TAM-omgevingsplan
Hoofdstuk 22a Langeveld, Sassenheim
Hoofdstuk 1 Inleidende
bepalingen
Afdeling 2.1 Woongebied –
ontwikkelgebied
Afdeling 3.1 Algemene
bepalingen
Afdeling 3.2 Regels voor
bouwwerken
Afdeling 4.1 Geluid
binnen het woongebied
Hoofdstuk 5 Archeologie,
bodem, graaf- en grondwerkzaamheden
Afdeling 6.1
Beperkingengebied met betrekking tot de waterkering
Regels TAM-omgevingsplan
Hoofdstuk 22a Langeveld, Sassenheim (vaststelling)
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht
op het faciliteren van de gebiedsontwikkeling op de locatie Langeveld en vormt
juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22a]) van het omgevingsplan
van de gemeente Teylingen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 van het
Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar
gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is
met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de
juridische vormgeving van het omgevingsplan in
STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl
uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit
deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van
hoofdstuk [22a] van het omgevingsplan van de gemeente
Teylingen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na
het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22a.]'
gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven
hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer
van de bijlage ‘[22a.]’ gelezen worden.
1. De
besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van
toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld
in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de
Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het tweede lid.
2. De
regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling
22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels
in dit hoofdstuk.
3. De
regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Langeveld,
Sassenheim, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het
GML bestand NL.IMRO.1525.TAMOP2024TEY01084-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het
Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken
leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij
het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing
op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 1.3 daarvan is afgeweken.
1. Voor
de toepassing van dit plan gelden de volgende begripsbepalingen:
a. aanbouw:
een toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een hoofdgebouw, dat in
bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw;
b. aan-huis-gebonden
beroep: een vrij beroep, waarvan de activiteiten niet publiek gericht zijn, dat
op kleine schaal in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de
woning primair haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening
een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.
Zoals arts, notaris of advocaat;
c. aan-huis-gebonden
bedrijf: het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen
van activiteiten;
d. agrarische
activiteit: bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door
middel van het telen van gewassen of houden van dieren;
e. bedrijfsactiviteit:
bedrijf dat is gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of
inzamelen van goederen of het verhuren, opslaan of distribueren van goederen,
anders dan een agrarische activiteit, een detailhandelsactiviteit of een
horeca-activiteit;
f. betaalbare
koopwoning: een nieuwbouw koopwoning met een vrij op-naam-prijs van ten hoogste
€ 405.000,- (prijspeil 2025). De vrij-op-naamprijs wordt bij ministeriële
regeling met ingang van elk kalenderjaar gewijzigd;
g. bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij
benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is
begrensd, dit met inbegrip van de begane grond en een dakterras en met
uitsluiting van een zolder en kelder, die beiden lager zijn dan 1,50 meter of
niet voor verblijf geschikt zijn;
h. bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij
elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
i. bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
j. bijgebouw:
een gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op
hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;
k. dakkapel:
een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de
nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is
gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;
l. dakopbouw:
een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot
bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt
en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn)
geplaatst;
m. detailhandelsactiviteit:
bedrijf dat is gericht op het koop aanbieden, het verkopen of het leveren van
goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of
aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of
bedrijfsactiviteit;
n. dienstverleningsactiviteit:
bedrijf dat is gericht op het verkopen en verlenen van zakelijke en
persoonlijke diensten, anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf
aan huis;
o. entreeportaal:
een ruimte, waarin de hoofdtoegang van de woning is gelegen;
p. erker:
1. is een
uitgebouwd venster en bestaat hoofdzakelijk uit doorzichtige delen;
2. is
rechtstreeks toegankelijk is vanuit achtergelegen ruimte en één geheel hiermee
vormt;
3. is
geen entreeportaal van de woning; en
4. tot
een erker kan ook een onder het raam gelegen borstwering behoren;
5. uitzondering:
alleen bij gestapelde woningen kunnen meerdere erkers boven elkaar worden
aangebracht;
q. geluidbeperkende
voorziening: een al dan niet gebouwde voorziening kennelijk bedoeld voor het
beperken van geluidhinder, zoals een scherm, tuinmuur of geluidwal;
r. gestapelde
woning: een woning, die zich bevindt in een woongebouw, dat bestaat uit twee of
meer boven- of nagenoeg boven- elkaar gesitueerde woningen;
s. gevellijn:
een geometrisch bepaald figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge
de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het bebouwen van deze gronden;
t. grondgebonden
woning: woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan
één van de bouwlagen aansluit op het maaiveld;
u. horeca-activiteit:
bedrijf dat is gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel
of dranken, het exploiteren van zaalaccommodatie of het verstrekken van
nachtverblijf anders dan een recreatie-activiteit of een bed and breakfast;
v. huishouden:
persoon of groep van personen, die een huishouding voert, waarbij sprake is van
onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan;
bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen;
w. kolom:
een constructie, waarbij de hoogte en de langste zijde van het grondvlak van de
kolom een verhouding hebben van minimaal 2:1 en de langste zijde en de kortste
zijde van dit grondvlak een verhouding hebben van maximaal 2:1;
x. maatschappelijke
activiteit: activiteit gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve of
openbare dienstverlening, met inbegrip van gezondheidszorg, zorg- en welzijn,
jeugd- en kinderopvang, onderwijs, religie, uitvaart en begraafplaats,
bibliotheek en verenigingsleven, anders dan een recreatie-activiteit of
sportactiviteit;
y. middenhuurwoning:
zelfstandige woning als bedoeld in artikel 234 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek:
1. met
een krachtens artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte bepaalde waardering van de kwaliteit die leidt tot een maximale
huurprijs die hoger is dan het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder
a, van de Wet op de huurtoeslag, en niet hoger is dan het bij of krachtens
artikel 3, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte
vastgestelde bedrag; of
2. waarvoor
bij aanvang van de huurovereenkomst een huurprijs is overeengekomen die hoger is
dan het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de
huurtoeslag, en lager dan of gelijk is aan het bij of krachtens artikel 3,
tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte vastgestelde bedrag;
waarbij de instandhouding voor de in een verordening of de rechtsopvolger
daarvan omschreven doelgroep en termijn na ingebruikname is verzekerd;
z. openbaar
water: alle wateren die, al dan niet met enige beperking, voor het publiek
bevaarbaar zijn of direct aansluit op openbaar toegankelijk gebied;
aa. overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en geen veranda
zijnde;
bb. patiowoning:
een grondgebonden woning met een geheel of gedeeltelijk omsloten binnenplaats
of binnentuin gevormd door de gevels van aangrenzende hoofdgebouwen dan wel op
het eigen bouwperceel aanwezige bebouwing, waarbij de patio aan minimaal twee
delen van verschillende zijdes wordt begrensd door de bebouwing;
cc. peil:
1. de
bovenkant van de afgewerkte beganegrondvloer voor
gebouwen indien de bovenkant van de afgewerkte beganegrondvloer
ligt tussen 0 en 0,40 m boven het bestaande gemiddelde aansluitende afgewerkte
terrein;
2. in
alle andere gevallen is dit de bovenkant van het bestaande gemiddelde
aansluitende afgewerkte terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere
verloop van het terrein passende ophogingen of verdiepingen aan de voet van het
bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing
blijven.
dd. recreatie-activiteit:
activiteit gericht op het faciliteren van ontspanning of vrijetijdsbesteding,
anders dan een sportactiviteit;
ee. sociale
huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, onder a van de Wet op de huurtoeslag, waarbij de
instandhouding voor de in een verordening of de rechtsopvolger daarvan
omschreven doelgroep en termijn na ingebruikname is verzekerd;
ff. sportactiviteit:
activiteit gericht op het faciliteren van het verbeteren van de fysieke of
mentale prestaties door middel van training en wedstrijden;
gg. steigers:
een al dan niet drijvende waterbouwkundige constructie, waaronder mede begrepen
aanmeervoorzieningen, voor het aanleggen van boten en overige
aanmeervoorzieningen, zoals meerpalen;
hh. twee-aaneengebouwde woning: bebouwing bestaande uit twee-aaneengebouwde grondgebonden woningen, die samen een
bouwblok vormen;
ii. uitbouw:
een vergroting van een bestaande ruimte van een hoofdgebouw, dat in bouwkundig
opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw;
jj. veranda:
overkapte buitenruimte aan de gevel van de woning, met ten hoogste 3 wanden;
kk. voorgevel:
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of
''uitstraling'' als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt;
ll. voorgevelrooilijn:
de voorste grens van het bouwvlak die is gericht naar de weg en waarop de
bebouwing is georiënteerd;
mm.
vrijstaand bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat
in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde
bouwperceel gelegen hoofdgebouw;
nn. vrijstaande
woning: een niet-aaneengebouwde woning;
oo. woonactiviteit:
activiteit inhoudende het bewonen van een woonruimte, met inbegrip van het
toevoegen van woonruimte en het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep of
bedrijf;
pp. woning:
een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is
voor huisvesting van niet meer dan één huishouden;
qq. zijgevel:
de gevel van het hoofdgebouw ter plaatse van het zijerf;
rr. zijerf:
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en)
van het hoofdgebouw en tussen een denkbeeldige lijn in het verlengde van de
voor- en achtergevel van het hoofdgebouw.
1. De
afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot bouwperceelsgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand
het kleinst is.
2. Het
bebouwingspercentage is het deel van het bouwperceel of bouwvlak uitgedrukt in
procenten dat bebouwd mag worden, exclusief de buitenruimtes en balkons.
3. De
bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste
punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering
van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, stoepen,
trappenhuizen, hellingbanen en naar de aard daarmee gelijk te stellen
bouwonderdelen mits de overschrijding 1 m bedraagt.
a. Bij
ondergronds bouwen: vanaf peil tot aan de bovenkant van de laagst gelegen
afgewerkte vloer onder peil van een bouwwerk/gebouw.
b. Indien
in of op het water wordt gebouwd: vanaf het Normaal Amsterdams Peil dan wel een
ander plaatselijk aan te houden (gemiddeld) oppervlaktewaterpeil tot aan het
hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van
ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, stoepen,
trappenhuizen, hellingbanen en naar de aard daarmee gelijk te stellen
bouwonderdelen mits de overschrijding 1 m bedraagt.
c. Dakopbouwen ten
behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en lift- en overige installaties
mogen de toegestane bouwhoogte niet overschrijden en mogen geen grotere
oppervlakte hebben dan 40% van de vloeroppervlakte van de bovenste laag van het
gebouw, waarop zij worden geplaatst.
4. De
breedte, lengte en diepte van een bouwwerk wordt gemeten tussen (de lijnen
getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de
scheidingsmuren; bij afwezigheid van een gevel de rand van het bouwwerk
geprojecteerd op afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
5. De
vloeroppervlakte is de gebruiksoppervlakte volgens het geldende Besluit
bouwwerken leefomgeving.
6. De
dakhelling wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale
vlak.
7. De
goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant
van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een ander, daarmee gelijk te
stellen constructiedeel.
a. Indien
in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil dan wel een ander
plaatselijk aan te houden (gemiddeld) oppervlaktewaterpeil tot aan de bovenkant
van de goot c.q. druiplijn, het boeiboord, daktrim, de nagenoeg horizontale
dakrand van een plat dak of een ander, daarmee gelijk te stellen
constructiedeel.
8. De
oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse
gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op
het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het
bouwwerk.
9. De
oppervlakte van een bouwwerk zonder wanden, zoals open overkappingen en daarmee
vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde wordt bepaald aan de hand van
het overdekte grondoppervlak, dat loodrecht gelegen is onder het dakoppervlak.
10. De
inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen het peil, de buitenzijde van de
gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en
dakkapellen.
11. De
diepte en breedte van aanbouwen, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen en
-overkappingen aan de achtergevel wordt gemeten haaks vanuit de betreffende
achtergevel van het hoofdgebouw.
12. De
breedte van aanbouwen, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen en – overkappingen
aan de zijgevel wordt gemeten haaks vanuit de betreffende zijgevel van het
hoofdgebouw.
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Teylingen, zijn van overeenkomstige
toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit
hoofdstuk.
Aan hoofdstuk 22a wordt voldaan door degene die de
activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de
naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 1.7 Specifieke
zorgplicht
Degene die een activiteit verricht en weet of
redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben
voor de doelen of oogmerken, met het oog waarop regels in dit plan zijn
gesteld, is verplicht:
Deze afdeling gaat over de volgende activiteiten met
gebruiksruimte:
Er is een Woongebied – ontwikkelgebied.
Binnen het Woongebied – ontwikkelgebied gelden de volgende
doelen:
a. behoud
landschappelijke en cultuurhistorische structuren en kwaliteiten;
b. het
creëren van woongelegenheid in een groene omgeving;
c. behoud
van de ruimtelijke kwaliteit;
d. het
creëren van een sociaal gemêleerd woongebied.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan
locaties worden binnen het Woongebied – ontwikkelgebied alleen de volgende
activiteiten met gebruiksruimte als
bedoeld in artikel 2.1 verricht:
a. Woonactiviteiten,
uitsluitend binnen de locatie ‘wonen’.
1. Deze
paragraaf gaat over het verrichten van woonactiviteiten.
2. Deze
paragraaf gaat niet over short stay, vakantieverhuur
of daarmee vergelijkbare activiteiten.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
a. een
goed woon- en leefklimaat;
b. het
beschermen van de gezondheid;
c. het
waarborgen van een veilige fysieke leefomgeving; en
d. het
voorzien in een voldoende gevarieerd woningaanbod.
1. In één
woning woont ten hoogste één huishouden
2. Voor
de toepassing van dit hoofdstuk geldt als één huishouden ook:
a. een
eigenaar die als hoofdbewoner kamers verhuurt aan maximaal twee personen; en
b. een
huishouden dat mantelzorg verleent, waarbij de ontvanger van mantelzorg in de
woning woont of in een gebouw dat bij de woning hoort.
3. Met
het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners wordt een woning
niet bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
gebruiksoppervlakte.
1. Het
totaal aantal woningen bedraagt niet meer dan 155 woningen.
2. De
inrichting van het Woongebied - ontwikkelgebied voorziet dat ten minste:
a. 30%
van de woningen bestaat uit sociale huurwoningen; en
b. 54%
van de woningen bestaat uit middenhuurwoningen of
betaalbare koopwoningen.
Binnen het Woongebied - ontwikkelgebied zijn activiteiten
gericht op het openbaar toegankelijk gebied toegestaan, waaronder mede begrepen
calamiteitenroutes.
1. Bij
het verrichten van woonactiviteiten zijn tuinen uitsluitend toegestaan ter
plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’ en ter plaatse van patiowoningen; en
2. Binnen
de locatie ‘wonen’ zijn terrassen, balkons, vlonders en vergelijkbare
bouwkundige constructies toegestaan.
Artikel 2.11 Voorwaardelijke
verplichting groenvoorziening
1. Het
verrichten van woonactiviteiten binnen het Woongebied – ontwikkelgebied is niet
toegestaan als binnen twee jaar na ingebruikname van gronden en bouwwerken voor
woonactiviteiten:
a. gemiddeld
minimaal 75 m² aan openbare groenvoorziening per in gebruik genomen woning
binnen dit gebied niet is aangelegd; en
b. de
aanleg van de openbare groenvoorziening niet in overeenstemming is met het
stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan ontwikkeling Langeveld en diens
rechtsopvolgers; en
c. deze
groenvoorzieningen vervolgens niet in stand worden gehouden.
2. Onder
openbare groenvoorziening wordt in dit artikel verstaan: openbare groenstroken,
parken, plantsoenen, bermen, wadi’s en speelplaatsen.
Artikel 2.12 Voorwaardelijke
verplichting ontsluitingswegen en calamiteitenroutes
Het verrichten van woonactiviteiten binnen het Woongebied -
ontwikkelgebied is alleen toegestaan als binnen twee jaar na ingebruikname van
gronden en bouwwerken voor woonactiviteiten het gebied:
1. alleen
wordt ontsloten voor autoverkeer ter plaatse van de locatie ‘ontsluiting’; en
2. wordt ontsloten
door een of meer calamiteitenroutes, met dien verstande dat ter plaatse van de
locatie ‘specifieke vorm van woongebied - calamiteiten ontsluiting’ een
calamiteitenontsluiting wordt gerealiseerd
Artikel 2.13 Voorwaardelijke
verplichting stedenbouw en beeldkwaliteit
Het verrichten van woonactiviteiten binnen het Woongebied –
ontwikkelgebied is niet toegestaan als binnen twee jaar na ingebruikname van
gronden en bouwwerken voor woonactiviteiten:
1. niet
is voldaan aan het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan ontwikkeling
Langeveld en diens rechtsopvolgers; en
2. de
gerealiseerde stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit vervolgens niet in
stand wordt gehouden.
Het is
verboden zonder omgevingsvergunning een woning toe te voegen.
Artikel 2.15 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning
1.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor
het toevoegen van een woning worden de volgende gegevens en bescheiden
verstrekt:
a.
de locatie waar de woning wordt toegevoegd; en
b. de
woningbouwcategorie waartoe de toe te voegen woning behoort.
Artikel 2.16 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De
omgevingsvergunning voor het toevoegen van een woning wordt alleen verleend
als:
a.
er voldoende sociale huurwoningen en middenhuurwoningen of betaalbare koopwoningen worden
gerealiseerd, met inachtneming van artikel 2.8;
b.
de woning wordt toegevoegd binnen de locatie
‘wonen’; en
c.
de woning past binnen het beoogde
stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Langeveld en diens
rechtsopvolgers.
Deze paragraaf gaat over het uitoefenen van een
aan-huis-gebonden beroep of bedrijf.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
a. een
goed woon- en leefklimaat; en
b. ruimte
bieden aan economische activiteiten.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 1.7, houdt
voor het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf in ieder geval
in dat het beroep of bedrijf:
a. slechts
in geringe mate een publieksaantrekkende werking
heeft;
b. geen
nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer; en
c. geen
nadelige invloed heeft op het woon- en leefkwaliteit;
en
d. niet
leidt tot overmatige hinder voor de in de omgeving aanwezige woningen.
1. De
uitoefening van het beroep of bedrijfsmatige activiteit is ondergeschikt aan
het wonen.
2. De
vloeroppervlakte die gebruikt wordt voor de uitoefening van het
aan-huis-gebonden beroep of bedrijf is ten hoogste 30% van het hoofdgebouw, de
aan-en uitbouwen en de bijgebouwen gezamenlijk, met een maximum van 50 m2.
3. Het
aan-huis-gebonden beroep of bedrijf bestaat niet uit horeca- of
detailhandelsactiviteiten, tenzij het alleen een beperkte verkoop betreft die
ondergeschikt is aan de uitoefening van kleinschalige bedrijfsmatige
activiteiten.
4. Het
aan-huis-gebonden beroep of bedrijf is geen seksinrichting.
5. Er
wordt geen milieubelastende activiteit verricht die is aangewezen in hoofdstuk
3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
1. Een
maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.18a en 2.19.
2. Met
een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.19.
Deze paragraaf is van toepassing op het toevoegen, veranderen
of vergroten, of het wijzigen van de functie van gebouwen met een
parkeerbehoefte
In deze paragraaf wordt onder gebouw met een
parkeerbehoefte verstaan: een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin
woonactiviteiten, waaronder mede wordt begrepen aan-huis-gebonden beroep of
bedrijf, worden of kunnen worden verricht.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw met
parkeerbehoefte toe te voegen, te veranderen of te vergroten of de functie te
wijzigen als daardoor de parkeerbehoefte toeneemt.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de
volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. een
tekeningen met daarop bestaande en nieuw aan te leggen parkeerplaatsen; en
b. een
parkeerbalans en toelichting hierop.
1. De
omgevingsvergunning wordt alleen verleend als er voldoende parkeergelegenheid
gerealiseerd wordt.
2. Er
wordt in ieder geval voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd, als wordt
voldaan aan het bepaalde in de beleidsregel Nota
Parkeernormen of diens rechtopvolgers.
Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van
gronden en bouwwerken binnen de locatie ‘Maatschappelijk’.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
a. een
passend voorzieningenniveau; en
b. een
goed woon- en leefklimaat.
Binnen de locatie ‘Maatschappelijk’ is alleen het
exploiteren van een hospice toegestaan.
Artikel
2.29 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het toevoegen,
veranderen of vergroten, of het wijzigen van de functie van gebouwen met een
parkeerbehoefte.
Artikel
2.30 Gebouw met parkeerbehoefte
In deze paragraaf wordt onder gebouw met parkeerbehoefte
verstaan: een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin maatschappelijke
activiteiten worden of kunnen worden verricht.
Artikel
2.31 Aanwijzing vergunningplichtige
gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw met
parkeerbehoefte toe te voegen, te veranderen of te vergroten of de functie te
wijzigen als daardoor de parkeerbehoefte toeneemt.
Artikel
2.32 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de
volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. een
tekeningen met daarop bestaande en nieuw aan te leggen parkeerplaatsen; en
b. een
parkeerbalans en toelichting hierop.
Artikel
2.33 Beoordelingsregels
omgevingsvergunning
1. De
omgevingsvergunning wordt alleen verleend als er voldoende parkeergelegenheid
gerealiseerd wordt.
2. Er wordt
in ieder geval voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd, als wordt voldaan aan
het bepaalde in de beleidsregel Nota
Parkeernormen of diens rechtopvolgers.
Artikel 2.34 Toepassingsbereik
Deze afdeling gaat over het gebruiken van gronden en
bouwwerken binnen de locatie ‘Groen’.
Artikel 2.35 Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het
beschermen, behouden en beheren van:
a. groenvoorzieningen;
b. water,
wateropvang- en infiltratievoorzieningen;
c. voet-
en fietspaden;
d. leidingen
en openbare nutsvoorzieningen; en
e. speelvoorzieningen
en straatmeubilair.
Artikel 2.36 Verbod
Het is verboden activiteiten te verrichten die strijdig
zijn met de oogmerken, bedoeld in artikel 2.35.
Artikel 2.37 Toepassingsbereik
Deze afdeling gaat over het gebruiken van gronden en
bouwwerken binnen de locatie ‘Verkeer’.
Artikel 2.38 Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het
beschermen, behouden en beheren van:
a. wegen
en pleinen;
b. parkeervoorzieningen;
c. voet-
en fietspaden;
d. groenvoorzieningen;
e. water,
wateropvang- en infiltratievoorzieningen;
f. leidingen
en openbare nutsvoorzieningen; en
g. speelvoorzieningen
en straatmeubilair.
Artikel 2.39 Verbod
Het is verboden activiteiten te verrichten die strijdig
zijn met de oogmerken, bedoeld in artikel 2.38.
Artikel 2.40 Toepassingsbereik
Deze afdeling gaat over het gebruiken van gronden en
bouwwerken binnen de locatie ‘Water’.
Artikel 2.41 Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het
beschermen, behouden en beheren van:
a. water;
b. oeververbindingen,
waaronder in ieder geval wordt verstaan bruggen en duikers, voor langzaam
verkeer en calamiteitenroutes;
c. in
aanvulling op het bepaalde onder b. zijn oeverbindingen in de vorm van bruggen
niet toegestaan ter plaatse van de locatie ‘specifieke vorm van water
uitgesloten - bebouwingen en steigers’;
d. duikers
en waterinlaten; en
e. kunstwerken.
Artikel 2.42 Verbod
Het is verboden activiteiten te verrichten die strijdig
zijn met de oogmerken, bedoeld in artikel 2.41.
Deze afdeling gaat over het bouwen en in stand houden van
bouwwerken inclusief geluidwerende voorzieningen.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
a. het
beschermen van stedenbouwkundige waarden;
b. het
beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en
c. het
waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een aanvaardbaar
woon- en leefklimaat.
Degene die bouwwerkzaamheden verricht en weet of
redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden kunnen leiden tot
beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen bouwwerken en
andere wel of niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het
bouwterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen is
verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen
worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te
laten voortduren.
1. Deze
paragraaf gaat over het bouwen van hoofdgebouwen.
2. Deze paragraaf
gaat ook over het bouwen van inpandige bergingen.
3. Onverminderd
het tweede lid, gaat deze paragraaf niet over het bouwen van een bijbehorend
bouwwerk als bedoeld in paragraaf 3.2.2.
1.
Het
bouwen van een hoofdgebouw is niet in strijd met de in dit omgevingsplan
opgenomen regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken,
bedoeld artikel 22.29, eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan,
als:
a.
hoofdgebouwen,
inclusief balkons en buitenruimtes, uitsluitend binnen het bouwvlak worden
gebouwd;
b.
gebouwde parkeervoorzieningen als onderdeel van
het hoofgebouw worden gebouwd;
c.
grondgebonden woningen worden gebouwd binnen
het bouwvlak en de locatie ‘wonen’;
d.
gestapelde woningen uitsluitend binnen het
bouwvlak, de locatie ‘wonen’ en de aanduiding ‘gestapeld’ worden gebouwd;
e.
de bouwhoogte van een hoofdgebouw niet meer
bedraagt dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte’;
f.
het aantal bouwlagen van een hoofdgebouw niet
meer bedraagt dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximaal aantal
bouwlagen’ of het bestaand aantal bouwlagen;
g.
de kapvorm bestaat
uit platte afdekking;
h.
het bebouwingspercentage niet meer bedraagt dan
aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage’, met
uitzondering van vrijstaande woningen met inachtneming van het bepaalde onder
i;
i.
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding
‘vrijstaand’ vrijstaande woningen worden gebouwd, waarbij:
i. het
hoofdgebouw van de vrijstaande woning op een minimale afstand van 2,5 m ten
opzichte van de zijdelingse perceelsgrenzen van de woning wordt gebouwd; en
ii. de
voorgevel van de woning wordt gebouwd;
§
in de ter plaatse van de aanduiding 'specifieke
bouwaanduiding - gevellijn 1' , aangegeven gevellijn; of
§
achter en evenwijdig aan de aangegeven
gevellijn; en
iii. de
voorgevel van de woning wordt gebouwd in de ter plaatse van de aanduiding
specifieke bouwaanduiding - gevellijn 2', aangegeven gevellijn gebouwd of op
ten hoogste 1 m achter en evenwijdig aan die gevellijn; en
iv. de kapvorm bestaat uit platte afdekking of een kap;
v. de
inhoudsmaat van een vrijstaande woning inclusief uitbouwen, aanbouwen,
bijgebouwen en overkappingen niet meer bedraagt dan 750 m³;
vi. het
bebouwingspercentage per bouwperceel niet meer bedraagt dan 65%; en
vii. wordt
voldaan aan het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan ontwikkeling
Langeveld en diens rechtsopvolgers.
2.
In afwijking van het eerste lid, onder a tot en
met i., wordt na de realisatie van een hoofdgebouw op een bouwperceel:
a.
de bouwhoogte van dat hoofdgebouw niet
vergroot;
b.
de oppervlakte van dat hoofdgebouw niet
vergroot met uitzondering van aan- en uitbouwen die voldoen aan artikel 3.7,
3.8, 3.9 of 3.10; en
c. wordt
de kapvorm en afdekking van dat hoofdgebouw niet
gewijzigd.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een uitbouw, aanbouw, bijgebouw, overkapping of
kunstobject.
1. Het
bouwen van een aanbouw, uitbouw, bijgebouw of overkapping bij twee-aaneengebouwde, geschakelde en gestapelde woningen is niet
in strijd met de in dit omgevingsplan opgenomen
regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, bedoeld
artikel 22.29, eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan,
als:
a. de
aanbouw, uitbouw, overkapping of het bijgebouw wordt gebouwd binnen het
bouwvlak;
b. de
gezamenlijke oppervlakte van aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
ten hoogste 50% van het zij- en achtererf is met een maximum van 150 m2;
c. de
afstand van de aanbouw, uitbouw of het bijgebouw en de overkapping tot
bouwperceelgrenzen 0 m of ten minste 1 m is;
d. de
aanbouw of uitbouw uitsluitend wordt gebouwd binnen een zone van ten hoogste:
1.
4 m, gemeten vanuit de zijgevel van het
oorspronkelijke hoofdgebouw; of
2.
3 m, gemeten vanuit de achtergevel van het
oorspronkelijke hoofdgebouw;
a. de
goothoogte van de aanbouw, uitbouw of het bijgebouw binnen de zone, bedoeld in
onderdeel d, ten hoogste de hoogte is van eerste bouwlaag van het hoofdgebouw
vermeerderd met 0,30 m;
b. de
bouwhoogte van het bijgebouw binnen de zone, bedoeld in onderdeel d, ten
hoogste 4,5 m is met een maximum van de hoogte van het hoofdgebouw;
c. de
goothoogte van het bijgebouw buiten de zone, bedoeld in onderdeel d, ten
hoogste 3 m is;
d. de
bouwhoogte van het bijgebouw buiten de zone, bedoeld in onderdeel d, ten
hoogste:
1.
4,5 m is; of
2.
3 m is als het bijgebouw op of binnen een
afstand van 2 m van de bouwperceelsgrens wordt
gebouwd en nadelige verandering optreedt in de bezonningssituatie;
e. de
bouwhoogte van de overkapping binnen de zone, bedoeld in onderdeel d, ten
hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag is, vermeerderd met 0,30 m; en
f. de
bouwhoogte van de overkapping buiten de zone, bedoeld in onderdeel d ten
hoogste 3 m is.
2. Het
bouwen van een aanbouw, uitbouw, bijgebouw of overkapping bij vrijstaande
woningen en patiowoningen is niet in strijd met de in dit omgevingsplan
opgenomen regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken,
bedoeld artikel 22.29, eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan,
als:
a. de
aanbouw, uitbouw, overkapping of het bijgebouw wordt gebouwd binnen het
bouwvlak;
b. de gezamenlijke
oppervlakte van aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste
50% van het zij- en achtererf is met een maximum van 150 m2;
c. in
aanvulling op het bepaalde onder b. geldt uitsluitend voor vrijstaande
woningen, ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’, dat het gezamenlijk
oppervlak zoals bedoeld in onderdeel b. inclusief de maximaal toegestane
inhoudsmaat van het hoofdgebouw is;
d. de
afstand van de aanbouw, uitbouw of het bijgebouw en de overkapping tot
bouwperceelgrenzen 0 m of ten minste 1 m is, met dien verstande dat garages ter
plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’ aaneengebouwd
mogen worden;
e. de
aanbouw en uitbouw binnen een zone van ten hoogste:
1.
70% van de breedte van het hoofdgebouw wordt
gebouwd met een maximum breedte van 5 m, gemeten vanuit de zijgevel van het
oorspronkelijke hoofdgebouw; of
2.
4 m wordt gebouwd, gemeten vanuit de
achtergevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
g. de
goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen binnen de zone, bedoeld in
onderdeel e, ten hoogste de hoogte is van eerste bouwlaag van het hoofdgebouw
vermeerderd met 0,30 m;
h. de
bouwhoogte van de aanbouw, uitbouw of het bijgebouw binnen de zone, bedoeld in
onderdeel e, ten hoogste 4,5 m is met een maximum van de hoogte van het
hoofdgebouw;
i. de
goothoogte van het bijgebouw buiten de zone, bedoeld in onderdeel e, ten
hoogste 3 m is;
j. de
bouwhoogte van het bijgebouw buiten de zone, bedoeld in onderdeel e, ten
hoogste:
1.
4,5 m is; of
2.
3 m is als het bijgebouw op of binnen een
afstand van 2 m van de bouwperceelsgrens wordt
gebouwd en nadelige verandering optreedt in de bezonningssituatie;
k. de
bouwhoogte van de overkapping binnen de zone, bedoeld in onderdeel e, ten
hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag is, vermeerderd met 0,30 m; en
l. de
bouwhoogte van de overkapping buiten de zone, bedoeld in onderdeel e, ten
hoogste 3 m is.
3. Het
bouwen van een overkapping is niet in strijd met de in dit omgevingsplan
opgenomen regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken,
bedoeld artikel 22.29, eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan,
als:
a. de
goothoogte van de overkapping aan de zijde die naar openbaar toegankelijk
gebied is georiënteerd, ten hoogste 2,2 m is;
b. de
bouwhoogte van de overkapping ten hoogste 3 m is;
c. de
breedte van de overkapping, gezien vanuit de zijgevel of het verlengde hiervan,
ten hoogste 2 m is;
d. de
oppervlakte ten hoogste 50% van de tuin, bedoeld in bijlage 1 bij de
regels, is, tot een maximum van 20 m2; en
e. de
gezamenlijke oppervlakte van aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
ten hoogste 50% van het zij- en achtererf is met een maximum van 150 m2.
Het bouwen van een veranda aan een hoofdgebouw is niet in
strijd met de in dit omgevingsplan opgenomen regels
over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, bedoeld artikel
22.29, eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan,
als:
a. de
goot- en bouwhoogte van de veranda ten hoogste de hoogte van de tweede bouwlaag
is, vermeerderd met 0,30 m; en
b. de
breedte van de veranda, ten hoogste de breedte van het hoofdgebouw is.
1.
Het bouwen van een erker aan de voorgevel van
het hoofdgebouw is niet in strijd met de in dit omgevingsplan
opgenomen regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken,
bedoeld artikel 22.29, eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan,
als:
a.
de diepte van de erker, gemeten vanuit de
voorgevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw, ten hoogste 1,5 m is;
b.
de breedte van de erker ten hoogste 50% van de
breedte van de voorgevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw is;
c.
de bouwhoogte van de erker ten hoogste de
hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,3 m is, met
een maximum van de aanwezige goothoogte van de betreffende voorgevel; en
d.
de afstand van de erker tot het openbaar
toegankelijk gebied ten minste 1,5 meter is.
2.
Het bouwen van een erker aan de zijgevel van
het hoofdgebouw is niet in strijd met de in dit omgevingsplan
opgenomen regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken,
bedoeld artikel 22.29, eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan,
als:
a.
de diepte van de erker, gemeten vanuit de
zijgevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw, ten hoogste 1,5 m is;
b.
de breedte van de erker ten hoogste 30% van de
breedte van de zijgevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw is;
c.
de bouwhoogte van de erker ten hoogste de
hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,3 m is met
een maximum van de aanwezige goothoogte van de betreffende zijgevel;
d.
de afstand van de erker tot het openbaar
toegankelijk gebied ten minste 1 meter is;
e.
de afstand van de erker tot de voorgevel van
het oorspronkelijke hoofdgebouw ten minste 1 m is; en
f.
de afstand van de erker tot de achtergevel van
het oorspronkelijke hoofdgebouw ten minste 0,5 m is.
3. Het
bouwen van een erker tegen gestapelde woningen is niet in strijd met de in dit omgevingsplan opgenomen regels over het bouwen, in stand
houden en gebruiken van bouwwerken, bedoeld artikel 22.29, eerste lid, onder a,
van dit omgevingsplan,
a. als de
bouwhoogte ten hoogste de hoogte van de bovenste bouwlaag van het hoofdgebouw
vermeerderd met 0,3 m is, met een maximum van de aanwezige goothoogte van de
betreffende zijgevel.
Het bouwen van een entreeportaal aan een hoofdgebouw is
niet in strijd met de in dit omgevingsplan opgenomen
regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, bedoeld
artikel 22.29, eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan,
als:
1. als er
geen bijgebouw aan de voorzijde van het hoofdgebouw aanwezig is:
2. het
entreeportaal een breedte heeft van ten hoogste:
a. 50%
van de breedte van het oorspronkelijk hoofdgebouw; of
b. als er
een bijgebouw aan de voorzijde van het hoofdgebouw aanwezig is: de breedte van
dat bijgebouw;
3. bij
aanwezigheid van een bijgebouw aan de voorzijde van het hoofdgebouw: het
entreeportaal op dezelfde erfgrens als dat bijgebouw gebouwd wordt; en
4. de
bouwhoogte van het entreeportaal ten hoogste de hoogte is van de eerste
bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,3 m.
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 22.26 van het
Omgevingsplan gemeente Teylingen, voor het bouwen van een dakkapel of dakopbouw
wordt alleen verleend, als een positief welstandsadvies door de Commissie
Ruimtelijke Kwaliteit wordt uitgebracht.
Artikel 3.12 Specifieke
beoordelingsregel kunstobject
Het bouwen van een kunstobject is niet in strijd met de in
dit omgevingsplan opgenomen regels over het bouwen,
in stand houden en gebruiken van bouwwerken, bedoeld artikel 22.29, eerste lid,
onder a, van dit omgevingsplan, als het kunstobject
een bouwhoogte van maximaal 3 m heeft.
Artikel 3.13 Specifieke
beoordelingsregel steiger
Het bouwen van een steiger is niet in strijd met de in dit omgevingsplan opgenomen regels over het bouwen, in stand
houden en gebruiken van bouwwerken, bedoeld artikel 22.29, eerste lid, onder a,
van dit omgevingsplan, als:
a. steigers
uitsluitend worden gerealiseerd in het openbaar gebied;
b. in
aanvulling op het bedoelde onder a. zijn steigers niet toegestaan ter plaatse
van de locatie ‘specifieke vorm van water uitgesloten - bebouwingen en
steigers’;
c. de
hoogte van een meerpaal maximaal 2 m is en de omvang maximaal 25 cm bij een
ronde meerpaal, of 20 cm bij een vierkante meerpaal is;
d. de
oppervlakte en breedte van steigers niet meer bedraagt dan in onderstaande
tabel 1 is weergegeven; en
e. de
steiger uitsluitend evenwijdig aan de oever wordt gebouwd:
|
Breedte oppervlaktewater |
Steiger |
|
|
|
Maximale breedte gemeten haaks op de
oeverlijn |
Maximaal oppervlak van de steiger |
|
> 3 m en < 10 m |
1/10 van de breedte van het
oppervlaktewater |
2,5 m2 |
|
> 10 m en <
20 m |
1/10 van de breedte van het
oppervlaktewater |
5 m2 |
|
> 20 m en <
50 m |
1/10 van de breedte van het
oppervlaktewater |
10 m2 |
|
> 50 m idem |
1/10 van de breedte van het
oppervlaktewater |
15 m2 |
Tabel 1
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een
bouwwerk, geen gebouw zijnde. Waaronder mede wordt begrepen het bouwen van een
geluidwerende voorziening.
Artikel 3.15 Verbod
Het is verboden om bouwwerken, geen gebouw zijnde, te
bouwen ter plaatse van de locatie ‘specifieke vorm van water uitgesloten -
bebouwingen en steigers’.
Het bouwen van een luifel bij de entree van een woning is
niet in strijd met de in dit omgevingsplan opgenomen
regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, bedoeld
artikel 22.29, eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan,
als:
1. de
diepte van de luifel ten hoogste 1,5 m is;
2. de
breedte van de luifel ten hoogste de breedte van de deur van de entree
vermeerderd met 1 m is;
3. de
hoogte van de luifel ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het
hoofdgebouw vermeerderd met 0,30 m met een maximum van de bouwhoogte van de
aanwezige goothoogte van de gevel waartegen de luifel wordt gebouwd; en
4. de
luifel tegen de gevel waarin de entree is gelegen wordt gebouwd.
Het bouwen van een niet op de grond gelegen buitenruimte,
niet zijnde een balkon, is niet in strijd met de in dit omgevingsplan
opgenomen regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken,
bedoeld artikel 22.29, eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan,
als:
a. een
dakterras, daktuin of vergelijkbare niet op de grond gelegen buitenruimte wordt
opgericht;
b. de
bouwhoogte van de terrashekken of vergelijkbare constructies ten hoogste 1,8 m
boven de vloer van de buitenruimte is;
c. de
bouwhoogte van de terrashekken of vergelijkbare constructies ten hoogste de
hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,30 m is
indien vanuit akoestisch oogpunt noodzakelijk is, in samenhang gelezen met de
bepalingen in hoofdstuk 4; en
d. de
buitenruimte gebouwd wordt op de eerste bouwlaag of de daarboven gelegen
bouwlagen.
Het bouwen van een erfafscheiding is niet in strijd met de
in dit omgevingsplan opgenomen regels over het
bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, bedoeld artikel 22.29,
eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan, als:
a. een
erfafscheiding bij een patiowoning, gericht naar het openbaar gebied, wordt
gebouwd met een maximale bouwhoogte van 2,5 m;
b. erfafscheidingen
1 meter achter de voorgevel worden gebouwd;
c. het
naar openbaar gebied gekeerde erfafscheiding wordt uitgevoerd volledig
natuurlijke begroeiing;
d. een
erfafscheiding bij een vrijstaande woning of een patiowoning wordt gebouwd met
een maximale bouwhoogte van 2 m; en
e. een
toegangspoort met een maximale bouwhoogte van 2 m wordt gebouwd.
Het bouwen van een geluidbeperkende voorziening, in
samenhang gelezen met de bepalingen in hoofdstuk 4, is niet in strijd met de in
dit omgevingsplan opgenomen regels over het bouwen,
in stand houden en gebruiken van bouwwerken, bedoeld artikel 22.29, eerste lid,
onder a, van dit omgevingsplan, als:
a. deze
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van woongebied -
geluidbeperkende voorziening’ wordt gerealiseerd met een maximale bouwhoogte
van 4 m; en
b. in
aanvulling op het bepaalde in onderdeel a. mag de geluidbeperkende voorziening
in het voorerf worden gerealiseerd met dien verstande dat het bouwwerk de
functie heeft alszijnde geluidwerende voorziening en
geen sprake is van een uitbouw, aanbouw of bijgebouw.
Het bouwen van ondergrondse bouwwerken is niet in strijd
met de in dit omgevingsplan opgenomen regels over het
bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, bedoeld artikel 22.29,
eerste lid, onder a, van dit omgevingsplan, als:
a. deze
worden gebouwd binnen ‘het bouwvlak’;
b. de
oppervlakte van ondergrondse bouwwerken niet groter is dan het hoofdgebouw;
c. de
maximale bouwhoogte boven het maaiveld 1,5 meter is;
d. de
ondergrondse bouwhoogte van de ondergrondse bouwwerken maximaal 4 m beneden
maaiveld bedraagt; en
e. bij
het berekenen van de bebouwingspercentages, of van het maximaal te bebouwen
oppervlak, de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen
wordt.
1. Met
een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van
artikel 3.20 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse
bouwhoogte van maximaal 10 meter onder maaiveld.
2. Bij
het stellen van een maatwerkvoorschrift, bedoeld in het eerste lid, worden de
oogmerken uit artikel 3.2 in acht genomen.
3. Een
maatwerkvoorschrift wordt alleen gesteld als het ondergrondse bouwwerk de
waterhuishouding niet ontoelaatbaar verstoord.
Dit hoofdstuk gaat over het toevoegen van geluidsgevoelige
gebouwen binnen een geluidsaandachtsgebied.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
a. een
aanvaardbaar akoestisch klimaat; en
b. een gezonde
woon- en leefomgeving.
Standaardwaarden en grenswaarden voor geluid gelden:
1. op een
geluidgevoelig gebouw:
a. als
het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; en
b. als
het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een
gevel mag komen;
2. als
het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.
Artikel 4.3a Aanwijzing
vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een
geluidgevoelig gebouw toe te voegen binnen een geluidaandachtsgebied.
Artikel 4.3b Specifieke
aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de
volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. een
akoestisch rapport waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de beoordelingsregels,
bedoeld in artikel 4.4;
b. het
beoogde gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag
betrekking heeft;
c. bij
grondgebonden woningen: het geluid op de gevel van de begane grond en
verdiepingen;
d. bij
gestapelde woningen: het geluid op de gevel ter plaatse van te openen delen; en
e. het
aantal woningen of de bruto vloeroppervlak in m2 van de activiteit.
1. De
omgevingsvergunning wordt in ieder geval verleend als:
a. bij
het realiseren van geluidsgevoelige gebouwen de geluidbelasting van
gemeentelijke wegen op de gevel niet meer bedraagt dan 53 Lden;
en
b. bij
het realiseren van geluidsgevoelige gebouwen de geluidbelasting van rijkswegen
op de gevel niet meer bedraagt dan 50 Lden.
2. De
omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
a. de
geluidbelasting van gemeentelijke wegen op de gevel niet meer bedraagt dan 62 Lden;
b. de geluidbelasting
van rijkswegen op de gevel niet meer bedraagt dan 54 Lden;
c. er
sprake is van minimaal één geluidluwe zijde met een geluidsbelasting van ten
hoogste 53 Lden van gemeentelijke wegen en
50 Lden van rijkswegen;
d. ten
minste één slaapvertrek grenst aan de geluidluwe zijde met een geluidbelasting
van ten hoogste 53 Lden van gemeentelijke
wegen en 50 Lden van rijkswegen;
e. ten
minste één te openen deel aanwezig is aan de geluidluwe zijde met een
geluidbelasting van ten hoogste 53 Lden
van gemeentelijke wegen en 50 Lden van
rijkswegen;
f. ten
minste één van de verblijfsruimten niet aan de gevel is gesitueerd waar de
hoogste geluidbelasting optreedt;
g. ten
minste één van de tot de woning behorende buitenruimten is gesitueerd aan de
geluidluwe zijde met een geluidbelasting van
ten hoogste 53 Lden van
gemeentelijke wegen en 50 Lden van
rijkswegen;
h. ten
minste één van de tot de woning behorende buitenruimten niet gesitueerd is aan
de gevel waar de hoogste geluidbelasting optreedt;
i. bij
een eenzijdig gericht geluidsgevoelig gebouw iedere wooneenheid wordt voorzien
van een geluidluwe buitenruimte;
j. ter
plaatse van de locatie ‘specifieke vorm van woongebied - geluidbeperkende
voorziening’ een geluidbeperkende voorziening met een minimaal hoogte van 3 m
wordt aangelegd en in stand gehouden wordt;
k. bij de
toepassing van een installatie voor warmte- of koudeopwekking:
1.
de buitenunit van een dergelijke installatie
niet aan de geluidluwe gevel geplaatst wordt; en
2.
akoestische compenserende maatregelen
toegepast; en
l. het gecumuleerd geluidniveau op de gevel van het
geluidgevoelige gebouw niet hoger dan de grenswaarde, bedoeld in de onderdelen
a en b, voor de maatgevende geluidbronsoort, vermeerderd met 5 dB.
3. In
afwijking van het tweede lid kan de omgevingsvergunning voor het toevoegen van
gestapelde woningen worden verleend, als de geluidbelasting op de woning zoveel
mogelijk wordt beperkt en:
a. bij
een gevelbelasting hoger dan 53 dB voor wegverkeer akoestische compensatie
wordt toegepast;
b. de
buitenruimte wordt voorzien van:
1.
een gesloten vloerafscheiding en geluidabsorberende plafondbeplating; of
2.
een voorziening met ten minste een
gelijkwaardig geluidwerend of geluidabsorberend
effect; en
c. de
woningen zodanig gepositioneerd zijn dat:
1.
tenminste 50% van de verblijfsruimten van de
woningen aan de geluidluwe zijde liggen; en
2.
tenminste één buitenruimte van de woning aan
een gevel ligt waar het geluid niet meer is dan 5 dB boven de standaardwaarden,
bedoeld in onderdelen a en b
onder 1, voor de maatgevende geluidbronsoort; en
d. de
geluidbelasting van gemeentelijke wegen op de gevel niet meer bedraagt dan 62 Lden;
e. de
geluidbelasting van rijkswegen op de gevel niet meer bedraagt dan 54 Lden.
4. In
afwijking van het tweede lid en het derde lid kan de omgevingsvergunning worden
verleend, als:
a. het
treffen van maatregelen voor het verlagen van de geluidbelasting op de gevels
niet doelmatig is;
b. redelijkerwijs
geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de voorwaarden
te kunnen voldoen;
c. alle
geluidbeperkende maatregelen, met inbegrip van bouwkundige maatregelen, worden
getroffen, voor zover deze financieel doelmatig zijn en waartegen geen
overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige,
landschappelijke of technische aard bestaan; en
d. het
geluid op woningen niet hoger is dan de geluidwaarde van 54 Lden
voor rijkswegen en 62 Lden voor
gemeentewegen.
Artikel 4.5 Vergunningvoorschrift
Bij vergunningvoorschrift wordt in ieder geval het
gezamenlijke geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw vastgelegd.
Artikel 4.6 Geluid
reducerende maatregelen
Maatregelen die zijn getroffen om het geluidniveau te verbeteren,
om te voldoen aan de regels zoals genoemd in artikel 4.4, worden in stand
gehouden, tenzij op aanvraag toestemming is verleend om via een gelijkwaardige
maatregel minimaal hetzelfde geluidreducerend effect
te bereiken. Het gestelde in dit artikel geldt dan voor die gelijkwaardige
maatregel.
Deze afdeling gaat over het verrichten van de volgende
activiteiten in de bodem binnen de locatie ‘Waarde – Archeologie’:
a. het
bouwen van bouwwerken;
b. het
ophogen van de bodem met meer dan 0,50 meter;
c. grondwerkzaamheden,
waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren,
ontginnen, en het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers
en andere wateren en aanleggen van drainage;
d. het
uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van
voorwerpen;
e. het
werken met opsporingsapparatuur, gevolgd door het opgraven van archeologische
vondsten en relicten;
f.
het verlagen of verhogen van het waterpeil;
g. het
aanleggen of rooien van bos waarbij stobben worden verwijderd;
h. het
aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden,
banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere
oppervlakteverhardingen; en
i.
het aanleggen van ondergrondse kabels en
leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies,
installaties of apparatuur.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de
bescherming van archeologische waarden.
Artikel 5.3 Specifieke
beoordelingsregels bouwactiviteiten
Het bouwen van bouwwerken is niet in strijd met de in dit omgevingsplan opgenomen regels over het bouwen, in stand
houden en gebruiken van bouwwerken, bedoeld artikel 22.29, eerste lid, onder a,
van dit omgevingsplan, als:
1. ter
plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – speciaal 1’ en ter
plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – speciaal 2’ geen
activiteiten in de bodem worden verricht dieper dan 0,75 m onder maaiveld;
2. ter
plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – categorie 5' geen
activiteiten in de bodem worden verricht dieper dan 30 cm onder maaiveld en
over een (totale) oppervlakte groter dan 250 m2; en
3. ter
plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – categorie 6' geen
activiteiten in de bodem worden verricht dieper dan 30 centimeter onder
maaiveld en over een (totale) oppervlakte groter dan 500 m2.
1. Het is
verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten, bedoeld in artikel 5.1,
onder a tot en met i, te verrichten:
a. ter
plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – speciaal 1’ of
‘specifieke vorm van waarde – speciaal 2’, als de activiteiten in de bodem
worden verricht dieper dan 0,75 m onder maaiveld;
b. ter
plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – categorie 5', als de
activiteiten in de bodem worden verricht dieper dan 30 cm onder maaiveld en
over een (totale) oppervlakte groter dan 250 m2; en
c. ter
plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – categorie 6', als de
activiteiten in de bodem worden verricht dieper dan 30 centimeter onder
maaiveld en over een (totale) oppervlakte groter dan 500 m2; en
2. Het
verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing als:
a. de activiteiten
het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en
vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen
bestaande tracés van kabels en leidingen; of
b. de
activiteiten ten dienste van het archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
1.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning
worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. een
tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de
graafwerkzaamheden; en
b. een
rapport van een archeologisch onderzoek, waarin de archeologische waarde van
die locatie is vastgesteld; en
c. ter
plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – speciaal 1’ gegevens inzake
de technische maatregelen, waaronder mede is begrepen archeologisch vriendelijk
bouwen, waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in
situ).
2.
Het bevoegd gezag kan besluiten dat het
overleggen van een rapport van een archeologisch onderzoek, bedoeld in het
eerste lid, onder b, niet vereist is, als de archeologische waarde van de
betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate op
een andere wijze is vastgesteld.
3.
Een archeologisch onderzoek, bedoeld in het
eerste lid, onder b wordt uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen dat:
a. is
opgesteld overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;
b. is
goedgekeurd door het bevoegd gezag; en
c. aangeeft
op welke wijze de voorwaarden die aan de omgevingsvergunning worden verbonden
worden uitgevoerd.
1. De
omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
a. er
geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; of
b. schade
door de grondroerende activiteiten kan worden voorkomen of voldoende kan worden
beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning te verbinden
voorschriften.
2. In
afwijking van het eerste lid wordt de omgevingsvergunning binnen de aanduiding
‘specifieke vorm van waarde – speciaal 1’ verleend, als activiteiten in de
bodem worden verricht door:
a. het
uitvoeren van opgravingen, inclusief het conserveren van de archeologische
resten en het opstellen van een eindrapportage; of
b. het
treffen van technische maatregelen, waaronder mede wordt begrepen archeologisch
vriendelijk bouwen, archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in
situ).
c. een
archeologisch onderzoek, bedoeld in het tweede lid onder a. wordt uitgevoerd op
basis van een Programma van Eisen dat:
1. is
opgesteld overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;
2. is
goedgekeurd door het bevoegd gezag; en
3. aangeeft
op welke wijze de voorwaarden die aan de omgevingsvergunning worden verbonden
worden uitgevoerd.
3. In
afwijking van het eerste lid wordt de omgevingsvergunning binnen de aanduiding
‘specifieke vorm van waarde – speciaal 2’ verleend, als activiteiten in de
bodem worden verricht onder begeleiding van een deskundige op het terrein van
de archeologische monumentenzorg.
Deze afdeling gaat over
activiteiten binnen de locatie ‘ Waterstaat – Waterkering’.
Er is een locatie ‘Waterstaat
– Waterkering’.
De regels in dit hoofdstuk
zijn opgesteld met het oog op de instandhouding, het onderhoud of de
bescherming en van de regionale waterkering.
1. Het is
verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. het
bouwen van bouwwerken;
b. het
aanbrengen van verharding;
c. het
dempen van watergangen;
d. graven;
of
e. het
ophogen van gronden.
2. Het
verbod in het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten noodzakelijk
voor de instandhouding, het onderhoud of de bescherming van de waterkering.
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning
worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. een
omschrijving van de aard en de omvang van de activiteit;
b. een
beschrijving van de gevolgen van de activiteit op de werking van de
waterkering; en
c. het
schriftelijk advies verkregen van de beheerder van de waterkering.
1.
De omgevingsvergunning wordt geweigerd als:
a. door
de activiteit onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de
waterkering en de waterhuishouding; of
b. geen schriftelijk
advies is verkregen van de beheerder van de waterkering.
1. Een bouwwerk
dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het hoofdstuk aanwezig of in
uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden op grond van een omgevingsvergunning
voor het bouwen, en afwijkt van het hoofdstuk, kan, als deze afwijking naar
aard en omvang niet wordt vergroot:
a. gedeeltelijk
worden vernieuwd of veranderd; of
b. na het
teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of
veranderd, als de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt
gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
2. Het
bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van bepaalde in het eerste lid een
omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk
met maximaal 10%.
3. Het
eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het
tijdstip van inwerkingtreding van het hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder
vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de
overgangsbepaling van dat plan.
Artikel 7.2 Overgangsrecht
gebruik
1. Het
gebruik van locaties en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van
inwerkingtreding van het hoofdstuk en hiermee in strijd is, kan worden
voortgezet.
2. Het is
verboden het met het plan strijdige gebruik te veranderen of te laten
veranderen in een ander met dat hoofdstuk strijdig gebruik, tenzij door deze
verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
3. Als
het gebruik na de inwerkingtreding van het hoofdstuk voor een periode langer
dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten
of te laten hervatten.
4. Het
eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat al in strijd was met het
voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.