direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Erve Molenbeek
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Ten oosten van de historische kern van Ootmarsum heeft de gemeente Dinkelland een plan ontwikkeld voor woningbouw op de locatie van de voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne van Ootmarsum. De totale planvorming kent een lange voorgeschiedenis en omvat naast de voormalige gemeentewerf ook het openluchtmuseum, de woningbouw Commanderiestraat, herinrichting en baggeren van de vijvers Commanderie en de uitbreiding van het parkeerterrein Stadsweide. De voormalige gemeentewerf, nu "Erve Molenbeek" genoemd, maakt stedenbouwkundig onderdeel uit van het plan Commanderie en het openluchtmuseum 'het land van Heeren en Boeren'. Het is een bijzondere plek met veel historie.

Echter past de ontwikkeling van woningbouw op de voormalige gemeentewerf niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken. Daarbij maakt dit bestemmingsplan enkel woningbouw op de locatie van de voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne mogelijk.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Ligging

Het plangebied is gelegen ten oosten van de historische kern van Ootmarsum. Het plangebied is gelegen op een deel van het perceel kadastraal bekend als gemeente Ootmarsum, sectie C en perceelnummer 2369. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0001.png"

Figuur 1.1: ligging plangebied (bron: Atlas van Overijssel)

Begrenzing

De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop het plangebied "Erve Molenbeek" te zien is. Aan de noord- en oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Van Bevervordestraat en aan de zuid- en westzijde door de al aanwezige bebouwing. In figuur 1.2 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0002.png"

Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: Atlas van Overijssel)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Ootmarsum, Commanderie', vastgesteld op 3 november 2015. In figuur 1.3 is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0003.png"

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Ootmarsum, Commanderie' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Groen' en 'Gemengd'. De voor groen aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen en speelvoorzieningen. Net als bij de bestemming Gemengd is ook hier de (bestaande) inrichting van de gronden niet gedetailleerd op de verbeelding vastgelegd. Dit maakt het bijvoorbeeld ook mogelijk om de Molenbeek te verleggen. De vijvers zijn wel apart bestemd en hebben de bestemming 'Water' gekregen. De historische bomenlanen zijn voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van groen - historische bomenlaan". De historische bomenlanen vormen de historische lijnen van Ootmarsum. Ze zijn daarmee ook de stedenbouwkundige en landschappelijk dragende elementen van de ruimtelijke structuur van het gebied.

Binnen de bestemming 'Groen' zijn geen gebouwen toegestaan; enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor het al dan niet bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op spel, vermaak, ontspanning en educatie, waaronder musea, toeristische attracties en grootschalige dagrecreatieve activiteiten, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen de bestemming 'Gemengd' zijn enkel gebouwen ten behoeve van de bestemming mogelijk binnen het bouwvlak. Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om de realisatie van zeven woningen mogelijk te maken. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Erve Molenbeek' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding, schaal 1:1000 (identificatie NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01);
  • Bijlagen bij de toelichting;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

Ootmarsum is één van de oudste steden met stadsrechten in Twente. Omstreeks 1400 was het een vestingstadje met twee poorten en een dubbele ring van wallen en grachten. De Commanderie lag ten zuiden van de stad. De ruimtelijke opbouw van het historisch centrum wordt bepaald door zijn concentrische en compacte vorm. Bepalend voor de ruimtelijke structuur is de centraal gelegen kerk met het kerkplein, waarop het merendeel van de straten uitkomt. In de jaren die volgden is Ootmarsum geleidelijk aan uitgebreid. In eerste instantie vonden de uitbreidingen plaats langs de toegangswegen naar de stad. Later, naar mate de vraag naar woningen toenam, zijn ook de gebieden binnen de toegangswegen ingevuld geraakt. Bij deze invullingen is het concentrische patroon van het historische stadje gedeeltelijk doorgezet. Door de groei van Ootmarsum is de Commanderie die eens buiten de stadswallen van Ootmarsum lag, gelegen binnen de bebouwde kom van Ootmarsum komen te liggen.

Met de recente herontwikkeling van het Commanderieterrein is de entree van het openluchtmuseum aan het Commanderieplein komen te liggen. Het plangebied betreft de voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne. Op deze locatie heeft tot 2015 de gemeentewerf Ootmarsum en de brandweerkazerne gestaan. In 2012 zijn deze gebouwen gesloopt en in 2014-2015 heeft er een bodemsanering plaatsgevonden waarmee de locatie geschikt is gemaakt voor woningbouw. In totaal was er een verhard oppervlak van 3.460 m2. In onderstaande figuur 2.1 is foto, afkomstig van de gemeente Dinkelland, weergegeven van de voormalige gemeentewerf in 2011.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0004.png"

Figuur 2.1: Gemeentewerf Ootmarsum 2011 (bron: Gemeente Dinkelland)

In de huidige situatie betreft het plangebied een grasveld omringd door de historische bomenrij. Aan de noordzijde van het plangebied is de bestaande bebouwing van de kern Ootmarsum gesitueerd. Aan de noordoostzijde ligt een complex voor sportactiviteiten 'De Schalm'. Aan de oostzijde van het plangebied ligt een vijver die tevens wordt gebruikt als schaatsbaan. Aan de westzijde ligt het openluchtmuseum van Ootmarsum waarin in een parkachtige omgeving door 18 authentieke gebouwen, ieder met zijn eigen inventaris en verhaal, en veel gebruiksvoorwerpen en een beeld wordt gegeven van het leven op het platteland in Twente, zo'n 100 jaar geleden. In figuur 2.2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0005.png"

Figuur 2.2: luchtfoto plangebied en omgeving (bron: Atlas van Overijssel)

2.2 Toekomstige situatie

Op het terrein van de voormalige gemeentewerf en de brandweerkazerne heeft de gemeente Dinkelland plannen ontwikkeld voor woningbouw. De planvorming voor het totale gebied kent een lange voorgeschiedenis en omvat naast de voormalige gemeentewerf ook het openluchtmuseum, de woningbouw Commanderiestraat, herinrichting en baggeren van de vijvers Commanderie en uitbreiding van parkeerterrein Stadsweide. De voormalige gemeentewerf, nu 'Erve Molenbeek' genoemd, maakt stedenbouwkundig onderdeel uit van het plan Commanderie en het openluchtmuseum van Ootmarsum.

Het plan betreft de realisatie van zeven vrijstaande woningen. Uitgangspunt voor de woningbouw op 'Erve Molenbeek', voormalige gemeentewerf, is dat het aansluit bij het gebied van het Openluchtmuseum dat zich kenmerkt door een sterk toevallige bebouwingsstructuur. De identiteit van groen met daarin een toevalligheid van de situering van de bouwplekken (geen strakke rooilijn, maar losse bouwvlakken met een variërende oriëntatie) staat centraal. Het ruimtelijk ontwerp sluit aan op het thema 'Het land van Heeren en Boeren' en sluit aan bij de sfeer van de Commanderie als geheel. Daarbij geldt het volgende ruimtelijke concept:

  • gestrooide volumes in het landschap;
  • losse setting van gebouwen;
  • structuur borduurt voort op ruimtelijke setting Openluchtmuseum;
  • structuur respecteert historische boomstructuren;
  • Molenbeek met flauw talud en natuurlijke vegatie;
  • Individuele kavels voorzien van haag op grens met openbare ruimte;
  • Ontsluiting langs de Molenbeek met een doorgaande verbinding;
  • Ten behoeve van de verkeersveiligheid wordt de toegang van de school en sporthal gesloten.

In onderstaande figuur 2.3 is het stedenbouwkundige ontwerp van het plan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0006.png"
Figuur 2.3: stedenbouwkundig ontwerp 'Erve Molenbeek' (bron: gemeente Dinkelland)

Als gevolg van de woningbouw wordt er een oppervlakte van circa 2.500 m2 verhard. Op basis hiervan neemt het verharde oppervlak ten opzichte van de situatie ten tijde van de gemeentewerf en brandweerkazerne af met circa 960 m2.

Op basis van de afname van het totale verharde oppervlak zijn er voor de waterhuishouding als gevolg van het plan geen aanvullende maatregelen voor retentie noodzakelijk. De ingrepen als gevolg van de ontwikkeling van de woningbouw van 'Erve Molenbeek' hebben nauwelijks tot geen negatieve effecten voor de waterhuishouding van het plangebied. Met betrekking tot de waterhuishouding worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

  • 1. schoon houden wat schoon is;
  • 2. volledig gescheiden afvoerstelsel voor hemelwater;
  • 3. grondwaterneutraal bouwen;
  • 4. geen afwenteling van het waterbezwaar.

In paragraaf 4.8 Water' worden deze vier uitgangspunten verder uitgewerkt.

De ontsluiting van het plangebied vindt plaats door de realisatie van een weg welke aansluit op de van Bevervordestraat. Als gevolg van deze weg dienen vijf bomen gekapt te worden om de aansluiting op de van Bevervordestraat te kunnen realiseren. In figuur 2.4 is de standplaats van de te kappen bomen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0007.png"

Figuur 2.4: Standplaats te kappen bomen (bron: gemeente Dinkelland)

In het kader van de kap van de bomen is advies gevraagd op basis van de Kapverordening Dinkelland 2015 en Beleidsregels kapbeleid 2015 van de gemeente Dinkelland. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. Het advies is in Bijlage 2 opgenomen.

Bomen hebben in het algemeen waarde voor fauna vanwege de beschutting en foerageermogelijkheid die ze bieden aan vogels, insecten, kleine zoogdiersoorten en diverse schimmel/platensoorten. Daarnaast hebben bomen een milieuwaarde vanwege de (beperkte) fijnstof afvang, CO2 opslag en zuurstofproductie. Ten opzichte van het stads- en dorpsschoon maken de bomen deel uit van de bomenrij ten noorden van de voormalige gemeentewerf.

Het verwijderen van de bomen is noodzakelijk om de toegangsweg te realiseren. De plek is zo gekozen dat er een minimale impact op het landschapselement (de bomenrij) onstaat. Gelet op het belang van de verwijdering van de bomen, afgezet tegen het belang van het behoud van de bomen, zijn er geen zwaarwegende belangen om een vergunning voor de kap van de bomen te weigeren indien deze aangevraagd wordt als onderhavig bestemmingsplan rechtskracht heeft. Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het vellen of doen vellen van een houtopstand zijn er ten aanzien van de nog aan te vragen omgevingsvergunningen geen redenen om deze te weigeren.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig):

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6, leden 2 t/m 4 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijven voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van zeven vrijstaande woningen. Voor woningbouwlocaties geldt dat de realisatie van 11 woningen niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Op basis van deze uitspraak kan geconcludeerd worden dat de realisatie van zeven woningen ook niet aangemerkt kan worden als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op onderhavig plan.

Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en dat het plan uitvoerbaar is (ABRvS 16 september 2015;ECLI:NL:RVS:2015:2921). Onderhavig plan toont aan dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Er wordt aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt middels de toetsing aan de geldende (algemene) wet- en regelgeving, Rijks-, Provinciaal-, en gemeentelijk beleid en alle in het geding zijnde omgevingaspecten.

Gelet op het feit dat in het onderhavige plan sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' aanvaardbaar is kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling waardoor toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld. Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities.

De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hier bij. Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0008.png"

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes.

Voorliggend plan voldoet aan het streven van de provincie Overijssel naar het bouwen binnen bestaand bebouwd gebied en het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.3 Omgevingsverordening Overijssel). Daarnaast is voor onderhavig plan artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierin is aangegeven dat bestemmingsplannen uitsluitend voorzien in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daarin is aangetoond door middel van actueel onderzoek naar woningbouw. Daarbij geldt dat in ieder geval wordt geacht dat de realisatie past binnen de geldende woonafspraken die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. De gemeente Dinkelland heeft in 2016 de Woonvisie 2016+ vastgesteld. Het woningbouwprogramma dat hierin is opgenomen is afgestemd met de gemeenten uit de subregio Noord-Twente en de Regionale Woonvisie Twente 2015-2025 waarin de 14 Twentse gemeenten gezamenlijk een woonvisie hebben opgesteld. Voor de kern Ootmarsum geldt op basis van de Woonvisie 2016+ voor de periode 2015-2024 een woningbehoefte van 104-156 woningen. Het aantal nieuw te bouwen woningen is nog niet bereikt. Het toevoegen van 6 woningen past daarmee binnen het woningbouwprogramma.

Daarnaast ligt het plangebied binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. Het ruimtelijke beleid in dit landschap is gericht op het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten van deze gebieden. Het plangebied ligt echter binnen de bebouwde kom van Ootmarsum, waar de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap niet aanwezig zijn. Voorliggend plan heeft dan ook geen negatieve effecten op het Nationaal Landschap Noordoost Twente.

Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met de generieke beleidskeuzes zoals die door de provincie zijn opgesteld.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0009.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel)

Het plangebied is gelegen in het gebied 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

Onderhavig plan betreft de transformatie van de voormalige gemeentewerf in Ootmarsum. De voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne zijn in 2012 gesloopt en in 2014-2015 is de bodem gesaneerd. De gemeente Dinkelland is voornemens om zeven woningen op deze locatie te realiseren. Daarbij wordt qua situering en vormgeving van de woningen aangesloten bij de nabije omgeving van het plangebied. De plannen van de gemeente Dinkelland doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor de omgeving.

Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied. In het gebied zijn de kenmerken van de 'Natuurlijke laag' en de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' niet meer aanwezig. Daarom kan toetsing van het plan aan deze gebiedskenmerken achterwege blijven. Binnen de 'Laag van de beleving' heeft het plangebied geen bijzondere eigenschappen. Deze kan daarom buiten beschouwing worden gelaten.

Stedelijke laag

De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grotre infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden.

Het plangebied is gelegen in het gebiedstype 'Woonwijken 1955-nu'. De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Als ontwikkelingen plaatsvinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van onder andere wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0010.png"

Figuur 3.5: stedelijke laag, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Met het realiseren van zeven vrijstaande woningen is rekening gehouden met omliggende functies en bebouwingsstructuren. Uitgangspunt van het ontwerp is dat de bebouwing aansluit bij het gebied van het Openlucht museum, dat zich kenmerkt door een sterk toevallige bebouwingsstructuur. De identiteit van groen met daarin een toevalligheid van de situering van de bouwplekken staat centraal. De invulling van het plangebied met zeven woningen is in overeenstemming met het ter plekke geldende gebiedskenmerk van de 'Stedelijke laag'.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Dinkelland

De gemeente Dinkelland heeft op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening een structuurvisie vastgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente (10 september 2013). De visie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied en de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid.

De gemeente Dinkelland profileert zich als een agrarische en toeristische gemeente. Deze twee componenten zijn dan ook grote dragers van de Dinkellandse economie. Het beleid wordt gericht op het versterken van dit economische profiel. Dinkelland kiest voor een regisserende en faciliterende rol in het borgen en bevorderen van een gezond en maatschappelijk verantwoord economisch leven in de gemeente. Realisering van compenserende werkgelegenheid voor de teruglopende agrarische sector en de bevordering van de economische betekenis van de toeristisch-recreatieve sector zijn hoofdkeuzes van beleid.

Kenmerkend voor de gemeente Dinkelland is het unieke landschap dat is aan te merken als een kleinschalig samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. De gemeente heeft een gezonde economie die ten dele drijft op de agrarische en toeristische sector maar waarin ook zeker andere bedrijvigheid, die zowel in de kernen als het buitengebied is gevestigd, een belangrijke rol speelt. Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van deze unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde weerbare economie.

De hoofdkeuzes die de gemeente Dinkelland heeft opgesteld zijn verder uitgewerkt in integrale steefbeelden voor enkele belangrijke thema's. Daarin is een visie voor de vele kernen binnen de gemeente opgesteld. Hierin is onderscheid gemaakt in verzorgingskernen en woonkernen.

Ootmarsum is de toeristisch-recreatieve trekker van de gemeente en ligt nabij de noordelijke stuwwal van de gemeente. Vanuit de kern zijn verschillende doorzichten naar het omliggende waardevolle landschap. Ootmarsum heeft een centrum- en verzorgingsfunctie voor de buurtschappen Agelo en Oud Ootmarsum. Daarnaast zijn in de structuurvisie de volgende relevante hoofdlijnen voor Ootmarsum opgesteld:

  • Woningbouw uitbreiding vindt plaats binnen de schil van de Dusinksweg. Voor woningbouw in het plan Brookhuis is circa tien hectare gereserveerd (130 woningen);
  • Voor de kern is het Masterplan Ootmarsum met ontwikkellocaties vastgesteld. Dit masterplan ligt ten grondslag aan de incidentele herstructurerings- en/of ontwikkellocaties binnen de kern Ootmarsum;
  • Gebied ten noorden van de wijk De Vinke tussen begraafplaats, sporthal en De Wildhof wordt herontwikkeld voor de bouw commanderie, woningbouw, museum, horeca en parkeren.

Toets 

Onderhavig plan betreft de realisatie van zeven vrijstaande woningen op de locatie van de voormalige gemeentewerf. Het plangebied maakt deel uit van het gebied wat in de structuurvisie is aangemerkt voor de herontwikkeling voor de bouw commanderie, woningbouw, museum, horeca en parkeren. De voorgenomen ontwikkeling betreft de woningbouw op een inbreidingslocatie. Geconcludeerd kan worden dat het plan in lijn is met de Structuurvisie Dinkelland.

3.3.2 Woonvisie 2016+ gemeente Dinkelland

Op 11 juli 2016 is de Woonvisie 2016+ vastgesteld. De centrale ambitie van de woonvisie is dat het voor alle doelgroepen, jong en oud, het aantrekkelijk wonen blijft in Dinkelland. Hiervoor dient het woningaanbod gevarieerd en comfortabel en toekomstbestendig te zijn, zodat men ook op latere leeftijd thuis kan blijven wonen. Hierbij hoort een passend voorzieningenniveau en betrokkenheid van inwoners tot elkaar, waardoor de leefbaarheid in de negen kernen wordt versterkt.

De visie is vertaald in drie ambities:

  • kwaliteitsslag maken: in stand houden kwaliteit centrumgebied/kernwinkelgebieden, verduurzamen en toekomstbestendig maken van de woningvoorraad, gerichte aanpak in buurten door renovatie van woningen en woonomgeving
  • beschikbaarheid: voor iedere doelgroep een woning. Het nieuwbouwprogramma wordt afgestemd met regiogemeenten, nieuwe plancapaciteit wordt getoetst aan afwegingskader, flexibele woningdifferentiatie in bestemmingsplannen en nieuwbouwaccenten op sociale huur en voor middeninkomens.
  • betaalbaarheid: passende prijs met bijbehorende kwaliteit. Beperkte vermindering van de kernvoorraad sociale huurwoningen is mogelijk, voortzetten starterslening, onderzoek naar blijverslening, in huurprijsbeleid corporatie wordt huurprijs beter afgestemd op inkomen.

Dinkelland krijgt de komende jaren te maken met enige bevolkingskrimp. Tot 2035 blijft het aantal huishoudens nog wel toenemen, waarvoor nog aanvullende nieuwbouw nodig is. De gemeente vindt het belangrijk dat er in alle kernen woningen worden gebouwd om te kunnen voorzien in de lokale woonbehoefte. Consumenten en ontwikkelaars vragen om meer ‘ontwikkel-vrijheid’, meer maatwerk en mogelijkheden om eigen ideeën te kunnen vormgeven. Een nieuwbouwprogramma moet flexibel zijn naar type woning, prijsklassen, eigendomsvormen enwoonconcepten. De gemeente volstaat in de Woonvisie met een prioritering voor welke doelgroepen het bestemmingsplan geschikt is.

Voor de kleine kernen wordt de woningdifferentiatie op andere wijze bepaald, omdat het erg moeilijk is om inzicht te krijgen in de woonwensen van verschillende doelgroepen. Daarom worden er bestemmingsplannen gerealiseerd met een flexibele woningdifferentiatie. Verder wordt aan marktpartijen en corporatie gevraagd om concrete bouwplannen te ontwikkelen. Bij het niet voldoende op gang komen van de bouwproductie in een bepaalde kern worden de verschillende doelgroepen die actief zijn op de woningmarkt betrokken en worden concrete woonwensen geinventariseerd.

Uitvoeringsnota woningbouw 2018

Op 2 oktober 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland de 'Uitvoeringsnota woningbouw 2018' vastgesteld. In de Woonvisie 2016+ is aangegeven dat de woningbouwprogrammering in een tweejaarlijkse uitvoeringsnota Woningbouw wordt verantwoord en geactualiseerd, inclusief een actueel kwaliteitskader.

Voor de leefbaarheid in de kernen is het van belang dat er in alle kernen woningen kunnen worden gebouwd. Conform het Coalitieakkoord 2018-2022 wordt het toekennen van woningen per kern die gebaseerd is op het inwoneraantal losgelaten. Er wordt actief gestuurd op inbreiding, waarbij de mogelijkheid bestaat dat strategische grondposities worden ingenomen indien uitbreidingsmogelijkheden niet aanwezig zijn.

Voor de periode 2018 tot en met 2027 is er een mogelijkheid voor toevoeging van 600 woningen. Voor de verzorgingskernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo geldt dat er 300 woningen gebouwd mogen worden.

Toets

Voor de periode 2015-2024 is de woningbehoefte voor de verzorgingskern Ootmarsum 104-156 woningen. De beschikbare bestemmingsplancapaciteit bedraagt 126 woningen, met daarbij nog een nader te bepalen aantal die zullen voortkomen uit woningbouwinitiatieven die de komende periode worden ontwikkeld en ingediend. De gemeente geeft onder meer mogelijkheden voor het realiseren van nieuwe/extra plancapaciteit indien wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden hebben onder meer betrekking op het invulling geven aan beleidsdoelen uit de Woonvisie en het benutten van inbreidingslocaties (transformatie en herstructurering).

Uit de Uitvoeringsnota Woningbouw 2018 blijkt dat er in de gemeente Dinkelland ruimte is voor de toevoeging van 600 woningen verdeeld over de kernen. Voor de verzoringskernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo geldt dat er in de periode van 2018 tot en met 2027 300 woningen gebouwd mogen worden.

Onderhavig plan betreft de herstructurering/transformatie van de locatie van de voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne. Gekeken naar de harde plancapaciteit, de woningbehoefte en de Uitvoeringsnota woningbouw 2018 kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met het beleid uit de Woonvisie 2016+.

3.3.3 Masterplan (toekomstvisie Ootmarsum)

'Ootmarsum Ontwikkelt 2006-2020, Toekomstvisie voor de toeristische hoofdstad van het oosten', is een ambitieuze, dynamische en integrale visie op de toekosmt van Ootmarsum. 'Ootmarsum Ontwikkelt' geeft een integrale toekosmtvisie voor het historisch centrum van Ootmarsum en het omliggende (woongebied). In deze door de gemeenteraad op 3 juli 2007 vastgestelde toekomstvisie is het behoud van de identiteit van Ootmarsum het belangrijkste uitgangspunt. Het komt erop aan die te koesteren en te versterken. Dat betekent dus zorgvuldig en verantwoord omgaan met de keuzemogelijkheden die voor handen zijn. Gestreefd wordt om Ootmarsum in kwalitatief opzicht verder te ontwikkelen als toeristisch centrum van het oosten. Tegelijkertijd dient de leefbaarheid in stand te blijven en waar mogelijk worden verbeterd. Dat is de centrale missie van deze toekomstvisie. De belangrijkste ambities hebben betrekking op economisch/toeristisch, sociaal en ruimtelijk vlak. Met betrekking tot het sociaal vlak is één van de ambities om voldoende woningen en voorzieningen voor jongeren en ouderen te realiseren. Voor het economisch/toeristisch en ruimtelijk vlak zijn er geen relevante ambities voor onderhavig plan.

3.3.4 Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016

De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de gemeente Dinkelland. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveau’s van omgevingskwaliteit:

  • 1. Basis omgeving
  • 2. Midden omgeving
  • 3. Bijzondere omgeving

Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort
bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor:

  • ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij.
  • 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst.
  • ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de inititatiefnemer en/of ontwerper.

Toets

Het plangebied ligt in een gebied wat wordt aangemerkt als primair groen. Het primair groen heeft een historische en/of maatschappelijke betekenis voor Ootmarsum. Daarnaast is het plangebied gelegen in een gebied dat het niveau 'bijzonder omgeving' heeft. Tevens is voor de locatie van het plangebied een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Voor het niveau 'bijzonder omgeving' gelden de volgende ambities:

  • behoud en stimulering van (cultuur)historische structuur en bebouwingskarakteristieken;
  • Behoud en stimulering van de verscheidenheid in architectuur en de individuele bebouwingskwaliteit in relatie tot de functies; met extra aandacht voor (winkel)puien, zorgvuldige detaillering, materiaaltoepassing en bijpassende reclame;
  • Behoud en stimulering van de openbare ruimte en structuur van de kern;
  • In groengebieden extra aandacht voor situering, vormgeving en terreininrichting.

De gebieden met het niveau bijzondere omgeving hebben een bijzondere cultuurhistorische, landschappelijke, stedenbouwkundige of architectonische karakteristieken. Nieuwe ingrepen worden met extra aandacht en zorg beoordeeld. Afhankelijk van het soort bouwwerken wordt het beoordeeld door de stadsbouwmeester en het Q-team.

Voor het plangebied geldt het beeldkwaliteitsplan "Erve Molenbeek Ootmarsum". Het beeldkwaliteitplan vervangt een klein deel van het bestaande beleid en is daarmee ook onderdeel van de Nota Omgevingskwaliteit 2016. Het kwaliteitsteam (Q-team) heeft een advies uitgebracht om bij de inrichting van het gebied meer aan te sluiten bij de 'gestrooide' setting van gebouwen als in het Openlucht museum waarin groen een belangrijke rol speelt. Dit advies is meegenomen bij het osptellen van het stedenbouwkundig ontwerp en verwerkt in het beeldkwaliteitsplan.

Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van zeven vrijstaande woningen. Deze worden zorgvuldig ingepast in de omgeving. Uitgangspunt hierin is dat het plangebied "Erve Molenbeek" aansluit bij het gebied van het Openlucht museum, dat zich kenmerkt door een sterk toevallige bebouwingsstructuur. De identiteit van groen met daarin een toevalligheid van de situering van de bouwplekken staat centraal.

Op voorhand worden er geen belemmeringen verwacht vanuit de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016. Het plan zal qua uiterlijk en vormgeving aansluiten bij de bijzondere karakteristieken van het Openlucht museum. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0011.png"

Figuur 3.3: Fragment Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets

Er worden middels dit bestemmingsplan zeven woningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is 'groen'.

Woningbouw wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer.

De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd:

“Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook 'dorpen' hieronder vallen. Wat 'stedelijke ontwikkeling' inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.”

Uit voorgaande volgt dat de bouw van zeven woningen in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. Het onderhavige project wordt niet gezien als een m.e.r.-plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer en 2000 of meer woningen. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project ruimschoots onder blijft.

De ontwikkeling wordt daarbij op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.

Echter, per 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij de ontwikkeling van onderhavig plan dient een aanmeldnotitie opgesteld te worden.

Op 15 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland besloten dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 3.1, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening, voor het realiseren van zeven woningen op het terrein van de voormalige gemeentewerf in Ootmarsum, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Het besluit is als Bijlage 1 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Het project heeft een belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

4.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0012.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Het plangebied is gelegen naast een openlucht museum met een gasterij 'Oatmössche'. Op grond van de VNG-brochure 'bedrijven en milieuzonering' behoort een museum tot milieucategorie 1 waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt in verband met het aspect geluid. Hoewel een openluchtmuseum niet helemaal gelijk te stellen is met een museum omdat in dit geval ook buitenactiviteiten plaatsvinden, is de richtafstand van 10 meter in beginsel een uitgangspunt ten aanzien van geluid. Voor de overige aspecten (geur, stof en gevaar) geldt een richtafstand van 0 meter.

De afstand van de dichtsbijzijnde gevel van de woning tot aan de grens van de bestemming 'Gemengd', waarbinnen het openluchtmuseum is toegestaan, bedraagt 6 meter. Ten aanzien van de overige woningen in het plangebied bedraagt de afstand ten minste 15 meter (en oplopend). Binnen het plangebied kunnen in de buitenlucht verschillende activiteiten worden uitgeoefend gericht op spel, vermaak, ontspanning en educatie, waaronder musea. Deze activiteiten zullen voornamelijk in het weekend plaatsvinden. De voornoemde activiteiten kunnen in beperkte mate geluid produceren (met name stemgeluid afkomstig van personen), maar dit zal niet zodanig zijn dat dit tot overlast zal leiden.

Daarnaast kan de gasterij tevens worden aangemerkt als een milieubelastend object. Deze kan volgens de VNG-brochure 'bedrijven en milieuzonering' worden aangemerkt als restaurants, cafateria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. behorend tot milieucategorie 1. Er geldt een richtafstand van 10 meter. De afstand van de grens van de bestemming 'Gemengd' met functieaanduiding 'horeca' tot aan de grens van het plangebied bedraagt ten minste 50 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 10 meter.

Aan de noordoostzijde van het plangebied ligt aan de Wildehof 2 sporthal 'De Schalm'. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor een sporthal een richtafstand van 50 meter (milieucategorie 3.1) tot omliggende gevoelige functies in verband met het aspect geluid. Deze geluidsbelasting is afkomstig van de aan- en afvoerbewegingen naar en van de sporthal en het (stem)geluid van de bezoekers en gebruikers van de sporthal.

De geplande woningen liggen binnen een afstand van 50 meter gemeten vanaf de grens van de milieubelastende bestemming (Sport) en de dichtsbijzijnde gevel van de woning. Concreet betreft de afstand tussen de grens van de bestemming 'Sport' en de het bouwvlak van de nieuw te bouwen woning 32 meter. De sporthal staat met de achterzijde richting het plangebied. Bij een gesloten gebouw/sporthal (met gesloten ramen en deuren) zal geluid vanwege de sporthal doorgaans niet leiden tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat gelet op het feit dat het geluid binnen de sporthal geproduceerd wordt.

Voor wat betreft het verkeer van en naar de sporthal wordt verwacht dat deze niet leiden tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat. De parkeerplaats en de toegangsweg naar de sporthal zijn gelegen aan de oostzijde van de sporthal terwijl de geplande woningbouw aan de zuidwestzijde is gepland. De afstand van de uiterste situering van de parkeerplaats van de sporthal tot aan de dichtsbijzijnde nieuw te bouwen woning bedraagt ten minste 100 meter. Gelet op dit feit wordt dan ook geconcludeerd dat er in onderhavig plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Daarnaast ligt naast de sporthal basisschool 'de Meander'. Volgens de VNG-uitgave geldt voor een basisschool een richtafstand van 30 meter in verband met het aspect geluid afkomstig van spelende kinderen. De afstand van de grens van de bestemming van de basisschool tot aan de grens van het plangebied bedraagt ten minste 55 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 10 meter die geldt tussen de milieubelastende bestemming en de dichtsbijzijnde gevel van de woningen in het plangebied.

Tot slot is er aan de Smithuisstraat 3 een garagebedrijf 'Van der Aa' gelegen. Dit bedrijf kan op basis van de VNG-uitgave worden aangemerkt als 'handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven' waarop milieucategorie 2 van toepassing is met een richtafstand van 30 meter in verband met het aspect geluid. De afstand van de grens van de bestemming van het garagebedrijf tot aan de grens van het plangebied bedraagt ten minste 110 meter. Er wordt dan ook ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 30 meter die noodzakelijk is tussen de milieubelastende bestemming en de dichtsbijzijnde gevel van de woningen in het plangebied.

Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er in onderhavig plan sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen;
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets

Het plangebied is gelegen in nabij het centrum van de kern van Ootmarsum. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich dan ook geen geurbelastende objecten op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets

Verkennend bodemonderzoek

Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek (Kruse Milieu, projectcode 18039010, d.d. 3 oktober 2018) om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Zie voor het onderzoek Bijlage 3 bij de toelichting. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw van woningen. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de locatie als onverdacht kan worden beschouwd. Aangezien de bovengrond is gezeefd en er mogelijk nog puin in de grond aanwezig is, wordt de bovengrond als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest.

Resultaten veldwerk
De bovengrond van het terrein is vanwege de aanwezigheid van puin beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Voor de chemische analyses is het terrein beschouwd als niet verdacht. In totaal zijn er 21 inspectiegaten gegraven (handmatig met een schop). De inspectiegaten zijn doorgeboord tot de ongeroerde bodem. Twee boringen zijn afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn, zwak siltig en zwak tot matig humeus zand. Tot een diepte van gemiddeld 1.0 meter is de bodem puinhoudend. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. In het puinpad, dat buiten de scope van het onderzoek valt, is visueel asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het freatische grondwater is in peilbuis 1 en 2 aangetroffen op 1.30 en 1.87 meter min maaiveld.

Resultaten analyses
Uit de chemische analyses blijkt dat de bovengrond op diverse plekken zeer licht is verontreinigd met kwik, lood, zink, minerale olie PCB en PAK. De ondergrond is zeer licht verontreinigd met minerale olie en het grondwater met barium. Uit de asbestanalyse blijkt dat de ondergrond op sommige plekken asbest bevat maar dat het gehalte ruim lager is dan de toetsingswaarde voor een nader onderzoek. Voor de volledige analyse wordt verwezen naar Bijlage 3.

Hypothese
De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien enkele overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond.

De hypothese “verdacht van aanwezigheid van asbest” wordt gehandhaafd, aangezien er asbest is aangetoond.

Conclusie en aanbevelingen verkennend bodemonderzoek
In de bovengrond en ondergrond en in het grondwater zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het onderzoek (zie Bijlage 3). Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren.

In 2 van de 4 mengmonsters van de fijne fractie is asbest aangetroffen. Aangezien de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek niet worden overschreden, is er geen reden voor een nader asbestonderzoek.

Aanvullend bodemonderzoek

Echter, in het verkennend bodemonderzoek is de bodem niet onderzocht op PFAS en is de puinhoudende ondergrond niet onderzocht op asbest. Naar aanleiding hiervan is door Kruse Milieu een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (projectcode 19070730, d.d. 29 april 2020). Het aanvullend bodemonderzoek is als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven.

De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd en grotendeels onverhard. Binnen de onderzoekslocatie is een puinweg gelegen van de Van Bevervordestraat naar het Commanderieplein. Aan de westzijde van de puinweg is een puindepot aanwezig. De puinweg en het puindepot vallen buiten de scope van het bodemonderzoek. De puinhoudende ondergrond wordt als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest. Door de aanwezigheid van de voormalige brandweerkazerne wordt de locatie als verdacht beschouwd voor PFAS. Bij de grondsanering ter plaatse van de voormalige retentievijver was de meest oostelijke wand sterk puinhoudend. De exacte locatie is niet bekend, waardoor ook niet bekend is of deze binnen de onderzoekslocatie valt.

Resultaten veldwerk

Er zijn in totaal 19 boringen verricht tot de ongeroerde bodem en zijn er 3 inspectiesleuven gegraven. Gebleken is dat de bodem tot een diepte van circa 1.5 tot 2.0 meter uit matig fijn, zwak siltig en matig humeus zand bestaat. Deze laag is tevens zwak puinhoudend. De ongeroerde ondergrond hieronder bestaat voornamelijk uit sterk siltige klei. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem.

Aan de oostzijde van de onderzoekslocatie is de bodem tot een diepte van circa 2.0 meter sterk puinhoudend. Ter plaatse van sleuf S2 is het kokosdoek dat als scheidingslaag nog aanwezig. In de overige sleuven is dit doek niet (meer) aanwezig. De bodem onder het fietspad is mogelijk ook nog sterk puinhoudend.

Resultaten chemische analyses

Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

  • de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd met PFAS;
  • de ondergrond (OG I en OG II) is niet verontreinigd met PFAS.

Resultaten asbestanalyses

Op basis van de resultaten van de asbestanalyses kan het volgende worden geconcludeerd:

  • MM FF - 10 bevat asbest (0.4 mg/kg d.s.);
  • MM FF - 11, MM FF - 12 en MM FF - 13 bevatten geen asbest.

Conclusies en aanbevelingen aanvullend bodemonderzoek

De bovengrond en de ondergrond zijn niet verontreinigd met PFAS. Geconcludeerd kan worden dat de aanwezigheid van de voormalige brandweerkazerne geen (negatieve) invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit met betrekking tot PFAS.

De resultaten van het asbestonderzoek van de puinhoudende ondergrond komen overeen met die van het verkennend asbestbodemonderzoek van de bovengrond in 2018. Heterogeen in de zwak puinhoudende grond komt asbest voor in gehalten ruim lager dan de interventiewaarde. Zodoende is er geen sprake van een asbestverontreiniging in de grond.

Aan de oostzijde van onderzoekslocatie is sprake van sterk puinhoudende grond die bij de zeefwerkzaamheden op het terrein niet is gezeefd en dit betreft een restverontreiniging van de bodemsanering die ter plaatse van de voormalige retentievijver is uitgevoerd in 2013. Op basis van de saneringsevaluatie wordt aangenomen dat de sterk puinhoudende grond licht tot matig verontreinigd is.

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouw van 6 woningen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

4.5 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

Toets

Wegverkeerslawaai

Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:

  • a. in stedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
  • b. in buitenstedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
      • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet:

  • c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;
  • e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

Het plangebied wordt ontsloten door wegen die behoren tot een zone waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder geldt de zonering langs wegen niet voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt. In het Gebiedsgericht Geluidbeleid van de gemeente Dinkelland wordt aangegeven dat bij een bestemmingsplanontwikkeling, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, aandacht besteed dient te worden aan geluidssituatie van 30 km/uur wegen. De kern Ootmarsum heeft in het Gebiedsgericht geluidbeleid het gebiedstype Centrum. De relatief hoge dichtheid en de diverse functiemeningen zorgen ervoor dat het geluidsniveau in het gebiedstype Centrum hoger is dan bijvoorbeeld in het Woongebied. Voor het gebiedstype centrum geldt een ambitieklasse 'redelijk rustig 48 dB' en een bovengrens 'onrustig van 53 dB'.

Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van zeven vrijstaande woningen. Het plangebied wordt voor motorvoertuigen ontsloten via de Van Bevervordestraat. De nieuwe woningen zullen op ten minste 20 meter afstand van de Van Bevervordestraat worden gerealiseerd. Tussen de nieuwe woningen en de Van Bevervordestraat ligt een groenstrook met opgaande beplanting. Dit zorgt voor een natuurlijke afscherming tussen de bestaande weg en de nieuwe woning. Verder zal het gemotoriseerd verkeer in het plangebied voornamelijk uit bestemmingsverkeer van- en naar de woningen bestaan. Op basis van het voorgaande wordt verwacht dat het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Railverkeerslawaai

In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Industrielawaai

Zoals in paragraaf 4.2 is beschreven bevindt zich in de nabijheid van het plangebied aan de Wildehof een sporthal. Voor een sporthal geldt op basis van het aspect geluid een richtafstand van 50 meter. Deze geluidsbelasting is afkomstig van de aan- en afvoerbewegingen naar en van de sporthal en het (stem)geluid van de bezoekers en gebruikers van de sporthal.

De geplande woningen liggen binnen een afstand van 50 meter gemeten vanaf de grens van de milieubelastende bestemming (Sport) en de dichtsbijzijnde gevel van de woning. Bij een gesloten gebouw/sporthal (met gesloten ramen en deuren) zal geluid vanwege de sporthal doorgaans niet leiden tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat gelet op het feit dat het geluid binnen de sporthal geproduceerd wordt.

Voor wat betreft het verkeer van en naar de sporthal wordt verwacht dat deze niet leiden tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat. De parkeerplaats en de toegangsweg naar de sporthal zijn gelegen aan de oostzijde van de sporthal terwijl de geplande woningbouw aan de zuidwestzijde is gepland. De afstand van de uiterste situering van de parkeerplaats van de sporthal tot aan de dichtsbijzijnde nieuw te bouwen woning bedraagt ten minste 100 meter. Gelet op dit feit wordt dan ook geconcludeerd dat er in onderhavig plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Daarnaast ligt naast de sporthal basisschool 'de Meander'. Volgens de VNG-uitgave geldt voor een basisschool een richtafstand van 30 meter in verband met het aspect geluid afkomstig van spelende kinderen. De afstand van de grens van de bestemming van de basisschool tot aan de grens van het plangebied bedraagt ten minste 55 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 10 meter.

4.6 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

Onderhavig plan betreft de realisatie van zeven vrijstaande woningen. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 500 per dag worden gesteld. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer in het plangebied, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. in figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven waarbij wordt uitgegaan van 500 extra voertuigbewegingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0013.png"
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0014.png"

Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl).

Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Waterbeheerplan 2016-2021

Watersysteem

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen

Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Watertoetsproces

Op 30 mei 2018 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlage Bijlage 5. Op basis van de Watertoets geldt de normale procedure. Hieronder worden de wateraspecten voor het plangebied beschreven. Daarin worden de uitgangspunten voor de waterhuishouding als gevolg van onderhavig plan beschreven.

Wateraspecten plangebied

Onderhavig plan betreft de realisatie van zeven woningen op de locatie van de voormalige gemeentewerf en brandweerkazerne in Ootmarsum. Door de geplande woningbouw wordt er een oppervlak van 2.250 m2 verhard. Op basis van het verharde oppervlak is er sprake van een afname van het verharde oppervlak ten opzichte van de situatie in 2012. Voor de sloop van de voormalige bebouwing in 2012 was er sprake van een verhard oppervlak van 3.460 m2. In de toekomstige situatie bedraagt het oppervlak 2.250 m2 waardoor het verharde oppervlak afneemt met 960 m2.

Als gevolg van de woningbouw wordt er een oppervlakte van circa 2.500 m2 verhard. Op basis hiervan neemt het verharde oppervlak ten opzichte van de situatie ten tijde van de gemeentewerf en brandweerkazerne af met circa 960 m2. Op basis hiervan zijn er geen maatregelen voor retentie noodzakelijk.

Uitgangspunten waterhuishouding
De ingrepen als gevolg van de ontwikkeling van de woningbouw van 'Erve Molenbeek' leiden tot geen of beperkte effecten op de waterhuishouding. Met betrekking tot de waterhuishouding worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • 1. schoon houden wat schoon is;
  • 2. volledig gescheiden afvoerstelsel voor hemelwater;
  • 3. grondwaterneutraal bouwen;
  • 4. geen afwenteling van het waterbezwaar.

1. Schoon houden wat schoon is
Om dit risico van vervuild afstromend regenwater naar het oppervlaktewater te beperken, is voorzien in een hemelwatersysteem met overstortdrempels en met leidingen met ruime diameters. Door het stelsel uit te voeren met IT-leidingen loopt het stelsel na afloop van een regenbui leeg door infiltratie van het geborgen water in de bodem. Bij grote neerslaghoeveelheden stort het regenwater via de overloop in de IT-leidingen over op de grote vijver van de Commanderie waar voldoende bergingscapaciteit in beschikbaar is.

Het eerste straatvuil wordt afgevangen in de IT-riolering en wordt via een bodempassage geïnfiltreerd in de bodem.

Conclusie: door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “schoon houden wat schoon is” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan.

2. Volledig gescheiden afvoerstelsel voor regenwater
Het hemelwater dat op het nieuwe verharde oppervlak van de woningbouw Erve Molenbeek valt, wordt afgevoerd via een eigen ondergronds leidingensysteem (IT- riolering), zodat het niet vermengd wordt met afvalwater. Via dit IT-stelsel, dat reeds in bepaalde mate berging oplevert, wordt het overschot aan regenwater afgevoerd naar de bergingsvoorziening (wadi) ter hoogte van de vijvers Commanderie.

Conclusie: door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “volledig gescheiden afvoerstelsel voor regenwater” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan.

3. Grondwaterneutraal bouwen
Uitgangspunt is dat de voorgenomen activiteiten geen invloed hebben op de grondwaterstanden in het gebied. Dit wordt gerealiseerd door de toekomstige straatpeilen af te stemmen op de huidige grondwaterstanden. Daar waar niet aan de ontwateringsdiepte wordt voldaan worden de straatpeilen aangepast.

Het uitgangspunt voor stedelijk gebied is dat voldoende ontwateringsdiepte wordt gerealiseerd voor de gewenste functie: voor woningen met kruipruimte is dit 0,7 meter -/- maaiveld. De droogleggingseisen dienen te worden afgezet tegen de lokale (fluctuaties van ) grondwaterstanden. De straatpeilen dienen niet alleen op het grondwaterpeil, maar eveneens afgestemd te worden op de hoogtes van de omgeving.

Conclusie: door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “Grondwaterneutraal bouwen” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan.

4. Geen afwenteling van het waterbezwaar
In het kader van het landelijk beleid voor het waterbeheer in de 21e eeuw wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk vasthouden van water in het plangebied en het water geleidelijk af te voeren naar het benedenstrooms gebied. Zodat bij grote neerslaghoeveelheden ook gebieden, die stroomafwaarts liggen, beschermd zijn tegen overstromingen.

Volgens regulier beleid van de gemeente en het waterschap wordt voor inbreidingslocaties een retentie eis van 20 mm van de toename van het verhard oppervlak gehanteerd, welke binnen het plangebied vastgehouden moet worden. Er is hier echter geen sprake van een toename maar van een afname van het verhard oppervlak.

De afname van het verharde oppervlak (rijbaan) bedraagt ca. 960 m2. Aanvullende maatregelen voor de retentie binnen het plangebied zijn daarmee in principe niet noodzakelijk.

Waterberging binnen plangebied.
De gemeente gaat het verhard oppervlak van 2.500 m2 binnen het plangebied opvangen middels IT riolering. Wanneer we de retentie eis voor inbreidingslocaties hanteren , dan dient er 20 mm te worden gerealiseerd.

Het verharde oppervlak zorgt voor een bergingsopgave van ca. 38 m3 ( 20-3 mm= 17 mm berging over 2.500 m2). Binnen de IT-riolering die wordt aangelegd ( 220 meter PVC 400 mm) zit een berging van 70 m3. Daarmee wordt er ruimschoots aan de retentie eis van een inbreidingslocatie voldaan.

Conclusie: door bovengenoemde inrichtingsmaatregelen wordt in de nieuwe situatie voldaan aan het uitgangspunt “geen afwenteling van het waterbezwaar” en zal dit aspect geen belemmering vormen voor de voorgenomen procedure van het bestemmingsplan.

4.9 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing 

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 380 meter afstand van het plangebied.

Natura 2000-gebied

Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 1,8 kilometer afstand van het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied. Dit betreft het Natura 2000-gebied 'Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek'. In onderstaande figuur 4.4 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000-gebieden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0015.png"

Figuur 4.4: Ligging plangebied ten opzichte van NNN en Natura 2000 (bron: Atlas van Overijssel)

Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten op deze natura 2000- of Natuurnetwerk Nederland gebieden. Er is geen nader onderzoek nodig in het kader van gebiedsbescherming en er hoeft geen ontheffing van de Omgevingsverordening Overijssel of Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt stikstof en mogelijk ammoniak uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstoffen, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Door Natuurbank Overijssel is een stikstofberekening uitgevoerd om de effecten van deze emissie op kwetsbare natuur in Natura 2000-gebied te onderzoeken (projectnummer 1999, versie 1.0, d.d. 15 april 2020). De stikstofberekening is opgenomen in Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan.

Om de stikstofdepositie als gevolg van het plan te bepalen dient de ontwikkelfase en gebruiksfase in beeld gebracht te worden. De ontwikkelingfase kan worden onderscheiden in drie fasen: een voorbereidende fase, een uitvoerende fase en een afwerkingsfase. Alle drie fasen genereren verkeer van en naar het plangebied. Daarnaast draagt de inzet van materieel bij aan de emissie van stikstof. In onderstaande tabel worden weergegeven.

De nieuw te bouwen woningen worden gasvrij. Er vindt dan ook geen verbruik van aardgas plaats tijdens de gebruiksfase. Door het toevoegen van 7 nieuwe woningen aan de woonkern neemt het aantal verkeersbewegingen toe. Op basis van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' geldt de volgende gemiddelde verkeersgeneratie die ontstaat als gevolg van het bewonen van de woningen:Koop, huis, vrijstaand: 8,2 verkeersbewegingen per dag (7 stuks, totaal 57,4 bewegingen).

In het model is rekening gehouden met verkeersbewegingen per woning per etmaal (totaal 57,4 verkeersbewegingen per etmaal, gedurende 365 dagen van het jaar). Deze verkeersbewegingen vinden plaats met de auto.

De precieze route van het verkeer is onbekend. Aangenomen wordt dat, zodra het verkeer het erf heeft verlaten en zich op de van Bevervordestraat bevindt, het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Als rijroute wordt de verkeersroute in het plangebied aangehouden, tot aan de van Bevervordestraat. Als gevolg van de toename van verkeersbewegingen, als gevolg van het bewonen van de 7 woningen, vindt er jaarlijks een NOx-emissie plaats van 4,9 kg/jaar.

Uit de Aeriusberekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op het nabij gelegen Natura 2000-gebied. Er is geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebied. De onderdelen en resultaten van de Aeriusberekening zijn in bijlage 1 uit Bijlage 6 van deze toelichting bijgevoegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0016.png"

Uit de Aeriusberekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De onderdelen en resultaten van de Aeriusberekening zijn in bijlage 2 uit Bijlage 6 van deze toelichting bijgevoegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0017.png"

Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000 gebied. Er is daarbij geen sprake van een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

Soortenbescherming

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit grasland. Het voornemen is om het plangebied te ontwikkelen als woningbouwlocatie en de realisatie van zeven vrijstaande woningen mogelijk te maken. Omdat negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten niet uit te sluiten zijn, is het verplicht om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten te onderzoeken. Het plangebied is op 25 juli 2018 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies en zijn verwerkt in de rapportage Quickscan Natuurwaarden (projectnummer 1572, versie 1.1) welke als Bijlage 7 is bijgevoegd.

Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën- en (beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten. Deze soorten benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingslocatie en bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats. Het plangebied vormt een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten.

Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezeten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties'. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om rekening te houden met de ecologische waarde van deze soorten en geen amfibieën in winterrust te storen en geen nesten met jonge grondgebonden zoogdiersoorten te beschadigen/vernielen.

De voorgenomen activiteiten worden gezien als een 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening gehouden worden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

Voor wat betreft vleermuizen moet worden opgemerkt dat vleermuizen geen verblijfplaats in het plangebied bezetten omdat er geen potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verwond of gedood en worden geen verblijfplaatsen beschadigd of vernield. Wel moet worden opgemerkt dat het aannemelijk is dat het plangebied gelet op de inrichting en het gevoerde beheer behoort tot foerageergebied voor verschillende vleermuizen. Vleermuizen foerageren boven het grasland en de opgaande beplanting en vliegen over het plangebied tijdens het foerageren rond de randen en kronen van de bomen langs de rand van het plangebied. Door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie en betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet aangetast. Gelet op de vliegroutes van de vleermuizen is het mogelijk dat deze de laanbomen ten westen, ten noorden en oosten van het plangebied benutten als vliegroute van en naar verblijfplaatsen. Door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de betekenis en functie van deze mogelijke vliegroutes niet aangetast. De laanstructuren zijn dusdanig robuust dat enige lichtverstoring aan één zijde van deze structuren, de structuren niet ongeschikt maken als vliegroute voor vleermuizen. Overigens zijn de in het gebied voorkomende soorten niet- tot nauwelijks gevoelig voor lichtverstoring, anders zouden ze niet kunnen leven in de bebouwde omgeving van een dorp.

Gelet op de toelichting en het bijbehorende flora- en faunaonderzoek van het bestemmingsplan 'Ootmarsum, Commanderie' (vastgesteld op 3 november 2015) moet worden opgemerkt dat de laanbomen aan de rand van de oostzijde van het plangebied een belangrijke vaste vliegroute is voor de gewone dwergvleermuis en mogelijk ook de watervleermuis. Er mag daarom geen verlichting op deze bomen worden gericht. Met name de watervleermuis is bekend dat deze zich door licht op de vliegroute laat verstoren.

De bomenrij is ten opzichte van het bestemmingsplan Ootmarsum, Commanderie niet gewijzigd. Voor de bomenrij blijft de bestemming 'Groen' met aanduiding historische bomenlaan gelden. Naast dat deze gronden bestemd zijn voor groenvoorzieningen zijn ze door middel van de aanduiding tevens bestemd voor de behoud en bescherming van de natuurlijke en landschappelijke waarden. Aangezien in deze bomenrij geen ingrepen gaan plaatsvinden en de bomenrij gehandhaafd wordt, worden de natuurwaarden ook behouden.

De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 en vanwege de lokale invloedssfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Er heeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en -gebieden. In het kader van de zorgplicht dienen de werkzaamheden afgestemd te worden op de ecologie van grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

4.10 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

De gemeente Dinkelland heeft voor haar grondgebied een archeologische verwachtings- en advieskaart laten opstellen. Het rapport is door RAAP opgesteld en geeft voor het grondgebied de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan. Aan de hand van deze kaart kan bepaald worden of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In onderstaande figuur is een uitsnede van de archeologische verwachtingenkaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.OOTBPGEMEENTEWERF-OW01_0018.png"
Figuur 4.5: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Dinkelland)

Toets

Het plangebied is gelegen binnen een gebied dat wordt aangemerkt als 'historische kern'. De archeologische verwachting is hoog voor resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd, die in verband staan met bewoning in een historische kern. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 100 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 50 cm.

In opdracht van de gemeente Dinkelland heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in het kader van de herontwikkeling van het Commanderiegebied in Ootmarsum een archeologische begeleiding van de bodemsanering uitgevoerd op het terrein van de voormalige gemeentewerf. De archeologische begeleiding, conform protocol opgraven, diende te worden uitgevoerd, omdat de uit te voeren bodemsanering zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Het betreft een vervolgonderzoek van een in 2005 uitgevoerd bureau en inventariserend veldonderzoek (karterende boringen). De bodem van het onderzoeksgebied bevat mogelijk resten van het tuinencomplex van het voormalige Huis Ootmarsum. In Bijlage 8 is het rapport van de archeologische begeleiding bijgevoegd.

Binnen het onderzoeksgebied is een aantal locaties ten behoeve van de sanering ontgraven. Het gaat onder meer om de voormalige retentievijver, het bezinkbassin, smeerkuil en olieopslag. De geplande ontgravingsdiepte bevond zich tussen 2 en 2,5 m -Mv. De daadwerkelijke ontgravingsdiepte lag tussen 1 en 1,8 m -Mv. Dit komt min of meer overeen met de top van het ongeroerde dekzand. In het centrale en zuidelijke deel van het onderzoeksgebied heeft een meer oppervlakkige ontgraving van de puinhoudende bovenlaag plaatsgevonden. Hier is de natuurlijke ondergrond niet bereikt.

Ondanks de verwachting dat zich resten van de tuinaanleg van het Huis Ootmarsum in de ondergrond kunnen bevinden, zijn deze niet aangetroffen. De bodem bleek in alle onderzochte deelgebieden verstoord te zijn tot in de natuurlijke ondergrond.

Op basis van de conclusies van het archeologisch onderzoek is door de regio-archeoloog het terrein van de voormalige gemeentewerf vrijgegeven. Dat houdt in dat er geen dubbelbestemming vanwege archeologische waarden hoeft te worden opgenomen in dit gebied.

Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat binnen het plangebied geen Rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. Wel is aan de westzijde van het plangebied en ten noorden van het plangebied een historische bomenlaan aanwezig. Deze historische bomenrij blijft in stand gehouden, met uitzondering van het deel ten behoeve van de ontsluiting (zie Bijlage 2, advies kappen bomenrij).

4.11 Verkeer / parkeren

De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnotitie "Bouwen & parkeren 2018" vastgesteld. Het beleid heeft toepassing op gebouwen en ontwikkelingen binnen de gemeente Dinkelland. In de beleidsnotitie is nader uitgewerkt wat de parkeerbehoefte bij een bepaald gebruik is (parkeernorm, als de extra parkeerbehoefte niet op eigen erf kan worden gerealiseerd). Voor veel voorkomende gebruiksfuncties zijn de parkeernormen in de beleidsnotitie vermeld. Andere parkeernormen kunnen afgeleid worden uit de publicatie 317 van CROW.

Het plangebied 'Erve Molenbeek' wordt ontsloten via de Van Bevervordestraat. Dit betreft een 30 km/uur weg. Ter bevordering van de verkeersveiligheid zal er geen motorisch verkeer mogelijk zijn van het plangebied naar de sporthal. Voor het bepalen van de toekomstige verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de CROW-publicatie 317. Op basis van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' kan een inzicht worden gegeven in de verwachte verkeersgeneratie als gevolg van dit plan. Op basis van de CROW-publicatie kan de kern Ootmarsum worden aangemerkt als landelijk woonmilieu aangezien de woonplaats minder dan 10.000 huishoudens heeft. Omdat het groen oppervlak binnen de kern Ootmarsum minder dan 75% van het grondgebied bevat, kan het plangebied worden aangemerkt als 'landelijk - centrum dorps'. Het gemiddeld aantal motorvoertuigbewegingen per woning per weekdagetmaal bedraagt voor het woonmilieutype 'landelijk - centrum-dorps' 6,3 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal.

Onderhavig plan betreft de realisatie van zeven vrijstaande woningen. Op basis van de CROW-publicatie zorgt onderhavig plan voor een verkeersgeneratie van 45 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Een beperkte toename van verkeersbewegingen als gevolg van onderhavig plan kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Op grond van de beleidsnotitie "Bouwen & parkeren 2018" wordt het plangebied aangemerkt als 'rest bebouwde kom'. Voor vrijstaande woningen in het gebiedstype 'rest bebouwde kom' geldt een parkeernorm van 2,30 parkeerplaatsen per woning. In onderhavig plan betekent dit dat er als gevolg van zeven woningen tenminste 17 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden.

In onderhavig plan kan het parkeren plaatsvinden op eigen terrein bij de woning. De vrijstaande woningen hebben voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte en de benodigde parkeerplaatsen. Daarnaast hebben de wegen in het plangebied een breedte van 6 meter. Als algemeen uitgangspunt in de beleidsnotitie "Bouwen & parkeren 2018" is opgenomen dat op wegen met een breedte van 6,00 meter of breder altijd op de rijbaan geparkeerd kan worden. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect 'parkeren' geen belemmeringen oplevert voor dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Opbouw van de regels

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaat uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verlicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

Begrippen

In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikt begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van de lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels
De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.

Algemene regels

  • Anti-dubbeltelbepaling:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Overige regels:

Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van parkeren, welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing te stellen;

Overgangs- en slotregels

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van grond en opstallen, dat afwijking van de regels op het moment van inwerkingtreding vna het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel:

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.3 Bestemmingen

Hierna worden de verschillende bestemmingen kort toegelicht.

Enkelbestemmingen

Artikel 3 (Groen)

De groenvoorzieningen in het plangebied zijn bestemd tot 'Groen'. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - historische bomenlaan' geldt dat de gronden tevens bestemd zijn voor het behoud en bescherming van de natuurlijke en landschappelijke waarden. In deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan; enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De bouwhoogte van erfafscheidingen mag maximaal 2 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte. De hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde (zoals kunstobjecten en speeltoestellen) mag maximaal 8 meter bedragen. Via een afwijkingsbevoegdheid kan deze maat vergroot worden tot 12 meter.

Artikel 4 (Verkeer)
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden betreffen alle openbare straten met in hoofdzaak een functie voor bestemmingsverkeer. De plaatsing van kunstwerken en kunstobjecten is binnen deze bestemming toegestaan. Het spreekt voor zich dat deze gronden niet bebouwd mogen worden en toegankelijk blijven.


Artikel 5 (Wonen)

Aan de woningbouwkavels is de bestemming 'Wonen' toegekend.

Gebruik

Gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor onder andere woningen en bijbehorende bouwwerken bij woningen. Het wonen mag gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep. Daarnaast zijn ondergeschikt aan het hiervoor genoemde gebruik onder meer wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en tuinen, erven en terreinen toegestaan.

Binnen de bestemming 'Wonen' zijn diverse vormen van gebruik bij recht aangemerkt als strijdig gebruik. Het betreft hier een niet-limitatieve opsomming. Aanvullend wordt opgemerkt dat onder gebruik ook het laten gebruiken wordt verstaan.

Naast strijdig gebruik zijn er ook vormen van gebruik die kunnen worden toegestaan op basis van een in de regels opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Het betreft hier het exploiteren van een bed & breakfast en inwoning. Medewerking aan de hiervoor genoemde vormen is gebonden aan de in de afwijkingsbevoegdheid genoemde voorwaarden.

Bouwen

Qua bouwregels is onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Voor hoofdgebouwen is onder meer bepaald dat als hoofdgebouwen uitsluitend woningen mogen worden gebouwd en dat een hoofdgebouw binnen een bouwvlak moet worden gebouwd. Qua type woning zijn vrijstaande woningen toegestaan. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van de hoofdgebouwen bedragen 4,5 en 10 meter.

Bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden en maken visueel onderdeel uit van het hoofdgebouw, waarbij aangesloten wordt op de afmetingen van het hoofdgebouw ter plaatse.

Tevens zijn binnen deze bestemming nog bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen erf- en terreinafscheidingen, kunstobjecten en speeltoestellen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Alle bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn gebonden aan een maximale bouwhoogte.

Tot slot zijn er nog mogelijkheden om af te wijken van de bouwregels voor wat betreft de aan te houden afstanden tot de zijdelingse perceelsgrens en de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Deze afwijkingsmogelijkheden betreffen bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders, de criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening 2008 (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeente Dinkelland is de initiatiefnemer van onderhavig plan. De gemeentelijke kosten en planschadekosten komen voor rekening van de gemeente Dinkelland. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Overijssel

Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft in haar reactie aangegeven [reactie provincie Overijssel].

Waterschap Vechtstromen
Op 30 mei 2018 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van ......... voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn ......... zienswijzen binnengekomen.