Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

 

 

5.1 Algemeen

 

Behalve de beleidskaders waarin de wenselijkheid van bepaald gebruik op bepaalde plaatsen is verwoord, speelt ook de feitelijke uitvoerbaarheid een belangrijke rol. Een plan wordt uitvoerbaar geacht als er geen onevenredige milieutechnische en fysieke belemmeringen zijn, het plan economisch uitvoerbaar is en de regels handhaafbaar zijn.

 

5.2 Milieu

 

5.2.1 Algemeen

Een belangrijk doel in de ruimtelijke ordening is het realiseren van een goed leefmilieu. Dat houdt onder meer in dat de omgeving zo min mogelijk gevolgen mag hebben op de gezondheid van mensen. In de loop der jaren zijn voor een aantal milieuaspecten waarden wettelijk vastgelegd en gekoppeld aan een onderzoeksverplichting bij ruimtelijke ontwikkelingen.

 

5.2.2 Bodem

De Wet bodembescherming (Wbb) bevat de voorwaarden die (kunnen) worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. Daarnaast verbiedt de Woningwet bouwen op verontreinigde grond.

 

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient in het geval van incidentele bouwlocaties en bestaande bouwtitels beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemmingen. Uitgangspunt is dat minimaal een historisch bodemonderzoek plaats dient te vinden, conform NEN 5725. Indien er sprake is van een verdachte locatie moet het historisch onderzoek worden aangevuld met een verkennend bodemonderzoek conform de geldende norm. Ook bij bestemmingswijziging naar een gevoeligere bestemming is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk.

 

Afweging

Het voorliggende bestemmingsplan is een beheersplan en biedt geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden. Een bodemonderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan

niet noodzakelijk.

 

5.2.3 Lucht

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit uit 2005 en is een implementatie van de Europese kaderrichtlijn luchtkwaliteit en de vier dochterrichtlijnen waarin onder andere grenswaarden voor de luchtkwaliteit ter bescherming van mens en milieu zijn vastgesteld.

Nederland kan in 2011 niet overal voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide, waardoor de realisatie van grote ruimtelijke ontwikkelingen onder druk staat. Het doel van de Wet luchtkwaliteit is het verbeteren van de luchtkwaliteit, zodat in 2015 aan de Europese eisen wordt voldaan en huidige belemmeringen voor gewenste ontwikkelingen zo veel mogelijk worden weggenomen. De kern van de Wet is het ‘Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit’ (NSL). Dit instrument wordt door de Rijksoverheid gecoördineerd en bevat de ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit ‘in betekenende mate verslechteren èn maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.

 

Projecten die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet langer afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB), genaamd: “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”.

 

Projecten die de concentratie meer dan 3% van de grenswaarde van een stof verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Voor fijn stof en stikstofdioxide betekent dit een maximale toename van 1,2 μg/m3.

Deze 3%-grens is in een gelijknamige ministeriële regeling voor een aantal veel voorkomende ruimtelijke functies gekwantificeerd als:

  1. woningen: 1.500 woningen met één ontsluitingsweg;

  2. kantoren: 10 hectare bruto vloeroppervlak (bvo) met één ontsluitingsweg;

  3. landbouwinrichtingen: akkerbouw of tuinbouw met open teelt, teelt van eetbare gewassen in een gebouw of onverwarmde glastuinbouw ongeacht de omvang en verwarmde opstanden van glas of kunststof van maximaal 2 hectare;

  4. kinderboerderijen.

 

Dit laat onverlet dat burgers voldoende beschermd moeten worden tegen (tijdelijke) te hoge concentraties. Hiervoor is het noodzakelijk dat de luchtkwaliteit wordt betrokken in de afweging of er sprake is van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Dit betekent dat de luchtkwaliteit ‘schoon’ genoeg moet zijn voor de functie die daar wordt toegelaten.

 

Afweging

Het voorliggende bestemmingsplan is een beheersplan en biedt geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden. Eventuele toekomstige ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij het op dat moment geldende beleid.

 

5.2.4 Geluid

Geluidhinder is de mogelijke overlast die de mens ondervindt van geluid afkomstig van kunstmatige objecten gedurende een groot deel van de dag of tijdens piekmomenten. Het gaat om geluid veroorzaakt door verkeer en bedrijven.

 

Wegverkeerslawaai

Ingevolge artikel 74 en 82 van de Wet geluidhinder bevindt zich aan weerszijden van wegen, niet zijnde woonerven of 30 km/uur wegen, een zone waarbinnen de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de gevel van woningen niet meer mag bedragen dan 48 dB (de voorkeursgrenswaarde). Voor nieuwe woningen kan onder voorwaarden een hogere

grenswaarde worden vastgesteld, indien uit onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De hogere grenswaarde moet op grond van artikel 76 van de Wet geluidhinder zijn vastgesteld vóór de vaststelling van het bestemmingsplan waarin de nieuwe woningen worden geprojecteerd of mogelijk worden gemaakt.

 

Afweging

Het voorliggende bestemmingsplan is een beheersplan en biedt geen nieuwe directe ontwikkelingsmogelijkheden. Een akoestisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk.

 

Industrielawaai

Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Wet geluidhinder dient voor elke binnen een gemeente gelegen terrein, waarop de vestiging mogelijk is van in artikel 16 van deze wet bedoelde inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, een rond dat terrein gelegen zone vast te worden gesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

 

Afweging

Er ligt geen geluidzone in of in de directe nabijheid van het plangebied. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.

 

Stiltegebied

Een stiltegebied is een milieubeschermingsgebied waarin de geluiden van flora en fauna overheersen. Het woord ‘stilte’ betekent hierbij niet dat er geen geluid in het gebied waarneembaar is, maar staat voor de afwezigheid van storende, voor de omgeving vreemde geluiden. Stiltegebieden zijn van belang voor de rustzoekende recreant en de flora en fauna in de natuur. Activiteiten die de geluidsbelasting negatief beïnvloeden, zijn niet meer mogelijk in het gebied dat als stiltegebied is aangewezen. Gebiedseigen geluiden, zoals die van de landbouw, zijn hiervan uitgesloten.

 

 

Onder 'stil' worden geluiden verstaan die tussen de 35 en 40 dB liggen. Ook kan

worden gesteld dat een gebied 'stil' is als de lange perioden met natuurlijke geluiden overheersen tot de perioden met niet-natuurlijke geluiden.

 

De Provinciale milieuverordening (PMV) wijst bijzondere en kwetsbare gebieden aan vanuit milieuoptiek op basis van de Wet Milieubeheer. De PMV richt zich onder andere op het aanduiden van bodembeschermingsgebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en stiltegebieden. Hierbinnen gelden gebruiksbeperkingen welke door deze verordening geregeld worden. Deze gebruiksbepalingen hebben onder andere betrekking op waterwinning en de omgang met afvalstoffen.

 

Afweging

Rondom het gebied Ossenbroek en Barendonk ligt een deel van het stiltegebied De Tongelaar. Het plangebied ligt niet in of nabij het stiltegebied. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.

 

5.2.5 Licht

Lichthinder is de mogelijke overlast die de mens ondervindt van kunstlicht, hetzij in de vorm van regelrechte verblinding, hetzij als verstorende factor bij het verrichten van avondlijke en nachtelijke activiteiten, hetzij als bron van onbehagen. In de gemeente Cuijk is geen overkoepelend beleid opgesteld om lichthinder te beperken. Wel is in de Algemene Plaatselijke Verordening een vergunningplicht opgenomen om lichtapparaten en lichtreclame in gebruik te hebben. In het Welstandsbeleid 2004 is specifiek reclamebeleid opgenomen. Voor verschillende typen gebieden is bepaald of reclame-uitingen verlicht mogen zijn, en zo ja, of dat een verlichtingsbak of aangestraald mag zijn.

 

Afweging

In het plangebied is één functie aanwezig die meer dan gemiddeld gebruik maken van verlichting:

 

 

Het gaat om een situatie die valt binnen de geldende wet- en regelgeving. Het is van belang om bij ontwikkelingen in de directe omgeving van het sportpark, de aldaar aanwezige verlichting vroegtijdig te betrekken. Door het tijdig in beeld brengen van de belangen van de 'lichtgebruiker', kan mogelijk ervaren lichthinder vanuit de ontwikkeling tot een minimum beperkt worden. In dit bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die gevoelig zijn voor lichthinder.

 

Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.

 

5.2.6 Geur

Geurhinder is de mogelijke overlast die de mens ondervindt van penetrante geuren afkomstig van kunstmatige objecten of processen.

 

Afweging

In en nabij het plangebied zijn geen bronnen van geuroverlast bekend.

 

5.3 Water

 

De 'watertoets' is de wettelijke verankering van de relatie tussen waterhuishouding en een bestemmingsplan. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informaeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. In deze 'waterparagraaf' worden alle relevante aspecten nader beoordeeld.

 

5.3.1 Waterplan Cuijk

De gemeente Cuijk en haar waterpartners (waterschap Aa en Maas, provincie Noord-Brabant en waterleidingmaatschappij Brabant Water, gemeenten Land van Cuijk) hebben een integraal waterplan opgesteld. De aanleiding hiervoor was de omslag in het denken en beleid rond water gedurende de afgelopen jaren: “In plaats van voort te borduren op het vertrouwde denken in waterbeheersing door technische ingrepen, is de nadruk komen te liggen op het aansluiten op de natuurlijke potenties van het landschap en het watersysteem (duurzaamheidprincipe).”

 

Deze beleidsomslag is vastgelegd op Europees niveau in de Kaderrichtlijn Water en op Rijksniveau in de 4e Nota Waterhuishouding, de nota Waterbeheer 21e Eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water. Op gemeentelijk niveau is deze beleidsomslag doorvertaald in de “Wet gemeentelijke watertaken”. Hierin zijn voor de gemeente een drietal zorgplichten opgenomen: hemelwater, grondwater en afvalwater.

 

Het waterplan heeft de status van kaderstellend beleidsplan. Het plan is hierdoor een “parapluplan” voor andere gemeentelijke plannen waarin water een rol speelt. Het plan kent echter geen directe planologische doorwerking. De zeven waterdoelen en streefbeelden dienen wel door te werken in ruimtelijke afwegingen. Deze waterdoelen zijn echter nog te weinig concreet om gebiedsspecifieke maatregelen uit te werken. De doelstellingen zijn daarom uitgewerkt als gebiedsspecifieke streefbeelden voor stedelijk-, landelijk-, en natuurlijk gebied.

 

5.3.2 Uitgangspunten watertoets Aa en Maas

In de beleidsnota 'Uitgangspunten watertoets Aa en Maas' zijn in het kort de principes beschreven die richtinggevend zijn bij de waterschapsadvisering over ruimtelijke plannen. De acht uitgangspunten zijn als volgt afgewogen.

 

Wateroverlastvrij bestemmen

In het plangebied zijn geen gebieden opgenomen die een andere bestemming krijgen dan voorheen.

 

Hydrologisch neutraal ontwikkelen

Waterschap De Dommel en Waterschap Aa en Maas hebben in de notitie “Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk” (11 juli 2006) een definitie en randvoorwaarden gegeven voor het Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen. Daarbij is een vertaalslag gemaakt naar vijf toetsaspecten waaraan een plan of ontwikkeling getoetst kan worden. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de ontwikkeling geen hydrologische achteruitgang ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg heeft. Er mogen geen hydrologische knelpunten worden gecreëerd voor de te handhaven en de vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties in de projectlocatie en het beïnvloedingsgebied.

 

Een hulpmiddel bij het bepalen en oplossen van hydrologische knelpunten is de HNO-tool van het Waterschap. Daarmee kan berekend worden of er een waterbergingsopgave is en hoe groot deze dan is. De HNO-tool kan gebruikt worden bij de ontwikkeling van de twee potentiële woningbouwlocaties.

 

Voorkomen van vervuiling

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd te worden aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Daarbij wordt aandacht gevraagd voor het materiaalgebruik. Om watervervuiling te voorkomen, wordt het gebruik van uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen tot een minimum beperkt.

 

Gescheiden houden van schoon en vuil water

Bij alle nieuwe bouwplannen dient vermenging van vuil afvalwater en schoon hemelwater te worden voorkomen. Indien mogelijk, wordt alleen het vuile water aan de riolering aangeboden. Het schone hemelwater moet worden geïnfiltreerd in de bodem.

 

Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer”.

In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden, hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij dient de genoemde voorkeursvolgorde doorlopen te worden. Van toepassing bij nieuwe bouwplannen.

 

Meervoudig ruimtegebruik

In voorliggend bestemmingsplan is weinig tot geen ruimte voor het combineren van water met andere functies. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en van overlast is geen sprake.

 

Water als kans

Er komt geen oppervlaktewater voor in het plangebied.

 
Waterschapsbelangen

Het Waterschap Aa en Maas benoemd vijf waterschapsbelangen met een ruimtelijk component. In het plangebied is één component van toepassing:

  1. aanwezigheid en ligging waterkering.

 

In het noorden van het plangebied ligt de primaire waterkering Maasdijk. Deze waterkering is van nationaal belang en dient als zodanig beschermd te worden. Om het goed functioneren te waarborgen is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen, met bouwbeperkingen.

 

5.3.3 Keur Waterschap

Het Waterschap Aa & Maas heeft op 1 januari 2011 een nieuwe Keur vastgesteld. De keur is een set regels met betrekking tot oppervlaktewater of waterkering in beheer van het waterschap, waarbij onderscheid gemaakt wordt in gedoogplichten, gebodsbepalingen en verbodsbepalingen. Het grondgebied ter plaatse van een watergang of waterkeringen of direct grenzend daaraan kent een

aantal beperkingen. Daarnaast zijn eigenaren en/of gebruikers verplicht een aantal activiteiten en werkzaamheden op hun terrein toe te staan die samen hangen met het beheer en onderhoud van het waterstaatswerk. De waterschapskeuren (Keur oppervlaktewateren en Keur waterkeringen) vormen een aanvulling op hogere regelgeving op landelijk en provinciaal niveau.

 

Afweging

Om tegenstrijdigheden te voorkomen worden zoveel mogelijk de begrippen en definities uit de Keur gebruikt in het bestemmingsplan.

 

5.4 Externe veiligheid

 

De externe veiligheid wordt bepaald door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen (productie, gebruik, opslag en vervoer) in en rond het plangebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele

calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Het Vuurwerkbesluit (2002, herziening 2004) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, 2004) stellen afstandseisen aan risicovolle bedrijfsactiviteiten. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RNVGS, 2004) adviseert bij transportroutes en buisleidingen met gevaarlijke stoffen veiligheidsafstanden aan te houden.

 

Er wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (oftewel 10-6 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag

niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.

 

Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp.

 

In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen.

 

5.4.1 Inrichtingen

In of nabij het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen.

 

Afweging

Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.

5.4.2 Transport van gevaarlijke stoffen

In de omgeving van het plangebied liggen een spoorlijn en een belangrijke vaarweg. De spoorlijn Nijmegen-Venlo ligt binnen het plangebied. De afstand tot de Maas is op het smalst 100 m. Beide transportroutes kunnen gebruikt worden als transportroute van gevaarlijke stoffen. De Beersebaan en de Katwijkseweg worden gebruikt voor het vervoer van motorbrandstoffen naar het pompstation in De Valuwe en LPG en motorbrandstoffen naar het pompstation in Katwijk.

 

Afweging

De risicocontour van de transportroute over de Maas ligt op de watergrens met de oever. Het aantal verkeersbewegingen met LPG naar Katwijk is dusdanig laag dat het risico te verwaarlozen is.

Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.

 

5.5 Erfgoed

 

5.5.1 Algemeen

In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de EU, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie.

 

Bewoningsgeschiedenis Cuijk

Het karakter van de bewoningsgeschiedenis van Cuijk vanaf de Romeinse tijd laat zich onderscheiden in de bewoning van het gebied buiten het centrum van Cuijk of 'Het Land van Cuijk' en de bewoning in en rond het centrum van Cuijk of 'Het Hart van Cuijk'. Beide gebieden hebben hun eigen kenmerken waar het gaat om de menselijke bewoning en de zichtbaarheid van en het soort sporen dat de bewoners hebben achtergelaten. Beiden kunnen niet los van elkaar gezien worden. De aanwezigheid van deze landelijke en stedelijke component en de aanwezigheid van de Romeinen in Cuijk maken Cuijk volgens Rijk en Provincie van nationaal en zelfs internationaal belang. Het internationaal belang is vooral gelegen in het feit dat het Castellum Ceuclum tot het einde van de Romeinse Tijd in

functie bleef en dus aansluit op het regiem van de Frankische koningen die de start zijn voor de Middeleeuwen.

 

De plaatsen in Noordwest Europa waar deze aansluiting van perioden bestudeerd kan worden zijn zeer zeldzaam. Op grond van onderzoeken in het Land van Cuijk blijkt dat het Maasdal bij Cuijk een zichtbare, continue bewoningsgeschiedenis kent die al een aanvang nam in het Paleolithicum en sindsdien vrijwel onafgebroken bewoond is gebleven. De aantrekkelijkheid van het Cuijkse landschap door de eeuwen heen hangt samen met de vele gebruiksmogelijkheden die een constant veranderend en vruchtbaar rivierlandschap biedt. De Maas transformeert van een breed vertakt riviersysteem naar een ingesneden rivierdal. De nederzetting Cuijk komt tot ontwikkeling op de plaats waar de landen waterwegen elkaar kruisen.

 

5.5.2 Archeologisch Beleidsplan Cuijk (2009)

De gemeente Cuijk heeft een bijzonder rijk bodemarchief. Op veel plaatsen zijn archeologische sporen aanwezig of te verwachten vanwege de bewoningsgeschiedenis gedurende de Romeinse tijd, maar ook vanwege nog aanwezige sporen uit de Prehistorie en de vroege en late Middeleeuwen. Het beleidsplan is opgesteld om aan te geven hoe de gemeente hiermee om gaat. Bij het beleidsplan hoort een archeologische beleidskaart. In het beleidsplan is aangegeven hoe in bestemmingsplannen omgegaan dient te worden met archeologie en in de bijlage van het plan zijn voorbeeldregels opgenomen. De voorbeeldregels zijn gekoppeld aan de gebieden van de archeologische beleidskaart.

 

 [image]

Figuur 6: uitsnede Archeologische beleidskaart

 

Afweging

Uit de beleidskaart blijkt dat in het plangebied de aanduidingen Waarde - archeologie 3 en 5 van toepassing zijn. De gronden met de Waarde - archeologie 3 en 5 houden in dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 resp. 2.500 m² en dieper dan 0,50 meter bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een rapport dient te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag mogelijk zullen worden verstoord, naar oordeel van B&W voldoende zijn vastgesteld. Tevens geldt voor bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunningsplicht.

 

5.5.3 Actualisatielijst karakteristieke panden

De gemeenteraad van Cuijk is voornemens over te gaan tot aanwijzing van gemeentelijke monumenten. Om tot een selectie van gemeentelijke monumenten te komen, is een eerste inventarisatie van de historische bouwkunst in de gemeente Cuijk noodzakelijk. Burgemeester en wethouders hebben daartoe op 29 maart 2011 de 'Actualisatie lijst karakteristieke objecten' vastgesteld. De doelstelling van het project kan als volgt worden geformuleerd:

‘Het uitvoeren van een cultuurhistorische inventarisatie ten behoeve van een actualisatie van de lijst van karakteristieke objecten van de gemeente Cuijk.’

Actualisatie betekent dat naast het plaatsen van nieuwe objecten op de lijst, het ook mogelijk is dat objecten uit de bestaande lijst worden afgevoerd omdat zij naar de huidige inzichten niet langer een status als karakteristiek object behoeven. De geactualiseerde lijst wordt gebruikt bij de opstelling van bestemmingsplannen voor het grondgebied van de gemeente Cuijk (aanduiding karakteristieke bebouwing). Objecten (of complexen) die aangewezen zijn als rijksmonument, zijn in het kader van dit onderzoek niet nader onderzocht. Voor deze elementen is reeds een redengevende beschrijving aanwezig, is van rijkswege een cultuurhistorische waardering gemaakt en worden deze bij wet beschermd.

 

Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Er zijn volgens de Actualisatie Lijst Karakteristieke Panden geen karakteristieke objecten aanwezig. Dergelijk objecten zijn niet wettelijk beschermd, maar hebben wel cultuurhistorische waarde waar zorgvuldig mee omgesprongen moet worden.

 

Afweging

Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.

 

5.5.4 Monumentale Bomennota gemeente Cuijk 2009-2019

Deze nota stelt de uitgangspunten vast voor het opstellen van een monumentale bomenlijst, dient ter voorkoming van het verstoren van de groeimogelijkheden van de boom en dient om ontwikkelingen tegen te gaan die de standplaatsen van de boom nadelig beïnvloeden. Daarnaast wil de gemeente de ontwikkeling van een duurzame, vitale en herkenbare boombeplanting in de gemeente stimuleren. Ter bescherming van de monumentale bomen, is een lijst opgesteld. De bomen van deze lijst worden vervolgens positief bestemd in de bestemmingsplannen. Hiermee krijgen deze bomen een feitelijke, fysieke en juridische bescherming.

 

 [image]

Figuur 7: locaties monumentale bomen De Valuwe

 

In het bestemmingsplan wordt naast de standplaats van de boom, ook de kwaliteit van de groeiplaats beschermd. De omvang van de groeiplaats betreft de maximaal te bereiken kruindiameter met inbegrip van een extra afstand van 2,00 meter. In de regels van het bestemmingsplan worden deze beschermende bepalingen opgenomen, onder andere door aan te geven dat het verboden is te bouwen binnen deze groeiplaats. Bovendien mogen monumentale bomen niet gekapt worden zonder omgevingsvergunning.

 

Afweging

In het plangebied staat een solitaire monumentale boom op de hoek Jan Campertstraat-Regiment Stoottroepenstraat en een cluster van 5 bomen bij het wijkcentrum "Checkpoint" aan de Galberg. Op de verbeelding zijn deze monumentale bomen opgenomen en voorzien van de gebiedsaanduiding ‘monumentale boom’, waardoor de bomen beschermd worden. In de praktijk is gebleken dat het bepalen van de maximale kruindiameter per boom erg moeilijk is. Daarom is gekozen om uit te gaan van een maximaal te bereiken kruindiameter van 20,00 meter, oftewel een straal van 10,00 meter. In de regels wordt de mogelijkheid opgenomen om de groeiplaats te ‘verkleinen’ als aangetoond wordt dat de kruindiameter niet de volle 20,00 meter kan bereiken.

 

5.6 Flora en fauna

 

De natuurwetgeving in Nederland kent twee sporen: de soortenbescherming en de gebiedsbescherming. Hiertoe zijn twee wetten actief, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor natuurgebieden en individuele dier- en plantsoorten. Deze gebieden en soorten hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben op een gebied (ver) daarbuiten. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er niet toe leiden dat hierdoor de te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde plant- en diersoorten worden aangetast.

 

5.6.1 Soortbescherming

In de Flora- en faunawet ziet de wetgever toe op de bescherming van zeldzame plant- en diersoorten en hun leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige beschermde soorten. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Om tegemoet te komen aan de ruimtelijke dynamiek en vernieuwingsprocessen moet geruime tijd van te voren geïnvesteerd worden in een vervangende leefomgeving, zodat die reeds aanwezig is op het moment dat plannen voor een nieuw ruimtebeslag worden gemaakt.

 

 

Afweging

Het voorliggende bestemmingsplan heeft grotendeels een beheersmatig karakter. In het algemeen geldt, dat er geen sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Bij de uitvoering van wijzigingsbevoegdheden wordt een onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten verplicht gesteld.

 

5.6.2 Gebiedsbescherming

In de Natuurbeschermingswet 1998 is de gebiedsbescherming geregeld. De kern van de gebiedsbescherming wordt gevormd door het netwerk van Natura 2000-gebieden die strikt beschermd zijn. De Vogel- en Habitatrichtlijngebieden maken onderdeel uit van de Natura-2000-gebieden.Bij ruimtelijke ingrepen in de nabije omgeving van beschermde gebieden moet worden bepaald in hoeverre de externe werking van de ingreep een effect heeft op het te beschermen gebied.

 

Afweging

De Sint-Jansberg bij Plasmolen (L) is als Natura-2000-gebied in ontwerp. Gezien de afstand van bijna 2,5 kilometer en de fysieke barrière van de Maas wordt aantasting niet verwacht. Het Natura-2000-gebied Oeffelter Meent bevindt zich op een afstand van ruim 4 kilometer van het plangebied. Vanwege het ontbreken van grootschalige ontwikkelingen in het gebied is er geen sprake van aantasting van de te beschermen gebieden.

Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.

 

5.6.3 Ecologische Hoofdstructuur

De Ecologische Hoofdstructuur is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Het netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Ook beheersgebieden behoren ertoe. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in Noord-Brabant sluit aan op die in de rest van Nederland. Natura 2000 gebieden, het Europese netwerk van natuurgebieden, maakt onderdeel uit van de EHS.

 

De Maas, die grenst aan het plangebied, behoort tot de EHS, evenals de nabij gelegen EHS-gebieden Zevenhutten en Maasheggen. Aantasting of verstoring van de EHS wordt echter niet verwacht. Gebiedsbescherming is hiermee geen belemmering voor het bestemmingsplan.

 

Afweging

Het voorliggende bestemmingsplan heeft grotendeels een beheersmatig karakter. Het plan voorziet niet in directe nieuwbouwmogelijkheden. In het algemeen geldt dat er geen sprake kan zijn van negatieve effecten op leefgebieden en daarmee op eventueel voorkomende soorten. Er bestaat dan ook geen noodzaak tot een nader ecologisch onderzoek voor het plangebied.

Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.

 

5.7 Kabels en leidingen

 

Kabels en buisleidingen maken onderdeel uit van de infrastructuur in Nederland. Het gaat om het vervoer en de verspreiding van vloeistoffen, gassen en elektriciteit. Vanwege het belang en de mogelijke gevaarzetting van de stoffen en de elektriciteit, moet de aanwezigheid van de kabels en leidingen bekend zijn in ruimtelijke plannen.

 

Afweging

In het plangebied liggen geen doorgaande kabels en buisleidingen. Er zijn geen juridische maatregelen nodig in de regels of op de verbeelding.

 

5.8 Bedrijven

 

Zonering geldt vooral bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. In bestaande wijken ligt de situatie en daarmee de afstand tussen de bedrijvigheid en de gevoelige bestemmingen vast. De milieuzonering is vastgelegd in de juridische regeling van dit bestemmingsplan.

 
Afweging

In de Valuwe is slechts één bedrijfslocatie aanwezig: een onbemand tankstation (zonder lpg) aan de Guldengaarde 16a. De bijbehorende bedrijfsbebouwing staat leeg. De bedrijfslocatie wordt omringd door woningen en een nabijgelegen school.

 

In het geldende bestemmingsplan "de Valuwe" is de bedrijfslocatie specifiek bestemd als garagebedrijf met een verkooppunt voor brandstoffen, exclusief lpg. Er is geen Staat van Bedrijfsactiviteiten gekoppeld aan deze bestemming. Het is tegenwoordig gebruik om een algemene bestemming "Bedrijf" op te nemen en daaraan wel een dergelijke Staat te koppelen. De toepasbaarheid is beschreven in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering: editie 2009' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Volgens de handreiking vallen een garagebedrijf met de verkoop van motorbrandstoffen (zonder lpg) in categorie 2.

 

In dit bestemmingsplan wordt geen Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen, maar de systematiek van het geldende bestemmingsplan gevolgd. Dit heeft te maken met het ontbreken van andere bedrijfslocaties met activiteiten in het plangebied. In de bestemmingsomschrijving wordt het gebruik als garagebedrijf met tankstation mogelijk gemaakt. Andere bedrijfsactiviteiten zijn niet toegelaten.

 

5.9 Groen

 

Het openbaar groen in kernen wordt geregeld ingericht als (in)formele speelruimte. In het gemeentelijk Speelruimtebeleid en Speelplekkenplan wordt meer sturing en diepte gegeven aan de inrichting en spreiding van speelplekken. De betrokken werkgroep stelt in het eindrapport voor om de tot nu toe gebruikte (summiere) richtlijnen voor plaatsing van speeltoestellen, te vervangen door een breder ‘Integraal speelruimtebeleid’ met de volgende doelen:

  1. ontmoetingsplaatsen creëren in de wijken, waar ouders en kinderen elkaar kunnen ontmoeten;

  2. ontwikkelingsmogelijkheden creëren voor kinderen;

  3. een leefomgeving bieden waarin kinderen fysiek en sociaal gezond kunnen opgroeien.

 

 [image]

 

Vijf centrale duurzame speelplekken voor kinderen en jeugd in de wijk is ruim voldoende. Geadviseerd wordt om de speelplek aan het Arodaveld [1025] aan te wijzen als centrale plek voor het noordoostelijk deel van de buurt. De speelplek aan de Botteliersdreef [1084] is de tweede centrale speelplek in het noordelijk deel van de wijk. De derde centrale duurzame speelplek dient gecreëerd te worden binnen het te revitaliseren deel van de buurt op een centrale plek [Z6], bijvoorbeeld ter hoogte van de huidige Patakondreef. De speelplek aan de Eurodreef [10941] vormt samen met het nieuw in te richten plein van de Vierlanderdreef [1675] de duurzame centrale plek voor het zuidwestelijk deel van de wijk. Als vijfde centrale basisvoorziening in de wijk kan de speelplek aan de Rozenobel [1570] aangewezen worden.

 

Het aantal jongeren zal de komende jaren ongeveer gelijk blijven en daarna gaan dalen. Derhalve zijn vijf Stay Aroundplekken voor de jongeren voldoende in de wijk. Geadviseerd wordt om de trapveldjes aan de Galberg [1205] en Parkzicht [1533] te voorzien van bankjes of andere zitaanleidingen zodat ook het ontmoeten hier gefaciliteerd wordt en de plekken als Stay Aroundplek kunnen fungeren. De skatebaan en ontmoetingsplek aan de Sportlaan [1616] is de derde Stay Aroundplek in de wijk die tevens een bovenwijkse voorziening heeft voor jongeren uit andere wijken. Voor een herinrichting van de Vierlanderdreef liggen vele verzoeken en zijn al enkele overleg momenten met jongeren en de buurt geweest. Geadviseerd wordt om deze plek als Stay Aroundplek voor jongeren in te richten met een verhard multicourt.

De vijfde Stay Aroundplek dient gecreëerd te worden in het revitaliseringsdeel van de wijk [Z9] waar een centrale duurzame speelplek voor kinderen, jeugd en jongeren dient te komen.

 

Afweging

Binnen de bestemming 'Groen' worden speelplekken mogelijk gemaakt. Voor de centrale duurzame speelplekken en de Stay Aroundplekken binnen het plangebied geldt dat ter plaatse geen parkeren is toegestaan, zodat de speelplekken gewaarborgd zijn. In aanvulling is het in de bestemming 'Maatschappelijk' mogelijk gemaakt gronden te gebruiken als openbare speelgelegenheid.

 

5.10 Wonen

 

De woonfunctie is de meest voorkomende in bestemmingsplannen. Een woning is een primaire levensbehoefte en de plek waar de mens het grootste deel van zijn tijd doorbrengt. Vanwege het belang van de woonfunctie voor iedereen en het daarbij behorende ruimtebeslag, zijn er relatief veel beleidstukken over dit onderwerp.

 

5.10.1 Woningbouwprogramma 2012-2027

Op 4 juli 2005 heeft de gemeenteraad het woningbouwprogramma 2005-2015 vastgesteld. Praktisch gezien ging het om een overzicht van woningbouwprojecten en woningbouwplannen die waren geselecteerd uit de vele projecten en plannen die er waren. Bij de selectie is onder meer rekening gehouden met de ‘Volkshuisvestingsrapportage gemeente Cuijk 2002’, gebaseerd op een volkshuisvestingsonderzoek van Companen. De conclusie was onder andere dat tot 2015 er een ambitie was van ruim 2.500 woningen. In 2010 zou worden bezien of het woningbouwprogramma geactualiseerd zou moeten worden. Gelet op de economische crisis en het effect daarvan op de woningmarkt en woningbouwontwikkelingen, heeft de gemeenteraad op 19 december 2011 het woningbouwprogramma geactualiseerd.

 

Op 18 mei 2011 heeft Companen het rapport‘ “Actualisering woningbouwprogramma” aangeboden. Op basis van het rapport is het meerjarenwoningbouwprogramma geactualiseerd voor de periode 2012-2027. De belangrijkste conclusie is dat een groot aantal woningen rekenkundig dient te worden geschrapt, omdat er geen behoefte is vastgesteld. In totaal worden op meerdere locaties 461 woningen rekenkundig geschrapt. Een groot deel van deze woningen was geprojecteerd binnen het plangebied van “Cuijk Centrum”. De geplande woningen die resteren, 1.291 tot 2027, zijn vastgesteld als het basiswoningbouwprogramma. In dit programma wordt op hoofdlijnen weergegeven hoeveel, wanneer en in welk gebied gebouwd zou mogen worden. In het gebied ‘Cuijk Centrum en overig’ mogen 418 woningen worden gebouwd tot 2027.

 

Afweging

Het gebied ‘Cuijk Centrum en overig’ omvat onder andere de woningen binnen de Cuijkse Cantheelen, gelegen buiten het plangebied en goed voor ruim 300 woningen. Binnen het plangebied zijn alleen bestaande rechten op woningbouw opgenomen. De totale revitalisering van De Valuwe heeft een saldo nul voor wat betreft woningbouw: er worden net zoveel woningen teruggebouwd als gesloopt.

 

5.10.2 Mantelzorgbeleid

De maatschappelijke vraag naar zorg-/woonmogelijkheden is aanleiding geweest tot het opstellen van een uniforme regeling voor het Land van Cuijk voor huisvesting ten behoeve van mantelzorg. De uniforme regeling dient te voorzien in het realiseren van een gevarieerd aanbod van wonen en zorg op

maat, waaronder ook huisvesting dichtbij kinderen, ouders of anderen kan vallen. Door huisvesting ten behoeve van mantelzorg te faciliteren kunnen tal van wederzijdse voordelen worden geboden, zoals de mogelijkheid langer zelfstandig te wonen, het voorkomen van vereenzaming en isolement, hulp in de huishouding van werkende ouders, etc. Het komt dus ook tegemoet aan een sociale (woon)wens.

 

Onder “mantelzorg” wordt verstaan “het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband”. Om medewerking te kunnen verlenen aan het gebruik van een (vrijstaand) bijgebouw als afhankelijke woonruimte, dient sprake te zijn van mantelzorg als hierboven omschreven. Om te kunnen

bepalen of sprake is van mantelzorg zal advies worden ingewonnen bij een onafhankelijke deskundige instantie. Uit de omschrijving blijkt dat de doelgroep ruim is gesteld en deze verder gaat dan de tot nu toe bekende ouder-kindrelatie. Om te voorkomen dat een woonperceel verwordt tot een (commerciële) opvanggelegenheid, mag per woonperceel maximaal één afhankelijke woonsituatie aanwezig zijn.

 

Afweging

Het mantelzorgbeleid is algemeen geldend en wordt in elk nieuw bestemmingsplan

juridisch verankerd, zo ook in het voorliggend bestemmingsplan. Voor het beleid zijn standaardregels geschreven die in voorliggend bestemmingsplan in de "Algemene Regels" zijn opgenomen.

 

5.10.3 Herziening bijgebouwen stedelijk gebied (2002)

Op 8 juli 2002 is door de gemeenteraad van Cuijk de partiële herziening “Bijgebouwen stedelijk gebied” vastgesteld. Het doel van de partiële herziening is één bebouwingsregeling op te stellen voor bijgebouwen bij (burger)woningen in het stedelijk gebied van Cuijk.

Aanleiding voor de herziening is dat het grondgebied van de gemeente Cuijk wordt beheerst door circa honderd vigerende bestemmingsplannen. Veel van deze plannen dateren van vóór de gemeentelijke herindeling (1994) en zijn onder regie van verschillende gemeentebesturen, in samenwerking met diverse adviesbureaus, tot stand gekomen. Dit heeft er toe geleid dat uniformiteit tussen de plannen ontbreekt, zowel qua systematiek als inhoud. Deze verschillen worden als tekortkomingen ervaren.

Het streven is de regeling voor bijgebouwen, met de herziening “Bijgebouwen stedelijk gebied” te laten voldoen aan de volgende kwaliteitseisen: uniform, voor één uitleg vatbaar, eenvoudig, gericht op beoogd ruimtelijk beeld, juridisch houdbaar, maatschappelijk actueel.

 

Afweging

De partiële herziening “Bijgebouwen stedelijk gebied” is van toepassing op het stedelijk gebied van de gemeente Cuijk. Het stedelijk gebied bestaat uit alle bestaande deelgebieden waar planmatige woonbebouwing het ruimtelijk beeld bepaalt. Het gebied bestaat globaal uit de kernen Cuijk, Beers, Haps, Katwijk, Linden, Vianen en St. Agatha. De “Bijgebouwen stedelijk gebied” regeling is op het plangebied van toepassing.

 

De regeling is globaal bekeken, van toepassing op achtererven bij burgerwoningen. De (woon)bestemming van het hoofdgebouw en van het voorerf op de desbetreffende percelen blijft onveranderd. In de regeling wordt benadrukt dat de achtererven voor het wonen bestemd blijven. In combinatie met, en ondergeschikt aan het wonen, mag beperkt een aan huis gebonden beroep worden uitgeoefend. De regeling is opgenomen in de "Algemene regels".

 

5.10.4 Aan-huis-gebonden-beroep of -bedrijf

In de gemeente Cuijk is in het bestemmingsplan "Bijgebouwenregeling stedelijke gebieden" een regeling opgenomen om beroepen en bedrijven in de woning mogelijk te maken. Het beroep of bedrijf wordt als functie gezien die ondergeschikt is aan het wonen. Het gaat om kleinschalige activiteiten die probleemloos in een woning en een woonomgeving kunnen worden uitgeoefend.

 

Aan het ondergeschikte gebruik zijn voorwaarden verbonden, waaronder een maximale oppervlakte van 50 m². In een aantal gevallen is de oppervlakte in de praktijk groter gebleken. Hiervoor is als uitzondering een aparte aanduiding opgenomen om de grotere oppervlakte vast te leggen.

 

Afweging

De regeling is opgenomen in de "Algemene regels".