direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBUI2036-OW01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Het regionaal bedrijvenpark Laarberg (hierna: "Laarberg") te Groenlo wordt gefaseerd uitgebreid. Deze uitbreiding is nodig omdat in de regio Oost-Achterhoek meer behoefte is aan meer ruimte voor grotere, regionaal georiënteerde bedrijven. Door deze ruimte op één geschikte plek te concentreren, wordt voorkomen dat verspreid over de regio kleinere terreinen moeten worden aangelegd. Bovendien is Laarberg, ruimtelijk gezien, een geschikte locatie voor de inpassing van bedrijven uit de hogere milieucategorieën en is daarvoor in het gemeentelijke en provinciale beleid ook als zodanig aangewezen.


Qua bereikbaarheid en zichtbaarheid, beide belangrijke vestigingseisen van bedrijven, ligt Laarberg optimaal ten opzichte van doorgaande regionale wegen. Zeker nu de N18 is aangelegd als autoweg kan Laarberg zich, mede door deze uitbreiding, optimaal ontwikkelen als goed bereikbare zichtlocatie.


Uiteraard moet de uitbreiding van Laarberg op een zorgvuldige manier worden voorbereid. Dit doet Gemeente Oost Gelre, die de initiatiefnemer van deze ontwikkeling is, in nauwe samenwerking met Gebiedsonderneming Laarberg B.V. Uit deze samenwerking zijn een Masterplan en Structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' en bijbehorend m.e.r. voortgekomen. Deze vormen het beleidskader voor alle bestemmingsplannen die voor de uitbreiding van Laarberg moeten worden vastgesteld.


Het plangebied Laarberg Noord is beleidsmatig aangewezen als vestigingsgebied voor bedrijven in de milieucategorieën tot en met 4.2. De bedrijven die zich binnen dit plangebied willen vestigen zijn al bekend. Het voorliggende bestemmingsplan is een plan op maat. Qua inrichting en bebouwing krijgt dit plangebied het karakter van een regulier bedrijventerrein, maar wel met grote bedrijfskavels van minimaal 5.000 m². De marktbehoefte aan dit type kavels is onderbouwd in een afzonderlijke rapportage, die is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting. Daarnaast wordt in paragraaf 3.2 hierop ingegaan.


Individuele bedrijfsvestiging en/of gedeeltelijke aanleg van infrastructuur wordt met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt en duurzaam ingepast.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied Laarberg Noord (hierna: "plangebied") beslaat een oppervlakte van circa 10 hectare en vormt, zoals hiervoor gezegd, een onderdeel van het regionaal bedrijvenpark Laarberg te Groenlo.


Het bedrijvenpark Laarberg wordt aan de noordzijde begrensd door het Ruiterpad, aan de westzijde door de Oude Borculoseweg, aan de zuid(oost)zijde door de Verlengde Zuidgang. Op afbeelding 1.1 is de situering van het plangebied door middel van de gele arcering weergegeven. De rode lijn betreft de ligging van het gehele bedrijvenpark Laarberg.


afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2036-OW01_0001.png"

Afbeelding 1.1 Ligging plangebied Laarberg Noord (geel)

1.3 Vigerende plannen

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' zoals dat op 18 december 2012 is vastgesteld. Dit bestemmingsplan is daarna twee keer aangepast door middel van 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre 2014' (vastgesteld op 15 juli 2014) en 'Buitengebied, Reparatieplan 2016' (vastgesteld op 4 april 2017). Binnen het plangebied gelden, tot de vaststelling van het voorliggende plan, hoofdzakelijk de bestemmingen 'Agrarisch', 'Verkeer' en 'Archeologisch waardevol gebied'. Daarnaast ligt Laarberg Noord binnen het 'Facetbestemmingsplan parkeren'. Voor de ontwikkeling van het plangebied tot bedrijvenpark is aldus een herziening van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie in het plangebied beschreven, waarna in hoofdstuk 3 de doelstellingen, uitgangspunten en inhoud van het plangebied worden beschreven. In hoofdstuk 4 wordt de ontwikkeling verantwoord vanuit het geldende beleid van het Rijk, de provincie Gelderland, de regio en de gemeente Oost Gelre. Hoofdstuk 5 vormt de verantwoording van de ontwikkeling vanuit de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 6 bevat een toelichting op de planregels waarbij de regels artikelgewijs worden besproken. Tot slot volgt in hoofdstuk 7 een motivering van de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Historie

Het plangebied is gelegen nabij de Grolse Linie, een aanvalslinie die Frederik Hendrik in 1627 voor het eerst gebruikte om Grolle in de Tachtigjarige oorlog van de Spanjaarden te ontzetten. De Grolse Linie om Groenlo is voor het grootse deel nog intact in de bodem aanwezig. Deze Grolse Linie is gelegen in agrarisch gebied.


Het plangebied ligt in het buitengebied van Groenlo en is op dit moment in agrarisch gebruik. Op de kaart van rond 1900 (afbeelding 2.1) is het ontstaan van het landschap goed te zien. Het plangebied ligt binnen de heideontginningen met een rechtlijnige verkaveling. De Hupselsche beek (tegenwoordig Leerinkbeek), de Slinge, Holtkampspad, de Ruiterweg en de Oude Borculoseweg zijn de kenmerkende lijnen.


afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2036-OW01_0002.png"

Afbeelding 2.1 Situatie circa 1900

De verkavelingspatronen van het jonge ontginningen landschap zijn tegenwoordig nog steeds zichtbaar. De rechtlijnige patronen van het ontginningsgebied is vooral zichtbaar door de lijnvormige beplantingsstructuren. Het historische coulissenlandschap wordt gekenmerkt door microreliëf, verspreid staande bebouwing en houtwallen. De Leerinkbeek volgt haar oorspronkelijke loop. De Slinge is sterk gekanaliseerd.

Het bedrijvenpark Laarberg is vernoemd naar de boerderij Erve Laarberg aan de Oude Borculoseweg. De naam van de boerderij komt van de familienaam Laarburg die later veranderd is in Laarberg.

2.2 Ruimtelijke structuur

Het plangebied bestaat op dit moment uit agrarische landbouwgrond. De agrarische percelen zijn rechtlijnig verkaveld met op aantal grenzen houtwallen als afscheidingen. Het Holtkampspad loopt zuidelijk van het plangebied. Dit is een onverharde laan met bomen aan weerszijden. Deze onverharde ontsluiting is niet geschikt voor de ontsluiting van de bedrijven; daarvoor is het een deel van de Redan noordelijk parallel aan het Holtkampspad aangelegd.


Aan de westkant loopt langs de rand van het plangebied een hoogspanningsleiding van 150 Kilovolt (Kv). Voor de hoogspanningsleiding geldt een onderzoekszone van twee keer 80 meter, met een zone waarin beperkte bouw mogelijk is van twee keer 17,5 meter. Nieuwe wetgeving is in de maak die deze zone aanzienlijk zal verkleinen. Deze wetgeving is echter niet van toepassing op dit bestemmingsplan omdat het nog niet is vastgesteld.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Doelstellingen en uitgangspunten

Voor de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark Laarberg is een Masterplan (december 2012) vastgesteld. Dit Masterplan schetst de kaders in hoofdlijnen voor de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark Laarberg. Op basis van het Masterplan is vervolgens een structuurvisie en bijbehorend plan-m.e.r. (december 2013) opgesteld en als zodanig vastgesteld. Deze structuurvisie vormt het kader voor de concrete toekomstige ontwikkelingen.


Sinds de start van de uitgifte heeft Laarberg zich ontwikkeld tot een zichtbare bedrijvenlocatie langs de N18. De belangrijkste beweegredenen voor een verdere uitbreiding zijn:

  • 1. ruimte bieden aan de toenemende hoge vraag van bedrijven uit de regio zodat geen nieuwe terreinen elders gerealiseerd hoeven te worden;
  • 2. stimulering van de werkgelegenheid in de regio;
  • 3. anticiperen op de nieuwe kansen die de ontwikkelingen rond de N18 bieden.


Laarberg is de bindende economische factor voor de regio en wil dit verder uitbouwen. De ambitie ligt er om Laarberg nog meer de duurzame motor te laten worden voor de regio, om ondernemers in de drie topsectoren 'Maakindustrie', 'AgroFood' en 'Duurzame Energie' maximaal te faciliteren. De eerste twee industrietakken zijn zeer sterk vertegenwoordigd in de regio en behoren tot de negen topsectoren die de Rijksoverheid heeft aangewezen. Tevens is Laarberg de plek waar ruimte is voor de provinciale opgave voor zwaardere bedrijvigheid. Ondernemingen worden steeds vaker ingericht op basis van het 'open innovatie model'. Dat vraagt om fysieke plekken waar de sector zich kan clusteren. Laarberg is zo'n locatie.


Hierbij benadrukt de Structuurvisie Uitbreiding Regionaal Bedrijvenpark Laarberg (2013) het gebruik van de aanwezige landschappelijke waarden. Daarmee wordt een bedrijventerrein worden ontwikkeld dat functionaliteit samengaat met ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast zijn een aantal voorwaardelijke bepalingen in de structuurvisie opgenomen om de uitvoerbaarheid ervan te waarborgen. Het gaat om bepalingen voor de thema's natuur, verkeer, geluid en geur. Deze bepalingen zijn doorvertaald in de planregels.


Het plangebied biedt ruimte voor circa 10 hectare bedrijventerrein en kent kavelgroottes van minimaal 5.000 m2.

3.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

3.2.1 Inleiding

Wettelijk kader

Het Rijk heeft de toepassing van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (hierna: ladder) verplicht gesteld voor de uitbreiding van bedrijventerreinen als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doel van deze ladder is een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Dit door een zorgvuldige afweging van de behoefte en locatiekeuze van nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Het Rijk wil met de ladder vraaggerichte programmering bevorderen en overaanbod van plancapaciteit van nieuwe stedelijke ontwikkelingen voorkomen. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder een wettelijke verplichte toets in het kader van procedures voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Op 1 juli 2017 is voornoemde regelgeving gewijzigd. Sindsdien geldt een nieuwe laddersystematiek. De nieuwe ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt. Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht.

Het doorlopen van de 'ladder' betreft feitelijk een ruimtelijk-economische toets, waarbij het aspect 'ruimtelijke behoefte' het belangrijkste criterium is. De kavels binnen het plangebied zijn allemaal gereserveerd voor toekomstige bedrijven. Deze behoefte is inzichtelijk gemaakt in het rapport 'Onderbouwing marktbehoefte BP Laarberg Noord' en opgenomen als Bijlage 1 van deze toelichting. In de volgende paragraaf wordt hier op ingegaan.

3.2.2 Stedelijke ontwikkeling

Nieuw stedelijk ruimtebeslag

De laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet alsdan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.


Het is duidelijk dat Laarberg Noord voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de ladder. Daarom is de ladder ook voor deze ontwikkeling doorlopen. Hierna wordt ingegaan op de vraag waarom deze nieuwe stedelijke ontwikkeling niet op een andere locatie en/of binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kan worden.


Geen reële alternatieve locaties

Uit het rapport 'Onderbouwing marktbehoefte BP Laarberg Noord') blijkt dat er een aantoonbare behoefte is aan bedrijventerrein in de regio Oost-Achterhoek. Deze behoefte vertaalt zich in een gerichte marktvraag naar extra bedrijfskavels op Laarberg. De kavels binnen het plangebied zijn inmiddels gereserveerd.. De beoogde bedrijvigheid is, gelet op de gevraagde schaal en functies niet binnen bestaand stedelijk gebied in te passen. De conclusie is dan ook dat de ladder voor duurzame verstedelijking zich niet verzet tegen de ontwikkeling van Laarberg Noord

3.2.3 Beschrijving van de behoefte

De behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling, verminderd met het aanbod in reeds genomen planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd. Dat laatste wordt ook wel de harde plancapaciteit genoemd. Hierna wordt stapsgewijs ingegaan op zowel de ruimtevraag als bestaand aanbod.


Ruimtebehoefte


Marktgebied

De relevante schaal voor het regionale bedrijventerrein Laarberg is primair de Oost-Achterhoek. Secundair is ook West-Achterhoek bij de analyse betrokken.


Kwalitatief

De belangrijke dragers van de economie in de Achterhoek zijn de maakindustrie, de handel en de zorg. De aanwezigheid van veel innovatieve MKB-bedrijven en de aanwezige landbouw zijn troeven voor een succesvolle verdere ontwikkeling van de economische clusters waar Laarberg op mikt: maakindustrie, biobased economy en circulaire economie. Daarbij gaat het om relatief zware milieucategorieën (van tenminste categorie 3.1 als bedoeld in de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, 2009) met de daarbij behorende grotere bedrijfskavels (vanaf 5.000 m² oppervlakte).

De toekomstverwachtingen voor deze bedrijven zijn zowel landelijk als regionaal goed. De bedrijven waar Laarberg zich op richt hebben een lokale en regionale binding, maar hun afzetgebied is nationaal en vaak ook internationaal. Als deze bedrijven niet op de gewenste locatie een plek kunnen krijgen, is de kans groot dat ze helemaal uit de Achterhoek vertrekken. Bedrijventerrein Laarberg is hiermee van aanzienlijk (bovengemeentelijk) belang voor het behoud van bedrijvigheid en banen voor de regio.


Kwantitatief

Kijkend naar de huidige uitgiftesituatie op Laarberg dan wordt ook hier dan zichtbaar dat er momenteel sprake is van een inhaalvraag na de crisis vanaf 2008. Laarberg hanteert een flexibele programmering op basis van de marktvraagontwikkeling. De circa 10 ha binnen het onderhavige plangebied is reeds uitgegeven vanwege de zeer hoge economische groei.

Omdat Laarberg is gevestigd aan de N18, die inmiddels als autoweg is aangelegd, mag bovendien enig effect worden verwacht ten gunste van de arbeidsmarkt en/of grondmarkt. Dit kan zich vertalen in een (beperkte) extra vraag naar kavels op bedrijvenpark Laarberg, waardoor de ruimtebehoefte nog sneller toeneemt en nog zal toenemen.

3.2.4 Conclusie

Er is een aantoonbare behoefte aan bedrijventerrein in de regio Oost-Achterhoek. Deze behoefte vertaalt zich in een gerichte marktvraag naar extra bedrijfskavels op Laarberg. De kavels binnen het plangebied zijn allemaal gereserveerd. De beoogde bedrijvigheid is, gelet op de gevraagde schaal en functies niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in te passen. De ontwikkeling van Laarberg Noord is dan ook niet van invloed op vraag en aanbod op reguliere bedrijventerreinen in de regio.

Concluderend: de ladder voor duurzame verstedelijking is met goed gevolg doorlopen. De uitkomst is dat de ladder zich niet verzet tegen de ontwikkeling van Laarberg Noord.

3.3 Functies

Binnen het plangebied wordt hoofdzakelijk ruimte geboden aan lichte bedrijvigheid qua milieuzonering. Dit zijn onder andere bedrijven gespecialiseerd in groothandel en handelsbemiddeling met een maximale milieucategorie 3.2. Daarnaast wordt op één kavel circulaire bedrijvigheid toegestaan voor een met categorie 4.2 vergelijkbare activiteit, zoals bedrijvigheid in afvalscheiding en/of de voorbereiding tot recycling

3.4 Stedenbouwkundige visie

Laarberg Noord is een uitbreiding van het Regionaal Bedrijvenpark Laarberg fase 2, passend binnen de structuurvisie. De invulling van het plangebied ligt inmiddels vast. Aan de westzijde wordt het plangebied begrenst door een nieuw aan te leggen houtwal. Deze houtwal draagt bij aan de landschappelijke inpassing van de Laarberg. De infrastructuur van de Zuidgang wordt doorgezet in combinatie met een enkelzijdig laanprofiel. De Noordgang wordt eveneens verlengd om het plangebied goed te kunnen ontsluiten. Noordelijk van het Holtkampspad wordt de Redan doorgetrokken waardoor het gehele gebied ontsloten is. Het plangebied grenst aan het buitengebied. In deze zone mag de bebouwing maximaal 15 meter hoog worden, centraal in het plangebied is de maximale bouwhoogte 20 meter.


Er heeft een verkavelingsstudie plaatsgevonden om te komen tot een flexibele en marktgerichte indeling van het plangebied. Om het geheel goed in te passen worden eisen gesteld aan de beeldkwaliteit. Deze worden toegelicht in paragraaf 3.5.


afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2036-OW01_0003.png"

Afbeelding 3.1 Verkaveling Laarberg Noord

3.5 Beeldkwaliteit

In 2012 is op basis van het Masterplan Regionaal Bedrijvenpark een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het geldt voor Laarberg fase 1 en Laarberg fase 2. Medio 2021 is dit beeldkwaliteitsplan geactualiseerd voor Laarberg Noord. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in Bijlage 2 van de planregels. De belangrijkste elementen uit het beeldkwaliteitsplan zijn hierna beschreven.


Algemeen

Om de ruimtelijke kwaliteit en samenhang te waarborgen zijn er verschillende eisen opgesteld, waarbinnen ontwikkelingen plaats moeten vinden. Waar de ruimtelijke samenhang en het gewenste beeld van groot belang zijn geldt beeldregie hoog, waar gewenst beeld van belang is beeldregie middel en waar ze niet (direct) van belang zijn geldt beeldregie laag. Dit onderscheid is gemaakt voor zowel de openbare ruimte als op kavelniveau. Per deelgebied wordt beschreven welke eisen gelden en wensen er zijn. Dit wordt in het beeldkwaliteitsplan samengevat in een tabel met (eventueel) referentiebeelden. Hoe hoger de regie, des te meer eisen worden opgelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2036-OW01_0004.png"

Afbeelding 3.2 Mate van beeldregie

Op afbeelding 3.2. is te zien dat binnen Laarberg Noord, globaal aangegeven door middel van de oranje en rode lijnen zichtbaar welke beeldregie van toepassing is. Langs de Verbindingszone wordt een hoge beeldkwaliteit geëist. Voor het overige deel gelden de lage beeldkwaliteitseisen. Aan de westzijde wordt door middel van een houtwal de landschappelijke kwaliteit geborgd.


Eisen beeldregie Laarberg Noord

Voor het deel met beeldregie laag worden eisen opgelegd met betrekking tot kleur- en materiaalgebruik, erfscheidingen en de rooilijn waarop of achter met een maximale hoogte gebouwd moet worden. In onderstaande tabel 3.1 wordt dit per aspect weergegeven.

Tabel 3.1 Eisen beeldregie laag

Onderdelen
 
Eisen  
Organisatie van de kavel   Bebouwing minimaal 10 meter afstand van de achterzijde perceelsgrens indien grenzend aan het landschap.
Bebouwing minimaal 3 meter van zijlingse perceelsgrens.
Parkeren op eigen terrein.
Laden en lossen op eigen terrein.
Opslag achter de gevellijn.
 
Rooilijn   Minimaal bouwen in of achter de 1e rooilijn.
1e rooilijn op 3 meter van perceelsgrens met openbare ruimte.
2e rooilijn op 7 meter van perceelsgrens met openbare ruimte.
 
Bouwhoogte   Tussen de 1e en 2e rooilijn maximaal 8 meter, achter de 2e rooilijn maximaal 20 meter. Ter plaats van (A) geldt een maximale bouwhoogte van 15 meter.
Bouwhoogte hoger dan 20 meter toegestaan ten behoeve van een verticaal productieproces tot maximaal 30 meter, met een maximale oppervlakte van 1.000 m2. Het kleurgebruik dient ondergeschikt te zijn en in afstemming met Welstand. (NB: afwijking tot maximaal 30 meter geldt niet voor Laarberg Noord)
 
Materiaalkeuze   Basisvolume: plaatmateriaal met of zonder gemetselde plint.
Representatief deel of eventueel tweede toegevoegd volume: baksteen, glas, beton, hout, natuursteen, keramisch, geribbeld of vlak plaatmateriaal (staal, rvs, verzinkt) of groene gevels.
 
Materiaalkleur   Toepassen van materiaaleigen kleuren.
Baksteen: midden- tot donkere spectrum (rood, roodbruin, grijs, antraciet, mangaan, zwart).
Stalen beplating: van lichtgrijs tot donkere grijstinten / antraciet.
Accenten zoals kozijnen, deuren, kolommen: kleurvrij.
 
Erfscheiding   Hekwerk parallel aan de weg: op de erfgrens, in de 1e rooilijn of gelijk met bebouwing
Maximaal hoogte: 2 meter.
Kleur: antraciet.  

Voor het deel met beeldregie hoog worden andere eisen opgelegd. In onderstaande tabel 3.2 wordt dit per aspect weergegeven. Na de tabel worden deze eisen nader toegelicht.

Tabel 3.2: Eisen beeldregie hoog

Onderdelen
 
Eisen  
Organisatie van de kavel   Geen parkeren in het zicht.
Geen opslag in het zicht.
Geen laden en lossen in het zicht. (aan zijkant of achterzijde)
 
Rooilijn   Verplicht bouwen in de rooilijn.
1e rooilijn op 3 meter van perceelsgrens met openbare ruimte.
2e rooilijn op 7 meter van perceelsgrens met openbare ruimte.
In aanzicht: minimaal 80% van de rooilijn bebouwd.
Circa 30% in de 1e rooilijn bouwen.
 
Materiaalkeuze   Basisvolume: plaatmateriaal met of zonder gemetselde plint.
Representatief deel of eventueel tweede toegevoegd volume: baksteen, glas, beton, hout, natuursteen, keramisch, geribbeld of vlak plaatmateriaal (staal, rvs, verzinkt) of groene gevels.
 
Materiaalkleur   Toepassen van materiaaleigen kleuren.
Baksteen: midden- tot donkere spectrum (rood, roodbruin, grijs, antraciet, mangaan, zwart).
Stalen beplating: van lichtgrijs tot donkere grijstinten / antraciet.
Accenten in zoals kozijnen, deuren, kolommen, kleurvrij.
 
Hoogte   1e rooilijn: bouwhoogte tussen de 6 en 8 meter.
2e rooilijn: bouwhoogte maximaal 15 meter.
Ter plaatse van (A) geldt een maximale bouwhoogte van 15 meter.
 
Dak   Plat dak.
 
Erfscheiding   Haag (bijvoorbeeld een beukenhaag) op de perceelgrens aan de zijde van de naar de weg toegekeerde gevel. (60 à 80 cm hoog).
Indien hekwerk, dan verplicht in 1e of 2e rooilijn (in gevellijn basisvolume maximaal 2 meter hoog en antraciet van kleur.
 

Eisen beeldregie hoog
Samenhang wordt bereikt door de kleur van de bebouwing, wandvorming en organisatie van de kavel.

De wandvorming, als achtergrond voor de groene Verbindingszone, wordt gecreëerd door in het aanzicht minimaal 80% van de rooilijn te bebouwen, waarvan minimaal 30% in de eerste rooilijn. De eerste rooilijn ligt op 3 meter uit de perceelsgrens en de tweede rooilijn op 7 meter. Indien er geen bebouwd programma aanwezig is, dan is er de mogelijkheid dit door middel van een 'pergola' vorm te geven(zie referentiebeelden). Belangrijk aspect is wel dat dit in goede overeenstemming moet met aanliggende kavels. De voorkeur gaat uit naar de eis van circa 80% bouwen in de rooilijn.

De samenhang in kleur wordt bereikt door het basisvolume van de bebouwing uit te voeren in een midden grijs tot antraciet tinten. Extra aandacht wordt besteed aan de organisatie van de kavel. Het parkeren dient uit het zicht plaats te vinden evenals de opslag en het laden en lossen. Op de perceelsgrens, grenzend aan de Verbindingszone, komt een haag (60 à 80 cm hoog, bijvoorbeeld een beukenhaag). Indien men een hekwerk wil plaatsen dan vindt dit in de eerste of tweede rooilijn plaats. Deze is maximaal 2 meter hoog en antraciet van kleur.

3.6 Duurzaamheid

De regio Achterhoek heeft sterke ambities rond windenergie, zonne-energie, gebruik van warmte en energie uit biomassa, om te komen tot een energieneutrale regio. Bedrijventerrein Laarberg biedt mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie. Ook op het gebied van innovatie zijn er kansen op Bedrijventerrein Laarberg, zoals verduurzaming van productieprocessen.

Met de ontwikkeling van Laarberg Noord wordt nadrukkelijk verder vormgegeven aan het duurzame imago voor het hele bedrijventerrein. Laarberg wil letterlijk ruimte voor ondernemingen creëren om de krachten te bundelen en kennis te delen. Hierbij moeten koppelingen worden aangebracht tussen de (zwaardere) maakindustrie, de agro-food en duurzame energie.


Recentelijk zijn op Laarberg al enkele ontwikkelingen gerealiseerd die passen in de ambities op het gebied van innovatie en duurzaamheid, zoals de aanleg van een solarpark en de vestiging van een duurzaam tankstation. Daarnaast stimuleert Gebiedsonderneming Laarberg de individuele bedrijven tot (onder meer) het plaatsen van zonnepanelen op het dak van bedrijfsgebouwen en het bevorderen van andere duurzaamheidsambities die ook in het RPW zijn opgenomen.

Ook op het gebied van infrastructuur worden duurzame innovaties doorgevoerd, zoals een 'drievoudig rioolstelsel'. In vergelijking met conventionele riolering is dit een duurzaam stelsel, waarbij het beter benutten, het niet vervuilen en het niet onnodig transporteren van regenwater belangrijke uitgangspunten zijn.


Daarnaast gaat Gebiedsonderneming Laarberg samen met nieuwe en bestaande bedrijven na op welke manier kan worden gekomen tot (verdere) vergroening van het bedrijventerrein. Bij het beoordelen van kansen en het overwegen van mogelijkheden wordt onder andere aangesloten bij de publicatie "Hoe vergroenen we bedrijventerreinen? Meer ruimte voor biodiversiteit en klimaatadaptatie op bedrijventerreinen" (Provincie Gelderland i.s.m. NL Greenlabel, 2019).


Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale omgevingsvisie

In 2020 is de structuurvisie Nationale omgevingsvisie (hierna: "NOVI") vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen, waaronder woningbouw, duurzame energie, klimaatadaptatie en circulariteit. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.


Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Voor een duurzaam economisch groeipotentieel moeten bedrijventerreinen passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven, en zo de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken.


De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 heeft gevolgen voor de doorwerking van het nationale ruimtelijke beleid. Totdat de Wro in werking was getreden was het geldende rijksbeleid vastgelegd in Planologische Kernbeslissingen (PKB's). Sinds 1 juli 2008 zijn deze documenten alleen nog bindend voor het rijk en niet meer voor andere overheden. Het rijk kiest ervoor om het deel van het ruimtelijk beleid dat bedoeld is bindend te zijn voor andere overheden, ook onder de Wro te borgen. Dit kan via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).


Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt over ruimtelijke ordening. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau, in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren, de Waddenzee, defensie, erfgoederen en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).


Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. In deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, reserveringsgebieden voor nieuwe hoofdwegen en spoorlijnen en reserveringsgebieden voor uitbreiding van enkele bestaande hoofdwegen.


In bijlage E van het Barro zijn radarzones weergegeven. Het bedrijventerrein ligt binnen een aangewezen zone rond een antenneveld in Eibergen (formeel: gebied rondom zend- en ontvangstinstallaties buiten militair luchtvaartterrein antennepark Eibergen). Hier geldt een maximale bouwhoogte van 22 meter. Middels een ontheffing kan hier van afgeweken worden. De bouwhoogte van de nieuwe bedrijfsbebouwing binnen het plangebied wordt beperkt tot maximaal 22 meter, zodat een ontheffing niet nodig is.

4.1.3 Conclusie

Het bestemmingsplan Laarberg Noord is in overeenstemming met het beleid en de instructieregels van het Rijk.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De omgevingsvisie Gaaf Gelderland is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. Nieuwe bedrijven concentreren zich bij voorkeur op bestaande bedrijventerreinen en zijn schoon en groen.


Regionale bedrijventerreinen

De omgevingsvisie beoogt een gevarieerd aanbod aan goed ontsloten, kwalitatief hoogwaardige, duurzame werklocaties mogelijk te maken door hierover in gesprek te gaan met de Gelderse regio's en regionale afspraken te maken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van werklocaties. Het concentreren van economische activiteiten heeft daarbij de voorkeur, boven versnippering. Ook wordt we het omvormen van bestaande gebouwen en locaties gestimuleerd zodat deze weer aansluiten bij de wensen van bedrijven en werknemers. Het gaat om het juiste bedrijf op de juiste -optimale- plaats. Ondernemerschap en innovatie wordt ook gestimuleerd, ook met oog voor ontwikkeling van lokale arbeidsmarkten. Zeker wanneer ondernemers een duurzaam Gelderland dichterbij brengen


Energieopwekking en energieneutraliteit in de Achterhoek

In een regionaal 'routekaart'-proces maakt de provincie afspraken met regio's, gemeenten, terreinbeherende organisaties en netwerkbedrijven over hoe de ambities voor energietransitie per regio waar te maken. Uitgangspunt van de routekaarten is de ambitie die binnen de regio leeft rond windenergie, zonne-energie, gebruik van warmte en energie uit biomassa.


Het routekaartproces resulteert in een overzicht van de locaties en ambities die de provincie en partijen in de Achterhoek hebben voor hernieuwbare energie: windenergie, zonne-energie, gebruik van warmte en energie uit biomassa. In de regio Achterhoek is er een sterke ambitie om te komen tot een energieneutrale regio. Organisatiestructuren als AGEM en BION zijn samenwerkingsvormen om die energieneutraliteit te verwezenlijken.

4.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Bij de Omgevingsvisie Gelderland zijn regels gesteld in de Omgevingsverordening Gelderland (geconsolideerde versie maart 2021). Door deze integrale verordening stelt de provincie algemene regels aan de inhoud, toelichting en/of onderbouwing van bestemmingsplannen. Deze regels kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen daarvan of gebiedsgerichte thema's betreffen. De volgende onderdelen uit de Omgevingsverordening zijn relevant voor het plangebied:


Regionale bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen zijn primair bedoeld voor functies die zich moeilijk laten combineren met andere functies vanwege omvang, vervoersbewegingen en milieuhinder. In artikel 2.10 is opgenomen dat de bestemming tot bedrijventerreinen slechts toegestaan is indien dit past in het vigerende Regionaal programma werklocaties. Zie hierna.


De omgevingsverordening stelt regels aan regionale bedrijventerreinen. Bedrijfsfuncties uit milieucategorieën 1 en 2 en bedrijfsfuncties die gemengd kunnen worden zijn in beginsel niet toegestaan op regionale bedrijventerreinen. Hiervan kan afgeweken worden wanneer de vestiging van deze bedrijven vanwege de milieuzonering of op grond van overwegingen van ruimtelijke kwaliteit gewenst zijn.

4.2.3 Conclusie

Laarberg betreft een regionaal bedrijvenpark dat voorziet in de opvang van groter of zwaardere bedrijven. Deelgebied Laarberg Noord voorziet in de realisatie van bedrijven in de milieucategorieën 3 tot en met 4.2. Met deze voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van het plangebied wordt voorzien in de ambitie van de provincie ten aanzien van de opvangfunctie van grotere en zwaardere bedrijven op regionale terreinen.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Regionale structuurvisie Achterhoek

De visie 'Speerpunten Regionaal Ruimtelijk beleid Achterhoek 2011-2020' geeft de beleidsambities van acht Achterhoekse gemeenten voor de regionale economie, volkshuisvesting, landschappelijke kwaliteit, leefbaarheid en mobiliteit. De visie is een aanvulling en actualisatie op de Regionale Structuurvisie Achterhoek uit 2004 en legt de nadruk op andere speerpunten ten gevolge van de demografische ontwikkelingen.


In de visie uit 2004 was uitgangspunt voor de positionering van de Achterhoek ten opzichte van andere regio's: de doorontwikkeling als een economisch en sociaal-cultureel zelfstandige regio die zich naar buiten toe met name profileert met haar kleinschaligheid en gebiedskwaliteiten. Een grotere dynamiek in de regio wordt nagestreefd met behoud van de eigen ruimtelijke kwaliteit.


Ten aanzien van bedrijventerreinen is het algemene uitgangspunt: het juiste bedrijf op de juiste locatie. Er wordt ruimte geboden voor groei van lokale bedrijvigheid in bestaande sectoren als detailhandel, bouwnijverheid en industrie en in relatief nieuwe sectoren als recreatie, toerisme, dienstverlening en op het gebied van gezondheid en zorg. Aan nieuwe keuzes en ontwikkelingen gaat regionale afstemming vooraf. Speerpunten zijn:

  • 1. demografische ontwikkeling;
  • 2. oriëntatie op externe relaties (met het KAN-gebied, Twente, Duitsland, Stedendriehoek);
  • 3. de verandering van het platteland;
  • 4. duurzame energie.
4.3.2 Regionaal Programma Werklocaties (RPW) Regio Achterhoek

In regionaal verband hebben de gemeenten en de provincie in de regio Achterhoek afspraken rondom bedrijventerreinen vastgelegd in het Regionaal Programma Werklocaties regio Achterhoek 2019 - 2023 (RPW). Het RPW is vastgesteld door de gemeenteraden in de regio Achterhoek en op 12 november 2019, door Gedeputeerde Staten van Gelderland.


Met het RPW wordt invulling gegeven aan de Structuurvisie bedrijventerreinen en werklocaties. Het RPW biedt het kader voor concrete werk- en projectafspraken tussen de regiogemeenten. De provincie Gelderland is partner op diverse onderwerpen. Zij is nauw betrokken bij afspraken over vraag en aanbod, aanpak van de herstructurering en implementatie van de SER-ladder.


Op subregionaal niveau zijn de volgende aanvullende afspraken gemaakt:

  • het regionaal afsprakenkader over planning en programmering van bedrijventerreinen tussen Regio Achterhoek en provincie;
  • de vertaling en uitwerking van de gemeentelijke, regionale en provinciale doelstellingen op het gebied van bedrijventerreinen;
  • het toetsingskader voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen in de regio.


In het RPW is Laarberg opgenomen als ontwikkeling waar grootschalige en/of zware milieuhinderlijke bedrijvigheid kan worden opgevangen. Op deze manier kan op de andere bedrijventerreinen in Groenlo en Lichtenvoorde ruimte gecreëerd worden voor kleinschaligere bedrijven. Het is belangrijk dat de gemeente Oost Gelre verschillende kavelgroottes kan bieden. De Laarberg biedt hiervoor de mogelijkheid.


Naar aanleiding van de vaststelling van het RPW is de Achterhoek zelf met uitvoeringsafspraken gekomen, waarin onder meer de volgende passage is opgenomen:

"Het verwerken van duurzaamheidsdoelstellingen vanuit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

Voor de uitbreiding of aanleg van nieuwe bedrijventerreinen betekent dit concreet het volgende:

  • het benutten van daken voor zonnepanelen;
  • gasloos bouwen (tenzij noodzakelijk voor het productieproces);
  • uitwisseling restwarmte, elektriciteit en grondstoffen binnen het terrein en de directe omgeving
  • het reserveren van ruimte voor bijvoorbeeld (elektrische) oplaadpunten, waterstof tanken, batterij/voorzieningen t.b.v. opslaan elektriciteit;
  • het opstellen van een materialenpaspoort voor gebouwen;
  • voldoende waterberging, natuurinclusief bouwen en het vergroenen van de openbare ruimte waardoor samen een goede groene structuur en aantrekkelijkere omgeving ontstaat;
  • parkmanagement of een andere vorm van organisatiegraad.


We spreken af dat we ontwikkelplannen vroegtijdig met de provincie doorspreken om op grond daarvan tot een goede invulling komen."

In aanvulling op het doorspreken van ontwikkelplannen met de provincie wordt opgemerkt dat het uitvoeren van duurzaamheidsmaatregelen privaatrechtelijk wordt geborgd bij de uitgifte van de kavels.

4.3.3 Conclusie

Binnen het plangebied Laarberg Noord wordt invulling gegeven aan het beleid als benoemd in de Regionale structuurvisie Achterhoek en het RPW Achterhoek inclusief uitvoeringsafspraken. Bij de individuele kaveluitgifte wordt ingegaan op de duurzaamheidsdoelstellingen.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Toekomstvisie 2020 Oost Gelre

In de 'Toekomstvisie 2020 Oost Gelre', vastgesteld in 2009, zijn de wensbeelden van de gemeente voor 2020 weergegeven. Ook komt aan de orde hoe de gemeentelijke organisatie met dat toekomstbeeld omgaat. In 2020 komt dat onder andere tot uiting in het feit dat Oost Gelre voor Oost-Achterhoek de belangrijkste speler is op het gebied van industriële bedrijvigheid. De (gerevitaliseerde) industrieterreinen concentreren zich daarbij rond de verbindingsweg tussen Groenlo en Lichtenvoorde. Er zijn goede mogelijkheden voor betaalbaar openbaar vervoer, wat overigens gestimuleerd wordt door de aanwezige bedrijven.


Het regionale duurzame bedrijvenpark 'De Laarberg' in Groenlo is gevuld met diverse verhuisde bedrijven, afkomstig uit de gehele Oost Achterhoek, maar ook met een groot aantal nieuwe bedrijven. Aan duurzame energie en duurzaamheid in zijn algemeenheid wordt veel waarde gehecht.


Alle milieubelastende bedrijven zijn uit de kernen verdwenen. Verder zijn de bedrijven zo ingericht dat mogelijke milieuproblemen al bij de bron worden aangepakt. Dit maakt het wonen en recreëren in Oost Gelre prettig en veilig. Er zijn dan ook geen klachten meer als gevolg van industriële bedrijvigheid en aan het industrieel erfgoed worden nieuwe bestemmingen gegeven. Bedrijven kunnen ook buurten en buurtschappen 'adopteren' om zo de sociale duurzaamheid in Oost Gelre te stimuleren.

4.4.2 Structuurvisie Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg

Voor de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark is een structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' en bijbehorend plan-m.e.r. opgesteld (vastgesteld 17 december 2013). De structuurvisie vormt het kader voor de toekomstige ontwikkelingen voor het regionaal bedrijvenpark. Aan de hand van de structuurvisie kunnen voor concrete ontwikkelingen bestemmingsplannen op maat worden opgesteld.


In de structuurvisie is de ruimtelijke visie beschreven op de gehele ontwikkeling en zijn randvoorwaarden voor de nadere invulling opgenomen. Deze randvoorwaarden zijn mede voortgekomen uit de uitgevoerde planMER en gelden ook voor de bestemmingsplannen die opgesteld worden voor onder andere Laarberg Noord.


Voor de wijze van implementatie van deze randvoorwaarden in de planregels en op de verbeelding wordt verwezen naar Hoofdstuk 6.


De visie beschrijft het plan voor Laarberg op hoofdlijnen. Laarberg wil over enige jaren de bindende economische schakel zijn voor de regio. De ambitie ligt er om Laarberg een duurzame motor te laten worden voor de regio om ondernemers in de drie topsectoren ' Maakindustrie', 'AgroFood' en 'Duurzame Energie' maximaal te faciliteren. De eerste twee industrietakken zijn zeer sterk vertegenwoordigd in de regio en behoren tot de negen topsectoren die de Rijksoverheid heeft aangewezen. Tevens is Laarberg de plek waar ruimte is voor de provinciale opgave voor zwaardere bedrijvigheid. Ondernemingen worden steeds vaker ingericht op basis van het 'open innovatie model'. Dat vraagt om fysieke plekken waar de sector zich kan clusteren. Laarberg kan zo'n omgeving worden.


De directe omgeving en delen van Laarberg hebben ook landschappelijke waarde. De ontwikkeling van het bedrijventerrein maakt, daar waar mogelijk, zoveel mogelijk gebruik van die kwaliteiten. Daarmee kan een terrein ontwikkeld worden dat functionaliteit laat samengaan met ruimtelijke kwaliteit. Er wordt rekening gehouden met de specifieke kwaliteiten van de omgeving. Dit kan er toe leiden dat op de ene plek het bedrijventerrein juist wordt tentoongesteld aan de omgeving (rond de Grolse Linie), terwijl het op een andere plek voor de omgeving 'verstopt' wordt; juist een hele groene uitstraling krijgt, aansluitend op het bestaande landschap (aan de westzijde). Alvorens een ontwikkeling plaatsvindt aan een rand, worden groenstructuren gerealiseerd, welke tevens als compensatiegebied kunnen dienen.


De structuurvisie maakt onderscheid in vier ruimtelijke eenheden, met elk haar eigen ruimtelijke en functionele kenmerken (zie afbeelding 4.1). Dit zijn:

  • 1. de Verbindingszone;
  • 2. het Biobased Transitiepark;
  • 3. het Bedrijventerrein;
  • 4. het Agrarisch Landschap.


De samenhang tussen de ondergrond en de nieuwe ontwikkeling bovengronds, wordt door deze bovengenoemde zones zichtbaar gemaakt.


Het Bedrijventerrein vormt het grootste deel van het Regionale bedrijvenpark Laarberg; in feite is het gebied ingeklemd tussen enerzijds het Biobased Transitiepark/Verbindingszone en het Agrarisch Landschap en anderzijds het bestaande deel van het bedrijventerrein van Laarberg. De bestaande structuren van Laarberg worden doorgezet in de uitbreiding. Dit zorgt voor een versmelting van de eerste en tweede fase. Het ruimtelijke casco wordt in eerste instantie afgestemd op de zich vestigende bedrijven.


afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2036-OW01_0005.png" Afbeelding 4.1 Structuurvisie Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg

De uiteindelijke structuur binnen het bedrijventerrein dient aan te sluiten op de Verbindingszone, het Agrarisch Landschap en het bestaande deel van het bedrijventerrein. Hierbinnen kan gefaseerd en flexibel worden ontwikkeld. De exacte ligging van de wegen is bekend en biedt een doorlopende structuur. Ruimtelijk gezien gaan Laarberg fase 1, 2 en Noord nu samen. In de noord-zuidrichting bestaan de profielen uit een functioneler profiel; minder breed maar functioneel. Kwalitatief groen wordt samengebracht in de Verbindingszone.


Voorwaardelijke bepalingen

In de Structuurvisie zijn voorwaardelijke bepalingen opgenomen. Deze bepalingen komen voort uit de opgestelde plan m.e.r.. Het stellen van voorwaardelijke bepalingen voor de thema's natuur, verkeer, geluid en geur is noodzakelijk gebleken om de uitvoerbaarheid van de structuurvisie te waarborgen. Deze voorwaarden werken door in bestemmingsplannen.

4.4.3 Beleid installaties opwekking hernieuwbare energie

De gemeente Oost-Gelre wil energieneutraal zijn in 2030. Daartoe is beleid opgesteld voor de plaatsing van installaties waarmee hernieuwbare energie kan worden opgewekt. Dit beleid wordt gehanteerd om initiatieven goed te kunnen begeleiden en af te wegen. Daarbij gaat het om initiatieven zoals windenergie, zonne-energie, energie uit biomassa maar ook om energiebesparing.


De gemeente richt zich in haar beleid op bewezen en betaalbare technieken. Voor alle initiatieven geldt dat er maatschappelijk draagvlak moet zijn, mogelijkheden voor financiële participatie moet worden geboden en dat de aanleg economisch en duurzaam moet plaatsvinden (bijvoorbeeld transportbewegingen beperken door inzet van lokale bedrijven).


Voor bedrijventerreinen zoals de Laarberg noemt de beleidsnotitie bijvoorbeeld de plaatsing van zonnepanelen (tot circa 2 ha) bij grote parkeerplaatsen bij bedrijven, en uiteraard zonnepanelen op gebouwen. Maar ook kan hier gedacht worden aan de plaatsing van windturbines. Daarbij gelden wel voorwaarden, onder meer op het gebied van landschappelijke inpassing en beleving.


Dit plan voorziet op voorhand geen grootschalige installaties.

4.4.4 Conclusie

De invulling van Laarberg Noord is conform de Structuurvisie Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg. Daardoor wordt ook aangesloten op de Toekomstvisie 2020 Oost Gelre.


Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt het plan, zoals dat in Hoofdstuk 3 is beschreven, getoetst aan (en gemotiveerd vanuit) specifieke regelgeving op het gebied van het milieu en de bescherming van bijzondere waarden. Elke paragraaf is voorzien van een conclusie en - zo nodig - een attendering wanneer op het betreffende aspect nog nader onderzoek is vereist in het kader van een omgevingsvergunning.

5.1 Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.)

Inleiding

Bij ieder project van enige omvang of impact is het nodig een beoordeling vooraf uit te voeren naar de milieueffecten. Deze verplichting vloeit voort uit Europese regelgeving en is in Nederland in wetgeving opgenomen. Deze beoordeling kán leiden tot de slotsom dat er een milieu-effectrapportage (m.e.r.) moet worden uitgevoerd.


Voor de ontwikkeling van Laarberg Noord kan op drie manieren een m.e.r- plicht ontstaan, namelijk vanwege het feit dat:

  • 1. het project een uitbreiding van een bedrijventerrein betreft, en
  • 2. het project kaderstellend is voor m.e.r.(beoordelings-)plichtige activiteiten, of
  • 3. er mogelijk significante effecten zijn te verwachten op Natura 2000-gebieden.


In de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie 11 van onderdeel D de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein als m.e.r.-plichtige activiteit opgenomen. De daarbij behorende drempelwaarde bedraagt een oppervlakte van 75 hectare of meer. Omdat met het gehele ontwikkeling van Laarberg onder deze drempelwaarde wordt gebleven is er geen sprake van een rechtstreeks m.e.r.-plicht op basis van het Besluit m.e.r. en kan in beginsel met een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling worden volstaan.


De uitbreiding van Laarberg Noord valt binnen de structuurvisie. Deze structuurvisie is plan-m.e.r.-plichtig gezien de aard en omvang van de voorziene ontwikkelingen en de op voorhand niet uit te sluiten significante effecten op Natura 2000-gebieden (waardoor een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming verplicht is).

Er is daarom ook een plan-m.e.r. opgesteld waarin de milieueffecten van Laarberg in samenhang zijn beschouwd (zie Bijlage 2). Omdat er reeds een m.e.r. is doorlopen voor het plan is het niet nodig om opnieuw de m.e.r.-plicht te onderzoeken voor de individuele initiatieven op Laarberg Noord.


In artikel 2.7 lid 1 jo. 2.8 Wnb is geregeld dat een bestuursorgaan een besluit uitsluitend kan nemen indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Op grond van artikel 7.2a lid 1 Wm zijn bestemmingsplannen, waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt, m.e.r.- plichtig. Een passende beoordeling is noodzakelijk wanneer significante effecten vanwege de nieuwe ontwikkeling op instandhoudingsdoelstellingen niet zijn uit te sluiten.


De Commissie MER heeft in haar toetsingsadvies d.d. 16 december 2013, geadviseerd om in een aanvulling op het MER aannemelijk te maken dat het voornemen past binnen de kaders van wat nu de Wet natuurbescherming is en deze informatie te betrekken bij de besluitvorming over de Structuurvisie. Onderzoek in de aanvulling op hoofdlijnen of er alternatieven en/of effectieve maatregelen mogelijk zijn die aantasting van natuurlijke kenmerken kunnen voorkomen.


In paragraaf 5.10 van deze toelichting wordt nader op de (eventuele aantasting van) natuurlijke kenmerken ingegaan en op welke wijze hier procedureel mee om is gegaan.


Onderzoek

In het licht van artikel 7.14 lid 1 Wm bevat dit ruimtelijk kader een vermelding op welke wijze rekening is gehouden met de in het plan-m.e.r. beschreven milieugevolgen en wat is overwogen met betrekking tot de in dat rapport beschreven alternatieven. In het plan-m.e.r. zijn twee alternatieven beschouwd. Het voorkeursalternatief dat hieruit volgt komt nagenoeg overeen met het tweede beschouwde alternatief.


Het voorkeursalternatief is weergegeven in onderstaande verbeelding.


afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2036-OW01_0006.png"

Afbeelding 5.1 Voorkeursalternatief planMER

Het voorkeursalternatief (VKA) van de Laarberg als geheel is beoordeeld op basis van de milieueffecten, zie tabel 5.1. Te zien is dat de beoordeling van het VKA maar op één punt afwijkt van het alternatief 2. Het natuurcriterium Ecologische Hoofdstructuur (EHS; oftewel Gelders Natuurnetwerk in de Omgevingsvisie Gelderland) wordt beoordeeld als neutraal (0) in plaats van positief. Reden hiervoor is dat de gereserveerde zone langs de zuidzijde van de Leerinkbeek smaller is dan in alternatief 2. De smallere zone is nog wel als een licht positief effect op te vatten, maar het effect is niet groot genoeg voor een '+'. In onderstaande tabel zijn de milieueffecten van de alternatieven en het voorkeursalternatief samengevat aan de hand van een beoordeling.

Tabel 5.1: Beoordeling milieueffecten alternatieven en voorkeursalternatief planMER

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2036-OW01_0007.png"

In het plan-m.e.r. zijn voorwaarden opgenomen voor de realisering van het voorkeursalternatief. Deze voorwaarden zijn overgenomen in de structuurvisie en dit bestemmingsplan en die luiden als volgt:

  • 4. functiegebieden op een verbeelding met bijbehorende milieuzoneringsregels en regels ter waarborging van een adequate externe veiligheidssituatie;
  • 5. fijnafstemming op het gebied van de toelating van bedrijven en stikstofdepositie op Natura2000-gebieden in de omgeving;
  • 6. motivering van het plan ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone (dit plan ligt op enige afstand ervan, geen nadere regels nodig);
  • 7. een uitgebreide motivering op het gebied van soortenbescherming, resulterend in het aanvragen (en reeds verkrijgen) van benodigde ontheffingen op grond van de Wet natuurbescherming;
  • 8. functiegebieden op een verbeelding voor de hoofdverkeersstructuur en belangrijke groenvoorzieningen, waarbij voor de laatste drie verschillende regelsets zijn opgenomen, omdat de doelstellingen van de groene zones van elkaar verschillen;
  • 9. uitgebreide motivering op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking, mede op basis van een specifieke marktverkenning;
  • 10. regels ter waarborging van een maximale geluidemissie van 70 dB(A)/m² (*);
  • 11. regels ter waarborging van de beoogde beeld- en landschappelijke kwaliteit;
  • 12. opname van een archeologisch beschermingsregime(**).


Indien en voor zover relevant voldoet het plan aan het eerder vermelde toetsingsadvies van de Commissie MER, met name voor wat betreft het nader onderzoek naar aantasting natuurlijke kenmerken en de actuele invulling van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Inleiding

Bedrijvigheid kan negatieve effecten met zich mee brengen voor woningen en gevoelige functies in de omgeving. Negatieve effecten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op geur, geluid, stof en trillingen. Daarnaast kunnen woningen nabij bedrijvigheid de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven belemmeren. Het is daarom wenselijk dat bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies worden gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In 2019 is de handreiking 'Milieuzonering nieuwe stijl' gepubliceerd. Deze nieuwe handreiking gaat uit van een 'toedelingsprincipe': per bedrijfsmatige activiteit wordt gebruiksruimte opgenomen, die wordt begrensd door concrete milieunormen op een standaard afstand van de activiteit. Toepassing van dit toedelingsprincipe mag om te komen tot een goede ruimtelijke ordening c.q. een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. In plaats van een milieuzonering aan de hand van milieucategorieën en richtafstanden, wordt hierbij gewerkt met een milieuzonering aan de hand van een gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen. Benadrukt wordt dat deze 'ruimtelijke' milieunormen bestaan naast de normen in het milieuspoor. De normen op grond van het Activiteitenbesluit en een eventuele omgevingsvergunning milieu blijven dan ook zelfstandig van kracht.

Deze nieuwe VNG-publicatie is een alternatief naast de bestaande VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. Van die laatste publicatie wordt in dit bestemmingsplan uitgegaan. Daarin wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur. De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1500 meter.


Tabel 5.2: Richtafstanden per milieucategorie

Milieucategorie   Richtafstand tot rustige woonwijk (m)   Richtafstand tot gemengd gebied (m)
 
1   10   0  
2   30   10  
3.1   50   30  
3.2   100   50  
4.1   200   100  
4.2   300   200  
5.1   500   300  
5.2   700   500  
5.3   1.000   700  
6   1.500   1.000  

Onderzoek

In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is onderzoek uitgevoerd naar bedrijven en milieuzonering. Voor het ruimtelijk ontwikkelingskader is van belang dat in de directe (minder dan 400 meter) omgeving van Laarberg Noord geen (bedrijfs-)woningen liggen. Daarbuiten is sprake is van verspreid liggende woonbebouwing in een buitengebied waar al (agrarische) bedrijvigheid plaatsvindt en niet van een rustige woonwijk, mogen de richtafstanden tot aan een 'gebied met menging van functies' gehanteerd worden.


In beginsel zouden hierdoor kwetsbare objecten binnen plaatsgebonden risicocontouren kunnen komen te liggen. Hierop wordt in paragraaf 5.7 nader ingegaan.

Binnen het plangebied zijn bedrijven tot maximaal milieucategorie 4.2 mogelijk. Omdat de kavels al zijn gereserveerd, is duidelijk dat er één bedrijf in die categorie valt. De andere bedrijven vallen in een lichtere milieucategorie. In paragraaf 5.5 wordt gedetailleerd ingegaan op het belangrijkste hinderaspect, namelijk geluid. Vooruitlopend daarop wordt hier reeds geconstateerd dat de geprojecteerde activiteiten qua milieuzonering, dus ook qua geluidhinder, inpasbaar zijn.


Conclusie

Het toestaan van bedrijven uit tot maximaal milieucategorie 4.2 is uit oogpunt van bedrijven en milieuzonering inpasbaar in de omgeving en om die reden aanvaardbaar


Nadere gegevens bij aanvraag vergunning

Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt aan de hand van bedrijfsspecifieke informatie bepaald welke milieucategorie het betreft, waarbij een zwaardere categorie dan 4.2 niet is toegestaan.

5.3 Verkeer

Inleiding

Laarberg Noord is gelegen op het regionaal bedrijvenpark Laarberg dat gunstig gelegen en goed bereikbaar is. Via de N18 is aansluiting op het snelwegennetwerk A18, A12 en A35. Een directe aansluiting richting Duitsland ontbreekt.


Laarberg is aangesloten op lokale fietsroutes. Deze vormen een goede langzaamverkeersroute voor onder andere woonwerkverkeer voor werknemers uit de nabije omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2036-OW01_0008.png"

Afbeelding 5.2 Hoofdontsluitingsstructuur Laarberg op nieuwe N18, inclusief een indicatieve wegenstructuur voor Laarberg Noord

Onderzoek

In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is een onderzoek uitgevoerd naar de verkeerseffecten. Voor Laarberg Noord zijn de onderstaande aspecten van belang


Autoverkeer

Recentelijk is de nieuwe N18 in gebruik genomen. Hierdoor kan het autoverkeer tussen Groenlo en Enschede sneller en veiliger worden afgewikkeld. Ook ter plaatse van Laarberg ligt er een nieuw tracé voor de N18. Ten opzichte van de oude N18 ligt deze iets oostelijker. Ter hoogte van het bedrijvenpark Laarberg zijn op- en afritten aangelegd. Door de nieuwe N18 en de bijbehorende op- en afritten is het bedrijventerrein optimaal ontsloten en uitstekend bereikbaar vanuit de regio, zowel vanaf de A1 (via de A35) en A50 (via de A12). Zowel het regionale-, het bestemmings- als het lokale verkeer bereikt het bedrijvenpark via één centrale invalsweg. Het autoverkeer wordt afgewikkeld via het verlengde van de Noordgang en het verlengde van de Zuidgang richting de N18.


Fietsverkeer

De structuur van het fietsnetwerk komt grotendeels overeen met het netwerk van het overige verkeer. Het fietsnetwerk voorziet in de utilitaire fietsverbindingen in noord-zuid richting via het oude spoorlijntracé en het tracé van de oude N18 enerzijds en via de Deventer Kunstweg anderzijds. In oost-west richting wordt een verbinding gelegd tussen dit noord-zuidtracé en de Deventer Kunstweg. Hier wordt gedacht aan een vrijliggend fietspad. Hierdoor wordt het mogelijk om dit fietspad deels door de Verbindingszone en deels langs en over de Grolse Linie te situeren. Dit versterkt het recreatieve karakter van deze route als onderdeel van het regionale recreatieve fietsknooppuntennetwerk. In noordwestelijke richting sluit deze fietsknooppuntenroute aan op de Deventer Kunstweg. Nabij de aansluiting op de N18 bevindt zich knooppunt 50 waarbij de route over het viaduct over de N18 loopt en zich uitsplitst in noordelijke richting via de Wolvenkamerweg en in zuidelijke richting via de Schietbaan.


Openbaar vervoer

Door de ontwikkeling van Laarberg fase 2 is de huidige halte (kruising N18/Vredenseweg) decentraal komen te liggen. Een nieuwe halte moet centraler gesitueerd worden zodat het hele bedrijvenpark Laarberg, inclusief Noord, op relatief korte loopafstand van het openbaar vervoer bereikbaar is. De locatie ter plaatse van de entree van het bedrijvenpark en het Groot Hoornwerk biedt daar kansen voor.


Conclusie

Het verkeer wordt afgewikkeld via de Noordgang, die aangesloten is op de N18. De N18 is goed geschikt voor de hoeveelheid verkeer die door Laarberg fase 2 wordt gegenereerd. Dat betekent dat de verkeerskundige ontsluiting aanvaardbaar blijft.

5.4 Luchtkwaliteit

Inleiding

Het Nederlandse wettelijke stelsel voor luchtkwaliteitseisen wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen', van de Wet milieubeheer. Dit wettelijk stelsel wordt ook wel de 'Wet luchtkwaliteit' ('Wlk') genoemd. Uit de 'Wet luchtkwaliteit' volgt dat een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden.
  • 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo verbetering van de luchtkwaliteit plaats door mitigerende maatregelen.
  • 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de afzonderlijke concentraties van de componenten NO2 en PM10 veroorzaakt van maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarden van NO2 en PM10. Dit komt overeen met 1,2 µg/m3.
  • 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).


Onderzoek

In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit. In dit onderzoek is de invloed op de luchtkwaliteit en de verkeersaantrekkende werking van de uitbreiding van het bedrijvenpark als geheel bepaald. In het onderzoek is alleen de bijdrage aan de concentratie stikstofdioxide (NO2) in de lucht berekend. De concentratie fijnstof (PM10) is niet berekend aangezien de planbijdrage aan de fijnstofconcentratie veel lager zal zijn dan de bijdrage aan de concentratie NO2. De lage achtergrondconcentratie voor fijnstof geeft ook geen aanleiding om deze lage bijdrage te berekenen.


Conclusie 

Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof geldt dat de wettelijke grenswaarden niet overschreden worden als gevolg van de ontwikkeling van Noord. Daarom is de ontwikkeling van Laarberg Noord uit het oogpunt van luchtkwaliteit aanvaardbaar.

Opmerking: voor een nadere motivering uit oogpunt van stikstofdepositie ter plaatse van natuurgebieden zie paragraaf 5.10, onderdeel gebiedsbescherming.

5.5 Geluidhinder

Inleiding

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk.

Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.


Wegverkeerslawaai

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen.

Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied.
Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting.

De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh). Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde.

Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt:

  • 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur;
  • 5 dB voor overige wegen.


Industrielawaai

Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. De ligging en omvang van de zone wordt met dit bestemmingsplan ook niet vastgelegd, omdat daartoe geen aanleiding bestaat vanwege de gering geluidbelasting.


Onderzoek

In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is een onderzoek uitgevoerd naar geluidhinder. Er is voor een klein deel van het plangebied een geluidszone opgesteld om bedrijven met een aanzienlijke geluidproductie te kunnen vestigen, de zogeheten 'zoneringsplichtige inrichtingen.' Deze geluidszone is bestuurlijk vastgesteld op 30 mei 2017 en is weergegeven in afbeelding 5.3. Van belang hierbij is dat die geluidszone niet in een bestemmingsplan is opgenomen, met uitzondering van het gedeelte nabij het bedrijf Mueller. Een eerdere versie van de geluidszone is in 2009 wél in zijn geheel opgenomen in een bestemmingsplan, te weten het bestemmingsplan 'Buitengebied 1982 partiële herziening 1 geluidzone'. Overigens is de betreffende geluidszone voor het eerst vastgesteld op 17 februari 2004. Daarnaast is van belang dat de geluidzone gedeeltelijk over het grondgebied van de gemeente Berkelland ligt. In de huidige geluidzone liggen 16 woningen waarvoor hogere grenswaarden van 51 tot 57 dB(A) zijn vastgesteld.


Binnen dit plan worden geen zoneringsplichtige inrichtingen mogelijk gemaakt. Grote lawaaimakers zijn dus niet toegestaan en een (aanpassing van de) geluidszonering is daarom niet nodig.


afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2036-OW01_0009.png"

Afbeelding 5.3 Huidige geluidzone 50 dB(A)


Onderzoek


Industrielawaai

Industrielawaai is in het planMER getoetst. Ten aanzien van geluid is in het planMER uitgegaan van milieucategorie 5.1 bedrijven met een kental voor milieucategorie 4.2 bedrijven. Dit is gedaan omdat milieucategorie 5.1 bedrijvigheid voor wat betreft het aspect geluid over het algemeen zware havenbedrijvigheid betreft die op dit bedrijventerrein niet voorkomen.


De bedrijvigheid is gemaximeerd op milieucategorie 4.2. Ook is in de planregels een gebruiksverbod opgenomen indien de geluidemissie van een bedrijf meer bedraagt dan 65, 62 en 60 dB(A)/m2 (dag- avond en nachtperiode). Een verdergaande borging van berekende geluidemissies is met het oog op de planologische motivering van dit plan dan ook niet nodig.

Conclusie

Ontwikkeling van het bedrijventerrein Laarberg Noord is uit het oogpunt van geluidhinder naar de omgeving planologisch aanvaardbaar. Er is geen nadere besluitvorming (zoals een hogere waardebesluit) of specifieke borging in de regels nodig.

5.6 Geurhinder

Inleiding

Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Bij geur van bedrijven gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting (of 'immissie') verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend.


Onderzoek

Er treden naar verwachting geen relevante effecten op van nieuwe bedrijven binnen het plangebied met een geuremissie op de omgeving van het plangebied. Bij vestiging van nieuwe bedrijven met een geuremissie binnen het plangebied kan het leefklimaat in de directe omgeving en in het plangebied lager worden door een mogelijk hogere cumulatieve geurbelasting. De voorgestelde milieuzonering voorziet op hoofdlijnen echter in voldoende afstand tussen hinderproducerende en hindergevoelige functies.


Specifiek voor de ontwikkeling Laarberg Noord geldt dat de beoogde ontwikkelingen (met onder andere bedrijven tot en met milieucategorie 4.2) geurrelevante activiteiten kunnen zijn. Volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor bedrijven tot en met categorie 4.2 een richtafstand van maximaal 300 meter voor geurhinder. Omdat hier sprake is van verspreid liggende woonbebouwing in een buitengebied waar al (agrarische) bedrijvigheid plaatsvindt en niet van een rustige woonwijk, mogen de richtafstanden tot aan een 'gebied met menging van functies' gehanteerd worden. Dit betekent dat bij een categorie 5.1 een richtafstand van maximaal 200 meter gehanteerd mag worden. De dichtstbij liggende geurgevoelige objecten betreffen de woningen aan de Holtkampsweg 2 en Deventerkunstweg 15 op ruim 200 m van de grens met het plangebied.


Conclusie

Er is geen sprake van (onaanvaardbare) geurhinder. Voor de bedrijven zal in het kader van de milieuvergunning (of de algemene regelgeving op het gebied van milieuhinder) altijd een nadere toetsing plaatsvinden. Wanneer blijkt dat niet aan de geldende geurnormen wordt voldaan, moet het plan worden aangepast of moeten emissiebeperkende maatregelen worden getroffen volgens de 'best beschikbare technieken' (BBT) om geurhinder op de omgeving te beperken.

5.7 Externe veiligheid

5.7.1 Inleiding

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het kader van de externe veiligheid dient, in het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituaties. In de volgende besluiten en circulaires zijn risiconormen opgenomen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid bij het vaststellen van een bestemmingsplan:

  • 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn de risiconormen voor risicovolle inrichtingen weergegeven.
  • 2. Circulaire Risiconomering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Circulaire Rnvgs). De Circulaire Rnvgs is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater.
  • 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen.
  • 4. Vuurwerkbesluit. In het vuurwerkbesluit zijn voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk veiligheidsafstanden vastgesteld.
  • 5. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidsafstanden opgenomen voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.
5.7.2 Onderzoek

In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid. Daarnaast zijn de volgende aanvullende onderzoeken uitgevoerd: 'Kwantitatieve risicoberekeningen aardgastransportleidingen' (2013, Bijlage 3) en 'Elementen verantwoording groepsrisico' (2017, Bijlage 4). De uitkomsten van deze onderzoeken zijn samengevat in onderstaande toelichting.

Gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid

Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente Oost Gelre haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen.


De gemeente heeft haar ambities per gebiedstype geformuleerd. Voor het plangebied is het gebiedstype 'ruimte voor industrie' relevant. Het betreft hier de industrie- en bedrijventerreinen in Oost Gelre. In deze gebieden zijn economie, bedrijvigheid en werkgelegenheid de belangrijkste uitgangspunten. De gebieden bieden maximale ruimte voor bedrijven, waarbij aan de wettelijke minimumeisen wordt voldaan. Een verdergaand beschermingsniveau dat ten koste gaat van de ontplooiingsruimte voor bedrijven wordt onwenselijk geacht. Hierbinnen is overschrijding van de oriënterende waarde voor het groepsrisico evenals toename van het groepsrisico onder voorwaarden acceptabel.


Binnen 'ruimte voor industrie' geldt het volgende ambitieniveau ten aanzien van het groepsrisico:

de oriënterende waarde van het groepsrisico is slechts richtinggevend. De gemeente kan hier gemotiveerd van afwijken. Indien noodzakelijk voor het in stand houden van de industriële activiteiten zal de gemeente Oost Gelre een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico toestaan, mits daarvoor gewichtige redenen zijn. Hierover zal advies bij de regionale en lokale brandweer worden ingewonnen. De gemeente Oost Gelre vereist geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico als:

  • 1. het groepsrisico tot een factor 10 onder de oriënterende waarde ligt;
  • 2. het een marginale toename van het groepsrisico betreft (tot maximaal 10% beschouwt de gemeente Oost Gelre de toename als marginaal);
  • 3. de geplande kwetsbare objecten buiten het invloedsgebied liggen;
  • 4. het een enkel ((beperkt) kwetsbaar) object in een nagenoeg maagdelijke omgeving betreft (zeer laag groepsrisico);
  • 5. het een enkel ((beperkt) kwetsbaar) object in een al zeer volle omgeving betreft, waardoor het effect op het groepsrisico minimaal is.


Pas als de risicosituatie niet voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden vereist de gemeente Oost Gelre een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico, waarbij naast de wettelijk verplichte aspecten ook aandacht wordt besteed aan de overige criteria:

  • Een toename van het groepsrisico wordt, mits gemotiveerd en voorzien van een positief advies van de Regionale brandweer, geaccepteerd.


Risiconormen inrichtingen en vervoer gevaarlijke stoffen

De overheid stelt grenzen aan de externe risico's van gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in normen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (GR).


Risiconormen plaatsgebonden risico

Het risico op een plaats langs een buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval bij de buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Voor buisleidingen geldt dat binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour geen kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour als richtwaarde.


Tabel 5.4 Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten

Kwetsbare objecten
 
Beperkt kwetsbare objecten  
Woningen   Verspreid liggende woningen (2/ha)  
Ziekenhuizen, bejaarden- en verpleeghuizen e.d.   Dienst- en bedrijfswoningen  
Scholen en dagopvang minderjarigen   Kantoorgebouwen (< 1.500 m2)  
Kantoorgebouwen en hotels (> 1.500 m2)   Hotels en restaurants (< 1.500 m2)  
Winkelcentra (> 1.000 m2 > 5 winkels)   Winkels  
Winkel met supermarkt (> 2.000 m2)   Sport-, kampeer- en recreatieterreinen (< 50 pers.)  
Kampeer- en verblijfsrecreatieterrein (> 50 pers.)   Bedrijfsgebouwen  
Andere gebouwen met veel personen   Equivalente objecten  
  Objecten van hoge infrastructurele waarde  

Risiconormen groepsrisico

De cumulatieve kans per jaar dat een aantal personen overlijdt als gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transportas, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Het groepsrisico wordt weergegeven in een zogenaamde fN-curve. Voor het groepsrisico bestaat geen wettelijke norm waaraan getoetst wordt. In plaats daarvan wordt het groepsrisico gerelateerd aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico.

De beschouwing door het bevoegde gezag ten aanzien van deze kwantitatieve waarde is een van de elementen uit de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Binnen deze verantwoording kan het bevoegde gezag van deze waarde afwijken.


Verantwoordingsplicht groepsrisico

Verantwoording van het groepsrisico is een onderdeel van het externe veiligheidsbeleid. Door middel van een verantwoordingsplicht willen de bevoegde overheden aanzetten tot nadenken over onder andere de omvang van het groepsrisico in relatie tot de veiligheid van de risicovolle situatie, de gevolgen voor de omgeving, de hulpverlening en de zelfredzaamheid van omwonenden. Voor buisleidingen is de verantwoordingsplicht uitgewerkt in het Bevb en voor inrichtingen in het Bevi.


Verantwoording groepsrisico inrichtingen

Op basis van het Bevi moeten gemeenten bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit het groepsrisico verantwoorden. Conform het Bevi moeten ten minste de volgende aspecten in de bestuurlijke afweging van het groepsrisico worden vermeld:

  • 1. het aantal personen in het invloedsgebied;
  • 2. het groepsrisico;
  • 3. de mogelijkheden tot risicovermindering;
  • 4. de mogelijke alternatieven (pro-actie);
  • 5. de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid (preventie, preparatie en repressie); en
  • 6. de mogelijkheden voor zelfredzaamheid.


Verantwoording groepsrisico buisleidingen

Op basis van het Bevb moeten gemeenten bij een ruimtelijk besluit het groepsrisico verantwoorden. Hierbij maakt het Bevb een onderscheid tussen een beperkte verantwoording van het groepsrisico en een uitgebreide verantwoording. Onder de beperkte verantwoording van het groepsrisico wordt verstaan dat alleen inzicht gegeven moet worden in:

  • 1. de aanwezigheid van personen binnen het invloedsgebied;
  • 2. de hoogte van het groepsrisico per kilometer;
  • 3. de mogelijkheden voor het voorkomen, beperken en bestrijden van incidenten bij de buisleiding (bestrijdbaarheid);
  • 4. de mogelijkheden voor zelfredzaamheid.


Van een beperkte verantwoording is alleen sprake als:

  • 1. het plangebied buiten de 100% letaliteitscontour ligt; of
  • 2. het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde; of
  • 3. het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt bij een groepsrisico dat kleiner is dan de oriëntatiewaarde.

Bij de uitgebreide verantwoording moet ook onderzocht worden welke maatregelen genomen kunnen worden om de risico's te beperken.


Advies van de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland

Een belangrijk onderdeel van de verantwoordingsplicht is de adviestaak van de Veiligheidsregio. De rijksoverheid heeft (wettelijk) vastgesteld dat het bevoegd gezag het bestuur van de Veiligheidsregio in de gelegenheid dient te stellen advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van een risicobron. Dit is zowel het geval bij buisleidingen als voor inrichtingen.

5.7.3 Kwantitatieve risicoberekening

Onderzoek

Om de hoogte van het risico van de aardgastransportleidingen in de omgeving van het plangebied te berekenen is een kwantitatieve risicoberekening uitgevoerd (Externe Veiligheid Bedrijventerrein Laarberg, Kwantitatieve risicoberekening aardgastransportleidingen, Royal HaskoningDHV, december 2013, Bijlage 3). De resultaten van de kwantitatieve risicoanalyse zijn getoetst aan de huidige wet- en regelgeving.


Het plangebied is gelegen in de omgeving van twee aardgastransportleidingen van de Gasunie. Dit betreffen de aardgastransportleidingen A-579 en A-628. Het transport van aardgas door deze leidingen brengt risico's met zich mee voor aanwezige personen in de directe omgeving van de leidingen. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn de risiconormen voor buisleidingen geformuleerd. Het berekende plaatsgebonden risico is (zowel voor de leiding A-579 als A-628) binnen het bekeken gebied nergens groter dan 10-6 per jaar.


In het noorden van Laarberg (Laarberg Entree) is een brandstofverkooppunt voor CNG en waterstof gepland, dit plan is niet opgenomen in de kwalitatieve risicoberekening aardgastransportleidingen voor Laarberg. Voor deze inrichtingen is een aparte kwalitatieve risico analyse uitgevoerd. De veiligheidscontouren van deze twee inrichtingen liggen niet over het plangebied.

Conclusie

In de buurt van het plangebied liggen twee aardgastransportleidingen en is een brandstofverkooppunt gepland. Het berekende plaatsgebonden risico van de twee aardgastransportleidingen is in het plangebied nergens groter dan 10-6. De veiligheidscontouren van het CNG en waterstofverkooppunt liggen niet over het plangebied. Het plaatsgebonden risico legt dus geen beperkingen op voor de realisatie van het plangebied.

5.7.4 Verantwoording groepsrisico

Inventarisatie
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich twee hogedruk aardgastransportleidingen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Tevens sluit het bestemmingsplan risicovolle bedrijven niet uit. Op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dient het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleidingen verantwoord te worden. Tevens dient op basis van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het groepsrisico te worden verantwoord van de mogelijk toekomstige risicovolle bedrijven. Derhalve is een verantwoording groepsrisico opgesteld (Elementen verantwoording groepsrisico bestemmingsplan Laarberg Noord, Royal HaskoningDHV, september 2017, Bijlage 4).


Voor het plangebied zijn de volgende risicobronnen relevant:

  • 1. vervoer van aardgas per buisleiding A-579;
  • 2. vervoer van aardgas per buisleiding A-628;
  • 3. toekomstige Bevi-inrichtingen.


De volgende risicobronnen zijn niet relevant voor het plangebied:

  • 1. LPG tankstation 'De Haan Minerale Oliën'. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedsgebied van dit tankstation.
  • 2. Transport van gevaarlijke stoffen over de N18. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedsgebied van de N18.


V erantwoording groepsrisico


Toename groepsrisico

Uit het berekende groepsrisico van de aardgastransportleidingen blijkt dat het groepsrisico in de toekomstige situatie beperkt toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico onder de 0,1 keer de oriëntatiewaarde blijft. Voor de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen is de verwachting dat het groepsrisico kleiner is dan de oriëntatiewaarde. Of dit daadwerkelijk het geval is, zal duidelijk worden wanneer voor een Bevi-inrichting een aanvraag omgevingsvergunning, gedeelte milieu wordt ingediend.


Aanwezigheid binnen het invloedsgebied

Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen en de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen is met name landbouw en bedrijvigheid aanwezig. Het plangebied maakt bedrijvigheid mogelijk, hierbij wordt uitgegaan van een personendichtheid van 40 personen per hectare.


Treffen van bronmaatregelen

Het treffen van bronmaatregelen dient alleen beschouwd te worden voor de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen. Aangezien de Bevi-inrichtingen nog niet aanwezig of aangevraagd zijn is het niet mogelijk om bronmaatregelen te treffen. Dit wordt onderzocht bij de omgevingsvergunningsprocedure van een Bevi-inrichting. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de eisen uit de beleidsvisie van de gemeente.


Treffen van ruimtelijke maatregelen

Het treffen van ruimtelijke maatregelen dient alleen beschouwd te worden voor de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen. De provincie Gelderland heeft Laarberg aangewezen als locatie voor een regionaal bedrijvenpark, waarvan dit plangebied onderdeel uit maakt. Om de risico's ten gevolge van de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen te beperken is rekening gehouden met de afstand tot de woonkern Groenlo. Tevens wordt rekening gehouden met de populatiedichtheid in en rondom het plangebied.


De mogelijkheden van bestrijdbaarheid

Aardgastransportleidingen

De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid van een incident van de aardgastransportleidingen zijn beperkt. Dit komt doordat het maatgevende scenario van de aardgastransportleidingen nauwelijks tot geen ontwikkeltijd kent en de hittestraling te hoog is voor een inzet van hulpverleners.


Bevi-inrichtingen

De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid van een calamiteit verschillen per maatgevend scenario. In algemene zin wordt gesteld dat het plangebied bereikbaar is voor hulpdiensten en de bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen voldoende zijn. De mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen kunnen echter aanleiding geven om de bereikbaarheid, bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen verder te optimaliseren. Dit zal samen met de Veiligheidsregio nader onderzocht worden bij een aanvraag omgevingsvergunning, gedeelte milieu van een Bevi-inrichting.


De mogelijkheden van zelfredzaamheid


Aardgastransportleidingen

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een incident met de aardgastransportleidingen zijn beperkt. Dit komt doordat het maatgevende scenario van de aardgastransportleidingen nauwelijks tot geen ontwikkeltijd kent. Personen die zich buiten bevinden dienen te vluchten in een gebouw.


Bevi-inrichtingen

De mogelijkheden voor de zelfredzaamheid verschillen per maatgevend scenario. Over het algemeen kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid voldoende is. De alarmering is een aandachtspunt, de huidige WAS-palen zijn onvoldoende. Een alternatief hiervoor is het inschakelen van SMS-alert. De mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen kunnen echter aanleiding geven om de inrichting van het gebied te optimaliseren ter verbetering van de zelfredzaamheid. Dit zal samen met de Veiligheidsregio nader onderzocht worden bij een omgevingsvergunningaanvraag gedeelte milieu van een Bevi-inrichting.

Verder kan worden geconcludeerd dat het plangebied geen objecten mogelijk maakt die zijn bestemd voor verminderd zelfredzame personen.


Advies Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland (VNOG)

In Bijlage 5 van deze toelichting is het VNOG-advies over dit plan opgenomen. Het belangrijkste onderdeel uit dit document is een advies om opnieuw een groepsrisicoberekening uit te (laten) voeren voor de hogedruk aardgasleidingen en daarbij een realistische bezettingsgraad te hanteren (conform de Handleiding risicoberekeningen Bevb; versie 2.0; d.d. 1 juli 2014).


De gemeente overweegt dat in de rapportage weliswaar ogenschijnlijk een (te) lage bezettingsgraad is gehanteerd, maar dat deze bezettingsgraad een gemiddelde is van zowel de uit te geven bedrijfskavels als van de overige gronden, waaronder een agrarisch perceel. Zou het percentage alleen op de bedrijfskavels worden gebaseerd dan is sprake van een bezettingsgraad die de VNOG als realistisch beschouwd. Het is dus niet noodzakelijk de rapportage aan te passen.


Daarnaast moet volgens de Veiligheidsregio het groepsrisico opnieuw worden beschouwd zodra toekomstige Bevi-bedrijven zich willen vestigen in (de omgeving van) het plangebied. Dit onderdeel van het advies wordt opgevolgd in het kader van de verlening van omgevingsvergunningen.

5.7.5 Conclusie

Het plan is, rekening houdend met het advies van de Veiligheidsregio, daarom uit oogpunt van externe veiligheid planologisch aanvaardbaar en uitvoerbaar.


Nader onderzoek bij vergunning

Het is mogelijk dat, afhankelijk van de aard en locatie van de bedrijfsvoering, in de omgevingsvergunning aandacht moet worden besteed aan externe veiligheidsaspecten, zoals zelfredzaamheid en bluswatervoorzieningen. Het is mogelijk dat in dat verband nadere informatie of onderzoek nodig is om bijvoorbeeld voorzieningen aan te geven of kwaliteiten te kunnen waarborgen.

5.8 Bodemkwaliteit

Inleiding

Door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens kan inzicht worden verkregen in de bodemkwaliteit in het plangebied. Dat inzicht is nodig om te bepalen of de bodem geschikt is - of geschikt te maken is - voor nieuwe functies. Ook voor omgevingsvergunningen voor het bouwen is onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Bouwwerkzaamheden mogen pas beginnen als de bodem geschikt is - of geschikt is gemaakt - voor het beoogde doel. Daarom moet bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, moet aanvullend onderzoek plaatsvinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, moet vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.


Onderzoek

In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is een onderzoek uitgevoerd naar bodem en water. Dit onderzoek ziet tevens op de ontwikkeling van Laarberg Noord. Daarnaast is in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van Laarberg Noord een historisch bodemonderzoek uitgevoerd onder de titel 'Historisch Bodemonderzoek Holtkampsweg (ong.) te Groenlo' (Econsultancy, 3 augustus 2017).

De resultaten van voornoemd onderzoek zijn hierna samengevat:

  • In voorgaande onderzoeken zijn op de onderzoekslocatie verschillende bodem- en grondwaterverontreinigingen aangetroffen. In 2015 zijn er asbesthoudende materialen in de grond aangetroffen, de asbestconcentratie overschreed echter niet de interventiewaarde.
  • Tijdens de terreininspectie zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld. Ook tijdens het veldwerk zijn er geen asbestverdachte materialen op het maaiveld en in de bodem gevonden.
  • Vervolgonderzoek wordt geadviseerd voor landbodem, watergangen en gedempte sloten. Voor de landbodem dient onderzoek volgens de strategie 'Onverdacht grootschalig' uitgevoerd te worden. De watergangen dienen volgens strategie 'Overig water, lintvorming en normale onderzoeksinspanning' uitgevoerd worden.

Voor de uitvoering van de plannen voor de uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg is de Gebiedsonderneming Laarberg opgericht. De gebiedsonderneming stelt jaarlijks een grondexploitatie op. In de grondexploitatie is rekening gehouden met de sanering van gronden als gevolg van verontreinigingen met onder andere asbest. Uit de laatste grondexploitatie blijkt dat de voorgenomen plannen voor het bedrijvenpark Laarberg sluiten met een positief resultaat.


Conclusie 

Er zijn in het plangebied geen (zodanige) bodem- en grondwaterverontreinigingen aangetroffen die de aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid van de ontwikkeling van het plangebied beperken. Naar aanleiding van het historisch onderzoek uit 2017 is vervolgonderzoek uitgevoerd. Dit betreft de separaat beschikbare rapportage "Rapport diverse onderzoeken Laarberg Centraal te Groenlo" (kenmerk 11304.001C, datum 16-4-2020).


In het grondexploitatieplan van de Gebiedsonderneming Laarberg is rekening gehouden met eventuele sanering van lokale verontreinigingen. Deze grondexploitatie sluit met een positief resultaat. Hiermee is de exploitatie ten aanzien van het aspect bodem gegarandeerd.


Nader onderzoek bij vergunning
Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond.

5.9 Water

Inleiding

In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.


Onderzoek

Voor de uitbreiding van het bedrijvenpark Laarberg is in het kader van het Masterplan 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' de watertoets (Civicon BV, 2011) doorlopen. In 2021 is de watertoets geactualiseerd (addendum, actualisatie bergingsopgave).

De toets geeft aan wat de gevolgen zijn voor het ruimtelijke plan voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterhuishoudings- en rioleringsplan dat in samenwerking met het waterschap is uitgewerkt. De watertoets wordt gebruikt voor de bestemmingsplannen die worden opgesteld binnen de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark. Veel onderdelen van het waterhuishoudings- en rioleringsplan zijn reeds gerealiseerd. Voorliggend plangebied, Laarberg Noord, is onderdeel van de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark.


Huidige situatie plangebied

Binnen en nabij het bedrijvenpark Laarberg zijn meerdere oppervlaktewaterlichamen aanwezig.

  • 1. Leerinkbeek;
  • 2. Afwatering van Heideblom;
  • 3. Retenties fase 1 langs Bolwerk, Noordgang en Redoute;
  • 4. Retenties fase 2 (uitbreiding):
    • a. Retentie noordoost, Groot Hoornwerk;
    • b. Retentie zuid, Zuidgang;
    • c. Retentie west, Ruiterpad.


Aan de noordzijde van het regionaal bedrijvenpark loopt de Leerinkbeek. Deze beek is onderdeel van een natte ecologische verbindingszone (heringericht in 2007). Aan de zuidzijde loopt de Afwatering van de Heideblom. In het plangebied liggen diverse retentiewateren voor de opvang van hemelwater.

Naast het oppervlaktewater zijn het verloop van het maaiveld, de bodemopbouw en de grondwaterstanden in grote mate bepalend voor de waterhuishouding. De maaiveldhoogte van het voorliggend plangebied Laarberg Noord verloopt van circa 20,90 tot 22,00 m +NAP.

De bodem bestaat tot een diepte van 2 á 2,5 meter voornamelijk uit fijne silthoudende zandlagen. Iets dieper (tot 4 meter onder maaiveld) zijn overwegend matig fijne grindhoudende zanden aanwezig. Tot een diepte van 10 à 15 meter zijn overwegend schone zandlagen aanwezig met op een aantal plaatsen leem-en silthoudende lagen op een diepte van circa 5 tot 8 meter. Tot de maximaal verkende diepte van 15 meter is een keileempakket aanwezig. Hier ligt ook de basis van het freatische en eerste watervoerend pakket.

Het waterbeleid is er op gericht dat hemelwater in eerste instantie zo veel mogelijk vastgehouden moet worden door infiltratie in de bodem. Als dat onvoldoende mogelijk is, dient het water zo veel mogelijk geborgen te worden in retentievoorzieningen. Als ook dat niet toereikend is kan water afgevoerd worden.


De infiltratiemogelijkheden worden vooral bepaald door de doorlatendheid van de bodem en de grondwaterstanden. Door de bodemopbouw met veel zandlagen is de doorlatendheid redelijk. In het plangebied varieert de grondwaterstand tussen circa 0 en 1,8 meter onder het maaiveld. Aan de noordzijde van het plangebied, waar het maaiveld ook het laagst ligt, zijn bij de Leerinkbeek grondwaterstanden tot nabij maaiveld aangetroffen (in de winter).


Watertoets

Inleiding

In het kader van de watertoets is, zoals hiervoor is aangegeven, een watertoetsrapportage opgesteld en beoordeeld door het waterschap. In die rapportage is benoemd welke wateraspecten aan de orde zijn. Binnen het plangebied worden de volgende functies onderscheiden; bouwkavels, groenstroken en wegen. Voor de bouwkavels en de wegen wordt uitgegaan van 100% verharding.


Riolering en Afvalwaterketen

Ten gevolge van de ontwikkeling zal sprake zijn van een toename van afvalwater. Het afvalwater wordt via het reeds aangelegde vuilwaterriool afgevoerd en aangesloten worden op het gemaal "Laarberg". Bij de aanleg van het gemaal "Laarberg" en de dimensionering van de persleiding is rekening gehouden met de groei van het afvalwater door uitbreiding van het bedrijvenpark. Deze voorzieningen kunnen naar huidig inzicht de toename van het afvalwater verwerken. Het nieuwe terrein is/wordt naar huidig inzicht voorzien worden van een 'drievoudig stelsel' (soort duurzaam gescheiden stelsel).


Wateroverlast

Het verhard oppervlak voor het plangebied neemt toe. Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, nu en in de toekomst te voorkomen wordt het regenwater niet afgevoerd naar het vuilwaterstelsel maar volgens de trits vasthouden, bergen en afvoeren behandeld. Het vasthouden en bergen van opgevangen hemelwater wordt in eerste instantie binnen de gehele uitbreiding van het bedrijvenpark ingepast.

Het hemelwater van het terreinverhardingen zal door middel van infiltratievelden in de bodem infiltreren. Deze velden kunnen overstorten op de retentiewateren. Deze retenties kunnen uiteindelijk overstorten op de Leerinkbeek en Afwatering van de Heideblom. Het hemelwater van dakwater wordt rechtstreeks aangesloten op de retenties.


De volgende bergingseisen zijn (destijds) samen met het waterschap vastgesteld:

  • 10 mm statische berging in infiltratievelden;
  • T=10+10% bergen in de retenties, peilstijging tot maximaal het stuwpeil (dus bergen tussen streefpeil en stuwpeil retenties). Het waterschap hanteert voor een bui T=10+10% een statische berging van 40mm (hierbij mag de berging in de infiltratievelden in mindering worden gebracht);
  • T=100+10% bergen tot aan het maaiveld waarbij er geen wateroverlast ontstaat op het bouwplan. Het waterschap hanteert voor een bui T=100+10% een statische berging van 74mm*;
  • Vanuit het bouwplan mag niet meer afgevoerd worden dan de landbouwafvoernorm, deze is 1,3 l/s/ha (bron: Duurzaam en veilig water in de stad).


(*) Inmiddels betreft deze eis 80 mm. Hieraan kan en zal worden voldaan indien het toekomstig verhard oppervlak niet meer bedraagt dan destijds is aangenomen in de watertoets. Het huidige stedenbouwkundig plan is op dit punt niet wezenlijk veranderd, dus er wordt nog steeds aan deze norm voldaan.


Oppervlaktewaterkwaliteit

Hemelwater van wegen en terreinverhardingen wordt via infiltratievelden en retenties geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Er worden geen functies mogelijk gemaakt die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.


Grondwateroverlast

In de bodem van de uitbreiding van het regionale bedrijvenpark bevinden zich op enkele plaatsen slecht doorlatende lagen. Om grondwateroverlast in de toekomstige situatie te voorkomen, wordt aanbevolen om deze slecht doorlatende lagen te onderbreken.


Inrichting en beheer

De ontwikkelingen vormen geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. Het oppervlaktewaterpeil wordt binnen gewenste of vastgestelde marges gehandhaafd (bestaand gemiddeld grondwaterpeil).


Waterhuishoudingsplan

De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap Rijn en IJssel. Diverse maatregelen hebben ruimtelijke consequenties. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterhuishoudingsplan dat in samenwerking met het waterschap is uitgewerkt. In dat plan is gestreefd naar een hoge mate van detail (Civicon BV 2012).


Conclusie

De ontwikkeling Laarberg Noord is met oog op het aspect oppervlaktewater en grondwater uitvoerbaar.


Nader onderzoek bij vergunning

Het ruimtelijk kader is uit planologisch opzicht voldoende afgestemd op de waterbelangen in het gebied. Het kan echter nodig zijn dat een initiatiefnemer nadere vergunningen op het gebied van de waterhuishouding moet aanvragen, afhankelijk van de bedrijfsvoering en/of het bouwplan. Een dergelijke vergunning moet (meestal) bij de gemeente of bij het waterschap worden aangevraagd.

5.10 Ecologie

Inleiding

Wettelijk kader

De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Per 1 januari 2017 is de nieuwe natuurwet "Wet natuurbescherming" (hierna Wnb) in werking getreden. In deze nieuwe wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet in één wet geïntegreerd, waarmee de afzonderlijke wetten komen te vervallen. De belangrijke wijzigingen zijn de verwijdering van de beschermde natuurmonumenten uit de wet, wijzigingen in de lijst van beschermde soorten van de Flora- en faunawet en verschuiving van verantwoordelijkheden van het Rijk naar de provincie. Ten aanzien van de Boswet zijn er geen wijzigingen.


Soortenbescherming

De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Er bestaan drie beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen beschermde soorten geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de overige beschermde soorten is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten kan enkel afgeweken worden na een uitgebreide toetsing.


Gebiedsbescherming

Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde monumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk onderdeel van de Wnb is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet.


Natuuronderzoeken

In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg zijn verschillende natuuronderzoeken uitgevoerd. Deze - separaat beschikbare - onderzoeken, die de gehele voorziene uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg in beschouwing nemen, vormen in belangrijke mate de onderbouwing op het aspect ecologie.


Daarnaast is in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van Laarberg Noord een update van dit natuuronderzoek uitgevoerd in 2021. Voor Laarberg is ook een nieuw natuurmitigatieplan opgesteld. Deze integratie van onderzoek en plan wordt het Activiteitenplan genoemd en is opgenomen in Bijlage 3 van de planregels. Bij de hierna beschreven overwegingen ten aanzien van de soortenbescherming wordt, waar nodig, tevens naar dat Activiteitenplan verwezen.


Onderzoek soortenbescherming


Wet natuurbescherming

In 2021 is een update van het natuuronderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het doel van dit onderzoek was om te inventariseren of door de geplande werkzaamheden schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna, en hoe eventuele schade beperkt of gecompenseerd kan worden. De huidige wetgeving verlangt een gedegen en actueel onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die Wet natuurbescherming (Wnb) een plannenmaker oplegt.


Inventarisaties

Gebiedsonderneming Laarberg is verantwoordelijk voor de uit te voeren activiteiten en gaat voldoen aan haar zorgplicht in het kader van de Wnb. Het eerste flora- en faunaonderzoek is in 2010 uitgevoerd en geactualiseerd in 2014. In 2017 is een aanvullend natuuronderzoek (veldonderzoek) uitgevoerd, gericht op het voorkomen van beschermde planten, vleermuizen, vaste rust- en verblijfplaatsen van matig en streng beschermde zoogdieren en broedvogels, waaronder vogels waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd. In 2020 en 2021 is opnieuw onderzoek gedaan. De resultaten daarvan zijn verwerkt in het 'Activiteitenplan Regionaal bedrijventerrein Laarberg in Groenlo Deelgebieden: 'Centraal', 'Noord' en het westelijke deel van 'Biobased Transitiepark fase 2'. Dit plan is, zoals eerder vermeld, opgenomen in Bijlage 3 van de planregels.


Analyse flora

Bij de geplande ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de aangetroffen beschermde plantensoorten en het nemen van mitigerende of compenserende maatregelen is voor de aangetroffen plantensoorten niet noodzakelijk.


Bunzing en wezel

Tijdens de werkzaamheden in het plangebied waar vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, en het bijbehorend functioneel leefgebied (foerageergebied en verbindingszone), zich bevinden, is mogelijk tijdelijk sprake van verlies aan vaste rust- en verblijfplaatsen (bunzing) en geschikt habitat (bunzing en wezel). Ook is mogelijk sprake toenemende risico op verkeersslachtoffers en van verstoring van individuen door geluid, trillingen, menselijke aanwezigheid etcetera. Er worden mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen.


Analyse vleermuizen

Door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen verdwijnen er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Verstoring op foerageergebieden en vliegroutes door (met name) licht- en geluidhinder is op voorhand niet geheel uit te sluiten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is verleend. Om verstoring op essentieel foerageergebied en vliegroute van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger langs de Holtkampsweg, door de ruimtelijke ontwikkeling te compenseren wordt de kwaliteit van het bestaand foerageergebied en vliegroute versterkt. Daarnaast worden mitigerende maatregelen getroffen conform het 'Activiteitenplan Regionaal bedrijventerrein Laarberg in Groenlo Deelgebieden: 'Centraal', 'Noord' en het westelijke deel van 'Biobased Transitiepark fase 2'


Conclusie onderzoek soortenbescherming

De ontwikkeling van Laarberg Noord is voor wat betreft het aspect soortenbescherming uitvoerbaar.. Een ontheffing is verleend vanwege de (mogelijke) verstoring van het leefgebied van kleine marterachtigen en de vleermuizen.


Onderzoek Gebiedsbescherming


Inleiding

Ter plaatse van het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het onderzoek in het kader van de gebiedsbescherming is daarom gericht op effecten op beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied. Het gaat daarbij vooral om Natura 2000-gebieden. Bedoeld onderzoek omvat meerdere studies en onderzoeken die, samen beschouwd, het vereiste actuele inzicht bieden in de effecten van dit plan op natuurgebieden. Het betreft de volgende studies en onderzoeken (met verwijzingen):

  • 1. PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (augustus 2013);
  • 2. Passende Beoordeling, inclusief stikstofdepositieberekeningen (augustus 2013);
  • 3. Notitie stikstofdepositie (maart 2018).


Hierna wordt een samenvatting gegeven van deze studies en onderzoeken. Hierbij wordt in de basis uitgegaan van de informatie uit het PlanMER en de Passende Beoordeling. Deze informatie, die voor wat betreft de algemene inhoud op dit moment nog steeds actueel is, wordt op het punt van berekeningen aangevuld en geactualiseerd op basis van een Notitie stikstofdepositie uit 2021, die is opgenomen in Bijlage 6 van deze toelichting.


Inventarisatie

Het plangebied ligt op enige afstand van een aantal Natura 2000-gebieden:

  • 1. Zwillbrockervenn & Ellewickerveld en vogelrichtlijngebied (5 km);
  • 2. Korenburgerveen (7 km);
  • 3. Stelkampsveld (10 km);
  • 4. Buurserzand en Haaksbergerveen (10 km).


Verderweg gelegen gebieden zijn onder andere Bekendelle (13 km), Willinks Weust (14 km), Lüntener Fischteich und Ammeloer Venn (14 km), Witte Venn en Krosewicker Grenzwald (14 km) en Witte veen (14 km). In deze gebieden zijn doelstellingen geformuleerd voor een aantal soorten en habitattypen van hoogvenen, heiden, schrale graslanden, stuifzanden en bossen.

Het Zwillbrockervenn & Ellewickerveld is ook aangewezen voor de Vogelrichtlijn. Dit Vogelrichtlijngebied heet 'Vogelschutzgebied Moore und Heiden des westlichen Münsterlandes' en omvat onder andere het habitatrichtlijngebied Zwillbrockervenn & Ellewickerveld.

Gezien de aard en omvang van de verwachte effecten van de ontwikkeling van Laarberg Noord, richt de passende beoordeling zich op de vier dichtstbijgelegen Natura 2000-gebieden Zwillbrockervenn, Korenburgerveen, Stelkampsveld en Buurserzand & Haaksbergerveen.


Passende beoordeling

In de passende beoordeling bij het PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (Royal HaskoningDHV, augustus 2013) is de stikstofdepositie ten gevolge van de industriële activiteit en de verkeersaantrekkende werking van het regionaal bedrijvenpark Laarberg als geheel bepaald.

Op de Natura 2000-gebieden (Korenburgerveen, Stelkampsveld, Buurserzand & Haaksbergerveen) is, zo blijkt uit onderzoek, met de beoogde bedrijvigheid geen sprake van een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie, zodat op voorhand is uitgesloten dat dit een significant negatief effect veroorzaakt.

Stikstofbeoordeling 2021 plangebied Laarberg Noord

De aanleiding voor deze beoordeling, in aanvulling op de reeds verrichte onderzoeken is tweeledig. Enerzijds zijn er regelmatig ontwikkelingen inzake de staat van Natura2000-gebieden. Anderzijds zijn er regelmatig ontwikkelingen op het gebied van regelgeving voor stikstofdepositie. Voor wat betreft dat laatste: op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Hierin worden tijdelijke bouw- en sloopactiviteiten vrijgesteld van vergunningplicht. De vrijstelling geldt voor mobiele werktuigen, bouwverkeer en omleidingsroutes. De aanvullende stikstofbeoordeling is opgenomen in Bijlage 6 van deze toelichting.

Uit de beoordeling blijkt dat, als gevolg van de verkeersaantrekkende werking tijdens de gebruiksfase van het nieuwe bedrijventerrein op Laarberg Noord in Groenlo, op geen enkel rekenpunt een toename in depositie (0,00 mol N/ha/j) wordt berekend. Deze conclusie geldt ook wanneer wordt uitgegaan van de vaste afstandsgrens die recentelijk op 25 km is bepaald. Op basis van deze conclusie kunnen significant negatieve effecten als gevolg van het gebruik van het bedrijventerrein op voorhand worden uitgesloten. Dit betekent dat de conclusie, die reeds is getrokken in het kader van de voornoemde passende beoordeling, voor Laarberg Noord nog steeds in stand blijft. Verder wordt in de conclusie van de beoordeling vermeld dat stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase van de het bedrijventerrein onder de vrijstelling valt van de vergunningplicht uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Tot slot wordt hierbij opgemerkt dat het gebied op dit moment nog steeds actief in gebruik is als landbouwgrond. Dit gebruik wordt (en kan worden) voortgezet tot het moment dat de feitelijke aanleg van het bedrijventerrein begint.


Gelders Natuurnetwerk (GNN)

Ten noorden van het plangebied loopt de Leerinkbeek. Deze beek is onderdeel van een natte ecologische verbindingszone (heringericht in 2007). Een smalle zone rond de Leerinkbeek, in de nabijheid van het plangebied, is aangewezen als Gelders Natuurnetwerk. Daar omheen ligt een ruime zone die in de omgevingsvisie van Gelderland is begrensd als Groene Ontwikkelingszone. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar er moet ook gestreefd worden om de "samenhang tussen natuurgebieden te bevorderen, het functioneren als netwerk te versterken en overgangen tussen natuurbestemmingen en andere functies te zoneren". In dit geval liggen zowel de GNN-zone als de GO-zone ruim buiten het plangebied (circa 250 - 300 m).


Regels over het Gelders Natuurnetwerk (GNN) zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland. Hierin staan geen bepalingen ten aanzien van externe werking. Alleen wanneer sprake is van een bestemmingswijziging binnen de begrenzing van het GNN zijn de bepalingen uit de Omgevingsverordening van toepassing. Omdat het plangebied buiten de begrenzing van het GNN ligt, is nadere toetsing aan de Omgevingsverordening Gelderland voor het aspect GNN niet noodzakelijk. Dezelfde overweging geldt ten aanzien van de Groene Ontwikkelingszone.

Conclusie

De ontwikkeling van Laarberg Noord is in beginsel aanvaardbaar, de individuele ontwikkelingen binnen dit plan zijn recentelijk getoetst op het aspect gebiedsbescherming (met name voor wat betreft de stikstofdepositie). Voor wat betreft soortenbescherming wordt het (jaarrond) onderzoek jaarlijks herhaald, de resultaten daaruit kunnen gebruikt worden bij individuele ontwikkelingen.


Nader onderzoek bij vergunning

De Wet natuurbescherming kent een zelfstandige werking én onderzoeksgegevens op het gebied van natuurbescherming zijn beperkt geldig. Het is daarom vrijwel altijd nodig dat bij aanvraag van een omgevingsvergunning, die de bouw en ingebruikname van een bedrijfsgebouw mogelijk maakt, een (nieuw) onderzoek vanwege gebiedsbescherming (Aeriusonderzoek) wordt uitgevoerd. In uitzonderlijke gevallen zou dit kunnen leiden tot het moeten uitvoeren van een specifieke passende beoordeling.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie

Inleiding

Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De monumentenwet 1988 is hierin gedeeltelijk overgenomen. Het andere deel van de monumentenwet 1988 zal worden opgenomen in de Omgevingswet. Het gaat dan om het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming over de fysieke leefomgeving. Op moment zijn deze wetten opgenomen in de Erfgoedwet onder het overgangsrecht, totdat de Omgevingswet in werking treedt. Voor archeologie gaat het onder meer om:

  • 1. het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;
  • 2. de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie;
  • 3. de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen;
  • 4. de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.


Bepalingen over de archeologische monumentenzorg in omgevingsvergunningen zullen overgaan naar de Omgevingswet maar blijven hetzelfde. Bij de voorbereiding ervan dient inventariserend archeologisch onderzoek te worden gedaan, zodat in het plan - indien nodig - een passende regeling kan worden getroffen om aanwezige archeologische waarden te beschermen. Indien er archeologische waarden in de bodem worden aangetroffen, gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1. het ongestoord bewaren van de archeologische vondsten in de bodem;
  • 2. het opgraven van de archeologische vondsten en het elders bewaren daarvan;
  • 3. het zo veel mogelijk ontzien van de archeologische vondsten.

Onderzoek

In het kader van het PlanMER dat is opgesteld bij de Structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' is onderzoek uitgevoerd naar archeologie en cultuurhistorie. Dit onderzoek neemt, dat de gehele voorziene uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg in beschouwing.


Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre

Gemeente Oost Gelre heeft het nationale archeologiebeleid vertaald in het rapport Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre (RAAP, 2008). Daar hoort een archeologische beleidsadvieskaart bij, afbeelding 5.3. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en wat de archeologische verwachtingswaarde is van andere gebieden. Behoud van archeologische (verwachtings-)waarden is het uitgangspunt.


Archeologische aspecten

Uit de Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart (RAAP BV, 2008) en blijkt dat er veel archeologische waarden kunnen voorkomen.


afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2036-OW01_0010.png"

Afbeelding 5.3 Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart (RAAP BV, 2008)


Ter plaatse van het plangebied Laarberg Noord gelden hoofdzakelijk een lage en een middelmatige archeologische verwachtingswaarde. Om beter inzicht te krijgen in het daadwerkelijk voorkomen van archeologische waarden is eerder in het gebied een bureauonderzoek en karterend booronderzoek uitgevoerd (Hamaland Advies, 10 oktober 2018). Op basis van de resultaten van het archeologisch vooronderzoek wordt voor het grootste deel van het plangebied geen vervolgonderzoek geadviseerd. Met het selectieadvies wordt ingestemd.


Cultuurhistorische aspecten

Laarberg Noord ligt echter direct ten zuiden van de Grolse Linie uit 1627 (ook wel de Circumvallatielinie genoemd). Deze linie is een belangrijke cultuurhistorisch waardevolle structuur op het bedrijvenpark Laarberg. De Grolse Linie is een aanvalslinie uit de Tachtigjarige Oorlog. Wat de Grolse Linie om Groenlo uniek maakt, is dat deze voor het grootste deel nog intact in de bodem aanwezig is. Deze ligt in het agrarisch gebied. De linies rondom andere steden zijn vrijwel volledig vergraven ten behoeve van met name snelwegen en nieuwbouwwijken. Het doel is om de Grolse Linie te behouden en waar mogelijk de structuur zichtbaar en beleefbaar te maken. De ontwikkeling van Laarberg Noord staat dit niet in de weg.

Aanvullende vergunningplicht in verband met de Grolse Linie

Evenwijdig aan de Grolse Linie ligt (aan weerszijden daarvan) een vergunningszone (buffer om de linie). Voor het werken binnen deze zone moet een monumentenvergunning aangevraagd te worden. Dit betreft een vergunning voor het wijzigen van een archeologisch rijksmonument. Vergunningen voor archeologische rijksmonumenten worden verleend door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Een klein gedeelte van het plangebied Laarberg Noord valt binnen de genoemde zone. In het verleden is voor de aangelegde riolering een vergunning verleend voor het werken binnen de zone. Voorafgaand aan de rioolwerkzaamheden heeft destijds een archeologische opgraving plaatsgevonden. Hierna is dat betreffende gebied vrijgeven door de RCE.


Na afronding van de ruimtelijke uitwerking van het plan voor Laarberg Noord is gebleken dat het toekomstig wegcunet voor een klein deel buiten de vrijgegeven zone ligt. Hiervoor moet een nieuwe vergunning aangevraagd worden. De vergunningaanvraag is momenteel bij de RCE in behandeling. In dat verband is in september 2021 het concept Programma van eisen voor de archeologische opgraving ingediend. De vergunningaanvraag eerder voorbesproken met de RCE. Op basis daarvan is gebleken dat er voldoende zicht is op verlening van de bovengenoemde vergunning.

Daarnaast liggen er delen van toekomstige bedrijfskavels binnen de zogenaamde attentiezone rondom de linie. Omdat hier nog archeologisch onderzoek moet plaatsvinden, zijn de gronden ter plaatse van deze attentiezone voorzien van een dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2. Op deze manier is planologisch-juridisch geborgd dat eerst archeologisch onderzoek moet plaatsvinden voordat de betreffende kaveldelen in ontwikkeling worden genomen.


Conclusie

De ontwikkeling van Laarberg Noord is voor wat betreft de aspecten archeologie en cultuurhistorie uitvoerbaar. Het plangebied is bij beschikking d.d. 29 juni 2021 grotendeels vrijgegeven vanuit gemeentelijke archeologische beschermingswaarden. Voor de rijksbeschermingswaarden is voor een klein deel van de verlengde Noordgang is een aanvullende omgevingsvergunning aangevraagd. Uit overleg met de RCE bestaat voldoende zicht op verlening van deze vergunning. De vergunningprocedure zal, normaal gesproken, zijn afgerond op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan. Daarnaast is in de regels geborgd dat ter plaatse van de attentiezone langs de Grolse Linie nog archeologisch onderzoek moet plaatsvinden voorafgaand aan de verwezenlijking van de (met de voornoemde dubbelbestemming samenvallende) bestemmingen.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Systematiek

De regels bevat regels voor het gebruik en het bebouwen van gronden. Door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen is aangegeven welke functies toegestaan zijn en hoe de gronden bebouwd mogen worden.

De regels omkaderen de beoogde gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied aan. Het toelichtende deel bevat de achtergronden, onderzoeken en motieven die eraan ten grondslag liggen. Deze toelichting is enerzijds voor de besluitvorming van belang, maar kan daarnaast van belang zijn bij het interpreteren van de regels of de verbeelding. Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels en op de verbeelding hun vertaling gekregen.

6.2 Vertaling structuurvisie

Voor de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark is een structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' opgesteld. De structuurvisie vormt het kader voor de toekomstige ontwikkelingen voor het regionaal bedrijvenpark. In de structuurvisie is de ruimtelijke visie beschreven op de gehele ontwikkeling en op de ontwikkeling van deelgebieden en zijn randvoorwaarden voor de nadere invulling opgenomen.


Voorwaardelijke bepalingen

De ontwikkeling van het plangebied moet voldoen aan de voorwaardelijke bepalingen zoals opgenomen in de structuurvisie.

6.3 Indeling regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen
In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de regels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Artikel 2 Wijze van meten
In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels.


Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels


Artikel 3 Bedrijventerrein
Het bedrijventerrein is bestemd als 'Bedrijventerrein'. De bestemming is hoofdzakelijk gericht op het toelaten van zwaardere bedrijvigheid van minimaal categorie 3.1 tot maximaal milieucategorie 3.2, met uitzondering van één kavel waarop tot maximaal milieucategorie 4.2 is toegelaten. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan. Onzelfstandige kantoorfuncties zijn wel toegestaan. Daarnaast zijn nutsvoorzieningen toegestaan alsmede bijbehorende voorzieningen zoals bijvoorbeeld ontsluitingswegen, parkeerplaatsen, groen- en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ter beperking van geluidhinder, met het oog op een aanvaardbare inpassing in de omgeving én ter voorkoming van negatieve effecten op Natura2000-gebieden is een hogere categorie dan 4.2 niet toegestaan.

Daarbij komt dat alleen inrichtingen zijn toegestaan die zijn genoemd in Bijlage 1 van de regels: de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze lijst is gebaseerd op de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, 2009). Uit de lijst in deze publicatie zijn bepaalde typen inrichtingen, die zich redelijkerwijs niet zullen vestigen op Laarberg, weggefilterd. Denk bijvoorbeeld aan havengebonden bedrijvigheid. De niet opgenomen bedrijfscategorieën zijn alleen toegestaan indien ze qua aard en intensiteit van de milieuhinder vergelijkbaar zijn met toegelaten bedrijfscategorieën uit de lijst.

Er zijn twee vormen van gebruik expliciet aangewezen als strijdig gebruik, namelijk (gebruik met) een geluidemissie van meer dan 65 dB(A)/m² resp. 70 dB(A)/m² (zie ook paragraaf 5.5) alsmede bepaalde vormen van (al dan niet tijdelijke) buitenopslag.

Omdat de Laarberg een regionaal bedrijvenpark is voor de vestiging van zwaardere en grotere bedrijven bedraagt de minimale oppervlakte van een bouwperceel 5.000 m². Een kleinere omvang van het bouwperceel is eventueel mogelijk, maar terughoudend met deze mogelijkheid worden omgegaan, gelet op de doelstellingen van het plan. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de vestiging van een waardevol ondersteunend bedrijf, dat geen 5.000 m² nodig heeft of voor het benutten van een kleinere (rest-)kavel.

Het bouwvlak mag voor 75% bebouwd worden, waarbij uit oogpunt van beeldkwaliteit regels zijn gesteld aan de situering van bouwwerken. De maximaal toegelaten bouwhoogte bedraagt 20 m voor de meeste bedrijfsgebouwen en voor telecommasten.

De planregels voorzien eveneens in een mogelijkheid om voor schoorstenen of silo's af te wijken van de voor deze bouwwerken opgenomen maximum bouwhoogten. In beide gevallen moet bij de afweging daarvan in elk geval worden ingegaan op de noodzakelijkheid ervan. Bij de silo's moet daarnaast zorgvuldig worden gekeken naar de externe veiligheidssituatie. De gemeente verbindt de toelaatbaarheid van deze bouwwerken aan een nadere afweging omdat deze een behoorlijk impact kunnen hebben op het ruimtelijke beeld en deels ook op de (brand-)veiligheidssituatie.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ter bescherming van de beeldkwaliteit van het gebied. Op deze manier kan de gemeente, zij het beperkt, enige invloed uitoefenen op bijvoorbeeld de vormgeving van bouwwerken of het aantal en de situering van parkeerplaatsen.


In de planregels wordt aanvullende flexibiliteit geboden inzake de op de verbeelding aangegeven aanduidingsgrens betreffende de milieucategorieën. Bijvoorbeeld wanneer specifieke verkavelings- of inrichtingswensen hiertoe aanleiding geven. Een belangrijke voorwaarde is dat deze flexibiliteit niet is bedoeld om te kunnen afwijken van de sec toegelaten milieucategorieën. Alleen van de begrenzing van de aanduidingen mag worden afgeweken.


Externe veiligheid is een belangrijk thema. In beginsel zijn Bevi-bedrijven en/of Brzo-bedrijven uitgesloten, maar de vestiging van bepaalde activiteiten met externe veiligheidsrisico is altijd verbonden aan een nadere afweging door het bevoegd gezag, hetgeen mede op basis van een advies van de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland moet plaatsvinden.


Tot slot is het niet zonder meer mogelijk om grondwallen aan te leggen. De aanleg ervan is verbonden aan een omgevingsvergunningplicht omdat grondwallen van grote invloed kunnen zijn op de beeldkwaliteit, de bestrijdbaarheid van brand en/of de gebruiksmogelijkheden van naburige erven.


Artikel 4 Groen - Ecologische waarde

De bestemming 'Groen - Ecologische waarde' is gelegd op hoofdgroenstructuur die met name bedoeld is om een bestaande dubbele bomenrij te handhaven. Deze bomenrij heeft niet alleen een bepaalde beeldkwaliteit, maar is vooral ecologisch van belang, omdat vleermuizen deze bomenrij ter oriëntering gebruiken. Er is daarom een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het kappen van bomen. Tevens voorzien de regels erin dat door het gebied een ontsluitingsweg aangelegd kan worden, zij het dat rekening moet worden gehouden met de locatie en met een maximum breedte. Daarnaast is een verbod opgenomen voor de toepassing van verlichting.

Artikel 5 Groen - Landschappelijke inpassing
De bestemming 'Groen - Landschappelijke inpassing' moet zodanig worden ingericht dat deze een landschappelijk aanvaardbare overgang naar de omgeving gaat vormen. De landschappelijke inpassing dient dus niet alleen gerealiseerd te worden, maar ook duurzaam in stand gehouden te worden. Hiertoe is in de gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen die dit juridisch waarborgt.


Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied
De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' sluit aan op de wegenstructuur in de omgeving. Binnen de bestemming zijn, behalve wegen, straten en paden ook andere voorzieningen toegestaan, zoals parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen. Deze laatste zijn mogelijk tot een maximum van 25 m2.

Artikel 7 Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2

De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' waarborgt de bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in een gebied van (hoge) archeologische waarde, in dit geval het gebied van de Grolse Linie. De betrokken gronden zijn gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart. In de bouwregels, de nadere eisen en in het stelsel van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden is de feitelijke bescherming van de gronden geregeld.


Hoofdstuk 3 Algemene regels


Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.


Artikel 9 Parkeerregelgeving

In dit artikel is de regeling voor parkeren opgenomen. In de regeling wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernota of een rechtsopvolger daarvan. Expliciet is aangegeven dat ook een rechtsopvolger het kader kan vormen. Als de Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre wordt aangepast, dan vormt de opvolger daarvan het nieuwe toetsingskader. In de parkeernota is ook aangesloten op de bepalingen die waren opgenomen in de bouwverordening, maar door de recente wetswijziging zijn vervallen. Voor specifieke gevallen is een afwijkingsbevoegdheid (onder voorwaarden) opgenomen.

Artikel 10 Algemene bouwregels
In deze regels zijn algemene bouwregels opgenomen die voor alle functies in het plan gelden.


Artikel 11 Algemene gebruiksregels

Op grond van de algemene gebruiksregels wordt algemeen ongewenst gebruik verboden, tenzij een bepaald gebruik juist bedoeld is toe te laten op grond van de bestemmingen, direct hetzij indirect.


Artikel 12 Algemene afwijkingsregels

Dit artikel bevat een bevoegdheid voor bevoegd gezag om af te wijken van bepaalde, in de planregels vermelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle onderscheiden bestemmingen.

Artikel 13 Algemene wijzigingsregels

Dit artikel bevat een bevoegdheid voor burgemeester en wethouders om een bestemmingsgrens (niet zijnde de plangrens) te verschuiven.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven.

Artikel 15 Slotregel

Deze regel bevat de citeertitel van het plan.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoering van de plannen voor de uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg is de Gebiedsonderneming Laarberg opgericht. Deze heeft de uitvoering van de ontwikkeling en realisatie van dit regionale project ten doel. Gebiedsonderneming Laarberg kent twee publieke aandeelhouders; de gemeente Oost Gelre en de gemeente Berkelland. Beide aandeelhouders hebben ieder een borgstelling afgegeven. Ter beoordeling van de financiële haalbaarheid stelt de gebiedsonderneming jaarlijks een grondexploitatie op. In de grondexploitatie is rekening gehouden met de sanering van gronden als gevolg van verontreinigingen met onder andere asbest. Uit de laatste grondexploitatie blijkt dat de voorgenomen plannen voor het bedrijvenpark Laarberg sluiten met een positief resultaat.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er is overleg gevoerd met de relevante partners, waaronder de provincie Gelderland en de Omgevingsdienst Achterhoek. Daarnaast wordt dit bestemmingsplan, samen met het beeldkwaliteitsplan, voor een ieder ter inzage gelegd.