|
Op 10 december 2013 heeft u het bestemmingsplan Seggelant (gewijzigd) vastgesteld.
Overeenkomstig artikel 3.8, lid 4 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) ontvingen
wij op 13 december 2013, langs elektronische weg het raadsbesluit.
Na bestudering van uw besluit vinden wij het noodzakelijk om, overeenkomstig artikel
3.8, lid 6 van de Wro, een aanwijzing te geven ertoe strekkende dat onderdelen van
de begripsbepaling voor perifere detailhandel en van artikel 3 “Bedrijventerrein”
van de planregels geen onderdeel blijven uitmaken van het bestemmingsplan zoals het
is vastgesteld.
Wij hebben hierbij het volgende overwogen.
Provinciaal beoordelingskader
Gelet op de recente ontwikkelingen in de detailhandelssector, waarbij in toenemende
mate sprake is van verschuiving van koopstromen en het risico op leegstand in detailhandelslocaties
toeneemt, hebben Provinciale Staten bij de vaststelling van de Actualisering 2012
van de Provinciale Structuurvisie (PSV) en de Verordening Ruimte (VR) op 30 januari
2013, besloten het detailhandelsbeleid te actualiseren en aan te scherpen. Het beleid
is er onder andere op gericht de detailhandelsfunctie in de centra zoveel mogelijk
te behouden en detailhandel op perifere locaties en op bedrijfsterreinen te beperken.
Om die reden is in artikel 9, lid 1, van de Verordening Ruimte een regeling opgenomen
die bepaalt dat bestemmingsplannen voor gronden die zijn gelegen buiten de bestaande
winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken of nieuwe wijkgebonden
winkelcentra, geen bestemmingen aanwijzen die nieuwe detailhandel mogelijk maken.
In lid 2 worden enkele uitzonderingen op die regel mogelijk gemaakt.
Zienswijze
Wij hebben op 6 augustus 2013 ten aanzien van het aspect perifere detailhandel een
zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan ‘Seggelant’ ingediend. Daarin hebben wij
aangegeven dat de regeling in artikel 3 ‘Bedrijventerrein’ in samenhang met de begripsomschrijving
van perifere detailhandel in artikel 1.40 uit het ontwerpplan te ruime mogelijkheden
biedt voor detailhandel. Wij hebben uw raad verzocht de planregels in overeenstemming
te brengen met de Verordening Ruimte.
Detailhandel in het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan
Naar aanleiding van onze zienswijze heeft u het plan aangepast. Dat betekent onder
meer dat de begripsbepaling is aangepast aan de limitatieve opsomming voor perifere
detailhandel buiten de centra. Ook is de verkoop van nevenassortimenten aangepast.
Het oppervlak van de detailhandel bij het motorbrandstoffenverkooppunt is beperkt
tot 200m². Internetwinkels worden uitsluitend toegestaan in de vorm van een afhaalloket
voor niet-dagelijkse goederen. Ten aanzien van bouwmarkten en tuincentra is bepaald
dat deze maximaal 1.000m² bruto vloeroppervlak mogen zijn. Met uitzondering van de
al bestaande Formido bouwmarkt met een oppervlakte van
circa 3.000m².
Desalniettemin hebben wij geconstateerd dat de planregels in de bestemming
artikel 3 ‘Bedrijventerrein’ niet voldoen aan de regeling van artikel 9 (detailhandel)
uit de Verordening Ruimte, zoals deze op 30 januari 2013 is vastgesteld.
Wij constateren het volgende:
Artikel 1.40, sub c en d maakt, in combinatie met artikel 3.1 onder d perifere detailhandel
in tuincentra en bouwmarkten in een groot deel van het plangebied mogelijk. Slechts
een deel van het plangebied, ter plaatse van de aanduiding ‘perifere detailhandel
uitgesloten’ is hier van uitgezonderd.
Ten aanzien van bouwmarkten en tuincentra is in artikel 3.3 onder d van onderhavig
bestemmingsplan een specifieke gebruiksregel opgenomen. Hierin is bepaald dat bouwmarkten
en tuincentra met een oppervlak groter dan 1.000m² bruto vloeroppervlak niet toegestaan
zijn. Een uitzondering hierop geldt voor de al bestaande bouwmarkt (artikel 3.3 onder
e).
In artikel 9, lid 5 van de Verordening Ruimte is een regeling opgenomen over distributieplanologisch
onderzoek (DPO) en Regionaal Economisch Overleg (REO)-advies bij nieuwe ontwikkelingen
met perifere detailhandel (waaronder tuincentra en bouwmarkten) met een oppervlakte
van meer dan 1000m². Wij zijn van mening dat het distributieplanologisch onderzoek
en het advies van het REO, als bedoeld in artikel 9, lid 5 van de Verordening Ruimte,
ook wanneer het gaat om mogelijke toekomstige vestigingen, al bij het vaststellen
van het bestemmingsplan bekend moeten zijn. Bij de beoordeling van het bestemmingsplan
kunnen wij dan, vanwege het provinciale belang bij het detailhandelsbeleid, hierover
een oordeel vellen en het plan beoordelen op de bovenlokale gevolgen.
De detailhandelsontwikkelingen groter dan 1.000m² hebben in artikel 9, lid 5 betrekking
op ontwikkelingen binnen het totale plangebied. Het plan maakt op een groot deel van
het totale bedrijventerrein meerdere bouwmarkten en tuincentra met een oppervlak van
maximaal 1.000m² bruto vloeroppervlak mogelijk. De totale detailhandelsontwikkelingen
in het plangebied kunnen daarmee uitstijgen tot een veelvoud boven de 1.000m² zonder
dat daaraan een DPO en een advies van het REO ten grondslag ligt. Het plan is daarmee
in strijd met artikel 9, lid 5 van de VR. Vooralsnog zijn wij er niet van overtuigd
dat deze ruime mogelijkheden in het plan voor tuincentra en bouwmarkten geen nadelig
effect zullen hebben op de hoofdstructuur (hoofd- en ondersteunende centra, aangevuld
met de belangrijkste clusters van perifere detailhandelsvoorzieningen). Wij kunnen
hier dan ook niet mee instemmen.
Nadere motivering inzet reactieve aanwijzing ex artikel 3.8, lid 6 Wro
Ten aanzien van de in artikel 3.8, lid 6 Wro opgenomen voorwaarde dat moet worden
aangegeven welke feiten, omstandigheden en overwegingen ons hebben belet het betrokken
belang met inzet van andere bevoegdheden te beschermen, merken wij het volgende op.
De betreffende extra motiveringsplicht is in de wet opgenomen om te voorkomen dat
provincie en/of het Rijk het betreffende instrument zouden gebruiken om achteraf in
te grijpen, terwijl al vooraf met andere wettelijke bevoegdheden hetzelfde doel had
kunnen worden bereikt.
Bij die andere wettelijke bevoegdheden zijn met name de proactieve aanwijzing, het
provinciale inpassingsplan en het inzetten van algemene regels (de provinciale verordening)
relevant.
Wij hebben in onze zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan aangegeven dat een
aantal planregels met betrekking tot de mogelijkheid van het vestigen van detailhandel
te ruim waren geformuleerd en u verzocht deze in overeenstemming te laten zijn met
de Verordening Ruimte.
Uit het bovenstaande blijkt dat het plan op een enkel punt nog steeds te ruim geformuleerd
is. Het is, gelet op het provinciale belang bij het detailhandelsbeleid, van belang
dat deze onderdelen van de planregels niet in werking treden.
Conclusie
Gezien het voorgaande besluiten wij, overeenkomstig artikel 3.8, lid 6, van de Wro,
een aanwijzing te geven, ertoe strekkende dat:
geen onderdeel blijven uitmaken van het bestemmingsplan ‘Seggelant’ zoals vastgesteld door de raad van de gemeente op 10 december 2013.