Regels
Bestemmingsplan Gemeenlandsedijk Noord
te Abbenbroek gemeente Nissewaard
vast te stellen april 2024
Artikel
7 Waarde – Archeologie – 1
Artikel
8 Waarde – Archeologie – 2
Artikel
9 Anti-dubbeltelbepaling
Artikel
10 Algemene bouwregels
Artikel
11 Algemene gebruiksregels
Artikel
12 Algemene aanduidingsregels
Artikel
13 Algemene afwijkingsregels
Artikel
14 Algemene wijzigingsregels
Hoofdstuk 4 Overgangs-
en slotregels
In deze regels wordt verstaan onder:
plan
het bestemmingsplan ‘Gemeenlandsedijk Noord’
met identificatienummer NL.IMRO.1930.BPGemlandsedijkND-3001
van de gemeente Nissewaard.
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat
in het GML-bestand NL.IMRO.1930. BPGemlandsedijkND-3001
met de bijbehorende regels en bijlagen.
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee
gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten
aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
achtergevel:
een van de weg afgekeerde gevel van een
hoofdgebouw die parallel of nagenoeg parallel loopt aan de voorgevel.
aanbouw:
een aan een hoofdgebouw toegevoegde,
afzonderlijke ruimte die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor
wat betreft goothoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het
hoofdgebouw.
aaneengebouwd:
bebouwing waarbij de hoofdgebouwen aan beide
zijden in de perceelsgrens zijn gebouwd, met dien verstande dat de eindwoning
slechts aan één zijde in de zijdelingse perceelsgrens hoeft te worden gebouwd.
achtergevelrooilijn:
de achterste grens van een bouwvlak, gezien
vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd. Indien er geen sprake is
van een achterste grens van een bouwvlak dan wel geen bouwvlak is aangegeven:
de denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het
hoofdgebouw - zonder aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen - alsmede het
verlengde daarvan.
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen
gebouwen zijnde.
bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van
een bedrijf.
beperkt kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit
externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een
risicoafstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden.
(beroeps- c.q. bedrijfs)vloeroppervlak:
het totale vloeroppervlak van de ruimte binnen
een bouwwerk dat wordt gebruikt als kantoor- en praktijkruimten en voor de
uitoefening van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bij een woning,
inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke.
beroepsmatig gebruik van een woning:
het gebruik van (een beperkt gedeelte van) een
woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen
voor een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten door de hoofdbewoner
op administratief, juridisch, medisch therapeutisch, kunstzinnig,
ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte
omvang in een woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouwen en aangebouwde
bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.
bestaande situatie:
bebouwing, zoals
aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het
bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip
aangevraagde omgevingsvergunning;
het gebruik van
grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip waarop het bestemmingsplan
rechtskracht heeft verkregen.
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde
bestemming.
bewoner:
een persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een
woning en op dat adres is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.
bijgebouw:
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand
gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde
bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat in functioneel en architectonisch
opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk
oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede
het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een
standplaats.
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door
op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is
begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van
onderbouw en zolder.
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop
ingevolgde de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is
toegelaten.
bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel.
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden
zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen
gebouwen zijnde zijn toegelaten.
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout,
steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de
grond is verbonden, hetzij direct hetzij indirect steun vindt in of op de grond.
brutovloeroppervlakte:
het oppervlak gemeten op vloerniveau langs de
buitenomtrek van de opgaande scheidingswanden, die de desbetreffende ruimte of
groep van ruimtes omhullen. Dit is met inbegrip van ruimten zoals keukens,
toiletten, bergruimten en dergelijke.
cultuurhistorische waarde:
de aan een bouwwerk of gebied toegekende
waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de
mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft
gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het
reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur.
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder
begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen
aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders
dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
eerste bouwlaag:
de bouwlaag op de begane grond.
erker:
een grondgebonden uitbouw van één bouwlaag aan
de voor- of zijgevel van een woning.
escortbedrijf:
de natuurlijke persoon, groep van personen of
rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus.
functie:
doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van
gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen
toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
vormt.
hoofdfunctie:
een functie waarvoor het hoofdgebouw als
zodanig mag worden gebruikt.
hoofdgebouw:
een gebouw, dat door zijn constructie of
afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw op een
bouwperceel kan worden aangemerkt.
horeca:
een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en
etenswaren voor consumptie ter plaatse worden verstrekt en/of waar
bedrijfsmatig logies wordt verstrekt.
kelder:
een geheel ondergronds gelegen ruimte, die
grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorende bovengronds bouwwerk.
kleinschalig bedrijfsmatig gebruik van een
woning:
het gebruik van (een beperkt gedeelte van) een
woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen
voor het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van
ambachtelijke bedrijvigheid door de hoofdbewoner, in tegenstelling tot een
beroepsmatig gebruik van een woning, gericht op consumentenverzorging geheel of
overwegend door middel van handwerk, waarvan de omvang zodanig is dat de
woonfunctie behouden blijft en waarvoor geen vergunningplicht op grond van de
Wabo geldt.
kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit
externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een
risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen
moet worden.
onderbouw:
een gedeelte van een gebouw, dat gedeeltelijk
onder peil is gelegen.
ondergeschikte detailhandel:
beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop
van goederen, die functioneel rechtstreeks verband houden met de
bedrijfsactiviteiten.
overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van
een gesloten dak en met aan ten hoogste één zijde een gesloten wand.
prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding.
raamprostitutie:
een seksinrichting met één of meer ramen van
waarachter de prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te
vestigen.
risicovolle inrichting:
een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit
externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico
c.q. risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan
toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten
ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische
aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in ieder geval
verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een
(raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in
combinatie met elkaar.
straatprostitutie:
het door handelingen, houding, woord, gebaar of
op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen of aanlokken, dan
wel het naar aanleiding daarvan verrichten van seksuele handelingen.
stedenbouwkundig beeld:
het door de omvang, de vorm en de situering van
de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur,
de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen
gevormde ruimte(n).
uitbouw:
de vergroting van een bestaande ruimte in een
hoofdgebouw, die qua afmetingen en/of in visueel opzicht (onder meer wat
betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het
hoofdgebouw.
verblijfsruimte:
een in een gebouw gelegen ruimte, bestemd voor
het verblijven van mensen.
voorgevel:
de gevel van een hoofdgebouw die door zijn
aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als voorgevel
kan worden aangemerkt.
voorgevellijn:
de lijn waarin de voorgevel van het hoofdgebouw
is gelegen, alsmede het verlengde daarvan.
voorgevelrooilijn:
de grens van het bouwvlak die gericht is naar
de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd.
vrijstaand:
bebouwing waarbij de hoofdgebouwen aan beide
zijden niet in de perceelsgrens zijn gebouwd.
waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van
een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, waaronder
duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en
infiltratie van hemelwater.
werk:
een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde.
wonen:
het gebruik van een complex van ruimten voor de
huisvesting van niet meer dan één huishouden.
woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd
voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt
gemeten:
afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
de kortste afstand van het verticale vlak in de
zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende
bouwwerk.
bebouwd oppervlak van een bouwperceel:
de oppervlakte van alle op een bouwperceel
aanwezige bouwwerken tezamen.
bebouwingspercentage:
het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd,
uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwvlak.
breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of
de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.
bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een
gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van
ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard
daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de
goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen
constructiedeel.
inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer,
de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de
buitenzijde van daken en dakkapellen.
oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het
hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau
van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
peil:
ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van
het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als:
3.1
Bestemmingsomschrijving
De
voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
3.2
Bouwregels
3.2.1 Gebouwen
Op of
in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
3.2.2 Bouwwerken,
geen gebouwen zijnde
Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Verkeer’
aangewezen gronden zijn bestemd voor:
4.2 Bouwregels
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende bepalingen:
5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd
voor:
5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen
worden gebouwd.
5.2.2 Bouwwerken,
geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
6.1 Bestemmingsregels
De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn
bestemd voor:
6.2 Bouwregels
Op en onder de in lid 6.1 genoemde gronden mag
uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van
de volgende bepalingen:
6.2.1 Hoofdgebouwen
en gebouwen
1. ‘aaneengebouwd’;
2. ‘gestapeld’;
3. ’vrijstaand’;
mag uitsluitend het
aangeduide type worden gebouwd.
i. de afstand tussen de hoofdgebouwen en de
zijdelingse bouwperceelsgrens zal minimaal bedragen binnen de bouwvlakken met
de (specifieke bouw)aanduiding:
1. 'vrijstaand’ 3 meter;
2. ‘aaneengebouwd’ niet van toepassing
3. ‘gestapeld’ niet van toepassing
6.2.2 Aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van
aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:
1. Per bouwperceel mag niet meer dan één
overkapping worden gebouwd.
2. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan
3. De bouwhoogte van een overkapping mag, in
afwijking van het bepaalde onder g, niet meer bedragen dan
6.2.3 Bouwwerken,
geen gebouwen of overkappingen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen
of overkappingen zijnde gelden de volgende bepalingen:
6.2.4 Buitenunits
warmte-koudeopwekking
Ter plaatse van de
specifieke bouwaanduiding ‘- buitenunits warmte-koudeopwekking’ is het niet
toegestaan om buitenunits voor warmte-koudeopwekking op of boven gronden en
bouwwerken te plaatsen.
6.3 Afwijken
van de bouwregels
a. Het bevoegd gezag kan een
omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:
1. 6.2.1 sub d en e voor het bouwen
van een andere kaprichting
2. 6.2.1 sub g voor het bouwen tot
maximaal 3m achter de gevellijn;
3. 6.2.1 sub i voor een kortere afstand tot
minimaal 1 meter van de zijdelingse bouw perceelsgrens.
b. De in lid 6.3 sub a genoemde
omgevingsvergunningen kunnen slechts worden verleend, mits geen onevenredige
aantasting plaatsvindt van:
1. de samenhang in het straat- en
bebouwingsbeeld;
2. de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden en bouwwerken.
c. Bij de voorbereiding van een
omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.3, sub a en b, winnen burgemeester en
wethouders schriftelijk advies in bij de gemeentelijke stedenbouwkundige.
6.4 Specifieke
gebruiksregels
Ter plaatse van de aanduiding ‘beroep aan huis’
is beroepsmatig gebruik in een bijgebouw toegestaan, met inachtneming van de
volgende bepalingen:
1. op eigen terrein in voldoende
parkeergelegenheid wordt voorzien, tenzij kan worden aangetoond dat het gebruik
geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaakt;
2. in de omgeving van de betreffende woning geen
onevenredige verkeersdruk optreedt;
3. geen verlichte of opvallende reclame uitingen
aan de gevel zichtbaar mogen zijn;
4. de woning dient te blijven voldoen aan het
Bouwbesluit.
6.5 Afwijken
van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning
verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 6.1 ten behoeve van
beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in een
woning, een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw, met inachtneming van de
volgende bepalingen:
1. op eigen terrein in voldoende
parkeergelegenheid wordt voorzien overeenkomstig de dan geldende CROW richtlijn,
tenzij kan worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige
toename van parkeerbehoefte veroorzaakt;
2. in de omgeving van de betreffende woning geen
onevenredige verkeersdruk optreedt;
3. geen verlichte of opvallende reclame uitingen
aan de gevel zichtbaar mogen zijn;
4. de woning dient te blijven voldoen aan het
Bouwbesluit;
5. geen omgevingsvergunning wordt verleend voor
het uitoefenen van bedrijvigheid die vergunningplichtig is op grond van artikel
2.1 sub e en/of i van de Wabo
6.6 Parkeren
a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of wijzigen van het gebruik wordt slechts verleend indien voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd binnen het plangebied. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende parkeerbehoefte:
1. vrijstaande woningen 2,2 parkeerplaats per woning;
2. overige woningen 1,8 parkeerplaats per woning;
3. voor het overige het gemiddelde van minimum en maximum norm zoals opgenomen in de CROW parkeerkencijfer, publicatie 381, waarbij uitgegaan dient te worden van ‘overige bebouwde kom’ en ‘niet stedelijk’.
b. Parkeerplaatsen dienen aanwezig te zijn dan wel aangelegd te worden in het plangebied.
c. Indien gedurende de planperiode door burgemeester en wethouders nieuwe parkeernormen worden vastgesteld en bekendgemaakt, treden deze parkeernormen in de plaats van de CROW parkeerkencijfers, publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, gericht op het bereiken en borgen van de in lid a genoemde doelstelling. Hierbij kunnen in het bijzonder voorschriften worden gesteld ten behoeve van het in stand houden van parkeergelegenheid op eigen terrein.
Artikel
7 Waarde – Archeologie – 1
7.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde - Archeologie -
7.2
Bouwregels
1. de verplichting tot het treffen van technische
maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden
behouden;
2. de verplichting tot het doen van archeologisch
onderzoek;
3. de verplichting de activiteit die tot
bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
7.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van
werkzaamheden
7.3.1 Verbod
In het belang van de archeologische
monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning
de hierna onder b genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit
te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan
7.3.2 Werken c.q.
werkzaamheden
Het omgevingsvergunningvereiste betreft de
volgende werken c.q. werkzaamheden:
a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen
en/of bomen;
c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
d. het wijzigen van het maaiveldniveau door
ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
e. het ingraven van ondergrondse kabels en
leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven
van bestaande waterlopen.
7.3.3 Uitgezonderde
werkzaamheden
Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor
bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de
betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding
van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
7.3.4
Omgevingsvergunning
Omgevingsvergunning wordt verleend nadat de
aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overgelegd van een
archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat
blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd
gezag in voldoende mate is vastgesteld.
7.3.5 Mogelijke
voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning
Aan een omgevingsvergunning kunnen de volgende
regels worden verbonden:
Artikel
8 Waarde – Archeologie – 2
8.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde - Archeologie -
8.2
Bouwregels
8.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van
werkzaamheden
8.3.1 Verbod
In het belang van de archeologische
monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning
de hierna onder b genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit
te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan
8.3.2 Werken c.q.
werkzaamheden
Het omgevingsvergunningvereiste betreft de
volgende werken c.q. werkzaamheden:
constructies e.d.;
8.3.3 Uitgezonderde
werkzaamheden
Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor
bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de
betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding
van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
8.3.4
Omgevingsvergunning
Omgevingsvergunning wordt verleend nadat de
aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overgelegd van een
archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat
blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd
gezag in voldoende mate is vastgesteld.
8.3.5 Mogelijke
voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning
Aan een omgevingsvergunning kunnen de volgende
regels worden verbonden:
Grond die
eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan
uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling
van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene
bouwregels
10.1
Ondergronds bouwen
Ondergrondse
gebouwen mogen worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
Artikel 11 Algemene gebruiksregels
Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
Artikel 12 Algemene aanduidingsregels
12.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop
12.1.1
Bouwregels
Op de
gronden ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’ mag
uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
12.1.2
Afwijken van de bouwregels
Het
bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het
bepaalde in 12.1.1 indien:
12.1.3
Voorrang bouwregels
Indien op
basis van de bouwregels van de ter plaatse geldende bestemming een lagere
bouwhoogte ten hoogste is toegestaan dan de bouwhoogte welke op grond van lid 12.1.1
of 12.1.2 kan worden toegestaan, gaat
het bepaalde in deze bouwregels voor het hier bepaalde.
12.1.4
Specifieke gebruiksregels
Op de
gronden ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ gelden
de volgende bepalingen:
12.2 Geluidszone
– industrie
12.2.1 Aanduiding geluidzone - industrie
De gronden
ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn, behalve voor de
daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en
instandhouding van de geluidruimte in verband met de nabijheid van een
inrichting als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder.
12.2.2
Bouwregels
In
afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen mag geen nieuw
geluidgevoelig gebouw worden gebouwd.
12.2.3
Afwijken van de bouwregels
Bij
omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 12.2.2 voor
het bouwen van nieuwe geluidgevoelige gebouwen overeenkomstig de daar
voorkomende bestemmingen, mits de geluidbelasting vanwege het industrieterrein
van de gevels van deze geluidgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de
daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.
Artikel 13 Algemene
afwijkingsregels
13.1
Algemene afwijkingen
Het
bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:
1. de
oppervlakte per gebouwtje niet meer dan
2. de
bouwhoogte niet meer dan
1. ten
behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot niet meer dan
2. ten
behoeve van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot niet meer dan
3. ten
behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot niet meer dan
1. de
maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het
betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak;
2. de
bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 maal de maximaal toegestane
bouwhoogte van het betreffende gebouw.
13.2
Afwijken evenementen
Het
bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de
regels van het plan ten aanzien van het toestaan van evenementen die met een
zekere regelmaat (bijvoorbeeld jaarlijks) plaatsvinden en een planologische
relevantie hebben vanwege de duur van de activiteit (inclusief het opbouwen en
afbreken) en/of vanwege de omvang van de activiteit (aantal
deelnemers/toeschouwers), mits:
Artikel 14 Algemene
wijzigingsregels
Overschrijding bestemmingsgrenzen
Burgemeester en wethouders kunnen de in het
plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van
bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere
realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks
noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De
overschrijdingen mogen echter niet meer dan
HOOFDSTUK
4 Overgangs- en slotregels
15.1 Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van
inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel
gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan,
mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
c. Het eerste lid is niet van toepassing op
bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het
plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor
geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
15.2 Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken, dat
bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee
in strijd is, mag worden voortgezet.
b. Het is verboden het met het bestemmingsplan
strijdige gebruik, bedoeld in het eerst lid, te veranderen of te laten veranderen
in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de
afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid,
na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt
onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten
hervatten.
d. Het eerste lid is niet van toepassing op het
gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan,
daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Deze regels worden aangehaald als: Regels van
het bestemmingsplan ´Gemeenlandsedijk Noord’ van de gemeente Nissewaard.