direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Spoorstraat Rosmalen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002365-1301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie Spoorstraat 3 te Rosmalen 11 woningen te realiseren op het thans niet meer in gebruik zijnde terrein. In het vigerende bestemmingsplan heeft de locatie nog een bedrijfsbestemming. Om de woningen te realiseren dient een nieuw bestemmingsplan te worden vastgesteld.

Het bestemmingsplan "Spoorstraat Rosmalen" is conform de gemeentelijke uniforme digitale plansystematiek opgesteld. Ook voldoet dit bestemmingsplan aan de verplichtingen als gesteld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied

De woningen worden gerealiseerd aan de Spoorstraat 3 in Rosmalen. Omwille van de kwaliteit van het omliggende gebied is er voor gekozen om het gebied tussen de nieuwe woningen en de spoorlijn mee te nemen in de ontwikkeling. Tevens is Spoorstraat 1 meegenomen in onderhavig bestemmingsplan. Op deze locatie rust in het vigerend bestemmingsplan eveneens een bedrijfsbestemming. Op de locatie zijn echter kantoren en een oefenpraktijk aanwezig. In onderhavig bestemmingsplan wordt deze locatie derhalve bestemd conform het huidige gebruik.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002365-1301_0001.jpg"

Figuur 1.1 Ligging plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

De locatie is gelegen binnen het vigerend bestemmingsplan ´Rosmalen Centrum´ (vastgesteld op 25 september 2012 en onherroepelijk per 18 december 2012). Hierin heeft de locatie de bestemming ‘Bedrijf’.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002365-1301_0002.jpg"

Figuur 1.2 Uitsnede geldend bestemmingsplan

Over een deel van het plangebied ligt een veiligheidszone – lpg. Aan de Molenstraat is namelijk LPG tankstation “BP van de Berg” gelegen. In hoofdstuk 5 wordt nader op ingegaan op dit aspect in het kader van externe veiligheid.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

De locatie is gelegen aan de Spoorstraat en bestaat uit diverse percelen welke kadastraal bekend staan als: Gemeente Rosmalen, sectie H, nummers 5368 (Spoorstraat 3), 5369 (Spoorstraat 1), 3019 (bestaande parkeerplaats aan de Spoorstraat) en 1415 (overig openbaar gebied).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002365-1301_0003.jpg"

Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied

Ter plaatse van Spoorstraat 1 is een bestaand gebouw aanwezig welke wordt behouden. In het pand en bijbehorende loods zijn hoofdzakelijk kantoren gevestigd, alsmede kleinschalige dienstverlening en bedrijvigheid.

Op Spoorstraat 3 was voorheen een aannemer/bouwbedrijf gevestigd. Op het terrein is een loods aanwezig en bevinden zich aan de randen van het terrein overkappingen alwaar diverse materiaal en materieel opgeslagen werd.

Het gebied tussen het spoor en het perceel Spoorstraat 3 betreft openbare ruimte bestaande uit de Spoorstraat met aan weerszijde bermstroken/groenvoorzieningen. Tegen het spoor aan bevinden zich een aantal parkeerplaatsen die haaks op het spoor zijn georiënteerd. Deze parkeerplaatsen zijn met name bedoeld als overloop bij evenementen op het Gildeplan of bij activiteiten in het centrum van Rosmalen.

In onderstaande afbeelding is de huidige situatie weergegeven door middel van foto’s.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002365-1301_0004.jpg"

Figuur 2.2 Foto's huidige situatie

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, vormt de nieuwe, overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. In de SVIR 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig' is de inhoud van een groot aantal beleidsstukken, waaronder de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en diverse planologische kernbeslissingen, opgenomen.

Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Alleen in de stedelijke regio's rond de mainports Amsterdam en Rotterdam maakt het rijk afspraken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, laat het rijk los. Er is enkel nog sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER-ladder'), die zal worden vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. In het mobiliteitsbeleid komt de gebruiker centraal te staan en wordt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit versterkt.

Het rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd.

In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen.

Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.

De SVIR bevat een kaart waarop de nationale ruimtelijke hoofdstructuur is weergegeven. De kaart bevat een samenvatting van de nationale belangen, waarvoor het rijk verantwoordelijk is. Op de kaart is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid.

Voor het plangebied van voorliggend bestemmingsplan geldt dat er geen nationale belangen uit de SVIR in het geding zijn.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

In de realisatieparagraaf van de SVIR zijn per nationaal belang de instrumenten uitgewerkt die hiervoor worden ingezet. Eén van de belangrijkste instrumenten is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), waarvan een gedeelte gelijktijdig met de SVIR in werking is getreden. In het Barro zijn regels opgenomen ter bescherming van de nationale belangen. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen.

In het voorliggende bestemmingsplan is geen sprake van invloed op de nationale belangen. Aanvullende maatregelen hoeven derhalve niet getroffen te worden.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om het zorgvuldig duurzaam ruimtegebruik te stimuleren heeft het Rijk de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (hierna: Ladder) opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Per 1 juli 2017 is de vereenvoudigde Ladder in werking getreden. Gemeenten, provincies en projectontwikkelaars hoeven alleen bij nieuwbouwplannen buiten stedelijke gebieden uitgebreid te motiveren waarom de nieuwbouw daar nodig is.

Voorliggende ontwikkeling bestaat uit elf woningen en wordt niet gezien als stedelijke ontwikkeling.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat het om een binnenstedelijke locatie betreft die bijdraagt aan de woningbouwopgave. Voor voorliggend initiatief wordt derhalve geen belemmering verwacht in het kader van de Ladder.

3.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014

De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant (SVRO) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Sinds de vaststelling van de SVRO op 1 oktober 2010 zijn door Provinciale Staten diverse besluiten genomen die tot een verandering hebben geleid in de provinciale rol en sturing en het provinciaal beleid. Vanuit de provincie Noord-Brabant is derhalve besloten om de SVRO te actualiseren. Er is hierbij een bewuste keuze gemaakt om niet een geheel nieuwe visie op te stellen. Dit omdat de bestaande structuurvisie recent is vastgesteld en de visie en sturingsfilosofie voor het overgrote deel nog actueel zijn. Er vindt slechts op onderdelen bijsturing plaats. Dit is door vertaald in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening - partiële herziening 2014, welke op 7 februari 2014 door Provinciale Staten is vastgesteld.

De structuurvisie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie Noord-Brabant en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De SVRO gaat in op de ruimtelijke kwaliteiten van de provincie Noord-Brabant. Mens, markt en milieu zijn binnen de provincie in evenwicht. Daarom kiest de provincie in haar ruimtelijke beleid tot 2025 voor de verdere ontwikkeling van gevarieerde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en voor een kennis-innovatieve economie met als basis een klimaatbestendig en duurzaam Brabant. Het principe van behoud en ontwikkeling van het landschap is in de structuurvisie de 'rode' draad die de ruimtelijke ontwikkelingen stuurt. De provincie wil het contrastrijke Brabantse landschap herkenbaar houden en verder versterken. Daarom wordt ingezet op de ontwikkeling van robuuste landschappen, een beleefbaar landschap vanaf het hoofdwegennet en behoud en versterking van aanwezige landschapskwaliteiten.

De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen. Samen vormen deze structuren de provinciale ruimtelijke structuur. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar de structuren geven ook aan waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk.

Hierna is de structurenkaart voor het projectgebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002365-1301_0005.jpg"

Figuur 3.1: Uitsnede structurenkaart van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Het projectgebied is op de 'structurenkaart' van de SVRO aangeduid als stedelijk concentratiegebied'. Het stedelijk concentratiegebied heeft een bovenlokale opvangtaak voor verstedelijking.

De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut. Onderhavige locatie is een braakliggend terrein dat door inbreiding een kwalitatief hoogwaardige nieuwe invulling krijgt. Het voorliggend initiatief sluit aan op de doelstellingen uit de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.

Verordening Ruimte

Om het provinciaal beleid juridisch van kracht te voorzien is de Verordening ruimte opgesteld (in werking sinds 19 maart 2014 en geactualiseerd op 1 januari 2017). Het instrument werkt rechtstreeks door naar de ruimtelijke besluitvorming op gemeentelijk niveau, echter heeft de gemeente ruimte om een afweging te maken. Dit betekent dat de provincie vooral kijkt naar de wijze waarop de achterliggende provinciale ruimtelijke belangen zijn behartigd.

De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit waarborgen, wat inhoudt dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage leveren aan de kernkwaliteiten van Noord-Brabant. Gebiedskenmerken zijn de spil van ruimtelijke ontwikkeling; het gaat daarbij om het verbinden van de opgave met de plek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002365-1301_0006.jpg"

Figuur 3.2: Uitsnede Verordening Ruimte

Het plangebied is gelegen binnen ‘Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied’. Binnen het bestaand stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in ontwikkelingen. Wel dient aandacht te zijn voor zorgvuldig ruimtegebruik. Ten aanzien van nieuwbouw van woningen dient de nieuwbouw zich te verhouden tot de afspraken die gemaakt zijn ten aanzien van de harde plancapaciteit. Het voorliggend plan is opgenomen in de woningbouwplannen en draagt bij aan de woningbouwopgave. De woningen zijn eveneens onderdeel van de regionale woningbouwplanning en daarmee voldoet het aan de bepalingen 4.3 en 39.4 van de Verordening Ruimte.

3.3 Gemeentelijk beleid

Ruimtelijke Structuurvisie – Stad tussen Stromen

De in 2003 vastgestelde structuurvisie is in 2014 geactualiseerd. De ruimtelijke structuurvisie omvat de uitgangspunten en ambities van de gemeente ´s-Hertogenbosch voor het ruimtelijk beleid in de komende 10 jaar, met een doorkijk naar de komende 15 á 20 jaar. Het is het toetsingskader dat een onderlegger vormt voor de actualisering van bestemmingsplannen en projectprocedures, alsook een inspiratie- en ontwikkelingsopgave voor integrale gebiedsaanpak en projecten.

Het uitgangspunt in de ruimtelijke structuurvisie is ‘een compacte, complete, contrastrijke én duurzame stad’. Gestreefd wordt om van deze compacte, complete en contrastrijk stad ook nadrukkelijk een duurzame stad te maken in de zin van:

  • 1. Een schone en veilige stad, met een goede balans tussen gezondheid / veiligheid en hinder / gevaar, zorgvuldig ruimtegebruik, respect voor natuur en landschap en een zo verantwoord mogelijk gebruik van energie en grondstoffen.
  • 2. Een compacte, complete en levendige stad met een intensief / flexibel ruimtegebruik in de hoogstedelijke en dynamische gebieden (stedelijke ruggengraat), in balans met laagdynamische (woon-) gebieden waar laagbouw, ruimte, groen en water de boventoon voeren.
  • 3. Zorgvuldig grondgebruik en bevordering van functiemenging vormen het uitgangspunt voor ruimtelijk beleid. Functiescheiding gebeurt alleen bij milieuoverlast. Dit gaat samen met het intensiveren van het grondgebruik voor energie-, water-, natuurdoeleinden.
  • 4. Inspelen op de klimaatverandering door versterking van de robuustheid van het water- en bodemsysteem en klimaatadaptie van de gebouwde stad.
  • 5. Een klimaatneutrale stad met een integraal grondstoffenbeleid (inclusief zuinig ontwerpen / aanleggen / inrichten en beheren) door energiebesparing en inzetop duurzame energie.
  • 6. Een zorgvuldig ruimtegebruik naar hinder (lawaai verkeer, industrie, recreatie), lucht, geur en veiligheid (bedrijven en transportassen). Met slimme ontwerpen en maatregelen de consequenties voor milieubelasting en veiligheid terugdringen van zowel het verkeer als van verdichting / intensivering langs de hoofdinfrastructuur.
  • 7. Sanering c.q. beheersbaar maken van de bodem en grondwatervervuiling voor alle ontwikkelingslocaties, transformaties en herstructureringen.

De ontwikkelingen op de woningmarkt van de laatste jaren hebben geleerd dat ‘groei’ niet langer een ‘wetmatigheid’ (aanbodmarkt) is. De bouw van woningen is nadrukkelijker afhankelijk van marktomstandigheden en de afzetbaarheid van de woningen (vraagmarkt). Daardoor staat niet langer de omvang van de woningbouwlocaties centraal. Centraal staan haalbare woningbouwprojecten die inspelen op een actuele marktvraag en het oppakken van initiatieven om de woningproductie weer op gang te brengen en de doorstroming te bevorderen. Deze aanpak zal meer stapsgewijs en meer organisch gaan plaatsvinden. Nieuwe woningen krijgen meer flexibele plattegronden waardoor deze gemakkelijker aanpasbaar zijn aan veranderende behoeften zoals zorg, werken aan huis, recreëren aan huis etc. De woning en woonomgeving raken ook steeds meer vervlochten met elkaar (‘shared space’).

Onderhavig plan zet in op een flexibele plattegronden. De woningen zijn zo vormgegeven dat het gehele woningprogramma op de begane grond realiseerbaar is. Het openbaar gebied in het plangebied en daar buiten wordt op elkaar afgestemd en gezamenlijk vormgegeven waardoor een kwalitatief hoogwaardig gebied ontstaat.

Nota Wonen

Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Nota Wonen 2012 die is vastgesteld door de gemeenteraad op 11 september 2012. De ambitie voor het woonbeleid van ´s-Hertogenbosch is het creëren van een evenwichtige woningmarkt met een gedifferentieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus zodat mensen naar tevredenheid in onze stad kunnen wonen en leven. Er wordt gestreefd naar een stad waar voldoende, betaalbare en passende woningen zijn en voldoende keuzemogelijkheden in gevarieerde en sterke buurten waarin mensen zich thuis kunnen voelen.

Deze ambitie is in de Nota Wonen 2012 uitgewerkt in vier speerpunten van beleid: voldoende woningen, betaalbaar wonen, passend wonen, in sterke en vitale buurten. De beleidsinzet van de gemeente voor woningbouw is als volgt:

  • voorzien in de toekomstige woningbehoefte door te streven naar de realisatie van gemiddeld 700 (met een bandbreedte van 500 tot 800) nieuwe woningen per jaar in de periode tot 2030;
  • voorzien in de behoefte aan voldoende betaalbaar wonen voor specifieke doelgroepen door minimaal 25% van de nieuwbouw in het sociale segment (huur en koop) te realiseren. Dit percentage kan per woningbouwlocatie verschillen, van maatwerk kan sprake zijn;
  • het vergroten van de woningdifferentiatie en -variatie in buurten en wijken, waardoor enerzijds het soms eenzijdige woningaanbod in buurten wordt doorbroken en anderzijds de keuzemogelijkheden voor woonconsumenten worden vergroot.
  • het innemen van een positieve en proactieve houding t.o.v. (kansrijke) initiatieven, door (binnen wettelijke kaders) meer ruimte te bieden, meer flexibiliteit en maatwerk te leveren bij bouwplanontwikkeling;
  • woonconsumenten meer mogelijkheden geven om hun woonwensen te realiseren door middel van o.a. (collectief) particulier opdrachtgeverschap.

Het voorliggend plan draagt bij aan de speerpunten en aan de geldende woningbehoefte van gemiddeld 700 nieuwe woningen. Uit bijlage 6 van de Nota wonen 2012 blijkt dat er daarnaast een sterke behoefte is aan ouderenhuisvesting. Naar verwachting zullen in 2030 meer dan 30.000 65-plussers in ’s-Hertogenbosch wonen. Uit de twee-jaarlijkse woningmarktmonitor blijkt dat de groep 65-plussers voor een belangrijk deel riant woont in een duurdere koopwoning. De woonomgeving, de buren en straatbewoners vormen een sociaal netwerk waarin men zich thuis voelt. Onderhavig plan voorziet in deze behoefte.

Woonagenda 2017-2018

Op 3 april 2017 heeft de gemeenteraad de Woonagenda 2017-2018 vastgesteld. Deze woonagenda is een actualisatie van het woonbeleid zoals opgenomen in de Nota wonen 2012. De vier hoofdopgaven in de woonagenda:

  • 1. versnellen van de woningproductie en slim programmeren van nieuwe woonmilieus;
  • 2. betaalbaar en bereikbaar wonen: balans op de woningmarkt in een ongedeelde stad;
  • 3. bestaande woningen verduurzamen en wijken vitaal boeken;
  • 4. samen zorgen: passend woonzorgaanbod in een inclusieve samenleving.

Tot 2025 gaat men uit van een woningproductie van 8000 woningen. Dit is een productie van circa 800 tot 900 woningen per jaar. Door de vergrijzing en de uitstroom uit de maatschappelijke instellingen en afbouw van instellingsplaatsen zullen mensen langer zelfstandig thuis in de wijk wonen. De gemeente stimuleert dan ook passende initiatieven van levensloopbestendige woningen.

Welstandsnota

In de Welstandsnota (actualisering 2011) is in het deelgebied Rosmalen Centrum/Noord welstandsbeleid opgenomen voor het plangebied. Het woonmilieu van Rosmalen, te typeren als ‘suburbane rand’, met zijn groene karakter, wordt gevormd door de vele grondgebonden woningen met ruime tuinen en de behouden landschapselementen.

De buurten en wijken van Rosmalen zijn ruimer van opzet dan de overige wijken in ´s-Hertogenbosch. Er is sprake van veel groen en veel vrijstaande bebouwing op ruime kavels. Rosmalen heeft zich de laatste jaren sterk ontwikkeld als ‘overloopfunctie’ van ´s-Hertogenbosch.

Voorliggend plan is voorgelegd aan de welstandcommissie. De welstandcommissie heeft onder voorbehoud van enkele aandachtspunten positief gereageerd op het concept-stedenbouwkundig plan. In het definitieve stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met de aandachtspunten.


Nota parkeernormering 2016

Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de "Nota Parkeernormering 2016" dat op 21 september 2016 is vastgesteld. De nota geeft aan hoeveel parkeerplaatsen per functie en per stadsdeel gerealiseerd dienen te worden bij nieuwbouw. De locatie is in de Nota ingedeeld in “rest bebouwde kom (overige kernen)” (zone 5). Voor woningen groter dan 150 m2 bvo geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Dit is inclusief een bezoekersaandeel van 0,3 parkeerplaats per woning. De parkeerplaatsen dienen zo veel mogelijk op eigen terrein gerealiseerd te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002365-1301_0007.jpg"

Figuur 3.3: Gebiedsindeling parkeernormering gemeente 's-Hertogenbosch (ster is plangebied).

Actualisatie Koersnota 2017

Op 20 september 2017 is de Actualisatie Koersnota 2017 vastgesteld. Daarmee zijn de volgende doelen vastgesteld voor de lange termijn:

  • bereikbare stad: werken aan een economische vitale stad;
  • leefbare stad: zorg dragen voor een prettige en veilige leefomgeving;
  • duurzame stad: transitie naar duurzame & slimme mobiliteit;
  • gastvrije stad: bieden van keuzes en comfort aan de bezoeker;
  • actieve stad: ruimte bieden aan lokale mobiliteitsinitiatieven.

Ten behoeve van deze doelen zijn in het uitvoeringsprogramma voor de komende jaren diverse opgaven en maatregelen benoemd. De genoemde maatregelen hebben niet direct invloed op het planvoornemen of vice versa. Wel is verkeersveiligheid een programma-breed uitgangspunt en verdient aandacht bij alle ontwikkelingen. Er wordt een separaat beleid opgesteld om invulling te geven aan verkeersveiligheid. Het inzetten op een verkeersveilige infrastructuur en de ambitie om ongevallen te reduceren naar nul ongevallen blijft de randvoorwaarde.

Onderhavig plan heeft geen invloed op de hoofdinfrastructuur van zowel Rosmalen als ’s-Hertogenbosch en derhalve ook geen effect op de voorgenomen maatregelen. Het planvoornemen genereert naar verwachting minder verkeer dan het voorheen aanwezige aannemingsbedrijf. De Spoorstraat heeft voldoende capaciteit om de verkeersintensiteiten op te vangen. Ook zal de verkeersveiligheid niet nadelig worden beïnvloed. De interne weg van het Begijnhof is enkel toegankelijk voor bestemmingsverkeer dan wel hulpdiensten. De in-/uitgang is ruim en overzichtelijk vormgegeven.

Archeologie

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is in juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische verwachtingenkaart (figuur 3.4).

Het plangebied is aangeduid met een hoge archeologische verwachting. Een archeologisch onderzoek is derhalve uitgevoerd. Zie hiervoor paragraaf 5.8 in voorliggende toelichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002365-1301_0008.jpg"

Figuur 3.4: Archeologische verwachtingenkaart, gemeente 's-Hertogenbosch

Bomenbeleidsplan ’s-Hertogenbosch 2010

Bomen zijn belangrijk voor ’s-Hertogenbosch. Een evenwichtige omgang met groen en bomen door de gemeente past bij dit belang. In het bomenbeleidsplan staat op elke manier de gemeente omgaat met de bomen.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang vroegtijdig in beeld te krijgen of sprake is van waardevolle bomen dan wel structurerend groen. Het ontwerp moet vervolgens zodanig worden vormgegeven dat zoveel mogelijk bomen behouden blijven.

Binnen het plangebied zelf zijn geen bomen aanwezig. In het openbaar gebied aan de Spoorstraat zelf zijn wel bomen en andere groenvoorzieningen aanwezig. In hoofdstuk 4 wordt hier nader op ingegaan. De herinrichting van het openbaar gebied zal in afstemming met de gemeente nader uitgewerkt worden.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

Op de locatie worden 11 woningen gerealiseerd bestaande uit 2 lagen met kap, waarbij de kap halverwege de verdieping zal beginnen (maximale goothoogte 4,5 meter en maximale bouwhoogte 8,5 meter). De woningen worden naar binnen georiënteerd waardoor een hofje ontstaat. Zowel in het stedenbouwkundig ontwerp, als in de traditionele architectuur van de woningen, is er een zekere gelijkenis met een historisch begijnhof. Deze opzet zorgt voor een veilige en intieme woonsfeer, waar het uitzicht niet wordt bepaald door auto’s, maar door het centraal gelegen groene hof.

De woningen bestaan uit twee bouwblokken met in totaal 4 hoekwoningen en 7 geschakelde woningen met verspringende voorgevels en variatie in de kaprichting. Het gehele woningprogramma kan gelijkvloers gerealiseerd worden en zijn derhalve geschikt voor de vitale oudere doelgroep. De woningen maken deel uit van het duurdere segment.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002365-1301_0009.jpg"

Figuur 4.1: Stedenbouwkundig plan (versie 12 juli 2017)

Het openbaar gebied aan de voorzijde van de ontwikkellocatie en het kantoor bestaat thans uit een strook parkeerplaatsen, enkele bomen, verspreide plantsoenen en een wadi. De huidige parkeerplaatsen zijn gelegen op private terrein grenzend aan het spoor. Om met de ontwikkeling van de 11 woningen ook dit voorgebied een impuls te geven is een ambitie uitgesproken om de verspreide plantsoenen meer te koppelen en om de bestaande bomen zoveel mogelijk te behouden en waar mogelijk een upgrade te geven. Uit het ontwerp blijkt dat alle bestaande bomen, behalve één, behouden kunnen blijven en goed ingepast worden. De te verwijderen boom heeft geen hoge waarde, maar wordt wel gecompenseerd. Om de koppeling van de plantsoenen mogelijk te maken is een ontwerp opgesteld waarin de huidige parkeerplaatsen aan de Spoorstraat deels worden teruggebracht ter hoogte van Spoorstraat 1.

Aan de voorzijde van Spoorstraat 1 worden eveneens parkeerplaatsen voorzien t.b.v. bezoekersparkeren. De openbare ruimte die nabij het spoor ontstaat wordt ingevuld door groene lage beplanting en enkele nieuw aan te planten bomen.

De entree van de ontwikkeling, bestaande uit een poortconstructie, bevindt zich in het midden van de Spoorstraat en geeft toegang tot een omsloten gebied, bestaande uit ca. 14 parkeerplaatsen, groenstructuur en het hof. De woningen bestaan uit twee bouwblokken met in totaal 4 hoekwoningen en 7 geschakelde woningen met verspringende voorgevels en variatie in de kaprichting. Er bevinden zich 6 woningen met de tuin op het zuiden en 5 woningen met de tuin gericht op het noorden. De woningen hebben een brede beukmaat, waardoor er ruimte is voor een eventueel compleet woonprogramma op de begane grond. De architectuur van de woningen refereert aan de architectuur bij de historische begijnhoven met haar geverfde gevels, rijke detaillering zoals roedes in kozijnen, zwaluwstaarten en bijzonder luifels en worden voorzien van een grijze kap met keramische pannen.

Parkeren en verkeer

Het parkeren bevindt zich voor de 4 hoekwoningen (deels) op eigen terrein naast of achter de woning. Voor een eigen lange oprit (zonder garage) geldt een berekeningsaantal van 1,5. Dit is van toepassing op 3 hoekwoningen. Voor een dubbele brede oprit geldt een berekeningsaantal van 1,7; dit is van toepassing op 1 hoekwoning. Voor de 7 geschakelde is een centrale parkeerplaats aanwezig. Hier is ruimte voor 14 parkeerplaatsen. In totaal zijn hiermee 20,2 parkeerplaatsen aanwezig in het plangebied.

Op basis van de Nota Parkeernormering van de gemeente ’s-Hertogenbosch zijn 2 parkeerplaatsen per woning noodzakelijk. Dit is inclusief 0,3 parkeerplaats voor bezoekers. In totaal is behoefte aan 22 parkeerplaatsen. In het openbaar gebied aan de voorzijde van de ontwikkeling worden, net als in de huidige situatie, parkeerplaatsen aangelegd. Deze parkeerplaatsen zijn bedoeld als overloop voor evenementen in Rosmalen. De parkeerplaatsen kunnen derhalve ook voor bezoekers van onderhavige locatie gebruikt worden. Er wordt daarmee voldaan aan de benodigde parkeerplaatsen.

Het is de bedoeling dat het hofje (grotendeels) autoluw blijft. Het gehele gebied is afgesloten middels een poort. De bewoners krijgen toegang tot de poort, evenals hulpdiensten. Er wordt wel een weg aangelegd voor de woningen langs waardoor rondgereden kan worden. Dit is bedoeld voor het afzetten van bijvoorbeeld boodschappen of partner. Vervolgens kan de auto op de daarvoor bestemde parkeerplaats worden geparkeerd (met uitzondering van de hoekwoningen die over een parkeerplaats op eigen terrein beschikken). In het ontwerp van de weg is rekening gehouden met toegankelijkheid van hulpdiensten (brandweer/ambulance) door de rijcurves te projecteren.

De locatie is op twee manieren ontsloten. Enerzijds zowel via de Spoorstraat en de Stationsstraat naar de Dorpstraat, als ook via de Spoorstraat in oostelijke richting naar de Molenstraat.

Hoofdstuk 5 Milieu-aspecten

5.1 Geluid

Bij nieuw- en verbouwplannen worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. Deze wet heeft betrekking op geluid dat veroorzaakt wordt door wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van voorgenoemde geluidbronnen. Middels onderhavig planvoornemen worden geluidgevoelige objecten mogelijk maakt binnen de geluidzone van de Burgemeester Woltersstraat en de Spoorlijn ’s-Hertogenbosch-Nijmegen. Een akoestisch onderzoek weg- en railverkeer 1 is derhalve uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd. Hieronder worden de conclusies weergegeven.

Wegverkeerslawaai

Voor alle beschouwde wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer de voorkeursgenswaarde c.q. richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde.

Railverkeerslawaai

Voor de spoorlijn 's-Hertogenbosch - Oss geldt dat de voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai van 55 dB op meerdere locaties wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt echter niet overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien er overwegende bezwaren zijn de geluidbelasting door bron- en overdrachtsmaatregelen terug te brengen.

Bij de ontwikkeling van onderhavig plan is reeds in een vroeg stadium rekening gehouden met de afscherming van geluid van het spoor (overdrachtsmaatregel). Daarbij is gekeken naar geluidreducerende maatregelen als gevolg van het railverkeerslawaai. Uiteindelijk is men uitgekomen op de grondwal met afschermende muur aangezien andere maatregelen niet redelijk, uitvoerbaar of op stedenbouwkundige bezwaren stuiten. De maximale gevelbelasting bedraagt 67 dB aan de achterzijde van het voorste woningblok. De maximale gevelbelasting op het achterste woningblok bedraagt 59 dB. Voor deze geluidsbelastingen is een hogere grenswaardeprocedure mogelijk.

Naast de toets aan de wettelijke grenswaarden is de Nota hogere grenswaarden geluid van de gemeente 's-Hertogenbosch, vastgesteld in augustus 2010, van toepassing. De omgeving waarin het plan is gelegen kan worden aangemerkt als gebiedstype stromingszone. In dit beleid staan een aantal voorwaarden om op te nemen in het plan bij het toekennen van een hogere grenswaarde. Met de invulling van deze voorwaarden wordt een acceptabel woon- en leefklimaat verzekerd.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen in de overdracht worden getroffen door het realiseren van tuinmuren en een grondwal in het plan. Het ontwerp van het plan is dusdanig dat de woningen van blokken g001a en g001b zorgen voor afscherming voor de achtergelegen woningen. Hierdoor zijn deze afgeschermde woningen grotendeels geluidluw.

De geluidbelastingen in de buitenruimte (tuinen) zijn niet hoger dan 58 dB en voldoen daarmee aan de ambitiewaarde voor een 'stromingszone'. Uit het akoestisch rapport blijkt dat de geluidbelastingen door railverkeer op de zuidgevel van de woningen aan de spoorzijde ten hoogste 67 bedraagt. Deze woningen hebben allen een geluidluwe zijde (noordgevel). Op de gevels van de 5 meest noordelijk gelegen woningen bedragen de geluibelastingen aan de oostgevel ten hoogste 59 dB en verder zijn alle gevels geluidluw.

Er geldt daarnaast de voorwaarde dat minimaal drie verblijfsruimten aan de geluidluwe zijde moeten liggen of tenminste de woon- en hoofdslaapkamer. Hier wordt voor twee woningen net niet aan voldaan door een overschrijding op de gevel van de woonkamer met 1 dB. Voor deze beperkte afwijking wordt voor dit geval een hogere waarde verleend omdat het een zeer beperkte overschrijding betreft en al het redelijkerwijs mogelijke is gedaan om de geluidbelasting te verlagen. De overige woningen hebben ten minste één geluidluwe gevel waar de hoofdslaap- en de woonkamer aan zijn gelegen. Hiermee voldoen zij aan bovengenoemde criterium.

Gezien bovenstaande overwegingen is het mogelijk om de hogere grenswaarden voor geluid te verlenen. Er wordt voor wat betreft het aspect geluid een acceptabel woon- en leefklimaat bereikt.

Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek horend bij de aanvraag Omgevingsvergunning bouwen) is vervolgens een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd en is er dus te allen tijde sprake van een akoestisch goed woon- en leefklimaat. Tevens blijkt uit de rekenresultaten dat de woningen beschikken over een geluidluwe gevel en dat de tuinen voldoen aan het ambitieniveau gesteld in de gemeentelijke geluideisen.

5.2 Bodem

In het kader van de ruimtelijke procedure moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. Bij een functiewijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een wijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is een bodemonderzoek niet noodzakelijk.

In voorliggend geval wijzigt de bestemming van ‘bedrijf’ naar ‘wonen’ dat een strenger bodemgebruik kent. Een verkennend bodem-, asbest- en infiltratieonderzoek 2 is derhalve uitgevoerd. Hieronder volgen enkel de conclusies. De volledige rapportage is als bijlage bijgevoegd.

Conclusies verkennend bodemonderzoek

Op basis van het vooronderzoek zijn drie deellocaties onderscheiden:

  • A. locatie nabij de spoorbaan, ondergrondse dieseltanks;
  • B. locatie achter de loods, mogelijke verontreiniging minerale olie;
  • C. overig terrein.

Ad A. Locatie ondergrondse dieseltanks (geen onderdeel bestemmingsplangebied)

Ter plaatse van het vulpunt van de ondergrondse dieseltanks blijkt de grond van 1,8 tot 2,0 m-mv sterk verontreinigd te zijn met minerale olie. Ook het grondwater blijkt sterk verontreinigd te zijn met minerale olie. De aangetroffen verontreiniging komt overeen met de voormalige inhoud van de tanks (diesel). De omvang is niet bekend. Echter is er geen reden om aan te nemen dat er sprake is van een verslechtering ten opzichte van de eerdere uitgevoerde onderzoeken ni 2005 en 2010. Aangezien op deze locatie geen sprake is van een bestemmingswijziging is hiermee de locatie voldoende onderzocht.

Wel is aanvullend grondwateronderzoek 3 gedaan ter plaatse van de toekomstige woningen aan de overzijde van de Spoorstraat. Doel van dit grondwateronderzoek is aan te tonen dat de sterke verontreiniging van het grondwater met minerale olie niet aanwezig is ter plaatse van de nieuwe woningen. Hiervoor is een extra peilbuis geplaatst op 3 meter ten noordwesten van de ondergrondse tanks. Uit de uitgevoerde analyse kan worden geconcludeerd dat de grondwaterverontreiniging met minerale olie ter plaatse van de ondergrondse dieseltanks langs het spoor zich niet verplaatst heeft in de richting van het plangebied waar de toekomstige woningen gerealiseerd zullen worden.

Ad B. Locatie achter loods

Uit de analyseresultaten blijkt dat de grond op deze locatie niet verontreinigd is met minerale olie en aromaten. Ook zintuigelijk zijn geen aanwijzingen voor een olieverontreiniging aangetroffen.

Ad C. Overig terrein

De bovengrond ter plaatse van het overige terreindeel blijkt licht verontreinigd te zijn met zware metalen, PAK en minerale olie. De ondergrond blijkt niet verontreinigd te zijn met de onderzochte stoffen. Het grondwater blijkt slechts licht verontreinigd te zijn met naftaleen. Opgemerkt wordt dat op het bebouwde terreindeel (loods) tijdens onderhavig niet is onderzocht. Na sloop van de loods zal dit terreindeel alsnog onderzocht worden.

De lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK en minerale olie in de grond en met naftaleen in het grondwater zijn in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht.

Conclusies verkennend asbestonderzoek

Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is het maaiveld visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Tijdens de graafwerkzaamheden is het uitkomende materiaal eveneens beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Hierbij zijn wel op het maaiveld als in het uitkomende materiaal geen asbestverdachte materialen waargenomen. Verder zijn in de opgegraven grond maximaal zwakke bijmengingen met puin aangetroffen.

In de grondfractie (kleiner dan 16 mm) is plaatselijk analytisch asbest aangetoond in het traject van 0,08 tot 0,5 m-mv. Het asbest komt voor in de fractie < 16 mm. Het betreft chrysotiel (sertentijnasbest). De indicatieve gewogen asbestconcentratie in de grond is berekend op
0,19 mg/kg d.s.

De aangetroffen asbestgehalte is echter kleiner dan de helft van de interventiewaarde. Derhalve is er geen sprake van een verontreiniging met asbest en wordt een nader asbestonderzoek niet noodzakelijk geacht.

Conclusies infiltratieonderzoek

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde infiltratieonderzoek kan ter plaatse van het onderzoeksgebied hemelwater opgevangen en boven de GHG geïnfiltreerd worden door middel van doorlatende bestrating (met onderliggende goed doorlatende funderingslaag), infiltratiekratten, wadi’s, infiltratiebassins, zaksloten, greppels en infiltratie- en transportriolen.

Kortom, op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden er vanuit het aspect bodem geen beperkingen zijn ten aanzien van het voorgenomen gebruik. Na sloop van de bebouwing dient ter plaatse van de loods nog een bodemonderzoek plaats te vinden.

Indien grond wordt afgegraven en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond niet elders zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.

5.3 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (Hoofdstuk 5, Titel 5.2 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) vervallen. Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de “Wet luchtkwaliteit”. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer kent een aantal begrippen zoals 'niet in betekenende mate' (NIBM) en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Voor nieuwe plannen betekent dit dat er nagegaan dient te worden of het plan past binnen het Besluit en/of de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’.

Kleine en grote projecten

Niet alle ruimtelijke projecten hoeven in het NSL te worden opgenomen. Nederland telt een paar duizend bouwprojecten. Het overgrote deel hiervan heeft vrijwel geen invloed op de luchtkwaliteit. Daarom introduceert Titel 5.2 van de Wet milieubeheer ‘kleine’ en ‘grote’ projecten. Een paar honderd grote projecten dragen ‘in betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip ‘in betekenende mate’ precies inhoudt, staat in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). In hoofdlijnen komt het erop neer dat ‘grote’ projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een ‘betekenend’ negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. ‘Kleine’ projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3000 woningen bij twee ontsluitingswegen, niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Voor kantoorlocaties met één ontsluitingsweg geldt een grens van 100.000 m2 bruto vloeroppervlak.

Als een project de ‘in betekenende mate’ grens overschrijdt zijn er twee mogelijkheden. Of een overheid besluit om het project onder te brengen in het NSL of men besluit om projectsaldering toe te passen. Een andere mogelijkheid die de wet geeft is het toepassen van extra maatregelen ter plaatse (die onlosmakelijk met het project verbonden dienen te zijn), waardoor de verslechtering onder de NIBM grens komt. Een voordeel van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer is ook dat grote projecten niet meer rechtstreeks hoeven te worden getoetst aan de normen. Als een groot project is opgenomen in het NSL, hoeft de verantwoordelijke overheid in de planprocedure (bijvoorbeeld het bestemmingsplan) niet meer te toetsen aan de normen, zoals het geval was in het Blk 2005. De overheid kan veelal volstaan met een onderbouwing door aan te geven dat het project is opgenomen in het NSL. Het NSL zorgt ervoor dat het negatieve effect van deze projecten wordt gecompenseerd met een groot pakket landelijke maatregelen. Met ingang van 1 augustus 2009 is het NSL van kracht. Het NSL had aanvankelijk een looptijd van 5 jaar, is vervolgens verlengd tot en met 31 december 2016 en inmiddels voor de tweede maal verlengd tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Fijnstof en gezondheid

PM10

In Nederland overschrijden de concentraties fijnstof de normen met name binnen 100 meter van een drukke snelweg, of binnen 50 meter van een drukke stedelijke weg. In grote gemeenten in Nederland wordt hierdoor tot 10% van de bevolking aan te veel fijnstof blootgesteld. Niettemin zijn de concentraties vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw gedaald. Dit is voornamelijk te danken aan maatregelen in de industrie door bijvoorbeeld de ontzwaveling van de schoorsteenemissies en bij auto's door schonere motoren en katalysatoren. Bij dieselauto's zijn in toenemende mate roetfilters in gebruik en zijn strengere normen van toepassing met betrekking tot de uitstoot van roetdeeltjes.

PM2,5  

Het is bekend dat gezondheidsschade vooral optreedt door de kleinere fractie van de deeltjes-grootteverdeling: de PM2,5. Deze deeltjes dringen het diepst door in de longen en richten de meeste schade aan. Deze fractie wordt ook voor een groot deel door mensen veroorzaakt, vooral door wegverkeer en scheepvaart. De grootste massafractie in PM2,5 is tegenwoordig afkomstig van stikstof(mon)oxiden (NO) van vrachtverkeer, ozon uit fotochemische reactie en van ammoniak uit de bio-industrie.

De kleine zwevende deeltjes komen bij inademing in de longen terecht. Deeltjes groter dan 10 micrometer (een honderdste millimeter) worden door de neus vastgehouden en uitgescheiden via het slijmvlies.

De kleine deeltjes kunnen op de volgende wijzen schadelijk zijn voor de gezondheid:

  • veroorzaken van ontstekingsreacties;
  • bemoeilijken zuurstofopname;
  • hartschade:
    • 1. ontstekingsreacties doen radicalen vrijkomen;
    • 2. infarct door toenemende viscositeit van het bloed;
    • 3. negatieve beïnvloeding hartspierfunctie door neurologische effecten.

Epidemiologische en toxicologische studies wijzen uit dat in Nederland jaarlijks enige duizenden mensen vroegtijdig overlijden door kortdurende blootstelling aan fijnstof. De mortaliteit door chronische blootstelling is mogelijk een veelvoud hiervan. De duur van de levensverkorting is vermoedelijk kort: enkele dagen tot maanden. Naast mortaliteit speelt bij fijnstof morbiditeit echter een belangrijke rol: door blootstelling aan fijnstof worden veel mensen ziek. Bij mensen met luchtwegaandoeningen en hart- en vaatziekten verergert blootstelling aan fijnstof hun symptomen.

Studies wijzen uit dat er geen veilige ondergrens is bij blootstelling aan fijnstof: hoe klein de blootstelling ook is, er is altijd een meetbaar schadelijk effect op de gezondheid. De huidige normen zijn derhalve een compromis tussen gezondheidsbelangen en socio-economische belangen.

PM2,5 

Sinds 2008 is een Europese richtlijn (2008/50/EG) voor luchtkwaliteit van kracht. Een belangrijke wijziging in deze richtlijn is de invoering van grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie en gemiddelde stedelijke achtergrondconcentratie van PM2,5. Voor zowel vergunningverlening als de ruimtelijke ordening is tevens de grenswaarde voor PM2,5 van belang.

Monitoring NSL

Sinds 2010 vindt jaarlijks een monitoring plaats van het NSL. Daarmee volgen de overheden de ontwikkeling van de luchtkwaliteit. Het instrument waarmee de overheden deze monitoring uitvoeren heet de NSL-Monitoringstool. Als uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen de overheden besluiten om extra maatregelen te treffen.

Besluit gevoelige bestemmingen

Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Met deze AMvB wordt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’ in de nabijheid van provinciale wegen en Rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het Besluit gevoelige bestemmingen is derhalve niet van toepassing op onderhavig planvoornemen.

Luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied

Het planvoornemen behoort vanwege de relatief beperkte omvang automatisch tot de categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Een toets aan de 3%-grens (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide) kan derhalve achterwege blijven. De blootstelling aan luchtverontreiniging dient echter wel in kaart te worden gebracht en te worden getoetst aan de hierbij gestelde eisen en te worden beschouwd in het kader van ´goede ruimtelijke ordening´

Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties ter plaatse van het plangebied voor de jaren 2015, 2020 en 2030 afgelezen. Er zijn diverse rekenpunten rondom het plangebied gelegen. De concentraties en een grafische weergave hiervan zijn opgenomen in de bijlage. Uit de controle, zie onderstaande tabel 5.1, blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden en maximale overschrijdingsdagen voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2015, 2020 en 2030 niet worden overschreden.

Tabel 5.1: grenswaarden en rekenresultaten

Stof   Soort norm / grenswaarde   Concentratie   Resultaat rekenpunt 15525375   Resultaat rekenpunt 15524449  
      2015   2020   2030   2015   2020   2030  
Stikstofdioxide (NO2)   Jaargemiddelde (µg/m3) (sinds 2015)   40   29   22   14   25   19   13  
Stikstofdioxide (NO2)   Overschrijdingsdagen (dgn)   18   -   -   -   -   -   -  
Fijn stof (PM10)   Jaargemiddelde (µg/m3)   40   21   22   20   20   21   19  
Fijn stof (PM10)   Overschrijdingsdagen (dgn)   35   9   10   7   8   9   7  
Fijn stof (PM2,5)   Jaargemiddelde (µg/m3) (sinds 2015)   25   13   13   11   12   12   11  

Conclusie

Samenvattend kan worden gesteld dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen beperkingen oplegt aan het planvoornemen. Raadpleging van de NSL-Monitoringstool laat zien dat de jaargemiddelde grenswaarden en overschrijdingsdagen voor de jaren 2015, 2020 en 2030 niet worden overschreden zodat een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is gewaarborgd.

5.4 Externe veiligheid

Inleiding

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen.

Wanneer er sprake is van een situatie waarin externe veiligheid een rol speelt en waarin de overheid als bevoegd gezag een beslissing dient te nemen, moet beoordeeld worden of de situatie niet in strijd is met de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. De 'verantwoording van groepsrisico' komt het er op neer dat het bevoegd gezag verantwoording aflegt over het groepsrisico en de maatregelen die getroffen zijn om dat risico zoveel mogelijk te beperken.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het Rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar).

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.

De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, kantoren en hotels met een bruto oppervlakte > 1500 m2) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar.

Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

Groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:

  • de kans op een ongeval;
  • het effect van het ongeval;
  • het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft;
  • de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk.

Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico.

Voor het groepsrisico als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over (spoor-)wegen en water geldt een verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag. Binnen het invloedsgebied van een transportroute dient het bevoegd gezag in te gaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden van zelfredzaamheid (beperkte verantwoording groepsrisico). Als het groepsrisico groter is dan de oriëntatiewaarde dient het bevoegd gezag altijd in te gaan op alle genoemde aspecten van het externe risico (uitgebreide verantwoording groepsrisico).

Inventarisatie

Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is gebruik gemaakt van de “Risicokaart Nederland” - www.risicokaartnederland.nl (samenwerking van het Rijk, de provincies en de gemeenten). Hierbij zijn de volgende risicobronnen aangetroffen:

  • LPG-tankstation, BP van de Berg, Molenstraat 9;
  • leiding Gasunie;
  • spoorlijn ’s-Hertogenbosch-Nijmegen (trajectnr. 64B.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002365-1301_0010.jpg"

Figuur 5.1: Uitsnede risicokaart (plangebied is paars omlijnd)

Door de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) is een externe veiligheidsonderzoek 4 uitgevoerd waarbij deze drie risicobronnen nader zijn onderzocht. Voor het LPG tankstation en de hogedruk gasleiding zijn tevens kwantitatieve risicoanalyses (QRA) uitgevoerd. Het volledige onderzoek, inclusief de QRA’s, zijn als bijlage bijgevoegd. Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven.

Conclusies

De plaatsgebonden risicocontouren (PR 10-6) van de risicobronnen vallen niet over het plangebied, zodat deze geen belemmering vormen.

Het invloedsgebied van de inrichting (LPG-tankstation) strekt zich uit tot over het plangebied (maatgevend risicoscenario BLEVE). In het kader van artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) moet daarom voor het plan door het bestuur van de gemeente een (complete) verantwoording van het groepsrisico afgelegd worden.

Voor de spoorlijn en de buisleiding geldt, dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen de zelfredzaamheid van personen en de bestrijdbaarheid van een ramp binnen het plangebied beschouwd te worden. Maatgevend scenario voor de spoorlijn is een gasexplosie (BLEVE) van een ketelwagen. Voor de hogedruk aardgasbuisleiding is het maatgevende scenario een fakkelbrand.

Hieronder een samenvatting van de groepsrisicoverantwoording. De uitgebreidere verantwoording van het groepsrisico is terug te vinden in het volledige rapport dat als bijlage is toegevoegd.

Verantwoording groepsrisico

Om een goede afweging over de veiligheidsrisico’s binnen het plangebied te kunnen maken is voor de inrichting het groepsrisico voor- en (indicatief) na de realisatie van het plan middels een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) bepaald. Er vindt door de realisatie van het plan een toename van 22 personen plaats binnen het invloedsgebied van de inrichting. Deze toename is marginaal te noemen.

Uit de rapportage van de QRA blijkt, dat de oriënterende waarde (OW) voor het groepsrisico voor de inrichting niet wordt overschreden in de huidige en toekomstige situatie (beide ca. 0.3*OW). Het toevoegen van 22 personen binnen het invloedsgebied laat geen zichtbare toename zien van het groepsrisico. De hoogte van het groepsrisico blijft ruim onder de oriënterende waarde. Voor het groepsrisico veroorzaakt door de spoorlijn en de buisleiding geldt, dat voor en na realisatie van het plan 0,1 maal de oriënterende waarde niet wordt overschreden.

Vanaf het begin van het planproces is speciale aandacht besteed aan het aspect externe veiligheid, vanwege de vele risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Bij het ontwerp is gekeken naar het zo veilig mogelijk inrichten van de plangebied, zodat de gevolgen van een calamiteit met gevaarlijke stoffen voor de bewoners van het plangebied zo beperkt blijven. Van een verplaatsing van het plan naar een mogelijke alternatieve locatie met een lager groepsrisico kan hier geen sprake zijn, omdat het een herontwikkeling van een reeds bebouwd perceel betreft.

Om de zelfredzaamheid en veiligheid te vergroten wordt door de veiligheidsregio geadviseerd in een tweede vluchtroute waarbij men van de bronnen af kan vluchten. Binnen het plan wordt een voorziening aangebracht dat bewoners bij een calamiteit ten alle tijden naar de noordzijde (dus van de risicobronnen af) kunnen vluchten tot achter de bestaande (beschermende) muur op het aangrenzende perceel. Dit zal plaatsvinden in de vorm van een aanwezige trap tegen de muur.

Er heeft afstemming plaatsgevonden met de Veiligheidsregio. Uit het advies van de Veiligheidsregio blijkt dat de bestaande bluswatervoorzieningen aandachtspunten zijn. De gemeente ’s-Hertogenbosch zal in overleg treden met de Veiligheidsregio en brandweer om dit nader te bekijken.

5.5 Bedrijven en milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

Op Spoorstraat 1 zijn kantoren en lichte bedrijvigheid (cat.1) aanwezig.

Op basis van de bovengenoemde VNG-brochure kan gesteld worden dat voor de kantoren een aan te houden richtafstand van 10 meter geldt wanneer er sprake is van een rustige woonwijk.

Onderhavige locatie is gelegen aan de rand van het centrum van Rosmalen. In de nabije omgeving zijn naast woningen ook andere functies aanwezig waaronder onder andere een dierenkliniek en een restaurant. Tevens bevindt het plangebied zich op zeer korte afstand van het spoor. Hierdoor kan het gebied worden aangeduid als ‘gemengd gebied’. In dat geval mogen de richtafstanden uit de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd. Derhalve dient een afstand van 0 meter aangehouden te worden. De afstand van Spoorstraat 1 ten opzichte van reeds bestaande woningen (bouwvlakken) bedraagt reeds 10 meter. Deze bestaande woningen zijn reeds bepalend en beperkend voor de eventuele hinderuitstraling van de kantoren of bedrijvigheid. Zij zullen immers op deze woningen moeten voldoen aan de gangbare hindernormen (uit het Activiteitenbesluit).

In voorliggend bestemmingsplan is de locatie van Spoorstraat 1 meegenomen. Deze locatie krijgt een bedrijfsbestemming, met deels een aanduiding kantoor. Op deze manier sluit de bestemming aan bij het huidige gebruik van de locatie.

5.6 Flora en fauna

Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Voor beide is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Hiervoor is een quickscan flora en fauna5 uitgevoerd. Deze is als bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan. Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven.

Conclusies quickscan

Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant. De afstand tot het meest nabijgelegen Natura-2000 gebied is tevens dermate groot dat er geen negatief effect te verwachten is.

Binnen het plangebied zijn geen beschermde plant- of diersoorten aangetroffen. Mogelijk benutten vogels en/of vleermuizen het gebied wel als foerageergebied. Wanneer rekening gehouden wordt onderstaande zorgplicht valt er geen negatief effect te verwachten tot de diverse soortgroepen.

Voor alle soorten geldt wel een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.

De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen.

Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden of bomen ongeschikt gemaakt worden zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren die in winterslaap gaan.

Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

5.7 Energie en duurzaamheid

Het Rijk heeft ambitieuze klimaatdoelen gesteld die via diverse convenanten en akkoorden (zowel met het bevoegd gezag, bedrijfsleven en marktpartijen) zijn geborgd. Deze doelen zijn vast gelegd in het 'nationaal energiebeleid' en komen voort uit de afspraken die internationaal zijn vastgelegd in onder meer het Kyotoprotocol.

Ook binnen het gemeentelijk milieubeleid is het klimaat- en energiebeheer een belangrijk speerpunt. De ambitie is om als stad tussen 2040 en 2050 klimaatneutraal te zijn. De gemeentelijke energie-ambitie en doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energie & klimaatprogramma 2008-2015 ´s-Hertogenbosch”. Als vervolg op dit beleidsplan is in september 2016 het ‘Energietransitie programma ´s-Hertogenbosch 2016-2020’ opgesteld. Ook in de Woonagenda 2017-2018 staan de energieambities beschreven voor nieuwe woningen.

Ruimtelijke plannen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het bewust en zorgvuldig omgaan met energie. Daarbij zijn de principes van de Trias Energetica zeer goed bruikbaar. Dit houdt in dat eerst gekeken wordt naar de mogelijkheden voor het beperken van de energievraag (besparing). Vervolgens wordt gekeken in hoeverre de energie die toch nodig is op duurzame wijze kan worden opgewekt. De derde stap in de Trias Energetica is het streven naar een zo efficiënt mogelijke opwekking van energie uit de resterende fossiele brandstoffen. De ruimtelijke relevantie van het energiethema spitst zich toe op energiebesparing en de opwekking van duurzame energie. Opwekking van duurzame energie kan goed met andere functies gecombineerd worden.

Voor nieuwbouw tot 2020 geldt dat de gemeente energieneutrale nieuwbouw gaat stimuleren. Na 2020 moet alle nieuwbouw in Nederland een Bijna EnergieNeutraal Gebouw oftewel BENG zijn. BENG komt in grote lijnen overeen met een EPC van 0,2.

Voorliggend planvoornemen wil hier op inspelen en heeft de ambitie tot geen gasgebruik, aanleggen zonnepanelen, goede isolatie enzovoorts. Bij de nadere uitwerkingen van het bouwplan en de aanvraag omgevingsvergunning bouwen zal aandacht zijn voor het aspect energie.

5.8 Trillingen

In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen, zoals die wel bestaat voor geluidhinder (Wet geluidhinder). Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is in de afwegingen. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarin de zorg voor een goede ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Voor hinder voor personen in gebouwen is een richtlijn opgesteld, de zogenoemde SBR-B richtlijn.

Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximaal optredende trillingsniveau. In de SBR-B richtlijn is aangegeven wat de streefwaarde maximaal zou mogen zijn.

Voor nieuwe woningen is de streefwaarde:

Situatie   dag en avond   nacht  
  A11) (Vmax)   A22) (Vmax)   A33) (Vper)   A11) (Vmax)   A22) (Vmax)   A33) (Vper)  
Wonen en gezondheidszorg   0,1   0,4   0,05   0,1   0,2   0,05  

1) A1 is de onderste streefwaarde voor de maximale trillingssterkte Vmax;

2) A2 is de bovenste streefwaarde voor de maximale trillingssterkte Vmax;

3) A3 is de streefwaarde voor de gemiddelde trillingssterkte Vper.

In 2017 heeft een trillingsonderzoek 6 plaatsgevonden waarbij trillingsmeters zijn geplaatst ter plaatse van de geplande nieuwbouw. Het volledige onderzoek is als bijlage bij de toelichting toegevoegd. Hieronder volgen enkel de conclusies.

Conclusie trillingsmetingen

Op basis van de uitgevoerde trillingsmetingen en de verkregen meetresultaten kan worden geconcludeerd dat bij de geplande nieuwbouw naar verwachting voldaan zal worden aan de streefwaarden behorende bij nieuwbouw en treinverkeer uit de SBR richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen”. Er hoeven geen (extra) maatregelen voor de nieuwbouw getroffen te worden om aan de streefwaarden te voldoen.

De nieuwbouwwoningen zijn zelf relatief breed en bestaan uit een bouwlaag met een kap. De woning heeft een extra funderingsstrook in het midden van de woning ten behoeve van de overspanning. De verwachting is dan ook dat de trillingsniveaus in de woningen (veel) lager zullen zijn dan op maaiveld gemeten. De verwachting is dan ook dat voor de nieuwbouw geldt dat aan de streefwaarden uit de SBR richtlijn deel B wordt voldaan. Hinder als gevolg van trillingen vanwege het spoor wordt derhalve niet verwacht.

5.9 Archeologie

Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De archeologische (verwachtings)waarden moeten worden vastgelegd in bestemmingsplannen. In het bestemmingsplan ‘Rosmalen Centrum’ heeft onderhavige locatie de bestemming ‘Waarde - Archeologie –1’. In de bijhorende regels is aangegeven dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is wanneer er sprake is van een bodemverstoring van meer dan 100 m2 en dieper dan 0,50 m-mv.

In 2013 heeft een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek 7 plaatsgevonden. Aan de hand van het booronderzoek is vastgesteld dat in het plangebied zich een 25 à 80 cm dikke recente ophooglaag bevindt, gevolgd door een 10 tot 60 cm dik cultuurdek. In het centrale deel van het plangebied bevindt zich daaronder een (afgetopt) veldpodzol. Langs de randen van het plangebied bevindt zich onder het cultuurdek direct de C-horizont. Bodemkundig gezien is in het centrale deel van het plangebied sprake van een afgedekte veld- of laarpodzol. Langs de randen van het terrein kan de bodem geïnterpreteerd worden als een afgedekte akker- of hoge zwarte enkeerdgrond.

Uit de boringen blijkt dat de bodem in het plangebied nog vrij gaaf is. De randen van het plangebied, die oorspronkelijke de hoogste delen van het gebied vormden, zijn in het verleden (vermoedelijk late middeleeuwen) als gevolg van egalisatie afgetopt. In noordelijke richting neemt de aftopping geleidelijk af, waardoor in het centrale deel (lagere deel van het landschap) nog een restant van de oorspronkelijke podzol aanwezig is en in het uiterste noordelijke deel nog een geheel intact natuurlijk bodemprofiel. Deze depressie, die in noordelijke richting afhelt, sluit vermoedelijk aan op een meer oostelijke gelegen laagte.

Dergelijke terreinen op de overgang van droge, hooggelegen gebieden naar laagtes en dalen waren van oudsher aantrekkelijke vestigingsplaatsen. Aangezien de meeste vindplaatsen onder oude bouwlanden gekenmerkt worden door een zeer lage vondstdichtheid, is het ontbreken van vondstmateriaal in de boringen zeker geen aanwijzing voor het ontbreken van een vindplaats.

De intactheid van het bodemprofiel in de laagte, gecombineerd met de aftopping aan de randen doet vermoeden dat de laagte in de late middeleeuwen is opgevuld met materiaal van de hogere delen.

Naast deze verwachte archeologische waarden zijn in en rond het plangebied in het verleden ook daadwerkelijk archeologische resten aangetroffen. Gezien de landschappelijke ligging op de overgang van een hoog naar een laaggelegen gebied, de intactheid van het bodemprofiel en de bekende vondsten in de omgeving heeft het plangebied een hoge verwachting voor archeologische resten uit het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen (nederzettingen, grafvelden). Een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) is dan ook noodzakelijk. Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) is het aanvullen en toetsen van een gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in

het vooronderzoek. Alvorens een IVO-P uitgevoerd kan worden is het verplicht een Programma van Eisen (PvE) op te stellen welke goedgekeurd dient te worden door het bevoegd gezag. In 2013 is hiervoor een Programma van Eisen opgesteld en op 28 maart 2013 goedgekeurd.

Dit PvE is aangevuld met een addendum om te voldoen aan de nieuwe standaard PvE. Het PvE, inclusief addendum zijn opgenomen in de bijlagen. De in de PvE voorgestelde ligging van de proefsleuven blijft gelijk. Op basis van het Programma van Eisen, inclusief addendum, is een Inventariserend veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P) 8 uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies weergegeven. De volledige rapportage is toegevoegd als bijlagen.

Conclusies

Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen behoudenswaardige archeologische vondsten en/of features aangetroffen. In het plangebied is geen sprake van een vindplaats. Wel zijn features aangetroffen die samenhangen met landgebruik (t.b.v. landbouw) in –mogelijk- de Late Middeleeuwen en –zeker- de Nieuwe Tijd. Hieruit volgt dus dat het plangebied van de Late Middeleeuwen tot in de Late Nieuwe Tijd als landbouwgrond heeft gefunctioneerd. Het betreft features van landgebruik die voor de periode waar deze uit dateren (vooral de Nieuwe tijd) zeker niet ongewoon zijn. De features zullen daarom ook geen nieuwe inzichten opleveren of in een groter onderzoekskader passen.

De hoge archeologische verwachting op resten van nederzettingen en grafcontexten uit het Neolithicum tot en met d Volle-Middeleeuwen is voor wat betreft het plangebied niet bevestigd.

Selectieadvies en -besluit

De archeologische potentie van het plangebied was naar aanleiding van de resultaten van het vooronderzoek hoog. Ook het archeologisch niveau leek met het veldonderzoek relatief goed intact. Desondanks zijn in het plangebied geen archeologisch relevante vondsten en features aangetroffen.

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken heeft de gemeente ’s-Hertogenbosch een selectiebesluit opgesteld waarin zij te kennen hebben gegeven dat wanneer de gemaakte opmerkingen worden verwerkt in de definitieve rapportages, kan instemmen met het advies om geen archeologisch vervolgonderzoek te laten uitvoeren.

De in het selectiebesluit genoemde opmerkingen zijn reeds verwerkt in de definitieve rapportages, zoals deze zijn bijgevoegd in de bijlagen.

Op grond van Erfgoedwet bestaat nog wel altijd de wettelijke verplichting om archeologische resten die ondanks het onderzoek tijdens de graafwerkzaamheden worden aangetroffen, te melden bij het bevoegd gezag, in deze de gemeente ’s-Hertogenbosch.

5.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Beleid

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Met ingang van 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft niet gepubliceerd te worden.

Aanmelding en besluit

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een

stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 11 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' van toepassing is.

Het project bestaat uit de realisatie van maximaal 11 woningen, en betreft de herontwikkeling van een bedrijfsterrein. In het project wordt aandacht geschonken aan een duurzaam energiegebruik. Het betreft een ruimtelijke ontwikkeling die wat betreft hinder een verbetering betreft ten opzichte van de huidige toegestane functies in de vorm van meer hinderveroorzakende bedrijfsbestemming. Het project wordt gerealiseerd op een binnenstedelijke locatie langs het spoor. Uit de milieuparagraaf van dit bestemmingsplan blijkt dat de ruimtelijke ontwikkeling geen significante milieubelemmeringen oplevert.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., zoals beschreven in hoofdstuk 4 van dit plan in combinatie met de geluidsreducerende maatregelen), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Dit blijkt tevens uit de milieuparagraaf van dit bestemmingsplan (hoofdstuk 5). Het bevoegd gezag besluit derhalve dat geen milieueffectrapportage hoeft te worden gemaakt.

Hoofdstuk 6 Waterparagraaf

6.1 Beleid

Nationaal waterbeleid

In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen.

Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich derhalve primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te krijgen die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer.

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo).

Beleid waterschap

Het plangebied maakt deel uit van het stroomgebied Aa en Maas. Het waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om onderhavig plangebied in de gemeente 's-Hertogenbosch. Het waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels staan in de Keur van het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van waterschap Aa en Maas. Het waterschap stelt ter concretisering van het waterhuishoudkundig beleid kaartmateriaal vast. Voor wat betreft de aanwijzing van de gebieden waarvoor een vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is vereist, is dit ook een taak van het waterschap.

Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het ‘Waterbeheerplan 2016-2021’. Het beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van het water- en zuiveringssysteem voor de periode 2016-2021. De missie van het waterschap hierbij is: “het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten”.

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s c.q. speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een verordening; de Keur en de Legger. De Brabantse waterschappen hebben een gezamenlijke Keur opgesteld, genaamd de Brabantkeur. Deze bevat zoals reeds vermeld gebods- en verbods-bepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.

In de Brabantkeur staat weergegeven dat het verboden is om zonder vergunning van het waterschap hemelwater, afkomstig van verhard oppervlak met een totaal oppervlakte van 2000 m² of meer, op het oppervlaktewater te lozen.

Het waterschap toetst een waterparagraaf op onder andere op onderstaande punten:

  • 1. voorkomen van vervuiling;
  • 2. wateroverlastvrij bestemmen;
  • 3. hydrologisch neutraal Ontwikkelen (HNO);
  • 4. vuil water en hemelwater scheiden;
  • 5. afvoer schoon hemelwater volgens de stappen: hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer.

Verder is het belangrijk om water als kans te zien in plaats van probleem.

Beleid provincie Noord-Brabant

Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het ‘Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021’ Het plan staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het document vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Brabant.

Gemeentelijk beleid

Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. Het "Waterplan 2016" met bijbehorende bijlage 1 "Hemelwater uitvoeringsbeleid" (d.d. 25 februari 2016) verantwoordt aan de inwoners van de gemeente 's-Hertogenbosch de ambities en bijbehorend beleid op watergebied.

Navolgend schema geeft de afwegingen (links) en componenten (rechts) die beschreven moeten worden in de waterparagraaf. Dit schema beschrijft de opgaven voor hemelwater vanuit het gemeentelijk beleid (tot en met 2000 m2 respectievelijk 10.000 m2, waarop de Keur niet van toepassing is). De Keur van het waterschap is van toepassing bij de aanleg van verhard oppervlak, van tenminste 2000 m2 of vervanging van verhard oppervlak van tenminste 10.000 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002365-1301_0011.jpg"

6.2 Beinvloeding van het waterhuishoudkundig systeem

Door de beoogde realisatie van het bouwplan zullen er wijzigingen plaatsvinden aan de verharde oppervlakten. De waterhuishoudkundige situatie ter plaatse zal derhalve veranderen. Afkoppeling en eventuele infiltratie van hemelwater in de bodem is een belangrijk aspect dat aandacht verdiend binnen het plan. Infiltratie van hemelwater biedt namelijk voordelen tegenover de gebruikelijke afvoermethoden via het oppervlaktewater of via rioleringssystemen.

Deze voordelen zijn onder andere:

  • verdroging van de bodem wordt tegengegaan en de natuurlijke waterkringloop blijft behouden;
  • minder of geen belasting van het rioolstelsel. Daardoor zullen minder of geen overstorten plaatsvinden, zodat minder vuillast in het oppervlaktewater terecht komt;
  • lagere piekaanvoer op de RioolWaterZuiveringInstallatie (RWZI);
  • mogelijkheid tot hergebruik van (geïnfiltreerd) water.

Voor het succesvol toepassen van regenwaterinfiltratie is minimaal een infiltratiesnelheid (k-waarde) nodig van 5*10-6 meter per seconde (circa 0,43 meter/dag ofwel 18,0 mm/uur). De reden hiervoor is dat er bij lagere doorlatendheden reducerende omstandigheden kunnen optreden in de onverzadigde zone, die een ongunstige invloed kunnen hebben op het retentie- en omzettingsvermogen van de infiltratievoorziening. Daarnaast is bij lagere doorlatendheden ook een groot ruimtebeslag nodig voor het aanleggen van infiltratievoorzieningen. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat deze langer (dagen achtereen) water blijven voeren, hetgeen onwenselijk kan zijn in een (woon)omgeving.

De doorlatendheid van een bodem is afhankelijk van vele factoren, onder meer de poriëngrootte, de continuïteit van de poriën, de poriënvorm, het poriënaantal, de geometrie van de poriënkanalen en de diepte tot de grondwaterstand. De poriëngrootte en de verdeling ervan hangen in de eerste plaats van de bodemsoort en de bodemstructuur af. Bovendien is de doorlatendheid afhankelijk van de verzadigingsgraad en kan ze beïnvloed worden door micro-organismen. Dit betekent dat de infiltratiesnelheid van de ondergrond geen constante waarde heeft, maar van plaats tot plaats varieert, waarbij zelfs op vrij kleine schaal belangrijke verschillen kunnen optreden.

Locatie plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Spoorstraat en bestaat uit diverse percelen welke kadastraal bekend staan als: sectie H, nummers 5368 (Spoorstraat 3), 5369 (Spoorstraat 1), 3019 (bestaande parkeerplaats aan de Spoorstraat) en 1415 (overig openbaar gebied) van de gemeente Rosmalen. Indien het deelgebied aan de Spoorstraat 1 buiten beschouwing wordt gelaten (hier vinden namelijk geen wijzigingen plaats), heeft de locatie een oppervlakte van circa 8400 m2. De gemiddelde maaiveldhoogte bedraagt circa 5 m+NAP. Op Spoorstraat 3 was voorheen een aannemer/bouwbedrijf gevestigd. Het terrein is volledig voorzien van terreinverharding in de vorm van klinkers. Op het terrein is thans nog een loods aanwezig met een oppervlakte van circa 1130 m2. Aan de randen van het terrein bevinden zich overkappingen voor opslag van materiaal en materieel. De oppervlakte hiervan bedraagt circa 900 m2. Het totale aanwezige dakoppervlak bedraagt derhalve 2030 m2. Het terrein is verder volledig verhard. Derhalve bedraagt het totale verhard oppervlak 8400 m2.

Het gebied tussen het spoor en de percelen aan de Spoorstraat 1 en 3 betreft de openbare ruimte, bestaande uit de Spoorstraat met aan weerszijde bermstroken/groenvoorzieningen. Tegen het spoor aan bevinden zich (in de bestaand situatie) circa 20 parkeerplaatsen die haaks op het spoor zijn georiënteerd. In de toekomstige situatie is in de openbare ruimte meer groen aanwezig en wordt een wadi aangelegd.

De watersystemen die op de locatie en in de omgeving voorkomen worden onderverdeeld in grondwater, oppervlaktewater, regenwater en afvalwater. De eerste twee watersystemen worden hieronder kort besproken.

Grondwater

Op basis van de tijdens het veldwerk vastgestelde grondwaterstand, behorende bij het door Tritium Advies uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek en infiltratie onderzoek Spoorstraat 3 Rosmalen (documentkenmerk: 1701/066/BD-01, versie 0 d.d. 21 april 2017), wordt op de locatie een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) verwacht van circa 1,4 m-mv.

Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats die een directe invloed hebben op de grondwaterstand en grondwaterstroming op de locatie. Het plangebied ligt niet in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied.

Oppervlaktewateren

In de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

Ecosystemen

Het plangebied ligt niet in een natuurgebied. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het Natuurnetwerk Brabant (oude EHS) is op een afstand van ruim 700 meter ten westen van het plangebied gelegen. Het betreft hier een relatief nieuw natuurgebied genaamd ‘Kanaalpark Rosmalen’, dat ligt langs het Maxima-kanaal. Het Kanaalpark sluit aan op bestaande natuurgebieden rondom de stad 's-Hertogenbosch en Rosmalen. Het park is onderdeel van deze regionale robuuste groenstructuur. Er is nieuwe natuur in het Kanaalpark, de Rosmalense Aa. Deze waterloop vormt de basis voor de ecologische verbindingszone. Via de beek komen de dynamische beekdalgronden van de Aa weer in contact met de Maasuiterwaarden. Bijzonder is dat de beek een vrije afstroming krijgt vanuit de Aa naar de Maas.

Bodem

Conform voornoemd bodemonderzoek bestaat de vaste bodem van het plangebied tot 4,20 m-mv (maximaal verkende diepte) uit matig fijn, zwak siltig, soms zwak humeus zand.

Uit de resultaten van het infiltratieonderzoek blijkt dat ter plaatse van de onderzochte meetpunten de doorlatendheid van de verzadigde zone “goed tot zeer goed” is. Infiltratie van hemelwater in het bodemprofiel van de onverzadigde zone leidt daarom naar verwachting niet tot een zogenaamde “opbolling” van het freatisch grondwaterpeil. Het infiltratieonderzoek heeft betrekking op de locatie van de 11 nieuwe woningen. Ter plaatse van het aangrenzende openbare gebied aan de voorzijde is de doorlatendheid niet nader onderzocht.

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde infiltratieonderzoek kan ter plaatse van het onderzoeksgebied hemelwater opgevangen en boven de GHG geïnfiltreerd worden door middel van doorlatende bestrating (met onderliggende goed doorlatende funderingslaag), wadi’s, zaksloten, greppels en infiltratie- en transportriolen.

6.3 Uitgangspunten waterbergingsadvies

Voor de dimensionering van eventuele infiltratie- of bergingsvoorzieningen zijn de volgende parameters van belang:

  • de k-waarden van de ondergrond. Hiervoor wordt conform voornoemd infiltratieonderzoek vooralsnog een gemiddelde van minimaal 4 meter per dag aangehouden;
  • de afgekoppelde oppervlakken die worden aangesloten op de voorziening;
  • de te verwachten neerslag, evenals de intensiteit ervan.

Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is:

  • 1. hergebruiken;
  • 2. vasthouden;
  • 3. bergen;
  • 4. afvoeren naar oppervlaktewater.

Deze trits dient te worden doorlopen en er dient beargumenteerd te worden voor welke optie wordt gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is het noodzakelijk om water te bergen of af te voeren naar oppervlaktewater.

Bij 'bergen' kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een buffersloot met een geknepen afvoer naar een nabij gelegen watergang. De te bergen hoeveelheid hemelwater dient conform zowel de Brabantbrede keur 2015 (hier niet van toepassing) als het gemeentelijk beleid te worden berekend met een bui van 600 m3 per hectare. De initiatiefnemer dient deze berging in principe op eigen terrein te realiseren. In het beleid van de gemeente wordt geen onderscheid gemaakt tussen "nieuw" verhard oppervlak en "vervanging" van verhard oppervlak. Voor beide wordt dezelfde hemelwaterberging vereist van 600 m3 per hectare.

6.4 Waterbergingsadvies

In de bestaande situatie is het gehele gebied nagenoeg volledig voorzien van terreinverharding. Voor het hemelwater dat op de binnen het plangebied aan te leggen terreinverharding (hofje en toegangsweg) valt, wordt van uitgegaan dat dit onder afschot naar de direct naastgelegen groen voert. Door deze groenstroken c.q. -perkjes namelijk enigszins verlaagd uit te voeren ontstaan er ondiepe wadi’s. In dergelijke laagten in het bodemprofiel, meestal beplant met gras, kan het afgekoppelde regenwater zich verzamelen, wordt het geborgen en kan het ter plaatse in de bodem infiltreren. Tevens vormen wadi’s een buffer bij hevige regenval.

De eerste keus voor het opvangen van het hemelwater afkomstig van de daken van in de achtertuinen gelegen schuurtjes is een regenton waarin het water wordt opgevangen. Door bijvoorbeeld een regenton dusdanig te construeren dat deze vanaf een bepaald waterniveau langzaam leegloopt op de erfverharding richting de tuin kan namelijk ter plaatse infiltratie van het hemelwater afkomstig van deze daken plaatsvinden. Het water uit de regenton kan bovendien worden gebruikt voor het begieten of besproeien van de tuin in droge periodes (maar ook voor kamerplanten en bepaalde schoonmaakklussen).

Het dakoppervlak van de elf nieuwe woningen bedraagt circa 1150 m2. De oppervlakte van de overige verharding (toegangswegen, parkeerplaatsen, deel middenterrein en 50% van de tuinen)bedraagt circa 2100 m2. Dit resulteert in een maatgevende berging van circa 195 m3 (60 mm x 3250 m2).

Deze bergingsopgave is niet volledig op te vangen binnen het plangebied zelf. Infiltratiekratten worden door de doelgroep niet wenselijk geacht (aanleg- en onderhoudskosten). In het plangebied wordt derhalve een infiltratieriool (IT-riool) aangebracht met een doorsnede van 300 mm. Het IT-riool bevat een overstortleiding die uitkomt op een te realiseren wadi. Deze wadi wordt in het openbaar gebied aan de Spoorstraat gerealiseerd.

De lengte van het IT-riool bedraagt 160 meter en kan derhalve 11 m3 water bergen. De wadi zal de resterende bergingsopgave opvangen. Dit bedraagt circa 184 m3.

In de directe omgeving van de infiltratievoorziening (IT-riool) wordt geadviseerd geen bomen of grote struiken te planten omdat wortels juist deze “natte plekken opzoeken” en de voorziening daardoor kan dichtgroeien en verstoppen, zodat de voorziening onvoldoende of niet meer functioneert. Het hemelwater wat op de verharde oppervlakken valt zal via een regenwaterriolering worden afgevoerd naar het IT-riool.

De exacte locatie, dimensionering en uitwerking van het infiltratiesysteem zal in samenspraak met de gemeente 's-Hertogenbosch in een later stadium (bij de technische uitwerking) nader worden bepaald.

Voor alle oplossingsrichtingen geldt sowieso dat het regenwater en afvalwater gescheiden zal worden ingezameld. Bij de technische uitwerking zal tevens met alle betrokken partijen worden bekeken met welke relatief eenvoudige maatregelen (bijvoorbeeld aanpassen straatpeil) zowel het planvoornemen als de directe omgeving klimaatbestendiger is te maken.

Extreme neerslag

Wateroverlast vanwege extreme buien wordt voorkomen door bij het bepalen van het bouwpeil van de nieuwe grondgebonden woningen te zorgen voor het hiervoor noodzakelijke hoogteverschil met de omliggende infrastructuur. Extreme neerslag zal derhalve niet meteen tot natte voeten leiden. Tevens moet het ontwerp voorzien in een noodoverloop.

Materiaalgebruik

De afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen gebruikt mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden, zoals uitlogende materialen, bijvoorbeeld zink en lood.

Overige aandachtspunten

Geadviseerd wordt om het ontwerpen en het aanleggen van een infiltratievoorziening door een op dit gebied ervaren specialist uit te laten voeren. Het opstellen van een nader plan van aanpak (detailtekening en -berekening), het toepassen van grondverbetering en het realiseren van onderhoudsmogelijkheden maken in de regel onderdeel uit van deze werkzaamheden. Op deze wijze moet voorkomen worden, dat de toekomstige infiltratievoorzieningen onjuist gedimensioneerd zijn, op de verkeerde diepte worden aangelegd, onvoldoende functioneren of dat de infiltratiecapaciteit na verloop van tijd te snel en te veel terugloopt.

In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet verstopt raakt of dicht gaat slibben in de tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen.

Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn.

Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat het systeem blijft functioneren. Ook dienen standleidingen op de juiste manier te worden toegepast zodat voldoende beluchting en ontluchting van de binnenriolering is gewaarborgd en mogelijke stankoverlast wordt voorkomen.

Hoofdstuk 7 Juridisch-bestuurlijke aspecten

7.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding tezamen bieden het juridische kader. Voor de regels en de verbeelding is naast aansluiting bij de SVBP2012 ook aansluiting gezocht bij de gemeentestandaard. Dit betekent onder meer dat de opbouw van de regels standaard is.

7.2 Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden in het plangebied aangegeven. De meeste van deze bestemmingen hebben ook een nadere aanduiding. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn in de regels van het bestemmingsplan terug te vinden.

7.3 Toelichting op de planregels

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels: hierin worden de begrippen toegelicht en de wijze van meten omschreven. Deze aspecten zijn belangrijk voor het toepassen en interpreteren van de regels in de overige hoofdstukken.
  • 2. Bestemmingsregels: hierin zijn de regels verbonden aan de bestemming en aanduiding opgenomen. Deze regels geven per bestemming een doeleindenomschrijving, bouwregels, mogelijke afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden aan. Ook geven de regels onder bestemmingen bevoegdheden aan tot het stellen van nadere eisen en/of de plicht voor een werk, geen bouwwerk zijnde, een omgevingsvergunning aan te vragen.
  • 3. Algemene regels: in dit hoofdstuk staan de anti-dubbeltelregel en de algemene aanduidings- bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels;
  • 4. Overgangs en slotregels: in dit hoofdstuk zijn de gebruikelijke regels te vinden zoals de overgangsregels voor bouwwerken en gebruik en de citeertitel.

Inleidende regels

De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. Daarnaast zijn in artikel 1 de begrippen overgenomen die ook worden gehanteerd in de Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Verordening ruimte van de provincie. In artikel 2 is vastgelegd hoe bij toepassing van de regels er wordt gemeten.

Bestemmingsregels

De regels behorende bij de bestemmingen hebben een uniforme opbouw. Voor zover aanwezig zijn de regels alsvolgt opgebouwd:

  • bestemmingsomschrijving
  • bouwregels
  • functieaanduidingen (eventueel)
  • nadere eisen (eventueel)
  • afwijken van de bouwregels
  • specifieke gebruiksregels
  • afwijken van de gebruiksregels
  • wijzigingsbevoegdheid (eventueel)

In de bestemmingsomschrijving wordt beschreven waar de als zodanig aangewezen gronden voor zijn bestemd. De bouwregels en de specifieke en algemene gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving.

Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • bedrijf;
  • groen;
  • verkeer – verblijfsgebied;
  • wonen

Bedrijf

De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor bedrijven tot en met de categorie uit de bijgevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten, en daarnaast voor aannemersbedrijven (<50 m2). Ook is een webwinkel toegestaan, alsmede opslag van goederen en materialen en parkeervoorzieningen. Tot slot is het voorste deel met een functieaanduiding tevens bestemd voor kantoren. De maximale goot –en bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt respectievelijk 6 en 11 meter. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. Daarnaast zijn aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen toegestaan, zoals groen en groenvoorzieningen, fiets– en voetpaden.

Groen

De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor groen en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, fiets – en voetpaden en aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen.

Verkeer - Verblijfsgebied

De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wegen en verkeer, fiets- en voetpaden en langzaam verkeer, verblijfsgebied en verblijf, parkeervoorzieningen en fietsenbergingen, groenvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Wonen

De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wonen, aan huis verbonden beroepsactiviteiten, huisvesting in verband met mantelzorg, tuinen en erven, en bijbehorende ondergeschikte voorzieningen zoals parkeer -en groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Op de gronden binnen de bestemming Wonen mogen aaneengebouwd, vrijstaand en halfvrijstaande woningen worden gebouwd, met een maximale goot -en bouwhoogte van respectievelijk 4,5 meter en 8,5 meter. Ook geldt per bouwvlak geldt een maximum van 6 wooneenheden, met inachtneming van het feit dat het maximum aantal wooneenheden voor het plangebied 11 bedraagt. De bouwvlakken binnen deze bestemming Wonen mogen tot maximaal 80% worden bebouwd.

Daarnaast zijn drie aanduidingen ‘specifieke vorm van wonen – geluidsscherm 1, 2 en 3’ opgenomen om de geluidwerende voorzieningen aan de voorzijde te borgen. Ook is een aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - lessenaarsdak’ opgenomen.

Algemene regels

In de algemene bepalingen komen de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels, en de algemene afwijkingsregels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele bestemmingsplan.

Overgangs- en slotregels

In deze paragraaf zijn tot slot de algemene, overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Naast de kosten voor de realisatie van onderhavig plan draagt de initiatiefnemer ook zorg voor de kosten die gepaard gaan met het opstellen van dit bestemmingsplan inclusief onderzoeken. Verder dient een bouwvoornemen ingevolge artikel 6.2.1 Bro lid a te worden beschouwd als een bouwplan in het kader van artikel 6.12 lid 1 Wro. Ingevolge dit artikel dient de gemeenteraad voor het voornemen een exploitatieplan vast te stellen. De gemeenteraad kan op grond van artikel 6.12 lid 2 sub a Bro hiervan afwijken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins is verzekerd. Dit is het geval.

De initiatiefnemer heeft met de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten waarin de toerekening van de kosten, verbonden aan het bouwvoornemen, is geregeld.

Uit bovenstaande blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 9 Inspraak en vooroverleg

Over het voorontwerp van dit bestemmingsplan wordt, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraak verordening, gelegenheid tot inspraak geboden.

Ook zal in deze fase het overleg ex artikel 3.1.1. Bro met diensten van het Rijk en de Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaatsvinden.

De resultaten van zowel het Overleg als de Inspraak zullen in het bestemmingsplan worden verwerkt.

9.1 Vooroverleg en inspraak

Het concept ontwerpbestemmingsplan Spoorstraat Rosmalen’, is op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in het kader van het vooroverleg gestuurd naar de daarvoor in aanmerking komende instanties. De reacties uit het vooroverleg zijn reeds verwerkt in voorliggend ontwerpbestemmingsplan.

Begin 2016 is door de initiatiefnemer een informatieavond met de buurt gehouden. Hierbij werden de eerste concept plannen besproken en opmerkingen ontvangen. Over het algemeen waren de aanwezigen (direct omwonenden en andere belanghebbenden) in beginsel positief over het plan. Deze reacties zijn in de vorm van ondertekende formulieren aan de gemeente overlegd. Naar aanleiding van deze avond is een aantal aanpassingen doorgevoerd in het plan. Zo is een woning uit het plan verwijderd. Dit aangepaste plan heeft als basis heeft gediend voor het ontwerp bestemmingsplan.

9.2 Vervolg

Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kan iedereen een zienswijze over het ontwerp bestemmingsplan naar voren brengen. Vervolgens zal het plan met eventuele zienswijzen ter vaststelling aan de gemeenteraad worden voorgelegd.