Bestemmingsplan ‘Haasdijk 4 te Abbenbroek’

Gemeente Nissewaard

 

 

Regels

 

mei 2020

 

Inhoudsopgave 

 

 

Hoofdstuk 1 Inleidende regels                                                                                 

Artikel 1    Begrippen                                                                                              

Artikel 2    Wijze van meten                                                                                    

 

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels                                                                             

Artikel 3    Agrarisch                                                                                               

Artikel 4    Tuin                                                                                                       

Artikel 5    Wonen                                                                                                   

Artikel 6    Waarde – Archeologie 1                                                                       

Artikel 7    Waarde – Archeologie 2                                                                       

 

Hoofdstuk 3 Algemene regels                                                                                 

Artikel 8    Anti-dubbeltelbepaling                                                                         

Artikel 9  Algemene bouwregels                                                                             

Artikel 10  Algemene gebruiksregels                                                                      

Artikel 11  Algemene afwijkingsregels                                                                   

Artikel 12  Algemene wijzigingsregels                                                                    

 

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels                                                                    

Artikel 13   Overgangsrecht                                                                                    

Artikel 14   Slotregel                                                                                               

 

 

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan Haasdijk 4 te Abbenbroek met identificatienummer NL.IMRO.1930.BPHaasdijk4-3001 van de Gemeente Nissewaard 

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor ingevolge dit bestemmingsplan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 aan-huis-gebonden beroep

een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en voor zover deze beroepen een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.6 achtererfgebied

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

1.7 afhankelijke woonruimte

een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

 

 

1.8 agrarisch bedrijf

 

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

a)      akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt;

b)      grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond;

c)      intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen en (nagenoeg) zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel;

d)      glastuinbouw: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen;

e)      sierteelt: de teelt van tuin- en potplanten en/of bomen, al dan niet met behulp van kassen en al dan niet gecombineerd met de handel in deze gewassen;

f)       fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;

g)      bollenteelt: de teelt van bloembollen in samenhang met de teelt van bolbloemen;

h)      een paardenfokkerij.

 

1.9 agrarisch deskundige

een door het bevoegd gezag aan te wijzen algemeen erkende en onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van landbouw en tuinbouw.

 

1.10 agrarisch loonbedrijf

een bedrijf dat gericht is op het verlenen van seizoensgebonden diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur of op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van landbouwwerktuigen of -apparatuur.

1.11 antennedrager

een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

1.12 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.

1.13 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

1.14 bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.15 bed & breakfast

recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt in bestaande gebouwen.

1.16 bedrijf

een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.

1.17 bedrijfsgebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of twee of meer met wanden omsloten ruimte vormt en in gebruik is ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten.

1.18 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de bestemming van het gebouw of het terrein.

1.19 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.20 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.21 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.22 bevoegd gezag

bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.23 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

1.24 bouwen

plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk.

1.25 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.26 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor functies overeenkomstig de bestemmingsomschrijving geschikt of geschikt te maken is.

1.27 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.28 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

1.29 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten, bouwvlakken ten behoeve van bedrijven die verbonden zijn door middel van de figuur 'relatie', worden geacht één bouwvlak voor één bedrijf te vormen.

1.30 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

 

1.31 buitenrijbaan/paardenbak

 

een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijdactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining.

1.32 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid.

1.33 deskundige

een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake cultuurhistorie, landschap, natuur en/of archeologie.

1.34 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

1.35 erf- en terreinafscheiding

een bouwwerk dat dient ter afscheiding van het erf of een terrein.

1.36 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.37 hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.38 horeca

een onderneming gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.

 

1.39 hoveniersbedrijf

 

een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.

 

1.40 inrichting van agrarisch belang

 

een inrichting ter bevordering van de technische vooruitgang in agrarische bedrijven, zoals een proef- of testbedrijf, een controle- of k.i.-station of een inrichting van onderwijs, onderzoek of voorlichting.

 

1.41 kampeerboerderij

 

een agrarisch gebouw dat aan zijn oorspronkelijke functie onttrokken is of een nieuw gebouw op een voormalig agrarisch bouwvlak dat geschikt is gemaakt voor recreatief nachtverblijf van groepen.

 

1.42 kampeermiddelen

niet als een bouwwerk aan te merken vouwwagens, kampeerauto's, caravans of hiermee gelijk te stellen onderkomens, die bestemd zijn voor recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

1.43 karakteristiek

cultuurhistorisch waardevolle gebouwen welke opgenomen zijn op de Rijksmonumentenlijst of de gemeentelijke monumentenlijst.

1.44 kas

een bouwwerk van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen.

1.45 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

activiteiten die in een woning door een bewoner op bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend, voor zover de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.

1.46 landschapswaarde

de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur.

1.47 mantelzorg

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

1.48 natuurwaarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna.

 

1.49 nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf

de projectie van een agrarisch bouwvlak op een locatie die niet is voorzien van een bouwvlak.

1.50 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.51 opslag

het bewaren van goederen, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.

1.52 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

 

1.53 paardenfokkerij

 

een agrarisch bedrijf dat uitsluitend is gericht op het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij.

 

1.54 paardenpension/paardenstalling

 

het houden van paarden en pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en pony's in pension te stallen en te weiden; onder paardenpension/paardenstalling worden geen maneges verstaan.

 

1.55 paardrijactiviteiten

 

het houden van paarden en/of pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en/of pony's in pension te stallen en te weiden.

1.56 peil

  1. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  2. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  3. de kruin van de dijk voor gebouwen die binnen een afstand van 10 meter uit de kruin van de dijk zijn gelegen.

 1.57 perceel

de aaneengesloten, bij elkaar horende en in het gebruik een eenheid vormende gronden behorende bij een woning, bedrijf of instelling.

 

1.58 recreatief medegebruik

 

gebruik van gronden gericht op (extensieve) dagrecreatie waarbij het gebruik ondergeschikt is aan de hoofdfunctie van de gronden.

 

1.59 reëel agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf met een omvang van 40 tot 70 Nge.

1.60 seksinrichting en/of seksbedrijf

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub, raamprostitutie en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.61 staat van bedrijfsactiviteiten

de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt.

 

1.62 standplaats voor kampeermiddel

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.

1.63 verkoop streekeigen producten

het te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van agrarische producten aan particulieren, bij wijze van neventak van een agrarisch bedrijf, voor zover deze agrarische producten op het eigen bedrijf/in de regio zijn geteeld en hooguit op ambachtelijke wijze op het eigen bedrijf/in de regio zijn verwerkt of bewerkt.

1.64 verkoopvloeroppervlakte

de vloeroppervlakte van voor het publiek toegankelijke winkelruimten.

1.65 verplaatsing agrarisch bedrijf

het opnieuw vestigen van een agrarisch bedrijf op een bestaand agrarisch bouwvlak.

1.66 vervolgfunctie

de nieuwe bestemming van het bouwperceel indien het aldaar gevestigde agrarische bedrijf opgeheven is.

1.676 voorgevel

de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.68 voorgevelrooilijn

de lijn in het verlengde van de voorgevel of in het verlengde van de op de verbeelding aangegeven voorgevel.

1.69 woning

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouding.

 

1.70 zorgboerderij

de opvang van kinderen, volwassenen of personen met een beperking, hetzij als niet-agrarische neventak, hetzij als vervolgfunctie op een agrarisch bouwperceel, waarbij het meewerken in het agrarisch bedrijf of bij het kleinschalig houden van dieren een wezenlijk onderdeel is van resocialisatie of therapie.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2 bouwhoogte van een antenne-installatie

  1. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie;
  2. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie.

2.3 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

2.5 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.6 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de beganegrondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.8 vloeroppervlakte

de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.      akkerbouw, opengrondse tuinbouw – niet zijnde bosbouw, fruitteelt of sierteelt-, en grondgebonden extensieve veehouderij;

b.      ter plaatse van de aanduiding ‘sierteelt’ tevens voor de teelt van siertakken;

c.      ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – wijnmakerij’ tevens voor een wijnmakerij;

d.      ter plaatse van de aanduiding ‘fruitteelt’ tevens voor fruitteelt;

e.      verhardingen, wegen en paden;

f.      groenvoorzieningen;

g.      water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

 

een en ander met inachtneming van

 

h.   de in dit gebied voorkomende cultuurhistorisch waardevolle elementen in de vorm van archeologisch waardevolle gebieden;

i.    de in dit gebied voorkomende landschappelijke waarden in de vorm van waardevolle openheid en het patroon van dijken, wegen en kreken.

3.2      Bouwregels

3.2.1   Gebouwen en overkappingen

         Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

a.      gebouwen, inclusief de daarbij behorende bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen en overkappingen, worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 3.1 genoemde bestemming;

b.      gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gerealiseerd, waarbij dit bouwvlak volledig mag worden bebouwd ten dienste van één bedrijf;

c.      per agrarisch bedrijf mag één bedrijfswoning worden gerealiseerd, tenzij de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ op de verbeelding is opgenomen;

d.      de inhoud van een bedrijfswoning, aan- en uitbouwen én bijgebouwen meegerekend, mag maximaal 700 m³ bedragen, ondergrondse ruimten niet meegerekend;

e.      de goothoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen van 5,00 m;

f.      voor overige erfbebouwing geldt een maximale goothoogte van 3,00 m;

g.      als een woning wordt herbouwd, mag de afstand van de nieuwe woning tot de dichtstbijzijnde wegas niet minder bedragen dan de afstand van de voormalige woning tot dezelfde wegas;

h.      de goothoogte van agrarische bebouwing, kassen niet meegerekend, mag niet meer bedragen dan 6,50 m;

i.       kassen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – wijnmakerij’;

j.       de goothoogte van kassen mag niet meer bedragen dan 5,00 m en de bouwhoogte niet meer dan 7,00 m;

k.      de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 5,00 m.

 

3.2.2   Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

a.      bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 3.1 genoemde bestemming;

b.      bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde mogen, met uitzondering van paardrijbanen, zowel binnen als buiten het bouwvlak worden opgericht;

c.      de bouwhoogte van voedersilo’s bedraagt niet meer dan 12 m;

d.      de bouwhoogte van overige silo’s, water- en warmtetanks en overige tanks bedraagt niet meer dan 6,00 m;

e.      de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 8,00 m;

f.      per agrarisch bedrijf mag, uitsluitend binnen het bouwvlak, maximaal één paardrijbaan worden opgericht met een oppervlakte van maximaal 800 m² en een maximale bouwhoogte van 2,00 m;

g.      de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,00 m, met dien verstande dat een afscheiding die gebouwd wordt vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1,00 m bedraagt;

h.      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m;

i.       mestzakken/mestbassins zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak of binnen een zone van 75 m aansluitend aan het bouwvlak.

3.3      Nadere eisen

3.3.1   Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorgaande regels, bij het verlenen van een omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo, nadere eisen stellen ten aanzien van:

a.   de plaatsing van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;

b.   de dakhelling van hellende dakvlakken van een gebouw;

c.   de plaatsing en vormgeving van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

 

3.3.2   Voorwaarde

De in lid 3.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan of met het oog op de bereikbaarheid van een gebouw, een bouwwerk, geen gebouw zijnde en gronden in verband met calamiteiten.

3.4      Specifieke gebruiksregels

 

3.4.1   Streekeigen producten

De verkoop van streekeigen producten is bij wijze van medebestemming toelaatbaar mits

a.      dit geschiedt in bestaande gebouwen en bij wijze van neventak bij volwaardige agrarische bedrijven;

b.      geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor reclameborden en lichtreclame worden opgericht en/of geplaatst;

c.      op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de betreffende functie binnen het bouwvlak.

 

3.4.2   Dierverblijven

Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – 1’ zijn dierverblijven niet toegestaan.

3.5      Afwijking van de gebruiksregels

3.5.1   Boog- en gaaskassen

Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van lid 3.2.1, sub b voor het oprichten van boog- en gaaskassen buiten het bouwvlak met dien verstande dat:

a.   de boog- en gaaskassen aansluitend aan het agrarisch bouwvlak worden opgericht;

b.   het oppervlak aan kassen maximaal 300 m² mag bedragen;

c.   de kassen niet zijn toegestaan ter plaatse van dijkhellingen en/of waardevolle doorzichten;

d.   de kassen geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 3.1 omschreven waarden;

e.   de landschapsdeskundige de aanvraag toetst omtrent de vraag of in voldoende mate is aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad.

 

3.5.2    Overschrijding agrarisch bouwvlak

Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van lid 3.2.1, sub b ten behoeve van een eenmalige overschrijding van het bouwvlak van agrarische bedrijven met maximaal 1.000 m² met inachtneming van het volgende:

a.   een doelmatige bedrijfsvoering moet overschrijding van de maatvoering noodzakelijk maken; deze noodzaak is in ieder geval aanwezig, wanneer overschrijding van het bouwvlak noodzakelijk is om aan milieuvoorschriften of regelgeving met betrekking tot dierenwelzijn te kunnen voldoen;

b.   de overschrijding van het bouwvlak doet geen onevenredige afbreuk aan de in lid 3.1 genoemde waarden;

c.   de landschapsdeskundige toetst de aanvraag omtrent de vraag of in voldoende mate is aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad.

3.6      Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

3.6.1   Omgevingsvergunningvereiste

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning opgaande beplanting, niet zijnde erfbeplanting, aan te brengen.

 

3.6.2   Uitzonderingsregel

Het in lid 3.6.1 vervatte verbod geldt niet voor activiteiten

a.   gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden;

b.   en/of welke in uitvoering of aanwezig waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;

c.   die plaatsvinden binnen bouwvlakken.

 

 

3.6.3   Voorwaarden

De werken of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar, indien de landschapswaarden van de gronden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet onevenredig  (kunnen) worden verkleind.

 

3.6.4   Advies

         Een verzoek om een omgevingsvergunning wordt ter toetsing voorgelegd;

a.   aan de landschapsdeskundige omtrent de vraag of in voldoende mate is aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad;

b.   uitsluitend ingeval van werken en werkzaamheden ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering: aan de agrarisch deskundige omtrent de vraag of het voorgenomen werk daadwerkelijk noodzakelijk is voor het betreffende agrarisch bedrijf.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Artikel 4 Tuin

4.1      Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.   tuinen, erven en verhardingen;

b.   parkeervoorzieningen;

c.   water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

4.2      Bouwregels

4.2.1   Gebouwen

Voor het bouwen van op deze gronden geldt dat uitsluitend erkers, balkons, luifels of ingangspartijen ten behoeve van aangrenzende gebouwen mogen worden gebouwd, ten dienste van de in lid 4.1 genoemde bestemming, waarbij de volgende bepalingen gelden;

a.      de horizontale diepte van de uitbreiding mag niet meer bedragen dan 1,00 m;

b.      de afstand tot de bestemmingsgrens mag niet minder bedragen dan 2,00 m;

c.      de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het

         bijbehorende hoofdgebouw + 0,30 m;

d.      de breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 50% van de breedte van de gevel

         van het hoofdgebouw.

 4.2.2   Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

a.      bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend

        opgericht ten dienste van de in lid 4.1 genoemde bestemming;

b.      de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen van 1,00 m;

c.      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen

         zijnde bedraagt maximaal 2,00 m;

 

Terug naar inhoudsopgave

Artikel 5 Wonen

5.1 Bestemmingsomschrijving

5.1    Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.      wonen;

b.      beroepsmatig en kleinschalig bedrijfsmatig gebruik, met inachtname van het bepaalde in lid 5.5;

c.      tuinen, erven en paden.

5.2    Bouwregels

5.2.1 Hoofdgebouwen

         Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

a.   gebouwen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 5.1 genoemde bestemming en zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van vrijstaande gebouwen;

b.   hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak;

c.    de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat;

d.   de inhoud van een woning mag maximaal 650 m³ bedragen, ondergrondse ruimten niet meegerekend;

 

5.2.2 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

a.      bijbehorende bouwwerken en overkappingen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 5.1 genoemde bestemming;

b.      bijbehorende bouwwerken en overkappingen mogen worden gebouwd zowel binnen als buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak;

c.      de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 150 m²;

d.      de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3,50 m respectievelijk maximaal 6,00 m, met dien verstande dat de goothoogte nimmer hoger kan zijn dan de goothoogte van het hoofdgebouw;

 

5.2.3  Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

a.      bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 5.1 genoemde bestemming;

b.      bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gerealiseerd;

c.      de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,00 m, met dien verstande dat een afscheiding die gebouwd wordt vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1,00 m bedraagt;

d.      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.

5.3    Nadere eisen

5.3.1 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorgaande regels, bij het verlenen van een omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo, nadere eisen stellen ten aanzien van:

a.   de plaatsing van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;

b.   de dakhelling van hellende dakvlakken van een gebouw;

c.   de plaatsing en vormgeving van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

 

5.3.2 Voorwaarde

a.   De in lid 5.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan of met het oog op de bereikbaarheid van een gebouw, een bouwwerk, geen gebouw zijnde en gronden in verband met calamiteiten.

b.   Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.3.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een stedenbouwkundig en/of het Supervisieteam omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking.

5.4.   Afwijking van de bouwregels

5.4.1 Afwijkingsbevoegdheid grotere inhoud bebouwing bij sanering

Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van de in lid 5.2.1, lid k genoemde inhoudsmaat ten behoeve van sanering, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a.   het oprichten van gebouwen is uitsluitend toegestaan voor zover na inwerkingtreding van het plan èn voorafgaand aan de bouw één of meerdere gebouwen met een inhoud van minimaal het dubbele van het op te richten gebouw of de gebouwen zijn geamoveerd;

b.   gebouwen mogen uitsluitend bij de sanering worden betrokken indien zij met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet tot stand gekomen zijn.

5.5    Specifieke gebruiksregels

5.5.1   Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten in een woning of bijbehorend bouwwerk is respectievelijk zijn bij wijze van medebestemming toegestaan, met inachtneming van de volgende regels:

a.      de activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door de bewoner;

b.      het vloeroppervlak ten behoeve van beroeps- en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is niet groter dan 25% van de brutovloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen met een maximum van 60 m²;

c.      op de bij de betreffende woning behorende gronden vindt geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaats;

d.      het beroepsmatig gebruik en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten gaan niet gepaard met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte detailhandel die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

e.      De beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn inpasbaar in de woonomgeving, met dien verstande dat:

1.     op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, tenzij kan worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaakt;

2.     in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige verkeersdruk optreedt;

3.     geen verlichte of opvallende reclame uitingen aan de gevel zichtbaar mogen zijn;

4.     de woning dient te blijven voldoen aan het Bouwbesluit;

5.     er geen sprake is van bedrijvigheid die vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wabo.

5.5.2 Bed & breakfast

Burgemeester en wethouders kunnen omgevingsvergunning verlenen voor het gebruiken van een gedeelte van een woning en/of een bestaand bijbehorend bouwwerk bij een woning ten behoeve van een bed & breakfast, met dien verstande dat:

a.       het vloeroppervlak van de bed & breakfast niet groter is dan 25% van de

brutovloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een maximum van 60 m²;

b.      de voorziening door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet functioneert als een zelfstandige woning, een aparte kookgelegenheid is niet toegestaan;

c.       de bed & breakfast aan maximaal 6 personen wordt aangeboden;

d.      er een maximale verblijfsduur van twee weken wordt gehanteerd;

e.       er een nachtregister wordt bijgehouden, zoals vastgesteld in het Wetboek van Strafrecht;

f.        voldoende parkeergelegenheid voor de functie op eigen terrein reeds aanwezig is dan wel op eigen terrein gerealiseerd wordt (benodigde aantal parkeerplaatsen volgens het

g.      gemeentelijk parkeerbeleid); en/of het benodigde aantal parkeerplaatsen in het openbaar gebied wordt gerealiseerd;

h.      het gebouw waarvoor de afwijking wordt aangevraagd dient te voldoen aan de geldende eisen vanuit de Bouwverordening, het Bouwbesluit, het Besluit Omgevingsrecht en de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht;

i.        geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Artikel 6 Waarde - Archeologie - 1

 

6.1    Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie – 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

a.   het behoud en de bescherming van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden;

met inachtneming van het volgende:

b.   in geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

6.2    Bouwregels

a.      In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

b.      Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 0,50 m beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 100 m² hebben.

c.      Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden:

1.     de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

2.     de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;

3.     de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

6.3    Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

6.3.1 Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de hierna in lid 6.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,50 m beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan.

 

6.3.2 Werken c.q. werkzaamheden

Het omgevingsvergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden:

a.      grondbewerkingen (van welke aard dan ook);

b.      het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;

c.      het indrijven van voorwerpen in de bodem;

d.      het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;

e.      het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;

f.      het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

 

6.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden

Het in lid 6.3.1 vervatte verbod geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.

 

6.3.4 Omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

 

6.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning kunnen de volgende regels worden verbonden:

a.      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

b.      de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;

c.      de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Artikel 7  Waarde – Archeologie – 2

7.1    Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie – 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

a.   het behoud en de bescherming van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden;

     

met inachtneming van het volgende:

 

b.   in geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

7.2    Bouwregels

a.      In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

b.      Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 5,00 m beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 200 m² hebben.

c.      Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden:

1.     de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

2.     de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;

3.     de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

7.3    Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

7.3.1 Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de hierna in lid 7.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 5,00 m beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan.

 

7.3.2 Werken c.q. werkzaamheden

Het omgevingsvergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden:

a.      grondbewerkingen (van welke aard dan ook);

b.      het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;

c.      het indrijven van voorwerpen in de bodem;

d.      het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;

e.      het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;

f.      het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

 

7.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden

Het in lid 7.3.1 vervatte verbod geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.

 

7.3.4 Omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

 

7.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning kunnen de volgende regels worden verbonden:

a.      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

b.      de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;

c.      de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduiding, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door:

  1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt;
  2. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt;
  3. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.

9.2 Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten

  1. Voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringsbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat:
    1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
    2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.
  2. In geval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
  3. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

9.3 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende bepalingen:

  1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse bebouwing;
  2. de onderkant van het bouwwerk (inclusief fundering) bedraagt ten hoogste 3 m onder het peil;
  3. burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van het bepaalde in sub b indien het hydrologisch belang niet wordt geschaad; alvorens ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders advies in bij het waterschap en de provincie omtrent de vraag of het hydrologisch belang niet wordt geschaad.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

  1. Het gebruik van bijgebouwen en stacaravans als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte is niet toegestaan.

 

  1. Het gebruik van bed & breakfast kamers en kampeerboerderijen voor permanente bewoning is niet toegestaan.

 

  1. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

het doen of laten gebruiken van gronden, alsmede gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van (de exploitatie van) een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- en straatprostitutie;

Terug naar inhoudsopgave

 

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

11.1 Maten en bouwgrenzen

Tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van de regels voor:

a.    afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;

b.    overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

 

11.2 Vergroting woningen die deel uitmaken van een groter hoofdgebouw

Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een

omgevingsvergunning afwijken van de maximaal toegestane inhoudsmaat van woningen, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien het een woning betreft die deel uitmaakt van een groter gebouw en de afmetingen van dit hoofdgebouw in geen enkel opzicht worden uitgebreid.

 

11.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van waterstaatkundige en

verkeerstechnische doeleinden

Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een

omgevingsvergunning afwijken van de regels in het plan:

a.    voor het bouwen van straatmeubilair of andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, die om

waterstaatkundige of verkeerstechnische redenen noodzakelijk zijn, zoals duikers, keermuren en bruggen met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m.

met dien verstande dat

b.    vergunning niet wordt verleend indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de

ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en

bouwwerken.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Artikel 12 Algemene wijzigingsregels

12.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

 

12.2 Waarde archeologie

Burgemeester en wethouders kunnen een of meer bestemmingsvlakken van de bestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’  en ‘Waarde – Archeologie -2’ geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien:

a.    uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;

b.    het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

  1. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  2. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  3. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

13.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 14 Slotregel

Deze regels worden aangehaald onder de naam 'Regels van het bestemmingsplan Haasdijk 4 te Abbenbroek '.

 

Terug naar inhoudsopgave