Regels
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel
1 Begrippen
Artikel
2 Wijze van meten
Hoofdstuk
2 Bestemmingsregels
Artikel
3 Agrarisch met waarden
Artikel
4 Bedrijf
Artikel
5 Bedrijf - Openbaar nut
Artikel
6 Bedrijventerrein
Artikel
7 Bos
Artikel
8 Centrum
Artikel
9 Dienstverlening
Artikel
10 Groen
Artikel
11 Horeca
Artikel
12 Maatschappelijk
Artikel
13 Maatschappelijk -
Begraafplaats
Artikel
14 Recreatie
Artikel
15 Recreatie -
Verblijfsrecreatie
Artikel
16 Sport
Artikel
17 Verkeer
Artikel
18 Verkeer - Verblijf
Artikel
19 Water
Artikel
20 Wonen - 1
Artikel
21 Wonen - 2
Artikel
22 Wonen - 3
Artikel
23 Wonen - 4
Artikel
24 Wonen - 5
Artikel
25 Wonen - 6
Artikel
26 Waarde - Archeologie 1
Artikel
27 Waarde - Archeologie 2
Artikel
28 Waarde - Archeologie 3
Hoofdstuk
3 Algemene regels
Artikel
29 Anti-dubbeltelbepaling
Artikel
30 Algemene gebruiksregels
Artikel
31 Algemene
aanduidingsregels
Artikel
32 Algemene afwijkingsregels
Artikel
33 Algemene wijzigingsregels
Artikel
34 Overige regels
Hoofdstuk
4 Overgangs- en slotregels
Artikel
35 Overgangsrecht
Artikel
36 Slotregel
Bijlagen
Bijlage 1 Staat van bedrijven
Bijlage 2 Tabel met parkeernormen
In deze regels
wordt verstaan onder:
a. het plan:
het bestemmingsplan Westerbork van de gemeente Midden-Drenthe;
b. bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand
NL.IMRO.1731.Westerbork-VST1 met de bijbehorende regels en bijlagen;
c. aan- of uitbouw:
een gebouw, dat in bouwkundig opzicht qua massa en vorm ondergeschikt is
aan het hoofdgebouw maar functioneel één geheel vormt met het hoofdgebouw;
d. aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid,
waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik
en/of het bebouwen van deze gronden;
e. aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
f. aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten:
het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke - geheel of
overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, waarvan de
aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteiten in de woning
en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie ter
plaatse, kunnen worden uitgeoefend;
g. aan huis verbonden beroep:
het beroep van: accountant, administratieconsulent, advocaat, apotheker,
architect, assurantiebemiddelaar, belastingconsulent, bouwkundig architect,
dierenarts, fysiotherapeut, gerechtsdeurwaarder, huisarts, interieurarchitect,
logopedist, makelaar in onroerend goed, medisch specialist, notaris,
oefentherapeut, organisatieadviseur, raadgevend ingenieur, registeraccountant,
specialist, tandarts, tandartsspecialist, tuin- en landschapsarchitect, verloskundige,
dan wel naar de aard daarmee gelijk te stellen beroep, dat in combinatie met de
woonfunctie als hoofdfunctie kan worden uitgeoefend in een hoofdgebouw en/of
bijgebouw(en) dat is (die zijn) bestemd voor het wonen;
h. achtererf:
gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het gebouw is gelegen;
i. agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel
van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;
j. agrarisch dienstverlenend bedrijf:
een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter
productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische
bedrijven, zoals een loonbedrijf;
k. ambulante detailhandel:
detailhandel die niet plaatsvindt in een detailhandelsvestiging, maar
op of aan de openbare weg. Onder
ambulante detailhandel worden mede verstaan (week)markten en standplaatsen
buiten markten;
l. bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
m. bebouwingspercentage:
een in het bestemmingsplan aangegeven percentage, dat de grootte van het
deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;
n. bed and breakfast(eenheid):
een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor
recreatief nachtverblijf en ontbijt;
o. bedrijfsgebouw:
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
p. bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts
bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op
de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
q. beperkt kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen
een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand is bepaald, waarmee
rekening moet worden gehouden;
r. bestaand:
1 bestaand
gebruik:
Het gebruik dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van het
betreffende gebruiksverbod, met uitzondering van gebruik dat in strijd was met
het voorheen geldende bestemmingsplan;
2. bestaand
bouwwerk:
Een bouwwerk, dat ten tijde van terinzagelegging van het ontwerp van dit
plan bestaat, wordt gebouwd, dan wel nadien krachtens een bouwvergunning,
waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend, kan worden gebouwd;
s. bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
t. bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
u. bijenstal:
een bouwwerk waarin bijenkasten overdekt kunnen worden opgesteld;
v. bijgebouw:
een gebouw, dat in bouwkundig opzicht qua massa en vorm ondergeschikt is
aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en ten dienste staat van
het hoofdgebouw, vrijstaand, dan wel aangebouwd;
w. bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of
veranderen en het vergroten van een bouwwerk. alsmede het geheel of
gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
x. bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
y. bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij
benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks
met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en
kapverdieping;
z. bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige,
bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
aa. bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;
bb. bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar
ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn
toegelaten;
cc. bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
materiaal, welke hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden,
hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
dd. café:
een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar-dancing, dat tot
hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken
voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine
etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid;
ee. cafetaria/snackbar:
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van al dan niet
voor consumptie ter plaatse bereide etenswaren, met als nevenactiviteit het
verstrekken van zwak- en niet-alcoholische dranken;
ff. cultuurgrond:
grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden, die bedrijfsmatig, dan wel
hobbymatig in gebruik zijn, niet zijnde volkstuinen en moestuinen;
gg. dagrecreatief medegebruik:
een dagrecreatief medegebruik van gronden dat
ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve
gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, een
vissteiger, een picknickplaats, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen
medegebruik;
hh. detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten
verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen
kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een
beroeps- of bedrijfsactiviteit;
ii. detailhandel in (volumineuze) grootschalige goederen:
detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot
oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, in de vorm van de verkoop van
auto's, boten, caravans, landbouwwerktuigen, wooninrichtingen,
tuininrichtingsartikelen, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair en naar de
aard daarmee gelijk te stellen artikelen;
jj. dienstverlenend bedrijf:
een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen
van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder onder andere
zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's, galerieën,
dierenklinieken en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en
inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een
seksinrichting;
kk. evenement:
alle tot vermaak en recreatie bedoelde tijdelijke al dan niet periodiek
terugkerende ac-tiviteiten op of aan de openbare weg, dan wel voor publiek
toegankelijk, zoals feesten, markten, braderieën, sportwedstrijden, auto- of
motorcrosswedstrijden, voorstellingen, optochten en georganiseerd vuurwerk, met
uitzondering van:
-
markten
als bedoeld in de Gemeentewet;
-
snuffelmarkten
zoals bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening;
-
activiteiten
binnen inrichtingen in de zin van artikel 1.1 Wet milieubeheer, die behoren tot
de dagelijkse bedrijfsuitoefening en waartoe die inrichting is bestemd en
ingericht;
-
kansspelen
als bedoeld in de Wet op kansspelen;
-
speelgelegenheden
als bedoeld in de Algemene Plaatselijke
Verordening en;
-
betogingen,
samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Waarbij de volgende categorieën evenementen worden onderscheiden:
A.
Evenementen
met een geluidniveau tussen de 75 en 85 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde
woning van derden of een ander geluidgevoelig gebouw.
B.
Evenementen
met een geluidniveau tussen de 60 en 75 dB(A) op de gevel van de
dichtstbijzijnde woning van derden of een ander geluidgevoelig gebouw.
C.
Alle
evenementen met uitsluitend onversterkte muziek en alle evenementen met een
versterkt geluidniveau tot maximaal 60 dB(A) op de gevel van de
dichtstbijzijn-de woning van derden of een ander geluidgevoelig gebouw.
ll. gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk
met wanden omsloten ruimte vormt;
mm. grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen
plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor
het functioneren van het bedrijf;
nn. hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel in bouwkundig opzicht qua massa en vorm,
dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;
oo. intensief veehouderijbedrijf:
een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische
bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren, zoals een rundveemesterij
(exclusief vetweiderij), een varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, of
pelsdierhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de
aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen met (nagenoeg) geen weidegang;
pp. horeca, categorie I:
een horecabedrijf, waar in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt en waar
doorgaans geen overlast voor het leefklimaat wordt veroorzaakt, zoals
restaurants, hotels en pensions en een horecabedrijf dat vooral is gericht op
het overdag en 's avonds verstrekken van in hoofdzaak alcoholvrije dranken en
eenvoudige etenswaren, zoals ijssalons, croissanterieën, lunchrooms en naar de
aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen horecabedrijven;
qq. horeca, categorie II:
een horecabedrijf, waar meestal in hoofdzaak alcoholische dranken worden
verstrekt en/of waarvan de exploitatie doorgaans overlast voor het leefklimaat
kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals
cafés, bars, snackbars en cafetaria’s;
rr. horeca, categorie III:
Een horecabedrijf dat voornamelijk gericht is op het ’s avonds en ’s nachts
verstrekken van (alcoholische) dranken en waar tevens gelegenheid wordt geboden
tot dansen of vergelijkbaar vermaak, zoals een bardancing, zalencentrum,
discotheek en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te
stellen horecabedrijf;
ss. horecabedrijf:
een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor
gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt
verstrekt;
tt. hotel:
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per
nacht) met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken
voor consumptie ter plaatse;
uu. kap:
een dakafdekking onder hoek van meer dan 5° met het horizontale vlak;
vv. kampeermiddel:
1. een
tent, een vouwwagen, een camper, een caravan of een huifkar;
2. enig
ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte
daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, dat geheel of ten dele blijvend kan
worden gebruikt voor recreatief dag- en/of nachtverblijf;
ww. kampeerterrein:
een terrein ter beschikking gesteld voor het
plaatsen, dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen;
xx. kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen
een grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle
inrichting is bepaald, die in acht moet worden genomen;
yy. lodge:
recreatief nachtverblijf dat gedurende langere tijd op een kampeerterrein
op dezelfde plaats blijft bestaan en dat door zijn plaatsing direct of indirect
met de grond is verbonden, dan wel direct of indirect steun vindt in of op de
grond en daardoor als bouwwerk is aan te merken. In dit nachtverblijf is geen
keukenblok aanwezig;
zz. maatschappelijke voorzieningen:
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke
voorzieningen, sportvoorzieningen, kinderopvang en voorzieningen ten behoeve
van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten
dienste van deze voorzieningen;
aaa. mantelzorg:
het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke,
psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch
verband;
bbb. overkapping:
een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en met niet meer
dan één wand is uitgevoerd;
ccc. peil:
1. bij
ligging aan een weg: de kruin van de weg;
2. bij
ligging aan een anderszins verhard terrein: de bovenkant van dat terrein;
3. bij
ligging anders dan een weg of verhard terrein: het maaiveld;
4. bij
aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij of aan een bestaande woning
de bestaande peilmaat van de woning;
ddd. pension:
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies voor
langere tijd met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of
dranken aan de logerende gasten;
eee. recreatieve voorzieningen:
gebouwde en niet-gebouwde voorzieningen gericht op ontspanning en
vrijetijdsbesteding met uitzondering van seksinrichtingen en
horecavoorzieningen;
fff. recreatiewoning:
een permanent aanwezig gebouw, geen woonkeet, (sta)chalet, stacaravan,
tenthuisje, trekkershut en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde,
bestemd om uitsluitend door een huishouden of een daarmee gelijk te stellen
groep van personen, dat of die het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een
gedeelte van het jaar te worden bewoond;
ggg. restaurant:
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden
voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische
en niet-alcoholische dranken;
hhh. risicovolle inrichting:
een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid
inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een
risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten
van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;
iii. seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig,
of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden
verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder
een seksinrichting worden in ieder geval verstaan een prostitutiebedrijf,
alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal,
sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
jjj. sportveld:
veld voor het beoefenen van buitensporten als voetbal, tennis, hockey,
softbal en vergelijkbare sporten;
kkk. stachalet:
1. een
verblijf, bestaande uit een lichte constructie en uit lichte materialen, niet zijnde
een kampeermiddel, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief
dag- en/of nachtverblijf;
2. een
stacaravan met een grotere oppervlakte dan
lll. stacaravan:
een caravan, die als een bouwwerk dient te worden aangemerkt;
mmm. standplaats:
een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop
voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingennet van de openbare
nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;
nnn. supermarkt:
een detailhandelsbedrijf dat zich in hoofdzaak richt op het verkopen van
voedings- en genotsmiddelen en dagelijkse levensbenodigdheden in een algemeen
assortiment, in de vorm van een zelfbedieningszaak;
ooo. tenthuisje:
een verblijf, bestaande uit een lichte constructie
en lichte materialen, waaronder in ieder geval tentdoek, niet zijnde een
kampeermiddel of een stacaravan, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld
voor recreatief dag- en/of nachtverblijf;
ppp. trekkershut:
houten blokhut of soortgelijke lichte constructie
voor vier tot zes personen met slaap-, kook- en zitgelegenheid voor recreatief
dag- en/of nachtverblijf voor passanten;
qqq. verblijfsgebied:
aaneengesloten gebied waar het gebruik van de weg voor gemotoriseerd verkeer
ondergeschikt is aan andere functies, zoals spelen door kinderen of parkeren;
rrr. verkoopvloeroppervlak:
een voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten
behoeve van de detailhandel;
sss. vloeroppervlak:
totale oppervlakte, binnenwerks gemeten, van alle ruimten op de begane
grond, de verdiepingen, de zolder en de bijbehorende aan- en uitbouwen;
ttt. voorgevel:
de naar de weg gekeerde gevel van een woning of, indien een woning met meer
dan één zijde naar de weg is gekeerd, de als zodanig door burgemeester en
wethouders aan te wijzen gevel(s);
uuu. voorgevelrooilijn:
de voorgevelrooilijn is:
1. langs
een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels
van de bestaande bebouwing;
- de
evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een
zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting
van de weg geeft;
2. langs
een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs
mag worden gebouwd:
- bij
een wegbreedte van ten minste
- bij
een wegbreedte geringer dan
- bij
een wegbreedte tussen de
vvv. vrijstaand gebouw:
een niet met het hoofdgebouw verbonden gebouw, dat zowel ruimtelijk als
functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen
(hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;
www. wellness:
het bedrijfsmatig exploiteren van gebouwen met
bijbehorende voorzieningen, waarbij de mogelijkheid wordt geboden om zowel actief
als passief te werken aan de gezondheid en het welzijn van de mens;
xxx. woning:
een
complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één
afzonderlijk huishouden;
yyy. woongebouw:
een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven
elkaar gelegen woningen omvat met één of meer gemeenschappelijke toegangen en
dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.
Bij toepassing
van deze regels wordt als volgt gemeten:
a. de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
b. de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het
boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
c. de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels
(en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en
dakkapellen;
d. de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf
het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen
gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals
schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen
bouwonderdelen;
e. de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen
de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts
geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter
plaatse van het bouwwerk;
f. de afstand tot de (zijdelingse) grens van een
bouwperceel:
de
kortste afstand vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van
een bouwperceel;
g. oppervlakte van een overkapping:
tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het
gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
h. de diepte van
een gebouw:
tussen de buitenkanten van
tegenover elkaar gelegen voor- en achtergevel van hetzelfde gebouw, op dat punt
waar de gevels het verst van elkaar staan.
Bij de toepassing
van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen
als:
1. plinten,
pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel-
en kroonlijsten;
2. erkers
die voldoen aan de bouwregels;
3. overstekende
daken en/of luifels kleiner dan
4. balkons
die minder dan
buiten
beschouwing gelaten.
De voor
'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
agrarische
cultuurgrond;
met daaraan
ondergeschikt:
b.
ijsbaan,
ter plaatse van de aanduiding ‘ijsbaan’;
c.
bijenstallen
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bijenstallen';
d.
groenvoorzieningen;
e.
infrastructurele
voorzieningen;
f.
openbare
nutsvoorzieningen;
g.
waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
h.
tuinen,
erven en terreinen.
met dien
verstande dat:
i.
de
landschappelijke waarden van de door beplante perceelsscheidingen gevormde
verkaveling en de schaal worden beschermd.
a. Voor
het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
1. de
gebouwen zullen binnen een bouwvlak worden gebouwd;
2. het
aantal gebouwen bedraagt niet meer dan één per bouwvlak;
3. de
goot- en bouwhoogte van een gebouw zullen ten hoogste respectievelijk
b. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste
2. de
bouwhoogte van lichtmasten ter plaatse van de aanduiding ‘ijsbaan’ bedraagt
niet meer dan
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt ten hoogste
c. Voor
het bouwen van bijenstallen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van
agrarisch – bijenstallen’ gelden de volgende regels:
1. de
oppervlakte per bijenstal zal ten hoogste
2. de
bouwhoogte van de bijenstal zal ten hoogste
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a.
de
opslag van mest en voer;
b.
het gebruik
van de gronden en bouwwerken voor logiesverstrekking;
c.
het
gebruik van de gronden en bouwwerken voor (productiegerichte) detailhandel;
d.
het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
e.
het
gebruik van gebouwen voor bewoning.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning
(omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of
van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden
uit te voeren:
1. het
aanbrengen van opgaande beplanting;
2. het
aanbrengen van verhardingen;
3. het
aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen
en drainage en daarmee verband houdende constructies,
4. het
verlagen van het waterpeil;
5. het
aanleggen van verharding voor de naar de weg gekeerde gevels van gebouwen, met
dien verstande dat de aanleg van verharding voor de voorgevel(s) ten behoeve
van twee in-/uitritten met een maximale breedte aan de straatzijde van
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde
en werkzaamheden die:
1. reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
2. het
normale onderhoud of de vervanging van bestaande verhardingen betreffen;
3. mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning.
c. De
onder a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het
gebied.
De voor 'Bedrijf'
aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
het
uitoefenen van bedrijven categorie 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Staat
van bedrijven en daarmee gelijk te stellen bedrijven, met uitzondering van
geluidzoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;
b.
het
uitoefenen van dienstverlenende bedrijven;
c.
detailhandel,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel’;
d.
een
gemeentewerkplaats, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm
van bedrijf – gemeentewerkplaats’;
e.
wonen
ten dienste van het bedrijf, met uitzondering van wonen ter plaatse van de
aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’;
met daaraan
ondergeschikt:
f.
groenvoorzieningen;
g.
infrastructurele
voorzieningen;
h.
openbare
nutsvoorzieningen;
i.
waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
j.
tuinen,
erven en terreinen;
met dien
verstande dat:
k.
in de
bestemming risicovolle inrichtingen en categorieën van inrichtingen als bedoeld
in de definitie van industrieterrein, zoals deze is opgenomen in artikel 1 van
de Wet geluidhinder (inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen
veroorzaken) en seksinrichtingen niet zijn begrepen.
a. Voor
het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
1. de
gebouwen en overkappingen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2. het
aantal bedrijfswoningen bedraagt niet meer dan één per bestemmingsvlak, met
dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’
geen bedrijfswoning is toegestaan;
3. de
gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, zal
per bestemmingsvlak niet meer bedragen dan de 110% van de bestaande
gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen en overkappingen;
4. de
oppervlakte van een bedrijfswoning bedraagt maximaal
5. de
goot- en bouwhoogten van de bedrijfsgebouwen bedragen niet meer dan de ter plaatse
aangeduide maximale goot- en bouwhoogten, dan wel niet meer dan de bestaande
goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen;
6. de
goot- en bouwhoogte van niet inpandige bedrijfswoningen bedragen niet meer dan
respectievelijk
b. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal één vlaggenmast van ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn
ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
plaats van bedrijfsgebouwen ten opzichte van de bedrijfswoning, in de zin dat
de bedrijfsgebouwen achter de bedrijfswoning worden geplaatst;
c. de plaats
en de afmetingen van de bedrijfswoning in die zin dat de bedrijfswoning in de
naar de weg gekeerde bouwgrens moet worden gebouwd;
d. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a.
lid 4.2.a, sub 1:
en worden toegestaan dat een gebouw buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits
de oppervlakte van het gebouw buiten het bouwvlak ten hoogste 10% van de
oppervlakte van de bestaande bebouwing bedraagt.
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a.
het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan ondergeschikte
detailhandel ten dienste van het bedrijf en behalve ter plaatse van de aanduiding
‘detailhandel’;
b.
het
gebruik van de gronden ten behoeve van opslag, tenzij de opslag aan de volgende
eisen voldoet:
1. de
opslag mag niet meer bedragen dan 10% van het bouwperceel;
2. de
hoogte van de opslag mag niet meer dan
c.
het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
d.
het gebruik
van een hoofdgebouw dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouw en
aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan overeenkomstig de
bestaande situatie;
e.
het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.
f.
het
gebruik van de bedrijfswoning ten behoeve van aan huis verbonden
beroepsactiviteiten, met dien verstande dat de uitoefening van een aan huis
verbonden beroep uitsluitend is toegestaan voor zover de woonfunctie in
overwegende mate blijft gehandhaafd en er geen ernstige hinder of afbreuk aan
het woonmilieu wordt gedaan en dat voldoet aan de volgende voorwaarden:
1. de woonfunctie van de bedrijfswoning moet
in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
2. aan huis verbonden activiteiten ten
behoeve van het beroep mogen uitsluitend inpandig worden verricht;
3. maximaal 30% van de oppervlakte van de
bedrijfswoning mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten
behoeve van het beroep met een maximum van
4. degene die de gebruiker is van de woning
moet ook degene zijn die het aan huis verbonden beroep uitoefent;
5. de ruimtelijke uitstraling van de
activiteiten moet qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar zijn met het
karakter van de omringende woonomgeving;
6. het gebruik levert geen hinder op voor het
woonmilieu, dan wel doet geen afbreuk aan het karakter van de wijk of buurt;
7. behoudens een beperkte verkoop in het
klein, in direct verband met het aan huis verbonden beroep, mag geen
detailhandel plaatsvinden;
8. het gebruik mag geen nadelige invloed
hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien
van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te worden geparkeerd op
eigen terrein.
Mits de noodzaak wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt
gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de
gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, kan bij een omgevingsvergunning
worden afgeweken van het bepaalde in:
a.
lid 4.1:
en worden toegestaan dat de bedrijfswoning wordt gebruikt ten behoeve van
aan huis- verbonden bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat de uitoefening
van een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend is toegestaan voor zover de
woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd en er geen ernstige hinder
of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan en dat voldoet aan de volgende
voorwaarden:
1.
de
woonfunctie van de bedrijfswoning moet in ruimtelijke en visuele zin primair
blijven;
2.
de aan
huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf mogen uitsluitend inpandig
worden verricht;
3.
maximaal
30% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag worden gebruikt voor de aan
huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met een maximum van
4.
degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
bedrijf uitoefent;
5.
de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6.
het
gebruik levert geen ernstige hinder op voor het woonmilieu, dan wel doet geen afbreuk
aan het woonkarakter van de wijk of de buurt;
7.
van
deze afwijkingsbevoegdheid wordt geen gebruik gemaakt ten behoeve van bedrijven
die vergunningsplichtig of meldingsplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
8.
bedrijfsactiviteiten
zijn bovendien uitsluitend toegestaan voor zover deze voorkomen in, dan wel
naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn met de
bedrijven categorie 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Staat van bedrijven;
9.
behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
bedrijf, mag geen detailhandel plaatsvinden;
10. het gebruik zal geen nadelige invloed
hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien
van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te worden geparkeerd op
eigen terrein.
a. Het is
verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
- het
aanleggen van verharding voor de naar de weg gekeerde gevels van gebouwen, met
uitzondering van een oprit voor motorvoertuigen met een breedte van ten hoogste
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde
en werkzaamheden die:
1. reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
2. het
normale onderhoud of de vervanging van bestaande verhardingen betreffen;
3. mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning.
c. De
onder a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het
gebied.
Burgemeester en wethouders
kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en
bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken, het plan
wijzigen in die zin dat de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming Wonen -
1, mits:
a. na
toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 20 van
overeenkomstige toepassing zijn;
b. is
aangetoond dat geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende
(agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun
ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
c. de
woonfunctie wordt ondergebracht in de voormalige bedrijfswoning, dan wel het
voormalige bedrijfsgebouw;
d. is
aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de
woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
De voor 'Bedrijf
- Openbaar nut' aangewezen gronden zijn bestemd voor openbare nutsvoorzieningen.
a. Voor
het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
1. de
gebouwen en overkappingen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
2. de
hoogte van de gebouwen zal ten hoogste
b. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt
dat de hoogte ten hoogste
De voor
'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
het
uitoefenen van bedrijven categorie 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Staat
van bedrijven en daarmee gelijk te stellen bedrijven, ter plaatse van de
aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2';
b.
het
uitoefenen van bedrijven categorie 1 t/m 3.2 van de in de bijlage opgenomen
Staat van bedrijven en daarmee gelijk te stellen bedrijven, ter plaatse van de
aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2';
c.
verkooppunt
motorbrandstoffen met lpg, uitsluitend ter plaatste van de aanduiding 'verkooppunt
motorbrandstoffen met lpg';
d.
de
verkoop van ambachtelijk vervaardigde, geassembleerde, gedemonteerde en/of gerepareerde
goederen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van
detailhandel – detailhandel
e.
grootschalige
detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel grootschalig’;
f.
groothandel
in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen, uitsluitend ter plaatse van de
aanduiding ‘risicovolle inrichting’;
g.
tijdelijke
opslag van vuurwerk, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’;
h.
wonen
ten dienste van het bedrijf, uitsluitend overeenkomstig de bestaande situatie;
met daaraan
ondergeschikt:
i.
groenvoorzieningen
en water;
j.
infrastructurele
voorzieningen;
k.
openbare
nutsvoorzieningen;
l.
waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met dien verstande dat:
m.
in de
bestemming niet zijn begrepen:
—
risicovolle
inrichtingen, met uitzondering van de inrichtingen als bedoeld onder c en f;
—
vuurwerkbedrijven,
met uitzondering van tijdelijke opslag als bedoeld onder g;
—
geluidzoneringsplichtige
inrichtingen;
—
seksinrichtingen.
a. Voor
het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
1. het
bebouwingspercentage zal per bouwperceel niet meer dan 70% bedragen;
2. de
bouwhoogte bedraagt niet meer dan
3. de
afstand van een gebouw tot de perceelsgrens zal ten minste
b. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste
2. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
afstand van gebouwen tot de as van de weg, indien niet wordt gebouwd in de naar
de weg gekeerde bouwgrens;
b. de
afstand tussen gebouwen, indien deze minder dan
c. de
plaatsing van de gebouwen.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid
6.2, sub a, onder 1:
ten behoeve van het afwijken van het gegeven bebouwingspercentage en worden
toegestaan dat het bebouwingspercentage ten hoogste 80% mag bedragen;
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a.
het
gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van (grootschalige) detailhandel,
tenzij de gronden zijn aangeduid als ‘specifieke vorm van detailhandel –
detailhandel 1 of ‘detailhandel grootschalig’ en er wordt voldaan aan de
volgende voorwaarde:
1.
het
verkoopvloeroppervlak mag maximaal
b.
het
gebruik van gebouwen voor wonen , anders dan bestaande bedrijfswoningen;
c.
het
gebruik van gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk
gebruik onttrokken) voer- of vliegtuigen;
d.
het
gebruik van de gronden ten behoeve van opslag van schroot, afbraak- en
bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin, alsmede voor het storten van puin;
e.
het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
f.
het
gebruik van een hoofdgebouw dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en
uitbouw en aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan
overeenkomstig de bestaande situatie;
g.
het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
h.
het
gebruik van de bedrijfswoning ten behoeve van aan huis verbonden
beroepsactiviteiten, met dien verstande dat de uitoefening van een aan huis
verbonden beroep uitsluitend is toegestaan voor zover de woonfunctie in
overwegende mate blijft gehandhaafd en er geen ernstige hinder of afbreuk aan het
woonmilieu wordt gedaan en dat voldoet aan de volgende voorwaarden:
1.
de
woonfunctie van de bedrijfswoning moet in ruimtelijke en visuele zin primair
blijven;
2.
aan
huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep mogen uitsluitend
inpandig worden verricht;
3.
maximaal
30% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag worden gebruikt voor de aan
huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep met een maximum van
4.
degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
beroep uitoefent;
5.
de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6.
het
gebruik levert geen hinder op voor het woonmilieu, dan wel doet geen afbreuk
aan het karakter van de wijk of buurt;
7.
behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
beroep, mag geen detailhandel plaatsvinden;
8.
het
gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie
ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te
worden geparkeerd op eigen terrein.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a.
lid 6.1, sub a:
en worden toegestaan dat tevens bedrijven worden gevestigd die volgens de
Staat van bedrijven van een naast hogere categorie (categorie 3) zijn, indien
die bedrijven naar de aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met
bedrijven die zijn genoemd in de desbetreffende categorieën, met dien verstande
dat niet zijn toegestaan:
—
vuurwerkbedrijven;
—
geluidzoneringsplichtige
inrichtingen;
—
risicovolle
inrichtingen;
b.
lid 6.5, sub a:
en worden toegestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van
detailhandel in:
-
brand-
en explosiegevaarlijke goederen;
-
ter
plaatse ambachtelijk vervaardigde, geassembleerde, gedemonteerde en/of gerepareerde
goederen;
-
grootschalige
detailhandelsactiviteiten, zoals meubeltoonzalen, tuincentra en bouwmarkten,
alsmede voor detailhandel in auto’s, boten, caravans, landbouwwerktuigen en
grove bouwmaterialen met een maximum verkoopvloeroppervlak van
c.
lid 6.5, sub b:
en bedrijfswoningen worden toegestaan,
mits:
1. het
aantal bedrijfswoningen niet meer dan één per bedrijf zal bedragen;
2. de
goothoogte van de bedrijfswoning ten hoogste
3. de
oppervlakte van de bedrijfswoning ten hoogste
4. de
dakhelling van de bedrijfswoningen ten hoogste 60° zal bedragen.
d.
lid 6.1:
en worden toegestaan dat de bedrijfswoning wordt gebruikt ten behoeve van
aan huis- verbonden bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat de uitoefening
van een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend is toegestaan voor zover de
woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd en er geen ernstige hinder
of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan en dat voldoet aan de volgende
voorwaarden:
1.
de
woonfunctie van de bedrijfswoning moet in ruimtelijke en visuele zin primair
blijven;
2.
de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf mogen uitsluitend inpandig
worden verricht;
3.
maximaal
30% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag worden gebruikt voor de aan
huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met een maximum van
4. degene die de gebruiker is van de woning
moet ook degene zijn die het aan huis verbonden bedrijf uitoefent;
5. de ruimtelijke uitstraling van de
activiteiten moet qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar zijn met het
karakter van de omringende woonomgeving;
6. het gebruik levert geen ernstige hinder op
voor het woonmilieu, dan wel doet geen afbreuk aan het woonkarakter van de wijk
of de buurt;
7. van deze afwijkingsbevoegdheid wordt geen
gebruik gemaakt ten behoeve van bedrijven die vergunningsplichtig of meldingsplichtig
zijn krachtens de milieuwetgeving;
8. bedrijfsactiviteiten zijn bovendien
uitsluitend toegestaan voor zover deze voorkomen in, dan wel naar de aard en de
invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn met de bedrijven
categorie 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Staat van bedrijven;
9. behoudens een beperkte verkoop in het
klein, in direct verband met het aan huis verbonden bedrijf, mag geen
detailhandel plaatsvinden;
10.het gebruik zal geen nadelige invloed
hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien
van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te worden geparkeerd op
eigen terrein.
De voor 'Bos'
aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bos;
b. natuurterrein;
c. voet-
en fietspaden;
d. onverharde
wegen;
e. in-
en uitritten;
f. water;
g. de
bescherming van de landschappelijke waarden van de door beplante
perceelscheidingen gevormde verkaveling en de schaal, alsmede de kenmerkende
grasbermen, inheemse beplanting van perceelscheidingen, greppels langs wegen en
de aanwezigheid en aanplant van grote inheemse bomen;
met dien verstande dat:
h. het
behoud van monumentale bomen wordt nagestreefd, ter plaatse van de aanduiding
'monumentale boom'.
a. Op
deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
b. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt
dat de bouwhoogte niet meer bedraagt dan
Mits de noodzaak wordt
aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en
bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid,
de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, kan bij
een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 7.2, sub
a:
en worden toegestaan dat een niet voor bewoning bedoeld bijgebouw ten
behoeve van de in de bestemming ‘Wonen –
1.
deze
afwijking uitsluitend wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’;
2.
nog
geen ander vrijstaand bijgebouw bij het hoofdgebouw is gebouwd;
3.
per
hoofdgebouw ten hoogste één bijgebouw wordt gebouwd;
4.
de
oppervlakte van een bijgebouw ten hoogste
5.
de
goothoogte van een bijgebouw ten hoogste
6.
de
dakhelling van een bijgebouw niet meer dan 60° zal bedragen.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning
(omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of
van werkzaamheden) van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
1. het
kappen van beplantingen;
2. het
aanbrengen van opgaande beplanting;
3. het
aanbrengen van verhardingen;
4. het
verlagen van het waterpeil;
5. het
aanbrengen of rooien van bomen en/of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd.
6. het
kappen van monumentale bomen;
7. het
uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde
en werkzaamheden die:
1.
reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
2.
het
normale onderhoud of de vervanging van bestaande verhardingen betreffen;
3.
mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning.
c. De
onder a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het
gebied.
d. De
onder a, sub 6 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de
monumentale waarde van de boom niet langer aanwezig is en deze niet zonder
ingrijpende maatregelen aan de boom kan worden hersteld, of de monumentale
waarde in redelijkheid niet meer is te handhaven, of de boom zich in een
zodanige staat bevindt, dat de veiligheid van gebruikers van het omliggende
terrein in gevaar wordt gebracht.
De voor 'Centrum'
aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
wonen;
b.
het
uitoefenen van bedrijven categorie 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Staat
van bedrijven, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige en risicovolle
inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;
c.
het
uitoefenen van dienstverlenende bedrijven;
d.
detailhandel,
waaronder niet wordt begrepen supermarkten;
e.
supermarkt,
ter plaatse van de aanduiding ‘supermarkt’;
f.
het
uitoefenen van horeca, categorie I, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
'horeca van categorie I';
g.
het
uitoefenen van horeca, categorie II, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
‘horeca tot en met horecacategorie II’;
h.
wellnessvoorzieningen,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘wellness’;
i.
een
sportcentrum, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘sportcentrum’;
met daaraan
ondergeschikt:
j.
dienstwoningen;
k.
groenvoorzieningen;
l.
infrastructurele
voorzieningen;
m.
openbare
nutsvoorzieningen;
n.
waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
o.
tuinen,
erven en terreinen;
met dien
verstande dat:
p.
ter
plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1' en
'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 2', de instandhouding van de
bestaande karakteristieke hoofdvorm wordt nagestreefd;
q.
het
behoud van monumentale bomen wordt nagestreefd, ter plaatse van de aanduiding
'monumentale boom'.
a. Voor
het bouwen van hoofdgebouwen, gelden de volgende regels:
1. de hoofdgebouwen dienen binnen het
bouwvlak te worden gebouwd;
2. het aantal (dienst)woningen bedraagt niet
meer dan het bestaande aantal, dan wel niet meer dan het ter plaatse aangeduide
maximum aantal;
3. een hoofdgebouw zal vrijstaand, dan wel
tot maximaal het bestaande aantal aaneen worden gebouwd;
4. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in
de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd;
5. de afstand van een hoofdgebouw of een blok
van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt
ten minste
6. de dakhelling zal niet minder dan 30° en
niet meer dan 60° bedragen, dan wel de bestaande dakhelling indien deze meer of
minder is;
7. de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw
zullen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en
bouwhoogte (m)' is aangegeven;
8. in uitzondering op het bepaalde onder 7
geldt dat de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen ter plaatse van de
aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1' en 'specifieke
bouwaanduiding - karakteristiek 2' niet meer bedragen dan de goot- en
bouwhoogte van het bestaande gebouw.
b. Voor
het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij
(dienst)woningen gelden de volgende regels:
1.
de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
mag maximaal 110% van het grondoppervlak van de (dienst)woning bedragen, met
dien verstande dat:
a.
de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op
het achtererf maximaal 50% van het achtererf mag bedragen;
b.
onverminderd
het bepaalde onder a de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen,
aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen maximaal 80% van het
oppervlak van de (dienst)woning mag bedragen;
c.
onverminderd
het bepaalde onder a en b de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en
overkappingen maximaal
2.
indien
de oppervlakte van de (dienst)woning kleiner is dan
3.
de
breedte van een aan- en uitbouw, aangebouwd bijgebouw of aangebouwde overkapping
naast het hoofdgebouw mag maximaal de helft van de breedte van de voorgevel van
de (dienst)woning bedragen met een maximum van
4.
de
bouwhoogte van platte aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag
maximaal
5.
de
goothoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen bedraagt maximaal de goothoogte van de (dienst)woning, met dien
verstande dat de goothoogte maximaal
6.
de
bouwhoogte van aan- of uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen mag maximaal
7.
de
goot- en boeihoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mogen maximaal
8.
de
bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag maximaal
9.
een
erker mag de bouwgrens/bouwvlak/voorgevelrooilijn overschrijden, mits de
afstand van de voorgevel van de erker tot de perceelsgrens minimaal
10.
de
breedte van de erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal 50% van de breedte van
de gevel van de (dienst)woning waarin de erker wordt geplaatst, bedragen;
11.
de
diepte van de erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal
12.
de
bouwhoogte van de erker mag maximaal
13.
aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op de zijdelingse perceelgrens,
dan wel op een afstand van minimaal
14.
aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen te worden gebouwd op een
afstand van minimaal
15.
bij
vrijstaande hoofdgebouwen dienen de aan- en uitbouwen, de aangebouwde bijgebouwen
en de aangebouwde overkappingen zodanig te worden geplaatst dat aan één zijde
een vrije strook overblijft met een breedte van minimaal
16.
bij
woningen waarvan er horizontaal meer dan twee aaneen zijn gebouwd, mag de diepte
van een aan- en uitbouw, aangebouwd bijgebouw en aangebouwde overkapping achter
de achtergevel van het hoofdgebouw, indien deze aan- of uitbouw, dit
aangebouwde bijgebouw of deze aangebouwde overkapping breder is dan 50% van de
breedte van de achtergevel van het hoofdgebouw, niet meer bedragen dan
c. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal één vlaggenmast van ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn
ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen.
d. de goot-
en bouwhoogte van de met 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1', in die
zin dat dient te worden aangesloten bij de goot- en bouwhoogte en dakvorm van
het bestaande gebouw.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 8.2, sub a onder 1 en 5:
en worden toegestaan dat het hoofdgebouw buiten het bouwvlak mag worden
gebouwd tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bouwvlak.
b. lid 8.2, sub a, onder 5:
en worden toegestaan dat de afstand tussen het hoofdgebouw en de
zijdelingse perceelsgrens wordt verkleind, met dien verstande dat voornoemde
afstand niet minder mag bedragen dan 2,5 m;
c. lid 8.2, sub
b, onder 2:
met dien verstande dat per woning de gezamenlijke oppervlakte van de aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal
d. lid 8.2, sub b, onder 4, 5, 6, 7, en 8:
met dien verstande dat bij uitbreiding van een bestaande aan- of uitbouw,
een bestaand bijgebouw of een bestaande overkapping de goot- en bouwhoogte
gelijk mogen zijn aan de goot- en bouwhoogte van het bestaande.
a.
Onder
strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van
de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
1. het gebruik van gronden en bouwwerken ten
behoeve van horeca, behalve ter plaatse van de aanduidingen 'horeca van
categorie I' en 'horeca tot en met horecacategorie II';
2. het gebruik van gronden en bouwwerken ten
behoeve van supermarkten, behalve ter plaatse van de aanduiding ‘supermarkt’.
3. het gebruik of laten gebruiken van gronden
en/of gebouwen voor een seksinrichting;
4. het gebruik van een hoofdgebouw dan wel een
(dienst)woning inclusief aan- en uitbouw en aangebouwd bijgebouw voor meer dan
één woning, anders dan overeenkomstig de bestaande situatie;
5. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen
voor bewoning;
6. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen
voor het uitoefenen van zelfstandige bedrijven categorie 1 en 2 van de in de
bijlage opgenomen Staat van bedrijven;
7. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen
voor het uitoefenen van zelfstandige dienstverlenende bedrijven;
8. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen
voor het uitoefenen van detailhandel;
9. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen
voor het uitoefenen van horeca in categorie 1 en 2;
10.het gebruik van de gronden en bouwwerken
in combinatie met een aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat de
uitoefening van een aan huis verbonden beroep uitsluitend is toegestaan voor
zover de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd en er geen ernstige
hinder of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan en dat voldoet aan de
volgende voorwaarden:
a.
de
woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
b.
aan
huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep mogen uitsluitend inpandig
worden verricht;
c.
maximaal
30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep met een maximum van
d.
degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
beroep uitoefent;
e.
de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
f.
behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
beroep, mag geen detailhandel plaatsvinden;
g.
het
gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie
ter plaatse;
b.
Ten
aanzien van parkeren dient voldaan te worden aan de parkeernormen zoals
aangegeven in de in de bijlagen opgenomen tabel met parkeernormen.
Mits de noodzaak wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt
gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de
gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, kan bij een omgevingsvergunning
worden afgeweken van het bepaalde in:
a.
lid 8.2, sub a,
onder 2:
en worden toegestaan dat een bestaand hoofdgebouw, geen woning zijnde,
wordt gebruikt voor één (dienst)woning, mits aangetoond is dat geen sprake is van
onevenredige schade voor de aangrenzende bedrijven, in die zin dat de bedrijven
in hun ontwikkelingsmogelijkheden dan wel de bestaande bedrijfsuitoefening
worden beperkt;
b.
lid 8.5, sub a:
en worden toegestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve
van een bed and breakfast, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. de bed and breakfast mag alleen
plaatsvinden op een perceel waar ook een (bedrijfs) woning aanwezig is.
2. de bed and breakfast moet plaatsvinden
binnen de bestaande bebouwing en mag zowel in hoofdgebouw als bijgebouw worden
gerealiseerd. Er wordt uitgegaan van een al bestaande entree;
3. in een bijgebouw mogen voor de bed and
breakfastfunctie uitsluitend slaapplaatsen met sanitaire voorzieningen worden
gerealiseerd. Hieraan gekoppeld, moet in het hoofdgebouw een ontbijtruimte en
mag een eventuele woonkamer worden gerealiseerd;
4. het bijgebouw moet in de directe nabijheid
van het hoofdgebouw staan en een duidelijke relatie hebben met het hoofdgebouw;
5. de uiterlijke kenmerken van het
hoofdgebouw moeten behouden blijven. Er mogen geen uiterlijke kenmerken aan de
woning worden toegevoegd;
6. er mogen maximaal drie bed and
breakfasteenheden worden gerealiseerd;
7. er mogen maximaal zes personen
tegelijkertijd in de bed and breakfast verblijven;
8. er mag geen keukenblok in de bed and
breakfasteenheden worden gemaakt;
9. het parkeren voor de bed and breakfast
moet op eigen erf plaatsvinden;
10.er mag geen extra inrit worden aangelegd
in verband met de vestiging van bed and breakfast;
11.de vestiging van bed and breakfast is
alleen toegestaan aan een verkeersontsluiting van voldoende omvang;
12.er is geen sprake van onevenredige schade
voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun
ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
c.
lid 8.1:
en worden toegestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve
van aan huis- verbonden bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat de
uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend is toegestaan voor
zover de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd en er geen ernstige
hinder of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan en dat voldoet aan de
volgende voorwaarden:
1. de woonfunctie moet in ruimtelijke en
visuele zin primair blijven;
2. de aan huis verbonden activiteiten ten
behoeve van het bedrijf mogen uitsluitend inpandig worden verricht;
3. maximaal 30% van de oppervlakte van hoofd-
en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten
behoeve van het bedrijf met een maximum van
4. degene die de gebruiker is van de woning
moet ook degene zijn die het aan huis verbonden bedrijf uitoefent;
5. de ruimtelijke uitstraling van de
activiteiten moet qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar zijn met het
karakter van de omringende woonomgeving;
6. het gebruik levert geen ernstige hinder op
voor het woonmilieu, dan wel doet geen afbreuk aan het woonkarakter van de wijk
of de buurt;
7. van deze afwijkingsbevoegdheid wordt geen gebruik
gemaakt ten behoeve van bedrijven die vergunningsplichtig of meldingsplichtig
zijn krachtens de milieuwetgeving;
8. bedrijfsactiviteiten zijn bovendien
uitsluitend toegestaan voor zover deze voorkomen in, dan wel naar de aard en de
invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn met de bedrijven
categorie 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Staat van bedrijven;
9. behoudens een beperkte verkoop in het
klein, in direct verband met het aan huis verbonden bedrijf, mag geen
detailhandel plaatsvinden;
10.het gebruik zal geen nadelige invloed
hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien
van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te worden geparkeerd op
eigen terrein.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
1. het
aanleggen van verharding voor de naar de weg gekeerde gevels van gebouwen, met
uitzondering van een oprit voor motorvoertuigen met een breedte van ten hoogste
2. het
kappen van monumentale bomen;
3. het
uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde
en werkzaamheden die:
1. reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
2. het
normale onderhoud of de vervanging van bestaande verhardingen betreffen;
3. mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
c. De
onder a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het
gebied.
d. De
onder a, sub 2 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de
monumentale waarde van de boom niet langer aanwezig is en deze niet zonder
ingrijpende maatregelen aan de boom kan worden hersteld, of de monumentale
waarde in redelijkheid niet meer is te handhaven, of de boom zich in een
zodanige staat bevindt, dat de veiligheid van gebruikers van het omliggende
terrein in gevaar wordt gebracht.
a. Ter
plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1' is het
verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het slopen van een
bouwwerk) bouwwerken te slopen.
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor het slopen:
1. ingevolge
een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
2. van
bouwwerken waarvoor geen bouwvergunning is vereist;
3. dat
reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
c. De
onder a bedoelde vergunning kan slechts worden verleend, mits:
1. geen
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing;
2. de
karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende
wijzigingen aan het pand kan worden hersteld;
3. de
karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;
4. het
delen van een pand of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als
karakteristiek vallen aan te merken en door sloop daarvan geen onevenredige
aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
Burgemeester en
wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het
straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en
bouwwerken, het plan wijzigen in die zin dat:
a.
de
aanduiding ‘horeca van categorie I’ of ‘horeca tot en met horecacategorie II’
in de verbeelding wordt aangebracht, met dien verstande dat:
1. per
hoofdgebouw voldoende parkeerplaatsen op eigen erf worden gerealiseerd dan wel
er op andere wijze in de nodige parkeer-/stallingruimte en laad-/losruimte
wordt voorzien;
2. de
wijziging niet mag leiden tot een beperking van het functioneren van omliggende
bedrijvigheid.
De voor
'Dienstverlening' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. dienstverlenende
bedrijven;
b. wonen
ten dienste van het bedrijf;
met daaraan
ondergeschikt:
c. groenvoorzieningen;
d. infrastructurele
voorzieningen;
e. openbare
nutsvoorzieningen;
f. waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
g. tuinen,
erven en terreinen.
a.
Voor
het bouwen van gebouwen en overkappingen, gelden de volgende regels:
1. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te
worden gebouwd;
2. het aantal bedrijfswoningen bedraagt niet
meer dan één per bestemmingsvlak;
3. de gezamenlijke oppervlakte van de
bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, zal per bestemmingsvlak niet meer
bedragen dan de 110% van de bestaande gezamenlijke oppervlakte van de
bedrijfsgebouwen en overkappingen;
4. de afstand van een hoofdgebouw of een blok
van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt
ten minste
5. van een bouwperceel mag niet meer dan 50%
worden bebouwd, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer
is;
6. de dakhelling zal niet minder dan 30° en
niet meer dan 60° bedragen, dan wel de bestaande dakhelling indien deze meer of
minder is;
7. de oppervlakte van een bedrijfswoning bedraagt
maximaal
8. de goot- en bouwhoogten van de
bedrijfsgebouwen bedragen niet meer dan de ter plaatse aangeduide maximale
goot- en bouwhoogten;
9. de goot- en bouwhoogte van niet inpandige
bedrijfswoningen bedragen niet meer dan respectievelijk
b.
Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal één vlaggenmast van ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn
ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 9.2, sub a, onder 4:
en worden toegestaan dat de afstand tussen het hoofdgebouw en de
zijdelingse perceelsgrens wordt verkleind, met dien verstande dat voornoemde
afstand niet minder mag bedragen dan 2,5 m;
b. lid 9.2, sub a, onder 8 en 9:
ten behoeve van het afwijken van de gegeven goot- en bouwhoogten tot niet
meer dan 10% van die hoogten.
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan ondergeschikte
detailhandel ten dienste van het bedrijf;
b. het
gebruik van de gronden ten behoeve van opslag, tenzij de opslag aan de volgende
eisen voldoet:
1. de
opslag mag niet meer bedragen dan 10% van het bouwperceel;
2. de
hoogte van de opslag mag niet meer dan
c. het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
d. het
gebruik van een hoofdgebouw dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en
uitbouw en aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan overeenkomstig
de bestaande situatie;
e. het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
1. het
aanleggen van verharding voor de naar de weg gekeerde gevels van gebouwen, met
uitzondering van een oprit voor motorvoertuigen met een breedte van ten hoogste
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde
en werkzaamheden die:
1. reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
2. het
normale onderhoud of de vervanging van bestaande verhardingen betreffen;
3. mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning.
c. De
onder a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het
gebied.
De voor 'Groen'
aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
groenvoorzieningen;
b.
sport-
en speelvoorzieningen;
c.
kiosk,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel –
kiosk’;
d.
ambulante
detailhandel, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel –
ambulante detailhandel’;
e.
dagrecreatief
medegebruik;
f.
voet-
en fietspaden;
g.
in-
en uitritten;
h.
water;
met daaraan ondergeschikt:
i.
parkeervoorzieningen;
met dien
verstande dat:
j.
het
behoud van monumentale bomen wordt nagestreefd, ter plaatse van de aanduiding
'monumentale boom'.
a. Voor
het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
1. gebouwen
en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak ter
plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel – kiosk’;
2. de
goothoogte bedraagt ten hoogste
3. de
bouwhoogte bedraagt ten hoogste
b. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. de
bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt niet meer dan
2. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a.
lid 10.2:
voor de bouw van speeltoestellen, een schuilhut of afdak of gelijksoortige
bebouwing of straatmeubilair tot een bouwhoogte van ten hoogste
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester
en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen
bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken
zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
1. het
aanbrengen van opgaande beplanting;
2. het
aanbrengen van verhardingen;
3. het
verlagen van het waterpeil;
4. het
kappen van monumentale bomen;
5. het
uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde
en werkzaamheden die:
1.
reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
2.
het
normale onderhoud of de vervanging van bestaande verhardingen betreffen;
3.
mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning.
c. De
onder a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het
gebied.
d. De
onder a, sub 4 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de
monumentale waarde van de boom niet langer aanwezig is en deze niet zonder
ingrijpende maatregelen aan de boom kan worden hersteld, of de monumentale
waarde in redelijkheid niet meer is te handhaven, of de boom zich in een
zodanige staat bevindt, dat de veiligheid van gebruikers van het omliggende
terrein in gevaar wordt gebracht.
De voor 'Horeca'
aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. het
uitoefenen van horeca, categorie I;
b. wonen
ten dienste van het bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
‘bedrijfswoning’;
met daaraan
ondergeschikt:
c. groenvoorzieningen;
d. infrastructurele
voorzieningen;
e. openbare
nutsvoorzieningen;
f. waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met daarbij
behorende:
g. tuinen,
erven en terreinen.
a. Voor
het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
1. de
gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2. het
aantal bedrijfswoningen bedraagt niet meer dan één per bestemmingsvlak;
3. de
goot- en bouwhoogten van de gebouwen bedragen niet meer dan de ter plaatse aangeduide
maximale goot- en bouwhoogten.
b. Voor
het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen
gelden de volgende regels:
1. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen bij een bedrijfswoning zal ten hoogste 100% van het oppervlak van
de bedrijfswoning bedragen, met dien verstande dat:
a. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op
het achtererf maximaal 50% van het achtererf mag bedragen;
b. onverminderd
het bepaalde onder a de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen,
aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen maximaal 80% van het
oppervlak van het hoofdgebouw mag bedragen;
c. onverminderd
het bepaalde onder a en b de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en
overkappingen maximaal
2. indien
de oppervlakte van het hoofdgebouw kleiner is dan
3. de
breedte van een aan- of uitbouw, aangebouwd bijgebouw of aangebouwde overkapping
naast het hoofdgebouw mag maximaal de helft van de breedte van de voorgevel van
het hoofdgebouw bedragen met een maximum van
4. de
bouwhoogte van platte aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag
maximaal
5. de
goothoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen, mag maximaal de goothoogte van de bedrijfswoning bedragen, met
dien verstande dat de goothoogte maximaal
6. de
bouwhoogte van aan- of uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen mag maximaal
7. de
goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag maximaal
8. de
bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag maximaal
9. een
erker mag de bouwgrens, het bouwvlak of de voorgevelrooilijn overschrijden,
mits de afstand van de erker tot de perceelgrens ten minste
10. de
breedte van een erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal 50% van de breedte van
de gevel van het hoofdgebouw waarin de erker wordt geplaatst, bedragen;
11. de
diepte van een erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal
12. de
bouwhoogte van een erker mag maximaal
13. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op de zijdelingse perceelgrens,
dan wel op een afstand van minimaal
14. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen te worden gebouwd op een
afstand van minimaal
15. de
aan- en uitbouwen, de aangebouwde bijgebouwen en de aangebouwde overkappingen
dienen zodanig te worden geplaatst dat aan één zijde een vrije strook
overblijft met een breedte van minimaal
c. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal één vlaggenmast van ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt tot
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 11.2, sub
a onder 1:
en worden toegestaan dat een gebouw buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits
de oppervlakte van het gebouw buiten het bouwvlak ten hoogste 10% van de
oppervlakte van de bestaande bebouwing bedraagt.
Onder strijdig gebruik
met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
b. het
gebruik van een hoofdgebouw dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en
uitbouw en aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan
overeenkomstig de bestaande situatie;
c. het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.
De voor
'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
maatschappelijke
voorzieningen;
b.
zorginstelling,
ter plaatse van de aanduiding 'zorginstelling';
c.
praktijk
voor fysiotherapie, ter plaatse van de aanduiding ‘praktijkruimte’;
d.
wonen
ten dienste van de maatschappelijke voorziening uitsluitend ter plaatse van de
aanduiding ‘bedrijfswoning’;
met daaraan
ondergeschikt:
e.
groenvoorzieningen
en water;
f.
infrastructurele
voorzieningen;
g.
parkeervoorzieningen;
h.
openbare
nutsvoorzieningen;
i.
waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
j.
tuinen,
erven en terreinen;
k.
speelvoorzieningen;
met dien
verstande dat:
l.
het
behoud van monumentale bomen wordt nagestreefd, ter plaatse van de aanduiding
'monumentale boom';
m.
ter
plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1' en
'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 2', de instandhouding van de
bestaande karakteristieke hoofdvorm wordt nagestreefd.
a. Voor
het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
1. de gebouwen en overkappingen dienen binnen
het bouwvlak te worden gebouwd;
2. het aantal bedrijfswoningen bedraagt niet
meer dan één per bestemmingsvlak;
3. de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen,
waaronder overkappingen, zal per bestemmingsvlak niet meer bedragen dan de 110%
van de bestaande gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen en
overkappingen;
4. in afwijking van sub 3 mag ter plaatse van
de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage’, het bebouwingspercentage niet
meer bedragen dan is aangegeven;
5. de oppervlakte van een bedrijfswoning
bedraagt maximaal
6. de goot- en bouwhoogten van de gebouwen
bedragen niet meer dan de ter plaatse aangeduide maximale goot- en bouwhoogten;
7. de goot- en bouwhoogte van niet inpandige
bedrijfswoningen bedragen niet meer dan respectievelijk
b. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal één vlaggenmast van ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn
ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 12.2, sub
a, onder 1:
en worden toegestaan dat een gebouw buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits
de oppervlakte van het gebouw buiten het bouwvlak ten hoogste 10% van de
oppervlakte van de bestaande bebouwing bedraagt.
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
b. het
gebruik van gebouwen voor bewoning.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
1. het
aanleggen van verharding voor de naar de weg gekeerde gevels van gebouwen, met
uitzondering van een oprit voor motorvoertuigen met een breedte van ten hoogste
2. het
kappen van monumentale bomen;
3. het
uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde
en werkzaamheden die:
1. reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
2. het
normale onderhoud of de vervanging van bestaande verhardingen betreffen;
3. mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning.
c. De
onder a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het
gebied.
d. De
onder a, sub 2 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de monumentale
waarde van de boom niet langer aanwezig is en deze niet zonder ingrijpende
maatregelen aan de boom kan worden hersteld, of de monumentale waarde in
redelijkheid niet meer is te handhaven, of de boom zich in een zodanige staat
bevindt, dat de veiligheid van gebruikers van het omliggende terrein in gevaar
wordt gebracht.
a. Ter
plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1' is het
verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het slopen van een
bouwwerk) bouwwerken te slopen.
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor het slopen:
1. ingevolge
een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
2. van
bouwwerken waarvoor geen bouwvergunning is vereist;
3. dat
reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
c. De
onder a bedoelde vergunning kan slechts worden verleend, mits:
1. geen
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing;
2. de
karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende
wijzigingen aan het pand kan worden hersteld;
3. de
karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;
4. het
delen van een pand of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als
karakteristiek vallen aan te merken en door sloop daarvan geen onevenredige
aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
De voor
'Maatschappelijk - begraafplaats' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. begraafplaats;
met daaraan
ondergeschikt:
b. groenvoorzieningen
en water;
c. infrastructurele
voorzieningen;
d. parkeervoorzieningen;
e. openbare
nutsvoorzieningen;
f. waterhuishoudkundige
voorzieningen.
a. Voor
het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
1. de
gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2. de
bouwhoogte bedraagt niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding ‘maximum
bouwhoogte’ aangegeven bouwhoogte.
b. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt
dat de hoogte ten hoogste
De voor
'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. recreatieve
voorzieningen;
b. volkstuinen,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin';
met daaraan
ondergeschikt:
c. groenvoorzieningen
en water;
d. infrastructurele
voorzieningen;
e. openbare
nutsvoorzieningen;
f. waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
g. tuinen,
erven en terreinen;
h. speelvoorzieningen.
a. Op
deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
b. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal één vlaggenmast van ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt ten hoogste
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen.
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan ondergeschikte
detailhandel ten dienste van de voorzieningen;
b. het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting.
De voor
'Recreatie - verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. verblijfsrecreatie
in de vorm van een kampeerterrein, inclusief standplaatsen voor stacaravans en
lodges, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘kampeerterrein’;
b. verblijfsrecreatie
in de vorm van recreatiewoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
‘recreatiewoning’;
c. recreatieve
doeleinden;
d. centrale
voorzieningen en dienstverlening, waaronder mede een zwembad, horeca en ondergeschikte
detailhandel ten behoeve van de recreatievoorzieningen, uitsluitend ter plaatse
van de aanduiding ‘kampeerterrein’;
e. beheer
en sanitaire voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
‘kampeerterrein’;
f. kantoor,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘kantoor’;
g. opslag,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’;
h. het
wonen ten behoeve van de recreatieve doeleinden;
met daaraan
ondergeschikt:
i. groenvoorzieningen
en water;
j. infrastructurele
voorzieningen;
k. openbare
nutsvoorzieningen;
l. waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
m. tuinen,
erven en terreinen;
n. speelvoorzieningen.
a. Voor
het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
1. de
gebouwen en overkappingen, met uitzondering van de gebouwen ten behoeve van beheer
en sanitaire voorzieningen, dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2. het
aantal bedrijfswoningen bedraagt niet meer dan één per bestemmingsvlak;
3. de
gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen ten behoeve van de functies genoemd
onder lid 15.1, sub d en e, waaronder overkappingen, zal per bestemmingsvlak
niet meer bedragen dan 5% van het bestemmingsvlak;
4. de
oppervlakte van een bedrijfswoning bedraagt maximaal
5. ter
plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ bedragen de goot- en
bouwhoogten van de gebouwen niet meer dan ter plaatse is aangegeven;
6. de
goothoogte van de gebouwen ten behoeve van de beheer en sanitaire voorzieningen
bedraagt niet meer dan
7. de
dakhelling bedraagt ten hoogste 60º.
b. Voor het bouwen van stacaravans gelden de
volgende regels:
1. het
bouwen van stacaravans is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding
‘kampeerterrein’;
2. de
oppervlakte per stacaravan zal ten hoogste
3. de
hoogte van een stacaravan zal ten hoogste
c. Voor
het bouwen van bijgebouwen bij stacaravans gelden de volgende regels:
1. bij
elke stacaravan mag maximaal één bijgebouw worden gebouwd;
2. de
oppervlakte van een bijgebouw zal ten hoogste
3. de
hoogte van een bijgebouw zal ten hoogste
d. Voor het bouwen van lodges gelden de
volgende regels:
1. het
bouwen van lodges is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding
‘specifieke vorm van recreatie - lodges’;
2. de
oppervlakte per lodge zal ten hoogste
3. de
hoogte van een lodge zal ten hoogste
e. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. de
bouwhoogte van een vlaggenmast mag ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn
ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend aan
de openbare weg of openbaar groen.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 15.2, sub a, onder 1 en worden toegestaan dat een gebouw buiten het
bouwvlak wordt gebouwd, mits:
1. de
oppervlakte van het gebouw buiten het bouwvlak ten hoogste 10% van de
oppervlakte van de bestaande bebouwing bedraagt;
b. lid 15.2 en worden toegestaan dat ter plaatse van de aanduiding ‘kampeerterrein’
trekkershutten worden gebouwd, mits:
1. de
oppervlakte van een trekkershut ten hoogste
2. de
hoogte van een trekkershut ten hoogste
3. de
trekkershutten zullen zijn voorzien van een kap, waarvan de helling ten minste
15º en ten hoogste 60º zal bedragen.
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan ondergeschikte
detailhandel ten dienste van de voorzieningen;
b. het
gebruik van bouwwerken en kampeermiddelen, met uitzondering van de
bedrijfswoning, voor permanente bewoning.
c. het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
d. het
gebruik van een hoofdgebouw dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en
uitbouw en aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan
overeenkomstig de bestaande situatie;
e. het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.
De voor 'Sport'
aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. sportvelden;
b. speelvoorzieningen;
c. zwembad,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zwembad';
d. manege,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'manege';
e. sporthal,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'sporthal';
f. wonen ten dienste van de
sportvoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;
met daaraan
ondergeschikt:
g. aan
sportactiviteiten gerelateerde horeca;
h. nutsvoorzieningen,
ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening';
i. tuinen,
erven en terreinen;
j. wegen
en paden;
k. parkeervoorzieningen;
l. water.
a. Voor
het bouwen van de gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
1. de
gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen en overkappingen, niet zijnde gebouwen
ten behoeve van de sporthal en de manege, zal niet meer bedragen dan 5% van het
bestemmingsvlak, dan wel niet meer dan het bestaande oppervlak indien deze meer
bedraagt;
2. ter
plaatse van de aanduiding ‘manege’ zal het bebouwingspercentage niet meer bedragen
dan het aangeduide maximum bebouwingspercentage, waarbij de gebouwen en
overkappingen binnen het bouwvlak dienen te worden gebouwd;
3. ter
plaatse van de aanduiding ‘sporthal’ mogen gebouwen en overkappingen
uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
4. het
aantal bedrijfswoningen bedraagt niet meer dan één per aanduidingsvlak,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale
goot- en bouwhoogte’ , bedragen de goot- en bouwhoogten van de gebouwen niet
meer dan ter plaatse is aangegeven;
6. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale
goothoogte’, bedraagt de goothoogte van de gebouwen niet meer dan ter plaatse
is aangegeven;
7. de
goothoogte van gebouwen ter plaatse van de aanduidingen ‘sportveld’ en
‘zwembad’ bedraagt niet meer dan
8. de
bouwhoogte van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening'
bedraagt niet meer dan
9. de
dakhelling zal ten hoogste 60° zal bedragen.
b. Voor
het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen
gelden de volgende regels:
1. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen bij een bedrijfswoning zal ten hoogste 100% van het oppervlak van
de bedrijfswoning bedragen, met dien verstande dat:
a. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op
het achtererf maximaal 50% van het achtererf mag bedragen;
b. onverminderd
het bepaalde onder a de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen,
aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen maximaal 80% van het
oppervlak van het hoofdgebouw mag bedragen;
c. onverminderd
het bepaalde onder a en b de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en
overkappingen maximaal
2. indien
de oppervlakte van het hoofdgebouw kleiner is dan
3. de
breedte van een aan- of uitbouw, aangebouwd bijgebouw of aangebouwde overkapping
naast het hoofdgebouw mag maximaal de helft van de breedte van de voorgevel van
het hoofdgebouw bedragen met een maximum van
4. de
bouwhoogte van platte aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag
maximaal
5. de
goothoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen, mag maximaal de goothoogte van de bedrijfswoning bedragen, met
dien verstande dat de goothoogte maximaal
6. de
bouwhoogte van aan- of uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen mag maximaal
7. de
goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag maximaal
8. de
bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag maximaal
9. een
erker mag de bouwgrens, het bouwvlak of de voorgevelrooilijn overschrijden,
mits de afstand van de erker tot de perceelgrens ten minste
10. de
breedte van een erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal 50% van de breedte van
de gevel van het hoofdgebouw waarin de erker wordt geplaatst, bedragen;
11. de
diepte van een erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal
12. de
bouwhoogte van een erker mag maximaal
13. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op de zijdelingse perceelgrens,
dan wel op een afstand van minimaal
14. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen te worden gebouwd op een
afstand van minimaal
15. de
aan- en uitbouwen, de aangebouwde bijgebouwen en de aangebouwde overkappingen
dienen zodanig te worden geplaatst dat aan één zijde een vrije strook
overblijft met een breedte van minimaal
c. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. de bouwhoogte van een lichtmast mag ten
hoogste
2. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen
bedraagt ten hoogste
3. de bouwhoogte van overige bouwwerken
bedraagt ter plaatse van de aanduiding ‘zwembad’ ten hoogste
4. de bouwhoogte van overige bouwwerken
bedraagt ten hoogste
Burgemeester en wethouders
kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen.
a.
Onder
strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van
de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
1.
het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan ondergeschikte
detailhandel ten dienste van de voorzieningen;
2.
horecadoeleinden,
indien de gezamenlijke horecavloeroppervlakte groter is dan
3.
het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
4.
het
gebruik van een hoofdgebouw dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en
uitbouw en aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan
overeenkomstig de bestaande situatie;
5.
het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
b.
Ten
aanzien van parkeren dient voldaan te worden aan de parkeernormen zoals
aangegeven in de in de bijlagen opgenomen tabel met parkeernormen.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
1. het
aanbrengen van opgaande beplanting;
2. het
aanbrengen van verhardingen;
3. het
verlagen van het waterpeil.
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde
en werkzaamheden die:
1. reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
2. het
normale onderhoud of de vervanging van bestaande verhardingen betreffen;
3. mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning.
c. De
onder a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het
gebied.
De voor 'Verkeer'
aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
verkeer-
en verblijfsvoorzieningen ten behoeve van gebiedsontsluitingswegen;
b.
fiets-
en voetpaden;
c.
parkeervoorzieningen;
d.
groenvoorzieningen
en water;
e.
openbare
nutsvoorzieningen;
met dien
verstande dat:
f.
het
behoud van monumentale bomen wordt nagestreefd, ter plaatse van de aanduiding
'monumentale boom'.
Van de wegen
bedraagt het aantal rijstroken niet meer dan twee.
a.
Op
deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
b.
Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt
dat de bouwhoogte, anders dan voor bouwwerken rechtstreeks ten dienste van
geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, niet meer dan
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde
in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:
1. het
kappen van monumentale bomen;
2. het
uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan
b. Het
onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
1. het
normale onderhoud betreffen;
2. reeds
in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
c. De
onder a, sub 1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de
monumentale waarde van de boom niet langer aanwezig is en deze niet zonder
ingrijpende maatregelen aan de boom kan worden hersteld, of de monumentale
waarde in redelijkheid niet meer is te handhaven, of de boom zich in een
zodanige staat bevindt, dat de veiligheid van gebruikers van het omliggende
terrein in gevaar wordt gebracht.
De op voor
'Verkeer - verblijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
verkeer-
en verblijfsgebied ten behoeve van erftoegangswegen;
b.
fiets-/voetpad;
c.
garageboxen,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - garageboxen';
d.
parkeervoorzieningen;
e.
groenvoorzieningen;
f.
speelvoorzieningen;
g.
water;
h.
voorzieningen
ten behoeve van het openbaar vervoer, telecommunicatieverkeer, de waterhuishouding,
de energievoorziening en andere doeleinden van openbaar nut;
met dien
verstande dat:
i.
het
behoud van monumentale bomen wordt nagestreefd, ter plaatse van de aanduiding
'monumentale boom'.
Het aantal
rijstroken van de wegen mag ten hoogste twee bedragen.
a.
voor
het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
1. gebouwen
mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm
van verkeer - garageboxen';
2. de
bouwhoogte bedraagt niet meer dan
b.
Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt
dat de bouwhoogte, anders dan voor bouwwerken rechtstreeks ten dienste van
geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, niet meer dan
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde
in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:
1. het
kappen van monumentale bomen;
2. het
uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan
b. Het
onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
1. het
normale onderhoud betreffen;
2. reeds
in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
c. De
onder a, sub 1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de monumentale
waarde van de boom niet langer aanwezig is en deze niet zonder ingrijpende
maatregelen aan de boom kan worden hersteld, of de monumentale waarde in
redelijkheid niet meer is te handhaven, of de boom zich in een zodanige staat
bevindt, dat de veiligheid van gebruikers van het omliggende terrein in gevaar
wordt gebracht.
De voor 'Water'
aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. water;
b. waterberging;
c. kaden
en oeverstroken;
d. steigers;
e. dagrecreatief
medegebruik;
met daaraan ondergeschikt:
f. groenvoorzieningen;
met de daarbij
behorende:
g. bouwwerken,
geen gebouwen zijnde.
a. Op
of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
b. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt de
volgende regel:
1. de
hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uivoeren van een werk,
geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken
zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
1. het
aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen ten behoeve
van het recreatief medegebruik.
b. Het
onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
1. het
normale onderhoud betreffen;
2. reeds
in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan met
een daarvoor benodigde vergunning.
c. De
onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en
cultuurhistorische waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende
gronden.
De voor 'Wonen -
1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
wonen;
met daaraan
ondergeschikt:
b.
opslag
ten behoeve van een bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
‘opslag’;
c.
aan
huis verbonden bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf aan
huis’;
d.
groenvoorzieningen;
e.
infrastructurele
voorzieningen;
f.
openbare
nutsvoorzieningen;
g.
waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
h.
tuinen,
erven en terreinen;
met dien
verstande dat:
i.
ter
plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1' en
‘specifieke bouwaanduiding – molen’, de instandhouding van de bestaande
karakteristieke hoofdvorm wordt nagestreefd;
j.
het
behoud van monumentale bomen wordt nagestreefd, ter plaatse van de aanduiding
'monumentale boom'.
a. Voor
het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels:
1.
de hoofdgebouwen
dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2. het aantal woningen bedraagt niet meer dan
het bestaande aantal, dan wel niet meer dan het ter plaatse aangeduide maximum
aantal;
3. een hoofdgebouw zal vrijstaand, dan wel
tot maximaal het bestaande aantal aaneen worden gebouwd;
4. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in
de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd;
5. de afstand van een hoofdgebouw of een blok
van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt
ten minste
6. de dakhelling zal niet minder dan 30° en
niet meer dan 60° bedragen, dan wel de bestaande dakhelling indien deze meer of
minder is;
7. de goothoogte van een hoofdgebouw zal niet
meer dan
8. de bouwhoogte van een hoofdgebouw zal niet
meer dan
9. in uitzondering op het bepaalde onder 7 en
8 geldt dat de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen ter plaatse van de
aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1' en ‘specifieke
bouwaanduiding – molen‘ niet meer bedragen dan de goot- en bouwhoogte van het
bestaande gebouw.
b. Voor
het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij
hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
1. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
mag maximaal 110% van het grondoppervlak van het hoofdgebouw bedragen, met dien
verstande dat:
a. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op
het achtererf maximaal 50% van het achtererf mag bedragen;
b. onverminderd
het bepaalde onder a de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen,
aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen maximaal 80% van het
oppervlak van het hoofdgebouw mag bedragen;
c. onverminderd
het bepaalde onder a en b de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en
overkappingen maximaal
2. indien
de oppervlakte van het hoofdgebouw kleiner is dan
3. de
breedte van een aan- en uitbouw, aangebouwd bijgebouw of aangebouwde overkapping
naast het hoofdgebouw mag maximaal de helft van de breedte van de voorgevel van
het hoofdgebouw bedragen met een maximum van
4. de
bouwhoogte van platte aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag
maximaal
5. de
goothoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen bedraagt maximaal de goothoogte van het hoofdgebouw, met dien verstande
dat de goothoogte maximaal
6. de
bouwhoogte van aan- of uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen mag maximaal
7. de
goot- en boeihoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mogen maximaal
8. de
bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag maximaal
9. een
erker mag de bouwgrens/bouwvlak/voorgevelrooilijn overschrijden, mits de
afstand van de voorgevel van de erker tot de perceelsgrens minimaal
10. de
breedte van de erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal 50% van de breedte van
de gevel van het hoofdgebouw waarin de erker wordt geplaatst, bedragen;
11. de
diepte van de erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal
12. de
bouwhoogte van de erker mag maximaal
13. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op de zijdelingse perceelgrens,
dan wel op een afstand van minimaal
14. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen te worden gebouwd op een
afstand van minimaal
15. bij
vrijstaande hoofdgebouwen dienen de aan- en uitbouwen, de aangebouwde bijgebouwen
en de aangebouwde overkappingen zodanig te worden geplaatst dat aan één zijde
een vrije strook overblijft met een breedte van minimaal
16. bij
woningen waarvan er horizontaal meer dan twee aaneen zijn gebouwd, mag de diepte
van een aan- en uitbouw, aangebouwd bijgebouw en aangebouwde overkapping achter
de achtergevel van het hoofdgebouw, indien deze aan- of uitbouw, dit
aangebouwde bijgebouw of deze aangebouwde overkapping breder is dan 50% van de
breedte van de achtergevel van het hoofdgebouw, niet meer bedragen dan
c. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal één vlaggenmast van ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn
ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen;
d. de
goot- en bouwhoogte van de met 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1',
in die zin dat dient te worden aangesloten bij de goot- en bouwhoogte en
dakvorm van het bestaande gebouw.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 20.2, sub a, onder 5:
en worden toegestaan dat de afstand tussen het hoofdgebouw en de
zijdelingse perceelsgrens wordt verkleind, met dien verstande dat voornoemde
afstand niet minder mag bedragen dan 2,5 m;
b. lid 20.2, sub a, onder 7 en 8:
ten behoeve van het afwijken van de gegeven goot- en bouwhoogten tot niet
meer dan 10% van die hoogten;
c. lid 20.2, sub b, onder 2:
met dien verstande dat per woning de gezamenlijke oppervlakte van de aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal
d. lid 20.2, sub b, onder 4, 5, 6, 7, en 8:
met dien verstande dat bij uitbreiding van een bestaande aan- of uitbouw,
een bestaand bijgebouw of een bestaande overkapping de goot- en bouwhoogte
gelijk mogen zijn aan de goot- en bouwhoogte van het bestaande.
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. het
gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden anders
dan een aan huis verbonden beroep, behalve ter plaatse van de aanduiding
'bedrijf aan huis', met dien verstande dat de bestaande bedrijfsactiviteiten
zijn toegestaan;
b. het
gebruik van de gronden en bouwwerken in combinatie met een aan huis verbonden beroep,
met dien verstande dat de uitoefening van een aan huis verbonden beroep
uitsluitend is toegestaan voor zover de woonfunctie in overwegende mate
gehandhaafd blijft en er geen ernstige hinder of afbreuk aan het woonmilieu
wordt gedaan en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. de
woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
2. aan
huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep mogen uitsluitend
inpandig worden verricht;
3. maximaal
30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep met een maximum van
4. degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
beroep uitoefent;
5. de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6. behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
beroep, mag geen detailhandel plaatsvinden;
7. het
gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie
ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te
worden geparkeerd op eigen terrein;
c. het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
d. het
gebruik van een hoofdgebouw dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en
uitbouw en aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan
overeenkomstig de bestaande situatie;
e. het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 20.5, sub a:
en worden toegestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve
van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat de
uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend is toegestaan voor
zover de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft en er geen ernstige
hinder of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan en wordt voldaan aan de
volgende voorwaarden:
1.
de
woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
2.
de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf mogen uitsluitend inpandig
worden verricht;
3.
maximaal
30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met een maximum van
4.
degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
bedrijf uitoefent;
5.
de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6.
het
gebruik levert geen ernstige hinder voor het woonmilieu op, dan wel doet geen afbreuk
aan het woonkarakter van de wijk of de buurt;
7.
van
deze afwijkingsbevoegdheid wordt geen gebruik gemaakt ten behoeve van bedrijven
die vergunningsplichtig of meldingsplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
8.
de
bedrijfsactiviteiten zijn bovendien uitsluitend toegestaan voor zover deze
voorkomen in, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk zijn te
stellen met de bedrijven categorie 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Staat
van bedrijven.
9.
behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
bedrijf, mag geen detailhandel plaatsvinden;
10.
het
gebruik zal geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie
ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te
worden geparkeerd op eigen terrein;
b. artikel 20.5, sub a:
en toestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een
bed and breakfast, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1.
de
bed and breakfast mag alleen plaatsvinden op een perceel waar ook een
(bedrijfs) woning aanwezig is.
2.
de
bed and breakfast moet plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing en mag zowel
in hoofdgebouw als bijgebouw worden gerealiseerd. Er wordt uitgegaan van een al
bestaande entree;
3.
in
een bijgebouw mogen voor de bed and breakfastfunctie uitsluitend slaapplaatsen
met sanitaire voorzieningen worden gerealiseerd. Hieraan gekoppeld, moet in het
hoofdgebouw een ontbijtruimte en mag een eventuele woonkamer worden
gerealiseerd;
4.
het
bijgebouw moet in de directe nabijheid van het hoofdgebouw staan en een duidelijke
relatie hebben met het hoofdgebouw;
5.
de
uiterlijke kenmerken van het hoofdgebouw moeten behouden blijven. Er mogen geen
uiterlijke kenmerken aan de woning worden toegevoegd;
6.
er
mogen maximaal drie bed and breakfasteenheden worden gerealiseerd;
7.
er
mogen maximaal zes personen tegelijkertijd in de bed and breakfast verblijven;
8.
er
mag geen keukenblok in de bed and breakfasteenheden worden gemaakt;
9.
het parkeren
voor de bed and breakfast moet op eigen erf plaatsvinden;
10.
er
mag geen extra inrit worden aangelegd in verband met de vestiging van bed and
breakfast;
11.
de
vestiging van bed and breakfast is alleen toegestaan aan een
verkeersontsluiting van voldoende omvang;
12.
er is
geen sprake van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven,
in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
1. het
aanleggen van verharding voor de naar de weg gekeerde gevels van gebouwen, met
uitzondering van een oprit voor motorvoertuigen met een breedte van ten hoogste
2. het
kappen van monumentale bomen;
3. het
uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde
en werkzaamheden die:
1. reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
2. het
normale onderhoud of de vervanging van bestaande verhardingen betreffen;
3. mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning.
c. De
onder a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het
gebied.
d. De
onder a, sub 2 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de
monumentale waarde van de boom niet langer aanwezig is en deze niet zonder
ingrijpende maatregelen aan de boom kan worden hersteld, of de monumentale
waarde in redelijkheid niet meer is te handhaven, of de boom zich in een
zodanige staat bevindt, dat de veiligheid van gebruikers van het omliggende
terrein in gevaar wordt gebracht.
a. Ter
plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1' en
‘specifieke bouwaanduiding – molen’ is het verboden zonder of in afwijking van een
schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning
voor het slopen van een bouwwerk) bouwwerken te slopen.
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor het slopen:
1. ingevolge
een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
2. van
bouwwerken waarvoor geen bouwvergunning is vereist;
3. dat
reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
c. De
onder a bedoelde vergunning kan slechts worden verleend, mits:
1. geen
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing;
2. de
karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende
wijzigingen aan het pand kan worden hersteld;
3. de
karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;
4. het
delen van een pand of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als
karakteristiek vallen aan te merken en door sloop daarvan geen onevenredige
aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
De voor 'Wonen -
2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen;
al dan niet in combinatie met ruimte voor:
b. aan
huis verbonden bedrijfsactiviteiten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
'bedrijf aan huis';
met daaraan
ondergeschikt:
c. groenvoorzieningen;
d. infrastructurele
voorzieningen;
e. openbare
nutsvoorzieningen;
f. waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
g. tuinen,
erven en terreinen;
met dien
verstande dat:
h. ter plaatse
van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1', de instandhouding
van de bestaande karakteristieke hoofdvorm wordt nagestreefd;
i. het
behoud van monumentale bomen wordt nagestreefd, ter plaatse van de aanduiding
'monumentale boom';
en tevens voor:
j. standplaatsen,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats'.
a. Voor
het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels:
1. de hoofdgebouwen dienen binnen het
bouwvlak te worden gebouwd;
2. het aantal woningen bedraagt niet meer dan
het bestaande aantal, dan wel niet meer dan het ter plaatse aangeduide maximum
aantal, met dien verstande dat het
aantal woningen ter plaatse van de aanduiding ’woonwagenstandplaats’ niet mee
bedraagt dan twee;
3. een hoofdgebouw zal vrijstaand, dan wel
tot maximaal het bestaande aantal aaneen worden gebouwd;
4. in afwijking van het bepaalde in sub 3
mogen hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘woonwagenstandplaats’ tot
maximaal twee aaneen worden gebouwd;
5. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in
de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd;
6. de afstand van een hoofdgebouw of een blok
van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt
ten minste
7. de dakhelling zal niet minder dan 30° en
niet meer dan 60° bedragen, dan wel de bestaande dakhelling indien deze meer of
minder is;
8. de goothoogte van een hoofdgebouw zal niet
meer dan
9. de bouwhoogte van een hoofdgebouw zal niet
meer dan
10.in uitzondering op het bepaalde onder 8 en
9 geldt dat de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen ter plaatse van de
aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1' niet meer bedragen
dan de goot- en bouwhoogte van het bestaande gebouw.
b. Voor
het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij hoofdgebouwen,
gelden de volgende regels:
1. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
mag maximaal 110% van het grondoppervlak van het hoofdgebouw bedragen, met dien
verstande dat:
a. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op
het achtererf maximaal 50% van het achtererf mag bedragen;
b. onverminderd
het bepaalde onder a de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, aangebouwde
bijgebouwen en aangebouwde overkappingen maximaal 80% van het oppervlak van het
hoofdgebouw mag bedragen;
c. onverminderd
het bepaalde onder a en b de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en
overkappingen maximaal
2. indien
de oppervlakte van het hoofdgebouw kleiner is dan
3. de
breedte van een aan- en uitbouw, aangebouwd bijgebouw of aangebouwde overkapping
naast het hoofdgebouw mag maximaal de helft van de breedte van de voorgevel van
het hoofdgebouw bedragen met een maximum van
4. de
bouwhoogte van platte aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag
maximaal
5. de
goothoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen bedraagt maximaal de goothoogte van het hoofdgebouw, met dien verstande
dat de goothoogte maximaal
6. de
bouwhoogte van aan- of uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen mag maximaal
7. de
goot- en boeihoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mogen maximaal
8. de
bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag maximaal
9. een
erker mag de bouwgrens/bouwvlak/voorgevelrooilijn overschrijden, mits de
afstand van de voorgevel van de erker tot de perceelsgrens minimaal
10. de
breedte van de erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal 50% van de breedte van
de gevel van het hoofdgebouw waarin de erker wordt geplaatst, bedragen, dan wel
niet meer dan de bestaande breedte indien deze meer bedraagt;
11. de
diepte van de erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal
12. de
bouwhoogte van de erker mag maximaal
13. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op de zijdelingse perceelgrens,
dan wel op een afstand van minimaal
14. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen te worden gebouwd op een
afstand van minimaal
15. bij
vrijstaande hoofdgebouwen dienen de aan- en uitbouwen, de aangebouwde bijgebouwen
en de aangebouwde overkappingen zodanig te worden geplaatst dat aan één zijde
een vrije strook overblijft met een breedte van minimaal
16. bij
woningen waarvan er horizontaal meer dan twee aaneen zijn gebouwd, mag de diepte
van een aan- en uitbouw, aangebouwd bijgebouw en aangebouwde overkapping achter
de achtergevel van het hoofdgebouw, indien deze aan- of uitbouw, dit
aangebouwde bijgebouw of deze aangebouwde overkapping breder is dan 50% van de
breedte van de achtergevel van het hoofdgebouw, niet meer bedragen dan
c. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal 1 vlaggenmast van ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn
ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen;
d. de
goot- en bouwhoogte van de met 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1',
in die zin dat dient te worden aangesloten bij de goot- en bouwhoogte en
dakvorm van het bestaande gebouw.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 21.2, sub a, onder 6:
en worden toegestaan dat de afstand tussen het hoofdgebouw en de
zijdelingse perceelsgrens wordt verkleind, met dien verstande dat voornoemde
afstand niet minder mag bedragen dan 2,5 m;
b. lid 21.2, sub a, onder 8 en 9:
ten behoeve van het afwijken van de gegeven goot- en bouwhoogten tot niet
meer dan 10% van die hoogten;
c. lid 21.2, sub b, onder 2:
met dien verstande dat per woning de gezamenlijke oppervlakte van de aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal
d. lid 21.2, sub b, onder 4, 5, 6, 7 en 8:
met dien verstande dat bij uitbreiding van een bestaande aan- of uitbouw,
een bestaand bijgebouw of een bestaande overkapping de goot- en bouwhoogte
gelijk mogen zijn aan de goot- en bouwhoogte van het bestaande.
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. het
gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden anders
dan een aan huis verbonden beroep, behalve ter plaatse van de aanduiding
'bedrijf aan huis', met dien verstande dat de bestaande bedrijfsactiviteiten
zijn toegestaan;
b. het
gebruik van de gronden en bouwwerken in combinatie met een aan huis verbonden beroep,
met dien verstande dat de uitoefening van een aan huis verbonden beroep
uitsluitend is toegestaan voor zover de woonfunctie in overwegende mate
gehandhaafd blijft en er geen ernstige hinder of afbreuk aan het woonmilieu
wordt gedaan en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. de
woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
2. aan
huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep mogen uitsluitend
inpandig worden verricht;
3. maximaal
30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep met een maximum van
4. degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
beroep uitoefent;
5. de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6. behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
beroep, mag geen detailhandel plaatsvinden;
7. het
gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie
ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te
worden geparkeerd op eigen terrein.
c. het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
d. het
gebruik van een hoofdgebouw dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouw
en aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan overeenkomstig de
bestaande situatie;
e. het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 21.5, sub a:
en worden toegestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve
van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat de
uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend is toegestaan voorzover
de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft en er geen ernstige
hinder of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan en wordt voldaan aan de
volgende voorwaarden:
1.
de
woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
2.
de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf mogen uitsluitend inpandig
worden verricht;
3.
maximaal
30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met een maximum van
4.
degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
bedrijf uitoefent;
5.
de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6.
het
gebruik levert geen ernstige hinder voor het woonmilieu op, dan wel doet geen afbreuk
aan het woonkarakter van de wijk of de buurt;
7.
van
deze afwijkingsbevoegdheid wordt geen gebruik gemaakt ten behoeve van bedrijven
die vergunningsplichtig of meldingsplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
8.
de
bedrijfsactiviteiten zijn bovendien uitsluitend toegestaan voor zover deze
voorkomen in, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk zijn te
stellen met de bedrijven categorie 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Staat
van bedrijven.
9.
behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
bedrijf, mag geen detailhandel plaatsvinden;
10.
het
gebruik zal geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie
ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te
worden geparkeerd op eigen terrein;
b. lid 21.5, sub a:
en toestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een bed
and breakfast, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1.
de
bed and breakfast mag alleen plaatsvinden op een perceel waar ook een
(bedrijfs) woning aanwezig is.
2.
de
bed and breakfast moet plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing en mag zowel
in hoofdgebouw als bijgebouw worden gerealiseerd. Er wordt uitgegaan van een al
bestaande entree;
3.
in
een bijgebouw mogen voor de bed and breakfastfunctie uitsluitend slaapplaatsen
met sanitaire voorzieningen worden gerealiseerd. Hieraan gekoppeld, moet in het
hoofdgebouw een ontbijtruimte en mag een eventuele woonkamer worden
gerealiseerd;
4.
het
bijgebouw moet in de directe nabijheid van het hoofdgebouw staan en een duidelijke
relatie hebben met het hoofdgebouw;
5.
de
uiterlijke kenmerken van het hoofdgebouw moeten behouden blijven. Er mogen geen
uiterlijke kenmerken aan de woning worden toegevoegd;
6.
er
mogen maximaal drie bed and breakfasteenheden worden gerealiseerd;
7.
er
mogen maximaal zes personen tegelijkertijd in de bed and breakfast verblijven;
8.
er
mag geen keukenblok in de bed and breakfasteenheden worden gemaakt;
9.
het
parkeren voor de bed and breakfast moet op eigen erf plaatsvinden;
10.
er
mag geen extra inrit worden aangelegd in verband met de vestiging van bed and
breakfast;
11.
de
vestiging van bed and breakfast is alleen toegestaan aan een
verkeersontsluiting van voldoende omvang;
12.
er is
geen sprake van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven,
in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
1. het
aanleggen van verharding voor de naar de weg gekeerde gevels van gebouwen, met
uitzondering van een oprit voor motorvoertuigen met een breedte van ten hoogste
2. het
kappen van monumentale bomen;
3. het
uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde
en werkzaamheden die:
1. reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
2. het
normale onderhoud of de vervanging van bestaande verhardingen betreffen;
3. mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning.
c. De onder
a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor onevenredige
afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het gebied.
d. De
onder a, sub 2 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de
monumentale waarde van de boom niet langer aanwezig is en deze niet zonder
ingrijpende maatregelen aan de boom kan worden hersteld, of de monumentale
waarde in redelijkheid niet meer is te handhaven, of de boom zich in een
zodanige staat bevindt, dat de veiligheid van gebruikers van het omliggende
terrein in gevaar wordt gebracht.
a. Ter
plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1' is het
verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het slopen van een
bouwwerk) bouwwerken te slopen.
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor het slopen:
1. ingevolge
een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
2. van
bouwwerken waarvoor geen bouwvergunning is vereist;
3. dat
reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
c. De
onder a bedoelde vergunning kan slechts worden verleend, mits:
1. geen
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing;
2. de
karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende
wijzigingen aan het pand kan worden hersteld;
3. de
karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;
4. het
delen van een pand of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als
karakteristiek vallen aan te merken en door sloop daarvan geen onevenredige
aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
De voor 'Wonen -
3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen
in de vorm van een woongebouw;
met daaraan
ondergeschikt:
b. groenvoorzieningen;
c. infrastructurele
voorzieningen;
d. openbare
nutsvoorzieningen;
e. waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
f. tuinen,
erven en terreinen.
a. Voor
het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels:
1. de
hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2. het
aantal woningen bedraagt niet meer dan het bestaande aantal, dan wel ten
hoogste het ter plaatse aangeduide maximum aantal wooneenheden per bouwperceel;
3. de
hoofdgebouwen worden uitgevoerd in maximaal drie bouwlagen;
4. de
bouwhoogte van een hoofdgebouw zal niet meer dan
5. ter
plaatse van de aanduiding ‘maximale goothoogte’ bedraagt de goothoogte niet
meer dan de daar aangegeven goothoogte;
6. ter
plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – balkon’ mogen enkel
balkons worden opgericht.
b. Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de
volgende regels:
1. bijgebouwen
mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’;
2. bijgebouwen
dienen te worden gebouwd binnen een bouwvlak;
3. de
goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan respectievelijk
c. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal één vlaggenmast van ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn
ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende
gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 22.2, sub a, onder 1:
en worden toegestaan dat een gebouw buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits
de oppervlakte van het gebouw buiten het bouwvlak ten hoogste 10% van de
oppervlakte van de bestaande bebouwing bedraagt.
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. het
gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met een aan huis verbonden
beroep of bedrijf;
b. het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
c. het
gebruik van een hoofdgebouw dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en
uitbouw en aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan
overeenkomstig de bestaande situatie;
d. het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.
De voor 'Wonen -
4' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen;
met daaraan
ondergeschikt:
b. groenvoorzieningen;
c. infrastructurele
voorzieningen;
d. openbare
nutsvoorzieningen;
e. waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
f. tuinen,
erven en terreinen.
a. Voor
het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels:
1. de
hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2. het
aantal woningen bedraagt niet meer dan het bestaande aantal;
3. een
hoofdgebouw zal tot maximaal het bestaande aantal aaneen worden gebouwd;
4. de
afstand van een hoofdgebouw of een blok van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot
de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt ten minste
5. de
dakhelling zal niet minder dan 30° en niet meer dan 60° bedragen, dan wel de bestaande
dakhelling indien deze meer of minder is;
6. de
goothoogte van een hoofdgebouw zal niet minder dan
7. de
bouwhoogte van een hoofdgebouw zal niet meer dan
8. de
aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen aan het hiervoor gestelde te voldoen,
dan wel aan het gestelde onder b.
b. Voor
het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij
hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
1. de bijgebouwen, aan- en uitbouwen en
overkappingen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan
3. in afwijking van sub 1 mag een
bijgebouw/overkapping met een oppervlakte van maximaal
4. carports mogen uitsluitend worden
opgericht ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – carport’, met
dien verstande dat de oppervlakte van de carport niet meer dan
c. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal één vlaggenmast van ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn
ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a.
lid 23.2, sub a,
onder 6 en 7:
ten behoeve van het afwijken van de gegeven goot- en bouwhoogten tot niet
meer dan 10% van die hoogten.
Onder strijdig gebruik
met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. het
gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden anders
dan een aan huis verbonden beroep;
b. het
gebruik van de gronden en bouwwerken in combinatie met een aan huis verbonden beroep,
met dien verstande dat de uitoefening van een aan huis verbonden beroep
uitsluitend is toegestaan voorzover de woonfunctie in overwegende mate
gehandhaafd blijft en er geen ernstige hinder of afbreuk aan het woonmilieu
wordt gedaan en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. de
woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
2. aan
huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep mogen uitsluitend
inpandig worden verricht;
3. maximaal
30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep met een maximum van
4. degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
beroep uitoefent;
5. de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6. behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
beroep, mag geen detailhandel plaatsvinden;
7. het
gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie
ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te
worden geparkeerd op eigen terrein;
c. het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
d. het
gebruik van een hoofdgebouw dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en
uitbouw en aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan
overeenkomstig de bestaande situatie;
e. het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 23.5, sub
a:
en worden toegestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve
van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat de
uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend is toegestaan voor
zover de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft en er geen ernstige
hinder of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan en wordt voldaan aan de
volgende voorwaarden:
1.
de
woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
2.
de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf mogen uitsluitend inpandig
worden verricht;
3.
maximaal
30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met een maximum van
4.
degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
bedrijf uitoefent;
5.
de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6.
het
gebruik levert geen ernstige hinder voor het woonmilieu op, dan wel doet geen afbreuk
aan het woonkarakter van de wijk of de buurt;
7.
van
deze afwijkingsbevoegdheid wordt geen gebruik gemaakt ten behoeve van bedrijven
die vergunningsplichtig of meldingsplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
8.
de
bedrijfsactiviteiten zijn bovendien uitsluitend toegestaan voor zover deze
voorkomen in, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk zijn te
stellen met de bedrijven categorie 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Staat
van bedrijven.
9.
behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
bedrijf, mag geen detailhandel plaatsvinden;
10.
het
gebruik zal geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie
ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te
worden geparkeerd op eigen terrein;
b. lid 23.5, sub a:
en toestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een
bed and breakfast, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1.
de
bed and breakfast mag alleen plaatsvinden op een perceel waar ook een
(bedrijfs) woning aanwezig is.
2.
de
bed and breakfast moet plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing en mag zowel
in hoofdgebouw als bijgebouw worden gerealiseerd. Er wordt uitgegaan van een al
bestaande entree;
3.
in
een bijgebouw mogen voor de bed and breakfastfunctie uitsluitend slaapplaatsen
met sanitaire voorzieningen worden gerealiseerd. Hieraan gekoppeld, moet in het
hoofdgebouw een ontbijtruimte en mag een eventuele woonkamer worden gerealiseerd;
4.
het
bijgebouw moet in de directe nabijheid van het hoofdgebouw staan en een duidelijke
relatie hebben met het hoofdgebouw;
5.
de
uiterlijke kenmerken van het hoofdgebouw moeten behouden blijven. Er mogen geen
uiterlijke kenmerken aan de woning worden toegevoegd;
6.
er
mogen maximaal drie bed and breakfasteenheden worden gerealiseerd;
7.
er
mogen maximaal zes personen tegelijkertijd in de bed and breakfast verblijven;
8.
er
mag geen keukenblok in de bed and breakfasteenheden worden gemaakt;
9.
het
parkeren voor de bed and breakfast moet op eigen erf plaatsvinden;
10. er mag geen extra inrit worden aangelegd
in verband met de vestiging van bed and breakfast;
11. de vestiging van bed and breakfast is
alleen toegestaan aan een verkeersontsluiting van voldoende omvang;
12. er is geen sprake van onevenredige schade
voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun
ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
De voor 'Wonen -
5' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen;
met daaraan
ondergeschikt:
b. groenvoorzieningen;
c. bebossing,
waarbij de instandhouding van de landschappelijke en natuurwetenschappelijke
waarden wordt nagestreefd;
d. infrastructurele
voorzieningen;
e. openbare
nutsvoorzieningen;
f. waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
g. tuinen,
erven en terreinen.
a. Voor
het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen, ter plaatse van de aanduiding
‘specifieke bouwaanduiding –
1. de hoofdgebouwen dienen binnen het
bouwvlak te worden gebouwd;
2. het aantal woningen per bouwvlak
bedraagt niet meer dan twee;
3. de hoofdgebouwen dienen met de
voorgevel richting de aanduiding 'gevellijn' gebouwd te worden;
4. de bouw- en goothoogte zal niet meer
dan
5. ter plaatse van de aanduiding
'gevellijn' en de achtergevel geldt een goothoogte van maximaal
b. Voor
het bouwen van overige hoofdgebouwen ten behoeve van wonen, gelden de volgende
regels:
1. de
hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2. voorzover ter plaatse de aanduiding
‘gevellijn’ is opgenomen, dienen de hoofdgebouwen met de voorgevel richting
deze aanduiding te worden gebouwd;
3. het
aantal woningen bedraagt niet meer dan één per bouwvlak, dan wel ten hoogste
het ter plaatse van de aanduiding ‘aantal wooneenheden’ aangegeven aantal, met
dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’ het aantal niet
meer mag bedragen dan twee, dan wel niet meer dan het bestaande aantal indien
dit meer bedraagt;
4. een
hoofdgebouw zal vrijstaand worden gebouwd, dan wel ten hoogste twee-aaneen,
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’;
5. de
dakhelling zal niet minder dan 30° en niet meer dan 60° bedragen, dan wel de bestaande
dakhelling indien deze meer of minder is;
6. in
afwijking van het bepaalde onder 5 zal de dakhelling ter plaatse van de
aanduiding ‘minimale dakhelling’ niet minder bedragen dan daar is aangegeven;
7. de
goothoogte van een hoofdgebouw zal niet meer dan
8. de
bouwhoogte van een hoofdgebouw zal niet meer dan
9. in
afwijking van het bepaalde onder 7 zal de goothoogte ter plaatse van de
aanduiding ‘maximale goothoogte’ niet meer bedragen dan daar is aangegeven;
10. in
afwijking van het bepaalde onder 7 en 8 zullen de goot- en bouwhoogte ter
plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ niet meer bedragen dan
daar is aangegeven;
11. de
aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen aan het hiervoor gestelde te voldoen,
dan wel aan het gestelde onder c en d.
c. Voor
het bouwen van overkappingen en bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke
bouwaanduiding –
1. de
bijgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, dan wel overeenkomstig
de bestaande situatie;
2. de
bijgebouwen mogen uitsluitend aan het hoofdgebouw worden aangebouwd;
3. de
goothoogte bedraagt niet meer dan
4. de
dakhelling zal niet meer dan 60° bedragen.
d. Voor
het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij
hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
1. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
mag maximaal 110% van het grondoppervlak van het hoofdgebouw bedragen, met dien
verstande dat:
a. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op
het achtererf maximaal 50% van het achtererf mag bedragen;
b. onverminderd
het bepaalde onder a de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen,
aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen maximaal 80% van het
oppervlak van het hoofdgebouw mag bedragen;
c. onverminderd
het bepaalde onder a en b de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en
overkappingen maximaal
d. ter plaatse van de aanduiding,
'specifieke bouwaanduiding – 1' het totaal aan aan-, uitbouwen, bijgebouwen en
overkappingen niet meer mag bedragen dan
2. indien
de oppervlakte van het hoofdgebouw kleiner is dan
3. de
breedte van een aan- en uitbouw, aangebouwd bijgebouw of aangebouwde overkapping
naast het hoofdgebouw mag maximaal de helft van de breedte van de voorgevel van
het hoofdgebouw bedragen met een maximum van
4. de
bouwhoogte van platte aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag
maximaal
5. de
goothoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen bedraagt maximaal de goothoogte van het hoofdgebouw, met dien verstande
dat de goothoogte maximaal
6. de
bouwhoogte van aan- of uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen mag maximaal
7. de
goot- en boeihoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mogen maximaal
8. de
bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag maximaal
9. een
erker mag de bouwgrens/bouwvlak/voorgevelrooilijn overschrijden, mits de
afstand van de voorgevel van de erker tot de perceelsgrens minimaal
10. de
breedte van de erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal 50% van de breedte van
de gevel van het hoofdgebouw waarin de erker wordt geplaatst, bedragen;
11. de
diepte van de erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal
12. de
bouwhoogte van de erker mag maximaal
13. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op de zijdelingse perceelgrens,
dan wel op een afstand van minimaal
14. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen te worden gebouwd op een
afstand van minimaal
15. de
onder 14 genoemde regeling geldt niet voor gronden ter plaatse van de
aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 1';
16. bij
vrijstaande hoofdgebouwen dienen de aan- en uitbouwen, de aangebouwde bijgebouwen
en de aangebouwde overkappingen zodanig te worden geplaatst dat aan één zijde
een vrije strook overblijft met een breedte van minimaal
17. bij
woningen waarvan er horizontaal meer dan twee-aaneen zijn gebouwd, mag de diepte
van een aan- en uitbouw, aangebouwd bijgebouw en aangebouwde overkapping achter
de achtergevel van het hoofdgebouw, indien deze aan- of uitbouw, dit
aangebouwde bijgebouw of deze aangebouwde overkapping breder is dan 50% van de
breedte van de achtergevel van het hoofdgebouw, niet meer bedragen dan
e. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal één vlaggenmast van ten
hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn
ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 24.2, sub a, onder 1:
en worden toegestaan dat een gebouw aan de achterzijde buiten het bouwvlak
wordt gebouwd, mits:
1. de
afstand van een hoofdgebouw of een blok van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot
de achterste perceelsgrens ten minste
2. de
bouwdiepte van de vrijstaande woning in totaal maximaal
3. de
geluidbelasting van geluidgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de
daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
4. er,
indien sprake is van aaneen gebouwde woningen, een stedenbouwkundige samenhang
is;
b. lid 24.2, sub b, onder 7, 8 en 9:
ten behoeve van het afwijken van de gegeven goot- en bouwhoogten tot niet
meer dan 10% van die hoogten;
c. lid 24.2, sub d, onder 2:
met dien verstande dat per woning de gezamenlijke oppervlakte van de aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal
d. lid 24.2, sub d, onder 4, 5, 6, 7 en 8:
met dien verstande dat bij uitbreiding van een bestaande aan- of uitbouw,
bijgebouw of overkapping de goot- en bouwhoogte gelijk mogen zijn aan de goot-
en bouwhoogte van het bestaande.
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. het
gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden anders
dan een aan huis verbonden beroep;
b. het
gebruik van de gronden en bouwwerken in combinatie met een aan huis verbonden beroep,
met dien verstande dat de uitoefening van een aan huis verbonden beroep
uitsluitend is toegestaan voorzover de woonfunctie in overwegende mate
gehandhaafd blijft en er geen ernstige hinder of afbreuk aan het woonmilieu
wordt gedaan en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. de
woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
2. aan
huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep mogen uitsluitend
inpandig worden verricht;
3. maximaal
30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep met een maximum van
4. degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
beroep uitoefent;
5. de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6. behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
beroep, mag geen detailhandel plaatsvinden;
7. het
gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie
ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te
worden geparkeerd op eigen terrein;
c. het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
d. het gebruik
van een hoofdgebouw dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouw en
aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan overeenkomstig de
bestaande situatie;
e. het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 24.5, sub
a:
en worden toegestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve
van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat de
uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend is toegestaan voor
zover de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft en er geen ernstige
hinder of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan en wordt voldaan aan de
volgende voorwaarden:
1.
de
woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
2.
de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf mogen uitsluitend inpandig
worden verricht;
3.
maximaal
30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met een maximum van
4.
degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
bedrijf uitoefent;
5.
de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6.
het
gebruik levert geen ernstige hinder voor het woonmilieu op, dan wel doet geen afbreuk
aan het woonkarakter van de wijk of de buurt;
7.
van
deze afwijkingsbevoegdheid wordt geen gebruik gemaakt ten behoeve van bedrijven
die vergunningsplichtig of meldingsplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
8.
de
bedrijfsactiviteiten zijn bovendien uitsluitend toegestaan voor zover deze
voorkomen in, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk zijn te
stellen met de bedrijven categorie 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Staat
van bedrijven.
9.
behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
bedrijf, mag geen detailhandel plaatsvinden;
10.
het
gebruik zal geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie
ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te
worden geparkeerd op eigen terrein;
b. lid 24.5, sub a:
en toestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een
bed and breakfast, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1.
de
bed and breakfast mag alleen plaatsvinden op een perceel waar ook een
(bedrijfs) woning aanwezig is.
2.
de
bed and breakfast moet plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing en mag zowel
in hoofdgebouw als bijgebouw worden gerealiseerd. Er wordt uitgegaan van een al
bestaande entree;
3.
in
een bijgebouw mogen voor de bed and breakfastfunctie uitsluitend slaapplaatsen
met sanitaire voorzieningen worden gerealiseerd. Hieraan gekoppeld, moet in het
hoofdgebouw een ontbijtruimte en mag een eventuele woonkamer worden
gerealiseerd;
4.
het
bijgebouw moet in de directe nabijheid van het hoofdgebouw staan en een duidelijke
relatie hebben met het hoofdgebouw;
5.
de
uiterlijke kenmerken van het hoofdgebouw moeten behouden blijven. Er mogen geen
uiterlijke kenmerken aan de woning worden toegevoegd;
6.
er
mogen maximaal drie bed and breakfasteenheden worden gerealiseerd;
7.
er mogen
maximaal zes personen tegelijkertijd in de bed and breakfast verblijven;
8.
er
mag geen keukenblok in de bed and breakfasteenheden worden gemaakt;
9.
het
parkeren voor de bed and breakfast moet op eigen erf plaatsvinden;
10.
er
mag geen extra inrit worden aangelegd in verband met de vestiging van bed and
breakfast;
11.
de
vestiging van bed and breakfast is alleen toegestaan aan een
verkeersontsluiting van voldoende omvang;
12.
er is
geen sprake van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven,
in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (omgevingsvergunning
voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de
volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren:
1. het
kappen en/of verwijderen van bomen en houtgewas;
2. het
aanbrengen van opgaande beplanting;
3. het
aanbrengen van verhardingen;
4. het
aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen
en drainage en daarmee verband houdende constructies.
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde
en werkzaamheden die:
1. reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
2. het
normale onderhoud of de vervanging van bestaande verhardingen betreffen;
3. mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning.
c. De
onder a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het
gebied.
De voor 'Wonen -
6' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
wonen;
met daaraan
ondergeschikt:
b.
aan
huis verbonden bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf aan
huis’;
c.
groenvoorzieningen;
d.
infrastructurele
voorzieningen;
e.
openbare
nutsvoorzieningen;
f.
waterhuishoudkundige
voorzieningen;
met de daarbij
behorende:
g.
tuinen,
erven en terreinen.
a. Voor
het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen, ter plaatse van de aanduiding
'specifieke bouwaanduiding - 1' gelden de volgende regels:
1.
de
hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2.
het
aantal woningen bedraagt niet meer dan het bestaande aantal, dan wel ten hoogste
het ter plaatse aangeduide maximum aantal wooneenheden per bouwperceel;
3.
een
hoofdgebouw zal vrijstaand worden gebouwd;
4.
de
voorgevel van het hoofdgebouw dient in de naar de weg gekeerde bouwgrens te
worden gebouwd;
5.
de
afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt ten
minste
6.
het
gebouw bestaat uit laagbouw met een toren, waarbij de toren uit minimaal twee
bouwlagen met een kap bestaat en de laagbouw uit maximaal één bouwlaag bestaat;
7.
de
bouwhoogte van de toren inclusief laagbouw bedraagt maximaal
8.
de
goothoogte van de laagbouw, betreffende de eerste bouwlaag, bedraagt maximaal
9.
de
buitenwerksemaat van de toren bedraagt maximaal 7,8 X
10.
de
dakhelling van de toren bedraagt maximaal 30°, dan wel de bestaande dakhelling
indien deze meer of minder is;
11.
de
dakhelling van de laagbouw zal ten hoogste 30° bedragen.
b. Voor
het bouwen van overige hoofdgebouwen ten behoeve van wonen, gelden de volgende
regels:
1. de hoofdgebouwen dienen binnen het
bouwvlak te worden gebouwd;
2. het aantal woningen bedraagt niet meer dan
het bestaande aantal, dan wel niet meer dan het ter plaatse aangeduide maximum
aantal;
3. een hoofdgebouw zal vrijstaand, dan wel
tot maximaal het bestaande aantal aaneen worden gebouwd;
4. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in
de naar de weg gekeerde grens bouwgrens te worden gebouwd;
5. de afstand van een hoofdgebouw of een blok
van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt
ten minste
6. de dakhelling zal niet minder dan 30° en
niet meer dan 60° bedragen, dan wel de bestaande dakhelling indien deze meer of
minder is;
7. de goothoogte van een hoofdgebouw zal niet
meer dan
8. de bouwhoogte van een hoofdgebouw zal niet
meer dan
c. Voor
het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij hoofdgebouwen,
gelden de volgende regels:
1. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
mag maximaal 110% van het grondoppervlak van het hoofdgebouw bedragen, met dien
verstande dat:
a. de
gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op
het achtererf maximaal 50% van het achtererf mag bedragen;
b. onverminderd
het bepaalde onder a de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen,
aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen maximaal 80% van het
oppervlak van het hoofdgebouw mag bedragen;
c. onverminderd
het bepaalde onder a en b de oppervlakte van aan en uitbouwen, bijgebouwen en
overkappingen maximaal
2. indien
de oppervlakte van het hoofdgebouw kleiner is dan
3. de
breedte van een aan- en uitbouw, aangebouwd bijgebouw of aangebouwde overkapping
naast het hoofdgebouw mag maximaal de helft van de breedte van de voorgevel van
het hoofdgebouw bedragen met een maximum van
4. de
bouwhoogte van platte aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag
maximaal
5. de
goothoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen bedraagt maximaal de goothoogte van het hoofdgebouw, met dien verstande
dat de goothoogte maximaal
6. de
bouwhoogte van aan- of uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen mag maximaal
7. de
goot- en boeihoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mogen maximaal
8. de
bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag maximaal
9. in
afwijking van het bepaalde onder 8 worden vrijstaande bijgebouwen ter plaatse
van de aanduiding 'plat dak' plat afgedekt, waarbij de bouwhoogte niet meer
bedraagt dan
10. een
erker mag de bouwgrens/bouwvlak/voorgevelrooilijn overschrijden, mits de
afstand van de voorgevel van de erker tot de perceelsgrens minimaal
11. de
breedte van de erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal 50% van de breedte van
de gevel van het hoofdgebouw waarin de erker wordt geplaatst, bedragen, dan wel
niet meer dan de bestaande breedte indien deze meer bedraagt;
12. de
diepte van de erker mag, buitenwerks gemeten, maximaal
13. de
bouwhoogte van de erker mag maximaal
14. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op de zijdelingse perceelgrens,
dan wel op een afstand van minimaal
15. aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen te worden gebouwd op een
afstand van minimaal
16. bij
vrijstaande hoofdgebouwen dienen de aan- en uitbouwen, de aangebouwde bijgebouwen
en de aangebouwde overkappingen zodanig te worden geplaatst dat aan één zijde
een vrije strook overblijft met een breedte van minimaal
d. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden
de volgende regels:
1. op
een bouwperceel mag maximaal 1 vlaggenmast van ten hoogste
2. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn
ten hoogste
3. de
bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde,
bedraagt tot
Burgemeester en
wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de
aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:
a. de
plaats en de afmetingen van de bebouwing;
b. de
goot- en bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende
bebouwing;
c. de
dakhelling, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende bebouwing;
d. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend
aan de openbare weg of openbaar groen;
e. de
toepassing van materialen en kleuren;
f. het
bepaalde onder a, b, c, d en e zoals dit is vastgelegd in het
Beeldkwaliteitsplan Hooimaveld, vastgesteld op 27 oktober 1997.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 25.2, sub a, onder 5 en lid 25.2, sub b, onder 5:
en worden toegestaan dat de afstand tussen het hoofdgebouw en de
zijdelingse perceelsgrens wordt verkleind, met dien verstande dat voornoemde
afstand niet minder mag bedragen dan
b. lid 25.2, sub a, onder 7 en 8 en lid 25.2, sub b, onder 7
en 8:
ten behoeve van het afwijken van de gegeven goot- en bouwhoogten tot niet
meer dan 10% van die hoogten;
c. lid 25.2, sub c, onder 2:
met dien verstande dat per woning de gezamenlijke oppervlakte van de aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal
d. lid 25.2 , sub c, onder 4, 5, 6, 7 en 8:
met dien verstande dat bij uitbreiding van een bestaande aan- of uitbouw,
een bestaand bijgebouw of een bestaande overkapping de goot en bouwhoogte
gelijk mogen zijn aan de goot- en bouwhoogte van het bestaande.
Onder strijdig
gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving,
waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. het
gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden anders
dan een aan huis verbonden beroep, behalve ter plaatse van de aanduiding
'bedrijf aan huis', met dien verstande dat de bestaande bedrijfsactiviteiten
zijn toegestaan;
b. het
gebruik van de gronden en bouwwerken in combinatie met een aan huis verbonden beroep,
met dien verstande dat de uitoefening van een aan huis verbonden beroep
uitsluitend is toegestaan voor zover de woonfunctie in overwegende mate
gehandhaafd blijft en er geen ernstige hinder of afbreuk aan het woonmilieu
wordt gedaan en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. de
woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
2. aan
huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep mogen uitsluitend
inpandig worden verricht;
3. maximaal
30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep met een maximum van
4. degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
beroep uitoefent;
5. de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6. behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
beroep, mag geen detailhandel plaatsvinden;
7. het
gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie
ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te
worden geparkeerd op eigen terrein.
c. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
d. het
gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
e. het
gebruik van een hoofdgebouw, dan wel een bedrijfswoning inclusief aan- en
uitbouw en aangebouwd bijgebouw voor meer dan één woning, anders dan
overeenkomstig de bestaande situatie;
f. het
gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.
Mits de noodzaak
wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat-
en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. artikel 25.5,
sub a:
en worden toegestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve
van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat de
uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend is toegestaan
voorzover de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft en er geen
ernstige hinder of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan en wordt voldaan aan
de volgende voorwaarden:
1.
de
woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
2.
de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf mogen uitsluitend
inpandig worden verricht;
3.
maximaal
30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de
aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met een maximum van
4.
degene
die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden
bedrijf uitoefent;
5.
de
ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en
intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
6.
het
gebruik levert geen ernstige hinder voor het woonmilieu op, dan wel doet geen afbreuk
aan het woonkarakter van de wijk of de buurt;
7.
van
deze afwijkingsbevoegdheid wordt geen gebruik gemaakt ten behoeve van bedrijven
die vergunningsplichtig of meldingsplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
8.
de
bedrijfsactiviteiten zijn bovendien uitsluitend toegestaan voor zover deze
voorkomen in, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk zijn te
stellen met de bedrijven categorie 1 en 2 van de in de bijlage opgenomen Staat
van bedrijven.
9.
behoudens
een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden
bedrijf, mag geen detailhandel plaatsvinden;
10.
het
gebruik zal geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de
parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt
dat er dient te worden geparkeerd op eigen terrein;
b. lid 25.5, sub a:
en toestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een
bed and breakfast, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1.
de
bed and breakfast mag alleen plaatsvinden op een perceel waar ook een
(bedrijfs) woning aanwezig is.
2.
de
bed and breakfast moet plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing en mag zowel
in hoofdgebouw als bijgebouw worden gerealiseerd. Er wordt uitgegaan van een al
bestaande entree;
3.
in
een bijgebouw mogen voor de bed and breakfastfunctie uitsluitend slaapplaatsen
met sanitaire voorzieningen worden gerealiseerd. Hieraan gekoppeld, moet in het
hoofdgebouw een ontbijtruimte en mag een eventuele woonkamer worden
gerealiseerd;
4.
het
bijgebouw moet in de directe nabijheid van het hoofdgebouw staan en een
duidelijke relatie hebben met het hoofdgebouw;
5.
de
uiterlijke kenmerken van het hoofdgebouw moeten behouden blijven. Er mogen geen
uiterlijke kenmerken aan de woning worden toegevoegd;
6.
er
mogen maximaal drie bed and breakfasteenheden worden gerealiseerd;
7.
er
mogen maximaal zes personen tegelijkertijd in de bed and breakfast verblijven;
8.
er
mag geen keukenblok in de bed and breakfasteenheden worden gemaakt;
9.
het
parkeren voor de bed and breakfast moet op eigen erf plaatsvinden;
10.
er
mag geen extra inrit worden aangelegd in verband met de vestiging van bed and
breakfast;
11.
de
vestiging van bed and breakfast is alleen toegestaan aan een
verkeersontsluiting van voldoende omvang;
12.
er is
geen sprake van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische)
bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden
beperkt.
De voor 'Waarde -
Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende
bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de gebieden
met archeologische waarden.
In afwijking van
hetgeen elders in deze regels is bepaald, mogen op of in deze gronden geen gebouwen
en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
Er kan bij een
omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in de bouwregels en worden
toegestaan dat de in de basisbestemming genoemde gebouwen en bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits door middel van een archeologisch rapport
is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de
archeologische waarden van de gronden.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde
in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:
1. ontgronden,
afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen en/of het anderszins
ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan
2. het
graven, baggeren en dempen van sloten, vaarten en andere watergangen;
3. het
aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen
en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties of
apparatuur dieper dan
4. het
aanbrengen of rooien van bomen en/of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd.
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken
zijnde, en werkzaamheden die:
1. plaatsvinden
in of op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat
er zich ter plekke geen archeologische waarden bevinden;
2. reeds
in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
3. het
normale onderhoud betreffen;
4. mogen
worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning;
5. op
archeologisch onderzoek zijn gericht.
c. De
onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de plaats waar
werken en/of werkzaamheden zullen worden uitgevoerd voldoende archeologisch is
onderzocht, vaststaat dat er geen onevenredige afbreuk aan de archeologische
en/of cultuurhistorische waarden wordt gedaan, dan wel dat afdoende maatregelen
zijn getroffen tot behoud of bescherming van die waarden of de eventuele
bodemvondsten naar elders zijn overgebracht.
Burgemeester en
wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Waarde -
Archeologie 1' wordt verwijderd, mits na voldoende onderzoek van de vindplaats
en het inwinnen van deskundigenadvies blijkt dat voor de archeologisch
waardevolle gebieden de waardebepalende elementen niet zijn te handhaven in
relatie tot de functie van de gronden en de gebouwen, en de aanwezige
bodemvondsten naar elders zijn overgebracht.
De voor 'Waarde -
Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende
bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de mogelijk te verwachten
archeologische waarden.
In het belang van
de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en onder de voorwaarde
dat de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan
a. dient
de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport over te leggen
waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal
worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende
mate is vastgesteld;
b. kunnen
aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels worden verbonden:
1. de
verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de
archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
2. de
verplichting tot het doen van opgravingen;
3. de
verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een
deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan
door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties,
tenzij in het rapport als bedoeld onder a naar het oordeel van burgemeester en
wethouders is aangetoond dat het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft
niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van archeologische waarden.
Er kan bij een
omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 27.2,
onder a:
voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport, indien
naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van
het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld. De
woorden 'het rapport als bedoeld onder a' dienen in dat geval te worden gelezen
als 'andere beschikbare informatie'.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, en werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan
1.
het
ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen en/of anderszins
ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan
2.
het
graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen dieper dan
3.
het
aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen
en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties of
apparatuur dieper dan
4.
het
rooien van bomen en/of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd op meer dan
met dien verstande dat de
omgevingsvergunning ook verplicht is voor:
5.
gebieden
met een kleinere oppervlaktemaat dan
6.
werkzaamheden
op minder dan
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken
zijnde, en werkzaamheden:
1. die
plaatsvinden in of op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is
aangetoond dat er zich ter plekke geen archeologische waarden bevinden;
2. die
reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
3. die
het normale onderhoud betreffen;
4. die
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning;
5. die
op archeologisch onderzoek zijn gericht.
c. De
onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de plaats waar
de werken en/of werkzaamheden zullen worden uitgevoerd voldoende archeologisch
is onderzocht en er een deskundigenadvies is ingewonnen, vaststaat dat geen
onevenredige afbreuk aan de archeologische en cultuurhistorische waarden wordt
gedaan, dan wel dat afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of
ontwikkeling van die waarden en eventuele bodemvondsten naar elders zijn
overgebracht.
Burgemeester en
wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming ′Waarde
- Archeologie 2′ wordt verwijderd, mits na voldoende onderzoek van de
vindplaats en het inwinnen van deskundigenadvies blijkt dat voor de
archeologisch waardevolle gebieden de waardebepalende elementen niet zijn te
handhaven in relatie tot de functie van de gronden en de gebouwen, en de
aanwezige bodemvondsten naar elders zijn overgebracht.
De voor 'Waarde -
Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende
bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van mogelijke
archeologische waarden in niet-gekarteerde gebieden.
In het belang van
de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en onder de voorwaarde
dat de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan
a. dient
de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport over te leggen
waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal
worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende
mate is vastgesteld;
b. kunnen
aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels worden verbonden:
1. de
verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de
archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
2. de
verplichting tot het doen van opgravingen;
3. de
verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een
deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan
door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties,
tenzij in het rapport als bedoeld onder a naar het oordeel van burgemeester en
wethouders is aangetoond dat het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft
niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van archeologische waarden.
Er kan bij een
omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:
a. lid 28.2,
onder a:
voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport, indien
naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van
het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld. De
woorden 'het rapport als bedoeld onder a' dienen in dat geval te worden gelezen
als 'andere beschikbare informatie'.
a. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester
en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen
bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken
zijnde, en werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan
1. het
ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen en/of
anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan
2. het
graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen dieper dan
3. het
aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen
en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties of
apparatuur dieper dan
4. het
rooien van bomen en/of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd op meer dan
met dien verstande dat de omgevingsvergunning ook verplicht is voor:
gebieden met een kleinere oppervlaktemaat dan
b. De
onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken
zijnde, en werkzaamheden:
1. die
plaatsvinden in of op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is
aangetoond dat er zich ter plekke geen archeologische waarden bevinden;
2. die
reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
3. die
het normale onderhoud betreffen;
4. die
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (aanleg)vergunning;
5. die
op archeologisch onderzoek zijn gericht.
c. De
onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de plaats waar
de werken en/of werkzaamheden zullen worden uitgevoerd voldoende archeologisch
is onderzocht en er een deskundigenadvies is ingewonnen, vaststaat dat geen
onevenredige afbreuk aan de archeologische en cultuurhistorische waarden wordt
gedaan, dan wel dat afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of
ontwikkeling van die waarden en eventuele bodemvondsten naar elders zijn
overgebracht.
Burgemeester en
wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming ′Waarde
- Archeologie 3′ wordt verwijderd, mits na voldoende onderzoek van de
vindplaats en het inwinnen van deskundigenadvies blijkt dat voor de
archeologisch waardevolle gebieden de waardebepalende elementen niet zijn te
handhaven in relatie tot de functie van de gronden en de gebouwen, en de
aanwezige bodemvondsten naar elders zijn overgebracht.
Grond die eenmaal
in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering
is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere
bouwplannen buiten beschouwing.
Voor het houden
van evenementen buiten de gebieden ter plaatse van de gebiedsaanduidingen
‘evenementenzone – locatie
a.
in de
periode van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar zijn in de
dagperiode (07.00-19.00 uur) maximaal 3 evenementen uit categorie A en B met
een duur van maximaal 1 dag, exclusief opbouwen en afbreken, toegestaan;
b.
de
rustperiode tussen 2 evenementen bedraagt minimaal:
1. 2 weken met daarin 2 weekenden tussen 2
A-evenementen;
2. 1 week met daarin 1 weekend tussen een A-
en een B-evenement;
3. 5 dagen tussen 2 B-evenementen;
c.
het
aantal evenementen uit categorie C is ongelimiteerd en de duur bedraagt
maximaal 4 dagen.
31.1.1
Algemeen
Ter plaatse van
de gebiedsaanduiding ‘evenementenzone – locatie 1' is, naast hetgeen in de overige
regels is bepaald, het houden van evenementen tot maximaal 7.500 bezoekers
toegestaan.
31.1.2
Specifieke
gebruiksregels
Voor het houden
van evenementen ter plaatse van de aanduiding ‘evenementenzone – locatie 1'
gelden de volgende bepalingen:
a.
in de
periode van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar zijn in de
dagperiode (07.00-19.00 uur) maximaal 25 evenementen uit categorie A en B met
een duur van maximaal 1 dag, exclusief opbouwen en afbreken, toegestaan;
b.
in de
periode van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar zijn in de
avonduren (19.00-23.00 uur) maximaal 12 evenementen uit categorie A en B met
een duur van maximaal 1 dag, exclusief opbouwen en afbreken, toegestaan,
waarbij 1 keer per jaar wordt toegestaan dat een evenement verlengd wordt tot
maximaal 01.00 uur, mits dit evenement plaatsvindt op een vrijdag- of
zaterdagavond of andere dag waarna een vrije dag volgt;
c.
de
rustperiode tussen 2 evenementen bedraagt minimaal:
1.
2
weken met daarin 2 weekenden tussen 2 A-evenementen;
2.
1
week met daarin 1 weekend tussen een A- en een B-evenement;
3.
5
dagen tussen 2 B-evenementen;
d.
het
aantal evenementen uit categorie C is ongelimiteerd.
31.1.3
Wijzigingsbevoegdheid
a.
Burgemeester
en wethouders kunnen het plan wijzigen door de aanduiding ‘evenementenzone –
locatie
1. in geval van verwijderen van de aanduiding
‘evenementenzone – locatie
2.
in
geval van wijzigen of toevoegen van de aanduiding ‘evenementenzone – locatie
1’:
b.
het
houden van evenementen mag niet leiden tot een onevenredige
verkeersaantrekkende werking;
c.
bij
het houden van evenementen dient te worden voorzien in voldoende
parkeergelegenheid;
d.
het
houden van evenementen mag niet leiden tot een onevenredige toename van
overlast voor omwonenden.
e.
Burgemeester
en wethouders kunnen het plan wijzigen indien als gevolg van een wijziging van
het evenementenbeleid en/of milieubeleid de categorie-indeling en/of het maximaal
toegestane geluidniveau, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:
1. de wijziging mag niet leiden tot een
onevenredige toename van overlast voor omwonenden;
2.
de
wijziging mag niet leiden tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
3. bij het houden van evenementen dient te
worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
31.2.1
Algemeen
Ter plaatse van
de gebiedsaanduiding ‘evenementenzone – locatie 2' is, naast hetgeen in de overige
regels is bepaald, het houden van evenementen tot maximaal 1.000 bezoekers
toegestaan.
31.2.2
Specifieke
gebruiksregels
Voor het houden
van evenementen ter plaatse van de aanduiding ‘evenementenzone – locatie 2'
gelden de volgende bepalingen:
a.
in de
periode van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar zijn in de
dagperiode (07.00-19.00 uur) per locatie maximaal 12 evenementen uit categorie
A en B met een duur van maximaal 1 dag, exclusief opbouwen en afbreken,
toegestaan;
b.
in de
periode van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar zijn in de
avonduren (19.00-23.00 uur) per locatie maximaal 6 evenementen uit categorie A
en B met een duur van maximaal 1 dag, exclusief opbouwen en afbreken,
toegestaan;
c.
de
rustperiode tussen 2 evenementen bedraagt minimaal:
1. 2 weken met daarin 2 weekenden tussen 2
A-evenementen;
2. 1 week met daarin 1 weekend tussen een A-
en een B-evenement;
3. 5 dagen tussen 2 B-evenementen;
d.
het
aantal evenementen uit categorie C is ongelimiteerd.
31.2.3
Wijzigingsbevoegdheid
a.
Burgemeester
en wethouders kunnen het plan wijzigen door de aanduiding ‘evenementenzone –
locatie
1. in geval van verwijderen van de aanduiding
‘evenementenzone – locatie
2.
in
geval van wijzigen of toevoegen van de aanduiding ‘evenementenzone – locatie
2’:
b.
het
houden van evenementen mag niet leiden tot een onevenredige
verkeersaantrekkende werking;
c.
bij
het houden van evenementen dient te worden voorzien in voldoende
parkeergelegenheid;
d.
het
houden van evenementen mag niet leiden tot een onevenredige toename van
overlast voor omwonenden.
e.
Burgemeester
en wethouders kunnen het plan wijzigen indien als gevolg van een wijziging van
het evenementenbeleid en/of milieubeleid de categorie-indeling en/of het
maximaal toegestane geluidniveau, waarbij de volgende bepalingen van toepassing
zijn:
1. de wijziging mag niet leiden tot een
onevenredige toename van overlast voor omwonenden;
2.
de
wijziging mag niet leiden tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
3. bij het houden van evenementen dient te
worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
31.3.1
Algemeen
Ter plaatse van
de gebiedsaanduiding ‘evenementenzone – locatie 3' is, naast hetgeen in de overige
regels is bepaald, het houden van evenementen tot maximaal 5.000 bezoekers
toegestaan.
31.3.2
Specifieke
gebruiksregels
Voor het houden van
evenementen ter plaatse van de aanduiding ‘evenementenzone – locatie 3' gelden
de volgende bepalingen:
a.
in de
periode van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar zijn in de
dagperiode (07.00-19.00 uur) per locatie maximaal 12 evenementen uit categorie
A en B met een duur van maximaal 3 dagen, exclusief opbouwen en afbreken,
toegestaan;
b.
in de
periode van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar zijn in de
avonduren (19.00-23.00 uur) per locatie maximaal 6 evenementen uit categorie A
en B met een duur van maximaal 3 dagen, exclusief opbouwen en afbreken,
toegestaan, waarbij 1 keer per jaar wordt toegestaan dat een evenement verlengd
wordt tot maximaal 01.00 uur, mits dit evenement plaatsvindt op een vrijdag- of
zaterdagavond of een andere dag waarna een vrije dag volgt;
c.
de
rustperiode tussen 2 evenementen bedraagt minimaal:
1.
2
weken met daarin 2 weekenden tussen 2 A-evenementen;
2.
1
week met daarin 1 weekend tussen een A- en een B-evenement;
3.
5
dagen tussen 2 B-evenementen;
d.
het
aantal evenementen uit categorie C is ongelimiteerd.
31.3.3
Wijzigingsbevoegdheid
a.
Burgemeester
en wethouders kunnen het plan wijzigen door de aanduiding ‘evenementenzone –
locatie
1.
in
geval van verwijderen van de aanduiding ‘evenementenzone – locatie
2.
in
geval van wijzigen of toevoegen van de aanduiding ‘evenementenzone – locatie
3’:
b.
het
houden van evenementen mag niet leiden tot een onevenredige
verkeersaantrekkende werking;
c.
bij
het houden van evenementen dient te worden voorzien in voldoende
parkeergelegenheid;
d.
het
houden van evenementen mag niet leiden tot een onevenredige toename van
overlast voor omwonenden.
e.
Burgemeester
en wethouders kunnen het plan wijzigen indien als gevolg van een wijziging van
het evenementenbeleid en/of milieubeleid de categorie-indeling en/of het
maximaal toegestane geluidniveau, waarbij de volgende bepalingen van toepassing
zijn:
1.
de
wijziging mag niet leiden tot een onevenredige toename van overlast voor omwonenden;
2.
de
wijziging mag niet leiden tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
3.
bij
het houden van evenementen dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
31.4.1
Bouwregels
In afwijking van
hetgeen elders in deze regels is bepaald, mogen op of in de gronden ter plaatse
van de aanduiding ‘veiligheidszone – bevi’ geen kwetsbare of beperkt kwetsbare
objecten worden gebouwd.
31.4.2
Afwijken
van de bouwregels
Bij een
omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 31.4.1 en worden
toegestaan dat beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd, indien er sprake is van
zwaarwegende maatschappelijke, economische en/of planologische redenen en mits
is aangetoond dat er hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de
veiligheid van personen.
31.4.3
Specifieke
gebruiksregels
In afwijking van
hetgeen elders in deze regels is bepaald, is het verboden gronden en bouwwerken
ter plaatse van de aanduiding ‘veiligheidszone - bevi’ te gebruiken als
kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object.
31.4.4
Afwijken
van de gebruiksregels
Bij een
omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 31.4.3 en
worden toegestaan dat de gronden en bouwwerken worden gebruikt als beperkt
kwetsbaar object, indien is aangetoond dat er sprake is van zwaarwegende
maatschappelijke, economische en/of planologische redenen en mits hierdoor geen
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen.
31.4.5
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en
wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat:
a. de
aanduiding 'veiligheidszone - bevi' wordt verwijderd, mits de betreffende
risicovolle activiteit ter plaatse is beëindigd;
b. de
aanduiding 'veiligheidszone - bevi' voor een risicovolle inrichting wordt
gewijzigd (verkleind), mits:
1. voor
de risicovolle inrichting een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is
verleend of gewijzigd;
2. de
ligging van de zone is afgestemd op de met deze vergunning corresponderende
veiligheidsafstand ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
3. zich
binnen de gewijzigde zone geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten
bevinden.
31.5.1
Bouwregels
In afwijking van
het bepaalde in de overige bestemmingsregels mogen ter plaatse van de aanduiding
'veiligheidszone - lpg' geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten
worden gebouwd en mag de afstand van bestaande bebouwing tot het vulpunt niet
worden verkleind.
31.5.2
Specifieke
gebruiksregels
Gronden en
opstallen die liggen ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - lpg'
mogen niet worden gebruikt als kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object.
31.5.3
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en
wethouders kunnen het plan wijzigen en de aanduiding ‘veiligheidszone – lpg’
geheel of gedeeltelijk te verwijderen of te veranderen, indien gewijzigde
wetgeving dat mogelijk maakt dan wel de feitelijke situatie daartoe aanleiding
geeft.
32.1 Er kan
bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van:
a.
het
bepaalde in het plan en worden toegestaan dat een hoofdgebouw buiten het bouwvlak
mag worden gebouwd tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bouwvlak;
b.
het bepaalde
in het plan en worden toegestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten
behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de
bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes en naar de aard daarmee gelijk te
stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
1. de
inhoud per gebouwtje niet meer dan
2. de
hoogte van de gebouwtjes niet meer bedraagt dan
32.2 De
onder 32.1 bedoelde omgevingsvergunningen mogen niet leiden tot een
onevenredige aantasting van:
a.
de gebruiksmogelijkheden
van aangrenzende gronden en/of bouwwerken;
b.
de
verkeersveiligheid;
c.
het
bebouwingsbeeld.
Burgemeester en
wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het
straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en
bouwwerken, het plan wijzigen in die zin dat:
a. ter
plaatse van de aanduiding 'wro-zone – wijzigingsgebied 1' nieuwe woningen mogen
worden gebouwd, met dien verstande dat:
1. het aantal woningen niet meer bedraagt dan
19;
2. de nieuwe woningen achter de voormalige
boerderijpanden dienen te worden gebouwd;
3. per hoofdgebouw voldoende parkeerplaatsen
op eigen erf worden gerealiseerd;
4. een verzoek om wijziging van het plan
gepaard gaat met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing;
5. de wijziging niet mag leiden tot een
beperking van het functioneren van omliggende bedrijvigheid;
6. er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische
belemmeringen;
7. de geluidsbelasting op de woningen niet
meer mag bedragen dan de daarvoor geldende voorkeurswaarde of een hoger
verkregen grenswaarde zoals bedoeld in de Wet geluidhinder;
8. rekening wordt gehouden met de mogelijke
aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten op grond van de Flora-
en faunawet;
9. alvorens tot wijziging wordt overgegaan
een hydrologisch onderzoek wordt uitgevoerd, met dien verstande dat de
wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast indien uit het onderzoek is
gebleken dat de waterhuishoudkundige waarde door toepassing van de
wijzigingsbevoegdheid niet onevenredig wordt geschaad;
b. ter
plaatse van de aanduiding 'wro-zone – wijzigingsgebied 2' nieuwe woningen mogen
worden gebouwd, met dien verstande dat:
1.
het
aantal woningen niet meer bedraagt dan 8;
2.
de
nieuwe woningen achter de voormalige boerderijpanden dienen te worden gebouwd;
3.
per
hoofdgebouw voldoende parkeerplaatsen op eigen erf worden gerealiseerd;
4.
een
verzoek om wijziging van het plan gepaard gaat met een voorstel tot
landschappelijke inpassing van de bebouwing;
5.
de
wijziging niet mag leiden tot een beperking van het functioneren van omliggende
bedrijvigheid;
6.
er
mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen;
7.
de
geluidsbelasting op de woningen niet meer mag bedragen dan de daarvoor geldende
voorkeurswaarde of een hoger verkregen grenswaarde zoals bedoeld in de Wet
geluidhinder;
8.
rekening
wordt gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en
diersoorten op grond van de Flora- en faunawet;
9.
alvorens
tot wijziging wordt overgegaan een hydrologisch onderzoek wordt uitgevoerd, met
dien verstande dat de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast indien
uit het onderzoek is gebleken dat de waterhuishoudkundige waarde door toepassing
van de wijzigingsbevoegdheid niet onevenredig wordt geschaad;
c. ter
plaatse van de aanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied
1. na
toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de betreffende gronden de regels
van artikel 15 van overeenkomstige toepassing zijn.
Het bestemmingsplan
verzet zich tegen het gebruik van de gronden en bouwwerken als seksinrichting.
Burgemeester en
wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting
van:
- de
milieusituatie;
- de
landschappelijke waarden;
- de
natuurlijke waarden;
- de
geomorfologische waarden;
- de
cultuurhistorische waarden;
- de
archeologische waarden;
- het
bebouwingsbeeld;
- de
woonsituatie;
- de
verkeersveiligheid;
- de
gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
nadere eisen
stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, onder andere ten
behoeve van een goede landschappelijke inpassing en het zicht op de
karakteristieke en monumentale bouwwerken ter plaatse van de aanduiding
'specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1', 'specifieke bouwaanduiding -
karakteristiek 2', ‘specifieke bouwaanduiding – molen’ en de monumentale bomen
ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom'.
Als uitgangspunt
geldt dat in alle bestemmingen op eigen erf dient te worden geparkeerd. Hiervan
kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken indien in het geval van nieuwe
ontwikkelingen in de nabijheid van deze ontwikkeling op een goede wijze kan
worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen.
A Overgangsrecht
bouwwerken
1. Een
bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan
aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning
voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en
omvang niet wordt vergroot:
a. gedeeltelijk
worden vernieuwd of veranderd;
b. na
het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd,
mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen
twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
2. Het
bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk
als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
3. Het
eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het
tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning
en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de
overgangsbepaling van dat plan.
B Overgangsrecht
gebruik
1. Het
gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van
inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden
voortgezet.
2. Het
is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het
eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan
strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang
wordt verkleind.
3. Indien
het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan
voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit
gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
4. Het
eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met
het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de
overgangsbepalingen van dat plan.
Deze regels
worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Westerbork'.