Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Bedrijf
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
een garagebedrijf met de hierbij behorende voorzieningen, zoals een verkooppunt voor motorbrandstoffen, zonder de verkoop van lpg;
in afwijking van lid a. geldt dat:
ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' alleen nutsvoorzieningen zijn toegestaan;
het niet is toegestaan om het voorerf te gebruiken als opslag- of werkterrein;
het niet is toegestaan om meer dan één bedrijf in een bouwvlak te vestigen;
en medebestemd voor:
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
groenvoorzieningen;
paden, wegen en verkeersvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
detailhandel van aan het garagebedrijf voortvloeiende of samenhangende producten;
en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Bouwperceel
Een bouwperceel mag bebouwd worden, onder voorwaarde dat:
het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 70% mag zijn;
het bebouwingspercentage gelegen buiten de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 50% mag zijn.
3.2.2 Gebouwen
Het bouwen van gebouwen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', onder voorwaarde dat:
de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 3 m moet zijn;
de goothoogte maximaal 5,5 m mag zijn;
de bouwhoogte maximaal 8,5 m mag zijn;
3.2.3 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat de bouwhoogte maximaal 4,5 m mag zijn, met uitzondering van:
erf- en bouwperceelsafscheidingen waarvan de bouwhoogte op het voorerf maximaal 1 m en op het achtererf maximaal 2 m mag zijn;
verlichtingsarmaturen voor het bedrijfsgedeelte, vlaggenmasten, antennes en vergelijkbare constructies waarvan de bouwhoogte maximaal 6 m mag zijn.
3.2.4 Aanduidingen
In afwijking van lid 3.2.2 en lid 3.2.3 geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening':
de goothoogte van een gebouw maximaal 3 m mag zijn;
de bouwhoogte van een gebouw maximaal 5 m mag zijn;
de bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde maximaal 3 m mag zijn.
3.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 22.1, nadere eisen te stellen aan:
de bouw- en goothoogte van bouwwerken;
de afmetingen van bouwwerken;
de situering van bouwwerken;
het aantal en de situering van parkeerplaatsen.
3.4 Afwijking van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1 bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 voor het bouwen van gebouwen tot in de zijdelingse en/of achterste bouwperceelsgrens, onder voorwaarde dat:
het gebouw voldoet aan de brandveiligheidseisen;
een advies van de brandweer is ontvangen.
3.5 Specifieke gebruiksregels
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:
de verkoop en opslag van lpg;
bewoning;
geluidzoneringsplichtige inrichtingen;
kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten;
vuurwerkbedrijven;
Bevi-inrichtingen;
zelfstandige kantoren;
persoonlijke dienstverlening;
detailhandel, met uitzondering van aan het garagebedrijf voortvloeiende of samenhangende producten;
prositutiebedrijven en seksinrichtingen.
Artikel 4 Centrum
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
dienstverlening;
kantoren;
maatschappelijke activiteiten;
wonen uitsluitend op de verdiepingen;
en medebestemd voor:
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
groenvoorzieningen;
paden, wegen en verkeersvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Bouwperceel
Een bouwperceel mag bebouwd worden, onder voorwaarde dat het bebouwingspercentage van het bouwvlak maximaal 100% mag zijn.
4.2.2 Gebouwen
Het bouwen van gebouwen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', onder voorwaarde dat:
de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens;
de bouwhoogte maximaal 14 m mag zijn, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' waar de weergegeven maximale bouwhoogte geldt;
4.2.3 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan uitsluitend op het achtererf, onder voorwaarde dat de bouwhoogte maximaal 2,7 m mag zijn.
4.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde lid 22.1, nadere eisen te stellen aan:
de bouw- en goothoogte van bouwwerken;
de afmetingen van bouwwerken;
de situering van bouwwerken;
het aantal en de situering van parkeerplaatsen
de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
de aard, situering en oppervlakte van verhardingen.
4.4 Specifieke gebruiksregels
Onder een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval het gebruik van gronden en bouwwerken verstaan voor:
een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
detailhandel, waaronder een smartshop, een growshop en een headshop, alsmede het gebruik van opstallen voor het telen, bewerken en verhandelen van soft- en harddrugs;
horeca, casino's en speelautomatenhallen;
opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waaronder reclameuitingen.
4.5 Afwijking van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde lid 23.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1 voor het bouwen van woningen op de begane grond.
Artikel 5 Cultuur en ontspanning
5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
een kinderboerderij;
en medebestemd voor:
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
groenvoorzieningen;
paden, wegen en verkeersvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Bouwperceel
Een bouwperceel mag bebouwd worden, onder voorwaarde dat het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 10% mag zijn.
5.2.2 Gebouwen
Het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' is toegestaan, onder voorwaarde dat:
de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 3 m moet zijn;
de goothoogte van het hoofdgebouw maximaal 4,5 m mag zijn;
de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 3 m mag zijn;
5.2.3 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat de bouwhoogte maximaal 1 m mag zijn, met uitzondering van:
erf- en bouwperceelsafscheidingen waarvan de bouwhoogte op het achtererf maximaal 2 m mag zijn;
verlichtingsarmaturen voor het bedrijfsgedeelte, vlaggenmasten, antennes en vergelijkbare constructies waarvan de bouwhoogte maximaal 6 m mag zijn.
5.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 22.1, nadere eisen te stellen aan:
de bouw- en goothoogte van bouwwerken;
de afmetingen van bouwwerken;
de situering van bouwwerken;
het aantal en de situering van parkeerplaatsen.
5.4 Specifieke gebruiksregels
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:
bewoning;
detailhandel of andere handels- en/of bedrijfsdoeleinden;
horeca-activiteiten;
het recreatief nachtverblijf;
het plaatsen van kampeermiddelen, andere onderkomens of als dagcamping.
5.5 Afwijking van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1 bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.4 voor horeca-activiteiten uit categorie VI, zoals opgenomen in bijlage 1 'Staat van Horeca-activiteiten' van de regels , onder voorwaarde dat de oppervlakte maximaal 10% van het totaal bebouwde oppervlakte mag zijn, met een maximum van 50 m².
Artikel 6 Groen
6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bedoeld voor:
openbaar groen en groenvoorzieningen;
openbare speelplaatsen en speelvoorzieningen;
en medebestemd voor:
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
nutsvoorzieningen;
verkeersvoorzieningen voor langzaam verkeer;
de ontsluiting van aanliggende percelen;
parkeren en parkeervoorzieningen, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein uitgesloten' waar het parkeren en het aanleggen van parkeervoorzieningen niet is toegestaan;
culturele uitingen zoals beeldende kunstwerken, heiligenhuisjes en dergelijke;
hondenuitlaatplaatsen;
extensief recreatief medegebruik;
en de daarbij behorende bouwwerken geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen
Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.
6.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat de bouwhoogte maximaal 3,5 m mag zijn, met uitzondering van:
erf- en perceelsafscheidingen waarvan de bouwhoogte maximaal 2 m mag zijn;
verlichtingsarmaturen en vlaggenmasten waarvan de bouwhoogte maximaal 10 m mag zijn.
6.2.3 Specifieke bouwregels
In afwijking van lid 6.2.1 geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' een fietsenstalling mag worden gebouwd, onder voorwaarde dat:
de bouwhoogte maximaal 2,70 m mag zijn;
de oppervlakte maximaal 60 m² mag zijn.
6.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 22.1, nadere eisen te stellen aan:
de bouw- en goothoogte van bouwwerken;
de afmetingen van bouwwerken;
de situering van bouwwerken;
het aantal en de situering van parkeerplaatsen.
6.4 Specifieke gebruiksregels
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:
het plaatsen van kampeermiddelen, andere onderkomens of als dagcamping;
de opslag van grote obstakels als boten, caravans e.d. alsmede als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van bruikbare en/of onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens als zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
het inrichten en gebruiken van gronden als erf bij een woning of als volkstuin.
6.5 Afwijking van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1 voor het geheel of gedeeltelijk gebruiken van gronden als erf bij een woning, onder voorwaarde dat:
de gronden aansluiten op een bouwperceel met een woonbestemming;
het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de openbare groenstructuur in de directe omgeving;
de bebouwing beperkt blijft tot een perceelsafscheiding met een maximale hoogte van 1 m ter hoogte van het voorerf van de woning en maximaal 2 m ter hoogte van het achtererf van de woning.
6.6 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1 bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat de bestemming 'Groen' in het kader van de uitgifte van openbaar groen geheel of gedeeltelijk gewijzigd wordt naar:
de bestemming 'Verkeer', onder voorwaarde dat:
de wijziging niet leidt tot een onevenredige aantasting van de openbare groenstructuur in de directe omgeving;
de nieuwe verkeersfunctie noodzakelijk wordt geacht om een goede geleiding, beveiliging en regeling van verkeersbewegingen te waarborgen binnen het plangebied;
de bestemming 'Wonen', onder voorwaarde dat:
de te wijzigen gronden worden toegevoegd aan een aangrenzend bouwperceel met een woonbestemming;
de wijziging niet leidt tot een onevenredige aantasting van de openbare groenstructuur in de directe omgeving.
Artikel 7 Maatschappelijk
7.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke activiteiten;
openbare dienstverlening en buitenschoolse opvang;
openbare speelplaatsen en speelvoorzieningen;
in afwijking van lid a. tot en met c. geldt dat:
ter plaatse van de aanduiding 'religie' alleen levensbeschouwelijk activiteiten zijn toegestaan;
ter plaatse van de aanduiding 'religie' ook ondergeschikte detailhandel is toegestaan tot een maximale oppervlakte van 35 m²;
ter plaatse van de aanduiding 'religie' ook één bedrijfswoning is toegestaan, behorende bij de aanwezige levensbeschouwelijke activiteiten;
ter plaatse van de aanduiding 'wonen' ook wonen op de verdiepingslagen is toegestaan;
ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' ook detailhandel in de vorm van een kringloopwinkel met een maatschappelijke doelstelling is toegestaan;
en medebestemd voor:
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
groenvoorzieningen;
paden, wegen en verkeersvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Bouwperceel
Een bouwperceel mag bebouwd worden, onder voorwaarde dat:
het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 40% mag zijn, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage', waar het weergegeven maximum bebouwingspercentage geldt;
het bebouwingspercentage voor gronden buiten de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 50% mag zijn.
7.2.2 Gebouwen
Het bouwen van gebouwen is toegestaan, onder voorwaarde dat:
de afstand van gebouwen tot de bouwperceelsgrens minimaal 3 m moet zijn;
het hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' moet worden gebouwd;
de goothoogte van het hoofdgebouw maximaal 10 m mag zijn, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' waar de weergegeven maximale goothoogte geldt;
de bouwhoogte van het hoofdgebouw maximaal 15 m mag zijn, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' waar de weergegeven maximale bouwhoogte geldt;
de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 3 m mag zijn.
7.2.3 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat:
de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 4,5 m mag zijn, met uitzondering van:
erf- en bouwperceelsafscheidingen waarvan de bouwhoogte op het voorerf maximaal 1 m en op het achtererf maximaal 2 m mag zijn;
verlichtingsarmaturen voor het bedrijfsgedeelte, vlaggenmasten, antennes en vergelijkbare constructies waarvan de bouwhoogte maximaal 6 m mag zijn.
de bouwhoogte buiten de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 1 m mag zijn, met uitzondering van:
erf- en bouwperceelsafscheidingen waarvan de bouwhoogte op het achtererf maximaal 2 m mag zijn;
speelvoorzieningen waarvan de bouwhoogte maximaal 4,5 m mag zijn;
verlichtingsarmaturen voor het bedrijfsgedeelte, vlaggenmasten, antennes en vergelijkbare constructies waarvan de bouwhoogte maximaal 6 m mag zijn.
7.2.4 Aanduidingen
In afwijking van lid 7.2.2 geldt dat ter plaatse van:
de aanduiding 'religie' één bedrijfswoning mag worden gebouwd, met een maximale inhoud van 500 m³;
de aanduiding 'religie' maximaal één minaret mag worden gebouwd, met een maximale bouwhoogte van 17 m;
de aanduiding 'wonen' maximaal 2 woningen mogen worden gebouwd, met een maximale inhoud van 350 m³ per woning.
de aanduiding 'bijgebouwen' bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd, onder voorwaarde dat:
de goothoogte maximaal 3 m mag zijn;
de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' maximaal 40 m² mag zijn.
7.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 22.1, nadere eisen te stellen aan:
de bouw- en goothoogte van bouwwerken;
de afmetingen van bouwwerken;
de situering van bouwwerken;
het aantal en de situering van parkeerplaatsen.
7.4 Afwijking van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1 bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2 voor het bouwen van gebouwen tot in de zijdelingse bouwperceelsgrens, onder voorwaarde dat:
het gebouw voldoet aan de brandveiligheidseisen;
een advies van de brandweer is ontvangen.
7.5 Specifieke gebruiksregels
7.5.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:
bewoning, met uitzondering van het hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding 'religie';
detailhandel, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'religie', waarbij de verkoop van levensmiddelen niet is toegestaan.
7.5.2 Parkeernormen
Ter plaatse van de aanduiding 'religie' geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak, 0,15 parkeerplaatsen per zitplaats en 1,5 parkeerplaats per woning.
7.5.3 Overnachten en kamperen
Het overnachten en incidenteel kamperen als onderdeel van de maatschappelijke activiteit bekend als 'scouting' is toegestaan.
Artikel 8 Sport
8.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
de actieve en passieve beoefening van sporten;
en medebestemd voor:
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
groenvoorzieningen, al dan niet met een visueel afschermende functie;
paden, wegen en verkeersvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Bouwperceel
Een bouwperceel mag bebouwd worden, onder voorwaarde dat het bebouwingspercentage maximaal 5% mag zijn, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage', waar het weergegeven maximum bebouwingspercentage geldt.
8.2.2 Gebouwen
Het bouwen van gebouwen is toegestaan, onder voorwaarde dat:
de afstand tot de bouwperceelsgrens minimaal 3 m moet zijn;
de afstand van de gebouwen tot de as van de openbare weg minimaal 15 moet zijn;
de goothoogte maximaal 3,5 m mag zijn, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte', waar de weergegeven maximale goothoogte geldt.
8.2.3 Bouwwerken geen gebouw zijnde
de bouwhoogte maximaal 3 m mag zijn, met uitzondering van:
erf- en perceelsafscheidingen waarvan de bouwhoogte maximaal 2 m mag zijn;
ballenvangers waarvan de bouwhoogte maximaal 5 m mag zijn;
vlaggenmasten en verlichtingsarmaturen waarvan de bouwhoogte maximaal 6 m mag zijn;
lichtmasten waarvan de bouwhoogte maximaal 15 m mag zijn;
de oppervlakte maximaal 30 m² mag zijn.
8.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 22.1, nadere eisen te stellen aan:
de bouw- en goothoogte van bouwwerken;
de afmetingen van bouwwerken;
de situering van bouwwerken;
het aantal en de situering van parkeerplaatsen.
8.4 Afwijking van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2 voor:
het bouwen van gebouwen tot in de zijdelingse bouwperceelsgrens, onder voorwaarde dat:
het gebouw voldoet aan de brandveiligheidseisen;
een advies van de brandweer is ontvangen;
het verhogen van de goothoogte tot maximaal 8 m, onder voorwaarde dat de afwijkende goothoogte vanuit de functie van het bouwwerk noodzakelijk is, zoals tribunes.
8.5 Specifieke gebruiksregels
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:
het beoefenen van sporten met motorvoertuigen;
de opslag van grote obstakels als boten, caravans e.d. alsmede als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van bruikbare en/of onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens als zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
Artikel 9 Verkeer
9.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
de geleiding, beveiliging en regeling van verkeersbewegingen, met uitzondering van railverkeer;
de ontsluiting van de aanliggende percelen;
parkeren;
in afwijking van lid a. tot en met c. geldt dat:
ter plaatse van de aanduiding 'garage' het stallen van motorvoertuigen en bergingsmogelijkheden zijn toegestaan;
en medebestemd voor:
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
groenvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
openbare speelplaatsen en speelvoorzieningen;
culturele uitingen zoals beeldende kunstwerken, heiligenhuisjes en dergelijke;
en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, werken en werkzaamheden.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Gebouwen
Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.
9.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat de inhoud maximaal 25 m³ mag zijn en de bouwhoogte maximaal 3 m mag zijn, met uitzondering van:
verlichting, palen, masten en portalen, waarvan de bouwhoogte maximaal 15 m mag zijn;
signalerings- en telecommunicatiemasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 40 m mag zijn.
9.2.3 Aanduidingen
In afwijking van lid 9.2.1 geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'garage' afsluitbare stallingsmogelijkheden voor motorvoertuigen en van bergingsmogelijkheden mogen worden gebouwd, onder voorwaarde dat:
de goothoogte maximaal 3 mag zijn;
de oppervlakte van iedere garagebox maximaal 30 m² mag zijn.
9.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 22.1, nadere eisen te stellen aan:
de bouw- en goothoogte van bouwwerken;
de afmetingen van bouwwerken;
de situering van bouwwerken;
het aantal en de situering van parkeerplaatsen.
9.4 Specifieke gebruiksregels
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor de opslag van grote obstakels als boten, caravans e.d. alsmede als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van bruikbare en/of onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens als zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
Artikel 10 Verkeer - Railverkeer
10.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer - Railverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
de geleiding, beveiliging en regeling van railverkeersbewegingen;
ongelijkvloerse en gelijkvloerse kruisingen voor wegen, straten en water;
en medebestemd voor:
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
groenvoorzieningen;
paden, wegen en verkeersvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
extensief recreatief medegebruik;
geluidreducerende en geluidwerende voorzieningen;
en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, werken en werkzaamheden.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Gebouwen
Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.
10.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat de bouwhoogte maximaal 4 m mag zijn, met uitzondering van:
erf- en terreinafscheidingen waarvan de bouwhoogte maximaal 2,5 m mag zijn;
geluidreducerende en geluidwerende voorzieningen, waarvan de bouwhoogte maximaal 4 m gemeten vanaf de Bovenkant Spoorstaaf mag zijn;
bouwwerken voor het onderbrengen van voorzieningen van de elektrotechnische systemen, waarvan de bouwhoogte maximaal 7 m gemeten vanaf de Bovenkant Spoorstaaf mag zijn;
verlichting, draagconstructies voor bovenleidingen, seinpalen, bakens en andere railverkeersvoorzieningen, waarvan de bouwhoogte maximaal 15 m mag zijn;
signalerings- en telecommunicatiemasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 40 m mag zijn.
10.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 22.1, nadere eisen te stellen aan:
de bouw- en goothoogte van bouwwerken;
de afmetingen van bouwwerken;
de situering van bouwwerken;
het aantal en de situering van parkeerplaatsen.
10.4 Afwijking van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.2 voor het bouwen van hogere geluidreducerende en geluidwerende voorzieningen, onder voorwaarde dat:
de afwijking noodzakelijk is om aan de eisen te kunnen voldoen die gelden ingevolge de Wet geluidhinder.
de bouwhoogte maximaal 8 meter mag zijn.
10.5 Specifieke gebruiksregels
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor de opslag van grote obstakels als boten, caravans e.d. alsmede als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van bruikbare en/of onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens als zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
Artikel 11 Wonen
11.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
de huisvesting van een huishouden;
ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' zijn ook maatschappelijke activiteiten toegestaan;
en medebestemd voor:
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
groenvoorzieningen;
paden, wegen en verkeersvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Bouwperceel
Een bouwperceel mag bebouwd worden, onder voorwaarde dat:
het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 100% mag zijn;
het bebouwingspercentage voor gronden buiten de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 50% mag zijn.
11.2.2 Hoofdgebouwen
Het bouwen van een hoofdgebouw is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', onder voorwaarde dat:
het niet is toegestaan het bestaande aantal woningen per bouwvlak te vermeerderen, met als peildatum de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, tenzij op de verbeelding anders is aangeduid;
ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' één vrijstaand hoofdgebouw mag worden gebouwd;
ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' twee hoofdgebouwen aan elkaar moeten worden gebouwd;
ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' minimaal drie hoofdgebouwen aan elkaar moeten worden gebouwd;
ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' geldt dat:
in de eerste bouwlaag geen woningen mogen worden gebouwd;
maximaal 4 bouwlagen met woningen boven de eerste bouwlaag mogen worden gebouwd;
ter plaatse van de aanduidingen 'tweeaan-een' en 'aaneengebouwd' de voorgevel in de voorste bouwgrens moet worden gebouwd;
de goothoogte maximaal 6 m mag zijn, met uitzondering ter plaatse van de aanduidingen 'maximale goothoogte' waar de weergegeven maximale goothoogte geldt;
de bouwhoogte maximaal 10 m mag zijn, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte', waar de weergegeven maximale bouwhoogte geldt;
11.2.3 Bijbehorende bouwwerken
Het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen is toegestaan, onder de algemene voorwaarden dat:
ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' in de eerste bouwlaag alleen bijbehorende bouwwerken technische- en verkeersruimten behorende bij de bovenliggende woning(en) mogen worden gebouwd, op het overige erf zijn bijbehorende bouwwerken niet toegestaan;
de afstand tot de voorste bouwgrens minimaal 3 m moet zijn;
de bouwhoogte van overkappingen maximaal 3 m mag zijn;
de gezamenlijke oppervlakte maximaal 60 m² zijn, onder voorwaarde dat:
een functionele uitbreiding van een hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ niet wordt meegerekend bij de gezamenlijke oppervlakte;
de gezamenlijke oppervlakte van het achtererf, exclusief het hoofdgebouw voor zover gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', voor maximaal 50% mag worden bebouwd;
indien de gezamenlijke oppervlakte van het achtererf, exclusief het hoofdgebouw, groter is dan 120 m², de norm van 60 m² verhoogd mag worden met 10% van het meerdere tot een maximum van 90 m², onverlet het bepaalde onder 2.;
In aanvulling op de algemene voorwaarden geldt voor:
aangebouwde bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ dat:
de goot- en bouwhoogte maximaal gelijk mag zijn aan de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw;
aangebouwde bijbehorende bouwwerken gelegen buiten de aanduiding ‘bouwvlak’ dat:
de goothoogte maximaal 3,25 m mag zijn;
de bouwhoogte maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag zijn, met een maximum van 6 m;
vrijstaande bijbehorende bouwwerken dat:
de onderlinge afstand tussen vrijstaande bijbehorende bouwwerken minimaal 3 m moet zijn;
de oppervlakte van een vrijstaand bijbehorende bouwwerk maximaal 45 m² mag zijn;
de goothoogte maximaal 3 m mag zijn;
de bouwhoogte maximaal 5 m mag zijn;
In afwijking van lid b. geldt dat:
een aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan de voorgevel mag worden gebouwd, onder voorwaarde dat:
de breedte maximaal 40% van de breedte van de voorgevel mag zijn;
de diepte maximaal 1/3 van de breedte mag zijn, met een maximum van 1 m;
de bouwhoogte minimaal de kozijnhoogte van de entreepui moet zijn en maximaal de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag mag zijn, onder voorwaarde dat de bouwhoogte minimaal 0,5 meter onder de goothoogte van de woning blijft.
11.2.4 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat:
de bouwhoogte op het voorerf maximaal 1 m mag zijn;
de bouwhoogte op het achtererf maximaal 3 m mag zijn, met uitzondering van:
een whirlpool of jacuzzi, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,5 m mag zijn;
tuinverlichting, erf- en perceelsafscheidingen en een paardenbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 m mag zijn.
11.2.5 Aanduidingen
In afwijking van lid 11.2.1, lid 11.2.2, lid 11.2.3 en lid 11.2.4 geldt dat ter plaatse van:
de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1':
de eerste 7 m gemeten vanaf de voorgevelrooilijn de bouwhoogte maximaal 6 m en de goothoogte maximaal 4 m mag zijn;
ná de eerste 7 m gemeten vanaf de voorgevelrooilijn de bouw- en de goothoogte maximaal 3,5 m mag zijn.
de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2':
ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 5 aaneengebouwde woningen mogen worden gebouwd;
de inhoud van de woning minimaal 250 m³ moet zijn;
de goothoogte minimaal 2,5 m moet zijn en maximaal 7 mag zijn;
de bouwhoogte maximaal 9 m mag zijn;
de breedte van de woning minimaal 4,5 m moet zijn;
de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3':
ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 2 twee-aaneen gebouwde woningen mogen worden gebouwd;
de inhoud van de woning minimaal 250 m³ moet zijn;
de goothoogte minimaal 2,5 m moet zijn en maximaal 6,5 mag zijn;
de bouwhoogte maximaal 7 m mag zijn;
de breedte van de woning minimaal 4,5 m moet zijn;
de afstand tussen hoofdgebouw en zijdelingse perceelsgrens minmaal 2,5 m moet zijn.
de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4':
ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 36 gestapelde woningen mogen worden gebouwd;
het bebouwingspercentage maximaal 80% mag zijn, waarbij de oppervlakte van de parkeerkelder niet wordt meegerekend;
maximaal 3 bouwlagen boven peil zijn toegestaan;
de bouwhoogte maximaal 13 m mag zijn;
de dakhelling maximaal 35º mag zijn.
de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - 2', 'specifieke bouwaanduiding - 3' en 'specifieke bouwaanduiding - 4' bij de beoordeling van nieuwe initiatieven van toepassing zijn het door de Raad vastgestelde:
stedenbouwkundig plan de Valuwe, Cuijk;
Notitie beeldkwaliteit Cuijk, de Valuwe.
de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 5':
ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' alleen aaneengebouwde woningen mogen worden gebouwd;
de bouwhoogte van de woning maximaal 4 m mag zijn;
de bouwhoogte van de woning maximaal 7 m mag zijn ten behoeve van een dakopbouw, onder voorwaarde dat:
de dakopbouw een oppervlakte heeft van maximaal 50 m²;
de achtergevel van de dakopbouw wordt gesitueerd in het figuur 'gevellijn';
de dakopbouw de voorgevelrooilijn niet mag overschrijden;
de afstand tot een naastgelegen dakopbouw minimaal 2 m moet zijn.
bijbehorende bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan buiten het bouwvlak en uitsluitend achter de achterste achtergevel van het hoofdgebouw;
bijbehorende bouwwerken in het bouwvlak zijn toegestaan, onder voorwaarde dat:
de afstand tot de achtergevel minimaal 3 m moet zijn;
de oppervlakte maximaal 9 m² mag zijn;
bijbehorende bouwwerken niet breder mogen zijn dan de achterste achtergevel van het hoofdgebouw;
de bebouwde oppervlakte van bijbehorende bouwvlakken maximaal 10 m² mag zijn.
de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 6':
ter plaatse van de aanduidingen 'bouwvlak' en 'bijgebouwen' gezamenlijk één vrijstaande woning met bijbehorende bouwwerken als één bouwmassa mag worden gebouwd;
het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduidingen 'bouwvlak' en 'bijgebouwen' mag maximaal 100% zijn.
het bebouwingspercentage voor gronden buiten de aanduidingen 'bouwvlak' en 'bijgebouwen' is 0%.
ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' geldt dat:
de goothoogte maximaal 3 m mag zijn;
de bouwhoogte maximaal 8 m mag zijn;
de bebouwing met een kap moet worden afgedekt, met een dakhelling van 45° en een breedte van 10 m;
de nokrichting van de kap moet haaks op de voorgevel staan;
ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' geldt dat:
de bouwhoogte maximaal 3 m mag zijn;
de bebouwing plat moeten worden afgedekt;
een plat dak niet mag worden voorzien van een dakterras, balkon of een andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
minimaal twee parkeerplaatsen op elk bouwperceel aanwezig moeten zijn.
de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 7':
ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 10 hoofdgebouwen mogen worden gerealiseerd;
de inhoud van een hoofdgebouw minimaal 200 m³ moet zijn;
de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw maximaal 9 m mag zijn;
de breedte van een hoofdgebouw minimaal 4,5 m moet zijn;
de grenzen van het bouwvlak mogen worden overschreden door erkers, luifels, balkons en dergelijke, onder voorwaarde dat:
de diepte gemeten vanaf de bouwvlakgrens maximaal 1 m mag zijn;
bij een uitbouw in één bouwlaag de breedte maximaal 80% van de breedte van de woning mag zijn;
bij een uitbouw in twee bouwlagen de breedte maximaal 30% van de breedte van de woning mag zijn.
11.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, met inachtneming van de regels en het bepaalde in lid 22.1, nadere eisen te stellen aan:
de bouw- en goothoogte van bouwwerken;
de afmetingen van bouwwerken;
de situering van bouwwerken;
het aantal en de situering van parkeerplaatsen.
11.4 Afwijking van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2 voor:
het verhogen van de goothoogte van het hoofdgebouw tot maximaal 10 m, met uitzondering ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - 7' waar de maximale goothoogte 8 m mag worden, onder voorwaarde dat:
de afstand tot de aangrenzende hoofdgebouwen minimaal 6 m moet zijn;
de bouwhoogte van het hoofdgebouw maximaal 11 m is;
het verhogen van de bouwhoogte van het hoofdgebouw tot maximaal 11 m, onder voorwaarde dat de afstand tot de aangrenzende hoofdgebouwen minimaal 6 m moet zijn;
het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen tot maximaal 75 m², onder voorwaarde dat een onbebouwde en onoverdekte aaneengesloten ruimte van minimaal 25 m² overblijft;
het bouwen van de voorgevel van het hoofdgebouw tot maximaal 5 m achter de voorste bouwgrens, waarbij de achterste bouwgrens in gelijke mate mag worden overschreden, onder voorwaarde dat de verschuiving op stedenbouwkundig gronden verantwoord is.
11.5 Specifieke gebruiksregels
11.5.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:
het gebruiken van een bijbehorend bouwwerk als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte;
het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
detailhandel of andere handels- en/of bedrijfsdoeleinden;
horeca-activiteiten.
11.5.2 Bijbehorende bouwwerken
Het hoofdgebouw en de aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt voor bewoning;
Vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen niet worden gebruikt voor bewoning.
11.6 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1 bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat de situering, de grootte en de vorm van de aanduiding 'bouwvlak' wordt aangepast, dan wel bouwvlakken worden toegevoegd of komen te vervallen, onder voorwaarde dat;
de maatvoeringseisen en de bouwwijze niet mogen worden veranderd;
het aantal woningen op het bouwperceel gelijk blijft;
een goede ruimtelijke ordening is gewaarborgd.
Artikel 12 Leiding - Riool
12.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van ondergrondse rioolwatertransportleiding(en) met bijbehorende belemmeringenzone met een breedte van 3,5 m, gemeten vanuit het hart van de leiding. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
12.2 Bouwregels
In afwijking van het bepaalde in de bouwregels van de ter plaatse geldende bestemmingen, mogen op en in de gronden uitsluitend bouwwerken voor de leiding worden gebouwd, onder voorwaarde dat:
de bouwhoogte mag maximaal 3 m zijn;
de oppervlakte mag maximaal 30 m² zijn.
12.3 Afwijking van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het bepaalde in lid 12.2 voor het bouwen ten behoeve van de ter plaatse geldende bestemmingen, onder voorwaarde dat:
de bouwregels van de ter plaatse geldende bestemming worden gebruikt;
het behoud van een veilige ligging en continuïteit van de leiding is gewaarborgd;
het bevoegd gezag schriftelijk advies inwint bij de leidingbeheerder.
12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren ter plaatse van de dubbelbestemming 'Leiding - Riool':
het aanleggen van wegen of paden en/of andere oppervlakte-verhardingen;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem;
het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte;
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,5 m;
het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren;
het permanent opslaan van materialen.
Het verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden welke:
het normale onderhoud en/of gebruik betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden;
reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
het behoud van een veilige ligging en continuïteit van de leiding is gewaarborgd;
het bevoegd gezag schriftelijk advies inwint bij de leidingbeheerder.
12.5 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1 bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat:
de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, onder voorwaarde dat:
de bescherming van de rioolleiding niet langer noodzakelijk is, omdat de rioolleiding wordt verplaatst;
zwaarwegende maatschappelijke belangen dit vergen.
de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' alsnog aan gronden wordt toegekend, onder voorwaarde dat de regels van de reeds aanwezige bestemming(en) onverkort van toepassing blijven.
Artikel 13 Waarde - Archeologie 3
13.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
13.2 Bouwregels
13.2.1 Omgevingsvergunning
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
13.2.2 Voorwaarden
Indien uit het in lid 13.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
13.2.3 Bouwverbod
Indien uit het in lid 13.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 13.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
13.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren ter plaatse van de aanduiding "Waarde - Archeologie 3":
het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 50 m² of meer bedraagt;
het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 50 m² of meer bedraagt;
het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 50 m² of meer bedraagt;
het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 50 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 m bedraagt;
het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 50 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 50 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 50 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 50 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,5 m, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 50 m² of meer bedraagt.
Het verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden welke:
het normale onderhoud en/of gebruik betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden;
reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
is gebleken dat de in lid 12.3 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal;
de in lid 12.3 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
13.4 Omgevingsvergunning voor het slopen
Ter plaatse van de aanduiding "Waarde - Archeologie 3" kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het slopen de volgende voorschriften worden verbonden:
de sloopwerken met een oppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 0,5 m vanaf 0,30 m boven het maaiveld en minder worden begeleid door een gekwalificeerd deskundige;
indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning.
13.5 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin:
de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, onder voorwaarde dat op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' alsnog aan gronden wordt toegekend, onder voorwaarde dat:
uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft;
de regels van de reeds aanwezige bestemming(en) onverkort van toepassing blijven.
Artikel 14 Waarde - Archeologie 5
14.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde - Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
14.2 Bouwregels
14.2.1 Omgevingsvergunning
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
14.2.2 Voorwaarden
Indien uit het in lid 14.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
14.2.3 Bouwverbod
Indien uit het in lid 14.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 14.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
14.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren ter plaatse van de aanduiding "Waarde - Archeologie 5":
het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt;
het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt;
het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt;
het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 m bedraagt;
het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,5 m, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt.
Het verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden welke:
het normale onderhoud en/of gebruik betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden;
reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
is gebleken dat de in lid 13.3 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal;
de in lid 13.3 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
14.4 Omgevingsvergunning voor het slopen
Ter plaatse van de aanduiding "Waarde - Archeologie 5" kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het slopen de volgende voorschriften worden verbonden:
de sloopwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 m vanaf 0,30 m boven het maaiveld en minder worden begeleid door een gekwalificeerd deskundige;
indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning.
14.5 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat:
de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, onder voorwaarde dat op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' alsnog aan gronden wordt toegekend, onder voorwaarde dat:
uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft;
de regels van de reeds aanwezige bestemming(en) onverkort van toepassing blijven.
Artikel 15 Waterstaat - Waterkering
15.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangegeven gronden zijn, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor:
voorzieningen voor de directe en indirecte kering van het water;
aanleg, instandhouding en/of bescherming van de waterkering met bijbehorende taluds, bermen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
behoud en bescherming van de kazematten;
verhardingen;
groenvoorzieningen
Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
15.2 Bouwregels
In afwijking van het bepaalde in de bouwregels van de ter plaatse geldende bestemmingen, mogen op en in de gronden uitsluitend bouwwerken voor de waterkeringsvoorziening worden gebouwd, onder voorwaarde dat de bouwhoogte maximaal 3 m mag zijn.
15.3 Afwijking van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 23.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.2 voor het bouwen ten behoeve van de ter plaatse geldende bestemmingen, onder voorwaarde dat:
de bouwregels van de ter plaatse geldende bestemming worden gebruikt;
de bebouwing niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van het waterkerend vermogen van de waterkering;
het bevoegd gezag schriftelijk advies inwint bij de beheerder van de waterkeringsvoorziening.
15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is het verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
het aanleggen van wegen of paden en/of andere oppervlakteverhardingen;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem;
het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte.
Het verbod is niet van toepassing op werken geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden welke:
het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
Het verlenen van de omgevingsvergunning is alleen toelaatbaar, onder voorwaarde dat:
de werken geen gebouw zijnde of werkzaamheden niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van het waterkerend vermogen van de waterkering;
het bevoegd gezag schriftelijk advies inwint bij de beheerder van de waterkeringsvoorziening.