Zuidas-Vivaldi kavel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Algemeen     

Zoals ook aangegeven in de door het Rijk opgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gemeentelijke structuurvisie ontwikkelt Zuidas zich tot internationale toplocatie voor wonen en werken in de Metropoolregio Amsterdam. De uitstekende bereikbaarheid, de kwalitatief hoogwaardige omgeving en de economische aantrekkingskracht van Amsterdam vormen de grondslagen voor een succesvolle ontwikkeling. Een ontwikkeling waarmee Amsterdam en Nederland de internationale concurrentie aankunnen.

Sinds de vaststelling van het Masterplan Zuidas door de Gemeenteraad in 1998, wordt de ontwikkelingsstrategie voor Zuidas uitgewerkt in verschillende deelprojecten. Eén van deze deelprojecten is het project Vivaldi. Voor het project Vivaldi is op 22 juni 2016 het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' vastgesteld, dat vervolgens bij raadsbesluit van 10 mei 2017 partieel is herzien. Binnen het plangebied is een aantal uitwerkingsplichten opgenomen. Het voorliggende bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi kavel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening' geeft concrete invulling aan het ruimtelijke beleid voor dit gedeelte van Vivaldi en geeft, specifiek voor kavel 13 binnen projectgebied Vivaldi aan welke functies zijn toegestaan en hoe deze gronden bebouwd mogen worden. Kavel 13 is in het moederplan opgenomen als een uitwerkingsplicht. De invulling van kavel 13 wordt voor wat betreft het functioneel programma ruimer dan in de uitwerkingsplicht is opgenomen. Naast de concrete invulling van kavel 13 zal ook de kavel op de hoek van de Antonio Vivaldistraat en Domenico Scarlattilaan (kavel voormalig Drentestaete), ten zuidwesten van kavel 13, voor wat betreft de eerste fase in ontwikkeling worden genomen en hiermee deel gaan uitmaken van voorliggend bestemmingsplan.

Vivaldi bestaat onder andere uit kantoren, bedrijfsgebouwen, twee hotels en een woontoren. Het in procedure brengen van voorliggend bestemmingsplan is tweeledig. Ten eerste wordt met het bestemmingsplan een juridisch planologisch kader gegeven voor de ontwikkeling en concrete invulling van de eerder genoemde kavels. Voor de zone waarin kavel 13 is gelegen zijn stedenbouwkundige randvoorwaarden geformuleerd, voortbordurend op het herzien stedenbouwkundig programma van eisen dat in 2005 is vastgesteld en de opgenomen randvoorwaarden in de uitwerkingsplicht van het moederplan. Er is geen nieuw stedenbouwkundig plan opgesteld. Wel is een bouwenvelop opgesteld waarin de (nieuwe) randvoorwaarden en uitgangspunten zijn vastgelegd voor dit kavel en zijn gebruikt als kader voor dit bestemmingsplan.

Voor de hoek van de kavel ten zuidwesten van kavel 13 gaat het om een geheel nieuwe ontwikkeling voor een kantoortoren in combinatie met een tijdelijke fiets- en scooterparkeervoorziening op het maaiveld met daarboven een gemengd programma. Voor dit kavel is ook een bouwenvelop vastgesteld welke als uitgangspunt heeft gediend bij de opstelling van voorliggend bestemmingsplan.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een concrete eindbestemming voor beide kavels.

1.2 Bevoegdheden     

Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het stadsdeel Zuid. Bij besluiten van de Gemeenteraad van 1997, 29 oktober 2003, 13 juli 2011 en 18 februari 2014, is de Zuidas, waar het bestemmingsplangebied deel van uitmaakt, aangewezen als grootstedelijk project. Hierbij is besloten dat de bevoegdheden op grond van de Wet ruimtelijke ordening, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, bij de centrale stad liggen.

Op 12 juni 2013 heeft de Gemeenteraad besloten tot intrekking van de Verordening op de stadsdelen en tot vaststelling van de Verordening op de bestuurscommissies 2013. Deze verordening is op 19 maart 2014 (gewijzigd) in werking getreden. Directe aanleiding voor de wijziging was de wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Wet afschaffing deelgemeenten).

Op 21 maart 2018 is de Verordening op het lokaal bestuur in werking getreden. Met deze verordening is een nieuwe stap gezet in de ontwikkeling van het bestuurlijk stelsel. Het besluit is mede gebaseerd op de evaluatie van het in het 2014 ingevoerde bestuurlijke stelsel door een onafhankelijke evaluatiecommissie onder leiding van de professor A.F.M. Brenninkmeijer. Amsterdam houdt nadrukkelijk vast aan lokaal bestuur naast het centrale gemeentebestuur. Het stelsel is daarbij tot de kern teruggebracht in die zin dat er in elk van de zeven stadsdelen twee lokale onderdelen zijn ingesteld: een bestuurscommissie die wordt benoemd door het college van burgemeester en wethouders en die de taken en de bevoegdheden uitoefent die voorheen aan de algemene besturen van de stadsdelen waren toegekend en een stadsdeelcommissie die direct wordt gekozen en bestaat uit twee tot vier gebiedscommissies per stadsdeel. Deze stadsdeelcommissies geven zwaarwegende adviezen aan het dagelijks bestuur van het stadsdeel over zaken die spelen binnen hun stadsdeel.

De bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen in het (groot)stedelijk gebied Zuidas blijft onveranderd bij de gemeenteraad.

1.3 Crisis- en herstelwet     

1.3.1 Bestemmingsplan met verbrede reikwijdte     

Bij besluit van 25 januari 2019 tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (zeventiende tranche) is het plangebied Zuid As, gemeente Amsterdam, aangewezen als plangebied als bedoeld in artikel 7c, zeventiende lid, van het Besluit uitvoering Chw (bijlage 149). In dit artikel zijn de aangewezen plangebieden opgenomen en staan wettelijke bepalingen vermeld waarvan bij wijze van experiment kan worden afgeweken, evenals de voorwaarden en tijdsduur die gelden voor het experiment. Dit betekent onder andere dat de mogelijkheid wordt geboden om vooruitlopend op de Omgevingswet te experimenteren met het opstellen van een omgevingsplan, ook wel bekend als een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. In aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen in het bestemmingsplan hiermee ook regels worden gesteld die strekken ten behoeve van het:

  1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (artikel 7c, eerste lid, onder a van het Besluit Chw); en
  2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies (artikel 7c, eerste lid, onder b van het Besluit Chw).

Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan wordt toepassing gegeven aan het bestemmingsplan verbrede reikwijdte door de gemeente Amsterdam en wordt op de volgende onderdelen uit de Chw gebruik gemaakt:

  • regels voor de gehele fysieke leefomgeving;
  • planperiode van 20 jaar;
  • open normen/beleidsregels;
  • vormvrij bestemmingsplan (afwijken RO-standaarden).

Het bestemmingsplan verbrede reikwijdte wijkt af van de huidige reguliere bestemmingsplannen. Er gelden dan ook andere regels. Voor een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op basis van de 7e tranche geldt niet de actualiseringsplicht ex. artikel 3.1, tweede lid, Wro. Voor de looptijd kan worden aangesloten bij het in de 6e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet opgenomen experiment met een looptijd van 20 jaar (artikel 7b van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet). Dientengevolge behoeft ook niet te worden voldaan aan de in de jurisprudentie ontwikkelde verplichting dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan moet worden aangetoond dat de beoogde ontwikkeling binnen tien jaar kan worden gerealiseerd."

In de vijftiende tranche van de Chw (Stb. 2017, 275) is tevens de mogelijkheid opgenomen om duurzaamheidsnormen te stellen, zoals gasloos bouwen en een energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van maximaal 0,2. Het betreft normen die op grond van het Besluit uitvoering Chw reeds een bindende werking hebben (artikel 6p en 7c) voor de aangewezen delen. De normen gelden op grond van dat besluit overigens alleen verplicht voor woningen. Momenteel wordt onderzocht of dit kan worden uitgebreid naar andere functies en gebouwen.

Vanaf 1 januari 2021 zullen de EPC normen plaatsmaken voor de wettelijke eisen Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG), waarbij tevens een nieuwe bepalingsmethode (NTA 8800) van kracht wordt. Hierop zal onder het hoofdstuk duurzaamheid verder worden ingegaan.

1.3.2 Procedurele aspecten     

Met ingang van 13 april 2011 is in de Crisis- en herstelwet het project Amsterdam Zuidas aangewezen in bijlage II (bijlage Aa, nummer 3). Als gevolg daarvan is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Dit brengt onder meer met zich mee dat bij een eventueel beroep alle beroepsgronden in het beroepschrift dienen te worden opgenomen en deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld. Verder verloopt de behandeling van het beroep versneld.

1.4 Leeswijzer     

Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling. De verbeelding en de planregels vormen samen de bestemmingsplanregeling zoals deze door de gemeenteraad wordt vastgesteld. De toelichting geeft de achtergronden (relevant beleid, resultaten van onderzoeken) bij de bestemmingsplanregeling.

In de hoofdstukken 2 en 3 wordt het algemeen kader weergegeven. In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven van het ruimtelijk en stedenbouwkundig kader. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de wijze waarop met de uitgevoerde milieueffectrapportage-procedure is rekening gehouden. In hoofdstuk 6 tot en met 14 worden de achtergronden bij de bestemmingsplanregeling beschreven. In hoofdstuk 16 wordt uitgelegd op welke wijze dit is vertaald in juridische zin. In hoofdstuk 17 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 18 op de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

In het laatste hoofdstuk zal een beschrijving worden gegeven van de uitkomsten van het overleg met de artikel 3.1.1 Bro-diensten. Daarnaast wordt, overeenkomstig artikel 3.1.6, eerste lid, onder e, van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving gegeven van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken.

Hoofdstuk 2 Plankader     

2.1 Ligging en begrenzing van het plangebied     

Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebied dat bestuurlijk is aangewezen als grootstedelijk projectgebied Zuidas. Het projectgebied Vivaldi ligt in de zuidoosthoek van Zuidas, aan de zuidkant van Station Amsterdam RAI. De ontwikkelingen vinden plaats binnen het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Op onderstaande kaart is de globale ligging van het projectgebied Vivaldi.

verplicht

Figuur 1: Ligging projectgebied Vivaldi

Het projectgebied Vivaldi wordt globaal begrensd door de ringweg A10 aan de noordkant, Europaboulevard aan de oostkant, De Boelelaan aan de zuidkant en Antonio Vivaldistraat aan de westkant.

Binnen het projectgebied ligt het plangebied waar dit bestemmingsplan specifiek betrekking op heeft. Het gaat om twee kavels. Het betreft kavel 13 in de A10-zone ten oosten van kavel 12 (EMA) en de kavel ten zuidwesten daarvan op de hoek van de Barbara Strozzilaan en Antonio Vivaldistraat. Op onderstaande afbeelding zijn de kavels omlijnd weergegeven. Met de overige plangrenzen wordt aangesloten bij de begrenzing van het grootstedelijk project Zuidas.

verplicht Figuur 2: Ligging plangebied en plangrens Zuidas-Vivaldi kavel 13 en kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening

Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de plangrens zoals deze op de verbeelding is aangegeven.

2.2 Doelstelling     

Op grond van het vigerende bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi geldt voor kavel 13 een uitwerkingsplicht. Gelet op de huidige wet- en regelgeving is het noodzakelijk een bestemmingsplan in procedure te brengen dat voorziet in mogelijkheid om ruimer te bestemmen dan de uitwerkingsplicht in bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi toestaat voor kavel 13 en daarnaast de nieuwe ontwikkeling op de kavel ten zuidwesten hiervan mogelijk maakt. Dit bestemmingsplan beoogt hierin met een juridisch-planologisch kader te voorzien.

2.3 Geldend planologisch kader     

Zuidas-Vivaldi

Op 22 juni 2016 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' vastgesteld. verplicht

Figuur 3: Verbeelding bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi'

Kavel 13 heeft op grond van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' de bestemming 'Gemengd- Uit te werken'. De gronden zijn bestemd voor een tijdelijk werkterrein ten behoeve van de aanpassingen van de A10, kantoren, horeca I, II, III en IV, maatschappelijke dienstverlening, ontspanning en vermaak, detailhandel, consumentverzorgende dienstverlening, zakelijke dienstverlening, sportvoorzieningen, groenvoorzieningen, etc. (artikel 15 van de planregels van dat bestemmingsplan). Voor kavel 13 bieden de uitwerkingsregels uit het moederplan Zuidas-Vivaldi onvoldoende ruimte om de kavel vanuit een gewenst stedenbouwkundig oogpunt te ontwikkelen en is ervoor gekozen om van de regels in het moederplan af te wijken zowel qua bouwen als gebruik. Voor kavel 13 wordt daarom in afwijking van de randvoorwaarden in de uitwerkingsplicht extra ruimte gecreëerd. Om die reden is een nieuw bestemmingsplan vereist.

Zuidas-Vivaldi partiële herziening

Op 10 mei 2017 is het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' deels herzien en is het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi partiële herziening' vastgesteld. Hoewel voorliggend bestemmingsplan is gelegen binnen het projectgebied Vivaldi vallen de gronden van kavel 13 buiten het plangebied van de partiële herziening en kunnen de gronden voor deze kavel dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

De te ontwikkelen hoek van de kavel ten zuidwesten van kavel 13 en de ten oosten daarvan beoogde parkeervoorziening (hierna: NSI eerste fase) vallen wel binnen de gronden van de partiële herziening. Met de partiële herziening is artikel 8 (Kantoor-1) dat betrekking had op deze gronden, komen te vervallen en vervangen door artikel 2.1 met opnieuw de bestemming Kantoor-1. De bestemming Kantoor-1 is verder inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi'. Alleen de bouwhoogten die bij deze bestemming behoren zijn met de partiële herziening gewijzigd. Op grond van de partiële herziening is op de beoogde locatie van de ontwikkeling op de hoek van de kavel van NSI geen bebouwing toegestaan. In de bestaande situatie is een toegangsgebouw van 4 meter aanwezig ten behoeve van de bestaande ondergrondse parkeergarage. Met het vaststellen van de partiële herziening is het toegangsgebouw niet meer opgenomen op de verbeelding, maar wordt dit geacht onder het overgangsrecht te vallen. Op het overige deel van de gronden van de herziening zijn, zoals onderstaande figuur weergeeft, bestaande kantoorgebouwen aanwezig.

verplicht

Figuur 4: Verbeelding 'Zuidas-Vivaldi partiële herziening'

Naast de voorziene ontwikkeling op de hoek van de kavel van NSI is ten oosten hiervan een parkeervoorziening beoogd met de mogelijkheid daarbinnen functioneel programma te realiseren. Ten gevolge van de partiële herziening is de bouwhoogte van dit bouwvlak voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde gewijzigd van 5 naar 2,5 meter.

verplicht

Figuur 5: Verbeelding Zuidas - Vivaldi partiële herziening

Voorliggend bestemmingsplan zal (naast kavel 13) betrekking hebben op de noordwestelijke hoek van de Antonio Vivaldistraat en Domenico Scarlattilaan en het bouwvlak ten noordoosten hiervan. Voor deze locaties zal voorliggend bestemmingsplan een geheel nieuwe planregeling kennen. Hiermee wordt de regeling van de gronden met de bestemming Kantoor-1 van Zuidas-Vivaldi partiële herziening voor het betreffende deel vervangen door de nieuwe regeling binnen de bestemming Kantoor - 2 en Kantoor - 3. Voor de exacte begrenzing van de gronden waarin voorliggend bestemmingsplan in een nieuwe regeling voorziet, wordt verwezen naar de verbeelding en de daarbij behorende regels, die in samenhang met elkaar moeten worden gelezen.

Tracébesluit Zuidasdok

Door de Minister van Infrastructuur & Milieu is het Tracébesluit Zuidasdok vastgesteld, dat voor een deel ook betrekking heeft op het plangebied ter hoogte van kavel 13. Een deel van kavel 13 is bij het Tracébesluit aangewezen als tijdelijk werkterrein.

Bij brief van 22 december 2017 heeft de directeur van Zuidasdok te kennen gegeven dat de reservering voor het werkterrein is komen te vervallen. De kavel kan dan ook worden ontwikkeld. Hiermee zal het werkterrein geen deel meer uitmaken van voorliggend bestemmingsplan.

verplicht Figuur 6: Tracébesluit ter hoogte van deelgebied Vivaldi

Voor de exacte begrenzing van het plangebied van voorliggend bestemmingsplan wordt verwezen naar de (digitale) verbeelding.

2.4 Beschrijving van het plangebied     

In het plangebied wat betrekking heeft op kavel 13 is nu een verhard terrein aanwezig, dat gedurende de bouw van kavel 12 en kavel 14 in gebruik is geweest als werkterrein. Op de hoek van de ten zuidwesten daarvan gelegen kavel waar tevens het voormalig complex van Drentestaete I en II is gelegen, is in de huidige situatie een toegangsgebouw aanwezig ten behoeve van de ondergrondse parkeergarage en staat een aantal bomen en fietsparkeerplaatsen. Om de ontwikkeling van laatstgenoemde kavel mogelijk te maken zal het toegangsgebouw naar de parkeergarage worden gesloopt. Het deel van de kavel ten oosten van de hoek zal gesloopt worden en hier zal ruimte worden gemaakt voor een nieuw gebouw. Op inpassing, omgeving en ontwikkeling van beide kavels zal in hoofdstuk 4 nader worden ingegaan.

Hoofdstuk 3 Beleidskader     

3.1 Rijksbeleid     

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)     

Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om in te spelen op ontwikkelingen en uitdagingen in dit kader heeft het Rijk op 13 maart 2012 de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld.

De SVIR kent drie hoofddoelen:

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Bij de inwerkingtreding van de SVIR en het Barro kwamen de Nota Ruimte en de bijbehorende Realisatieparagraaf nationaal ruimtelijk beleid te vervallen.

In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijk ordening. Daarnaast kan rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainport, greenports en de valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Deze drie criteria zijn leidend voor het formuleren van ruimtelijk rijksbeleid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie rijksdoelen geformuleerd:

  • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
  • de bereikbaarheid verbeteren;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

verplicht verplicht verplicht

De SVIR stelt in relatie tot het stedelijk gebied onder meer het volgende.

Voor de concurrentiekracht van Nederland is het van belang dat internationaal opererende bedrijven niet alleen in Nederland blijven, maar dat er zich ook meer bedrijven, ondernemers en internationale kenniswerkers blijvend vestigen. Het bieden van een bijhorend vestigingsklimaat is hiervoor noodzakelijk. Het gaat daarbij niet alleen om kwalitatief hoogwaardige ruimte voor werken, verplaatsen en wonen (waaronder differentiatie in woonmilieus, het belang van openbaar vervoer voor de stedelijke regio en multimodaliteit ten behoeve van logistiek), maar ook om voldoende aanbod van onderwijs, cultuur, toegankelijk groen en recreatiemogelijkheden. Dit wordt ook wel de 'quality of life' genoemd. Het Rijk kiest voor het versterken van de ruimtelijk-economische structuur door het integraal benutten en uitbouwen van de kracht van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren, internationale verbindingen en mainports. Daarnaast zijn het borgen van ruimte voor bestaande en nieuwe energievoorziening, ruimte voor buisleidingen voor transport van (gevaarlijke) stoffen en het creëren van een efficiënt gebruik van de ondergrond belangrijke randvoorwaarden. Het eerste door het Rijk aangemerkte nationaal belang is een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren.

Voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren is het nodig om te beschikken over een voldoende voorraad (kwalitatief en kwantitatief ) woningen, bedrijventerreinen, kantoren en andere voorzieningen. Vanwege de complexiteit van de verstedelijkingsopgave in de stedelijke regio's rond de mainports (Noordvleugel en Zuidvleugel) maakt het Rijk met decentrale overheden afspraken over de programmering van de verstedelijking.

Het Rijk vindt de stedelijke regio's van de mainports, brainport, greenports en de valleys van nationale betekenis. Gebiedsontwikkelingen van nationaal belang zoals Zuidas (als het grootste internationale zakendistrict), de Structuurvisie Mainport Schiphol Amsterdam Haarlemmermeer, Rotterdam-Zuid en Brainport Avenue rond Eindhoven worden doorgezet. De opgave voor Zuidas is het ontwikkelen van Zuidas als economische toplocatie en infrastructuurknooppunt (weg, spoor en openbaar vervoer) samen met andere overheden).

Zuidas: gebiedsontwikkeling van nationaal belang:

In de Rijksstructuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt Zuidas gekwalificeerd als een 'gebiedsontwikkeling van nationaal belang'. Als nationaal belang acht het Rijk het bewerkstelligen van 'een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren'. De ontwikkeling van Zuidas, als economische toplocatie en infrastructuurknooppunt (weg, spoor en openbaar vervoer) draagt hieraan bij.

Voorliggend bestemmingsplan geeft op onderdelen uitvoering aan het gegeven beleid, en is voor het overige daarmee niet in strijd.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)     

De nationale belangen uit de SVIR worden in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) juridisch geborgd. Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) die juridisch moeten doorwerken tot in bestemmingsplannen. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Deze onderwerpen zijn niet aan de orde in het voorliggende bestemmingsplan.

De uitbreiding van de ruimtelijke ordeningsregels Barro is op 1 oktober 2012 in werking getreden. Deze uitbreiding betreft rijksregels ten aanzien van de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet, de veiligheid rond rijksvaarwegen, de verstedelijking in het IJsselmeer, de bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en de toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Deze uitbreiding van het Barro heeft voor wat betreft het voorliggende plan geen consequenties.

Voorliggend bestemmingsplan past binnen de gestelde bepalingen en is daarmee niet in strijd.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking     

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Onder een stedelijke ontwikkeling wordt op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro verstaan: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Wat tot het bestaand stedelijk gebied moet worden gerekend, volgt uit artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In alle gevallen geldt dat de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling onderbouwd moet worden. Daarbij wordt in het derde lid van voornoemd artikel de mogelijkheid geboden de toets aan de ladder door te schuiven naar het moment dat een uitwerkings- of wijzigingsplan wordt vastgesteld.

In de motivering van het bestemmingsplan wordt de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het licht geplaatst van een goede ruimtelijke ordening en wordt de behoefte aan die ontwikkeling met het oog op het tegengaan van ongewenste leegstand en het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik onderbouwd. De behoefte wordt onderbouwd en afgewogen op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en de omvang van de ontwikkeling zijn daarbij bepalend voor de reikwijdte van de beschrijving van en het overleg over de behoefte, waarvan de resultaten ook zijn opgenomen in de beschrijving.

Het gaat daarbij niet alleen om de kwantitatieve behoefte, maar ook om de kwalitatieve behoefte, zijnde de behoefte aan het specifieke karakter van de voorziene stedelijke ontwikkeling.

Het gebied van de Zuidas kenmerkt zich als een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, werken, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en/of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Met het gestelde in voorliggende toelichting bij het bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan bovenstaande.

In het onderhavige geval is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die wordt gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied. Dat sprake is van bestaand stedelijk gebied, volgt uit het voorgaande waarbij aanvullend wordt opgemerkt dat dit voor kavel 13 onder meer reeds is onderbouwd in het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' en het gebied als zodanig. Met het gestelde in voorliggende toelichting bij het bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan het bovenstaande.

Voor een nadere toelichting op de behoefte die met deze stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt wordt verwezen naar paragraaf 3.4.5.4.

3.1.4 Vierde Nationaal Milieubeleidsplan     

In het Vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) licht het kabinet het te voeren milieubeleid toe. Het milieubeleid moet bijdragen aan een gezond en veilig leven in een aantrekkelijke leefomgeving te midden van een vitale natuur zonder de mondiale biodiversiteit aan te tasten of natuurlijke hulpbronnen uit te putten. Het NMP4 wil een eind maken aan het afwentelen van milieulasten op de generaties na ons en op mensen in arme landen. De nota is geen allesomvattend milieubeleidsplan, daarom blijft het NMP 3 grotendeels van kracht. Het NMP4 kijkt verder vooruit (beleidshorizon is 2030) dan de voorgaande NMP's en betrekt de wereldwijde dimensie van het milieuvraagstuk erbij.

In het NMP4 is geconstateerd dat het beleid voor gevaarlijke stoffen vanwege gebrekkige handhaving en het ontbreken van een wettelijke grondslag geen garantie biedt dat de risico's voor de bevolking zo laag mogelijk worden gehouden. Het kabinet heeft na de vuurwerkramp in Enschede van het externe veiligheidsbeleid een topprioriteit gemaakt. De toenmalige minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) functioneerde daarbij als coördinator op rijksniveau. De norm voor het plaatsgebonden risico heeft daarom een wettelijke status gekregen, aan de hand van het Besluit externe veiligheid bij inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Voorliggend bestemmingsplan geeft op onderdelen uitvoering aan het gegeven beleid, en is voor het overige daarmee niet in strijd. Externe veiligheid wordt nader besproken in hoofdstuk 9.

3.1.5 Structuurvisie Zuidasdok     

Op 9 juli 2012 is de Rijksstructuurvisie Zuidasdok vastgesteld. Zuidasdok zorgt ervoor dat de bereikbaarheid van de noordelijke Randstad verbetert en Zuidas een stevige impuls krijgt om zich verder te ontwikkelen als internationale toplocatie en hoogwaardig stedelijk gebied. De doorstroming van de A10 wordt verbeterd door de uitbreiding van de capaciteit van de A10 tussen de knooppunten De Nieuwe Meer en Amstel. Tegelijkertijd wordt het doorgaande verkeer en het bestemmingsverkeer van elkaar gescheiden.

Door een verbeterde doorstroming op de A10 Zuid ontstaat een robuust autonetwerk in de noordelijke Randstad. Ter hoogte van het centrumgebied van Zuidas wordt de A10 ondergronds aangelegd, waardoor de milieukwaliteit in de flanken van Zuidas (de gebieden ten noorden en zuiden van de infrastructuurbundel A10/spoor) verbetert en de barrièrewerking wordt verminderd.

Het huidige station Amsterdam Zuid wordt aangepast tot een kwalitatief hoogwaardige OV-terminal, waar de Noord/Zuidlijn, trams en bussen in geïntegreerd zijn. Niet alleen vanuit de stad en regio is Zuidas goed bereikbaar, door aanlanding van de Hanzelijn en de hogesnelheidstreinen is een groot deel van Nederland beter aangesloten op Zuidas en Amsterdam.

In voorliggend bestemmingplan is bij het bepalen van de situering van nieuwbouw evenals bij het gebruik van de gronden rekening gehouden met de ontwikkeling van het Zuidasdok (zie paragraaf 2.3). Ook bij het bepalen van de plangrens is rekening gehouden met de plangrens van het Tracébesluit en het bestemmingsplan Zuidasdok.

3.2 Provinciaal beleid     

3.2.1 Omgevingsvisie NH 2050     

Op 19 november 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie NH 2050 vastgesteld.

De Omgevingsvisie is gebaseerd op de Wet op de ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer, de Waterwet, de Planwet Verkeer en Vervoer en de Wet natuurbescherming. Het heeft dus de status van respectievelijk een provinciale structuurvisie, een provinciaal milieubeleidsplan, een regionale watervisie, een provinciaal verkeers- en vervoersplan en een provinciale natuurvisie. De huidige Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan, het Milieubeleidsplan 2015-2018, de Watervisie 2021 en de Agenda Groen worden ingetrokken en gaan op in de Omgevingsvisie NH2050 met onderliggende programma's.

In de omgevingsvisie wordt de ambitie geschetst een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau vast te houden. Daarvoor moet een goede balans gezocht worden tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven.



De ambities die worden nagestreefd, zijn:

  1. Een gezonde en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving, met als doel:
    1. een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland;
    2. het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving;
    3. het vergroten van de biodiversiteit in Noord-Holland.
  2. Ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren, met als doel:
    1. een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor;
    2. vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter met elkaar in overeenstemming brengen
    3. dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden.
    4. het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en cultuurhistorie.
  3. Noord-Holland als samenleving in 2050 klimaatneutraal en gebaseerd op hernieuwbare energie.

Voorliggend bestemmingsplan is in lijn met de ambitities uit de Omgevingsvisie.

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening     

Tegelijk met de invoering van de Structuurvisie Noord-Holland 2040 werd in juni 2010 de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) vastgesteld als een van de instrumenten om de beleidsdoelen die de provincie in de structuurvisie heeft gesteld te bereiken. De PRVS is na haar vaststelling vier keer gewijzigd. Bij de vijfde wijziging is besloten om de PRVS opnieuw vast te stellen, om te voorkomen dat er een stapeling van toelichtingen zou ontstaan. Hierdoor was het ook mogelijk om de naam te veranderen in Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV); een benaming die beter aansluit bij overige provinciale verordeningen. Door de term 'structuurvisie' te laten vallen is bovendien verduidelijkt dat de PRV een zelfstandig en, in tegenstelling tot de Provinciale Structuurvisie Noord-Holland 2040, een voor burgers bindend document is.

Op 1 februari 2019 is een gewijzigde versie van de PRV in werking getreden. In de PRV hebben Provinciale Staten in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aantal algemene regels vastgesteld omtrent de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen over onderwerpen in zowel het landelijke als het bestaand bebouwd gebied van Noord-Holland, inclusief Amsterdam, waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Daarnaast zijn, ter uitvoering van de Structuurvisie Noord-Holland 2040, algemene regels vastgesteld over onder meer:

  • detailhandel;
  • advisering door de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling over de ruimtelijke ordening, verstedelijking en ruimtelijke kwaliteit in Noord-Holland;
  • aardkundige waardevolle gebieden;
  • meerlaagse veiligheid;
  • locaties voor bedrijventerreinen en kantoorlocaties binnen bestaand bebouwd gebied;
  • verbod tot aanleg bedrijventerreinen en kantoorlocaties en ruimtelijke kwaliteitseisen bij nieuwe woningbouw en andere vormen van verstedelijking in het landelijk gebied;
  • de groene ruimte;
  • de blauwe ruimte;
  • energie.

Daarnaast zijn regels opgenomen die voortvloeien uit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het gaat hierbij om een aantal onderwerpen ter verdere uitwerking en/of aanvulling in een provinciale verordening waaronder:

  • bundeling van verstedelijking en locatiebeleid economische activiteiten;
  • rijksbufferzones;
  • ecologische hoofdstructuur;
  • nationale landschappen;
  • het kustfundament;
  • het regionaal watersysteem.

Aan de PRV zijn diverse kaartbeelden verbonden. Ook zijn in bijlagen toetsingskaders voor de toepassing van de provinciale regels opgenomen.

Op 14 februari 2020 hebben Gedeputeerde Staten de ontwerp Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De ontwerp Omgevingsverordening ligt met ingang van 18 februari tot en met 10 april 2020 ter inzage. Volgens huidige planning wordt de Omgevingsverordening NH2020 op 29 juni 2020 door Provinciale Staten vastgesteld.

In de Omgevingsverordening 2020 zijn de eerste stappen gezet om in het de geest van de Omgevingswet naar nieuwe regels te streven die zien op het 'hoe': 'hoe kom je tot een goede fysieke leefomgeving'. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Deze vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening.

De kantoorontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is in overeenstemming met de geldende provinciale planningsopgave voor kantoren (Plabeka, hierover later meer) en onderhavig bestemmingsplan voldoet ook aan de overige regels zoals gesteld in de PRV en de toekomstige Omgevingsverordening NH2020. Het gaat hier om kantoorlocaties die kwalitatief aansluiten op de vraag van de markt. Zuidas is een locatie die uitstekend ontsloten is op het OV netwerk, op een aantrekkelijke en aansprekende plek in de stad is gevestigd en over voldoende stedelijke voorzieningen in de nabijheid beschikt.

3.3 Regionaal beleid     

3.3.1 Vervoerregio Amsterdam     

De Stadsregio Amsterdam, een bestuurlijk samenwerkingsverband tussen verschillende gemeenten in de regio, is opgehouden te bestaan. Dit samenwerkingsverband is verder gegaan als Vervoerregio Amsterdam, een samenwerkingsverband van vijftien gemeenten en is sinds 1 januari 2017 opgericht. De vervoerregio werkt onder meer aan verbetering van de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de economische ontwikkeling en heeft in dat kader een aantal beleidsnota's opgesteld, waarvan in dit kader vooral het Plabeka relevant is.

3.3.2 Metropoolregio Amsterdam     

De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en gemeenteraden van de aangesloten gemeenten en provincies.

Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven.

Rond de beleidsvelden verkeer en vervoer, economie, verstedelijking, landschap en duurzaamheid zijn drie regionale bestuurlijke overlegorganen geformeerd. De samenwerking in metropoolverband levert de regio bovendien structureel meer kracht en zeggenschap op richting het Rijk.

3.3.3 Plabeka     

Op 23 juni 2017 heeft het Platform Economie de Uitvoeringsstrategie 3.0 vastgesteld: 'Ruimte voor werken in de MRA van morgen: 2017-2030'.

Hoofddoel in de Uitvoeringsstrategie is voldoende en kwalitatief passend aanbod van werklocaties in de Metropoolregio Amsterdam, om bij te dragen aan het versterken van de (inter)nationale concurrentiepositie en het verbeteren van het regionale vestigingsklimaat.

In deze Uitvoeringsstrategie zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over

  • Een adaptieve strategie: de nieuwe uitvoeringsstrategie is minder kwantitatief dichtgetimmerd. Als het gevolg van de crisis wordt er meer rekening gehouden met onvoorspelbaarheid en onzekerheid. De afspraken moeten dus wendbaar en flexibel zijn. De marktvraag en kwaliteit van het vestigingsklimaat zijn leidend in de strategie.
  • Programmering: de planvoorraden van zowel bedrijventerreinen als kantoren moeten worden bewaakt om overaanbod te beperken en te voorkomen. Voor Amsterdam wordt versneld bijgeschakeld als (inter)nationale kansen daarom vragen. Voor alle deelregio's wordt in aanvulling op de kantorenvraag naar formele locaties extra ruimte geboden voor kantoorontwikkeling in informele milieus.
  • Transformatie: Zowel voor kantoren als voor bedrijventerreinen zijn de transformatieambities hoog. Als gevolg daarvan wordt een uitplaatsingsvraag verwacht, met name vanuit Amsterdam.
  • Herstructurering: de herstructurering van bedrijventerreinen blijkt een belangrijk aandachtspunt.

Het meest recente jaarlijkse verslag van de ontwikkelingen op de kantoren- en bedrijventerreinenmarkt in de MRA is de Monitor Plabeka 2017-2018. Daaruit blijkt dat de economie van de MRA in 2017 voor het vijfde jaar op rij een groei vertoonde. Bijna 60% van de banen in de MRA is gesitueerd op gemengde werkmilieus als woonwijken, centrumgebieden en creatieve wijken. Vooral binnen de creatieve wijken groeit de werkgelegenheid sterk. Kantoorruimte concentreert zich in centrumgebieden en woonwijken. De kantorenleegstand in gemengde milieus is in de afgelopen twee jaar gedaald tot 11%. Vooral in centra en creatieve wijken is de leegstand laag. In 2017 was bovendien meer transformatie zichtbaar dan ooit (0,5 miljoen m2, 4% van de totale voorraad). Wonen is de voornaamste nieuwe functie (minstens de helft van de getransformeerde ruimtes). Tot 2030 beschikt de MRA over 0,9 miljoen m2 hard planaanbod op kantoorlocaties, waarvan bijna de helft op internationale vestigingslocaties als Zuidas. De vraag concentreert zich met name op aantrekkelijke, multimodaal bereikbare plekken met een hoog voorzieningenniveau. In Amsterdam is de voorraad in dit segment krap. Ook de markt voor bestaande bedrijfsruimte lijkt in de gemeente Amsterdam krapper dan elders in de MRA. Het transactievolume van bedrijfsruimte ligt er relatief hoog en de leegstand van industrieel vastgoed en kantoorruimten op bedrijventerreinen is laag.

De mogelijkheden voor kantoren in dit plan passen binnen de uitvoeringsstrategie van het Plabeka en de daarin neergelegde planningsopgave. Zuidas is een aantrekkelijke vestigingslocatie met kwalitatief hoogwaardige kantoorfuncties, waarmee aangesloten wordt op de behoeftevraag van de markt. Daarnaast is Zuidas zeer goed ontsloten op het OV netwerk.

3.3.4 Regionaal Verkeer en Vervoerplan     

Het Regionaal Verkeer en Vervoerplan (RVVP) is in december 2004 vastgesteld door de Regioraad en opgesteld in samenwerking met de zestien gemeenten van de Vervoerregio Amsterdam. De gezamenlijke ambitie is een gezonde en gedifferentieerde economie met internationale concurrentiekracht, het bieden van een goed sociaal klimaat voor inwoners en het zorgen voor een duurzame leefomgeving.

De mobiliteitsgroei is hierbij een gegeven. Deze groei moet wel worden opgevangen om voldoende recht te doen aan de geformuleerde ambities maar mag niet leiden tot onbereikbaarheid en aantasting van de leefbaarheid. Beleid is noodzakelijk om niet alleen de bereikbaarheidsproblemen op te lossen maar ook om de veiligheid en leefbaarheid te waarborgen.

Het RVVP gaat uit van een samenhangende aanpak van de bereikbaarheidsproblemen. Er wordt ingezet op het benutten van de sterke kanten van het bestaande aanbod van openbaar vervoer (OV) en wegcapaciteit, maar het kan niet zonder uitbreiding van deze capaciteit en verdere beïnvloeding van de vraag naar mobiliteit. Goed samenspel tussen ruimtelijke ontwikkelingen en verkeer en vervoer is noodzakelijk.

Jaarlijks wordt voor het RVVP een uitvoeringsprogramma opgesteld en iedere twee jaar wordt het beleidskader geëvalueerd.

Met de uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd is in het bestemmingsplan rekening gehouden. In hoofdstuk 6 wordt verder ingegaan op het aspect bereikbaarheid.

3.3.5 Regionale OV-Visie 2010-2030 van de Stadsregio Amsterdam     

De OV-Visie 2010-2030 is samen met gemeenten van de Stadsregio Amsterdam (thans Vervoerregio Amsterdam), aangrenzende overheden, maatschappelijke organisaties (reizigersverenigingen) en vervoerbedrijven ontwikkeld en op 24 juni 2008 vastgesteld door de Regioraad. Het aanleggen van grootschalige infrastructuur vraagt een lange voorbereidingstijd. Daarom is een visie nodig voor de langere termijn. Op basis van de visie wordt ook een investeringsstrategie gemaakt. Met de visie kunnen juiste en toekomstbestendige keuzes worden gemaakt in de aanleg of aanpassingen van het OV-netwerk in de regio.

3.4 Gemeentelijk beleid     

3.4.1 Structuurvisie Amsterdam 2040     

De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 17 februari 2011 de Structuurvisie Amsterdam 2040: Economisch Sterk en Duurzaam vastgesteld. De centrale ambitie van de structuurvisie is dat Amsterdam zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. Om economisch sterk en duurzaam te zijn en Amsterdam en de regio verder te kunnen ontwikkelen wil Amsterdam onder meer een intensiever gebruik van de bestaande stad en het openhouden van landschap. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt tal van mensen woon- en werkruimte. Het betekent extra draagvlak voor voorzieningen, extra investeringen in de openbare ruimte, efficiënter omgaan met energie en vervoer en er hoeft minder landschap te worden aangetast. Daarnaast betekent het ook 70.000 woningen en bijbehorende voorzieningen erbij tot 2040, intensiever gebruik van de haven en huidige bedrijventerreinen en ruimte voor waterberging.

Zuidas ontwikkelt zich de komende jaren als het deel van het stadscentrum voor internationaal zakendoen en kennisontwikkeling, maar er zal ook op grote schaal gewoond worden en er komen voorzieningen als winkels, kinderopvang, (internationale) scholen en horeca. Exclusieve retail- en culturele voorzieningen moeten de internationale aantrekkingskracht versterken. Het wordt niet alleen het zakencentrum voor de metropool Amsterdam maar van heel Nederland. Nergens in Nederland zijn vergelijkbare kansen aanwezig voor een internationaal vestigingsmilieu. Amsterdam is de stad met de internationale hoofdkantoren en met Zuidas wordt die positie verder bevestigd. Met het plan voor Zuidas wordt beoogd de stedelijke kwaliteit te realiseren die nodig is om de rol van toplocatie te bestendigen en verder te ontwikkelen.

verplicht Zuidas in de Structuurvisie Amsterdam 2040

Zuidas is aangemerkt als metropolitaan kerngebied. Een zeer gedifferentieerd gebied waar sprake is van een optimale menging van wonen en werken met daarin internationale toplocaties voor kantoren, winkels van internationale allure en ook woningen.

Uit het vervolg van deze toelichting zal blijken dat aan de uitgangspunten van de structuurvisie uitwerking wordt gegeven.

3.4.2 Koers 2025: Ruimte voor de stad     

Om uitvoering te kunnen geven aan de Structuurvisie Amsterdam 2040 is het belangrijk om goed in beeld te hebben waar de beschikbare ruimte zich in Amsterdam bevindt. Daarom heeft de gemeente Amsterdam in april 2016 Koers 2025: Ruimte voor de stad opgesteld; een integrale en stadsbrede inventarisatie van woningbouwlocaties. Koers 2025 operationaliseert de structuurvisie en de ambitie voor de bouw van 50.000 woningen in een ontwikkelstrategie voor de stad tot 2025. Naast het accommoderen van groei wil Amsterdam kwaliteit aan de stad toevoegen. Door het veranderende karakter van de toenemende bedrijvigheid wordt de klassieke scheiding tussen wonen en bedrijvigheid steeds vager. Gemengd stedelijke milieus, functioneel en duurzaam, zijn het best in staat om aan deze ontwikkeling ruimte te bieden.

Zuidas wordt in Koers 2025 aangewezen als gebied waar mogelijkheden zijn voor nieuwe gebiedsontwikkeling. De ontwikkelingen in Zuidas kenmerken zich bij uitstek door hun gemengde functies, functionaliteit en duurzaamheid en zijn dan ook volledig in lijn met Koers 2025.

3.4.3 Hoogbouw in Amsterdam     

Binnen het instrumentarium van de Structuurvisie Amsterdam 2040 (en de Nota Hoogbouw in Amsterdam, vastgesteld door het College van B&W op 10 mei 2011) zijn de uitgangspunten voor hoogbouw in Amsterdam genoteerd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden waar hoogbouw wordt gestimuleerd en gebieden waar hoogbouw zeer terughoudend wordt toegepast. Onder hoogbouw wordt verstaan: gebouwen vanaf 30 meter hoogte of tweemaal de hoogte in hun directe omgeving. Onderhavig bestemmingsplangebied ligt in een gebied (langs de ringweg A10/Ringlijn, met name rond de OV-knooppunten) waar hoogbouw wordt gestimuleerd.

Aan de hand van een hoogbouweffectrapportage (HER), waarin de effecten van het hoogbouwplan op het stedelijke landschap in beeld zijn gebracht, wordt beoordeeld of een hoogbouwplan verantwoord is. In bepaalde gevallen is het opstellen van een HER verplicht. Dat doet zich voor in situaties waarin terughoudendheid met hoogbouw wordt beoogd. De Zuidas is als locatie aangewezen waar hoogbouw wordt gestimuleerd. Het opstellen van een HER is niet verplicht gesteld.

In het kader van voorliggend bestemmingsplan is wel onderzoek gedaan naar een aantal hoogbouwgerelateerde onderwerpen zoals bezonning, windhinder, straalpaden en het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib). In hoofdstuk 13 wordt inhoudelijk ingegaan op de stedenbouwkundige inpassing in en effecten op de omgeving.

3.4.4 Visie Zuidas 2016     

De gemeenteraad heeft op 5 oktober 2016 de Visie Zuidas 2016 vastgesteld. In de Visie Zuidas wordt beschreven hoe, waar en waarom er ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.

Zuidas is in korte tijd uitgegroeid tot een uniek deel van Amsterdam met internationale allure, maar wordt ook steeds meer tot een levendige stadswijk. Zuidas staat aan de vooravond van de grootste bouwoperatie uit de geschiedenis van het gebied, er komen duizenden nieuwe woningen en bewoners bij. Daarnaast reizen steeds meer mensen via station Amsterdam Zuid van en naar Amsterdam. Het wordt, kortom, op alle mogelijke manieren drukker in Zuidas met een mix van bewoners, studenten, werknemers, reizigers, congresbezoekers en toeristen. Het behouden en versterken van kwaliteit van wonen en werken in Zuidas, gecombineerd met de aanleg van Zuidasdok, is de belangrijkste uitdaging voor de komende periode.

De Visie Zuidas 2016 benoemt daarbij de volgende thema's:

Zuidas in uitvoering

De visie staat in het teken van het voortzetten en versterken van het succes van Zuidas in een periode met veel bouwactiviteiten. Het is onvermijdelijk dat bewoners en bezoekers last gaan ondervinden van bouw- en funderingswerkzaamheden, omleidingen en bouwverkeer, maar de overlast mag niet overheersen. Alle reden om juist nu extra aandacht te schenken aan hoe we de kwaliteit van het gebied hoog kunnen houden en waar mogelijk kunnen verbeteren. Door zorgvuldige gebiedsregie en goede communicatie wordt geborgd dat Zuidas ook tijdens de bouw leefbaar en bereikbaar blijft.

Internationaal en ambitieus

De kracht van Zuidas wordt onder andere bepaald door de goede bereikbaarheid, zowel vanuit de stad als vanuit de regio, en dankzij de nabijheid van Schiphol. Daar bovenop maakt de aanwezigheid van gekwalificeerde werknemers en kennisinstellingen van Zuidas een gewilde locatie voor internationaal opererende topbedrijven. Het succes en de kracht van Zuidas als internationale toplocatie wordt met deze visie verder uitgebouwd en versterkt. Het internationale karakter wordt op straat voelbaar en zichtbaar, door hoogwaardige voorzieningen, hotels, kunst en cultuur. Het 'Kenniskwartier', een menging van universitaire- en stedelijke voorzieningen, bedrijven en wonen, zal een belangrijke plek krijgen in de internationale en ambitieuze Zuidas.

Een levendige woonwijk

Het is de ambitie om van Zuidas een gemengd woongebied te maken voor jong en oud; een wijk met een grote verscheidenheid aan nieuwe, lichte woningen in een hoog stedelijke omgeving en met een moderne en kosmopolitische sfeer. Om de verblijfs- en woonkwaliteit in Zuidas te garanderen wordt blijvend ingezet op meer levendigheid en voldoende voorzieningen, zoals scholen, zorgfuncties en winkels.

Verbonden door groen en water

Een belangrijke voorwaarde voor een gezonde en leefbare Zuidas is de aanwezigheid van voldoende en kwalitatief hoogwaardig groen en water. Dat is niet alleen belangrijk vanwege recreatieve functies, maar ook om Zuidas bestendig te maken tegen extreme regenbuien en hoge temperaturen en een habitat te bieden aan flora en fauna. Daarom worden er plekken in het groen of bij het water aangelegd, worden bestaande plekken verbeterd en worden het groen en water beter met elkaar verbonden. De samenhangende structuur van groen en water wordt een belangrijke drager van de identiteit van het gebied.

Kiezen voor fiets en OV

Het aantal vervoerbewegingen neemt de komende jaren flink toe. De ambitie om de bereikbaarheid van Zuidas te behouden en tegelijkertijd een aantrekkelijk verblijfsgebied te vormen, dwingt tot het maken van expliciete keuzes. Fiets en openbaar vervoer krijgen meer ruimte als aantrekkelijke alternatieven voor het autogebruik. Met een aantal reeds geplande (in het kader van Zuidasdok) en beoogde ingrepen (op lange termijn) wordt de OV-bereikbaarheid vergroot. Fietsen van en naar Zuidas en het stallen van fietsen wordt zo snel, goedkoop, veilig en gemakkelijk als mogelijk. De daklaan wordt onderzocht; een verhoogde fietsverbinding in een groene setting. Tot slot worden bestaande en voorziene infrastructuur slimmer en efficiënter benut. Het bedrijfsleven speelt hierbij een belangrijke rol.

3.4.5 Kantoorbeleid     

3.4.5.1 Kantorenstrategie Amsterdam 2017: het juiste kantoor op de juiste plek     

In 2011 werd met vaststelling van de Kantorenstrategie beleid geformuleerd om de kantorenmarkt gezonder te maken en het totale aanbod van kantoorvloeroppervlak terug te dringen. Hierbij werd sterk ingezet op transformatie en herontwikkeling van leegstaande kantoren en het beperken van nieuwbouw. Deze inzet is succesvol gebleken met een daling van de leegstand van 18 % naar 12,8 % per 1 januari 2017. Sinds 2015 is de dynamiek op de kantorenmarkt weer sterk toegenomen en dit vroeg om een actualisering van de huidige strategie en onderzoek naar de doelmatigheid hiervan. De veranderingen op de kantorenmarkt, maar ook de banengroei en een Brexit zijn aanleiding geweest om de in 2011 vastgestelde Kantorenstrategie te actualiseren.

Amsterdam als economische motor

Amsterdam huisvest een aantal grote en bovengemiddeld snel groeiende dienstensectoren waarin de Metropoolregio Amsterdam (MRA) een comparatief voordeel heeft ten opzichte van de rest van Nederland. De belangrijkste hiervan is de zakelijke en financiële dienstverlening. Ook de industrie IT- en softwaredienstverlening droeg relatief sterk bij aan de economische groei van Amsterdam. De werkgelegenheid nam in 2016 in de hele MRA toe met 2,3 %. De stijging is bijna geheel toe te schrijven aan Amsterdam. Op Zuidas groeide het aantal banen het snelst. Amsterdam past in een mondiale trend waarbij internationaal georiënteerde kennisintensieve steden zoals Londen, Parijs en Stockholm een substantiële werkgelegenheidsgroei kennen en zich ontwikkelen als economische motoren voor de omliggende stedelijke regio. Deze trend heeft alles te maken met de opkomst van de kennis- en innovatie-economie. Amsterdam is een internationaal knooppunt, heeft twee universiteiten en diverse kennisinstellingen en kennisintensieve bedrijven. De stad zet zoveel mogelijk in op stedelijke ontwikkeling nabij multimodale knooppunten. Door op deze locaties in te zetten op groei wordt bijgedragen aan de duurzaamheidsdoelstellingen en zijn werkplekken in de toekomst sneller en beter bereikbaar voor inwoners van de regio en daarbuiten. De Zuidas ontwikkelt zich hierin steeds meer tot een gemengd woon- en werkgebied met voorzieningen.

Uitvoeringsstrategie 3.0: Ruimte voor Werken in de MRA van Morgen: 2017-2030

Om een gezonde kantorenmarkt te behouden en overmaat terug te dringen en te voorkomen wordt binnen de MRA samengewerkt door het Platform bedrijven en kantoren (Plabeka). De programmatische afspraken die in het verleden voor het planaanbod kantoren zijn gemaakt met de Uitvoeringsstrategie Plabeka 2010-2040 zijn vervangen door een nieuwe Uitvoeringsstrategie Plabeka 3.0. Hiermee is een herijking gemaakt van de vorige strategie om zo goed mogelijk te kunnen blijven inspelen op de ruimtelijk-economische ontwikkelingen en de veranderde kwalitatieve en kwantitatieve ruimtevraag.

Kwantitatieve raming

De vraagramingen van de Kantorenstrategie 2011 en de Uitvoeringsstrategie 2011 zijn door de grote dynamiek achterhaald. Dit heeft geleid tot het rapport Vraagraming en vraagverdieping Metropool Regio Amsterdam (mei 2016). Op basis van dit rapport is de vraag naar nieuw kantoorvloeroppervlak in de Uitvoeringsstrategie geraamd op 515.000 m² tot 2050, waarvan 230.000 m² groei op formele kantoorlocaties van 2017 tot 2030 en 225.000 m² voor groei op formele kantoorlocaties van 2030 tot 250 en 60.000 m² voor groei elders binnen Amsterdam. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de uitbreidingsvraag als gevolg van Brexit. Door de transformatie van kantoren naar andere functies, zoals wonen (die tot 2019 naar verwachting 250.000 m² bedraagt) en de grote vraag naar kantoren, onder andere als gevolg van de Brexit, zal de leegstand van 11,5 % dalen naar een frictieleegstand van 8 % in 2019. Frictieleegstand is de leegstand die ontstaat doordat vraag en aanbod in de tijd niet altijd direct op elkaar aansluit.



Kwalitatieve raming: Juiste kantoor op de juiste plek.

Uit voornoemd onderzoek blijkt dat er nog steeds behoefte is aan kantoren op locaties waar sprake is van functiemenging, die bovendien goed bereikbaar zijn. Dit betreft met name een kwalitatieve vraag. Het juiste kantoor op de juiste plek. Behoefte aan kantoorruimte bestaat vooral bij bedrijven in ICT, communicatie en zakelijke dienstverlening, maar ook bij innovatieve kantoorconcepten op meer informele plekken in de stad. Op gewilde locaties, met name in het Centrum, de Arenapoort en Zuidas is de vraag naar kantoorruimte groot.

Er is vooral behoefte aan een kwalitatieve sturing waarbij het uitgangspunt is: het juiste kantoor op de juiste plek. In Ruimte voor de Economie van Morgen (collegebesluit d.d. 18 juli 2017) worden drie kantorenmilieus onderscheiden:

  1. Het internationale topmilieu: een hoogwaardig ingerichte, internationaal verbonden locatie, geschikt voor de vestiging van internationale kantoren, met in de omgeving een groot aanbod van stedelijke voorzieningen. Zuidas, stadsdeel Centrum en Stadsdeel Zuid zijn hier voorbeelden van. Kansen voor uitbreiding liggen hier voor Zuidas in de uitbreiding van het gebied en op de middellange termijn in de Schipholcorridor tussen Zuidas en Schiphol;
  2. Innovatieve districten: stedelijke gebieden met een mix van wonen en werken van 50%-50% rond een kennisinstituut of trekker. Hier zoeken clusters van bedrijven verbinding en is ruimte voor ontwikkeling van start-ups en innovatieve bedrijfsconcepten. Voorbeelden hiervan zijn Kenniskwartier VU/Zuidas, Sciencepark, AMC e.a.
  3. Multimodale knooppunten: knooppunten die door de aanwezige verkeersinfrastructuur zoals trein, tram, bus, metro, autowegen en fietspaden, uitstekend zijn verbonden met de stad en regio en luchthaven en daarmee uitermate geschikt zijn als werkgebied en concentratie voor (groot)schalige kantoren. Door transformatie en verdichting worden deze knooppunten meer gemengd met wonen en voorzieningen. Voorbeelden hiervan zijn Sloterdijk, Amstelstation en Zuidas.

De geactualiseerde kantorenstrategie behelst onder meer:

  1. De huidige planvoorraad van 970.000 m² flexibel inzetten op die locaties waar op korte termijn (tot en met 2020) nieuwe kantoren gewenst zijn. Dit zijn Zuidas, Arenapoort, Amstelstation, Lelylaan, Houthaven, Oostenburg en Noordelijke IJoever. Door het flexibel inzetten kan ook tegemoet worden gekomen aan (een deel van) de te verwachten vraag als gevolg van een Brexit.
  2. Amsterdam gaat door met de transformatie van monofunctionele kantoorlocaties Amstel III, Riekerpolder en Sloterdijk naar aantrekkelijke, gemengde woon- en werkgebieden;
  3. Amsterdam verkent waar vanaf 2020 nieuwe gemengde gebiedsontwikkeling mogelijk is. De verwachting is dat de leegstand van kantoren, door de vele geplande transformaties en herontwikkelingen in 2019 is gedaald naar de frictieleegstand van 8 %. Na 2020 wordt ingezet op nieuwe planvoorraad voor onder meer Schipholkerncorridor, uitbreiding van de Zuidas, met name aan de westkant ten noorden en zuiden van de A10.
  4. Bij alle grote gebiedsontwikkelingen zoals Sluisbuurt, CAN gebied, Centrumeiland en K-buurt wordt een gemengd woon- werkmilieu gecreëerd met ruimte voor voorzieningen waaronder kantoren.

Selectiebeleid voor kantoren

Het college heeft op 6 september 2016 een selectiebeleid bij kantoorontwikkeling vastgesteld waarbij openbaar, meervoudig selecteren de hoofdregel is. Op 24 januari 2017 heeft het college vervolgens uitgangspunten vastgesteld voor kantoorgebruikers op de Zuidas. Uitgangspunten voor eindgebruikers die zich willen vestigen op nieuwe kavels moeten passen binnen de Visie Zuidas 2016 en de daarin geformuleerde criteria. Bij de selectie van ontwikkelaars wordt getoetst aan de in Zuidas gewenste hoge kwaliteit, waarbij in het licht van een kwalitatieve beoordeling de volgende elementen een belangrijke rol spelen:

  • internationaal georiënteerde eindgebruiker;
  • ontwikkelen van een duurzaam en flexibel concept;
  • BREEAM Excellent of een soortgelijk predicaat;
  • gunstig mobiliteitsprofiel van de eindgebruiker, waaronder minder auto, meer fiets en OV;
  • nadruk op multi-tenant gebouwen waar functiemenging en transformatie naar bijvoorbeeld wonen mogelijk wordt gemaakt.

De selectie van kavels komt tot stand via openbare gronduitgifte en alleen bij uitzondering kan hiervan worden afgeweken via de hardheidsclausule. In dat geval moet naast de criteria uit de Visie Zuidas 2016 ook sprake zijn van een initiatief dat van belang is voor de doorontwikkeling van de Zuidas als toplocatie die concurrerend is met vergelijkbare (internationale) zakencentra én het initiatief moet bijdragen aan de versterking van de ruimtelijke-economische structuur van Nederland.



Het doel is dat Zuidas dé toplocatie van Nederland en concurrerend ten opzichte van vergelijkbare zakencentra in Europa blijft. In voorliggend bestemmingsplan wordt voorzien in een kantoorprogramma dat past binnen de kantorenstrategie en de ontwikkeling van Zuidas als internationale toplocatie.

3.4.5.2 Kantorenplan 2019-2026     

Met het kantorenplan 2019-2026 van september 2019 wordt aangesloten op de kantorenstrategie 2017, de Economie van Morgen (de ruimtelijke economische visie van Amsterdam, 2017) en de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (2019). Ook loopt het kantorenplan 2019-2026 vooruit op de nieuwe omgevingsvisie van gemeente Amsterdam die momenteel wordt ontwikkeld.

Het doel van het kantorenplan 2019-2026 is een uitgebalanceerde en toekomstbestendige kantorenmarkt waarin op korte en middellange termijn voldoende kwalitatieve woon-werkmilieus beschikbaar zijn voor de uitbreidingsvraag van 125.000 m² kantoor per jaar. Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Meer en sneller kantoren ontwikkelen om te voldoen aan de marktvraag;
  • Toekomstbestendige kantoren: flexibel, efficiënt, bereikbaar en klimaatneutraal;
  • Transformatie van monofunctionele kantoorlocaties met behoud van werk;
  • Realiseren van gemengde woon-werkmilieus.

Zuidas heeft zich de afgelopen jaren in economische hoog- en laagconjunctuur bewezen als robuuste vestigingslocatie voor grote en kleine, nationale en internationale bedrijven.

Conform de in 2016 door de gemeenteraad vastgestelde Visie Zuidas wordt ingezet op het creëren van een internationaal topmilieu met wonen, werken en openbare ruimte van hoge kwaliteit. Kantoren, woningbouw én voorzieningen komen steeds meer in balans om het gewenste stedelijke milieu te creëren, waar ook (internationale) topbedrijven zich tot aangetrokken voelen. De Visie Zuidas -en de daarin opgenomen de verdeling tussen wonen,werken en voorzieningen- is leidend bij de verdere ontwikkeling van het gebied.

Begin 2019 staat er ruim 180.000 m2 kantoor in aanbouw of verbouw. Met het internationale topmilieu blijft Zuidas met het centrum van Amsterdam de belangrijkste kantoorlocatie in Amsterdam. Het is ook een van de weinige plekken waar de gemeente door gronduitgifte nog kan sturen op het kantoorprogramma.

De kantorenvoorraad in Zuidas is eind 2018 circa 850.000 m2, met daaraan toegevoegd de plancapaciteit conform de Visie Zuidas kan in totaal een kantorenvoorraad van 1,2 miljoen m2 worden gerealiseerd.

verplicht

Tussen 2019 en 2022 wordt in Zuidas circa 210.000 m2 kantoorruimte opgeleverd. Een deel hiervan is reeds in aanbouw en reeds voorverhuurd. In de periode tussen 2023 en 2026 wordt naar verwachting 135.000 m2 kantoorruimte toegevoegd. Om tegemoet te komen aan de toegenomen vraag naar kantoormeters is onderzocht op welke plekken kantoorontwikkeling mogelijk en gewenst is. Dit met inachtneming van de volgende uitgangspunten:

  • De Visie Zuidas -en de daarin opgenomen verdeling tussen wonen, werken en voorzieningen- is leidend bij de verdere ontwikkeling van het gebied.
  • In een periode waarin de combinatie van de ontwikkeling in de flanken en de realisatie van Zuidasdok een grote impact heeft, wordt extra aandacht besteed aan de omgevingskwaliteit.
3.4.5.3 Zuidas Office Monitor 2017     

Uit het meest recente analyserapport van de kantorenmarkt op Zuidas, de Zuidas Office Monitor (editie 2017, H1), komt naar voren dat de aanhoudende vraag van kantoorgebruikers en het lage leegstandspercentage er de afgelopen jaren toe hebben geleid dat nieuwe bouwplannen worden gerealiseerd. Het rapport geeft aan dat door de nog steeds toenemende dynamiek de behoefte aan uitbreiding van de kantoorvoorraad nog steeds actueel is. Dit is ook nodig om nieuwe (grootschalige internationale) gebruikers de kans te geven zich op Zuidas te vestigen of om bestaande gebruikers uitbreidingsmogelijkheden te bieden. Een behoorlijk deel van het voorziene kantoorvloeroppervlak moet nog gebouwd en opgeleverd worden, wat tot gevolg heeft dat het direct beschikbare aanbod van kantoren beperkt is. Dit leidt tot een leegstandpercentage van slechts 4,3 %. Het rapport geeft tevens aan dat de realisatie van woningen en voorzieningen de leefbaarheid en het multifunctionele karakter van het gebied versterkt.

De aanvulling en optimalisatie van kantoorprogramma op verschillende kavels in Zuidas wordt gemonitord en waar nodig geoptimaliseerd. Voorbeelden hiervan zijn het toevoegen van deelgebied Verdi aan het grootstedelijk gebied Zuidas en het opnemen van aanvullend kantoorprogramma in deelgebied Parnas. Het kantoorprogramma voor deelgebied Vivaldi, waar voorliggend bestemmingsplan op ziet is opgenomen in de huidige voorraad en plancapaciteit. Het bestemmingsplan draagt bij aan het kantorenplan voor Zuidas.

3.4.5.4 Ladder duurzame verstedelijking     

Met het mogelijk maken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarvan in voorliggend bestemmingsplan sprake is, dient te worden beoordeeld of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Hiervoor dient gekeken te worden naar de aard en omvang van het het beslag op de ruimte. In beginsel is hiervan sprake als meer bebouwing mogelijk wordt gemaakt dan onder het voorheen geldende regime mogelijk wordt gemaakt. Met voorliggend bestemmingsplan is daar sprake van. Met een verwijzing naar de hiervoor opgenomen toelichting inzake het gemeentelijk beleid, is volgens het Kantorenplan 2019-2026 en ook vanuit de kantorenstrategie sprake van een behoefte aan kantoren op locaties die goed met het OV goed bereikbaar zijn. Daar vallen de locaties in Vivaldi onder, waar met dit bestemmingsplan kantoren mogelijk worden gemaakt. Het gebied is ook aangewezen als een zogenoemde A-locatie. De locaties bevinden zich in de nabijheid van trein-, tram-, metro en bushaltes met de nabijheid van Station Rai en Station Zuid. Vanuit de behoefteraming, is een kwantitatieve behoefte van 125.000 m2 bvo aan kantooroppervlak per jaar vastgesteld. Voor Zuidas is dat tussen 2023-2026 135.000 m2 bvo aan kantooroppervlak. De ontwikkelingen van NSI en kavel 13 dragen bij aan de behoefte aan kantoren op A-locaties en passen binnen de uitgangspunten van de Visie Zuidas, die een mix van onder meer werken en voorzieningen vragen en plannen met omgevingskwaliteit. Met het planvoornemen wordt invulling gegeven aan het toevoegen van duurzame, kwalitatief hoogwaardige en daarme toekomstbestendige kantoormeters in bestaand stedelijk gebied. Met voorliggend bestemmingsplan wordt daarmee invulling gegeven aan de vereisten vanuit de ladder van duurzame verstedelijking en het gemeentelijk beleid voor kantoren.

3.4.6 Nota Parkeernormen Auto 2017     

Op 7 juni 2017 heeft de Gemeenteraad de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld. Het belangrijkste uitgangspunt van de Nota is dat bewoners en werknemers bij nieuwbouw geen parkeervergunning voor het parkeren op straat krijgen.

Zuidas wordt aangemerkt als A-locatie. A-locaties kenmerken zich door een zeer goede bereikbaarheid per openbaar vervoer. Gebieden die dicht bij een intercitystation zijn gelegen worden als A-locatie aangemerkt. In deze gebieden schrijft de gemeente voor woningen alleen een maximumparkeernorm voor, geen minimumnorm.

De belangrijkste uitgangspunten voor nieuwe bestemmingsplannen met betrekking tot nieuwbouw op A-locaties zijn:

  • voor kantoren geldt een parkeernorm van maximaal 1 parkeerplaats per 250 m² brutovloeroppervlakte.
  • bij het vaststellen van parkeernormen voor voorzieningen vormen de actuele kencijfers van de CROW het uitgangspunt, gecombineerd met actuele Amsterdamse gegevens over de verkeersgeneratie van specifieke functies op de betreffende locatie. Kortom voor voorzieningen is maatwerk vereist.
  • voor woningen geldt een parkeernorm van maximaal 1 parkeerplaats per woning, ongeacht de grootte.
  • voor bezoekers van woningen geldt in beginsel een parkeernorm van 0,1 parkeerplaats per woning, ongeacht de grootte.

De parkeernormen zoals opgenomen in voorliggend bestemmingsplan zijn in overeenstemming met de Nota Parkeernormen Auto. In hoofdstuk 6.2.6 wordt verder op het beleid ten aanzien van autoparkeren voor het plangebied ingegaan.

3.4.7 Nota fiets- en scooterparkeren 2018     

Op 15 maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota parkeernormen fiets en scooter vastgesteld. Bij nieuw te bouwen woningen is de verplichting om een (fietsen)berging te realiseren vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. Voor niet-woonfuncties moet de realisatie van fietsparkeervoorzieningen worden vastgelegd middels bestemmingsplannen. De Nota dient ter onderbouwing van de normen die in het bestemmingsplan worden vastgelegd.

Op basis van de kencijfers van het landelijke kennisinstituut CROW zijn fietsparkeernormen ontwikkeld voor niet-woonfuncties. Voor niet-woonfuncties wordt het bovendien verplicht om voldoende en goede fietsparkeervoorzieningen te realiseren op eigen terrein. De parkeernormen zoals opgenomen in voorliggend bestemmingsplan zijn in overeenstemming met de Nota parkeernormen fiets en scooter. In paragraaf 6.4.2 wordt verder op het beleid ten aanzien van fietsparkeren voor het plangebied ingegaan.

3.4.8 Duurzaamheidsbeleid     

3.4.8.1 Agenda Duurzaamheid     

In de Agenda Duurzaamheid (vastgesteld door de gemeenteraad op 11 maart 2015) zijn gebieden aangewezen waar de gemeente samenwerkt met ontwikkelaars, woningcorporaties en partijen als Alliander, AEB Amsterdam en Waternet om te investeren in duurzaamheid. De ambities van de Agenda Duurzaamheid hebben betrekking op duurzame energie, schone lucht, circulaire economie en een klimaatbestendige stad. Ook het verduurzamen van de gemeente zelf is een ambitie.

Met betrekking tot duurzame energie heeft Amsterdam twee hoofddoelstellingen die in 2020 gerealiseerd moeten zijn: Per inwoner moet 20% meer duurzame energie opgewekt worden dan in 2013 en 20% minder energie verbruikt worden dan in 2013. Daartoe moet meer gebruik worden gemaakt zonne- duurzame warmte, moet de bestaande woningvoorraad verduurzamen, moet energieverbruik verlagen en moet energieneutrale nieuwbouw worden gestimuleerd.

De lucht in Amsterdam moet schoner en gezonder, met zo min mogelijk stikstofdioxide, fijnstof en roet. De percentages stikstofdioxide en roet in moeten in 2025 35% respectievelijk 30% lager zijn dan in 2015.

Het college wil dit bereiken door:

  • innovatie, onderzoek en circulaire bedrijvigheid te stimuleren.
  • meer grondstoffen en materialen terug te winnen, met als subdoel: 65 % van huishoudelijk afval scheiden in 2020.

Het realiseren van een circulaire economie met nieuwe vormen van productie, distributie en consumptie is een lange termijndoel. Daarnaast moet huishoudelijk afval meer worden gescheiden. Om die doelen te realiseren moet innovatie, onderzoek en circulaire bedrijvigheid worden gestimuleerd en moeten meer grondstoffen en materialen terug worden gewonnen.

In hoofdstuk 15 zal verder op duurzaamheid worden ingegaan in relatie tot voorliggend bestemmingsplan.

3.4.8.2 Actieplan Schone Lucht 2019     

Het Actieplan Schone Lucht beschrijft op hoofdlijnen hoe de gemeente tot 2030 toewerkt naar schonere en gezondere lucht in de stad. In het Actieplan heeft het college de ambitie uitgesproken dat in 2030 overal in de gemeente alleen maar uitstootvrij verkeer rijdt. Daarom heeft de gemeente de volgende mijlpalen verwoord:

  • 2020: Realisatie (diesel)milieuzone binnen ring A10 personenauto’s vanaf Euro 4 en geografische uitbreiding milieuzones;
  • 2022: ov-bussen en touringcars centrum zijn uitstootvrij (binnen s100 ten zuiden van het spoor)
  • 2025: al het verkeer, waaronder ook taxi's, passagiersvaart, pleziervaart en GVB veren, maar behalve personenauto's en motoren, is uitstootvrij binnen de ring A10 (voor brom- en snorfietsen geldt de hele bebouwde kom);
  • 2030: al het verkeer binnen bebouwde kom is uitstootvrij.

Hoofdstuk 4 Het ruimtelijk kader     

4.1 Algemeen     

Het deelgebied Vivaldi ligt in het uiterste zuidoosten van Zuidas, tussen de A10 (ringweg zuid), de Europaboulevard (in het oosten), de De Boelelaan (in het zuiden) en de Antonio Vivaldistraat (in het westen). Vivaldi wordt momenteel in belangrijke mate gekenmerkt door kantoor- en bedrijfsbebouwing en kent een stoer karakter met robuuste gebouwen. Zo zijn de zendmasttoren van Cellnex (voormalig Alticom), de gebouwen van het energiestation van Zorgvlied en het kantoorgebouw van Cross Towers beeldbepalende elementen voor het gebied. In de afgelopen jaren is het gebied zich aan het transformeren naar een meer gemengd gebied waar ook andere functies zoals wonen (appartementencomplex Eurocenter), hotels (Holiday Inn en sinds kort het Van der Valk hotel) en EMA een plek hebben gekregen of zullen krijgen. Het daarnaast gelegen deelgebied Ravel ontwikkelt zich tot een nieuwe woonwijk met naast woningen, een gemeentelijk sportpark en diverse voorzieningen en kantoren.

Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan in deelgebied Vivaldi is beperkt tot kavel 13 in de noordzone van de A10, de kavel ten zuidwesten hiervan op de hoek van de Antonio Vivaldistraat en Domenico Scarlattilaan en een parkeervoorziening voor fietsen en scooters ten oosten hiervan met de mogelijkheid van een functioneel programma

verplicht

Figuur 7: Plangebied (google maps) Zuidas-Vivaldi kavel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening

In artikel 15 van de regels van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' zijn voor wat betreft de gronden van kavel 13 uitwerkingsregels opgenomen die betrekking hebben op zowel het functioneel gebruik als op het bouwen.

Hierna zal voor de nieuw te ontwikkelen kavels een nadere toelichting worden gegeven voor wat betreft de stedenbouwkundige aspecten, waaronder de randvoorwaarden en het programma. Voor kavel 13 zal daarbij worden ingegaan op de relevante uitwerkingsregels en de onderdelen waarop hiervan wordt afgeweken met voorliggend bestemmingsplan.

Vervolgens zal de nieuwe ontwikkeling op de noordoostelijke hoek van de kavel van NSI ten zuidwesten van kavel 13 worden beschreven en zullen de daarvoor gemaakte keuzes worden toegelicht.

4.1.1 Positionering in de omgeving     

Kavel 13

Kavel 13 is de laatst uit te werken kavel in het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' en is gelegen in de A10-zone in het noorden van deelgebied Vivaldi. Voorliggend bestemmingsplan ziet op de uitwerking van kavel 13, maar past daarbij niet meer geheel binnen de kaders van de uitwerking. Daarom is gekozen op onderdelen af te wijken van de kaders in de uitwerking, met het doel de positionering en inpassing van het gebouw op de locatie vanuit stedenbouwkundig oogpunt beter tot zijn recht te laten komen. Met het opstellen van een bestemmingsplan wordt hierin voorzien.

verplicht

Figuur 8: locatie kavel 13

De A10-zone waarin kavel 13 is gelegen wordt gekenmerkt door een reeks van eigenstandige gebouwen. Het gebouw Cross Towers en EMA hebben elk een opbouw van een plint met daarop een toren. Het hotel van Van der Valk beëindigd met een driehoekige vorm de zone en zorgt voor een goede stedenbouwkundige verbinding naar station RAI. Kavel 13 is ten oosten van kavel 12 (EMA) gelegen en ten westen van kavel 14 (Van der Valk hotel) en complementeert de reeks door zich te voegen in de stedenbouwkundige context.

Ten noorden van de kavel ligt een spoorslagsloot. Deze is reeds verlegd naar de definitieve locatie en zal in de eindsituatie (na voltooiing van Zuidasdok) worden verbreed.

NSI eerste fase

Naast kavel 13 maakt de ten zuidwesten daarvan gelegen hoek van de kavel, gelegen tussen de Antonio Vivaldistraat en de Domenico Scarlattilaan, waarop het voormalig Drentestaete complex is gevestigd, deel uit van het plangebied. De kavel is in erfpacht uitgegeven. De erfpachter (NSI) wenst de kavel in de toekomst in zijn geheel te transformeren. De eerste fase van dit proces zal starten met een ontwikkeling die ziet op de nieuwbouw van een gebouw op de noordwestelijke hoek van de kavel. Het gaat om een onbebouwd deel van de kavel, behoudens de reeds aanwezige ingang naar de ondergrondse parkeergarage. De bestaande bebouwing op het overige deel van de kavel, welke geen deel uitmaakt van het plangebied, blijft in deze fase behouden. Ten oosten hiervan wordt op hetzelfde kavel een fiets- en scooterparkeervoorziening gerealiseerd met de mogelijkheid functioneel programma toe te voegen. De totaalontwikkeling van het complex ligt in het hart van Vivaldi en levert met de ontwikkeling een belangrijke bijdrage aan de totale transformatie van Vivaldi naar een meer gemengd en levendig gebied.

NSI eerste fase ligt op het scharnierpunt van de deelgebieden Vivaldi en Ravel. De kavel neemt een bijzondere positie in ten opzichte in als beëindiging van de 2,5 km lange Mahlerlaan/Ravellaan. Het gebouw moet daarmee in staat zijn de langgerekte ruimte te vangen, zich te voegen in het dambordpatroon van gebouwen en onderdeel uit te maken van de stedenbouwkundige parkrand van Ravel.

verplicht

Figuur 9 : locatie NSI/ voormalig Drentestaete fase I (blauw); onderbroken lijn geeft het plangebied weer ter plaatse van de kavel van ontwikkelaar NSI

4.1.2 Gebouwconcept     

Kavel 13

Kavel 13 vormt het sluitstuk van van de A10 noordzone van Vivaldi en maakt onderdeel uit van een reeks gebouwen. Door de specifieke driehoekige vorm van de kavel en de nabijheid van de reeds gerealiseerde gebouwen van EMA (kavel 12) en Van der Valk (kavel 14) is een secure stedenbouwkundige inpassing noodzakelijk. Met een langwerpig volume voegt het gebouw zich op een natuurlijke wijze in de stedenbouwkundige context van de aanwezige gebouwen in de strook langs de A10. Om te zorgen dat voldoende licht en lucht behouden blijft tussen de gebouwen is aan weerszijden rekening gehouden met de aanwezigheid van voldoende ruimte tussen de hoge gebouwen. Het volume is zodanig bepaald dat het zo min mogelijk zicht ontneemt van de naburige hoogbouw.

Het gebouw is opgebouwd uit een plint met een bovenbouw. Het gebouw kent een maximale bouwhoogte van 85 meter. De plint maakt onderdeel uit van de plinten van gebouwen langs de A10. De plint richt zich op het straatniveau en continueert de rooilijn van de Domenico Scarlattilaan. De plint dient een levendige uitstraling te krijgen door 'binnen' met 'buiten' te verbinden. Daken en binnenterreinen van het gebouw moet conform de daaraan gestelde duurzaamheidsmaatregelen groen of blauw worden ingericht. Hierop wordt in hoofdstuk 15 nader ingegaan.

Het gebouw dient te passen in de stedenbouwkundige context die is neergelegd in de Visie Zuidas. Het gebouwontwerp moet in relatie staan met de (toekomstige) context van de aangrenzende kavels, de overzijde van de straat en de aangrenzende openbare ruimte.

Zoals in de algemene ambitie en visie voor de Zuidas aangegeven, ligt het niveau van de verwachte ontwikkelingen op het gebied van kwaliteit van gebouwen, duurzaamheid, bereikbaarheid, levendigheid en gebruiksgemak hoog.

NSI eerste fase

De erfpachter heeft voor de eerste fase van de ontwikkeling van de kavel, welke fase deel uitmaakt van voorliggend bestemmingsplan, laten maken van een kantoorgebouw met een hybride houten draagconstructie. Met vorm, organisatie en constructie voegt het gebouw zich in de stedenbouwkundige context van het gebied. Het terugliggende volume van het gebouw over meerdere lagen aan de onder- en bovenzijde geeft de toren een sculpturaal karakter waarmee het gebouw zich op grote afstand onderscheidt. Dichterbij geven de combinatie van levendige plintfuncties over meerdere lagen en de houten constructieve elementen een hoogwaardige uitstraling.

De hoofdvorm van het gebouw zal bestaan uit een rechthoekig volume met de kopse kant in het verlengde van de Mahlerlaan/Ravellaan. De onderzijde van het gebouw ligt met de plint terug ten opzichte van het bouwvolume daarboven. De onderbouw loopt op tot minimaal 19 meter en maximaal 21 meter hoogte en sluit daarmee aan bij de onderbouw van overige gebouwen aan de Domenico Scarlattilaan. Het terugliggen van de bovenzijde van het gebouw start vanaf een minimale bouwhoogte van 60 meter of vanaf maximaal 66 meter. Het gebouw zal een maximale bouwhoogte kennen van 86 meter (+ N.A.P).

Ten oosten van het gebouw zal een tijdelijke parkeervoorziening ten behoeve van fietsen en scooters mogelijk worden gemaakt. Hier zal aan in ieder geval de toekomstige fietsparkeerbehoefte ten behoeve van het nieuwe kantoor worden tegemoet gekomen.

Zoals in de algemene ambitie en visie voor de Zuidas aangegeven, ligt ook hier het niveau van de verwachte ontwikkelingen op het gebied van kwaliteit van gebouwen, duurzaamheid, bereikbaarheid, levendigheid en gebruiksgemak hoog.

4.2 Ruimtelijk-functionele uitgangspunten     

4.2.1 Uitwerkingsregels bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi kavel 13     

Het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' biedt middels de uit te werken regels ruimte voor vestiging van een gemengd functioneel programma, met kantoren, horeca, detailhandel en verschillende vormen van dienstverlening en overige vormen van ontspanning en vermaak. Ook is er de mogelijkheid om de gronden te gebruiken ten behoeve van wegen, voet- en fietspaden, en andere openbare bestemmingen. De uit te werken gronden zijn twee kavels, kavel 12 en kavel 13. Kavel 12 is middels een uitwerkingsplan reeds vastgesteld en met een omgevingsvergunning gerealiseerd. Onderhavig bestemmingsplan ziet voor zover het de uitwerking van deze regels betreft alleen op kavel 13. Met betrekking tot het functioneel programma zijn voor kavel 13 de volgende maxima per functies opgenomen:

  • Voor alle functies geldt per uit te werken kavel een maximaal programma van 30.000 m2 brutovloeroppervlakte;
  • Voor de functie kantoor geldt voor de twee uit te werken kavels tezamen een maximaal programma van 50.000 m2 brutovloeroppervlakte;
  • Voor de functie detailhandel geldt gezamenlijk met bestemming Horeca-2 voor de twee uit te werken kavels tezamen een maximaal programma van 1.500 m2 brutovloeroppervlakte.

4.2.2 Vertaling naar voorliggend bestemmingsplan kavel 13     

In voorliggend bestemmingsplan zal aan de gronden van kavel 13 de bestemming Kantoor-1 worden gegeven en zal bestaan uit een kantoorprogramma met voorzieningen in de plint. Het totaalprogramma bedraagt maximaal 30.000 m2 bvo, waarvan maximaal 29.700 m2 bvo aan kantoor. Voor voorzieningen geldt een minimum van 300 m2 bvo en maximaal 2.000 m2 bvo. Het programma past binnen het maximale programma dat is toegestaan vanuit het moederplan. Binnen het programma is voor de functie kantoor in tegenstelling tot wat het moederplan mogelijk maakt extra m2 bvo opgenomen en op dit punt wijkt het plan af van de regels van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi'.

Op de verbeelding behorend bij dit plan staat een maximale bouwhoogte van 85 meter opgenomen, conform de maximale bouwhoogte in de uitwerkingsregels van Zuidas-Vivaldi. Het basement van het gebouw krijgt in afwijking van de uitwerkingsregels een maximale bouwhoogte van 18 meter, zoals op de verbeelding is opgenomen. Het bebouwingspercentage zal worden losgelaten, nu de bouwhoogtes zijn vastgelegd voor de verschillende bouwvlakken en de bouwvlakken volledig bebouwd mogen worden. De verbeelding moet samen met de regels worden gelezen.

De plint van het gebouw is uitnodigend en transparant. Blinde gevels moeten worden voorkomen. Minimaal driekwart van de gevel grenzend aan de openbare ruimte dient open en transparant te zijn. Aanwezige technische ruimten en installaties ten behoeve van energie en nutsvoorzieningen moeten opgaan in het gebouw en daar onderdeel van uitmaken en worden opgelost aan de expeditiestraat, aan de noordzijde. De plinten zijn multifunctioneel te gebruiken en onder te verdelen in kleinere vestigingen met naast een hoofdentree tot het gebouw meerdere voordeuren. Op deze manier bestaat via verschillende zijden toegang tot het gebouw.

Openbare ruimte

De ruimte tussen kavel 12 (EMA) en kavel 13 is onbebouwd en privaat, maar wel toegankelijk. De ruimte moet hoogwaardig worden ingericht met een groene uitstraling. Bij de bouw van de parkeerkelder moet rekening worden gehouden met het aanbrengen van gronddekking van minimaal 1 meter ten behoeve van het planten van bomen op het maaiveld.

Een klein pocketplein aan de zuidwestzijde is wenselijk, waarbij aansluiting wordt gezocht met de maaiveldinrichting van kavel 12 en het ontwerp van de herinrichting van de Domenico Scarlattilaan en Antonio Vivaldistraat. De Domenico Scarlattilaan wordt ingericht ten behoeve van eenrichtingsverkeer. Dit zal naar verwachting in 2024/2025 plaatsvinden.

De ruimte tussen kavel 13 en kavel 14 (Van der Valk), aan de oostzijde, wordt eveneens hoogwaardig ingericht. De wegen langs de kavel voor expeditieverkeer en bestemmingsverkeer voor de parkeergarage worden gecombineerd met een groene inrichting die aansluit bij de herinrichting van de openbare ruimte. De ontsluiting van de parkeergarage vindt plaats aan de oostzijde van kavel 13 en fietsers kunnen terecht middels een ontsluiting aan de westzijde.

verplicht

Figuur 10: Ontsluitingsstructuur kavel 13

4.2.3 Ruimtelijk-functionele uitgangspunten NSI eerste fase     

Voor de eerste fase van de kavel van NSI zal onder meer een gebouw met kantoorprogramma in combinatie met voorzieningen mogelijk worden gemaakt. Aan de gronden zal de bestemming Kantoor - 2 worden toegekend. Het maximale programma binnen het bouwvlak bedraagt binnen deze bestemming 22.000 m2 bvo, waarvan maximaal 21.500 m2 bvo aan kantoor. Voor voorzieningen geldt een minimum van 500 m2 bvo en maximaal 3.200 m2 bvo. Het maximum van 3.200 m2 bvo aan voorzieningen geldt gezamenlijk voor de bestemmingen Kantoor-2 en Kantoor-3, zoals hierna genoemd.

De plint van het gebouw is uitnodigend en transparant. Blinde gevels moeten worden voorkomen. Minimaal driekwart van de gevel grenzend aan de openbare ruimte dient open en transparant te zijn. Aanwezige technische ruimten en installaties ten behoeve van energie en nutsvoorzieningen moeten opgaan in het gebouw en daar onderdeel van uitmaken en dienen aan de zijde van het binnenterrein opgelost te worden. De plinten zijn multifunctioneel te gebruiken en hebben naast een hoofdentree tot het gebouw meerdere ingangen. Op deze manier bestaat via verschillende zijden toegang tot het gebouw.

Ten oosten van de kantoortoren is een fiets- en scooterparkeervoorziening met daarboven de mogelijkheid van een functioneel programma voorzien. Deze gronden zullen de bestemming Kantoor - 3 kennen. Het functioneel programma kent een maximum van 700 m2 bvo. Het gebouw is grotendeels bestemd voor fiets- en scooterparkeren. Het gebouw zal bestemd zijn voor verschillende functies en heeft een gemengd karakter.

Het totaalprogramma voor NSI eerste fase zal totaal 22.700 m2 bvo (exclusief parkeervoorzieningen) bedragen.

4.3 Bebouwingsregels     

4.3.1 Uitwerkingsregels bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi kavel 13     

De uitwerkingsregels zijn opgenomen in het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi'. Onder verwijzing naar de verbeelding zijn maxima aangegeven voor wat betreft de te bebouwen gronden en de bouwhoogte. Voor wat betreft kavel 13 zijn de volgende bebouwingsregels van de uitwerkingsregels van belang, gebaseerd op artikel 15 van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi':

  • Voor wat betreft het realiseren van gebouwen geldt dat deze binnen het gehele bestemmingsvlak mogen worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 85 meter (gemeten vanaf NAP en inclusief technische installaties en bouwwerken). Vanaf 10 meter gemeten vanaf maaiveld geldt een maximum bebouwingspercentage. De maximale bouwhoogte is gebaseerd op de maximale toetshoogte zoals opgenomen in het 'Hoogbouwkader Zuidas' behorende bij het Luchthavenindelingbesluit. Voor de noordstrook van het bestemmingsvlak is bebouwing, met uitzondering van ondersteuningsconstructies in de vorm van pilaren, kolommen en dergelijke, uitsluitend boven 5 meter gemeten vanaf maaiveld toegestaan. Ten aanzien van de situering en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen, zijnde kunnen nadere regels worden gesteld.
  • Ter voorkoming of beperking van windhinder en ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van gebouwen in geval van calamiteiten, kunnen regels worden gesteld inhoudende de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen.
  • Op de noordzijde van het bestemmingsvlak rust daarnaast de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone-tracewet', waarvoor geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ten behoeve van de functies binnen de bestemming, niet eerder kan worden verleend dan nadat door de directeur Zuidasdok is medegedeeld dat de reservering van het werkterrein niet langer nodig is.

4.3.2 Stedenbouwkundige uitwerking kavel 13     

Bouwhoogte

Het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi maakt voor kavel 13 een bouwhoogte mogelijk van maximaal 85 meter (inclusief technische installaties, ondergeschikte bouwdelen en andere bouwwerken). Deze bouwhoogte zal in voorliggend bestemmingsplan behouden blijven.

Rooilijnen

De rooilijnen van het gebouw verschillen per bouwlaag. De (parkeer)kelder kan aan de noord-, oost- en westzijde uitsteken onder het gebouw en is dus binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan. Op maaiveld is een expeditiestraat aan de noordzijde verplicht en een 'pocketplein' aan zuidwestzijde wenselijk. De overige plintlagen kitkragen over de expeditiestraat tot aan de noordelijke erfgrens. De toren heeft maximale rooilijn gelieerd aan het gebouwconcept.

verplicht

Figuur 11: rooilijnen en en overkraging expeditiestraat kavel 13

Plint

Het gebouw zal bestaan uit een onderbouw en een toren aan de zijde van de Domenico Scarlattilaan. De onderbouw strekt zich uit tot een bouwhoogte van 18 meter. Binnen deze maximale hoogte zijn verschillende invullingen van verdiepingshoogte met verdiepingsvloeren mogelijk. De eerste bouwlaag heeft een verdiepingshoogte van minimaal 4 meter. De overige bouwlagen van de onderbouw en die daarboven hebben een minimale bruto verdiepingshoogte van 3.30 meter, aansluitend bij de welstandscriteria voor Zuidas en vanuit het oogpunt van duurzaamheid (multifunctionaliteit). De (hoofd)entrees van voorzieningen en kantoor dienen te worden gesitueerd aan de Domenico Scarlattilaan of het pocketplein.

4.3.3 Vertaling naar voorliggend bestemmingsplan     

Aan de uitgangspunten in de uitwerkingsregels is in voorliggend bestemmingsplan voor een deel uitvoering gegeven door middel van de bestemming 'Kantoor-1' in artikel 3 en de daarin gestelde regels. Verschillende bouwhoogten zijn opgenomen, waarmee de vorm van het gebouw in grote lijnen wordt vastgelegd. Aan de zijde van de Domenico Scarlattilaan is een bouwhoogte van 85 meter (inclusief technische installaties, ondergeschikte bouwdelen en andere bouwwerken) toegestaan en aan de A10 zijde, aan de noordzijde een maximale bouwhoogte van 18 meter. Gebouwen mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht. (Gebouwde) parkeervoorzieningen zijn alleen ondergronds toegestaan met een maximale diepte van twee lagen. In de noordstrook van de kavel is de expeditiestraat geregeld. De expeditiestraat kan van een overkraging worden voorzien. Om de expeditistraat met eventuele overkraging te realiseren is ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding vanaf maaiveld tot een hoogte van 7,3 meter, met uitzondering van ondersteuningsconstructies en pilaren, geen bebouwing toegestaan. Het bebouwingspercentage wordt niet overgenomen, aangezien de verschillende bouwhoogten binnen het bouwvlak zijn vastgelegd en beogen niet meer mogelijk te maken dan het eerder genoemde maximale programma van 30.000 m2 bvo.

Tevens geldt voor een gedeelte op het noordelijke deel van de kavel dat eerst kan worden gebouwd als de directeur Zuidasdok heeft medegedeeld dat de reservering van het werkterrein niet langer nodig is. Zoals eerder aangegeven is de reservering voor het werkterrein in 2017 komen te vervallen. Hiermee zal het werkterrein geen deel meer uitmaken van voorliggend bestemmingsplan en niet meer worden opgenomen in voorliggend bestemmingsplan, aangezien deze toestemming inmiddels is verleend.

Voor het overige wordt voor wat betreft de wijze waarop de uit te werken regels zijn vertaald naar voorliggend bestemmingsplan, kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting in hoofdstuk 16.

4.3.4 Stedenbouwkundige uitwerking NSI eerste fase     

Bouwhoogte

De bouwhoogte voor de ontwikkeling van NSI eerste fase op de noordwestelijke hoek van de kavel is niet opgenomen in het Hoogbouwkader van Zuidas, dat deel uitmaakt van Luchthavenindelingsbesluit. Om een gewenste bouwhoogte van 86 meter (+ N.A.P.) mogelijk te maken is een verklaring van geen bezwaar aangevraagd en verkregen. Op de hoogbouwaspecten zal in hoofdstuk 13 nader worden ingegaan. Op de verbeelding is een maximale bouwhoogte opgenomen van 86 meter (ten opzichte van N.A.P). Alle installaties en ondergeschikte delen van het gebouw, dienen binnen de maximale bouwhoogte te worden gerealiseerd.

Aan een deel van de gronden van de kavel ten oosten daarvan zal de bestemming Kantoor - 3 worden toegekend met een bouwvlak met een maximale bouwhoogte van 18 meter. Dit bouwvlak zal dienen voor een fiets- en scooterparkeervoorziening met de mogelijkheid in het gebouw ook een gemengd functioneel programma te realiseren. Met het gebouw zal aansluiting worden gezocht bij de bestaande bebouwing. De verbeelding moet samen met de regels worden gelezen. Installaties, technische voorzieningen, ondergeschikte delen van het gebouw dienen binnen de maximale bouwhoogte te worden gerealiseerd.

Rooilijnen

Met de rooilijnen van het gebouw wordt op verschillende bouwhoogten aansluiting gezocht op de stedenbouwkundige context van de omgeving. Het hoofdvolume volgt de aanpalende straten Antonio Vivaldistraat aan de westzijde en Domenico Scarlattilaan aan de noordzijde. De plint die gelegen is aan de openbare ruimte ligt terug ten opzichte van het hoofdvolume en biedt zo ruimte en kwaliteit op maaiveldniveau.

verplicht

Figuur 12: NSI eerste fase (nieuwbouw, hoek Antonio Vivaldistraat - Domenico Scarlattilaan)

Plint

De plint strekt zich minimaal uit over de eerste twee bouwlagen van het gebouw en de eerste bouwlaag heeft een minimale verdiepingshoogte van 4 meter. De bouwlagen boven de plint hebben een minimale brutoverdiepingshoogte van 3.30 meter, in lijn met de welstandscriteria voor Zuidas en vanuit het oogpunt van duurzaamheid (multifunctionaliteit). De hoofdentrees dienen gesitueerd te zijn aan de zijde van de Antonio Vivaldistraat en de Domenico Scarlattilaan.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een eindbestemming voor de eerste fase en wordt nader geregeld in artikel 4 en 5 van voorliggend bestemmingsplan.

4.4 Gebruiksregels     

4.4.1 Uitwerkingsregels bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi kavel 13     

Voor voorliggend bestemmingsplan zijn de volgende uitwerkingsregels voor wat betreft gebruik van belang (zie artikel 15 van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi'). De uit te werken gronden zijn bestemd voor een tijdelijk werkterrein ten behoeve van de aanpassing van de A10, kantoren, horeca I, II, III en IV, maatschappelijke dienstverlening, ontspanning en vermaak, detailhandel, consumentverzorgende dienstverlening, zakelijke dienstverlening, sportvoorzieningen, nutsvoorzieningen, wegen, voet- en fietspaden, pleinen en daarmee vergelijkbare verblijfsruimten, parkeervoorzieningen, met daarbij behorende in- en uitritten, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen. De algemene gebruiksregels van het plan moeten in acht worden genomen (artikel 18 van de planregels van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi'). Daarnaast is het gebruik van de gronden aangeduid als werkterrein volgens de uitwerkingsregels niet eerder toegestaan dan nadat de directeur Zuidasdok heeft medegedeeld dat het gebruik als werkterrein niet langer noodzakelijk is. Geluidsgevoelige functies en gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit zijn bovendien, gezien de ligging ten opzichte van de A10, niet toegestaan. Het maximale programma is aangegeven op de verbeelding (30.000 m2 bvo). Voor de functies geldt daarnaast aanvullend dat voor de twee uit te werken kavels een maximum brutovloeroppervlakte voor kantoren geldt van 50.000 m2. Voor de functie detailhandel geldt gezamenlijk met bestemming Horeca-2 een maximum brutovloeroppervlakte van 1.500 m2 voor de twee uit te werken kavels. Parkeren mag tot slot uitsluitend plaatsvinden in gebouwde parkeervoorzieningen en fietsparkeren vindt inpandig plaats. Met betrekking tot parkeren moeten nadere regels worden gesteld aan het aantal parkeerplaatsen en de situering ervan, middels een absoluut aantal parkeerplaatsen of middels een parkeernorm, een en ander met inachtneming van het volgende:

  • voor culturele voorzieningen, detailhandel, consumentverzorgende dienstverlening, zakelijke dienstverlening, maatschappelijke dienstverlening, sportvoorzieningen, horeca I, horeca III en horeca IV geldt een maximum parkeernorm van 1 parkeerplaats per 100 m2 brutovloeroppervlakte;
  • voor kantoren geldt een maximum en minimum parkeernorm van 1 parkeerplaats per 125 m2 brutovloeroppervlakte.

4.4.2 Vertaling naar voorliggend bestemmingsplan     

Aan de uitgangspunten voor het gebruik zoals opgenomen in de uitwerkingsregels wordt grotendeels gevolg gegeven in voorliggend bestemmingsplan en daaraan zijn met artikel 3 regels gesteld. Voor kavel 13 wordt voorzien in een maximaal programma van 30.000 m2 bvo, waarvan maximaal 29.700 m2 bvo aan kantoor en een minimum van 300 m2 bvo aan voorzieningen, met uitzondering van detailhandel en met toevoeging van de mogelijkheid hier bedrijven te vestigen met beperkte milieuhinder. Naast kantoren zijn voorzieningen alleen toegestaan in de plint (eerste bouwlaag) van het gebouw, met uitzondering van de mogelijkheid van een publieke horecavoorziening in de bovenste bouwlaag. Aangezien het hoofdgebruik kantoor betreft is aan de gronden de bestemming 'Kantoor-1' toegekend. De grootte van een aantal functies is beperkt om ruimtelijk ongewenste effecten te voorkomen. Voor de parkeernormering wordt aangesloten bij de Nota Parkeernormen Auto 2017. In paragraaf 6.2.6 wordt ingegaan op de parkeernormering voor kavel 13.

4.4.3 NSI eerste fase     

Voor NSI eerste fase zijn verschillende voorzieningen toegestaan in de onderste en bovenste bouwlagen van het gebouw. In artikel 4 en 5 zijn de specifieke gebruiksregels neergelegd. Voor het voorzieningenprogramma geldt een minimum van 500 m2 bvo in de eerste twee bouwlagen en voor Kantoor - 2 en Kantoor - 3 gezamenlijk een maximum van 3.200 m2 bvo. Gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit zijn, gezien de ligging ten opzichte van de A10, niet toegestaan. De fiets- en scootervoorziening met de mogelijkheid voor een functioneel programma is geregeld in artikel 5.

Hoofdstuk 5 MER Zuidas - de Flanken     

5.1 Algemeen     

In het kader van de milieueffectrapportage (m.e.r.) behorende bij het bestemmingsplan Kenniskwartier Noord-West (vastgesteld door de Gemeenteraad op 14 juli 2011 en onherroepelijk) heeft een beoordeling plaatsgevonden van de milieueffecten die zijn te verwachten vanwege de ontwikkeling van de Zuidas Flanken. Met afronding van de m.e.r.-procedure is de m.e.r.-plicht als procedure uitgewerkt. Het Milieueffectrapport (MER) bevat die informatie die nodig is om de gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben in de besluitvorming behorende bij het betreffende bestemmingsplan te betrekken.

Inmiddels is een aantal bestemmingsplannen vastgesteld, dat eveneens betrekking heeft op de Zuidasontwikkeling, waarbij de informatie van het MER telkens betrokken is.

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de achtergronden en uitkomsten van de m.e.r.. In de hierop volgende hoofdstukken 6 tot en met 14 wordt per relevant onderwerp vervolgens ingegaan op de wijze waarop het plan voldoet aan de ter zake doende wetgeving en de wijze waarop, voor zover aan de orde, negatieve milieueffecten worden ondervangen. Daarbij zal tevens, voor zover aan de orde, worden ingegaan op aanvullend onderzoek dat heeft plaatsgevonden.

Volledigheidshalve is het Milieueffectrapport MER Zuidas - De Flanken, deel A en deel B, als bijlagen 1 en 2 toegevoegd.

5.2 Regelgeving     

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De regelgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage is verankerd in de Wet milieubeheer. Voor sommige plannen of activiteiten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken (m.e.r.-beoordeling). In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben.

De categorieën en besluiten waarvoor een directe m.e.r.-plicht, dan wel een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in het Besluit m.e.r. Het project Zuidas kwalificeert onder de huidige regeling niet als één van de gevallen waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. Wel is sprake van een project waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Op grond van die beoordeling moet worden besloten of er een milieueffectrapport moet worden opgesteld.

Met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling van de Zuidas Flanken is een milieueffectrapportage uitgevoerd, resulterend in het Milieueffectrapport MER Zuidas - De Flanken. Met de uitkomsten van dit Milieueffectrapport wordt ook in voorliggend bestemmingsplan rekening gehouden.

5.3 MER Zuidas Flanken     

Het plangebied Zuidas Flanken ligt aan weerszijden van de infrabundel (A10 Zuid, trein, metro en tram) van Amsterdam. Naast de A10, trein- en metrostations en tramhaltes is de Zuidas op zeer korte afstand gelegen van de binnenstad van Amsterdam en van Schiphol.

verplicht

Plangebied MER Zuidas - de Flanken

5.3.1 Uitgangspunten m.e.r.     

In het MER is uitgegaan van een ontwikkelingsprogramma, bovenop de reeds aanwezige functies, van ca. 763.000 m2 wonen, zo'n 837.500 m2 kantoren en ca. 360.500 m2 overige voorzieningen. In het MER zijn de effecten van dit ontwikkelprogramma in beeld gebracht. Daarnaast is gekeken naar de effecten van een alternatief met 85% van het voorgestelde programma en een alternatief met 115% van het voorgestelde programma. Hiermee wordt de bandbreedte van gevolgen van een grotere en kleinere ontwikkeling inzichtelijk gemaakt.

5.3.2 Te verwachten nadelige gevolgen voor het milieu     

De referentiesituatie en de alternatieven zijn met elkaar vergeleken en beoordeeld op diverse milieuaspecten en criteria. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de volgende zevenpuntsschaal:

verplicht

Om tot een beoordeling te komen is de beschrijving van de effecten gegeven. De beschrijving van de effecten vormt de onderbouwing van de beoordeling. In veel gevallen is gebruik gemaakt van expert judgement om tot een beoordeling te komen. Onderstaande tabel met de effectvergelijking geeft aan dat op diverse milieuaspecten en criteria de alternatieven niet verschillen van de referentiesituatie (score neutraal) en dat op een aantal criteria de alternatieven wel verschillen van de referentiesituatie, maar onderling geen verschil in effectbeoordeling laten zien.

verplicht

Effectbeoordeling

Voor de criteria waarbij een verschil optreedt ten opzichte van de referentiesituatie wordt in het MER een onderbouwing van de beoordeling gegeven. Voor een volledige beschrijving wordt verwezen naar het MER.

Het MER geeft maatregelen aan ter beperking van de nadelige milieugevolgen van de voorgenomen activiteit. Het gaat met name om maatregelen die betrekking hebben op de verbetering van het stedelijk wegennet ter bevordering van de bereikbaarheid en maatregelen op het gebied van geluid. Voor wat betreft verkeer zijn reeds veel maatregelen genomen. Middels een programmatische aanpak met periodieke monitoring wordt voortdurend gezorgd dat, voor zover nodig, nieuwe maatregelen tijdig zullen worden getroffen (zie hierover ook paragraaf 6.2). Voor wat betreft geluid worden maatregelen over het algemeen per bestemmingsplan bepaald. Daarnaast zal het project Zuidasdok voor wat betreft de beperking van geluidhinder aanzienlijke positieve gevolgen hebben voor grote delen van de Zuidas Flanken (zie ook hoofdstuk 7).

Verder zijn optimalisaties mogelijk. Deze worden echter niet noodzakelijk geacht ter beperking van de nadelige milieugevolgen van de voorgenomen activiteit. Het betreft maatregelen die betrokken kunnen worden bij de concrete plan- en besluitvorming per deelproject binnen de Flanken en die veelal ook reeds in het kader van een goede ruimtelijke ordening per plan aan bod komen. Daarbij kan per plan en besluit worden afgewogen welke maatregelen in het bestemmingsplan worden geborgd en welke bij de verdere planuitwerking aan bod kunnen komen.

5.4 Conclusie     

Gelet op de programmatische bandbreedte waarnaar in het kader van het MER onderzoek is gedaan, de kennis die de afgelopen jaren met betrekking tot verschillende thema's is opgedaan op basis van aanvullend onderzoek en het aanvullend onderzoek dat in het kader van voorliggend bestemmingsplan heeft plaatsgevonden, is de conclusie dat alle benodigde milieutechnische informatie voor de besluitvorming voorhanden is.

Op het gebied van de verkeersafwikkeling bleken maatregelen ten aanzien van een aantal kruisingen noodzakelijk. Deze zijn inmiddels genomen. Voor Zuidas is gekozen voor een programmatische aanpak, waarbij middels monitoring en actualisatie van verkeerskundig onderzoek tijdig in beeld wordt gebracht welke knelpunten zich kunnen voordoen, zodat ook maatregelen tijdig kunnen worden genomen. Deze aanpak wordt onverminderd voortgezet.

Alle overige aspecten hebben vooral betrekking op de concrete plan- en besluitvorming per deelproject. Hieraan wordt in het voorliggende bestemmingsplan de nodige aandacht besteed. In de hierna volgende hoofdstukken wordt hier nader op ingegaan.

Hoofdstuk 6 Verkeer en parkeren     

6.1 Algemeen     

In het kader van het MER Zuidas - de Flanken is een verkeersstudie uitgevoerd door de Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer van de gemeente Amsterdam d.d. 17 januari 2011 (opgenomen als bijlage in het MER Zuidas - de Flanken deel B, zie bijlage 2). Hierin is onderzoek gedaan naar de effecten op het gebied van verkeer en vervoer van de ontwikkeling van de Zuidas Flanken. In deze verkeersstudie zijn meerdere modelvarianten onderzocht. In relatie tot voorliggend bestemmingsplan is modelvariant 2 van belang waarbij het programma van de Zuidas Flanken voor 100% wordt gerealiseerd. Ontwikkeling van het programma van dit bestemmingsplan maakt hier onderdeel van uit. De effecten op het gebied van verkeer en vervoer zijn verder beschreven in het rapport deel B behorende bij het MER.

Uit het verkeersonderzoek in het kader van het MER bleek dat bij de totale plantoevoeging een aantal knelpunten zou ontstaan. Het programma zoals onderzocht in het kader van het MER zal echter gefaseerd worden gerealiseerd en ook een langere ontwikkelingstermijn in beslag nemen dan 10 jaar. Het onderzoek in het kader van het MER gaf geen inzicht in het moment waarop knelpunten zich zouden gaan voordoen. Om die reden is een aanvullende verkeersstudie Zuidas 2011 gedaan. Daarin is aan de hand van verwachte programma-oplevering gekeken naar het moment waarop en waar knelpunten zijn te verwachten. Dit heeft geleid tot het Actieplan weginfrastructuur 2011, waarin aan de hand van een programmatische benadering wordt zorggedragen voor een tijdige aanpak van de infrastructuur. Bij vaststelling van het Actieplan weginfrastructuur 2011 is tevens aangegeven dat het onderliggend verkeersonderzoek periodiek zou worden geactualiseerd.

Tegelijk groeide ook het besef dat behoud en verder verbeteren van de bereikbaarheid van Zuidas gezamenlijk moet worden opgepakt met de gebruikers van Zuidas. Bedrijfsleven en gemeente werken daarom samen aan de bereikbaarheid van de Amsterdamse Zuidas. Daartoe is medio 2012 een nieuwe impuls gegeven aan de Taskforce Bereikbaarheid Zuidas. De Taskforce bestaat uit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en instellingen in Zuidas en de overheid. Onder andere de RAI, de VU en het WTC zijn vertegenwoordigd in dit gremium. Op vrijdag 15 februari 2013 is het Convenant Bereikbaarheid Zuidas ondertekend door de partijen aangesloten bij de Taskforce. De Taskforce is betrokken geweest bij de actualisaties van de verkeersstudie uit 2011 die in 2013, 2014, 2017 en 2019 zijn uitgevoerd.

Om de programmatische aanpak en de bereikte resultaten beter toe te lichten wordt eerst een samenvatting gegeven van de eerdere verkeersonderzoeken. Daarna worden de uitkomsten van het meest recente verkeersonderzoek behandeld. Tevens wordt het samenwerkingsverband van de Taskforce en de afspraken van het Convenant nader toegelicht. Hierop wordt in paragraaf 6.2.5 nader ingegaan. Daarna wordt ingegaan op andere verkeergerelateerde onderwerpen, zoals openbaar vervoer, langzaam verkeer en parkeren met betrekking tot de ontwikkelingen in voorliggend bestemmingsplan.

6.2 Verkeersbeleid     

6.2.1 Programmatische aanpak     

Het grootschalige karakter van het project Zuidas, in combinatie met de lange doorlooptijd en de grote mate van onvoorspelbaarheid van wijze waarop de daadwerkelijke ontwikkeling plaatsvindt, noodzaakten tot een programmatische aanpak. Daarmee is in 2011 gekozen voor een werkwijze ter onderbouwing van juridisch-planologische besluiten. Deze werkwijze zal onverkort worden voortgezet.

Het doen van onderzoek is een belangrijk onderdeel van de werkwijze, maar de programmatische aanpak behelst meer. Behalve te onderzoeken welke knelpunten zich kunnen voordoen, wordt ook bekeken welke maatregelen mogelijk zijn, wordt in beeld gebracht wanneer de knelpunten zich kunnen voordoen, zodat maatregelen ook tijdig kunnen worden genomen, en ook daadwerkelijk worden genomen. Dit vraagt om periodieke actualisatie van onderzoeken, maar ook bijsturing van onderzoeken wanneer zich bijvoorbeeld programmatische wijzigingen voordoen.

Met de programmatische aanpak is de afgelopen jaren werk gemaakt van de daadwerkelijke verbetering van de bereikbaarheid van Zuidas. Een groot aantal knelpunten is reeds aangepakt en verdere verbetering is in voorbereiding. Daarmee onderstreept de programmatische aanpak ook dat de gemeente het goed bereikbaar maken en houden van de Zuidas serieus aanpakt. Potentiele knelpunten zijn en worden in beeld gebracht, zodat maatregelen tijdig konden en kunnen worden genomen. Geconcludeerd moet dan ook worden dat de programmatische aanpak in de praktijk zeer goed functioneert.

6.2.2 Werkwijze van de afgelopen jaren     

De programmatische aanpak zoals die tot op heden is gehanteerd, kende een aantal stappen:

  • Allereerst is de eindsituatie in beeld is gebracht. Hiermee werd de uitvoerbaarheid van het flankenprogramma als geheel onderbouwd (Verkeersstudie MER Flanken en VU/VUmc, versie: 17-01-2011, bijlage bij deel B van het MER).
  • Vervolgens is onderzocht wanneer deze knelpunten zich redelijkerwijze op zijn vroegst zouden voordoen (Verkeersstudie Zuidas 2011, Concept Versie 20 april 2011, geaccordeerd door de gemeenteraad op 14 juli 2011). Daarbij is gekeken naar de effecten bij een verwachte programmaontwikkeling voor de jaren 2015 en 2020. Voor de situatie 2015 werd als input voor het onderzoek dat programma genomen waarvan het de verwachting was dat dit in 2015 zou zijn opgeleverd en in gebruik genomen. Voor de situatie 2020 werd als input genomen het totale programma van de bestemmingsplannen waarmee we op dat moment bezig waren, of op korte termijn mee aan de slag zouden gaan. Dit was niet het totale eindprogramma (dat immers reeds was beschouwd in het kader van de Verkeersstudie MER).

Hiermee was in beeld gebracht dat het totale project gerealiseerd kon worden, welke knelpunten er op langere termijn (2020) zouden gaan optreden, en welke knelpunten er op korte termijn (2015) zouden optreden.

Op basis van deze gegevens is het Actieplan weginfrastructuur 2011 opgesteld. Hierin zijn per knelpunt ook de maatregelen beschreven, en is een kostenraming voor de benodigde oplossingen en op hoofdlijnen een planning van de aanpak opgenomen. Uitgangspunt is daarbij dat het potentiele knelpunt wordt aangepakt voor het knelpunt zich zou voordoen. Het Actieplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 14 juli 2011. Vervolgens is ook met de daadwerkelijke aanpak van de knelpunten begonnen.

Een programmatische aanpak vraagt (behalve om een actieplan) ook om monitoring, en waar nodig, bijsturing. In het actieplan is aangegeven dat periodiek monitoring en actualisatie zal plaatsvinden. Het actieplan geeft daarmee een aanzet tot de werkwijze van programmatische aanpak, en is inhoudelijk een onderdeel daarvan.

In de loop van de jaren heeft steeds een actualisatie van het verkeersonderzoek uit eerder jaren plaatsgevonden. Redenen hiervoor waren onder meer aanpassingen in het gemeentelijk verkeersmodel, maar ook aangepaste vastgoedprogrammering en - fasering. Bij actualisatie worden daarbij steeds de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • De meeste van de maatregelen uit het actieplan zijn hierin als reeds genomen betrokken;
  • Daarbij wordt gekeken naar de situatie tien jaar vooruit, met daarin het programma van alle bestemmingsplannen Zuidas zoals die waren vastgesteld of op stapel stonden.

Nieuwe studies kunnen ertoe leiden dat nieuwe knelpunten naar voren komen of maatregelen niet afdoende zijn en moeten worden bijgestuurd of soms niet meer nodig zijn. Als dit aan de orde is worden deze steeds meegenomen als aanvulling op het eerder Actieplan.

Op zichzelf zijn de eerdere studies daarmee achterhaald, ware het niet dat telkens in de opeenvolgende studies is voortgeborduurd op de voorgaande studie, in die zin dat de daarin voorgestelde maatregelen als reeds genomen werden beschouwd. Dit past binnen de hiervoor gekozen programmatische aanpak. Tegelijkertijd is voor een goed begrip van het laatste onderzoek enig inzicht in de bevindingen van eerdere studies noodzakelijk. Om die reden zijn de betreffende studies ook als bijlage aan voorliggende toelichting toegevoegd. Een bespreking van de bevindingen van het meest recente verkeersonderzoek zal in paragraaf 6.2.4 plaatsvinden. Eerst zal een kort overzicht worden gegeven van de daaraan voorafgaande studies.

6.2.3 Voorgaande onderzoeken     

6.2.3.1 Verkeersstudie MER Zuidas de Flanken     

In het MER is voor het eindbeeld van de flankenontwikkeling van Zuidas geconstateerd dat een aantal knelpunten zal optreden indien geen maatregelen worden genomen. Voor wat betreft het autoverkeer wordt geconstateerd dat bij volledige realisatie van modelvariant 2 een aantal kruispunten moet worden aangepast.

Effect op verkeersintensiteiten op het wegennet

Geconcludeerd werd dat de ontwikkeling vooral effect zou hebben op de belasting van het wegennet ten zuiden van de A10. De beide uiteinden van de De Boelelaan, de aansluitende wegen (Amstelveenseweg en Europaboulevard), de Beethovenstraat (tussen Gustav Mahlerlaan en de De Boelelaan) en de aansluitingen op de A10 lieten het grootste effect zien. Ten noorden van de A10 (richting Amsterdam-Centrum) was het effect van de Flanken op de verkeersintensiteiten beperkt.

Intensiteit / Capaciteit

Een maat voor de kwaliteit van de verkeersafwikkeling is de verhouding tussen I (intensiteit) en C (capaciteit) op een wegvak. De I/C-verhoudingen zijn in betreffende verkeersstudie bepaald voor de avondspits. I/C-verhoudingen worden uitgedrukt in een getal tussen de 0 en de 1, waarbij een getal dicht bij 1 duidt op een kans op vertraging.

In het studiegebied bleek de A10 in de referentiesituatie reeds een hoge I/C-verhouding te hebben. Ondanks de relatief kleine toename van de belasting van de A10 is daardoor de I/C-verhouding van de A10 en van enkele toe- en afritten aan de hoge kant. De I/C-verhouding bij de diverse op- en afritten van de A10 zou verslechteren ten opzichte van de referentiesituatie. Ook op de A10 in het oostelijke deel was een verschuiving waar te nemen van de I/C-verhouding. Het ging echter om een toename van slechts 0.01 bij de I/C-verhouding voor de A10.

Kruispunten

In het stedelijk gebied is de capaciteit van kruisingen over het algemeen meer maatgevend voor de doorstroming van het verkeer dan de capaciteit van de wegvakken. Om deze reden werden in een kruispuntenanalyse alle relevante kruispunten in Zuidas beschouwd.

Uit het onderzoek bleek dat binnen Zuidas maatregelen nodig zouden zijn. Wanneer de knelpunten zich zouden voordoen, was niet onderzocht. Daartoe werd in 2011 een aanvullende studie gedaan.

6.2.3.2 Verkeersstudie Zuidas 2011 en Actieplan weginfrastructuur Zuidas 2011     

De verkeersstudie Zuidas 2011 (zie bijlage 3) is in feite een nadere uitwerking van de verkeersstudie die in het kader van de MER Zuidas - Flanken was opgesteld. In deze verkeersstudie is onder andere een analyse gemaakt van de intensiteiten van het (auto)verkeer en de capaciteit van de weginfrastructuur in relatie tot de feitelijk verwachte vastgoedontwikkeling van de Zuidas Flanken. Daarbij zijn twee fases beschouwd: verkeerskundige effecten bij verwacht programma 2015 en verkeerskundige effecten bij verwacht programma (eindbeeld) in 2020.

Het beeld kwam grotendeels overeen met dat wat uit het MER naar voren kwam. Op enkele onderdelen bleek er sprake van een te verwachten beperkte verslechtering of verbetering.

In de studie werd geconcludeerd dat er een aantal infrastructurele maatregelen genomen moest worden om het autoverkeer van de flanken op een acceptabele wijze afgewikkeld te krijgen. Op basis daarvan is een actieprogramma vastgesteld (Actieplan weginfrastructuur Zuidas 2011, zie bijlage 4). Daarin staan de maatregelen beschreven, waarbij per maatregel een situatieomschrijving van het knelpunt wordt weergegeven, de voorgestelde oplossing, een kostenraming voor deze benodigde oplossing en een planning op hoofdlijnen.

6.2.3.3 Verkeersstudie 2013 Zuidas Flanken     

De verkeersstudie 2011 werd middels de Verkeersstudie 2013 Zuidas - Flanken geactualiseerd (zie bijlage 5). Een belangrijke wijziging ten opzichte van het vorige model is dat niet langer wordt uitgegaan van het doorgaan van de kilometerheffing. Ook werd een aangepaste vastgoedprogrammering en een aangepaste fasering van de ontwikkeling van dit programma (het gevolg van marktontwikkelingen) in de actualisatie betrokken.

Evenals de verkeersstudie van 2011 was het onderzoek met name gericht op de autobereikbaarheid en de vraag of de infrastructuur van het onderliggend weggennet toereikend is om de groei van het autoverkeer, als gevolg van de ontwikkeling van Zuidas, op te vangen. In de Verkeersstudie 2013 is beoordeeld of de maatregelen uit het Actieplan nog toereikend en/of noodzakelijk waren. In de Verkeersstudie 2013 zijn de voorgestelde maatregelen uit het Actieplan weginfrastructuur 2011 om die reden, voor zover nog niet genomen, als reeds genomen betrokken. Uitgegaan werd van een eindjaar 2023.

6.2.3.4 Verkeersstudie Zuidas 2014     

In 2015 heeft met de afronding van de Verkeersstudie Zuidas 2014 wederom een actualisatie van de onderzoeken plaatsgevonden (zie bijlage 6). Reden voor actualisatie was dat enkele projecten eerder of met een ander programma zouden worden uitgevoerd dan in 2011 en 2013 was voorzien. De Verkeersstudie 2014 is dan ook vooral een actualisatie van het verkeersonderzoek op basis van gewijzigd ruimtelijk programma.

6.2.3.5 Verkeersstudie Zuidas 2017     

In augustus 2017 is het Verkeersonderzoek Zuidas 2017 voor de gehele Zuidasontwikkeling, waarin het programma van de totale Zuidasontwikkeling is opgenomen, gereed gekomen (bijlage 7). Daarin zijn de op dat moment bekende programma's en projecten meegenomen en is een vervolg op de eerdere studies. Ten opzichte van de eerdere verkeersstudies maakt deze verkeersstudie gebruik van een nieuw verkeersmodel (Verkeersmodel Amsterdam, VMA).

Het Verkeersonderzoek Zuidas 2017 is een vervolg en verdieping op eerdere verkeersonderzoeken (in 2011, 2013 en 2014) en het Actieplan Weginfrastructuur 2011, en de noodzakelijke maatregelen die daarin werden benoemd. In eerdere verkeersonderzoeken (2011, 2013 en 2014) zijn maatregelen benoemd die noodzakelijk waren om de bereikbaarheid van Zuidas op peil te houden. De maatregelen uit het Verkeersonderzoek Zuidas 2011 zijn geborgd in het Actieplan uit datzelfde jaar. Daarop volgend zijn verdere maatregelen benoemd in de Verkeersonderzoeken uit 2013 en 2014.

De huidige stand van zaken is dat alle maatregelen uit het Actieplan 2011 zijn of worden uitgevoerd, met uitzondering van de maatregelen die tegelijkertijd met de werkzaamheden voor Zuidasdok worden uitgevoerd. Voorts is uit het verkeersonderzoek 2017 naar voren gekomen dat sprake was van een niet eerder opgetreden knelpunt, namelijk de werking van de kruising Buitenveldertselaan / De Boelelaan. Voor deze kruising geldt dat, voordat tram 16/24 wordt doorgetrokken naar station Amsterdam Zuid (naar verwachting rond 2025) een oplossing moet worden gevonden. Deze veroorzaakt namelijk het grote probleem op dit kruispunt. Hieronder volgt een overzicht van de maatregelen die tegelijkertijd met Zuidasdok worden opgepakt en de maatregelen die reeds zijn uitgevoerd naar aanleiding van de eerdere verkeersonderzoeken.

De maatregelen die met de uitvoering van Zuidasdok worden opgepakt zijn de volgende:

  • Er zijn twee maatregelen benoemd die noodzakelijk zijn rondom de opritten van de s108 bij de Amstelveenseweg. Enerzijds het 'omklappen' naar de westzijde van de oprit s108-noord en anderzijds het toevoegen van een extra rechtsafvak vanaf de Amstelveenseweg richting de s108-zuid. Deze zijn beide afhankelijk van de uitvoering van Zuidasdok en worden meegenomen of gekoppeld aan de uitvoering daarvan.
  • Daarnaast is gesignaleerd dat op langere termijn een derde rechtsafvak nodig is vanaf de De Boelelaan Oost richting de s109-zuid. Deze maatregel kan op zijn vroegst worden uitgevoerd als in het kader van Zuidasdok de verbrede oprit wordt opgeleverd. Technisch en ruimtelijk zijn reserveringen gemaakt binnen het profiel van de weg bij de huidige uitvoering, zodat de verbreding gemakkelijk kan worden uitgevoerd.

De maatregelen die in de afgelopen jaren zijn uitgevoerd zijn de volgende:

  • In het Verkeersonderzoek Zuidas 2013 is geconstateerd dat de kruising De Boelelaan West / Van der Boechorststraat moet worden aangepast. Dat is inmiddels gebeurd.
  • In datzelfde verkeersonderzoek is geconstateerd dat de kruising Beethovenstraat / De Boelelaan Oost moet worden aangepast. Ook dat is inmiddels gedaan.
  • Tot slot is geconstateerd dat de verkeersdoorstroming vanaf de De Boelelaan Oost richting de oprit s109-zuid van de A10 ondermaats kan zijn bij drukte op de A10-zuid. Dit is het gevolg van de zogenoemde Toerit Dosseerinstallatie (TDI). Inmiddels is de afstelling van de TDI aangepast zodat deze meer groentijd biedt voor uitrijdend verkeer tijdens de avondspits.
  • Er is ook becijferd dat een extra rechtsafvak vanuit de Gustav Mahlerlaan richting de Beethovenstraat als tijdelijke maatregel nodig zou kunnen zijn. Fysiek ontbreekt hiervoor echter de ruimte als gevolg van de bouwontwikkelingen nabij het kruispunt en de verkeersveiligheid van andere verkeersstromen (voetgangers en fietsers). Zodra de ruimte beschikbaar is worden tellingen gehouden en een schouw georganiseerd om de noodzaak van de maatregel nogmaals te toetsen. Tevens wordt gestreefd naar het zo snel mogelijk volledig maken van de kruising Mahlerlaan / Parnassusweg, welke het probleem structureel oplost.
  • De verbreding van de De Boelelaan Oost is in 2017 (op basis van de meest actuele inzichten van de Verkeersstudie 2014) in gewijzigde vorm uitgevoerd.
  • De aanpassingen aan de afrit s109-noord is uitgevoerd, zij het in gewijzigde vorm op basis van de meest actuele inzichten Verkeersstudie 2013.
  • Wat betreft de aanpassingen die in de studie 2013 naar voren kwamen, zijn de aanpassingen aan de Van der Boechorststraat / Mahlerlaan / De Boelelaan aan de noordzijde van de kruising uitgevoerd. Aanpassing aan de zuidzijde is in de zomer van 2016 voor zover mogelijk uitgevoerd. Aanpassingen op de Van der Boechorststraat zijn afhankelijk van de ontwikkelingen bij het VUmc en het VU-terrein ten zuiden van de De Boelelaan West.

Voor de verkeerskundige onderbouwing, waaronder de uitgangspunten van het onderzoek, de resultaten van de modelberekeningen wordt verwezen naar het verkeersonderzoek 2017 dat als bijlage 7 bij het bestemmingsplan is gevoegd.

6.2.4 Verkeersonderzoek Vivaldi en Ravel 2020     

In 2019 is een start gemaakt met een actualisatie van het eerdere Zuidasbrede verkeersonderzoek uit 2017. Opnieuw zijn daarin de op dat moment bekende programma's en projecten meegenomen, waaronder het programma uit voorliggend bestemmingsplan en is het daarmee een vervolg op de eerdere Zuidasbrede studies. Omdat het Zuidasbrede verkeersonderzoek nog niet is afgerond, is er in verband met het tijdspad van de ontwikkelingen in Vivaldi en het aanpalende Ravel voor gekozen om voor projectgebied Vivaldi en Ravel een aparte verkeerskundige rapportage op te stellen. Als uitgangspunt is hierbij uitgegaan van verkeersberekeningen waarin de op dat moment bekende programma's en projecten Zuidasbreed zijn meegenomen.

Uit het verkeersonderzoek voor Vivaldi en Ravel is naar voren gekomen dat onder meer door toevoeging van het kantoorprogramma in de toekomst nieuwe knelpunten kunnen optreden aan de zuidoostelijke zijde van Vivaldi. De knelpunten liggen niet direct in het plangebied, maar wel in de nabijheid van het plangebied. Het gaat om een knelpunt in de ochtendspits voor verkeer vanaf de Europaboulevard in westelijke richting de De Boelelaan op en verkeer in de middagspits vanaf de Antonio Vivaldistraat in oostelijke richting de De Boelelaan op. Om te voorkomen dat deze knelpunten daadwerkelijk ontstaan is een aantal maatregelen benoemd die de knelpunten kunnen oplossen. Om het knelpunt in de ochtendspits op te lossen dient de oversteek voor langzaam verkeer verplaatst te worden naar het zuiden. Voor het knelpunt in de middagspits dient de rechtsaf beweging vanuit de Antonio Vivaldistraat in westelijke richting te vervallen en kan het vrijkomende opstel vak benut worden voor een extra linksaffer, zodat dit kruispunt het uitgaande verkeer in oostelijke richting de De Boelelaan op beter kan verwerken. Een derde knelpunt ligt op de Beethovenstraat / G. Mahlerlaan. Een extra afslagvak is een oplossing voor dit knelpunt.

Voor de uitgangspunten en een uitgebreide verkeerskundige onderbouwing wordt verwezen naar het verkeersonderzoek (bijlage 8).

Al met al kan worden geconstateerd dat daadwerkelijk werk wordt gemaakt van de bereikbaarheid van Zuidas. Maatregelen worden in beeld gebracht en tijdig genomen. Er wordt zo veel als mogelijk geprobeerd de overlast die tijdens het nemen van maatregelen aanwezig is te voorkomen. Daarbij wordt rekening gehouden met het moment waarop werkzaamheden plaatsvinden en wordt een zo optimaal mogelijke fasering nagestreefd, teneinde de hinder zo beperkt mogelijk te laten zijn.

Hiernaast werkt Zuidas in verband met veranderende economische ontwikkelingen en ook trends in alternatieve vervoersmiddelen door aan bereikbaarheid. Daarbij wordt ingezet op het stimuleren van fiets en OV als alternatieve vervoerswijzen, het ontmoedigen van automobiliteit door parkeermogelijkheden te beperken en deelmobiliteit te stimuleren. Zoals hierna in paragraaf 6.2.6 (autoparkeren) wordt het beperken van parkeren al toegepast binnen de plannen van voorliggend bestemmingsplan. Kantoorgebruikers worden zodoende gestimuleerd om op een andere wijze dan met de auto naar het gebied te reizen. In het kader van de programmatische aanpak zal door middel van monitoring en het steeds opnieuw actualiseren van de verkeersonderzoeken steeds worden beoordeeld welke acties en maatregelen benodigd zijn en zo nodig worden aangepast en bijgestuurd.

6.2.5 Taskforce Bereikbaarheid Zuidas en het Convenant Bereikbaarheid Zuidas     

Zoals in paragraaf 6.1 aangegeven is medio 2012 de Taskforce Bereikbaarheid Zuidas opgericht. Het gaat om een samenwerkingsverband tussen de gemeente en het bedrijfsleven. Aanleiding voor de samenwerking is het besef dat zowel de verdere ontwikkeling van de Zuidas alsook het behoud van een optimale bereikbaarheid van het gebied een gezamenlijk belang is, met een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Zuidas is dé internationale toplocatie van Nederland, een grootstedelijk duurzaam centrumgebied dat ook de komende decennia nog volop in ontwikkeling is. Doel van de ontwikkeling van Zuidas is om de internationale concurrentiepositie van Nederland en Amsterdam verder te versterken en de bestaande kwaliteit van een uniek gemengd stedelijk gebied te behouden en te versterken. De keuze voor de verdere ontwikkeling is mede bepaald door de zeer goede multimodale bereikbaarheid van Zuidas. Het behoud van deze bereikbaarheid op basis van alle modaliteiten is essentieel en hangt samen met de aard van de locatie: een hoogstedelijk centrummilieu, waar door alle ontwikkelingen die in het gebied plaatsvinden steeds meer mensen gebruik van zullen maken.

Het is evident dat er spanning bestaat tussen de optimale bereikbaarheid en verdere succesvolle duurzame ontwikkeling van Zuidas. Er kan niet worden volstaan met uitsluitend het nemen van verkeerskundige maatregelen. Om de bereikbaarheid van het gebied via verschillende modaliteiten ook in de komende jaren te behouden en waar mogelijk te verbeteren, is inzet van alle stakeholders nodig. Zij kunnen immers invloed uitoefenen op de mobiliteit van gebruikers. Om dat efficiënt en effectief te kunnen doen is een nauwe samenwerking noodzakelijk. Een en ander heeft geresulteerd in een convenant tussen het bedrijfsleven en de overheid.

Middels het Convenant Bereikbaarheid Zuidas verplichten partijen zich tot een actieve inzet in de bereikbaarheidsopgave van Zuidas en wederzijdse controle van elkaars verantwoordelijkheden. De primaire doelstelling van het convenant is om de bereikbaarheid van Zuidas zoveel mogelijk te waarborgen en waar mogelijk te optimaliseren. Als uitgangspunt geldt het verbeteren dan wel behouden van de bereikbaarheid van Zuidas op basis van alle modaliteiten (auto, OV, fiets) op een kwalitatief goede manier.

Voorop staat dat de betrokken partijen zoveel mogelijk samenwerken met stakeholders die niet direct bij het convenant aangesloten zijn, maar zich wel inspannen om Zuidas bereikbaar te houden via alle modaliteiten (bv. Stichting Hello Zuidas, Green Business Club e.d.). Specifiek relevant voor de programmatische aanpak van te verwachten knelpunten is verder dat de Taskforce in overleg elke twee jaar een werkplan opstelt met daarin de maatregelen en acties die in het kader van het convenant ondernomen moeten worden en regelmatig monitort of dit de bereikbaarheid van Zuidas ten goede komt zodat waar nodig tijdig bijgestuurd kan worden.

Daarmee wordt aangesloten bij de programmatische aanpak zoals verwoord in het Actieplan weginfrastructuur 2011. Een tijdige signalering van mogelijke nieuwe knelpunten is op deze wijze ook vanuit de zijde van het bedrijfsleven geborgd. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan het actieplan daarop worden geactualiseerd.

6.2.6 Autoparkeren     

In de Nota parkeernormen Auto (Parkeernota auto) en de Parkeernota Fiets en Scooters 2018 (Parkeernota fiets) zijn parkeernormen voor zowel de auto als fiets en scooters vastgelegd.

In Zuidas geldt in zijn algemeenheid het uitgangspunt dat parkeren in de openbare ruimte niet is toegestaan of en hierin niet wordt voorzien. De parkeerbehoefte dient op eigen terrein te worden opgelost. Dit is vastgelegd in de Nota parkeernormen auto. Bovengronds parkeren is daarbij niet mogelijk en dient ondergronds te worden opgelost en is als zodanig opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

De Nota parkeernormen auto 2017 is het stadsbrede kader voor nieuwe ontwikkelingen en heeft Zuidas en daarmee deelgebied Vivaldi aangewezen als een A-locatie. Dit houdt in dat een zeer goede OV bereikbaarheid aanwezig is. Voor Vivaldi liggen station Rai en Zuid in de directe nabijheid. Parkeren in de openbare ruimte is uitgesloten op grond van een nul-vergunningenplafond voor Zuidas. Parkeervergunningen voor parkeren in de openbare ruimte worden dan ook niet uitgegeven.

In een goed bereikbare en duurzame Zuidas wordt ingezet op een strenge parkeernorm in die zin dat het, naast goede voorzieningen voor openbaar vervoer en langzaam verkeer, het van belang is het aantal autoverplaatsingen zo beperkt mogelijk te houden. Het parkeerbeleid uit de Nota parkeernormen draagt hieraan bij. Op basis van de Nota parkeernormen gelden de volgende parkeernormen voor kantoren en voorzieningen binnen Vivaldi:

  • Kantoor: maximaal 1 parkeerplaats per 250 m2;
  • Voorzieningen: maximaal 1 parkeerplaats per 100 m2 bvo;

Uit de parkeernormen blijk dat ook een parkeernorm voor auto's van 0 aanvaardbaar is. Het bestemmingsplan gaat uit van deze norm door middel van een dynamische verwijzing naar de Nota parkeernormen auto. Door in de planregels een dynamische verwijzing naar de Nota parkeernormen auto op te nemen kan in de toekomstige situatie de behoefte aan parkeerplaatsen flexibel worden afgestemd met de toekomstige beleidsmatige keuzes die de gemeente maakt.

Binnen Zuidas wordt, naast het waar mogelijk hanteren van een strenge parkeernorm, ook gestuurd op duurzame mobiliteit, dus het inzetten op slim en efficiënt gebruik van de beschikbare ruimte met voorrang voor ov en fiets. Zuidas stimuleert kantoorgebruikers om andere slimmere en innovatieve mobiliteitskeuzes te maken om hiermee het aantal verkeersbewegingen te beperken, bijvoorbeeld door MaaS (Mobility as a Service). MaaS is een project dat uitgaat van gebruik in plaats van bezit: in plaats van het bezitten van een (dure) leaseauto, kies men zelf hoe te reizen en wordt alleen betaald voor wat men verbruikt. De ontwikkelende partij wordt uitgedaagd om dit gedachtengoed toe te passen op de kavels.

Bij de inschatting van de ruimtelijke gevolgen als gevolg van het vaststellen van een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de mogelijke onaanvaardbare (parkeer)overlast die het plan kan veroorzaken. Voor beide kavels die deel uitmaken van dit bestemmingsplan zal de parkeersituatie hieronder, met inachtneming van het bovenstaande, nader worden toegelicht.

Met voorliggend bestemmingsplan wordt de bouw van twee kantoorkavels voorzien met voorzieningen in de plint. Daarnaast zal op een deel van de kavel ten oosten van een van de kantoorkavels worden voorzien in een tijdelijke fiets- en scooterparkeervoorziening, waarop onder 6.4.2 nader worden ingegaan. Hierna volgt eerst een toelichting op de parkeersituatie voor auto's.

Kavel 13

Voor kavel 13 zullen ondergrondse parkeervoorzieningen verplicht deel uitmaken van de realisatie van bebouwing op deze gronden. Dit hangt samen met de afspraken die met de gebruiker van kavel 12 (EMA) zijn gemaakt om voor haar gebruikers 104 parkeerplaatsen te realiseren op kavel 13. Voor het kantoorprogramma van kavel 13 zal in overeenstemming met de Parkeernota in parkeergelegenheid moeten worden voorzien, waarbij niet is voorzien in een minimumnorm maar in een maximum van 1 parkeerplaats per 250 m2 bvo kantoor. Er kunnen twee ondergrondse parkeerlagen worden gerealiseerd op kavel 13.

NSI eerste fase

Op de kavel van NSI is in de huidige situatie een tweelaagse ondergrondse parkeervoorziening aanwezig die aan de westzijde van noord naar zuid loopt. De parkeergarage is deels gelegen onder bestaande bebouwing en deels onder het maaiveld waarboven de ontwikkeling van het nieuwe kantoorgebouw is voorzien. Ten behoeve van de ontwikkeling van het kantoorgebouw zal een deel van de tweede ondergrondse bestaande parkeerlaag komen te vervallen. Voor het overige blijft de bestaande parkeergarage behouden.

De bestaande parkeerplaatsen zijn onder het vigerende bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi partiële herziening' in artikel 2.3, onder d vastgelegd op een maximum aantal parkeerplaatsen van totaal 242 in relatie tot de bestaande aanwezige 21.400 m2 bvo programma. Feitelijk zijn in de bestaande ondergrondse parkeergarage 238 parkeerplaatsen aanwezig. Met voorliggend bestemmingsplan zal een aanzienlijk deel van deze parkeerplaatsen (ca. 100) komen te vervallen door realisatie van de eerste fase, maar zal het aantal parkeerplaatsen van 238 in relatie tot het bestaande programma (21.400 m2 bvo) en toekomstige programma (22.700 m2 bvo) dat met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, planologisch behouden blijven. Het aantal parkeerplaatsen neemt zal hierdoor voor de komende jaren feitelijk niet toe maar afnemen dan wel gelijk blijven. De toevoeging van het beoogde programma van 22.000 m2 bvo op de hoek van de kavel en het programma van 700 m2 in het gebouw van de tijdelijke fietsparkeervoorziening zal daarmee naar verwachting niet leiden tot extra verkeersbewegingen het gebied in en uit. Hiermee heeft de toevoeging van het programma voor de NSI kavel geen gevolgen voor de verkeersafwikkeling in (de nabijheid) van het plangebied. In de huidige situatie wordt de parkeergarage gebruikt door kantoorgebruikers van de bestaande gebouwen. Het aantal parkeerplaatsen is in de regels van voorliggend bestemmingsplan opgenomen onder Overige regels.

6.3 Openbaar vervoer     

6.3.1 MobiliteitsAanpak Amsterdam 2030: Amsterdam Aantrekkelijk Bereikbaar     

In de MobiliteitsAanpak Amsterdam 2030: Amsterdam Aantrekkelijk Bereikbaar wordt geschetst hoe de gemeente Amsterdam de stad in de toekomst goed bereikbaar wil houden. Amsterdam staat de komende jaren voor de uitdaging om meer bewoners, banen en bezoekers op te vangen. Hierdoor is ook een verder groei van de mobiliteit noodzakelijk. Het openbaar vervoer speelt hierin een belangrijke rol.

Het openbaar vervoer houdt ook in de toekomst een belangrijke functie om de dichtbevolkte stad goed te laten functioneren. Met de groeiende regio en de toenemende woon/werk afstanden wordt het belang van het regionaal openbaar vervoer (trein) alleen maar groter. Het stedelijk openbaar vervoer (tram, bus, metro) krijgt – vooral buiten de spits – steeds meer een functie voor toeristen en andere bezoekers van de binnenstad. Dit gebruik zal naar verwachting toenemen. Binnen de spits heeft het stedelijk openbaar vervoer een belangrijke rol in het aan- en afvoeren van reizigers van en naar de treinstations. Ook Amsterdammers die zich over langere afstanden binnen de stad verplaatsen blijven afhankelijk van goed stedelijk openbaar vervoer. In de aansturing van het openbaar vervoer door de overheid (het Rijk voor het spoor en de Vervoerregio Amsterdam voor het stads- en streekvervoer) vraagt deze veranderende situatie in combinatie met schaarsere middelen om duidelijk andere keuzes.

De groei van werkgelegenheid en hoger onderwijs concentreert zich rond knopen als de Zuidas. Het gaat vooral om spits verplaatsingen over steeds grotere afstanden. Gezien de grote reizigersaantallen zal vooral de trein in combinatie met de metro de groei moeten opvangen. Met aantrekkelijk ingerichte loop routes kan lopen een groter aandeel in het natransport krijgen. Stedelijk OV en in bescheiden mate de fiets zorgt voor de rest van het natransport.

Het onderhavige plangebied is zeer goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Het plangebied ligt op enkele minuten lopen van station Amsterdam Zuid, en ook station RAI ligt in de nabijheid. Voor beide stations geldt dat het gaat om trein- én metroverbindingen Verder zijn er zowel tram- als bushaltes in de directe nabijheid.

Met de bouw van Zuidasdok investeren zowel het Rijk als de gemeente Amsterdam in verdere verbetering van de bereikbaarheid én kwaliteit van het gebied, ook op het gebied van openbaar vervoer. Met de aanlanding van de Noord/Zuidlijn en de vernieuwde Amstelveenlijn zal bovendien het aantal reizigers dat via station Amsterdam Zuid van en naar Amsterdam reist enorm groeien.

6.4 Langzaam verkeer     

6.4.1 Meerjarenplan Fiets 2012-2016     

De fiets is niet meer weg te denken uit Amsterdam. De afgelopen twintig jaar is het gebruik van de fiets door Amsterdammers spectaculair gegroeid; het aantal fietsritten is met meer dan 40 procent toegenomen. Deze ontwikkeling wordt door de gemeente met luid gejuich ontvangen want de fiets neemt in verhouding tot andere vervoerswijzen weinig ruimte in en is bovendien zeer milieuvriendelijk. Toch is het aantal fietsvoorzieningen de afgelopen jaren achtergebleven bij de ontwikkeling van de fiets als vervoersmiddel. Dit was reden voor de Gemeenteraad om op 19 december 2012 het Meerjarenplan Fiets 2012 – 2016 vast te stellen. Dit plan bevat een aantal maatregelen en voornemens om de fietsvoorzieningen in Amsterdam weer op peil te krijgen.

Het Meerjarenplan Fiets 2012 – 2016 kent een tweedeling tussen maatregelen tot en met 2016 en maatregelen tot en met 2020. Voor wat betreft Zuidas voorzien de planmaatregelen in het voornemen om bij station Amsterdam Zuid een nieuwe inpandige fietsenstalling te bouwen die plaats biedt aan 3.000 fietsen, ter vervanging van de fietsenrekken die worden verwijderd in verband met de bouwwerkzaamheden aan de ondertunneling van de A10. De maatregelen tot en met 2020 kennen zelfs het voornemen om de capaciteit bij station Amsterdam Zuid te vergroten tot ruim 8.000 fietsen. De ondergrondse fietsenstalling onder 'de Vijfhoek' die ruimte biedt aan circa 3.750 fietsen, is in mei 2018 geopend.

6.4.2 Fietsparkeren     

Voor het fiets- en scooterparkeren is de 'Nota parkeernormen fiets en scooter' van toepassing. Het parkeren gebeurt inpandig en gebruiksvriendelijk. Dit betekent dat de ruimte eenvoudig toegankelijk moet zijn, ook voor bezoekers (bij voorkeur gelijkvloers met omliggende openbare ruimte/maaiveld). Bij het ontwerp van de stalling moet ook ruimte gecreëerd worden voor bijzondere modellen.

Kavel 13 

Conform het fietsparkeerbeleid zal conform de normen en richtlijnen uit het beleid voorzien moeten worden in voldoende fiets- en scooterparkeerplaatsen op kavel 13. De behoefte aan deze parkeerplaatsen dient inpandig worden opgelost en kan zowel onder- als bovengronds plaatsvinden. Indien fiets- en scooterparkeerplaatsen bovengronds worden gerealiseerd moet dit aan het zicht vanaf de Domenico Scarlattilaan zijn onttrokken.

Voor verschillende functies gelden verschillende normen. Voor kavel 13 zal minimaal voorzien moeten worden in de volgende parkeerbehoefte ten behoeve van fietsen:

Kantoorprogramma maximaal 29.700 m2 bvo. Voor kantoren geldt een norm van 2 fietsparkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Voor voorzieningen (minimaal 300 m2 bvo) hangt het af van functie welke parkeernorm wordt gehanteerd. Naar schatting zullen op kavel 13 ruim 600 inpandige fietsparkeerplekken moeten worden gerealiseerd. De scooterparkeernormen zijn voor niet-woonfuncties gebaseerd op de verhouding tussen het gebruik van fietsen en scooters. Gelet op de voor scooterparkeren geldende richtlijnen zou voorzien moeten worden in circa 70 scooterparkeerplaatsen.

NSI eerste fase

In de huidige situatie zijn de fietsen van de huidige kantoorgebruikers op verschillende plekken op het maaiveld geparkeerd. Zie figuur 13.

verplicht

Figuur 13: fietsparkeren NSI bestaand

In de eerste fase van de NSI ontwikkeling zal ten oosten van het nieuw op te richten kantoorgebouw met voorzieningen een tijdelijke fiets- en scooterparkeervoorziening worden gerealiseerd. Daarmee wordt voorzien in de gevraagde fietsparkeerbehoefte van de gebruikers van het toekomstige kantoor en voorzieningen. Daarnaast zal extra ruimte worden gecreëerd voor de bestaande fietsparkeerplekken op het maaiveld die hiermee verplaatst kunnen worden naar deze nieuwe parkeervoorziening. De fietsparkeervoorziening zal voorzien in een behoefte van circa 600 fietsparkeerpaatsen en 55 scooterparkeerplaatsen.

verplicht

Figuur 14: Fiets- en scooterparkeren NSI nieuw

6.5 Conclusie     

Zowel uit het onderzoek dat is gedaan in het kader van het MER als uit het nader onderzoek is gebleken dat op termijn, als gevolg van de totale Zuidasontwikkeling, een aantal infrastructurele knelpunten zal ontstaan. Om hieraan concreet uitvoering te geven is een Actieplan weginfrastructuur vastgesteld, dat voorziet in de te nemen maatregelen. De Hierin wordt voorzien in een tijdige aanpak van de te verwachten knelpunten. Het programma dat middels voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt maakt onderdeel uit van het flankenprogramma, en draagt daarmee bij aan het ontstaan van deze knelpunten. De knelpunten zelf liggen niet in het plangebied maar wel in de omgeving van het plangebied.

Uitgangspunt daarbij is dat op basis van een reële concrete ontwikkelingsplanning bekeken is wanneer welke te verwachten knelpunten worden opgepakt.

Hoofdstuk 7 Geluid     

7.1 Algemeen     

Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen, rond grote bestaande industrieterreinen en rondom bestaande luchtvaartterreinen. Dit bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen en er wordt niet voorzien in de aanleg/reconstructie van een (spoor)weg, waardoor geen akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder hoeft plaats te vinden.

7.2 Spoorweg     

Het plangebied ligt binnen de geluidzone van het spoortracé Duivendrecht - Amsterdam Schiphol. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet echter niet in de realisering van geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. Evenmin voorziet het bestemmingsplan in de aanleg van nieuwe spoorwegen. Er behoeft terzake dus geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

7.3 Wegverkeer     

Het plangebied ligt binnen de geluidzones van wegen (Rijksweg A10, De Boelelaan, Europaboulevard). Binnen deze zones is bestaande bebouwing aanwezig, dat in hoofdzaak bestaat uit kantoren en hotels en een woontoren welke op ruime afstand van het plangebied is gelegen. Het bestemmingsplan laat geen geluidgevoelige bestemmingen toe. Te verwachten is dat geluidsbelasting op geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving vanwege deze geringe toename niet zal toenemen. Akoestisch onderzoek vanwege het wegverkeer is derhalve niet noodzakelijk.

Met voorliggend bestemmingsplan wordt kavel 13 nader uitgewerkt en wijzigt het totaalprogramma zoals dat was voorzien in het moederplan niet, met uitzondering van een voorziene aantal vierkante meters kantoorfunctie. In het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' is op het geluidsaspect voor kavel 13 in het kader van het moederplan ingegaan en geconcludeerd dat voor kavel 13 geen siginificante verkeerstoename is te verwachten.

De eerste fase van ontwikkeling van de NSI kavel (Kantoor - 2) is nieuw en zal zorgen voor een toename van het kantoorprogramma binnen Vivaldi. Ondanks het toegenomen kantoorprogramma genereert de ontwikkeling op de NSI kavel naar verwachting geen significante verkeerstoename. In de bestaande situatie beschikt de kavel van NSI over een ondergrondse parkeergarage voor de huidige kantoorgebruikers. De gebruikers van het nieuwe kantoorgebouw zullen gebruik maken van de bestaande parkeergarage. Hiermee zal de verkeerstoename ten gevolge van de NSI ontwikkeling gering zijn. De bebouwing op de gronden met de bestemming Kantoor - 3 zullen ook geen toename van verkeer genereren, nu hier in hoofdzaak wordt voorzien in parkeercapaciteit ten behoeve van fietsen en scooters en het functioneel programma van een beperkte omvang is. Akoestisch onderzoek vanwege het wegverkeer is derhalve niet noodzakelijk.

7.4 Conclusie     

Geluidsaspecten staan de tenuitvoerlegging van het bestemmingsplan niet in de weg.

Hoofdstuk 8 Luchtkwaliteit     

8.1 Algemeen     

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Er kunnen in dat verband belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn.

8.2 Regelgeving     

8.2.1 Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit)     

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Ingevolge deze wet is de specifiek op luchtkwaliteit betrekking hebbende titel 5.2 in de Wet milieubeheer (Wm) opgenomen, waarin luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd. De kern van deze regeling wordt gevormd door een landelijke programmatische aanpak, die ervoor zorgt dat, in de meeste gevallen, niet meer per project aan luchtkwaliteitsnormen hoeft te worden getoetst.

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wm kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden vastgesteld indien (samengevat) aannemelijk is gemaakt dat als gevolg van de uitvoering van hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt:

  • (waarschijnlijk) geen sprake is van een overschrijding van een in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarde;
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft of bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met het bestemmingsplan samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;
  • geen sprake is van het in betekenende mate (ibm) bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;
  • deze uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met het vastgesteld programma (te weten het NSL, waarover later meer).

Het hierboven gestelde is niet relevant indien hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt is beschreven in, dan wel betrekking heeft op een ontwikkeling die is beschreven in het vastgesteld Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Voor de in dit programma opgenomen ontwikkelingen is berekend wat de effecten zijn op de luchtkwaliteit. Vervolgens is in het programma een pakket maatregelen opgenomen waarmee de negatieve gevolgen van deze ontwikkelingen worden gecompenseerd.

Grenswaarden

In bijlage 2 van de Wm zijn de grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels voor de diverse stoffen opgenomen. Voor fijn stof en stikstofdioxide zijn de belangrijkste grenswaarden in onderstaande tabel weergegeven.

Stof Maatgevend beoordelingscriterium Grenswaarde (µg/m3)
Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie 40
Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40
Fijn stof (PM10) 24-uurgemiddelde concentratie 50, mag maximaal 35 keer per jaar overschreden worden; dit is gelijk aan een grenswaarde van 32,1 ìg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie PM10 
Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie 25

Tabel 1, bijlage 2 bij de Wet milieubeheer

Bij de berekening geldt een plaatsafhankelijke aftrek voor de jaargemiddelde norm voor fijn stof. Voor Amsterdam bedraagt deze aftrek 6 µg/m³ en voor het 24-uurgemiddelde zes overschrijdingen per jaar. Met deze aftrek mag de dagnorm derhalve 41 keer worden overschreden. Bij overschrijding van de grenswaarden is het van belang of sprake is van een niet in betekenende mate-project (nibm-project). Als de bijdrage aan de jaargemiddelde concentratie van zowel fijn stof als stikstofdioxide niet groter is dan 3%, draagt een project niet in betekenende mate bij aan de concentratie in de lucht van fijn stof en stikstofdioxide. Voor nibm-projecten vindt ten aanzien van de overschrijding van luchtkwaliteitsnormen geen verdere toetsing meer plaats.

Als de bijdrage aan de jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide groter is dan 3% draagt het project in betekenende mate bij aan de concentratie in de lucht van fijn stof en stikstofdioxide. De volgende vraag is dan of het project is aangesloten bij het NSL. Als een project past binnen de omschrijving waarmee het in het NSL is opgenomen, wordt een eventueel optredende verslechtering van de luchtkwaliteit aangepakt door de maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit die eveneens onderdeel uitmaken van het NSL. Aldus wordt voorkomen dat uiteindelijk sprake is van een overschrijding van de luchtkwaliteitnormen en de luchtkwaliteit aan het vaststellen van een bestemmingsplan in de weg staat.

8.2.2 Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)     

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wm kan een bestemmingsplan van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de lucht van fijn stof en stikstofdioxide worden vastgesteld indien het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen, of in elk geval niet in strijd is met het NSL.

Het NSL is gericht op het bereiken van de grenswaarden die worden overschreden (artikel 12 van de Wm). In het NSL zijn zowel nationale generieke maatregelen, als regionale maatregelen opgenomen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Het programma benoemt en beschrijft projecten die naar verwachting worden ontwikkeld in de periode waarop het NSL betrekking heeft. Door de negatieve effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit af te zetten tegen de positieve effecten van alle in het programma genoemde maatregelen op de luchtkwaliteit, wordt getoetst of een project past binnen het NSL. Bij een bevestigend antwoord op deze vraag vindt voor het betreffende project geen aparte toetsing aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit meer plaats.

Op 6 december 2016 is besloten dat het NSL tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (naar verwachting in 2019) van toepassing is (Besluit tweede verlenging NSL). Het project Zuidas is in het NSL opgenomen met IB-nummer 724 en wordt in het NSL getypeerd als een gemengd project.

Met voorliggend bestemmingsplan wordt voorzien in een uitbreiding van het kantoor- en voorzieningenprogramma met maximaal 52.700 m² bvo. Hiervan was 30.000 m2 aan programma in het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi al voorzien in de daarin opgenomen uitwerkingsregels. Daarmee gaat het om een (nieuwe) programmatoevoeging van 22.700 m2 bvo. De programmatoevoeging maakt deel uit van het Zuidasprogramma zoals dat is aangemeld voor het NSL. Gezien het nog resterende programma voor wonen, kantoren en voorzieningen past het programma, waarin voorliggend bestemmingsplan voorziet, ruimschoots binnen de uitgangspunten van het NSL.

8.2.3 Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)     

Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is in januari 2009 in werking getreden. Met dit besluit wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Het besluit heeft niet tot doel om op voorhand elk risico af te dekken, maar om de meest nijpende situaties via een dwingende regeling te voorkomen.

Tot de gevoelige bestemmingen behoren scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat het besluit is gericht op functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen zijnde kinderen, ouderen en zieken.

Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof; PM10 ) en/of voor stikstofdioxide (NO2 ). Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw.

Eenmalig kan een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming worden toegestaan indien die leidt tot een toename van niet meer dan 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft. Hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven.

Voorliggend bestemmingsplan maakt geen gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit mogelijk.

8.3 Conclusie     

Per 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. Nu dit van kracht is, hoeven de hierin opgenomen projecten niet meer aan de grenswaarden te worden getoetst. In plaats daarvan vindt de zogenaamde programmatoetsing plaats. Daarbij gaat het erom of een project is genoemd of beschreven, dan wel past binnen het NSL. Een nadere toets is niet aan de orde. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er geen strijd is met de betreffende regeling in de Wet milieubeheer.

Wat betreft gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit wordt niet direct voorzien in vestiging van dergelijke functies. Op grond daarvan kan reeds worden geconcludeerd dat het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) geen beperkingen met zich meebrengen en op dit punt geen nadere onderbouwing behoeven.

Hoofdstuk 9 Externe veiligheid     

9.1 Algemeen     

Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen in inrichtingen, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water- en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens.

Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen of activiteiten, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal tien mensen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand beschouwd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval.

Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het GR te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen.

Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windturbines.

Gezien de ligging in de nabijheid van de rijksweg A10, waarover transport gevaarlijke stoffen plaatsvindt, valt een stijging van het groepsrisico als gevolg van de realisatie van het plan niet uit te sluiten. In het plangebied worden geen risicovolle bedrijven of activiteiten toegestaan.

Hieronder worden de risico's van deze activiteiten voor de omgeving omschreven.

9.2 Regelgeving     

9.2.1 Algemeen     

De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaan uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid bij het bouwen van (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen.

In verscheidene besluiten is gedefinieerd wat onder (beperkt) kwetsbare objecten moet worden verstaan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld gebouwen bestemd voor het verblijf van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten of gebouwen waar doorgaans grote aantallen personen aanwezig zijn, zoals kantoorgebouwen groter dan 1500 m2, winkelcentra, maar ook grootschalige kampeer- en recreatieterreinen. Woningen, woonschepen en woonwagens zijn eveneens kwetsbare objecten, tenzij het gaat om verspreid liggende woningen, woonschepen of woonwagens; dat zijn beperkt kwetsbare objecten. Kleinere kantoorgebouwen, winkels en sporthallen zijn eveneens beperkt kwetsbare objecten. Om effectief omgevingsgericht beleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar kwetsbare objecten aanwezig zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan locaties waar zich ongevallen kunnen voordoen. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid.

Binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan wordt extra programma aan kantoren en voorzieningen toegevoegd. Om die reden is een onderzoek gedaan naar de externe veiligheid aan de hand van het toe te voegen programma op beide kavels in voorliggend bestemmingsplan in combinatie met het eerder uitgevoerde externe veiligheidsonderzoek in het kader van bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi.

9.2.2 Wet vervoer gevaarlijke stoffen     

De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren. Per 1 april 2015 is de Wet basisnet in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen geïntegreerd. Doel van de Wet basisnet is om een duurzaam evenwicht te bieden tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de infrastructuur, de ruimtelijke ontwikkelingen langs die infrastructuur en de veiligheid voor omwonenden. Het basisnet is een netwerk van infrastructuur (wegen, hoofdspoorwegen en vaarwegen) die voor het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen van belang is.

In de Regeling basisnet is de ligging van het risicoplafond voor het plaatsgebonden risico (PR) en (indien ingesteld) de ligging van het risicoplafond voor het groepsrisico (GR) bepaald. Per wegvak, spoortraject en vaartroute wordt de afstand bepaald waar het PR-contour niet meer dan 10-6 mag zijn (PR-plafond) en (indien ingesteld) waar het PR-contour niet meer dan 10-7 of 10-8 mag zijn (GR-plafond).

Regelmatig wordt door de minister van Infrastructuur en Milieu onderzocht of en in hoeverre vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen één of meer risicoplafonds worden overschreden. Indien nodig worden maatregelen getroffen aan de vervoerszijde. De maatregelen kunnen variëren van technische aanpassingen aan het vervoer tot aan aanpassingen aan de infrastructuur, met als ultimum remedium: routering.

9.2.2.1 Besluit externe veiligheid transportroutes     

De ruimtelijke regels ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De regeling in het Bevt kan samengevat worden als volgt:

  • Binnen de zogenaamde basisnetafstand (waar het PR maximaal 10-6 per jaar mag zijn) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegestaan.
  • Binnen de basisnetafstand mogen in principe geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden toegestaan, tenzij hiervoor zwaarwegende redenen zijn.
  • Bij transportroutes die geen onderdeel uitmaken van het basisnet geldt een grenswaarde van PR 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde PR 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten.
  • Binnen 200 meter van een transportroute geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht voor het GR, zoals aangegeven in artikel 8 van het Bevt.
  • Binnen het invloedsgebied, maar buiten de 200 meter afstand geldt een lichte verantwoordingsplicht. Hierbij dient het bevoegd gezag alleen in te gaan op de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid.
  • Het bevoegd gezag kan ook binnen de 200 meter afstand volstaan met een lichte verantwoording in de volgende gevallen:
    1. het GR is niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of
    2. het GR in de toekomstige situatie:
      1. met niet meer dan tien procent toeneemt en
      2. de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
  • Er geldt tevens een motiveringsplicht als nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten in de aangewezen plasbrandaandachtsgebieden (langs wegen of spoorwegen) of in de aangewezen vrijwaringszones (langs binnenwateren). Dit zijn gebieden die getroffen kunnen worden door een ongeval met brandbare vloeistoffen, zoals benzine.

Plasbrandenaandachtsgebied

In de plasbrandaandachtsgebieden (PAG) gelden naast de hierboven genoemde motiveringsplicht, aanvullende bouweisen ten aanzien van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten op grond van het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012 om personen te beschermen tegen gevolgen van ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Plasbrandaandachtsgebieden zijn in het Bevt aangewezen als gebieden waar bij het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.

9.2.3 Buisleidingen     

Op buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het PR. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde.

Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedgebied toelaat, dient tevens het GR te worden verantwoord.

In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht:

  • het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied (dit is het gebied waarbinnen de mate van waarschijnlijkheid van een fatale afloop voor personen bij een ongeval 100% is);
  • bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is;
  • het GR is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde;
  • de toename van het GR bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%.

Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht. Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteit en werking van de buisleiding kunnen verhinderen.

Binnen het plangebied of in de nabijheid daarvan liggen geen buisleidingen.

9.3 Beleid     

9.3.1 Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam 2012     

Om als Amsterdam eenduidig met externe veiligheidsrisico's om te kunnen gaan, moet duidelijk zijn met welke risico's van gevaarlijke stoffen rekening moet worden gehouden, hoe (groeps)risico's als gevolg van gevaarlijke stoffen worden meegewogen in de besluitvorming en welke maatregelen kunnen worden getroffen om deze risico's te beperken. Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid (5 juni 2012) Amsterdam biedt hiervoor een handreiking zodat besluitvorming omtrent en verantwoording van externe veiligheidsrisico's inzichtelijker en makkelijker wordt. Het beleid schept een beeld van aanwezige risico's als gevolg van gevaarlijke stoffen, waar deze zich bevinden en welke acties er worden genomen om deze risico's te beperken.

Voor de A10 Zuid geldt dat het GR de oriëntatiewaarde overschrijdt. Met het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) is overeenstemming bereikt over het reduceren van risico's langs de A10 Zuid. De aanleg van de Westrandweg is hier een voorbeeld van. De Westrandweg biedt de mogelijkheid om de A10 Zuid te ontlasten.

Na realisatie van het project Zuidasdok loopt de A10 ter hoogte van Zuidas deels ondergronds in een tunnel met categorie C. Het vervoer van gassen (stofcategorie GF3, zoals LGP) mag dan geen gebruik meer maken van de A10 Zuid en vervoer van dergelijke stoffen zal dan niet meer plaatsvinden. De meest logische route voor het vervoer van GF3 zal dan via de A9 langs Amstelveen zijn. In het project Schiphol Amsterdam-Almere wordt hierin voorzien. Het wijzigingstracébesluit A9 Badhoevedorp-Holendrecht voorziet in een verdiepte ligging ter hoogte van Amstelveen. Er worden geen beperkingen aan de A9 gesteld, zodat vervoer van gevaarlijke stoffen hierlangs kan plaatsvinden.

Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam hanteert de lijn waarbij voor nieuwe situaties met overschrijding van de oriëntatiewaarde van het GR als specifieke beslispunten worden voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid worden vooralsnog door de gemeente Amsterdam verantwoord geacht omdat met het ministerie van I&M maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico's.

9.4 Resultaten onderzoeken     

9.4.1 Zuidasbrede inventarisatie     

Er heeft in 2010 een Zuidasbrede inventarisatie plaatsgevonden van de toename van het groepsrisico (GR) als gevolg van de Zuidasontwikkeling en de mogelijke maatregelen (Externe veiligheid op de Zuidas, 11 januari 2010, zie bijlage 9). Voorts is in het kader van het vastgestelde bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi in 2015 nog advies afgegeven (bijlage 10).

Het projectgebied van Zuidas ligt binnen het externe veiligheid-invloedgebied van de A10 zuid waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Om deze reden moet een verantwoording van het GR worden opgesteld voor de bestemmingsplannen van de deelgebieden. De verschillende onderdelen van de Zuidasbrede inventarisatie kunnen hiervoor gebruikt worden. Het is opgesteld voor de volgende deelgebieden: Amsterdam RAI, Frederik Roeskestraat, Gershwin, Ravel, Strawinsky, Vivaldi, Kenniskwartier en Beethoven.

Zelfs bij een maximale benutting van de gebruiksruimte in 2020 is er geen plaatsgebonden 10-6 contour aanwezig. Langs de A10 zuid is daarom geen plaatsgebonden 10-6 contour berekend als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen legt daarmee geen ruimtelijke belemmeringen op aan de ontwikkeling van de deelgebieden. De realisatie van de programma's van de deelgebieden leidt wel tot een toename van het GR en tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde ter hoogte van verschillende projecten. Om deze reden zijn richtlijnen opgesteld voor de verantwoording van het GR. Daarbij zijn maatregelen voorgesteld ter beperking van de risico's en is gekeken naar mogelijkheden voor zelfredzaamheid en hulpverlening (in paragraaf 9.5) wordt nader op de planspecifieke maatregelen ingegaan.

In de Zuidasbrede inventarisatie is tot slot een aantal aandachtspunten opgenomen in het kader van externe veiligheid. Het is van belang om deze punten op te nemen in de verantwoording van het GR voor het betreffende project. Samengevat zijn dit:

  • de realisatie van project Zuidasdok zorgt dat de tunnel van de A10 Zuid ingedeeld wordt als categorie C, zodat het vervoer van GF3 (waaronder LPG) niet meer over de A10 Zuid zal plaatsvinden;
  • de aanbeveling om de vluchtroutes van gebouwen haaks op de A10 zuid te oriënteren;
  • de toetsing op de bereikbaarheid;
  • de algemene bluswatervoorziening;
  • de afstemming tussen ontwerpers en brandweer met betrekking tot de bluswatervoorziening in de gebouwen.

9.4.2 Projectspecifiek onderzoek     

In aanvulling op de Zuidasbrede inventarisatie uit 2010 en het onderzoek externe veiligheid uit 2015 heeft tevens onderzoek plaatsgevonden naar de effecten vanwege het voorliggend plan (bijlage 11) in april 2020.

A10-Zuid

Plaatsgebonden risico

In bijlage 1 van de regeling Basisnet zijn voor wegen behorende tot het Basisnet afstanden vastgelegd voor de zogeheten veiligheidszone (de 10-6 plaatsgebonden risicocontour). Voor wegvak N12 is de afstand '0' vermeld. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden van de weg niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling van Vivaldi.

Groepsrisico

Het groepsrisico is berekend voor de huidige en toekomstige situatie. Figuur 4 toont het groepsrisico van de kilometer met het hoogste groepsrisico. De ligging van dit kilometervak wordt getoond in figuur 5 voor de toekomstige situatie. Door de nieuwe bestemmingsplannen binnen Vivaldi neemt het groepsrisico toe.

verplicht

Figuur 13: Kilometer met het hoogste groepsrisico A10-Zuid, huidige (zwart) en toekomstige (rood) situatie

Na realisatie van het project Zuidasdok waarbij een deel van de A10 als categorie C-tunnel wordt uitgevoerd, neemt het groepsrisico af tot 0.02 keer de oriëntatiewaarde. Dit komt enerzijds doordat er in deze situatie geen transport van GF3 plaatsvindt over de A10-Zuid en anderzijds door de afschermende werking van de tunnel.

verplicht

Figuur 14: Groepsrisico A10-Zuid na realisatie Zuidasdok, blauw = toekomstige bebouwing en Zuidasdok

Plasbrandaandachtsgebied

In het Bevt en in het eindrapport basisnet weg is voor rijksinfrastructuur het plasbrandaandachtsgebied (PAG) geïntroduceerd. Het PAG is het gebied tot 30 m van de weg waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook. In de Regeling basisnet is voor de A10-Zuid een PAG voorgeschreven.

Het PAG is het gebied tot 30 m van de weg waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook. In de Regeling basisnet is voor de A10-Zuid een PAG voorgeschreven. De objecten die deel uitmaken van voorliggend bestemmingsplan liggen op een afstand groter dan 30 m en dus buiten het PAG.

9.5 Verantwoording     

9.5.1 De verantwoordingsplicht     

De verantwoordingsplicht bestaat uit de volgende stappen:

  • vaststellen van de risico's van de huidige situatie;
  • vaststellen van de risico's na realisatie van de nieuwe plannen;
  • maatregelen ter beperking van de risico's;
  • mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid.

Hieronder wordt ingegaan op de mogelijk te nemen maatregelen. Het gaat daarbij om bronmaatregelen, effectmaatregelen en maatregelen voor zelfredzaamheid. Ook wordt ingegaan op de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid. Tevens zal daarbij het advies van de regionale brandweer aan de orde komen.

9.5.2 Bronmaatregelen     

Routering vervoer van gevaarlijke stoffen

Het in gebruik stellen van de Westrandweg heeft geleid tot vermindering van het aantal transporten met brandbaar gas over de A10 zuid waarmee het groepsrisico (GR) aanzienlijk daalt. De vervoerders gebruiken de Westrandweg en A9 als voorkeursroute naar het zuiden en het oosten. Hier mag echter volgens de regelgeving (nog) niet mee worden gerekend.

Ontwikkeling Zuidasdok

Ten tijde van het opstellen van deze verantwoording is het Tracébesluit Zuidasdok getekend. In het Tracébesluit staat vermeld dat de tunnel voor wat betreft de toegankelijkheid voor vervoer van gevaarlijke stoffen wordt ingedeeld in categorie C. Voor categorie C is vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen niet toegestaan. Dit betekent dat onder andere LPG niet mag worden vervoerd door de tunnel, met als gevolg dat het GR afneemt. Vervoer van benzine en diesel is wel toegestaan.

9.5.3 Effectmaatregelen     

Effectgerichte maatregelen zijn voornamelijk bouwkundig van aard. Deze maatregelen zijn gericht op het reduceren van het aantal gewonden als gevolg van brand of explosies. In hoofdstuk 6 van de Zuidasbrede inventarisatie zijn ter beperking van een plasbrand en voor het vrijkomen van toxische dampen bouwkundige maatregelen voorgesteld. De aanleg van geluidschermen kan, afhankelijk van het soort, bijvoorbeeld de uitstroming van een plas brandbare vloeistoffen beperken. Een eventuele andere bouwkundige maatregel is dat geprojecteerde gebouwen op meer dan 30 meter van de weg worden geplaatst (buiten het invloedgebied van een plasbrand), gemeten vanaf de rand van de linker- of rechterrijstrook. In voorliggend bestemmingsplan zijn geen gebouwen binnen 30 meter van het PAG geprojecteerd.

9.5.4 Maatregelen voor zelfredzaamheid     

Met betrekking tot zelfredzaamheid wordt gekeken naar de zelfredzaamheid van mensen en de mogelijkheden om te kunnen vluchten. De mate van zelfredzaamheid wordt bepaald aan de hand van de mate waarin mensen zelfstandig kunnen besluiten te vluchten en tevens in staat zijn te vluchten. Kinderen, ouderen en minder validen zijn voorbeelden van verminderd zelfredzame mensen. Organisatorische maatregelen zijn van belang om adequaat op te treden bij calamiteiten.

Onderliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe functies mogelijk specifiek voor mensen met beperkte zelfredzaamheid.

Voldoende bedrijfshulpverleners

In de kantoren en voorzieningen dienen voldoende bedrijfshulpverleners aanwezig te zijn met voldoende bijgehouden kennis om in het geval van een calamiteit adequaat te kunnen optreden. Deze gebouwen kunnen dan snel en onafhankelijk van de hulpdiensten geëvacueerd worden. Het opstellen van noodplannen waarin scenario's met gevaarlijke stoffen zijn opgenomen zijn hierbij belangrijk.

Gebouwuitgangen haaks op de risicobron

De mogelijkheden om een pand te verlaten zijn ook van belang in het kader van zelfredzaamheid. Voorgesteld wordt dat aanwezigen het gebouw en vervolgens het gebied in tegengestelde richting van de A10 kunnen ontvluchten.

Gebiedsontsluiting

In de Zuidasbrede inventarisatie is verder per deelgebied de ontsluiting beschreven van het langzaam en het gemotoriseerd verkeer. Voor de zelfredzaamheid is het van belang dat aanwezigen het gebied via een andere route kunnen ontvluchten dan de aanrijdroute van de hulpdiensten. Bij project Vivaldi vormt de ontsluiting van het plangebied geen nader aandachtspunt.

9.5.5 Hulpverlening     

Voor de hulpverlening wordt gekeken naar:

  • de bereikbaarheid van het gebied;
  • de aanwezige bluswatervoorzieningen;
  • de capaciteit om het maatgevende scenario aan te kunnen.

Deze onderdelen zijn in de Zuidasbrede inventarisatie nader toegelicht.

Bereikbaarheid

Bij de mogelijkheden voor zelfredzaamheid is al stilgestaan bij de ontsluiting. Het is aan te bevelen dat een plangebied via twee routes bereikbaar is voor motorvoertuigen. Eén ingang voor de hulpdiensten om het gebied te bereiken en één uitgang voor de vluchtenden om het gebied te verlaten.

Bluswatervoorziening

In hoofdstuk 6 van de Zuidasbrede inventarisatie wordt kort ingegaan op de inzet van bluswater bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Uit de notitie van de gemeente Amsterdam (Bluswatervoorzieningen in de Zuidas, februari 2008) blijkt dat de aanwezigheid van voldoende bluswater een aandachtspunt is voor ontwikkeling van de Zuidas. Naast de algemene bluswatervoorziening op de Zuidas, moeten ook de individuele gebouwen beschikken over voldoende blusvoorzieningen. Hiertoe moet overleg plaatsvinden tussen de ontwerpers en de brandweer. Er is overleg met de brandweer over de ontwikkelingen aan de Zuidas waar dit plan onderdeel van is.

Hulpverleningscapaciteit

Het aantal mogelijke slachtoffers (gewonden) bepaalt of de brandweer en de geneeskundige hulpverlening in geval van het maatgevende scenario de hulpvraag aankunnen. Opschaling vindt plaats wanneer dit noodzakelijk geacht wordt. De brandweer en de geneeskundige hulpverlening kunnen in de huidige situatie aan maximaal 200 – 250 slachtoffers hulp bieden in een bepaald gebied. Door de Zuidasontwikkeling neemt de hulpvraag bij incidenten toe. Hiermee stijgt ook de kans dat de hulpvraag bij een ongeval met gevaarlijke stoffen het hulpaanbod overschrijdt.

9.5.6 Advies Regionale Brandweer     

De brandweer heeft op 3 juli 2020 advies uitgebracht met betrekking tot de ontwikkelingen die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt (bijlage 12) . Hieruit komt naar voren dat de aandachtspunten uit de zuidasbrede inventarisatie en het advies dat in 2015 is gegeven (bijlage 13) op het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi nog steeds van toepassing is. De daarin opgenomen aandachtspunten zijn nog steeds actueel. Bespreking van deze aandachtspunten heeft in § 9.5 uitgebreid plaatsgevonden en die gelden onverkort voor de plannen die mogelijk worden gemaakt met dit bestemmingsplan.

9.5.7 Overwegingen     

In de huidige situatie wordt de oriëntatiewaarde van het GR overschreden. Als gevolg van dit bestemmingsplan neemt het GR nader toe.

Het feitelijke GR zal, mede door de ontwikkeling van Zuidasdok, in de nabije toekomst beduidend onder het berekende GR liggen.

De ontwikkeling van kavels langs de A10, als onderdeel van Zuidas, is voor de gemeente Amsterdam een belangrijke ruimtelijke ontwikkeling. De ontwikkeling waarin voorliggend bestemmingsplan voorziet maakt daarvan onderdeel uit. De ontwikkeling van Zuidas sluit aan bij de gedachte over een duurzame stad waarbij intensief en efficiënt gebruik wordt gemaakt van de schaarse ruimte.

9.6 Conclusie     

Het te ontwikkelen programma in Vivaldi en het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A10 zuid leidt tot een toename van het groepsrisico tot ruim over de oriëntatiewaarde. Om deze reden zijn de stappen van de Verantwoordingsplicht doorlopen. De aspecten zoals beschreven in de vorige paragrafen zijn hierbij betrokken.

De ontsluiting van het plangebied en de ligging van de entrees van de gebouwen bieden voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bereikbaarheid voor de hulpverlening.

Wel is in de planregels de mogelijkheid opgenomen dat, indien advisering van de Regionale Brandweer daartoe aanleiding geeft en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, nadere eisen kunnen worden gesteld aan bouwplannen met betrekking tot de situering van vluchtwegen van de te vestigen bestemmingen ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van de bouwwerken.

Hoofdstuk 10 Bodem     

10.1 Algemeen     

Bij het toekennen van gevoelige bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijk ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.



Het bestemmingsplan maakt voor een deel nieuw gebruik mogelijk. Voor kavel 13 is in het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi reeds ingegaan op bodemgerelateerde aspecten en wordt verwezen naar wat daar is opgenomen. Op de NSI kavel wordt in de eerste fase wel een geheel nieuw gebouw gerealiseerd met een kantoor- en voorzieningenprogramma. Hierna zal worden ingegaan op de bodemgerelateerde aspecten voor het plangebied. Bij eventuele toekomstige uitbreidingen of herontwikkelingen van bestaande functies zal bij de aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek moeten worden overlegd, waaruit blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde doel. De Bouwverordening waarborgt de uitvoering van dat bodemonderzoek op dat moment.

10.2 Regelgeving     

10.2.1 Wet bodembescherming     

De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit en Besluit uniforme saneringen). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging.

De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem.

De wet bestaat uit een tweetal regelingen:

  1. Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht.
  2. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land.

10.2.2 Nota Bodembeheer Gemeente Amsterdam     

Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebied specifieke beleid. Deze normen zijn voor Amsterdam opgenomen in de Nota Bodembeheer die op 19 november 2019 in geactualiseerde vorm door de gemeenteraad is vastgesteld en vervangt de voorgaande Nota uit 2013. De nieuwe Nota bevat naast een actualisatie ook op punten een aanscherping en versoepeling van het beleid.

Daarnaast wordt het beheergebied uitgebreid en worden bodemkwaliteitskaarten van omliggende gemeenten (Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Uithoorn en Ouder-Amstel) geaccepteerd als bewijsmiddel voor de kwaliteit van toe te passen grond. Dit vormt de opmaat naar uniformering van het bodembeleid in het hele werkgebied van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.

Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert.

Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Voor elke stof is de gekozen lokale maximale waarde afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebied specifieke kader kan een op de functie gerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is. Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico's en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders.

Bodemkwaliteitskaart Amsterdam

Voor de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam zijn 7 zones gedefinieerd op basis van bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Elke bodemkwaliteitszone heeft een bepaalde kwaliteit, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en de kwaliteit van de grond die er op mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie. Binnen een zone liggen soms meerdere bodemfuncties, die elk een ander beschermingsniveau en dus een eigen Lokale Maximale Waarde vragen.

Voor Amsterdam zijn diverse bodemkwaliteitskaarten opgesteld die behoren bij de Nota Bodembeheer. Op één van deze kaarten is het plangebied aangewezen als zone 1 gebied.

verplicht

Uitsnede zonekaart Nota Bodembeheer

De bodemkwaliteit in de meeste naoorlogse wijken van Amsterdam (gedefinieerd als zone 1) voldoet aan de Achtergrondwaarde (AW). Deze grond is in principe geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Daarom was het niet nodig om voor zone 1 gebiedsspecifiek beleid te ontwikkelen. In deze zone is de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag voor alle bodemfuncties dan ook Achtergrondwaarde, conform het generieke beleid.

Zone 1-grond mag altijd zonder bodemonderzoek, op basis van de bodemkwaliteitskaart worden ontgraven (in principe is een melding op grond van artikel 28 van de Wbb vereist indien meer dan 50 m³ wordt ontgraven) en toegepast (hiervoor is altijd een melding Besluit bodemkwaliteit vereist, ongeacht de hoeveelheid). Grond afkomstig vanuit alle lagen van zone 1 mag vrij worden toegepast in het gehele beheergebied. Grond van buiten de zone mag worden toegepast, mits een partijkeuring of andere milieuhygienische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de achtergrondwaarde.

Voordat gebruik kan worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart voor vrijstellingen van de bodemonderzoeksplicht, zoals hierboven omschreven dient een beknopt vooronderzoek te worden verricht (puntbronnencheck). Indien dit onderzoek geen aanleiding geeft de locatie van herkomst en toepassing als 'verdacht' aan te merken bestaat vrijstelling van bodemonderzoek.

In de Nota bodembeheer is tot doel gesteld de grond in het plangebied schoon te houden en er is voor dit gebied geen gebied specifiek beleid ontwikkeld. Grond die toegepast wordt in dit gebied moet schoon zijn, ongeacht de bodemfunctie.

10.3 Conclusie     

In de toelichting van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' is voor kavel 13 uitgebreid ingegaan op bodemgerelateerde aspecten. Met betrekking tot de bodem zijn er geen nieuwe omstandigheden aanwezig die nopen tot aanvullend onderzoek of een heroverweging. Kortheidshalve wordt verwezen naar hetgeen hierover in het kader van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' is opgenomen en overwogen.

Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding aan te nemen dat de bodemkwaliteit gevolgen heeft voor de uitvoering van een van de ontwikkelingen in het voorliggende bestemmingsplan. Het plangebied valt geheel binnen zone 1, waarvoor geen nader bodemonderzoek is vereist en vrijstelling bestaat voor grond uit zone 1.

Hoofdstuk 11 Water     

11.1 Algemeen     

Op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding, conform de watertoets.

De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in een zo vroeg mogelijk stadium in gesprek brengt.

De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  1. De verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken.
  2. De verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in acht worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur.

De waterparagraaf moet inzicht geven in de vertaling van het waterbeleid naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding en wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen:

  • ruimtelijk relevant waterbeleid;
  • de taken van de waterbeherende instantie;
  • het overleg met de waterbeherende instantie;
  • het huidige watersysteem;
  • het toekomstige watersysteem.

11.2 Regelgeving     

11.2.1 Waterwet     

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en waarborgt de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld, met als resultaat één vergunning; de watervergunning. Watervergunningen kunnen betrekking hebben op bouw- of aanlegwerkzaamheden bij water en dijken, lozen en onttrekken van water, varen, aanmeren, evenementen en plannen ten behoeve van natuur en recreatie alsmede uitbreidingsplannen.

Minstens zo belangrijk is dat zoveel mogelijk activiteiten onder algemene regels vallen. In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in plaats van een vergunningprocedure. Niet alles is in algemene regels vast te leggen en voor deze activiteiten in, op, onder of over watersystemen is er de watervergunning.

11.2.2 Waterbesluit     

In het Waterbesluit zijn de regels gegeven die betrekking hebben op beheer en gebruik van watersystemen die in beheer zijn bij het Rijk. Voor het gebruik maken van een waterstaatswerk (een oppervlaktewaterlichaam, waterkering of kunstwerk zoals een sluis) kan een watervergunning vereist zijn. Voor de waterstaatswerken in beheer bij het Rijk is dat geregeld in het Waterbesluit en de Waterregeling. Voor regionale waterstaatswerken staan de regels in de keur van het waterschap.

Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer zijn o.a. het IJsselmeer en daaraan verbonden wateren zoals het Markermeer en het IJmeer, de Rijn en daarmee verbonden wateren zoals het Amsterdam-Rijnkanaal, het Buiten IJ, het Afgesloten IJ en het Noordzeekanaal (zie bijlage II van het Waterbesluit). Ook de zijwateren van deze oppervlaktewateren zijn in principe in beheer bij het Rijk. Andere watergangen zoals het Nieuwe Diep ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal (Boven Diep) en de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen zijn in beheer bij het Rijk. Voor het maken of behouden van werken, het plaatsen van vaste substanties of voorwerpen en het uitvoeren van werkzaamheden op of in rijkswateren, anders dan in overeenstemming met de functie, is een watervergunning vereist.

In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan zijn geen waterstaatswerken aanwezig die in beheer zijn bij het Rijk.

11.2.3 Keur AGV     

De Waterschapswet zegt in artikel 78 dat het waterschap verordeningen mag opstellen voor de behartiging van aan het waterschap opgedragen taken. In december 2011 is de Keur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) vastgesteld.

De Keur van het Hoogheemraadschap AGV is gericht op het beschermen van de wateraanvoer en -afvoer, de bescherming tegen wateroverlast en overstroming en op het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem. In de toelichting bij de Keur is aangegeven dat de aanleg van verhard oppervlak in beginsel leidt tot een grotere belasting van het oppervlaktewatersysteem en/of rioleringssysteem, omdat pieken in de regenafvoer minder worden afgevlakt door infiltratie. Bij nieuwbouw in stedelijk gebied, verdichting in bestaand stedelijk gebied of de aanleg van wegen is sprake van verharding van gebieden waar voorheen water in de bodem kon worden geborgen. De toename van de belasting van het oppervlaktewatersysteem moet daarom worden gecompenseerd door de initiatiefnemer. Dat betekent dat het watersysteem na de realisering van de verharding niet zwaarder belast mag worden dan voordien. Op grond van artikel 3.13, onder a, van de Keur is het verboden om zonder vergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap in stedelijk gebied meer dan 1.000 m2 verharding aan te brengen of het verhard oppervlak met 1.000 m2 te laten toenemen.

Legger

De legger is een openbaar register van het Hoogheemraadschap AGV waarin wordt bepaald aan welke eisen (diepte, hoogte, sterkte etc.) de wateren, dijken en kunstwerken moeten voldoen en dient als uitwerking van de Keur. De legger heeft geen invloed op voorliggend bestemmingsplan.

11.3 Beleid     

11.3.1 Nationaal Waterplan 2016-2021     

Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet en beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Als bijlage bij het Nationaal Waterplan zijn beleidsnota's toegevoegd over waterveiligheid. Deze beleidsnota's vormen een nadere uitwerking en onderbouwing van de keuzes die in de hoofdtekst staan van het Nationaal Waterplan en dienen in samenhang ermee te worden gelezen. Bij de ontwikkeling van locaties in de stad wordt ernaar gestreefd dat de hoeveelheid groen en water per saldo gelijk blijft of toeneemt. Dit moet stedelijk gebied aantrekkelijk en leefbaar maken en houden.

11.3.2 Provinciale Watervisie 2021     

In de Watervisie 2021: Buiten de oevers (november 2015) zijn de hoofdlijnen van het provinciale beleid geformuleerd voor het beheer van het Noord-Hollandse watersysteem. Aan de hand van de thema's veilig, schoon en voldoende is beleid vastgesteld voor de lange termijn (2040) en prioriteiten voor de planperiode (2016-2021). Het Uitvoeringsprogramma 2016-2021 (december 2015) geeft aan wat de concrete maatregelen zijn om de lange termijn doelstellingen te verwezenlijken.

Thema Veilig

Beperken van slachtoffers en economische schade via preventie en gevolgenbeperking, door:

  • Kaders stellen voor regionale waterkeringen: vastleggen van normen en tracés in de waterverordeningen en bindende afspraken maken met de waterschappen over de termijnen waarbinnen de regionale keringen op orde moeten zijn.
  • Beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit: toetsen op voldoende ruimtelijke inpassing door de waterbeheerder en bevorderen van ruimtelijke kwaliteit via programma's met cofinanciering door regionale partijen.
  • Waterrobuust inrichten bevorderen: via ruimtelijke maatregelen beperken van aantal slachtoffers en beperken van economische schade en een adequate rampenbestrijding bij (dreiging van) een overstroming.

Thema Schoon en Voldoende water

Het voorkomen van verontreiniging, overlast en tekort, door:

  • Het bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater: bevorderen dat er voldoende goed water is voor verschillende bestemmingen zoals landbouw, natuur en recreatiegebieden.
  • Zorgen voor schoon en voldoende grondwater: duurzaam beheren van grondwatervoorraden voor verschillend gebruik zoals drinkwater, industrie en energievoorziening.

11.3.3 Waterbeheerplan Waterschap Amstel Gooi- en Vechtstreek 2016-2021     

Op 8 oktober 2015 heeft het Algemeen Bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AVG) het Waterbeheerplan AGV 2016-2021: Waterbewust en Waterrobuust vastgesteld. Het betreft het tweede waterbeheerplan van het Hoogheemraadschap AGV in de nieuwe zesjarige waterplancyclus van het Rijk, de provincie en het waterschap.

Het waterbeheerplan gaat in op de hoofdtaken van het waterschap: veiligheid, voldoende water en schoon water. Ook wordt aandacht gegeven aan de maatschappelijke (neven)taken, te weten nautisch en vaarwegbeheer, recreatief medegebruik, natuurbeheer en cultuurhistorische, landschappelijke en architectonische waarden. Voor elk van deze thema's is aangegeven wat het wensbeeld is op de middellange termijn, wat de doelen zijn, wat de aanpak op hoofdlijnen is en op welke indicatoren de resultaten van dat taakveld worden beoordeeld.

11.3.4 Gemeentelijk rioleringsplan Amsterdam 2016-2021     

De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen:

  • inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater;
  • inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater;
  • treffen van grondwatermaatregelen in openbaar gebied.

In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam (GRA) 2016-2021 staat vermeld hoe deze drie zorgplichten voor de komende jaren door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Het doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam deze watertaken uitvoert en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer is opgenomen. Het GRA 2016-2021 heeft de volgende uitgangspunten:

Stedelijk afvalwater

  • zoveel mogelijk scheiding aan de bron van de componenten van stedelijk afvalwater;
  • waar mogelijk decentrale zuivering in plaats van de huidige centrale, zolang dit duidelijk aanwijsbare voordelen biedt.

Hemelwater

  • de perceeleigenaar is in principe zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater op eigen terrein;
  • de verwerking van hemelwater is een inspannings- en geen resultaatverplichting voor de gemeente;
  • uitgangspunt is om verontreinigd hemelwater gescheiden te houden van het overige hemelwater;
  • gebruik heeft de voorkeur boven direct lozen;
  • gemeente houdt bij de inrichting van de openbare ruimte rekening met het tijdelijk opvangen van extreme buien.

Grondwater

  • duurzaam functionerend grondwatersysteem om nieuwe hinder voorkomen en bestaande hinder weg te nemen;
  • de perceeleigenaar is in principe zelf verantwoordelijk voor het grondwater op eigen terrein.

11.3.5 Waterbeleid Zuidas     

In de Visie Zuidas 2016 is uitgebreid aandacht besteed aan het thema water in het hoofdstuk 'Verbonden door groen en water'. Water is een belangrijke voorwaarde voor het stedelijk leven. Door klimaatverandering lopen de temperaturen in de stad op en worden regenbuien extremer. Water heeft een dempende werking op temperaturen in de stad en kan effectief zijn in het (tijdelijk) bergen van regenwater. Bovendien is meer, diverser en goed verbonden water belangrijk voor een divers dier- en plantenleven.

De bergingscapaciteit van water is belangrijk. Daarom wordt het water in samenhang ontworpen. Dat geldt voor grondwater, oppervlaktewater en hemelwater in zowel de openbare ruimte als privéruimte. Bij extreme regenbuien moet Zuidas regenbestendig zijn: het water wordt op de kavels zelf opgevangen en geborgd. Daarnaast maken we een aantal plekken geschikt voor waterberging bij piekbuien. In Kop Zuidas leggen we bijvoorbeeld in de straten een slim systeem aan van waterbergende groenstroken.

Binnen Zuidas wordt ingezet op een robuuste waterstructuur die de verblijfskwaliteit verhoogt en functioneel is voor het goed afvoeren van regenwater en voor regulering van het grondwater. In ieder geval moet de afvoer van grondwater via het rioolstelsel worden voorkomen. In Zuidas worden bovendien alle plannen op hun bijdrage aan een goed stadsklimaat getoetst. Ontwikkelende partijen en de gemeente moeten hun inzet op het verbeteren van het microklimaat zichtbaar maken, bijvoorbeeld door de aanleg van groene daken of binnentuinen.

11.4 Watertoets     

In het kader van bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi is eerder al onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de waterhuishouding voor kavel 13. Gelet op de realisatie van de omringende kavels en de wijzigingen ten opzichte van de watertoets die eerder is uitgevoerd, is de watertoets geactualiseerd en opnieuw doorlopen (bijlage 14). Voor de kavel van NSI is gelet op de reeds aanwezige (ondergrondse) verharding geen nader onderzoek naar de waterhuishouding noodzakelijk gevonden.

11.4.1 Ontwikkeling plangebied     

In het kader van bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi is een watertoets uitgevoerd, waarin ook kavel 13 is meegenomen. De watertoets is nu opnieuw gedaan. Onder kavel 12 en 14 zijn bij realisatie geen kelders aangelegd. Deze wijzigingen zijn meegenomen en de toets is op dat punt geactualiseerd. In de watertoets die in het kader van voorliggend bestemmingsplan is opgesteld, is onderstaande samenvatting gegeven over de onderwerpen waterkering, hemelwater, oppervlaktewater en grondwater.

De ontwikkeling eerste fase van NSI brengt zowel boven als ondergronds geen extra verharding met zich mee en heeft daarom geen directe invloed op de waterhuishouding en behoeft geen nadere onderbouwing op dit onderdeel.

11.4.2 Waterkering     

Ten noorden van kavel 13 bevindt zich een secundaire directe verholen waterkering. Het kavel bevindt zich niet in de beschermingszone van de waterkering. Het plangebied ligt binnen dijkring 14. Voor dijkring 14 is, in het kader van de Waterwet, een overstromingsrisico vanuit de rivieren en de zee bepaald van 1/10.000 jaar. In de toekomstige situatie wordt de waterkering enkele meters verplaatst naar de noordzijde van de nieuw aan te leggen tunnel van het Zuidasdok, naar verwachting gebeurt dit in 2024. Dit heeft geen invloed op kavel 13.

11.4.3 Oppervlaktewater     

Kavel 13 is gelegen in de Binnendijkse Buitenveldertse polder. Het streefpeil is NAP -2,0 meter. In 2017/2018 is de watergang ten noorden van kavel 13 reeds verlegd naar het noorden. In een later stadium wordt deze verder verbreed en de tijdelijke duikers worden verwijderd. Bij de afwerking van de watergang dienen de taluds of kadeconstructies (grond)waterdoorlatend te zijn zodat het oppervlaktewater in contact staat met het grondwater.

In de Zuidas wordt gewerkt met de Actuele Waterbalans Zuidas conform het Protocol Waterbalans Zuidas. Kavel 13 dient waterneutraal ontwikkeld te worden. De ontwikkeling van kavel 13 kan daarom in de waterbalans als neutraal worden opgenomen.

Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en waterbodem tegen te gaan wordt vanuit de Keur AGV het gebruik van uitlogende materialen tijdens de bouw- en gebruiksfase voorkomen en worden emissies naar het oppervlaktewater van PAK, lood, zink en koper tegengegaan. Bij het beheer zal ook zo min mogelijk gebruik worden gemaakt van middelen die kunnen leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- of grondwater.

11.4.4 Grondwater     

De aanleg van kelders op onder andere kavel 13 heeft een negatief effect op de grondwaterstand door de blokkerende werking van grondwaterstroming naar de watergang. Echter indien de verschillende kelders niet geschakeld worden (ruimte voor grondwaterstroming) en het nieuwe maaiveld op NAP -0,55 m wordt aangelegd, voldoet het grondwatersysteem. Op kavel 12 en 14 zijn geen kelders aangelegd en kavel 13 staat niet in verbinding met andere kelders. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van de gemeentelijke ontwateringseis van 0,5 m (kruipruimteloos bouwen) en aan de ontwateringseis voor bomen (0,9 m).

11.4.5 Hemelwater en rainproof     

Naar verwachting zullen in de toekomst extreme regenbuien door klimaatverandering vaker voorkomen. Amsterdam wil de bestendigheid van de stad op het gebied van hemelwater verder verbeteren, om deze reden is in het GRPA de verplichting opgelegd om gebieden Rainproof in te richten. Het plangebied moet daarom zodanig worden ingericht dat extreme neerslag niet tot overlast zorgt in het plangebied of in de omgeving.

Binnen deelgebied Vivaldi zijn geen knelpunten vastgesteld op het gebied van regenbestendigheid (rainproof). Voor het deelgebied Vivaldi is een rainproofoplossingenkaart opgesteld. Naast kavel 13 ligt een waterbergende straat, hier kan water bijvoorbeeld in groenstroken of tussen de stoepbanden tijdelijk worden geborgen. Tussen kavel 13 en kavel 14 (Van der Valk) is een overloop voorzien richting de watergang. Kavel 13 zelf dient waterneutraal te zijn. Kavels zullen eerder worden opgeleverd dan de buitenruimte en dit is een reden om watervertragende maatregelen op kavelniveau vast te leggen (bijvoorbeeld middels een bouwenvelop).

De sterk verharde Zuidas is gevoelig voor hittestress. Op kavelschaal kan hiermee rekening worden gehouden door het toevoegen van groen en het gebruik van lichtgekleurde en niet warmtegeleidende materialen. In de bouwenvelop wordt dit aan de ontwikkelaar meegegeven. In het bestemmingsplan is voorzien in een regeling waarbij een zeker percentage aan dakbegroeiing is vereist wanneer niet is voorzien in zonnepanelen of een dakterras.

11.4.6 WKO's     

Er zijn in de huidige situatie geen Warmte Koude Opslag systemen (WKO's) aanwezig op kavel 13. WKO's liggen wel aan de westzijde van Vivaldi. Hiervoor is het Masterplan Warmte Koude Opslag Zuidas Ravel-Vivaldi opgesteld. Uit het Masterplan blijkt ruimte te zijn voor de aanleg van een WKO nabij kavel 13.

11.5 Conclusie     

Vanuit oogpunt van de verschillende (grond)watergerelateerde aspecten zijn er geen belemmeringen aanwezig die aan uitvoering van voorliggend bestemmingsplan in de weg staan.

Hoofdstuk 12 Natuur en Landschap     

12.1 Algemeen     

Daar waar bestemmingsplannen en inpassingsplannen ruimtelijke ontwikkelingen en projecten mogelijk maken, moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er niet toe leiden dat te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast.

Het vaststellen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking.

Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming).

Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan.

Naast de wettelijke regelingen voor gebieds- en soortenbescherming is het van belang te constateren dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke Hoofdgroenstructuur. In de 'Structuurvisie Amsterdam 2040 - Economisch sterk en duurzaam' (17 februari 2011) is de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam vastgelegd.

12.2 Toetsingskader     

Er is één wettelijke regeling van belang, te weten de Wet natuurbescherming.

De Wet natuurbescherming (Wnb) heeft als doel te komen tot één integrale en vereenvoudigde regeling van de natuurbescherming. Hierbij is de Europese regelgeving als uitgangspunt genomen. Wanneer geen specifieke natuurbescherming in de Europese regelgeving is voorzien worden op rijksniveau regels vastgelegd, zodat een consistent, samenhangend en transparant stelsel van regels op het gebied van natuur ontstaat.

Gebiedsbescherming

In de Wnb zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur (Natura 2000-gebieden). Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied (externe werking) moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Indien het bestemmingsplan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van een Natura 2000-gebied verslechtert of een significant verstorend effect heeft (dit wordt de verslechterings- en verstoringstoets genoemd) dient een vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd. Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura 2000-gebied is gelegen.

Indien het plan mogelijk significante negatieve gevolgen heeft voor deze gebieden dient bovendien een passende beoordeling te worden gemaakt. Significant negatieve gevolgen treden op als de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied worden aangetast. Is dit het geval, dan kan alleen een vergunning worden verkregen indien wordt voldaan aan de zogenaamde ADC-criteria. Dat wil zeggen dat voor het plan geen alternatieven zijn, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en is voorzien in compenserende maatregelen.

Soortenbescherming

De Wnb beschermt vele in het wild en van nature in Nederland voorkomende dieren. De wet kent verschillende beschermingsregimes voor diverse soorten. De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde diersoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen.

Voor van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels geldt dat het verboden is om nesten, rustplaatsen of eieren te vernielen. Ook is het verboden om vogels te verstoren, tenzij de verstoring geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de soort.

Voor algemene soorten, geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen of beheer en onderhoud een op grond van de Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb. Voor overige soorten is geen ontheffing nodig indien de Minister van Economische Zaken en Klimaat of de provincie een gedragscode heeft goedgekeurd voor het uitvoeren van de werkzaamheden. De gemeente Amsterdam heeft een gedragscode opgesteld die de minister van (destijds) LNV heeft goedgekeurd. Hoewel de gedragscode zijn basis vindt in de Flora- en faunawet, die inmiddels is vervallen, is de werking van de gedragscode door de staatssecretaris van Economische Zaken ambtshalve verlengd totdat op de nieuwe gedragscode is beslist. Bij naleving van deze gedragscode geldt dan ook een vrijstelling voor de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.

Ontheffingen mogen slechts worden verleend wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat, geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan en de ontheffing nodig is met het oog op in de Wnb bepaalde belangen.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wnb aan de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat. Dit zal zich voordoen wanneer de uitvoering van het bestemmingsplan tot ingrepen noodzaakt waarvoor geen vrijstelling geldt of geen ontheffing op grond van de Wnb kan worden verleend. In dat geval is het bestemmingsplan vanwege de Wnb onuitvoerbaar.

12.3 Resultaten onderzoeken     

12.3.1 Algemeen     

Binnen Zuidas heeft een inventarisatie plaatsgevonden om inzichtelijk te maken welke beschermde soorten zich in het gebied (kunnen) bevinden. Deze inventarisatie heeft geleid tot het rapport 'Inventarisatie beschermde soorten Wet natuurbescherming Zuidas-Zuidasdokgebied 2017' en dateert van februari 2018 (bijlage 15). Kort gezegd volgt uit de inventarisatie dat van een aantal soorten uitgesloten kan worden dat zij in het gebied voorkomt. Voor een aantal soorten dient nader onderzoek te worden verricht.

Resultaten Roofvogels

In 2017 zijn diverse veldverkenningen uitgevoerd. Uit deze verkenningen volgt dat een sperwer in het Beatrixpark in het bosje naar de RAI nog altijd aanwezig is. Deze sperwer is reeds sinds 2013 op deze locatie waargenomen. De boomvalk is in 2017 niet teruggekeerd in één van de populieren in Kenniskwartier Noord. Ook in de, ten behoeve van de ontwikkeling van Kenniskwartier Noord, geplaatste kuntshorsten heeft geen boomvalk gebroed. Tot slot wordt opgemerkt dat een broedpaar slechtvalken op het ABN-AMRO gebouw nog steeds aanwezig is.

Resultaten huismussen Strawinsky

In juni 2017 heeft een verkenning plaatsgevonden bij de gebouwen van Strawinksy naar huismussen. Er zijn geen huismussen waargenomen. Wat overigens niet verwonderlijk is, gelet op de nieuwe gebouwen en de weinig beschikbare, kleine ruimten.

Resultaten Vleermuizen

In het plangebied Kop Zuidas zijn meerdere gewone dwergvleermuizen waargenomen die tijdens de ochtendschemer naar het noorden vlogen. In het plangebied Beethoven (de zuidrand van het Beatrixpark) zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Wel foerageerden daar veel gewone en ruige dwergvleermuizen boven de waterpartijen. In het najaar van 2017 (september) zijn meer dan honderd laatvliegers, gewone en dwergvleermuizen de ondergang van de Rijksweg A10 bij de Amstel gepaseerd. Naar alle waarschijnlijkheid hebben de vleermuizen hun verblijfplaatsen ten noordwesten van de begraafplaats Zorgvlied en foerageren zij ten zuiden van de Rijksweg A10.

Iepenpage

Met een mogelijke maar onzeker uitzondering van een waarneming in het Beatrixpark is geen iepenpage waargenomen.

12.3.2 Toetsing Wnb: kavel 13 en NSI eerste fase     

In opdracht van gemeente Amsterdam heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming voor de ontwikkeling van kavel 13 en de eerste fae van NSI in Vivaldi. De ontwikkelingen kunnen alleen doorgaan als deze niet in strijd zijn met de bepalingen als opgenomen in de Wnb, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Beide onderzoeken zijn op 2 december 2019 afgerond (bijlagen 16 en 17). De conclusies uit het onderzoek luiden als volgt.

Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? 

Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming (vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna). Het is uit te sluiten dat de ontwikkeling negatieve effecten heeft op beschermde Natura 2000-gebieden, NNN-gebieden of beschermde houtopstanden.

In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb?

De beoogde ontwikkeling is niet strijdig met de Wnb. Negatieve effecten op beschermde soorten kunnen uitgesloten worden en/of voorkomen worden. Met betrekking tot broedvogels zijn wel maatregelen nodig om negatieve effecten te voorkomen. Het is niet uit te sluiten dat de voorgenomen ontwikkelingen negatieve effecten hebben op in gebruik zijnde nesten van broedvogels.

Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig?

De werkzaamheden dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen gestart te worden, voor deze locaties zijn de maanden november tot en met februari geschikt om te starten met de werkzaamheden. Als dat niet kan dan is een broedvogelcontrole nodig om te voorkomen dat in gebruik zijnde nesten van broedvogels worden verstoord of vernietigd tijdens de werkzaamheden. Er dient dan een verstoringsvrije zone rondom het nest te worden aangehouden. De zone moet worden aangehouden tot het broedgeval niet meer aanwezig is. Meestal duurt dit enkele weken tot enkele maanden. Daarna kan ook binnen de verstoringsvrije zone gewerkt worden.

Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

Als de werkzaamheden ergens in de periode maart t/m oktober gestart worden, dan is een broedvogelcontrole nodig. Als tijdens de controle blijkt dat in gebruik zijnde nesten van broedvogels aanwezig zijn, dan is een verstoringsvrije zone rondom het nest nodig. Deze zone wordt aangehouden tot het broedgeval niet meer aanwezig is. Meestal duurt dit enkele weken tot enkele maanden. Daarna kan ook binnen de verstoringsvrije zone gewerkt worden.

In onderstaande tabel is een samenvatting opgenomen van de toetsing aan de soortenbescherming.

verplicht

Gemeentelijk natuurbeleid

Negatieve effecten op de Hoofdgroenstructuur, beschermde bomen, de Hoofdbomenstructuur en beschermde muurflora en orchideeën als gevolg van de ontwikkelingen zijn uit te sluiten. Verdere acties zijn niet nodig.

Rond het plangebied komen invasieve exoten voor zoals de Japanse duizendknoop. Het is van belang om rekening met deze woekerende en snelgroeiende soort te houden. Bij afgraven en vervoer van grond is het van belang om controles van de grond te doen. Ook moet het plangebied op de soort gemonitord worden. Bij een kleine besmetting is het bestrijden van de soort nog relatief goed uitvoerbaar.

Voor het plangebied zijn enkele natuurkansen te signaleren, namelijk de volgende:

  • Het inbrengen van nestgelegenheid voor vogels door het ophangen van nestkasten (bijvoorbeeld nestkast zwarte roodstaart bij gebouwen);
  • Het inbrengen van verblijfplaatsen voor vleermuizen door het ophangen van platte kasten aan gebouwen en/of bolle kasten aan bomen;
  • Het aanplanten van inheemse bomen en struiken om de biodiversiteit te verhogen. Hierop komen onder andere insecten en vogels af;
  • Het inzaaien van inheemse bloemenmengsels om wilde bijen en vlinders te helpen;
  • Het inbrengen van bijenhotels in het plangebied.

12.3.3 Toetsing stikstof     

In opdracht van de Gemeente Amsterdam heeft bureau IDDS op 10 juli 2020 onderzoek gedaan naar de effecten van de ontwikkelingen van kavel 13 en NSI eerste fase die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt (bijlage 18 tot en met 23). Beoordeeld is wat het effect van het project is op omliggende Natura-2000 gebieden en hiermee aan te tonen dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is.

Wettelijk kader

Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) - dat op 1 juli 2015 van kracht werd - niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden zijn hiermee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb).

In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een berekening met AERIUS Calculator gemaakt om te beoordelen of sprake is van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. De verschillende bijlagen bij het rapport geven hierover informatie.

Beoordeling

In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied is te vinden in Botshol op 8,5 km afstand. Beoordeeld is of als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren. Een berekening is gemaakt met rekenprogramma AERIUS, waarbij onderscheid is gemaakt tussen de bouw- en aanlegfase.

Aanlegfase

Bij de aanlegfase is onderscheid gemaakt tussen mobiele bronnen (bouwwerktuigen) en wegverkeer. De beoogde start van NSI eerste fase ligt in 2022. Kavel 13 zal in 2024 pas in uitvoering worden genomen. Voor de aanlegfase zijn verschillende scenario's beschouwd (zie de bijlagen bij de rapportage). Daarbij is het uitgangspunt dat de bouwplannen voor beide kavels niet tegelijkertijd in uitvoering worden genomen. De Gemeente heeft met ontwikkelaar NSI privaatrechtelijke afspraken gemaakt over de planning van de aanleg van de eerste fase van NSI. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal een nadere beschouwing van de aanlegfase plaatsvinden. Uit de resultaten van het onderzoek is naar voren gekomen dat het aspect stikstof de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

Gebruiksfase

De te ontwikkelen gebouwen zullen aangesloten worden op het warmtenet of andere energie-infrastructuur en worden gasloos opgeleverd. De kantoren en voorzieningen zijn op dit onderdeel dan ook niet meegenomen in het aerius rekenmodel, aangezien hierbij geen stikstof vrijkomt. Wel zijn verkeersgegevens als invoer voor het rekenmodel gebruikt. Hierbij is uitgegaan van een zeer sterk stedelijk gebied in de bebouwde kom. Er is uitgegaan van licht verkeer via de Antonio Vivaldistraat naar de De Boeleaan de Beethovenstraat op. Vanaf hier gaat het verkeer ten gevolge van het project op in het heersende (reguliere) verkeer.

De conclusie luidt dat geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkelingen. De rekentool geeft geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het plan treedt geen stikstofdepositie op in een Natura 2000-gebied.

12.4 Conclusie     

Vanuit de wetgeving op het gebied van natuur zijn geen belemmeringen aanwezig die in de weg staan aan de vaststelling van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 13 Hoogbouwaspecten     

13.1 Bezonning     

In het kader van voorliggend bestemmingsplan is op basis van een voorbeeldverkaveling voor beide kavels onderzoek gedaan naar de bezonningssituatie binnen en in de omgeving van het plangebied (bijlage 24 en 25).

Hierbij wordt opgemerkt dat er geen landelijk wettelijk vastgelegde normen of eisen zijn waaraan plannen ten aanzien van de bezonning in relatie tot bestaande functies moeten voldoen. In het Bouwbesluit is wel regelgeving voor daglichttoetreding opgenomen maar dit heeft geen betrekking op schaduwwerking van het ene gebouw op het andere. Ten einde de resultaten van het bezonningsonderzoek te kunnen beoordelen kan gebruik gemaakt worden van een TNO-norm. Deze norm (of een afgeleide daarvan) wordt door verschillende gemeenten gehanteerd bij het uitvoeren van een bezonningsstudie bij een gebiedsontwikkeling. De gemeente Amsterdam hanteert als richtlijn een aan de TNO ontleend criterium dat de nieuwbouw zodanig moet zijn gesitueerd dat de zon op de eerste dag van de lente dan wel de eerste dag van de herfst tussen 10.00 uur en 18.00 uur tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag op één gevel van een woning moet kunnen bereiken. Bij de beoordeling van de schaduweffecten van de geplande nieuwbouw is de situatie weergegeven op 21 maart of 21 september, 21 juni (hoogste zonnestand) en 21 december (laagste zonnestand).

In voorliggend bestemmingsplan worden geen woningen mogelijk gemaakt en in de omgeving van de geplande ontwikkelingen zijn in de directe nabijheid geen woningen aanwezig of gepland. De bezonningstudie geeft wel voor omringende (vooral) kantoorfuncties inzicht in de bezonningssituatie. Gelet op de uitgevoerde bezonningsstudies voor beide kavels die deel uitmaken van dit bestemmingsplan kan geconcludeerd worden dat de schaduweffecten gering zijn en nauwelijks effect hebben op de omringende gebouwen. Slechts beperkte invloed gaat uit van de nieuwbouw die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.

13.2 Windhinder     

Rondom hoge gebouwen kan windhinder optreden. Er kan sprake zijn van verhoogde windsnelheden die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam maken. Op grond van onderzoek (computeranimatie of windtunnelonderzoek) kan vooraf worden vastgesteld of bij een bepaald stedenbouwkundig ontwerp windhinder zal optreden en zo ja, welke maatregelen kunnen worden getroffen om windhinder te voorkomen of te beperken. Ter voorkoming van windhinder kunnen maatregelen worden getroffen in de openbare ruimte of aan het gebouw zelf.

Middels voorliggend bestemmingsplan wordt bebouwing mogelijk gemaakt met een maximale bouwhoogte van 85 meter voor kavel 13 en 86 meter voor NSI eerste fase (nieuwbouw hoek Antonio Vivaldistraat - Domenico Scarlattilaan). Dat op plekken rondom de toekomstige bebouwing windhinder kan optreden is niet ondenkbaar.

Of en waar windhinder uiteindelijk kan optreden is echter sterk afhankelijk van de architectonische uitwerking. De mate waarop windhinder optreedt en de toepasbaarheid en effectiviteit van eventuele maatregelen is eerst goed te onderzoeken op bouwplanniveau. Het gaat bij maatregelen veelal om kleinschalige ingrepen. Maatregelen blijken, voor zover nodig, altijd goed mogelijk.

In de toelichting bij het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' is voor kavel 13 met betrekking tot windhinder opgenomen dat het bestemmingsplan voor deze kavel geen gedetailleerde eindbestemming kende en een windhinderonderzoek daarom nog niet goed kon worden uitgevoerd. Op grond van voorliggend bestemmingsplan, waarbij kavel 13 nader is uitgewerkt en een stedenbouwkundige opzet heeft gekregen is voor kavel 13 een windstudie verricht naar het bouwvolume en positionering van de laag- en hoogbouw (bijlage 26). Hierbij is gebruik gemaakt van schaalmodellen (3D) die zijn geplaatst in de windtunnel waarmee simulaties zijn verricht. Hierbij zijn de voorziene ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied in aanmerking genomen. Aan de hand hiervan is een windhinderstudie verricht en beoordeeld of een aanvaardbaar windklimaat kan worden bereikt.

Uit de studie is voor kavel 13 naar voren gekomen dat met het toepassen van maatregelen, zoals een windscherm tussen de aanwezige gebouwen van kavel 12 en 13 en het toevoegen van een groeneiland tussen kavel 13 en 14 en het plaatselijk toevoegen van terreininrichting in de vorm van haagbegroeiing, een aanvaardbaar windklimaat kan worden bereikt. Ter plaatse van gebouwentrees dient een hinderkans van wind zo laag mogelijk te zijn. Hier wordt gedacht aan het plaatsen van schermen naast de entree of het verdiepen van de entree in de gevel, waarmee een windluwe nis kan worden gecreëerd.

Ten behoeve van de nieuwbouw in deelfase I van de ontwikkeling van NSI is ook een windonderzoek uitgevoerd (bijlage 27). In dit onderzoek zijn naast een beoordeling van deelfase I ook de toekomstige ontwikkeling van de andere fasen van de NSI meegenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van een voorbeeldverkaveling (schetsontwerp voor deelfase I en voorbeeldverkaveling voor deelfase II en III), waarbij is onderzocht in hoeverre in het plangebied windhinder is te verwachten. Hierbij zijn de voorziene ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied in aanmerking genomen. Uit het windonderzoek blijkt, kort gezegd, dat in de huidige situatie het windklimaat matig tot goed is voor doorlopen. In de te verwachten eindsituatie, waarin fase I, II en III zijn gerealiseerd, is het windklimaat relatief gunstig, ook zonder te nemen maatregelen. Voor alleen deelfase I dat deel uitmaakt van voorliggend bestemmingsplan is het windklimaat voor doorlopen in relatie tot toekomstige bebouwing in het gebied op de meeste plaatsen gunstig te noemen en zal ter hoogte van de entrees van de gebouwen sprake zijn van een acceptabel windklimaat.

Voor nu is in het gebied een minimaal matig voor slenteren, tot op de meeste plaatsen goed windklimaat te behalen voor doorlopen, dat met verdere maatregelen in de vorm van terreininrichting in de toekomst verder kan worden geoptimaliseerd. Ter hoogte van de entrees van het gebouwen in deelfase I zal een goed windklimaat heersen.

Conclusie is dat voor beide kavels die deel uitmaken van dit bestemmingsplan een aanvaardbaar windklimaat kan worden bereikt en het aspect windhinder de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

Er is gekozen in de planregels een regeling op te nemen die erin voorziet dat burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen aan bouwplannen met een bouwhoogte van 30 meter of meer met betrekking tot de plaatsing en vormgeving van bouwwerken ter voorkoming of beperking van windhinder. In dat kader kunnen burgemeester en wethouders tevens van een initiatiefnemer van een bouwplan verlangen een windtunnelonderzoek aan hen te overleggen. Hiermee wordt geborgd dat bij de verdere uitwerking windhinder een aandachtspunt is en blijft dat nadrukkelijk wordt betrokken. Voor zover nodig, wordt op deze wijze tevens voorzien in de juridische middelen om eventuele noodzakelijke maatregelen af te dwingen.

13.3 Luchthavenindelingbesluit Schiphol     

13.3.1 Regelgeving     

Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib) is gebaseerd op paragraaf 8.2.1 van de Wet luchtvaart (Wl). Met het Lib wordt met kaartmateriaal een zogenaamd beperkingengebied vastgesteld. Het Lib bevat voor dat beperkingengebied regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van het gebruik van gronden en de (hoogte van) bebouwing, voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidsbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven.

De genoemde beperkingen betreffen:

  • de bebouwing en het gebruik van gronden in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer;
  • de bebouwing en het gebruik van gronden in verband met de geluidsbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer;
  • de maximale bouwhoogte van objecten in, op of boven de grond in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer (veiligheid en radar);
  • bebouwing die, of een gebruik dat vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer.

Bij de eerste twee van de bovengenoemde typen beperkingen zijn in ieder geval gronden aangewezen die niet gebruikt dan wel bebouwd mogen worden ten behoeve van woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen. Deze typen beperkingen komen niet voor in het Zuidasgebied.

In artikel 8.8, eerste lid, van de Wl is bepaald dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan het Lib in acht moet worden genomen. Met een bestemmingsplan kan van (de toetshoogten van) het Lib worden afgeweken indien van de minister van Infrastructuur en Milieu de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft; de zogenoemde verklaring van geen bezwaar (VVGB). Indien (de bouwhoogten van) het bestemmingsplan is strijd zijn met de maatgevende toetshoogte in verband met de radar, is het vaststellen van het bestemmingsplan mogelijk indien uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer.

13.3.2 Uitwerking in bestemmingsplan     

Het voorliggende plan valt binnen het beperkingengebied voor hoogte zoals opgenomen in bijlage 4 (maatgevende toetshoogte) en 4a (maatgevende toetshoogte radar) bij het Lib.

verplicht

Hoogbouwkader Zuidas

Op 5 november 2014 heeft de Gemeenteraad het Hoogbouwkader Zuidas vastgesteld. In het Lib is bepaald dat indien een object hoger is dan de maximale waarde (maatgevende toetshoogte), dit object is toegestaan indien het is opgenomen in het Hoogbouwkader Zuidas. Dit geldt eveneens voor de maatgevende toetshoogte radar, onder voorwaarde dat zeker is gesteld dat de radar bij Soesterberg operationeel wordt voor de civiele luchtvaart, aan welke voorwaarde inmiddels is voldaan.

verplicht

Uitsnede Hoogbouwkader Zuidas (Vivaldi)

Maatgevende toetshoogte

Op grond van artikel 2.2.2, eerste lid, van het Lib zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4 bij het Lib geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de op de kaarten aangegeven maximale waarden. In afwijking van de aangegeven waarden kan, op grond van artikel 2.2.2, vierde lid van het Lib, een object dat hoger is worden toegestaan voor zover dit in overeenstemming is met een verklaring van geen bezwaar (VVGB) als bedoeld in artikel 8.9 van de Wl.

In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.

verplicht Figuur 15: Uitsnede hoogtebeperkingen 'Maatgevende kaart toetshoogte', bijlage 4 bij het Lib.

De maximaal toelaatbare bouwhoogtes op basis van de maatgevende toetshoogte lopen op van circa 65 meter + N.A.P. ten westen van het plangebied tot ongeveer 88 meter + N.A.P. aan de oostgrens van het plangebied.

Ter plaatse van het plangebied (NSI eerste fase) wordt een maximum bouwhoogte voorzien van ca. 86 meter + N.A.P. Dit is inclusief ondergeschikte bouwdelen als technische ruimten en technische installaties. De maximale bouwhoogte is in zijn geheel niet voorzien binnen de maximale bouwhoogtes van het Hoogbouwkader Zuidas en steekt daarmee per definitie door de maximaal toelaatbare maatgevende toetshoogte van het Lib. Voor de bouwhoogte die hier is voorzien is een verklaring van geen bezwaar op grond van artikel 8.9 Wet Luchtvaart aangevraagd.

Op 12 december 2019 is een vvgb verkregen zodat het Lib geen belemmering vormt voor vaststelling en uitvoering van het bestemmingsplan.

Maatgevende toetshoogte radar

Op grond van artikel 2.2.2a, eerste lid, van het Lib zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4a bij het Lib objecten toegestaan die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarden, mits uit een positief advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer.

In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.

verplicht Figuur 16: Uitsnede hoogtebeperkingen 'Maatgevende toetshoogte radar', bijlage 4a bij het Lib.

De maximaal toelaatbare bouwhoogtes op basis van de maatgevende toetshoogte in verband met de radar is 50 meter + N.A.P. voor het plangebied.

Ter plaatse van een deel van het plangebied (NSI eerste fase) wordt een maximum bouwhoogte voorzien van ca. 86 meter + N.A.P. Dit is inclusief ondergeschikte bouwdelen als technische ruimten en technische installaties. De maximale bouwhoogte steekt daarmee door de maximaal toelaatbare maatgevende hoogte radar van het Lib.

Aangezien het bouwplan de maximale hoogte van het Hoogbouwkader Zuidas overschrijdt, omdat hierin geen bouwhoogte is opgenomen voor deze locatie, is een positief advies noodzakelijk.

Op 12 december 2019 is een vvgb verkregen zodat het Lib geen belemmering vormt voor vaststelling en uitvoering van het bestemmingsplan (bijlage 28) .

De bouwhoogte van kavel 13 vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. De bouwhoogte van deze kavel was reeds opgenomen in het huidige bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi', waarin is ingegaan op de hoogbouwgerelateerde aspecten voor deze kavel. Een nadere onderbouwing wordt op dit punt dan ook achterwege gelaten.

13.4 Telecommunicatietoren     

In bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' is de telecommunicatietoren nader beschouwd. Ook in het kader van de opstelling van dit bestemmingsplan is gekeken naar de mogelijke gevolgen van de telecommunicatietoren. De aanwezigheid van de telecommunicatietoren in Vivaldi zal voor het plangebied van voorliggend bestemmingsplan, boven een bepaalde bouwhoogte, mogelijk zorgen voor een verhoogde veldsterkte op de gevel van de nieuwbouw die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Een te hoge veldsterkte binnen gebouwen kan zorgen voor storingen van elektronische apparatuur.

Omdat iedere gevel van nature een zekere demping van de veldsterkte veroorzaakt (zeker als hier in de ontwerpfase rekening mee wordt gehouden) is bouwen in de zone met een veldsterkte waarin storingen in het gebouw worden veroorzaakt niet onmogelijk. Voor de ontwikkelingen die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt kan worden opgemerkt dat ten behoeve van een goed woon- en werkklimaat maatregelen in de gevel van het te bouwen gebouw moeten worden gerealiseerd. Zo wordt zorggedragen dat ook in het gebouw een juist klimaat kan worden bewerkstelligd waardoor gebruikers prettig en veilig van het gebouw gebruik kunnen maken. Bouwkundige maatregelen in het gebouw kunnen de storing terugbrengen om elektrische apparatuur in het gebouw voldoende te laten werken en kunnen bij de omgevingsvergunning voor bouwen worden afgestemd.

De aanwezigheid van de telecommunicatietoren staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

Hoofdstuk 14 Cultuurhistorie en archeologie     

14.1 Algemeen     

Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een archeologische waarde hebben. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving, waarvan het behoud of de ontsluiting op maat gesneden maatregelen vergt. Het archeologisch bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van Amsterdam en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar.

Vanwege het ruimtelijke karakter van het bodemarchief vertoont het archeologisch beleid raakvlakken met dat van de ruimtelijke ordening. Een essentieel uitgangspunt van de wetgeving (Erfgoedwet) is dat het erfgoed in de bodem wordt beschermd. Dit betekent onder andere dat bij ruimtelijke planontwikkeling vroegtijdig rekening wordt gehouden met archeologisch erfgoed. Als behoud in de bodem geen optie is, dan is, voorafgaand aan de bodemverstoring, onderzoek nodig om archeologische overblijfselen te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. In de dicht bebouwde stedelijke omgeving is in de praktijk doorgaans sprake van deze laatste optie.

14.2 Regelgeving     

14.2.1 Erfgoedwet     

Voor een optimale integratie van archeologie in de ruimtelijke ordening heeft het rijk onder andere de Monumentenwet 1988 en de Wet ruimtelijke ordening aangepast, en de Erfgoedwet geïntroduceerd. De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 in werking getreden. De Monumentenwet is per 1 juli 2016 vervallen, maar het deel dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving blijft via het overgangsrecht in de Erfgoedwet van toepassing tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Op grond van de Erfgoedwet dient de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Dat betekent dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet alleen rekening moet worden gehouden met bekende monumenten, maar ook met de omstandigheid dat op bepaalde terreinen nog archeologische resten in de bodem kunnen worden aangetroffen. Om hierop te kunnen anticiperen is het nodig de archeologische verwachting van een gebied in kaart te brengen door middel van een archeologisch bureauonderzoek.

Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in kaart te brengen, kunnen bij bouwprojecten toevalvondsten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 5.10 van de Erfgoedwet). Deze plicht houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek uit te voeren, bij vondsten Bureau Monumentenzorg en Archeologie (BMA) per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever.

Bij de vaststelling van bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen dienen gemeenten bovendien op grond van de Wet ruimtelijke ordening de Provinciale Ruimtelijke Verordening in acht te nemen.

14.2.2 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie     

Op 10 april 2018 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, die wordt gebruikt als leidraad voor ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen, gewijzigd vastgesteld. In de leidraad is een aantal onderwerpen opgenomen die voortvloeien uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (oud) die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Holland. De Leidraad is niet bedoeld als een document met normstellende voorschriften.

Met de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen en tegelijkertijd verantwoord omgaan met het verleden. De Noord-Hollandse landschappen moeten optimaal worden gebruikt door het benutten van hun kenmerkende kwaliteiten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Nieuwe ruimtelijke plannen dienen rekening te houden met de ontwikkelingsgeschiedenis, de bebouwingskarakteristiek en de inpassing in de wijdere omgeving. Het basisuitgangspunt is daarmee 'behoud door ontwikkeling'. De leidraad is hiervoor het meetpunt en geeft richting aan het ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit. In de leidraad staat aangegeven welke kernkwaliteiten van landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zijn. Het grootstedelijk gebied Zuidas is in de leidraad niet aangewezen als aardkundig monument, aardkundig waardevol gebied dan wel archeologisch gebied van provinciaal belang.

verplicht verplicht

links: aardkundige monumenten en waardevolle gebieden, rechts: archeologische gebieden van provinciaal belang. Bron: Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

De informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie is een geografische uitwerking van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. De kaart geeft informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten, archeologische verwachtingen en structuurdragers als molens, militaire structuren en historische dijken. Ten aanzien van de archeologische waarden is de informatiekaart een herziening van de voorheen geldende Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).

14.2.3 Gemeentelijke Erfgoedverordening     

De Amsterdamse Erfgoedverordening is op 16 december 2015 vastgesteld en schrijft voor dat in de toelichting behorende bij een bestemmingsplan ten minste de (bovengrondse) cultuurhistorische waarden en (ondergrondse) archeologische waarden in het plangebied worden beschreven en dat wordt beschreven op welke wijze in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige waarden.

Het in beeld brengen van de aanwezige cultuurhistorische of archeologische waarden gebeurt middels een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen het plangebied en een advies met betrekking tot de aanpak en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van de aanpak staat een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal.

Op basis van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen. Een dergelijke regeling houdt in dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of andere werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd, een rapport dient te overleggen. In dat archeologisch rapport moet de archeologische waarde van het terrein waar de aanvraag op ziet in voldoende mate zijn vastgesteld. Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld.

De bouwregels en de omgevingsvergunning bevatten voor aanlegwerkzaamheden daarnaast uitzonderingen die duidelijk maken in welke gevallen archeologisch onderzoek niet nodig is. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan de 19de- of 20ste-eeuwse ophogingen. In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Voor het plangebied van dit bestemmingsplan geldt beleidsvariant 11.

14.3 Resultaten onderzoeken     

14.3.1 Archeologische waarden     

Door Bureau Monumentenzorg & Archeologie van Amsterdam is in 2014 ten behoeve van het bestemmingsplan ' Zuidas-Vivaldi ' archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Archeologisch bureauonderzoek Plangebied Vivaldi, met kenmerk BO 14-112, datum november 2014, zie bijlage 29). Het onderzoek had betrekking op het gehele gebied van Vivaldi, waaronder het in voorliggend bestemmingsplan opgenomen plangebied en geeft een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen.

Voor het plangebied is op grond van historisch-topografische onderzoek gebleken dat de archeologische verwachting ter plaatse laag is wat betekent dat archeologische resten een lage trefkans hebben en/of vooral losse vondsten zullen betreffen. Gelet hierop is het plangebied vrijgesteld van archeologische maatregelen. Dit betekent dat verder archeologisch veldonderzoek niet nodig is. Gelet hierop is in het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi geen beschermende regeling in het bestemmingsplan opgenomen. Dit betekent ook dat in het kader van voorliggend bestemmingsplan vrijstelling bestaat ten aanzien van archeologische vondsten en geen nadere regels noodzakelijk zijn.

Conform de Monumentenwet geldt een meldingsplicht in geval tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden archeologische sporen en of vondsten worden aangetroffen. Dit houdt in dat de aanwezigheid van bodemvondsten ouder dan vijftig jaar bij bouwwerkzaamheden aan Bureau Monumenten en Archeologie gemeld wordt zodat in overleg met de uitvoerder maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.

14.3.2 Cultuurhistorische waarden     

Bureau Monumenten & Archeologie (BMA) heeft tevens een cultuuhistorisch advies voor het gebied Vivaldi opgesteld ten tijde van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' (bijlage 30). Het gebied dat het bestemmingsplan Vivaldi beslaat, was binnen het Algemeen Uitbreidingsplan uit 1935 bedoeld als sportterrein. Voor de oorlog was het nog in gebruik als volkstuinpark. Begin jaren zestig kreeg het zijn huidige vorm als kantorenlocatie.

Drie gebouwen die dateren van de vroegste ontwikkeling van dit terrein bleven gedurende de transformatie van het gebied intact: het door het bureau van P. Zanstra ontworpen Kantoorgebouw (Antonio Vivaidistraat 50-52,1968),het Turmac-gebouw (Antonio Vivaldistraat 2-8, H.Salomonson, 1966) en het hotel aan de De Boelelaan 2 (A. Bodon, 1968). Op de in 2013 vastgestelde ordekaarten zijn de twee laatste gebouwen gewaardeerd met een orde 2. Hiermee wordt bedoeld dat het gaat om 'een architectuureenheid met een voor de periode karakteristiek architectonische vormgeving en/of typologie, die bovendien een belangrijke bijdrage levert aan de compositie van de verkavelingseenheid en het veld. Het Turmac-gebouw is aangewezen als gemeentelijk monument.

Het cultuurhistorisch advies dat is opgesteld heeft mede betrekking op het plangebied van voorlliggend bestemmingsplan. De cultuurhistorische gebouwen in Vivaldi liggen buiten het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Gelet op het eerder uitgebrachte advies bestaan voor het plangebied geen aanbevelingen.

14.4 Conclusie     

Er bevinden zich in het plangebied geen archeologische of cultuurhistorische waarden die aan uitvoering van het plan in de weg zouden kunnen staan.

Hoofdstuk 15 Duurzaamheid     

15.1 Algemeen     

Het aspect duurzaamheid speelt de laatste jaren steeds meer een rol bij gebiedsontwikkelingen. Dit begint bij het formuleren van het kader en de ambities voor een plangebied. Een bestemmingsplan kan ten aanzien van het aspect duurzaamheid alleen datgene regelen wat een direct verband houdt met de bestemming die aan de gronden wordt toegekend. De planregels moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van de gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden.

15.2 Toetsingskader     

Provinciale Ruimtelijke Verordening

Duurzaamheid staat bij de provincie Noord-Holland hoog in het vaandel. De provincie wil zoveel mogelijk bijdragen aan de afname van de oorzaken van klimaatverandering. stedelijk gebied, op bedrijventerreinen en in de glastuinbouw zoveel mogelijk beperken en de resterende vraag met duurzame energie invullen. De toepassing van duurzame energie in de gebouwde omgeving moet worden vergroot.

Artikel 33 ("Energie en duurzaam bouwen") van de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat bestemmingsplannen voor woningbouw, renovatie (herstructurering), bedrijventerreinen en kantoorlocaties en glastuinbouw dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en aan inzet van duurzame energie, waaronder mede wordt verstaan het gebruik van restwarmte, Warmte- en Koude Opslag en aardwarmte, zonne-energie en biomassa. Nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking dient daarnaast aan eisen van duurzaam bouwen te voldoen.

De provincie betrekt duurzaamheidsaspecten bij de ontwikkeling van beleid zoals beschreven in het Milieubeleidsplan 2015-2018.

Gemeente Amsterdam

Agenda duurzaamheid

Duurzaamheid staat ook hoog op de Amsterdamse agenda. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. De inhaalslag wordt behaald door in goede samenwerking met partners uit de stad (de bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen). Niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook door de energie en doorzettingskracht die al aanwezig is in de samenleving te versterken. Op 11 maart 2015 heeft de Gemeenteraad de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad vastgesteld (Agenda Duurzaamheid). De Agenda Duurzaamheid is uitgerust met kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen langs vijf transitiepaden, met als rode draad de filosofie van de circulaire economie: innovatie, meer doen met minder, slimmer en hernieuwbaar. Bij de vertaling van deze vijf thema's in ambities en doelen is de onderlinge samenhang en de samenhang met andere beleidsdoelen betrokken. In de Agenda Duurzaamheid is beschreven hoe met een integrale aanpak de doelen worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door in te gaan op de financiering van de transitie naar een duurzaam Amsterdam en door het monitoren van het proces voor te stellen. De agenda besluit met een uitvoeringsprogramma samengevat op doelen, richting en maatregelen.

Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal

De Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal is een ambitiedocument met een lange termijn visie op de Amsterdamse energietransitie en acties voor de korte termijn. In de Routekaart worden de belangrijkste ingrediënten beschreven van de strategie om samen de overgang van fossiele naar duurzame energie in beweging te zetten en te houden. De Routekaart is op 3 maart 2020 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld.

Vergelijkbaar met de landelijke systematiek wordt gewerkt langs vier transitiepaden naar een klimaatneutrale stad: de gebouwde omgeving, mobiliteit, elektriciteit en haven & industrie. Binnen deze transitiepaden wordt in 16 pijlers beschreven wat we gaan doen om tot CO2-reductie te komen.

15.3 Duurzaamheid in Zuidas     

15.3.1 Duurzaamheid Zuidas     

In de Visie Zuidas zijn de ambities op het gebied van Duurzaamheid, Groen en Water vastgelegd. Deze zijn opgehangen aan een aantal aandachtsgebieden, waarbij voor elk aandachtsgebied doelstellingen zijn geformuleerd. De aandachtsgebieden zijn:

  1. Energie;
  2. Mobiliteit;
  3. Circulair bouwen en afval;
  4. Groen;
  5. Water;

Een duurzame Zuidas betekent een groene, gezonde, schone en energie neutrale leefomgeving. Samen met bedrijven, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties brengen we dit in de praktijk. Dat betekent onder andere dat we werken aan duurzame energieopwekking, energiebesparing, schone lucht, een klimaatbestendige stad en een circulaire economie (Agenda Duurzaamheid 2015). Duurzaamheid is dan ook een vast onderdeel van alle plannen in Zuidas, zowel in de gebouwen als op straat. Ook de aanwezigheid van voldoende en kwalitatief groen en water in Zuidas is hierbij een belangrijke voorwaarde. Dat is niet alleen belangrijk vanwege recreatieve functies, maar water en groen hebben een dempende werking op temperaturen in de stad en kunnen effectief zijn in het (tijdelijk) bergen van regenwater. Bovendien is meer, gevarieerd en goed verbonden groen en water belangrijk voor een divers dieren- en plantenleven.

15.4 Doorwerking planvorming     

Bij het planvormingstraject van bouwplannen in Vivaldi speelt duurzaamheid een rol, bijvoorbeeld ten aanzien van energie, waterprestatie, mobiliteit, circulariteit en groene daken. Hierover worden bij de ontwikkeling afspraken gemaakt. Dit gebeurt onder andere via de bouwenvelop en voor een deel door middel van het vastleggen van duurzaamheidseisen in de planregels.

Energie

Gebouwen moeten vanaf 1 januari 2021 bijna energieneutraal (BENG) zijn en beschikken over een BREEAM Excellent[1] certificering of aantoonbaar gelijkwaardig alternatief. Een duurzame warmte- en koude voorziening is verplicht waarbij gebruik wordt gemaakt van de lokale stadswarmte en koude infrastructuur en/of van lokale bronnen (WKO). Geen gas en geen piekvoorzieningen met elektrische boilers voor de warmte voorziening.

Duurzame mobiliteit

Duurzame mobiliteitsoplossingen moeten onderdeel zijn van de nieuwbouw. Denk hierbij aan (schone) autodeelconcepten en het stimuleren van fietsgebruik.

50% van alle parkeerplaatsen voor auto's dient voorzien te zijn van een oplaadpunt voor elektrische auto's. Verder moeten alle parkeerplaatsen voorbereid zijn om een oplaadpunt te kunnen aansluiten (benodigde leidingwerk en capaciteit) in de toekomst.

Circulair bouwen en afval

De ambitie van de gemeente Amsterdam binnen duurzaamheid is circulariteit. Een circulair gebouw is een gebouw dat ontworpen, ontwikkeld, beheerd en gebruikt wordt volgens het systeem van de circulaire economie en waarbij het voorkomen van grondstofuitputting centraal staat. Het doel is zo min mogelijk nieuwe grondstoffen te gebruiken en, daar waar producten, grondstoffen en/of systemen worden ingezet, deze zo lang mogelijk hoogwaardig in de keten te houden. Het gaat hierbij nadrukkelijk om de hele levenscyclus van een gebouw, tot het einde van de functionele levensduur. Binnen circulariteit kunnen twee aspecten worden onderscheiden: de toegepaste materialen en het ontwerp van het gebouw. Materialen moeten zoveel mogelijk hergebruikt kunnen worden en toegepaste materialen dienen een zo laag mogelijke milieu-impact te hebben. De mate van circulair materiaalgebruik kan bijvoorbeeld blijken uit een materialenpaspoort en het percentage herbruikbaar materiaal. Bij het gebruik van hout dient dit voorzien te zijn van een FSC-keurmerk of ander vergelijkbaar certificaat.Het slim ontwerpen van gebouwen is belangrijk om gebouwen een lange levensduur te kunnen geven en circulariteit in de gebruiksfase vorm te geven. Het gaat hierbij om een modulaire en flexibele aanpak, waardoor gebouwen kunnen worden aangepast op nieuwe gebruikers en andere toepassingen.

- Afvalinzameling vindt voor functies als kantoren en voorzieningen voor alle typen afval inpandig plaats.

Groen

- Het is verplicht om op enige wijze op het kavel of het gebouw intensief en hoogwaardig groen toe te passen. In alle gevallen gaat het om het realiseren van intensief en hoogwaardig groen. Dit betekent dat het groen aantrekkelijk moet zijn, moet bijdragen aan de biodiversiteit en bruikbaar en toegankelijk moet zijn.

- Er  moet een groenplan aangeleverd worden waarin (in ieder geval) is uitgewerkt op welke wijze, met welk doel en met welke beplanting groen wordt gerealiseerd op de kavel. Dit kan in de vorm van binnenterreinen, gevels en daken. Niet alleen de flora is van belang maar ook de fauna. De ontwikkelende partij ligt in hun plan toe hoe zij omgaan met natuurinclusief bouwen.

Daken

Er is sprake van een efficiënt en doelmatig gebruik van de daken voor ten minste één van de volgende bijvoorbeeld zonnepanelen, groen of wateropvang. Waarbij rekening moet worden gehouden met:

  • Op daken moet minimaal 50% van het dakoppervlak een  intensieve hoogwaardige dakbegroeiing krijgen;
  • Een intensieve, hoogwaardige dakbegroeiing bestaat uit een grote variatie van beplanting, uiteenlopend van vaste planten tot houtige gewassen, die gedurende alle jaargetijden een fraai beeld geeft. 
  • De groene daken zijn toegankelijk en worden ingericht als dakterras- en tuin.
  • Technische voorzieningen op het dak vormen een integraal onderdeel van het daklandschap en sluiten in verschijningsvorm aan bij de architectuur van het gebouw (aan het zicht onttrokken).

Waterprestatie

Bij het ontwerpen van gebouwen moet het vasthouden en vertragen van hemelwater worden meegenomen. Onderstaande eisen gelden hiervoor:

  • De minimale waterberging op het kavel is de totale kaveloppervlakte x 60 mm per 24 uur
  • Een afvoercapaciteit van maximaal 0,9 mm/uur (21,6 mm/dag)
  • Watergebruik moet worden beperkt. Waterbesparende maatregelen, zoals hergebruik van douchewater voor toiletspoeling of schoonmaak of de opvang van regenwater moeten worden toegepast.

Hoofdstuk 16 Juridische planbeschrijving     

16.1 Algemeen     

Waar de overige paragrafen van deze bestemmingsplantoelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de bestemmingsplanregels. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht.

Het (juridisch deel van het) bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding heeft een functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken.

De toelichting heeft geen bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemming en overige regels. In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven. Op basis van het beleid en de gebiedsbeschrijving zijn vervolgens de uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.

16.2 Planvorm     

Er wordt beoogd met dit bestemmingsplan een regeling voor de ontwikkeling van het gebied vast te leggen en voorziet in een eindbestemming voor beide kavels die deel uitmaken van het bestemmingsplan. De essentiële voorwaarden voor een goede ruimtelijke ordening zijn vastgelegd, maar het plan is waar mogelijk flexibel.

16.3 Milieuhinderlijke functies: Staat van Inrichtingen     

Onderdeel van dit bestemmingsplan is de regeling van milieuhinderlijke activiteiten, die onderdeel uitmaakt van de algemene gebruiksregels. De regeling wordt veelal aangeduid als 'bedrijvenregeling', hoewel ook de milieuhinder van andere functies dan bedrijven hiermee wordt geregeld. Om inzicht te krijgen in de invloed die een functie op de woonomgeving heeft, is per functie de potentiële milieubelasting bepaald. Deze potentiële milieubelasting is een indicatie voor de mogelijke hinder afkomstig van een bepaalde functie. Deze score betreft niet de feitelijke milieuhinder van een concreet geval, maar is gebaseerd op indicatieve gegevens uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf of andere functie, representatief voor die specifieke functie. De werkelijke milieubelasting wordt bepaald door de specifieke activiteiten van een bedrijf of andere functie.

Functies worden in alle hedendaagse bestemmingsplannen ingedeeld in hoofdcategorieën (en een aantal subcategorieën) oplopend naarmate de milieuhinder toeneemt. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft aan de hand van de SBI-codes (standaard bedrijfsindeling) een lijst gemaakt waarin de minimumafstanden zijn aangegeven met betrekking tot de milieuhinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. De afstanden zijn onder andere vastgesteld aan de hand van ervaringen uit de praktijk.

Daar waar milieuhinderlijke en milieugevoelige functies zijn gemengd, zijn afstandsnormen echter niet goed bruikbaar. In een gemengd gebied is een fysieke scheiding van functies immers niet aan de orde. Op voorwaarde dat alleen functies met relatief weinig milieuhinder worden toegestaan (zoals het geval is in het onderhavige plangebied) kan in een gemengd gebied een fysieke scheiding achterwege blijven. Daarbij moet worden opgemerkt dat de afstandsnormen in de standaard VNG-methodiek zijn gerelateerd aan een 'rustige woonwijk'. Dit omgevingstype houdt in dat er vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voorkomen en is dan ook vergelijkbaar met een 'rustig buitengebied', een stiltegebied of een natuurgebied.

De VNG-lijst is ook het uitgangspunt voor de lijst die in dit bestemmingsplan is gekoppeld aan alle bestemmingen waarbinnen mogelijk milieuhinderlijke functies zijn toegestaan. Deze 'Staat van Inrichtingen' maakt als bijlage deel uit van de regels van dit bestemmingsplan. Binnen de betreffende bestemmingen zijn, verwijzend naar de Staat van Inrichtingen, functies toegestaan tot maximaal milieuhindercategorie 2.

Naast toetsing aan de bestemmingsregels (met name de bestemmingsomschrijving: past de functie daarbinnen?) zal de toetsing van hinder van een zich in het bestemmingsplangebied nieuw te vestigen functie in eerste instantie door middel van een indicatieve toets aan de Staat van Inrichtingen plaatsvinden. Daarbij is de toetsing uit te breiden naar actuele hinder, met name indien sprake is van een van elders verplaatste functie. Bezien kan dan worden of aanvullende eisen moeten worden gesteld en eventueel de afwijkingsregels kunnen worden toegepast op grond waarvan een functie voor wat betreft de milieuhindercategorie lager kan worden ingeschaald dan indicatief aangegeven.

16.4 Artikelgewijze toelichting     

Algemeen

De verbeelding is de kaart waarop door middel van letters, cijfers, lijnen en aanduidingen het toegestane gebruik van de gronden en de mogelijke bouwhoogtes cq. volumes staan aangegeven. De verbeelding heeft, in samenhang met de regels, een bindend karakter.

Als ondergrond voor de verbeelding is een recente topografische kaart gehanteerd. Daarmee kan exact worden bepaald waar het plan is gelegen en hoe begrenzingen lopen. Om de goede leesbaarheid van de analoge verbeelding te waarborgen is gekozen voor een schaal van 1:1000. De verbeeldingen zijn voorts voorzien van een legenda en een noordpijl. Het plangebied van het bestemmingsplan is aan de hand van een plangrens (bolletjeslijn) op de verbeelding weergegeven.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1: inleidende regels; met daarin definities en de wijze van meten en berekenen.
  • Hoofdstuk 2: bestemmingsregels; die het hart van ieder bestemmingsplan vormen. Ze zijn opgebouwd uit een bestemmingsomschrijving, waarin een omschrijving wordt gegeven van de aan de grond toegekende functies. De hoofdfuncties worden als eerste genoemd. Verder kunnen in de bestemmingsomschrijving ook impliciet bij de bestemming behorende functies worden genoemd ("met de daarbij behorende"), bijvoorbeeld erf, paden, toegangswegen etc. Per bestemming worden bouwregels gegeven, waarin voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bouwbepalingen worden geregeld. Waar nodig worden specifieke gebruiksregels gegeven. Daarin kunnen aanvullingen of afwijkingen van de algemene gebruiksregels worden gegeven.
  • Hoofdstuk 3: algemene regels; deze hebben betrekking op, in beginsel, alle voorafgaande regels. Hierbij gaat het onder meer om de anti-dubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels, algemene bouwregels en algemene afwijkingsbevoegdheid.
  • Hoofdstuk 4: overgang- en slotregels.

De regels in hoofdstuk 1 en de algemene regels in hoofdstuk 3 gelden voor het bestemmingsplan als geheel. Zij werken door in de diverse bestemmingen.

Hieronder volgt per opgenomen artikel een toelichting. Daar waar het betreffende artikel vanwege de erin opgenomen regeling dit vraagt zal uitgebreid worden ingegaan op die regeling. Voor de overige artikelen wordt volstaan met een meer beperkte uitleg.

Artikel 1 Begrippen

Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen dat in de regels wordt gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. De gehanteerde omschrijving van de begrippen komt overeen met de wijze waarop deze in andere actuele Amsterdamse (grootstedelijke) bestemmingsplannen wordt omschreven.

Artikel 2 Wijze van meten

Met dit artikel wordt aangegeven op welke wijze moet worden beoordeeld in hoeverre een initiatief past binnen de minima en maxima die in de overige regels worden aangegeven.

Artikel 3 Kantoor-1

Binnen de bestemming zijn de gronden hoofdzakelijk bedoeld voor de functie kantoor met in de plint verschillende voorzieningen.

Bebouwingsregels

Er dient binnen het bouwvlak gebouwd te worden, waarbij de maximale bouwhoogtes gelden zoals opgenomen op de verbeelding bij voorliggend bestemmingsplan. Wanneer nieuwbouw wordt gerealiseerd, dient een ondergrondse parkeervoorziening deel uit te maken van deze nieuwbouw, waarbinnen in beginsel capaciteit aanwezig is voor 104 autoparkeerplaatsen ten behoeve van de gebruikers van de daarnaast gelegen kavel van EMA (kavel 12).

Ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding-1 mag geen bebouwing worden opgericht tot een bouwhoogte van 7,3 meter vanaf maaiveld, met uitzondering van constructies ter ondersteuning, zoals pilaren en kolommen. Een overkraging (onderdoorgang) van de straat die aan de noordzijde (A10-zijde) dient te komen, wordt hiermee mogelijk gemaakt.

Uitsluitend ondergrondse parkeervoorzieningen zijn toegestaan binnen het bestemmingsvlak. Hiermee hoeft ondergronds niet binnen het bouwvlak te worden gebleven, maar mag de parkeergarage ondergronds ook uitkragen buiten het bouwvlak. Op de bovenste laag van de parkeergarage tot aan maaiveld dient een pakket aan gronddekking van minimaal 1 meter te worden aangebracht om de mogelijkheid te behouden bovengronds bomen aan te planten.

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt een maximale bouwhoogte van 3 meter, gemeten vanaf maaiveld.

Voorliggend bestemmingsplan heeft het karakter van een bestemmingsplan verbrede reikwijdte waarin ook de mogelijkheid bestaat duurzaamheidsregels op te nemen ten behoeve van een gezonde, fysieke leefomgeving. Binnen de bouwregels zijn regels opgenomen die zien op duurzaamheid. De regels zien onder andere op het toepassen van zonnepanelen, gebruik van een energie-infrastructuur anders dan gas, groen op daken en inpandige afvalinzameling.

Gebouwde parkeervoorzieningen zijn uitsluitend ondergronds toegestaan. Bovendien mag niet rechtstreeks op de Domenico Scarlattilaan en aan de westzijde van het bestemmingsvlak worden ontsloten voor autoverkeer.

Fietsparkeervoorzieningen dienen inpandig te worden gerealiseerd en zijn zowel ondergronds als bovengronds toegestaan. Bovengrondse fietsparkeervoorzieningen zijn niet toegestaan aan de zijde van de Domenico Scarlattilaan, maar dienen aan het zicht onttrokken te zijn. De ontsluiting voor fietsen wordt bij voorkeur aan de westzijde gerealiseerd.

Specifieke gebruiksregels 

Binnen de bestemming zijn geluidgevoelige bestemmingen en gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit niet toegestaan.

Er zijn maxima gesteld aan het te realiseren kantoorprogramma en de voorzieningen. Per functie is een maximum opgenomen.

Er geldt een totaalmaximum aan programma van 30.000 m2 bvo. Voor voorzieningen is een minimum en maximum aan programma opgenomen. Voorzieningen zijn, met uitzondering van horeca II in de bovenste bouwlaag van het gebouw, alleen toegestaan in de eerste bouwlaag. Voor een aantal functies is het metrage beperkt.

De 104 parkeerplaatsen die op de gronden met de bestemming Kantoor-1 worden gerealiseerd zijn exclusief bestemd voor de gebruikers van de gronden met de bestemming Gemengd in uitwerkingsplan 'Zuidas-Vivaldi eerste uitwerking'.

Artikel 4 Kantoor - 2

Binnen de bestemming zijn de gronden hoofdzakelijk bedoeld voor de functie kantoor met in de onderste bouwlagen de mogelijkheid verschillende voorzieningen te realiseren.

Bebouwingsregels

Er dient binnen het bouwvlak gebouwd te worden, waarbij de maximale bouwhoogtes gelden zoals opgenomen op de verbeelding bij voorliggend bestemmingsplan.

Ter plaatse van de specifieke bouwaanduidingen loopt het gebouw terug zoals op onderstaande afbeelding is weeergegeven. Vanaf maximaal 21 meter bouwhoogte loopt het gebouw aan de onderzijde terug en aan de bovenzijde gebeurt dat vanaf minimaal 60 meter bouwhoogte met de maatvoering zoals in de regels is opgenomen aan de verschillende zijden van het gebouw.

verplicht

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt een maximale bouwhoogte van 3 meter, gemeten vanaf maaiveld.

Voorliggend bestemmingsplan heeft het karakter van een bestemmingsplan verbrede reikwijdte waarin ook de mogelijkheid bestaat duurzaamheidsregels op te nemen ten behoeve van een gezonde, fysieke leefomgeving. Binnen de bouwregels zijn regels opgenomen die zien op duurzaamheid. De regels zien onder andere op het toepassen van groen en zonnepanelen op daken en inpandige afvalinzameling.

Fiets en scooterparkeervoorzieningen voor deze gronden zullen worden gerealiseerd op de gronden met de bestemming Kantoor - 3.

Specifieke gebruiksregels 

Binnen de bestemming zijn geluidgevoelige bestemmingen en gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit niet toegestaan.

Er zijn maxima gesteld aan het te realiseren kantoorprogramma en de voorzieningen.

Er geldt binnen de bestemming een totaalmaximum aan programma van 22.000 m2 bvo. Voor voorzieningen is een minimum en maximum programma opgenomen en deze zijn, met uitzondering van horeca III en IV alleen toegestaan in de eerste vier bouwlagen van het gebouw. Voor een aantal functies is het metrage qua vloeroppervlak beperkt.

Er zijn maxima gesteld aan het te realiseren kantoorprogramma en de voorzieningen. Per functie is een maximum opgenomen.

Door de toevoeging van 22.000 m2 bvo aan programma als genoemd in 4.4, onder c en het programma van 700 m2 bvo in 5.3, onder c van voorliggend bestemmingsplan, zal het aantal parkeerplaatsen niet toenemen of worden uitgebreid. Door de bouw van de eerste fase zullen wel ca. 100 parkeerplaatsen komen te vervallen. Het maximum aantal parkeerplaatsen in relatie tot het aanwezige en nieuw mogelijk te maken programma blijft echter behouden. Het het aantal parkeerplaasten is wel in overeenstemming gebracht met de bestaande situatie (maximaal 238 parkeerplaatsen). Hier wordt verwezen naar de toelichting onder Artikel 6 Verkeer en Artikel 12 Overige regels.

Artikel 5 Kantoor - 3

Ter plaatse van de gronden met deze bestemming is een scooter- en fietsparkeervoorziening beoogd met de mogelijkheid ook een functioneel programma te realiseren. Met een specifieke bouwaanduiding is het mogelijk het gebouw te verbinden met de bestaande bebouwing. De gronden zijn ten oosten van de gronden met de bestemming Kantoor - 2 gelegen. De voorziening is bedoeld om in de fietsparkeerbehoefte van het kantoorgebouw binnen de bestemming Kantoor - 2 te voorzien.

Artikel 6 Verkeer

Met de bestemming Verkeer worden de regels van de bestemming Verkeer-2 van bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi van 22 juni 2016 en de regels van de bestemming Verkeer-2 van bestemmingsplan Zuidas-Ravel van 13 juli 2016 vervangen, voor zover betrekking hebbend op de gronden zoals aangegeven op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan. Reden hiervoor is het opnemen van de bestaande ondergrondse parkeergarage die onder de verkeersbestemming (openbare ruimte) uitkraagt en niet planologisch was vastgelegd. Om het bestaande recht op de ondergrondse parkeergarage planologisch te verankeren is een functieaanduiding toegevoegd aan de verkeersbestemming, die regelt dat ter plaatse een ondergrondse parkeergarage is toegestaan van maximaal twee bouwlagen. De regels die betrekking hebben op de verkeersbestemming blijven voor het overige inhoudelijk ongewijzigd.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling vormt evenals de overgangsbepaling een van de 'standaardregels' die het Bro als verplicht op te nemen bepaling in een bestemmingsplan voorschrijft en komt dus geheel overeen met de tekst uit het Bro. Het moet verhinderen dat bouwpercelen die slechts voor een bepaald deel mogen worden bebouwd, later alsnog kunnen worden volgebouwd. Nadat een eerste bouwwerk is gerealiseerd, moet deze bepaling voorkomen dat het overgebleven open terrein opnieuw als het totale bouwperceel kan worden beschouwd.

Artikel 8 Algemene bouwregels

Dit artikel maakt bepaalde, kleine overschrijdingen van bestemmingsvlakgrenzen en bebouwingsregels mogelijk zonder een afwijkingsprocedure. In het verleden waren voor zulke geringe overschrijdingen wel (toen nog ontheffings)procedures nodig. Maar in de praktijk bleken de in dit artikel opgesomde overschrijdingen altijd een ontheffing te krijgen. Daarom zijn ze in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt 'bij wijze van recht'. Dat komt de helderheid vooraf ten goede en kan de proceduredruk verminderen.

Overigens zijn hierbij overschrijdingsmogelijkheden voor wat betreft de bouwhoogte buiten de regeling gelaten. Dit vanwege de maximale bouwhoogte die het Luchthavenindelingbesluit toestaat. Aangezien die reeds in de bouwregeling van de bestemming Kantoor volledig wordt benut, kan daarvoor niet in extra mogelijkheden worden voorzien.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

In dit artikel is een aantal algemeen geldende regels opgenomen.

Allereerst is in dit artikel in aanvulling op het algemene gebruiksverbod in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een aantal specifieke activiteiten uitgezonderd.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

Met dit voorschrift kan het College van burgemeester en wethouders omgevingsvergunningen verlenen om af te wijken van de bouw- en/of gebruiksregels voor onderdelen van bestemmingsbepalingen, mocht dat in die bepalingen zelf niet geregeld zijn. Een besluit om af te wijken vereist altijd een nader afwegingsmoment. Een afwijkingsbesluit kan echter nooit zover gaan dat de bestemming wordt veranderd.

Artikel 11 Algemene procedureregels

Bij de toepassing van nadere eisen, zoals bedoeld in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening (Wro), dient aan belanghebbenden de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen te worden geboden. Hiertoe wordt in dit artikel een procedure voorgeschreven.

Artikel 12 Overige regels

12.1 Parkeren (artikel 2)

Met deze regels worden de regels van artikel 2.1 , onder b en d van Zuidas-Vivaldi partiële herziening gewijzigd. Het gaat om een wijziging van artikel 2.1 en hiermee het opnieuw vastleggen van het maximum aantal ondergrondse parkeerplaatsen op 238 in relatie tot de aanwezige bebouwing en nieuwbouw die met voorliggend plan mogelijk wordt gemaakt. Het plangebied op de verbeelding geeft aan voor welke gronden het maximum aantal parkeerplaatsen geldt. Voor het overige blijven de regels uit Zuidas-Vivaldi partiële herziening, voor zover niet gewijzigd of vervangen door de regels uit voorliggend bestemmingsplan, ongewijzigd in stand.

Het maximum aantal parkeerplaatsen van 238 geldt in relatie tot de bestaande bebouwing en het programma zoals opgenomen in de bestemming Kantoor - 2 en Kantoor - 3.

Overgangsrecht

In dit artikel zijn overgangsregels opgenomen, die evenals de anti-dubbeltelregel behoren tot de standaardregels uit het Bro.

Slotregel

De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

Hoofdstuk 17 Economische uitvoerbaarheid     

Ruimtelijke ontwikkelingen gaan in de regel gepaard met gemeentelijke investeringen in gemeenschappelijk te gebruiken voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, waarvan de gemeente de kosten kan en mag verhalen op de ontwikkelaar(s). Alhoewel reeds lange tijd gemeentelijke instrumenten bestaan voor kostenverhaal, bleken deze telkens tekort te schieten, waardoor gemeenten uiteindelijk bleven zitten met gemaakte kosten die niet meer te verhalen waren. Een nieuw instrument, de Grondexploitatiewet (Grex), dient om het risico van grondexploitatie voor gemeenten te verkleinen.

De Grex is als aparte wet tot stand gekomen, maar uiteindelijk ingepast in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is daarmee sinds 1 juli 2008 van kracht. In de Grex wordt de verdeling van kosten en opbrengsten bij de ontwikkeling van een bouwlocatie geregeld, voor het geval dat de gemeente niet de ontwikkelende partij is. In de fase van de bouwplantoetsing zal de aanvraag omgevingsvergunning ook moeten worden getoetst aan een op grond van de Grex opgesteld exploitatieplan, tenminste: als het noodzakelijk was een exploitatieplan op te stellen.

In artikel 6.12, eerste lid, van de Wro is geregeld, dat bij elk voorgenomen bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), een exploitatieplan verplicht is. Ter illustratie: dat geldt al bij de bouw van één woning. Echter, er gelden wel uitzonderingen op de noodzaak een exploitatieplan op te stellen, zoals geregeld in artikel 6.12, tweede lid, van de Wro. De belangrijkste uitzondering is dat een exploitatieplan niet noodzakelijk is, als het kostenverhaal van de grondexploitatie 'reeds anderszins is verzekerd'.

Ingevolge artikel 6.12 van de Wro besluit het bevoegd gezag of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan, omdat de gemeente Amsterdam volledig eigenaar is van de gronden waarop het bestemmingsplan van toepassing is. Het kostenverhaal, zoals bedoeld in de Wro, is verzekerd via het erfpachtstelsel. In het plangebied wordt dus voldaan aan de vereiste van 'reeds anderszins verzekerd' zijn.

Het toepassen van het erfpachtstelsel ten behoeve van kostenverhaal past goed binnen de Wro omdat die wet het uitgangspunt van het privaatrechtelijke spoor voorop stelt. Erfpacht is immers een privaatrechtelijk instrument waarbij de gemeente als eigenaar bepaalt tegen welke vergoeding haar gronden in gebruik mogen worden genomen door derden. Naar zijn aard biedt dit systeem de gemeente de mogelijkheid om kosten die de gemeente maakt ten behoeve van de grondexploitatie van gronden te verhalen op derden die gebruik maken van die gronden. Opgemerkt zij nog dat de gemeente telkens eigenaar is en blijft van die gronden.

Kostenverhaal met behulp van erfpacht past daarom binnen het wettelijk voorziene systeem voor het verhaal van de kosten van de grondexploitatie. De gemeente ontvangt immers een vergoeding voor het gebruik van de gronden. Uit deze vergoeding kunnen de kosten van de grondexploitatie worden bekostigd. Het is daarom niet noodzakelijk een exploitatieplan vast te stellen.

Met voorliggend bestemmingsplan wordt een geheel nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt op de kavel van NSI voor wat betreft de eerste fase. Ondanks dat kavel 13 wel als uitwerkingsplicht was opgenomen in bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi' wordt een nog uit te werken bestemming als een zelfstandig schadeveroorzakend besluit gezien dat separaat moet worden beoordeeld. In dit kader is bij de voorbereiding van het bestemmingsplan een planschaderisicoanalyse opgesteld voor beide ontwikkelingen (bijlage 31 en 32). Hieruit is naar voren gekomen dat planologisch nadeel niet wordt verwacht ten gevolge van de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt.

Hoofdstuk 18 Maatschappelijke uitvoerbaarheid     

18.1 Algemeen     

In het kader van het bestuurlijk overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan verzonden aan:

  • Provincie Noord-Holland;
  • Ministerie van I & W/Rijkswaterstaat Midden-Nederland;
  • Rijksvastgoedbedrijf;
  • Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, p/a Waternet;
  • Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;
  • College van burgemeester en wethouders Gemeente Amstelveen.

Daarnaast zijn de stukken in het kader van het maatschappelijk overleg tevens verzonden aan:

  • Dagelijks Bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid;
  • Brandweer Amsterdam-Amstelland;
  • Vervoerregio Amsterdam;
  • Verkeer en openbare ruimte Gemeente Amsterdam;
  • Fietsersbond Amsterdam;
  • Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied;
  • Projectorganisatie Zuidasdok;
  • Vattenfall;
  • KPN Telecom;
  • Liander.

Hieronder wordt de inhoud van de binnengekomen reacties samengevat. Tevens is daarbij aangegeven op welke wijze met de reacties in het bestemmingsplan rekening is gehouden.

Verder is met betrekking tot de planvorming op meerdere momenten de gelegenheid geboden aan tot het geven van een reactie op de planvoornemens. In paragraaf 18.3 wordt hier nader op ingegaan.

18.2 Artikel 3.1.1. Bro en maatschappelijk overleg     

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Gedeputeerde Staten onderscheidenlijk de minister kunnen bepalen dat onder bepaalde omstandigheden of in bepaalde gevallen geen overleg is vereist.

Hieronder is aangegeven welke instanties hebben gereageerd en/of een inhoudelijke reactie hebben gegeven.

Het Rijksvastgoedbedrijf heeft aangegeven dat de bebouwing van EMA niet staat ingetekend in de huidige situatie op de basiskaart. De reservering van het aantal parkeerplaatsen voor EMA dient aangepast te worden en verzocht wordt afstemming te zoeken over de ontsluiting van kavel 13.

Reactie: De aanpassing van de ondergrond die gebruikt wordt ten behoeve van het opstellen van de verbeelding zal met de volgende aanpassing aangepast worden conform de meest actuele situatie en daarin zal de bebouwing van EMA in de toekomst worden meegenomen. Naar aanleiding van de reactie is een aantal van 104 parkeerplaatsen gereserveerd op kavel 13 ten behoeve van EMA. Over de ontsluiting van kavel 13 wordt afstemming gezocht met het Rijksvastgoedbedrijf.

Met Waternet in hun rol als waterbeheerder heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden. Zie hiervoor de paragraaf 11.4.

Het advies van de Brandweer Amsterdam/Amstelland staat opgenomen in paragraaf 9.5.6.

Liander heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben op het plan.

Van de overige overlegpartners is geen reactie ontvangen.

18.3 Inspraak en consultatie     

Zoals in hoofdstuk 5 is aangegeven is er ten behoeve van de Zuidas Flanken een m.e.r.-procedure doorlopen. Op grond van artikel 7.13 van de Wet milieubeheer (zoals deze gold voor 1 juli 2010) is op 28 april 2010 kennisgegeven van de startnotitie m.e.r. ten behoeve van de Zuidas Amsterdam - Flanken. De startnotitie heeft met ingang van 29 april 2010 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eenieder is de mogelijkheid geboden zienswijzen naar voren te brengen. In de Nota van Beantwoording zienswijzen en adviezen Startnotitie MER Zuidas - Flanken is aangegeven op welke wijze de zienswijzen zijn betrokken in het Milieueffectrapport (MER), dan wel worden betrokken bij de verdere ruimtelijke planvorming. De Nota van Beantwoording maakt onderdeel uit van het Besluit Reikwijdte en detailniveau MER Zuidas Amsterdam - Flanken. Inmiddels is deze procedure afgerond.

Consultatie

De omgeving is op de hoogte gebracht van voorliggend bestemmingsplan door middel van een informatietraject. Voorafgaand aan de terinzagelegging zijn de belangrijkste stakeholders in het gebied rechtstreeks op de hoogte gebracht van het planvoornemen. Daarnaast is in diezelfde periode op de website www.zuidas.nl een artikel geplaatst over het ontwerpbestemmingsplan. Er bleek weinig animo te zijn voor het op verzoek organiseren van een digitale informatiebijeenkomst. Enkele belanghebbenden hebben verduidelijkende vragen gesteld over het beoogd programma, de effecten op de bereikbaarheid, de planning en de uitvoering van beide ontwikkelingen. E.e.a. heeft niet geleid tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan.

Op grond van artikel 1.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet van het voornemen tot het voorbereiden van onder andere een bestemmingsplan vooraf kennis worden gegeven. Die plicht geldt alleen indien bij de voorbereiding van dat bestemmingsplan geen MER wordt opgesteld. Voor Zuidas is een MER opgesteld en daarom is ervoor gekozen van het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan vooraf geen kennis te geven.

18.4 Behandeling van zienswijzen     

Deze paragraaf volgt na zienswijzen over het bestemmingsplan.

Bijlagen bij de toelichting     

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

1.1 Plan:     

het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi kavel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening met identificatienummer NL.IMRO.0363.K1904BPGST-OW01 van de Gemeente Amsterdam.

1.2 Bestemmingsplan:     

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 Aanduiding     

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 Aanduidingsgrens     

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 Aanduidingsvlak     

Een op de plankaart aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding.

1.6 Archeologisch rapport     

Rapport, zoals bedoeld in artikel 39, lid 2 Monumentenwet 1988, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

1.7 Automatenhal     

Een voor het publiek toegankelijke ruimte waar meer dan twee spelautomaten of andere mechanische toestellen in de zin van artikel 30 van de Wet op de Kansspelen, zoals die geldt op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan, zijn opgesteld.

1.8 Bebouwing     

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.9 Bebouwingspercentage     

Een in de regels of plankaart aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bestemmingsvlak of bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

1.10 Bedrijf     

Inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van industrie, ambacht, groothandel, internetverkoop, opslag en/of transport.

1.11 Bestaande bebouwing of gebruik     

Bebouwing of gebruik zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.12 Bestemmingsgrens     

De grens van een bestemmingsvlak.

1.13 Bestemmingsvlak     

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.14 Bouwen     

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.15 Bouwgrens     

De grens van een bouwvlak.

1.16 Bouwlaag     

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.

1.17 Bouwvlak     

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.18 Bouwwerk     

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.19 Brutovloeroppervlakte (bvo)     

De totale oppervlakte van de bouwlagen met inbegrip van de bouwconstructies, magazijnen, dienstruimten, bergingen etcetera.

1.20 Consumentverzorgende dienstverlening     

Persoonlijke verzorging van consumenten, waaronder kapperszaken, schoonheidsinstituten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven.

1.21 Detailhandel     

Het bedrijfsmatig ter plekke te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van zaken aan in hoofdzaak personen die deze zaken kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde een warenmarkt.

1.22 Dove gevel     

Een bouwkundige constructie waarin,

  1. geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A);
  2. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

1.23 Eerste bouwlaag     

De eerste volledige bouwlaag op of boven maaiveld.

1.24 Gebouw     

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.25 Geldwisselkantoor     

Een voor publiek toegankelijke ruimte waarin de hoofdactiviteit wordt gevormd door het gelegenheid bieden tot het wisselen van geld.

1.26 Geluidsgevoelige functie     

Bewoning of een andere geluidsgevoelige functie (of de gebouwen en terreinen die daartoe dienen) zoals bedoeld in de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.27 Gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit     

Categorieën van gevallen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen), uitsluitend voor zover deze nog niet aanwezig dan wel vergund waren op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan.

1.28 Groenvoorziening     

Ruimten in de open lucht, zoals (bos)parken, plantsoenen, groenvoorzieningen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren.

1.29 Hoofdgebouw     

Een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

1.30 Horeca I     

Fastfood (waaronder begrepen automatiek, snackbar, loketverkoop, fastfoodrestaurant en naar de aard daarmee te vergelijken bedrijven).

1.31 Horeca II     

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het bieden van vermaak en ontspanning, al dan niet met levendige muziek en al dan niet met verstrekking van dranken en kleine etenswaren, daaronder worden begrepen: dancing/discotheek, zaalverhuurbedrijven en een sociëteit, (dance)club.

1.32 Horeca III     

Café (café, bar en naar de aard daarmee te vergelijken bedrijven).

1.33 Horeca IV     

Restaurant (restaurant, koffie-, en theehuis, lunchroom, juicebar en naar de aard daarmee te vergelijken bedrijven).

1.34 Internetcafé     

Een plaats waar je tegen betaling gebruik kan maken van een computer om te internetten.

1.35 Internetverkoop     

Handel via internet waarbij geen sprake is van het ter plekke bezichtigen, ophalen en/of betalen van de gekochte waar door de kopende partij.

1.36 Kantoor     

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, daaronder tevens begrepen congres- en vergaderaccommodatie.

1.37 Kelder     

Een bijzondere bouwlaag, waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag ten hoogste 0,70 meter boven het gemiddeld aangrenzende maaiveld is gelegen.

1.38 Langzaamverkeersroute     

Verkeersverbinding, die uitsluitend bedoeld is voor fietsers en voetgangers en vergelijkbare verkeersdeelnemers.

1.39 Maaiveld     

De hoogte van het afgewerkte bouwterrein.

1.40 Maatschappelijke dienstverlening     

Het verlenen van publieksgerichte diensten op het gebied van overheids-, educatieve, welzijns- (para-)medische, sociaal-medische, levensbeschouwelijke, sociaal-culturele voorzieningen.

1.41 Ontspanning en vermaak     

Het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op spel, vermaak en ontspanning, waaronder begrepen culturele voorzieningen, muziek- en dansscholen, oefenruimten, creativiteitscentra, bioscopen en naar aard daarmee te vergelijken activiteiten.

1.42 Nutsvoorziening     

Een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de telecommunicatie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, gemalen, telefooncellen en zendmasten, ondergrondse afvalsystemen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen.

1.43 Omgevingsvergunning voor het bouwen     

Een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voor zover in artikel 13, lid 13.1 sub a, in de aanhef wordt gesproken over een omgevingsvergunning voor het bouwen krachtens welke gebouwd kan worden, wordt daaronder mede verstaan een bouwvergunning verleend op basis van de Woningwet (oud).

1.44 Ondergronds     

Gelegen onder maaiveld.

1.45 Peil     

Onder het peil wordt verstaan: het N.A.P., tenzij anders in de planregels aangegeven.

1.46 Planregels     

De regels, deel uitmakende van het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi kavel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening van de Gemeente Amsterdam.

1.47 Prostitutie     

Het aanbieden of verrichten van seksuele diensten tegen een materiële vergoeding.

1.48 Prostitutiebedrijf     

Een bedrijf waar prostitutie wordt bedreven.

1.49 Seksinrichting     

Een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin tegen betaling handelingen en/of voorstellingen plaatsvinden van erotische en/of pornografische aard. Hieronder worden mede begrepen een seksbioscoop, -theater, -automatenhal en -winkel en naar de aard daarmee te vergelijke inrichtingen.

1.50 Smartshop     

Een winkel waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door detailhandel in psychotrope stoffen.

1.51 Staat van Inrichtingen     

De als bijlage opgenomen lijst, behorende bij deze regels, waarin vormen van gebruik anders dan wonen, zijn aangegeven, ingedeeld in categorieën van toenemende hinder.

1.52 Stille zijde     

een gevel of geveldeel met een geluidsbelasting van maximaal de voorkeursgrenswaarde van de wet geluidhinder.

1.53 Verbeelding     

De plankaart van het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi kavel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening van de gemeente Amsterdam (NL.IMRO.0363.K1904BPGST-OW01).

1.54 Waterstaatkundige werken     

Werken, waaronder begrepen kunstwerken, verband houden met de waterstaat, zoals dammen, dijken, sluizen, beschoeiingen, remmingswerken, uitgezonderd steigers.

1.55 Weg     

Alle voor het openbaar auto-, fiets-, voetgangers- of ander verkeer openstaande wegen of paden, geen spoorwegen of trambanen zijnde, waaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen.

1.56 Wet     

Wet ruimtelijke ordening.

1.57 Zakelijke dienstverlening     

Het verlenen van diensten die bestaan uit het verlenen van economische of commerciële diensten aan derden, waarvan de uitoefening geschiedt in een rechtstreeks contact met het publiek, zoals banken, reisbureaus.

Artikel 2 Wijze van meten     

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De bouwdiepte van een bouwwerk     

vanaf peil tot aan het laagste punt van het bouwwerk, met uitzondering van fundering of ondergeschikte onderdelen van het bouwwerk.

2.2 De bouwhoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met inbegrip van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 De oppervlakte van een bouwwerk     

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.4 De brutovloeroppervlakte van een gebouw     

de bebouwde oppervlakte van de afzonderlijke bouwlagen bij elkaar opgeteld.

2.5 De minimum bouwhoogte van een bouwwerk     

vanaf peil tot aan het punt van het gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, waaraan de bouwhoogte ten minste moet voldoen, waarbij in ieder geval geldt dat de omhullende gevel van een gebouw aan deze minimum bouwhoogte moet voldoen.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Kantoor-1     

3.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Kantoor aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. kantoren;
  2. bedrijven;
  3. horeca I, II, III en IV;
  4. maatschappelijke dienstverlening;
  5. consumentverzorgende dienstverlening;
  6. zakelijke dienstverlening;
  7. ontspanning en vermaak;
  8. sportvoorzieningen;

met de daarbij behorende

  1. nutsvoorzieningen;
  2. warmte- en koudeopslag;
  3. wegen;
  4. voet- en fietspaden;
  5. pleinen en daarmee vergelijkbare verblijfsruimten;
  6. parkeervoorzieningen, met de daarbij behorende in- en uitritten;
  7. groenvoorzieningen;
  8. waterberging, waterlopen en waterpartijen.

3.2 Bouwregels     

Op en onder de in lid 3.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  1. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  2. Voor gebouwen geldt een maximum bouwhoogte zoals op de verbeelding staat aangegeven;
  3. Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - 1' is bebouwing, met uitzondering van ondersteuningsconstructies in de vorm van pilaren, kolommen en dergelijke, uitsluitend vanaf een bouwhoogte van 7,3 meter gemeten vanaf maaiveld en tot een maximum bouwhoogte zoals op de verbeelding is aangegeven, toegestaan;
  4. Voor ondergrondse parkeergarages geldt dat deze uitsluitend binnen het bestemmingsvlak mogen worden gebouwd met een verticale bouwdiepte van maximaal twee bouwlagen, waarbij de minimale gronddekking op de bovenkant van de bovenste ondergrondse bouwlaag 1 meter vanaf maaiveld bedraagt;
  5. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximum bouwhoogte van 3 meter;
  6. Voor gebouwen geldt dat daken tot 50 meter, waar niet voorzien van zonnepanelen of in gebruik als dakterras, voor 50% van het betreffende dakoppervlak dienen te worden voorzien van dakbegroeiing en dit in stand dient te worden gehouden;
  7. Gebouwen dienen te voldoen aan de normen van de beoordelingsrichtlijn 'BREAAM-NL nieuwbouw en renovatie 2014 v2.0' op tenminste het kwaliteitsniveau excellent;
  8. Gebouwen moeten zijn voorzien van inpandige voorzieningen voor het gescheiden inzamelen van rest-, glas-, papier en karton-, plastic- en gf(t)afval;
  9. Met betrekking tot autoparkeervoorzieningen gelden de volgende bepalingen:
  1. Parkeren is uitsluitend toegestaan in gebouwde ondergrondse parkeervoorzieningen;
  2. De in- en uitrit van de parkeervoorziening mag niet direct worden ontsloten aan de westzijde van het bestemmingsvlak of rechtstreeks op de Domenico Scarlattilaan;
  3. Een omgevingsvergunning voor bouwen wordt slechts verleend indien is voorzien in 104 autoparkeerplaatsen ten behoeve van de ten westen daarvan gelegen gronden met de bestemming Gemengd in het uitwerkingsplan 'Zuidas-Vivaldi eerste uitwerking' of zoveel minder autoparkeerplaatsen indien hiertoe een schriftelijk verzoek is ingediend door de erfpachter van diezelfde gronden;
  4. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen moet, naast het onder 3.2, onder j, onder 3 genoemde aantal parkeerplaatsen in overeenstemming met het geldende parkeerbeleid parkeergelegenheid worden gerealiseerd. Dit betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn vastgelegd in de Nota parkeernormen auto. Indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, moet worden uitgegaan van de gewijzigde beleidsregels;
  5. Het bepaalde onder 3 en 4, is niet van toepassing op parkeerplaatsen ten behoeve van kort parkeren in de vorm van wegbrengen en ophalen en taxistandplaatsen.
  1. Voor fietsparkeren gelden de volgende bepalingen:
  1. Fietsparkeervoorzieningen dienen inpandig te worden gerealiseerd en kunnen zowel boven- als ondergronds worden gerealiseerd;
  2. Het bovengronds realiseren van fietsparkeervoorzieningen is niet toegestaan aan de zijde van de Domenico Scarlattilaan;
  3. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen moet voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van fietsen worden gerealiseerd. Dit betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn vastgelegd in de Nota parkeernormen voor fietsen en scooters 2018. Indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, moet worden uitgegaan van de gewijzigde beleidsregels.

3.3 Nadere eisen     

  1. Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning, aan bouwplannen met een bouwhoogte van 30 meter of meer, ter voorkoming van overmatige windhinder, nadere eisen stellen ten aanzien van situering en vormgeving van bouwwerken. In dat kader kunnen burgemeester en wethouders tevens van een initiatiefnemer van een bouwplan verlangen een windtunnelonderzoek aan hen te overleggen;
  2. Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning, indien advisering van de Regionale Brandweer daartoe aanleiding geeft en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, nadere eisen stellen aan bouwplannen met betrekking tot de situering van vluchtwegen van de te vestigen bestemmingen ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van de bouwwerken.

3.4 Specifieke gebruiksregels     

  1. Voor de in lid 3.1 genoemde gronden geldt dat het bepaalde in artikel 9 in acht dient te worden genomen;
  2. Geluidgevoelige functies en gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit zijn niet toegestaan;
  3. Voor de functies als bedoeld in artikel 3.1, onder a tot en met h, geldt een totaal maximum bvo van 30.000 m2.
  4. Voor de functie kantoor geldt een maximum bvo van 29.700 m2.
  5. Voor de functies als bedoeld in lid 3.1, onder b tot en met h gezamenlijk geldt een minimum bvo van 300 m2 en een maximum bvo van 2.000 m2 met inachtneming van de hierna volgende bepalingen;
  6. De functies als bedoeld in artikel 3.1, onder b tot en met h mogen uitsluitend worden gerealiseerd in de eerste bouwlaag, met uitzondering van horeca II welke functie ook is toegestaan in de bovenste bouwlaag van het gebouw;
  7. Voor horeca II geldt een maximum bvo van 1.000 m2;
  8. Voor consumentverzorgende, zakelijke dienstverlening en horeca III en IV geldt een maximum bvo van 250 m2 per vestiging;
  9. Voor horeca I geldt een maximum bvo van 100 m2 per vestiging;
  10. Met betrekking tot parkeren geldt dat de autoparkeerplaatsen als bedoeld in lid 3.2, onder h, onder 3 exclusief zijn bestemd voor de gebruikers van de ten westen hiervan gelegen gronden met de bestemming Gemengd in het uitwerkingsplan 'Zuidas-Vivaldi eerste uitwerking'.

Artikel 4 Kantoor - 2     

4.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Kantoor - 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. kantoren;
  2. horeca III en IV;
  3. maatschappelijke dienstverlening;
  4. consumentverzorgende dienstverlening;
  5. zakelijke dienstverlening;
  6. sportvoorzieningen;

met daarbij behorende

  1. nutsvoorzieningen
  2. wegen;
  3. voet- en fietspaden;
  4. warmte- en koudeopslag;
  5. parkeervoorzieningen, met daarbij behorende in- en uitritten;
  6. groenvoorzieningen;
  7. waterberging.

4.2 Bouwregels     

Op en onder de in lid 4.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  1. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van ondergrondse parkeervoorzieningen met daarbij behorende in- en uitritten;
  2. Voor gebouwen geldt een maximumbouwhoogte zoals op de verbeelding staat aangegeven;
  3. Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding-1' geldt dat de westzijde van het gebouw vanaf maximaal 21 meter bouwhoogte terugloopt naar minimaal 4,5 meter binnen de bouwgrens;
  4. Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding-1' geldt dat de noordzijde van het gebouw vanaf maximaal 21 meter bouwhoogte terugloopt naar minimaal 3,5 meter binnen de bouwgrens;
  5. Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding-2' geldt dat de oostzijde van het gebouw vanaf minimaal 60 meter bouwhoogte terugloopt naar minimaal 4,5 meter binnen de bouwgrens tot maximaal 86 meter bouwhoogte;
  6. Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding-2' geldt dat de zuidzijde van het gebouw vanaf minimaal 60 meter bouwhoogte terugloopt naar minimaal 3,5 meter binnen de bouwgrens tot maximaal 86 meter bouwhoogte;
  7. Voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt een maximum bouwhoogte van 3 meter;
  8. Voor gebouwen geldt dat daken tot 50 meter, waar niet voorzien van zonnepanelen of in gebruik als dakterras, voor 50% van het betreffende dakoppervlak dienen te worden voorzien van dakbegroeiing;
  9. Gebouwen dienen te voldoen aan de normen van de beoordelingsrichtlijn 'BREAAM-NL nieuwbouw en renovatie 2014 v2.0' op tenminste het kwaliteitsniveau excellent;
  10. Gebouwen moeten zijn voorzien van inpandige voorzieningen voor het gescheiden inzamelen van rest-, glas-, papier en karton-, plastic- en gf(t)afval;
  11. Autoparkeren is uitsluitend toegestaan in gebouwde ondergrondse parkeervoorzieningen;
  12. Voor fietsparkeren geldt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van fietsen wordt voorzien. Dit betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn vastgelegd in de Nota parkeernormen voor fietsen en scooters 2018. Indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, moet worden uitgegaan van de gewijzigde planregels. De parkeergelegenheid voor fietsen ten behoeve van de functies als bedoeld in 4.1, a tot en met f, zal inpandig op de gronden met de bestemming Kantoor - 3 worden gerealiseerd.

4.3 Nadere eisen     

  1. Burgemeester en wethouders kunnen, indien advisering van de Regionale Brandweer (veiligheidsregio) daartoe aanleiding geeft, nadere eisen stellen aan bouwplannen met betrekking tot de situering van vluchtwegen van de te vestigen bestemmingen ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van de bouwwerken.
  2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan bouwplannen met een bouwhoogte van 30 meter of meer met betrekking tot de plaatsing en vormgeving van bouwwerken ter voorkoming of beperking van windhinder. In dat kader kunnen burgemeester en wethouders tevens van een initiatiefnemer van een bouwplan verlangen een windtunnelonderzoek aan hen te overleggen.

4.4 Specifieke gebruiksregels     

  1. Voor de in lid 4.1 genoemde gronden geldt dat het bepaalde in artikel 9 in acht dient te worden genomen;
  2. Geluidgevoelige functies en gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit zijn niet toegestaan;
  3. Voor de functies als bedoeld in artikel 4.1, onder a tot en met f geldt een totaal maximum van 22.000 m2 bvo met inachtneming van de volgende regels:
  1. Voor kantoor geldt een maximum bvo van 21.500 m2;
  2. Voor de functies als bedoeld in lid 4.1, onder b tot en met f geldt gezamenlijk met bestemming Kantoor - 3 een maximum bvo van 3.200 m2;
  3. Voor de functies als bedoeld in lid 4.1, onder b tot en met f geldt een minimum bvo van 500 m2 in de eerste en tweede bouwlaag;
  4. Voor de functies als bedoeld in artikel 4.1, onder c tot en met f geldt dat zij uitsluitend zijn toegestaan in de eerste vier bouwlagen;
  5. Voor horeca III en IV geldt dat deze functies uitsluitend zijn toegestaan in de eerste vier bouwlagen en de bovenste twee bouwlagen, inclusief het dak;

Artikel 5 Kantoor - 3     

5.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Kantoor - 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. parkeervoorzieningen ten behoeve van fietsen en scooters;
  2. kantoren;
  3. horeca III en IV;
  4. maatschappelijke dienstverlening;
  5. consumentverzorgende dienstverlening;
  6. zakelijke dienstverlening;
  7. sportvoorzieningen.

met daarbij behorende:

  1. nutsvoorzieningen;
  2. in- en uitgangen ten behoeve van de parkeervoorzieningen;
  3. groenvoorzieningen;

5.2 Bouwregels     

Op en onder de in de in lid 5.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming met in achtneming van de volgende regels:

  1. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  2. Voor gebouwen geldt een maximum bouwhoogte zoals op de verbeelding staat aangegeven.
  3. De in- en uitgang van de parkeervoorziening voor fietsen en scooters mag niet direct worden ontsloten op de Domenico Scarlattilaan;
  4. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' is bebouwing toegestaan uitsluitend ten behoeve van een aansluiting van het gebouw op de bestaande bebouwing met de bestemming Kantoor-2 als bedoeld in bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi';
  5. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt een maximale bouwhoogte van 3 meter;
  6. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen moet voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van fietsen worden gerealiseerd ten behoeve van de functies op de gronden als bedoeld in lid 4.1 a tot en met f en lid 5.1 b tot en met g. Dit betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn vastgelegd in de Nota parkeernormen voor fietsen en scooters 2018. Indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, moet worden uitgegaan van de gewijzigde planregels.

5.3 Specifieke gebruiksregels     

Voor de in lid 5.1 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels:

  1. Het parkeren van fietsen en scooters is uitsluitend toegestaan in de eerste, tweede en derde bouwlaag;
  2. Voor de functies als bedoeld in 5.1, onder b tot en met g geldt binnen de bestemming Kantoor - 3 een maximum bvo van 700 m2;
  3. Voor de functies als bedoeld in lid 5.1, onder c tot en met g, geldt gezamenlijk met bestemming Kantoor - 2 een maximum bvo van 3.200 m2.

Artikel 6 Verkeer     

De regels van de bestemming Verkeer - 2 van het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi van 22 juni 2016 en Zuidas-Ravel van 13 juli 2016 worden gewijzigd en vervangen door onderstaande regels, alleen voor zover betrekking hebbend op de gronden binnen de bestemming Verkeer zoals op de verbeelding staat aangegeven.

6.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. straten en wegen;
  2. ondergrondse parkeervoorzieningen, alsmede in- en uitritten;
  3. voet- en fietspaden;
  4. nutsvoorzieningen;

met daarbij behorende:

  1. groenvoorzieningen;
  2. andere bijbehorende verkeerskundige voorzieningen.

6.2 Bouwregels     

  1. Op en onder de in lid 6.1 genoemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met een maximum bouwhoogte van 3 meter.
  2. Ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeergarage' zijn uitsluitend ondergrondse parkeervoorzieningen toegestaan met een maximale diepte van twee bouwlagen.

6.3 Specifieke gebruiksregels     

  1. Voor de in lid 6.1 genoemde gronden geldt dat het bepaalde in artikel 9 in acht dient te worden genomen;
  2. Voor ondergronds parkeren geldt dat het maximum aantal parkeerplaatsen zoals bepaald in artikel 12.1 in acht dient te worden genomen;
  3. Voor rijwegen geldt een maximum snelheid van 30 km/uur;
  4. Het maximum aantal rijstroken: 2.

Hoofdstuk 3 Algemene regels     

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels     

  1. Het is toegestaan de in dit plan aangegeven bouwvlak- en/of bestemmingsgrenzen, met uitzondering van de bouwhoogte, te overschrijden ten behoeve van:
    1. stoepen, stoeptreden, funderingen, plinten, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen, schoorstenen en dergelijke delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 0,2 meter;
    2. gevelaccenten, gevel- en kroonlijsten, pilasters, overstekende daken, erkers, balkons en dergelijke delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 meter en deze werken niet lager gelegen zijn dan 9 meter boven een rijweg of boven een strook ter breedte van 1,5 meter langs een rijweg danwel boven een rijwielpad en danwel boven een voetpad, voor zover dit rijwielpad of voetpad geen deel uitmaakt van de bedoelde strook van 1,5 meter.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels     

  1. De funties als bedoeld in dit bestemmingsplan zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze vallen onder categorie 1 en 2 in de van deze regels deel uitmakende Staat van Inrichtingen;
  2. Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in elk geval begrepen het gebruik van gronden en bebouwing ten dienste van:
  1. inrichtingen als aangewezen in bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht;
  2. de functies als bedoeld in lid 3.1 van artikel 3 voor zover deze in de van deze regels deel uitmakende Staat van Inrichtingen vallen in milieuhindercategorie hoger dan 2;
  3. het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van automatenhallen, seksinrichtingen, raam- resp. straatprostitutie en prostitutiebedrijven, telefoneerinrichtingen of belhuis, geldwisselkantoren, smartshops en internetcafés;
  4. de opslag en/of stalling van kampeermiddelen, voer- of vaartuigen, schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond en bodemspecie, puin- en vuilstortingen, en aan hun gebruik onttrokken machines, het gebruik van water en aangrenzende gronden ten behoeve van woonboten en andere vaartuigen, behoudens gebruik dat strekt tot realisering van de bestemming en gebruik dat voortvloeit uit het normale dagelijkse gebruik en onderhoud dat ingevolge de bestemming is toegestaan;

9.1 Afwijken van de algemene gebruiksregels     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder 2, ten behoeve van het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van een functie die:

  1. niet in de Staat van Inrichtingen voorkomt en in vergelijking met bedrijven die vallen onder de categorieën 1 en 2 geen blijvende, onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu;
  2. in de Staat van Inrichtingen valt onder één of meer categorieën hoger dan toegestaan, mits het desbetreffende bedrijf in vergelijking met bedrijven die vallen onder de categorieën 1 en 2 geen blijvende, onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu;
  3. na uitbreiding, wijziging of aanpassing in de Staat van Inrichtingen valt onder één of meer categorieën dan toegestaan, mits de uitbreiding, wijziging of aanpassing niet tot gevolg heeft, dat het bedrijf in vergelijking met bedrijven die vallen onder de categorieën 1 en 2, blijvende, onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels     

  1. Indien niet op grond van een andere bepaling van deze regels omgevingsvergunning om af te wijken van de bouw- dan wel gebruiksregels kan worden verleend, zijn burgemeester en wethouders bevoegd omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van de desbetreffende regels van dit bestemmingsplan met dien verstande dat:
  2. gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en elektriciteitsvoorzieningen kunnen worden toegestaan met een maximale bouwhoogte van 6 meter, gemeten vanaf maaiveld, en een maximale brutovloeroppervlakte van 25 m²;
  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, straatmeubilair, vrijstaande muren, keermuren, trapconstructies, bebouwing ten behoeve van al dan niet ondergrondse afvalopslag, geluidwerende voorzieningen, steigers, duikers en andere waterstaatkundige werken worden toegestaan;
  4. geringe afwijkingen worden toegestaan welke in het belang zijn van een ruimtelijke en/of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, wegen en anderszins, of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking in situering niet meer bedraagt dan 1 meter.

Artikel 11 Algemene procedureregels     

Burgemeester en wethouders nemen bij het stellen van nadere eisen als bedoeld in artikel 3.3, lid 4.3, de volgende regels in acht:

  1. Burgemeester en wethouders leggen het ontwerp van de te stellen nadere eis, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp ter inzage;
  2. Voorafgaand aan de terinzagelegging geven burgemeester en wethouders in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze kennis van het ontwerp, volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud;
  3. Belanghebbenden kunnen bij burgemeester en wethouders naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over de ontwerp naar voren brengen;
  4. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen als bedoeld in het voorgaande lid bedraagt twee weken, welke termijn aanvangt met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

Artikel 12 Overige regels     

12.1 Parkeren (artikel 2)     

De regels van de bestemming Kantoor-1 van het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi partiële herziening van 10 mei 2017 worden gewijzigd zoals hierna is aangegeven. Behoudens onderstaande wijziging en voor zover betrekking hebbend op de gronden binnen de verbeelding van deze tweede herziening, blijven de overige regels van artikel 2 van Zuidas-Vivaldi partiële herziening ongewijzigd van toepassing.

De tekst in lid 2.3 onder b en d komt te vervallen, voor de gronden binnen deze herziening en wordt in dit bestemmingsplan vervangen door het volgende lid:

  1. Ten aanzien van de adressen Barbara Strozzilaan 101-125 en 201-229 in relatie tot de 21.400 m2 bvo aanwezige bestaande kantoorbebouwing en het programma binnen de gronden met de bestemming Kantoor - 2 en Kantoor - 3 geldt een maximum aantal parkeerplaatsen van 238;
  2. Het bepaalde in lid 12.1 onder a geldt ongeacht de normen in de Nota parkeernormen auto en ongeacht een wijziging van voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels     

Artikel 13 Overgangsrecht     

13.1 Overgangsrecht bouwwerken     

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het gestelde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  3. Het gestelde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

13.2 Overgangsrecht gebruik     

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het gestelde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 14 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan 'Zuidas-Vivaldi kavel 13, kavel voormalig Drentestaete fase I en 2e partiële herziening'.