Artikel 3 Bedrijf –
Hoveniersbedrijf/bomenrooibedrijf
Artikel 5 Waarde – Archeologie 5
Artikel 8 Algemene gebruiksregels
Artikel 9 Algemene
ontheffingsregels
Artikel 10 Algemene procedureregels
![]()
plan:
het
bestemmingsplan ‘Buitengebied St. Agatha, Dodenberg
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat
in het GML-bestand NL.IMRO 1684. 18BPdodenberg1-VA01 met de bijbehorende regels.
aanbouw:
een als afzonderlijke ruimte aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw.
aanduiding:
een geometrisch
bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de
regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van
deze gronden.
aan-huis-verbonden
beroep:
het uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig
verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch,
kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, met dien
verstande dat woonfunctie hoofdfunctie blijft.
aan-huis-verbonden
bedrijf:
een bedrijf of het bedrijfsmatig uitoefenen van
ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentenverzorging, geheel of
gedeeltelijk door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een
woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van woonfunctie, kan worden
uitgeoefend.
afhankelijke woonruimte:
een bijgebouw bij een (bedrijfs)woning dat
qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met deze (bedrijfs)woning en waarin
een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.
agrarisch technisch hulpbedrijf:
een bedrijf dat is
gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven door middel van
het telen van gewassen, het houden van dieren, of de toepassing van andere
landbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. Voorbeelden
van agrarisch technisch hulpbedrijven zijn: grootveeklinieken, Ki-stations,
mestopslag- en mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuur van
landbouwwerktuigen), veetransportbedrijven, veehandelsbedrijven.
agrarisch verwant bedrijf:
een bedrijf
gericht op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische
bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de
toepassing van andere landbouwkundige methoden. Voorbeelden van
agrarisch verwante bedrijven zijn: dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven,
hondenkennels, hoveniersbedrijven, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs,
proefbedrijven, bomenrooibedrijf.
bebouwing:
één of meer
gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een
terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens
huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk
is.
bijgebouw:
een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zowel qua afmeting als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
bouwen:
het plaatsen, het
geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van
een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of
veranderen van een standplaats.
bouwperceel:
een aaneengesloten
stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende
bebouwing is toegelaten.
bouwvlak:
een geometrisch
bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde
gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
bouwwerk:
elke constructie
van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct
hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun
vindt in of op de grond.
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen
de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan
personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan
in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
extensief
recreatief medegebruik:
extensieve vormen van dagrecreatie die een
kortstondig karakter hebben, in de openlucht plaatsvinden in gebieden waar de
hoofdfunctie een andere is en routegebonden zijn, zoals wandelen, fietsen,
paardrijden of kanoën.
functie:
doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.
gebouw:
elk bouwwerk, dat
een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt.
hoofdfunctie:
functie waarvoor het hele bouwperceel als zodanig
mag worden gebruikt.
mantelzorg:
het bieden van zorg aan eenieder die
hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige
basis en buiten organisatorisch verband.
seksinrichting:
een
voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een
omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een
seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische
massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
voorgevelrooilijn:
de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd.
Bij toepassing van
deze regels wordt als volgt gemeten:
afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
de kortste afstand
van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op
dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
de dakhelling:
langs het dakvlak
ten opzichte van het horizontale vlak.
de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot
aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee
gelijk te stellen constructiedeel.
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de
onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het
hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
het
bebouwd oppervlak van een bouwperceel:
de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen
bouwwerken tezamen.
het
bebouwingspercentage:
het door bouwwerken bebouwde oppervlak, uitgedrukt
in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat gelegen is
binnen de bestemming of een in de voorschriften nader aan te duiden gedeelte
van die bestemming;
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot
aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde,
met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen,
antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de
buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts
geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse
van het bouwwerk.
peil:
a
voor
bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte
van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met
b
in andere
gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte
bouwterrein vermeerderd met
Ondergeschikte
bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien
van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters,
kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en
kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing
gelaten, mits de overschrijding niet meer dan
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf
– Hovenier/bomenrooibedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a een hoveniers- en bomenrooibedrijf;
b één bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;
c opslag en uitstalling, uitsluitend binnen het bouwvlak;
d paden en wegen en parkeervoorzieningen;
e water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
f groenvoorzieningen in de vorm van (erf)beplanting(en);
g nutsvoorzieningen.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken gelden in het algemeen de volgende bepalingen:
a Bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak.
b Per bouwvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één hoveniers- en bomenrooibedrijf toegestaan.
c Gebouwen en bouwwerken ten behoeve van opslag mogen uitsluitend binnen het aangeduide bouwvlak worden gebouwd.
d Het bouwvlak mag tot de in de tabel aangegeven oppervlakte worden bebouwd, met dien verstande dat:
1 de
afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder mag bedragen dan
2 de
afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen niet
minder mag bedragen dan
3.2.2 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:
a
De oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag niet
meer bedragen dan
b
De goothoogte mag niet meer bedragen dan
c
De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan
3.2.3 Bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:
a
De
bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding
‘bedrijfswoning’.
b
De inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer
bedragen dan
c
De goothoogte mag niet meer bedragen dan
d
De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan
e Het aantal bedrijfswoningen bedraagt niet meer dan 1.
f Bij verbouw of nieuwbouw van de woning mogen het bestaande architectonische karakter van de boerderij en de daaraan te onderkennen cultuurhistorische dan wel beeldbepalende waarden niet worden aangetast.
3.2.4 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:
a
Bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste
b
De gezamenlijke oppervlakte mag niet meer
bedragen dan
c
De goothoogte mag niet meer bedragen dan
d
De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan
e
De afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de
bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan
3.2.5 Bouwwerken,
geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:
a Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd (hierbij inbegrepen bouwwerken ten behoeve van opslag).
b
De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen
mag niet meer bedragen dan
c
De bouwhoogte van lichtmasten, silo’s mag niet
meer bedragen dan
d
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan
3.3 Ontheffing
van de bouwregels
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in:
a
lid 3.2.1 onder d.1 voor het bouwen van
bouwwerken op een afstand minder dan
b
lid 3.2.1 onder d.2 voor het bouwen binnen
c
lid 3.2.2 onder b voor het bouwen van
bedrijfsgebouwen met een hogere goothoogte tot maximaal
d
lid 3.2.3 voor het bouwen van een bedrijfswoning
met een hogere goothoogte tot maximaal
e
lid 3.2.4 onder e voor het bouwen van een bijgebouw
op een afstand van meer dan
f
lid 3.2.5 onder c voor het bouwen van erf- en
terreinafscheidingen met een hoogte van
g
lid 3.2.5 onder f voor het bouwen van overige
bouwwerken, geen gebouw zijnde met een hogere bouwhoogte tot
3.4 Specifieke
gebruiksregels
Onder strijdig gebruik zoals bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt in ieder geval verstaan het uitoefenen van een aan-huis-verbonden beroep of activiteit.
3.5 Ontheffing
van de gebruiksregels
3.5.1 Vestiging ander soort bedrijf
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.1 sub a voor het vestigen van een ander soort bedrijf onder de volgende voorwaarden:
a De bouwhoogte en oppervlakte van de bedrijfsbebouwing mag niet worden vergroot.
b Het nieuw te vestigen bedrijf is uitsluitend toegestaan in de vorm van bedrijven die zijn genoemd in categorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfstypen opgenomen in de uitgave Bedrijven en milieuzonering (uitgave 2009 of latere versie) van de VNG met uitzondering van een loonbedrijf.
c De activiteit van het nieuw te vestigen bedrijf dient kleinschalig te zijn met slechts één of enkele werknemers.
d Het nieuw te vestigen bedrijf mag naar aard en invloed niet meer milieuhinder voor de omgeving opleveren dan de oorspronkelijk toegestane bedrijfssoort.
e Het nieuw te vestigen bedrijf mag geen beperking van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven veroorzaken.
f Het nieuw te vestigen bedrijf mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken.
g Er mag geen detailhandel plaatsvinden.
h Er mag geen buitenopslag plaatsvinden.
3.5.2 Aan-huis-verbonden beroep of bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 3.4 voor het uitoefenen van een beroep-aan-huis of een bedrijf-aan-huis, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
a Het betreft een dienstverlenend of ambachtelijk beroep of bedrijf met een ruimtelijke uitwerking en uitstraling in overeenstemming met de functie wonen, zoals administratieve, juridische, (para-)medische, therapeutische, kunstzinnige, ontwerptechnische of daarmee vergelijkbare beroepen en bedrijven.
b Het medegebruik blijft van ondergeschikte betekenis en de woonfunctie blijft in ruimtelijke en visuele zin primair.
c Het betreft geen beroep of bedrijf waarvoor een milieuvergunning verleend moet worden of een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet milieubeheer.
d Er is geen sprake van detailhandel, waaronder in ieder geval begrepen de verkoop over de toonbank en het ophalen van goederen na elektronische betaling.
e Het beroep of bedrijf heeft geen structurele verkeersbewegingen tot gevolg, veroorzaakt door bezoekers en laden en lossen.
f De benodigde parkeervoorzieningen voor de (bedrijfs)woning en het beroep of bedrijf worden op eigen terrein gerealiseerd.
g Het medegebruik blijft beperkt tot de bewoners van de woning.
h
Het medegebruik blijft beperkt tot maximaal 35%
van de bruto-vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van
i
De reclame-uitingen zijn onverlicht, hebben een
maximale oppervlakte van
3.6 Wijzigingsbevoegdheid
3.6.1 Wijziging
naar Wonen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijziging in de bestemming ‘Wonen’ voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
a Het bestemmingsvlak wordt verkleind tot de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende tuinen, erven en verhardingen en de wijziging gelijktijdig plaatsvindt met wijziging van de overige gronden naar de aangrenzende bestemming ‘Agrarisch met Waarden – Landschapswaarden’, waarbij deze worden bestemd overeenkomstig de genoemde aangrenzende bestemmingen.
b Alle bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt.
c
De voormalige bedrijfsbebouwing dient te worden
gesloopt waarbij geldt dat, ofwel 15% van de oppervlakte van de voormalige
bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een
maximum van
d De woning mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven.
e De woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat.
f De in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a behoud, herstel en/of ontwikkeling van het groen, de landschapselementen en de bijbehorende groeiplaats;
b behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden en natuurwaarden, zoals brede landschappelijke structuren;
c behoud van paden, wegen en parkeervoorzieningen;
d water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
e extensief recreatief medegebruik.
4.2
Bouwregels
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, behoudens:
a bouwwerken ten behoeve van het groen-/landschapsbeheer, mits:
1
de bouwhoogte niet meer bedraagt dan
2
de oppervlakte niet meer bedraagt dan
b
eenvoudige voorzieningen in de vorm van bouwwerken,
geen gebouwen zijnde, voor extensief recreatief medegebruik, zoals informatieborden,
picknickplekken, banken en afvalbakken, mits de hoogte niet meer bedraagt dan
4.3
Ontheffing
van de bouwregels
Burgemeester en wethouders zijn
bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 4.2 onder b voor het
realiseren van eenvoudige voorzieningen voor extensief recreatief medegebruik,
in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een hogere bouwhoogte tot
4.4
Aanlegvergunning
4.4.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
a
het verzetten of vergraven van grond waarbij het
maaiveld over meer dan
b het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,40 m onder maaiveld;
c het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
d
het aanleggen en/of verharden van wegen, paden,
parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, voor
zover groter dan
4.4.2 Uitzonderingen
Het in lid 4.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
a het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
b reeds in uitvoering zijn, dan wel krachten een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
4.4.3 Toelaatbaarheid
De in lid 4.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de landschapselementen.
De voor ‘Waarde – Archeologie
5.2 Bouwregels
a
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de
andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een reguliere
bouwvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan
b Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de bouwvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen burgmeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning:
1 De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.
2 De verplichting tot het doen van opgravingen.
3 De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
c Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in sub a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
d Het bepaalde in sub a en b is niet van toepassing ter plaatse van het bouwvlak.
5.3 Aanlegvergunning
Het is binnen deze bestemming verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
a
met een oppervlakte groter dan
b het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
c
het aanleggen van leidingen dieper dan
5.3.2 Uitzonderingen
Het in lid 5.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
a het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
b reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
a De in lid 5.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
b Alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
c Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen
bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan
worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
a Op plaatsen waar hoofd- en bijgebouwen zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd.
b
De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen
niet meer bedragen dan
c Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijgebouw mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast.
Onder strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet
ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval verstaan:
a
het
gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting
en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
b
het
gebruik van bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woningen en als
afhankelijke woonruimte.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:
a de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages. Deze ontheffing is niet van toepassing op de inhoud van woningen, bedrijfswoningen en recreatiewoningen en als er op een andere wijze reeds ontheffing is verleend;
b
de bestemmingsregels ten aanzien van het bouwen
van woningen en bijgebouwen, waarbij geldt dat bij sloop van alle overtollige
bedrijfsbebouwing, ofwel 15% van de oppervlakte van de overtollige bedrijfsgebouwen
mag worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van
c
de bestemmingsregels ten aanzien van het bouwen
van woningen en bijgebouwen, waarbij geldt dat bij in te richten of te beplanten
gronden 5% van de oppervlakte mag worden toegevoegd aan de inhoud van de woning
tot een maximum van
d de bestemmingsregels en toestaan dat bestemmingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
e de bestemmingsregels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
1
de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan
2
de (bouw)hoogte niet meer dan
f de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
1
ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen
zijnde, tot maximaal
2
ten behoeve van overige bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, tot maximaal
g de onder a tot en met f genoemde ontheffingen kunnen uitsluitend verleend worden mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
1 een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
2 de verkeersveiligheid;
3 de sociale veiligheid;
4 de milieusituatie; en
5 de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Met betrekking tot
de voorbereiding van een wijziging ingevolge artikel 3.6 lid 1 sub a of een
ontheffing ingevolge artikel 3.6 lid 1 sub c van de Wet ruimtelijke ordening
door burgemeester en wethouders, is Afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing.
De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:
a de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepalingen;
b de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;
c de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;
d het bouwen bij hoogspanningsleidingen en ondergrondse hoofdtransportleidingen;
e de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden, en;
f de ruimte tussen bouwwerken.
Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan.
12.1 Overgangsrecht bouwwerken
a Een bouwwerk dat op het
tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering
is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het
plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot;
1 gedeeltelijk
worden vernieuwd of veranderd;
2 na
het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of
veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar
na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
b Burgemeester en wethouders
kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het bepaalde onder a voor het vergroten
van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal
10%.
c Het bepaalde onder a is niet
van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding
van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor
geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
12.2 Overgangsrecht gebruik
a Het gebruik van grond en
bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het
bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
b Het is verboden het met het
bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te
veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik,
tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
c Indien het gebruik, bedoeld in
het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor
een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik
daarna te hervatten of te laten hervatten.
d Het bepaalde onder a is niet
van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende
bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Deze regels
worden aangehaald als:
Regels van het
bestemmingsplan ‘Buitengebied St.
Agatha, Dodenberg
Rosmalen, februari 2011
Croonen Adviseurs b.v.