Artikel 13 Algemene aanduidingsregels
13.1 veiligheidszone - lpg
13.1.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - LPG' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de nabijheid van een vulpunt voor LPG. Het is niet toegestaan om ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - LPG':
nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten in gebruik te nemen;
nieuwe activiteiten te ontplooiien die kunnen leiden tot een verhoogd risico, zoals het gebruik van bovengrondse installaties en opslagtanks voor brandbare, explosieve en giftige stoffen.
13.1.2 Bouwregels
Het is ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - LPG' niet toegestaan om:
nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten te bouwen;
objecten te plaatsen die kunnen leiden tot een verhoogd risico, zoals bovengrondse installaties en opslagtanks voor brandbare, explosieve en giftige stoffen.
13.1.3 Afwijking van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.1.2 en toestaan dat een kwetsbaar- of beperkt kwetsbaar object wordt gebouwd, onder voorwaarde dat:
het een LPG-installatie betreft met een doorzet van maximaal 500 m³/jaar;
het kwetsbare- of beperkt kwestbare object voldoet aan de van toepassing zijnde regels van hoofdstuk 2;
voldaan is aan de eisen van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
13.1.4 Afwijking van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.1.1 en toestaan dat een object wordt gebruikt voor kwetsbare- of beperkt kwetsbare activiteiten, onder voorwaarde dat:
het een LPG-installatie betreft met een doorzet van maximaal 500 m³/jaar;
het kwetsbare- of beperkt kwestbare gebruik voldoet aan de van toepassing zijnde regels van hoofdstuk 2;
voldaan is aan de eisen van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
13.1.5 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1 bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - LPG' geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, onder voorwaarde dat het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een LPG-installatie definitief is beëindigd.
13.2 vrijwaringszone - radar
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar' geldt, in aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 2, een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, voor een hogere bebouwing dan 65 m boven NAP, in verband met het obstakelvrij kunnen functioneren van een radarinstallatie voor vliegbewegingen.
13.3 dassencorridor
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘dassencorridor’ is het niet toegestaan hekwerken te bouwen die de doorgang van dassen beperken.
13.4 funnel
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'funnel' geldt, in aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 2, ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak met zijkanten een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, voor een hogere bebouwing dan 150 m boven NAP, in verband met het beschermingsgebied van een in- en uitvliegfunnel voor vliegtuigen.
13.5 monumentale boom
13.5.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'monumentale boom' zijn de gronden, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor de bescherming cq. instandhouding van de groeiplaats(en) van (potentieel) monumentale bo(o)m(en).
13.5.2 Bouwregels
Het is ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'monumentale boom' verboden om bouwwerken te bouwen, met uitzondering van:
de herbouw van bestaande bouwwerken;
de realisering van hekwerken waarvan de bouwhoogte maximaal 2 m mag zijn.
13.5.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.5.2 en toestaan dat een nieuw bouwwerk wordt gebouwd, onder voorwaarde dat:
aangetoond is dat door het bouwen en/of het gebruik van de gronden de groeiplaats(en), conditie, levensverwachting en (beeld)kwaliteit van de bo(o)m(en) niet wordt aangetast;
het bevoegd gezag kan desgewenst een Bomeneffectenanalyse verlangen, waaruit moet blijken dat de bouw en de werken en/of werkzaamheden behorende bij de bouw, niet tot onevenredige aantasting leiden van de levensvatbaarheid en de ruimtelijke, monumentale of ecologische betekenis van de bo(o)m(en) en bijbehorende groeiplaats(en);
de regels van de ter plaatse geldende bestemming(en) onverkort van toepassing worden verklaard.
13.5.4 Specifieke gebruiksregels
Onder een gebruik strijdig met de gebiedsaanduiding ‘monumentale boom’ wordt in ieder geval verstaan:
het bevestigen van voorwerpen aan of in de betreffende monumentale boom;
het plaatsen van schaftketen, toiletten, betonmolens of andere voertuigen, machines of bouwsels binnen de groeiplaats van de betreffende monumentale boom.
13.5.5 Afwijken van specifieke gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.5.4 en toestaan dat de gronden en bouwwerken overeenkomstig deze regels worden gebruikt, onder voorwaarde dat deze werken niet tot onevenredige aantasting leiden van de conditie, levensvatbaarheid en de ruimtelijke, monumentale of ecologische betekenis van de bo(o)m(en) en bijbehorende groeiplaats(en).
13.5.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
Het is ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'monumentale boom' verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
het verlagen, ophogen of egaliseren van het maaiveld;
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,50 m, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen en ontginnen, alsmede het aanleggen van drainage; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel het aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
het wijzigen van de grondwaterstand door bevloeiing, (bron)bemaling, drainage of op andere wijze;
het opslaan van goederen waaronder ook inbegrepen het opslaan van afvalstoffen.
Het verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden welke:
het normale onderhoud en/of gebruik betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden;
reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
Het verlenen van de omgevingsvergunning is alleen toelaatbaar, onder voorwaarde dat de werken en werkzaamheden niet tot onevenredige aantasting leiden van de conditie, levensvatbaarheid en de ruimtelijke, monumentale of ecologische betekenis van de bo(o)m(en) en bijbehorende groeiplaats(en).
13.5.7 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.3 bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat de gebiedsaanduiding 'monumentale boom' geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, in het geval dat:
de levensverwachting van de monumentale bo(o)m(en) door ziekte of ouderdom minder dan 10 jaar is;
de bescherming van de monumentale bo(o)m(en) niet langer noodzakelijk is, omdat de bo(o)m(en) wordt verplaatst;
zwaarwegende maatschappelijke belangen dit vergen.