![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113000.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113000.png)
Bestemmingsplan
‘Bedrijventerrein Straatkant’
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113001.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113001.png)
Datum :10 september 2012
IDN : NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01
Toelichting
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Inleiding 7
1.1 Algemeen 7
1.2 Aanleiding en doel 7
1.3 Plangebied 8
1.4 Vigerend planologisch recht 8
1.5 Leeswijzer 9
Hoofdstuk 2 Huidige situatie 10
2.1 Algemeen 10
2.2 Bouwgeschiedenis en ruimtelijke structuur 10
2.3 Functies 10
Hoofdstuk 3 Ontwikkelingen 12
3.1 Algemeen 12
3.2 Beheersplan 12
3.3 Ontwikkelingen nabij het plangebied 12
3.4 Ontwikkelingen in het plangebied 12
Hoofdstuk 4 Ruimtelijke gevolgen 13
4.1 Algemeen 13
4.2 Ruimtelijke ordening 13
4.3 Milieu 18
4.4 Externe veiligheid 21
4.5 Erfgoed 22
4.6 Infrastructuur 25
4.7 Flora en fauna 25
4.8 Water 26
4.9 Bedrijventerrein 29
4.10 Groen 31
4.11 Verkeer 31
4.12 Wonen 31
4.13 Financieel 32
4.14 Handhaafbaarheid 33
Hoofdstuk 5 Juridische verantwoording 34
5.1 Algemeen 34
5.2 Toelichting op de verbeelding 34
5.3 Toelichting op de regels 34
Hoofdstuk 6 Procedure 40
6.1 Inspraak en vooroverleg 40
6.2 Zienswijzen 40
Bijlage bij de toelichting 41
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Algemeen
Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Straatkant".
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen door middel van kleuren en aanduidingen weergegeven en nader gedifferentieerd. De regels en de verbeelding regelen de wijze waarop de gronden binnen de bestemmingen gebruikt en bebouwd mogen worden. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient een toelichting in ieder geval informatie te geven over:
de inzichten over de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan;
de uitkomsten van eventueel verrichte onderzoeken;
de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;
de wijze waarop rekening is gehouden met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten;
de wijze waarop de vastgestelde milieukwaliteitseisen uit hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn betrokken;
de wijze waarop rekening is gehouden met de overige waarden van de gronden en de verhouding daarvan tot het aangrenzende gebied;
de jurdische verantwoording van de gekozen bestemmingen;
de uitkomsten van het overleg met de besturen van betrokken gemeenten, het waterschap en de Inspectie Leefomgeving en Transport;
de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties zijn betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan.
1.2 Aanleiding en doel
De gemeente Cuijk is bezig met het actualiseren van haar bestemmingsplannen. In het kader hiervan is op 6 februari 2012 het ‘Actualiseringsprogramma bestemmingsplannen 2012-2013' vastgesteld. Op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) dient een bestemmingsplan eens per tien jaar te worden herzien. Het merendeel van de Cuijkse bestemmingsplannen is ouder dan tien jaar. De gemeente Cuijk en haar inwoners hebben belang bij actuele bestemmingsplannen vanwege grotere rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en overzichtelijkheid. Getracht wordt in alle kernen dezelfde plansystematiek te hanteren.
Met de actualisering van de bestemmingsplannen, worden de volgende doelen nagestreefd:
de afname van het aantal bestemmingsplannen;
de digitalisering van bestemmingsplannen;
de standaardisering van bestemmingsplannen;
het mogen heffen van leges na 30 juni 2013;
verwerking van nieuwe wetgeving;
het aangeven van het actuele beleidskader;
verwerking van ontwikkelingen die de benodigde procedures reeds doorlopen hebben.
De geactualiseerde bestemmingsplannen in het algemeen en het voorliggende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Straatkant” in het bijzonder zijn van een conserverend karakter, waarbij de bestaande planologische rechten de uitgangsbasis vormen. Als de huidige ruimtelijke situatie afwijkt van de planologische rechten, dan wordt maatwerk geleverd, zolang het niet om ongewenst gebruik gaat. Daarbij wordt rekening gehouden met de aansluiting op vastgestelde ruimtelijke beleidslijnen. Alleen ontwikkelingen welke reeds de benodigde procedures en besluitvorming doorlopen hebben, worden direct meegenomen in het bestemmingsplan. Het kan daarbij gaan om besluiten genomen onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), haar opvolger de Wro of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
1.3 Plangebied
Het Bedrijventerrein Straatkant ligt ten noordwesten van de kern Haps in de gemeente Cuijk. Het bedrijventerrein ligt ingeklemd tussen de Kalkhofseweg en de Straatkant en wordt omringd door agrarisch gebied. e plangrens is gelijk aan de begrenzing van het huidige bestemmingsplan, met uitzondering van de toevoeging van een stuk agrarische grond in de noordwestelijke hoek. In figuur 1 is het plangebied globaal weergegeven.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113002.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113002.png)
Figuur 1: globale ligging plangebied
1.4 Vigerend planologisch recht
Het voorliggende bestemmingsplan vervangt, nadat het in werking is getreden, de regelingen van de vigerende bestemmingsplannen. Voorliggend plan herziet tevens alle uitwerkingen, wijzigingen, vrijstellingen ex artikel 19 WRO en 'projectbesluiten' onder de Wabo van de bovengenoemde plannen voor wat betreft het aangegeven plangebied. Tot het moment van inwerkingtreding geldt voor het plangebied dus hetgeen planologisch is geregeld in deze bestemmingsplannen:
Bedrijventerrein Straatkant: vastgesteld door de Raad 29-12-1993, gedeeltelijk goedgekeurd door G.S. 09-08-1994 en besluit Raad van State 16-11-1995;
Buitengebied Haps: vastgesteld door de Raad 29-03-1994, goedgekeurd door G.S. 15-11-1994 en besluit Raad van State 25-11-1997;
Bedrijventerrein Straatkant, 1e wijziging (verbouwing Kalkhofseweg 45 te Haps): vastgesteld door de Raad 17-09-1996 en goedgekeurd door G.S. 04-11-1996;
Prostitutiebeleid Cuijk 2001: vastgesteld door de Raad 09-07-2001 en goedgekeurd door G.S. 26-09-2001;
Partiële herziening 2005 bestemmingsplannen Beerse Overlaat, Buitengebied Cuijk en Buitengebied Haps: vastgesteld door de Raad 20-02-2006 en goedgekeurd door G.S. 04-08-2006;
Kalkhofseweg 41b, uitbreiden van een bakkerij (19 lid 1 WRO, 07-10-2003).
Straatkantseweg 10, uitbreiding van een bedrijfsruimte (19 lid 1 WRO, 14-10-2003);
Horn 1, oprichten van een bedrijfspand met inpandig kantoor (19 lid 2 WRO, 17-03-2008).
In de directe omgeving van het plangebied is een aantal projecten en bestemmingsplannen recent vastgesteld of in procedure genomen:
bestemmingsplan 'Haps': betreft een actualiseringsplan voor de kom van Haps, vastgesteld in 2011;
bestemmingsplan 'Buitengebied 2010': betreft een actualiseringsplan voor het agrarische buitengebied, vastgesteld in 2011;
bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarakker': betreft een nieuw regionaal bedrijventerrein aan de A73, het plan is in werking getreden, er volgt nog een uitspraak van de raad van State.
1.5 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is een beschrijving opgenomen van de ruimtelijke historie en de huidige situatie van het plangebied. De belangrijkste bevindingen van de gebiedsinventarisatie komen aan bod en vormen de eerste aanzet tot het toekennen van bestemmingen.
Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijke doel van het bestemmingsplan (beheer of ontwikkeling). Bij eventuele ruimtelijke ontwikkelingen wordt beschreven wat er gaat veranderen en waarom deze verandering nodig wordt geacht.
In hoofdstuk 4 wordt een afweging gemaakt van het ruimtelijke beleidskader voor het plangebied.
In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de diverse uitvoeringsaspecten in het plangebied. Voor verschillende ruimtelijke aspecten en functies is gekeken naar de ruimtelijke gevolgen, eventuele onderzoeksresultaten en de juridische vertaling naar regels en verbeelding.
In hoofdstuk 6 wordt de juridische verantwoording gegeven als korte samenvatting van de bevindingen uit hoofdstuk 4 en 5.
In hoofdstuk 7 wordt aandacht geschonken aan het handhavingsbeleid in de gemeente cuijk.
In hoofdstuk 8 komt de economische uitvoerbaarheid van de planologische regeling aan de orde.
In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de procedures die voorliggend bestemmingsplan heeft doorlopen. Uiteengezet wordt op welke wijze rekening is gehouden met de maatschappelijke aspecten inzake de uitvoering van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 2 Huidige situatie
2.1 Algemeen
Dit hoofdstuk beschrijft de huidige, ruimtelijke situatie van Sint Agatha. Om een weloverwogen ruimtelijk beleid te voeren is het zaak om kennis te hebben van de bouwgeschiedenis van een gebied en de daardoor ontstane ruimtelijke structuur en functies. De huidige situatie vormt de basis voor nieuwe ontwikkelingen.
2.2 Bouwgeschiedenis en ruimtelijke structuur
De stedenbouwkundige uitleg van Haps valt in historische lijnen als volgt te beschrijven. Het grondgebied van Haps bestaat uit een breed en lang Maasdal met een paar zandruggen, waarop de eerste bewoners zich vestigden. De nederzetting is bewoond vanaf circa 1700 voor Christus. In de 12e of 13e eeuw werd de bewoning intensiever. Er ontstonden enkele bouwhoeven. Haps vormde een eigen heerlijkheid. In 1417 gaat de heerlijkheid over op Gelderse hertogen.
In 1811 slaagde het dorp Haps erin een eigen gemeente te worden. Op 1 januari 1994 is deze gemeente opgegaan in de gemeente Cuijk.
Als dorp is Haps steeds bescheiden in omvang geweest. De boerenbevolking woonde verspreid en de kom telde maar een paar huizen. In 1850 telde Haps nog maar 680 inwoners, terwijl Haps nu meer dan 2900 inwoners heeft.
De kern is vooral in de jaren tussen 1950 en 1975 gegroeid. Na 1975 hebben verspreid nog enkele uitbreidingen plaatsgevonden. Het bedrijventerrein Straatkant heeft zich ontwikkeld na 1975, gelegen tussen de Straatkantseweg en de Kalkhofseweg richting Cuijk. Het bedrijventerrein wordt aan de westzijde begrensd door enkele burgerwoningen, een boerderij en sportveld. Aan de andere zijden wordt het begrensd door weilanden en een begraafplaats. Ten noorden is een agrarisch bedrijf gelegen.
2.3 Functies
Er is ter plaatse een inventarisatie gemaakt van de functies in het plangebied en de directe omgeving (28-10-2010). De aangetroffen functies zijn ingedeeld naar de hoofdgroepen van bestemmingen uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (hierna: SVBP2008). Per hoofdgroep wordt een korte beschrijving gegeven van de bijzonderheden.
2.3.1 Agrarisch
Binnen het plangebied ligt in het noordoosten agrarische grond. De grond is in gebruik als grasland, er is geen agrarische bebouwing aanwezig.
2.3.2 Bedrijf en bedrijventerrein
Op het bedrijventerrein zijn vooral bedrijven uit de handel en reparatie, en bedrijven uit de bouwnijverheid gevestigd. Opvallend is de aanwezigheid van minder lokaal georiënteerde bedrijven zoals een bedrijf in geluid-, lichttechniek en showequipement, een bakkerij en een meubelfabriek. Bij de bedrijven is in vrijwel alle gevallen een bedrijfswoning gelegen.
De aanwezigheid van kleinschalige bedrijvigheid in de directe omgeving van een kern vergroot de leefbaarheid van die kern. De bedrijven op Straatkant hebben een beperkt verzorgingsgebied en moeten het voor een groot deel hebben van de inwoners van de kern Haps. Daarnaast biedt het werkgelegenheid op een korte afstand van de woonsituatie.
2.3.3 Groen
Het bedrijventerrein is deels omsloten door een groenstructuur als buffer naar het omliggende gebied. Ten zuidoosten van het plangebied is een gemengd gebied gelegen met een door bomen omsloten begraafplaats en enkele weilanden. Ten noorden is het bedrijventerrein van de weilanden gescheiden door een groenbuffer.
Het bebouwde deel van het bedrijventerrein Straatkant heeft een weinig nadrukkelijk groen karakter. Het geheel is planmatig ingericht met een strakke verkaveling en sporadisch een kleine groenstrook. Het agrarisch gebied dat in het noordwesten van het plangebied is gelegen, vormt een groot groenelement binnen het plangebied.
2.3.4 Verkeer
Het bedrijventerrein grenst aan de westzijde aan de Kalkhofseweg. De Kalkhofseweg maakt samen met de Kerkstraat, Sint Hubertseweg en de Oeffeltseweg onderdeel uit van de hoofdwegenstructuur van de kern Haps. De Kalkhofseweg is de oude verbindingsweg naar de kern Cuijk. Het vormt de noordelijke ontsluiting van de kern richting het sportpark en de kern Cuijk. De Kalkhofseweg is eenvoudig te bereiken vanaf de A73. Aan deze weg zijn binnen het plangebied een tweetal burgerwoningen gelegen.
Aan de andere zijde wordt het bedrijventerrein begrensd door de Straatkantseweg. Binnen het bedrijventerrein is de weg de Horn gelegen, een doodlopende straat. Op de Kalkhofseweg en de Horn geldt een snelheidsregime van 50 km per uur. De Straatkantseweg kent een snelheidslimiet van 60 km per uur.
2.3.5 Water
Ten zuiden van de Straatkantseweg ligt een A-watergang die opgenomen is in de legger van het waterschap Aa en Maas. Tussen de Straatkantseweg 14 en 16 ligt een aftakking van deze watergang naar het bedrijventerrein.
2.3.6 Wonen
Aan de Kalkhofseweg staan twee burgerwoningen. Op het bedrijventerrein staan twaalf bedrijfswoningen.
Hoofdstuk 3 Ontwikkelingen
3.1 Algemeen
Dit hoofdstuk beschrijft de beheersmatige kant van het bestemmingsplan en de ontwikkelingen nabij het plangebied, die mogelijk invloed kunnen hebben op het plangebied. Vervolgens worden de ruimtelijke ontwikkelingen beschreven in het plangebied van de afgelopen jaren.
3.2 Conserverend plan
Voorliggend bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Straatkant' is een beheersplan. Dat wil zeggen dat de bestaande ruimtelijke situatie wordt bestemd en van een actuele bestemmingsregeling wordt voorzien. Binnen de bestemmingen zijn reële mogelijkheden voor het oprichten, vervangen en uitbreiden van bebouwing en voor het in beperkte mate veranderen van het gebruik van grond en bebouwing gegeven. In alle gevallen gaat het daarbij om veranderingen in bebouwing en gebruik die samenhangen met de bestaande functie en daarom passen binnen een beheersgerichte bestemming. In het bestemmingsplan worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt.
3.3 Ontwikkelingen in het plangebied
Het plangebied kent nieuwbouwmogelijkheden door de aanwezigheid van open plekken. In het vigerend bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Straatkant' (1993) zijn de agrarische gronden in het noorden opgenomen als mogelijke uitbreiding van het bedrijventerrein (fase 1 en fase 2). Binnen fase 1, reeds positief bestemd, zijn nog beperkte mogelijkheden.
Fase 2 betreft agrarische gronden die in particuliere handen zijn. Uitbreiding van het bedrijventerrein middels fase 2 is niet meer gewenst. Het sluit niet langer aan bij het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en de lokale behoefte ontbreekt eveneens. In verband hiermee wordt de huidige mogelijkheid om de agrarische gronden van fase 2 te wijzigen naar bedrijfsdoeleinden, niet overgenomen in dit bestemmingsplan.
3.4 Ontwikkelingen nabij het plangebied
De onderstaande ontwikkelingen grenzen aan het plangebied en hebben in meerdere of mindere mate gevolgen voor de ruimtelijke functies in het plangebied. In deze paragraaf worden deze ontwikkelingen en hun invloed kort besproken.
Haps
In het nieuwe bestemmingsplan voor Haps zijn geen ontwikkelingen direct mogelijk gemaakt. Wel worden voor twee locaties de mogelijkheid opgenomen om bestemmingen te wijzigen zodat woningbouw mogelijk wordt. Het bedrijventerrein Straatkant zal hier geen hinder van ondervinden.
Buitengebied 2010
De afgelopen jaren is gewerkt aan een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Cuijk. Het plan omsluit het bedrijventerrein Straatkant. Net als voorliggend plan is het Buitengebied 2010 een beheersplan, met beperkte mogelijkheden voor nieuwe functies.
Regionaal Bedrijvenpark Laarakker
Ten noordoosten van Haps is het Regionaal Bedrijvenpark Laarakker (RBL) gepland. De noodzakelijke bestemmingsplannen zijn vastgesteld. Het RBL ligt nabij de rijksweg A73 en halfweg tussen Cuijk en Boxmeer, de twee grootste kernen in het Land van Cuijk. De komende jaren zullen de eerste bedrijven zich vestigen. Het RBL wordt zodanig ingericht dat eventuele overlast, waaronder geluid, tot een minimum wordt beperkt. Het bedrijvenpark is gericht op grote bedijven en zwaardere bedrijvigheid en vormt geen concurrentie voor het bestaande bedrijventerrein Straatkant.
Hoofdstuk 4 Ruimtelijk beleidskader
4.1 Algemeen
Alle overheden hebben de mogelijkheid om ruimtelijke belangen vast te leggen in beleidsdocumenten. De Rijksoverheid richt zich vooral op nationale belangen, de provincie Noord-Brabant op provinciale en regionale belangen en de gemeente op lokale belangen. In een bestemmingsplan zijn deze ruimtelijke belangen afgewogen en indien nodig verwerkt in de regels en de verbeelding.
4.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 in werking getreden. In de structuurvisie kiest het Rijk voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts dertien nationale belangen. De nationale belangen worden behartigd door Rijkswaterstaat, het ministerie van Defensie en het ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De dertien belangen zijn verdeeld over drie hoofdthema's:
het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;
het verbeteren van de bereikbaarheid;
het waarborgen van de kwaliteit van de leefomgeving.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113003.jpg [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113003.jpg)
Uitsnede kaart 'Nationale ruimtelijke hoofdstructuur'
4.2.1 Versterken ruimtelijk-economische structuur
Binnen dit hoofdthema zijn vier belangen te onderscheiden:
Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren.
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie.
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen.
Efficiënt gebruik van de ondergrond.
Afweging
In het kader van dit bestemmingsplan spelen de nationale hoofdthema's geen rol.
4.2.2 Verbeteren bereikbaarheid
Binnen het hoofdthema zijn drie belangen benoemd:
Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen.
Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen.
Het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen.
Afweging
In het kader van dit bestemmingsplan spelen de nationale hoofdthema's geen rol.
4.2.3 Waarborgen kwaliteit leefomgeving
Binnen het hoofdthema zijn zes belangen benoemd:
Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s.
Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling.
Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten.
Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten.
Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.
Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.
Afweging
In het kader van dit bestemmingsplan zijn de zes belangen nader uitgewerkt in hoofdstuk 5: uitvoeringsapecten. De kwaliteit van de leefomgeving wordt gewaarborgd.
4.3 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en Verordening Ruimte
Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant in werking getreden. Provinciale Staten hebben deze op 1 oktober 2010 vastgesteld. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking.
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Die is: ‘samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de 'uitwerking gebiedspaspoorten'. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld voor specifieke onderwerpen.
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten de gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn. Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. Hierdoor is duidelijk voor welke gebieden de regels gelden.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113004.jpg [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113004.jpg)
Figuur 2: uitsnede Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 'Structurenkaart'
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113005.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113005.png)
Figuur 3: uitsnede Verordening Ruimte, kaartlagen, blad 3: stedelijke ontwikkeling
Afweging
Het bedrijventerrein Straatkant ligt op de Structurenkaart volledig in het 'Gemengd landelijk gebied'. In dit gebied zijn verschillende functies mogelijk, waarbij kleinschalige bedrijvigheid nabij woonkernen als onderdeel van de plattelandseconomie worden gezien. Bedrijventerrein Straatkant is in deze een bestaand kleinschalig bedrijventerrein dat op een enkel perceel na 'vol' is.
In de Verordening ruimte is het bedrijventerrein opgenomen als ‘agrarisch gebied’ dat verder als ‘extensiveringsgebied’ is benoemd. De gronden zijn nader benoemd als 'teeltondersteunende kassen toegestaan'. In de regels is de mogelijkheid voor teeltondersteunende voorzieningen opgenomen. Het bedrijventerrein Straatkant is bestaand, wordt niet ontwikkeld, uitgebreid of gewijzigd, ligt niet in bestaand stedelijk gebied, een zoekgebied verstedelijking of een integratiegebied stad-land. De Verordening Ruimte stelt geen nadere eisen aan het bedrijventerrein.
Voor voorliggend plan zijn verder geen bijzondere doelstellingen van toepassing. Eventuele toekomstige ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij het beleid zoals gesteld in de Structuurvisie of Verordening.
4.4 Uitwerkingsplan Land van Cuijk
Het beleid uit het voormalige Streekplan, ten aanzien van wonen en werken, is uitgewerkt in het Uitwerkingsplan Land van Cuijk. Het Uitwerkingsplan is een ruimtelijk plan op het regionale schaalniveau. In het plan wordt vastgelegd hoe het programma voor wonen en werken verdeeld wordt, welke locaties worden ontwikkeld en in welke volg-orde en tempo dat programma gerealiseerd wordt.
Bij het opstellen van het Uitwerkingsplan was het in het voormalige Streekplan neer-gelegde beleid leidend. Tevens zijn andere plannen betrokken bij het opstellen van het uitwerkingsplan. Een van de belangrijkste is de StructuurvisiePlus Land van Cuijk (2001).
Voor de landelijke regio’s blijft het uitgangspunt ‘bouwen voor migratiesaldo-nul’. Binnen dit beleidskader mag elke gemeente zoveel woningen bouwen als ten minste nodig zijn voor de opvang van de natuurlijke bevolkingsgroei. Het Uitwerkingsplan geeft op basis van de ruimtebehoefte voor de periode tot 2015 locaties aan die voor wonen of werken afweegbaar zijn. Voor de ruimtebehoefte na 2015 geeft het Uitwerkingsplan een indicatie van potentiële woon- en werklocaties.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113006.jpg [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113006.jpg)
Figuur 4: uitsnede Uitwerkingsplan Land van Cuijk
Gemeente Cuijk
Voor elke gemeente zijn specifieke richtlijnen opgenomen ten aanzien van deze ontwikkelingen. Zo wordt voor Cuijk gesteld dat voor het behouden van de regionale functie op het gebied van wonen, detailhandel, verzorging en bedrijventerreinen het van belang is om in ontwikkelingsmogelijkheden rond de hoofdkern Cuijk te voorzien. Het is bij verstedelijking van belang aan te sluiten op bestaande infrastructuur. Ook het station van Cuijk en de knooppunten rond de A73 zijn belangrijke locatiefactoren. Zwaartepunt voor verstedelijking in de gemeente komt daarom te liggen bij de kern Cuijk.
Het zwaartepunt voor werken komt, gezien het ontbreken van ruimte bij de hoofdkern Cuijk, in de vorm van een regionaal bedrijventerrein (RBT) ten oosten van de Kom Haps te liggen. Hierdoor wordt aangesloten op de A73, de bestaande afvalverwerkingslocatie en de regionale wegverbinding van Haps naar de A73. Op termijn wordt aansluitend op dit RBT een terrein ontwikkeld dat gericht is op categorie-3-bedrijven, zonder bedrijfswoningen. Bij verstedelijking ten oosten van Haps is het van belang dat de aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden zoveel mogelijk worden ontzien en dat eventuele aantasting van deze waarden wordt gecompenseerd.
Afweging
Het bedrijventerrein Straatkant ligt in het 'Landelijk gebied' en binnen de aanduiding 'landschapsbeheer'. Het bedrijventerrein wordt in dit bestemmingsplan niet vergroot.
Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
4.5 StructuurvisiePlus Land van Cuijk
De StructuurvisiePlus Land van Cuijk (december 2000) is de gezamenlijke visie van de gemeenten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en St. Hubert en Sint Anthonis alsmede de provincie Noord-Brabant op de ruimtelijke ordening in het Land van Cuijk. De visie heeft tot doel te functioneren als een duurzaam en kwalitatief georiënteerd kader, waarmee de ruimtelijke ontwikkelingen in het Land van Cuijk zowel op korte, middellange als lange termijn kunnen worden gestuurd. Aandacht wordt geschonken aan de ruimtelijke vraagstukken met betrekking tot wonen, werken, recreatie, landschap en ecologie, landbouw en hydrologie.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113007.jpg [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113007.jpg)
Figuur 5: uitsnede StructuurvisiePlus Land van Cuijk
Met betrekking tot het ruimtegebruik in de kernen geldt dat intensivering van het ruimtegebruik in het actieprogramma voor de ontwikkelingsstrategie 2000-2010 is opgenomen. In het geval van verdichting mogen de kenmerkende eigenschappen en kwaliteiten van de dorpsstructuur niet worden aangetast. Tevens kunnen de mogelijkheden van revitalisering, herstructurering en efficiënt ruimtegebruik worden onderzocht.
Bij de ontwikkeling van nieuwe locaties (dit geldt voor zowel de locaties die reeds in het bestemmingsplan zijn voorzien, als nieuw aan te wijzen gebieden) dient rekening te worden gehouden met de geomorfologische en cultuurhistorische waarden, zoals die op de geomorfologische en cultuurhistorische interpretatiekaart zijn aangeduid.
Bedrijvigheid
In de kleinste kernen zonder bedrijventerrein zijn slechts incidentele kleinschalige bedrijfsvestigingen mogelijk met inachtneming van de patroonspecifieke kenmerken van de betreffende kernen. In dergelijke kernen bestaan veelal mogelijkheden voor de incidentele vestiging van een beperkt aantal kleinschalige bedrijfjes binnen de bestaande structuur, zonder dat hierdoor de woonkwaliteit aangetast wordt. Dit stelt wel eisen aan de maximale toelaatbare milieucategorie (maximaal milieucategorie 1 en 2) en beperkingen ten aanzien van de doorgroeimogelijkheden van deze bedrijven.
Nabij Haps ligt het lokale bedrijventerrein Straatkant en wordt het Regionaal Bedrijvenpark Laarakker (hierna: RBL) ontwikkeld. Het te ontwikkelen terrein beslaat een oppervlakte van circa 72 hectare bruto, waarvan ongeveer 53 hectare (530.000 m²) is bestemd voor uitgifte aan bedrijven. Het RBL wordt ontwikkeld ten oosten van de Cuijkseweg en ten noorden van de Oeffeltseweg. Het terrein wordt dus niet direct tegen de kern van Haps ontwikkeld. Het punt waar het terrein aan de kern grenst, is in het zuidoosten (nabij het punt Cuijkseweg-Kalhofseweg-Oeffeltseweg). Op dat punt zullen echter geen bedrijven gevestigd worden. Hier blijft het zogenaamde evenemententerrein met een nader te bepalen oppervlakte gehandhaafd.
Het RBL wordt bestemd voor bedrijven in milieucategorie 3 (met kavels groter dan 5.000 m²) en bedrijven in de (hoogste) milieucategorie 4 en 5. De bedrijven vallen binnen de sectoren afvalverwerking, industrie, handel en logistiek. Aan de randen van het gebied - langs de Oeffeltseweg en de Cuijkseweg - wordt alleen de lichtere milieucategorie toegestaan.
Afweging
Op het structuurbeeld voor de regio is bedrijventerrein Straatkant opgenomen als 'beheer bestaand werkgebied'. Het bedrijventerrein wordt in dit bestemmingsplan niet vergroot. Bedrijventerrein Straatkant is een lokaal bedrijventerrein voor de kern Haps. Het biedt vestigingsmogelijkheden voor kleinere lokale bedrijven. Dit kunnen bedrijven zijn afkomstig uit de kern of uit de directe omgeving. Ze hebben een vrij sterke binding wat blijkt uit de herkomst van de werknemers.
Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten
5.1 Algemeen
Behalve de beleidskaders waarin de wenselijkheid van bepaald gebruik op bepaalde plaatsen is verwoord, speelt ook de feitelijke uitvoerbaarheid een belangrijke rol. Een plan wordt uitvoerbaar geacht als er geen onevenredige milieutechnische en fysieke belemmeringen zijn, het plan economisch uitvoerbaar is en de regels handhaafbaar zijn.
5.2 Milieu
Een belangrijk doel in de ruimtelijke ordening is het realiseren van een goed leefmilieu. Dat houdt onder meer in dat de omgeving zo min mogelijk gevolgen mag hebben van het bedrijventerrein op het gebied van de gezondheid van mensen. In de loop der jaren zijn voor een aantal milieuaspecten waarden wettelijk vastgelegd en gekoppeld aan een onderzoeksverplichting bij ruimtelijke ontwikkelingen.
5.2.1 Bodem
De Wet bodembescherming (Wbb) bevat de voorwaarden die (kunnen) worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. Daarnaast verbiedt de Woningwet bouwen op verontreinigde grond.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient in het geval van incidentele bouwlocaties en bestaande bouwtitels beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemmingen. Uitgangspunt is dat minimaal een historisch bodemonderzoek plaats dient te vinden, conform NEN 5725. Indien er sprake is van een verdachte locatie moet het historisch onderzoek worden aangevuld met een verkennend bodemonderzoek conform de geldende norm. Ook bij bestemmingswijziging naar een gevoeligere bestemming is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk.
Afweging
In het verleden is bij het tankstation Kalkhofseweg 41c sprake geweest van een verontreinigingssituatie. De sanering hiervan is afgerond. Uitgevoerde bodemonderzoeken voor de locaties Straatkantseweg 8, 12 en ongenummerd tonen geen verontreiniging aan. Binnen het plangebied zijn geen verdachte bodemlocaties gelegen. Bij nieuwe ontwikkelingen is een bodemonderzoek nodig, teneinde aan te tonen dat de bodem ter plaatse geschikt is.
Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.2.2 Lucht
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit uit 2005 en is een implementatie van de Europese kaderrichtlijn luchtkwaliteit en de vier dochterrichtlijnen waarin onder andere grenswaarden voor de luchtkwaliteit ter bescherming van mens en milieu zijn vastgesteld. Nederland kan in 2010 niet overal voldoen aan de Europese grenswaarden
voor fijn stof en stikstofdioxide, waardoor de realisatie van grote ruimtelijke ontwikkelingen onder druk staat. Het doel van de Wet luchtkwaliteit is het verbeteren van de luchtkwaliteit, zodat in 2015 aan de Europese eisen wordt voldaan en huidige belemmeringen voor gewenste ontwikkelingen zo veel mogelijk worden weggenomen. De kern van de Wet is het ‘Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit’ (NSL). Dit instrument wordt door de Rijksoverheid gecoördineerd en bevat de ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit ‘in betekenende mate verslechteren èn maatregelen om de
luchtkwaliteit te verbeteren.
Projecten die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet langer afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB), genaamd: “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”.
Projecten die de concentratie meer dan 3% van de grenswaarde van een stof verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Voor fijn stof en stikstofdioxide betekent dit een maximale toename van 1,2 μg/m3. Deze 3%-grens is in een gelijknamige ministeriële regeling voor een aantal veel voorkomende ruimtelijke functies gekwantificeerd als:
woningen: 1.500 woningen met één ontsluitingsweg;
kantoren: 10 hectare bruto vloeroppervlak (bvo) met één ontsluitingsweg;
landbouwinrichtingen: akkerbouw of tuinbouw met open teelt, teelt van eetbare gewassen in een gebouw of onverwarmde glastuinbouw ongeacht de omvang en verwarmde opstanden van glas of kunststof van maximaal 2 hectare;
kinderboerderijen.
Dit laat onverlet dat burgers voldoende beschermd moeten worden tegen (tijdelijke) te hoge concentraties. Hiervoor is het noodzakelijk dat de luchtkwaliteit wordt betrokken in de afweging of er sprake is van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Dit betekent dat de luchtkwaliteit ‘schoon’ genoeg moet zijn voor de functie die daar wordt toegelaten.
Afweging
Het voorliggende bestemmingsplan is een beheersplan en biedt geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor gevoelige functies en/of objecten. Eventuele toekomstige ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij het beleid zoals gesteld in de "Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)".
5.2.3 Geluid
Geluidhinder is de mogelijke overlast die de mens ondervindt van geluid afkomstig van kunstmatige objecten gedurende een groot deel van de dag of tijdens piekmomenten. Het gaat om geluid veroorzaakt door verkeer en bedrijven.
Wegverkeerslawaai
Ingevolge artikel 74 en 82 van de Wet geluidhinder bevindt zich aan weerszijden van wegen, niet zijnde woonerven of 30 km/uur wegen, een zone waarbinnen de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de gevel van woningen niet meer mag bedragen dan 48 dB (de voorkeursgrenswaarde). Voor nieuwe woningen kan onder voorwaarden een hogere
grenswaarde worden vastgesteld, indien uit onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De hogere grenswaarde moet op grond van artikel 76 van de Wet geluidhinder zijn vastgesteld vóór de vaststelling van het bestemmingsplan waarin de nieuwe woningen worden geprojecteerd of mogelijk worden gemaakt.
Afweging
Het voorliggende bestemmingsplan is een beheersplan en biedt geen nieuwe directe ontwikkelingsmogelijkheden voor gevoelige functies en/of objecten. Een akoestisch onderzoek is in het kader van voorliggend bestemmingsplan niet noodzakelijk. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
Industrielawaai
Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Wet geluidhinder dient voor elke binnen een gemeente gelegen terrein, waarop de vestiging mogelijk is van in artikel 16 van deze wet bedoelde inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, een rond dat terrein gelegen zone vast te worden gesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.
Afweging
De geluidzone van het bedrijvenpark Laarakker ligt niet over het plangebied. In het plangebied zijn geen 'lawaaimakers' aanwezig en deze worden in de regels ook uitdrukkelijk verboden.
Stiltegebied
Een stiltegebied is een milieubeschermingsgebied waarin de geluiden van flora en fauna overheersen. Het woord ‘stilte’ betekent hierbij niet dat er geen geluid in het gebied waarneembaar is, maar staat voor de afwezigheid van storende, voor de omgeving vreemde geluiden. Stiltegebieden zijn van belang voor de rustzoekende recreant en de flora en fauna in de natuur. Activiteiten die de geluidsbelasting negatief beïnvloeden, zijn niet meer mogelijk in het gebied dat als stiltegebied is aangewezen. Gebiedseigen geluiden, zoals die van de landbouw, zijn hiervan uitgesloten.
Onder 'stil' worden geluiden verstaan die tussen de 35 en 40 decibel liggen. Ook kan
worden gesteld dat een gebied 'stil' is als de lange perioden met natuurlijke geluiden overheersen tot de perioden met niet-natuurlijke geluiden.
De Provinciale milieuverordening wijst bijzondere en kwetsbare gebieden aan vanuit milieuoptiek op basis van de Wet Milieubeheer. De PMV richt zich onder andere op het aanduiden van bodembeschermingsgebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en stiltegebieden. Hierbinnen gelden gebruiksbeperkingen welke door deze verordening geregeld worden. Deze gebruiksbepalingen hebben onder andere betrekking op waterwinning en de omgang met afvalstoffen.
Afweging
Rondom het gebied Ossenbroek en Barendonk ligt een deel van het stiltegebied De Tongelaar. Het plangebied ligt op 1,4 kilometer van het stiltegebied. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.2.4 Licht
Lichthinder is de mogelijke overlast die de mens ondervindt van kunstlicht, hetzij in de vorm van regelrechte verblinding, hetzij als verstorende factor bij het verrichten van avondlijke en nachtelijke activiteiten, hetzij als bron van onbehagen. In de gemeente Cuijk is geen overkoepelend beleid opgesteld om lichthinder te voorkomen. Wel is in de Algemene Plaatselijke Verordening een vergunningplicht opgenomen om lichtapparaten en lichtreclame in gebruik te hebben. In het Welstandsbeleid 2004 is specifiek reclamebeleid opgenomen. Voor verschillende typen gebieden is bepaald of reclame-uitingen verlicht mogen zijn, en zo ja, of dat een verlichtingsbak of aangestraald mag zijn.
Afweging
In het plangebied zijn geen voorbeelden te vinden van functies die meer dan gemiddeld gebruik maken van verlichting. Het gaat in alle gevallen om situaties die vallen binnen de geldende wet- en regelgeving, zoals het verlichten van het buitenterrein. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.2.5 Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning).
Afweging
In de directe omgeving zijn twee intensieve veehouderijen gelegen aan de Kalkhofseweg 16a en de Kalkfseweg 49a. Deze bedrijven belemmeren het functioneren van het bedrijventerrein niet. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.3 Water
De 'watertoets' is de wettelijke verankering van de relatie tussen waterhuishouding en een bestemmingsplan. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. In deze 'waterparagraaf' worden alle relevante aspecten nader beoordeeld.
5.3.1 Structuurvisie 'Nationaal Waterplan'
Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en
schoon water en diverse gebruiksvormen van water. Het Nationaal Waterplan is de opvolger
van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota’s
waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met
ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft
het Nationaal Waterplan (en voorgestelde maatregelen) voor ruimtelijke aspecten de status
van een structuurvisie.
De hoofdlijnen van het nationale waterplan omvatten in ieder geval:
een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen;
een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn;
een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid.
Daarnaast worden in het nationale waterplan opgenomen:
het Nederlandse deel van de internationale stroomgebied-beheerplannen voor de stroomgebieddistricten Rijndelta, Maas, Schelde en Eems;
het Noordzeebeleid;
de functies van de watersystemen in beheer bij het rijk.
Waterbeleid voor de rivieren
Rivieren worden ruimer. De pkb Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken worden voortvarend uitgevoerd, zodat in 2015 de Rijn een piekafvoer van 16.000 m3/s kan verwerken en de Maas een afvoer van 3800 m3/s. De ruimtelijke reserveringen in de bestaande plannen voor deze hogere afvoeren blijven behouden. De uitvoering van de internationale Actieprogramma’s Hoogwater Rijn en Hoogwater Maas worden met kracht voortgezet. Toekomstige afspraken zullen worden gemaakt in het licht van de overstromingsrisicorichtlijn. Waar dit nu reeds mogelijk en kosteneffectief is, kunnen maatregelen worden genomen voor afvoeren van 18.000 m3/s voor de Rijntakken en 4600 m3/s voor de Maas. Dit gebeurt bijvoorbeeld door een koppeling te leggen tussen de wateropgave en ruimtelijke ontwikkelingen. Buitendijks en eventueel binnendijks dienen gronden te worden gereserveerd. Zo nodig worden gronden aangekocht om te kunnen anticiperen op de veiligheidsopgave na 2015.
Het rijk formuleert in samenwerking met alle betrokken overheden een langetermijnopgave
voor de buitendijkse gronden langs de rivieren. Hierbij wordt rekening gehouden met
veiligheid, waterkwaliteit, natuur, ruimtelijke kwaliteit en (regionale) ruimtelijke ontwikkelingen
ten behoeve van een afgewogen inzet, beheer en benutting van het rivierbed.
5.3.2 Waterplan Cuijk
De gemeente Cuijk en haar waterpartners (waterschap Aa en Maas, provincie Noord-Brabant en waterleidingmaatschappij Brabant Water, gemeenten Land van Cuijk) hebben een integraal waterplan opgesteld. De aanleiding hiervoor was de omslag in het denken en beleid rond water gedurende de afgelopen jaren: “In plaats van voort te borduren op het vertrouwde denken in waterbeheersing door technische ingrepen, is de nadruk komen te liggen op het aansluiten op de natuurlijke potenties van het landschap en het watersysteem (duurzaamheidprincipe).”
Deze beleidsomslag is vastgelegd op Europees niveau in de Kaderrichtlijn Water en op Rijksniveau in de 4e Nota Waterhuishouding, de nota Waterbeheer 21e Eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water. Op gemeentelijk niveau is deze beleidsomslag doorvertaald in de “Wet gemeentelijke watertaken”. Hierin zijn voor de gemeente een drietal zorgplichten opgenomen: hemelwater, grondwater en afvalwater.
Het waterplan heeft de status van kaderstellend beleidsplan. Het plan is hierdoor een “parapluplan” voor andere gemeentelijke plannen waarin water een rol speelt. Het plan kent echter geen directe planologische doorwerking. De zeven waterdoelen en streefbeelden dienen wel door te werken in ruimtelijke afwegingen. Deze waterdoelen zijn echter nog te weinig concreet om gebiedsspecifieke maatregelen uit te werken. De doelstellingen zijn daarom uitgewerkt als gebiedsspecifieke streefbeelden voor stedelijk-, landelijk-, en natuurlijk gebied.
5.3.3 Uitgangspunten watertoets Aa en Maas
In de beleidsnota 'Uitgangspunten watertoets Aa en Maas' zijn in het kort de principes beschreven die richtinggevend zijn bij de waterschapsadvisering over ruimtelijke plannen. De acht uitgangspunten zijn als volgt afgewogen.
Wateroverlastvrij bestemmen
In het plangebied zijn geen gebieden opgenomen die een andere bestemming krijgen dan voorheen. In de directe omgeving van het plangebied is een (legger-)watergang gelegen. Binnen het plangebied is een gedempte watergang gelegen. Het gedempte deel krijgt de bestemming 'Bedrijventerrein'.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen
Waterschap De Dommel en Waterschap Aa en Maas hebben in de notitie “Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk” (11 juli 2006) een definitie en randvoorwaarden gegeven voor het Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen. Daarbij is een vertaalslag gemaakt naar vijf toetsaspecten waaraan een plan of ontwikkeling getoetst kan worden. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de ontwikkeling geen hydrologische achteruitgang ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg heeft. Er mogen geen hydrologische knelpunten worden gecreëerd voor de te handhaven en de vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties in de projectlocatie en het beïnvloedingsgebied.
Een hulpmiddel bij het bepalen en oplossen van hydrologische knelpunten is de HNO-tool van het Waterschap. Daarmee kan berekend worden of er een waterbergingsopgave is en hoe groot deze dan is.
Voorkomen van vervuiling
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd te worden aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Daarbij wordt aandacht gevraagd voor het materiaalgebruik. Om watervervuiling te voorkomen, wordt het gebruik van uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen tot een minimum beperkt.
Gescheiden houden van schoon en vuil water
Bij alle nieuwe bouwplannen dient vermenging van vuil afvalwater en schoon hemelwater te worden voorkomen. Indien mogelijk, wordt alleen het vuile water aan de riolering aangeboden. In het plangebied is een gescheiden rioolsyteem aanwezig. Het schone hemelwater moet worden geïnfiltreerd in de bodem.
Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer”.
In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden, hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij dient de genoemde voorkeursvolgorde doorlopen te worden. Binnen het bedrijventerrein is voldoende ruimte aanwezig voor het maken van infiltratievoorzieningen zoals greppels, wadi's en infiltratiekorven. Waar mogelijk (bij nieuwe situaties) moet hemelwater op eigen terrein afgekoppeld en geïnfiltreerd worden. Van toepassing bij nieuwe bouwplannen.
Meervoudig ruimtegebruik
In voorliggend bestemmingsplan is weinig tot geen ruimte voor het combineren van water met andere functies. In het plangebied is weinig oppervlaktewater aanwezig en van overlast is geen sprake.
Water als kans
Water wordt in voorliggend bestemmingsplan positief bestemd.
Waterschapsbelangen
Het Waterschap Aa en Maas benoemd vijf waterschapsbelangen met een ruimtelijk component:
ruimteclaims voor waterberging;
ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ's en beekherstel;
aanwezigheid en ligging watersysteem;
aanwezigheid en ligging waterkeringen;
aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims voor de afvalwaterketen in beheer van het waterschap.
Het vijfde waterschapsbelang is van toepassing in het plangebied in de vorm van een A-watergang. De A-watergang is opgenomen in de regels en op de verbeelding.
5.3.4 Keur Waterschap
Het Waterschap Aa & Maas heeft op 1 januari 2011 een nieuwe Keur vastgesteld. De keur is een set regels met betrekking tot oppervlaktewater of waterkering in beheer van het waterschap, waarbij onderscheid gemaakt wordt in gedoogplichten, gebodsbepalingen en verbodsbepalingen. Het grondgebied ter plaatse van een watergang of waterkeringen of direct grenzend daaraan kent een
aantal beperkingen. Daarnaast zijn eigenaren en/of gebruikers verplicht een aantal activiteiten en werkzaamheden op hun terrein toe te staan die samen hangen met het beheer en onderhoud van het waterstaatswerk. De waterschapskeuren (Keur oppervlaktewateren en Keur waterkeringen) vormen een aanvulling op hogere regelgeving op landelijk en provinciaal niveau.
Afweging
Om tegenstrijdigheden te voorkomen worden zoveel mogelijk de begrippen en definities uit de Keur gebruikt in het bestemmingsplan.
5.4 Externe veiligheid
De externe veiligheid wordt bepaald door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen (productie, gebruik, opslag en vervoer) in en rond het plangebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele
calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Het Vuurwerkbesluit (2002, herziening 2004) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, 2004) stellen afstandseisen aan risicovolle bedrijfsactiviteiten. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RNVGS, 2004) adviseert bij transportroutes en buisleidingen met gevaarlijke stoffen veiligheidsafstanden aan te houden.
Er wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (oftewel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag
niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.
Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp.
In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen.
5.4.1 Inrichtingen
In het plangebied bevindt zich één risicovolle inrichting, namelijk een LPG-station aan de Kalkhofseweg 41a. Volgens het Bevi wordt hiervoor een afstand van 150 meter aangehouden, echter in de 'Beleidsvisie Externe veiligheid Land van Cuijk' is afgesproken dat rekening wordt gehouden met een afstand van 300 meter. De plaatsgebonden risicocontour betreft een richtwaarde van 45 meter (in bestaande situaties). Voor nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 35 meter.
Binnen de contour van 45 meter liggen (beperkt) kwetsbare objecten. De gemeente kent geen actief saneringsbeleid in deze situaties. Bovendien is hier sprake van een richtwaarde. Aangezien het om bestaande bouw gaat, wordt van de richtwaarde afgeweken.
Ten aanzien van het groepsrisico wijzigt niets. De doorzet van LPG is minder dan 1.000 m3 per jaar, de persoonsdichtheid verandert niet en bovendien ligt dit plan in het buitengebied waardoor er sprake is van een lichte persoonsdichtheid.
Afweging
De plaatsgebonden risicocontour van 45 meter wordt op de verbeelding overgenomen. In de regels worden beperkingen opgenomen voor kwetsbare objecten binnen deze contour.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113008.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113008.png)
Figuur 6: uitsnede Signaleringskaart externe veiligheid Land van Cuijk
5.4.2 Transport van gevaarlijke stoffen
De Oeffeltseweg-Kerkstraat (N264) en de Kalkhofseweg zijn transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Er is geen sprake van een plaatsgebonden risico. Verder is van belang dat er geen overschrijding plaatsvindt van de oriëntatiewaarde. Dit is niet het geval.
Afweging
Het aantal verkeersbewegingen met LPG naar de Kalkhofseweg 41a is dusdanig laag dat het risico te verwaarlozen is. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.5 Erfgoed
In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de EU, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie.
5.5.1 Bewoningsgeschiedenis Cuijk
Het karakter van de bewoningsgeschiedenis van Cuijk vanaf de Romeinse tijd laat zich onderscheiden in de bewoning van het gebied buiten het centrum van Cuijk of 'Het Land van Cuijk' en de bewoning in en rond het centrum van Cuijk of 'Het Hart van Cuijk'. Beide gebieden hebben hun eigen kenmerken waar het gaat om de menselijke bewoning en de zichtbaarheid van en het soort sporen dat de bewoners hebben achtergelaten. Beiden kunnen niet los van elkaar gezien worden. De aanwezigheid van deze landelijke en stedelijke component en de aanwezigheid van de Romeinen in Cuijk maken Cuijk volgens Rijk en Provincie van nationaal en zelfs internationaal belang. Het internationaal belang is vooral gelegen in het feit dat het Castellum Ceuclum tot het einde van de Romeinse Tijd in
functie bleef en dus aansluit op het regiem van de Frankische koningen die de start zijn voor de Middeleeuwen. De plaatsen in Noordwest Europa waar deze aansluiting van perioden bestudeerd kan worden zijn zeer zeldzaam. Op grond van onderzoeken in het Land van Cuijk blijkt dat het Maasdal bij Cuijk een zichtbare, continue bewoningsgeschiedenis kent die al een aanvang nam in het Paleolithicum en sindsdien vrijwel onafgebroken bewoond is gebleven. De aantrekkelijkheid van het Cuijkse landschap door de eeuwen heen hangt samen met de vele gebruiksmogelijkheden die een constant veranderend en vruchtbaar rivierlandschap biedt. De Maas transformeert van een breed vertakt riviersysteem naar een ingesneden rivierdal. De nederzetting Cuijk komt tot ontwikkeling op de plaats waar de landen waterwegen elkaar kruisen.
5.5.2 Archeologisch Beleidsplan Cuijk (2009)
De gemeente Cuijk heeft een bijzonder rijk bodemarchief. Op veel plaatsen zijn archeologische sporen aanwezig of te verwachten vanwege de bewoningsgeschiedenis gedurende de Romeinse tijd, maar ook vanwege nog aanwezige sporen uit de Prehistorie en de vroege en late Middeleeuwen. Het beleidsplan is opgesteld om aan te geven hoe de gemeente hiermee om gaat. Bij het beleidsplan hoort een archeologische beleidskaart. In het beleidsplan is aangegeven hoe in bestemmingsplannen omgegaan dient te worden met archeologie en in de bijlage van het plan zijn voorbeeldregels opgenomen. De voorbeeldregels zijn gekoppeld aan de gebieden van de archeologische beleidskaart.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113009.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113009.png)
Figuur 7: uitsnede archeologische verwachtingskaart
Afweging
Uit de beleidskaart blijkt dat voor bedrijventerrein Straatkant de dubbelbestemming Waarde - archeologie 5 geldt. Voor de gronden met de Waarde - archeologie 5 houdt dit in dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,50 meter bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een rapport dient te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van B&W voldoende zijn vastgesteld. Tevens geldt voor bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunningsplicht.
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' is opgenomen in de regels en op de verbeelding.
5.5.3 Actualisatielijst karakteristieke panden
De gemeenteraad van Cuijk is voornemens over te gaan tot aanwijzing van gemeentelijke
monumenten. Om tot een selectie van gemeentelijke monumenten te komen, is een eerste
inventarisatie van de historische bouwkunst in de gemeente Cuijk noodzakelijk. Burgemeester en
wethouders hebben daartoe op 29 maart 2011 de 'Actualisatie lijst karakteristieke objecten'
vastgesteld. De doelstelling van het project kan als volgt worden geformuleerd:
‘Het uitvoeren van een cultuurhistorische inventarisatie ten behoeve van een actualisatie van de lijst
van karakteristieke objecten van de gemeente Cuijk.’
Actualisatie betekent dat naast het plaatsen van nieuwe objecten op de lijst, het ook mogelijk is dat
objecten uit de bestaande lijst worden afgevoerd omdat zij naar de huidige inzichten niet langer een
status als karakteristiek object behoeven. De geactualiseerde lijst wordt gebruikt bij de opstelling van
bestemmingsplannen voor het grondgebied van de gemeente Cuijk (aanduiding karakteristieke
bebouwing). Objecten (of complexen) die aangewezen zijn als rijksmonument, zijn in het kader van dit
onderzoek niet nader onderzocht. Voor deze elementen is reeds een redengevende beschrijving
aanwezig, is van rijkswege een cultuurhistorische waardering gemaakt en worden deze bij wet
beschermd.
Afweging
In het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Er zijn
volgens de Actualisatie Lijst Karakteristieke Panden geen karakteristieke objecten aanwezig. Dergelijk
objecten zijn niet wettelijk beschermd, maar hebben wel cultuurhistorische waarde waar zorgvuldig
mee omgesprongen moet worden. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.5.4 Monumentale Bomennota gemeente Cuijk 2009-2019
Deze nota stelt de uitgangspunten vast voor het opstellen van een monumentale bomenlijst, dient ter voorkoming van het verstoren van de groeimogelijkheden van de boom en dient om ontwikkelingen tegen te gaan die de standplaatsen van de boom nadelig beïnvloeden. Daarnaast wil de gemeente de ontwikkeling van een duurzame, vitale en herkenbare boombeplanting in de gemeente stimuleren. Ter bescherming van de monumentale bomen, is een lijst opgesteld. De bomen van deze lijst worden vervolgens positief bestemd in de bestemmingsplannen. Hiermee krijgen deze bomen een feitelijke, fysieke en juridische bescherming.
In het bestemmingsplan wordt naast de standplaats van de boom, ook de kwaliteit van de groeiplaats beschermd. De omvang van de groeiplaats betreft de maximaal te bereiken kruindiameter met inbegrip van een extra afstand van 2,00 meter. In de regels van het bestemmingsplan worden deze beschermende bepalingen opgenomen, onder andere door aan te geven dat het verboden is te bouwen binnen deze groeiplaats. Bovendien mogen monumentale bomen niet gekapt worden zonder omgevingsvergunning.
Afweging
In het plangebied komt één monumentale boom voor. Op de verbeelding is deze monumentale boom opgenomen en voorzien van een gebiedsaanduiding ‘monumentale boom’, waardoor de boom en haar groeiplaats beschermd wordt. In de praktijk is gebleken dat het bepalen van de maximale kruindiameter per boom erg moeilijk is. Daarom is gekozen om uit te gaan van een maximaal te bereiken kruindiameter van 20,00 meter, oftewel een straal van 10,00 meter. In de regels wordt de mogelijkheid opgenomen om de groeiplaats te ‘verkleinen’ als aangetoond wordt dat de kruindiameter niet de volle 20,00 meter kan bereiken.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113010.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113010.png)
Figuur 8: Monumentale boom Kalkhofseweg 41
5.6 Flora en fauna
De natuurwetgeving in Nederland kent twee sporen: de soortenbescherming en de gebiedsbescherming. Hiertoe zijn twee wetten actief, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor natuurgebieden en individuele dier- en plantsoorten. Deze gebieden en soorten hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben op een gebied (ver) daarbuiten. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er niet toe leiden dat hierdoor de te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde plant- en diersoorten worden aangetast.
5.6.1 Soortbescherming
In de Flora- en faunawet ziet de wetgever toe op de bescherming van zeldzame plant- en diersoorten en hun leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige beschermde soorten. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Om tegemoet te komen aan de ruimtelijke dynamiek en vernieuwingsprocessen moet geruime tijd van te voren geïnvesteerd worden in een vervangende leefomgeving, zodat die reeds aanwezig is op het moment dat plannen voor een nieuw ruimtebeslag worden gemaakt.
Afweging
Het voorliggende bestemmingsplan heeft grotendeels een beheersmatig karakter. In het algemeen geldt, dat er geen sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Bij de uitvoering van wijzigingsbevoegdheden wordt een onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten verplicht gesteld.
5.6.2 Gebiedsbescherming
In de Natuurbeschermingswet 1998 is de gebiedsbescherming geregeld. De kern van de gebiedsbescherming wordt gevormd door het netwerk van Natura 2000-gebieden die strikt beschermd zijn. De Vogel- en Habitatrichtlijngebieden maken onderdeel uit van de Natura-2000-gebieden. Bij ruimtelijke ingrepen in de nabije omgeving van beschermde gebieden moet worden bepaald in hoeverre de externe werking van de ingreep een effect heeft op het te beschermen gebied.
Afweging
De Sint-Jansberg bij Plasmolen (L) is als Natura-2000-gebied in ontwerp. Gezien de afstand van bijna 6,5 kilometer en de fysieke barrière van de Maas wordt aantasting als gevolg van onderhavig bestemmingsplan niet verwacht. Het Natura-2000-gebied Oeffelter Meent bevindt zich op een afstand van ruim 4,5 kilometer van het plangebied. Vanwege het ontbreken van grootschalige ontwikkelingen in het gebied wordt geen aantasting van de te beschermen gebieden verwacht.
Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.6.3 Ecologische Hoofdstructuur
De Ecologische Hoofdstructuur is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Het netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Ook beheersgebieden behoren ertoe. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in Noord-Brabant sluit aan op die in de rest van Nederland. Natura 2000 gebieden, het Europese netwerk van natuurgebieden, maakt onderdeel uit van de EHS.
De Maas, die grenst aan het plangebied, behoort tot de EHS, evenals de nabij gelegen EHS-gebieden Zevenhutten en Maasheggen. Aantasting of verstoring van de EHS wordt echter niet verwacht. Gebiedsbescherming is hiermee geen belemmering voor het bestemmingsplan.
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113011.jpg [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113011.jpg)
![i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113012.png [image]](i_NL.IMRO.1684.14BPbedrstraatkant-VA01_113012.png)
Figuur 9: uitsnede Verordening Ruimte, kaartlagen, blad 3: Natuur en landschap
Afweging
Het voorliggende bestemmingsplan heeft grotendeels een beheersmatig karakter. In het algemeen geldt dat er geen sprake kan zijn van negatieve effecten op leefgebieden en daarmee op eventueel voorkomende soorten. Er bestaat dan ook geen noodzaak tot een nader ecologisch onderzoek voor het plangebied.
Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.
5.7 Infrastructuur
Kabels en buisleidingen maken onderdeel uit van de infrastructuur in Nederland. Het gaat om het vervoer en de verspreiding van vloeistoffen, gassen en elektriciteit. Vanwege het belang en de mogelijke gevaarzetting van de stoffen en de elektriciteit, moet de aanwezigheid van de kabels en leidingen bekend zijn in ruimtelijke plannen. Kabels, leidingen en straalpaden dienen te worden beschermd tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Aan de andere kant dient de omgeving te worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan.
Afweging
In het plangebied ligt een ondergrondse rioolwatertransportleiding. Deze leiding krijgt vanwege het algemeen belang een beschermingszone van 3,50 meter in de regels.
5.8 Bedrijventerrein
Zonering geldt vooral bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. In bestaande wijken ligt de situatie en daarmee de afstand tussen de bedrijvigheid en de gevoelige bestemmingen vast. De milieuzonering is vastgelegd in de juridische regeling van dit bestemmingsplan.
Afweging
Voor de uitwerking van de milieuzonering is aansluiting gezocht bij de handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering: editie 2009" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: handreiking 2009). Volgens vaste jurisprudentie is milieuzonering noodzakelijk op bestaande bedrijventerreinen. Dit vanwege de mogelijke vestiging van nieuwe bedrijfsactiviteiten en de uitbreiding van de activiteiten van gevestigde bedrijven. Bestaande bedrijven dienen in beginsel altijd zodanig te worden bestemd dat zij duurzaam kunnen blijven functioneren, tenzij sprake is van een milieuknelpunt en bedrijfsbeëindiging is gewaarborgd.
Uitwerking milieuzonering
Het bedrijventerrein Straatkant is als bedrijventerrein niet te vergelijken met de andere bedrijventerreinen in de gemeente Cuijk. Het bedrijventerrein is destijds ontwikkeld voor ondernemers van de kern Haps en gericht op ambachtelijke bedrijvigheid. Het bedrijventerrein vormt geen afzonderlijke 'wijk', maar is opgebouwd uit lintbebouwing en een doodlopende straat. Er zijn intern geen verbindingen aanwezig. In de lintbebouwing langs de Kalkhofseweg wisselen woningen en bedrijven elkaar af. In het vigerende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Straatkant" wordt daarom gesproken van een gebied met 'gemengde functies'.
In het vigerende bestemmingsplan is een milieuzonering opgenomen op basis van een oude editie van de handreiking "Bedrijven en Milieuzonering". De toegestane bedrijfsactiviteiten zijn benoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (hierna: Staat) en opgenomen als bijlage bij de regels. De vigerende milieuzonering is gebaseerd op een 50 meter en een 100 meter contourlijn. Tot de 50 meter contourlijn zijn alleen lichte bedrijfsactiviteiten toegestaan uit categorie 1 en 2, met een grootste afstand van 30 meter tot woonpercelen. Tussen de 50 en 100 meter contourlijn zijn middelzware bedrijfsactiviteiten toegestaan uit categorie 1, 2 en 3, met een grootste afstand van 50 meter. Op een klein gedeelte zijn categorie 3 activiteiten toegestaan met een grootste afstand van 100 meter.
De nieuwe milieuzonering is een voortzetting van de vigerende milieuzonering, met uitzondering van de mogelijkheid om categorie 3.2 activiteiten uit te oefenen (grootste afstand 100 meter). Laatstgenoemde categorie is in het vigerende bestemmingsplan slechts op een klein deel van het bedrijventerrein mogelijk. De gronden zijn niet gebruikt voor een categorie 3.2 activiteit de afgelopen planperiode. Gezien de beperkte oppervlakte, de aanwezigheid van bedrijfs- en burgerwoningen en de mogelijkheden elders op bedrijventerreinen in de gemeente (Cuijk, Haven en RBL), is de categorie 3.2 niet opgenomen in de nieuwe milieuzonering. Dit stemt beter overeen met de gewenste ambachtelijke bedrijvigheid in een gebied met functiemenging.
Op de verbeelding zijn twee zones opgenomen voor activiteiten in de categorieën 1 en 2 (b≤2) en de categorieën 1, 2 en 3.1 (b≤3.1).
Uitwerking Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein
Ten eerste wordt de nieuwe Staat van Bedrijfsactiviteiten vastgesteld, die in de regels zal worden gehanteerd. De Staat 1992 uit het vigerende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Straatkant" is als basis gebruikt. De nieuwe Staat is op de volgende wijze samengesteld:
alle bedrijfsactiviteiten uit de Staat 1992 met een grootste afstand van 100 meter zijn niet overgenomen. Dit zijn activiteiten die in de handreiking 2009 in categorie 3.2 zijn ondergebracht;
de resterende bedrijfsactiviteiten uit de Staat 1992, die in bijlage 1 van de handreiking 2009 in categorie 3.2 of hoger zijn ingedeeld, zijn niet overgenomen;
de resterende bedrijfsactiviteiten die te kenmerken zijn als geluidzoneringsplichtige inrichtingen, Bevi-inrichtingen en vuurwerkbedrijven, zijn niet overgenomen;
de omschrijvingen en SBI-codes van de bedrijfsactiviteiten uit de Staat 1992 zijn omgezet naar de SBI-codes en omschrijvingen van 2009. Hiermee wordt een groot aantal specifiek omschreven activiteiten ondergebracht in meer globale omschrijvingen.
De 'Staat van Bedrijfsactiveiten - bedrijventerrein' is opgenomen als de bijlage van de regels. In de Staat worden bedrijven in de milieucategorieën 1, 2 en 3.1 toegestaan. Bedrijfsactiviteiten die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn aan de Staat, zijn na een nadere afweging toelaatbaar.
Ten tweede zijn de gevestigde bedrijven geïnvesteerd en is gecontroleerd in welke milieucategorie de bedrijfsactiviteiten vallen volgens de nieuwe Staat.
|
adres |
naam |
activiteit |
Staat oud |
Staat nieuw |
|
Horn 1 |
Mengvoeders Lemmers |
groothandel in mengvoeder en agrarische benodigdheden (alleen kantoor) |
2 (30) |
1 (10) |
|
Horn 1 |
Toonen Technische Installaties |
installatiebedrijf |
1 (10) |
2 (30) |
|
Horn 1 |
Agitax BV |
agrarisch en industrieel taxatiebureau |
nee |
1 (10) |
|
Horn 2 |
W.R.M. Janssen |
herstelinrichting motorvoertuigen |
1 (10) |
2 (30) |
|
Horn 4 |
Arts Constructies |
staalconstructie en repareren van landbouwmachines |
3 (100) |
3.2 (100) |
|
Horn 5 |
Maas Mobilehome |
werkplaats/showroom campers |
1 (10) |
2 (30) |
|
Horn 6 |
Atlantic Power Sound |
geluid-, lichttechniek en showequipement |
2 (30) |
2 (30) |
|
Kalkhofseweg 41/41a |
Autobedrijf Van Daal |
herstelinrichting motorvoertuigen, LPG-tankstation (<1.000 m3) |
nee* |
3.1 (50) |
|
Kalkhofseweg 41 b |
Bakkerij Haas BV |
brood- en banketbakkerij (>7.500 kg meel/week) |
3 (50) |
3.2 (100) |
|
Straatkantseweg 4 |
Voegersbedrijf Frans Gerrits |
voegersbedrijf/gevelreiniging |
2 (30) |
2 (30) |
|
Straatkantseweg 8 |
Dakdekkersbedrijf Adriaans BV |
dakdekkersbedrijf |
2 (30) |
3.1 (50) |
|
Straatkantseweg 10 |
Elektrotechnisch Buro Nabuurs BV |
installatiebedrijf |
1 (10 |
2 (30) |
|
Straatkantseweg 12 |
G. en L. VOF Derks |
agrarisch loonwerkbedrijf |
3 (50) |
3.1 (50) |
|
Straatkantseweg 14 |
Th. J. Verstegen |
meubelstoffeerderij/-makerij |
3 (50) |
1 (10) |
* destijds apart opgenomen in doeleindenomschrijving
Ten derde is gecontroleerd of de aanwezige bedrijfsactiviteiten overeenkomen met de voorgenomen milieuzonering. Als een bedrijfsactiviteit in een hogere categorie valt dan de zone waarin het is gelegen, dan wordt dit op de verbeelding weergegeven. De activiteit mag worden voortgezet, maar na beëindiging is de opgenomen milieuzone leidend.
Uit de inventarisatie blijkt dat drie bedrijven afwijken van de voorgenomen milieuzonering. Deze bedrijven worden positief bestemd in voorliggend bestemmingsplan op basis van de volgende motivering:
Horn 4:
de oprichtingsvergunning is verleend op 10 oktober 1995 voor de activiteiten 'Konstructiebedrijf, verwerken van staal tot staalkonstruktie voor bouwwerken, trappen, bordessen, deuren etc. Maken en repareren van landbouwmachines en het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden. Handel in landbouwmachines'. Op 20 maart 2009 is een integrale controle uitgevoerd met als conclusie dat de activiteiten zoals vergund niet zijn gewijzigd. De vergunde activiteiten worden specifiek aangeduid in de regels. Als de activiteiten wijzigen, dan zijn aleen nog activiteiten passend binnen de toegewezen milieuzone toegestaan.
Kalkhofseweg 41/41a:
de oprichtingsvergunning is verleend op 31 januari 1979 voor de activiteiten 'garagebedrijf annex opslag en verkoop van motorbrandstoffen, inclusief LPG'. Het LPG-tankstation was niet eerder in de Staat opgenomen, maar specifiek benoemd in de bestemmingsomschrijving. Op 20 maart 2009 is een integrale controle uitgevoerd met als conclusie dat de activiteiten zoals vergund niet zijn gewijzigd. De vergunde activiteiten worden specifiek aangeduid in de regels. Als de activiteiten wijzigen, dan zijn aleen nog activiteiten passend binnen de toegewezen milieuzone toegestaan.
Kalkhofseweg 41b:
de oprichtingsvergunning is verleend op 30 januari 1980 voor de activiteiten 'brood- en banketbakkerij'. In het vigerende Staat zijn de activiteiten in categorie 3 geplaatst met een grootste afstand van 50 meter. Inmiddels is in editie 2009 van de handreiking de grootste afstand vergoot naar 100 meter en categorie 3.2. De vergunde activiteiten worden specifiek aangeduid in de regels. Als de activiteiten wijzigen, dan zijn aleen nog activiteiten passend binnen de toegewezen milieuzone toegestaan.
5.9 Groen
In het plangebied is aan de noordzijde een groenstrook ingericht. Deze groenstrook dient als visuele barrière tussen het bedrijventerrein en het omliggende agrarische landschap.
Afweging
De groenstrook en haar functie blijft in het bestemmingsplan behouden.
5.10 Verkeer
5.10.1 Vliegbasis Volkel
Voor het veilig afwikkelen van vliegverkeer in de omgeving van een luchtvaartterrein gelden in een bepaald gebied rond het luchtvaartterrein maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten, zoals woon- en kantoorgebouwen, antennemasten, windmolens en bomen. De maximaal toelaatbare hoogtes en de ligging en omvang van het gebied worden bepaald door de ligging van de start- en landingsbanen en berusten op internationale vastgelegde afspraken.
Afweging
Het plangebied valt binnen het obstakelgebied/ aanvlieggebied (funnel) en radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel. Bouwwerken hoger dan 170 meter + NAP vormen een belemmering voor het obstakelgebied/aanvlieggebied, bouwwerken hoger dan 65 meter + NAP vormen een belemmering voor het radarverstoringsgebied.
Het peil in het plangebied is gemiddeld 6 meter + NAP. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen bouwwerken mogelijk die een belemmering kunnen vormen voor vliegbasis Volkel.
In de regels en op de verbeelding wordt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar' opgenomen voor het radarverstoringsgebied. De funnel krijgt de gebiedsaanduiding 'funnel'. In beide gevallen is in de regels een hoogtebeperking opgenomen op verzoek van het ministerie van Defensie.
5.11 Wonen
In het bestemmingsplan zijn meerdere bedrijfs- en burgerwoningen opgenomen. Een woning is een primaire levensbehoefte en de plek waar de mens het grootste deel van zijn tijd doorbrengt. Vanwege het belang van de woonfunctie voor iedereen en het daarbij behorende ruimtebeslag, zijn er relatief veel beleidstukken over dit onderwerp.
5.11.1 Mantelzorgbeleid
De maatschappelijke vraag naar zorg-/woonmogelijkheden is aanleiding geweest tot het opstellen van een uniforme regeling voor het Land van Cuijk voor huisvesting ten behoeve van mantelzorg. De uniforme regeling dient te voorzien in het realiseren van een gevarieerd aanbod van wonen en zorg op
maat, waaronder ook huisvesting dichtbij kinderen, ouders of anderen kan vallen. Door huisvesting ten behoeve van mantelzorg te faciliteren kunnen tal van wederzijdse voordelen worden geboden, zoals de mogelijkheid langer zelfstandig te wonen, het voorkomen van vereenzaming en isolement, hulp in de huishouding van werkende ouders, etc. Het komt dus ook tegemoet aan een sociale (woon)wens.
Onder “mantelzorg” wordt verstaan “het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband”. Om medewerking te kunnen verlenen aan het gebruik van een (vrijstaand) bijgebouw als afhankelijke woonruimte, dient sprake te zijn van mantelzorg als hierboven omschreven. Om te kunnen
bepalen of sprake is van mantelzorg zal advies worden ingewonnen bij een onafhankelijke deskundige instantie. Uit de omschrijving blijkt dat de doelgroep ruim is gesteld en deze verder gaat dan de tot nu toe bekende ouder-kindrelatie. Om te voorkomen dat een woonperceel verwordt tot een (commerciële) opvanggelegenheid, mag per woonperceel maximaal één afhankelijke woonsituatie aanwezig zijn.
Afweging
Het mantelzorgbeleid is algemeen geldend beleid en wordt in elk nieuw bestemmingsplan
juridisch verankerd, zo ook in het voorliggend bestemmingsplan. Voor het beleid zijn standaardregels geschreven die in voorliggend bestemmingsplan in de "Algemene Regels" zijn opgenomen.
5.11.2 Beroep en bedrijf aan huis
In de gemeente Cuijk is in het bestemmingsplan "Bijgebouwenregeling stedelijke gebieden" een regeling opgenomen om beroepen en bedrijven in de woning mogelijk te maken. Het beroep of bedrijf wordt als functie gezien die ondergeschikt is aan het wonen. Het gaat om kleinschalige activiteiten die probleemloos in een woning en een woonomgeving kunnen worden uitgeoefend. Hiervoor wordt een aangepaste lijst van bedrijfsactiviteiten gebruikt, die is opgenomen in de bijlage bij de regels.
Aan het ondergeschikte gebruik zijn voorwaarden verbonden, waaronder een maximale oppervlakte van 50 m². In een aantal gevallen is de oppervlakte in de praktijk groter gebleken. Hiervoor is als uitzondering een aparte aanduiding opgenomen om de grotere oppervlakte vast te leggen.
Afweging
De regeling is opgenomen in de "Algemene regels".
Hoofdstuk 6 Juridische verantwoording
6.1 Algemeen
In dit hoofdstuk worden de verbeelding en de planregels van het bestemmingsplan van een nadere toelichting voorzien. De verbeelding en de planregels zijn opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008) van het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM).
6.2 Toelichting op de verbeelding
Bij dit plan hoort 1 verbeelding die formeel wordt aangeduid als de verbeelding. De verbeelding is eenvoudig opgezet. Dit bevordert de inzichtelijkheid, de handhaafbaarheid en de rechtszekerheid bij de beoordeling van bouwplannen. De verbeelding geeft de gronden van Haps weer. De bestemmingen van deze gronden zijn (deels met nadere aanduidingen) op de verbeelding opgenomen. Bij de verbeelding horen een legenda, een overzichtsvenster en een transfer.
6.2.1 Legenda
In de legenda zijn de verbeelding van het plangebied, de bestemmingen, de aanduidingen en de verklaringen opgenomen. Het plangebied omvat de gronden die onderwerp zijn van voorliggend bestemmingsplan. Met de bestemmingen wordt het gebruik van de gronden vastgelegd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enkel-, dubbel-, voorlopige en uit te werken bestemmingen. In het geval van bijzondere of afwijkende gebruiksituaties worden aanduidingen gebruikt. Het gaat om gebieds-, functie-, bouw- en maatvoeringsaanduidingen, aangevuld met bouwvlakken en figuren. In de verklaring staan tenslotte de onderdelen van de verbeelding die geen juridische grondslag hebben. Ze worden gebruikt om de verbeelding makkelijker leesbaar te maken, door bijvoorbeeld een topgrafische ondergrond toe te voegen.
6.2.2 Overzichtsvenster
Het overzichtsvenster plaatst het plangebied in de directe omgeving. Bij meerdere verbeeldingen is een overzichtsvenster verplicht.
6.2.3 Transfer
In de transfer staat algemene informatie over het bestemmingsplan, zoals de naam, de status en de schaal.
6.3 Toelichting op de regels
De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en aanduidingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden, en hoe en wat er gebouwd kan, of mag worden. Bij de opzet van de planregels is getracht het aantal regels zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen, wat werkelijk noodzakelijk is.
De planregels zijn altijd onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:
inleidende regels;
bestemmingsregels;
algemene regels;
overgangs- en slotregels.
6.3.1 Inleidende regels
De inleidende regels omvatten de gebruikte begripsomschrijvingen en afkortingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). Voor zover van toepassing zijn de regels uit de SVBP2008 overgenomen. Ter versterking van de uniformiteit wordt in de begripsomschrijvingen zoveel mogelijk aangesloten bij andere regelgeving.
6.3.2 Bestemmingsregels
In de bestemmingsregels zijn de regels voor de verschillende bestemmingen omschreven. Elke bestemming is, overeenkomstig de SVBP2008 in beginsel opgebouwd uit:
bestemmingsomschrijving;
bouwregels;
nadere eisen;
afwijking van de bouwregels;
specifieke gebruiksregels;
afwijking van de gebruiksregels;
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden;
omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
wijzigingsbevoegdheid.
Het komt vaak voor dat niet alle onderdelen zijn gebruikt in een bestemming. In onderstaand overzicht zijn de gebruikte (dubbel)bestemmingen in dit bestemmingsplan opgenomen. De juridische maatregelen die in de hoofdstukken 3 en 4 naar voren zijn gekomen, worden verder toegelicht.
Bouwvlakken, aanduidingen en figuren
Bouwvlak
Bij het intekenen van de bouwvlakken zijn de bouwvlakken uit de vigerende bestemmingsplannen leidend. Het bouwvlak geeft de locatie aan waarbinnen bebouwing (hoofdgebouw en bijbehorende bebouwing) mag worden opgericht. In de meeste bestemmingen is een groot bouwvlak opgenomen met nadere beperkingen in de bouwregels. In de bestemming 'Wonen' is gekozen voor een kleiner bouwvlak waarbinnen het hoofdgebouw (de woning) moet worden opgericht. De bijbehorende bouwwerken mogen wel buiten het bouwvlak worden gebouwd.
Rekening houdend met de vigerende bouwvlakken krijgen vrijstaande zoveel mogelijk een eigen bouwvlak met een diepte van 15,00 m, tenzij deze diepte om ruimtelijke redenen niet acceptabel wordt geacht. De algemene gemeentelijke richtlijn daarbij is een vrije ruimte van 8,00 meter tussen het bouwvlak en de achterste perceelsgrens. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens is minimaal 3,00 m of minder als de oorspronkelijk zijgevel binnen 3,00 m van de zijdelingse perceelsgrens ligt.
Aanduidingen
Op de verbeelding kunnen aanduidingen gebruikt worden om maatwerk te leveren op perceelsniveau. Het gaat om functie-, bouwvlak-, bouw- en maatvoeringsaanduidingen zoals beschreven in de SVBP2008. Het gaat bijvoorbeeld om de functieaanduiding 'bedrijfswoning (bw)' en de bouwaanduiding 'vrijstaand [vrij]'.
Figuren
Op de verbeelding kan een figuur worden gebruikt om een bepaalde regel te verduidelijken of een relatie te leggen. De te gebruiken figuren zijn vastgelegd in het SVBP2008. Het gaat bijvoorbeeld om het figuur 'hartlijn leiding - riool'.
Enkelbestemmingen
Agrarisch
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen. Binnen het plangebied liggen alleen agrarische gronden zonder agrarisch bouwblok.
Bedrijventerrein
De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten, zoals opgenomen in bijlage 2 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein'. Op het bedrijventerrein is een milieuzonering van toepassing met lichte bedrijfsactiviteiten nabij de burgerwoningen en licht- tot middelzware op grotere afstand. Het gaat in hoofdzaak om bedrijvigheid van categorie 1, 2 en 3.1 met de aanduidingen 'bedrijf tot en met categorie 2 (b≤2)' en 'bedrijf tot en met categorie 3.1 (b≤3.1)).In het plangebied zijn drie bedrijven gelegen met een categorie hoger dan is toegestaan volgens de zonering. Twee bedrijven zijn specifiek aangeduid met 'specifieke vorm van bedrijf 1/2 ((sb-1)(sb-2))'. Het derde bedrijf, het benzinestation met LPG, is aangeduid met 'verkooppunt motorbrandstoffen met LPG (vml)' en beschreven in de bestemmingsomschrijving. Het vulpunt voor LPG is op de verbeelding weergegeven als 'vulpunt (vu)' en is het middelpunt van de gebiedsaanduiding 'veiligheidzone - LPG' (45 meter).
Een bedrijf dat woonunits en campers verhuurt en verkoopt, is bestemd met de aanduiding 'detailhandel (dh)'. Het rioolgemaal en enkele kleine nutsgebouwtjes hebben de aanduiding ‘nutsvoorziening (nv)’ gekregen. Daar waar de aanduiding ‘bedrijfswoning (bw)’ is opgenomen is de bestaande bedrijfswoning toegestaan.
De 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein' kan geheel of gedeeltelijk worden gewijzigd, indien technologische ontwikkelingen of milieuhygiënische inzichten hiertoe aanleiding geven.
Groen
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen met een visueel afschermende functie en een natuurfunctie in de noordelijke groenstrook. De groenstrook mag alleen gerooid of geveld worden met een omgevingsvergunning.
Verkeer
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor de geleiding, beveiliging en regeling van verkeersbewegingen, de ontsluiting van aanliggende percelen en parkeren.
Water
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor de regulering van het aanwezige watersysteem en natuurontwikkeling. Bestaande waterlopen, waterpartijen (al dan niet overkluisd) en oevers, zijn bestemd tot water.
Wonen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het verblijven één huishouden in een hoofdverblijf: de woning. De woningen zijn afzonderlijk aangeduid als 'vrijstaand [vrij]'. Het bestaande aantal woningen per bouwvlak is toegestaan, met als peildatum de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.
Dubbelbestemmingen
Leiding - Riool
De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van ondergrondse rioolwatertransportleiding(en) met bijbehorende belemmeringenzone met een breedte van 3,50 meter, gemeten vanuit het hart van de leiding. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
In de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' is het figuur 'hartlijn leiding - riool' opgenomen. Dit is gedaan om duidelijk te maken dat vanaf deze hartlijn gemeten moet worden.
Voor werken en werkzaamheden die het functioneren van de leiding in gevaar kunnen brengen is een plicht tot omgevingsvergunning opgenomen. Zonder omgevingsvergunning zijn deze activiteiten verboden.
Het bestemmingsplan kan gewijzigd worden door de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, of door aan gronden alsnog de dubbelbestemming toe te kennen. Op deze wijze is het mogelijk aanpassingen, zoals verleggen, door te voeren.
Waarde - Archeologie 5
De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archologische waarden van de gronden. Onder andere dient voor het bouwen de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,50 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
Het bestemmingsplan kan gewijzigd worden door de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie 5' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, of door aan gronden alsnog de dubbelbestemming toe te kennen. Op deze wijze is het mogelijk nieuwe inzichten planologisch vast te leggen.
6.3.3 Algemene regels
De algemene regels bevatten verplicht de anti-dubbeltelbepaling en kunnen algemene bouwregels, gebruiksregels, aanduidingsregels, afwijkingsregels, wijzigingsregels, procedureregels en overige regels bevatten. De algemene regels worden hier nader toegelicht.
Anti-dubbeltelbepaling
In het Bro is een standaard opgenomen voor de anti-dubbeltelregel. Met deze regel wordt voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. In het verleden werd nog wel eens een extra (bouw)perceel of gedeelte daarvan verworven om meer bouwmogelijkheden te krijgen. Bijvoorbeeld bij een regel dat een groter bouwperceel recht geeft op een groter oppervlakte aan bijgebouwen. Na het verkrijgen van de omgevingsvergunning werd de grond weer afgestoten. Gevolg: meer bouwwerken op een perceel dan feitelijk bedoeld was.
De anti-dubbeltelregel voorkomt dit door te verbieden dat nieuw verworven (bouw)percelen in de berekening worden meegenomen als deze al eerder bij een omgevingsvergunning zijn betrokken.
Algemene bouwregels
De algemene bouwregels zijn een aanvulling op de specifieke bouwregels van de diverse bestemmingen. Het gaat bijvoorbeeld om de omgang met bestaande maten, het toestaan van ondergeschikte bouwdelen en ondergronds bouwen.
Algemene gebruiksregels
In de Wro is in artikel 7.10 lid 1 een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. In beginsel is de bestemmingsomschrijving van de betreffende bestemming bepalend. In de algemene gebruiksregels worden vaak algemene verboden opgenomen. Er zijn ook regels opgenomen die voor meerdere bestemmingen gelden, zoals mantelzorg en aan-huis-verbonden-beroepen of -bedrijven.
Algemene aanduidingsregels
In dit artikel kunnen regels worden opgenomen die algemeen van toepassing zijn op het bestemmingsplan. Het gaat om gebiedsaanduidingen zoals beschreven in de SVBP2008. De gebiedsaanduidingen worden gebruikt voor situaties die in meerdere bestemmingen voorkomen. Het gaat bijvoorbeeld om de gebiedsaanduiding 'monumentale boom'. De te beschermen groeiplaats van de boom kan deels in de bestemming 'Verkeer" liggen en deelsl in de bestemming 'Groen'. De gebiedsaanduidingsregel is dan aanvullend op beide bestemmingen.
Gebiedsaanduiding 'dassencorridor'
Ter bescherming van het leefgebied en met de name de mogelijkheid tot foerageren is de gebiedsaanduiding 'dassencorridor' opgenomen. De dassencorridor geldt alleen ter plaatse van de agrarische gronden in het plangebied.
Gebiedsaanduiding "monumentale boom"
Ter bescherming van de groeiplaats van de monumentale boom is de gebiedsaanduiding 'monumentale boom' opgenomen. De bescherming is gericht op het wortelstelsel en de bladerkroon en biedt aan beide voldoende ruimte om volledig uit te groeien. Het oprichten van bebouwing is daarom beperkt in de groeiplaatsen.
Gebiedsaanduiding “veiligheidzone - LPG"
Het vulpunt voor LPG is op de verbeelding weergegeven als 'vulpunt (vu)' en is het middelpunt van de gebiedsaanduiding 'veiligheidzone - LPG' (45 meter).
Gebiedsaanduidingen "vrijwaringszone - radar" en "funnel"
In de regels en op de verbeelding worden de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - radar' en 'funnel' opgenomen voor het radarverstoringsgebied, respectievelijk de funnel.
Algemene afwijkingsregels
Met algemene afwijkingsregels wordt aan het bestemmingsplan flexibiliteit meegegeven. De algemene afwijkingsregels kunnen, voor zover van toepassing, voor elke bestemming worden gebruikt. Het gaat meestal om kleine afwijkingen van de regels. Een veel voorkomende afwijking maakt het mogelijk maximaal 10% af te wijken van de voorgeschreven bouwregels.
De algemene afwijkingsregels mogen alleen gebruikt worden indien er geen afwijking in de bestemmingsregels is opgenomen. Dit betekent dat niet tweemaal mag worden afgeweken van dezelfde bestemmingsregel. De specifieke en algemene afwijkingen mogen niet cumulatief worden gebruikt voor hetzelfde onderdeel.
Algemene wijzigingsregels
Met algemene wijzigingsregels wordt aan het bestemmingsplan flexibiliteit meegegeven. Net als bij de algemene afwijkingsregels zijn de algemene wijzigingen in meerdere bestemmingen toepasbaar. Met een wijziging kan een deel van het bestemmingsplan worden vervangen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een kleine aanpassing van bestemmingsgrenzen of het vernieuwen van de lijst van bedrijfsactiviteiten.
Algemene procedureregels
In dit artikel is opgenomen, voor zover van toepassing, de procedure voor het opleggen van nadere eisen. De nadere eisen maken geen onderdeel uit van de omgevingsvergunning en kennen een eigen, vrij in te vullen, procedure op basis van de Wet ruimtelijke ordening. De opgenomen procedure biedt de mogelijkheid om binnen de termijn van een reguliere omgevingsvergunning een besluit over de nadere eisen te nemen.
Overige regels
In dit artikel worden regels geplaatst die niet onder een andere regel zijn te vatten. Het gaat bijvoorbeeld om de uitsluiting van de aanvullende werking van de bouwverordening en de voorrangsregels bij dubbelbestemmingen.
6.3.4 Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 is het wettelijk voorgeschreven overgangsrecht opgenomen en de slotregel. In het Bro zijn standaardregels opgenomen voor het overgangsrecht van bouwwerken en voor gebruik. De teksten uit het Bro zijn in het bestemmingsplan letterlijk overgenomen. In vrijwel alle bestemmingsplannen worden zoveel mogelijk gronden en bouwwerken positief bestemd, dus volgens het feitelijke gebruik. Het overgangsrecht is slechts in enkele gevallen aan de orde.
Legale bouwwerken (met omgevingsvergunning) die bestaan op het moment van tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan, mogen gedeeltelijk of geheel worden vernieuwd of veranderd. Ook mogen bouwwerken na een calamiteit worden herbouwd, op voorwaarde dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd binnen twee jaar na de calamiteit. Een calamiteit wordt uitgelegd als een (natuur)ramp of een niet-verwachte gebeurtenis die in korte tijd ernstige schade kan veroorzaken.
Het overgangsrecht geldt dus voor bouwwerken die legaal zijn opgericht, maar in het ontwerpbestemmingsplan een nieuwe, afwijkende bestemming hebben gekregen. Als een dergelijk bouwwerk wordt gesloopt, dan vervallen alle bouwrechten van dat bouwwerk (calamiteit uitgezonderd). Alleen de bouwregels van de nieuwe bestemming gelden dan nog. Dit is een zogenaamde ‘uitsterfconstructie’ voor ongewenste bouwwerken. Een illegaal bouwwerk (zonder omgevingsvergunning) valt niet onder het overgangsrecht.
Legaal gebruik (oude bestemmingsplan) van gronden en het gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan mag worden voortgezet. Het kan zijn dat een nieuwe, afwijkende bestemming is toegekend aan een perceel. In dat geval mag het daar aanwezige gebruik worden voortgezet, mits dit volgens het oude bestemmingsplan was toegestaan. In uitzonderlijke gevallen wordt het oude gebruik gekoppeld aan een persoon: stopt de persoon met het gebruik, dan vervalt het gebruik.
Het gebruik mag niet gewijzigd worden, tenzij het meer in overeenstemming wordt gebracht met de nieuwe bestemming. Als het gebruik vallend onder het overgangsrecht geruime tijd wordt gestaakt, dan vervallen de rechten op dit overgangsrecht. Er wordt dan geredeneerd dat het gebruik niet langer nodig is, ook als het eerdere gebruik na een tijd weer wordt opgepakt. Illegaal gebruik (strijd met oude bestemmingsplan) valt niet onder het overgangsrecht.
In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald in een omgevingsvergunning.De slotregel is voorgeschreven in het SVBP2008.
Hoofdstuk 7 Handhaafbaarheid
De gemeente Cuijk heeft haar beleid ten aanzien van toezicht en controle op regelgeving vastgelegd in het ‘Integraal Handhavingsbeleidsplan 2011-2014’. Het handhavingsbeleid moet leiden tot gemeentebrede, gestructureerde en integrale handhaving. Het betreft een beleidscyclus, waarbij de monitoring van de uitvoering van de handhaving kan leiden tot bijstelling van het beleid. Het beleidsplan initieert een lerende organisatie, waarbij de kwaliteit van de handhaving toeneemt en de uitvoering van de handhaving steeds efficiënter wordt.
Bij handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen preventieve en repressieve handhaving. Onder preventieve handhaving wordt in eerste instantie verstaan: het houden van toezicht. Daarnaast is ook goede informatievoorziening en gerichte voorlichting aan de burger van belang. De kwaliteit van verleende vergunningen staat voorop.
Daarnaast dient ook aandacht besteed te worden aan de actualiteit en de handhaafbaarheid van verordeningen, vergunningen en bestemmingsplannen. Indien wordt afgeweken van geldende regelgeving en er dus sprake is van illegale activiteit(en) zal repressieve handhaving worden toegepast. Dit kan bestuursrechtelijk, strafrechtelijk of privaatrechtelijk van aard zijn.
In het geldende handhavingsbeleidsplan zijn, op basis van een uitgevoerde risicoanalyse, voor alle gemeentelijke handhavingstaken met betrekking tot de fysieke leefomgeving prioriteiten gesteld.
In het handhavingsbeleidsplan wordt nader ingegaan op de verschillende vormen van handhaving (nalevingsstrategie, preventiestrategie). Er zijn ook beleidsregels ten aanzien van gedogen opgenomen in het plan. Dit bestemmingsplan biedt juridisch-planologische kaders waaraan kan worden getoetst.
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid
8.1 Algemeen
Een bestemmingsplan moet economisch uitvoerbaar zijn tijdens de planperiode. Hierbij dient naast de economische uitvoerbaarheid vanuit de gemeentebegroting bezien, ook aandacht besteed te worden aan de economische uitvoerbaarheid van bestemmingen die gerealiseerd worden door particulieren en bedrijven.
8.2 Planschade
De regeling omtrent de tegemoetkoming in de planschade is geregeld in afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In artikel 6.1 Wro is bepaald dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van onder anderen:
een bepaling van een bestemmingsplan, inpassingsplan of beheersverordening;
een bepaling van planwijziging of een planuitwerking, onderscheidenlijk een ontheffing of nadere eis;
een projectbesluit, tijdelijke afwijking, buitenplanse afwijking;
op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins verzekerd is.
Artikel 6.4a Wro regelt dat gemeenten een overeenkomst kunnen sluiten met de verzoeker van de planologische aanpassing dat de planschade die voor tegemoetkoming in aanmerking voor zijn rekening komt.
Afweging
Op een aantal plaatsen is bedrijvigheid uit milieucategorie 3.2 niet langer toegestaan. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het is niet noodzakelijk een planschaderisicoanalyse uit te voeren. In de regels van dit plan is rekening ermee gehouden dat bestaande bouw-/uitbreidingsmogelijkheden gerespecteerd worden.
Hoofdstuk 9 Procedure
9.1 Inspraak en vooroverleg
Ingevolge de Inspraakverordening Cuijk 1995 heeft het voorontwerpbestemmingsplan "Bedrijventerrein Straatkant" met ingang van 16 juni 2005 gedurende vier weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn zijn geen inspraakreacties ingekomen.
In het kader van het vooroverleg is het voorontwerp-bestemmingsplan toegezonden aan:
de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant te ’s Hertogenbosch;
de Inspecteur van de Ruimtelijke Ordening-Zuid te Eindhoven;
het Waterschap Aa en Maas te ’s Hertogenbosch.
Het verslag van het vooroverleg is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd.
9.2 Zienswijzen
Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerp-bestemmingsplan “Bedrijventerrein Straatkant” met ingang van 9 mei 2012 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de inzagetermijn is aan een ieder de mogelijk geboden een mondelinge of schriftelijke zienswijze omtrent het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Gedurende de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn zes zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn nader overwogen in het het vaststellingsbesluit dat is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. Het betreft de volgende aanpassingen:
In de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden loonbedrijven met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 500 m² opgenomen.
Ter plaatse van Horn 1 t/m 6 wordt de goothoogte bij rechte verhoogd naar 8,5 meter.
Ter plaatse van Straatkantseweg 12 en 14 wordt de zonegrens tussen de milieucategorieën 2 en 3.1 afgestemd op de inrichtingsgrens.
De plangrens sluit niet overal aan op de plangrens van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’. Hierdoor ontstaan ongewenst stroken waar de oude bestemmingsplannen blijven gelden. Het betreft vrijwel overal de toevoeging van de bestemming ‘Verkeer’ en heeft verder geen inhoudelijke gevolgen.
Het bestemmingsplan is ambtshalve gewijzigd op de volgende onderdelen:
de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ is verwijderd naar aanleiding van een opmerking van het Waterschap Aa en Maas. Ter plaatse van de dubbelbestemming is geen rioolleiding aanwezig die extra bescherming behoeft;
de bedrijfswoning ter plaatse van Straatkantseweg 14 was te klein ingetekend: dit is hersteld;
ondergeschikte aanpassingen aan teksten, lay-out en stijl, waarbij de inhoud niet wordt aangepast.
Bijlage bij de toelichting
Eindverslag vooroverleg en inspraakprocedure betreffende het voorontwerpbestemmingsplan “Bedrijventerrein Straatkant”.
Vaststellingsbesluit gemeenteraad