direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Horst aan de Maas
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1

Toelichting

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Voor het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas bestaan er momenteel diverse planologische regimes: Buitengebied Horst, Buitengebied Sevenum, Buitengebied Meerlo (beheersverordening) en Park de Peelbergen. De regels van deze plannen zijn echter niet (volledig) op elkaar afgestemd en (deels) niet actueel, zowel inhoudelijk, juridisch alsook wat betreft de digitale eisen. Inhoudelijk niet vanwege het ontbreken van de doorvertaling van de Integrale Structuurvisie e.d. en juridisch niet omdat de plannen niet zijn toegerust op de digitaliseringseisen van de Wro (SVBP) en de Wabo. Om de verschillende regimes beter op elkaar af te stemmen, is voor het grondgebied van Horst het bestemmingsplan 'Herziening Buitengebied Regels' opgesteld. Dit bestemmingsplan is echter vernietigd door de Raad van State.

Er is echter nog steeds de behoefte aan één nieuw integraal, uniform, actueel en digitaal bestemmingsplan dat geldt voor het gehele buitengebied. Zodoende ontstaat er één integraal planologisch juridisch regime. In het buitengebied geldt dan één plan en één regeling. Hierdoor ontstaat een goede, uniforme basis om de gewenste hoogwaardige kwaliteit van dienstverlening te leveren.

Ter voorbereiding voor het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan is een Nota van Uitgangspunten opgesteld. Deze Nota van Uitgangspunten is in samenwerking met diverse klankbordorganisaties opgesteld en uiteindelijk vastgesteld in de vergadering van de gemeenteraad van 14 juli 2015. Deze Nota van Uitgangspunten vormt de basis voor het bestemmingsplan en geeft richting door middel van een gebiedsanalyse, een weergave van het ruimtelijk relevante beleidskader op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau en een visie op het plangebied. De Nota is in belangrijke mate de basis geweest voor de voorliggende toelichting van het bestemmingsplan.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied wordt gevormd door een groot deel van het buitengebied van de gemeente. Dat betekent het volledige grondgebied van de gemeente, met uitzondering van de volgende locaties:

  • De 16 dorpen (America, Broekhuizen, Broekhuizenvorst, Evertsoord, Griendtsveen, Grubbenvorst, Hegelsom, Horst, Kronenberg, Lottum, Meerlo, Melderslo, Meterik, Sevenum, Swolgen, Tienray);
  • De bedrijventerreinen;
  • Ontwikkelingsgebied glastuinbouw Californië 1;
  • Klaver 11;
  • Euroveen B.V. te Grubbenvorst;
  • Ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij Witveld;
  • Centrale Verwerkingsinstallatie Zandmaas, ten zuiden van Grubbenvorst;
  • Recreatiepark Toverland;
  • Het provinciale inpassingsplan 'Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum';
  • Recreatiepark De Schatberg;
  • Enkele losse percelen, waarvoor sprake is van een actuele, eigen regeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0001.png"

Afbeelding - Globale begrenzing plangebied (in groen)

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Alle gronden die tot het plangebied behoren gaan deel uitmaken van één integraal bestemmingsplan Buitengebied, waarvoor een uniforme regeling wordt opgenomen. Op de afbeelding hierna is weergegeven welke bestemmingsplannen momenteel gelden voor het plangebied (en derhalve worden vervangen).

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0002.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0003.png"

Afbeelding - Vigerende bestemmingsplannen

Naast bovengenoemde plannen geldt ook het bestemmingsplan 'Huisvesting Arbeidsmigranten' voor het hele grondgebied van de gemeente en de 'Veegbeheersverordening Horst aan de Maas' met betrekking op enkele verspreid in het buitengebied gelegen percelen. Beiden zijn vastgesteld door de gemeenteraad op 13 mei 2014.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plangebied weergegeven, waarbij wordt ingegaan op zowel de ruimtelijke als de functionele structuur. Hoofdstuk 3 omvat het ruimtelijk relevante beleidskader van Europa, het Rijk, de provincie, de regio en van de gemeente zelf. Het gaat daarbij zowel om integrale beleidskaders (bijvoorbeeld de gemeentelijke structuurvisie) als om sectorale beleidskaders (zoals beleid voor de thema's archeologie en water). Hoofdstuk 4 omvat de planbeschrijving. Hierin is de visie op het gebied weergegeven, zoals voortvloeit uit de beschrijving van het gebied en het ruimtelijk relevante beleidskader. In hoofdstuk 5 komen de planologische en milieutechnische randvoorwaarden aan bod. Een toelichting op de juridische aspecten is in hoofdstuk 6 opgenomen. Hoofdstuk 7 tenslotte gaat in op de uitvoerbaarheidsaspecten.

Hoofdstuk 2 BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1 Algemeen

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Daarbij is een onderscheid gemaakt in de ruimtelijke structuur en de functionele structuur en ook hoe deze structuren zijn ontstaan. De beschrijving van de ruimtelijke structuur heeft bijvoorbeeld betrekking op hoe het landschap eruit ziet, welke infrastructuur er aanwezig is en de ligging van het grondgebied ten opzichte van de (directe) omgeving. De beschrijving van de functionele structuur heeft betrekking op de aanwezige functies in het plangebied, zoals wonen, landbouw, bedrijven en recreatieterreinen.

2.2 Ruimtelijke structuur

Omgeving

Horst aan de Maas is een ondernemende plattelandsgemeente. Met de herindeling per 1 januari 2010 heeft de gemeente een schaalsprong gemaakt. Vanaf dat moment vormen de voormalige gemeenten Horst aan de Maas en Sevenum en de dorpen Meerlo, Swolgen en Tienray één nieuwe gemeente. Het nieuwe Horst aan de Maas omvat 16 verschillende dorpen, waarvan Horst, Sevenum en Grubbenvorst de grootste zijn. Op 30 april 2017 telde de gemeente Horst aan de Maas 42.183 inwoners. Het oppervlak van de nieuwe gemeente bedraagt circa 20.000 ha. Hiermee is Horst aan de Maas qua oppervlakte de grootste gemeente van Limburg.

Op regionaal niveau is de gemeente Horst aan de Maas zowel op Venlo (ten zuiden), Venray (ten noorden) als Peel en Maas (ten zuidwesten) georiënteerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0004.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0005.png"

Afbeelding - Ruimtelijke structuur (bron: structuurvisie)

Landschap

Het landschap in de gemeente Horst aan de Maas is globaal op te delen in drie hoofdcategorieën. Van west naar oost zijn dit achtereenvolgens het hoogveenontginningenlandschap, het zandgrondenlandschap en het rivierdallandschap. Deze categorieën onderscheiden zich op basis van ondergrond, infrastructuur en gebruik.

  • 1. Het hoogveenontginningenlandschap
    Het hoogveenontginningenlandschap bestond in het verleden uit ontoegankelijk veenmoeras. Door turfwinning en ontginningen zijn grote delen van het hoogveen omgezet in agrarisch gebied. Het gebied in het uiterste westen van de gemeente is na de turfwinning niet ontgonnen en bestaat uit moeras, plassen, heide- en bosgebieden. Het gebied ten oosten hiervan is wel ontgonnen en bestaat uit grote aaneengesloten, rationeel verkavelde landbouwgronden.
  • 2. Het zandgrondenlandschap
    Het zandgrondenlandschap ligt tussen het hoogveenlandschap en het rivierdallandschap. Het landschap is opgebouwd uit beekdalen, waaraan in het verleden de dorpen en akkercomplexen zijn ontstaan. Daarnaast zijn er jonge heideontginningen en bosgebieden aanwezig. In dit gebied is de meeste bebouwing geconcentreerd en het gebied wordt het meest intensief gebruikt. Ook ligt hier de snelweg A73. Het zandgrondenlandschap heeft kortom een sterke menging van landschapselementen, functies en gebruikers.
  • 3. Het rivierdallandschap
    Het rivierdallandschap staat sterk onder invloed van de rivier de Maas. Het landschap bestaat uit een kleinschalige mix van oude akkercomplexen, jonge ontginningen en bos- en natuurgebieden. Dit zijn zowel de natte oude maasarmen, als de hoger en droger gelegen bossen op de rivierduinen. Ook steilranden en glooiingen in het landschap komen hier voor. Dit landschapstype is het meest intact gebleven en deze zone heeft dan ook de meeste cultuurhistorische waarde. De meeste bebouwing is gesitueerd aan de Maas. Onder andere door de langgerekte bos- en natuurgebiedenzone tussen het rivierdallandschap en de zandgronden, is het rivierdallandschap relatief rustig en natuurlijk van karakter. De invloed van het water vertaalt zich onder meer in een afwisselend patroon van bebouwing en beplanting, afgewisseld met meer open gebieden.


Hierna wordt op een gedetailleerder schaalniveau ingegaan op de drie verschillende landschapstypen, die op hun beurt zijn in te delen in diverse verschillende gebiedstypen.

  • 1. De Peel en omgeving

Deurnsche Peel en Mariapeel

De Deurnsche Peel en Mariapeel worden gekarakteriseerd door een afwisseling van bos en open plekken op natte gronden. Sloten en vaarten zijn (nog) herkenbaar als sporen van het ontginningsprincipe. Het gebied is een nat natuurkerngebied voor zoogdieren, vogels, amfibieën en flora. Het gebied heeft een recreatieve betekenis en vormt een decor voor bijzonder wonen, in de vorm van de kern Griendtsveen.

Hoogveenontginningenlandschap

Het hoogveenontginningenlandschap wordt gekarakteriseerd als een grootschalig open landbouwgebied, dat doorsneden wordt door singelbeplantingen en wegen met boerenerven. Ecologisch gezien is het gebied vooral van waarde voor weidevogels. Qua gebruik is de agrarische sector, met name de akkerbouw, blauwbessenteelt en de (intensieve) veehouderij, een belangrijke speler. De overgang naar het gebied Mariapeel is een scherpe overgang.

  • 2. Park de Peelbergen en omgeving

Park de Peelbergen is een ontwikkelingsgebied voor nieuwe toeristische en recreatieve voorzieningen (oorspronkelijk circa 100 ha), in combinatie met nieuwe natuur (oorspronkelijk circa 100 ha). Het landschap bestaat deels uit open gebied, met diverse kavelgrootten, dat, al dan niet geleidelijk, overgaat in bosgebied. Door de bosschages zijn her en der zogenaamde 'groene' kamers ontstaan. Karakteristieke bos- en natuurgebieden zijn de Schadijksche Bosschen, die met name voor bosvogels, zoogdieren en reptielen van waarde zijn, en de Castenraysche Vennen in het noordoosten van dit deelgebied, die verblijfplaats bieden aan onder meer flora, amfibieën en moerasvogels.

Het toeristisch recreatief gebied is overwegend agrarisch van aard, met enkele grootschalige, maar nauwelijks zichtbare recreatiecomplexen. Er zijn beperkte ecologische waarden aanwezig, gekoppeld aan de aanwezige bosmilieus. Qua gebruik zijn (intensieve) landbouw en intensieve recreatie overheersend. Een voorbeeld van een intensieve toeristisch recreatieve voorziening is Park de Peelbergen.

  • 3. Het zandgrondenlandschap

Agrarische gebieden

De agrarische gebieden worden gekarakteriseerd als open (essen)gebied met landbouw, waar weinig bebouwing voorkomt, met name in het meest noordelijke deelgebied. Ecologisch gezien is de waarde van het grootste deel van het gebied beperkt tot enkele bosfragmenten en specifieke gebieden. In het gebied ten zuiden van Horst komen nog enkele lanen voor. De dicht(er) bebouwde en beplante gebieden, met name ten oosten van Horst en de A73, hebben te maken met een (te) hoge verkeersdruk en een afnemende (recreatieve) aantrekkelijkheid, als gevolg van intensiever gebruik van het gebied.

Beekdalen

Het deelgebied beekdalen bestaat grotendeels uit het beekdal van de Kabroekse Beek. Deze kenmerkt zich als een halfopen agrarisch gebied met lichte verstedelijking. Ecologisch gezien is het gebied waardevol als weidevogelgebied en voor beekgebonden natuur. Functioneel is het in gebruik als bouw- en weiland, met hier en daar glastuinbouwbedrijven met een beperkte omvang.

De overige en belangrijkste gebieden behoren bij de Lollebeek en de Groote Molenbeek, die soms karakteristiek aanwezig is en hoog gewaardeerd wordt (Reulsberg, 't Ham, Kasteelsche Bosschen), maar soms ook vrijwel onzichtbaar en niet beleefbaar is (langs A73). De huidige ecologische waarde beperkt zich tot de karakteristieke delen en is met name waardevol voor flora, amfibieën en vogels. Het gebied wordt recreatief benut en heeft een ondergeschikte landbouwkundige functie. De Kabroekse Beek heeft een algemeen ecologische functie en de Lollebeek en de Groote Molenbeek een specifieke ecologische functie.

  • 4. Bos- en natuurgebieden

De bos- en natuurgebieden in het oosten van de gemeente Horst aan de Maas worden gekarakteriseerd als een besloten bosgebied met stuifduinen en open plekken (rond Schuitwater en Kaldenbroek). Het gebied is ecologisch waardevol, met name voor vogels (bos en heide), dagvlinders en flora (natte gebieden) en wordt recreatief (mede)gebruikt. Nabij Hoogheide, ten zuidwesten van Lottum, wordt gekenmerkt door typische vestingstructuren.

  • 5. Rivierdallandschap

Agrarisch gebied

Het agrarisch gebied in het oosten van de gemeente kenmerkt zich als een oud, kleinschalig agrarisch landschap, met een dicht net van bebouwde wegen en veel historische bebouwing (kastelen, boerderijen, dorpskernen). Het gebied is ecologisch van belang voor vogels, zoogdieren en flora. Qua gebruik is sprake van een mix van wonen, kleine bedrijven, land- en tuinbouw, boomkwekerijen en recreatieve voorzieningen.

Maascorridor

De Maascorridor kenmerkt zich als een open rivierterras, dat gedeeltelijk periodiek geïnundeerd wordt. Ecologisch gezien is het gebied waardevol voor weidevogels en, plaatselijk, voor amfibieën. In en om (voormalige) kleiputten, ontstaan door ontgrondingen, vindt natuurontwikkeling plaats, met bijbehorende pioniersoorten. Functioneel is het gebied te kenmerken als een extensief landbouwgebied, dat waardevol is voor recreatief medegebruik.

  • 6. Werklocaties

De drie Ontwikkelingsgebieden glastuinbouw (Veld Oostenrijk, ten noorden van Horst, Reindonk, ten westen van Horst en een gebied ten oosten van Melderslo) kenmerken zich als een combinatie van kassen en agribusinessbedrijven en deels in ontwikkeling zijnde intensieve landbouwbedrijven/kassen, inclusief bijbehorende infrastructuur. Tussen de drie gebieden bestaan wat verschillen qua gebruik en karakter. Ecologisch gezien is de waarde van deze gebieden zeer beperkt.

Infrastructuur

De gemeente Horst aan de Maas is via het bovenlokale wegennet goed bereikbaar. De A73, die door de gemeente loopt, vormt in noord-zuidrichting de belangrijkste ontsluitingsas (enerzijds richting Nijmegen en anderzijds richting Roermond/Maastricht). In de gemeente liggen twee op- en afritten van deze snelweg (nummers 10 en 11). Voorts hebben in noord-zuidrichting de provinciale Midden Peelweg (N277) en de voormalige provinciale weg (N555), die de Maasdorpen verbindt, een belangrijke functie.

In oost-westrichting vormt de A67 een belangrijke ontsluitingsas (enerzijds richting Eindhoven en anderzijds richting Duisburg). Deze autosnelweg raakt aan de zuidzijde de gemeentegrens. Het knooppunt Zaarderheiken (A67-A73) en de op- en afritten 38 en 39 zijn voor de gemeente de voornaamste aansluitingspunten richting het lokale wegennet. In oost-westrichting heeft de provinciale weg ten zuiden van Venray (N270) in regionaal verband een belangrijke functie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0006.png"

Afbeelding - Gewenste wegcategorisering (bron: Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan)

Ook per spoor is de gemeente goed bereikbaar. Twee spoorlijnen (Venlo-Eindhoven en Venlo-Nijmegen) doorkruisen de gemeente. De gemeente kent één NS-Station (Horst-Sevenum) op de spoorlijn Venlo-Eindhoven. Verder wordt een haalbaarheidsonderzoek gedaan naar station Grubbenvorst.

De Maas vormt de oostelijke grens van de gemeente. Deze rivier is belangrijk voor de economie en het toerisme van het gebied en is een belangrijke vaarroute. Via het water is de gemeente echter niet direct ontsloten. De Maas heeft - voor de gemeente - met name een toeristische functie. In de buurgemeenten Venray (Wanssum) en Venlo zijn containerhavens aanwezig. De gemeente beschikt via een drietal veerponten (in Broekhuizen, Lottum en Grubbenvorst) over een verbinding naar de overzijde van de Maas.

Water

Het plangebied wordt vooral gekenmerkt door grootschalige ontginningen van voormalige heide- en veengebieden. In het Peelgebied (westelijk deel) liggen nog enkele niet/ gedeeltelijk ontgonnen hoogveengebieden, zoals de Mariapeel. In de lage delen van het zandgebied en in de ontginninggebieden hebben diverse laaglandbeken hun oorsprong en stromen van hieruit naar de Maas. Veel van deze beken zijn tijdens de ontginningen gegraven om de oorspronkelijke doorstroommoerassen te ontwateren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0007.png"

Afbeelding - Watersysteem waterschap Peel en Maasvallei (bron: Waterbeheerplan 2016-2021)

2.3 Functionele structuur

Landbouw

Het grootste deel van het landschap wordt agrarisch gebruikt. Circa 70 procent van de gemeentelijke oppervlakte wordt door land- en tuinbouw beheerd en is een belangrijke economische pijler voor Horst aan de Maas. Op 1 januari 2012 waren in de gemeente Horst aan de Maas 160 glastuinbouw- en 182 intensieve veehouderijbedrijven aanwezig (bron: gemeentelijke Structuurvisie). Deze bedrijven bepalen voor een belangrijk deel het beeld in het buitengebied. Verspreid over het landschap komen grotere en kleinere clusters van glastuinbouwbedrijven voor. Met name het gebied tussen America, Meterik, Horst en Hegelsom is om die reden 'versnipperd'. Naast glastuinbouw en intensieve veehouderijbedrijven zijn ook de champignonteelt, opengrond tuinbouw, boomkwekerijen en akkerbouw sterk vertegenwoordigd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0008.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0009.png"

Afbeelding - Ligging veehouderij bedrijven in Horst aan de Maas (bron: provincie Limburg, Web-BVB, januari 2015)

Wonen

Naast de agrarische bedrijven is de woonfunctie een veel voorkomende functie in het buitengebied. Zo bedraagt het aantal burgerwoningen buiten de bebouwde kom een veelvoud van het aantal agrarische bedrijven. Een deel van deze burgerwoningen is oorspronkelijk ontstaan als agrarisch bedrijf, maar in de loop der jaren van functie veranderd naar een woonfunctie. Ook zijn er diverse Ruimte voor Ruimte-locaties aanwezig, waar de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is gesloopt en in ruil daarvoor één of meer burgerwoningen zijn teruggebouwd.

Niet-agrarische bedrijven

In het buitengebied van Horst aan de Maas komen diverse niet-agrarische bedrijven voor. Het betreft zowel niet-agrarische bedrijven die enige binding hebben met het buitengebied, zoals agrarische loon-, hulp- en nevenbedrijven, als niet-agrarische bedrijven zonder binding met het buitengebied, zoals garagebedrijven en opslagbedrijven. Deze bedrijven liggen allen verspreid door het buitengebied. Het betreft hoofdzakelijk bedrijven met een milieucategorie 1 of 2.

Recreatie en toerisme

De toeristische sector is voor Limburg en zeker voor de gemeente Horst aan de Maas een belangrijke sector. Voor de sector is de landschappelijke kwaliteit van groot belang. Het landschap vormt een trekker voor vele toeristen en vormt het aantrekkelijke decor, waarin ook eigen inwoners graag recreëren. Het behoud en het versterken van de landschappelijke kwaliteiten is dan ook van belang voor de sector zelf. De sector heeft er mede belang bij om, ten behoeve van de kwalitatieve verbetering van het recreatief toeristisch product, bij nieuwvestiging en uitbreiding van recreatieve en toeristische functies te zorgen dat de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit verbeterd wordt.

De regio is gevarieerd en uitermate aantrekkelijk voor recreatie en toerisme. Het toerisme wordt gekenmerkt door een beperkt aantal belangrijke (middel)grote bedrijven met accommodatiegebonden vakantieproducten en een enkel attractiepark. Deze vormen een sterke economische pijler. Daarnaast zijn kleinschaliger recreatievormen sterk in ontwikkeling.

Bij het dorpje America zijn twee vakantieparken gevestigd, Center Parcs Het Meerdal en Center Parcs Limburgse Peel. Ten zuidwesten van Sevenum ligt het Landal Greenpark De Schatberg. Daarnaast zijn er diverse campings aanwezig en hier en daar een bed & breakfast-gelegenheid. Tevens liggen er ook de ruim 500 ha grote Schadijkse bossen waar verschillende wandelroutes zijn gemarkeerd voor recreatief gebruik.

Natuur

Het buitengebied van Horst aan de Maas is (deels) vanwege het overwegend agrarische karakter ook rijk aan flora en fauna. Grote delen van het plangebied, bijvoorbeeld in het hoogveenontginningenlandschap, behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De bescherming hiervan lag in het verleden bij het Rijk, maar is inmiddels overgeheveld naar de provincie.

Ook valt een aanzienlijk deel van het Natura 2000-gebied 'Deurnsche Peel en Mariapeel' binnen het plangebied. De Deurnsche Peel ligt daarbij op grondgebied van de provincie Brabant en de Mariapeel op het grondgebied van de provincie Limburg en tevens binnen het plangebied. Dit deel is gelegen in het westen van het plangebied, ten zuiden van het dorp Griendtsveen. De Mariapeel beslaat circa 1.400 ha en bestaat uit drie complexen (Griendtsveen, De Driehonderd Bunders en Mariaveen). Het landschap kenmerkt zich door een rijke afwisseling van onder andere hogere, droge en lage, vochtige heideterreinen en moerasachtige gedeelten, open en gesloten bossen, veenputten, wijken, vennen en open water. Het Mariaveen is een open heidegebied met enkele zandruggen. Na herstelmaatregelen in de jaren negentig herstelt het hoogveen zich weer. Grauwveen bestaat uit een complex van fragmenten levend hoogveen, beginstadia van regenererend hoogveen, droge en vochtige heide, moeras en opgaand loofbos. Er zijn turfgaten aanwezig. Het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel en Mariapeel is in zijn geheel aangewezen als zowel vogel- als habitatrichtlijngebied.

Hoewel niet binnen Horst aan de Maas gelegen, valt het buitengebied wel binnen de invloedssfeer van de Natura 2000-gebieden 'Maasduinen', ten oosten van de Maas, en het Duitse 'Hangmoor Damerbruch', ten oosten van Grubbenvorst. Het noordelijke deel van Maasduinen bestaat uit zowel habitat- als vogelrichtlijngebied. Het zuidelijke deel van Maasduinen en Hangmoor Damerbruch bestaan enkel uit een habitatrichtlijngebied.

Diverse gebieden binnen het plangebied zijn op basis van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) aangewezen als goud- of zilvergroene natuurzones of als bronsgroene landschapszone. Deze gebieden omvatten onder andere de Natura 2000-gebieden, de Ecologische Hoofdstructuur en een belangrijk deel van de beekdalen met beken met speciaal ecologische functie (Natuurbeken) waar extra natuurstroken zijn voorzien. Voor zowel de goudgroene als de zilvergroene natuur geldt een beschermingsregime, zoals dat landelijk is afgesproken (nee, tenzij). Voor Natura 2000-gebieden gelden zwaardere verplichtingen, waaronder het terugdringen van de stikstofbelasting. Hoe meer de stikstofdepositie wordt teruggedrongen, des te meer kunnen er ontwikkelingsmogelijkheden voor gegeven worden aan onder meer landbouw. Voor de zilvergroene natuur gaat meer flexibiliteit voor inrichting en beheer van nieuwe natuur gelden.

Ook binnen het agrarisch gebied zijn natuurwaarden aanwezig. In het open gebied ten noorden van Kronenberg (op de rand met Reindonck) komen weidevogels, zoals de Grutto en Wulp voor. Ook het open veengebied ten oosten en westen van de kern Evertsoord vormt een aantrekkelijk broedgebied voor weidevogels.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0010.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0011.png"

Afbeelding - Omgevingskwaliteit (bron: Structuurvisie)

Milieu

Binnen Horst aan de Maas zijn diverse gebieden aanwezig die een milieukundige functie hebben. Het gaat om de stiltegebieden 'Tienraysche en Swolgender Heide-Broekhuizerbroek' en 'Griendtsveen', de waterwingebieden 'Breehei' en 'Grubbenvorst' en de daarbij behorende grondwaterbeschermingsgebieden. Ook ligt een deel van de Venloschol binnen de gemeente. Ter plaatse van de Venloschol is sprake van een grondwatervoorraad die wordt afgedekt door een slecht doorlatende kleilaag, waardoor deze grondwatervoorraad van nature wordt beschermd tegen verontreinigingen. Om die reden geldt hier een boringsvrije zone vanaf een bepaalde diepte, om te voorkomen dat de kleilaag wordt doorboord en de grondwatervoorraad verontreinigd kan raken.

Op de hierna volgende afbeelding is de ligging weergegeven van alle gebieden binnen Horst aan de Maas waar sprake is van een milieukundige functie die beschermd moet worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0012.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0013.png"

Afbeelding - Milieubeschermingsgebieden (bron: Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014)

2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

Historische ontwikkeling landschap

Peel en Peelrestanten

De Peel is een veengebied dat is ontstaan op de waterscheiding tussen enkele Brabantse en Limburgse beken. Het veen is gevormd tijdens het Holoceen op een zwak golvend dekzandlandschap uit de laatste ijstijd. De veengroei begon al vroeg in het Holoceen in geïsoleerde laagten en breidde zich steeds verder uit tot een aaneengesloten hoogveengebied.

Door ontwatering, ontginning en afgraving zijn aanzienlijke delen van dit vroegere veenlandschap grotendeels verdwenen (Peelrestanten), waardoor het onderliggende zwak golvende dekzandlandschap met hier en daar een hogere dekzandrug, weer aan het oppervlak ligt.

Maasdal

De Maas is een typische regenrivier met sterk wisselende afvoeren. Door het gezamenlijke effect van opheffing van de Ardennen en Zuid-Limburg en door de afwisseling van enkele tientallen ijstijden en warmere perioden heeft de Maas zich ingesneden waardoor een terrassensequentie is ontstaan. Het Maasdal zoals het hier is gedefinieerd, wordt gevormd door de holocene riviervlakte en enkele terrassen uit het Laat-Glaciaal, te weten het Jonge Dryas terras en het iets hoger gelegen zgn. meanderbogenterras. Het Jonge Dryas stadiaal is een korte koude periode aan het einde van de laatste ijstijd. De Maas was een verwilderde rivier met een relatief smalle (circa 1 km) en rechte dalbodem, met vele geulen en zand- en grindbanken. In een warme periode aan het einde van de laatste ijstijd zocht de Maas met zeer grote meanderbochten haar weg in het Maasdal.

Beekdallandschap Noord-Limburg (Groote Molenbeek)

Door de insnijding van de Maas in het oosten van Limburg ontstond er een waterscheiding op de Peel, van waaruit diverse beken ontsprongen die in oostelijke richting stroomden naar het dieper gelegen Maasdal. Hierdoor is het landschap sterk versneden door enkele evenwijdig aan elkaar lopende beekdalen. Een belangrijke karakteristiek van dit gebied is de sterke afwisseling van nat (de beekdalbodems) en droog (de interfluvia). Ook in dit beekdallandschap kunnen onderscheiden: de beekdalbodems, de beekdalranden en de interfluvia. Tot dit gebied wordt ook het niet-doorsneden 'eiland van Californië' gerekend (tussen Maasbree en Tienray/Swolgen). Het is een zwak golvend dekzandgebied tussen de laatglaciale Maasterrassen en de beekdalen.

Aardkundige waarden

In de gebieden van (inter)nationaal en provinciaal/regionaal aardkundig belang is behoud en zichtbaarheid uitgangspunt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In de gebieden met (inter)nationale waarden gelden hogere eisen voor het behoud, zichtbaarheid en/of de landschappelijke inpassing dan in de gebieden met provinciale/regionale waarden. In de overige gebieden kunnen gemeenten zelf hun beleid bepalen ten aanzien van deze objecten. Speciale aandacht gaat uit naar objecten met geologische en aardkundige waarden (Gea-objecten) die bij uitstek inzicht bieden in de ontstaansgeschiedenis van de aarde, zoals groeves.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0014.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0015.png"

Afbeelding - Aardkundige waarden (bron: Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006)

Cultuurhistorie

Archeologie

Om inzicht te krijgen in de archeologische en cultuurhistorische waarden van het plangebied, is de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg geraadpleegd. Daarnaast is gebruik gemaakt van de Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas. Hieruit blijkt dat vooral in het zandgrondenlandschap en in mindere mate in het rivierdallandschap een hogere archeologische verwachtingswaarde geldt. De hoogste verwachtingswaarden zijn vooral te vinden in de band Horst/Meterik via Hegelsom naar Sevenum (zandgrondenlandschap) en langs de Maas vanaf Broekhuizenvorst via Broekhuizen en Lottum naar Grubbenvorst (rivierdallandschap). Van oudsher zijn dit de bewoonde plekken en daardoor valt hier ook het meest te verwachten voor wat betreft archeologie. Op de afbeelding hierna is een uitsnede van de Archeologische Maatregelenkaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0016.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0017.png"

Afbeelding - Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas (bron: Vestigia)

Cultuurhistorie

Naast de indicatieve archeologische verwachtingswaarden zijn ook diverse gebieden aangewezen als provinciale archeologische aandachtsgebieden (ter hoogte van Sevenum, Melderslo en langs de Maas) en zijn er een aantal terreinen aangewezen als monument op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK-terreinen).

Het dorp Griendtsveen is in 1996 van rijkswege aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het dorpsgezicht valt echter buiten het plangebied, door de fysieke ruimtelijke grenzen van het dorpsgezicht. Het beschermde gebied wordt namelijk aan de noordzijde begrensd door de spoorlijn van Eindhoven naar Venlo, aan de westzijde door de Helenavaart en aan de zuid-oostzijde door het Kanaal van Griendtsveen.

Verder komen in het plangebied verspreid diverse rijks- en gemeentelijke monumenten voor. Het betreft onder andere diverse boerderijen.

Op de hierna volgende afbeelding is een overzicht weergegeven van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg, met daarop de beschermenswaardige archeologische en cultuurhistorische monumenten weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0018.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0019.png"

Afbeelding - Archeologie en cultuurhistorie (bron: Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Limburg)

De lijsten met rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden zijn als bijlagen bij deze toelichting opgenomen.

Hoofdstuk 3 BELEID

3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.

3.2 Europees beleid

Natura 2000

Natura 2000 bestaat uit een Europees netwerk van belangrijke natuurgebieden. Het netwerk wordt beschermd door twee Europese richtlijnen, namelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van strikt te beschermen gebieden, zogenaamde 'speciale beschermingszones'. In Nederland is de bescherming van de speciale beschermingszones geregeld via de Natuurbeschermingswet 1998. Er is voor gekozen één aanwijzingsbesluit te hanteren, dat de diverse vormen van bescherming van het gebied regelt. In dit besluit zijn de instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, de doelen van de natuurbescherming in dit gebied.

De aanwijzing heeft geen consequenties voor het huidige gebruik. Bestaande activiteiten kunnen over het algemeen worden voortgezet. Nieuwe activiteiten, die significant negatieve effecten kunnen hebben, moeten vooraf grondig worden onderzocht op hun gevolgen in de vorm van een zogenaamde 'passende beoordeling'. Hoofdregel daarbij is dat als uit dit onderzoek naar de gevolgen van de nieuwe activiteit blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het richtlijngebied worden aangetast, geen toestemming mag worden verleend, tenzij er geen ander alternatief is, er een dwingende reden van groot openbaar belang is en compenserende maatregelen worden getroffen.

In het plangebied ligt één Natura 2000-gebied. In het westen van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied 'Deurnsche Peel en Mariapeel'. Het figuur hierna geeft een overzicht van de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Ten oosten van de gemeentegrens (ten oosten van de Maas) ligt het Natura 2000-gebieden 'Maasduinen'. Dit gebied valt buiten het plangebied.

Het Natura 2000-gebied 'Deurnsche Peel en Mariapeel' bestaat uit drie deelgebieden: Deurnsche Peel, Mariapeel en Grauwveen. Tezamen met de nabijgelegen Groote Peel zijn het restanten van wat eens een uitgestrekt oerlandschap was van levend hoogveen. Deze peelhoogvenen werden grotendeels afgegraven tot op de zandondergrond. Door de verschillende verveningsgeschiedenis van de onderdelen van het gebied is er een grote en fijnschalige variatie in vegetatie en landschap, met gradiënten naar iets mineraalrijker milieu.

De Deurnsche Peel is het Brabantse deel van het gebied. De Mariapeel bestaat uit drie complexen (Griendtsveen, De Driehonderd Bunders en Mariaveen). Het landschap kenmerkt zich door een rijke afwisseling van onder andere hogere, droge en lage, vochtige heideterreinen en moerasachtige gedeelten, open en gesloten bossen, veenputten, wijken, vennen en open water. Het Mariaveen is een open heidegebied met enkele zandruggen. Na herstelmaatregelen in de jaren negentig herstelt het hoogveen zich weer. Grauwveen bestaat uit een complex van fragmenten levend hoogveen, beginstadia van regenererend hoogveen, droge en vochtige heide, moeras en opgaand loofbos.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0020.png"

Ligging Natura 2000-gebieden in en om Horst aan de Maas (bron: Natura 2000 Network Viewer)

Voor dit bestemmingsplan wordt een passende beoordeling uitgevoerd waarin wordt onderzocht in hoeverre een aantal autonome ontwikkelingen gevolgen kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. De beoordeling of het bestemmingsplan leidt tot significant negatieve effecten is betrokken in het PlanMER (Milieueffectrapport).

Europese Kaderrichtlijn Water (2000)

Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) in werking getreden. De KRW geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat:

  • Aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed;
  • Verbetering van het aquatisch milieu wordt bereikt, onder andere door een forse vermindering van lozingen en emissies;
  • Duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn;
  • Er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.

Voor de KRW zijn ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang en/of het beschermingsniveau van het grondwater. De KRW heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor bijvoorbeeld riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid.

Voor dit bestemmingsplan betekent de KRW dat aantasting van watersystemen moet worden voorkomen en waar mogelijk worden versterkt (duurzaam waterbeheer). Om hiertoe te komen wordt overleg gevoerd met de waterbeheerders binnen het plangebied.

3.3 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

De kaders van het nieuwe rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) die op 13 maart 2012 door de Minister van I&M is vastgesteld. Deze structuurvisie heeft als credo 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig'. De SVIR omvat drie hoofddoelen, die als volgt zijn geformuleerd:

  • 1. Concurrerend
    Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • 2. Bereikbaar
    Het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • 3. Leefbaar en veilig
    Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. De nationale belangen hebben onder andere betrekking op bijvoorbeeld ruimte voor waterveiligheid, behoud van nationale unieke cultuurhistorische kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk van natuur.

De juridische borging van de nationale belangen in bestemmingsplannen vindt plaats door middel van de AMvB Ruimte. Een toetsing vindt hierna plaats. Onderhavig bestemmingsplan is niet in strijd met de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan ruimtelijke besluiten op provinciaal en gemeentelijk niveau moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan gemeenten opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies.

Niet alle nationale ruimtelijke belangen staan in de AMvB Ruimte. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden.

Van de nationale belangen die in de AMvB Ruimte zijn geregeld, zijn de volgende van toepassing op het plangebied:

  • Rijksvaarwegen
    De Maas is aangewezen als een CEMT Va-klasse vaarweg. Dit is een vaarwegklasse zoals vastgesteld door de Conférence Européenne des Ministres de Transport (CEMT), gebaseerd op de afmetingen van standaardschepen en duwstellen. Er geldt een vrijwaringszone van 25 meter aan weerszijden vanaf de vaarweg, gemeten vanaf de begrenzingslijn van de rijksvaarweg. In dit bestemmingsplan wordt door middel van een dubbelbestemming rekening gehouden met het voorkomen van belemmeringen binnen deze vrijwaringszone voor onder andere de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten en het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg.
  • Grote rivieren
    De Maas behoort tot de vier grote rivieren van Nederland. Het nationale belang strekt zich tot het vrijhouden van het stroomvoerend deel van het rivierbed en het tegengaan van grootschalige en kapitaalintensieve ontwikkelingen die het treffen van rivierverruimende maatregelen kunnen belemmeren. In dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met het rivierbed door middel van een dubbelbestemming.
  • Defensie
    Relevant voor onderhavig bestemmingsplan zijn de beperkingen ten aanzien van bouwhoogten ter plaatse van radarverstoringsgebieden. De daadwerkelijke ligging en afstanden zijn uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening. Hoewel het reguliere radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel met 15 km buiten onderhavig plangebied ligt, strekt het radarverstoringsgebied met 75 km ten aanzien van windturbines zich over het volledige plangebied uit. Dit houdt in dat uitsluitend windturbines met een hoogte van 114 m of minder boven NAP mogen worden gerealiseerd. Onderhavig plan maakt geen realisatie van dergelijke windturbines mogelijk, waardoor het plan voldoet aan dit nationale belang.
  • Elektriciteitsvoorziening
    In de AMvB Ruimte zijn hoogspanningtracés van nationaal belang aangewezen. Eén van deze tracés loopt door in het westelijke deel van het plangebied in noord-zuidrichting. Vanuit de AMvB Ruimte geldt de verplichting dat dergelijke tracés in het bestemmingsplan zijn opgenomen en dat het gebruik als hoogspanningsverbinding is toegestaan. In onderhavig plan wordt dit geregeld middels een dubbelbestemming.
  • Buisleidingen van nationaal belang voor transport van gevaarlijke stoffen
    In de AMvB Ruimte zijn tracés voor buisleidingstroken van nationaal belang voor het transport van gevaarlijke stoffen aangewezen. Er wordt een onderscheid gemaakt in voorkeurstracés met een breedte van maximaal 70 m en in zoekgebieden voor dergelijke tracés van 250 m aan weerszijden van de voorkeurstracés. In het plangebied komen meerdere van deze voorkeurstracés en zoekgebieden voor, ter hoogte van Griendtsveen en Evertsoord. Gemeenten mogen zelf bepalen waar zij in bestemmingsplannen binnen de zoekgebieden de ligging van de buisleidingenstrook opnemen. Nieuwe activiteiten die een belemmering vormen voor de aanleg van de buisleidingenstrook worden vervolgens niet toegestaan. In onderhavig plan wordt dit geregeld door middel van een dubbelbestemming.
  • Ecologische hoofdstructuur
    Ten aanzien van de Ecologische hoofdstructuur heeft het Rijk in de AMvB Ruimte aangegeven dat provincies in haar verordeningen regels moeten stellen ter bescherming van de natuurwaarden van de Ecologische hoofdstructuur. De provincie Limburg heeft deze doorvertaling gemaakt in haar Omgevingsverordening Limburg 2014. Deze verordening komt bij het provinciale beleid aan bod.
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
    Gronden waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van een primaire waterkering hebben worden bestemd als 'waterkering'. De beschermingszone wordt weergegeven met een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk' wanneer er sprake is van een dijk en in alle overige gevallen met een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - waterstaatswerk'. Wijzigingen van bestemmingen op gronden met de functie van primaire waterkering of beschermingszone zijn alleen mogelijk als daardoor geen belemmeringen ontstaan voor het onderhoud, de instandhouding of de versterking van de primaire waterkering. De betreffende dubbelbestemmingen en aanduidingen worden in onderhavig bestemmingsplan opgenomen.

Uit het voorgaande blijkt dat het bestemmingsplan niet in strijd is met de AMvB Ruimte.

MER-regelgeving

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieuffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijk plan dat voorziet in een project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden, zijn opgesomd in de bijlage van het Besluit-MER. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen een m.e.r.-beoordeling (categorie D), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een m.e.r.-procedure nodig is, of een verplichte m.e.r. (categorie C). Op grond van artikel 7.2a Wet milieubeheer moet ook een milieueffectrapport worden gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998. Dit betekent dat als een plan significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kan hebben, er ook verplicht een (Plan)-m.e.r. moet worden gemaakt.

Op grond van de Bijlage behorend bij het Besluit milieueffectrapportage zijn hoofdzakelijk twee activiteiten uit het Besluit m.e.r. van toepassing. Het gaat specifiek om het bieden van ontwikkelruimte voor agrarische bedrijven zoals de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee, varkens (Besluit milieueffectrapportage, bijlage C, categorie 14) en overige diersoorten (Besluit milieueffectrapportage, bijlage D, categorie 14).

Op basis van jurisprudentie kan het bevoegde gezag, als er meerdere m.e.r-procedures van toepassing zijn, een gecombineerde plan-m.e.r./project-m.e.r.-procedure doorlopen.

In het kader van dit bestemmingsplan wordt een plan-m.e.r. doorlopen en wordt een passende beoordeling opgesteld.

Nationaal Milieubeleidsplan 4 (2001)

In het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) wordt ingezoomd op de aanpak van zeven grote milieuproblemen in de periode tot 2030. Voor het oplossen hiervan is systeeminnovatie nodig. In dit kader wordt onder meer de transitie naar een duurzame landbouw voorgestaan. Het gaat hierbij in feite om het herstellen van de goede balans tussen landbouw en natuur. Het beleid krijgt vorm langs twee sporen:

  • 1. Lange termijnspoor (2030): gericht op het realiseren van een duurzame landbouw binnen ecologische, sociale en economische randvoorwaarden;
  • 2. Korte-termijnspoor (2010): gericht op milieuthema's (aanscherpen van de milieueisen) en op grotere kwetsbare natuurgebieden. Voor de thema's verdroging, verzuring en fosfaat wordt een verdergaande gebiedsgerichte aanpak voorgestaan in de zones rond de EHS.

De niet-grondgebonden landbouw wordt steeds meer een gewone economische sector (zoals de industrie) en zal als zodanig worden behandeld. Binnen de Ecologische Hoofdstructuur en Extensiveringsgebieden intensieve veehouderij is voor deze vorm van landbouw geen plaats. Daarbuiten moet de niet-grondgebonden landbouw passen in het karakter van het gebied.

De grondgebonden landbouw levert naast primaire producten ook groene diensten, zoals landschapsbeheer, natuurbeheer, instandhouding van cultuur, biodiversiteit en een prettige leefomgeving. Binnen deze context zal de grondgebonden landbouw de gewenste milieucondities moeten realiseren. De eisen aan grondgebonden landbouw verschillen daarom per type gebied.

Voor zover mogelijk moet het NMP4 een doorvertaling krijgen in dit bestemmingsplan. Vooral belangrijk zijn thema's als verdroging rondom de Ecologische Hoofdstructuur, het terugdringen van ammoniakemissie en de scheiding tussen niet-grondgebonden landbouw en natuurgebieden.

Programma Aanpak Stikstof (2015)

Het nationale Programma Aanpak Stikstof (PAS) heeft tot doel economische ontwikkelingen, zoals uitbreiding van veehouderijen en industrie, samen te laten gaan met het realiseren van Natura 2000-doelen. In Natura 2000-gebieden is de neerslag van stikstof een probleem en door uitbreiding van veehouderijen kan deze neerslag worden verhoogd. Om de stikstofneerslag te laten dalen is een samenhangend plan, met maatregelen in Natura 2000-gebieden en bij de landbouw nodig.

Als er wordt voldaan aan de voorwaarde van een blijvende depositiedaling en als herstelmaatregelen uit de herstelstrategieën voor de stikstofgevoelige habitats worden uitgevoerd waardoor de achteruitgang in natuurkwaliteit stopt, ontstaat er ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen.

Door stikstofbeperkende maatregelen wordt gezorgd voor een blijvende depositiedaling. Een deel van de verminderde uitstoot van stikstof mag worden gebruikt voor de stikstofuitstoot van uitbreiding van bestaande- en nieuwe economische activiteiten elders in het gebied. De bevoegde gezagen delen deze ontwikkelruimte toe aan sectoren en gebieden. Hierdoor kan er sprake zijn van een toename in stikstofuitstoot, daar waar dit onder de huidige wetgeving en jurisprudentie niet is toegestaan.

Door het nemen van herstelmaatregelen wordt ervoor gezorgd dat de toestand van de habitattypen en -soorten niet verslechterd. De rijksoverheid en de provincies rekenen erop dat de herstelmaatregelen voor bijna alle gebieden resulteren in een herstel en behoud van de stikstofgevoelige habitattypen en soorten.

Het PAS is op 1 juli 2015 in werking getreden. Het PAS heeft vooralsnog geen directe gevolgen voor het bestemmingsplan. Bij het opstellen van het PlanMER en het bestemmingsplan is daar waar mogelijk gebruik gemaakt van het PAS.

Nationaal waterplan 2016-2021

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld.

Het waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streven we naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

Een gedeelte van het plangebied van het bestemmingsplan is onderdeel van de Rijn-Maas Delta. Het hoofdwatersysteem in de Rijn-Maasdelta is onder te verdelen in drie gebieden. De aanpak verschilt per gebied. Waar de waterstanden hoofdzakelijk bepaald worden door de waterstand op zee, kiest het kabinet ervoor om de waterveiligheid vooral te borgen door dijkversterking in combinatie met de inzet van de stormvloedkeringen. In het deel van het rivierengebied waar de waterstand hoofdzakelijk wordt bepaald door de (piek)afvoer van de rivieren, wordt de waterveiligheid vooral geborgd door de combinatie van dijkversterking en – waar relevant en mogelijk – rivierverruimende maatregelen. In het overgangsgebied tussen het zee- en het riviergedomineerde gebied geldt een combinatie van beide benaderingen.

Bij het toestaan van ontwikkelingen binnen het plangebied wordt rekening gehouden met het Nationaal Waterplan.

Beleidslijn grote rivieren (2006)

De in 2006 vastgestelde Beleidslijn grote rivieren waarborgt de veilige afvoer en berging van rivierwater onder normale en onder maatgevende hoogwaterstanden. Tevens geldt dat het bieden van mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen, binnen de randvoorwaarden die de veiligheid stelt, van belang is voor het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het rivierbed. Voor de Beleidslijn grote rivieren gelden twee concrete doelstellingen:

  • de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed behouden;
  • ontwikkelingen tegen gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken.

De beleidslijn verenigt twee sporen van beleid. Voor elke activiteit in het rivierbed is een vergunning in het kader van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken nodig. Daarnaast is een goede afweging in het ruimtelijk spoor (structuurplannen en bestemmingsplannen) noodzakelijk om te voorkomen dat er bestemmingsplancapaciteit ontstaat voor activiteiten die niet, of slechts onder bepaalde voorwaarden, zijn toegestaan. Doorwerking in het spoor van de ruimtelijke ordening voorkomt het afgeven van vergunningen voor activiteiten waarvoor de vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken moet worden geweigerd. Een goede doorwerking van het beleid vereist een adequate coördinatie tussen de ruimtelijke ordening en de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

In onderhavig bestemmingsplan wordt aangegeven dat ontwikkelingen binnen het rivierbed niet mogelijk zijn, dan wel enkel wanneer vooraf advies door de waterbeheerder is gegeven. Het bestemmingsplan is daarmee niet in strijd met de Beleidslijn grote rivieren.

Wet natuurbescherming (2017)

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming ( hierna:Wnb) in werking getreden. De Wnb betreft zowel soortenbescherming (voorheen Flora- en faunawet) als bescherming van (Europese) natuurgebieden (voorheen Natuurbeschermingswet 1998).

De soortenbescherming is gericht op het beschermen en het behouden van de goede staat van instandhouding van in het wild levende plant- en diersoorten en hun directe leefomgeving.

De gebiedsbescherming is gericht op het beschermen van (natuur)gebieden. Deze natuurgebieden betreffen onder andere de zogenoemde "Speciale Beschermingszones" op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Samen worden deze zones aangeduid als het "Natura 2000 netwerk".

Op grond van de Wnb moet wanneer er bij ontwikkelingen sprake is van een "significant (negatief) effect" op een Natura 2000-gebied een zogenoemde "passende beoordeling" worden uitgevoerd. Deze wordt in het kader van het planMER opgesteld.

Voor onderhavig bestemmingsplan wordt een PlanMER uitgevoerd, met een passende beoordeling. Hieruit moet blijken dat het plan uitvoerbaar is en dat er geen strijd is met de Wnb.

Wet op de archeologische monumentenzorg (2007)

Als gevolg van het Verdrag van Malta is op 1 september 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Feitelijk betreft het een aantal aanpassingen aan diverse wetten, waarvan de belangrijkste de Monumentenwet 1988 en de Woningwet zijn.

In het bestemmingsplan moeten de archeologische waarden worden beschermd. Feitelijk moest dat al gebeuren als gevolg van het Verdrag van Malta, maar de archeologische wetgeving eist dat nu ook. Op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK), bijgehouden door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, staan archeologische vindplaatsen aangegeven. Deze variëren in waarde van middelhoog tot zeer hoog. Enkele daarvan, de archeologische rijksmonumenten, worden reeds wettelijk beschermd. Het bestemmingsplan mag hier geen eigen regelgeving voor bevatten. De overige AMK-terreinen zijn onbeschermd. Hiervoor dienen regelingen opgenomen te worden in het bestemmingsplan.

Leidraad voor het beschermen van de gebieden met een middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde is het meest gedetailleerde voorhanden zijnde onderzoek. In 2014 heeft er een gedetailleerd archeologisch bureauonderzoek plaatsgevonden in de gemeente, waarvan de resultaten onder meer tot een gemeentelijke archeologische waarden- en beleidsadvieskaart zijn verwerkt. Voor dit bestemmingsplan wordt de meest recente versie van de waarden- en beleidsadvieskaart als leidraad gehanteerd.

De provincies hebben tot slot de mogelijkheid archeologische aandachtsgebieden aan te wijzen. Op deze manier worden de bestemmingsplannen archeologievriendelijk. Binnen het plangebied zijn meerdere aandachtsgebieden aangewezen. Voor de ligging van deze gebieden wordt verwezen naar de hierna volgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0021.png"

Afbeelding - Ligging provinciale archeologische aandachtsgebieden (bron: provincie Limburg)

Modernisering Monumentenzorg (2009)

De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van een plan op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan.

Wet geluidhinder

In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt een onderscheid gemaakt tussen geluidsgevoelige en overige objecten. In de wet worden de volgende objecten geluidsgevoelig genoemd en daarom beschermd:

  • a. woningen;
  • b. andere geluidsgevoelige gebouwen (op basis van artikel 1.2 Besluit geluidhinder: onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven);
  • c. geluidsgevoelige terreinen (op basis van artikel 1.2 Besluit geluidhinder: woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen).

Wanneer een bestemmingsplan het gebruik van geluidgevoelige objecten mogelijk maakt, dient te worden getoetst aan de Wgh. Bij de toetsing of een object al dan niet wordt beschermd kan in eerste instantie worden aangesloten bij de voorgenoemde objecten van de Wgh.

Het kan echter voorkomen dat een object niet als geluidsgevoelig is aangemerkt in de Wgh, maar dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch de geluidssituatie in kaart moet worden gebracht en beoordeeld. Het betreft objecten die als geluidsgevoelig kunnen worden beschouwd. Uit jurisprudentie is gebleken dat in principe 'elke situatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen zullen verblijven' als geluidgevoelig beschouwd kan worden (uitspraak ABRvS d.d. 29 februari 2012, nr. 201002029/1/T1/R2). Dit betekent overigens niet dat deze situaties meteen grondig beschouwd dienen te worden of een hoog beschermingsniveau tegen geluid verdienen. Het geeft wel aan dat de motivering 'een functie is niet geluidgevoelig' een te magere motivering is.

Aangezien onderhavig bestemmingsplan hoofdzakelijk conserverend van aard is, worden nieuwe ontwikkelingen niet toegestaan. Voor zover afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden de oprichting van nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk maken, moet uit akoestisch onderzoek blijken of realisatie mogelijk is.

Structuurvisie Buisleidingen 2012 - 2035

Het doel van deze Structuurvisie is om ruimte vrij te houden in Nederland voor de aanleg van toekomstige buisleidingen van nationaal en internationaal belang voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met de Structuurvisie Buisleidingen wil het Rijk verdere duidelijkheid verschaffen aan zowel het bedrijfsleven dat daarmee kan rekenen op goede verbindingen voor buisleidingtransport, als aan provincies en gemeenten die hierop hun ruimtelijke plannen kunnen afstemmen.

De verbinding vanuit Rotterdam naar Duitsland wordt nu gevormd door twee olie- en olieproductleidingen van de Rotterdam-Rijn-Pijpleidingsmaatschappij. Deze leidingen gaan via een compressorstation ten noorden van Venlo de grens over. Dit deel van het tracé wordt gekenmerkt door een groot aantal ruimtelijke ontwikkelingen in het verleden en plannen voor de toekomst die het leggen van nieuwe leidingen onmogelijk maken. Daarom is gekozen voor een alternatief voor de grensovergang in het noorden van de gemeente Venlo en wordt het tracé gevolgd dat vanuit de gemeente Horst aan de Maas zuidwaarts gaat. In het zuiden van de gemeente Venlo gaat een aftakking hiervan bij Tegelen de grens over. Deze verbinding is bedoeld zowel voor buisleidingen voor het transport van zowel vloeistoffen als gassen. Daarmee is de verbinding van Rotterdam naar het Ruhrgebied veilig gesteld.

Op alle locaties waar voldoende ruimte beschikbaar is, geldt een strookbreedte van 70 meter. Deze breedte maakt het in principe mogelijk om overal zes tot acht nieuwe leidingen aan te leggen op een onderlinge afstand van vijf tot zeven meter, hart op hart, rekening houdend met de reeds aanwezige leidingen. Op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) mogen er geen kwetsbare objecten voorkomen binnen de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 per jaar) van een leiding. Daarbinnen moet de aanwezigheid van beperkt kwetsbare objecten zo veel mogelijk worden voorkómen. Omdat deze PR-contour dikwijls letterlijk op de leiding ligt zou er pal naast de leiding gebouwd kunnen worden. Dat is natuurlijk ongewenst omdat er voor onderhoud- en inspectiedoeleinden een zekere ruimte moet zijn, van 5 meter ter weerszijden van de hartlijn van de leiding. Binnen deze strook gelden belemmeringen in verband met een veilige en ongestoorde ligging van de leiding. Hiermee is de omgeving gediend en de leveringszekerheid. Op grond van het Bevb moeten daarom nieuwe kwetsbare bestemmingen buiten de belemmeringenstrook worden gebouwd.

In dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de leidingstroken uit de Structuurvisie Buisleidingen. Daarnaast is in hoofdstuk 5 een verantwoording van het groepsrisico rond in het plangebied aanwezige buisleidingen opgenomen. Het bestemmingsplan is niet in strijd met de Structuurvisie Buisleidingen.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (2011)

De AMvB Buisleidingen, ook wel bekend als het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), is op 1 januari 2011 in werking getreden. Deze AMvB stelt regels aan risiconormering en -zonering langs buisleidingen voor gevaarlijke stoffen zoals olie en aardgas, het opnemen van regels in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en de beschikbaarheid van noodplannen. Tevens is het opnemen van een verantwoording van het groepsrisico in de toelichting van bestemmingsplannen vereist.

In dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de zonering (plaatsgebonden risico) rond in het plangebied aanwezige buisleidingen. Daarnaast is in hoofdstuk 5 een verantwoording van het groepsrisico rond in het plangebied aanwezige buisleidingen opgenomen. Het bestemmingsplan is niet in strijd met de AMvB Buisleidingen.

Reparatiewet BZK 2014

De Reparatiewet van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Reparatiewet BZK 2014) regelt dat gemeenten de stedenbouwkundige bepalingen uit hun bouwverordening voor 1 juli 2018 moeten hebben opgenomen in bestemmingsplannen of beheersverordeningen.

Wanneer de gemeenteraad een nieuw bestemmingsplan vaststelt, treedt de nieuwe regeling in werking. Op dat moment zijn de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening niet meer van toepassing. Ook bij de vaststelling van dit bestemmingsplan vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening.

De Reparatiewet BZK 2014 is op 29 november 2014 in werking getreden. De Reparatiewet neemt onder meer de wettelijke grondslag weg voor de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening (artikel 8 lid 5, 9 en 10 Woningwet en artikel 8.17 onder B IWro komen te vervallen).

Dit betekent dat de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening, inclusief de regeling betreffende het parkeren, geleidelijk via overgangsrecht zullen 'uitsterven'. Daarmee zal de bouwverordening als instrument op termijn verdwijnen.

In onderhavig bestemmingsplan wordt zorg gedragen voor het opnemen van de stedenbouwkundige bepalingen uit de gemeentelijke bouwverordening, zodat deze door middel van dit bestemmingsplan van kracht blijven.

3.4 Provinciaal beleid

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

In december 2014 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL) vastgesteld. Het POL onderscheid drie gebiedszones: Noord-Limburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg.

Ambities voor Noord-Limburg

De regio maakt optimaal gebruik van zijn strategische ligging als logistiek knooppunt tussen de mainports in Nederland en Vlaanderen, en het Duitse achterland. De infrastructurele ontsluiting is goed, herbergt diverse topsectoren en combineert dat met een kwalitatief goede omgeving.

De agrofoodsector in deze regio kan zich meten met de wereldtop en heeft een blijvend leidende rol op het gebied van agroproductie, agribusiness en agrologistiek . Daarbij wordt optimaal geprofiteerd van de aanwijzing als Greenport, en de daaruit voortvloeiende campusachtige ontwikkeling. Mede vanwege haar gunstige ligging ten opzichte van Brainport kent de regio een sterke en duurzame economische structuur en neemt het een internationale toppositie in waar het gaat om duurzaamheid en maakindustrie. De leidende positie bij het toepassen van de cradle-to-cradle principes blijft behouden.

De regio kent een omvangrijke bezoekersstroom gericht op toerisme en recreatie. In de Kop van Noord-Limburg en in de Peel/Peelbergen is er sprake van clustervorming. Echter in het gehele gebied ontstaan initiatieven als gevolg van de aantrekkelijk combinatie van prachtige natuur, landschap en cultuurhistorie. De ambitie is om deze sector, met respect voor de omgevingswaarden zich (als Limburgse topsector) door te laten ontwikkelen.

Opgaven Noord-Limburg

De opgaven van Noord-Limburg liggen vooral op het vlak van innovatie (betere samenwerking in combinatie met de cradle-to-cradle-principes), arbeidsmarkt (aantrekken arbeidskrachten van buiten de regio) en onderwijs (vestiging hoger en wetenschappelijk onderwijs, en goede mogelijkheden voor tewerkstelling of doorstroming van leerlingen uit het MBO-onderwijs, campus ontwikkeling in het kader van Greenport). Dit alles met focus op de topsectoren in de regio zijnde tuinbouw en agrofood, logistiek, maakindustrie en hightech-systems (o.a. document valley).

De regio moet zich, ook in relatie tot de Kennis-As Limburg, beter profileren binnen de clusters gezondheid (met focus op Maastricht), techniek (als logisch onderdeel van Brainport) en food en flowers (in combinatie met Niederrhein en de groeiende tuinbouwsector in Oost-Brabant, belangrijke relatie met Wageningen University).

Bereikbaarheid

Een blijvend goede bereikbaarheid over weg, water en rail is voor de regio cruciaal. Vanwege de verwachte toename in het goederenvervoer is het van belang om knelpunten in het infranetwerk tijdig te signaleren en aan te pakken. Prioritair voor Horst aan de Maas in deze zijn:

  • de Maaslijn (verdubbeling en elektrificering) richting Nijmegen-Arnhem-Wageningen en de internationale spoorverbinding Eindhoven - Venlo - Düsseldorf / Duisburg
  • Bereikbaar houden van de regionale overslagpunten en economische hotspots.

Een betere bereikbaarheid van maatschappelijke voorzieningen via een fijnmazig (grensoverschrijdend) regionaal openbaar- vervoersysteem is een prioriteit. Integratie tussen vervoersvormen in het kader van de WMO en de reguliere openbaar vervoersvormen is daarbij een kans. Dit moet uitgewerkt worden in het kader van de voorbereiding van de nieuwe regionale OV-concessie.

Vermarkten landschappelijke en culturele kwaliteiten

De landschappelijke en culturele kwaliteit moet beter vermarkt worden, als een onderscheidend toeristisch product. Met name in de Kop van Limburg en rond Peel en Peelbergen moeten de kansen voor het verder ontwikkelen van de Limburgse topsector vrijetijdseconomie benut worden. Investeringen in de ontwikkeling en instandhouding van mensgerichte natuur zouden dan ook hoofdzakelijk daar moeten plaatsvinden. Er moet geïnvesteerd worden in een aantrekkelijk sociaal en cultureel klimaat met voldoende voorzieningen. Kansen om dit combineren met een versterking van het toeristisch product moeten optimaal benut worden.

Transformatie woningvoorraad

Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient echter een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen. Uitbreiding via uitleggebieden slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte. Hierbij is aandacht voor huisvesting van bijzondere doelgroepen (woonurgenten) en de aanpak van leegstand.

Ruimte voor de Maas

In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat de ambities van de regio grotendeels realiseerbaar zullen zijn binnen de ruimte die nu reeds ter beschikking staat of die in plannen is vastgelegd. Binnen Horst geldt dit voor de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum.

Dynamisch voorraadbeheer

Dynamisch voorraadbeheer is een (overheids)interventie bedoeld om in de huidige situatie van falende marktwerking de markt te prikkelen om kwaliteit te realiseren. Deze aanpak wordt gehanteerd voor woningen, bedrijventerreinen, kantoren, winkels, recreatieparken, campings en land- en tuinbouw. Essentie ervan is dat in regionaal verband door gemeenten niet-vrijblijvende afspraken worden gemaakt over noodzakelijke interventies. Die gaan over de ambities en opgaven, gezamenlijke principes en een gezamenlijke werkwijze. Voor sommige onderwerpen (wonen, bedrijventerreinen) aangevuld met een gezamenlijke programmering. De precieze aanpak kan per onderwerp en regio uiteenlopen. Centraal in het dynamisch voorraadbeheer staan drie typen interventies:

  • 1. Werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad (bijvoorbeeld renovatie, herstructureren, energiemaatregelen, duurzaamheid). Onderdeel hiervan vormt de aanpak van de bestaande leegstand.
  • 2. Waar mogelijk schrappen (verkleuren/ van functie veranderen) van harde plannen die niet de beoogde toevoeging van kwaliteit opleveren. Het kan ook gaan om tijdelijke andere functies.
  • 3. Onder voorwaarden (bijvoorbeeld alleen echte toevoeging kwaliteit, principes duurzame verstedelijking volgens de Ladder voor Duurzame Verstedelijking) ruimte bieden voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad.

Bovengenoemde ambities en uitdagingen kan de overheid niet alleen realiseren. De overheid kan wel faciliteren door o.a. een goed ruimtelijk beleid. Provincie en regio ondersteunen daartoe de ontwikkeling gebruik makend van het perspectief van uitnodigingsplanologie.

Omgevingsverordening Limburg 2014

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn de ambities vanuit het POL doorvertaald in juridisch bindende regels. Deze regels gelden niet alleen als bindend voor de provincie, maar ook voor gemeenten, bijvoorbeeld ten aanzien van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen moeten gemeenten rekening houden met de regels uit de Omgevingsverordening.

Voor Horst aan de Maas zijn ten aanzien van de volgende onderwerpen regels opgenomen die een doorvertaling behoeven in het nieuwe bestemmingsplan:

  • Milieubeschermingsgebieden;
  • Grondwaterbeschermingsgebieden:
  • Waterwingebieden;
  • Grondwaterbeschermingsgebieden;
  • Venloschol (boringsvrije zone);
  • Stiltegebieden;
  • Water;
  • Ontgrondingen;
  • Ruimte:
  • Intensieve veehouderij;
  • Glastuinbouw;
  • Reserveringszones langs provinciale wegen;
  • Goudgroene natuurzone en Zone natuurbeken;
  • Bronsgroene landschapszone;
  • Uitsluitingsgebied windturbines;
  • Duurzame verstedelijking;
  • Bewoning van recreatieverblijven;
  • Veehouderijen en Natura 2000.

Voor zover de hiervoor genoemde onderwerpen daartoe aanleiding geven, is een doorvertaling in het bestemmingsplan nodig. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld dubbelbestemmingen of aanduidingen worden opgenomen voor sommige gronden om ervoor te zorgen dat de bepalingen uit de Omgevingsverordening daar van toepassing zijn. In hoofdstuk 4 is aangegeven op welke wijze hieraan vorm is gegeven.

Provinciale Woonvisie 2010-2015 (2011)

In deze provinciale woonvisie staat beschreven hoe de woningvoorraadontwikkeling de komende jaren vorm gegeven zou kunnen worden, welke rollen en taken de Provincie daarbij kan en wil vervullen en hoe de Provincie deze ambities tracht te realiseren. Daartoe is de provincie opgedeeld in een aantal regio's. Gemeente Horst aan de Maas valt binnen de regio 'Venray e.o.'.

Kwalitatieve opgave

Venray vervult in deze regio de rol van stedelijke centrumgemeente met een bovenregionale functie en Horst aan de Maas is een landelijke gemeente met een regionale centrumfunctie. Er is sterk ingezet op een kwaliteitsslag voor diverse doelgroepen. Het streven is dat een evenwichtige bevolkingsopbouw wordt bereikt door te voorzien in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve woonbehoefte van de diverse bevolkingsgroepen.

Kwantitatieve opgave

De gemeente Venray heeft middels een woningbehoefte onderzoek de vraag naar de juiste kwaliteiten in beeld gebracht. Op basis hiervan zal verder beleid ontwikkeld worden.

Het beleid van de Provinciale Woonvisie 2010-2015 heeft hoofdzakelijk betrekking op het stedelijk gebied en niet zozeer op het landelijke gebied. In het kader van onderhavig bestemmingsplan is een doorvertaling dan ook niet nodig. Wel moet in overleg met de provincie Limburg worden bekeken of de afwijkingsbevoegdheden, zoals bijvoorbeeld ten behoeve van plattelandswoningen, geen verstoring kunnen opleveren van de opgaven die in de provinciale woonvisie zijn neergelegd.

3.5 Regionaal beleid

Waterbeheerplan 2016-2021 (2014)

In het waterbeheerplan leggen de waterschappen 'Peel en Maasvallei' en 'Roer en Overmond' (per 1 januari 2017 samengegaan in 'Waterschap Limburg') vast hoe ze toekomstbestendig waterbeheer in Limburg willen regelen. De Limburgse waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas gaan vanaf 2017 samen verder als Waterschap Limburg. Aangezien de planperiode loopt van 2016 - 2021, is er sprake van een overgangsjaar. Desondanks wordt in dit plan overal uitgegaan van één waterschap. Op 16 december 2014 is het waterbeheerplan vastgesteld door de Dagelijkse Besturen.

Hoogwaterbescherming Maas

Bescherming van inwoners en bedrijven tegen overstromingen, schade en slachtoffers door Maas hoogwater is één van de kerntaken van het waterschap. Klimaatverandering leidt tot hogere afvoeren van de Maas. Daarnaast worden de veiligheidsnormen voor bescherming tegen overstromingen aangescherpt. Dat vraagt een pro-actieve houding op regionaal en (inter)nationaal niveau en daadkracht bij het versterken van dijken. De landelijke voorschriften zijn de leidraad in de realisatie van hoogwaterbescherming. Nationaal wordt hoogwaterbescherming ingericht conform het model van meerlaagsveiligheid met drie lagen; preventie (laag 1), gevolgbeperkende maatregelen (laag 2) en rampenbeheersing en evacuatie (laag 3). Het waterschap werkt hierin nauw samen met partners in binnen- en buitenland.

Regionaal watersysteem

Het waterschap is samen met partners verantwoordelijk voor het waterbeheer in Limburg. Concreet betekent dit:

  • Bescherming tegen wateroverlast uit beken en regenwaterbuffers.
  • Voldoende zoetwater.
  • Voldoende waterkwaliteit van beken, plassen en vennen, zowel chemisch als ecologisch.

Daarbij wordt gekeken naar de functie die water vervult in een bepaald gebied en wat dat betekent voor waterkwaliteit en - kwantiteit. Hierbij wordt nauw samengewerkt met partners in de regio. Zo komt het waterschap tot voldoende schoon water en droge voeten voor inwoners en bedrijven in Limburg.

Zuiveren en waterketen

Het transport en zuiveren van afvalwater is één van de kerntaken van het waterschap. Hiervoor beheert het waterschap 17 rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's) in Limburg. Samenwerking met partners in de regio moet de komende jaren leiden tot grotere doelmatigheid in de (afval)waterketen en daarmee tot lagere maatschappelijke kosten. Hierbij richt het waterschap eerst op de afvalwaterketen met gemeenten en daarna op de gehele waterketen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0022.png"

Afbeelding - Maatregelenkaart

Het beleid vanuit het Waterbeheerplan is voor zover mogelijk doorvertaald in onderhavig bestemmingsplan. Door middel van de watertoets wordt het waterschap in een vroeg stadium betrokken bij de planvorming, namelijk door het plan al vanaf de conceptfase samen te bespreken.

Project Maasgaard (2013)

De kwaliteit van het buitengebied van Horst aan de Maas en Venray wordt verbeterd en de recreatiefuncties versterkt. Hiervoor werken de gemeente Horst aan de Maas, gemeente Venray, Provincie Limburg en Waterschap Peel en Maasvallei actief samen in het uitvoeringsprogramma Maasgaard. De Maasgaard bestaat uit verschillende 13 projecten. Door samen te werken kan meer worden bereikt en worden verschillende doelstellingen met elkaar gecombineerd. Hierdoor worden bestaande én nieuwe plannen gerealiseerd, die een partij alleen vaak niet had kunnen uitvoeren.

Door de vereende kracht van Maasgaard zijn de partners in staat de plannen versneld en kostenbesparend uit te voeren. Voor de robuuste natuurontwikkeling- en recreatieprojecten is de komende jaren € 18 miljoen beschikbaar gesteld. In 2020 - met een mogelijke uitloop van 2 jaar - moeten alle Maasgaard projecten klaar zijn. De mensen in de streek en recreanten zijn dan een mooi groen buitengebied rijker, met oog voor landbouw, natuur en water.

Voor de Maasgaard hebben de 4 partijen een visie en uitvoeringsprogramma opgesteld, waarin zij aangeven op welke plekken zij willen investeren in groen, water, toerisme en recreatie, en ook waar zij dat niet doen. In tijden van schaarste in middelen moeten er immers keuzes gemaakt worden. Door groen en water duidelijk te begrenzen, weet ook de landbouw beter waar zij aan toe is. De partijen voorzien een betere situatie voor de landbouw, omdat nu gezamenlijk de ambities voor natuurontwikkeling bepaald worden, zowel in omvang als in plaats. Het programma wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Stuurgroep Maasgaard.

Doelen

  • Verbeteren van de kwaliteit van het buitengebied in Horst aan de Maas én Venray.
  • Ontwikkeling van een robuuste groen blauwe structuur (natuur en water) met ruimte voor recreatie.
  • Meer bereiken door samenwerking.
  • Meerdere gebiedsdoelen combineren plannen realiseren.
  • Voor 2020 gereed.

De 13 projecten hebben niet alleen betrekking op het grondgebied van Horst aan de Maas. Projecten die dat in ieder geval wel hebben zijn onder andere de herinrichting van een deel van de Groote Molenbeek, het optimaliseren van recreatieve verbindingen (o.a. door middel van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum) en beekherstel bij de monding van de Broekhuizerbeek in de Maas.

Aangezien de projecten van Maasgaard ontwikkelingsgericht zijn en onderhavig bestemmingsplan juist conserverend van aard is, zijn de projecten in beginsel niet opgenomen in dit bestemmingsplan. Het is echter goed om te weten dat er ontwikkelingen spelen die de kwaliteit van het buitengebied versterken en dat - waar mogelijk - nu alvast wordt voorgesorteerd in regelingen en het leggen van bestemmingen.

Regionale Uitwerking Landelijk Gebied POL (2015)

In de Regionale Uitwerking Landelijk Gebied POL worden de volgende thema's nader uitgewerkt:

  • 1. Dynamisch voorraadbeheer (waaronder terugbrengen ontwikkelingsgebieden IV en glas);
  • 2. Strategie voorkoming van leegstand en afwegingen hergebruik van agrarisch vastgoed (plancapaciteit);
  • 3. Verduurzaming en ontwikkelmogelijkheden bestaande bedrijven (waaronder het 'schone Stal'-principe);
  • 4. Strategie voor revitalisering (ontwikkelingsgebieden) tuinbouw (afstemming Versnellingsagenda Tuinbouw);
  • 5. Mestverwerking in de regio;
  • 6. Biobased economy;
  • 7. Mogelijkheden voor agglomeratielandbouw (afstemmen met visie Werklocaties, nieuwe en doorontwikkeling);
  • 8. Recreatie en toerisme, landschap, natuur en water (resterende thema's: hoe om te gaan met mantelzorg, bed & breakfast en toepassing van de duurzaamheidsladder).

Aangezien deze regionale uitwerking nog niet definitief was ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan, is deze visie nog niet nader verwerkt. Gedurende de gehele periode van opstellen van het bestemmingsplan zal nadere aandacht uitgaan naar het afstemmen tussen deze regionale uitwerking en de regelingen.

3.6 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Horst aan de Maas (2015)

Dit betreft een integrale structuurvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. De structuurvisie geeft een integraal beeld van de ruimtelijke en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen die de gemeente op haar grondgebied voor ogen staat voor de langere termijn. Verder is de integrale structuurvisie opgesteld om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid tot het plegen van kostenverhaal dat de nieuwe Wet ruimtelijke ordening biedt. De structuurvisie bestaat uit een beleidskader en een uitvoeringsparagraaf waarin het Limburgs KwaliteitsMenu (LKM) wordt geïmplementeerd in een Gemeentelijk KwaliteitsMenu (GKM) en is op 9 april 2013 vastgesteld door de gemeenteraad.

De eerste evaluatie van de werking van de structuurvisie heeft inmiddels plaatsgevonden. De aangepaste structuurvisie is vastgesteld op 22 september 2015.

Structuurvisie Klavertje 4-gebied

Op 11 september 2012 is de intergemeentelijke Structuurvisie Klavertje 4-gebied vastgesteld. Het Rijk, de provincie Limburg en de gemeenten Horst aan de Maas, Peel en Maas en Venlo hebben de ambitie een duurzame regionale ruimtelijk-economische structuurversterking te realiseren, geïnspireerd door de Cradle2Cradle (C2C)-principes. Hier wordt invulling aan gegeven door een duurzaam en innovatief economisch netwerk te ontwikkelen, dat geografisch is verankerd in het Klavertje 4-gebied. Waardecreatie is het uitgangspunt, door te streven naar kwaliteit (gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde), het bieden van een economisch perspectief voor bedrijven en het behalen van een maatschappelijk rendement. Daarnaast is het streven gericht op optimale kennisontwikkeling, innovatie en het behalen van gezamenlijk (economisch) voordeel door samenwerking tussen bedrijven. Om het voorgaande een plek te geven is het Klavertje 4-gebied aangewezen als ontwikkelingsgebied voor de agrarische productiekolom, waar werklandschappen, vastgoed, gebiedsbrede voorzieningen en een hoogwaardig landschap worden ontwikkeld.

Bij het toestaan van ontwikkelingen in het buitengebied is met de Structuurvisie Klavertje 4-gebied rekening gehouden.

Landschapsontwikkelingsplan (2011)

Het landschap en de dynamiek van de functies vormen het uitgangspunt voor de ontwikkeling van het landschap. De gemeente streeft naar zo hoog mogelijke basiskwaliteit voor het landschap, dit kan worden bereikt door in:

  • Gebieden met een hoge waarden waar weinig veranderingen zijn te verwachten, te werken aan behoud van de hoge kwaliteit;
  • Gebieden met een minder hoge waarde te werken aan versterkingen;
  • Gebieden waarin veranderingen zijn voorzien kwalitatieve landschappelijke kaders te definiëren;
  • Gebieden waarin veranderingen zijn voorzien met een vergroot risico op kwaliteitsverlies te werken aan heldere kaders voor behoud van de kwaliteit.

De gemeente Horst aan de Maas kent een groot bereik aan imposante landschappen (hoogveengebied, zandgrondengebied, rivierdalengebied) met vele hoogtepunten (parels), maar ook risicodragende ontwikkelingen. De ontwikkelingen in de agrarische sector vragen om grote innovatieve stappen om voldoende economische draagkracht te kunnen behouden. Deze ontwikkelingen moeten worden gestuurd door een robuust netwerk van meetbare landschappelijke kaders opgezet vanuit de vijf dragers:

  • 1. Veen;
  • 2. Peelbossen;
  • 3. Beek;
  • 4. Bos- en mozaïeklandschap;
  • 5. Rivier.

In het LOP zijn hiervoor gebiedsstrategieën opgenomen. Zo worden de kenmerken van de verschillende gebieden opgesomd, is aangegeven wat de toetsingselementen zijn en wat de landschapsontwikkelingsvoorwaarden zijn. Deze gebiedsstrategieën verdienen een doorvertaling in het bestemmingsplan.

Beleidsnotitie Teeltondersteunende Voorzieningen (concept)

Bovenstaande beleidsnotitie maakt onderscheid in hoge en lage voorzieningen, en het maakt onderscheid in permanente en tijdelijke voorzieningen. Er wordt meer ruimte geboden voor teeltondersteunende voorzieningen aangezien hier veel vraag naar is. De provincie haar beleid over dit onderwerp ingetrokken. Het concept van deze nota is nu al verwerkt, maar is nog niet vastgesteld door de raad. Het beleid hierover, zoals opgenomen in het bestemmingsplan, kan daarom nog aan verandering onderhevig zijn.

Welstandsnota (2012)

De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 een nieuwe welstandsnota opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheidt twee niveaus van welstand: 'normaal' en 'streng'. Voor het buitengebied geldt overwegend het niveau 'normaal'. Vergunningaanvragen op basis van dit bestemmingsplan moeten voldoen aan de eisen uit de welstandsnota.

Beleidslijn Groter bouwen in het buitengebied (2014)

Dit beleidsstuk heeft betrekking op nieuw te bouwen woningen in het buitengebied, of bestaande burgerwoningen in het buitengebied, die worden uitgebreid naar een inhoud, die de maatvoering van het bestemmingsplan Buitengebied van Horst aan de Maas overstijgen. Het beleidsstuk is in 2011 opgesteld, maar in 2014 heeft een actualisatie plaatsgevonden om bepaalde regelingen nader uit te werken door middel van de 'Maatwerknotitie bijgebouwen in het buitengebied'. In de Beleidslijn Groter bouwen in het buitengebied zijn zes uitgangspunten geformuleerd voor grotere nieuwbouw van woningen, of uitbreiding van woningen. Het gaat in het kort om de volgende zes uitgangspunten:

  • 1. Omvang kavel
    Bij nieuwbouw van woningen in het buitengebied is minimaal sprake van een kavel van 1.500 m² oppervlakte;
  • 2. Kwaliteit en omvang hoofdgebouw
    Het hoofdgebouw mag zonder extra compenserende maatregelen maximaal 1.300 m³ groot zijn;
  • 3. Kwaliteit bouwwerken
    Bijbehorende bouwwerken zijn niet wenselijk bij een hoofdgebouw met een omvang van 1.300 m³ groot, tenzij een ruimtelijke tegenprestatie wordt geleverd;
  • 4. Tegenprestatie uitbreiding hoofdgebouw boven de 1.000 m³
    Voor de extra omvang van de bebouwing dient een sloopverhouding van 1:3 m² aan bebouwing uit het buitengebied te verdwijnen.
  • 5. Tegenprestatie bijbehorende bouwwerken
    Wanneer initiatiefnemers toch bijbehorende bouwwerken willen realiseren bij een hoofdgebouw van 1.300 m³, dan geldt een verhouding van 1:3 in m² aan bebouwing gesloopt moet worden. Op de plek waar de bebouwing gesloopt wordt, wordt een aanduiding op de verbeelding opgenomen, zodat ter plekke in de toekomst niet opnieuw gebouwd kan worden. Bestaande woningen in het buitengebied die meer bijgebouwen wensen dan die mogelijkheden die het bestemmingsplan nu biedt, kunnen ook gebruik maken van deze regeling.
  • 6. Kwaliteit van de kavel
    Naast de kwaliteit van de bebouwing is ook de kwaliteit van het erf van groot belang. Bij elk initiatief moet daarom een landschappelijk inrichtingsplan worden aangeleverd.

In de 'Maatwerknotitie bijgebouwen in het buitengebied' zijn hierop de volgende aanvullingen gedaan:

  • 1. Maximum aantal m² bebouwing
    Bijgebouwen tot maximaal 150 m² zijn zonder meer toegestaan (ook bij (bedrijfs-)woningen met een omvang van 1.300 m³ of groter). Voor een initiatiefnemer die meer dan 150 m² aan bijgebouwen wil hebben, geldt:
  • a. Maximaal 600 m² is toegestaan, mits op het moment van de aanvraag reeds 600 m² of meer bebouwing legaal aanwezig is op hetzelfde perceel;
  • b. Hetgeen gesloopt wordt of kan worden mag voor 1/3 worden ingezet. Hierover wordt geen bijdrage gerekend;
  • c. Wanneer meer wordt teruggebouwd of wordt behouden dan 1/3 van het gesloopte geldt een bijdrage van € 45,- per m².
  • 2. Enkel bestaand en legaal en op eigen perceel
    De 600 m² geldt voor het totaal aantal bijgebouwen op hetzelfde perceel. Voor sloop elders voorziet de Integrale Structuurvisie in een sloopvergoeding. Bovendien kan enkel wat legaal is en bestaand is worden ingezet. Bouwwerken die eerder zijn gesloopt, zonder specifieke afspraak, kunnen in principe niet alsnog worden ingezet, met uitzondering van hetgeen hierna is uitgewerkt;
  • 3. Sloop in het verleden
    Eerder gesloopte bebouwing kan worden meegenomen in de bepaling van het maximaal toegestane aantal m² bijgebouwen onder de volgende voorwaarden:
  • a. De gesloopte bebouwing door dezelfde eigenaar uitgevoerd als de aanvragen en
  • b. De sloop heeft aantoonbaar niet langer dan 5 jaar geleden plaatsgevonden en
  • c. Het gesloopte telt enkel mee voor de berekening van het aantal m² dat (terug)gebouwd mag worden. Dit wil zeggen dat voor de bijdrage aansluiting wordt gezocht bij de bestaande bebouwing.

Het geactualiseerde Beleid groter bouwen in het buitengebied wordt, voor zover mogelijk, rechtstreeks doorvertaald in dit bestemmingsplan. Dat wil zeggen dat de voorwaarden uit het beleid worden opgenomen als voorwaarden in een wijzigingsbevoegdheid, waarmee het beleid binnenplans wordt uitgevoerd. De nieuwvestiging van woningen is echter niet mogelijk gemaakt met dit bestemmingsplan. Om die reden worden voorwaarden die daarop betrekking hebben niet doorvertaald.

VAB-beleid (2014)

VAB staat voor 'vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing'. Dit zijn voormalig agrarische gebouwen, binnen een agrarische bouwkavel, die niet meer als zodanig in gebruik zijn. Ervaringen uit het verleden leren ons, dat gebouwen zelden op initiatief van de eigenaren gesloopt wordt. Om te voorkomen, dat deze gebouwen verloederen en verpauperen, worden er voor deze locaties ruimere hergebruik mogelijkheden en bebouwingsmogelijkheden geboden. Dit is mogelijk met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid (wanneer het nieuwe initiatief past binnen de wijzigingsmogelijkheden van het bestemmingsplan), of het opstellen van een nieuw bestemmingsplan. Het uitgangspunt is dat er geen belemmeringen ontstaan voor de bestaande (agrarische) bedrijven.

Onder vrijkomende agrarische bebouwing vallen geen voormalige kassen, of de bijbehorende bebouwing, omdat hiervoor een aparte regeling geldt. Het VAB-beleid is alleen van toepassing voor die locaties met een agrarische bouwkavel/bestemming, waar ook een bedrijfswoning aanwezig is. Omdat de bedrijfswoning binnen de nieuwe bestemming, zoals een bedrijfsbestemming, een bedrijfswoning blijft, blijft er een koppeling tussen de woning en de nieuwe functie. Dat betekent dat degene die het bedrijf heeft, ook in de woning woont.

Wanneer een VAB-locatie verkocht wordt aan een burger, kan er ook gebruik gemaakt worden van de VAB-regeling. Het gaat immers om kwaliteitswinst, dus het maakt ruimtelijk gezien niet uit wie (huidige eigenaar of nieuwe eigenaar) er zorgt voor de kwaliteitsverbetering.

Burgerwoningen

In het buitengebied zijn diverse locaties met een woonbestemming waar, vanwege een eerdere functie/ bestemming, veel opstallen aanwezig zijn. Bijvoorbeeld als er een agrarische, horeca- of recreatiebestemming aanwezig was. Deze woningen kunnen ook gebruik maken van deze VAB-regeling. Het doel is immers het verbeteren van de kwaliteit van het buitengebied.

Niet-agrarische bedrijven

Het is ook mogelijk om, onder voorwaarden niet-agrarische bedrijven te vestigen in vrijkomende agrarische bebouwing. De voorwaarden hebben onder andere betrekking op het intrekken van de geldende milieuvergunning en het niet mogen belemmeren van nabij gelegen agrarische bedrijven.

Herbouw van vrijkomende agrarische bebouwing

Volgens het beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing dat in het verleden werd gevoerd, was het alleen toegestaan om de bestaande bebouwing te hergebruiken. Het probleem daarbij was dat bestaande bebouwing vaak in een slechte staat is, te laag voor de beoogde activiteit en er niet representatief uitziet, waardoor hergebruik van de gebouwen moeilijk wordt. Het opnieuw oprichten van gebouwen, was tot dusver niet mogelijk, waardoor de 'lelijke' gebouwen bleven staan. Dit droeg bij aan de verrommeling van het buitengebied.

Het beoogde resultaat bij het mogelijk maken van herbouw is, dat er substantiële kwaliteitsverbetering plaatsvindt door afname van bebouwing (rood) in het buitengebied. Om deze beweging op gang te brengen wordt het, middels deze beleidsnotitie, mogelijk gemaakt om bij afbraak van gebouwen een nieuw gebouw terug te bouwen. Als gebouwen in het verleden al afgebroken zijn, is het niet meer mogelijk om alsnog aanspraak te maken op deze VAB-regeling, tenzij onder de voorwaarden zoals in voorgaande paragraaf reeds genoemd.

Om gebruik te maken van de mogelijkheid om gebouwen te herbouwen, moet voldaan worden aan diverse voorwaarden. Zo is buitenopslag niet toegestaan en mag de nieuwe functie geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben.

Het VAB-beleid is oorspronkelijk in 2011 opgesteld, maar in 2014 geactualiseerd middels de 'Maatwerknotitie bijgebouwen in het buitengebied'. De geactualiseerde regeling is in de voorgaande paragraaf omschreven en op zowel het Beleid groter bouwen in het buitengebied als het VAB-beleid van toepassing. Het geactualiseerde beleid wordt voor zover mogelijk doorvertaald in dit bestemmingsplan. Dat wil zeggen dat de voorwaarden uit het (geactualiseerde) VAB-beleid worden opgenomen als voorwaarden in een wijzigingsbevoegdheid, waarmee het beleid binnenplans wordt uitgevoerd. Het toestaan van meer dan 600 m² aan bijgebouwen wordt echter niet doorvertaald in dit bestemmingsplan. Dit vraagt namelijk om maatwerk en zal daarom buitenplans per geval moeten worden bekeken.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het VAB-beleid ook onderdeel uitmaakt van de Regionale Uitwerking Landelijk Gebied POL. Voor zover dit leidt tot verandering van het huidige gemeentelijke beleid, zal het nieuwe beleid worden doorvertaald in dit bestemmingsplan. Vooralsnog is echter uitgegaan van het geldende gemeentelijke beleid.  

Maatwerknotitie bijgebouwen in het buitengebied (2014)

Het beleid inzake vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) en Groter Bouwen, zoals ook opgenomen in de integrale structuurvisie, bevat voor de praktijk enkele onduidelijkheden. Deze onduidelijkheden hebben met name betrekking op de bijgebouwen. Daarnaast zijn er in de geldende bestemmingsplannen verschillen in regelingen. Om die reden is een maatwerknotitie voor bijgebouwen in het buitengebied opgesteld. In de maatwerknotitie is onder andere geregeld dat het (onder voorwaarden) altijd is toegestaan om bijgebouwen op te richten met een oppervlakte van maximaal 150 m², zonder afdracht en zonder sloop en dat bijgebouwen behouden mogen blijven tot een maximale oppervlakte van 600 m². Dit moet echter van geval tot geval beoordeeld worden en vraagt om maatwerk. Om die reden is alleen generiek een maximale oppervlakte van 150 m² aan bijgebouwen toegestaan, tenzij de bestaande, legaal tot stand gekomen bijgebouwen deze oppervlakte overschrijden. In dat geval is die oppervlaktemaat toegestaan.

Beleid permanente bewoning recreatiewoningen (2012)

In 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders zich uitgelaten over permanente bewoning van recreatiewoningen. Kwalitatieve verblijfsrecreatie en leefbaarheid van de kernen zijn speerpunten in het beleid van de gemeente Horst aan de Maas. Om deze functies te kunnen behouden wordt het permanent bewonen van recreatiewoningen niet toestaan.

Een uitzondering vormen de situaties die in het verleden zijn ontstaan. Mensen die sinds 2003 onafgebroken in een recreatiewoning wonen, kunnen in aanmerking komen voor een persoonlijke gedoogconstructie, mits wordt voldaan aan diverse eisen vanuit onder andere de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer. In dit bestemmingsplan wordt bewoning van recreatiewoningen in beginsel uitgesloten.

Beleidskader plattelandswoningen (2013)

Een plattelandswoning is een (voormalige) agrarische bedrijfswoning die tevens door derden mag worden bewoond, zonder dat er sprake is van een functionele binding met het bijbehorende agrarische bedrijf. De gemeente Horst aan de Maas wil positief omgaan met de mogelijkheid om plattelandswoningen toe te staan. Op 19 maart 2013 is daarom door het Beleidskader plattelandswoningen vastgesteld college. Na verloop van tijd bleek dit beleid onvoldoende aan te sluiten bij de vragen vanuit de praktijk. Op 17 december 2013 is vervolgens een tweede versie van het Beleidskader plattelandswoningen vastgesteld, met daarin ruimere mogelijkheden. Hiermee bestaat de mogelijkheid om plattelandswoningen toe te staan, buiten de geldende bestemmingsplannen om.

Aangezien een vertaling van dit beleid in het bestemmingsplan ervoor zorgt dat de regeldruk vermindert en leidt tot kortere proceduretijden en lagere legeskosten, is een deel van dit beleid opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Dit betekent dat de mogelijkheden om (voormalige) agrarische bedrijfswoningen als plattelandswoningen toe te staan door middel van een afwijkingsmogelijkheid wordt geboden.

Opgemerkt wordt dat uit jurisprudentie (Afdeling Bestuursrecht Raad van State d.d. 21 mei 2014) is gebleken dat er geen sprake hoeft te zijn van een agrarische bestemming, maar dat bijvoorbeeld ook bij een manege plattelandswoningen zijn toegestaan. Het criterium is dat er sprake moet zijn van een landbouwinrichting. Het bedrijfsmatig houden van paarden valt in het geval van de wet samen met het zijn van een landbouwinrichting.  

Voor bedrijfswoningen die niet behoren of voorheen behoorden tot een landbouwinrichting worden in dit bestemmingsplan geen mogelijkheden geboden. Dat betekent dat het gebruik van dergelijke (voormalige) bedrijfswoningen als plattelandswoning niet zijn toegestaan met dit bestemmingsplan.

Beleidsregel planologische kruimelgevallen (2013)

Verzoeken voor ruimtelijke ontwikkelingen (bouwplannen of gebruikswijzigingen) worden getoetst aan bestemmingsplannen. Wanneer een ontwikkeling niet past, biedt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) uitkomst om af te wijken van het bestemmingsplan. In de praktijk is gebleken dat veel aanvragen om van het bestemmingsplan af te wijken eigenlijk zonder meer kunnen worden toegestaan. Om die reden is 23 april 2013 de Beleidsregel planologische kruimelgevallen vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. In nieuwe bestemmingsplannen worden de zogenaamde 'kruimelgevallen' direct toegestaan. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het bouwen van een garage bij een woning. In veel bestemmingsplannen is dat alleen mogelijk wanneer deze op minimaal 3 m achter de voorgevel van de woning wordt gebouwd. In de praktijk blijkt dat bouwen van een garage op 1 m achter de voorgevel eigenlijk nooit tot problemen leidt.

In de Beleidsregel zijn diverse van zulke kruimelgevallen geformuleerd, om zo zonder problemen te kunnen afwijken van bestaande bestemmingsplannen die nog niet aan vervanging toe zijn. Aangezien onderhavig plan een nieuw bestemmingsplan betreft, zijn de regels uit de Beleidsregel integraal opgenomen in de planregels. Dat betekent dat het kruimelgevallenbeleid rechtstreeks is doorvertaald in onderhavig bestemmingsplan, waardoor geen gebruik hoeft te worden gemaakt van afwijkingsmogelijkheden uit de Wabo. Een nieuwe beleidsregel planologische kruimelgevallen wordt echter voorbereid.

Beleidslijn Arbeidsmigranten (2013)

De gemeente heeft als uitgangspunt om de kwaliteit van de huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten goed te regelen. Deze kwalitatieve uitgangspunten zijn vastgelegd in het 'Beleidskader Huisvesting Arbeidsmigranten Gemeente Horst aan de Maas 2010'. Sinds de vaststelling van het beleidskader kan de huisvesting onder voorwaarden gelegaliseerd worden. Uit een analyse is gebleken dat de huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten in Horst aan de Maas toch in veel gevallen in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Of er is geen vergunning voor het realiseren en/of het gebruik van de huisvesting moet worden aangevraagd. Een van de redenen waarom huisvesters nog geen gebruik maakten van de mogelijkheid om huisvesting te legaliseren is dat het beleidskader niet was vertaald in juridisch planologische regels.

Op 25 juni 2013 heeft de gemeenteraad daarom het bestemmingsplan 'Huisvesting arbeidsmigranten' vastgesteld. Dit is een parapluplan, wat betekent dat het bestemmingsplan over alle andere bestaande plannen heen is gelegd en op die manier is doorvertaald in alle bestaande bestemmingsplannen. Om die reden is een doorvertaling in het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied ook nodig, zodat de regeling ook daarin is opgenomen. Het betreft regelingen voor de huisvesting van arbeidsmigranten:

  • in reguliere woningen;
  • in bestaande complexen;
  • in nieuw te bouwen gebouwen;
  • in (nieuw)bouw in of bij een bestaand agrarisch bedrijf.

De verschillende regelingen, evenals de herziening van het bestemmingsplan 'Huisvesting arbeidsmigranten' welke op 16 december 2014 is vastgesteld, ten aanzien van arbeidsmigranten zijn dan ook rechtstreeks opgenomen in dit bestemmingsplan.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de provincie haar Omgevingsverordening 2014 eind 2016 heeft herzien, waardoor onder andere op het gebied van de huisvesting van arbeidsmigranten op recreatieterreinen niet meer mogelijk is, tenzij het bestaande huisvesting betreft. De huisvesting van arbeidsmigranten op recreatieterreinen wordt ondanks het gemeentelijke beleid op dit onderdeel daarom niet meer in dit bestemmingsplan opgenomen.

Visie (verblijfs)recreatie en horeca Horst aan de Maas (2011)

De gemeente Horst aan de Maas wil zich met deze visie richten op een divers en kwalitatief hoogwaardig aanbod op het gebied van toerisme, recreatie en horeca. Belangrijke uitgangspunten zijn:

  • Verantwoord (door)ontwikkelen van bestaande horeca- en recreatiebedrijven en
  • Nieuwe initiatieven zijn onderscheidend en vernieuwend.

Het landelijk gebied heeft veel gebruikers en wordt op sommige plaatsen beschermd om te voorkomen dat conflicterende functies elkaar belemmeren. Daarom is gekozen voor een zonering ter bescherming van kwetsbare functies en waarden. Bepaalde gebieden zijn bijvoorbeeld geschikter voor verblijfsrecreatie en anderen juist meer voor landbouw, weer andere gebieden met bijzondere natuurlijke waarden worden beschermd tegen aantasting. De deelgebieden zijn gelijk aan de deelgebieden zoals opgenomen in de integrale structuurvisie.

Aangezien de visie hoofdzakelijk is gericht op ontwikkelingen, is deze minder van toepassing op het bestemmingsplan buitengebied, dat conserverend van aard is. Nieuwe initiatieven zullen naast het bestemmingsplan dan ook getoetst blijven worden aan deze visie. Wel wordt gekeken of een doorvertaling kan plaatsvinden door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden ten aanzien van bijvoorbeeld nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven.

Actualisatie Horecabeleid (concept)

Begin 2016 is de Visie (verblijfs)recreatie en horeca Horst aan de Maas geactualiseerd op het punt van horeca. Geconstateerd is dat er een aantal aandachtspunten en ongewenste gevolgen zijn van de visie op het onderwerp horeca. Daarom worden voorstellen geformuleerd om de visie te herzien.

In dat kader is onder andere gekeken naar de definitie van kleinschalige horeca en is onderscheid gemaakt in horeca als nevenactiviteit bij dagrecreatie en horeca als nevenactiviteit bij verblijfsrecreatie.

Het concept van deze nota is nu al verwerkt, maar is nog niet vastgesteld door de raad. Het beleid hierover, zoals opgenomen in het bestemmingsplan, kan daarom nog aan verandering onderhevig zijn.

Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (2013)

Het GVVP is een doorvertaling van de GVVP's van de drie voormalige gemeenten: Meerlo-Wanssum, Horst aan de Maas en Sevenum. Belangrijk vanuit het GVVP voor dit bestemmingsplan is de categorisering van wegen, zoals in het verleden in de drie GVVP's al is vastgelegd. De wegcategoriseringsplannen waren echter nog niet op elkaar afgestemd. Eenduidige doorvoering van de wegcategorisering sluit aan bij de pijlers van de landelijke Duurzaam Veilig visie. Eén van de pijlers van Duurzaam Veilig is het principe van 'functionaliteit'. Dit houdt in dat iedere weg is ontworpen voor een specifieke functie, waarbij het gewenst is dat de functie die aan een weg wordt toegekend ook in overeenstemming is met het werkelijke gebruik van de weg. De hoeveelheid verkeer en de snelheid van het verkeer moet passend zijn bij de functie van de weg.

In de landelijk vastgestelde Duurzaam Veilig richtlijnen zijn de volgende wegcategorieën opgenomen:

  • stroomwegen: wegen met een primaire verkeersfunctie, bedoeld voor een zo veel mogelijk conflictvrije afwikkeling van gemotoriseerd verkeer (A67 en A73);
  • gebiedsontsluitingswegen: zorgen voor hoofdontsluitingen en laten zich kenmerken door vlotte doorstroming binnen de gemeente en naar omliggende gebieden. De maximumsnelheid is 50 of 80 km/uur en er zijn vrijliggende fietsvoorzieningen (bijv. Venrayseweg en Stationsstraat);
  • erftoegangswegen: duidelijk rustigere wegen (30/60 km/uur) met een menging van verkeerssoorten en dienen voor de bereikbaarheid van erven/woningen (bijv. Molenveldweg en Vijverlaan).

Als aanvulling op deze landelijk vastgestelde wegcategorieën voegt de gemeente Horst aan de Maas binnen de bebouwde kom de zogenaamde buurtontsluitingsweg toe.

  • buurtontsluitingswegen: de belangrijkste functie is om net als een gebiedsontsluitingsweg te zorgen voor een goede en vlotte verkeersdoorstroming maar daarnaast is de verblijfsfunctie nadrukkelijk aanwezig. De maximumsnelheid is 50 km/uur met formele rode fiets(suggestie)stroken, plateaus en zebrapaden (bijv. Westsingel en Doolgaardstraat).

Om de wegcategorisering van de gemeente te completeren moeten nog verblijfsgebieden buiten de bebouwde kom worden ingericht (ETW type 2, 60 km/uur-zones). In deze gebieden dient de maximumsnelheid (en daarmee tevens de weginrichting) nog aangepast te worden aan de wegcategorisering.

Het streven is om de wegcategorisering aan te laten sluiten bij de buurgemeenten zodat op de gemeentegrens geen snelheidsverschil optreedt. Hierover vindt separaat of via het Regionaal Mobiliteits Overleg (RMO) afstemming plaats.

Hoewel de indeling van wegcategorieën deels ruimtelijk relevant is voor het bestemmingsplan (voor wat betreft het aantal rijstroken), zijn deze categorieën niet verder doorvertaald in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet namelijk niet in een uitbreiding van het aantal rijstroken, maar staat enkel het bestaande aantal rijstroken toe.

Nota Parkeernormen 2016

In december 2016 is deze nota vastgesteld. Daarin is een uniform toetsingskader aangegeven voor het beoordelen van parkeervraagstukken in de gemeente. Daarbij is onderscheid gemaakt in parkeernormen per type gebied. Ook voor de gronden buiten de bebouwde kom zijn parkeernormen geformuleerd voor verschillende functies.

Bij de inwerkingtreding van het Besluit Quick Wins op 1 november 2014 is ook artikel 3.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangepast. Geregeld is dat ‘ten behoeve van de goede ruimtelijke ordening in een bestemmingsplan regels kunnen worden opgenomen, waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels’. Hiermee is het mogelijk gemaakt om een regeling voor het parkeren in bestemmingsplannen op te nemen, zonder parkeernormen concreet vast te leggen en ook om te kunnen blijven werken met een parkeerfonds.

Hierbij bestaat dus de mogelijkheid om in het bestemmingsplan concrete normen op te nemen, maar juist vanwege dit nieuwe artikel in het Bro is dat niet nodig. Het is voldoende ‘dat er in het bestemmingsplan in de regels wordt opgenomen dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden ten behoeve van de nieuwe functie’. Voor de concrete invulling hiervan wordt vervolgens verwezen naar de gemeentelijke Nota Parkeernormen.

Op deze wijze zijn ook de parkeernormen indirect verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan.

Archeologiebeleid Horst aan de Maas (2015)

In verband met Europese en nationale regelgeving ten aanzien van ruimtelijk beleid zijn kaders aangegeven voor archeologisch beleid. Dat is noodzakelijk omdat archeologische sporen eenmalig zijn. Worden ze verstoord, dan is de samenhang van het bodemarchief vernietigd en niet meer te documenteren. Daarmee wordt een belangrijk onderdeel van kennis over onze leefomgeving en de ontwikkeling van onze samenleving weggenomen.

In 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. Hiermee werd de verantwoordelijkheid voor het archeologisch erfgoed bij gemeenten gelegd. Uitgangspunten van deze wet zijn dat archeologie onderdeel wordt van het ruimtelijke ordeningsproces, dat de 'verstoorder' van de bodem betaalt voor archeologisch onderzoek en dat aanwezige archeologie zoveel mogelijk in de bodem wordt behouden. De gemeente is hierdoor verplicht om bij het opstellen van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen rekening te houden met (eventueel) aanwezige archeologische monumenten.

Het gemeentelijke archeologiebeleid is opgesteld om zorg te dragen voor een goede omgang met het archeologisch erfgoed binnen onze gemeentegrenzen. Materiële erfenissen die in de bodem bewaard zijn gebleven kunnen ons vertellen hoe de mensen hier vroeger leefden. De eerste bewoningssporen in onze gemeente stammen uit de tijd van de vroege prehistorie. De kleinschaligheid van het landschap met esdorpen en heideontgingen, gescheiden door beeklopen is kenmerkend vanaf de Middeleeuwen. Wanneer nu, bij nieuwe ontwikkelingen waarbij de bodem wordt geroerd, geen archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd kan het zijn dat aanwezige waarden onherstelbaar verstoord worden. Ontwikkelingen vinden vaak plaats in en rond de kernen. Uit de tot dusver uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de gronden vaak al verstoord zijn waardoor verder archeologisch onderzoek niet meer zinvol is. Het zou goed zijn als gebieden die nog een gaaf bodemprofiel hebben, waar mogelijk nog waarden aanwezig zijn, beschermen en behouden worden voor de toekomst. Zij vertellen immers het verhaal en de ontwikkeling van Horst aan de Maas.

Het "Archeologiebeleid Horst aan de Maas" is vastgelegd in de Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas met de daarbij behorende toelichting. Deze toelichting bestaat uit 3 deelrapporten: Horst aan de Maas, Sevenum en Meerlo. Het opstellen van het archeologie beleid is al voor de fusie in 2010 in gang gezet. In 2014 heeft de provincie ingestemd met de in 2010 opgestelde Maatregelenkaart

De in 2010 opgestelde concept Maatregelenkaart is sindsdien gebruikt als hulpmiddel om bij nieuwe ontwikkelingen te bepalen of archeologisch onderzoek noodzakelijk was. Het bleek dat een actualisatie van de Maatregelenkaart gewenst was. Deze actualisatie is vastgelegd in de oplegnotitie "Actualisatie van de Archeologische Maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas". De oplegnotitie is een beknopte samenvatting van de onderliggende deelrapporten voor Horst aan de Maas, Sevenum en Meerlo. De deelrapporten gaan uitvoerig in op de inventarisatie en analyse van de verschillende gebieden.

De oplegnotitie is meer uitvoeringsgericht met het vastleggen van het gemeentelijke ontheffingsbeleid archeologie en de daarbij behorende stappen.

Op basis van de inventarisatie en analyse zoals vastgelegd in de onderliggende deelrapporten zijn 9 categorieën aangewezen: van Wettelijk beschermd Archeologisch monument tot gebieden waar geen bodemarchief meer aanwezig is. Aan deze categorieën zijn ondergrenzen gekoppeld. Het maximale verstoringsoppervlakte is het terrein dat maximaal geroerd mag worden zonder dat hier archeologisch onderzoek vereist is. Als het ruimtelijk plan kleiner is dan de ondergrens, is er dus geen archeologieonderzoek nodig.

Wanneer het ruimtelijke plan groter is dan het maximaal verstoringsoppervlak, maar de bodem wordt niet dieper geroerd dan de per categorie aangegeven diepte (meestal 50 cm), dan is archeologisch onderzoek ook niet vereist.

In het beleid zijn geen afwijkende maatregelen voor tuinbouwkassen opgenomen. Bij het realiseren van een tuinbouwkas gaat het over grote oppervlaktes die relatief veel minder schade voor de bodem veroorzaken dan andere bouwwerken. De meest gunstige situering van tuinbouwkassen zou zijn in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde omdat hier geen archeologisch onderzoek is vereist. Het glastuinbouwgebied Californië ligt grotendeels in een gebied met een lage verwachtingswaarde. Wanneer in een dergelijk geval op basis van de maatregelenkaart archeologisch onderzoek vereist wordt, kan het bouwplan aanleiding geven om met de archeologisch adviseur te zoeken naar een praktische invulling van het onderzoek.

Beleidsplan duurzaam & integraal Boombeheer (2011) en Bomenlegger

Bijzondere en monumentale bomen zijn belangrijk en verdienen extra bescherming. In de Bomenlegger zijn de criteria vastgesteld waaraan bijzondere en monumentale moeten voldoen. Hierbij zijn ook particuliere bomen meegenomen. Bij aanvragen kapvergunningen voor bomen die zijn opgenomen in de lijst bijzondere en monumentale bomen, geldt het “nee tenzij” principe. Om een kapvergunning te rechtvaardigen zijn alleen veiligheidsredenen (zorgplicht) en redenen ten behoeve van het (aantoonbaar) algemeen belang te verdedigen. Hiertoe zal altijd een schriftelijk verzoek aan de gemeente ten grondslag liggen. Het college is bevoegd voor bestuurlijke besluitvorming hiertoe.

Bijzondere en monumentale bomen worden niet opgenomen in het bestemmingsplan, maar zijn reeds beschermd via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Dit om dubbele regelgeving te voorkomen.

Hoofdstuk 4 PLANBESCHRIJVING

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een planbeschrijving gegeven van het bestemmingsplan Buitengebied. Dit omvat de visie van de gemeente Horst aan de Maas op de verschillende functies en eigenschappen van het plangebied. Eerst wordt een integrale visie op hoofdlijnen gegeven, zoals verwoord in de gemeentelijke structuurvisie. Vervolgens wordt ingegaan op de verschillende functies en eigenschappen, onderverdeeld in de ruimtelijk relevante hoofdthema's, zoals landbouw, (burger)woningen, niet-agrarische bedrijven en natuur.

4.2 Integrale visie op hoofdlijnen

Het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas bestaat (op hoofdlijnen) uit drie afzonderlijke landschapstypen. Van west naar oost zijn dit achtereenvolgens: het hoogveenontginningenlandschap, het zandgrondenlandschap en het rivierdallandschap. Deze categorieën onderscheiden zich op basis van ondergrond, infrastructuur en gebruik. De ruimtelijk-economische ontwikkelingen, zoals deze de komende jaren voorzien worden, sluiten nagenoeg naadloos op deze landschapsindeling aan.

In al deze ontwikkelingen vormt het middengebied van de gemeente Horst aan de Maas letterlijk en figuurlijk het kruispunt. Van 'buiten naar binnen' intensiveren landgebruik, economische activiteiten en bebouwing. Tussen de verschillende functies en activiteiten door liggen verbindingsstructuren en -elementen. Natuurontwikkeling, landschapsversterking, ruimte voor water(berging en -retentie) vinden plaats in de zones in het oosten en het westen van de gemeente. Om de samenhang en de verbanden tussen deze zones aan weerszijden van de gemeente te versterken, wordt ingezet op het creëren van dwarsverbanden, op ieder niveau: van (ecologische) verbindingszone, beekversterking en landschapsontwikkeling tot recreatieve en infrastructurele verbindingen.

Wanneer we verder inzoomen, zijn de verschillende onderdelen waaruit voornoemde structuren bestaan meer in detail te onderscheiden. Hierbij valt op dat vooral in het midden van de gemeente een dynamisch geheel aan activiteiten en ontwikkelingen aanwezig is. Van de grootste bebouwingskern (Horst) en werklandschap Greenport Venlo (buiten het plangebied), tot Ontwikkelingsgebieden glastuinbouw en een Ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij, zoekgebieden voor perifere detailhandel en zoekgebieden voor aanvullende ontsluitingswegen (ter ontlasting van bestaande dorpen) en fietsvoorzieningen (tussen dorpen).

Een tweetal grote zoekgebieden voor aanvullend bos- en natuurgebied, aan weerszijden van het midden, scheidt deze intensief gebruikte gebieden van de meer extensieve oost- en westzijde van de gemeente. Ten oosten van het meest oostelijk gelegen zoekgebied voor aanvullend bos- en natuurgebied spelen ontwikkelingen gekoppeld aan de Maas een grote rol. De vele bestaande kwaliteiten en ook veiligheidsregimes maken dat kleinschalige ontwikkelingen, zoals natuurontwikkeling, ruimte voor retentie en berging van water en extensieve recreatieve ontwikkeling gewenst zijn.

In het westen van de gemeente, en tevens onderdeel van het westelijke zoekgebied voor aanvullend bos- en natuurgebied, speelt Park de Peelbergen een belangrijke rol. Binnen dit landschapspark is ruimte voor ontwikkeling van toeristische en recreatieve functies, waarbij de grootschalige(r) compensatie van natuur en landschap in groter verband gaat plaatsvinden (ook buiten Park de Peelbergen).

4.3 Landbouw

Algemeen

Ondanks de verwachting dat de landbouw in toenemende mate onder druk zal komen te staan als gevolg van kostenstijgingen (milieu-investeringen), concurrentie en wetgeving, zal zij ook in de toekomst een hoofdrol vervullen voor het plangebied. Naast de landbouw, geeft de analyse van de aanwezige natuur-, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in het plangebied echter aanleiding om ook rekening te houden met de bescherming van die waarden. Van belang daarbij is dat de aanwezige waarden niet overal gelijk zijn, onder andere door het verschil in landschapstypen.

Hoofdbestemmingen

De belangrijkste functie van het bestemmingsplan is het regelen van het agrarische grondgebruik en het behouden van de gebiedseigen waarden. Daartoe kent het plan een agrarische hoofdbestemming, te weten de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Alle percelen, waarvan het hoofdgebruik agrarisch is, worden als zodanig bestemd. Voor zover er naast de agrarische functie ook sprake is van landschappelijke of natuurwaarden, worden deze aangeduid met gebiedsaanduidingen, waarmee wordt aangegeven om welke waarden het gaat.

Binnen de agrarische bestemming worden (agrarische) bouwvlakken onderscheiden, waarbinnen de agrarische bedrijfsbebouwing mag worden opgericht. De bestemming dienen zoveel mogelijk flexibel van opzet te zijn. In de bestemmingsomschrijving staat de agrarische functie voorop, maar worden andere (ondergeschikte) functies ook mogelijk gemaakt, zoals extensieve dagrecreatie en het realiseren van nutsvoorzieningen.

Grondgebonden agrarische bedrijven

Onderscheid akkerbouw/tuinbouw en veeteelt

Binnen de grondgebonden agrarische bedrijven is een nader onderscheid te maken tussen akker- of tuinbouwbedrijven enerzijds en veeteeltbedrijven anderzijds. Bestaande veeteeltbedrijven binnen het plangebied mogen in de toekomst veeteeltbedrijven blijven of met recht omschakelen naar een akker- of tuinbouwbedrijf. Bestaande akker- en tuinbouwbedrijven mogen echter niet met recht omschakelen naar een veehouderijbedrijf, omdat dit mogelijk kan leiden tot significant negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden.

Gelet op het bovenstaande zijn alle grondgebonden veehouderijen en alle intensieve veehouderijen aangeduid op de verbeelding. Op deze bedrijven is zowel een grondgebonden, respectievelijk intensieve veehouderij toegestaan, maar ook een akker- of tuinbouwbedrijf.

Er is geen regeling opgenomen waarmee akker- en tuinbouwbedrijven zouden kunnen omschakelen naar een veehouderijbedrijf. Een dergelijke omschakeling leidt al snel tot significant negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. De gemeente sluit een dergelijke omschakeling beleidsmatig dus zeker niet uit. Maar daarvoor is een afzonderlijke afweging nodig buiten het bestemmingsplan om, vanwege de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden. Zo nodig wordt hiervoor dan een afzonderlijke planologische procedure gevolgd.

Nieuwvestiging

Met 'nieuwvestiging' wordt het oprichten van een nieuw agrarisch bedrijf op een voorheen onbebouwde locatie bedoeld. Hiervoor moet een agrarisch bouwvlak worden toegekend. Doordat nieuwvestiging grote gevolgen kan hebben, bijvoorbeeld op de Natura 2000-gebieden in de omgeving, het landschap of nabij gelegen bedrijven, wordt nieuwvestiging van grondgebonden agrarische bedrijven in beginsel niet toegestaan.

Hervestiging of omschakeling

Met 'hervestiging' wordt het oprichten van een nieuw agrarisch bedrijf op een reeds bebouwde locatie bedoeld. Dit kan zich voordoen wanneer een agrarisch bedrijf is gestopt en vervolgens een ander agrarisch bedrijf zich op die locatie vestigt. Ruimtelijk gezien is het wenselijk zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande opstallen. De impact is namelijk veel kleiner dan bij nieuwvestiging, omdat er in de oude situatie al een agrarisch bedrijf aanwezig was. Hervestiging wordt daarom met recht toegestaan. Het hoeft daarbij niet noodzakelijk om een soortgelijk bedrijf te gaan (akkerbouw voor akkerbouw), maar mag ook om verschillende bedrijven gaan (akkerbouw voor tuinbouw). Zolang het aanwezige perceel maar voldoende ruimte biedt voor de nieuwe agrarische activiteiten en er geen veehouderij wordt opgericht waar dat voorheen niet was toegestaan (met het oog op significante aantasting van Natura 2000-gebieden). Dit wordt ook wel 'omschakeling' genoemd. Onder omschakeling vallen echter ook bestaande bedrijven die van bedrijfsmatige activiteit veranderen (er is dan dus niet zo zeer sprake van een stoppend bedrijf, als wel een omvorming naar een andere bedrijfsmatige, agrarische activiteit). Belangrijk is daarbij dat de nieuwe functie ruimtelijk gezien geen grote wijzigingen inhoudt ten opzichte van het bestaande perceel en geen significante toename van hinder op de omgeving oplevert ten opzichte van de voorgaande functie.

Omschakeling van een grondgebonden veehouderij naar een intensieve veehouderij wordt op basis van de Provinciale Omgevingsverordening Limburg gezien als nieuwvestiging, ook al is er sprake van reeds bestaande bebouwing. Dit in verband met de mogelijk grote gevolgen die omschakeling naar een intensieve veehouderij kan hebben op Natura 2000-gebieden.

Uitbreidingsmogelijkheden

Bestaande grondgebonden akker- en tuinbouwbedrijven mogen onder voorwaarden uitbreiden tot maximaal 1,5 ha, waarbij alle gebouwelijke voorzieningen binnen het bouwvlak gerealiseerd moeten worden. De voorwaarden hebben onder meer betrekking op het aantonen van nut en noodzaak door middel van een bedrijfsontwikkelingsplan en het voorkomen van onevenredige aantasting van aanwezige natuur- en landschapswaarden. Hiertoe wordt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Uitbreidingsmogelijkheden van grondgebonden veehouderijbedrijven kunnen snel leiden tot significante aantasting van Natura 2000-gebieden, door de toename van stikstof die neerslaat op deze gebieden. Om die reden wordt uitbreiding alleen onder zeer strikte voorwaarden toegestaan, zodat toename van stikstof op in de omgeving aanwezige Natura 2000-gebieden volledig is uitgesloten. Dit kan bijvoorbeeld door bestaande stalsystemen zodanig aan te passen, dat er een afname plaatsvindt van stikstofemissie vanaf het bedrijf, waardoor ruimte ontstaat om de uitbreiding te realiseren. Ook hierbij is sprake dat nut en noodzaak van de uitbreiding moet worden aangetoond aan de hand van een bedrijfsontwikkelingsplan. Wanneer aan de voorwaarden kan worden voldaan, is uitbreiding tot een bouwperceel van maximaal 1,5 ha toegestaan. Indien een initiatiefnemer nog verder wenst uit te breiden, moet hiervoor een aparte procedure worden doorlopen.

Tuinbouw

Tuinbouw algemeen

Binnen de vollegrondstuinbouw worden tuinbouwgewassen, groenten, snijbloemen, fruit of bloembollen buiten (in de volle grond) geteeld. De groeiperiode van de gewassen bedraagt veelal meerdere jaren. Binnen één perceel kan dus zowel jong als verkooprijp materiaal staan. Een deel van de teelt vindt tegenwoordig plaats in de vorm van containervelden, zoals bepaalde vormen van aardbeien- of boomteelt.

Grondgebonden boomteelt

Boomteelt is de tak van tuinbouw die zich bezighoudt met het telen van houtige gewassen en planten voor tuinen en groenvoorzieningen (niet enkel 'bomen'). De boomteelt is doorgaans een extensieve grondgebonden sector (hoewel op sommige bedrijven met grote containervelden wordt gewerkt, in dat geval wordt gesproken van intensieve boomteelt), maar tegelijkertijd een van de weinige economische activiteiten die de duurzaamheidswaarden in de regio in stand houdt of zelfs versterkt. De gemeente wenst deze sector daarom te faciliteren in bepaalde delen van het buitengebied. In het gebied 'Hoogheide', ten noorden van Ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij Witveld, is planologisch ruimte voor boomteelt. Hier gevestigde telers worden gefaciliteerd binnen de mogelijkheden die het geldende bestemmingsplannen ook al biedt. Ook onder meer het gebied 'Hanenberg', gelegen tussen Melderslo en Lottum, is bij uitstek geschikt voor boomteelt.

Nieuwvestiging grondgebonden boomteelt

Met 'nieuwvestiging' wordt het oprichten van een nieuw grondgebonden tuinbouwbedrijf op een voorheen onbebouwde locatie bedoeld. Hiervoor moet een agrarisch bouwvlak worden toegekend. In tegenstelling tot het niet toestaan van nieuwvestiging van grondgebonden akker- of tuinbouwbedrijven, is de nieuwvestiging van grondgebonden boomteelt wel onder voorwaarden mogelijk binnen daartoe aangewezen gebieden. Het betreft dan het toekennen van een bouwvlak van maximaal 1,5 ha, waarbinnen alle gebouwelijke voorzieningen (inclusief boogkassen en bedrijfswoning) moeten worden gerealiseerd. Deze gebieden zijn in de gemeentelijke Structuurvisie reeds begrensd. Een en ander dient uiteraard landschappelijk te worden ingepast.

Intensieve tuinbouw in gebouwen

Onder een niet-grondgebonden of intensief tuinbouwbedrijf/kwekerij wordt een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan waar gewassen worden geteeld of dieren worden gekweekt (niet zijnde vee), waarbij nagenoeg geen gebruik wordt gemaakt van daglicht. Voorbeelden hiervan zijn de kweek van champignons, witlof, vis, wormen of maden (geen daglicht).

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het houden van pelsdieren, zoals op een nertsenhouderij, niet behoort tot een intensief tuinbouwbedrijf, maar valt onder een intensieve veehouderij.  

Nieuwvestiging

Met 'nieuwvestiging' wordt het oprichten van een nieuw intensief tuinbouwbedrijf op een voorheen onbebouwde locatie bedoeld. Hiervoor moet een agrarisch bouwvlak worden toegekend. Nieuwvestiging van intensieve tuinbouw is niet mogelijk, vanwege de relatief grote ruimtelijke en milieuhygiënische impact op de omgeving. Een uitzondering wordt gemaakt voor nieuwvestiging in de Ontwikkelingsgebieden glastuinbouw, omdat er relatief weinig nieuwe aanvragen voor glastuinbouw binnen komen en intensieve tuinbouw qua ruimtelijke impact (o.a. landschap, water, etc.) redelijk gelijkwaardig is aan die van glastuinbouw. Middels een wijzigingsbevoegdheid met daarin de nodige voorwaarden wordt aandacht besteed aan het garanderen van een goed woon- en leefklimaat voor de omgeving bij dergelijke nieuwvestiging.

Hervestiging of omschakeling

Ook hier wordt met 'hervestiging' het oprichten van een nieuw niet-grondgebonden tuinbouwbedrijf op een reeds bebouwde locatie bedoeld. Hervestiging wordt daarom met recht toegestaan, uitsluitend op locaties waar al een intensief tuinbouwbedrijf was gevestigd. Hervestiging of omschakeling in de extensiveringsgebieden wordt echter niet toegestaan, omdat een bedrijf hier geen toekomstperspectief heeft en er daarom niet sprake is van een duurzame locatie. In het bestemmingsplan wordt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om bij dergelijke locaties de aanduiding van het intensieve bedrijf te verwijderen.

Uitbreidingsmogelijkheden

Bestaande intensieve tuinbouwbedrijven mogen onder voorwaarden uitbreiden tot maximaal 1,5 ha, waarbij alle gebouwelijke voorzieningen binnen het bouwvlak gerealiseerd moeten worden. De voorwaarden hebben onder meer betrekking op het aantonen van nut en noodzaak door middel van een bedrijfsontwikkelingsplan (BOP) en het voorkomen van onevenredige aantasting van aanwezige natuur- en landschapswaarden. Hiertoe wordt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Glastuinbouw

Algemeen

Ten aanzien van glastuinbouw volgt de gemeente het provinciale driesporenbeleid. Dat betekent dat nieuwvestiging primair moet plaatsvinden in Greenport Venlo. In de overige Ontwikkelingsgebieden glastuinbouw - waarvan er drie concreet zijn aangewezen en begrensd (gebied 'Veld Oostenrijk' ten noorden van Horst; gebied 'Reindonk' tussen America, Hegelsom, Horst en Meterik; gebied ten oosten van Melderslo en Californië, als onderdeel van Greenport Venlo) zijn er vooral mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande bedrijven. Tevens kan hier (kleinschalige) nieuwvestiging plaatsvinden.

Nieuwvestiging

Voor grootschalige nieuwvestigingen is ruimte in Greenport Venlo in het Ontwikkelingsgebied glastuinbouw Californië. Overige (kleinschalige) nieuwvestiging is alleen mogelijk in de overige Ontwikkelingsgebieden glastuinbouw. Tevens zijn er mogelijkheden in bestaande, maar leegstaande glasopstanden. Ook de huisvesting van de verschillende ketenpartijen en een goede infrastructuur zijn voorwaarden om ruimte om te ondernemen te verbeteren.

Hervestiging of omschakeling

Met 'hervestiging' wordt het oprichten van een nieuw glastuinbouwbedrijf op een reeds (met glas) bebouwde locatie bedoeld. Hervestiging is met recht toegestaan op locaties waar al sprake was van een glastuinbouwbedrijf. Hervestiging van glastuinbouw op een locatie waar sprake was van een ander soortig agrarisch bedrijf (akkerbouw, veeteelt) is niet toegestaan, vanwege de relatief grote impact op het landschap.

Uitbreidingsmogelijkheden

Bestaande glastuinbouwbedrijven buiten de Ontwikkelingsgebieden glastuinbouw mogen onder voorwaarden uitbreiden tot maximaal 3 ha. Verdere uitbreiding dan 3 ha vraagt om maatwerk, waarbij de Glas-voor-glasregeling Limburg van toepassing is. Deze doorgroei moet gepaard gaan met sloop van bestaande kassen. Hiervoor geldt een factor 1:2 (per 1 m2 uitbreidin gmoet 2 m2 glas op een andere locatie worden gesloopt). Gelet op deze regeling is ervoor gekozen om deze mogelijkheid buiten dit bestemmingsplan te houden. Bedrijven moeten in die gevallen een eigen procedure doorlopen. Voor zover de glastuinbouwbedrijven zijn gelegen in de Ontwikkelingsgebieden glastuinbouw is in dit bestemmingsplan geen boven maat opgenomen, omdat deze gebieden juist zijn bedoeld voor de verdere ontwikkeling van dergelijke bedrijven.

Uitbreiding van een bouwvlak in de bronsgroene landschapszones is mogelijk, mits deze leidt tot behoud of versterking van de kernkwaliteiten van dergelijke gebieden. In de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone is geen ontwikkeling van glastuinbouw mogelijk.

Glastuinbouw met kwaliteit

Bij iedere bedrijfsontwikkeling waarvoor een (omgevings-)vergunning noodzakelijk is worden technieken toegepast gericht op duurzaamheid (energie, water etc). Er ligt een opgave voor revitalisering van bestaande Ontwikkelingsgebieden glastuinbouw om de glastuinbouwsector toekomstbestendig te maken.

Deze opgave zal nader worden uitgewerkt in de regionale land- en tuinbouwvisie.

Intensieve veehouderij

De ontwikkeling in de intensieve veehouderij manifesteert zich voor het overgrote deel in de vorm van doorgroei van bestaande bedrijven. De doorgaande schaalvergroting, de milieueisen, de combinaties met energieopwekking of mestverwerking maken dat er bij veel bedrijven een behoefte bestaat om uit te breiden. Regelgeving voor nitraat/ammoniak, fijnstof en geur en de Beleidslijn grote rivieren, zijn in hoge mate bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij, evenals de maatschappelijke inbedding van de veehouderij in zijn omgeving. Daarnaast is de tendens dat steeds meer grondgebonden bedrijven voor rundvee (melkkoeien) en geiten een intensiever karakter krijgen.

Nieuwvestiging

Nieuwvestiging van intensieve veehouderijen is alleen mogelijk in een beperkt aantal Ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij die reeds in bestemmingsplannen of structuurvisies zijn vastgelegd. Voor Horst aan de Maas zijn dat de Ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij Witveld en Krabbenborg (voor zover laatstgenoemde op ons grondgebied valt). Deze gebieden maken echter geen deel uit van het plangebied. Buiten deze gebieden (en dus binnen het plangebied) kunnen incidenteel uitzonderingen gemaakt worden voor nieuwvestiging, als onderdeel van regionale optimalisaties die per saldo leiden tot een betere omgevingskwaliteit (nader uit te werken in de Regionale Uitwerking Landelijk Gebied POL). Doordat het om incidentele uitzonderingen gaat, wordt dit niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan, maar moet daar een aparte procedure voor worden gevolgd. Nieuwvestiging van intensieve veehouderijen wordt daarom in zijn geheel niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan.

Vestiging van een nieuwe intensieve veehouderij op een bestaand bouwperceel voor een grondgeboden bedrijf wordt op basis van de Provinciale Omgevingsverordening Limburg eveneens gezien als nieuwvestiging en is niet toegestaan.

Hervestiging of omschakeling

Gelet op de te verwachten leegstand in de agrarische sector is hervestiging van intensieve veehouderijen wel toegestaan. Ook hier wordt met 'hervestiging' het oprichten van een nieuw agrarisch bedrijf op een reeds bebouwde locatie bedoeld. Hervestiging wordt daarom met recht toegestaan, uitsluitend op locaties waar al een intensieve veehouderij was gevestigd. Hervestiging in de extensiveringsgebieden wordt echter niet toegestaan, omdat een bedrijf hier geen toekomstperspectief heeft en er daarom niet sprake is van een duurzame locatie. In het bestemmingsplan wordt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om bij dergelijke locaties de aanduiding 'intensieve veehouderij' te verwijderen.

Uitbreidingsmogelijkheden

Uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijbedrijven kunnen snel leiden tot significante aantasting van Natura 2000-gebieden, door de toename van stikstof die neerslaat op deze gebieden. Om die reden wordt uitbreiding alleen onder zeer strikte voorwaarden toegestaan, zodat toename van stikstof op in de omgeving aanwezige Natura 2000-gebieden volledig is uitgesloten. Dit kan bijvoorbeeld door bestaande stalsystemen zodanig aan te passen, dat er een afname plaatsvindt van stikstofemissie vanaf het bedrijf, waardoor ruimte ontstaat om de uitbreiding te realiseren. Ook hierbij is sprake dat nut en noodzaak van de uitbreiding moet worden aangetoond aan de hand van een bedrijfsontwikkelingsplan. Wanneer aan de voorwaarden kan worden voldaan, is uitbreiding tot een bouwperceel van maximaal 1,5 ha toegestaan. Indien een initiatiefnemer nog verder wenst uit te breiden, moet hiervoor een aparte procedure worden doorlopen. Uitbreiding van intensieve veehouderijen binnen Extensiveringsgebied intensieve veehouderij is niet toegestaan.

Vrijwaren kwetsbare gebieden van nieuwe ontwikkelingen

Voor alle veehouderijen geldt er van rijkswege een zonering rondom kwetsbare natuur op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav, met daaraan gekoppeld het Besluit zeer kwetsbare gebieden). In deze zogenaamde 'extensiveringszones' rondom kwetsbare natuur is naast nieuwvestiging ook geen uitbreiding van het bouwvlak van intensieve veehouderij mogelijk. Dit is ook als zodanig geconcretiseerd in de Provinciale Omgevingsverordening (en daarmee een voortzetting van de regels uit de Reconstructiewet, die per 1 juli 2014 is komen te vervallen).

Bouwvlakken

Systeem bouwvlakken

Het bouwen ten behoeve van het agrarisch bedrijf is alleen toegestaan binnen bouwvlakken, die op de verbeelding van het bestemmingplan worden weergegeven. Dit systeem met grafische bouwvlakken wordt algemeen aanvaard als de meest effectieve regeling ter beperking van een ongewenste spreiding van bebouwing, behorend bij het agrarisch bedrijf. In principe dienen alle bouwwerken, inclusief mest- en sleufsilo's, binnen het bouwvlak geconcentreerd te worden. Per agrarisch bouwvlak is één agrarisch bedrijf toegestaan, onder andere om te voorkomen dat men met het oog op milieu geen hinder van elkaar ondervindt.

Omvang bouwvlakken

In beginsel worden de agrarische bouwvlakken conform de bestaande omvang bestemd. Grotere bouwvlakken worden niet met recht mogelijk gemaakt. Dit biedt namelijk groeimogelijkheden, die mogelijk kunnen leiden tot significante aantasting van Natura 2000-gebieden in het plangebied of in de omgeving daarvan. Een groter bouwvlak kan alleen direct worden toegekend wanneer:

  • 1. er concrete initiatieven tot uitbreiding zijn, waarvoor geen vergunning op basis van de Wet natuurbescherming nodig is;
  • 2. er concrete initiatieven tot uitbreiding zijn, waarvoor de benodigdegeen vergunning op basis van de Wet natuurbescherming al is verleend door het bevoegd gezag én waarvan de bestaande vergunning (vóór verlening van de nieuwe vergunning) reeds volledig is ingevuld.

Met laatstgenoemde voorwaarde zijn de effecten van de uitbreiding al getoetst door het bevoegd gezag en is daaruit gebleken dat de uitbreiding niet leidt tot significante aantasting van Natura 2000-gebieden. Door hantering van de tweede voorwaarde kan er geen verschil ontstaan tussen feitelijke situatie en vergunde situatie (bijvoorbeeld dat een agrarisch bedrijf maar 60% van de vergunde situatie feitelijk heeft gerealiseerd).

Toekomstige uitbreidingsmogelijkheden die nu nog niet concreet in beeld zijn kunnen wel onder voorwaarden worden geboden (door middel van afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden), maar daarbij moet in ieder geval zeker zijn, dat de uitbreiding niet kan leiden tot significante aantasting van Natura 2000-gebieden. Uit het PlanMER moet blijken op welke manier hieraan vorm kan worden gegeven, bijvoorbeeld door het verplicht stellen van interne saldering (bestaande stallen moeten worden vervangen door emissie-arme stallen) en/of het opnemen van een vulgraad (maximaal percentage van het bouwvlak dat mag worden gebruikt voor stalruimte). Bij de specifieke agrarische bedrijven (grondgebonden akkerbouw, veeteelt of tuinbouw, intensieve veeteelt of tuinbouw en glastuinbouw) zoals hiervoor reeds beschreven is nader uitgewerkt tot welke omvang bouwvlakken kunnen worden uitgebreid.

Wat mag buiten bouwvlakken?

Er worden enkele uitzonderingen gemaakt voor zaken die buiten het bouwvlak gerealiseerd mogen worden. Opslag van hooibalen/grasrollen mag buiten het bouwvlak, mits aansluitend daaraan. Paardenbakken mogen ook buiten het bouwvlak, mits aansluitend daaraan, maar alleen met een afwijkingsbevoegdheid. Waterbassins mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd, tenzij het gaat om meer natuurlijke vormen van waterberging, bijvoorbeeld in de vorm van een wadi.

Flexibiliteit bouwvlakken

Om een gezonde bedrijfsvoering te realiseren of te kunnen continueren, kan het in sommige gevallen wenselijk zijn om het agrarisch bouwvlak qua ligging en/of omvang te wijzigen. Het kan dan gaan om het verkleinen, vergroten of (gedeeltelijk) verleggen van het bouwvlak. In dit bestemmingsplan worden hiervoor mogelijkheden opgenomen door middel van een wijzigingsbevoegdheid. Hier worden echter strikte voorwaarden aan verbonden, om te zorgen dat er geen significante aantasting van Natura 2000-gebieden kan ontstaan, of anderszins hinder voor de omgeving. Aan het vergroten van de bouwvlakken wordt tevens een maximummaat verbonden.

Bedrijfsgebouwen

Bedrijfsgebouwen zijn nodig om het agrarisch bedrijf goed te kunnen laten functioneren en in feite nog belangrijker dan de bedrijfswoning. Ten behoeve van de agrarische bebouwing wordt doorgaans geen maximum gesteld aan de hoeveelheid gebouwen of de oppervlakte per gebouw. Wat leidend is, is de integrale kwaliteit. Men is gebonden aan de totale oppervlakte van het bouwvlak en mag daarbinnen bedrijfsgebouwen oprichten. Doordat de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen wezenlijk van invloed zijn op met name het landschap, worden deze wel vastgelegd voor bedrijfsgebouwen. De goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen binnen een agrarisch bouwvlak mogen in beginsel 7 m respectievelijk 14 m bedragen.

Voor kassen is het overigens onwenselijk dat een bouwhoogte van 14 meter wordt gehanteerd, mede vanwege de grote impact op het landschap in verband met de veelal aanzienlijke oppervlakten van glas. Voor kassen geldt daarom een maximale hoogte van 12 m, tenzij de bestaande hoogte al meer bedraagt. In dat geval is de bestaande bouwhoogte toegestaan.

Aanpak schone stallen

De gezamenlijke ambitie van sector, gemeenten en Provincie is dat in 2025 elk land- en tuinbouwbedrijf een lust voor zijn omgeving is. Dit vraagt om een forse inspanning. Vooral voor de veehouderij betekent dat het toewerken naar een veel lager emissieniveau van ammoniak, geur en fijn stof. Hiervoor wordt de term 'nul-emissie' gehanteerd, waarmee een emissieniveau wordt bedoeld dat geen of slechts verwaarloosbare hinder/risico voor de omgeving oplevert. Kortom: schone stallen.

De landbouw heeft al flinke stappen gezet voor wat betreft de verduurzaming van sector. Maar er moet nog het nodige gebeuren. De huidige immissie van ammoniak (in daarvoor gevoelige kwetsbare natuurgebieden), geurhinder (geurgevoelige objecten) en immissie van fijnstof (in verband met gezondheidsrisico's voor omwonenden) voldoet nog lang niet overal aan de vereiste of beoogde streefwaarden of (instandhouding) doelstellingen.

Voor stikstof (ammoniak) wordt toegewerkt naar de kritische depositiegrenzen in de daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden. Die zullen in 2025 nog niet overal bereikt zijn, maar er kunnen wel flinke stappen gezet worden binnen de planperiode van dit bestemmingsplan. Voor geur wordt gestreefd naar een hinderniveau binnen de bebouwde kom dat past bij een leefklimaat dat als redelijk goed tot zeer goed gekwalificeerd wordt. Voor de immissie van fijn stof, die vooral speelt bij de pluimveehouderij, zijn de landelijke normen maatgevend.

Het reduceren van de emissies van ammoniak, geur en fijnstof vraagt ook om andere redenen om een gecoördineerde aanpak. Deze emissies hangen samen, dat geldt ook voor de maatregelen.

Varkens

Conform de Verordening Veehouderij en Natura 2000 kunnen varkensbedrijven bij nieuwbouw of verbouw kiezen uit de chemische wasser of een gecombineerde wasser. Ingezet wordt op stimulering van gecombineerde wassers, omdat deze momenteel tot het beste integrale effect leiden. Het toepassen hiervan wordt echter niet verplicht gesteld, maar gebeurt vooralsnog op vrijwillige basis.

De gemeentelijke ambitie (en ook vanuit de regio) gaat nog een stap verder. Gebruik van innovatieve technieken wordt zoveel mogelijk gestimuleerd. Daarbij valt te denken aan maximale emissiereductie door het gebruik van bijvoorbeeld plasma of andere technieken die zich in de stal bevinden, zoveel mogelijk energieneutrale inrichtingen door de plaatsing van zonnepanelen op staldaken en maximaal gebruik van daglicht in stallen.

Doordat plasma elektriciteit geleidt, op veranderingen in elektrische en magnetische velden reageert en chemische reacties kan versnellen, zijn er veel toepassingsmogelijkheden. Met name het laatste is relevant bij (intensieve) veehouderijbedrijven. Zo blijkt uit geurmetingen met een proefopstelling van een plasma unit in Horst aan de Maas dat een geurreductie van 98% en een ammoniakreductie van 99% kan worden bereikt. (bron: PRA Odournet BV).  

Pluimvee

Bij pluimvee gaan de meeste erkende technieken niet veel verder dan 45% geurreductie; omdat de luchtwassystemen in de pluimvee nog leiden tot technische problemen (stofophoping) is via de Verordening Veehouderij en Natura 2000 (wordt nu onderdeel van de Provinciale Omgevingsverordening) inzet van luchtwassing nog niet verplicht. Verwacht wordt dat de komende jaren substantiële verbeteringen worden bereikt via innovaties. De meest vergaande techniek voor één aspect is echter niet altijd de best toepasbare integrale maatregel. Dit vraagt om een meer integrale benadering, waarin naar een optimale reductie van effecten gezocht wordt, rekening houdend met karakter en plek van bedrijven.

Mestverwerking

Voor het beleid ten aanzien van mestverwerking op bedrijfs- of buurtniveau wordt verwezen naar paragraaf 4.15 Duurzaamheid.

Bedrijfswoningen

Algemeen

Ten behoeve van een agrarisch bedrijf op een agrarische bedrijfskavel is in beginsel slechts één agrarische bedrijfswoning toegestaan. Voor zover er op bouwpercelen in de geldende bestemmingsplannen geen agrarische bedrijfswoning is toegestaan wordt de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' opgenomen.

De bestaande bedrijfswoningen mogen in beginsel worden uitgebreid tot maximaal 1.000 m³. De goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen mogen maximaal 7 m respectievelijk 11 m bedragen.

Beleidslijn Groter Bouwen in het Buitengebied

Voor het bouwen van bedrijfswoningen in het buitengebied is de (geactualiseerde) 'Beleidslijn Groter Bouwen in het Buitengebied' van toepassing. Deze regeling heeft in het kader van dit bestemmingsplan overigens alleen betrekking op bedrijfswoningen die planologisch al mogelijk zijn gemaakt in de bestaande bestemmingsplannen, maar nog niet zijn gerealiseerd. Voor het overige maakt dit bestemmingsplan de nieuwbouw van (bedrijfs- en burger)woningen namelijk niet mogelijk.

Tweede bedrijfswoning

Tweede bedrijfswoningen zijn gezien de moderne bedrijfsvoering en beschikbare technieken niet langer noodzakelijk. Omdat tweede bedrijfswoningen op termijn vaak worden omgezet in een burgerwoning (en daarmee tot ongewenste belemmering van de agrarische bedrijfsontwikkeling in de omgeving kan leiden) is het oprichten ervan niet toegestaan. Voor zover nu al twee (of meer) bedrijfswoningen aanwezig zijn bij een agrarisch bedrijf, worden deze positief bestemd, mits deze legaal tot stand zijn gekomen. Hiervoor wordt een aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen' opgenomen

Plattelandswoningen

De gemeente Horst aan de Maas wil positief omgaan met de mogelijkheid om plattelandswoningen toe te staan. Een plattelandswoning is een bedrijfswoning die tevens door derden bewoond mag worden, zonder dat er sprake is met functionele binding met het bijbehorende bedrijf.

Om de relatie tussen de plattelandswoning en het bedrijf ook voor de toekomst onweerlegbaar vast te leggen, wordt de bestemming in stand gehouden. De betreffende woning blijft dus bestemd als bedrijfswoning met plattelandswoning als nadere aanduiding. De regels die in het bestemmingsplan van toepassing zijn op de bedrijfswoning blijven dus van toepassing op de plattelandswoning. In het bestemmingsplan dient een aanduiding op de verbeelding te worden opgenomen, waardoor de relatie met het bijbehorende bedrijf duidelijk is. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

  • Uit onderzoek moet blijken dat een wijziging naar de bestemming wonen niet mogelijk is;
  • Een wijziging naar plattelandswoning is niet mogelijk ter plaatse van de Ontwikkelingsgebieden glastuinbouw;
  • Het betreft een bestaande (voormalige) bedrijfswoning;
  • Het bijbehorende bedrijf blijft in werking;
  • Uit luchtkwaliteitsonderzoek dient te blijken dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Paardenbakken

Tegenwoordig verschijnen steeds meer paardenbakken bij agrarische bedrijven. Hoewel het houden van paarden een duidelijke binding heeft met het buitengebied, is vanwege de rommelige uitstraling van paardenbakken een nadere regeling in het bestemmingsplan wenselijk. Het uitgangspunt is de aanwezigheid van paardenbakken in principe te beperken tot binnen de agrarische bouwvlakken.

Paardenbakken moeten dan ook in beginsel alleen binnen bouwvlakken worden gerealiseerd. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, waarmee ook buiten het bouwvlak een paardenbak kan worden gerealiseerd, mits aansluitend daaraan en deze voldoet aan de gestelde voorwaarden. Een belangrijke voorwaarde is dat de paardenbak op een zorgvuldige manier in het landschap wordt ingepast, eventueel door de aanleg van afschermende beplanting, bestaande uit van oudsher in de streek voorkomende beplanting.

De maximale oppervlakte van een paardenbak bedraagt 1.200 m² (30x40 of 60x20), er wordt minimaal een afstand van 50 m tot nabijgelegen woningen aangehouden en de omheining mag maximaal 1,3 m hoog zijn. Verlichting wordt toegestaan op voorwaarde dat de natuur zoveel mogelijk beschermd wordt. Zo kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden met de richting van de verlichting.

Teeltondersteunende voorzieningen

Teeltondersteunende voorzieningen zijn voorzieningen met als doel het gewas te stimuleren tot meer groei of de oogst te spreiden. Het gaat daarbij om zowel vervroegen als verlaten ten opzichte van normale teelt en/of beschermen tegen weersinvloeden, ziekten en plagen, wat leidt tot een kwalitatief beter product. Teeltondersteunende voorzieningen worden vooral veel gebruikt in de boomteelt, vollegrondstuinbouw en fruitteelt, om een voldoende bedrijfsinkomen te kunnen halen. Daarnaast kent het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen milieuhygiënische en arbotechnische voordelen.

Een trend van de laatste jaren is dat steeds meer van oorsprong vollegrondsteelten op meer intensieve wijze worden gekweekt. Door een samenwerking van onder andere het Ministerie van Economische Zaken en de Wageningen Universiteit is specifiek hiervoor het programma 'Teelt de grond uit' opgesteld. Dit programma ontwikkelt rendabele teeltsystemen voor de vollegrondstuinbouw die voldoen aan de Europese regelgeving voor de waterkwaliteit. De nieuwe teeltsystemen zorgen dat telers economisch rendabel kunnen telen met een minimale emissie van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen.

Teelt de grond uit biedt veel nieuwe kansen voor de intensieve vollegrondstuinbouwsectoren. Deze kansen variëren van productieverhoging door betere groei en ruimtebenutting, een betere productkwaliteit of betere arbeidsomstandigheden, en een lagere arbeidsinzet. Het voorkomen van uitspoeling van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelenmiddelen in de nieuwe teeltsystemen is nog in ontwikkeling. Daarbij wordt ook veel aandacht besteed aan het voorkomen van de verspreiding van ziektes.

Voor bladgewassen en laanbomen wegen de voordelen van de nieuwe teeltsystemen ook op tegen de hogere kosten van het systeem. In deze sectoren schakelen innovatieve telers al over op de nieuwe teeltsystemen. In de meeste sectoren vinden, naast onderzoek op proeflocaties, ook kleinschalige experimenten in de praktijk plaats. De komende jaren wordt duidelijk voor welke gewassen Teelt de grond uit rendabel kan zijn.

In dit bestemmingsplan wordt waar mogelijk ruimte geboden aan deze ontwikkelingen, om ervoor te zorgen dat één van de belangrijkste sectoren van Horst aan de Maas wordt ondersteund en toekomstperspectief wordt geboden. Tegelijkertijd wordt er ook aandacht besteed aan landschappelijke en natuurwaarden, waar dergelijke ontwikkelingen afbreuk aan kunnen doen. Daarom is voor het oprichten zorgvuldigheid geboden in de afweging tussen de belangen van het bedrijf en van het landschap. Toepassing vraagt om maatwerk en is afhankelijk van lokaal aanwezige waarden. Hiertoe wordt in ieder geval een onderscheid aangebracht tussen tijdelijke en permanente teeltondersteunende voorzieningen en hoge en lage teeltondersteunende voorzieningen.

Schuilgelegenheden

Er is steeds meer behoefte aan schuilgelegenheden voor vee in het buitengebied. Het gaat bijvoorbeeld om paarden, schapen of koeien. Aan het oprichten van een schuilgelegenheid kan behoefte zijn, wanneer het vee een weidegang heeft op een perceel, dat niet direct grenst aan het agrarisch bouwvlak. Aangezien in de geldende bestemmingsplannen reeds mogelijkheden werden geboden voor het oprichten van een schuilgelegenheid, wordt deze mogelijkheid nu opnieuw geboden. Het buiten het agrarisch bouwvlak oprichten van schuilgelegenheden voor vee is daarom onder voorwaarden toegestaan. De volgende voorwaarden zijn hiervoor van toepassing:

  • 1. De oppervlakte mag maximaal 18 m² bedragen;
  • 2. De goothoogte mag maximaal 3 m bedragen;
  • 3. Zowel een kapconstructie als een platte afdekking is toegestaan;
  • 4. De schuilgelegenheid wordt omsloten met tenminste 3 wanden;
  • 5. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van aanwezige landschapswaarden;
  • 6. De nieuwe bebouwing moet voldoen aan de welstandseisen.

Vrijkomende agrarische bebouwing

Uit onderzoek blijkt dat voor het landelijk gebied van Horst aan de Maas tot 2030 circa 20-30% van het de agrarische bedrijven leeg komt te staan. Dit vertaalt zich naar een oppervlakte van 150.000 tot 300.000 m² (bron: 'Vrijkomende agrarische bebouwing in het landelijk gebied', Innovatienetwerk, maart 2014). Dit betekent dat er adequaat moet worden ingespeeld op een grote hoeveelheid aan vrijkomende agrarische bebouwing (VAB). Niet alleen moeten er veel nieuwe functies worden gevonden voor deze VAB's, het heeft ook zijn weerslag op wat er nog valt toe te staan aan nieuw op te richten bebouwing elders.

Voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) is in 2011 een afzonderlijke gemeentelijke beleidslijn opgesteld, welke in 2014 is geactualiseerd. Het VAB-beleid is van toepassing op locaties met een agrarische bouwkavel/bestemming, waar ook een bedrijfswoning aanwezig is. Omdat de bestaande bedrijfswoning ook een bedrijfswoning blijft bij het toekennen van een nieuwe bestemming, blijft er een koppeling tussen de woning en de nieuwe functie. Dat betekent dat degene die het bedrijf heeft, ook in de woning woont.

In beginsel zijn er drie mogelijkheden voor de benutting van vrijkomende agrarische bebouwing:

  • 1. Een nieuw agrarisch bedrijf vestigt zich op de locatie (hervestiging) en gebruikt de bestaande bebouwing;
  • 2. Er vindt functieverandering plaats, waarbij een niet-agrarische functie (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) onder voorwaarden wordt toegestaan binnen bestaande bebouwing;
  • 3. Eén van de hiervoor genoemde opties vindt plaats, waarbij tevens herbouw van bebouwing plaats. Dit houdt in dat er oprichting van (een gemaximeerd aantal vierkante meter) nieuwe bebouwing kan plaatsvinden in ruil voor de sloop van de voormalige agrarische opstallen. Per saldo vindt er substantiële vermindering van het bebouwde oppervlak plaats.

Alle drie de mogelijkheden worden gefaciliteerd, hetzij onder verschillende voorwaarden. Primair is dat de omgevingskwaliteiten er niet op achteruit gaan en bij voorkeur worden verbeterd. Dit kan bijvoorbeeld door ontstening (sloop van bebouwing), een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe functie en een voor het milieu minder zware belasting dan ten opzichte van het voormalige agrarische bedrijf het geval was.

In de regio wordt nader beleid ontwikkeld over de omgang met vrijkomende agrarische bebouwing. Vooruitlopend hierop wordt bekeken of de gemeentelijke beleidslijn nog steeds actueel genoeg is om in te spelen op de toenemende mate van leegstand. Bij de nadere uitwerking van het bestemmingsplan is hier nadere aandacht aan besteed.

De bestaande VAB-locaties worden specifiek aangeduid op de verbeelding. Zodoende kan aan dergelijke locaties extra flexibiliteit worden geboden om in de toekomst andere soorten (niet-agrarische) functies onder voorwaarden toe te staan. Dit betekent dat het makkelijker wordt om het buitengebied van Horst aan de Maas aantrekkelijk te houden, zowel qua uiterlijk (leegstaande bebouwing raakt al snel vervallen) als ook qua vestigingsklimaat.

Niet-agrarische nevenfuncties

Van oudsher zijn agrarische bedrijven gericht op het verkrijgen van een gezinsinkomen door middel van de teelt van gewassen en/of het houden van vee. De laatste jaren richten agrarische bedrijven zich in toenemende mate ook op andere dan deze reguliere agrarische activiteiten. Te denken valt aan agro-toerisme of 'agreatieve' ontwikkelingen, bewerking en verkoop van agrarische producten, et cetera. Een dergelijke neventak kan voor de agrariër een welkome aanvulling betekenen op het inkomen. Ook wordt met deze nieuwe activiteiten ingespeeld op veranderende wensen van de consument en kan een bijdrage worden geleverd aan imagoverbetering van de landbouw in het algemeen. Daarnaast kan er sprake zijn van andere vormen van beroep of bedrijf aan huis, zoals bijvoorbeeld een schoonheidssalon of kinderdagopvang. Dit alles wordt ook wel 'landbouw met verbrede doelstelling' of 'multifunctionele landbouw' genoemd en vormt een wezenlijk onderdeel van de plattelandsvernieuwing. Door deze verbreding kan de sociaal-economische basis van de agrarische sector en van het buitengebied in het algemeen worden versterkt. Van de reeds bestaande activiteiten bij agrarische bedrijven wordt een lijst opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.

Maatvoering

Voor nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf geldt dat deze in beginsel ondergeschikt moeten zijn aan de agrarische hoofdtak. De neventak mag alleen binnen bestaande bebouwing worden gerealiseerd, waarbij maximaal 25% van het bebouwd oppervlakte mag worden benut, tot een absoluut maximum van 200 m². Bij omvangrijke bedrijven kan deze absolute maximummaat van 200 m² in bepaalde gevallen leiden tot te weinig ruimte. Van deze maximummaat van 200 m² kan daarom onder voorwaarden worden afgeweken in het geval het gaat om een verbreding van de bedrijfsvoering zelf (in tegenstelling tot een verbrede doelstelling). Dat betekent dat de nevenfunctie in directe relatie staat met de hoofdfunctie van het agrarische bedrijf, zoals bijvoorbeeld een keuringsstation bij een tuinbouwbedrijf. De maximumgrens van 25% blijft echter wel in alle gevallen gehanteerd.

Opgemerkt wordt dat voor horeca als nevenactiviteit zowel in de regio als gemeentelijk nader beleid wordt uitgewerkt. Het conceptbeleid is in het bestemmingsplan doorvertaald.  

Herbouw is alleen mogelijk als dit een aanzienlijke kwaliteitsverbetering met zich meebrengt. Voor cultuurhistorisch waardevolle gebouwen geldt de volledige oppervlakte van het gebouw als bovenmaat voor de niet-agrarische nevenactiviteit, indien kan worden aangetoond dat dit het behoud van het gebouw ten goede komt. Cultuurhistorisch waardevolle panden worden specifiek als zodanig bestemd.

Wanneer op een agrarisch bedrijf met (niet-agrarische) nevenactiviteiten de agrarische hoofdtak wordt beëindigd, moet in principe ook de neventak worden beëindigd. Wanneer de ondernemer de neventak wenst voort te zetten, moet deze aan de voorwaarden voor hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing voldoen en vindt toetsing plaats door de gemeente. Het gaat dan namelijk om een zelfstandige functie.

Detailhandel

Detailhandel als nevenactiviteit is niet toegestaan. Uitzondering hierop vormt de verkoop van agrarische producten van het eigen bedrijf, of van bedrijven in de directe omgeving, dan wel agrarische producten die zijn bewerkt door het eigen bedrijf, of door bedrijven in de directe omgeving.

Stalling en opslag

In het buitengebied bestaat veelal de behoefte aan ruimte voor opslag, bijvoorbeeld door ZZP-ers die er hun materiaal opslaan, dan wel voor stalling van caravans, kampers, aanhangwagens of boten. Stalling kan onder voorwaarden als nevenactiviteit worden toegestaan. Het moet daarbij gaan om inpandige, statische opslag/stalling. Buitenpandige opslag/stalling en opslag/stalling in kassen is niet toegestaan.

Arbeidsmigranten

In een agrarische gemeente zoals Horst aan de Maas, zijn de arbeidsmigranten ontzettend belangrijk. Zij leveren een positieve bijdrage aan de economie. Voor de arbeidsmigranten zijn diverse huisvestingsmogelijkheden. De gemeente hecht er veel waarde aan dat de huisvesting voor de tijdelijke arbeidsmigranten goed en veilig is. De gemeente heeft als uitgangspunt om de kwaliteit van de huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten goed te regelen. Deze kwalitatieve uitgangspunten zijn destijds vastgelegd in het 'Beleidskader Huisvesting Arbeidsmigranten Gemeente Horst aan de Maas 2010' en daarna opgenomen in het bestemmingsplan 'Huisvesting Arbeidsmigranten', dat in 2013 is vastgesteld. Aan de bestaande regels van de geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen is hiermee een aantal regels toegevoegd. De planregels voorzien in verschillende mogelijkheden om arbeidsmigranten te huisvesten. Uitgangspunt is dat de arbeidsmigranten hun hoofdverblijf elders hebben. Met andere woorden permanente bewoning van een voorziening ten behoeve van huisvesting is niet toegestaan. Dit is in middels een verbodsbepaling in de regels vastgelegd. Deze regels krijgen ook hun doorvertaling in het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied.

Huisvesting arbeidsmigranten in woningen in het buitengebied

Onder voorwaarden is het mogelijk om reguliere woningen in het buitengebied te gebruiken voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Zo komen alle woningen met een woonbestemming hier in beginsel voor in aanmerking, mits er sprake is van een daarop berekende ontsluiting. Ook moet er sprake zijn van arbeidsmigranten die (grotendeels) binnen de gemeente Horst aan de Maas werkzaam zijn. Daarnaast moet de woning voldoen aan de wettelijke eisen met betrekking tot het Bouwbesluit, Bouwverordening. Voor het in gebruik nemen van een woning voor de huisvesting van arbeidsmigranten is op basis van Wabo een omgevingsvergunning vereist. Hiermee is een goed woonklimaat en veiligheid gewaarborgd. De bouwregels van de geldende woonbestemmingen zijn overeenkomstig van toepassing. Parkeergelegenheid moet op eigen erf worden gerealiseerd.

Huisvesting arbeidsmigranten in bestaande vrijkomende bebouwing

Het is onder voorwaarden mogelijk om vrijkomende bebouwing in het buitengebied te gebruiken voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Er moet daarbij sprake zijn van bebouwing in de kernrandzone rondom de dorpen. Ook moet er sprake zijn van een daarop berekende ontsluiting en moeten de arbeidsmigranten (grotendeels) binnen de gemeente Horst aan de Maas werkzaam zijn. Parkeergelegenheid moet op eigen erf worden gerealiseerd.

Huisvesting arbeidsmigranten in nieuw te bouwen gebouwen

De regels voorzien een mogelijkheid om nieuwe voorzieningen te bouwen ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten (niet zijnde reguliere woningen). Dergelijke voorzieningen mogen alleen worden opgericht in de kernrandzone en zijn alleen via een afwijkingsbepaling mogelijk. In deze afwijkingsbepaling staat onder andere diverse onderzoeken moeten worden uitgevoerd. Hiermee moet goed onderbouwd zijn dat het bouwplan milieu hygiënisch en ruimtelijk aanvaardbaar is.

Huisvesting arbeidsmigranten bij agrarische bedrijven

De regels voorzien in een mogelijkheid om structurele voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten te realiseren bij een agrarisch bedrijf. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van bestaande gebouwen en kan nieuw gebouwd worden. Om versnippering te voorkomen mag dit alleen binnen het agrarisch bouwvlak.

Het moet gaan om de huisvesting van de werknemers die op het bestaande agrarische bedrijf werkzaam zijn. Als op een bedrijf sprake is van een structurele huisvesting die gedimensioneerd is op een pieksituatie, is in de dalsituatie - nadat dit schriftelijk aan de aanvrager is bevestigd en zonder dat de aanvrager daaraan blijvende rechten kan ontlenen - huisvesting van werknemers van andere bedrijven eveneens mogelijk.

Indien sprake is van een structurele voorziening bij het bedrijf zijn tijdelijke voorzieningen in de vorm van woonunits in principe niet toegestaan. In het geval er sprake is van een piekperiode van maximaal 4 maanden (per 12 maanden) is, nadat dit schriftelijk aan de aanvrager is bevestigd, zonder dat de aanvrager daaraan blijvende rechten kan ontlenen tijdelijke huisvesting (in de vorm van woonunits) van de werknemers die op het bedrijf werkzaam zijn onder voorwaarden mogelijk.

Woon- en leefklimaat

Gewasbeschermingsmiddelen

De land- en tuinbouw in ons land maakt regelmatig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit gebruik kan zorgen voor een belasting van bodem, water en lucht. Behalve de belasting voor het milieu bestaan er ook al jaren zorgen van omwonenden dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een gezondheidsrisico voor de mens vormt.

Er zijn geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen als voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. In de regel wordt een afstand van 50 m tussen de boomgaard en een gevoelig object in acht genomen. Bij een afstand van 50 m wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de volksgezondheid.

Hoewel er geen wetgeving over aan te houden afstanden bestaat, moeten milieubelangen worden meegewogen bij het bepalen van ruimtelijke keuzes om op die manier te zorgen voor een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat. Om die reden kunnen mogelijke conflictsituaties worden voorkomen door gebruik te maken van zonering.

Hierbij is de keuze gemaakt om geen specifieke zonering op de verbeelding op te nemen, maar in de specifieke gebruiksregels in de bestemming 'Agrarisch met waarden' is wel aandacht geschonken aan gewasbeschermingsmiddelen. D.w.z.: het gebruik van de gronden mag het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig aantasten.

Doordat omschakeling van het soort teelt doorgaans niet vergunningplichtig is, bestaat er geen toetsmoment waarop dergelijke nieuwe situaties worden beoordeeld. Voor zover sprake is van een omschakeling van teelt door een agrariër, waardoor wellicht gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden waar dat voorheen niet het geval was, is het vooral de verantwoordelijkheid van de agrariër rekening te houden met de directe omgeving van zijn akkers.

Agrarische gronden en gronden met een natuur-, bos- of groenbestemming worden niet aangemerkt als voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten. Natte natuurparels kunnen echter wel degelijk hinder ondervinden van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, door middel van opname via het grondwater. In de directe omgeving van natte natuurparels wordt de vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen daarom gestimuleerd.

Fijnstof

Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De verontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen, zoals het gemotoriseerde verkeer, industriële en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigende stoffen. Vanwege de grote hoeveelheid agrarische bedrijven in Horst aan de Maas, wordt in deze paragraaf specifiek ingegaan op fijnstof vanuit agrarische bedrijven.

Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn:

  • Regels opgesteld die de uitstoot van verontreinigende stoffen door de industriële en agrarische inrichtingen en het gemotoriseerde verkeer beperken.
  • Grenswaarden opgesteld waaraan de kwaliteit van de buitenlucht moet voldoen.

Vooral de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn vaak beperkend bij het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. Uitgangspunt is dat een project niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. De normen voor luchtkwaliteit staan in de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitsnormen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
  • Een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
  • Een project draagt slechts in 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
  • Een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de huidige luchtkwaliteit in het plangebied. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteitsnormen uit de Wet milieubeheer. Dit wordt als zodanig geborgd in de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden van dit bestemmingsplan.

4.4 Paardenhouderijen

Type bedrijven

De paardensector wordt apart genoemd. Dit heeft te maken met de aard van de verschillende bedrijven, waarbij in hoofdlijnen een onderscheid kan worden gemaakt in agrarische bedrijven en recreatieve bedrijven. In het buitengebied van Horst aan de Maas komen alle twee van de hiervoor genoemde typen paardenhouderijen voor:

  • 1. De agrarische paardenhouderij kan bestaan uit een 'productiegerichte paardenhouderij', een 'gebruiksgerichte paardenhouderij' of een mengvorm van deze twee variantien. Een 'productiegerichte paardenhouderij' betreft een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden. Hieronder vallen bijvoorbeeld de paardenfokkerij, -melkerij en de hengstenhouderij.

    Een 'gebruiksgreichte paardenhouderij' betreft een paardenhouderij waar het rijden of mennen van paarden primair gericht is op de ruiter/amazone/menner. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een pensionstal. Deze bedrijven zijn dus niet in hoofdzaak gericht op het voortbrengen van een agrarisch product. Desondanks is er wel een duidelijke binding met het buitengebied.

    Voor deze bedrijven is een agrarische bestemming opgenomen, met een aanduiding als grondgebonden veehouderij. Hier is dus zowel een paardenhouderij als een grondgebonden veehouderij toegestaan.
  • 2. Het tweede type paardenhouderij is de recreatieve paardenhouderij. Hieronder valt de manege. Een manege is hoofdzakelijk gericht op het dagrecreatieve aspect van de paardenhouderij, namelijk de sport (rijden en geven dan wel krijgen van instructies). Vaak zijn hierbij ook ondergeschikte horecavoorzieningen aanwezig. Een manege heeft een duidelijk grotere verkeersaantrekkende werking dan de productiegerichte en (in mindere mate) de gebruiksgerichte paardenhouderij, vanwege het hoge(re) aantal bezoekers. Voor deze bedrijven is, overeenkomstig de SVBP, een sportbestemming opgenomen.

Nieuwvestiging

Met 'nieuwvestiging' wordt het oprichten van een nieuw paardenhouderij (in brede zin, dus zowel productiegericht, gebruiksgericht als recreatief gericht) op een voorheen onbebouwde locatie bedoeld. Doordat nieuwvestiging grote gevolgen kan hebben, bijvoorbeeld op de Natura 2000-gebieden in de omgeving, het landschap of nabij gelegen woningen of bedrijven, wordt nieuwvestiging van paardenhouderijbedrijven (welk type dan ook) niet toegestaan.

Hervestiging

Met 'hervestiging' wordt het oprichten van een nieuwe paardenhouderij (in brede zin, dus zowel productiegericht, gebruiksgericht als recreatief gericht) op een reeds bebouwde locatie bedoeld. Ruimtelijk gezien is het wenselijk zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande opstallen. De impact is namelijk veel kleiner dan bij nieuwvestiging, omdat er in de oude situatie al een bedrijf aanwezig was. Hervestiging wordt daarom met recht toegestaan op gelijke locaties (afhankelijk van het type bedrijf bestemd als Agrarisch of Sport) waar reeds een paardenhouderij was toegestaan. Een agrarische paardenhouderij mag zich onder voorwaarden ook vestigen op een bestaand perceel waar voorheen een veehouderijbedrijf was gevestigd. Zolang het aanwezige perceel maar voldoende ruimte biedt voor de nieuwe agrarische activiteiten en er geen sprake kan zijn van significante aantasting van Natura 2000-gebieden.

Uitbreidingsmogelijkheden

Voor uitbreidingsmogelijkheden van agrarische paardenhouderijen worden de uitbreidingsmogelijkheden van grondgebonden veehouderijbedrijven gehanteerd. Dat wil zeggen dat uitbreiding onder voorwaarden tot maximaal 1,5 ha. Ook hierbij is het noodzakelijk dat er geen significante aantasting van Natura 2000-gebieden kan plaatsvinden.

Uitbreidingsmogelijkheden van recreatieve paardenhouderijbedrijven zijn gelijk geschakeld aan de uitbreidingsmogelijkheden van recreatieve bedrijven met de bestemming 'Sport'.

Ontwikkeling Grandorse

De gemeente Horst aan de Maas is door de provincie Limburg aangewezen als een van de koploperomgevingen. De gemeente maakt onderdeel uit van de hippische sportzone in Limburg. Het profiel van de hippische koploperomgeving in Horst aan de Maas is gericht op topsport, breedtesport en evenementen, economische ontwikkelingen en recreatie en toerisme. Het kloppend hart van de koploperomgeving Horst aan de Maas is de ontwikkeling van een hippische zone in Park de Peelbergen, genaamd 'Grandorse'. Park de Peelbergen is een recreatief-landschappelijk ontwikkelgebied langs de Midden Peelweg, dat zich vanaf de A67 in noordelijke richting uitstrekt tot de vakantieparken van Centerparcs.

In 'Grandorse' vormt het Equestrian Centre De Peelbergen (hierna: ECdP) de centraal gelegen topvoorziening. Het ECdP is qua omvang en hoogwaardige faciliteiten voor handel, training en wedstrijden een toplocatie op internationaal niveau. Met de opening van het ECdP is internationale belangstelling ontstaan voor de vestiging van nieuwe paardenhouderijen. Het ECdp fungeert al enorm vliegwiel. Daarnaast bestaat de ambitie om met enige regelmaat (internationele) wedstrijden en kampioenschappen voor diverse hippische sporten te organiseren.

Ten behoeve van 'Grandorse' voorziet dit bestemmingsplan in een equiduct en een evenementenzone waarbinnen routegebonden dagrecreatieve activiteiten ten behoeve van de hippische sport zijn toegestaan. Om de verdere plannen te kunnen realiseren zal een apart planologisch besluit worden genomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0023.png"

Bedrijfswoning

In beginsel is één bedrijfswoning per bedrijf toegestaan. Deze mag met recht een maximale inhoud van 1.000 m³ hebben. Verder is voor het bouwen van woningen in het buitengebied de (geactualiseerde) 'Beleidslijn Groter Bouwen in het Buitengebied' van toepassing. Deze regeling heeft in het kader van dit bestemmingsplan overigens alleen betrekking op bedrijfswoningen die planologisch al mogelijk zijn gemaakt in de bestaande bestemmingsplannen, maar nog niet zijn gerealiseerd. Voor het overige maakt dit bestemmingsplan de nieuwbouw van (bedrijfs- en burger)woningen namelijk niet mogelijk.

De goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen mogen maximaal 7 m respectievelijk 11 m bedragen.

Ten behoeve van de huisvesting van grooms/stagiaires en/of buitenlandse ruiters bij een paardenhouderij is in de agrarische bestemming een regeling opgenomen waarin het gebruik van de gronden voor ten behoeve van longstay-appartementen mogelijk wordt gemaakt.

4.5 Wonen

Burgerwoningen

Algemeen

In beginsel is per bestemmingsvlak één burgerwoning toegestaan, tenzij anders is aangegeven. Aangezien het onderscheid tussen agrarische bedrijfswoningen en burgerwoningen steeds kleiner wordt (veel voormalige agrarische bedrijfswoningen worden inmiddels door burgers bewoond), heeft de gemeente in het verleden al de maximale inhoudsmaat van burgerwoningen gelijk getrokken met de maat van agrarische bedrijfswoningen. Dit betekent dat bestaande woningen met recht mogen worden uitgebreid tot een maximum van 1.000 m³. Voor bestaande woningen met een grotere inhoudsmaat geldt de grotere inhoudsmaat. Ook voor burgerwoningen geldt de (geactualiseerde) 'Beleidslijn Groter Bouwen in het Buitengebied'. Deze regeling heeft in het kader van dit bestemmingsplan overigens alleen betrekking op woningen die planologisch al mogelijk zijn gemaakt in de bestaande bestemmingsplannen, maar nog niet zijn gerealiseerd. Voor het overige maakt dit bestemmingsplan de nieuwbouw van (bedrijfs- en burger)woningen namelijk niet mogelijk. De goot- en bouwhoogte van woningen mogen maximaal 7 m respectievelijk 11 m bedragen.

Woningsplitsing

Het splitsen van een bestaande woning in meerdere woningen is onder voorwaarden toegestaan binnen rijks- en gemeentelijke monumenten, of binnen een cultuurhistorisch waardevol pand. In dat geval is splitsing van het hele pand in meerdere woningen toegestaan tot een maximum van drie wooneenheden, met elk een minimale inhoudsmaat van 350 m³. De te realiseren woning moet in ieder geval ook passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma.

Bijbehorende bouwwerken

Onder het begrip 'bijbehorende bouwwerken' vallen op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor) alle uitbreidingen van een hoofdgebouw, aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Ook vallen er overkappingen onder die vanwege het ontbreken van wanden niet als gebouw aangemerkt kunnen worden. Verder vallen er andere bouwwerken met een dak onder, die vanwege een te geringe stahoogte niet als gebouw aangemerkt kunnen worden.

De gezamenlijke toegestane oppervlakte bedraagt 150 m², waarbij tevens een bebouwingspercentage van maximaal 50% van het erf geldt. De goot- en bouwhoogte mogen maximaal 3,5 m respectievelijk 6 m bedragen.

Aan huis verbonden beroep en bedrijf

Het is toegestaan bij burgerwoningen een beroep aan huis uit te oefenen. Het moet gaan om beroepen die qua aard, omvang en intensiteit passend zijn bij de woonfunctie. De gebruiker van de woning moet ook degene zijn die de beroepsmatige activiteit uitvoert. Daarbij geldt dat niet meer dan 1/3 van het totale vloeroppervlak van de aanwezige bebouwing mag worden gebruikt, met een maximum van 100 m².

Een bedrijf aan huis is alleen onder voorwaarden worden toegestaan. Hiervoor wordt een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, met dezelfde uitgangspunten als voor een beroep aan huis. Voor reeds bestaande bedrijven aan huis wordt een lijst opgenomen. Aanvullend wordt in de bijlage van het bestemmingsplan een lijst opgenomen met bedrijven die middels de afwijkingsbevoegdheid kunnen worden toegestaan. Detailhandel of horeca aan huis is niet toegestaan.

Paardenbakken 

Evenals bij agrarische bedrijven is ook bij burgerwoningen in het buitengebied steeds vaker de vraag te horen of paardenbakken kunnen worden toegestaan. Hoewel het houden van paarden een duidelijke binding heeft met het buitengebied, is vanwege de rommelige uitstraling van paardenbakken een nadere regeling in het bestemmingsplan wenselijk.

Hierbij is de keuze gemaakt om paardenbakken binnen de woonbestemming toe te staan (mits het woonperceel ten minste 2.500 m² bedraagt) en met een afwijkingsbevoegdheid ook direct aansluitend aan het bestemmingsvlak voor Wonen. De voorwaarden zijn vergelijkbaar als bij agrarische bedrijven (o.a. zorgvuldige landschappelijke inpassing).

Schuilgelegenheden

Evenals bij agrarische bedrijven, kunnen ook zogenaamde 'hobbyboeren' behoefte hebben aan schuilgelegenheden voor het vee. Het gaat bijvoorbeeld om paarden, schapen of koeien bij een burgerwoning. Aan het oprichten van een schuilgelegenheid kan behoefte zijn, wanneer het vee een weidegang heeft op een perceel, dat niet direct grenst aan de woonbestemming. In de geldende bestemmingsplannen werden reeds mogelijkheden geboden voor het oprichten van een schuilgelegenheid bij agrarische bedrijven buiten het bouwvlak. Deze regeling wordt nu breder getrokken. Het buiten de woonbestemming oprichten van schuilgelegenheden voor vee is daarom onder voorwaarden toegestaan. De volgende voorwaarden zijn hiervoor van toepassing:

  • 1. De oppervlakte mag maximaal 18 m² bedragen;
  • 2. De goothoogte mag maximaal 3 m bedragen;
  • 3. Zowel een kapconstructie als een platte afdekking is toegestaan;
  • 4. De schuilgelegenheid wordt omsloten met ten minste 3 wanden;
  • 5. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van aanwezige landschapswaarden;
  • 6. De nieuwe bebouwing moet voldoen aan de welstandseisen.

Mantelzorg

Door bezuinigingen op de zorg en de stijging van de kosten voor het wonen in zorginstellingen is een mantelzorgwoning op de lange termijn een goedkopere oplossing. Een mantelzorgwoning is een zelfvoorzienende woning voor hulpbehoevenden die bijvoorbeeld in de tuin van een mantelzorger geplaatst kan worden, of in reeds bestaande bebouwing mogelijk gemaakt kan worden. Door de mantelzorgwoning kunnen mensen met een beperking toch zelfstandig wonen en wordt het werk van een mantelzorger verlicht. De woning kan volledig worden aangepast aan de zorgwens van de bewoner(s) en diens mantelzorger(s).

Naar verwachting gaan in de toekomst meer mensen voor deze oplossing kiezen.

Met de aanpassing van het Besluit omgevingsrecht in 2014 is het bouwen en/of gebruiken van bouwwerken ten behoeve van mantelzorg mogelijk gemaakt en in veel gevallen uitgezonderd van de vergunningplicht. Om die reden is in dit bestemmingsplan geen regeling opgenomen voor mantelzorg.

4.6 Niet-agrarische bedrijven

Type bedrijven

Niet-agrarische bedrijven zijn in te delen in diverse categorieën. Zo zijn er bedrijven die een functionele binding hebben met het buitengebied, bedrijven die geen functionele binding hebben met het buitengebied, maar qua aard en omvang daar wel het beste passen, detailhandelsbedrijven en overige bedrijven.

Bedrijven met functionele binding aan het buitengebied

Agrarische hulpbedrijven zijn bedrijven die goederen en/of diensten leveren aan agrarische bedrijven. Deze bedrijven hebben een duidelijke functionele binding met het buitengebied. Het gaat veelal om loonbedrijven, veetransportbedrijven, vee- en fouragehandel, kleinschalige mestverwerkingsbedrijven en dergelijke. Aan de bedrijven met een duidelijke, functionele binding aan het buitengebied wordt meer ruimte geboden dan aan de overige niet-agrarische bedrijven.

Tot agrarische hulpbedrijven worden gerekend:

  • een bedrijf dat gericht is op het opslaan van producten die afkomstig zijn van agrarische bedrijven;
  • een bedrijf dat gericht is op de ver- en bewerking van agrarische producten;
  • een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur (zoals loonbedrijven).

Agrarisch verwante bedrijven

Bij de agrarisch verwante bedrijven valt te denken aan een dierenkliniek, dierenpension of een hoveniersbedrijf. Deze bedrijven zijn in principe aan het buitengebied gebonden en ook hieraan wordt meer ruimte geboden dan aan overige niet-agrarische bedrijven.

Detailhandel

Detailhandel hoort van oorsprong niet thuis in het buitengebied. Het heeft doorgaans geen binding met het buitengebied en kent al snel een grote verkeersaantrekkende werking. Daarom is nieuwvestiging van detailhandel in principe niet toegestaan. Uitzondering op het voorgaande zijn nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven, in de vorm van de verkoop van eigen producten. Bestaande, legale detailhandelsbedrijven blijven wel toegestaan.

Tuincentra

Tuincentra passen gezien hun aard beter in het buitengebied dan sommige andere vormen van detailhandel. Doordat tuincentra in de regel een aanzienlijke omvang hebben, moet worden voorkomen dat, bij eventuele beëindiging, een ander soort detailhandelsbedrijf zich op de locatie kan vestigen. Bestaande tuincentra worden daarom positief bestemd, met aanvullend een aanduiding waardoor alleen tuincentra op die plek zijn toegestaan. Omschakeling naar een ander type niet-agrarisch bedrijf is alleen onder voorwaarden toegestaan.

Overige bedrijvigheid

De overige niet-agrarische bedrijven hebben geen binding met het buitengebied en worden zoveel mogelijk uit het buitengebied geweerd, met uitzondering van niet-agrarische bedrijven die in vrijkomende agrarische bebouwing kunnen worden gerealiseerd. Aan dit VAB-beleid zijn wel de nodige voorwaarden verbonden. Zo mag er bijvoorbeeld geen hinder ontstaan voor omliggende bedrijven, mag er geen sprake zijn van onevenredige toename van verkeersbewegingen en zijn uitsluitend bedrijven van milieucategorie 1 of 2 toegestaan. Bestaande, legale bedrijven zijn uiteraard wel toegestaan en krijgen een bedrijfsbestemming, met nadere aanduiding voor het type bedrijf.

Wijze van bestemmen

De bestaande niet-agrarische bedrijven wordt een bedrijfsbestemming toegekend, met een nadere aanduiding om aan te geven wat voor bedrijf het is. Aanvullend wordt geregeld dat binnen de aanwezige bedrijfsbestemmingen naast het aangeduide bedrijf ook overige niet-agrarische bedrijven van milieucategorie 1 en 2 zijn toegestaan. Op deze wijze kan omschakeling naar een ander type bedrijf makkelijk worden gerealiseerd. Bestaande detailhandelsbedrijven krijgen geen bedrijfsbestemming, maar een eigen detailhandelsbestemming.

Ten behoeve van de niet-agrarische bebouwing wordt, in tegenstelling tot agrarische bedrijfsbebouwing, in de geldende bestemmingsplannen juist wel een maximum gesteld aan de totale oppervlakte van gebouwen. Dit heeft te maken met het feit dat niet-agrarische bedrijven over het algemeen niet in het buitengebied thuishoren, met uitzondering van bijvoorbeeld de agrarisch aanverwante bedrijven of bedrijven met een functionele binding met het buitengebied. Hiertoe zijn in het verleden lijsten opgenomen in de geldende bestemmingsplannen, waarbij per adres is aangegeven hoeveel vierkante meter aan bebouwing is toegestaan.

In de praktijk is gebleken dat dit niet prettig werkt en is gezocht naar een nieuwe systematiek. Gekozen is om, in plaats van per adres de oppervlakte vast te leggen voor ieder niet-agrarisch bedrijf, uit te gaan van de bestaande, legaal tot stand gekomen oppervlakte aan bebouwing (zogenoemde 'verbale regeling'). Voor een beperkt aantal bedrijven kan sprake zijn van een bouwvlak op de verbeelding, wanneer dit vanuit ruimtelijk oogpunt wenselijk blijkt te zijn voor de nadere invulling van het perceel.

De toegestane goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedragen maximaal 7 meter respectievelijk 11 meter, tenzij de bestaande hoogtematen al hoger zijn. In dat geval zijn de bestaande hoogtematen toegestaan.

Bedrijfswoningen

In beginsel is één bedrijfswoning per bedrijf toegestaan, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven. Bedrijfswoningen mogen met recht een maximale inhoud van 1.000 m³ hebben. Verder is voor het bouwen van woningen in het buitengebied de (geactualiseerde) 'Beleidslijn Groter Bouwen in het Buitengebied' van toepassing. Deze regeling heeft in het kader van dit bestemmingsplan overigens alleen betrekking op bedrijfswoningen die planologisch al mogelijk zijn gemaakt in de bestaande bestemmingsplannen, maar nog niet zijn gerealiseerd. Voor het overige maakt dit bestemmingsplan de nieuwbouw van (bedrijfs- en burger)woningen namelijk niet mogelijk. De goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen mogen maximaal 7 meter respectievelijk 11 meter bedragen.

Uitbreidingsmogelijkheden

Voor bestaande niet-agrarische bedrijven geldt in beginsel dat de huidige oppervlakte aan bebouwing de maximum toegestane oppervlakte bedraagt, mits deze legaal tot stand is gekomen. Uitbreiding is alleen mogelijk onder strikte voorwaarden. Wanneer blijkt dat er geen andere mogelijkheden zijn dan uitbreiding ter plekke (verplaatsing naar een bedrijventerrein is geen optie en de Ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen), dan is uitbreiding alleen mogelijk wanneer, naast een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing, ook een kwaliteitsbijdrage geleverd wordt. Via deze kwaliteitsbijdrage wordt de ingreep gecompenseerd. Het maximum aan uitbreiding dat wordt geboden is 10%.

Nieuwvestiging

Nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied - in de zin van volledig nieuw op te richten bebouwing - is in principe niet toegestaan. Wel kan het worden toegestaan een niet-agrarisch bedrijf te vestigen binnen vrijgekomen agrarische bebouwing. Hieraan worden echter nadere voorwaarden gesteld, zoals het niet mogen belemmeren van omliggende agrarische bedrijven en er mag geen sprake zijn van een significante verkeersaantrekkende werking.

4.7 Maatschappelijke voorzieningen

Wijze van bestemmen

De bestaande maatschappelijke voorzieningen, zoals de gemeentewerf of een zorgboerderij, wordt een maatschappelijke bestemming toegekend, met een nadere aanduiding om aan te geven om wat voor voorziening het gaat. De toegestane goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen verschillen per maatschappelijke voorziening en zijn voor elke voorziening apart op de verbeelding opgenomen.

Bedrijfswoningen

Het is in beginsel niet toegestaan om een bedrijfswoning bij een maatschappelijke voorziening te hebben. Veel maatschappelijke voorzieningen hebben namelijk geen functie waar dag en nacht toezicht nodig is, zoals wel het geval is bij een agrarisch bedrijf. Het oprichten van een bedrijfswoning is dan ook niet toegestaan. Voor zover er nu al bestaande bedrijfswoningen aanwezig zijn, blijven deze wel toegestaan, door middel van een specifieke aanduiding.

Uitbreidingsmogelijkheden

Aangezien bepaalde maatschappelijke voorzieningen een relatief grote omvang hebben (denk aan een gemeentewerf of een gevangenis), worden uitbreidingsmogelijkheden niet met recht toegestaan. Het is wel mogelijk om onder voorwaarden uit te breiden, met een maximum van 10% van de bestaande, legaal tot stand gekomen bebouwing.

Nieuwvestiging

Veel maatschappelijke voorzieningen kennen geen functionele binding met het buitengebied. Daarnaast leidt nieuwvestiging mogelijk tot een ongewenste toename van bebouwing. Het is daarom niet zondermeer toegestaan om nieuwe maatschappelijke voorzieningen op te richten. Nieuwvestiging binnen vrijgekomen agrarische bebouwing kan, onder voorwaarden, wel worden toegestaan.

4.8 Recreatie en toerisme

Typen bedrijven

Recreatiebedrijven zijn onder te verdelen in een diverse hoofdcategorieën. Zo zijn er bedrijven die gericht zijn op kortdurend recreatief verblijf (doorgaans maximaal 1 dag) en bedrijven die gericht zijn op langdurig(er) recreatief verblijf (sprake van minimaal één overnachting).

Dagrecreatie

Dagrecreatieve bedrijven en locaties zijn bedoeld voor kortdurend recreatief verblijf. Het betreft bijvoorbeeld visvijvers en volkstuinen.

Verblijfsrecreatie

Onder verblijfsrecreatie worden de reguliere kampeer- en caravanterreinen en terreinen voor recreatiewoningen verstaan, maar ook enkele bijzondere vormen van verblijfsrecreatie, zoals kleinschalig kamperen en trekkershutten.

Sport

Hoewel sportaccommodaties doorgaans dagrecreatief van aard zijn, zijn ze wel apart vernoemd. Het betreft hoofdzakelijk sportvelden, golfbanen en maneges. De reden dat deze apart zijn bestemd, heeft vooral te maken met het produceren van geluid en licht richting de omgeving. Daarnaast geldt er een andere bouwregeling voor, omdat er doorgaans sprake is van een clubgebouw al dan niet met ondergeschikte horeca (kantine). Hiermee wijken sportaccommodaties wezenlijk af van andere dagrecreatieve bedrijven.

Horeca

De vierde categorie zijn de horecabedrijven. Het betreft, zoals de naam al aangeeft, de hotels, restaurants en cafés. Horecabedrijven hebben in principe geen functionele binding met het buitengebied, maar kunnen wel profiteren van de ligging in mooie omgeving. Binnen de horeca is overigens een verschil in categorieën ten aanzien van de invloed op de omgeving. Zo leidt een discotheek sneller tot overlast dan bijvoorbeeld een restaurant.

Routegebonden recreatie

Naast de verschillende recreatieve bedrijven is er ook sprake van routegebonden recreatie in het plangebied. Het gaat om extensieve dagrecreatie, waaronder wandel-, fiets- en ruiterpaden. Onder andere het 'Pieterpad', de langste Lange-Afstands-Wandelroute van Nederland dat van Pieterburen (Noord Groningen) naar de Sint-Pietersberg (Zuid Limburg) loopt, doorkruist Horst aan de Maas via Grubbenvorst en Swolgen.

Wijze van bestemmen

Dagrecreatie

Dagrecreatieve bedrijven en locaties worden bestemd als 'Recreatie - Dagrecreatie'. Daarbij wordt een aanduiding opgenomen, om aan te geven om wat voor type dagrecreatie het gaat.

Verblijfsrecreatie

Verblijfsrecreatieve bedrijven worden bestemd als 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Ook hierbij wordt een aanduiding opgenomen om aan te geven om wat voor type verblijfsrecreatie het gaat (bijvoorbeeld 'kampeerboerderij', 'kampeerterrein', of 'specifieke vorm van recreatie - camperstandplaats'). Verblijfsrecreatie, dat ondergeschikt is aan een hoofdfunctie (bijvoorbeeld kamperen bij de boer, of een bed & breakfast bij een woning) wordt niet specifiek bestemd. Recreatiewoningen worden ook apart aangeduid, door middel van de aanduiding 'recreatiewoning'.

Sport

Voor de diverse aanwezige sportaccommodaties in het plangebied (zoals golfbanen, maneges en sportvelden) wordt de bestemming 'Sport' opgenomen.

Horeca

De verschillende bestaande horecagelegenheden worden specifiek bestemd als 'Horeca'. Het betreft alleen de horecagelegenheden die horeca als hoofdfunctie hebben. Bestaande horecagelegenheden die ondergeschikt zijn aan een recreatieve functie (bijvoorbeeld een café of een theetuin, als onderdeel van een camping), vallen binnen de recreatieve bestemming, dan wel de sportbestemming.

De toegestane goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bij alle typen recreatieve bedrijven bedragen maximaal 6 meter respectievelijk 10 meter, tenzij anders is aangegeven op de verbeelding.

Routegebonden recreatie

Aangezien recreatieroutes doorgaans voor extensief recreatief gebruik zijn, wordt hiervoor geen eigen bestemming opgenomen. In de aanwezige hoofdbestemmingen voor het buitengebied (de agrarische en natuurbestemmingen) wordt recreatief medegebruik toegestaan en behoort de aanleg van onverharde paden tot de mogelijkheid. Voor het aanleggen van verharde paden is een vergunning nodig.

Bedrijfswoningen

Doordat geen sprake is van een doorlopend benodigd toezicht, zoals bij agrarische bedrijven, is het oprichten van een nieuwe bedrijfswoning bij een dagrecreatief bedrijf, dagrecreatieve locatie, sportaccommodatie of horeca niet toegestaan. Bestaande woningen die legaal tot stand zijn gekomen blijven wel toegestaan. Hiertoe is de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen' opgenomen.

Bij maneges wordt een uitzondering gemaakt voor het toestaan van een nieuwe bedrijfswoning. Dat betekent dat in beginsel één bedrijfswoning kan worden toegestaan, voor zover er sprake is van de aanwezigheid van stallen waar permanente stalling van paarden in plaatsvindt. Deze aanwezigheid wordt gekoppeld aan een datum (voorstel: peildatum 1 januari 2015), zodat het in de toekomst oprichten van een kleinschalige stal bij een manege niet automatisch het recht geeft op het realiseren van een bedrijfswoning.

Bij verblijfsrecreatieve bedrijven is in beginsel één bedrijfswoning toegestaan, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven. De bedrijfswoning mag met recht een maximale inhoud van 1.000 m³ hebben. De (geactualiseerde) 'Beleidslijn Groter Bouwen in het Buitengebied' is hierop van toepassing. Deze regeling heeft in het kader van dit bestemmingsplan overigens alleen betrekking op bedrijfswoningen die planologisch al mogelijk zijn gemaakt in de bestaande bestemmingsplannen, maar nog niet zijn gerealiseerd. Voor het overige maakt dit bestemmingsplan de nieuwbouw van (bedrijfs- en burger)woningen namelijk niet mogelijk. De goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen mogen maximaal 7 m respectievelijk 11 m bedragen.

Uitbreidingsmogelijkheden

Uitbreidingsmogelijkheden van recreatieve bedrijven zijn niet met recht toegestaan. In de geldende bestemmingsplannen was dit eveneens niet toegestaan en deze lijn is doorgezet in dit bestemmingsplan. Voor eventuele uitbreiding zal een eigen procedure moeten worden gevolgd, waarbij het nodige maatwerk kan worden toegepast ten aanzien van bijvoorbeeld landschappelijke inpassing.

Nieuwvestiging

De gemeente beschikt met de Visie (verblijfs)recreatie en horeca over een specifiek beleidskader ten aanzien van (verblijfs)recreatie en horeca en de nieuwvestiging daarvan. Beleidsmatig bestaan op basis hiervan (beperkte) mogelijkheden voor het oprichten van nieuwe accommodaties, binnen bepaalde delen van het buitengebied. Nieuwe accommodaties (op voorheen onbebouwde locaties) moeten echter aan diverse voorwaarden voldoen, omdat ze een grote impact op de omgeving kunnen hebben (landschap, omliggende bedrijven, burgerwoningen, verkeersaantrekkende werking, etc.). Om deze reden is nieuwvestiging niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan. Hiervoor zal een eigen procedure moeten worden doorlopen.

Bed & breakfast-accommodaties kunnen onder voorwaarden wel binnen bestaande bebouwing onder worden toegestaan. Deze hebben namelijk een veel minder grote impact op de omgeving vanwege de kleinschaligheid en het feit dat dergelijke accommodaties doorgaans als nevenactiviteit worden geëxploiteerd bij een niet-recreatieve hoofdfunctie (zoals wonen).

Permanente bewoning van een recreatiewoning

Een recreatiewoning of -appartement is bedoeld voor recreatieve doeleinden ten behoeve van steeds wisselende personen of groepen van personen voor een bepaalde duur en tegen een bepaalde vergoeding. Het permanent bewonen van dergelijke accommodaties valt hier niet onder en vormt tegelijkertijd een risico voor de woningbouwcontingenten van de gemeente. Het permanent bewonen van een recreatiewoning is daarom niet toegestaan. In het verleden is voor bestaande bewoning hiervan in bepaalde gevallen afgeweken door het afgeven van een gedoogbeschikking. Deze gedoogbeschikkingen blijven gerespecteerd, omdat zij een tijdelijke aard hebben en daarom eindig zijn. Het beleid van de gemeente is echter dat gedoogbeschikkingen voor nieuwe gevallen van bewoning van recreatiewoningen of - appartementen niet meer worden afgegeven.

4.9 Bos en Natuur

Wijze van bestemmen

Bestaande bos- en natuurgebieden worden naar hun aard bestemd. Daarbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan. Bij de wijze van bestemmen wordt een onderscheid gemaakt tussen bos- en natuurgebieden met een overwegend ecologische waarde en bossen die bedoeld zijn voor de productie. Bij laatstgenoemde is de ecologische waarde ondergeschikt aan de productiewaarde. Productiebossen in de bosbouw kenmerken zich vaak door een strakke ordening, de bomen staan in rijen, vaak dicht op elkaar. De bospercelen die zijn gelegen binnen de provinciale Goudgroene natuurzone zijn voorzien van de bestemming 'Natuur'. Deze bospercelen hebben een duidelijke ecologische waarde.

Goudgroene natuurzone

In de goudgroene natuurzone staat beschermen en versterken van de natuur centraal, met bijzondere aandacht voor de Natura 2000-gebieden en de natuurbeken. Ook de hydrologisch gevoelige natuurgebieden (waaronder de natte parels) vragen om aandacht. Voor deze gebieden geldt op basis van provinciaal beleid een 'nee, tenzij'-benadering. Om ontwikkelingen tegen te gaan, die kunnen leiden tot significante aantasting van de aanwezige natuurwaarden, wordt voor deze gebieden een dubbelbestemming opgenomen ('Waarde - Zone goudgroene natuurzone'). Overeenkomstig de 'nee, tenzij'-benadering zijn ontwikkelingen alleen mogelijk wanneer er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en is aangegeven hoe de negatieve effecten worden beperkt en dan wel worden gecompenseerd.

Zilvergroene natuurzone

De zilvergroene natuurzone omvat landbouwgebieden met grote kansen voor natuurontwikkeling en natuurbeheertaken, die vooral met middelen uit de regio moeten worden benut. Onomkeerbare ontwikkelingen moeten hier op basis van provinciaal beleid worden voorkomen. Om onomkeerbare ontwikkelingen tegen te gaan, wordt voor deze gebieden een dubbelbestemming opgenomen ('Waarde - Zone zilvergroene natuurzone'). Hiermee worden bepaalde ontwikkelingen binnen deze zones alleen onder voorwaarden toegestaan.

Bronsgroene landschapszone

De bronsgroene landschapszone, veelal geconcentreerd in en rond beekdalen en bestaat uit landschappelijk aantrekkelijke gebieden met een veelheid aan functies. De beken en beekdalen moeten klimaatbestendig zijn, dus toekomstige pieken en droogteperioden in de regionale waterafvoer kunnen opvangen, en invulling geven aan de Europese doelen. Ze bieden ruimte voor een duurzame ontwikkeling van grondgebonden land- en tuinbouw. Het is belangrijk om de specifieke kwaliteiten van het landschap, de kernkwaliteiten, te koesteren en monumentaal erfgoed te optimaal te gebruiken. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Ontwikkelingen die plaatsvinden binnen deze zones, mogen geen afbreuk doen aan de kernkwaliteiten, maar moeten die juist, voor zover mogelijk, versterken. Voor deze gebieden wordt daarom een dubbelbestemming opgenomen ('Waarde - Zone bronsgroene landschapszone').

Stiltegebieden

In het buitengebied komen meerdere stiltegebieden voor. Deze gebieden zijn in het bestemmingsplan voorzien van de aanduiding 'Milieuzone - stiltegebied'. Ter plaatse van deze aanduiding zijn nieuwe storende gebruiksvormen uitgesloten, behalve indien het beoogde gebruik geen akoestische verstoring tot gevolg heeft, e.e.a. met uitzondering gebiedseigen geluid. Nieuwe ontwikkelingen die bij het karakter van het gebied passen, te weten agrarische activiteiten en stille vormen van recreatie, zijn toegestaan.

4.10 Landgoederen

Wijze van bestemmen

In het verleden werden de landgoederen met een eigen bestemming 'Landgoed' bestemd in de geldende bestemmingsplannen. Binnen de systematiek van de verplichte Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bestaat deze bestemming niet meer. De individuele onderdelen van het landgoed moeten daarom apart worden bestemd. Aangezien het landhuis doorgaans aanzienlijk groter is dan een reguliere burgerwoning en er vaak ook meer wordt toegestaan aan bijgebouwen, wordt hiervoor een eigen bestemming opgenomen ('Wonen - Landhuis'). Overige functies worden bestemd overeenkomstig de functie (natuur, bos, agrarisch, bedrijf, etc.). De wijze van bestemmen zal hierdoor per landgoed verschillen.

Om landgoederen desondanks toch goed zichtbaar aan te geven in bestemmingsplannen, wordt over alle afzonderlijke bestemmingen (de tot het landgoed behorende gronden/functies) een dubbelbestemming gelegd ('Waarde - Landgoed'). Zo is in één opslag te zien welke gronden tot het landgoed behoren en dreigt niet het gevaar dat ontwikkelingen afzonderlijk beoordeeld worden. Daarnaast kan op deze manier goed worden ingespeeld op ontwikkelingen op en nabij landgoederen. Binnen deze dubbelbestemming kan vervolgens ook de eenheid van het landgoed benadrukt worden, zoals bijvoorbeeld door regelingen voor de instandhouding en ontwikkeling van een veelal kenmerkende lanenstructuur en de aanwezige cultuurhistorische waarden.

Nieuwe economische dragers

Het beheer en onderhoud van een landgoed kost veel geld. Het komt daarom steeds vaker voor dat bestaande landgoederen op zoek moeten gaan naar nieuwe functies, om het landgoed exploitabel te houden. Deze nieuwe economische dragers kunnen ertoe leiden dat het landgoed behouden kan blijven voor toekomstige generaties. Om dit te faciliteren, kunnen nieuwe functies onder voorwaarden worden toegestaan.

Nieuwvestiging

Realisatie van een nieuw landgoed vraagt om veel maatwerk. Welke functies worden toegestaan? Hoeveel natuur wordt gerealiseerd? Hoe groot mag de bebouwing zijn? Het gaat om grootschalige, ingrijpende effecten voor de omgeving, waarvoor ook diverse, uitgebreide onderzoeken noodzakelijk zijn. Ondanks dat de gemeente in veel gevallen een positieve grondhouding heeft ten opzichte van nieuwe landgoederen, wordt nieuwvestiging om die reden niet met mogelijk gemaakt op basis van het bestemmingsplan. Wanneer nieuwe initiatieven worden ontwikkeld, zal daarvoor een eigen procedure moeten worden doorlopen.

4.11 Landschap, bodem en cultuurhistorie

Landschappelijke waarden

De bescherming van de landschappelijke waarden is gekoppeld aan de gebiedsstrategieën uit het Landschapsontwikkelingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0024.png"

gebiedsstrategieën uit het Landschapsontwikkelingsplan

In bijlage 1 bij het LOP zijn de kenmerken van de verschillende landschappelijke deelgebieden beschreven. Deze zijn vertaald naar gebiedsaanduidingen in het bestemmingsplan, die de landschapseenheden van het LOP weergeven, zoals 'overige zone - hoogveen' en 'overige zone - veenontginning'. De instandhouding van de kernkwaliteiten van deze landschapseenheden is vastgelegd in de algemene regels (47.1 Cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden). Tevens is het aanlegvergunningstelsel afgestemd op deze landschapseenheden (Artikel 50 Omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden).

In paragraaf 4.3 van het planMER, zoals dat als Bijlage 4 is opgenomen, is een beschrijving van de kernkwaliteiten van de landschappelijke deelgebieden opgenomen.


Hiermee wordt recht gedaan aan het LOP en de landschappelijke kwaliteiten en is er sprake van een overzichtelijke en eenduidige regeling.

Aardkundige waarden

Algemeen

In de gebieden van (inter)nationaal en provinciaal/regionaal aardkundig belang is behoud en zichtbaarheid van de aardkundige waarden uitgangspunt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In de gebieden met (inter)nationale waarden gelden hogere eisen voor het behoud, zichtbaarheid en/of de landschappelijke inpassing dan in de gebieden met provinciale/regionale waarden. Om het behoud van de aardkundige waarden te regelen, zijn de aardkundige waarden vermeld in de bestemmingsomschrijving van de bestemmingen Agrarisch met waarden, Natuur en Bos.

Maasterrassen

In het kader van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is in opdracht van het Projectbureau Ooijen-Wanssum uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar de aardkundige waarden van de Zandmaas en de bijbehorende Maasterrassen. Een beschrijving is hierna opgenomen.

De Zandmaas kent een unieke geologie van oplopende, oude rivierterrassen en grondwatergevoede restgeulen, die door de afwisseling van ijstijden en warmere insnijdingsperioden zijn gevormd. Doordat de Maas zich hier sinds de laatste ijstijd in de diepte insnijdt, meandert ze nauwelijks in zijdelingse richting. Er is sprake van een relatief rechte loop ('canyonrivier'). De recente overstromingsvlakte is zeer smal en soms zelfs volledig afwezig. Pas in het noorden bij Heijen (gemeente Gennep) wordt het jonge dal weer breder en zien we voor het eerst weer meanderbochten ontstaan. De Zandmaas kent van nature dan ook geen dynamische nevengeulen of hoogwatergeulen. In plaats daarvan kenmerkt het riviertraject zich door ondiepe kwelgeulen op verschillende terrasniveaus. Deze geulen vangen helder grondwater af uit oudere, naast gelegen terrassen. De meeste geulrelicten zijn in feite 'fossiele geulen', die niet door de Maas van tegenwoordig zijn gevormd, maar door 'een Maas uit het verleden' met volledig andere kenmerken en andere afvoerkarakteristieken. De rivierterrassen waarop de oude kwelgeulen liggen hebben een zandig en droog karakter met weinig recente rivierklei. Door de werking van grondwater kennen de terrasgeulen (in potentie) een unieke plantengroei met soorten als Dotterbloem en Goudveil. Op sommige plaatsen zijn bijzondere overgangen naar oude rivierduinen uit de laatste ijstijd aanwezig, zoals bij Arcen en Belfeld.

Slechts heel lokaal is de 'recente overstromingsvlakte' breed genoeg voor de vorming van een kleine hoogwatergeul of een zandeiland, waarin rivierinvloeden belangrijker zijn dan grondwaterinvloeden (zoals de Blericker Nak, vroeger bij Grubbenvorst). Tegenwoordig is de diepe, ingesneden ligging van de Zandmaas minder goed zichtbaar door opstuwing van het rivierpeil. Dit heeft er ook voor gezorgd dat delen van de recente overstromingsvlakte sinds de jaren '20 op veel plaatsen natter zijn geworden (zoals bij Bergen).

Het terrassenlandschap van de Maas wordt in feite bepaald door 3 belangrijke elementen waar zuinig mee omgegaan moet worden:

  • 1. Behoud van terrasranden:

Allereerst is de bescherming van terrasranden belangrijk. Die maken het terrassengebied leesbaar en geven aan hoe en waar oude terrassen overgaan in jonge terrassen (ontstaansgeschiedenis). Terrasovergangen maken het gebied uniek, niet alleen geologisch, maar het zijn langs de Maas ook vaak de laatste plekjes met bijzondere stroomdalflora (schraal zand aan de oppervlak en moeilijk bereikbaar voor agrarisch gebruik). Wandel- en fietspaden bovenop terrasranden kennen vaak het mooiste uitzicht. Er worden nog steeds terrasranden onnodig weggegraven, bijv. bij zandwinning, oeverwerken en dijkaanleg. Bovendien zijn terrasranden relatief eenvoudig te beschermen omdat het niet om grote oppervlakten gaat.

  • 2. Grondwater leidend (kwelgeulen):

Aan de voet van de terrasranden liggen doorgaans oude kwelgeulen (of laagtes). Die zijn vaak lang geleden gevormd, in een tijd de dat Maas minder diep ingesneden was dan nu. Ze zijn ook niet direct ontstaan door de Maas van nu, maar meestal door "een Maas uit het verleden" met een veel grotere afvoer en andere karakteristieken. Ze zijn ook niet vergelijkbaar met geulen langs bijvoorbeeld de Waal of Brabantse Maas, die allemaal veel jonger zijn en nog door de rivier van nu gevormd zijn. Het oplopende terrassenlandschap en hun ligging ruim boven rivierpeil, maakt dat in de terrasgeulen helder grondwater dominant is, en niet zozeer rivierwater. Dit soort kwelgeulen langs een rivier zijn feitelijk uniek op Europese schaal. Het grondwater maakt de kwelgeulen ook direct uniek voor bijzondere flora en fauna (met Dotterbloemvegetaties bijvoorbeeld). Bij het ingrijpen in dit soort oude geulen zou dus steeds grondwater leidend moeten zijn (en dus bijvoorbeeld geen grote diepe geulen die in direct contact met de rivier staan).

  • 3. Droge terrasgronden:

Waar we elders in het rivierengebied vaak over 'wetlands' spreken, zou je langs de Terrassenmaas/ Zandmaas over 'dryland' moeten spreken. Het is een insnijdingsrivier, waarbij de overstromingsvlakte gedurende miljoenen jaren omhoog gedrukt is. Op een smalle zone direct langs de rivier na, zijn de Maasterrassen droog (en relatief zandig) van karakter. Niet voor niets kunnen we bij Lottum en Grubbenvorst zaken als tarwe, rozen en heesters in de overstromingsvlakte verbouwen. Juist dit droge karakter van de terrasgronden (buiten de geulen) vormt het unieke kenmerk van de Maasterrassen, zowel voor natuur, landbouw als recreatie.

De bescherming van deze waarden is afdoende geregeld op basis van landschappelijke deelgebieden, zoals hiervoor aangegeven onder 'Landschappelijke waarden'.

Boringsvrije zone

Ter plaatse van de Venloschol geldt op basis van provinciaal beleid een boringsvrije zone ter bescherming van de diepe grondwatervoorraad. Het doorboren of roeren van bedoelde kleilaag, anders dan voor de uitzonderingen aangeduid in de omgevingsverordening, is verboden, voor zover dit plaatsvindt beneden 5 m boven NAP. Om deze boringsvrije zone te regelen wordt een gebiedsaanduiding opgenomen ('milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol'), waarmee het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden vergunningplichtig wordt gesteld. Hierbij kan worden gedacht aan het roeren van de grond of het hebben van een boorput.

Schaliegas

Schaliegas is aardgas dat zit opgesloten in zogenaamde schalies. Dit zijn harde, kleisteenachtige aardlagen. Om schaliegas te winnen, is een boorinstallatie nodig. Eerst gaat een boor verticaal de grond in, dus recht naar beneden. De boor is dan op een diepte van 1.000 tot 5.000 meter. Op die diepte gaat de boor horizontaal verder door de schalielaag over een afstand tot 3.000 meter. Daarna begint het 'fracken'. Fracken, een afkorting van de Engelse term 'hydraulic fracturing', is het onder grote druk injecteren van een mengsel van water, chemicaliën en zand, vanuit horizontale boorgangen in de bodemlaag. Dergelijke gaswinningen zijn ontwikkelingen die niet mogelijk worden gemaakt op basis van dit bestemmingsplan. Eventuele aanvragen om te mogen boren naar schaliegas zullen van geval tot geval moeten worden beoordeeld op haalbaarheid, wenselijkheid en gevolgen.

Archeologie

Voor bepaling van de archeologische verwachtingswaarden wordt gebruik gemaakt van de Archeologische Maatregelenkaart. Het gaat in het plangebied om de volgende zoneringen (de zonering 'Bebouwde kom' komt niet voor in het plangebied):

  • 1. Wettelijk beschermd archeologisch monument: altijd vergunningplichtig (vergunningverlening via de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed);
  • 2. Gebied of terrein van archeologische waarde: verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen groter dan 100 vierkante meter en dieper dan 30 centimeter;
  • 3. Gebied met een hoge archeologische verwachting: verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen groter dan 500 vierkante meter en dieper dan 50 centimeter;
  • 4. Gebied met een gematigde archeologische verwachting: verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen groter dan 2.500 vierkante meter en dieper dan 50 centimeter;
  • 5. Gebied met een lage archeologische verwachting: verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen groter dan 10.000 vierkante meter en dieper dan 50 centimeter;
  • 6. Gebied met een specifieke archeologisch verwachting: beekdalen: verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen groter dan 2.500 vierkante meter en dieper dan 50 centimeter;
  • 7. Gebied of terrein in bebouwde kom (ligt deels in het buitengebied, onbekende verwachting): verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen groter dan 500 vierkante meter en dieper dan 50 centimeter;
  • 8. Gebied of terrein waar geen bodemarchief meer aanwezig is: geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek;
  • 9. Water (geen verwachting): geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek met uitzondering van de Maas.

Voor de gebieden die onder categorie 2, 3, 4, 6, 7 en 9 vallen worden dubbelbestemmingen opgenomen ('Waarde - Archeologie 2', etc.), waarmee bepaalde werken en werkzaamheden, zoals het afgraven van grond, of het aanleggen van kabels en leidingen, vergunningplichtig gesteld. Werkzaamheden in het kader van normaal beheer en onderhoud van gronden, wat vooral bij de agrarische bedrijven een rol speelt, is met recht toegestaan. Werkzaamheden die slechts incidenteel hoeven plaats te vinden, zoals diepploegen en het scheuren van grasland, gelden niet als werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud en daarom eveneens vergunningplichtig.

Voor gebieden die al een wettelijke bescherming kennen (categorie 1) wordt geen dubbelbestemming opgenomen, omdat de bescherming anders dubbel wordt geregeld. Voor de categorieën 5, 8 en 9 (met uitzondering van de Maas) is geen archeologisch onderzoek vereist. Gebieden waarvoor deze categorieën gelden, krijgen dan ook geen dubbelbestemming toekend (met uitzondering van de Maas).

De categorie bepaalt welke ondergrens voor het plan van toepassing is waarbij de volgende regels in acht worden genomen:

  • a. Bij een nieuwe ontwikkeling is de plangrens of bestemmingsgrens uitgangspunt bij het bepalen van de oppervlakte van de ontwikkeling;
  • b. Bij een uitbreiding van een bestaande situatie is de oppervlakte van de uitbreiding (bebouwing en verharding) bepalend;
  • c. Bij herbouw op dezelfde locatie is geen archeologisch onderzoek vereist;
  • d. Bij herbouw met een uitbreiding buiten de bestaande contour van bebouwing is alleen de uitbreiding bepalend voor de oppervlakte.

Wanneer blijkt dat er een archeologisch onderzoek noodzakelijk is wordt voorgesteld een verkennend bodemonderzoek met karterende boringen uit te voeren. Uit de reeds uitgevoerde onderzoeken blijkt dat in veel gevallen (80%) de bodem zodanig verstoord is dat geen vervolgonderzoek meer noodzakelijk is. Voor initiatiefnemers kan hiermee op een kostenefficiënte wijze snel aangetoond worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is.

Wanneer het gebied in een provinciaal aandachtsgebied ligt wordt de provincie in een vroeg stadium betrokken bij het archeologische onderzoek.

Wanneer uit de karterende boringen blijkt dat het bodemprofiel nog in tact is zal vervolgonderzoek nodig zijn. Dit onder begeleiding van een erkend archeologisch bedrijf. Er kan ook voor gekozen worden de bodem met rust te laten door het bouwplan hier op aan te passen (zogenaamde 'behoud in casu').

Cultuurhistorie

Gebouwen

In het buitengebied komen diverse rijks- en gemeentelijke monumenten voor. Aangezien monumenten afdoende worden beschermd door middel van de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening is het opnemen van een (aanvullende) regeling overbodig. Wel is het van belang dat inzichtelijk is om welke gebouwen het gaat. Om die reden worden de adressen van alle aanwezige monumentale panden opgenomen als bijlage bij het bestemmingsplan.

Overige cultuurhistorische en landschappelijke waarden

In het plangebied komen twee molens voor. Het betreft de korenmolen 'Eendracht maakt Macht' aan de Schadijkerweg 36 te Meterik en de 'Houthuizermolen' aan de Grubbenvorsterweg 19 te Lottum.

Molen 'Eendracht maakt Macht'

De molen 'Eendracht maakt Macht' is opgericht in 1899 na een geldinzameling door de bewoners van Meterik. Bij de oprichting zijn onderdelen gebruikt van een Zuid-Hollandse molen uit 1798. Waarschijnlijk gaat het om een molen van de Nieuwkoopse droogmakerij te Ter Aar. In 1896 werd namelijk een grote groep molens uit deze polder voor afbraak verkocht. De molen werd tot het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog gebruikt. In 1944 werd de molen eigendom van de Limburgse Land- en Tuinbouwbond (LLTB), afdeling Meterik, en liep in dat jaar zware oorlogsschade op. In 1949-1950 werd de molen gerestaureerd en voorzien van zogenaamde 'Van Bussel-stroomlijnwieken'. In 1962 is de molen opnieuw gerestaureerd. Vanaf 1975 kwam de molen in eigendom van de voormalige gemeente Horst, totdat de molen in 1994 werd overgedragen aan de stichting 'Molen Eendracht maakt Macht'. Bezoekers kunnen nog steeds het maalproces meemaken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0025.png"

Afbeelding - Molen 'Eendracht maakt Macht' te Meterik (bron: www.molendatabase.nl, foto Frits Kruishaar, 2008)

Molen 'Houthuizermolen'

Al sinds de middeleeuwen is Lottum in het bezit geweest van zowel een wind- als een watermolen. Van de windmolen dateert de oudste expliciete melding uit 1440. In de 15e en 16e eeuw lag het eigendom bij de adellijke familie van Holthuizen. In de Lottumse geschiedenis bekende adellijke families als de van Wylichs en de van Aerdts zijn in de 17e en 18e eeuw eigenaar van de molen geweest. Het Daelderhof werd later bekend als Groot en Klein Dael. Twee boerderijen met een water-en windmolen die oudere Lottumers nog intact gekend hebben. In meer recente tijd zijn deze gebouwen uiteindelijk verdwenen na de aanleg van de weg van Grubbenvorst naar Lottum die aanvankelijk dwars tussen deze twee hoeven door kwam te lopen zoals ook op vooroorlogse foto’s nog goed te zien is.

De Houthuizer molen zoals we die nu kennen stamt van na de Franse bezetting rond 1800. Met de Fransen verdween hier het feodale stelsel. En zo werd ene Peter Hoefnagels de eerste echt particuliere en niet adellijke eigenaar van het Daelderhof inclusief molengoed. Al spoedig werd Peter Hoefnagels opgevolgd door zijn zonen Johan en Lambert. Laatstgenoemde vroeg in 1815 een bouwvergunning aan voor de bouw van een nieuwe windmolen. Over gebruik en de inrichting is weinig bekend gebleven. De molen zou wel drie koppels stenen hebben gehad, waarvan een koppel blauwe Duitse stenen voor het boekweit en tarwegemaal.

Oorspronkelijk was hij ook als pelmolen ingericht. Met deze pelgang werd gerst van de buitenste huidlaag en vliezen ontdaan. Het eindproduct is gort. In 1869 werd de molen verkocht aan de uit Broekhuizen afkomstige molenaar, Lambert Gerard van Dijck. De nieuwe molenaar ging in 1891 failliet en emigreerde hij naar Amerika. Schuldeiser Quirinus Laumans-Teeuwen uit Tegelen werd de nieuwe eigenaar die de molen vervolgens verpachtte en later verkocht aan Antoon Clevers.

Antoon Clevers ondernam een stuk beter, ondanks de concurrentie die hij in 1908 kreeg van de stoommaalderij van Johannes Jacobus Smits aan de Broekhuizerweg. In 1918 nam hij diens stoommachine over en plaatste hij haar bij de windmolen op het Houthuizerveld. In 1936 trad zoon Sjeng in de voetsporen van zijn vader en hij was molenaar toen de Duitsers zijn molen, en overigens tal van andere Noord-Limburgse molens en kerken vernielden.

De molen is pas in 2009 weer herbouwd en geopend voor publiek. Deze herbouwde molen bevat cultuurhistorische waarden doordat hij naar het evenbeeld en op dezelfde locatie van de historische molen is herbouwd. (bron: http://www.dehouthuizermolen.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0026.jpg"

Afbeelding - Molen 'Houthuizermolen' te Lottum (bron: http://www.dehouthuizermolen.nl)

Voor een molen is niet alleen sprake van cultuurhistorische waarde van het monumentale gebouw zelf. Er is ook sprake van een zogenaamde 'molenbiotoop'. De molenbiotoop is een gebied rondom de molen waarmee de molen in relatie staat. Het belangrijkste hiervan is dat er voldoende sprake is van windvang, om te voorkomen dat de molen stil valt en niet meer kan werken. Daarnaast biedt de molenbiotoop vanuit cultuurhistorisch perspectief ook ruimte voor het zicht op dit beeldbepalende element in het landschap. Ter bescherming van de molenbiotoop wordt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' opgenomen. Hierbinnen worden voorwaarden opgenomen voor het oprichten van bebouwing en beplanting. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een formule, waarmee wordt berekend hoe hoog bebouwing of beplanting is toegestaan. In de regel geldt, hoe dichter bij de molen, hoe lager de bebouwing of beplanting moet zijn. De op te nemen aanduiding van de molenbiotoop heeft alleen betrekking op dat deel dat binnen het plangebied ligt, met een straal van 400 meter vanaf de molen, overeenkomstig het geldende bestemmingsplan Buitengebied Horst 2009.

4.12 Waterparagraaf

Sinds 2003 bestaat de wettelijke verplichting om de watertoets bij ruimtelijke plannen en besluiten te betrekken. De watertoets houdt in dat vroegtijdig in het planvormingsproces rekening moet worden gehouden met de waterhuishouding in het plangebied. Daarom moet in een vroegtijdig stadium van de planvorming overleg plaatsvinden met de waterbeheerder. In een dergelijk overleg wordt stilgestaan bij de consequenties van het nieuwe ruimtelijke plan ten aanzien van de waterhuishouding en mogelijk te nemen waterhuishoudkundige maatregelen. De watertoets is in de toelichting bij het bestemmingsplan opgenomen in de vorm van de waterparagraaf.

In het kader van het bestemmingsplan heeft vooroverleg plaatsgevonden met de waterbeheerders, te weten het Waterschap Peel en Maasvallei en Rijkswaterstaat (in verband met de Maas).

4.12.1 Bestaande situatie

Oppervlaktewatersysteem

Horst aan de Maas ligt in het stroomgebied van de Maas. De oostgrens van het plangebied wordt gevormd door de Maas. De afwatering van een belangrijk deel van de gemeente vindt plaats via het waterstelsel van de Maas. Vanuit het plangebied wordt water via de diverse beken afgevoerd op de Maas (zoals Groote Molenbeek en Lollebeek/Grenssloot).

Het plangebied wordt vooral gekenmerkt door grootschalige ontginningen van voormalige heide- en veengebieden. In het Peelgebied (westelijk deel) liggen nog enkele niet/ gedeeltelijk ontgonnen hoogveengebieden, zoals de Mariapeel. In de lage delen van het zandgebied en in de ontginningsgebieden hebben diverse laaglandbeken hun oorsprong en stromen van hieruit naar de Maas. Veel van deze beken zijn tijdens de ontginningen gegraven om de oorspronkelijke doorstroommoerassen te ontwateren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0027.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0028.png"

Oppervlaktewatersysteem, bron Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021

Momenteel is het waterbeheer in het grootste deel van het gebied afgestemd op de landbouw. Het oppervlaktewatersysteem bestaat uit een stelsel van grote sloten waarop de kleinere kavelslootjes afwateren. De grotere sloten komen uiteindelijk uit op de beken die door het plangebied lopen.

Een deel van de primaire watergangen betreft specifieke Natuurbeken. Het betreft bijvoorbeeld de Groote Molenbeek en de Blakterbeek.

Rondom enkele natuurgebieden, waaronder Natura 2000-gebied 'Deurnsche Peel en Mariapeel', ligt een hydrologische beschermingszone. Het betreft in het geval van de Mariapeel een zone van circa 2 km rondom dit gebied. Deze zones zijn opgenomen in het bestemmingsplan.

Waterkwaliteit

Meerdere (natuur)gebieden in de gemeente Horst aan de Maas hebben te kampen met verdroging, matige waterkwaliteit en ecologische/ecohydrologische ontwikkeling die niet optimaal is. Riooloverstorten bevinden zich buiten het plangebied, onder andere in het stedelijk gebied. Verder doen zich met betrekking tot de kwaliteit van het water geen grote problemen voor in het plangebied. Overigens zal het bestemmingsplan geen concrete maatregelen bevatten ter verbetering van de kwaliteit van het water.

Waterkeringen

De dijken langs de Maas zijn gedeeltelijk primaire waterkeringen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0029.png"

Waterlopen en waterkeringen, bron Legger (Waterschap Peel en Maasvallei)

Voor deze waterkeringen is een beschermingszone vastgesteld om voldoende ruimte te reserveren voor de toekomstige benodigde versterkingen van de waterkeringen. In deze betreffende zones is nieuwe bebouwing niet toegestaan, tenzij er in overleg met de beheerder van de waterkering overeenstemming bereikt wordt over de voorwaarden c.q. maatregelen waaronder dit is toegestaan.

Waterschap Limburg verbetert tot 2024 de dijken langs de Maas. De dijkversterkingsprojecten die voortkomen uit deze opgave, zijn ondergebracht in twee dijkversterkingsprogramma's; RWS Maaswerken en het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Het bestemmingsplan houdt zo nodig en waar mogelijk rekening met deze werkzaamheden. Het inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum vormt een uitwerking van RWS Maaswerken en is op 11 november 2016 vastgesteld door Provinciale Staten. Het plangebied van het inpassingsplan maakt geen deel uit van het bestemmingsplan Buitengebied.

Er is één overige waterkering in het plangebied, gelegen ter hoogte van Broekhuizen.

Grondwatersysteem

Het plangebied ligt in het regionale grondwaterlichaam Zand-Maas. Zand-Maas voldoet net aan de generieke eisen van de Kader Richtlijn Water (KRW) voor nitraat voor het hele grondwaterlichaam, maar is nog onvoldoende vanwege de invloed van grondwater op oppervlaktewater en op terrestrische ecosystemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0030.png"

Grondwatertrappen, bron http://maps.bodemdata.nl/bodemdatanl/index.jsp 

Horst aan de Maas bevindt zich op de overgang van het Zuidelijke Zandgebied (met de Peelhorst in het westen) naar de Maasvallei (in de Slenk van Venlo) in het oosten. De hoogteligging loopt uiteen van ongeveer 14 meter +NAP in het noordoosten (in het Maasdal ten noorden van Broekhuizenvorst) tot bijna 34 meter +NAP in het westen. Grondwatertrappen in het plangebied variëren van grondwatertrap II tot VIII, afhankelijk van het gebied.

Waterbedrijf WML wint grondwater. Ter hoogte van Grubbenvorst is het waterwingebied 'Grubbenvorst' gelegen. Er zijn twee grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig in het plangebied, namelijk één om waterwingebied Grubbenvorst heen en één om waterwingebied Breehei (op grondgebied van de gemeente Venray).

De prognose is dat in 2021 sprake is van een totale behoefte van 105,2 miljoen m3/jaar. Voor de Venloschol betekent dit in 2021 12,5 miljoen m3/jaar in 2021.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0031.png"

Grondwaterbescherming, bron Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021

De provincie stelt hier reguliere regels aan het gebruik van het waterwingebied en de boringsvrije zone (Venloschol). De boringsvrije zone betreft het roeren in de grond, een gesloten bodemenergiesysteem, werken op of in de bodem uit te voeren die slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten en boorputten op een diepte beneden 5 meter boven NAP. De bescherming van het grondwaterbeschermingsgebied vindt plaats via de provinciale omgevingsverordening. Deze zone is tevens opgenomen in het bestemmingsplan.

Effecten

Binnen het bestemmingsplan kan de bebouwde oppervlakte worden vergroot en kan een toename plaatsvinden van verhard oppervlak. Het Waterschap stelt evenwel voorwaarden aan realisatie van nieuwe bebouwing op haar grondgebied. Zo mag het functioneren van het huidige watersysteem (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) door de planuitvoering niet verslechteren. Het watersysteem dient te voldoen aan het principe van 'waterneutraal bouwen', dit wil zeggen: waar het verhard oppervlak toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken en infiltratie van water mogelijk te maken. Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen dienen bij voorkeur in het eigen projectgebied te worden gevonden.

Daarnaast schrijft de Keur voor dat indien watergangen worden gedempt, hiervoor een gelijk wateroppervlak terug dient te komen. Wanneer voor de uitbreiding (kavel)sloten gedempt dienen te worden, bestaat dus de verplichting hiervoor in de plaats eenzelfde hoeveelheid oppervlaktewater voor terug te brengen.

Het effect op de grondwater- en oppervlaktewaterkwantiteit zal dan ook niet of nauwelijks afwijken van de huidige situatie.

Daarnaast zal een verdere schaalvergroting van de agrarische sector kunnen betekenen dat de inspoeling van nutriënten in de bodem kan toenemen. Hierdoor zal de kwaliteit van zowel het oppervlaktewater als het grondwater negatief kunnen worden beïnvloed. Hier wordt dus een licht negatief effect verwacht.

Maatregelen

In het algemeen wordt een afname van de kwaliteit van de bodem en het water op grond van wet- en regelgeving voorkomen of beperkt. Daarbij is het milieueffect ook als nihil tot negatief beoordeeld. Het is dan ook niet nodig hiervoor regels in het (ontwerp)bestemmingsplan op te nemen of voor de gemeente eigen regelgeving op te stellen. Wel is op basis van het vooroverleg met het Waterschap in diverse afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden een verplichting opgenomen dat advies aan het Waterschap moet zijn gevraagd, alvorens wordt over gegaan tot afwijking dan wel wijziging van het bestemmingsplan. Het betreft hier een intensivering van het adviesrecht ten opzichte van de geldende plannen, om te voorkomen dat een toename van wateroverlast plaatsvindt.

In samenwerking met het Waterschap wordt tevens gewerkt aan diverse maatregelen om water meer ruimte te geven binnen de gemeente, zoals de aanleg van grootschalige waterbergingen bij de bedrijventerreinen en het meer laten meanderen van beken als de Groote Molenbeek en de Lollebeek. Deze maatregelen zijn echter in eigen bestemmingsplannen vervat en maken als maatregel geen deel uit van het bestemmingsplan Buitengebied.

Ruimte voor de Rivier

In het kader van Ruimte voor de Rivier is de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum in voorbereiding. Dit is een ingrijpende aanpassing langs de Maas in het gebied tussen Ooijen en Wanssum (gemeente Venray). Hierbij wordt onder andere de Oude Maasarm opnieuw in gebruik genomen, diverse dijken verlegd en een hoogwatergeul bij Ooijen aangelegd. De provincie Limburg heeft hiervoor een inpassingsplan vastgesteld. Het doel van de gebiedsontwikkeling is het verbeteren van de veiligheid, door de Maas meer ruimte te geven, waardoor de afvoercapaciteit wordt vergroot en overstromingen in de toekomst minder vaak kunnen voorkomen.

4.12.2 Wijze van bestemmen

Primaire watergangen

Van primaire watergangen, zoals de Groote Molenbeek, is de kernzone overeenkomstig de hoofdfunctie bestemd als 'Water'. Rekening houdend met onderhoudsstroken is aanvullend voor beken zonder meanderzone vanaf de waterbestemming tot maximaal 5 m uit de insteek de dubbelbestemming 'Waterstaat - Profiel van vrije ruimte' opgenomen. Voor beken met een meanderzone is de gehele meanderzone met de bestemming 'Water' opgenomen. In alle gevallen is verwezen naar de regels van de Keur van het waterschap.

Voor de Maas is naast de bestemming 'Water - Rivier' tevens een onderscheid gemaakt tussen het stroomvoerend rivierbed en het bergend rivierbed. Het stroomvoerend rivierbed is hoofdzakelijk bedoeld voor de afvoer van Maaswater. Het bergend rivierbed is bedoeld voor de berging van Maaswater, in geval van hoogwaterstanden. Om deze gebieden aan te duiden, wordt gebruik gemaakt van de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed' en 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed'. Voor beiden geldt een verbodsbepaling voor het oprichten van nieuwe bouwwerken. Overige werken en werkzaamheden zijn vergunningplichtig, om te voorkomen dat het beschermingsniveau van het achterliggende gebied, dan wel dat de afvoercapaciteit van de Maas, afneemt.

Natuurbeken

Een deel van de primaire watergangen heeft een zogeheten natuurfunctie. Het betreft bijvoorbeeld de Groote Molenbeek en de Blakterbeek. Om de ecologische waarden in stand te houden en waar mogelijk te versterken, is voor deze beken een aanduiding opgenomen (bijvoorbeeld 'ecologische waarde'). Hiermee kunnen bepaalde werken en werkzaamheden, zoals werkzaamheden die een wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of ten gevolge hebben (draineren, slaan van putten), vergunningplichtig worden gesteld. Voor de overige wateren zonder specifieke natuurwaarde wordt geen aanvullende regeling opgenomen.

Secundaire watergangen

Secundaire watergangen zijn kleinere watergangen die zorgen voor de aan- en afvoer van meerdere percelen. Op verzoek van het waterschap zijn dergelijke watergangen ook apart bestemd. Hiervoor wordt aangesloten bij de geldende regelingen.

Waterkeringen

In het plangebied is sprake van primaire en overige (regionale) waterkeringen. De primaire waterkeringen zijn gelegen langs de Maas. Er is één overige waterkering, gelegen ter hoogte van Broekhuizen. De wijze van bestemmen voor primaire waterkeringen is geregeld in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hierin is opgenomen dat voor de waterkering de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' moet worden opgenomen.

De begrenzing van de vrijwaringszones van de primaire waterkeringen is rechtstreeks overgenomen uit de Legger. De bijbehorende regels volgen direct uit de Keur. Het bestemmingsplan houdt dan ook geen verzwaring in van de beperkingen die reeds gelden op grond van de Keur en de bijbehorende Legger.

De binnenbeschermingszone uit de Legger wordt opgenomen met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk - 1'. Deze gebiedsaanduiding beschermt de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming(en) te beperken, middels een vergunningplicht. Voordat een vergunning kan worden verleend, moet eerst advies van de waterbeheerder zijn gevraagd. Het bouwverbod geldt overigens alleen voor nieuwe bouwwerken, alle bestaande bouwwerken blijven toegestaan (worden niet 'wegbestemd').

De buitenbeschermingszone van de primaire is eveneens vanuit de Legger opgenomen met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk - 2'. Deze gebiedsaanduiding beperkt de mogelijkheden uit de geldende onderliggende bestemmingen niet, 'vrijwaringszone - dijk - 2' heeft een attentiefunctie. De benodigde bescherming is geregeld in de Keur.

Waterwingebied

Ter hoogte van Grubbenvorst is het waterwingebied 'Grubbenvorst' gelegen. Voor gronden die behoren tot een waterwingebied wordt de gebiedsaanduiding 'milieuzone - waterwingebied' opgenomen. Naast de geldende bestemmingen, mogen op gronden met deze aanduiding ook andere bouwwerken worden opgericht die noodzakelijk zijn in verband met de waterwinning, zoals pomp- en/of boorputten. Aangezien deze gebieden samenvallen met de boringsvrije zone van de Venloschol, zijn hiervoor wel de nodige vergunningen nodig. Verder worden diverse werken en werkzaamheden op deze gronden vergunningplichtig gesteld, om te voorkomen dat het waterwingebied negatief wordt beïnvloed.

Grondwaterbeschermingsgebied

Om waterwingebieden heen ligt een aanzienlijke grotere zone, die bedoeld is om het grondwater in de omgeving van het waterwingebied te beschermen. Er zijn twee grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig in het plangebied, namelijk één om waterwingebied Grubbenvorst heen en één om waterwingebied Breehei (op grondgebied van de gemeente Venray). Overeenkomstig het provinciaal beleid geldt een vergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden, die van invloed kunnen zijn op de grondwaterstand of op de kwaliteit van het grondwater. Voor het gehele grondwaterbeschermingsgebied bij Grubbenvorst en een groot deel van Breehei overlapt deze zone ook die van de Venloschol. Een klein deel aan de westzijde van het grondwaterbeschermingsgebied bij Breehei valt echter buiten de zonering van de Venloschol. Het is daarom van belang dat voor de grondwaterbeschermingsgebieden een eigen regeling wordt opgenomen. Voor de grondwaterbeschermingsgebieden wordt daarom de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' opgenomen.

Hydrologische beschermingszone

Rondom Natura 2000-gebied 'Deurnsche Peel en Mariapeel' ligt een hydrologische beschermingszone. Het betreft een zone van circa 2 km rondom dit gebied, die op 23 februari 2001 hieraan is toegekend. Hierbinnen kunnen bepaalde werken of werkzaamheden van invloed zijn op het grondwaterpeil en daarmee indirect op de natuur in het Natura 2000-gebied. Daarbij valt te denken aan bijvoorbeeld grondwateronttrekkingen, die zorgen voor verdroging van de natuur in het Natura 2000-gebied. Belangrijk is dan ook dat werken en werkzaamheden hier niet mogen leiden tot een significante aantasting van het grondwaterpeil. Dat betekent bijvoorbeeld dat het dempen van sloten, aanleggen van drainage of het aanbrengen van ondergrondse leidingen niet zonder vergunning is toegestaan. Om die reden wordt de hydrologische beschermingszone opgenomen met de aanduiding 'milieuzone - hydrologische beschermingszone'.

Naast de 'Deurnsche Peel en Mariapeel' is er in het buitengebied een aantal andere natuurgebieden welke een hydrologisch beschermgebied kennen.

4.13 Infrastructuur

Wijze van bestemmen

Wegverkeer

In het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan is een gewenste wegcategorisering aangegeven. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. stroomwegen;
  • 2. gebiedsontsluitingswegen;
  • 3. buurtontsluitingswegen
  • 4. erftoegangswegen I, en
  • 5. erftoegangswegen II.

De categorisering omvat de verschillende snelheden die zijn toegestaan op de wegen, maar ook het aantal rijstroken. Dit laatste is weliswaar ruimtelijk relevant in het kader van het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan voorziet niet in uitbreiding van het aantal rijstroken. Om die reden worden verharde wegen die onder de genoemde categorieën vallen enkel bestemd als 'Verkeer', zonder nadere aanduiding voor de wegcategorie.

Vrijwaringszone wegverkeer

Om de verkeersveiligheid van auto(snel)wegen en provinciale wegen te garanderen, geldt een vrijwaringszone langs dergelijke wegen. Hiervoor wordt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg' opgenomen. Op gronden met deze aanduiding mag in principe niet worden gebouwd, uitgezonderd bouwwerken die noodzakelijk zijn ten behoeve van het wegverkeer.

Railverkeer

Voor de twee aanwezige spoorlijnen in het plangebied wordt een eigen bestemming opgenomen, namelijk 'Verkeer - Railverkeer'. Hiermee worden de spoorlijnen en een aangrenzende zone specifiek bestemd, en wordt het oprichten van bebouwing, anders dan bedoeld voor railverkeer, niet toegestaan. Het station 'Horst-Sevenum' heeft de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - station' gekregen en is tevens bedoeld voor kleinschalige kantoor- c.q. dienstverlenende activiteiten en voor een bijbehorende bedrijfswoning.

Buisleidingen

Hoewel buisleidingen niet zichtbaar zijn, zijn er diverse die ruimtelijk relevant zijn in het kader van het bestemmingsplan. Het gaat bijvoorbeeld om hoofdwatertransportleidingen, rioolwatertransportleidingen, aardgastransportleidingen, olietransportleidingen, etc.. Om ervoor te zorgen dat de leidingen niet beschadigd raken met bijvoorbeeld graafwerkzaamheden, wordt voor alle ruimtelijk relevante leidingen een dubbelbestemming opgenomen. Het betreft de dubbelbestemming 'Leiding', met aanvullend een specificatie van het type buisleiding. Voor gasleidingen van de Gasunie wordt bijvoorbeeld de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' opgenomen. Door middel van een hartlijn wordt de ligging van de leiding zelf weergegeven. De dubbelbestemming omvat een zone van enkele meters aan weerszijden van de hartleiding, waarbinnen het oprichten van bouwwerken verboden, dan wel vergunningplichtig is gesteld. In het geval van sommige leidingen (bijvoorbeeld gas en olie) is dit ook gedaan in het kader van de externe veiligheid (zie 4.14).

Vanuit de Structuurvisie Buisleidingen zijn twee leidingstroken aangewezen die door het plangebied lopen. Deze leidingstroken zijn opgenomen met de dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook'. De breedte van de stroken bedraagt 70 m. Omdat het gaat om een leidingstrook, is er geen hartlijn aangegeven.

Hoogspanningsverbindingen

In het plangebied komt een tweetal hoogspanningsverbindingen voor. Hoogspanningsverbindingen lopen bovengronds via grote masten, in tegenstelling tot hoogspanningsleidingen, die ondergronds liggen. Hoogspanningsverbindingen worden op vergelijkbare wijze als buisleidingen bestemd, namelijk door middel van een dubbelbestemming ('Leiding - Hoogspanningsverbinding') en een hartlijn, ter plaatse van de verbinding. Aan weerszijden van de hartlijn geldt een zone, waarbinnen het oprichten van bouwwerken verboden, dan wel vergunningplichtig is gesteld. Hoe breed de zone is, is afhankelijk van het aantal kiloVolt dat via de leiding loopt. Hoe meer kiloVolt, hoe groter de bebouwingsvrije zone.

Zendmasten

Zendmasten worden vaak binnen de bebouwde kom opgericht, omdat dan gebruik kan worden gemaakt van bestaande hoge bebouwing. Het komt echter ook voor dat een zendmast in het buitengebied wordt opgericht, om de dekkingsgraad van het telecommunicatienetwerk te verbeteren. In het plangebied komen enkele van deze zendmasten voor.

Radarverstoringsgebied

In het geldende bestemmingsplan Buitengebied Horst is een radarverstoringsgebied opgenomen voor het radarstation Volkel. Middels de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening geldt binnen dergelijke gebieden een verbod op bouwwerken die een bepaalde hoogte boven NAP overschrijden. Deze zone is (inmiddels) gelegen op 15 km vanaf het radarstation. Aangezien de afstand vanaf het plangebied tot aan het radarstation aanzienlijk groter is (circa 27 km), hoeft geen regeling (meer) te worden opgenomen voor het radarverstoringsgebied. Ten aanzien van de eventuele realisatie van industriële windturbines geldt een verbod boven een bepaalde hoogte boven NAP in een zone van 75 km vanaf het radarstation. Deze zone strekt zich wel over het plangebied. Het bestemmingsplan staat de realisatie van industriële windturbines echter niet toe. Het opnemen van een regeling is ook hiervoor daarom niet nodig.

4.14 Externe veiligheid

De kern van het externe veiligheidsbeleid is ruimtelijke scheiding aanhouden (zoneren) tussen (geprojecteerde) kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen. Hiervoor is het noodzakelijk dat te verlenen besluiten over omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen onderling goed op elkaar zijn afgestemd. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor, buisleidingen) en luchtvaartterreinen in algemene zin (luchtvaartveiligheid). De aan te houden veiligheidsafstanden zijn meestal gebaseerd op berekende risico's en soms op te verwachten effecten bij een calamiteit (voor ontplofbare stoffen zoals vuurwerk en munitie). Voor de afstanden die zijn gebaseerd op risico's worden normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Wijze van bestemmen

De wijze van bestemmen heeft alleen betrekking op het plaatsgebonden risico. Dit komt, omdat voor het plaatsgebonden risico grenswaarden gelden. Deze grenswaarden moeten verplicht aangehouden worden. Binnen de plaatsgebonden risicocontour, opgenomen middels de aanduiding 'veiligheidszone' zijn kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten niet toegestaan, met uitzondering van reeds bestaande objecten. De veiligheidszones worden alleen opgenomen, wanneer deze zich tot buiten de betreffende inrichting (bestemming) strekt, of, in het geval van buisleidingen, voor zover deze zich buiten de bebouwingsvrije zone bevindt (dubbelbestemming).

Ten aanzien van groepsrisico geldt een richtwaarde. Er moet worden gestreefd buiten deze afstand te blijven met kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, maar andere belangen, zoals maatschappelijke of economische, kunnen ertoe leiden dat hiervan afgeweken wordt. Voor het groepsrisico hoeft geen bestemming of aanduiding opgenomen te worden.

Omgang met risico's

Door plaatsgebonden risicocontouren inzichtelijk te maken op de verbeelding, kan worden uitgesloten dat kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten kunnen worden opgericht binnen de gevarenzone. Ten aanzien van het groepsrisico moet een verantwoording worden afgelegd. In de verantwoording moet onder andere worden ingegaan op het aantal vluchtroutes van de bron af, de aanwezigheid van bluswater in de omgeving, de bereikbaarheid door hulpdiensten en de zelfredzaamheid van mensen binnen de gevarenzone. Uit de verantwoording moet blijken dat bestaande risico's zo veel mogelijk zijn ingeperkt en dat vervolgens nog aanwezige risico's acceptabel zijn.

4.15 Duurzaamheid

Zonnepanelen

In het kader van duurzaamheid zijn zonnepanelen steeds meer in trek. Hiermee kan worden voorzien in eigen stroomopwekking. Zonnepanelen op daken van gebouwen zijn vergunningvrij toegestaan op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor), mits wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden. In het bestemmingsplan wordt daarom geen aanvullende regeling opgenomen ten aanzien van zonnepanelen. Een veldopstelling van zonnepanelen behoort niet tot de mogelijkheden van dit bestemmingsplan. Mochten daar aanvragen voor binnenkomen, dan moet voor de realisatie daarvan een eigen procedure worden doorlopen.

Windturbines

Industriële windturbines

Industriële windturbines zijn grote windturbines die bedoeld zijn voor grootschalige (bedrijfsmatige) opwekking van windenergie om daarmee meerdere huishoudens en/of bedrijven van stroom kunnen voorzien. Op het gemeentelijk grondgebied komen vooralsnog geen windturbines voor. In het verleden zijn diverse aanvragen gedaan voor het oprichten van grote windturbines, maar deze verzoeken zijn afgewezen, vanwege de strijdigheid met het belang van de recreatie. Het opnemen van een bestemming is dan ook niet van toepassing.

Grote windturbines hebben een aanzienlijke impact op hun omgeving. Het oprichten van nieuwe, grote windturbines, stuit daarom vaak op verzet vanuit verschillende belangen. Om die reden wordt het oprichten van grote windturbines niet toegestaan op basis van het bestemmingsplan. Dit wil niet zeggen dat de gemeente negatief staat tegenover aanvragen, alleen dat aanvragen separaat beoordeeld moeten worden en de eventuele oprichting van grote windturbines een eigen procedure moet doorlopen.

Kleinschalige windturbines

Naast industriële windturbines bestaan er ook kleinschalige windturbines. Deze zijn aanzienlijk minder hoog en worden doorgaans op of bij een bestaand perceel gerealiseerd, om te kunnen voorzien in energie voor één huishouden of bedrijf. De impact van kleinschalige windturbines op de omgeving is hierdoor ook aanzienlijk minder groot.

Het oprichten van kleinschalige windturbines kan een bijdragen leveren aan het realiseren van de duurzaamheidsthema's van de gemeente ten aanzien van bouwen/wonen (energiezuinig) en ondernemen. Het oprichten van kleinschalige windturbines vraagt echter om maatwerk, gezien de vele landschappelijke en ecologische waarden in het buitengebied. Om die reden wordt geen regeling opgenomen in dit bestemmingsplan. Voor eventuele nieuwe initiatieven die zich aandienen moet daarom een eigen procedure buiten dit bestemmingsplan om worden doorlopen, waarmee per geval maatwerk kan worden geleverd.

Mestverwerking

Een andere alternatieve vorm van energieopwekking kan plaatsvinden door mestverwerking, bijvoorbeeld via vergisting, verbranding of vergassing, of door middel van co-vergisters (combinatie van mest- en biomassavergisting). Hiermee worden organische materialen, zoals mest of plantaardig materiaal, omgezet in energie. Naast het feit dat de fossiele brandstoffen eindig zijn, is er mede door de inwerkingtreding van de Mestwet per 1 januari 2014 een groeiende behoefte aan mogelijkheden voor mestverwerking ontstaan. De nieuwe Mestwet verplicht namelijk onder andere tot mestverwerking.

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat mestvergisting in beginsel niet behoort tot agrarische activiteiten en dat dit specifiek moet worden toegestaan in de begripsomschrijvingen, dan wel middels afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden.

De gemeente heeft hierbij gekozen om mestverwerkingsinstallaties op bedrijfsniveau (max. 25.000 ton) onder voorwaarden toe te staan. Mestverwerking op buurtniveau wordt niet toegestaan. Voor dergelijke initiatieven moet een aparte procedure worden doorlopen buiten het bestemmingsplan Buitengebied om.

Bodemenergie

Afhankelijk van de diepte van een systeem spreekt men van:

  • bodemwarmte of bodemenergie;
  • aardwarmte of geothermie.

Bij bodemenergie wordt gebruik gemaakt van het isolerend vermogen van de ondiepe bodem. In de zomer wordt de koude uit de winter benut en in de winter de opgeslagen warmte uit de zomer. Het water dat opgepompt wordt, is nog niet geschikt om een gebouw mee te verwarmen. Er worden warmtepompen gebruikt om de energie naar een hoger temperatuurniveau te brengen. De werking van een warmtepomp is vergelijkbaar met die van een koelkast, maar dan omgekeerd: door koude naar buiten te pompen wordt het water warmer.

Er kan onderscheid worden gemaakt tussen open en gesloten systemen. In open systemen (in de regel WKO genoemd) wordt grondwater onttrokken, waarna boven de grond uitwisseling van warmte plaatsvindt voor koeling en verwarming. Daarna wordt het grondwater weer teruggepompt. In gesloten systemen (bodemenergie met bodemwarmtewisselaars) wordt een leiding in de grond gebracht met een vloeistof voor warmtetransport en deze wordt verwarmd of gekoeld.

De ondergrond in Limburg is op veel plaatsen geschikt voor warmte-koudeopslag (WKO). De geschiktheid van de bodem voor open bodemenergiesystemen hangt af van de hoeveelheid water die kan worden onttrokken en de diepte waarop het grondwater zich bevindt. Daarnaast is het van belang dat de stromingssnelheid van het grondwater niet zo hoog is dat er energieverlies kan optreden. Voor gesloten bodemenergiesystemen zijn met name de dikte van de onverzadigde zone in de bodem en het thermisch geleidingsvermogen van de bodem, ook wel warmtegeleidingcoëfficiënt genoemd, van belang.

In de veehouderij en in de land- en tuinbouw (met name laatstgenoemde) wordt steeds vaker gebruik gemaakt van dergelijke technieken, maar daarnaast vindt toepassing ook steeds meer plaats bij burgerwoningen of niet-agrarische bedrijven. Aangezien er veel tuinbouw in het plangebied aanwezig is, kan in het kader van de duurzaamheidsthema's worden meegewerkt aan het realiseren van een WKO. Daarbij is wel van belang dat de toepassing van bodemenergie niet ten koste mag gaan van het belang van bescherming van de bodemstructuren en (drink)watervoorraden. De grondwaterpakketten die van belang zijn voor de drinkwaterwinning worden daarom op basis van provinciaal beleid uitgesloten voor de toepassing van WKO-systemen, vanwege mogelijke risico's voor de drinkwatervoorziening. De gebieden die door middel van restricties beschermd worden zijn waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, gevoelige natuurgebieden, gebieden met aardkundige of archeologische waarden, en de boringsvrije zone in de Venloschol. De hierna volgende afbeelding geeft schematisch weer waar de realisatie van bodemenergiesystemen wel, niet of onder voorwaarden wordt toegestaan.

  Gesloten systemen (bodemwarmtewisselaar)   Open systemen
(WKO)  
Waterwingebied   Binnen inrichting: verboden  
Grondwaterbeschermingsgebied   Binnen inrichting: verboden
Buiten inrichting: verboden
M.u.v. Californië tot 5 m + NAP
Melding  
Venloschol   Toegestaan tot 5 m + NAP   Toegestaan  
Buiten de milieubeschermingsgebieden   Toegestaan  

Afbeelding - Toepassing bodemenergiesystemen (bron: Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014)

De provincie heeft voor bodemenergiesystemen een beleidslijn opgenomen in het POL 2014. De regeling in het bestemmingsplan sluit hierop aan. Er zijn op dit moment nog weinig aanvragen voor bodemenergiesystemen. Niettemin is bekend dat vooral de glastuinbouw hier baat bij kan hebben. Gekozen is daarom om de provinciale beleidslijn in z'n geheel over te nemen. Dit ook met het oog op de duurzaamheidsthema's uit het coalitieakkoord.

Geothermie

Geothermie wordt ook wel aardwarmte genoemd. Geothermiesystemen maken gebruik van dieper gelegen grondwater (dieper dan 500 meter). Bij geothermie worden watervoerende lagen op een diepte van tussen de 1,5 en circa 3 kilometer meter gebruikt. Het gaat om het winnen van energie (grondwater met een temperatuur van 80-110 graden Celsius) onder maaiveld. Deze liggen veel dieper dan de watervoerende pakketten die gereserveerd zijn voor de bereiden van water voor menselijke consumptie. Geothermie is in beginsel een vrijwel oneindige en schone energiebron, die zich richt zich op de verduurzaming van warmte (aandeel hiervan in de energievraag 40%). Bovendien is het ten behoeve van de warmtevoorziening een energiebron met weinig ruimtelijke impact. Ondanks deze gunstige uitgangspositie is diepe aardwarmte niet overal toepasbaar. Voor iedere potentiële locatie is namelijk een gedegen geologisch onderzoek nodig, waarmee kan worden aangetoond dat er geschikte bodemcondities aanwezig zijn en dat het gewenste vermogen geleverd kan worden, die de grote investeringen rechtvaardigt. 100% zekerheid kan echter nooit gegeven worden; daarvoor is zelfs een boring noodzakelijk.

Vanwege de diepte van de geschikte watervoerende pakketten, is het water dat omhoog gepompt wordt niet van drinkwaterkwaliteit. De kansen voor geothermie moeten afgewogen worden tegen de eventuele risico's voor de drinkwatervoorziening. In de kansrijke gebieden voor geothermie bevinden zich namelijk ook strategische drinkwatervoorraden. Geothermie kan bijdragen aan de warmtevraag voor gebouwen en processen die behoefte hebben aan hogere temperaturen (70-90oC).

Het agro-food cluster is de eerste sector in Limburg die, door concrete investeringen in geothermie, minder afhankelijk hoopt te worden van sterk fluctuerende energieprijzen. Daar waar tuinders traditioneel hun kassen stoken met gasgestookte WKK's, zijn ze niet alleen afhankelijk van de inkoopprijs van het gas, maar ook van de verkoopprijs van de elektriciteit die ze produceren. Door gebruik te maken van aardwarmte zijn de brandstofkosten nihil, met beter voorspelbare en naar waarschijnlijkheid lagere (totale) energiekosten tot gevolg. Op termijn kan ook de gebouwde omgeving om diezelfde redenen gaan profiteren van een regionale invulling van de warmtevraag met aardwarmtebronnen. Omdat geothermie vooral een vervanger is voor de laagwaardige toepassing van aardgas, blijft er meer kostbaar aardgas over voor hoogwaardige toepassingen als het maken van stoom bij industriële processen en als grondstof in de chemie.

Daarbij is het zaak om te focussen op toepassingen met een substantiële warmtevraag op lage temperatuur in grote volumes. Als eerste komt dan de glastuinbouwsector in beeld. De bestaande Ontwikkelingsgebieden glastuinbouw bevinden zich in de voor geothermie kansrijke regio's, waartoe ook Noord-Limburg behoort. De verwachting is dat het potentieel aan geothermische energie in onze regio meer dan voldoende van omvang is om de kassen gedurende langere tijd op een economisch rendabele wijze te verwarmen.

Woningen en utiliteitsgebouwen voldoen daarnaast in beginsel eveneens aan het criterium. Echter, het daadwerkelijk toepassen van geothermie voor het verwarmen van de gebouwde omgeving vereist grotere investeringen op het gebied van transport en distributie van warmte en het aanpassen van gebouwen op laag temperatuurregimes. De focus zou daarom gelegen moeten zijn in die (verstedelijkte) gebieden waar zo mogelijk reeds warmtenetten bestaan of wel in ontwikkeling zijn. Het plangebied is in beginsel niet aan te merken als verstedelijkt gebied, waardoor toepassing van geothermie bij woningen en utiliteitsgebouwen naar alle waarschijnlijkheid niet rendabel is.

Hoewel er dus vooral voor de tuinbouw potenties zijn om geothermiesystemen toe te passen, geldt voor opsporings- en winningsvergunningen voor aardwarmte dieper dan 500 meter, zoals het geval is bij geothermiesystemen, dat deze vallen onder de Mijnbouwwet waarbij het ministerie van Economische Zaken bevoegd gezag is. Daarnaast is gedegen geologisch onderzoek nodig en mogelijk boringen. Om deze redenen wordt het realiseren van geothermiesystemen niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan. Eventuele aanvragen zullen een eigen procedure moeten doorlopen.

Hoofdstuk 5 SECTORALE ASPECTEN

5.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op de verschillende planologische en milieutechnische aspecten. Het betreffen sectorale aspecten die relevant zijn voor het leggen van de verschillende bestemmingen. Tevens dient rekening te worden gehouden met deze sectorale aspecten bij eventuele toekomstige ontwikkelingen, die zich mogelijk zullen voordoen tijdens de looptijd van het bestemmingsplan.

5.2 Milieuaspecten

5.2.1 Bodem

Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.

Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd. Hierbij mogen bodemonderzoek in de regel niet ouder zijn dan vijf jaar.

Het op te stellen bestemmingsplan maakt in beginsel geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. De legaal aanwezige functies worden positief bestemd. Daarom is het niet nodig onderzoek te doen naar de kwaliteit van de bodem.

5.2.2 Geluid

Industrielawaai

Zonering in het kader van industrielawaai Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en anderzijds woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.

De basis van de zonering voor industrielawaai is gelegen in het bestemmingsplan. Er is sprake van een industrieterrein in het kader van de Wet geluidhinder als in het bestemmingsplan voor een bepaald terrein:

  • in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen
  • én waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van 'grote lawaaimakers'.

Om verwarring met spreektaal te vermijden wordt in het algemeen gesproken over 'gezoneerd industrieterrein'. In onderdeel D van Bijlage I uit het Besluit omgevingsrecht is vastgelegd welke inrichtingen als grote lawaaimaker moeten worden beschouwd. Op grond van artikel 40 van de Wet geluidhinder moet tegelijk met het ontstaan van een industrieterrein een zone rond het industrieterrein vastgelegd worden. Daarbij geldt op grond van hetzelfde artikel 40 (en art. 53 voor bestaande zones) dat buiten de zone de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

Buiten de zone gelden er geen beperkingen voor (geluidsgevoelige) bestemmingen. Binnen de zone zijn er wel beperkingen voor het bestemmen van geluidsgevoelige bestemmingen. Voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten in de zone geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Door middel van een 'hogere waarde procedure' kan een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen. Deze verhoging is mogelijk tot een maximale ontheffingswaarde. Deze maximale ontheffingswaarde is afhankelijk van de situatie ter plaatse (zoals nieuwe dan wel bestaande woningen).

In Tienray is sprake van een Bouwelementenfabriek en een Betonfabriek aan respectievelijk Nehobolaan 3 en 5. Hoewel deze adressen buiten het plangebied vallen (ze behoren tot de bebouwde kom van Tienray), geldt hiervoor een geluidzonering die over het plangebied valt aan de oostzijde van Tienray.

Ten zuiden van Grubbenvorst, aan de zuidzijde van de rijksweg A67, ligt het bedrijventerrein Venlo Tradeport. Dit bedrijventerrein behoort tot de buurgemeente Venlo, maar de geluidzonering valt over een deel van het plangebied heen. Het betreft het uiterst zuidelijke deel van het plangebied, ten zuiden van Grubbenvorst en gelegen tussen de spoorlijn Nijmegen - Venlo (Maaslijn) aan de westzijde, de A67 aan de zuidzijde en de Maas aan de oostzijde.

Eveneens ten zuiden van Grubbenvorst ligt de locatie van de Centrale Verwerkingsinstallatie 'Raaieinde' (CVI). Hoewel deze locatie zelf niet tot het plangebied behoort, is er ook een geluidszone van toepassing buiten de inrichting zelf. Deze geluidszone valt wel binnen het plangebied.

Voor alle drie de gebieden waarop deze geluidzonering van toepassing is, is de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' opgenomen. Binnen deze geluidzone is het oprichten van nieuwe geluidgevoelige objecten niet toegestaan. Aangezien onderhavig bestemmingsplan het oprichten van nieuwe geluidgevoelige objecten niet toestaat, leidt dit niet tot problemen ten aanzien van deze geluidgezoneerde terreinen.

Weg- en spoorweglawaai

De Wet geluidhinder stelt grenswaarden voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De grenswaarden zijn van toepassing binnen de wettelijk bepaalde zones langs wegen en spoorwegen. Indien nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen een geluidszone worden toegestaan of als er sprake is van de aanleg of wijziging van een weg stelt de Wet geluidhinder de verplichting om een akoestisch onderzoek te verrichten. De bestaande situatie hoeft niet getoetst te worden bij het vaststellen van een bestemmingsplan.

In en langs plangebied liggen verschillende autowegen en spoorwegen met een geluidszone, die zich uitstrekt tot in het plangebied. Dit betreft de rijkswegen A67 en A73, de spoorwegen Eindhoven-Venlo en Nijmegen-Venlo (Maaslijn) en diverse provinciale en lokale wegen.

Dit bestemmingsplan is consoliderend van aard. Het legt de bestaande situatie vast en maakt geen (uitbreiding van) nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk binnen een zone. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek is dan ook niet nodig.

Stiltegebieden

In het plangebied komen twee stiltegebieden voor, te weten 'Mariapeel - Griendtsveen - Grauwveen' en 'Tienrayse en Swolgenderheide'. Bij stiltegebieden gaat het om gebieden die rustig zijn en rustig moeten blijven. Binnen deze gebieden wordt onder andere intensieve recreatie en het gebruik van wegen door gemotoriseerd verkeer geweerd of gereduceerd.

Dit bestemmingsplan is consoliderend van aard en staat in beginsel geen nieuwe geluidproducerende inrichtingen toe. Aangezien voor inrichtingen binnen het stiltegebied geen nadere eisen zijn gesteld in de Omgevingsverordening Limburg 2014, hoeft hiervoor niets in het bestemmingsplan te worden geregeld. Bestaande functies kunnen dan ook gewoon voort blijven bestaan.

5.2.3 Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen). De wet heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Er zijn grenswaarden voor de concentratie van bepaalde stoffen in de buitenlucht. De concentraties van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden.

Fijnstof wordt gezien als één van de meest schadelijke stoffen van luchtverontreiniging. Bij het indelen van fijnstof in soorten wordt er onderscheid gemaakt in grootte van de deeltjes:

  • PM10: deeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 10 micrometer. PM is hierbij de afkorting voor 'particulate matter';
  • PM2,5: deeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 2,5 micrometer;
  • PM0,1: deeltjes kleiner dan 0,1 micrometer (ultra-fijnstof).

Bronnen van fijnstof zijn verkeer, industrie, bouwsector en landbouw. Ook huishoudens kunnen bijdragen aan de uitstoot van fijnstof in de directe omgeving, vooral door gebruik van een allesbrander, open haard of barbecue.

Indien het uitoefenen van bevoegdheden (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen indien aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een overschrijding van een grenswaarde;
  • het bestemmingsplan leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het bestemmingsplan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging;
  • de ontwikkeling past binnen vastgesteld programma zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Uit raadpleging van de Atlas Leefomgeving dat er weinig knelpunten aanwezig zijn. Het overgrote deel van het plangebied van ten aanzien van stikstof (NO2) te classificeren als 'voldoende' (0-20 ug/m³), waarbij alleen langs de wegen (hoofdzakelijk langs de rijksweg A73) 'redelijk'
(20-25 ug/m³) tot 'vrij matig' (25-30 ug/m³) wordt geclassificeerd. Ten aanzien van fijnstof (PM10) wordt vrijwel het gehele plangebied geclassificeerd als 'vrij matig' (25-27 ug/³) tot hier en daar locaties met een classificering 'matig' (27-29 ug/m³) tot 'zeer matig' (29-31 ug/m³).

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0032.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0033.png"

Afbeelding - Stikstofdioxide, grootschalige achtergrondconcentratie (bron: Atlas Leefomgeving, juli 2014)

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0034.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0035.png"

Afbeelding - Fijnstof, grootschalige achtergrondconcentratie (bron: Atlas Leefomgeving, juli 2014)

Uit de afbeeldingen blijkt dat de huidige concentraties stikstofdioxide en fijnstof voldoen aan de wettelijke niveaus van respectievelijk 40 en 31,3 µg/m³. Ten aanzien van fijnstof liggen sommige locaties wel tegen de kritieke grens aan.

Het bestemmingsplan Buitengebied is consoliderend van aard: het bestemmingsplan legt de bestaande situatie zoveel mogelijk vast en maakt slechts in beperkte mate nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Dit betekent dat de luchtkwaliteit niet (in betekende mate) zal verslechteren ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan. N.B. In het PlanMER worden de stikstofemissies door veehouderijen in beeld gebracht. Hieruit dient eveneens te blijken dat het bestemmingsplan niet leidt tot knelpunten.

Nabij het Ontwikkelingsgebied IV Witveldweg is een meetpunt ingericht ten aanzien van fijnstof (zowel PM10 als PM2,5). Hiermee wordt op zeer regelmatige basis (om de paar minuten) gemeten hoe het is gesteld met de luchtkwaliteit ter plaatse voor het aspect fijnstof. Tweemaal per jaar worden deze gegevens door de provincie binnengehaald en ter beschikking gesteld aan de gemeenteraad en de dorpsraden. Hieruit volgt dat het gemiddelde van de fijnstofconcentraties (PM10 en PM2,5) en het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 niet overschreden worden (peildatum november 2015).

5.2.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen.

De Wgv schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een milieuvergunning aanvraagt. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de 'omgekeerde werking' genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. De ruimtelijke plannen waarvoor de omgekeerde werking moet worden beoordeeld, zijn met name bestemmingsplannen waarin locaties voor woningbouw, zoals een woonwijk of een Ruimte voor ruimte-woning, of recreatie en toerisme worden vastgelegd.

Op grond van de Wgv kunnen gemeenten een geurverordening opstellen waarin zij - binnen bepaalde wettelijke marges - hun eigen geurnormen stellen. Een gemeente die eigen geurbeleid wil voeren moet daarvoor wel de huidige geursituatie in kaart brengen en een gebiedsvisie opstellen.

De gemeente heeft in het kader van de gemeentelijke structuurvisie onderzoek gedaan naar het leefklimaat van de verschillende kernen. Naar aanleiding daarvan zijn in de structuurvisie voor de intensieve veehouderij vaste afstanden opgenomen ten opzichte van de dorpskern. Voor Kronenberg, Meerlo, Melderslo en Tienray geldt een kernrandzone van 500 meter. De genoemde kernen kennen een redelijk tot goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Alleen voor Tienray geldt op een enkele locatie een matig woon- en leefklimaat. De reden voor het hanteren van een kernrandzone van 500 meter is dat de gemeente wil voorkomen dat het huidige leefklimaat verslechtert. In de overige 11 kernen (Evertsoord is in het kader van het onderzoek niet aangemerkt als kern) is sprake van een goed tot zeer goed woon- en leefklimaat. Hiervoor geldt daarom een kernrandzone van 250 meter.

De afstanden uit de structuurvisie zijn ook in het bestemmingsplan aangehouden. De gemeente heeft er verder bewust voor gekozen geen geurverordening op te stellen, omdat de intensieve veehouderijsector op basis van wettelijke normen voldoende uitbreidingsmogelijkheden heeft en met het opnemen van de kernrandzones het woon- en leefklimaat van de kernen voldoende is veiliggesteld.

5.2.5 Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt uitgegaan van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. In het bestemmingsplan wordt uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Wanneer sprake is van omgevingstype 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.

Milieucategorie   Richtafstand  
1   10 m  
2   30 m  
3.1   50 m  
3.2   100 m  
4.1   200 m  
4.2   300 m  
5.1   500 m  
5.2   700 m  
5.3   1.000 m  
6   1.500 m  

Als input voor het bestemmingsplan dienen alle inrichtingen binnen het plangebied te worden geselecteerd. Per inrichting worden de niet-gecorrigeerde milieucategorieën en milieuzones bepaald. Dat houdt in dat wordt uitgegaan van richtafstanden behorende bij het type 'rustige woonwijk', in plaats van het type 'gemengd gebied', waarvoor kleinere richtafstanden gelden. Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Deze wetgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten.

5.2.6 Externe veiligheid

Inleiding
Bij het realiseren van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met externe veiligheid. De risico's, gevaarbronnen binnen, maar ook in de nabijheid, van het plangebied zijn geïnventariseerd. Beoordeelde gevaarbronnen kunnen bedrijven zijn, maar ook transportroutes over de weg, spoor of vaarwater en via buisleidingen.


De risico's bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in 'plaatsgebonden risico' en 'groepsrisico'. Waarom worden er twee begrippen gebruikt? Het rijksoverheidsbeleid maakt onderscheid tussen het risico waaraan het individu is blootgesteld en het risico waaraan een groep mensen is blootgesteld. Het gaat om het risico op overlijden. Voor de beoordeling van het risico waaraan het individu is blootgesteld gebruikt men het plaatsgebonden risico. Dit is de maatstaf voor de persoonlijke veiligheid. De maatstaf voor de kans dat een groep van mensen in een keer overlijdt, is het groepsrisico.


Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) is de overlijdenskans per jaar die op een bepaalde afstand aanwezig is door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve burger. Deze burger is 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op de plaats aanwezig waarvoor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Verder zal de burger geen aanstalten maken zich in veiligheid te brengen (vlucht- of schuilgedrag) gedurende de maximaal 30 minuten blootstelling aan het optredende effect. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (de zogeheten risicocontour). In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Voor bestaande situaties geldt een tijdelijke norm van 1 op de 100.000 per jaar (10-5/jaar).


Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt.


De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico's accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0036.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0037.png"

Afbeelding - Uitsnede Risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)


Inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico's voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken.


Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen.


Binnen het plangebied bevinden zich enkele locaties met verkoop van LPG. De vulpunten zijn op de verbeelding aangegeven. Afhankelijk van de doorzet, welke toegestaan is in de vergunning van het bedrijf, bedraagt de PR 10-6 contour bij een doorzet tot 1.000 m³ per jaar 45 meter uit het vulpunt en bij een doorzet tot 1.500 m³ per jaar bedraagt de grote van de 10-6 risico contour 110 meter uit het vulpunt. De afstand tot de grens van het invloedgebied bedraagt 150 meter. Deze afstanden zijn relevant ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen in de omgeving daarvan. Verder dient het Besluit externe veiligheid inrichtingen en de daaraan gekoppelde Regeling externe veiligheid inrichtingen in acht genomen te worden. De risicocontouren zijn op de verbeelding opgenomen als 'veiligheidszone - lpg'.

Adres   Doorzet   PR-afstand  
Venloseweg 16 Sevenum   < 1.000 m³   45 m  
Middenpeelweg 3 Sevenum   < 1.000 m³   45 m  
Rijksweg A67 Maasbree (alleen het invloedsgebied valt binnen het plangebied)   < 1.000 m³   45 m  
Californischeweg 6 Grubbenvorst   1.000 m³   110 m  
Venrayseweg 95, Horst   1.000 m³   110 m  

Voor het overige komen er diverse bedrijven voor die een risico kunnen vormen in het kader van externe veiligheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om bedrijven met een propaantank op het terrein of bedrijven met een ammoniakkoelinstallatie. Uit de Risicokaart blijkt dat bij veel van dergelijke inrichtingen de risicocontour zich binnen de inrichting bevindt. Er hoeft daarom geen aanvullende zonering op de verbeelding te worden opgenomen.


Voor de hierna volgende bedrijven ligt de riscocontour gedeeltelijk buiten de inrichting. Deze contouren liggen niet binnen bestemmingen waar gevoelige objecten opgericht kunnen worden. Het opnemen van deze contouren in het bestemmingsplan is dan ook niet noodzakelijk. De zone rondom het gasontvangststation is wel relevant. Deze is op de verbeelding en in de regels opgenomen als 'veiligheidszone - gasontvangststation'.

Adres   Doorzet   PR-afstand  
Raamweg 8 America   Bovengrondse propaanopslag, 5.000 liter   25 m  
Wetemerweg 16 Evertsoord   Bovengrondse propaanopslag, 8.000 liter   25 m  
Patersstraat 15 Evertsoord   Bovengrondse propaanopslag, 5.000 liter   25 m  
Helenaveenseweg 34 Evertsoord   Bovengrondse propaanopslag, 8.000 liter   25 m  

Adres   Doorzet   PR-afstand  
Dorperpeelweg 9 America   Propaanopslag, 10.000 liter   20 m  
Midden Peelweg 8 America   Propaanopslag, 18.000 liter   50 m  
Lorbaan 10 America   Propaanopslag, 5.000 liter   20 m  
De Voorst 1 Sevenum   Propaanopslag, 8.000 liter   25 m  
Venloseweg 36   Bovengrondse propaanopslag, 8.000 liter   25 m  
Hazenkampweg 19 Meterik   Propaanopslag, 5.000 liter   20 m  
Americaanseweg 57 Horst   Propaanopslag, 8.000 liter   25 m  
Schadijkerweg 40 Meterik   Gasdrukmeet- en regelstation, aardgasontvangst   25 m  
Molengatweg 4 Horst   Bovengrondse propaanopslag, 9.000 liter   25 m  
Witveldweg 60 Grubbenvorst (alleen een deel van de risicocontour valt binnen het plangebied)   Bovengrondse propaanopslag, 20.000 liter   30 m  
Zandterweg 26 Lottum   Bovengrondse propaanopslag, 8.000 liter   25 m  
Horsterweg 23 Broekhuizen   Bovengrondse propaanopslag, 7.000 liter   25 m  
Krienestraat 3 Swolgen   Bovengrondse propaanopslag, 8.000 liter   25 m  
Blitterswijckseweg 1 Broekhuizenvorst   Ammoniakinstallatie, 8.498 kg   75 m  
Peschweg 8 Meerlo   Bovengrondse propaanopslag, 13.000 liter   25 m  
Bergweg 7 Meerlo   Bovengrondse propaanopslag, 18.000 liter   50 m  

 
Transportroutes

Binnen het plangebied bevinden zich diverse transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Het betreft de rijksweg A73, de provinciale weg N556, de spoorlijn Eindhoven - Venlo en de rivier de Maas. Voor de rijkswegen en de spoorlijn gelden vanwege het plaatsgebonden risico veiligheidszones. Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen is 1 april 2015 in werking getreden. Zowel de veiligheidszones als de plafonds voor het plaatsgebonden risico ('PR-plafonds') zijn vastgelegd in de Regeling Basisnet. Binnen de veiligheidszones mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gerealiseerd.

Plaatsgebonden risico

De volgende veiligheidszones zijn van toepassing voor de verschillende transportroutes:

  • Voor de rijksweg A67, afrit 39 (Sevenum), knooppunt Zaarderheiken geldt een PR-contour van 22 m;
  • Voor de rijksweg A73, afrit 11 (Horst) - afrit 12 (Grubbenvorst), geldt een PR-contour van 6 m;
  • Voor de rijksweg A73, afrit 12 (Grubbenvorst), knooppunt Zaarderheiken geldt een PR-contour van 11 m;
  • Voor de spoorlijn Eindhoven - Venlo geldt een PR-contour van 0 m;
  • Voor de rivier de Maas geldt een PR-contour van 0 m.


(bron: Regeling Basisnet - risicoplafonds, d.d. 19 maart 2014, Ministerie van Infrastructuur en Milieu)


Binnen de genoemde veiligheidszones van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen zijn in het plangebied geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig of toegestaan. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde (kwetsbare objecten) en richtwaarde (beperkt kwetsbare objecten) voor het plaatsgebonden risico.


Plasbrandaandachtsgebied

In het kader van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen moet voor de rijkswegen A67 en A73 en de spoorlijn Eindhoven - Venlo rekening worden gehouden met een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg en de spoorweg. Binnen dit plasbrandaandachtsgebied mogen geen nieuwe kwetsbare objecten/bestemmingen worden geprojecteerd, tenzij hierbij maatregelen worden genomen om de effecten van een plasbrand afdoende te beperken. Dit ter goedkeuring van de gemeente. Realisatie van kwetsbare objecten/bestemmingen binnen 30 m vanaf de rijkswegen A67 en A73 en de spoorlijn Eindhoven - Venlo niet mogelijk is met het oog op een goed woon- en leefklimaat (vooral ten aanzien van het milieuaspect geluid) en de in het plan opgenomen vrijwaringszones van 50 m, waarbinnen niet mag worden gebouwd. Met het oog hierop wordt geen nadere aanduiding opgenomen voor het aspect externe veiligheid en vormt dit verder geen belemmering voor het bestemmingsplan.


Buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is.

In en nabij het plangebied ligt een aantal aardgastransportleidingen. Volgens het Bevb hebben deze buisleidingen een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook voor buisleidingen voor aardgas bedraagt, afhankelijk van de werkdruk, 4 of 5 meter aan weerszijden van de buisleiding (gemeten vanuit het hart van de buisleiding). Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is.


Naast deze aardgastransportleidingen komt ook een tweetal olieleidingen voor van de Rotterdam-Rijn-Pijnleidingmaatschappij.


In het plangebied komen de volgende buisleidingen voor:

Leiding   Diameter   Werkdruk   PR-afstand  
Ruwe olie leiding (K1-leiding) Pernis - Venlo   24 inch   62 Bar   23,6 m  
Productenleiding (K1-leiding) Europoort - Venlo   36 inch   43 Bar   45,2 m  
Aardgastransportleiding A520   24 inch   66,2 Bar   0 m  
Aardgastransportleiding A578   42 inch   66,2 Bar   0 m  
Aardgastransportleiding A665   48 inch   79,9 Bar   0 m  
Aardgastransportleiding Z541-04   6,61 inch   40 Bar   0 m  
Aardgastransportleiding Z541-22   12,76 inch   40 Bar   0 m  

Alle voorgenoemde leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden opgenomen, middels een hartlijn en een bijbehorende dubbelbestemming (Leiding - Gas, dan wel Leiding - Brandstof). De dubbelbestemming is opgenomen om een bebouwingsvrije afstand vast te leggen. Deze bedraagt 5 m aan weerszijden van de hartlijn van de buisleiding. Voor de leidingstroken uit de Structuurvisie Buisleidingen is een dubbelbestemming van 70 m breed opgenomen. Binnen deze zone is het oprichten of in gebruik nemen van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten niet toegestaan.


Verantwoording groepsrisico

Dit bestemmingsplan is overwegend consoliderend van aard. Eventuele nieuwe initiatieven zijn overwegend de functieverandering van reeds bestaande bedrijfswoningen naar burgerwoningen. Voor zover nieuwe kwetsbare objecten zijn toegevoegd aan de hand van nieuwe initiatieven, zijn deze individueel op het aspect externe veiligheid beoordeeld, zoals opgenomen in de bijlagen bij deze Toelichting. Het bestemmingsplan leidt in beginsel dan ook niet tot een toename van het groepsrisico. De verantwoording kan zich daarom beperken tot:

  • 1. de mogelijkheden van de voorbereiding op de bestrijding van en de beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet rampen en zware ongevallen;
  • 2. de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedgebied van de inrichting, route of het tracé om zich in veiligheid te brengen.


Voorbereiding

Gemeenten vormen een belangrijke schakel en kolom in de veiligheidsregio's. Samen met de brandweer (Rode Kolom), de politie (Blauwe Kolom) en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (Witte Kolom) zijn gemeenten verantwoordelijk voor rampenbestrijding en crisisbeheersing. De afgelopen jaren hebben de gemeenten in Noord-Limburg en de Veiligheidsregio Limburg Noord gewerkt aan de professionalisering van de gemeentelijke processen bij rampen en crises. Dit heeft in heel Nederland geleid tot de inrichting van de kolom Bevolkingszorg (Oranje Kolom), waarvoor gemeenten als vierde kolom binnen de rampen- en crisisorganisatie verantwoordelijk zijn. De afgelopen jaren zijn tientallen functionarissen van de gemeenten binnen de Veiligheidsregio Limburg-Noord opgeleid en is gewerkt aan een piketregeling voor een aantal functies binnen deze kolom. De Oranje Kolom is operationeel vanaf 1 december 2014. Hiermee is een belangrijke stap gezet in de professionalisering van de gemeentelijke taken binnen de rampen- en crisisorganisatie.


Het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio Limburg Noord heeft op 22 november 2013 ingestemd met de regionale functiestructuur Bevolkingszorg. Met deze instemming heeft het bestuur akkoord gegeven voor de invulling van een aantal piketten voor Bevolkingszorg. Hiermee zijn (piket)functionarissen uit andere gemeenten, uit de regio Limburg-Noord, bevoegdheden toegekend die het mogelijk maken uitvoering te kunnen geven aan hun werkzaamheden binnen het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas.


Met de komst van de piketfuncties Bevolkingszorg, vervullen medewerkers die niet in dienst zijn van de gemeente Horst aan de Maas, een functie als er zich in Horst aan de Maas een calamiteit/ ramp voordoet. De medewerkers van de gemeente Horst aan de Maas die een rol in crisisbeheersing hebben zijn door de gemeentesecretaris aangewezen. Medewerkers van andere gemeenten zijn door ondertekening van het 'Volmacht-, machtigings- en mandaatbesluit Oranje Kolom' aangewezen om hun werkzaamheden op het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas uit te kunnen voeren.


Om de operationele slagkracht tijdens een crisis te vergroten, zijn de piketfunctionarissen bevoegdheden toegekend die het mogelijk maken om snel uitvoering te kunnen geven aan hun taken. Deze bevoegdheden hebben betrekking op:

  • a. het alarmeren en opschalen van de gehele gemeentelijke crisisorganisatie;
  • b. het inzetten van sleutelfunctionarissen op het grondgebied van de incidentgemeente;
  • c. het inzetten van personeel of middelen in het kader van hun repressieve taak en het aangaan van verplichtingen die direct verband houden met het uitvoeren van deze taak.


Vluchtroutes

Gelet op het hoofdzakelijk consoliderende karakter van dit bestemmingsplan is geen sprake van grootschalige nieuwe ontwikkelingen met een (aanzienlijke) toename van groepsrisico. Ten aanzien van vluchtroutes van risicobronnen af, kan gebruik worden gemaakt van bestaande infrastructuur. Bij de toetsing van ruimtelijke plannen ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen wordt blijvend aandacht gevraagd voor het aspect externe veiligheid en daarmee zowel het plaatsgebonden als het groepsrisico, waaronder voorzieningen voor bluswater en vluchtroutes, dan wel toegang voor hulpdiensten. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het ontsluiten van een gebied via ten minste twee routes aan verschillende zijden van het plangebied, zodat in het geval van een brand rekening kan worden gehouden met de windrichting en altijd een vluchtroute/toegangsroute voor hulpdiensten beschikbaar blijft.


Overstroming

Een deel van het plangebied valt binnen het risicogebied voor overstroming van de Maas. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor een overstromingsgevaar geldt, kunnen alleen voorzien in het realiseren van nieuwe bebouwing binnen deze gebieden als er sprake is van zwaarwegend maatschappelijk belang. Het bestemmingsplan stelt in dit geval zodanige voorwaarden dat de veiligheid ook op de lange termijn voldoende is gewaarborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0038.png"
afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0039.png"

Afbeelding - Overstromingsrisico (bron: Regionaal Risicoprofiel Veiligheidsregio Limburg-Noord)


Omdat het gaat om een overwegend consoliderend plan, waarin de bestaande situatie wordt vastgelegd en er weinig nieuwe bebouwing mogelijk wordt gemaakt is er geen sprake van voorwaarden voor de lange termijn. Het gaat hierbij vooral om bewustwording.


Daarbij wordt opgemerkt dat middels het provinciale inpassingsplan "Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum", zoals vastgesteld op 11 november 2016 is opgesteld voor het reactiveren van de Oude Maasarm bij Ooijen en tevens de aanleg van twee hoogwatergeulen, bij Ooijen en, stroomafwaarts, ter hoogte van Wanssum (gemeente Venray). Hiermee wordt effectief een verlaging van de Maas gerealiseerd en ontstaat extra ruimte voor water, in het geval de rivier buiten haar oevers treedt. Behalve het bieden van ruimte voor extra water, worden tevens extra dijken op basis van dit plan gerealiseerd, om de waterveiligheid te verhogen naar acceptabele normen.

5.2.7 Milieueffectraportage

Wettelijk kader

In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Een planmer-plicht is voor een bestemmingsplan aan de orde als het plan:

  • kaderstellend is voor een toekomstig besluit over mer-(beoordelings)plichtige activiteiten: bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten die in het kader van de omgevingsvergunning milieu mer-(beoordelings)plichtig zijn (artikel 7.2 van de Wet milieubeheer);
  • mogelijkheden biedt voor activiteiten, waarvan op voorhand niet met zekerheid is vast te stellen dat deze geen significant negatieve effecten kunnen veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Als dat niet kan worden uitgesloten dient op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 een passende beoordeling te worden opgesteld in het kader van het op te stellen planMER (artikel 7.2a van de Wet milieubeheer).

Kaderstelling

Het bestemmingsplan Buitengebied is hoofdzakelijk conserverend van aard, maar biedt wel ontwikkelingsmogelijkheden aan de agrarische bedrijven. Daarbij gaat het onder andere om ontwikkelingsruimte voor de aanwezige veehouderijen.

De nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging van veehouderijbedrijven is in het kader van de omgevingsvergunning vanaf een bepaalde omvang m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplichtig (bijvoorbeeld bij meer dan 200 melkkoeien, 2.000 schapen of 100 paarden). Dit betekent dat bij een concreet initiatief boven die omvang in het kader van de vergunningaanvraag een m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure dient te worden doorlopen. Deze m.e.r.-(beoordelings)plicht is afhankelijk van het aantal dieren waarop het initiatief betrekking heeft.

Het bestemmingsplan is daarmee in beginsel kaderstellend voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten.

Planologische mogelijkheden bepalend

Voor het bepalen van het antwoord op de vraag of de agrarische bedrijven ook boven het aantal dieren uitkomen die in het Besluit m.e.r. zijn opgenomen, moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden in vergelijking met de huidige situatie. Er moet dus enerzijds rekening worden gehouden met de onbenutte ruimte uit geldende bestemmingsplannen en anderzijds moet ook rekening worden gehouden met eventueel opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.

Vooralsnog is het de bedoeling om in het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied de geldende bouwvlakken over te nemen. Deze hebben een zodanige omvang dat daar stallen bijgebouwd zouden kunnen worden waarin wel zodanig veel dieren gehuisvest kunnen worden dat de drempels uit het Besluit m.e.r. worden overschreden. Daarmee vormt het bestemmingsplan het kader voor mogelijke toekomstige besluiten over m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Om deze reden is voor het bestemmingsplan Buitengebied sprake van een planm.e.r.-plicht.

Effecten op Natura 2000-gebieden

In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied liggen meerdere Natura 2000-gebieden:

  • in het westen van het plangebied ligt een deel van het Natura 2000-gebied 'Deurnsche Peel en Mariapeel';
  • ten oosten van het plangebied, aan de overzijde van de Maas, ligt het Natura 2000-gebied 'Maasduinen';
  • ten noorden van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied 'Boschhuizerbergen';
  • ten zuidwesten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied 'Groote Peel';
  • verder weg aan de oostzijde ligt op circa 4 km afstand het Natura 2000-gebied 'Hangmoor Damerbruch' op Duits grondgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPO1_0040.png"

Afbeelding - Kaart ligging Natura 2000-gebieden binnen en rond de gemeente Horst aan de Maas

In de Natuurbeschermingswet 1998 is vastgelegd dat voor plannen die mogelijk leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000 een zogenaamde 'passende beoordeling' noodzakelijk is.

Met name de uitbreiding van veehouderijen kan negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden (uitstoot van stikstof), indien de betreffende Natura 2000-gebieden gevoelig zijn voor stikstof. Dit omdat effecten van stikstof op vele kilometers afstand waarneembaar zijn (20-30 km).

Daarbij komt dat de kritische depositiewaarde van het Natura 2000-gebied 'Deurnsche peel en Mariapeel' lager ligt dan de achtergronddepositie. Dat betekent dat elke toename van stikstofdepositie leidt tot een verslechtering van de natuurkwaliteit van het betreffende Natura 2000-gebied.

De hiervoor geschetste planologische uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen in Horst aan de Maas kunnen dus ook negatieve effecten hebben op omliggende Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd. Wanneer voor een plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is, leidt dit automatisch tot een planm.e.r.-plicht.

Doel en procedure planMER

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Doel van een planMER is het integreren van milieuoverwegingen in de voorbereiding van in dit geval een bestemmingsplan en het meenemen is van de milieugevolgen van het plan, bij de afweging van alle belangen die bij het besluit over het plan afgewogen moeten worden. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de procedure die moet worden doorlopen voor het betreffende plan of besluit, de zogenaamde 'moederprocedure'. De planm.e.r.-procedure bestaat uit de volgende stappen:

  • 1. openbare kennisgeving opstellen planMER en bestemmingsplan;
  • 2. raadpleging bestuursorganen en inspraak over reikwijdte en detailniveau van het planMER;
  • 3. opstellen planMER en (voor)ontwerpbestemmingsplan;
  • 4. terinzagelegging planMER met ontwerpbestemmingsplan;
  • 5. toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r.;
  • 6. vaststelling bestemmingsplan.

Op 7 mei 2015 heeft publicatie van het voornemen plaatsgevonden (ad 1). Er is toen gelegenheid gegeven tot het indienen van zienswijzen op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau ten aanzien van het voornemen om een planMER op te stellen. Daarvan is geen gebruik gemaakt.

Ad 2. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau is ook toegezonden aan relevante instanties. Dit heeft een reactie opgeleverd van de provincie Limburg (kan instemmen met de notitie) en de gemeente Deurne (notitie geeft geen aanleiding voor het maken van opmerkingen). De gemeente verwijst nog naar het planMER voor hun bestemmingsplan buitengebied uit 2013, waarin de te onderzoeken milieueffecten iets gedetailleerder zijn omschreven dan in de notitie is opgenomen. Bij de uitwerking van het planMER is hier nader naar gekeken.

Vervolgens is een eerste ruwbouw versie van het planMER uitgewerkt. Het MER is in de fase tussen voorontwerpbestemmingsplan en ontwerpbestemmingsplan verder uitgewerkt. Het ontwerp MER wordt samen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, zie Bijlage 4 Ontwerp planMER.

5.3 Kabels en leidingen

Behalve de reeds in paragraaf 5.2.6 genoemde buisleidingen waarvoor het Bevb geldt, komen in het plangebied diverse andere soorten kabels en leidingen voor. Zo loopt er een tweetal bovengrondse hoogspanningsleidingen in noord-zuidelijke richting. Eén van deze leidingen loopt globaal van Venlo naar Boxmeer en ter hoogte van Horst aan de Maas min of meer parallel aan de rijksweg A73. Het bedraagt een 150 kV-lijn. De ander loopt in het westen van het plangebied, van Maasbracht naar Boxmeer en is een 380 kV-lijn. Beiden zijn op de verbeelding opgenomen, middels een hartlijn en een bijbehorende dubbelbestemming. De dubbelbestemming is opgenomen om een bebouwingsvrije afstand vast te leggen. Deze bedraagt voor de 150 kV-lijn 20 m aan weerszijden van de hartlijn en voor de 380 kV-lijn 36 m aan weerszijden van de hartlijn.

De rioolwatertransportleidingen, met uitzondering van de rioolwatertransportleiding Kronenberg-Rioolgemaal Kronenberg (27.34) en de rioolwatertransportleiding Kronenberg BD (27.80), zijn op de verbeelding opgenomen, middels een dubbelbestemming. De dubbelbestemming is opgenomen om een bebouwingsvrije afstand vast te leggen. Voor de aanwezige leidingen bedraagt deze zone 2,5 m aan weerszijden van de hartlijn. De analoge gegevens van de Kronenberg-Rioolgemaal Kronenberg (27.34) en de rioolwatertransportleiding Kronenberg BD (27.80) zijn op te vragen bij de leidingbeheerder, het Waterschapsbedrijf Limburg. Voor wat betreft de rioolwatertransportleiding Kronenberg BD (buiten dienst) past de leidingbeheerder een passief beheer toe.

De in het bestemmingsplan gelegen rioolgemalen van het Waterschapsbedrijf Limburg kennen geurzones. Voor wat betreft de begingemalen (rioolgemaal Griendtsveen (27.26), rioolgemaal Kronenberg (27.35) en rioolgemaal Lottum (27.42) betreft dit een geurzone van 30 meter rondom de pompput van het rioolgemaal. De overige in het bestemmingsplan gelegen rioolgemalen (tussengemalen) hebben een geurzone van 50 meter rondom de pompput van het rioolgemaal. In de geurzones van de rioolgemalen mogen geen nieuwe geurgevoelige bestemmingen worden toegelaten.

5.4 Natuurwaarden

Soortenbescherming 

De Wet natuurbescherming beschermt een groot aantal in het wild levende planten- en diersoorten, ook buiten beschermde natuurgebieden. De wet verbiedt een aantal handelingen die kunnen leiden tot schade aan (populaties of individuen van) beschermde soorten (algemene verbodsbepalingen).

Wanneer het bestemmingsplan handelingen mogelijk maakt die beschermde planten en dieren kunnen bedreigen, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze plannen kunnen leiden tot overtreding van algemene verbodsbepalingen. Wanneer dit het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen genomen kunnen worden om dit te voorkomen, indien dit niet mogelijk is dienen de gevolgen voor beschermde soorten zoveel mogelijk beperkt te worden.

In Bijlage 4 Ontwerp planMER is het onderwerp natuurwaarden nader uitgewerkt.

5.5 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

Als gevolg van het Verdrag van Malta is op 1 september 2007 ten aanzien van archeologie de Wet op de archeologische Monumentenzorg in werking getreden. Feitelijk betreft het een aantal aanpassingen aan diverse wetten, waarvan de belangrijkste de Monumentenwet 1988 en de Woningwet zijn.

In het bestemmingsplan moeten de archeologische waarden worden beschermd. Feitelijk moest dat al gebeuren als gevolg van het Verdrag van Malta, maar de archeologische wetgeving eist dat nu ook. Op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK), bijgehouden door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, staan archeologische vindplaatsen aangegeven. Deze variëren in waarde van middelhoog tot zeer hoog. Enkele daarvan, de archeologische rijksmonumenten, worden reeds wettelijk beschermd. Het bestemmingsplan mag hier geen eigen regelgeving voor bevatten. De overige AMK-terreinen zijn onbeschermd. Hiervoor dienen regelingen opgenomen te worden in het bestemmingsplan.

Leidraad voor het beschermen van de gebieden met een (hoofdzakelijk middelhoge en hoge) archeologische verwachtingswaarde is het meest gedetailleerde voorhanden zijnde onderzoek. In 2015 is de Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas vastgesteld. Het bestemmingsplan Buitengebied dient de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingswaarden, op basis van de maatregelenkaarten, vast te leggen en zodoende te beschermen.

Cultuurhistorie

De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het plan op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen.

In de gebiedsbeschrijving (hoofdstuk 2) is de historische ontwikkeling van het plangebied aangegeven. Deze historische ontwikkeling heeft gezorgd voor een aantal cultuurhistorische waarden die nog altijd aanwezig zijn. Het gaat daarbij onder andere om monumentale en karakteristieke panden, om het beschermd dorpsgezicht Griendtsveen, diverse kapellen en de ruïne van kasteel Huys ter Horst uit omstreeks het jaar 1300. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening kan worden volstaan met een beschrijving van de cultuurhistorische waarden in het plangebied en of daar al dan niet iets mee wordt gedaan. Om deze waarden te behouden en te versterken is meer nodig. Daarom zullen deze waarden op de verbeelding en in de regels vastgelegd worden, zodat de instandhouding van de aanwezige waarden ook voor toekomstige generaties behouden blijft. Hiermee wordt voldaan aan het Besluit ruimtelijke ordening.

5.6 Verkeer en parkeren

Onderhavig bestemmingsplan is in hoofdzaak conserverend van aard. Doordat er geen grote nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, is ook geen sprake van nieuwe verkeersaantrekkende werking van functies. Voor zover ontwikkelingen door middel van de flexibiliteitsbepalingen mogelijk worden gemaakt, moet per ontwikkeling worden bekeken of er sprake is van onevenredige verkeersaantrekkende werking. Dit kan namelijk hinderlijk zijn voor de directe omgeving en reden voor overlast zijn.

Bij nieuwe ontwikkelingen moet ook inzichtelijk worden gemaakt dat wordt voldaan aan de laatste parkeernormen. Vanwege de Reparatiewet BZK 2014 moeten deze parkeernormen worden opgenomen in nieuwe bestemmingsplannen, aangezien er een overgangstermijn geldt voor het 'uitsterven' van stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening. In dit bestemmingsplan worden de parkeernormen dan ook opgenomen. Daarbij wordt aangesloten bij de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 2015. Deze nota heeft als doelstelling het vaststellen van een toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke plannen en -ontwikkelingen in de gemeente Horst aan de Maas om daarmee de bereikbaarheid en leefbaarheid in de gemeente Horst aan de Maas te waarborgen. Met behulp van dit toetsingskader moet worden voorkomen dat als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen parkeerproblemen in de openbare ruimte ontstaan.

5.7 Duurzaamheid

In het Coalitieakkoord 2014-2018 'Werken aan Werk, Zorgen voor Zorg' zijn de afspraken vastgelegd ten aanzien van belangrijke opgaven waar de gemeente Horst aan de Maas voor staat. Eén van de belangrijke thema's is het thema 'duurzaamheid'. In het Coalitieakkoord is aangegeven dat invulling wordt gegeven aan de duurzaamheidsthema's:

  • 1. 'bouwen/wonen' (energiezuinig en levensloopbestendig),
  • 2. 'bedrijfsvoering gemeentelijke organisatie',
  • 3. 'gezond' (waaronder de mogelijke inzet van een gezondheidseffectscreening) en
  • 4. 'ondernemen'.

Met name de thema's 'bouwen/wonen' en 'ondernemen' zijn ruimtelijk relevant in het kader van dit bestemmingsplan. In de paragrafen 4.3 Landbouw en 4.15 Duurzaamheid is reeds nader uitgewerkt hoe in dit bestemmingsplan ruimte wordt gegeven aan nieuwe initiatieven die voldoen aan deze duurzaamheidsopgave. Vanwege het consoliderende karakter van het bestemmingsplan zijn grootschalige duurzaamheidsopgaven moeilijk uit te voeren. Het plan biedt echter de ruimte om op perceels-/bedrijfsniveau invulling te geven aan relatief kleinschalige initiatieven (zoals zonnepanelen of WKO-systemen). Daarmee wordt voor zover mogelijk invulling gegeven aan de opgave uit het Coalitieakkoord 2014-2018 en het streven om het buitengebied van Horst aan de Maas ook voor toekomstige generaties leefbaar en aantrekkelijk te houden.

Hoofdstuk 6 JURIDISCHE TOELICHTING

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien.
De toelichting op de regels en verbeelding zijn niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht.
Eerst wordt ingegaan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen, vervolgens op de verbeelding. Daarna wordt aangegeven op welke wijze de regels in algemene zin zijn opgebouwd en de bestemmingsartikelen in het bijzonder. Tot slot wordt ingegaan op een aantal toetsingsaspecten.

6.1 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012)

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht dat een nieuw bestemmingsplan in digitale vorm wordt vastgesteld. Dit moet gebeuren volgens de RO-standaarden, RO-standaarden en regels 2012. Voor het digitaliseren c.q. standaardiseren van bestemmingsplannen is de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld.
Ook moet van het plan een analoge versie worden vastgesteld. Van een bestemmingsplan is er dus altijd een digitale en een analoge (papieren) (verschijnings)vorm. Deze zijn beide rechtsgeldig. Bij onduidelijkheid of een tegenstrijdigheid is de digitale weergave van doorslaggevende betekenis.

Onder vorige wetten werden bijna geen bepalingen gesteld over de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan. Hierdoor zijn er in de praktijk zeer verschillende bestemmingsplannen ontstaan. Dit, terwijl leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker van het bestemmingsplan van groot gewicht zijn. Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Zo zijn bijvoorbeeld de bestemmingen en begripsbepalingen in alfabetische volgorde opgenomen en vloeit de naam van een bestemming voort uit een standaardlijst, waaruit ingevolge de SVBP 2012 gekozen dient te worden. Kenmerk van de bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee (vlaksgewijs) is bedekt. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken.


Aanduidingen (functieaanduiding of gebiedsaanduiding) worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor.

De SVBP 2012 voorziet overigens uitsluitend in een systematische wijze van bestemmen en er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. Wel kent het SVBP 2012 een aantal onderdelen die verplicht moeten worden overgenomen in een bestemmingsplan, zoals de wijze van meten.

6.2 Toelichting op de verbeelding

De verbeelding (plankaart) heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn in de vorm van een vlak weergegeven. Deze aanduiding is digitaal altijd aan te klikken en zal dan oplichten, waardoor duidelijk is wat de grens van het aanduidingsvlak is. Op www.ruimtelijkeplannen.nl is hiervoor ‘het verrekijkertje’ voor de opgesomde aanduiding aan te klikken. Het vlak zal dan rood oplichten. In de regels wordt hiervoor de formulering “ter plaatse van de aanduiding ‘…’” gebruikt. Hiermee wordt dus het aanduidingsvlak bedoeld en niet de plek van het weergegeven symbool of de afkorting.


Op de papieren kaart zijn functieaanduidingen en bouwaanduidingen begrensd door een ‘haaientandlijn’ en worden maatvoeringsaanduidingen weergegeven door een onderbroken lijn. Bij onduidelijkheid of een tegenstrijdigheid is de digitale weergave van doorslaggevende betekenis. Anders gezegd, de papieren kaart heeft hierin geen betekenis meer.

Voorbeeld:

Agrarische bedrijfsgebouwen zijn slechts toegestaan binnen de op de kaart ingetekende (agrarische) bouwvlakken. Op de verbeelding is de begrenzing van bouwvlakken met een raster met vrij dikke belijningen uitgevoerd.

Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend. Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten. De ondergrondgegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter.

6.3 Toelichting op de regels

De regels zijn standaard als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels.
  • Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen.
  • Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen.
  • Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan.

De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.

Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van omgevingsvergunnings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure, kan aan deze ‘flexibliteitsbepalingen’ medewerking worden verleend.

Om te voorkomen dat bestemmingen gefrustreerd worden, zijn diverse bestemmingen voorzien van een stelsel van omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden. Hierin is geregeld dat een aantal werken en werkzaamheden verboden is, tenzij het bevoegd gezag hiervoor een omgevingsvergunning heeft afgegeven.

De belangrijkste omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden zijn overzichtelijk opgenomen in Artikel 50 Omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van de planregels. Voor de agrarische gronden zijn deze vergunningen gekoppeld aan de aanduidingen voor de zones uit het landschapsontwikkelingsplan (zie paragraaf 4.11). Werkzaamheden die de kwaliteiten van deze landschappen kunnen aantasten zijn dan gekoppeld aan een vergunning. Dat betekent niet dat deze werkzaamheden niet zijn toegestaan, maar dat vooraf moet worden afgewogen in hoeverre aantasting van de landschapskwaliteiten plaatsvindt. Als dat niet het geval is, kan een omgevingsvergunning worden verleend. Of dat de werkzaamheden anders worden uitgevoerd, zodat er geen aantasting plaatsvindt.

6.4 Wijze van toetsing

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de manier waarop activiteiten aan het bestemmingsplan getoetst moeten worden. Daartoe wordt eerst een werkwijze voorgesteld. Vervolgens wordt ingegaan op een aantal in de regels gehanteerde termen. Het gaat daarbij onder meer om ‘open normen’. Deze worden gebruikt omdat het in veel gevallen onmogelijk is om eenduidige harde criteria op te stellen. Enerzijds omdat daarmee de nodige flexibiliteit in een plan wegvalt en anderzijds omdat het bestemmingsplan een momentopname is waarbij vooraf onmogelijk met alle situaties rekening kan worden gehouden.

Werkwijze

Om te kunnen beoordelen of bepaalde zaken of ontwikkelingen passen binnen het regime van het bestemmingsplan, wordt de volgende werkwijze geadviseerd:

  • 1. Ga op de verbeelding na welke bestemming(en) en aanduidingen voor de gronden zijn opgenomen waarop de onderzoeksvraag/aanvraag betrekking heeft;
  • 2. Kijk in de regels naar de bepalingen van het artikel van de bestemming die voor de gronden geldt;
  • 3. Beoordeel of het aangevraagde/geconstateerde past binnen de bestemmingsomschrijving. Hierbij dienen meteen de nadere detaillering van de bestemming en de gebruiksbepaling te worden meegenomen omdat die een nadere uitleg/inperking geven van de bestemmingsomschrijving;
  • 4. Luidt het antwoord op punt 3 ja, dan moet in het geval van een bouwwerk tevens worden gekeken of deze ook past binnen de bouwregels;
  • 5. Voor zover er tevens werken/werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, moeten worden uitgevoerd (waarbij gedacht kan worden aan werkzaamheden die bodem-/grondverzet met zich meebrengen) dan moet bovendien worden nagegaan of er een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden verplicht is gesteld;
  • 6. Indien aan de punten 3, 4 en 5 wordt voldaan of kan worden voldaan, dan kan medewerking worden verleend, waarbij het bevoegd gezag eventueel nog gebruik kan maken van de aan haar toekomende bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen, teneinde de aanvraag beter te kunnen inpassen.
  • 7. Luidt het antwoord op de punten 3, 4 en/of 5 nee, dan kan nog worden gekeken of het plan voor dit aspect voorziet in een omgevingsvergunnings- of wijzigingsmogelijkheid (dit zijn de zogenaamde flexibiliteitbepalingen). Is dit zo, dan dient een nadere afweging te worden gemaakt in hoeverre afwijken van het bestemmingsplan in dit geval gewenst is. Voorzien de flexibiliteitbepalingen niet in een afwijkingsmogelijkheid of wordt afwijken onwenselijk geacht, dan dient het verzoek te worden afgewezen c.q. het geconstateerde (in principe) te worden gehandhaafd wegens strijd met het bestemmingsplan, tenzij het een situatie betreft waarop het overgangsrecht toeziet.

Onevenredige aantasting

Op deze open norm wordt op diverse plaatsen in de regels teruggegrepen. Vooral in de criteria bij de flexibiliteitbepalingen (omgevingsvergunnings- en wijzigingsbevoegdheden) en de bepalingen bij de omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden, wordt regelmatig aangegeven dat "geen onevenredige aantasting" van bepaalde waarden mag plaatsvinden. Ook op een enkele plaatsen in de nadere detaillering van de bestemming en in de nadere eisenregeling worden deze woorden aangetroffen. Deze terminologie vraagt om een op de specifieke situatie toegesneden beoordeling.

Voorbeeld:

Wanneer gesteld wordt dat de cultuurhistorische waarde van bebouwing niet onevenredig mag worden aangetast, moet bijvoorbeeld worden gekeken of nieuw op te richten bebouwing de cultuurhistorische bebouwing niet geheel of grotendeels aan het zicht onttrekt.
Cultuurhistorische bebouwing moet immers beleefd worden en het 'inbouwen' is dan ook niet wenselijk.

Bij de beoordeling zullen dus steeds de bestaande situatie, de aanvraag, de tijdelijke gevolgen en de toekomstsituatie tegen elkaar moeten worden afgewogen. Er mag wel sprake zijn van een aantasting, maar deze mag niet dusdanig zijn dat de kwaliteit en/of kwantiteit van de te beschermen waarden in te grote mate afneemt. In de toelichting worden diverse handreikingen geboden ten aanzien van de doelstellingen en belangen die worden behartigd met het bestemmingsplan. Zo is beschreven welke waarden binnen het plangebied voorkomen en wat het karakter van die waarden is.

Afweging van belangen

Het bevoegd gezag mag zelfstandig afwegen of een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden kan worden verleend. Voor deze afweging is inzicht nodig in het belang van de uitvoering van desbetreffende werken en/of werkzaamheden enerzijds en de schadelijkheid voor de aanwezige waarden anderzijds. Vervolgens kan het belang van de ingreep worden afgewogen tegen de negatieve effecten op de aanwezige waarden.

Veel werken en werkzaamheden hebben tot doel een verbetering van de waterhuishouding, verkaveling en ontsluiting van agrarische gronden. De diverse landbouwsectoren stellen aan de basisinrichting deels verschillende eisen. Het landbouwkundig belang van deze werken en werkzaamheden is daarmee afhankelijk van het belang van verbetering van deze inrichtingsfactoren voor de specifieke landbouwsector. De volgende factoren spelen daarbij een rol:

  • de grondgebondenheid van de productie (akkerbouw, tuinbouw, melkveehouderij);
  • de gevoeligheid / hoogwaardigheid van de teelt (tuinbouw);
  • de intensiteit van het grondgebruik door grondbewerking;
  • de afstand tot bedrijfsgebouwen (voor akkerbouw is exploitatie van gronden op afstand veelal goed in te passen in een doelmatige bedrijfsvoering; melkveehouderij, vollegrondstuinbouw en fruitteelt vragen een directere relatie met de bedrijfsgebouwen).

In hoeverre de werken en werkzaamheden schadelijk zijn voor de aanwezige waarden is afhankelijk van:

  • de precieze locatie van de uit te voeren werken en werkzaamheden;
  • de omvang, (diepte, oppervlakte);
  • het tijdstip van de uitvoering;
  • de wijze van uitvoering.

Hoofdstuk 7 UITVOERBAARHEID

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) inwerking getreden met daarin opgenomen een afdeling omtrent grondexploitatie, afdeling 6.4. Het doel van deze afdeling is om de mogelijkheden voor gemeentebesturen om kosten te verhalen, eisen te stellen aan de inrichting, de kwaliteit of de realisatie van bouwlocaties te verbeteren. Dit brengt met zich mee dat de gemeente bij de vaststelling van het bestemmingsplan, een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 Wro, een projectbesluit of een beheersverordening kosten moet verhalen. Deze verplichting is vastgelegd in artikel 6.12 Wro.


Bouwplan

In artikel 6.12 Wro is bepaald dat een exploitatieplan vastgesteld dient te worden voor gronden waarvoor men voornemens is een bouwplan op te stellen. In artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is het bouwplan gedefinieerd. De nieuwbouw of uitbreiding van een woning of een hoofdgebouw zijn onder meer bouwplannen.

In het Bestemmingsplan Buitengebied worden dergelijke bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt. De vraag rijst of voor deze bouwmogelijkheden een verplichting geldt om een exploitatieplan op te stellen of zijn de kosten anderszins verzekerd?


Nieuwe hoofdgebouwen

In het Bestemmingsplan Buitengebied worden mogelijkheden geboden om agrarische bouwvlakken te vergroten. Door het vergroten van deze bouwvlakken kunnen nieuwe hoofdgebouwen gerealiseerd worden. Gezien het voorgaande zijn ook hoofdgebouwen bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 Bro. In de Nota van toelichting bij het Besluit ruimtelijke ordening wordt gesteld dat de eerste bouwaanvraag, die tot gevolg heeft dat het perceel in gebruik wordt genomen, wordt aangemerkt als de aanvraag voor een hoofdgebouw. Dat er in een later stadium op hetzelfde perceel nog een gebouw wordt gebouwd dat zal fungeren als hoofdgebouw, doet niet ter zake. De exploitatiebijdrage voor het kostenverhaal dient te worden verbonden aan de eerste bouwaanvraag, dus als het agrarisch bouwperceel in gebruik wordt genomen. Dit heeft tot gevolg dat voor bouwmogelijkheden die ontstaan doordat bouwpercelen vergroot worden geen kostenverhaal nodig is. Er worden immers geen nieuwe bouwpercelen gerealiseerd. Deze gebouwen zijn niet aan te merken als hoofdgebouwen in de zin van artikel 6.2.1 Bro.


Voor overige ontwikkelingen die niet vallen onder bovengenoemde categorie, worden overeenkomsten gesloten waarmee het kostenverhaal wordt afgedekt.


Overige ontwikkelingen

Overige ontwikkelingen die zich voordoen in het plangebied zullen uitsluitend onder de wijzigingsbevoegdheden vallen. Uit het voorgaande blijkt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet hoeft vast te staan dat deze kosten worden verhaald. Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden zal eerst worden bezien of er een kostenverhaalovereenkomst kan worden gesloten. In het uiterste geval kan worden overwogen om bij wijzigingsbevoegdheden een exploitatieplan vast te stellen.

Conclusie

Voor het Bestemmingsplan Buitengebied is het niet nodig om een exploitatieplan op te stellen. De te verhalen kosten zijn anderszins verzekerd of de bouwmogelijkheden zijn niet aan te merken als een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro.

7.2 Handhaving

Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden.

De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.

In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden. In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:

  • 1. appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid;
  • 2. preventie gaat boven repressie;
  • 3. draagvlak creëren;
  • 4. servicegericht handelen, en
  • 5. alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen.

  • 1. “Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers, bedrijven en instellingen terecht komt, dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers, bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of zwakke schakels ingezet worden, de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden.
  • 2. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteedt wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende, bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald.
  • 3. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook om dingen die spelen bij burgers, ondernemers, instellingen, scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd.
  • 4. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar. Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte.
  • 5. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”. Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn. Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit, op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden.

De prioriteiten in het Integrale handhavingsbeleid 2012-2015 zijn te zien in onderstaande afbeelding:


Resultaat prioritering
 
Activiteit   Score  
Slopen – Risicovol (asbest c.a.)   1  
Intensieve veehouderij   1  
Controle op illegale bouw en sloop   1  
Bodem, water   1  
Externe Veiligheid   1  
Horeca   1  
Kleine ergernissen   1  
Bouwen – complex   1  
Strijdig gebruik   1  
Afval   2  
Evenementen   2  
Gebruik afvalterminals   2  
Gebruik openbare gelegenheden   2  
Industriële bedrijven   2  
Gebruik gebouwen met kwetsbare bewoners/gebruikers   2  
Vergunningsvrije bouwwerken   3  
Foutief geplaatste fietsen   3  
Aantasting uiterlijk aanzien   3  
Overige bedrijven   3  
Bouwen – niet complex   3  
Uitvoeren van werk of werkzaamheden   3  
Parkeren   4  
Bedekte teelt   4  
Akkerbouw   4  
Monumenten   4  
Uitstallingen, terrassen en reclame   4  
Sloop – niet risicovol   4  

Afbeelding – Prioritering handhaving

In bovenstaande tabel staat “1” voor de hoogste prioriteit en “4” voor de laagste. Prioriteit 1 wordt bij voorrang uitgevoerd. Dit wil echter niet zeggen dat er in geheel geen werkzaamheden met prioriteit “4” worden uitgevoerd. Hiervoor wordt minder tijd gereserveerd, ze worden gewaardeerd op risico's en waar mogelijk wordt een combinatie gezocht met andere controle-onderwerpen.

Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën:

  • 1. preventiestrategie;
  • 2. toezichtstrategie;
  • 3. sanctiestrategie, en
  • 4. gedoogstrategie.

Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten. Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten.

Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten.

Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom, bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente. Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken, op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt. Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang.

Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken. Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat, wanneer het mogelijk is, de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties.

7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Over het voorontwerp van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd als bedoeld in art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bovendien is er inspraak gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan. Overlegpartners zijn per e-mail benaderd met het verzoek te reageren op het voorontwerp bestemmingsplan. In totaal zijn hierop 9 reacties binnen gekomen. Voor de inspraak heeft het voorontwerp plan vanaf 30 juni 2016 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In die periode hebben belanghebbenden en belangstellenden zowel schriftelijk als mondeling een inspraakreactie kunnen geven. Daarnaast zijn op 18 juli 2016 en op 27 juli 2016 inloopavonden georganiseerd. Er zijn 200 schriftelijke en 20 mondelinge inspraakreacties ontvangen.

Voor een overzicht van de wijzigingen naar aanleiding van de inspraak en het vooroverleg wordt verwezen naar de lijst van wijzigingen achterin de Nota Inspraak, zie Bijlage 23 Nota van inspraak en overleg.