Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

 

 

 

Artikel 3 Agrarisch

 

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende agrarische voorzieningen;

 

en medebestemd voor:

  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  2. groenvoorzieningen in de vorm van (erf)beplanting(en);

  3. paden, wegen en verkeersvoorzieningen;

  4. nutsvoorzieningen;

  5. extensief recreatief medegebruik;

 

en de bij het gebruik behorende bouwwerken geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.

 

3.2 Bouwregels

 

3.2.1 Gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

 

3.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat:

  1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan;

  2. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal 3 m mag zijn, met uitzondering van:

    1. erf- en terreinafscheidingen en veekeringen, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 m mag zijn;

    2. kleinschalige voorzieningen ten behoeve van beheer of extensief recreatief medegebruik, waarvan de bouwhoogte en de oppervlakte maximaal 4 m, respectievelijk 20 m² mag zijn;

    3. kadaverkoelingen, gastanks en versomaten, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 m mag zijn;

    4. bouwwerken ten behoeve van ooievaarsnesten, waarvan de bouwhoogte maximaal 7 m mag zijn.

 

3.3 Afwijking van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1

  1. voor het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak, onder voorwaarde dat de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden niet onevenredig worden aangetast;

  2. voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een hogere bouwhoogte tot 6 m;

  3. voor het bouwen van kleinschalige voorzieningen ten behoeve van beheer of extensief recreatief medegebruik met een hogere hoogte tot 8 m en/of een grotere oppervlakte tot 30 m².

 

3.4 Specifieke gebruiksregels

 

3.4.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:

  1. de uitoefening van nevenfuncties en/of verbrede landbouw;

  2. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor zover deze geen bouwwerken zijn.

 

3.5 Afwijking van de gebruikregels

Het bevoegd gezag kan, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 voor het gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor zover deze geen bouwwerken zijn, onder voorwaarde dat de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden niet onevenredig worden aangetast.

 

 

Artikel 4 Bedrijventerrein

 

 

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijfsmatige activiteiten, onder voorwaarde dat:

    1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' alleen bedrijven en bedrijvigheid zijn toegestaan uit de categorieën 1 en 2, zoals opgenomen in bijlage 2 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein' van de regels;

    2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' alleen bedrijven en bedrijvigheid zijn toegestaan uit de categorieën 1, 2 en 3.1, zoals opgenomen in bijlage 2 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein' van de regels;

 

in afwijking van lid a. geldt dat:

  1. alleen ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met LPG' een verkooppunt voor motorbrandstoffen en LPG met een maximale doorzet van 1.000 m3 per jaar is toegestaan vallend in maximaal categorie 3.1, zoals opgenomen in bijlage 2 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein' van de regels;

  2. alleen ter plaatse van de aanduiding 'vulpunt LPG' een vulpunt voor LPG is toegestaan;

  3. alleen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-1' een constructiewerkplaats is toegestaan vallend in maximaal categorie 3.2, zoals opgenomen in bijlage 2 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein' van de regels;

  4. alleen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-2' een brood- en banketbakkerij is toegestaan vallend in maximaal categorie 3.2, zoals opgenomen in de bedrijvenlijst in bijlage 2 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein' van de regels;

  5. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' alleen nutsvoorzieningen zijn toegestaan;

  6. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' ook detailhandel in volumineuze goederen is toegestaan als hoofdactiviteit;

  7. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' ook het wonen in een bedrijfswoning is toegestaan, onder voorwaarde dat:

    1. de bedrijfswoning als bedrijfsgebouw onderdeel uitmaakt van de bedrijfsbebouwing;

    2. na bedrijfsbeëindiging mag de bedrijfswoning als één woning bewoond blijven en worden de voormalige bedrijfsgebouwen als bijbehorende bouwwerken beschouwd;

  8. het niet is toegestaan om het voorerf te gebruiken als opslag- of werkterrein;

  9. het niet is toegestaan om meer dan één bedrijf in een bouwvlak te vestigen;

 

en medebestemd voor:

  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  2. groenvoorzieningen;

  3. nutsvoorzieningen;

 

en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.

 

4.2 Bouwregels

 

4.2.1 Bouwperceel

Het bebouwingspercentage van een bouwperceel mag maximaal 60% zijn.

 

4.2.2 Gebouwen

Het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken is toegestaan, onder voorwaarde dat:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' moet worden gebouwd;

  2. de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 3 m moet zijn;

  3. de goothoogte maximaal 4,50 m mag zijn, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' waar de weergegeven goothoogte maximaal is toegestaan;

  4. de bouwhoogte maximaal 8,50 m mag zijn.

 

4.2.3 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat:

  1. de bouwhoogte op het voorerf maximaal 1 m mag zijn, met uitzondering van:

    1. verlichtingsarmaturen voor het bedrijfsgedeelte, vlaggenmasten, antennes en vergelijkbare constructies waarvan de bouwhoogte maximaal 6 m mag zijn;

    2. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen en LPG' mag de bouwhoogte maximaal 5 m zijn.

  2. de bouwhoogte op het achtererf maximaal 4,50 m mag zijn, met uitzondering van:

    1. erf- en bouwperceelsafscheidingen waarvan de bouwhoogte maximaal 2 m mag zijn;

    2. verlichtingsarmaturen voor het bedrijfsgedeelte, vlaggenmasten, antennes en vergelijkbare constructies waarvan de bouwhoogte maximaal 6 m mag zijn;

    3. industriële procestorens en silo's waarvan de bouwhoogte maximaal 15 m mag zijn,onder voorwaarde dat het gezamenlijk oppervlak maximaal 5% van het bouwperceel is.

 

4.2.4 Aanduidingen

In afwijking van lid 4.2.1 geldt dat ter plaatse van:

  1. de aanduiding 'nutsvoorziening':

    1. de goothoogte van een gebouw maximaal 3 m mag zijn;

    2. de bouwhoogte van een gebouw maximaal 5 m mag zijn.

    3. de bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde maximaal 2 m mag zijn.

 

  1. de aanduiding 'bedrijfswoning':

    1. maximaal één bedrijfswoning aanwezig mag zijn;

    2. de inhoud maximaal 750 m³ mag zijn;

    3. de maximale goot- en bouwhoogte voor een aangebouwde en inpandige bedrijfswoning gelijk is aan het bepaalde in lid 4.2.1;

    4. de bouwhoogte van een vrijstaande bedrijfswoning maximaal 9 m mag zijn;

    5. de goothoogte van een vrijstaande bedrijfswoning maximaal 4,50 m mag zijn;

    6. de dakhelling van een vrijstaande bedrijfswoning minimaal 30° moet zijn en maximaal 50° mag zijn;

 

  1. bij een vrijstaande bedrijfswoning mogen bijbehorende bouwwerken en overkappingen worden gebouwd, onder algemene voorwaarden dat:

    1. de afstand tot de voorgevel van de bedrijfswoning minimaal 3 m moet zijn;

    2. de bouwhoogte van overkappingen maximaal 3 m mag zijn;

    3. de gezamenlijke oppervlakte maximaal 60 m² zijn, onder voorwaarde dat:

      1. een functionele uitbreiding van een hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ niet wordt meegerekend bij de gezamenlijke oppervlakte;

      2. de gezamenlijke oppervlakte van het achtererf, exclusief het hoofdgebouw voor zover gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', voor maximaal 50% mag worden bebouwd;

      3. indien de gezamenlijke oppervlakte van het achtererf, exclusief de bedrijfswoning, groter is dan 120 m², de norm van 60 m² verhoogd mag worden met 10% van het meerdere tot een maximum van 90 m², onverlet het bepaalde onder 2.;

 

In aanvulling op de algemene voorwaarden geldt voor:

    1. aangebouwde bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ dat de goot- en bouwhoogte maximaal gelijk mag zijn aan de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw;

    2. aangebouwde bijbehorende bouwwerken gelegen buiten de aanduiding ‘bouwvlak’ dat:

      1. de goothoogte maximaal 3,25 m mag zijn;

      2. de bouwhoogte maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag zijn, met een maximum van 6 m;

    3. vrijstaande bijbehorende bouwwerken dat:

      1. de onderlinge afstand tussen vrijstaande bijbehorende bouwwerken minimaal 3 m moet zijn;

      2. de oppervlakte van een vrijstaand bijbehorende bouwwerk maximaal 45 m² mag zijn;

      3. de goothoogte maximaal 3 m mag zijn;

      4. de bouwhoogte maximaal 5 m mag zijn;

 

In afwijking van lid c sub 1 geldt dat:

    1. een aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan de voorgevel mag worden gebouwd, onder voorwaarde dat:

      1. de breedte maximaal 40% van de breedte van de voorgevel mag zijn;

      2. de diepte maximaal 1/3 van de breedte mag zijn, met een maximum van 1 m;

      3. de bouwhoogte minimaal de kozijnhoogte van de entreepui moet zijn en maximaal de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag mag zijn, onder voorwaarde dat de bouwhoogte minimaal 0,5 meter onder de goothoogte van de woning blijft.

 

  1. Bij de bedrijfswoning mogen bouwwerken geen gebouw zijnde worden gebouwd, onder voorwaarde dat:

    1. op het voorerf dat de bouwhoogte maximaal 1 m mag zijn;

    2. op het achtererf dat de bouwhoogte maximaal 3 m mag zijn, met uitzondering van:

      1. een whirlpool of jacuzzi, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 m mag zijn;

      2. tuinverlichting, erf- en perceelsafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 m mag zijn.

 

4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 16.1, nadere eisen te stellen aan:

  1. de bouw- en goothoogte van bouwwerken;

  2. de afmetingen van bouwwerken;

  3. de situering van bouwwerken;

  4. het aantal en de situering van parkeerplaatsen.

 

4.4 Afwijking van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 en toestaan dat:

  1. het bebouwingspercentage per bouwperceel wordt vergroot tot maximaal 70%, onder voorwaarde dat voldaan kan worden aan artikel 12.2;

  2. gebouwen tot in de achterste of zijdelingse bouwperceelsgrens worden gebouwd, onder voorwaarde dat:

    1. het gebouw voldoet aan de brandveiligheidseisen;

    2. een advies van de brandweer is ontvangen.

  3. de goothoogte van een gebouw wordt verhoogd tot maximaal 8,50 m, onder voorwaarde dat de afstand tot woningen van derden minimaal 6 m moet blijven.

 

4.5 Specifieke gebruiksregels

 

4.5.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:

  1. beperkt kwetsbare en kwetsbare functies.

  2. bedrijfsactiviteiten niet genoemd in bijlage 2 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein' van de regels;

  3. geluidzoneringsplichtige inrichtingen;

  4. vuurwerkbedrijven;

  5. Bevi-inrichtingen;

  6. zelfstandige kantoren;

  7. persoonlijke dienstverlening;

  8. detailhandel;

  9. prositutiebedrijven en seksinrichtingen.

 

4.6 Afwijking van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1 en toestaan dat:

  1. een actviteit wordt uitgeoefend die niet is opgenomen in bijlage 2 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein' van de regels, onder voorwaarde dat:

    1. de milieubelasting op de omgeving naar aard en invloed kan worden gelijkgesteld aan de in Bijlage 2 opgenomen bedrijfsactiviteiten;

    2. bij de beoordeling van de aard en invloed op de omgeving wordt in ieder geval gelet op mogelijke geluidhinder, geurproductie, stofuitworp, gevaar, het al dan niet continue karakter van de activiteit, visuele hinder, verkeersaantrekkende werking en verontreiniging van lucht, bodem en water;

  2. de gronden en gebouwen worden gebruikt voor de uitoefening van:

    1. detailhandel in de vorm van internetverkoop zonder verkoopvloeroppervlakte als ondergeschikte nevenactiviteit;

    2. detailhandel in ter plaatse vervaardige produkten als ondergeschikte nevenactiviteit;

    3. detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in goederen waarvan de verkoop in winkelcentra niet past in verband met verstoring van het aldaar gewenste milieu, zoals de verkoop van brand- en explosiegevaarlijke of andere milieubelastende goederen;

    4. detailhandel in volumineuze goederen, onder voorwaarde dat:

      • er sprake is van een overwegend lokaal of beperkt regionaal verzorgingsgebied, of

      • er sprake is van een beperkt regionaal verzorgingsgebied, of

      • er sprake is van een ondergeschikte nevenactiviteit;

onder voorwaarde dat:

    1. de oppervlakte van de ondergeschikte nevenactiviteit zoals bepaald onder de voorwaarden 1 t/m 4 maximaal 10% van het totaal bebouwde oppervlakte mag zijn, met een maximum van 50 m².

 

4.7 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1 bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat:

  1. de aanduiding 'vulpunt LPG' geheel of gedeeltelijk komen te vervallen, onder voorwaarde dat het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een LPG-installatie definitief is beëindigd;

  2. de bijlage 2 'Staat van bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein' geheel of gedeeltelijk gewijzigd kan worden, door het laten vervallen of toevoegen van bedrijfsactiviteiten, en/of het toekennen van een hogere of lagere categorie van milieubelasting aan bedrijfsactiviteiten, onder voorwaarde dat technologische ontwikkelingen of nieuwe milieuhygiënische inzichten de wijzigingen ondersteunen.

 

 

Artikel 5 Groen

 

 

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bepaald voor:

  1. openbaar groen en groenvoorzieningen met een visueel afschermende functie;

  2. een natuurfunctie voorzover het betreft de strook aan de noordzijde van het plangebied.

 

en medebestemd voor:

  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  2. nutsvoorzieningen;

 

en de daarbij werken en werkzaamheden.

 

5.2 Bouwregels

 

5.2.1 Gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

 

5.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Het bouwen van gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde is niet toegestaan, met uitzondering van hekwerken en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 m mag zijn.

 

5.3 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:

  1. de uitoefening van enige tak van handel, detailhandel en/of bedrijfsmatige activiteiten;

  2. de opslag van grote obstakels als boten, caravans en dergelijke alsmede als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van bruikbare en/of onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten;

  3. het parkeren van voertuigen;

  4. het plaatsen van kampeermiddelen, andere onderkomens of als dagcamping;

  5. het inrichten en gebruiken van gronden als erf bij een woning of als volkstuin.

 

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het vellen of rooien van houtgewas.

 

Het verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden welke:

  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;

  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

 

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  1. de visuele afscherming van de groenvoorziening;

  2. de aanwezige natuurfunctie in de strook aan de noordzijde van het plangebied.

 

 

Artikel 6 Verkeer

 

 

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. de geleiding, beveiliging en regeling van verkeersbewegingen;

  2. de ontsluiting van de aanliggende percelen;

  3. parkeren;

 

en medebestemd voor:

  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  2. nutsvoorzieningen;

  3. groenvoorzieningen;

 

en de daarbij behorende bouwwerken geen gebouw zijnde met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, werken en werkzaamheden.

 

6.2 Bouwregels

 

6.2.1 Gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

 

6.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

  1. Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde voor de geleiding, beveiliging en regeling van verkeersbewegingen is toegestaan, onder voorwaarde dat:

    1. de bouwhoogte maximaal 6 m mag zijn;

    2. de oppervlakte maximaal 30 m² mag zijn.

  2. Het bouwen van overige bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat:

    1. de bouwhoogte maximaal 4 m mag zijn;

    2. de oppervlakte maximaal 30 m² mag zijn.

 

6.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 16.1, nadere eisen te stellen aan:

  1. de bouw- en goothoogte van bouwwerken;

  2. de afmetingen van bouwwerken;

  3. de situering van bouwwerken;

  4. het aantal en de situering van parkeerplaatsen.

 

6.4 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor de opslag van grote obstakels als boten, caravans e.d. alsmede als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van bruikbare en/of onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens als zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

 

 

Artikel 7 Water

 

 

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en -afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen en voorzieningen voor waterkeringen;

  2. behoud, herstel en ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke- en hydrolgische waarden van het water;

 

en medebestemd voor:

  1. openbaar groen en groenvoorzieningen;

  2. nutsvoorzieningen;

  3. paden, wegen en verkeersvoorzieningen;

  4. extensief recreatief medegebruik;

 

en daarbij behorende bouwwerk geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.

 

7.2 Bouwregels

  1.  

  2. Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat:

    1. de situering en omvang van een bouwwerk geen gebouw zijnde mag geen gevaar opleveren voor het functioneren van het watersysteem;

    2. het bevoegd gezag advies inwint bij de waterbeheerder, ten behoeve van de bouw van bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals bruggen en duikers.

 

7.2.1 Gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

 

7.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat:

  1. de situering en omvang van een bouwwerk geen gebouw zijnde mag geen gevaar opleveren voor het functioneren van het watersysteem;

  2. het bevoegd gezag advies inwint bij de waterbeheerder, ten behoeve van de bouw van bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals bruggen en duikers.

 

7.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 16.1, nadere eisen te stellen aan:

  1. de situering van bouwwerken geen gebouw zijnde;

  2. de afmetingen van bouwwerken geen gebouw zijnde.

 

7.4 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:

  1. het gebruik van gronden en bouwwerken voor de opslag van grote obstakels als boten, caravans e.d. alsmede als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van bruikbare en/of onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens als zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;

  2. het storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen.

 

7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem;

  2. het diepploegen, diepwoelen of uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,50 m onder maaiveld, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage;

  3. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins verlagen van de waterstand;

  4. het vellen of rooien van bomen;

  5. het verwijderen van landschapselementen;

  6. het verwijderen van onverharde wegen of paden;

  7. het aanleggen en/of verharde van wegen of paden, dan wel het aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²;

 

Het verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden welke:

  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;

  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

 

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  1. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurgebied, de landschappelijke- en nauurlijke- en hydrologische waarden van de gronden;

  2. het bevoegd gezag advies inwint bij de waterbeheerder inzake de hydrologische waarden.

 

 

Artikel 8 Wonen

 

 

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. de huisvesting van een huishouden;

 

en medebestemd voor:

  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  2. groenvoorzieningen;

  3. paden, wegen en verkeersvoorzieningen;

  4. nutsvoorzieningen;

 

en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.

 

8.2 Bouwregels

 

8.2.1 Algemene bouwregels

  1. Het is niet toegestaan het bestaande aantal woningen per bouwvlak te vermeerderen.

  2. Het bebouwingspercentage voor gronden buiten de aanduiding 'bouwvlak' mag maximaal 50% zijn.

  3. Het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mag maximaal 100% zijn.

 

8.2.2 Hoofdgebouwen

Het bouwen van een hoofdgebouw is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', onder voorwaarde dat:

  1. het niet is toegestaan het bestaande aantal woningen per bouwvlak te vermeerderen, met als peildatum de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, tenzij op de verbeelding anders is aangeduid;

  2. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' maximaal één vrijstaand hoofdgebouw mag worden gebouwd;

  3. de voorgevel in de voorste bouwgrens moet worden gebouwd;

  4. de goothoogte maximaal 4,50 m mag zijn;

  5. de inhoud maximaal 750 m³ mag zijn;

  6. de dakhelling minimaal 30° moet zijn en maximaal 50° mag zijn.

 

8.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen is toegestaan, onder voorwaarde dat:

  1. op het achtererf en slechts aan één zijde van het hoofdgebouw mag worden gebouwd;

  2. de afstand tot de voorste bouwgrens minimaal 3 m moet zijn;

  3. de bouwhoogte van overkappingen maximaal 3 m mag zijn;

  4. de gezamenlijke oppervlakte maximaal 150 m² zijn, onder voorwaarde dat een functionele uitbreiding van een hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ niet wordt meegerekend bij de gezamenlijke oppervlakte;

 

In aanvulling op de algemene voorwaarden geldt voor:

  1. aangebouwde bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ dat:

    1. de goot- en bouwhoogte maximaal gelijk mag zijn aan de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw;

  2. aangebouwde bijbehorende bouwwerken gelegen buiten de aanduiding ‘bouwvlak’ dat:

    1. de goothoogte maximaal 3,25 m mag zijn;

    2. de bouwhoogte maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag zijn, met een maximum van 6 m;

  3. vrijstaande bijbehorende bouwwerken dat:

    1. de onderlinge afstand tussen vrijstaande bijbehorende bouwwerken minimaal 3 m moet zijn;

    2. de oppervlakte van een vrijstaand bijbehorende bouwwerk maximaal 45 m² mag zijn;

    3. de goothoogte maximaal 3 m mag zijn;

    4. de bouwhoogte maximaal 5 m mag zijn;

 

In afwijking van lid b. geldt dat:

  1. een aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan de voorgevel mag worden gebouwd, onder voorwaarde dat:

    1. de breedte maximaal 40% van de breedte van de voorgevel mag zijn;

    2. de diepte maximaal 1/3 van de breedte mag zijn, met een maximum van 1 m;

    3. de bouwhoogte minimaal de kozijnhoogte van de entreepui moet zijn en maximaal de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag mag zijn, onder voorwaarde dat de bouwhoogte minimaal 0,5 meter onder de goothoogte van de woning blijft.

 

8.2.4 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat:

  1. de bouwhoogte op het voorerf maximaal 1 m mag zijn.

  2. de bouwhoogte op het achteref maximaal 3 m mag zijn, met uitzondering van:

    1. een whirlpool of jacuzzi, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 m mag zijn;

    2. tuinverlichting, erf- en perceelsafscheidingen en een paardenbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 m mag zijn.

 

8.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 16.1, nadere eisen te stellen aan:

  1. de bouw- en goothoogte van bouwwerken;

  2. de afmetingen van bouwwerken;

  3. de situering van bouwwerken;

  4. het aantal en de situering van parkeerplaatsen.

 

8.4 Afwijking van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2.2 en toestaan dat:

  1. de goothoogte van een gebouw wordt verhoogd tot maximaal 10 m, onder voorwaarde dat:

    1. de afstand tot de aangrenzende woningen minimaal 6 m moet zijn;

    2. de bouwhoogte van het hoofdgebouw maximaal 11 m is.

  2. het bouwen van de voorgevel van het hoofdgebouw tot maximaal 5 m achter de voorste bouwgrens, waarbij de achterste bouwgrens in gelijke mate mag worden overschreden, onder voorwaarde dat de verschuiving op stedenbouwkundig gronden verantwoord is.

  3. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 75 m² mag zijn, onder voorwaarde dat een onbebouwde en onoverdekte aaneengesloten ruimte van minimaal 25 m² overblijft.

 

8.5 Specifieke gebruiksregels

 

8.5.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:

  1. het gebruiken van een bijbehorend bouwwerk als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte;

  2. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;

  3. detailhandel of andere handels- en/of bedrijfsdoeleinden;

  4. horeca-activiteiten.

 

8.5.2 Hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken

  1. Het hoofdgebouw en de aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt voor bewoning;

  2. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen niet worden gebruikt voor bewoning.

 

8.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn, onder voorwaarde dat voldaan is aan lid 17.1 bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat de bestemming ‘Wonen’ geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd naar 'Bedrijventerrein', onder voorwaarde dat:

  1. de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid past binnen het gemeentelijke beleid omtrent bedrijfsvestiging;

  2. het bepaalde in artikel 4 onverkort van toepassing wordt verklaard.

 

 

 

Artikel 9 Waarde - Archeologie 5

 

 

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

 

9.2 Bouwregels

 

9.2.1 Omgevingsvergunning

Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,50 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

 

9.2.2 Voorwaarden

Indien uit het in lid 9.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;

  3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

 

9.2.3 Bouwverbod

Indien uit het in lid 9.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 9.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

 

9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren ter plaatse van de aanduiding "Waarde - Archeologie 5":

  1. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt;

  2. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt;

  3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt;

  4. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;

  5. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 m bedraagt;

  6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,50 m;

  7. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,50 m;

  8. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,50 m;

  9. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,50 m;

  10. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,50 m, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt.

 

Het verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden welke:

  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden;

  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

 

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  1. de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

  2. is gebleken dat de in lid 10.3 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal;

  3. de in lid 10.3 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften worden verbonden:

    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;

    3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

 

9.4 Omgevingsvergunning voor het slopen

Ter plaatse van de aanduiding "Waarde - Archeologie 5" kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het slopen de volgende voorschriften worden verbonden:

  1. de sloopwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,50 m vanaf 0,30 m boven het maaiveld en minder worden begeleid door een gekwalificeerd deskundige;

  2. indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning.

 

9.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn, met inachtneming van het bepaalde in lid 17.1, bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat:

  1. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, onder voorwaarde dat op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;

  2. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' alsnog aan gronden wordt toegekend, onder voorwaarde dat:

    1. uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft;

    2. de regels van de reeds aanwezige bestemming(en) onverkort van toepassing blijven.