INHOUDSOPGAVE

 

HOOFDSTUK 1    INLEIDENDE REGELS  1

Artikel 1              Begrippen  1

Artikel 2              Wijze van meten  4

HOOFDSTUK 2    BESTEMMINGSREGELS  5

Artikel 3              Groen 9

Artikel 4              Tuin 9

Artikel 5              Verkeer 5

Artikel 6              Water                                                                            7

Artikel 7              Wonen 7

HOOFDSTUK 3  ALGEMENE REGELS                                                         12

Artikel 8              Anti-dubbeltelregel 12

Artikel 9              Algemene gebruiksregels  13

Artikel 10             Algemene ontheffingsregels  13

Artikel 11             Algemene wijzigingsregels overschrijding bestemmingsgrenzen 13

Artikel 12             Algemene procedure regels                                        14

 

HOOFDSTUK 4  OVERGANGS- EN SLOTREGELS                                    15

Artikel 13             Overgangsrecht 15

Artikel 14             Slotregel 16

 

 

 

 

 

 

 

 


HOOFDSTUK 1  

 

INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Begrippen

 

In deze regels wordt verstaan onder:

 

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

 

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

 

aaneengebouwde woning:

een woning die aan beide zijgevels aangebouwd is aan/niet vrij staat van andere hoofdgebouwen, alsmede een hoekwoning aan een dergelijke woning;

 

aan-huis-verbonden beroep:

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

 

aanbouw/uitbouw/bijgebouw:

een gebouw van maximaal één bouwlaag dat wat betreft afmetingen ondergeschikt is aan en ten dienste staat van het hoofdgebouw;

 

achtergevelrooilijn:

-        de achterste grens van een bouwvlak, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd;

-        indien er niet sprake is van een achterste grens van een bouwvlak dan wel geen bouwvlak is aangegeven: de denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het hoofdgebouw - zonder aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen - alsmede het verlengde daarvan;

 

afhankelijke woonruimte:

een bijgebouw bij een woning, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met die woning en waar een gedeelte van de huishouding, zoals gehuisvest in die woning, uit een oogpunt van mantelzorg is ondergebracht;

 

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

 

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

 

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1719.2bp10fveld-vg01

 

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

 

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

 

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

 

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

 

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

 

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal,die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

 

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

 

escortbedrijf:

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus;

 

functie:

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan;

 

gebouw:

elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

 

gestapelde bebouwing:

bebouwing bestaande uit zich in één hoofdgebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten;

 

twee-aan-een gebouwde woning:

een woning waarvan het hoofdgebouw aan slechts een zijgevel vrij staat van /niet aangebouwd is aan andere hoofdgebouwen;

 

hoofdfunctie:

een functie waarvoor het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt;

 

hoofdgebouw:

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw op een bouwperceel kan worden aangemerkt;

 

mantelzorg:

het anders dan bedrijfsmatig bieden van zorg aan een of meer leden van een huidhouding, die hulpbehoevend is of zijn op het fysieke, psychische en/of sociale vlak;

 

ondergeschikte functie:

functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt;

 

peil:

a      voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 0,20 m;

b      in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein vermeerderd met 0,20 m;

 

plan:

het bestemmingsplan ‘F-veld – Terheijden‘ van de gemeente Drimmelen;

 

prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding;

 

raamprostitutie:

een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen;

 

seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.

Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

 

straatprostitutie:

het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken;

 

voorgevellijn:

de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan;

 

voorgevelrooilijn:

de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd;

 

woning:

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;


Artikel 2 Wijze van meten

 

Algemeen

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

 

afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:

de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk;

 

bebouwd oppervlak van een bouwperceel:

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;

 

bebouwingspercentage:

het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming;

 

breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeen-schappelijke scheidingsmuren;

 

dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

 

goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

 

bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

 

inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

 

oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;


HOOFDSTUK 2  

 

BESTEMMINGSREGELS

 

Artikel 3 Groen

 

3.1      Doeleindenomschrijving

 

De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende doeleinden:

a      groenvoorzieningen;

b      bermen en beplantingen;

c      speelvoorzieningen;

d      water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

e      voorzieningen voor langzaamverkeer;

f       nutsvoorzieningen;

g      waterbergingsgebied ter plaatse van de aanduiding ‘waterberging’.

 

3.2      Bouwregels

 

3.2.1   Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

3.2.2   Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 3 m.


 

Artikel 4 Tuin

4.1      Doeleindenomschrijving

 

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, erven en verhardingen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, alsmede in ondergeschikte mate voor wonen.

 

4.2.      Bouwregels

4.2.1     Gebouwen

Op of in deze gronden mogen met, uitzondering van het bepaalde in lid 7.2.2 sub c geen gebouwen worden gebouwd.

 

4.2.2     Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

a      De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet bedragen meer dan 1 m.

b      De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m.

 


Artikel 5 Verkeer

 

5.1      Doeleindenomschrijving

 

De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende doeleinden:

a      voorzieningen voor verkeer en verblijf;

b      parkeervoorzieningen;

c      groenvoorzieningen;

d      speelvoorzieningen;

e      water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

 

5.2      Bouwregels

 

5.2.1   Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

 

5.2.2   Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a      De bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 12 m.

b      De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.

 


Artikel 6 Water

6.1      Doeleindenomschrijving

 

De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende doeleinden:

a    water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en –afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen en voorzieningen voor waterkering;

b    groenvoorzieningen;

c    voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder bruggen, duikers en gelijksoortige voorzieningen

 

6.2      Bouwregels

6.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

 

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a    De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m.

 

 


 

Artikel 7 Wonen

7.1      Doeleindenomschrijving

 

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende doeleinden:

a          wonen;

b          aan-huis-verbonden beroepen;

c          tuinen, erven en verhardingen,

 

7.2      Bouwregels

7.2.1   Algemeen

Voor het bouwen van hoofd- en bijgebouwen geldt de volgende bepaling:

a      Het bebouwingspercentage van het bouwperceel mag niet meer bedragen dan 60%.

7.2.2   Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

a      De volgende aangegeven bebouwingskarakteristiek dient te worden aangehouden:

[tae]           vrijstaande en twee-aan-een gebouwde woningen;

[aeg]          aaneengebouwde woningen;

b      Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

c      De voorgevel moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn.

d      De voorgevelrooilijn mag uitsluitend worden overschreden door een erker, balkon of luifel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

1      De overschrijding door een balkon of luifel mag niet meer bedragen dan 1,5 m, terwijl de overschrijding door een erker niet meer mag bedragen dan 1 m.

2      De breedte van de erker mag niet meer bedragen dan de helft van de breedte van de gevel waaraan de erker wordt gebouwd.

3      De bouwhoogte van de erker mag niet meer bedragen dan 3 m.

4      De afstand tot de openbare weg mag niet minder bedragen dan 1.80 m.

e      De goothoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven.

f       De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven.


 

g      De afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen voor vrijstaande en twee-aan-een gebouwde woningen dient aan één zijde ten minste 3 m te bedragen;

h      De dakhelling mag niet minder bedragen dan 35° en niet meer dan 60°.

 

7.2.3   Aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen

Voor het bouwen van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

a      Aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.

b      Aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van tenminste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.

c      Indien aan de achtergevel aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd mag de diepte hiervan niet meer dan 3 m bedragen;

d      De gezamenlijke oppervlakte van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 40 m², met dien verstande dat maximaal 60% van het bouwperceel mag worden bebouwd. Een erker aan de voorzijde van de woning wordt niet meegerekend.

e      De goothoogte van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mag maximaal 3 m bedragen. Voor aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen aan de achtergevel van de woning mag indien de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw hoger is, de goothoogte van die aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen maximaal de hoogte hebben van die eerste bouwlaag;

f       De bouwhoogte van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen moet gelijk zijn aan de goothoogte (plat dak).

 

7.2.4   Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

a      Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen binnen en buiten het bouwvlak, worden gebouwd.

b      De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel niet meer mag bedragen dan 1 m;

c      De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.


 

7.3      Gebruiksregels

 

Binnen de bestemming ‘Wonen’ is de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep toegestaan, mits:

a      niet meer oppervlakte voor de uitoefening van dit beroep in gebruik is of zal zijn dan 40% van de oppervlakte van de begane grondlaag van het legaal gerealiseerde hoofdgebouw en van legaal gerealiseerde aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen;

b      de beroepsuitoefening (mede) geschied door een bewoner van de desbetreffende woning.

c      er geen detailhandel plaatsvindt.


 

HOOFDSTUK 3  

 

ALGEMENE REGELS

 

Artikel 8  Anti-dubbeltelregel

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

 

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

 

9.1      Gebruiksverbod

 

Onder verboden gebruik in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval verstaan:

a      gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;

b      het gebruik van bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte.

 

9.2      Ontheffing mantelzorg

 

a.   Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 9.1 sub b en toe te staan dat een bijgebouw bij een woning wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte.

 

b    Voor de verlening van ontheffing als bedoeld onder a gelden de voorwaarden dat:

-     een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;

-     er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven;

-     de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met de daarvoor geldende maximale oppervlakte.

 

c   Burgemeester en wethouders trekken de ontheffing, verleend op grond van het bepaalde in lid 9.2 sub a in, indien de bij het verlenen van de ontheffing bestaande noodzaak vanuit het oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.


 

Artikel 10 Algemene ontheffingsregels

 

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:

a      de in de regels gegeven maten en afmetingen tot niet meer dan 10% van die maten en afmetingen.

b      de regels en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;

c      de regels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, met dien verstande dat:

1      de inhoud per gebouwtje niet meer dan 50 m3 mag bedragen;

2      de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m mag bedragen;

d      de regels ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:

1      ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot niet meer dan 15 m;

2      ten behoeve van voor waarschuwings- en/of communicatiemasten tot niet meer dan 20 m;

 

 

Artikel 11 Algemene wijzigingsbevoegdheid overschrijding bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voorzover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voorzover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.

 


 

Artikel 12 Algemene procedureregels

 

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn gebruik te maken van een ontheffing of wijziging gelden hiervoor de procedureregels zoals opgenomen in afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht.

 

 

 


 

HOOFDSTUK 4  

 

OVERGANGS- EN SLOTREGELS

 

 

Artikel 13 Overgangsrecht

 

13.1 Overgangsregels ten aanzien van bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

a.         gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b.         na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen 2 jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

 

13.2 Ontheffingsregel

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 13.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 13.1 met maximaal 10%.

 

13.3 Uitzonderingen ten aanzien van bouwwerken

Lid 13.1 is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

 

13.4 Overgangsregels ten aanzien van het gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

 

13.5 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 13.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

 

13.6 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 13.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

 

13.7 Uitzondering ten aanzien van gebruik

Lid 13.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.


 

13.8 Hardheidsclausule

Voor zover toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen dat overgangsrecht buiten toepassing laten.

 

 

Artikel 14 Slotregel

 

Deze regels kunnen worden aangehaald onder de titel:

 

‘Regels van het bestemmingsplan F-veld – Terheijden van de gemeente Drimmelen’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gorinchem/Dordrecht, 6 mei 2010

 

Welmers Burg Stedenbouw

Visser Silfhout Advocaten