type plan: bestemmingsplan
naam van het plan: Golfbaan de Paal
status: vastgesteld
planidentificatie: NL.IMRO.1724.BPUglf0013-VAS2

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:
     

1.1 aanbouw:

een als afzonderlijke ruimte aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw.
   

1.2 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
   

1.3 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 

1.4 agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van telen van gewassen of het houden van dieren.
  

1.5 all weather sport- en recreatievoorzieningen

een overdekte voorziening waar sport- en recreatie-activiteiten kunnen plaatsvinden.
 

1.6 archeologische waarden:

waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.
 

1.7 archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.
 

1.8 ballenvanger:

een hekwerk of net dat erop gericht is ballen tegen te houden.

1.9 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 

1.10 bedrijf:

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.
  

1.11 bedrijfsmatig:

in uitoefening van een bedrijf.
 

1.12 bedrijfswoning:

een woning, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming, noodzakelijk is.
 

1.13 bestaand(e situatie):

  1. ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het ontwerpplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning;
  2. ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip dat het plan in werking is getreden.
 

1.14 bestaande situatie:

de bebouwing en het gebruik, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
 

1.15 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.
 

1.16 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1724.BPUglf0013-VAS2 met de bijbehorende regels en bijlagen.
   

1.17 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming.
 

1.18 bijbehorende bouwwerken:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak

1.19 bijbehorende voorzieningen:

voorzieningen, die horen bij de betreffende bedrijfsvoering op gronden (onder andere weg- en waterbouwkundige voorzieningen) en/of bouwvlakken (onder andere opslag en energievoorziening).
 

1.20 bijgebouw:

een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zowel qua afmeting als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
 

1.21 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 

1.22 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.
 

1.23 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.
 

1.24 bouwmassa:

een complex van aaneen gebouwde bouwwerken.
 

1.25 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 

1.26 bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel.
 

1.27 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 

1.28 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in
of op de grond.
 

1.29 cultuurhistorische waarden:

waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden.
 

1.30 extensief recreatief medegebruik:

een vorm van recreatief medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de bestemmingsomschrijving van de bestemmingen gegeven doeleinden zoals wandelen, fietsen en dergelijke.

1.31 functie:

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.
 

1.32 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 

1.33 gebruiksoppervlakte:

Gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN2580 

1.34 hoofdfunctie:

een functie waarvoor het hoofdgebouw en/of gronden als zodanig mag worden gebruikt.
 

1.35 houtteelt:

de bedrijfsmatige uitoefening van uitsluitend de functie houtproductie op gronden die in principe hiervoor tijdelijk worden gebruikt en waarvoor daartoe ontheffing is verleend van de melding- en herplantplicht ex artikel 2 en 3 van de Boswet.
 

1.36 hydrologische waarde:

gronden met een bijzondere betekenis voor het watersysteem van het plansysteem in verband met beekherstel, verdrogingsbestrijding, waterberging en/of waterkering.
 

1.37 landschapselementen:

ter plaatse gebonden ecologische en/of landschappelijk waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen, moerasjes en dergelijke.
 

1.38 landschapswaarden/landschappelijke waarden:

bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object in de zin van aantrekkelijkheid, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit bestaande uit aardkundige, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang.
 

1.39 Natuur Netwerk Brabant (NNB):

samenhangend netwerk van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden.
  

1.40 natuurwaarden/natuurwetenschappelijke waarden:

waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid voor het gebied.
 

1.41 omgevingsvergunning:

een vergunning voor het uitvoeren van een project dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
 

1.42 ondergeschikte horeca:

een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maar waar men uitsluitend ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren, zoals een kantine in een verenigingsgebouw of sportvoorziening.
 

1.43 ondergeschikte nevenactiviteit:

een activiteit met een zodanige beperkte omvang dat de functie waaraan zij wordt toegevoegd qua aard, omvang en verschijningsvorm als hoofdfunctie herkenbaar blijft.
 

1.44 plan:

het bestemmingsplan ‘Golfbaan de Paal’
   

1.45 ruimtelijke eenheid:

complex van bij elkaar behorende bouwwerken.
 

1.46 sanitaire voorzieningen

een (gedeelte van een) gebouw dat bedoeld is om de dagrecreatieve functie van het omliggende gebied te ondersteunen door het ter plaatse aan recreanten aanbieden van mogelijkheden tot toiletgebruik;
  

1.47 schuilgelegenheid:

een gebouw, dat zowel qua afmeting als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebruik. Het gaat hier onder meer om dierenverblijven, schuilgelegenheden, melkschuren, etc.
 

1.48 sportvoorziening:

faciliteit, bijvoorbeeld een sportveld, sporthal of soortgelijke accommodatie, waar lichamelijke activiteiten kunnen worden beoefend.
 

1.49 teeltondersteunende voorzieningen:

ondersteunende voorziening die een onderdeel is van de vollegrondse bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf of boomkwekerij.
 
teeltondersteunende kas:
een teeltondersteunende voorziening, bestaande uit een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden.
 
teeltondersteunende voorzieningen, permanent:
teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas. 
 
teeltondersteunende voorzieningen, tijdelijk:
teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, voor aaneengesloten periode van maximum van 6 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik.
Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten.
 
teeltondersteunende voorzieningen, overig
een permanente (teelt)ondersteunende voorziening c.q. een bouwwerk in de vorm van een hek met afrastering, met een hoogte van niet meer dan 3 m, op boomteelt percelen waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen worden (boomteelthek en regenkappen).
 

1.50 voorgevelrooilijn:

de denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel (i.c. de meest gezichtsbepalende gevel) van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.
 

1.51 vormverandering van een bouwvlak:

wijziging van de begrenzing van een bouwvlak zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte.
 

1.52 waterbergingsgebied:

gebied dat noodzakelijk is om wateroverlast uit de regionale watersystemen tegen te gaan.
 

1.53 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen, die het waterhuishoudkundige belang dienen, zoals watergangen, waterlopen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang of waterloop.
 

1.54 zoekgebied voor ecologische verbindingszone (evz):

gebied waarbinnen een ecologische verbindingszone is of wordt gerealiseerd.
 

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten c.q. gerekend, met dien verstande dat daarbij ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing worden gelaten als de overschrijding niet meer dan 0,5 meter bedraagt: 
 

2.1 afstand tot de bouwperceelsgrens:

tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van een gebouw, waar die afstand het kortst is; 
 

2.2 bebouwd oppervlak van een bouwperceel:

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen, tenzij anders in de regels is vermeld; 
 

2.3 bebouwingspercentage:

het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat gelegen is binnen de bestemming of binnen een in de regels nader aangeduid gedeelte van de bestemming; 
 

2.4 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 
 

2.5 dakhelling:

langs het dakvlak gemeten ten opzichte van het horizontale vlak; 
 

2.6 goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 
 

2.7 horizontale diepte van een gebouw:

de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel; 

2.8 inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 
 

2.9 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:

de buitenwerks (tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren) gemeten afstand; 
 

2.10 oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 
 

2.11 peil:

  • voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;                  
  • voor een bouwwerk dat in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil ter plaatse van het bouwwerk;  
  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende bestaande maaiveld of het afgewerkte bouwterrein;
 

2.12 verticale diepte van een gebouw:

de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de onderzijde van de begane grondvloer tot de onderzijde van de vloer van de onderbouw/kelder (dus exclusief fundering of heipalen).
 

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;
  2. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. extensief recreatief medegebruik.
  

3.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken geen gebouwen zijnde, waarbij geldt dat:
  1. De bouwhoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet meer bedragen dan 3 m, waarbij geldt dat de oppervlakte niet meer dan 3,5 ha mag bedragen;
  2. De bouwhoogte van overige teeltondersteunende voorzieningen niet meer bedragen dan 3 m, waarbij geldt dat de oppervlakte niet meer dan 3,5 ha mag bedragen;
  3. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;
  4. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 m, waarbij geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 10 m² per perceel, met dien verstande dat de oppervlakte van dat perceel minimaal een hectare dient te bedragen.

3.3 Specifieke gebruiksregels

3.3.1 Tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen
Het gebruik van de gronden voor tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen voor zover deze geen bouwwerken zijn, is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
  1. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
  2. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 3,5 ha.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

3.4.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen;
  2. het aanleggen of verdiepen (van oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van waterlopen, sloten en greppels;
  3. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem;
  4. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  5. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische infrastructuur;
  6. het vellen en/of rooien van houtgewas, met name hoogstamboomgaarden, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging;
  7. het bebossen van gronden.
3.4.2 Uitzonderingen
De omgevingsvergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
3.4.3 Toelaatbaarheid
De in lid artikel 3 lid 4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden.
 
Ook dient de regelgeving in de Keur in acht te worden genomen. 

3.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in dié zin dat de bestemming 'Agrarisch' wordt gewijzigd in de bestemming 'Natuur' ter hoogte van 'Wijzigingsgebied 2', de bestemming 'Bos' ter hoogte van 'Wijzigingsgebied 1', de bestemming 'Water' ter hoogte van 'Wijzigingsgebied 3' en de bestemming 'Recreatie - Golfbaan' ter hoogte van 'Wijzigingsgebied 4', mits: 
  1. de wijziging van 'overige zone - Wijzigingsgebied 4' wordt uitgevoerd na of tegelijkertijd met de wijziging van 'overige zone - Wijzigingsgebied 1', 'overige zone - Wijzigingsgebied 2' en 'overige zone - Wijzigingsgebied 3';  
  2. de wijzigingen plaatsvinden volgens de ‘Uitwerking Saldobenadering Natuurnetwerk Brabant Golfbaan de Paal’ zoals opgenomen in de bijlage bij deze regels, waarbij in het wijzigingsplan tevens het gebruik van de gronden in ‘overige zone - Wijzigingsgebied 4’ via een voorwaardelijke verplichting gekoppeld wordt aan de verplichting de gronden in ‘overige zone - Wijzigingsgebied 1’, overige zone - Wijzigingsgebied 2’ en ‘overige zone - Wijzigingsgebied 3’ in te richten en te beheren zoals aangegeven in de ‘Uitwerking Saldobenadering Natuurnetwerk Brabant Golfbaan de Paal’ zoals opgenomen in de bijlage bij deze regels;
  3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de landschappelijke of/en ecologische waarden, de woonsituatie in de omgeving en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden
  4. het waterschap schriftelijk positief heeft geadviseerd over de voorgenomen wijziging. 
  

Artikel 4 Bos

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Bos’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. behoud, herstel en/of ontwikkeling van het bos en bosgroeiplaats;
  2. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke waarden, ecologische en natuurwaarden;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. onverharde wegen en paden;
  5. extensief recreatief medegebruik.
  

4.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, behoudens: 
  1. eenvoudige voorzieningen in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor extensief recreatief medegebruik, zoals informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m.
  

4.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in  artikel 4 lid 2  voor:
  1. het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van het natuurbeheer, mits:
    1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 meter;
    2. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 10 m²;
    3. het bouwwerk noodzakelijk is in het kader van bos- en natuurbeheer;
    4. het bouwwerk wordt gesitueerd binnen minimaal 2,5 hectare aaneengesloten bos- en/of natuurgebied.
  2. het bouwen van brandtorens, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 15 meter.
 

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

4.4.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel wordt gewijzigd of het maaiveld zelf met meer dan 0,5 meter wordt gewijzigd;
  2. het aanleggen of verdiepen (van oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van waterlopen, sloten en greppels;
  3. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering;
  4. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
  5. het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas;
  6. het aanleggen of aanplanten van hoger dan 1,5 meter opgaand of dieper dan 0,5 meter onder maaiveld wortelend houtgewas met productiefunctie;
  7. het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, steilranden;
  8. het verwijderen, aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen, of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
4.4.2 Uitzonderingen
De omgevingsvergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
4.4.3 Toelaatbaarheid
De in lid artikel 4 lid 4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden.
 
Ook dient de regelgeving in de Keur in acht te worden genomen. 

4.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in dié zin dat de bestemming 'Bos' wordt gewijzigd in de bestemming 'Recreatie - Golfbaan' ter hoogte van 'overige zone - Wijzigingsgebied 5', mits:
  1. de wijziging van 'overige zone - Wijzigingsgebied 5' wordt uitgevoerd na of tegelijkertijd met de wijziging van 'overige zone - Wijzigingsgebied 1', 'overige zone - Wijzigingsgebied 2' en 'overige zone - Wijzigingsgebied 3';  
  2. de wijzigingen plaatsvinden volgens de ‘Uitwerking Saldobenadering Natuurnetwerk Brabant Golfbaan de Paal’ zoals opgenomen in de bijlage bij deze regels, waarbij in het wijzigingsplan tevens het gebruik van de gronden in ‘overige zone - Wijzigingsgebied 5’ via een voorwaardelijke verplichting gekoppeld wordt aan de verplichting de gronden in ‘overige zone - Wijzigingsgebied 1’, 'overige zone - Wijzigingsgebied 2’ en ‘overige zone - Wijzigingsgebied 3’ in te richten en te beheren zoals aangegeven in de ‘Uitwerking Saldobenadering Natuurnetwerk Brabant Golfbaan de Paal’ zoals opgenomen in de bijlage bij deze regels;
  3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de landschappelijke en/of ecologische waarden, de woonsituatie in de omgeving en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.  

Artikel 5 Natuur

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden en ecologische waarden;
  2. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
  3. onverharde wegen en paden;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  5. extensief recreatief medegebruik.
  

5.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, behoudens: 
  1. eenvoudige voorzieningen in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor extensief recreatief medegebruik, zoals informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m.

5.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 5 lid 2 voor:
  1.  het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van het natuurbeheer, mits: 
    1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 meter;
    2. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 10 m²;
    3. het bouwwerk noodzakelijk is in het kader van bos- en natuurbeheer;
    4. het bouwwerk wordt gesitueerd binnen minimaal 2,5 hectare aaneengesloten bos- en/of natuurgebied.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

5.4.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel wordt gewijzigd of het maaiveld zelf met meer dan 0,5 meter wordt gewijzigd;
  2. het aanleggen of verdiepen (van oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van waterlopen, sloten en greppels;
  3. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering;
  4. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
  5. het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas;
  6. het aanleggen of aanplanten van hoger dan 1,5 meter opgaand of dieper dan 0,5 meter onder maaiveld wortelend houtgewas met productiefunctie;
  7. het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, steilranden;
  8. het verwijderen, aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen, of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
5.4.2 Uitzonderingen
De omgevingsvergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
5.4.3 Toelaatbaarheid
De in lid artikel 5 lid 4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden.
 
Ook dient de regelgeving in de Keur in acht te worden genomen. 

Artikel 6 Recreatie - Golfbaan

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Recreatie – Golfbaan’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
 
  1. een golfbaan;
  2. clubgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de golfsport;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. all weather sport- en recreatievoorzieningen ten behoeve van de golfsport;
  5. ondergeschikte horeca in het clubgebouw met een maximale gebruiksoppervlakte van 400 m² ;
  6. terrassen met een maximale oppervlakte van 250m²;
  7. ondergeschikte detailhandel ten behoeve van de golfsport in het clubgebouw met een maximale bedrijfsvloeroppervlakte van 50 m²;
  8. driving range ten behoeve van de golfsport ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - driving range';
  9. verenigingsactiviteiten ten behoeve van de golfsport;
  10. één bedrijfswoning;
  11. vijvers en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  12. extensief recreatief medegebruik;  
  13. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  14. tuinen en erven;
  15. nutsvoorzieningen;
  16. wegen en paden;
  17. groenvoorzieningen. 
  

6.2 Bouwregels

6.2.1 Algemene inrichtingseisen
Ten aanzien van het bouwen van gebouwen gelden de volgende algemene regels: 
  1. gebouwen zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan tenzij anders is bepaald;
  2. binnen het bouwvlak zijn uitsluitend de volgende gebouwen toegestaan: een clubgebouw, een bedrijfswoning met aan-, bijbehorende bouwwerken, onderhouds- of opslaggebouwen, een afslagplaats drivingrange
  3. het bouwen van gebouwen dient hydrologisch neutraal te zijn. Hierover wordt advies ingewonnen bij de waterbeheerder;
  4. de in artikel 6 lid 2.1 sub b benoemde gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd nadat de inrichting ter plaatse van de bestemming ‘Bos’, de bestemming ‘Natuur’ en de bestemming ‘Water’ is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden, en de zandpaden worden gerealiseerd, beheerd en in stand gebouden, zoals aangegeven in de ‘Uitwerking Saldobenadering Natuurnetwerk Brabant Golfbaan de Paal’ zoals opgenomen in de bijlage bij deze regels;
6.2.2 Clubgebouw
Ten aanzien van het bouwen van een clubgebouw gelden de volgende regels:
  1. de goothoogte bedraagt maximaal 4 meter;
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 meter;
  3. de oppervlakte bedraagt maximaal 900 m², exclusief terrasoverkapping;
  4. de oppervlakte van de terrasoverkapping bedraagt maximaal 125 m²; 
  5. de dakhelling van het clubgebouw mag niet minder bedragen dan 30° en niet meer dan 65°;
  6. de bebouwing dient te worden voorzien van een kap.
 
6.2.3 Bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende regels:
  1. de goothoogte bedraagt maximaal 5,5 meter;
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 meter;
  3. de inhoud van de bedrijfswoning exclusief bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 750 m³;
  4. voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels
    1. de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw (of het verlengde daarvan) bedraagt ten minste 2,5 meter;
    2. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de bedrijfswoning mag niet meer dan 20 meter bedragen;
    3. de dakhelling van bijgebouwen mag niet minder bedragen dan 15° en niet meer dan 45°;
    4. de goothoogte bedraagt maximaal 3 meter;
    5. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5,5 meter;
    6. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 120 m².
  
6.2.4 Onderhouds- of opslaggebouwen
Ten aanzien van gebouwen voor het opslaan van materialen gelden de volgende regels: 
  1. een onderhouds- of opslaggebouw dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  2. de goothoogte bedraagt maximaal 4 meter;
  3. de bouwhoogte bedraagt maximaal 8 meter; 
  4. de dakhelling van de onderhouds- of opslaggebouwen mag niet minder bedragen dan 15° en niet meer dan 65°;
  5. de gezamenlijke oppervlakte van onderhouds- of opslaggebouwen bedraagt maximaal 900 m².
  
6.2.5 Afslagplaats drivingrange
ten aanzien van het gebouw voor de afslagplaats van de drivingrange gelden de volgende regels:
 
  1. de afslagplaats dient gebouwd te worden binnen de functie aanduiding "specifieke vorm van sport - driving range" en binnen het bouwvlak;
  2. de goothoogte bedraagt maximaal 3 meter;
  3. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 meter; 
  4. de dakhelling van de afslagplaats drivingrange mag niet minder bedragen dan 15° en niet meer dan 65°;
  5. de oppervlakte van een afslagplaats bedraagt maximaal 280 m².
 
6.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: 
  1. de hoogte van terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter, waarbij geldt dat terreinafscheidingen voor de voorgevellijn voor minimaal 50% transparant moeten zijn;
  2. antenne- en lichtmasten zijn uitsluitend ter plaatse van de functie aanduiding ‘specifieke vorm van sport - driving range’ toegestaan, de hoogte daarvan bedraagt niet meer dan 8 meter;
  3. een ballenvanger ter plaatse van de functie aanduiding ‘specifieke vorm van sport - driving range’ is toegestaan tot een maximale hoogte van 15 meter;
  4. de hoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 3,5 meter.
     
6.2.7 Schuilgelegenheden en sanitaire voorzieningen
Ten aanzien van het bouwen van schuilgelegenheden en sanitaire voorzieningen gelden de volgende regels: 
  1. schuilgelegenheden en sanitaire voorzieningen mogen binnen of buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  2.  de oppervlakte per gebouw bedraagt maximaal 20 m²;
  3. de gezamenlijke oppervlakte van alle gebouwen buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 100 m²;
  4. de goothoogte bedraagt maximaal 3 meter;
  5. de nokhoogte bedraagt maximaal 4 meter.
  
6.2.8 Voorwaardelijke verplichting
 
  1. Het is niet toegestaan de bestaande gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', zoals aanwezig ten tijden van de terinzagelegging van onderhavig plan, te slopen en/of te herbouwen, alvorens middels aanvullend ecologisch onderzoek is aangetoond dat (beschermde verblijfplatsen van) beschermde vleermuissoorten niet aanwezig zijn dan wel dat voor eventueel aangetroffen (beschermde verblijfplaatsen van) beschermde vleermuissoorten voldoende mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen zijn.
  2. Het is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - driving range' een driving range met bijbehorende voorzieningen, waaronder hekwerk en (een) lichtmast(en) te realiseren, alvorens middels aanvullend ecologisch onderzoek is aangetoond dat (beschermde verblijfplatsen van) beschermde vleermuissoorten niet aanwezig zijn dan wel dat voor eventueel aangetroffen (beschermde verblijfplaatsen van) beschermde vleermuissoorten voldoende mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen zijn.

6.3 Specifieke gebruiksregels

6.3.1 Algemeen
Binnen deze bestemming is de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de bedrijfswoning, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamelijke oppervlakte van de bebouwing van de bedrijfswoning en/of bijgebouwen tot een maximum van 75 m²;
  2. het gebruik mag een nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
  3. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd detailhandel in beperkte, ondergeschikte mate, in indirect verband met de uitoefening van aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten;
  4. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner(s).
6.3.2 Parkeren
Het gebruik van de gronden binnen deze bestemming als golfbaan is uitsluitend toegestaan indien binnen het bouwvlak is voorzien in parkeergelegenheid voor minimaal 108 auto’s en deze parkeergelegenheid in stand wordt gehouden.
6.3.3 Golfsport
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - Golfbaan', mogen uitsluitend voor de golfsport worden gebruikt nadat de inrichting ter plaatse van de bestemming ‘Bos’, de bestemming ‘Natuur’ en de bestemming ‘Water’ is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden, en de zandpaden worden gerealiseerd, beheerd en in stand gebouden, zoals aangegeven in de ‘Uitwerking Saldobenadering Natuurnetwerk Brabant Golfbaan de Paal’ zoals opgenomen in de bijlage bij deze regels.
6.3.4 Voorwaardelijke verplichting
  1. Het is niet toegestaan de bestaande gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', zoals aanwezig ten tijden van de terinzagelegging van onderhavig plan, te slopen en/of te herbouwen, alvorens middels aanvullend ecologisch onderzoek is aangetoond dat (beschermde verblijfplatsen van) beschermde vleermuissoorten niet aanwezig zijn dan wel dat voor eventueel aangetroffen (beschermde verblijfplaatsen van) beschermde vleermuissoorten voldoende mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen zijn.
  2. Het is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - driving range' een driving range met bijbehorende voorzieningen, waaronder hekwerk en (een) lichtmast(en) te realiseren, alvorens middels aanvullend ecologisch onderzoek is aangetoond dat (beschermde verblijfplatsen van) beschermde vleermuissoorten niet aanwezig zijn dan wel dat voor eventueel aangetroffen (beschermde verblijfplaatsen van) beschermde vleermuissoorten voldoende mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen zijn.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

6.4.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het vellen of rooien van bos en/of verwijderen van houtopstanden die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren;
  2. het verwijderen van natuur- en landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren;
  3. het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas;
  4. het verwijderen, aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  5. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel wordt gewijzigd of het maaiveld zelf met meer dan 0,5 m wordt gewijzigd;
  6. het aanleggen of verdiepen (van oevers, proefiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van waterlopen;
  7. het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten en steilranden;
  8. ander werk dat een verandering van de waterhuishouding of grondwaterpeil tot gevolg heeft, zoals drainage en (onder)bemaling.
     
6.4.2 Toelaatbaarheid
  • De in lid artikel 6 lid 4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden.
  • Ook dient de regelgeving in de Keur in acht te worden genomen.  
  • De in artikel 6 lid 4.1 onder a. genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien uit aanvullend ecologisch onderzoek blijkt dat (beschermde nestlocaties en/of verblijfplaatsen van) beschermde vogelsoorten en/of beschermde vleermuissoorten niet aanwezig zijn, dan wel dat voor eventueel aangetroffen (beschermde nestlocaties en /of verblijfplaatsen van) beschermde vogelsoorten en/of beschermde vleermuissoorten voldoende mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen zijn.
 
6.4.3 Uitzonderingen
De omgevingsvergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: 
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. binnen het bouwvlak plaatsvinden.
 

Artikel 7 Water

 

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
 
  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging,- aanvoer en -afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen, stuwen en voorzieningen voor waterkering;
  2. bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de ecologische waarden;
  3. bescherming en instandhouding van de oevers en oeverbeplanting;
  4. voorzieningen voor verkeer en verblijf zoals bruggen, steigers en duikers;
  5. extensief recreatief medegebruik.
 

7.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd.

7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

7.3.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het verlagen van de grondwaterstand door bemaling;
  2. het dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van het oppervlaktewater;
  3. het graven of dempen van sloten, de aanleg of het dempen van poelen, de aanleg van dammen, het aanbrengen van oeverbeschoeiing en het aanbrengen van verharding.
7.3.2 Uitzonderingen
De omgevingsvergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, mits voor die werken en werkzaamheden in het voorheen geldende bestemmingsplan geen vergunningplicht was opgenomen, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
7.3.3 Toelaatbaarheid
De in lid artikel 7 lid 3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en natuurwaarden van de gronden.
 
Ook dient de regelgeving in de Keur in acht te worden genomen. 

Artikel 8 Waarde - Archeologie 1

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden.
 

8.2 Bouwregels

  1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en/of een diepte van meer dan 0,3 m onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
  2. In afwijking van het bepaalde onder a is geen rapportage vereist in geval van herbouw op dezelfde locatie.
  3. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.
    2. De verplichting tot het doen van opgravingen.
    3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  4. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder b genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  5. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
  6. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wint zij schriftelijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 

8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

8.3.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, over een oppervlakte van 500 m² of meer:
 
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  3. egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  8. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,3 meter onder maaiveld.
8.3.2 Uitzonderingen
Het in artikel 8 lid 3.1  vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
 
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. in het kader van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  4. binnen een afstand van niet meer dan 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk worden uitgevoerd.
8.3.3 Toelaatbaarheid
  1. De artikel 8 lid 3.1 in genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  2. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder a genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd. Een rapport is
  3. niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd;
  4. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld artikel 8 lid 3.1 wint deze schriftelijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

8.4 Wijzigingsbevoegdheid

  1. Burgemeester en wethouders kunnen het plan zodanig wijzigen dat een bestemmingsvlak:
    1. naar ligging wordt verschoven;
    2. naar omvang wordt vergroot of verkleind;
    3. wordt verwijderd;
    4. van bestemming wijzigt door de oppervlaktes en de dieptes, vanaf wanneer de bepalingen van toepassing zijn, aan te passen
  2. voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.
  3. Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder a worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
  

Artikel 9 Waarde - Archeologie 2

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden.
 

9.2 Bouwregels

  1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en/of een diepte van meer dan 0,2 meter onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
  2. In afwijking van het bepaalde onder a is geen rapportage vereist in geval van herbouw op dezelfde locatie.
  3. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.
    2. De verplichting tot het doen van opgravingen.
    3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  4. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder b genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  5. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
  6. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wint zij schriftelijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 

9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

9.3.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, over een oppervlakte van 500 m² of meer:
 
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,2 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  3. egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  8. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,2 meter onder maaiveld.
  
9.3.2 Uitzonderingen
Het in artikel 9 lid 3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. in het kader van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  4. binnen een afstand van niet meer dan 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk worden uitgevoerd.
9.3.3 Toelaatbaarheid
  1. De in  artikel 9 lid 3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  2. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder a genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  3. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
  4. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld artikel 9 lid 3.1 wint deze schriftelijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

9.4 Wijzigingsbevoegdheid

 
  1. Burgemeester en wethouders kunnen het plan zodanig wijzigen dat een bestemmingsvlak:
    1. naar ligging wordt verschoven;
    2. naar omvang wordt vergroot of verkleind;
    3. wordt verwijderd;
    4. van bestemming wijzigt door de oppervlaktes en de dieptes, vanaf wanneer de bepalingen van toepassing zijn, aan te passen
  2. voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.    
  3. Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder a worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 3

  

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden.
 

10.2 Bouwregels

  1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m² en/of een diepte van meer dan 0,3 meter boven de natuurlijke ondergrond, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
  2. In afwijking van het bepaalde onder a is geen rapportage vereist in geval van herbouw op dezelfde locatie.
  3. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.
    2. De verplichting tot het doen van opgravingen.
    3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  4. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder b genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  5. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
  6. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wint zij schriftelijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

10.3.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie3 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, over een oppervlakte van 250 m² of meer:
 
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  3. egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  8. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,3 meter onder maaiveld.
10.3.2 Uitzonderingen
Het in artikel 10 lid 3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. in het kader van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  4. binnen een afstand van niet meer dan 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk worden uitgevoerd.
10.3.3 Toelaatbaarheid
  1. De in artikel 10 lid 3.1genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  2. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder a genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  3. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
  4. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld artikel 10 lid 3.1 wint deze schriftelijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

10.4 Wijzigingsbevoegdheid

  1. Burgemeester en wethouders kunnen het plan zodanig wijzigen dat een bestemmingsvlak
    1. naar ligging wordt verschoven;
    2. naar omvang wordt vergroot of verkleind;
    3. wordt verwijderd;
    4. van bestemming wijzigt door de oppervlaktes en de dieptes, vanaf wanneer de bepalingen van toepassing zijn, aan te passen.
  2. voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.
  3. Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder a worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Maatvoering

In die gevallen dat de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte en/of de afstand tot enige aanduiding van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze planregels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.
 

12.2 Ondergronds bouwen

 
  1. op plaatsen waar hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd.
  2. de verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan 3,5 meter.
  3. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder a voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast.
 

Artikel 13 Algemene gebruiksregels

13.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
 
  1. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  2. het gebruik en laten gebruiken van bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  3. het permanent bewonen of laten bewonen van recreatieve nachtverblijven;
  4. het (proef)boren naar (schalie)gas.

Artikel 14 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:
 
  1. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages. Deze omgevingsvergunning is niet van toepassing op bedrijfswoningen;
  2. de bestemmingsregels en toestaan dat bestemmingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  3. de bestemmingsregels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    1. de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² zal bedragen;
    2. de (bouw)hoogte niet meer dan 3,5 meter zal bedragen.
  4. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
    1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 meter;
    2. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder ballenvangers, tot maximaal 10 meter.
  5. de onder a tot en met d genoemde omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend verleend worden mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    2. de verkeersveiligheid;
    3. de sociale veiligheid;
    4. de milieusituatie;
    5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 15 Overige regels

15.1 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen

Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken:

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:        
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;   
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10 %.
  3. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  

16.2 Overgangsrecht gebruik:

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;      
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  

Artikel 17 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:
 
Regels van het bestemmingsplan ‘Golfbaan de Paal'.