorming op het water en massatoerisme passen niet bij dat karakter en doen af aan het monumentale visitekaartje van de stad dat de grachtengordel zou moeten vormen;
  • waarborgen vlotte en veilige doorvaart: teveel boten op de grachten brengen ten slotte de vlotte en veilige doorvaart in gevaar. Dat is een algemeen aandachtspunt - waarbij op specifieke knelpunten bijzondere maatregelen nodig zijn.

De Nota Varen deel 1 geeft het kader voor het vaarbeleid, bevat vergunningenbeleid voor de passagiersvaart en regels voor het gebruik van het water en bevat een aantal maatregelen om de beleidsdoelen te behalen. Het betreft de volgende besluiten.

  1. De '12+ regel': Een pleziervaartuig mag dan niet meer dan 12 passagiers plus een schipper aan boord hebben. Dit houdt in dat iedere groep van 12 of meer personen aangewezen is op een vergund passagiersvaartuig met schipper. Deze maatregel zal worden toegevoegd aan de Verordening op het binnenwater 2010.
  2. Handhaving: De komende jaren zal structureel meer handhaving worden ingezet op het water en op de wal. Ook werken de handhavende partijen nu intensiever samen waardoor zij effectiever kunnen werken.
  3. Overlast: Hierbij gaat het voornamelijk over geluidoverlast en ongepast gedrag, vaak veroorzaakt door grotere groepen Amsterdammers of bezoekers. Deze overlast is niet zelden het gevolg van overmatig drankgebruik van de passagiers. Alcoholgebruik op de boot door passagiers is niet verboden, maar het veroorzaken van overlast kan wel degelijk beboet worden.
  4. Nachtsluiting: Het college van B&W heeft nu de bevoegdheid om, wanneer zij dat nodig acht, een nachtsluiting aan te kondigen voor de grachtengordel van 00.00 tot 7.00 uur om de bewoners van de binnenstad een normale nachtrust te kunnen bieden.

Nota Varen deel 2 

De op 20 mei 2020 door de gemeenteraad goedgekeurde Nota Varen deel 2 bevat een uitwerking van het nieuwe vaarbeleid uit deel 1 voor wat betreft de volgende aspecten.

  • het op- en afstapbeleid;
  • het ligplaatsenbeleid;
  • verduurzamingsmaatregelen;
  • vignetbeleid;
  • maatregelen ter stimulering van (goederen)transport over water.

In het kader van het bestemmingsplan zijn vooral de op- en afstappen en de ligplaatsen voor passagiersvaart van belang.

Op- en afstapplaatsen passagiersvaart

Het volumebeleid voor exploitatievergunningen voor passagiersvaart uit de Nota Varen deel 1 houdt in dat de gemeente voor passagiersvaartuigen vergunningen verleent voor bepaalde tijd en in tranches. Ook nieuwe toetreders kunnen zodoende een vergunning verkrijgen. Zowel nieuwe toetreders als zittende reders hebben een op- en afstaplocatie en een ligplaats nodig. De invoering van het volumebeleid vereist daarom een flexibeler gebruik van zowel de op- en afstaplocaties als de ligplaatsen. Het stimuleren van transport over water vereist eveneens een flexibeler gebruik van de op- en afstaplocaties en de ligplaatsen. Om toekomstbestendig te zijn, dient het gebruik van de huidige op- en afstaplocaties dan ook efficiënter te worden. Een andere belangrijke reden om het op- en afstapbeleid te herzien, is de aanpak van de drukte en overlast als gevolg van de toeristenstromen. Toerisme hoort bij de stad, maar de toenemende drukte die dit met zich meebrengt zet het stedelijk milieu, de leefbaarheid, het karakter van de grachtengordel, het vlotte en veilig verkeer en de openbare orde onder druk. De gemeente herziet om deze redenen het huidige gebruik van de op- en afstaplocaties in de stad en pakt de overlast aan op met name de populaire op- en afstaplocaties.

De op- en afstaplocaties zijn onder te verdelen in locaties die voor ieder passagiersvaartuig met een exploitatievergunning toegankelijk zijn (openbare op- en afstaplocaties) en locaties die exclusief worden gebruikt door bepaalde reders en waarmee de gemeente afspraken heeft gemaakt over het gebruik ('exclusieve' op- en afstaplocaties).

De maatregelen om de gestelde doelen te bereiken zijn de volgende:

  • flexibel gebruik op de exclusieve op- en afstaplocaties: Omdat op de huidige exclusieve op- en afstaplocaties niet genoeg ruimte is om iedere (toekomstige) vergunninghouder een exclusieve op- en afstaplocatie te geven, is het noodzakelijk om het gebruik van de huidige exclusieve op- en afstaplocaties flexibeler te maken. Het uitgangspunt daarbij efficiënt ruimtegebruik.
  • extra op- en afstapplekken in het Entreegebied: Het water aan de centrumzijde van het Centraal Station (het Open Haven Front) functioneert als 'de Entree' naar de stad. In dit Entreegebied worden extra op- en afstapplekken voor de passagiersvaart gecreëerd.
  • overstaplocaties rondvaartboot op touringcar en rondvaartboot op riviercruise: Overstapplaatsen buiten het centrum dragen bij aan het beter spreiden van het vaarverkeer en het verminderen van de overlast en drukte in het centrum. Voor (het uitbreiden van de) overstaplocaties zijn de Zouthaven, de De Ruijterkade Oost en de De Ruijterkade West in beeld.
  • creëren openbare op- en afstaplocaties voor (goederen)transport over water met medegebruik passagiersvaart voor incidentele afvaart: Om het (goederen)transport over het water te stimuleren, zullen openbare op- en afstaplocaties worden aangewezen voor (al dan niet exclusief) gebruik door transportvaartuigen.
  • op- en afstapplekken voor segment Onbemand in de jachthavens: Onderzocht wordt of de ligplaatsen van onbemande vaartuigen in jachthavens tevens gebruikt kunnen gaan worden als op- en afstapplaats.
  • aanstellen van een op- en afstapcoördinator: De aan te stellen op- en afstapcoördinator fungeert als aanspreekpunt voor de reders, monitort of er voldoende open afstaplocaties zijn voor vergunninghouders en verdeelt de op- en afstapplekken op transparante wijze.
  • aanpakken overlast openbare op- en afstaplocaties.

In afwijking van het coalitieakkoord is het college niet voornemens om de openbare op- en afstaplocaties voor rondvaartboten naar buiten het centrum te verplaatsen. Verwacht wordt dat de maatregelen in de Nota Varen delen 1 en 2 de overlast en drukte op en rondom het water zullen verminderen. Bovendien zijn deze maatregelen beter uitvoerbaar en wordt een mogelijk waterbedeffect naar de overige stadsdelen voorkomen.

Ligplaatsen passagiersvaart 

Het volumebeleid voor exploitatievergunningen voor passagiersvaart uit de Nota Varen deel 1 vereist tevens een nieuwe inrichting en ordening van het bestaande ligplaatsensysteem. Daartoe wordt het ligplaatsenbeleid herzien, waarbij in het beleid tevens meer uniformiteit wordt gebracht. Overigens betreft het alleen ligplaatsen voor passagiersvaart. Ligplaatsen voor de transportsector worden in het ligplaatsenbeleid alleen meegenomen voor zover er raakvlakken zijn. Ligplaatsen voor de pleziervaart vallen buiten de reikwijdte van de hier genoemde maatregelen.

De gemeente zal erop toezien dat er in redelijkheid voldoende ligplaatsen beschikbaar blijven voor de passagiersvaartuigen met een exploitatievergunning. Voor het (goederen)transport wordt geïnventariseerd welke behoefte er bestaat aan ligplaatsen in of nabij de stad. Dit wordt meegenomen bij de verdere uitwerking van het ligplaatsenbeleid. De beperkte ruimte voor ligplaatsen in openbaar water vraagt ook een flexibelere invulling van het huidige gebruik van de ligplaatsen.

Het nieuwe ligplaatsenbeleid bestaat uit de volgende maatregelen:

  • harmoniseren van de prijzen voor ligplaatsen in openbaar water en in jachthavens: Er wordt een voorstel uitgewerkt om vanaf 2022 de prijzen voor ligplaatsen in openbaar water verder te harmoniseren met de prijzen voor vergelijkbare ligplaatsen in een jachthaven.
  • meer (centrale) regie nemen en een ligplaatsenplan opstellen: In samenwerking met de stadsdelen wordt een ligplaatsenplan opgesteld voor zowel bestaande als mogelijk nieuwe locaties voor ligplaatsen. Hierbij gelden verschillende richtlijnen, zoals een evenwichtige verdeling tussen de stadsdelen, goede ruimtelijke inpassing en het voorkomen van overlast. In de Verordening op het binnenwater 2010 zal daartoe worden opgenomen dat het college bevoegd zal zijn ligplaatsen aan te wijzen, inclusief een bevoegdheid tot ordening naar functie (passagiersvaartuigen en overige bedrijfsvaartuigen). Bij het aanwijzen van locaties zal (vanzelfsprekend) de wet- en regelgeving rondom ruimtelijke ordening in acht worden genomen. Tevens zal voor de tijdelijke ligplaatsen worden gekeken naar mogelijkheden om deze locaties permanent in gebruik te nemen. Daarbij zullen de publiekrechtelijke aanspraken (zoals omgevingsvergunningen) en privaatrechtelijke aanspraken (zoals gebruiks- of huurovereenkomsten) rondom een ligplaats in kaart worden gebracht en waar nodig worden opgezegd, ingetrokken of omgezet.
  • opstellen centraal ligplaatsenregister: In overleg met de reders en de stadsdelen wordt in een op te stellen centraal ligplaatsenregister, per ligplaats in openbaar water opgenomen welk(e) type(n) passagiersvaartuig in aanmerking kom(t)(en) voor die ligplaats. In het register wordt ook opgenomen of er sprake is van een ligplaats met een bijzondere eigendomssituatie (zoals erfpacht, recht van overpad of dubbel liggen) of waarover een overeenkomst is gesloten of afwijkende publiekrechtelijke voorschriften zijn bepaald. Privaatrechtelijke overeenkomsten over het gebruik van de ligplaats zullen worden opgezegd. Daarmee bevat het register een volledig overzicht van de specifieke situatie op alle ligplaatsen en vormt het de basis voor het kunnen (her)verdelen van ligplaatsvergunningen.
  • koppelen ligplaatsvergunning aan exploitatievergunning: Om te voorkomen dat passagiersvaartuigen zonder exploitatievergunning op een ligplaats in openbaar water (blijven) liggen, waardoor er ligplaatsen beschikbaar zijn voor andere exploitanten, zal een ligplaatsvergunning voor een ligplaats van een specifiek vaartuig in openbaar water worden ingetrokken wanneer de reder de exploitatievergunning voor dat vaartuig verliest. Hiertoe zal de Verordening op het binnenwater 2010 worden aangepast.
  • uitwerken uitgifteregeling ligplaatsvergunningen: De kern van de regeling is het omzetten van ligplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd naar bepaalde tijd en het (her)verdelen van de huidige ligplaatsvergunningen. Uitgangspunten van de regeling zijn het bieden van gelijke kansen op een (vrijkomende) ligplaats in openbaar water aan alle gegadigden en het voorkomen van onevenredige versnippering van ligplaatsen van dezelfde reder.
  • aanstellen van een ligplaatscoördinator: Om de vraag naar ligplaatsen en de verdeling over de locaties te coördineren wordt een ligplaatscoördinator aangesteld.
  • realiseren laadinfrastructuur bij ligplaatsen in openbaar water: Om de passagiersvaart te verduurzamen, is de gemeente voornemens om laadinfrastructuur te plaatsen op de ligplaatsen in openbaar water. De gemeente neemt daarin de regie om te voorkomen dat gebruikers van een ligplaats in eigen beheer laadinfrastructuur realiseren.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Aangezien het beleid nog moet worden uitgevoerd heeft dit gemeentelijke beleid geen consequenties voor dit bestemmingsplan. Voor diverse maatregelen geldt dat zij inmiddels zijn vertaald in de Verordening op het binnenwater 2010.

In en grenzend aan het onderhavige plangebied bevinden zich wel meerdere op- en afstapplaatsen en ligplaatsen voor de passagiersvaart.

verplicht
Afbeelding: Op- en afstapplaatsen en ligplaatsen voor passagiersvaart in en om het plangebied.  

De volgende op- en afstappplaatsen en ligplaatsen voor passagiersvaart maken onderdeel uit van het onderhavoge bestemmingsplan:

Singelgracht

De op- en afstappplaatsen en ligplaatsen langs de zuidoever van de Singelgracht, grenzend aan stadsdeel Centrum, maken wel onderdeel uit van het onderhavige bestemmingsplan. Het betreft vier op- en afstapplaatsen voor passagiersvaart. Het betreft drie 'exclusieve' op- en afstapplaatsen, te weten een ter hoogte van het Parkhotel en twee ter hoogte van het Rijksmuseum. Ter hoogte van de Jan Luykenstraat bevindt zich tevens een openbare op- en afstapplaats. In het van het plangebied deel uitmakende deel van de Singelgracht bevinden zich daarnaast drie ligplaatsen voor passagiersvaart, te weten twee ligplaatsen ter hoogte van het Parkhotel (beide met het adres Stadhouderskade 501) en een ligplaats ter hoogte van de Jan Luykenstraat (tegenover Stadhouderskade 42).

verplicht
Afbeelding: Op- en afstapplaatsen en ligplaatsen voor passagiersvaart in het plangebied langs de Singelgracht.

Boerenwetering

Langs de beide oevers van de Boerenwetering liggen ten noorden van de brug van de Ceintuurbaan vier ligplaatsen voor passagiersvaart. Twee van deze ligplaatsen liggen aan de oostoever van de Boerenwetering, en liggen daarmee buiten het onderhavige bestemmingsplan. De twee ligplaatsen langs de westoever van de Boerenwetering ten noorden van de Ceintuurbaan maken wel onderdeel uit van het onderhavige bestemmingsplan.

verplicht
Afbeelding: Ligplaatsen voor passagiersvaart in het plangebied langs de Boerenwetering ten noorden van de Ceintuurbaan.  

De bestaande voorzieningen voor passagiersvaart (steigers et cetera) in de Singelgracht en de Boerenwetering zijn als zodanig in het bestemmingsplan opgenomen. Een toename (in aantal of oppervlak) van deze voorzieningen is in het kader van het beleid niet gewenst en wordt in het bestemmingsplan daarom niet mogelijk gemaakt.

De Nota Varen handelt niet over de ligplaatsen voor woonboten. In het plangebied bevinden zich enkele ligplaatsen voor woonboten. Deze komen hierna aan bod in de paragrafen 'Verordening op het binnenwater' en '(Paraplu)bestemmingsplan Drijvende bouwwerken'.

5.5.27 Overstaplocaties Touringcar-Riviercruise-Rondvaart     

Op 30 september 2020 heeft de gemeenteraad het Uitwerkingsplan Overstaplocaties Touringcar-Riviercruise-Rondvaart vastgesteld. Het uitwerkingsplan is gericht op een samenhangend en goed functionerend netwerk van overstaplocaties voor rondvaart, riviercruise en touringcar. Er moet mee worden bereikt dat de drukte en overlast in de stad en onnodige vervoersbewegingen worden tegengegaan.

Het streven is om aan de rand van het centrum in 2022 voldoende overstapfaciliteiten te bieden. Het is nu namelijk te druk bij de centrumzijde van het Centraal Station, het Rokin en het Natte Damrak. Het opheffen van de touringcarhaltes hier (die deels gebruikt worden voor de overstap van touringcar op rondvaart) gebeurt ná de geplande verplaatsing van de touringcarafhankelijke rondvaartactiviteiten naar andere plekken in de stad.

Gewenste situatie 2022 

In het Uitwerkingsplan Overstaplocaties is aangegeven hoe de gemeente toewerkt naar de nieuwe situatie in 2022. Er is aangegeven waar (deels nieuwe) plekken gerealiseerd moeten worden alsmede welke huidige overstaplocaties nodig zijn. Bij het toewerken naar een efficiënte, effectieve en duurzame overstap van passagiers tussen touringcars, rondvaartboten en riviercruises worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • spreiding van drukte;
  • minimaliseren van (onnodige) vervoersbewegingen;
  • efficiënt en effectief gebruik van overstaplocaties.

Daarnaast is voor een goed functionerend stelsel van overstaplocaties in 2022 het van belang dat:

  • overstaplocaties zo min mogelijk overlast veroorzaken voor inwoners en ondernemers in de stad;
  • optimaal gebruik wordt gemaakt van de al aanwezige voorzieningen op overstaplocaties die niet verdwijnen;
  • de overstap van touringcar op rondvaart en vice versa wordt gefaciliteerd op locaties die binnen een redelijke vaartijd van het centrum zijn gelegen;
  • de overstap van riviercruise op touringcar en vice versa en de overstap van riviercruise op rondvaart wordt zo veel mogelijk gefaciliteerd op de riviercruise locaties; zo lang de riviercruise op de huidige locaties ligt, is het verstandig hier ook de overstap te faciliteren om (onnodige) touringcarbewegingen tegen te gaan;
  • er een reserveringssysteem komt voor het overstappen om de overstapcapaciteit eerlijk te verdelen en zo efficiënt mogelijk te gebruiken.

Globale verkenning toekomstige overstaplocaties (na 2030)

Het overstapstelsel zoals dat in 2022 wordt beoogd, is een stelsel dat voor de komende 10 tot 15 jaar voldoende perspectief moet bieden op een efficiënte overstap tussen rondvaart, touringcar en riviercruise in Amsterdam. Door toenemende drukte in en rond het centrum is het wenselijk de druk op de openbare ruimte in het centrum te verminderen. Het verplaatsen van overstaplocaties kan daaraan een bijdrage leveren. Overstaplocaties worden dan verder van het centrum af gesitueerd. Het gaat hier niet om het aantal overstaplocaties te doen laten groeien, maar juist de transitie 'de stad uit' verder in te vullen.

Nader onderzoek is nodig om te bezien of hiervoor op termijn zoeklocaties nodig zijn en aan welke criteria deze overstaplocaties moeten voldoen. Daarbij is in de tussenliggende periode (vanaf 2022 tot 2030) consequente afstemming met de branches, stadsdelen en Port of Amsterdam van belang. In onderling overleg moet bekeken worden wat de meest kansrijke zoeklocaties zijn en waar het beter kan.

Consequenties voor dit bestemmingsplan 

Om de overstap van touringcar op rondvaart te faciliteren, te spreiden en het aantal vervoersbewegingen te minimaliseren, zijn naast het opheffen van halteerplekken in het centrum de huidige overstaplocaties in de omgeving van het Leidseplein, Museumplein en het Rijksmuseum van belang. Binnen het onderhavige plangebied bevinden zich langs de Stadhouderskade twee locaties waar naast de reguliere rondvaarttochten ook overgestapt wordt van touringcar op rondvaart en vice versa. Het gaat om de overstaplocaties voor het Rijksmuseum en voor het Parkhotel. Deze plekken blijven ook na 2022 in gebruik en daar blijft overstappen van touringcar op rondvaart mogelijk. Deze overstaplocaties zijn nodig om het systeem van overstappen te kunnen laten functioneren. Als een van deze locaties zou komen te vervallen, zou dit onvermijdelijk leiden tot een heroverweging of de overstap aan de centrumzijde van het Centraal Station in 2022 kan worden opgeheven. Op dit moment zijn deze twee op- en afstaplocaties in exclusief gebruik van enkele rederijen. In lijn met de Nota Varen Deel 2 zullen afspraken worden gemaakt over medegebruik op deze locaties vanaf 2022. Medegebruik betekent dat deze locaties, efficiënter kunnen worden ingezet als overstaplocatie en ook door andere rederijen gebruikt kunnen worden.

In het uitwerkingsplan wordt geconcludeerd dat de bestaande overstapcapaciteit voldoende is voor de gewenste situatie in 2022. Dat komt mede door het in stand houden van de op- en afstapplekken voor passagiersvaart in de omgeving van het Leidseplein en het Musuemplein en de mogelijkheid om hier over te stappen van touringcar op rondvaart en vice versa. De globale verkenning voor de langere termijn (na 2030) is nog onvoldoende uitgewerkt om in dit bestemmingsplan rekening te houden met toekomstige zoeklocaties.

Daarmee is er geen aanleiding om het bestemmingplan uitbreiding van op- en afstaplocaties (in aantal en omvang) mogelijk te maken. Dit sluit overigens aan op het voornemen van het college van B&W om naar aanleiding van de Nota Varen geen openbare op- en afstaplocaties voor rondvaartboten naar buiten het centrum te verplaatsen.

5.5.28 Verordening op het binnenwater     

5.5.28.1 Verordening op het binnenwater 2010     

Op 1 februari 2010 is de gemeentelijke Verordening op het binnenwater 2010 (Vob) in werking getreden. In de verordening is aangegeven dat het water en de stad Amsterdam onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het 'blauwe goud' is een kenmerkende en waardevolle kwaliteit van de stad.

De Vob bevat het regelgevende kader voor de Amsterdamse binnenwateren. Daarin zijn algemene regels opgenomen voor het varen op die wateren en is bepaald in welke gevallen bijvoorbeeld een vergunning is vereist voor een activiteit. Op grond van de Vob is het verboden om zonder of in afwijking van een vergunning van het college van B&W (deze bevoegdheid is gedelegeerd naar het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel) met een woonboot ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons-, locatie-, en vaartuiggebonden. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van de welstand, ordening, de veiligheid, het milieu en de vlotte en veilige doorvaart. De vergunning kan uitsluitend worden verleend aan de eigenaar(s) van de boot.

De Vob bevat overigens geen inhoudelijke bepalingen die betrekking hebben op de ruimtelijke inrichting, bijvoorbeeld of een woonboot ergens permanent mag worden afgemeerd. Hiertoe zijn veeleer de Wet op de ruimtelijke ordening en het bestemmingsplan de aangewezen juridische instrumenten. Bij afgifte van een ligplaatsvergunning toetst het bestuursorgaan vervolgens (onder andere op basis van het bestemmingsplan) of dit vanuit de optiek van de ruimtelijke ordening is toegestaan.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Op grond van de Verordening op het binnenwater dienen alle boten te beschikken over een ligplaatsvergunning. In het onderhavige bestemmingsplan liggen twee woonboten met een ligplaatsvergunning, te weten langs de westoever van de Boerenwetering ter hoogte van Gerard Terborgstraat. Deze woonboten zijn reeds in het vigerend bestemmingsplan als zodanig opgenomen en worden ook in dit bestemmingsplan als zodanig opgenomen.

In tegenstelling tot het voorgaande bestemmingsplan zijn de woonboten in het plangebied in dit bestemmingsplan aangemerkt als (drijvende) bouwwerken die omgevingsvergunningsplichtig zijn oor de activiteit 'bouwen'. Dit wordt hierna toegelicht in de paragraaf '(Paraplu)bestemmingsplan Drijvende bouwwerken'.

5.5.28.2 Regeling op het binnenwater 2020     

De Vob laat het voor een aantal specifiek omschreven onderwerpen aan het college van burgemeester en wethouders over om nadere invulling te geven aan die kaders of om aanvullende regels te stellen. De Vob vormt ook het juridisch kader voor het regelen van op- en afstapplaatsen en ligplaatsen voor passagiersvaart.

Op 1 september 2020 is de Regeling op het binnenwater 2020 in werking getreden, waarmee de Vob ingrijpend is gewijzigd. Met het 'Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent vaststelling van nadere regels over het binnenwater (Regeling op het binnenwater 2020)' zijn diverse in de Nota Varen aangekondigde maatregelen vastgelegd. Het betreft onder meer het verbod om te varen met meer dan 13 personen en het systeem voor het uitgegeven van vergunningen voor passagiersvaart.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Het in de Vob juridisch verankeren van de diverse in de Nota Varen aangekondigde maatregelen heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan. Zoals aangegeven in paragraaf 'Nota Varen', zijn de bij de op- en afstapplaatsen en ligplaatsen behorende voorzieningen voor de passagiersvaart als zodanig in het bestemmingsplan opgenomen. Een toename (in aantal of oppervlak) van deze voorzieningen is in het kader van het beleid niet gewenst en wordt in het bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt.

5.5.29 (Paraplu)bestemmingsplan Drijvende bouwwerken     

De aanleiding voor het opstellen van het paraplubestemmingsplan Drijvende bouwwerken is gelegen in twee uitspraken van de Raad van State, waarin is geoordeeld dat in een aantal gevallen (woon)boten en bedrijfsvaartuigen beschouwd moeten worden als bouwwerken. Dat was voordien niet het geval.

De uitspraken hebben (in ieder) tot gevolg gehad:

  • dat woonboten en bedrijfsvaartuigen met een vaste ligplaats die hoofdzakelijk worden gebruikt voor verblijf op grond van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) moeten worden aangemerkt als bouwwerk en omgevingsvergunningsplichtig zijn geworden voor de activiteit 'bouwen';
  • dat veel van deze drijvende bouwwerken niet voldoen aan de geldende regelgeving van het Bouwbesluit en daarmee een onzekere status zouden krijgen. Voor deze bouwwerken zijn immers geen omgevingsvergunningen op grond van de Wabo afgegeven omdat dat niet nodig was. Zij zijn evenmin getoetst aan het Bouwbesluit omdat dat geen onderdeel van het ligplaatstelsel was.

Deze gevolgen pasten echter niet in het wettelijke stelsel. Daarom is de Wet Verduidelijking voorschriften woonboten gemaakt, die de gevolgen van de uitspraken in een duidelijk wettelijk kader plaatst. Deze wet is op 1 januari 2018 in werking getreden. In de wet wordt met specifiek overgangsrecht geregeld dat de technische voorschriften van het Bouwbesluit 2012 niet van toepassing zijn op de op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet bestaande woonboten of bestaande andere drijvende objecten, die hoofdzakelijk worden gebruikt voor verblijf van personen.

De noodzakelijke aanpassingen van het Bouwbesluit 2012 zijn gelijktijdig met de hiervoor genoemde aanpassingen in werking getreden.

Het paraplubestemmingsplan Drijvende bouwwerken heeft de gemeente invulling gegeven aan de gewijzigde juridisch planologische status van woonboten en bedrijfsvaartuigen die als drijvend bouwwerk moeten worden beschouwd. Met het parapluplan worden meer dan zestig bestemmingsplannen in Amsterdam waarin drijvende bouwwerken zijn opgenomen in één keer aangevuld c.q. aangepast met bouwregels.

Het paraplubestemmingsplan, dat is vastgesteld op 18 september 2019 en inmiddels onherroepelijk is, biedt rechtszekerheid voor eigenaren/bewoners en het vereenvoudigt de procedure om tot vervanging of verbouwing te komen. Het uitgangspunt bij het paraplubestemmingsplan is om de bestaande rechten te respecteren, maar ook om nadrukkelijk niet meer rechten te bieden aan eigenaren/bewoners dan het geval was voor de inwerkingtreding van het paraplubestemmingsplan. Het plan betreft uitsluitend een juridische regeling. Er is geen ruimte voor andere (ruimtelijke) afwegingen. Dit komt aan bod bij de herzieningen van de moederplannen zodra die herzien worden in het kader van actualisatie of planvorming. Op dat moment kan een integrale afweging gemaakt worden waarbij alle relevante aspecten beoordeeld worden. Het paraplubestemmingsplan voorziet expliciet niet in bouwregels voor de bouw van steigers, terrassen en andere drijvende plaatsgebonden objecten bij woonboten/bedrijfsvaartuigen.

Consequenties voor dit bestemmingsplan 

Het parapluplan Drijvende bouwwerken geldt ook voor de waterwegen in het onderhavige bestemmingsplan Museumkwartier en Valeriusbuurt. In het onderhavige bestemmingsplan zijn de in het plangebied liggende woonschepen en -arken (alsmede bedrijfsboten dan ook opgenomen als drijvende bouwwerken. Dit is in overeenstemming met het paraplubestemmingsplan Drijvende bouwwerken.

In het huidige bestemmingsplan gelden voor deze woonschepen en -arken (en bedrijfsboten) tevens maximum maten ten aanzien van de omvang (lengte, breedte en hoogte). Er is geen aanleiding om de ruimtelijke voorwaarden voor de schepen, arken en boten in het nieuwe bestemmingsplan aan te passen. In dit bestemmingsplan zijn daarom de ruimtelijke voorwaarden (ligging, omvang e.d.) overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan.

5.5.30 Welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam 2016'     

De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 14 september 2016 de welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam 2016' vastgesteld. In de nota zijn de inhoudelijke gronden van het welstandstoezicht opgenomen en is inzichtelijk gemaakt wat de toetsingscriteria zijn waarop een bouwplan wordt beoordeeld. In verband met de aanwijzing van Plan Zuid tot Rijksbeschermd Stadsgezicht, is de nota in april 2018 herzien.

Uitgangspunt van de welstandsnota is de verdeling in ruimtelijke systemen (zones waarin de bebouwing een gelijksoortig karakter heeft). Voorbeelden van ruimtelijke systemen zijn (in volgorde van de periode van realisering) de Binnenstad, de 19e-eeuwse Ring, de Gordel '20-'40, de tuindorpen, de woongebieden na 1985 en de IJ-landen. Aan de verschillende ruimtelijke systemen/gebieden zijn passende uitgangspunten en welstandscriteria gekoppeld.

Zowel bestemmingsplannen als welstandsnota's doen uitspraken over de ruimtelijke kwaliteit. Het bestemmingsplan geeft de primaire voorschriften: het regelt dat er een bouwwerk met een bepaalde functie en van een bepaalde omvang op een locatie mag komen. Aanvullend op het bestemmingsplan geeft de welstandsnota aanwijzingen voor het uiterlijk van een bouwwerk (secundaire voorschriften). Bouwaanvragen zullen voor dit plangebied getoetst worden aan de uitgangspunten uit de Welstandsnota. Dit bestemmingsplan vormt de juridisch-planologische kader waar in de advisering door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) tevens rekening mee moet worden gehouden.

Consequenties voor dit bestemmingsplan

Het onderhavige plangebied is in de welstandsnota onderdeel van twee ruimtelijke systemen, te weten de 19e-eeuwse Ring en de Gordel '20-'40.

verplicht
Afbeelding: De welstandsgebieden in het plangebied  

19e-eeuwse Ring

Het merendeel van het plangebied valt binnen de 19e-eeuse Ring. De 19e eeuwse Ring bevat stenige woonbuurten met voornamelijk middelhoge gesloten woonblokken. Blokken bestaan uit individuele panden en samenhangende ensembles van hoogstens vijf bouwlagen. De waarde ligt vooral in de stedenbouwkundige structuur met de gesloten bouwblokken en doorgaande straatwanden met individuele woningen. Het beleid is gericht op het behoud en herstel van de visuele samenhang in de straatwanden. Bij de beoordeling wordt in dit verband met name aandacht geschonken aan de opeenvolging van de gevels in het straatbeeld alsmede de verdere architectonische uitwerking met inbegrip van materiaal en kleur. Bij renovatie of nieuwbouw is het wenselijk de hoofdkenmerken van dit ruimtelijk systeem als uitgangspunt te nemen. De oorspronkelijk architectonische kwaliteit vormt een belangrijke context voor eventuele veranderingen. Bij de beoordeling van plannen wordt onder meer aandacht geschonken aan het bloksgewijze karakter met aaneengesloten rooilijnen en plastiek in de gevels, waarbij uitgangspunt is dat panden en ensembles onderling subtiel verschillen.

Gordel '20-'40

De Harmoniehof in het zuidoostelijke deel van het plangebied maakt deel uit van de Gordel '20-'40. Deze gordel beslaat de grote stedelijke uitbreiding die is gerealiseerd tussen de beide wereldoorlogen. Karakteristiek is de nauwe samenhang tussen stedenbouw en architectuur. Het beleid is gericht op behoud van samenhang tussen stedenbouwkundige structuur en architectonische uitwerking. De stedenbouwkundige structuur van de Gordel '20-'40 is gebaseerd op diverse stedenbouwkundige plannen, de invulling per plan is door verschillende architecten vormgegeven onder regie van de gemeente. Bij de advisering wordt in relatie met de waarderingskaarten onder meer aandacht geschonken aan het behoud van het straatbeeld met herhaling in rooilijnen en gevelindeling en samenhang in zowel de architectonische uitwerking als het gebruik van materiaal en kleur. Daarbij zijn de nadrukkelijke baksteenarchitectuur (met zowel herhaling als subtiele variatie) en de zorgvuldige detaillering van gevelelementen (zoals een goed gekozen reliëf) vanzelfsprekende aandachtspunten. Het bouwplan wordt beoordeeld in relatie tot de omgeving. Gebieden met een minder rijke volumeopbouw en (oorspronkelijke) architectuur vragen van bouwplannen een vergelijkbare inzet zonder daarbij afbreuk aan de openbare ruimte te doen. In de hele Gordel wordt gestreefd naar behoud en herstel. De oorspronkelijke kwaliteit op elk niveau vormt een belangrijke afweging bij eventuele sloop-, nieuwbouw- en renovatieplannen.

Welstandsniveaus 

Rijksbeschermd Stadsgezicht 

De bebouwing in de strook aan de zuidzijde van het plangebied maakt onderdeel uit van Plan Zuid van H.P. Berlage, dat per 1 april 2018 is aangewezen als Rijksbeschermd Stadsgezicht. Met de aanwijzing is Plan Zuid wettelijk beschermd. Hier is behoud van cultuurhistorische waarden en de daarbij behorende kwaliteiten het uitgangspunt voor de welstandstoets.

Beschermde stads- en dorpgezichten zijn gebieden die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, hun onderlinge samenhang of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde. Het gaat in een beschermd gezicht niet alleen om de afzonderlijke gebouwen die een bepaalde waarde vertegenwoordigen, maar juist om de onderlinge samenhang en de daarbij behorende structuur, dan wel aanleg, die een cultuurhistorische betekenis heeft.

In een beschermd gezicht is het slopen van panden moeilijker, omdat de waarde van de bestaande bebouwing nadrukkelijk een rol speelt in het afwegingsproces. Bij verbouwings- of vernieuwingsplannen wordt strenger beoordeeld of een plan een stedenbouwkundige of architectonische verbetering voor het geheel oplevert. Er wordt vooral gekeken naar het behoud van de samenhang. Daarom gelden ook in een beschermd gezicht deels andere regels voor vergunningvrij bouwen.

De grens van het beschermd stadsgezicht loopt via de Cornelis Krusemanstraat en de De Lairessestraat tot aan de Banstraat, en van daar af vervolgens langs de Banstraat, de Nicolaas Maessstraat, de Jacob Obrechtstraat en het Jacob Obrechtplein, de Bartholomeus Ruloffsstraat, de Bronckhorststraat en het Roelof Hartplein en de Roelof Hartstraat.

verplicht
Afbeelding: De welstandsniveaus in het plangebied  

Bijzonder welstandsniveau 

Voor het deel van het plangebied dat geen onderdeel is van het Rijksbeschermd Stadsgezicht Plan Zuid geldt een bijzonder welstandsnivau. Een bijzonder welstandsniveau is van toepassing op gebieden waar van een ontwerp mag worden verwacht, dat het een bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en aan de kwaliteit van het bouwwerk op zichzelf. Dit zijn (onder meer) de gebieden met een groot belang voor het aanzien van de stad.

De Welstandsnota functioneert zelfstandig naast het bestemmingsplan. Wel zullen bouwaanvragen voor dit plangebied getoetst worden aan de uitgangspunten uit de Welstandsnota. Dit bestemmingsplan vormt het juridisch-planologische kader waar in de advisering door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) rekening mee dient te worden gehouden.

Voor het beschermen van de cultuurhistorische waarden in het plangebied is in het bestemmingsplan een koppeling gelegd met de waarderingskaarten die onderdeel zijn van de welstandnota (zie verder de paragraaf 'Cultuurhistorie').

5.6 Stadsdeelbeleid     

5.6.1 Horecabeleid     

Het Horecabeleid Zuid 2011 is door de burgemeester vastgesteld en daarmee van toepassing als gemeentelijk beleid. Doelstelling van het horecabeleid is het verlevendigen en aantrekkelijker maken van het stadsdeel en het verruimen van mogelijkheden voor ondernemers, zonder dat het woon- en leefklimaat onder onevenredige druk komt te staan.

Zelfstandige horeca: horecacategorieën

Om een gerichter horecabeleid te voeren worden in bestemmingsplannen in Stadsdeel Zuid meerdere 'horecacategorieën' gehanteerd voor zelfstandige horeca. De horeca-categorisering vindt zijn grondslag in ruimtelijk en sociaal relevante aspecten als ruimtelijke uitstraling, verkeersaantrekkende werking, invloed op directe (woon)omgeving, geluid- en stank overlast en sociale veiligheid.

verplicht
Afbeelding: horecacategorieën bestemmingsplannen  

De afgelopen jaren is onduidelijkheid ontstaan over wat de grenzen zijn tussen de horecacategorieën. Dit heeft onder andere te maken met nieuwe trends, concepten en formules waar de regelgeving niet in voorziet. Voorbeelden zijn onder andere dansen in een restaurant of café en uiteenlopende vormen van zaalverhuur. Deze nieuwe ontwikkelingen passen niet eenduidig binnen de bestaande horecacategorieën. In het horecabeleid is aangegeven hoe hiermee in het bestemmingsplan wordt omgegaan.

Ondersteunende horeca

In het horecabeleid worden twee vormen van ondersteunende horeca onderscheiden, te weten ondersteunende horeca in detailhandel en andere publieksfuncties (mengformules) en ondersteunende horeca in instellingen van maatschappelijke, culturele en sportieve voorzieningen.

  • Mengformules: Bij mengformules gaat het om winkels, kantoren (met een publieks- of baliefunctie), dienstverlenende bedrijven en grootschalige detailhandelsconcepten die geen planologische bestemming horeca hebben waarbij een deel van het vloeroppervlak gebruikt wordt als horeca. In het bestemmingsplan wordt dit aangemerkt als ondersteunende horeca. In het horecabeleid wordt voor mengformules een maximum maat gehanteerd van 30% van het vloeroppervlak met een absoluut maximum van 30 m2. Om een verhoging van de druk op het woon- en leefklimaat in het gebied te voorkomen, is in dit bestemmingsplan aangesloten bij de maximum maten die gelden op basis van het gemeentelijke beleid voor mengformules (onderdeel van het detailhandelsbeleid). Binnen die maten kan overigens geen alcohol worden geschonken, aangezien de absolute maximum maat van 20 m2 te klein is om op grond van de APV een drankvergunning te verkrijgen. Binnen winkels en andere consumentgerichte voorzieningen worden horeca-activiteiten toegestaan:
    1. tot maximaal 20% van het vloeroppervlak;
    2. met een maximum van 20 m2.