Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten
5.1 Algemeen
Behalve de beleidskaders waarin de wenselijkheid van bepaald gebruik op bepaalde plaatsen is verwoord, speelt ook de feitelijke uitvoerbaarheid een belangrijke rol. Een plan wordt uitvoerbaar geacht als er geen onevenredige milieutechnische en fysieke belemmeringen zijn, het plan economisch uitvoerbaar is en de regels handhaafbaar zijn.
5.2 Milieu
Een belangrijk doel in de ruimtelijke ordening is het realiseren van een goed leefmilieu. Dat houdt onder meer in dat de omgeving zo min mogelijk gevolgen mag hebben van het bedrijventerrein op het gebied van de gezondheid van mensen. In de loop der jaren zijn voor een aantal milieuaspecten waarden wettelijk vastgelegd en gekoppeld aan een onderzoeksverplichting bij ruimtelijke ontwikkelingen.
5.2.1 Bodem
De Wet bodembescherming (Wbb) bevat de voorwaarden die (kunnen) worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. Daarnaast verbiedt de Woningwet bouwen op verontreinigde grond.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient in het geval van incidentele bouwlocaties en bestaande bouwtitels beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemmingen. Uitgangspunt is dat minimaal een historisch bodemonderzoek plaats dient te vinden, conform NEN 5725. Indien er sprake is van een verdachte locatie moet het historisch onderzoek worden aangevuld met een verkennend bodemonderzoek conform de geldende norm. Ook bij bestemmingswijziging naar een gevoeligere bestemming is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk.
Afweging
In het verleden is bij het tankstation Kalkhofseweg 41c sprake geweest van een verontreinigingssituatie. De sanering hiervan is afgerond. Uitgevoerde bodemonderzoeken voor de locaties Straatkantseweg 8, 12 en ongenummerd tonen geen verontreiniging aan. Binnen het plangebied zijn geen verdachte bodemlocaties gelegen. Bij nieuwe ontwikkelingen is een bodemonderzoek nodig, teneinde aan te tonen dat de bodem ter plaatse geschikt is.
Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.2.2 Lucht
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit uit 2005 en is een implementatie van de Europese kaderrichtlijn luchtkwaliteit en de vier dochterrichtlijnen waarin onder andere grenswaarden voor de luchtkwaliteit ter bescherming van mens en milieu zijn vastgesteld. Nederland kan in 2010 niet overal voldoen aan de Europese grenswaarden
voor fijn stof en stikstofdioxide, waardoor de realisatie van grote ruimtelijke ontwikkelingen onder druk staat. Het doel van de Wet luchtkwaliteit is het verbeteren van de luchtkwaliteit, zodat in 2015 aan de Europese eisen wordt voldaan en huidige belemmeringen voor gewenste ontwikkelingen zo veel mogelijk worden weggenomen. De kern van de Wet is het ‘Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit’ (NSL). Dit instrument wordt door de Rijksoverheid gecoördineerd en bevat de ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit ‘in betekenende mate verslechteren èn maatregelen om de
luchtkwaliteit te verbeteren.
Projecten die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet langer afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB), genaamd: “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”.
Projecten die de concentratie meer dan 3% van de grenswaarde van een stof verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Voor fijn stof en stikstofdioxide betekent dit een maximale toename van 1,2 μg/m3. Deze 3%-grens is in een gelijknamige ministeriële regeling voor een aantal veel voorkomende ruimtelijke functies gekwantificeerd als:
woningen: 1.500 woningen met één ontsluitingsweg;
kantoren: 10 hectare bruto vloeroppervlak (bvo) met één ontsluitingsweg;
landbouwinrichtingen: akkerbouw of tuinbouw met open teelt, teelt van eetbare gewassen in een gebouw of onverwarmde glastuinbouw ongeacht de omvang en verwarmde opstanden van glas of kunststof van maximaal 2 hectare;
kinderboerderijen.
Dit laat onverlet dat burgers voldoende beschermd moeten worden tegen (tijdelijke) te hoge concentraties. Hiervoor is het noodzakelijk dat de luchtkwaliteit wordt betrokken in de afweging of er sprake is van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Dit betekent dat de luchtkwaliteit ‘schoon’ genoeg moet zijn voor de functie die daar wordt toegelaten.
Afweging
Het voorliggende bestemmingsplan is een beheersplan en biedt geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor gevoelige functies en/of objecten. Eventuele toekomstige ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij het beleid zoals gesteld in de "Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)".
5.2.3 Geluid
Geluidhinder is de mogelijke overlast die de mens ondervindt van geluid afkomstig van kunstmatige objecten gedurende een groot deel van de dag of tijdens piekmomenten. Het gaat om geluid veroorzaakt door verkeer en bedrijven.
Wegverkeerslawaai
Ingevolge artikel 74 en 82 van de Wet geluidhinder bevindt zich aan weerszijden van wegen, niet zijnde woonerven of 30 km/uur wegen, een zone waarbinnen de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de gevel van woningen niet meer mag bedragen dan 48 dB (de voorkeursgrenswaarde). Voor nieuwe woningen kan onder voorwaarden een hogere
grenswaarde worden vastgesteld, indien uit onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De hogere grenswaarde moet op grond van artikel 76 van de Wet geluidhinder zijn vastgesteld vóór de vaststelling van het bestemmingsplan waarin de nieuwe woningen worden geprojecteerd of mogelijk worden gemaakt.
Afweging
Het voorliggende bestemmingsplan is een beheersplan en biedt geen nieuwe directe ontwikkelingsmogelijkheden voor gevoelige functies en/of objecten. Een akoestisch onderzoek is in het kader van voorliggend bestemmingsplan niet noodzakelijk. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
Industrielawaai
Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Wet geluidhinder dient voor elke binnen een gemeente gelegen terrein, waarop de vestiging mogelijk is van in artikel 16 van deze wet bedoelde inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, een rond dat terrein gelegen zone vast te worden gesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.
Afweging
De geluidzone van het bedrijvenpark Laarakker ligt niet over het plangebied. In het plangebied zijn geen 'lawaaimakers' aanwezig en deze worden in de regels ook uitdrukkelijk verboden.
Stiltegebied
Een stiltegebied is een milieubeschermingsgebied waarin de geluiden van flora en fauna overheersen. Het woord ‘stilte’ betekent hierbij niet dat er geen geluid in het gebied waarneembaar is, maar staat voor de afwezigheid van storende, voor de omgeving vreemde geluiden. Stiltegebieden zijn van belang voor de rustzoekende recreant en de flora en fauna in de natuur. Activiteiten die de geluidsbelasting negatief beïnvloeden, zijn niet meer mogelijk in het gebied dat als stiltegebied is aangewezen. Gebiedseigen geluiden, zoals die van de landbouw, zijn hiervan uitgesloten.
Onder 'stil' worden geluiden verstaan die tussen de 35 en 40 decibel liggen. Ook kan
worden gesteld dat een gebied 'stil' is als de lange perioden met natuurlijke geluiden overheersen tot de perioden met niet-natuurlijke geluiden.
De Provinciale milieuverordening wijst bijzondere en kwetsbare gebieden aan vanuit milieuoptiek op basis van de Wet Milieubeheer. De PMV richt zich onder andere op het aanduiden van bodembeschermingsgebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en stiltegebieden. Hierbinnen gelden gebruiksbeperkingen welke door deze verordening geregeld worden. Deze gebruiksbepalingen hebben onder andere betrekking op waterwinning en de omgang met afvalstoffen.
Afweging
Rondom het gebied Ossenbroek en Barendonk ligt een deel van het stiltegebied De Tongelaar. Het plangebied ligt op 1,4 kilometer van het stiltegebied. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.2.4 Licht
Lichthinder is de mogelijke overlast die de mens ondervindt van kunstlicht, hetzij in de vorm van regelrechte verblinding, hetzij als verstorende factor bij het verrichten van avondlijke en nachtelijke activiteiten, hetzij als bron van onbehagen. In de gemeente Cuijk is geen overkoepelend beleid opgesteld om lichthinder te voorkomen. Wel is in de Algemene Plaatselijke Verordening een vergunningplicht opgenomen om lichtapparaten en lichtreclame in gebruik te hebben. In het Welstandsbeleid 2004 is specifiek reclamebeleid opgenomen. Voor verschillende typen gebieden is bepaald of reclame-uitingen verlicht mogen zijn, en zo ja, of dat een verlichtingsbak of aangestraald mag zijn.
Afweging
In het plangebied zijn geen voorbeelden te vinden van functies die meer dan gemiddeld gebruik maken van verlichting. Het gaat in alle gevallen om situaties die vallen binnen de geldende wet- en regelgeving, zoals het verlichten van het buitenterrein. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.2.5 Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning).
Afweging
In de directe omgeving zijn twee intensieve veehouderijen gelegen aan de Kalkhofseweg 16a en de Kalkfseweg 49a. Deze bedrijven belemmeren het functioneren van het bedrijventerrein niet. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.3 Water
De 'watertoets' is de wettelijke verankering van de relatie tussen waterhuishouding en een bestemmingsplan. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. In deze 'waterparagraaf' worden alle relevante aspecten nader beoordeeld.
5.3.1 Structuurvisie 'Nationaal Waterplan'
Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en
schoon water en diverse gebruiksvormen van water. Het Nationaal Waterplan is de opvolger
van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota’s
waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met
ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft
het Nationaal Waterplan (en voorgestelde maatregelen) voor ruimtelijke aspecten de status
van een structuurvisie.
De hoofdlijnen van het nationale waterplan omvatten in ieder geval:
een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen;
een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn;
een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid.
Daarnaast worden in het nationale waterplan opgenomen:
het Nederlandse deel van de internationale stroomgebied-beheerplannen voor de stroomgebieddistricten Rijndelta, Maas, Schelde en Eems;
het Noordzeebeleid;
de functies van de watersystemen in beheer bij het rijk.
Waterbeleid voor de rivieren
Rivieren worden ruimer. De pkb Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken worden voortvarend uitgevoerd, zodat in 2015 de Rijn een piekafvoer van 16.000 m3/s kan verwerken en de Maas een afvoer van 3800 m3/s. De ruimtelijke reserveringen in de bestaande plannen voor deze hogere afvoeren blijven behouden. De uitvoering van de internationale Actieprogramma’s Hoogwater Rijn en Hoogwater Maas worden met kracht voortgezet. Toekomstige afspraken zullen worden gemaakt in het licht van de overstromingsrisicorichtlijn. Waar dit nu reeds mogelijk en kosteneffectief is, kunnen maatregelen worden genomen voor afvoeren van 18.000 m3/s voor de Rijntakken en 4600 m3/s voor de Maas. Dit gebeurt bijvoorbeeld door een koppeling te leggen tussen de wateropgave en ruimtelijke ontwikkelingen. Buitendijks en eventueel binnendijks dienen gronden te worden gereserveerd. Zo nodig worden gronden aangekocht om te kunnen anticiperen op de veiligheidsopgave na 2015.
Het rijk formuleert in samenwerking met alle betrokken overheden een langetermijnopgave
voor de buitendijkse gronden langs de rivieren. Hierbij wordt rekening gehouden met
veiligheid, waterkwaliteit, natuur, ruimtelijke kwaliteit en (regionale) ruimtelijke ontwikkelingen
ten behoeve van een afgewogen inzet, beheer en benutting van het rivierbed.
5.3.2 Waterplan Cuijk
De gemeente Cuijk en haar waterpartners (waterschap Aa en Maas, provincie Noord-Brabant en waterleidingmaatschappij Brabant Water, gemeenten Land van Cuijk) hebben een integraal waterplan opgesteld. De aanleiding hiervoor was de omslag in het denken en beleid rond water gedurende de afgelopen jaren: “In plaats van voort te borduren op het vertrouwde denken in waterbeheersing door technische ingrepen, is de nadruk komen te liggen op het aansluiten op de natuurlijke potenties van het landschap en het watersysteem (duurzaamheidprincipe).”
Deze beleidsomslag is vastgelegd op Europees niveau in de Kaderrichtlijn Water en op Rijksniveau in de 4e Nota Waterhuishouding, de nota Waterbeheer 21e Eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water. Op gemeentelijk niveau is deze beleidsomslag doorvertaald in de “Wet gemeentelijke watertaken”. Hierin zijn voor de gemeente een drietal zorgplichten opgenomen: hemelwater, grondwater en afvalwater.
Het waterplan heeft de status van kaderstellend beleidsplan. Het plan is hierdoor een “parapluplan” voor andere gemeentelijke plannen waarin water een rol speelt. Het plan kent echter geen directe planologische doorwerking. De zeven waterdoelen en streefbeelden dienen wel door te werken in ruimtelijke afwegingen. Deze waterdoelen zijn echter nog te weinig concreet om gebiedsspecifieke maatregelen uit te werken. De doelstellingen zijn daarom uitgewerkt als gebiedsspecifieke streefbeelden voor stedelijk-, landelijk-, en natuurlijk gebied.
5.3.3 Uitgangspunten watertoets Aa en Maas
In de beleidsnota 'Uitgangspunten watertoets Aa en Maas' zijn in het kort de principes beschreven die richtinggevend zijn bij de waterschapsadvisering over ruimtelijke plannen. De acht uitgangspunten zijn als volgt afgewogen.
Wateroverlastvrij bestemmen
In het plangebied zijn geen gebieden opgenomen die een andere bestemming krijgen dan voorheen. In de directe omgeving van het plangebied is een (legger-)watergang gelegen. Binnen het plangebied is een gedempte watergang gelegen. Het gedempte deel krijgt de bestemming 'Bedrijventerrein'.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen
Waterschap De Dommel en Waterschap Aa en Maas hebben in de notitie “Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk” (11 juli 2006) een definitie en randvoorwaarden gegeven voor het Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen. Daarbij is een vertaalslag gemaakt naar vijf toetsaspecten waaraan een plan of ontwikkeling getoetst kan worden. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de ontwikkeling geen hydrologische achteruitgang ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg heeft. Er mogen geen hydrologische knelpunten worden gecreëerd voor de te handhaven en de vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties in de projectlocatie en het beïnvloedingsgebied.
Een hulpmiddel bij het bepalen en oplossen van hydrologische knelpunten is de HNO-tool van het Waterschap. Daarmee kan berekend worden of er een waterbergingsopgave is en hoe groot deze dan is.
Voorkomen van vervuiling
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd te worden aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Daarbij wordt aandacht gevraagd voor het materiaalgebruik. Om watervervuiling te voorkomen, wordt het gebruik van uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen tot een minimum beperkt.
Gescheiden houden van schoon en vuil water
Bij alle nieuwe bouwplannen dient vermenging van vuil afvalwater en schoon hemelwater te worden voorkomen. Indien mogelijk, wordt alleen het vuile water aan de riolering aangeboden. In het plangebied is een gescheiden rioolsyteem aanwezig. Het schone hemelwater moet worden geïnfiltreerd in de bodem.
Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer”.
In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden, hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij dient de genoemde voorkeursvolgorde doorlopen te worden. Binnen het bedrijventerrein is voldoende ruimte aanwezig voor het maken van infiltratievoorzieningen zoals greppels, wadi's en infiltratiekorven. Waar mogelijk (bij nieuwe situaties) moet hemelwater op eigen terrein afgekoppeld en geïnfiltreerd worden. Van toepassing bij nieuwe bouwplannen.
Meervoudig ruimtegebruik
In voorliggend bestemmingsplan is weinig tot geen ruimte voor het combineren van water met andere functies. In het plangebied is weinig oppervlaktewater aanwezig en van overlast is geen sprake.
Water als kans
Water wordt in voorliggend bestemmingsplan positief bestemd.
Waterschapsbelangen
Het Waterschap Aa en Maas benoemd vijf waterschapsbelangen met een ruimtelijk component:
ruimteclaims voor waterberging;
ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ's en beekherstel;
aanwezigheid en ligging watersysteem;
aanwezigheid en ligging waterkeringen;
aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims voor de afvalwaterketen in beheer van het waterschap.
Het vijfde waterschapsbelang is van toepassing in het plangebied in de vorm van een A-watergang. De A-watergang is opgenomen in de regels en op de verbeelding.
5.3.4 Keur Waterschap
Het Waterschap Aa & Maas heeft op 1 januari 2011 een nieuwe Keur vastgesteld. De keur is een set regels met betrekking tot oppervlaktewater of waterkering in beheer van het waterschap, waarbij onderscheid gemaakt wordt in gedoogplichten, gebodsbepalingen en verbodsbepalingen. Het grondgebied ter plaatse van een watergang of waterkeringen of direct grenzend daaraan kent een
aantal beperkingen. Daarnaast zijn eigenaren en/of gebruikers verplicht een aantal activiteiten en werkzaamheden op hun terrein toe te staan die samen hangen met het beheer en onderhoud van het waterstaatswerk. De waterschapskeuren (Keur oppervlaktewateren en Keur waterkeringen) vormen een aanvulling op hogere regelgeving op landelijk en provinciaal niveau.
Afweging
Om tegenstrijdigheden te voorkomen worden zoveel mogelijk de begrippen en definities uit de Keur gebruikt in het bestemmingsplan.
5.4 Externe veiligheid
De externe veiligheid wordt bepaald door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen (productie, gebruik, opslag en vervoer) in en rond het plangebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele
calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Het Vuurwerkbesluit (2002, herziening 2004) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, 2004) stellen afstandseisen aan risicovolle bedrijfsactiviteiten. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RNVGS, 2004) adviseert bij transportroutes en buisleidingen met gevaarlijke stoffen veiligheidsafstanden aan te houden.
Er wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (oftewel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag
niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.
Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp.
In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen.
5.4.1 Inrichtingen
In het plangebied bevindt zich één risicovolle inrichting, namelijk een LPG-station aan de Kalkhofseweg 41a. Volgens het Bevi wordt hiervoor een afstand van 150 meter aangehouden, echter in de 'Beleidsvisie Externe veiligheid Land van Cuijk' is afgesproken dat rekening wordt gehouden met een afstand van 300 meter. De plaatsgebonden risicocontour betreft een richtwaarde van 45 meter (in bestaande situaties). Voor nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 35 meter.
Binnen de contour van 45 meter liggen (beperkt) kwetsbare objecten. De gemeente kent geen actief saneringsbeleid in deze situaties. Bovendien is hier sprake van een richtwaarde. Aangezien het om bestaande bouw gaat, wordt van de richtwaarde afgeweken.
Ten aanzien van het groepsrisico wijzigt niets. De doorzet van LPG is minder dan 1.000 m3 per jaar, de persoonsdichtheid verandert niet en bovendien ligt dit plan in het buitengebied waardoor er sprake is van een lichte persoonsdichtheid.
Afweging
De plaatsgebonden risicocontour van 45 meter wordt op de verbeelding overgenomen. In de regels worden beperkingen opgenomen voor kwetsbare objecten binnen deze contour.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113019.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113019.png)
Figuur 6: uitsnede Signaleringskaart externe veiligheid Land van Cuijk
5.4.2 Transport van gevaarlijke stoffen
De Oeffeltseweg-Kerkstraat (N264) en de Kalkhofseweg zijn transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Er is geen sprake van een plaatsgebonden risico. Verder is van belang dat er geen overschrijding plaatsvindt van de oriëntatiewaarde. Dit is niet het geval.
Afweging
Het aantal verkeersbewegingen met LPG naar de Kalkhofseweg 41a is dusdanig laag dat het risico te verwaarlozen is. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.5 Erfgoed
In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de EU, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie.
5.5.1 Bewoningsgeschiedenis Cuijk
Het karakter van de bewoningsgeschiedenis van Cuijk vanaf de Romeinse tijd laat zich onderscheiden in de bewoning van het gebied buiten het centrum van Cuijk of 'Het Land van Cuijk' en de bewoning in en rond het centrum van Cuijk of 'Het Hart van Cuijk'. Beide gebieden hebben hun eigen kenmerken waar het gaat om de menselijke bewoning en de zichtbaarheid van en het soort sporen dat de bewoners hebben achtergelaten. Beiden kunnen niet los van elkaar gezien worden. De aanwezigheid van deze landelijke en stedelijke component en de aanwezigheid van de Romeinen in Cuijk maken Cuijk volgens Rijk en Provincie van nationaal en zelfs internationaal belang. Het internationaal belang is vooral gelegen in het feit dat het Castellum Ceuclum tot het einde van de Romeinse Tijd in
functie bleef en dus aansluit op het regiem van de Frankische koningen die de start zijn voor de Middeleeuwen. De plaatsen in Noordwest Europa waar deze aansluiting van perioden bestudeerd kan worden zijn zeer zeldzaam. Op grond van onderzoeken in het Land van Cuijk blijkt dat het Maasdal bij Cuijk een zichtbare, continue bewoningsgeschiedenis kent die al een aanvang nam in het Paleolithicum en sindsdien vrijwel onafgebroken bewoond is gebleven. De aantrekkelijkheid van het Cuijkse landschap door de eeuwen heen hangt samen met de vele gebruiksmogelijkheden die een constant veranderend en vruchtbaar rivierlandschap biedt. De Maas transformeert van een breed vertakt riviersysteem naar een ingesneden rivierdal. De nederzetting Cuijk komt tot ontwikkeling op de plaats waar de landen waterwegen elkaar kruisen.
5.5.2 Archeologisch Beleidsplan Cuijk (2009)
De gemeente Cuijk heeft een bijzonder rijk bodemarchief. Op veel plaatsen zijn archeologische sporen aanwezig of te verwachten vanwege de bewoningsgeschiedenis gedurende de Romeinse tijd, maar ook vanwege nog aanwezige sporen uit de Prehistorie en de vroege en late Middeleeuwen. Het beleidsplan is opgesteld om aan te geven hoe de gemeente hiermee om gaat. Bij het beleidsplan hoort een archeologische beleidskaart. In het beleidsplan is aangegeven hoe in bestemmingsplannen omgegaan dient te worden met archeologie en in de bijlage van het plan zijn voorbeeldregels opgenomen. De voorbeeldregels zijn gekoppeld aan de gebieden van de archeologische beleidskaart.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113020.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113020.png)
Figuur 7: uitsnede archeologische verwachtingskaart
Afweging
Uit de beleidskaart blijkt dat voor bedrijventerrein Straatkant de dubbelbestemming Waarde - archeologie 5 geldt. Voor de gronden met de Waarde - archeologie 5 houdt dit in dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,50 meter bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een rapport dient te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van B&W voldoende zijn vastgesteld. Tevens geldt voor bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunningsplicht.
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' is opgenomen in de regels en op de verbeelding.
5.5.3 Actualisatielijst karakteristieke panden
De gemeenteraad van Cuijk is voornemens over te gaan tot aanwijzing van gemeentelijke
monumenten. Om tot een selectie van gemeentelijke monumenten te komen, is een eerste
inventarisatie van de historische bouwkunst in de gemeente Cuijk noodzakelijk. Burgemeester en
wethouders hebben daartoe op 29 maart 2011 de 'Actualisatie lijst karakteristieke objecten'
vastgesteld. De doelstelling van het project kan als volgt worden geformuleerd:
‘Het uitvoeren van een cultuurhistorische inventarisatie ten behoeve van een actualisatie van de lijst
van karakteristieke objecten van de gemeente Cuijk.’
Actualisatie betekent dat naast het plaatsen van nieuwe objecten op de lijst, het ook mogelijk is dat
objecten uit de bestaande lijst worden afgevoerd omdat zij naar de huidige inzichten niet langer een
status als karakteristiek object behoeven. De geactualiseerde lijst wordt gebruikt bij de opstelling van
bestemmingsplannen voor het grondgebied van de gemeente Cuijk (aanduiding karakteristieke
bebouwing). Objecten (of complexen) die aangewezen zijn als rijksmonument, zijn in het kader van dit
onderzoek niet nader onderzocht. Voor deze elementen is reeds een redengevende beschrijving
aanwezig, is van rijkswege een cultuurhistorische waardering gemaakt en worden deze bij wet
beschermd.
Afweging
In het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Er zijn
volgens de Actualisatie Lijst Karakteristieke Panden geen karakteristieke objecten aanwezig. Dergelijk
objecten zijn niet wettelijk beschermd, maar hebben wel cultuurhistorische waarde waar zorgvuldig
mee omgesprongen moet worden. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.5.4 Monumentale Bomennota gemeente Cuijk 2009-2019
Deze nota stelt de uitgangspunten vast voor het opstellen van een monumentale bomenlijst, dient ter voorkoming van het verstoren van de groeimogelijkheden van de boom en dient om ontwikkelingen tegen te gaan die de standplaatsen van de boom nadelig beïnvloeden. Daarnaast wil de gemeente de ontwikkeling van een duurzame, vitale en herkenbare boombeplanting in de gemeente stimuleren. Ter bescherming van de monumentale bomen, is een lijst opgesteld. De bomen van deze lijst worden vervolgens positief bestemd in de bestemmingsplannen. Hiermee krijgen deze bomen een feitelijke, fysieke en juridische bescherming.
In het bestemmingsplan wordt naast de standplaats van de boom, ook de kwaliteit van de groeiplaats beschermd. De omvang van de groeiplaats betreft de maximaal te bereiken kruindiameter met inbegrip van een extra afstand van 2,00 meter. In de regels van het bestemmingsplan worden deze beschermende bepalingen opgenomen, onder andere door aan te geven dat het verboden is te bouwen binnen deze groeiplaats. Bovendien mogen monumentale bomen niet gekapt worden zonder omgevingsvergunning.
Afweging
In het plangebied komt één monumentale boom voor. Op de verbeelding is deze monumentale boom opgenomen en voorzien van een gebiedsaanduiding ‘monumentale boom’, waardoor de boom en haar groeiplaats beschermd wordt. In de praktijk is gebleken dat het bepalen van de maximale kruindiameter per boom erg moeilijk is. Daarom is gekozen om uit te gaan van een maximaal te bereiken kruindiameter van 20,00 meter, oftewel een straal van 10,00 meter. In de regels wordt de mogelijkheid opgenomen om de groeiplaats te ‘verkleinen’ als aangetoond wordt dat de kruindiameter niet de volle 20,00 meter kan bereiken.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113021.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113021.png)
Figuur 8: Monumentale boom Kalkhofseweg 41
5.6 Flora en fauna
De natuurwetgeving in Nederland kent twee sporen: de soortenbescherming en de gebiedsbescherming. Hiertoe zijn twee wetten actief, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor natuurgebieden en individuele dier- en plantsoorten. Deze gebieden en soorten hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben op een gebied (ver) daarbuiten. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er niet toe leiden dat hierdoor de te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde plant- en diersoorten worden aangetast.
5.6.1 Soortbescherming
In de Flora- en faunawet ziet de wetgever toe op de bescherming van zeldzame plant- en diersoorten en hun leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige beschermde soorten. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Om tegemoet te komen aan de ruimtelijke dynamiek en vernieuwingsprocessen moet geruime tijd van te voren geïnvesteerd worden in een vervangende leefomgeving, zodat die reeds aanwezig is op het moment dat plannen voor een nieuw ruimtebeslag worden gemaakt.
Afweging
Het voorliggende bestemmingsplan heeft grotendeels een beheersmatig karakter. In het algemeen geldt, dat er geen sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Bij de uitvoering van wijzigingsbevoegdheden wordt een onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten verplicht gesteld.
5.6.2 Gebiedsbescherming
In de Natuurbeschermingswet 1998 is de gebiedsbescherming geregeld. De kern van de gebiedsbescherming wordt gevormd door het netwerk van Natura 2000-gebieden die strikt beschermd zijn. De Vogel- en Habitatrichtlijngebieden maken onderdeel uit van de Natura-2000-gebieden. Bij ruimtelijke ingrepen in de nabije omgeving van beschermde gebieden moet worden bepaald in hoeverre de externe werking van de ingreep een effect heeft op het te beschermen gebied.
Afweging
De Sint-Jansberg bij Plasmolen (L) is als Natura-2000-gebied in ontwerp. Gezien de afstand van bijna 6,5 kilometer en de fysieke barrière van de Maas wordt aantasting als gevolg van onderhavig bestemmingsplan niet verwacht. Het Natura-2000-gebied Oeffelter Meent bevindt zich op een afstand van ruim 4,5 kilometer van het plangebied. Vanwege het ontbreken van grootschalige ontwikkelingen in het gebied wordt geen aantasting van de te beschermen gebieden verwacht.
Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.6.3 Ecologische Hoofdstructuur
De Ecologische Hoofdstructuur is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Het netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Ook beheersgebieden behoren ertoe. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in Noord-Brabant sluit aan op die in de rest van Nederland. Natura 2000 gebieden, het Europese netwerk van natuurgebieden, maakt onderdeel uit van de EHS.
De Maas, die grenst aan het plangebied, behoort tot de EHS, evenals de nabij gelegen EHS-gebieden Zevenhutten en Maasheggen. Aantasting of verstoring van de EHS wordt echter niet verwacht. Gebiedsbescherming is hiermee geen belemmering voor het bestemmingsplan.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113022.jpg [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113022.jpg)
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113023.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113023.png)
Figuur 9: uitsnede Verordening Ruimte, kaartlagen, blad 3: Natuur en landschap
Afweging
Het voorliggende bestemmingsplan heeft grotendeels een beheersmatig karakter. In het algemeen geldt dat er geen sprake kan zijn van negatieve effecten op leefgebieden en daarmee op eventueel voorkomende soorten. Er bestaat dan ook geen noodzaak tot een nader ecologisch onderzoek voor het plangebied.
Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.7 Infrastructuur
Kabels en buisleidingen maken onderdeel uit van de infrastructuur in Nederland. Het gaat om het vervoer en de verspreiding van vloeistoffen, gassen en elektriciteit. Vanwege het belang en de mogelijke gevaarzetting van de stoffen en de elektriciteit, moet de aanwezigheid van de kabels en leidingen bekend zijn in ruimtelijke plannen. Kabels, leidingen en straalpaden dienen te worden beschermd tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Aan de andere kant dient de omgeving te worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan.
Afweging
In het plangebied ligt een ondergrondse rioolwatertransportleiding. Deze leiding krijgt vanwege het algemeen belang een beschermingszone van 3,50 meter in de regels.
5.8 Bedrijventerrein
Zonering geldt vooral bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. In bestaande wijken ligt de situatie en daarmee de afstand tussen de bedrijvigheid en de gevoelige bestemmingen vast. De milieuzonering is vastgelegd in de juridische regeling van dit bestemmingsplan.
Afweging
Voor de uitwerking van de milieuzonering is aansluiting gezocht bij de handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering: editie 2009" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: handreiking 2009). Volgens vaste jurisprudentie is milieuzonering noodzakelijk op bestaande bedrijventerreinen. Dit vanwege de mogelijke vestiging van nieuwe bedrijfsactiviteiten en de uitbreiding van de activiteiten van gevestigde bedrijven. Bestaande bedrijven dienen in beginsel altijd zodanig te worden bestemd dat zij duurzaam kunnen blijven functioneren, tenzij sprake is van een milieuknelpunt en bedrijfsbeëindiging is gewaarborgd.
Uitwerking milieuzonering
Het bedrijventerrein Straatkant is als bedrijventerrein niet te vergelijken met de andere bedrijventerreinen in de gemeente Cuijk. Het bedrijventerrein is destijds ontwikkeld voor ondernemers van de kern Haps en gericht op ambachtelijke bedrijvigheid. Het bedrijventerrein vormt geen afzonderlijke 'wijk', maar is opgebouwd uit lintbebouwing en een doodlopende straat. Er zijn intern geen verbindingen aanwezig. In de lintbebouwing langs de Kalkhofseweg wisselen woningen en bedrijven elkaar af. In het vigerende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Straatkant" wordt daarom gesproken van een gebied met 'gemengde functies'.
In het vigerende bestemmingsplan is een milieuzonering opgenomen op basis van een oude editie van de handreiking "Bedrijven en Milieuzonering". De toegestane bedrijfsactiviteiten zijn benoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (hierna: Staat) en opgenomen als bijlage bij de regels. De vigerende milieuzonering is gebaseerd op een 50 meter en een 100 meter contourlijn. Tot de 50 meter contourlijn zijn alleen lichte bedrijfsactiviteiten toegestaan uit categorie 1 en 2, met een grootste afstand van 30 meter tot woonpercelen. Tussen de 50 en 100 meter contourlijn zijn middelzware bedrijfsactiviteiten toegestaan uit categorie 1, 2 en 3, met een grootste afstand van 50 meter. Op een klein gedeelte zijn categorie 3 activiteiten toegestaan met een grootste afstand van 100 meter.
De nieuwe milieuzonering is een voortzetting van de vigerende milieuzonering, met uitzondering van de mogelijkheid om categorie 3.2 activiteiten uit te oefenen (grootste afstand 100 meter). Laatstgenoemde categorie is in het vigerende bestemmingsplan slechts op een klein deel van het bedrijventerrein mogelijk. De gronden zijn niet gebruikt voor een categorie 3.2 activiteit de afgelopen planperiode. Gezien de beperkte oppervlakte, de aanwezigheid van bedrijfs- en burgerwoningen en de mogelijkheden elders op bedrijventerreinen in de gemeente (Cuijk, Haven en RBL), is de categorie 3.2 niet opgenomen in de nieuwe milieuzonering. Dit stemt beter overeen met de gewenste ambachtelijke bedrijvigheid in een gebied met functiemenging.
Op de verbeelding zijn twee zones opgenomen voor activiteiten in de categorieën 1 en 2 (b≤2) en de categorieën 1, 2 en 3.1 (b≤3.1).
Uitwerking Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein
Ten eerste wordt de nieuwe Staat van Bedrijfsactiviteiten vastgesteld, die in de regels zal worden gehanteerd. De Staat 1992 uit het vigerende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Straatkant" is als basis gebruikt. De nieuwe Staat is op de volgende wijze samengesteld:
alle bedrijfsactiviteiten uit de Staat 1992 met een grootste afstand van 100 meter zijn niet overgenomen. Dit zijn activiteiten die in de handreiking 2009 in categorie 3.2 zijn ondergebracht;
de resterende bedrijfsactiviteiten uit de Staat 1992, die in bijlage 1 van de handreiking 2009 in categorie 3.2 of hoger zijn ingedeeld, zijn niet overgenomen;
de resterende bedrijfsactiviteiten die te kenmerken zijn als geluidzoneringsplichtige inrichtingen, Bevi-inrichtingen en vuurwerkbedrijven, zijn niet overgenomen;
de omschrijvingen en SBI-codes van de bedrijfsactiviteiten uit de Staat 1992 zijn omgezet naar de SBI-codes en omschrijvingen van 2009. Hiermee wordt een groot aantal specifiek omschreven activiteiten ondergebracht in meer globale omschrijvingen.
De 'Staat van Bedrijfsactiveiten - bedrijventerrein' is opgenomen als de bijlage van de regels. In de Staat worden bedrijven in de milieucategorieën 1, 2 en 3.1 toegestaan. Bedrijfsactiviteiten die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn aan de Staat, zijn na een nadere afweging toelaatbaar.
Ten tweede zijn de gevestigde bedrijven geïnvesteerd en is gecontroleerd in welke milieucategorie de bedrijfsactiviteiten vallen volgens de nieuwe Staat.
|
adres |
naam |
activiteit |
Staat oud |
Staat nieuw |
|
Horn 1 |
Mengvoeders Lemmers |
groothandel in mengvoeder en agrarische benodigdheden (alleen kantoor) |
2 (30) |
1 (10) |
|
Horn 1 |
Toonen Technische Installaties |
installatiebedrijf |
1 (10) |
2 (30) |
|
Horn 1 |
Agitax BV |
agrarisch en industrieel taxatiebureau |
nee |
1 (10) |
|
Horn 2 |
W.R.M. Janssen |
herstelinrichting motorvoertuigen |
1 (10) |
2 (30) |
|
Horn 4 |
Arts Constructies |
staalconstructie en repareren van landbouwmachines |
3 (100) |
3.2 (100) |
|
Horn 5 |
Maas Mobilehome |
werkplaats/showroom campers |
1 (10) |
2 (30) |
|
Horn 6 |
Atlantic Power Sound |
geluid-, lichttechniek en showequipement |
2 (30) |
2 (30) |
|
Kalkhofseweg 41/41a |
Autobedrijf Van Daal |
herstelinrichting motorvoertuigen, LPG-tankstation (<1.000 m3) |
nee* |
3.1 (50) |
|
Kalkhofseweg 41 b |
Bakkerij Haas BV |
brood- en banketbakkerij (>7.500 kg meel/week) |
3 (50) |
3.2 (100) |
|
Straatkantseweg 4 |
Voegersbedrijf Frans Gerrits |
voegersbedrijf/gevelreiniging |
2 (30) |
2 (30) |
|
Straatkantseweg 8 |
Dakdekkersbedrijf Adriaans BV |
dakdekkersbedrijf |
2 (30) |
3.1 (50) |
|
Straatkantseweg 10 |
Elektrotechnisch Buro Nabuurs BV |
installatiebedrijf |
1 (10 |
2 (30) |
|
Straatkantseweg 12 |
G. en L. VOF Derks |
agrarisch loonwerkbedrijf |
3 (50) |
3.1 (50) |
|
Straatkantseweg 14 |
Th. J. Verstegen |
meubelstoffeerderij/-makerij |
3 (50) |
1 (10) |
* destijds apart opgenomen in doeleindenomschrijving
Ten derde is gecontroleerd of de aanwezige bedrijfsactiviteiten overeenkomen met de voorgenomen milieuzonering. Als een bedrijfsactiviteit in een hogere categorie valt dan de zone waarin het is gelegen, dan wordt dit op de verbeelding weergegeven. De activiteit mag worden voortgezet, maar na beëindiging is de opgenomen milieuzone leidend.
Uit de inventarisatie blijkt dat drie bedrijven afwijken van de voorgenomen milieuzonering. Deze bedrijven worden positief bestemd in voorliggend bestemmingsplan op basis van de volgende motivering:
Horn 4:
de oprichtingsvergunning is verleend op 10 oktober 1995 voor de activiteiten 'Konstructiebedrijf, verwerken van staal tot staalkonstruktie voor bouwwerken, trappen, bordessen, deuren etc. Maken en repareren van landbouwmachines en het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden. Handel in landbouwmachines'. Op 20 maart 2009 is een integrale controle uitgevoerd met als conclusie dat de activiteiten zoals vergund niet zijn gewijzigd. De vergunde activiteiten worden specifiek aangeduid in de regels. Als de activiteiten wijzigen, dan zijn aleen nog activiteiten passend binnen de toegewezen milieuzone toegestaan.
Kalkhofseweg 41/41a:
de oprichtingsvergunning is verleend op 31 januari 1979 voor de activiteiten 'garagebedrijf annex opslag en verkoop van motorbrandstoffen, inclusief LPG'. Het LPG-tankstation was niet eerder in de Staat opgenomen, maar specifiek benoemd in de bestemmingsomschrijving. Op 20 maart 2009 is een integrale controle uitgevoerd met als conclusie dat de activiteiten zoals vergund niet zijn gewijzigd. De vergunde activiteiten worden specifiek aangeduid in de regels. Als de activiteiten wijzigen, dan zijn aleen nog activiteiten passend binnen de toegewezen milieuzone toegestaan.
Kalkhofseweg 41b:
de oprichtingsvergunning is verleend op 30 januari 1980 voor de activiteiten 'brood- en banketbakkerij'. In het vigerende Staat zijn de activiteiten in categorie 3 geplaatst met een grootste afstand van 50 meter. Inmiddels is in editie 2009 van de handreiking de grootste afstand vergoot naar 100 meter en categorie 3.2. De vergunde activiteiten worden specifiek aangeduid in de regels. Als de activiteiten wijzigen, dan zijn aleen nog activiteiten passend binnen de toegewezen milieuzone toegestaan.
5.9 Groen
In het plangebied is aan de noordzijde een groenstrook ingericht. Deze groenstrook dient als visuele barrière tussen het bedrijventerrein en het omliggende agrarische landschap.
Afweging
De groenstrook en haar functie blijft in het bestemmingsplan behouden.
5.10 Verkeer
5.10.1 Vliegbasis Volkel
Voor het veilig afwikkelen van vliegverkeer in de omgeving van een luchtvaartterrein gelden in een bepaald gebied rond het luchtvaartterrein maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten, zoals woon- en kantoorgebouwen, antennemasten, windmolens en bomen. De maximaal toelaatbare hoogtes en de ligging en omvang van het gebied worden bepaald door de ligging van de start- en landingsbanen en berusten op internationale vastgelegde afspraken.
Afweging
Het plangebied valt binnen het obstakelgebied/ aanvlieggebied (funnel) en radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel. Bouwwerken hoger dan 170 meter + NAP vormen een belemmering voor het obstakelgebied/aanvlieggebied, bouwwerken hoger dan 65 meter + NAP vormen een belemmering voor het radarverstoringsgebied.
Het peil in het plangebied is gemiddeld 6 meter + NAP. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen bouwwerken mogelijk die een belemmering kunnen vormen voor vliegbasis Volkel.
In de regels en op de verbeelding wordt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar' opgenomen voor het radarverstoringsgebied. De funnel krijgt de gebiedsaanduiding 'funnel'. In beide gevallen is in de regels een hoogtebeperking opgenomen op verzoek van het ministerie van Defensie.
5.11 Wonen
In het bestemmingsplan zijn meerdere bedrijfs- en burgerwoningen opgenomen. Een woning is een primaire levensbehoefte en de plek waar de mens het grootste deel van zijn tijd doorbrengt. Vanwege het belang van de woonfunctie voor iedereen en het daarbij behorende ruimtebeslag, zijn er relatief veel beleidstukken over dit onderwerp.
5.11.1 Mantelzorgbeleid
De maatschappelijke vraag naar zorg-/woonmogelijkheden is aanleiding geweest tot het opstellen van een uniforme regeling voor het Land van Cuijk voor huisvesting ten behoeve van mantelzorg. De uniforme regeling dient te voorzien in het realiseren van een gevarieerd aanbod van wonen en zorg op
maat, waaronder ook huisvesting dichtbij kinderen, ouders of anderen kan vallen. Door huisvesting ten behoeve van mantelzorg te faciliteren kunnen tal van wederzijdse voordelen worden geboden, zoals de mogelijkheid langer zelfstandig te wonen, het voorkomen van vereenzaming en isolement, hulp in de huishouding van werkende ouders, etc. Het komt dus ook tegemoet aan een sociale (woon)wens.
Onder “mantelzorg” wordt verstaan “het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband”. Om medewerking te kunnen verlenen aan het gebruik van een (vrijstaand) bijgebouw als afhankelijke woonruimte, dient sprake te zijn van mantelzorg als hierboven omschreven. Om te kunnen
bepalen of sprake is van mantelzorg zal advies worden ingewonnen bij een onafhankelijke deskundige instantie. Uit de omschrijving blijkt dat de doelgroep ruim is gesteld en deze verder gaat dan de tot nu toe bekende ouder-kindrelatie. Om te voorkomen dat een woonperceel verwordt tot een (commerciële) opvanggelegenheid, mag per woonperceel maximaal één afhankelijke woonsituatie aanwezig zijn.
Afweging
Het mantelzorgbeleid is algemeen geldend beleid en wordt in elk nieuw bestemmingsplan
juridisch verankerd, zo ook in het voorliggend bestemmingsplan. Voor het beleid zijn standaardregels geschreven die in voorliggend bestemmingsplan in de "Algemene Regels" zijn opgenomen.
5.11.2 Beroep en bedrijf aan huis
In de gemeente Cuijk is in het bestemmingsplan "Bijgebouwenregeling stedelijke gebieden" een regeling opgenomen om beroepen en bedrijven in de woning mogelijk te maken. Het beroep of bedrijf wordt als functie gezien die ondergeschikt is aan het wonen. Het gaat om kleinschalige activiteiten die probleemloos in een woning en een woonomgeving kunnen worden uitgeoefend. Hiervoor wordt een aangepaste lijst van bedrijfsactiviteiten gebruikt, die is opgenomen in de bijlage bij de regels.
Aan het ondergeschikte gebruik zijn voorwaarden verbonden, waaronder een maximale oppervlakte van 50 m². In een aantal gevallen is de oppervlakte in de praktijk groter gebleken. Hiervoor is als uitzondering een aparte aanduiding opgenomen om de grotere oppervlakte vast te leggen.
Afweging
De regeling is opgenomen in de "Algemene regels".