direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buren 31A te Ferwoude
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1900.2020westBPBuren31A-ontw

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Planvoornemen

Voorliggend bestemmingsplan ziet op een onbebouwde kavel aan de Buren, centraal in Ferwoude tussen de huisnummers 29a en 31 en betreft het kadastrale perceel bekend als gemeente Gaast, sectie D, nummer 876 met een omvang van 709 m2 plus een deel van kadastraal perceelnummer 879 met een omvang van circa 62 m2. In totaal komt het plangebied daarmee op ongeveer 771 m2. Het ligt in de bedoeling om met voorliggend bestemmingsplan op dit kavel tot de bouwtitel van één nieuwe vrijstaande woning te komen.

Onderstaande luchtfoto toont de huidige situatie in en rondom het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2020westBPBuren31A-ontw_0001.png"
Figuur 1. Luchtfoto van plangebied (in rood) en directe omgeving met kadastrale kaart als ondergrond.

Naastgelegen perceel 878 is eveneens in eigendom bij initiatiefnemer en in gebruik als parkeerterrein bij en groene omkleding van het aangrenzende dorpshuis op Buren 31, maar behoren verder niet tot voorliggend plangebied (alsmede het resterende deel van het kadastrale perceel nummer 879) omdat er geen planologisch-juridische wijzigingen voor deze gronden op stapel staan. Kadastraal perceel 547 herbergt voorts een nutsvoorziening van Liander die vanaf de straatzijde (via kadastrale percelen 878 en 879) voor beheer en onderhoud toegankelijk dient te blijven.

1.2 Huidig juridisch-planologisch kader

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Dorpen Noord/West gemeente Súdwest-Fryslân (als vastgesteld door de raad op 20 juli 2017). Voorliggend bestemmingsplan betreft het veranderen van dit geldende bestemmingsplan, waarbij de van toepassing zijnde bestemming 'Maatschappelijk' ten dele wordt veranderd naar een woon- en tuinbestemming ten behoeve van de bouw van een reguliere vrijstaande woning met respectievelijk tuin.

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2020westBPBuren31A-ontw_0002.png"

Figuur 2. Kaartfragment geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020), planlocatie in rood.

Op grond van het voorheen vigerende bestemmingsplan Ferwoude 2005 maakte het plangebied overigens onderdeel uit van een wijzigingsgebied. De oppervlakte van dat wijzigingsgebied bedroeg ruim 2.000 m2. Binnen het wijzigingsgebied kon één woning worden gerealiseerd. Op een perceel van ruim 1.000 m2 is rond 2010 bovengenoemde vrijstaande woning aan Buren 29a gerealiseerd. Momenteel resteert nog voldoende ruimte op de gronden aan de westkant hiervan om een tweede woning te realiseren. Van gemeentewege is per brief van 17 augustus 2020 aangegeven in principe medewerking aan de planvorming hieraan te willen verlenen.

Het planvoornemen voor deze nieuwbouwwoning is niet passend binnen de huidige juridisch-planologische kaders (zowel wat betreft het gebruik als het bouwen). Een herziening van het geldende bestemmingsplan is nodig om het planvoornemen mogelijk te maken en ligt hierbij voor.

Als stedenbouwkundig kader is door de gemeente meegegeven om aansluiting te zoeken bij de reguliere bouwregels voor de bestemming 'Wonen' uit het geldende bestemmingsplan. Dit betekent een goot- en bouwhoogte voor de vrijstaande woning van niet meer dan 3,5 m respectievelijk 10 m, waarbij het bouwvlak in principe op 3 m van de zijdelingse perceelsgrens kan komen te liggen en vanaf de voorgevellijn maximaal 15 m diep mag zijn.

1.3 Doelstelling

Met dit bestemmingsplan wordt ten behoeve van het planvoornemen een nieuw juridisch-planologisch kader voor de betrokken gronden vastgelegd. De doelstelling van dit bestemmingsplan is daarmee dan ook het bieden van een passende juridisch-planologische regeling om invulling te geven aan het planvoornemen ter plaatse. Dit bestemmingsplan is daarmee ontwikkelingsgericht van karakter.

1.4 Leeswijzer

Na de inleiding in dit hoofdstuk is in hoofdstuk 2 een planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 3 is op het relevante overheidsbeleid ingegaan. Een omschrijving van de omgevingsaspecten, uit oogpunt van milieu en planologie bezien, is in het daaropvolgende hoofdstuk 4 opgenomen. In hoofdstuk 5 is de toelichting op de juridische vormgeving van dit bestemmingsplan gegeven en de hiervoor te volgen procedure. Tot slot is in hoofdstuk 6 de (economische en maatschappelijke) uitvoerbaarheid uiteengezet. Bij dit bestemmingsplan zijn verder verschillende bijlagen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied ligt centraal, binnen bestaand stedelijk gebied, in de kern Ferwoude. De gronden zijn momenteel onbebouwd. Aan de oostzijde van de locatie is een aantal jaren geleden een nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd. Ten westen van het plangebied is dorpshuis De Finne gesitueerd. Gelet op de centrale ligging en afmetingen van het plangebied is de locatie vanuit een ruimtelijk oogpunt geschikt om als inbreidingslocatie voor de bouw van een nieuwe woning te dienen.

2.2 Voortraject van planvorming

Om tot een ruimtelijk goede invulling van het plangebied te komen, is door initiatiefnemer in eerste instantie een verkenning uitgevoerd naar een verantwoorde stedenbouwkundige context van het plangebied. Uit die analyse kwamen drie modellen naar voren op welke wijze de locatie zou kunnen worden bebouwd. De modellen varieerden in aantal woningen en kavelgrootte. Die analyse is aan een aantal medewerkers van de ambtelijke organisatie gepresenteerd en nader toegelicht. Tijdens dat overleg is afgesproken om alle drie modellen formeel ter beoordeling voor te leggen.

Bij brief van 13 januari 2020 is van gemeentewege aangegeven dat ambtelijk kon worden ingestemd met de variant die betrekking heeft op de bouw van één vrijstaande woning in het plangebied (voorkeursvariant als weergegeven in navolgende figuur). Daarbij is de voorwaarde gesteld om de voorgestelde lichte gevelsprong enigszins terug te rooien zodat de voorgevel van de nieuwe woning aansluiting zoekt bij de naastgelegen panden.

In de voorkeursvariant vindt ook geen samenvoeging plaats van alle in eigendom van aanvrager zijnde kadastrale percelen; zo blijft de functie van de gronden betreffende de huidige parkeervoorziening bij dorpshuis De Finne behouden. De huidige maatschappelijke bestemming ter plaatse hoeft hierom ook niet te worden gewijzigd. Voor de goede ruimtelijke inpassing zal een smalle groenstrook ter afscheiding tussen het parkeren bij de maatschappelijke functie en de woning worden aangebracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2020westBPBuren31A-ontw_0003.jpg"

Figuur 3. Situatietekening van voorkeursvariant toekomstige invulling van plangebied (bron: BügelHajema Adviseurs, 2019).

2.3 Basisgedachte invulling plangebied

Uitgangspunt van het initiatief is de realisatie van één vrijstaande woning. De op te richten bebouwing voegt zich prima in het lint van de overige, bestaande, bebouwing. In de analyse is het standpunt ingenomen om de voorgevel van de woning aan te laten sluiten bij de bestaande, impliciete, rooilijn. Ruimtelijk is dit een logische aanvulling op het straatbeeld en de bestaande bebouwing. De oriëntatie van de woning is gericht op de doorgaande weg de Buren. De ontsluiting vindt rechtstreeks op de Buren plaats.

Het plangebied is voldoende groot om een goede afstand (3 m) van het hoofdvolume tot de zijdelingse perceelgrens met aangrenzende bebouwing aan de oostelijke zijde te waarborgen. De nokrichting van het hoofdvolume van de vrijstaande woning wordt haaks op de woonstraat georiënteerd. Aan- en bijgebouwen kunnen op voldoende afstand achter de voorgevelrooilijn worden gesitueerd. Het plangebied is daarnaast ruim genoeg om parkeervoorzieningen op eigen erf te treffen.

De plaatsing en vormgeving van bijgebouwen wordt als ondergeschikt aan de hoofdvorm gezien. Ten aanzien van (een nog te ontwerpen) bouwmassa wordt aansluiting gezocht bij de voorheen geldende wijzigingsbevoegdheid, het thans geldende bestemmingsplan en de vigerende welstandsnota. De inpassing van het plangebied vindt plaats door het aanleggen van groenbeplanting.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen wetten, regels en beleid van het Rijk, de provincie, regionaal gevoerd beleid op intergemeentelijk niveau en de gemeente.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

"Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig"
In de per 13 maart 2012 van kracht geworden Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de visie van het Rijk op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een selectieve inzet van het rijksbeleid waarbij 13 nationale belangen aan de orde zijn die gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden ruime beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening. Het Kabinet is namelijk van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.

3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (2020)

"Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving"
Vanaf 2022 zal de Omgevingswet in werking treden. Onderdeel daarvan is een visie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI neemt het Rijk het voortouw voor een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Nederland. In juni 2019 is door het Kabinet de ontwerpversie gepresenteerd.

De NOVI richt zich op de volgende vier prioriteiten die onderling veel met elkaar te maken hebben en gevolgen hebben voor het inrichten van de fysieke leefomgeving:

  • ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie;
  • de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden;
  • de steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
  • het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en/of provincies. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes:

  • slimme combinaties maken waar dat mogelijk is;
  • de kenmerken van het gebied centraal stellen;
  • niet uitstellen of doorschuiven.

Op 11 september 2020 is de definitieve NOVI naar de Tweede Kamer gestuurd.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd.

Uit het Barro blijkt voor het planvoornemen dat geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt nationaal belang 13, waarmee het Rijk vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barro, dat weer verwijst naar het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro schrijft voor dat de onderbouwing van een ruimtelijk plan, waar een nieuwe stedelijke ontwikkeling mee mogelijk wordt gemaakt, aan de Ladder voor duurzame verstedelijking moet voldoen. In de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt wordt een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling gegeven (en voor zover buiten het bestaand stedelijk gebied gesitueerd ook een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien). Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw, planologisch ruimtebeslag. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologisch regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.

De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Als definitie voor stedelijke ontwikkeling is in het Bro opgenomen: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Er is in de wetgeving geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) kan de juridische lijn ten aanzien van de toepassing van de Ladder worden afgeleid. Zo kan hieruit worden opgemaakt dat een bestemmingsplan waarmee minder dan 11 woningen mogelijk worden gemaakt, niet voorziet in een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in artikel 1.1.1 Bro (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724).

Aangezien voorliggend bestemmingsplan uitgaat van de realisatie van één nieuwbouwwoning is toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet nodig.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Streekplan Fryslân 2007

Het Streekplan Fryslân 2007 (vastgesteld op 13-12-2006) geeft de visie van Provinciale Staten op het ruimtelijk beleid van de provincie weer. Het streekplan vormt de basis van het provinciale beleid voor de periode tot 2016. Centraal in het streekplan staat het begrip ruimtelijke kwaliteit. Hiermee bedoelt de provincie dat in ruimtelijke plannen, in ontwerpen en in de uitvoering expliciet gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde worden toegevoegd aan de omgeving. Deze drie waarden waarborgen op de langere termijn een doelmatig gebruik en herkenbaarheid van de ruimte. Het betekent ook een ruimtelijke inrichting die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. De provincie wil deze doelstellingen koppelen aan een krachtige sociaaleconomische ontwikkeling in een leefbare omgeving.

Het beleid voor het wonen in kernen is gericht op de eigen behoefte. De verdeling van de mogelijkheden voor het bouwen van woningen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de gemeente.

3.2.2 Omgevingsvisie Provincie Fryslân

"De Romte Diele"
De Omgevingsvisie is één van de instrumenten van de nieuwe Omgevingswet. In de Omgevingsvisie Fryslân, 'De Romte Diele' geheten, staat waar de provincie met de leefomgeving van Fryslân naar toe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een integrale visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. De visie geeft de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels.

De provinciale omgevingsvisie vervangt het strategisch beleid van de provincie in het streekplan, milieubeleidsplan, waterhuishoudingsplan en het verkeer- en vervoerplan. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven, te weten:

  • Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden;
  • Energietransitie met kracht voortzetten;
  • Fryslân klimaatadaptatief inrichten;
  • Versterken biodiversiteit.

Inzet ten aanzien van onder meer woningbouw is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de verdeling van woningen over hun kernen. In visies/plannen wordt bepaald waar dit gebeurt en in welke kwaliteit. Bij nieuwe inzichten en ontwikkelingen kan van afspraken worden afgeweken wat de nodige flexibiliteit biedt. Er gelden vanuit de provincie verder geen grenzen aan woningbouwprojecten op inbreidingslocaties.

De Omgevingsvisie Fryslân is op 21 oktober 2020 voor vaststelling door Provinciale Staten behandeld.

3.2.3 Verordening Romte Fryslân 2014 (geactualiseerd 2018)

Op 21-02-2018 is de wijzigingsverordening Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. Deze wijzigingsverordening is een hernieuwde vaststelling van de verordening uit 2014. In de verordening zijn concrete regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen (uit het streekplan, maar ook daarna opgestelde structuurvisies) doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. In de verordening is onder meer de grens tussen het bestaand stedelijk gebied en landelijk gebied vastgelegd. In stedelijk gebied bestaat een grotere mate van beleidsvrijheid wat betreft de ruimtelijke ordening dan in het landelijk gebied.

Wat betreft het bestaand stedelijk gebied geeft de provincie veel vrijheid aan gemeenten. Dit betekent dat er in principe nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk zijn in bestaand stedelijk gebied. In de verordening is bepaald dat een woningbouwproject van meer dan 11 woningen binnen bestaand stedelijk gebied in overeenstemming moet zijn met een goedgekeurd gemeentelijk woonplan. Het plan van initiatiefnemer ziet op de bouw van één woning en volstaat derhalve. Bovendien ligt het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied. Het initiatief is daarmee niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân 2014 en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt dan ook niet belemmerd door provinciale regelgeving.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Woonvisie Súdwest-Fryslân 2017-2022

De gemeente stelt in de woonvisie als ambitie om voor een woningvoorraad te zorgen die aansluit op de woningbehoefte. Daarnaast wil de gemeente met haar woonbeleid bijdragen aan het verduurzamen van de bestaande en nieuwe woningvoorraad. De gemeente Súdwest-Fryslân doet dan ook mee aan de Friese Energiestrategie. Deze heeft als doel dat erin 2050 een energie neutrale bebouwde omgeving is.

Wat betreft de particuliere woningvoorraad zet de gemeente niet alleen in op voldoende woningen, maar ook op de specifieke behoeftes, mogelijkheden en fase in de persoonlijke wooncarrière. De gemeente ziet zichzelf als 'woonregisseur' van de lokale woningmarkt.

3.3.2 Ambitiedocument SWF 2019 en Afwegingskader Woningbouw (gemeente Súdwest-Fryslân)

Op 9 mei 2019 heeft de gemeenteraad het Ambitiedocument SWF 2019 vastgesteld. In dit document worden ambities geformuleerd over ontwikkelingen en opgaven op de gemeentelijke woningmarkt. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen regio’s en kernen. Ferwoude kan worden gecategoriseerd als kleine kern. In een kleine kern wordt de toevoeging van woningen op kleine schaal mogelijk gemaakt. Dat kan door inbreiding (bouwen binnen bestaande bebouwing).

Vorenomschreven ambities zijn vertaald in een Afwegingskader Woningbouw. In dit afwegingskader is opgenomen dat een woningbouwplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of twee woningen vanuit een volkshuisvestelijke afweging akkoord is. Het initiatief sluit naadloos aan op de wens om woningbouw op een inbreidingslocatie te realiseren. Bovendien heeft het voornemen van initiatiefnemer betrekking op de bouw van één woning. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief zich verdraagt met het gemeentelijk woningbouwbeleid.

3.3.3 Welstandsnota 2018 Súdwest-Fryslân

De gemeente Súdwest-Fryslân heeft voor de toetsing van bouwwerken de welstandsnota 2018 Súdwest-Fryslân opgesteld. Hierin zijn welstandscriteria opgenomen waaraan nieuwe ontwikkelingen getoetst moeten worden. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Súdwest-Fryslân. Deze criteria zijn gebaseerd op de plaatselijke identiteit en het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden gebruikt.

De planlocatie aan de Buren behoort tot het welstandsgebied 'lintbebouwing' en wordt als bijzonder welstandsgebied aangemerkt waar bouwplannen door de welstandscommissie worden getoetst. De nieuwe woning maakt deel uit van een omgeving met voornamelijk individuele woningen. Als algemene criteria in het welstandsgebied geldt dat bouwinitiatieven rekening dienen te houden met de schaal van de omgeving, de bestaande stedenbouwkundige structuur herkenbaar houden en reageren op de bebouwingshoogte(n) in het gebied dan wel de omgeving.

Voorliggend bestemmingsplan biedt de bouwtitel en het maatvoeringskader voor realisatie van één nieuwe vrijstaande woning. Aan de verdere vormgeving en planrealisatie wordt in een later stadium invulling gegeven. Het planvoornemen dient zich dan te schikken in de geldende welstandsregels van de gemeentelijke welstandsnota. Te zijner tijd (bij de aanvraag om omgevingsvergunning) vindt de daadwerkelijke welstandstoetsing hierop door Hûs en Hiem plaats.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Uit de bestaande omgevingssituatie kunnen (wettelijke) belemmeringen en/of voorwaarden voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan blijken. Uitgangspunt is dat er een goede omgevingssituatie bestaat voor het planvoornemen. In de volgende paragrafen zijn de relevante milieukundige en planologische randvoorwaarden beschreven en beoordeeld op eventuele beperkingen voor het plangebied.

4.1 Ecologie en stikstofdepositie

Wet- en regelgeving
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van zowel de soorten- als wel de gebiedsbescherming. Relevante wet- en regelgeving betreft de Wet natuurbescherming (Wnb) die per 1 januari 2017 in werking is getreden en het provinciale gebiedsgerichte natuurbeleid. Voor wat betreft de effecten op natuurwaarden moet onder meer aangegeven worden of er als gevolg van een plan vergunningen of ontheffingen noodzakelijk zijn en, zo ja, of deze verkregen kunnen worden.

Onderzoek
Beknopte natuurtoets
Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen is door FaunaX een ecologisch onderzoek ingesteld naar de effecten op eventuele beschermde waarden in het plangebied en in de omgeving daarvan. De rapportage van deze zogeheten beknopte natuurtoets is als Bijlage 1 opgenomen.

SOORTENBESCHERMING
Uit de beknopte natuurtoets blijkt dat het planvoornemen zonder bezwaren doorgang kan vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan ten aanzien van:

  • Broedvogels: Werken buiten het broedseizoen (van ruwweg 15 maart tot 15 juli). Als dat niet mogelijk blijkt dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd te worden.
  • Vleermuizen: Voorkom lichtuitstraling richting geschikte verblijfplaatsen in naastgelegen bebouwing (vlak buiten het plangebied) tussen zonsondergang en zonsopkomst en versperring van deze geschikte verblijfplaatsen. Als dat niet mogelijk blijkt, dient nader onderzoek plaats te vinden.
  • Licht beschermde soorten en vrijgestelde soorten: Naleven van de zorgplicht. Dit houdt onder meer in dat er zo dient te worden gewerkt dat dieren de kans krijgen om te vluchten naar habitat buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden of dieren (zoals vrijgestelde amfibieën) naar een dergelijke habitat te verplaatsen.

GEBIEDSBESCHERMING
Wat betreft de gebiedsbescherming is in de beknopte natuurtoets het volgende geconstateerd:

  • Het plangebied valt binnen de begrenzingen van een weidevogelkansgebied en vlak buiten een ganzenfoerageergebied. Negatieve effecten op deze gebieden kunnen volgens inzien van FaunaX echter op voorhand worden uitgesloten.
  • Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van extra stikstofuitstoot kan naar inzicht van FaunaX op voorhand eveneens worden uitgesloten (maar is desalniettemin nader berekend en onderbouwd, zie hiernavolgende onder het subkopje AERIUS-berekening).

AERIUS-BEREKENING
Door Bouwadviesbureau Mark de Witte zijn berekeningen naar de stikstofdepositie vanwege de inzet van materieel voor realisatie van het planvoornemen uitgevoerd (aanlegfase) alsmede voor het toekomstig gebruik van de woning (gebruiksfase). Het memo hierover met daarbij de berekeningen met informatie over de invoergegevens is als Bijlage 2 opgenomen. Uit het memo en de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er geen verhoogde stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen plaatsvindt, en dus ook geen significant negatieve effecten op stikstofgevoelige, beschermde natuurgebieden.

Conclusie
Gelet op vorenstaande conclusies met betrekking tot de soortenbescherming en gebiedsbescherming, waaronder het berekende effect op beschermde natuurgebieden van 0,00 mol/ha/jaar, mag worden aangenomen dat de ecologische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet wordt belemmerd.

4.2 Erfgoed

Wet- en regelgeving
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

Voor het onderzoek naar erfgoed wordt uitgegaan van de Cultuurhistorische Kaart 2 (CHK2) van de Provinsje Fryslân, waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden.

4.2.1 Archeologie

Algemeen
Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de bekende en de te verwachten archeologische waarden. Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt hiertoe de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden Steentijd - Bronstijd en Ijzertijd - Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken. Uit de gemeentelijke uitsnede van de FAMKE blijkt dat er diverse terreinen met bekende archeologische waarden bestaan, de zogenaamde 'streven naar behoud' en 'waarderend onderzoek' terreinen (paars en rood). Dit betreft voor de periode Steentijd - Bronstijd vooral vuursteenvindplaatsen en voor de periode Ijzertijd - Middeleeuwen vooral terpen. Voor het overige is sprake van zogenaamde verwachtingszones, waar geen archeologische verwachting (meer) geldt.

De archeologische waardevolle terreinen en de verwachtingszones zijn beschermd via een dubbelbestemming archeologie, afhankelijk van de toegekende waarde. Zoals gezegd wordt gebruik gemaakt van twee soorten archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. Waarde - Archeologie 1 wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies 'streven naar behoud' en 'waarderend onderzoek' hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. Waarde - Archeologie 2 wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies 'karterend onderzoek' en 'quickscan' hebben gekregen en zijn dan ook gebieden met een archeologische verwachtingswaarde.

In gebieden met een archeologische waarde (Waarde - Archeologie 1) zijn in principe ingrepen vanaf 50 m2 en dieper dan 40 cm vergunningsplichtig en moet een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden voorafgaand aan de vergunningverlening. Dit om de archeologische behoudenswaardigheid in voldoende mate te kunnen bepalen. Het vaststellen van de archeologische waarde wordt gedaan aan de hand van één of meerdere archeologische vooronderzoeken. In eerste instantie moet een bureau- en booronderzoek worden uitgevoerd. Eventueel volgt hierop nog een proefsleuvenonderzoek. Na iedere onderzoeksfase wordt de rapportage van het betreffende onderzoek ter beoordeling aan de gemeente voorgelegd. Het vooronderzoek wordt afgesloten als uit de beoordeling van de rapportage blijkt dat de waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Vervolgens wordt namelijk besloten of voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden (opgraven, begeleiden en/of planaanpassing) of dat het plangebied archeologisch wordt vrijgegeven ten behoeve van de werkzaamheden.

Voor de gebieden in een archeologische verwachtingszone (Waarde - Archeologie 2) zijn de vrijstellingsgrenzen ruimer en speelt mogelijk archeologisch onderzoek bij ingrepen vanaf 500 m2. Wanneer sprake is van bodemverstorende ingrepen dieper dan 40 cm, afhankelijk van de omvang van de ingreep, dan is archeologisch onderzoek nodig voor zover het plangebied op de hiernavolgende figuur is aangegeven als:

  • 'karterend onderzoek' dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 500 m2.
  • 'karterend onderzoek 2' dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 2.500 m2.
  • 'karterend onderzoek 3' dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 5.000 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2020westBPBuren31A-ontw_0004.jpg"

Figuur 4. Uitsnede van de FAMKE betreffende Steentijd-Bronstijd (links) en Ijzertijd-Middeleeuwen (rechts).

Toetsing
In het plangebied is sprake van het advies 'karterend onderzoek 3' voor de onderzoeksperiode Steentijd - Bronstijd en het advies 'karterend onderzoek 1' voor de onderzoeksperiode Ijzertijd - Middeleeuwen. Dit houdt in dat een archeologisch onderzoek wordt voorgeschreven wanneer ruimtelijke ingrepen plaatsvinden die dieper reiken dan 0,40 m en groter dan 5.000 m2 respectievelijk 500 m2 zijn. Het planvoornemen van voorliggend plan voor nieuwbouw van één vrijstaande woning is niet van een dusdanig grootschalige omvang dat archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.

De beschermingsregeling ten aanzien van archeologie middels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' uit het geldende bestemmingsplan is met voorliggend bestemmingsplan gecontinueerd. Met

deze archeologische beschermingsregeling wordt de relatie behouden met de advisering in het gebied naar archeologisch onderzoek op grond van de provinciale FAMKE.

Conclusie
Dit bestemmingsplan mag wat betreft archeologie uitvoerbaar worden geacht.

Nota bene
De archeologische meldingsplicht blijft te allen tijde van kracht. Dit betekent dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente Súdwest-Fryslân.

4.2.2 Cultuurhistorie

Toetsing
Bestudering van de CHK2 van Provinsje Fryslân leert dat in het plangebied geen bijzonderheden ten aanzien van cultuurhistorische waarden hoeven te worden verwacht.

Conclusie
Dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd vanwege de mogelijkheid op het verstoren van onderkende cultuurhistorische waarden; de noodzaak van een beschermingsregeling ten behoeve van cultuurhistorie ontbreekt.

4.3 Waterparagraaf

Wet- en regelgeving
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema's waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.

Waterwet 
De Waterwet, die per 22-12-2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van deze wetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. Het eerste Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro.

Toetsing
Digitale watertoets
Het initiatief van dit bestemmingsplan is in het kader van de watertoets op digitale wijze op 16-10-2020 bij het waterschap aangemeld. In Bijlage 3 van dit bestemmingsplan zijn de stukken met betrekking tot de watertoets opgenomen.

Op basis van de aangeleverde gegevens is met de digitale watertoets geconstateerd dat een 'normale procedure' moet worden gevolgd vanwege de ligging van het plangebied (voor een beperkt en ondergeschikt deel aan de straatzijde) in een zone persleidingen en de beschermingszone van een hoofdwater.

Voor zover noodzakelijk en mogelijk dienen de waterhuishoudkundige zaken in de regels en op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan te worden verwerkt. Voor een persleiding en de beschermingszone van het achter de woningen aan de overzijde van de straat gesitueerde hoofdwater (de Djippert) is dat niet het geval.

In de huidige situatie is het gebied onverhard. De planontwikkeling leidt dan ook tot een toename van verhard oppervlak. Een verhardingstoename leidt tot een versnelde afvoer van hemelwater. Nieuw oppervlaktewater is doorgaans de meest voorkomende manier van compensatie van verhard oppervlak. De Leidraad Watertoets van Wetterskip Fryslân stelt hierover ten aanzien van de minimum te compenseren oppervlakte het volgende (p.49):

"Als het te realiseren oppervlakte uit komt op een oppervlakte kleiner dan 20 m2 is het niet nodig om de compensatie uit te voeren. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als er sprake is van een toename van 300 m2 in een niet-kritisch peilvak, waarbij 5% van 300 m2 = 15 m2 oppervlakte moet worden aangelegd. Op de kaart worden daarnaast de gebieden onderscheiden die vrij voor de boezem liggen en die vrij afstromend zijn."

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2020westBPBuren31A-ontw_0005.jpg"

Figuur 5. Gebiedspecifieke compensatieverplichting Wetterskip Fryslân.

Momenteel worden door Wetterskip Fryslân alleen de peilvakken 'kritisch' en 'niet-kritisch' gehanteerd voor wat betreft de compensatieverplichting ten aanzien van waterberging in het watersysteem. Gelet op de huidige situatie in het plangebied en de voorgenomen toename aan bebouwing met voorliggend postzegelbestemmingsplan van maximaal 250 m2 geldt bij 5% en ook bij 7,5% compensatie geen verplichting. Zo nodig biedt de sloot aan de zuidkant van het plangebied mogelijkheid tot waterberging.

Vervolg
Gelet op voorgaande bestaan er tot het voorliggende plan geen waterhuishoudkundige bezwaren.

Nota bene
Watervergunning (en/of Keurontheffing) van Wetterskip Fryslân als waterbeheerder is nodig voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan open water, waterkeringen en wegen in het beheer van het waterschap, het onttrekken van grondwater en het lozen op het oppervlaktewater. Voor zover noodzakelijk om tot realisatie van het planvoornemen te komen, zullen te zijner tijd de benodigde vergunningen dan wel ontheffingen bij het waterschap moeten worden aangevraagd. Deze worden in een dergelijk geval voor het planvoornemen ook verleenbaar geacht.

4.4 Hinder van bedrijven en voorzieningen

Normstelling en beleid
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals die uitgangspunt is van de Wro, geldt eveneens de noodzakelijkheid tot een voldoende ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst in de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2009. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De grootste afstand is bepalend.

In de genoemde VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden. Bij het omgevingstype ‘rustige woonwijk of rustig buitengebied’ wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Hiertoe bestaat de methode dat de bij functiescheiding op grond van de VNG-publicatie aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, etc.). Een ander methode is om te werken met een categorie-indeling waarbij voorwaarden voor de inpassing worden gegeven, te weten:

  • Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.
  • Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.
  • Categorie C: Activiteiten zoals genoemd bij categorie B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.

In woongebieden is vooral sprake van omgevingstype 1, oftewel de rustige gebieden waar functiescheiding wordt nagestreefd. In centrumgebieden en de directe overgangszones is eerder sprake van omgevingstype 2 betreffende de levendige gebieden met functiemenging. Ter plaatse komen naast elkaar diverse functies als wonen, bedrijvigheid, detailhandel en voorzieningen voor, dan wel dat hier de juridisch-planologische mogelijkheden toe bestaan.

Toetsing
In en rondom het plangebied kan worden gesproken van een gebied met functiemenging, ofwel gemengd gebied omdat in de lintbebouwing langs de Buren en directe omgeving er diverse functies naast elkaar voorkomen, zoals wonen, bedrijvigheid (zo ook kleinschalige aan-huis-verbonden), voorzieningen (maatschappelijk en sport) en agrarische activiteiten.

Er dient te worden beoordeeld in hoeverre er hinder van bedrijven op de nieuw te realiseren hindergevoelige woning kan optreden. Ook andersom is het noodzakelijk om te beoordelen of bestaande hinderveroorzakende functies niet door de introductie van een nieuwe hindergevoelige bestemming worden belemmerd.

Meest relevant voor het planvoornemen is het naast het plangebied gesitueerde dorpshuis. Een dorpshuis kan op basis van de VNG-publicatie worden ingedeeld bij de categorie 'buurt- en clubhuizen' (SBI-code 94991). Hiervoor geldt milieucategorie 2 met het geluidaspect als maatgevend, waarbij in geval van functiemenging categorie B van toepassing is. Dit betekent dat het planvoornemen in ieder geval bouwkundig afgescheiden van het dorpshuis dient te worden gerealiseerd (dus er niet aan vast). Met het planvoornemen van voorliggend bestemmingsplan wordt dan ook voldoende afstand tot het bestaande dorpshuis aangehouden.

Onderzoek geluidseffecten
Omdat het bijbehorende parkeerterrein met vijf parkeerplaatsen nabij de te realiseren woning is gesitueerd, heeft hierom akoestisch onderzoek plaatsgevonden dat als Bijlage 4 bij deze toelichting is gevoegd. Relevante geluidsbronnen zijn de aan- en afvoerbewegingen van verkeer en het parkeren, maar ook het openen en sluiten van autodeuren.

Uit berekeningen van de geluidbelasting op de toekomstige woning (het aangeduide bouwvlak) blijkt dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden voor goede ruimtelijke ordening en ook aan de grenswaarden Activiteitenbesluit. De akoestische situatie vormt dan ook geen probleem ten aanzien van de ruimtelijke inpassing. Voor wat betreft de maximale geluidsniveaus of piekgeluidsniveaus is geconstateerd dat deze hoger kunnen zijn, maar dat deze niet beoordeeld worden vanwege het openbare karakter van de parkeerplaats. In een situatie van parkeren voor openbaar gebruik in de buurt van een woning geldt dit namelijk als algemeen acceptabel.

Verder liggen overige hinderveroorzakende functies op voldoende afstand van de nieuw te realiseren woning zodat er vice versa geen belemmeringen optreden. In dat kader is ook gekeken naar het emissiepunt van het meest nabijgelegen melkveehouderijbedrijf aan Buren 23. Uit controlemetingen (zie onderstaande figuur) blijkt het relevante emissiepunt op meer dan 100 m van het plangebied te liggen. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt dan ook niet gehinderd door het aspect geur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1900.2020westBPBuren31A-ontw_0006.jpg"

Figuur 6. Emissiepunt nabijgelegen melkveehouderijbedrijf.

Conclusie
De uitvoerbaarheid van het planvoornemen van voorliggend bestemmingsplan ondervindt met het oog op een goede ruimtelijke ordening geen belemmeringen vanwege het aspect bedrijven- en milieuzonering.

4.5 Geluidhinder

Wet- en regelgeving
De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid.

Wanneer binnen een geluidzone langs (spoor)wegen of ten behoeve van industrielawaai nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan.

Toetsing
In de wijde omgeving is geen sprake van spoorwegen dan wel de aanwezigheid van gezoneerde bedrijventerreinen. Derhalve vormen spoorweglawaai en industrielawaai op voorhand geen belemmering voor het planvoornemen. Vanwege de alom aanwezige weginfrastructuur dient wegverkeerslawaai daarentegen wel nader te worden beschouwd.

De dorpskom van Ferwoude geldt als 30 km/uur-zone voor het wegverkeer. Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt binnen deze 30 km/uur-zone. De noodzaak van een akoestisch onderzoek, zoals bedoeld in de Wgh is hierdoor niet aan de orde omdat 30 km/uur-wegen geen wettelijk vastgestelde geluidzone kennen. Ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening vormt geluidhinder vanwege wegverkeerslawaai geen belemmering voor het planvoornemen aangezien de Buren geen drukke doorgaande weg betreft en op voorhand kan worden aangenomen dat er geen sprake is van geluidsoverschrijdingen op de gevels van de te realiseren woning.

Conclusie
Dit bestemmingsplan mag uitvoerbaar worden geacht met betrekking tot geluidhinder van wegverkeerslawaai.

4.6 Externe veiligheid

Wet- en regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; ook bekend als het Activiteitenbesluit)

Toetsing
In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Hierin is informatie opgenomen die met risico te maken heeft; zowel risicobronnen als kwetsbare objecten worden getoond die aandacht verdienen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Om na te gaan of er voor het planvoornemen van dit bestemmingsplan ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Dit blijkt in de wijde omgeving van het plangebied (minimaal 2,5 km) niet het geval te zijn.

Conclusie
Vanuit het oogpunt van externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan.

4.7 Luchtkwaliteit

Normstelling en beleid
Projecten met een invloed van 'niet in betekenende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Dit betreft op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) bijdragen van minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor NO2 of PM10. Dit komt overeen met 1,2 ug/m3. De grenswaarde hiervoor ligt op 1.507 auto's dan wel 160 vrachtwagens (grenswaarden per 31-08-2020) per weekdagetmaal.

Toetsing
Een nieuwe vrijstaande koopwoning leidt maximaal tot 8,6 motorvoertuigbewegingen per dag, mvtb/dag, ('rest bebouwde kom', 'weinig stedelijk gebied', kencijfers CROW-publicatie 381 uit 2018). Dit is een zodanig geringe toename dat het planvoornemen als 'niet in betekenende mate' voor de luchtkwaliteit mag worden beschouwd.

Conclusie
Dit bestemmingsplan wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd en dient te worden beschouwd als 'nibm'.

4.8 Bodemkwaliteit

Normstelling en beleid
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. In relatie tot de volksgezondheid moet het toewijzen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming, zoals wonen, in beginsel worden voorkomen. Dit is tevens geregeld in de gemeentelijke Bouwverordening 2012.

Om er zeker van te zijn dat er geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging voordat met grondverzet vanwege het planvoornemen wordt begonnen, geldt in het kader van het traject voor het verkrijgen van omgevingsvergunning de verplichting dat een verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd. Dit onderzoek dient voorafgaand aan de werkzaamheden in het gebied plaats te vinden. Het uitvoeren van bodemonderzoek is een voorwaarde waaraan moet worden voldaan voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend. Indien de grond vervuild blijkt, heeft dit consequenties voor de wijze van verwerken en in- of afvoeren uit het plangebied. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is niet noodzakelijk voor het doorlopen van een op ontwikkeling gerichte bestemmingsplanprocedure wanneer er geen verdenkingen van bodemverontreiniging zijn.

Verkennend bodemonderzoek
Het verkennend bodemonderzoek is verricht door Ingenieursbureau Enviso. De gehele onderzoeksrapportage geldt als Bijlage 5 bij deze plantoelichting. Uit het onderzoek kan worden opgemaakt dat de hypothese 'onverdachte locatie' formeel gezien verworpen dient te worden aangezien er in zowel de boven- als ondergrond licht verhoogde gehalten aan PAK zijn vastgesteld. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium en nikkel aanwezig. De licht verhoogde gehalten zijn echter dusdanig gering dat nader onderzoek niet nodig is. Ingenieursbureau Enviso concludeert dan ook dat kan worden gesteld dat er uit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie.

Conclusie
De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door de milieuhygiënische bodemkwaliteit.

Nota bene
Wanneer de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is (normaliter) eerst een keuring nodig conform het Besluit bodemkwaliteit (Bbk).

4.9 Overig

4.9.1 Kabels en leidingen

In het plangebied kan nutsinfrastructuur zijnde de gebruikelijke huisaansluitingen betreffende gas, water, elektriciteit, kabel en/of telecom aanwezig zijn. Er is echter geen sprake van de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen die een belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen zou kunnen opleveren.

4.9.2 Parkeren

De gemeente Súdwest-Fryslân heeft de "Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018" vastgesteld. Aan de hand daarvan kan de parkeerbehoefte voor verschillende functies worden bepaald. Vervolgens moet aangetoond worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. Voor een vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om aan deze normering te kunnen voldoen.

4.9.3 M.e.r.-verantwoording

De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-beoordeling houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken.

De activiteiten die in het plangebied worden beoogd, overschrijden geen drempelwaarden in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor het bestemmingsplan geldt daarom geen plan-MER. Wel is de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling van toepassing. Op 7 juli 2017 is hiertoe een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) in werking getreden. Hierdoor dient voor projecten die op de D-lijst van het Besluit m.e.r. voorkomen, maar geen drempelwaarden overschrijden, in het kader van de m.e.r.-beoordeling een m.e.r.-aanmeldnotitie te worden opgesteld.

Het planvoornemen kan worden geplaatst in categorie D11.2 betreffende ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het opstellen van een m.e.r.-aanmeldnotitie is aan de orde als een private partij de initiatiefnemende partij is. Wanneer planontwikkeling door de gemeente wordt begeleid en gecoördineerd ligt dit genuanceerder. De m.e.r.-beoordelingsbeslissing en motivering daartoe is uiteindelijk een verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, die voor activiteiten beneden de drempelwaarden moet nagaan en motiveren of er - op basis van alle relevante (Europese) criteria - belangrijke negatieve milieugevolgen zijn uit sluiten.

Gelet op de beperkte ontwikkeling die voorligt en het onderzoek als gepresenteerd in vorengaande paragrafen wordt aangenomen dat geen onaanvaardbare milieueffecten in en vanwege het plangebied hoeven te worden verwacht. De gemeente stelt daarvoor een m.e.r.-beoordelingsbesluit vast. Hiertoe wordt door aanvrager een afzonderlijke m.e.r.-aanmeldnotitie ingediend.

4.9.4 Energietransitie en duurzaamheid

De energietransitie betekent de overgang van fossiele brandstoffen zoals gas, kernenergie en steenkolen naar volledig duurzame energie. Duurzame, groene energie kennen we nu al vanuit zon, wind, biomassa en water.

Duurzaamheid en energietransitie zijn continue processen; concrete afspraken zijn gemaakt in het Klimaatakkoord van 28 juni 2019 en het programma Nederland Circulair in 2050. Dit betekent onder andere in 2030 bijna de helft minder CO2-uitstoot te realiseren dan in 1990. Met de plannen kan het kabinet een belangrijk startschot geven voor opschaling van de energietransitie.

Regelgeving
Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (wet VET) van kracht geworden, die zegt dat het niet meer is toegestaan om nieuwbouw met aardgas te realiseren, tenzij de gemeente beslist dat er zwaarwegende belangen zijn om hier van af te wijken.

Per 1 januari 2021 is BENG van kracht (die de EPC vervangt), met een ambitie naar volledig energieneutraal. Met deze wijziging moeten vanaf 1 januari 2021 alle nieuw te bouwen gebouwen voldoen aan de Bijna Energieneutrale Gebouw eisen (BENG). Daarmee worden strengere eisen gesteld om zo het energiegebruik te verlagen.

Hulpmiddelen om te voldoen aan deze regelgeving
Duurzaam Bouwloket (kenniscentrum voor particuliere initiatieven)
Om (toekomstige) bewoners en initiatiefnemers te helpen werkt de gemeente Súdwest-Fryslân samen met Duurzaam Bouwloket (www.duurzaambouwloket.nl). Zij informeren en adviseren onafhankelijk over alle mogelijke maatregelen op gebied van duurzaam (ver)bouwen, energie besparen en energie opwekken. Met behulp van de helpdesk heeft men daarnaast de mogelijkheid om vrijblijvend vragen te stellen en direct advies in te winnen.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Plansystematiek

Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn.

SVBP2012
De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan artikel 2 betreffende de wijze van meten. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.

Analoog vs. digitaal bestemmingsplan
De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud.

5.2 Toelichting op de regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken:

Hoofdstuk 1 - Inleidende regels
In de 'Inleidende regels' zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.

Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels
In de 'Bestemmingsregels' zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen:

Bestemmingsomschrijving
In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming.

Bouwregels
De bouwregels bieden voor iedere bestemming het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden. Er zijn regels gesteld met betrekking tot het oprichten van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bouwregels kunnen eisen omvatten wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken.

Nadere eisen

In een aantal gevallen, zoals bij de plaats en afmetingen van bebouwing, hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om nadere eisen te stellen wanneer bij omgevingsvergunning van de planregels wordt afgeweken. Nadere eisen kunnen bijvoorbeeld worden gesteld ten aanzien van de goede woonsituatie, sociale veiligheid, verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Afwijken van de bouwregels
Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels per bestemming.

Specifieke gebruiksregels
Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend.

Hoofdstuk 3 - Algemene regels
In de 'Algemene regels' staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen verder voor enige flexibiliteit in het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht; zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. In de overige regels is tot slot het parkeerverhaal met betrekking tot parkeergelegenheid en los- en laadmogelijkheden verwerkt.

Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels
Ten slotte bevat het bestemmingsplan nog 'Overgangs- en slotregels'. Dit betreft overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven artikelen over het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en afsluitend de slotregel.

5.3 Toelichting op de bestemmingen

De regels van dit bestemmingsplan zijn wat betreft systematiek afgestemd op het actuele bestemmingsplan Dorpen Noord/West gemeente Súdwest-Fryslân. Voor het bepalen van de regels voor de beoogde ontwikkeling van één vrijstaande woning in het plangebied van dit bestemmingsplan is aangesloten bij de omliggende bestemmingen. Dit leidt er toe dat de volgende bestemmingen in voorliggend bestemmingsplan voorkomen:

Tuin
Op gronden met de bestemming 'Tuin' zijn tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden te situeren woning, wegen en paden en groenvoorzieningen toegestaan. Verder zijn hieraan ondergeschikt nutsvoorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van erkers en tochtportalen.

Terrein- en erfafscheidingen zijn wel toegestaan, de maximale hoogte hiervoor is 1 m. Daarnaast mogen vlaggenmasten met een maximale hoogte van 8 m worden geplaatst. Tot slot mogen overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van 5,5 m worden gebouwd.

Wonen
De bestemming "Wonen" geldt voor de nieuw te realiseren vrijstaande woning in het plangebied. De woonfunctie is de hoofdfunctie binnen deze bestemming. Binnen de bestemming is het verder onder voorwaarden mogelijk een aantal beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in de woning uit te oefenen (zie daarvoor de bijlage bij de regels).

Door middel van het aangeduide bouwvlak op de verbeelding (van 10 m breedte bij 15 m diepte) is de locatie van het te realiseren hoofdgebouw zijnde het woonhuis bepaald. De oppervlakte van het woonhuis mag conform de gemeentelijke bestemmingsplansystematiek niet meer dan 150 m² bedragen. Ten aanzien van de naastgelegen woonbebouwing is een afstand van 3 m tot de zijdelingse perceelsgrens gehanteerd.

Gelet op de uitgevoerde natuurtoets is een voorwaardelijke verplichting in de bouwregels opgenomen dat bij het bouwen aan de gestelde voorwaarden moet worden voldaan ten aanzien van lichtuitstoot en het voorkomen van versperring van mogelijk in aangrenzende bebouwing gesitueerde vleermuisverblijfplaatsen.

De aanduiding "specifieke vorm van groen - beschermenswaardige boom" ziet op een regeling in het plangebied ten aanzien van de bescherming van de direct naast het plangebied gesitueerde wilg. De aanduiding komt overeen met de boomkruin in het plangebied.

Naast hoofdgebouwen zijn ook bijbehorende bouwwerken toegestaan. In totaal mogen de bijbehorende bouwwerken maximaal 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedragen met een maximum van 100 m². Het bij de woning behorende erf mag daarbij voor maximaal 50% worden bebouwd.

Waarde - Archeologie 2
Op de gemeentelijke Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (gemeentelijke FAMKE) zijn de gebieden aangegeven met een hoge archeologische waarde (advies op de FAMKE: 'streven naar behoud' en 'waarderend onderzoek') en archeologische verwachtingsgebieden (advies op de FAMKE: 'karterend onderzoek' en 'quickscan') aangegeven. Voor de archeologische verwachtingsgebieden gelden verschillende beleidsadviezen die zijn terug te vinden op de FAMKE.

De in dit plan opgenomen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies ‘karterend onderzoek’ en ‘quickscan’ hebben gekregen en derhalve gebieden betreffen met een archeologische verwachtingswaarde waarvoor bij een zekere planomvang archeologisch onderzoek wordt aanbevolen. Deze dubbelbestemming geldt onvoorwaardelijk voor iedere onderliggende grond.

5.4 Overige aspecten

Additionele voorzieningen
In de regels van dit bestemmingsplan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen bij de bestemming inbegrepen zonder dat dit uitdrukkelijk is vermeld. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om ondergrondse leidingen, verhardingen, bermen, geluidwerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke.

Handhaving
Het bestemmingsplan geeft de gewenste planologische situatie voor het plangebied aan. Bestemmingsplannen zijn bindend voor de overheid en de burger. Enerzijds kan de overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen, anderzijds vormt het bestemmingsplan een juridisch kader voor burgers waaruit deze kan afleiden wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, op de in eigendom zijnde dan wel de naastgelegen buurpercelen, in de directe woon- en leefomgeving.

5.5 Bestemmingsplanprocedure

De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden:

Ontwerpbestemmingsplan en vaststellingsprocedure
Na aankondiging in de Staatscourant en in het Gemeenteblad en op de website www.ruimtelijkeplannen.nl, wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd uiterlijk 12 weken na de termijn van terinzagelegging vast.

Vastgesteld bestemmingsplan en beroepsprocedure
Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Iedereen die een zienswijze heeft ingediend, heeft ook de mogelijkheid om beroep in te stellen. Op deze hoofdregel is een aantal uitzonderingen:

  • tegen gewijzigde vaststelling kan beroep worden ingediend zonder dat een zienswijze is ingediend, als de gewijzigde vaststelling leidt tot een belang van diegene die eerder geen aanleiding zag om een zienswijze in te dienen;
  • als kan worden aangetoond dat er een dringende reden bestond waarom geen zienswijze is ingediend. Deze optie is gebonden aan een strikte uitleg en zal niet snel aan de orde zijn.

Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na vaststelling. Binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Onderdeel hiervan is de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Ook wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan het aspect grondexploitatie.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Grondexploitatie
Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een aangewezen bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1. Bro aangegeven. Op basis van het hierin in lid a gestelde ("de bouw van één of meer woningen") wordt het planvoornemen van dit bestemmingsplan als bouwplan aangemerkt. De Grondexploitatiewet, als onderdeel van de Wro, stelt een gegarandeerd kostenverhaal als eis aan bestemmingsplannen. Deze verplichting vervalt wanneer de kosten anderszins zijn verzekerd. De gemeenteraad moet dan wel expliciet besluiten dat er geen exploitatieplan wordt vastgesteld.

Het planvoornemen van dit bestemmingsplan wordt op particulier initiatief ontwikkeld waarbij de exploitatie van het gebied geheel in handen van en voor risico van de ontwikkelende partij ligt. De gemeente voert de ruimtelijke procedure maar hoeft daarvoor geen risicodragende investeringen te doen. De met de voorgenomen ontwikkeling gepaard gaande ambtelijke kosten worden met een anterieure overeenkomst afgestemd met de planontwikkelaar en is hiermee anderszins verzekerd. Er bestaat geen aanleiding om een exploitatieplan op te stellen.

Realisatiekosten
Realisatie van plannen in het plangebied en herinrichting van het terrein vindt door private partijen plaats. De gemeente hoeft hiervoor geen risicodragende investeringen voor haar rekening te nemen.

Planschade
Door het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan voor de betreffende gronden is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. Diegenen die schade lijden door de bestemmingsplanherziening omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt.

De mogelijke kosten die samenhangen met een tegemoetkoming in de planschade worden door de initiatiefnemers van dit bestemmingsplan gedragen. Hiervoor is tussen gemeente en initiatiefnemers een planschadeverhaalovereenkomst gesloten.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Overleg ex art. 3.1.1 Bro

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is dit bestemmingsplan aan verschillende maatschappelijke instanties aangeboden die daarmee in de gelegenheid zijn gesteld om een overlegreactie op het plan in te dienen. In dat kader is van Provinsje Fryslân reactie op voorliggend bestemmingsplan ontvangen die als Bijlage 6 bij deze toelichting is opgenomen. Een tweetal opmerkingen is gemaakt waarover het volgende:

Weidevogelkansgebied (cat. 2: interpretatie verordening/motivering):
Opmerking
Gelet op de ligging in weidevogelkansgebied wordt van provinciewege in het ecologisch onderzoek een uitgebreidere motivering verwacht op grond van artikel 7.2.2 en/of artikel 7.2.4 van de Verordening Romte wil het project doorgang vinden. Daarentegen verwacht de provincie niet dat het project tot extra verstoring leidt.

Reactie
Door ecologisch adviesbureau FaunaX is deze opmerking verwerkt in een herziene versie van de beknopte natuurtoets, als opgenomen in Bijlage 1.

Wonen (cat. 2: interpretatie verordening/motivering)
Opmerking
Aangegeven wordt dat gemotiveerd moet worden op grond van artikel 3.1 van de Verordening Romte op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma door het planvoornemen kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten.

Reactie
Conform de woningbouwafspraken 2020-2030 is er voldoende ruimte om nieuwe plannen aan het woningbouwprogramma toe te voegen. Er vindt geen toets plaats op volkshuisvestelijke meerwaarde van plannen met maximaal twee woningen. Zolang er ruimte is werkt de gemeente mee aan deze kleine plannen.

6.2.2 Inspraak

Naast het overleg ex. art. 3.1.1 Bro kan het bestemmingsplan conform de gemeentelijke inspraakverordening ook voor iedereen ter inzage worden gelegd voor het indienen van inspraakreacties.

6.2.3 Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan wordt na behandeling van eventueel ingekomen overleg- en inspraakreacties ter visie gelegd. Binnen de termijn van tervisielegging kunnen belanghebbenden zienswijzen op het plan naar voren brengen.