direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zuidrand Goirle, locatie Van Puijenbroek
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01

Toelichting

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Zuidrand Goirle

Ten zuiden van de dorpskern van Goirle zijn sinds jaar en dag onder meer twee grote fabrieksterreinen aanwezig van de firma Van Besouw (productie vloerbedekking) en de firma Van Puijenbroek/HaVeP (textielindustrie). De werkzaamheden van de firma Van Besouw zijn enige tijd geleden gestaakt. Op het terrein van HaVeP vinden nog opslag en distributie plaats, maar ook dit wordt in de toekomst verder teruggebracht. De Nederlandse Bouw Unie (eigenaar van het Van-Besouwterrein) en Ontwikkelcombinatie VPCapital & WILMA/CRA (eigenaar van de locatie Van Puijenbroek) willen de locaties herontwikkelen tot woningbouwlocaties.

Naast de genoemde partijen participeert ook Thebe (eigenaar van het tussen beide fabrieksterreinen gelegen verpleegtehuis) in de herontwikkelingsplannen. Op het terrein van Thebe is een ontwikkeling met zorgwoningen voorzien.

De totale herontwikkeling heeft de titel 'Zuidrand Goirle'. Naast de bovengenoemde 'rode ontwikkelingen' vormt de herinrichting van de 'groenblauwe zone' ten zuiden van de terreinen van Van Puijenbroek, Thebe en Van Besouw tevens een onderdeel van de Zuidrand. In deze zone bevindt zich de watergang Nieuwe Leij. Onderdeel van de plannen is een (gedeeltelijke) herinrichting van deze zone. Het doel is om zowel de rode als groene/blauwe ontwikkelingen goed op elkaar af te stemmen en zo tot een integrale gebiedsontwikkeling te komen. Dit vormt een gedeelde verantwoordelijkheid.

In afbeelding 1.1 is de ligging van de Zuidrand Goirle ten opzichte van de dorpskern aangegeven. De deellocatie Van Puijenbroek, waar dit bestemmingsplan op toegespitst is, is aangeduid met de paarse arcering.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0001.png"

Afbeelding 1.1: Deellocaties binnen de Zuidrand Goirle (Antea Group, 2019), de locatie Van Puijenbroek is links aangegeven in paars, de locatie Van Besouw is rechts aangegeven in blauw, tussen deze locaties ligt Thebe (aangegeven in geel)

Van Puijenbroek

Voorliggend bestemmingsplan richt zich op de locatie van Van Puijenbroek (bedrijfsterrein van HaVeP en omgeving). De textielfabriek van HaVeP, die in eigendom van Van Puijenbroek is, doet nog gedeeltelijk dienst voor opslag, productontwikkeling en als Texperience-center. Daarnaast is het hoofdkantoor aan de Bergstraat nog in gebruik. Het oudste gedeelte van de fabriek staat al jaren leeg en op termijn wil de eigenaar Van Puijenbroek ook haar huidige werkzaamheden concentreren op een nieuwe locatie. Tussen de textielfabriek HaVeP en het verpleeghuis van Thebe staat de villa 'Huize Anna'. De tuin van die villa heeft achterstallig onderhoud en is aan een grote opknapbeurt toe. Het idee is de locaties stapsgewijs te transformeren naar een gebied waarin wonen, werken, recreëren en natuur samen gaan. Voor de locatie Van Puijenbroek is een theoretische en maximale woningcapaciteit opgenomen van 187 woningen (186 nieuwe + 1 bestaand).

Voor deze ontwikkeling wordt een aantal bestaande fabrieksgebouwen afgebroken. Daarnaast wordt de Nieuwe Leij verlegd. Vervolgens wordt de omgeving inricht als ruim opgezette woonwijk met een daarnaast gelegen natuurgebied.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in de zuidrand van de kern Goirle aan de Bergstraat. Het plangebied kent globaal de volgende begrenzing. Aan de noordzijde wordt de locatie begrensd door de Bergstraat. De zuidelijke begrenzing loopt ten zuiden van de Nieuwe Leij door de landerijen van Goirle. De westelijke begrenzing bestaat uit de bebouwing en de particuliere tuinen aan de Bergstraat. De oostelijke begrenzing van het plangebied bestaat deels uit de Watermolenstraat, de tuin van 'Huize Anna' en het Kerklaantje.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0002.png"

Afbeelding 1.2: Plangebied (rood) en directe omgeving

Het plangebied van dit bestemmingsplan bestaat uit de woningbouw en de natuurontwikkeling rondom de Nieuwe Leij. Het kader voor deze ontwikkelingen wordt gevormd door het stedenbouwkundig plan. Daarnaast maakt ook een bestaande bedrijfsbestemming aan Kerklaantje (achter Thebe Elisabeth) onderdeel uit van het plangebied. Deze bedrijfsbestemming wordt met dit bestemmingsplan getransformeerd tot een maatschappelijke bestemming bedoeld voor de toekomstige bouw van zorgwoningen. In tegenstelling tot de rest van de ontwikkeling vormt het stedenbouwkundig plan geen kader voor de bouw van deze zorgwoningen.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Tot het moment waarop voorliggend bestemmingsplan in werking treedt, gelden in het plangebied de volgende bestemmingsplannen:

Bestemmingsplan   Vastgesteld   Inwerking   Onherroepelijk  
Wildackers - Abcoven   04-03-2008   21-08-2008   21-08-2008  
Buitengebied Goirle   09-12-2008   24-09-2009   20-04-2011  
Buitengebied Goirle, herziening 2014   23-09-2014   23-12-2014   23-12-2014  
Parapluplan gemeente Goirle   12-03-2019   10-05-2019   10-05-2019  

1.4 Bij het plan behorende stukken

Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook de inhoud van het vigerend beleid beschreven en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.

1.5 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleidskader van rijk, provincie en gemeente. De thematische beleidskaders komen aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.

Hoofdstuk 2 BESCHRIJVING PLANGEBIED

Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. Dit hoofdstuk beschrijft deze situatie door de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en (brede) omgeving toe te lichten. Voor een beschrijving van deze onderdelen is onder meer gebruik gemaakt van het Cultuurhistorisch onderzoek (maart 2015) van onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv (zie separate bijlage 6). Vervolgens wordt de voorgestane ontwikkeling besproken. Vervolgens wordt de voorgenomen ontwikkeling besproken.

2.1 Historische ontwikkeling

2.1.1 Goirle

De oorsprong

De naam Goirle is samengesteld uit de woorden "goer" (goir) en "loo". Het eerste betekent moeras of drassige grond, het tweede bos of open plek in het bos. Als plaatsnaam wordt Goirle voor het eerst genoemd in een charter uit 1298, waarin sprake is van de Ludensvoirt te Goirle. Voorts wordt de naam gebruikt in een oorkonde uit 1312 betreffende het goed Ter Loo op Abcoven aan de Leij en in een charter van 1315 als het goed Ter Venne genoemd wordt. Opgravingen die zijn gedaan bij de afbraak van de oude parochiekerk in 1896, toonden de aanwezigheid van een kerkje in de 12e eeuw. In die tijd maakte het kleine kerkdorpje deel uit van de heerlijkheid Tilburg. Reeds in 1795 bestonden er plannen om Goirle van Tilburg te scheiden, maar hiertegen werd door beide plaatsen geprotesteerd. Pas in 1803 werd Goirle een zelfstandige gemeente.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0003.png"

Afbeelding 2.1: kaart van de gemeente Goirle uit 1866 (Atlas van J. Kuiper)

18e eeuw: ontwikkeling vanuit de Grootte Akkers richting De Leij

De gemeente Goirle heeft een oppervlakte van ruim 2.544 ha en wordt begrensd door de gemeenten Alphen en Riel, Tilburg, Hilvarenbeek en Poppel (B). Zeer bepalend voor de ontwikkeling en vorming van het gebied waren de verschillende waterlopen. Vanaf de tijd dat Goirle nog deel uitmaakte van het hertogdom Brabant, tot aan de totstandkoming van de rijksweg Tilburg-Turnhout in 1853 zou er weinig veranderen in het straten- en wegenplan van het dorp. De waarschijnlijk oudste bebouwing is aangetroffen in het gebied van de vrij hoog gelegen Grootte Akkers. Door de verschuiving in de richting van de Leij ontstaan de wijken of herdgangen Abcoven en Kerk, en ten westen van de Grootte Akkers de herdgangen Dorp en Ven. In 1753 telde het dorp 132 woningen "daeronder begrepen kleijne hutten en keten" en maar een paar "stadsgewijze getimmerde huijzen". Met de aanleg van de rijksweg Tilburg-Turnhout verbeterde de infrastructuur in het dorp.

19e eeuw: groei van Goirle begint

Als na 1850 de bevolking van Goirle flink begint te groeien, wordt voornamelijk gebouwd langs de oude kerkwegen en langs de nieuw aangelegde Tilburgseweg. Vooral het aantal arbeiderswoningen nam sterk toe. De voornaamste initiatiefnemers tot de bouw waren de fabrikanten en de landbouwers. Op het einde van de 19e eeuw is ook begonnen met de bouw van woningen langs bestaande akkerwegen, zoals de Molenstraat (achter de heuf), Groeneweg en Koude Pad.

20e eeuw: planmatige woningbouw

Aan de woningbouw werd een nieuwe impuls gegeven door de Woningwet, die in 1901 tot stand kwam en waardoor het mogelijk werd om met rijkssteun woningen te bouwen en de volkshuisvesting te verbeteren. Dit resulteerde onder andere in de Kalverstraat, om de arbeiders dicht bij de fabriek te kunnen huisvesten, de Hoogstraat en de St. Jansstraat. In die periode vindt ook het Oranjeplein haar oorsprong. Het werd aangelegd als groot kermisterrein, met de verwachting dat het centrum van Goirle zich daar zou ontwikkelen. De oorspronkelijk grote maat van het plein is te verklaren doordat er ruimte werd gemaakt voor een parochiekerk die op de plaats van het huidige groene deel zou komen. Rondom het plein is op planmatige manier woningbouw gerealiseerd. Tot in het midden van de 20e eeuw is het dorp binnen de grenzen van het huidige centrumgebied gebleven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0004.png"

Afbeelding 2.2: kaart van de gemeente Goirle uit begin 20e eeuw

Na de Tweede Wereldoorlog heeft Goirle grote groei gekend. Met de uitvoering van de bestemmingsplannen begon de groei van Goirle. Achtereenvolgens kwamen tot stand de woningen ten noorden van de Van Malsenstraat, plan West, de wijk Hoogeind, plan Abcoven en de wijken Grobbendonk, De Hellen en de Grootte Akkers. Tegelijkertijd begon rond 1970 de grootschalige sanering van de oudere wijken en straten. Een voorbeeld daarvan is de aankoop van de terreinen en opstallen van de voormalige Pijnenburg's Weverijen met woningen aan de Tilburgseweg, Groeneweg en Molenstraat in 1969. Op één villa na zijn alle gebouwen die bij de verkoop betrokken waren, verdwenen om plaats te maken voor de uitvoering van het centrumplan. Later zijn de wijken De Nieuwe Erven en De Hoge Wal tot stand gekomen. De woonwijk Boschkens, aan weerszijden van de Tilburgseweg (ten noorden van de Rillaersebaan is aan het einde van de 20ste eeuw en in het begin van de 21ste eeuw gerealiseerd.

2.1.2 Fabrieksterrein HaVeP

In 1865 werd door Hendrik van Puijenbroek aan de Bergstraat een textielonderneming gestart. Hendrik was de zoon van Adriaan van Puijenbroek, die als ondernemer tot aan zijn dood in 1853 thuiswevers voor hem aan het werk had. Hendrik leefde in een nieuwe tijd en organiseerde de textielarbeid op een andere wijze dan zijn vader, in navolging van moderne textielfabrikanten die door het oprichten van fabrieken de kosten sterk hadden weten te drukken en daarmee hun concurrentiepositie hadden verbeterd. De afhankelijkheid, die de ondernemer aanvankelijk had ten aanzien van zijn thuiswevers, maakte plaats voor een strakke regie in een centrale weverij. Dat kwam de productiviteit en met name de continuïteit sterk ten goede. Bij Van Puijenbroek werd in de negentiende eeuw vooral behangsellinnen geproduceerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0005.png"

Afbeelding 2.3 Uitsnede van de kadastrale situatie in 1832 met daarop geprojecteerd de begrenzing van het fabrieksterrein anno 2014. Midden over het terrein ligt een inmiddels verdwenen weg. De begrenzing aan de noordzijde volgt het tracé van de rond 1855 aangelegde Bergstraat (Kadasterkaart 1811-1832). Bron afbeelding en tekst: BAAC bv, Cultuurhistorisch onderzoek, maart 2015.

Vermoedelijk omstreeks 1891 werd in de fabriek van Van Puijenbroek gedeeltelijk de overstap gemaakt van met de hand aangedreven naar door stoom aangedreven weefgetouwen. Hij was daarmee een volgeling in Goirle, andere fabrikanten hadden al eerder in stoommachines geïnvesteerd. Er zullen in die tijd een machinehuis, een fabrieksschoorsteen en een kolenloods zijn opgericht. In de fabrieksgebouwen werd een inrichting gemaakt waarmee de weefgetouwen konden worden aangedreven. De mechanisatie ging aanvankelijk niet ten koste van het aantal fabrieksarbeiders, hoofdzakelijk door de enorme groei van de afzetmarkt en dus een grotere productie. Aan het einde van de negentiende eeuw werkten er al ongeveer 100 arbeiders, exclusief de thuiswevers die ook nog aan de onderneming leverden. Aan het begin van de twintigste eeuw was dit aantal al verdubbeld. Het ging de ondernemer zeer voor de wind. In 1904 liet hij Huize Anna bouwen, direct ten oosten van de fabriek. In 1908 werd besloten niet langer gebruik te maken van de diensten van de thuiswevers, op dat moment nog zo’n 150 in getal. Ook werd aangekondigd dat weefgetouwen niet langer door menskracht werden aangedreven. Kort voor de Eerste Wereldoorlog werd de fabriek nog aanmerkelijk vergroot. Tijdens de oorlogsjaren was vooral het gebrek aan grondstoffen en kolen debet aan stagnatie van de productie. Na de oorlog werd die schade ruimschoots ingehaald. In 1920 waren er maar liefst 500 arbeiders in dienst. Na de crisis van 1929 en daaropvolgende jaren, begon Van Puijenbroek met de productie van confectie. Tot dat moment stond de productie in de fabriek vooral in het teken van levering van basismaterialen aan de confectie-industrie. Doordat Van Puijenbroek het hele productieproces van grondstof tot eindproduct in eigen hand had, konden er zeer goedkoop confectieproducten worden geleverd.

Na de Tweede Wereldoorlog werd een groot deel van de productie verplaatst naar lagelonenlanden. In Goirle werd na verloop van tijd nog gebleekt, geverfd en gesneden.

2.2 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied bestaat voornamelijk uit het terrein aan de Bergstraat, waar de textielfabriek van HaVeP, die in eigendom van Van Puijenbroek is, nog gedeeltelijk dienst doet voor opslag, productontwikkeling en als Texperience-center. Onderstaande afbeelding geeft de huidige situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0006.png"

Afbeelding 2.4: Luchtfoto huidige situatie HaVeP

Bebouwing

Door geleidelijke uitbreiding, gekenschetst door inbreiding en aaneenschakeling van bestaande en nieuwe gebouwen, is één groot complex ontstaan met daaromheen slechts enkele, relatief kleinschalige, vrijstaande gebouwen. Met name inpandig geraakte gevels (en verschillen in constructies) geven uiting aan deze pragmatische groei van het complex als geheel. In de basis staan er op het fabrieksterrein vrijwel alleen gebouwen met een rechthoekig grondplan. In het hart van het complex zijn het vooral smalle en langgerekte gebouwen die evenwijdig aan elkaar zijn gericht en onder zadeldaken zijn gebracht. De fabriekshallen zijn veel breder en voorzien van typische sheddaken. Aan de zijde van de Nieuwe Leij zijn gefaseerd kolossale ververijen onder zadeldaken gerealiseerd en de meest recente fabriekshal onder een plat dak. Gebouwen met meer dan één bouwlaag zijn veelal met platte daken uitgevoerd. Daaronder bevinden zich het kantoorgebouw, de machinekamer, een vierlaags gebouw in het midden van het complex en een voormalige garage aan de Bergstraat. In het hart van het complex is de korrel relatief klein, daaromheen is de bouw grootschaliger.

Water
In de vorm van de Nieuwe Leij en de Oude Leij is water in het plangebied aanwezig. De Nieuwe Leij is een A-watergang die de afwatering van het landelijk gebied ten zuidwesten van Goirle verzorgt.

Groen

Het fabriekencomplex kent nauwelijks groenstructuren. Verspreid over het terrein staan alleen enkele solitaire bomen in een grasberm. Wel wordt het fabriekencomplex aan de zuid- en oostkant omgeven door groen en natuur. Zo ligt aan de oostkant de tuin van Huize Anna. Dit is het grote groenelement ten noorden van de Nieuwe Leij. In de tuin liggen nog onderdelen van een oude moleneiland. De tuin is niet openbaar toegankelijk en aan groot onderhoud toe, maar door de monumentale bomen een belangrijke kwaliteit in het gebied.

Ten zuiden van het plangebied ligt het open en agrarisch gebied. Hier ligt onder ander het Vloed. Het Vloed is het drassige, vrij open overstroomgebied ten zuiden van de HaVeP-fabriek, omringd door kaden. Het meer cultuurrijke/agrarische gebied ligt tussen Molendijk en De Vosserijten, waar de tuin van Huize Anna via het beekdal gevoelsmatig over loopt in landgoed Gorp & Roovert.

2.3 Technische infrastructuur

In het plangebied bevinden zich één belangrijke technische infrastructurele voorziening: een buisleidingstrook. Deze buisleidingstrook ligt in de bestemming 'Natuur' en is voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook'. De buisleidingstrook wordt niet aangetast door de voorgenomen ontwikkelingen, zie paragraaf 5.2 voor een onderbouwing. Buiten deze buisleidingstrook ligt er geen andere planologische relevante technische infrastructuur (zoals buisleidingen, straalpaden of hoogspanningsleidingen) in het plangebied.

2.4 Voorgenomen ontwikkeling

Voor de totale ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan is opgedeeld in vier deelgebieden. Deze vier deelgebieden voorzien in een woningbouwontwikkeling van in totaal 186 wooneenheden.

In bijlage 1 is het eindbeeld van het stedenbouwkundig plan weergegeven. In het stedenbouwkundig plan worden vier verschillende typen woonbuurt onderscheiden:

  • 1. Fabriekscluster
  • 2. Dorps buurtje.
  • 3. Appartementen aan de Leij.
  • 4. De Tuin.

Afbeelding 2.5 geeft het stedenbouwkundig plan en de bovengenoemde woonbuurten weer. De nummers uit de opsomming corresponderen met de nummers op de afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0007.png"  

Afbeelding 2.5: Stedenbouwkundig plan met de diverse woonbuurten (KuiperCompagnons, PS Vastgoed, Wilma Wonen, CRA Vastgoed en Antea Group januari 2021)

De woonbuurten

De navolgende alinea's beschrijven de vier verschillende woonbuurten in het plangebied. Voor die beschrijving wordt de volgorde uit de voorgaande opsomming aangehouden.

  • 1. Fabriekscluster

Het oudste deel van de fabriek van Van Puijenbroek vertelt in het ensemble van gebouwen het verhaal van de textielproductie: ververij, weverij, kantoor, ketelhuis, magazijnen. In het stedenbouwkundig plan voor gekozen om de monumenten langs de Watermolenstraat (ketelhuis, schoorsteen, voormalig kantoorgebouw) te renoveren en ook het huidige kantoorgebouw langs de Bergstraat te vernieuwen. Het voormalige kantoorgebouw wordt omgevormd naar 13 (CPO-)appartementen. Een oorspronkelijk deel van de weverij, welke door de binnentuin grenst aan het hoofdgebouw, wordt omgevormd naar brouwerij. De brouwerij dient als schakel en ontmoetingsplek voor de buurt en mag in combinatie met horeca/andere kleinschalige maatschappelijke en/of commerciële activiteiten plaatsvinden. Op de ruimtelijke uitstraling van de horeca in de woonbuurt te beperken zijn de maximale openingstijden in dit bestemmingsplan vastgelegd. Deze voorziene functiemenging is aangeduid op de verbeelding van het bestemmingsplan.

In de bestaande bebouwing aan de Watermolenstraat komen een woning, een bezoekersruimte/expositieruimte in het huidige ketelhuis. In de bebouwing aan de Watermolenstraat is reeds een biomassa-installatie aanwezig. De bestaande biomassa-installatie blijft functioneren als warmtecentrale voor de nieuw te bouwen woningen en het zorgcentrum Huize Elisabeth. Op de twee fabriekspleinen komen parkeervoorzieningen, groen en verblijfsplekken en rond de bestaande woning op de hoek van de Watermolenstraat en Bergstraat komen 8 dorpse rijwoningen.

Er is in het verlengde van het transformatiekader voor gekozen om de voormalige ververij en weverij te slopen en hier woningen nieuw te bouwen. Het is niet haalbaar deze gebouwen te renoveren en van een voor deze plek passende nieuwe functie te voorzien, door hun ruimtelijke opbouw en technische staat. De nieuwbouw verwijst in zijn opzet echter nadrukkelijk naar de historische hallen. Er is wel onderzocht of de magazijnhal nog kan worden gerenoveerd, aangezien de ruimtelijke opzet het inpassen van woningen toelaat. De bouwtechnische staat van de draagconstructie is echter zo slecht dat dit niet haalbaar is. Binnen het silhouet van de magazijnhal zal daarom nieuwbouw plaatsvinden, waarin de karakteristieke elementen van de hal worden geïntegreerd. Bij de uitwerking van de architectuur zal onderzocht worden of de karakteristieke elementen van de hal geïntegreerd kunnen worden in he ontwerp van de nieuwe woningen.

Ook voor het pand van de huidige winkel, op het plein aan de Bergstraat, is renovatie en transformatie onderzocht, maar ook hier is de technische staat en de ruimtelijke opbouw hiervoor niet geschikt. Er wordt conform het Transformatiekader ingezet op nieuwbouw van 26 sociale huurappartementen, waarbij het volume en de architectuur van het complex verwijzen naar het bestaande gebouw.

Aan de zuidzijde van dit plandeel worden 17 magazijnwoningen gerealiseerd. De tuinen wordt afgeschermd door een Natuur-inclusieve muur. De bergingen worden onderdeel van deze muur. Hierdoor wordt een uniforme overgang gecreërd naar de wadi ten zuiden van de woningen. Tevens blijven auto's zoveel mogelijk uit het zicht.

Te renoveren gebouwen en nieuw te bouwen woningblokken vormen op deze manier in het stedenbouwkundig plan een samenhangend historisch/historiserend geheel, waarbij ook de openbare ruimte meedoet. Zo blijft het fabrieksensemble beleefbaar en blijven de historische elementen, ook voor toekomstige generaties Goirlenaren, een begrijpbaar onderdeel van het grotere geheel van plandeel ‘De fabriek’. De verschillende facetten van de textielproductie blijven zo zichtbaar op deze plek en geven de nieuwe woonbuurt haar eigen identiteit. De fabriek wordt een bijzonder en intiem woonbuurtje, rondom industriële monumenten, met een sfeer van wonen in de fabriek. Stoere architectuur en de inrichting van de openbare ruimte verwijzen op een eigentijdse manier naar de verschillende facetten van de textielproductie.

Langs de Bergstraat komen sociale appartementen in de Winkel en in de Weverij/ Ververij woonblokjes met middeldure woningen rondom autoluwe straatjes. De woningen in de Weverij worden voorzien van sheddaken. Een gezamenlijke tuinmuur verwijst naar de bestaande karakteristieke muur met rozetramen en sheddaken. Dit vormt de achtergrond van het karakteristiek gebouwencluster aan de Bergstraat.

In navolging van het advies in het Transformatiekader blijven de voorpleinen aan de Watermolenstraat en Bergstraat gehandhaafd. Hier is ruimte voor parkeren, groen en verblijfsplekken.

In 'De Fabriek' zijn de woonstraatjes intiem en autoluw. De straatjes zijn een verlengstuk van de woningen, waar kinderen voor de deur veilig op straat kunnen spelen. Er is een subtiele markering in de openbare ruimte van de overgang tussen openbaar en privé in het profiel van de fabrieksstraat. Hier is ruimte voor bijvoorbeeld een bankje of planten voor de deur.

  • 2. Dorps buurtje

Aan de westzijde van de fabriekscluster wordt het bebouwingslint langs de Bergstraat aangelegd. Deze dorpse bebouwing wordt in het plan doorgezet langs de groene loper en omgezet naar de achterzijde van de bestaande, diepe tuinen van de bestaande woningen aan de Bergstraat. De nieuw te bouwen woningen in het plangebied hebben een wisselende rooilijn en een dorps karakter met kappen. De woningtypes zijn voornamelijk tweekappers en vrijstaande woningen. Voortuinen bepalen het beeld aan de straat.

Langs de Bergstraat zijn 16 beneden-boven woningen gepland. Dit betreffen sociale koopwoningen.

Aan de zuidzijde vormen vrijstaande woningen de overgang naar het landschap. Op de rand van het bestaande opgehoogde fabrieksterrein komt 'Aan de Vloed' (het natte gebied dat grenst aan de Nieuwe Leij), een rij met grote kavels voor vrijstaande woningen. De woningen (villa's) en kavels liggen wat hoger dan de overige bebouwing in het plangebied en kijken daarmee uit over de natte natuur in Aan de Vloed, het beekdal van de Nieuwe Leij en het achterliggende buitengebied.

Doordat de woningen op ruime kavels staan, krijgen zij royale tuinen. Die tuinen lopen over in een collectief beheerde natuurtuin. De natuurtuin fungeert daarmee als overgang tussen de woningen en de natte natuur.

Het beheer en het onderhoud van de natuurtuin wordt op basis van mandeligheid georganiseerd door de initiatiefnemer. Daartoe wordt een VVE opgericht via de koopakten van de kavels/woningen en een kettingbeding opgenomen in de koopovereenkomsten van de kavels/woningen. De mandelige eigenaren leveren een via de VVE een bijdrage aan het onderhoud van de natuurtuinen.

  • 3. Appartementen aan de Leij

Centraal tussen de andere deelgebieden ligt een appartementencomplex. De oriëntatie van dit complex is gericht op alle delen van het plangebied. Met andere woorden, iedere gevel van het complex biedt uitzicht op een gedeelte van het plangebied.

Het appartementcomplex wordt omringd door groenvoorzieningen. Het complex wordt verder voorzien van ondersteunende faciliteiten bijvoorbeeld in de vorm van collectieve logeerruimten, collectieve werkruimten en/of een klein zwembad. Feitelijk bestaat het complex uit een opstapeling van villa's. Om het appartementencomplex een tuin te bieden met privacy, wordt het complex op opgehoogde gronden aangelegd. Ieder appartement krijgt een uniek uitzicht op het beekdal van de Nieuwe Leij en het landgoed Gorp en Roovert.

De zijde van het appartementencomplex dat georiënteerd is op de kern van Goirle wordt voorzien van een wadi. De zijde van het complex dat georiënteerd is op de Nieuwe Leij wordt voorzien van een overgangszone naar die beek. Als geheel fungeert het appartementencomplex als overgang tussen de intensiever bebouwde deelgebieden als De Fabriek en de groenere gebieden zoals Aan de Vloed, de tuin van Huize Anna en het beekdal van de Nieuwe Leij. De architectuur van het complex wordt een trendsetter voor de architectuur van de woningen in de deelgebieden Aan de Vloed en De Tuin.

De Watermolenstraat ontsluit het appartementencomplex. Het complex krijgt een gebouwde parkeervoorzieningen die circa 1,2 tot circa 1,5 meter boven het maaiveld uitsteekt. Door middel van een geleidelijke overgang naar de lager gelegen delen van het plangebied wordt dit hoogteverschil landschappelijk ingepast. In totaal krijgt het appartementencomplex vijf bouwlagen. Deze lagen staan op de halfverdiept aangelegde parkeerlaag.

4. De Tuin

Het deelgebied De Tuin heeft een raakvlak met de bestaande tuin van Huize Anna. De tuin van Huize Anna ligt grotendeels buiten het plangebied van dit bestemmingsplan. Als onderdeel van de kwaliteitsimpuls die aan de zuidrand van Goirle gegeven wordt, wordt de tuin van Huize Anna opgeknapt. De tuin staat vol met waardevolle bomen. Deze waardevolle bomen worden gehandhaafd en waar nodig vrijgemaakt van verstikkende beplanting. Naast deze opknapbeurt wordt het zuidelijk deel (tussen de waterpartij in de tuin en de nieuw te bebouwen kavels in het plangebied) van de tuin opengesteld voor recreatief gebruik, dit deel van de tuin wordt daarmee openbaar gebied.

In het deelgebied De Tuin (dus niet de tuin van Huize Anna) is ruimte voor woningbouw. Op de nieuw te bebouwen kavels in het plangebied (ten zuiden van de tuin van Huize Anna) is een aantal vrijstaande woningen op grote kavels voorzien. De tuinen van de woningen grenzen aan de Nieuwe Leij (die hier iets wordt omgelegd). Vanuit de woningen en de bijbehorende tuin wordt er daarmee uitzicht geboden op deze beek. Op de kavels van de woningen is rekening gehouden met een onderhoudsstrook langs de Nieuwe Leij. Ieder kavel in dit deelgebied krijgt verder een robuuste groenstructuur met hagen en struiken als erfafscheiding en enkele grote bomen. Delen van deze groenstructuur worden voor de bouw van de woningen aangeplant. Door middel van een kettingbeding in de koopovereenkomsten van de woningen wordt de groenstructuur duurzaam in stand gehouden.

De woningen in het deelgebied De Tuin worden ontsloten via een informele woonstraat. Het tracé van deze woonstraat komt grotendeels overeen met het tracé van de bestaande landweg achter de tuin van Huize Anna (tussen de Nieuwe Leij en de Oude Leij).

Met de eerdergenoemde beperkte omlegging van de Nieuwe Leij wordt ruimte geboden voor het gewenste asymmetrische profiel van deze beek alsmede voor de gewenste micromeandering. Op de plek van de huidige beekloop is een wadi voorzien. Deze wadi vangt regenwater op en dient tevens om grondwaterschommelingen die negatieve effecten hebben op de waardevolle bomen in de tuin van Huize Anna te reguleren.

Natuurontwikkeling

Naast woningbouw voorziet dit bestemmingsplan ook in de ontwikkeling van natuur en landschap aan de zuidkant van het plangebied (rondom de Nieuwe Leij). Paragraaf 4.1 geeft een meer gedetailleerde beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. Op hoofdlijnen bestaat de ontwikkeling van natuur en landschap zich op het herstellen en verbeteren van het watersysteem van de Nieuwe Leij. Deze waterloop wordt geherprofileerd en verlegd. Daarbij krijgt de waterloop micromeanders en natuurvriendelijke oevers.

In aanvulling op het voorgaande wordt als onderdeel van de voorgenomen ontwikkeling ook het Natuurnetwerk Nederland versterkt, uitgebreid en enigszins verplaatst door gronden die nu een agrarisch gebruik hebben te transformeren tot gronden met een natuurbestemming. Door die ingreep ontstaat meer ruimte voor waterberging en piekretentie langs de Nieuwe Leij. Bij de voorgenomen ontwikkelingen wordt rekening gehouden met flora en fauna, zie daarvoor paragraaf 4.1. Verder wordt de bestaande tuin van Huize Anna zoveel mogelijk gehandhaafd als een parkbos.

Programma

Figuur 2.6 toont het indicatieve woningbouwprogramma en geeft ook aan in welk prijssegment de diverse woningen gerealiseerd worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0008.png"  

Afbeelding 2.6: Indicatief programma voorgenomen ontwikkeling (KuiperCompagnons, PS Vastgoed, Wilma Wonen, CRA Vastgoed en Antea Group september 2020)

Het programma van de voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een mix van betaalbare, middeldure en dure woningen. De appartementen aan de Bergstraat in het voormalige kantoor bieden de mogelijkheid voor een eventueel CPO-project. Het programma is als volgt verdeeld:

  • De betaalbare woningen staan aan de Bergstraat in de vorm van appartementen (huur) en beneden-boven woningen (huur/koop).
  • In 'De Fabriek' zijn middeldure grondgebonden woningen en appartementen (in het bestaande kantoorgebouw).
  • De overige woningen vallen in de dure categorie. Dit programma bestaat uit rijwoningen, twee-onder-één-kap woningen, vrijstaande woningen en appartementen. De kavels en de appartementen aan de Leij zijn gericht op een exclusieve doelgroep en daarom gepositioneerd in het topsegment.

Enkele clusters zijn, door de ligging en collectieve uitstraling, specifiek voor senioren geschikt. Zoals de appartementen en de beneden-bovenwoningen aan de Bergstraat en eventueel één van de woonblokken in deelgebied 'De Fabriek'.

Ontsluiting

In de gebiedsvisie Zuidrand is al de gedachte gevormd om het autoverkeer niet door het gebied te laten rijden, maar met korte inprikkers te werken en vanaf de Bergstraat de diverse buurtjes te ontsluiten.

Afbeelding 2.7 toont de toekomstige verkeersstructuur. De toelichting op de cijfers die zijn opgenomen in afbeelding 2.7 wordt gegeven na de afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0009.png"  

Afbeelding 2.7: Verkeersstructuur (KuiperCompagnons, PS Vastgoed, Wilma Wonen, CRA Vastgoed en Antea Group september 2020)

  • 1. De twee ‘voorpleinen’ waar het grootste deel van de woningen en functies van de Fabriek parkeren worden direct vanaf Bergstraat ontsloten (net zoals nu). De rest van het Fabriekscluster is autoluw, met alleen nog een ontsluiting voor de parkeerkoffers tussen de Weverij/Ververij-woningen. De Magazijnwoningen worden ontsloten vanaf de groene loper.
  • 2. De Watermolenstraat ontsluit de kavels ten zuiden van de bestaande tuin van Huize Anna en het appartementencomplex aan de Leij. Tevens ontsluit de Watermolenstraat een parkeerkoffer voor acht woningen in het deelgebied 'De Fabriek'. Om de verkeersintensiteit op de Watermolenstraat beperkt te houden, ontsluit deze straat alleen de 9 kavels ten zuiden van de tuin van Huize Anna, 24 appartementen en 9 parkeerplaatsen in het parkeerkoffer. In totaal ontsluit de Watermolenstraat daarmee 33 woningen en 9 parkeerplaatsen wat weer leidt tot een verkeersintensiteit van circa 287motorvoertuigen per etmaal op de Watermolenstraat. Het huidige karakter van de Watermolenstraat blijft met deze verkeersintensiteit gehandhaafd. De bewoners van de nieuw te bouwen woningen ten zuiden van de tuin van Huize Anna en hun bezoekers parkeren op eigen terrein van de woningen. Het appartementencomplex krijgt een inpandige parkeervoorziening voor zowel bewoners als bezoekers.
  • 3. De groene loper ontsluit de kavels in het deelgebied 'Dorps Buurtje' en de magazijnwoningen in 'De Fabriek'. Parkeren ter plaatse van de beneden-boven woningen is voorzien in een naastgelegen parkeercluster. De parkeerbehoefte van de overige woningen wordt op eigen terrein opgelost. Voor bezoekers worden langsparkeerplaatsen langs de Groene loper en langs de kavels aan Het Vloed ingericht.

Paragraaf 4.5 gaat nader in op de ontsluiting van het plangebied en de parkeerbalans.

Hoofdstuk 3 RUIMTELIJK BELEIDSKADER

Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.1 Rijk

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & Nationale Omgevingsvisie

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 zou moeten uitzien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daarbij streeft het Rijk naar een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid.

Daarnaast verstevigt de SVIR het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR nog meer bij de provincies en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het bestemmingsplangebied zodoende zeer beperkt blijft.

De SVIR richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan. Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante afwegingskader gevormd door het beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Goirle.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) kan gezien worden als de opvolger van de SVIR. De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want onze ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken.

De NOVI legt voor wat betreft woningbouw vooral de prioriteit en nadruk op woningbouw binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Tegelijk wordt gestreefd naar leefbaarheid, vitaliteit en klimaatbestendigheid.

Conclusie

Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats.

AMvB Ruimte

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor die betrekking hebben op de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen zijn: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen.

Conclusie

Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben betrekking op onderhavig bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6 Bro opgenomen, de ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: "De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.

Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."(artikel 3.1.6, tweede lid, Bro).

Conclusie

In paragraaf 4.3 wordt beschreven in hoeverre met onderhavig plan wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Crisis- en herstelwet

Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw beoogt onder andere een impuls aan integrale gebiedsontwikkeling te geven. De regels uit de Chw hebben overwegend betrekking op het bestuursprocesrecht en hebben als doel om proceduretijden van bij wet aangewezen projecten te verkorten. In Bijlage I van de Chw zijn de categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waar de stroomlijning van procedures voor geldt. Artikel 3.1 van deze bijlage noemt daarin de bouw van 11 of meer woningen als een van de ruimtelijke projecten, waarop de procedurele versnellingen van toepassing zijn.

Conclusie
Omdat dit bestemmingsplan (na vaststelling) moet worden aangemerkt als een besluit dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een ruimtelijk project zoals genoemd in Bijlage I van de Crisis- en herstelwet zijn de regels uit die wet van toepassing. De regels uit de Crisis- en herstelwet betreffen in dezen met name het bestuursprocesrecht waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort.

3.2 Provincie

Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de Brabantse Omgevingsvisie sluit de provincie met de hoofdopgaven aan bij rijksbeleid, Europese en mondiale doelstellingen. Het streven is dat de omgevingsvisie, hoewel formeel alleen zelfbindend, Noord-Brabant samenbindt. Want één ding is zeker; samenwerking is meer dan ooit nodig om de Noord-Brabantse omgevingskwaliteit te bewaken en door te ontwikkelen. Waarbij ruimtelijke ordening dienend is aan maatschappelijke doelstellingen. Of het nu gaat om het verkleinen van sociale verschillen, het verbeteren van welvaart, of het gezonder, veiliger en duurzamer maken van onze leefomgeving.

In de Omgevingsvisie Noord-Brabant heeft de provincie vier hoofdopgaven benoemd: werken aan de Brabantse energietransitie, werken aan een klimaatproof Brabant, werken aan de slimme netwerkstad, werken aan een concurrerende, duurzame economie. Hieraan ten grondslag ligt één basisopgave; de provincie streeft naar een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.

De vier hoofdopgaven hebben een grote ruimtelijke impact. Noord-Brabant is te klein als alles naast elkaar plaatsvindt. Het wordt dus passen en meten, met opgaven naast, onder, boven en met elkaar. Meerwaardecreatie en meervoudig slim ruimtegebruik is noodzaak. De opgaven moeten we daarom altijd in onderlinge samenhang bezien. Diep, rond en breed bekijken, dus.

Als doel voor 2050 heeft de provincie het volgende gesteld: Noord-Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat de provincie op alle aspecten beter presteert dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Noord-Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.

Voor 2030 streeft de provincie naar het volgende: Noord-Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat de provincie voor alle aspecten voldoet aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.


Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van een voormalig fabriekscomplex en een investering in natuur- en landschapswaarden ten zuiden van dat complex. Dit laatste versterkt de biodiversiteit in en om Goirle. Het plan voor de herontwikkeling van het fabriekscomplex is integraal tot stand gekomen in een visietraject (zie paragraaf 3.3 van deze plantoelichting). De plannen voor de herontwikkeling zijn daarbij zo opgezet dat zij bijdragen aan het behouden en waar mogelijk versterken van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Dit bestemmingsplan is daar een vertaling van (zie hoofdstukken 4, 5 en 6 van deze plantoelichting). Het bestemmingsplan past in de kaders die gesteld worden door de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 24 mei 2019 is voor een periode van vier weken het ontwerp van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ter inzage gelegd. De omgevingsverordening bevat regelgeving die ook anticipeert op de komst van de Omgevingswet en kan gezien worden als een uitwerking van de ambities uit de Brabantse Omgevingsvisie in regels (net als dat de Verordening ruimte Noord-Brabant een uitwerking is van de SVRO). De omgevingsverordening integreert regels uit zes provinciale verordeningen (waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant). De Interim omgevingsverordening trad op 6 november 2019 in werking.

De omgevingsverordening heeft een beleidsneutraal karakter. Dat houdt in dat de omgevingsverordening geen nieuwe beleidswijzigingen doorvoert tenzij dit nieuwe beleid reeds opgenomen is in vastgestelde beleidsdocumenten. De omgevingsverordening is een interimdocument en daarmee een tussenstap naar een definitieve provinciale omgevingsverordening. Gelet op het beleidsneutrale karakter van de omgevingsverordening komen de die de Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie van 1 januari 2019) in het plangebied voorzag terug in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

In hoofdzaak kan het plangebied verdeeld worden twee deelgebieden: het te herontwikkelen fabriekscomplex (hier is de woningbouw voorzien) en de groenblauwe zone (hier is een investering in natuur- en landschapswaarden) voorzien. In de navolgende alinea's is per deelgebied geanalyseerd met welke regels uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant rekening gehouden moet worden. De navolgende tabel toont welke aanduidingen op de deelgebieden van toepassing zijn.

Tabel 3.1: Aanduidingen Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0010.png"

Aanduidingen

Tabel 3.1 toont de aanduidingen die van toepassing zijn op het plangebied. Het gebied waar de meeste ontwikkelingen plaatsvinden (het voormalig fabriekscomplex) is onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. De navolgende alinea's gaan in op de gevolgen van de aanduidingen voor het plangebied. Omdat aanduidingen doorgaans de grenzen van delen van het plangebied overschrijden, worden de aanduidingen alfabetisch behandeld.

Aanduiding attentiezone waterhuishouding

Deze aanduiding is van toepassing de groenblauwe zone in het plangebied. Op basis van artikel 3.26 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant mogen op gronden met deze aanduidingen geen activiteiten toegestaan worden die een negatief effect kunnen hebben op de natte natuurparels die binnen deze aanduiding gelegen zijn. Concreet houdt dit artikel in dat er in een bestemmingsplan voorzien moet worden in een vergunningplicht voor activiteiten die een negatief effect kunnen hebben op de grondwaterstand in/onder een navulling daarop geldt dat in een bestemmingsplan dat in deze aanduiding gelegen is geen bestemmingen of regels opgenomen mogen worden die fysieke ingrepen met een negatief effect op de waterhuishouding in/onder een natte natuurparel mogelijk maken. In dit bestemmingsplan is aan deze eis voldaan. Daarnaast is in de regels van dit bestemmingsplan in de bestemming 'Natuur' een vergunningplicht voor activiteiten met een mogelijk negatief effect op de grondwaterstand in/onder een natte natuurparel opgenomen. Daarmee vormt deze aanduiding geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Aanduiding afwijkende regels beperkingen veehouderij

De regels die bij deze aanduiding (geborgd artikel 3.51 van de Interim omgevingsverordening) horen gelden voor alle veehouderijen. In artikel 1.1 van de verordening is veehouderij als volgt gedefinieerd “agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren”. Het doel van de regels die bij deze aanduiding horen is om een verdere intensivering van de veehouderij tegen te gaan. Voor grondgebonden veehouderijen gelden uitzonderingen op deze regels.

Omdat de regels bij deze aanduiding voor alle veehouderijen gelden, is deze aanduiding van toepassing op de gehele provincie Noord-Brabant. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwvestiging of vergroting, verplaatsing of omschakeling van veehouderijen mogelijk. De regels die bij deze aanduiding horen zijn dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Aanduiding behoud en herstel van watersystemen

In gebieden die zijn aangeduid als 'Behoud en herstel watersystemen' (artikel 3.27 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) is het beleid gericht op verbetering en herstel van het natuurlijke watersysteem van bovenregionaal belang en de ruimte die daarvoor nodig is. Er is geen onderscheid gemaakt naar gebieden waar al maatregelen zijn uitgevoerd. Het blijft immers van belang om deze gebieden te beschermen en de ruimte beschikbaar te houden. Een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Behoud en herstel van watersystemen' strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen waarbij het gebied een breedte heeft van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop.

Gelet op het voorgaande gelden dan ook regels om te voorkomen dat een gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen:

  • a. beperkingen aan stedelijke, agrarische en recreatieve ontwikkelingen, in het bijzonder wat betreft de daarmee verband houdende bebouwing;
  • b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk;
  • c. het ophogen van gronden.

Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van de aanduiding 'Behoud en herstel van watersystemen' wijzigen, mits dit tot een beter resultaat leidt voor het beoogde doel waarvoor deze gebieden zijn aangewezen. Alvorens Gedeputeerde Staten overgaan tot een wijziging van de begrenzing, raadplegen zij het betrokken waterschapsbestuur. Het college van burgemeester en wethouders kan Gedeputeerde Staten verzoeken om de begrenzing van de aanduiding 'Behoud en herstel watersystemen' te wijzigen mits uit het verzoek blijkt dat de waterbeheerder hiermee instemt.

Afstemming met waterschap De Dommel

Volgens de keur geldt er een verbod op bouwwerken binnen 25 meter (profiel van vrije ruimte) vanuit de insteek van de watergang. Voor bouwen kan vergunning worden verleend als wordt aangetoond dat de ruimte niet nodig is voor beekherstel. Waterschap De Dommel heeft aangegeven dat hier geen meanders of grootschalige ingrepen meer nodig zijn en dat de 25 meter dus niet volledig vrij hoeft te blijven. Omdat hier een natuurlijke beek wordt nagestreefd, is het uitgangspunt dat een zo groot mogelijke groenblauwe zone aan de noord zijde van de beek wordt gerealiseerd voor natuurlijke processen. Het waterschap gaat hierbij uit van minimaal 5 meter (dit valt dan samen met de beschermingszone vanuit de Keur).

Aan de hand van bovenstaande afstemming wordt in onderhavig bestemmingsplan voor de buitenste zone van de aanduiding 'Behoud en herstel watersystemen' (20 meter) de aanduiding 'Overige zone - in Interim omgevingsverordening te verwijderen Behoud en herstel watersystemen' opgenomen. Hiermee bestaan er - na wijziging van de begrenzing door Gedeputeerde Staten - op deze gronden geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

Aanduidingen concentratiegebied verstedelijking en stedelijk gebied

Het stedelijk gebied is krachtens artikel 3.6 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bedoeld voor het bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Stedelijke ontwikkelingen moeten waar mogelijk plaats vinden in het bestaand stedelijk gebied (concentratiegebied). In gebieden met deze aanduiding is er ruimte voor verdere verstedelijking en dus voor nieuwe stedelijke functies, mits daar behoefte aan is. Gemeenten zijn, binnen de grenzen van wet- en regelgeving, vrij om in deze zone te voorzien in nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

In de huidige situatie zijn de gronden waar deze aanduiding op ligt bestemd voor de inmiddels buiten werking gestelde textielfabriek. Met dit bestemmingsplan krijgen de gronden met deze aanduiding een woonbestemming teneinde woningbouw mogelijk te maken. Op de behoefte aan de voorgenomen woningbouw is in paragraaf 4.3 van de plantoelichting ingegaan.

In de verordening is het stedelijk gebied niet gedefinieerd. Wat een stedelijke functie is volgt uit (de toepassing van) het Besluit ruimtelijke ordening. Een stedelijke functie bestaat uit de ontwikkeling van bedrijventerreinen, zeehaventerreinen, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Gelet op het voorgaande wordt het fabriekscomplex gezien als een stedelijke voorziening. In de huidige situatie wordt dit deel van het bestaand stedelijk gebied dus ingezet voor stedelijke functies. In de toekomstige situatie blijft dat het geval. Deze aanduiding uit de verordening verzet zich derhalve niet tegen de ontwikkelingen die op gronden met deze aanduiding voorzien zijn.

Aanduiding diep grondwater

Deze aanduiding hangt samen met een verbod (artikel 2.20 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) op de onconventionele winning van koolwaterstoffen boven, in of onder een diep grondwaterlichaam. Met dit artikel is op die locaties in de bodem de winning van bijvoorbeeld schaliegas door middel van het zogenoemde 'fracking' verboden. Dit bestemmingsplan voorziet niet in de (onconventionele) winning van koolwaterstoffen. Deze aanduiding werpt daarmee geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan op.

Aanduiding groenblauwe mantel

Deze aanduiding is op het overgrote deel van de groenblauwe zone van toepassing. Alleen de gronden die deel uitmaken van het stedelijk gebied hebben deze aanduiding niet. De groenblauwe mantel (artikel 3.32 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) vormt de overgang tussen het Natuurnetwerk Brabant en het landelijk/stedelijk gebied. De mantel beschermt het natuurnetwerk en zorgt voor de verbinding tussen de omliggende gebieden. Het beleid voor de gronden met de aanduiding groenblauwe mantel is gericht op het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden, het watersysteem en het landschap. Op gronden met deze aanduiding wordt ruimte geboden voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties mits deze gebruiksfuncties bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap.

Zoals onder 'Attentiezone waterhuishouding' is beschreven, wordt als gevolg van een indirect effect van de planontwikkeling op het omliggende natuurgebied 0,6 ha natuur gecompenseerd in de groenblauwe zone rondom de Nieuwe Leij. Er is daarmee sprake van een versterking van de ecologische en landschappelijke waarden ter plaatse. De uitvoering van een compensatie is geborgd in een voorwaardelijke verplichting in lid 13.3 van de planregels van dit bestemmingsplan.

Op basis van voorgaande onderbouwing zal het college van burgemeester en wethouders een verzoek tot herbegrenzing indienen bij Gedeputeerde Staten. In dat kader is op de verbeelding de aanduiding 'Overige zone - in Verordening ruimte te verwijderen Groenblauwe mantel' opgenomen. Hiermee bestaan er - na wijziging van de begrenzing door Gedeputeerde Staten - geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

Aanduiding landelijk gebied

Deze aanduiding stelt diverse regels aan de ontwikkeling van agrarische bedrijven in het landelijk gebied. Zoals reeds aangegeven hebben deze regels geen gevolgen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Daarnaast stelt artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant dat ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied gepaard moeten gaan met een fysieke verbetering van de kwaliteit van het landschap. Deze fysieke verbetering vindt plaats rondom de Nieuwe Leij. In het kader van de kwaliteitsverbetering krijgt de Nieuwe Leij onder andere een meer natuurlijker loop. De kwaliteitsverbetering is beschreven in bijlage 4 bij deze plantoelichting.

Aanduiding Natuurnetwerk Brabant

Een deel van de gronden in het plangebied is in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangeduid als Natuurnetwerk Brabant. Het gaat hier om gronden waar in dit bestemmingsplan natuurontwikkeling voorzien is.

Gronden met de aanduiding Natuurnetwerk Brabant zijn op basis van artikel 3.15 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant primair bedoeld voor de ontwikkeling en instandhouding van een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden die van (inter)nationaal belang zijn. Op gronden met deze aanduiding staat het behoud van ecosystemen en het realiseren van goede condities voor biodiversiteit centraal. In een bestemmingsplan worden bestaande belangen en rechten op plekken waar nog sprake is van te realiseren Natuurnetwerk Brabant erkend. Er mogen echter geen nieuwe ontwikkelmogelijkheden geschapen worden. Dit bestemmingsplan voorziet achter de tuin van Huize Anna echter ook woningbouw op gronden met deze aanduiding. Dit maakt herbegrenzing van deze aanduiding noodzakelijk.

In het kader van de totale ontwikkeling van de Zuidrand is het Rapport 'Herbegrenzingsvoorstel Natuur Netwerk Brabant Zuidrand Goirle' (Bijlage 4) opgesteld. Hierin is onder meer beschreven wat de impact van de ontwikkelingen binnen onderhavig plangebied is op de omliggende NNB-gebieden. Daarover staat in het betreffende rapport over het indirecte effect het volgende: 'Naast fysieke/directe aantasting van de NNB kan sprake zijn van indirecte aantasting door de ontwikkelingen nabij/in het NNB. Indirecte storingsfactoren zijn mogelijke licht- en geluiduitstraling, optische verstoring en een toename aan betreding door recreanten. Licht- en geluiduitstraling en optische verstoring zullen bij Van Puijenbroek beperkt optreden op het aangrenzende NNB-gebied aangezien er sprake zal zijn van afscherming met vegetatie en bomen. Bovendien geldt dat lichtuitstraling voornamelijk diffuus zal zijn. Optische verstoring en een toename aan betreding door recreanten zal echter niet leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB, aangezien in het gebied een gestructureerd padennetwerk aanwezig is en blijft. Hierdoor is een toename aan betreding op het NNB niet aan de orde en zal er geen wezenlijk verschil optreden met de huidige situatie'. De compensatieopgave komt daarbij neer op circa 0,6 hectare. Volgens artikel 3.22, lid 2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant dient het te compenseren oppervlak aan NNB minimaal terug te keren in het lokale gebied. Met deze compensatie is rekening gehouden met de Groenblauwe zone zoals beschreven in bijlage 4. Binnen het attentiegebied Natuur Netwerk Brabant zijn verder geen ingrepen voorzien die een negatief effect hebben op de waterhuishouding in de omliggende NNB.

Op basis van bovenstaande onderbouwing zal het college van burgemeester en wethouders een verzoek tot herbegrenzing indienen bij Gedeputeerde Staten. In dat kader zijn op de verbeelding de aanduiding 'Overige zone - in interim omgevingsverordening Noord-Brabant te verwijderen Attentiezone waterhuishouding' en 'Overige zone - in interim omgevingsverordening Noord-Brabant te verwijderen Natuurnetwerk Brabant' opgenomen. In het kader van de compensatie wordt 0,6 hectare nieuw natuurnetwerk toegevoegd. Op de verbeelding is dit aangeduid met de gebiedsaanduiding 'Overige zone - in interim omgevingsverordening Noord-Brabant toe te voegen Natuurnetwerk Brabant'.

Hiermee bestaan er - na wijziging van de begrenzing door Gedeputeerde Staten - geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

Aanduidingen regionale waterberging en reserveringsgebied waterberging

In gebieden die zijn aangeduid als 'Regionale waterberging' is het beleid gericht op het tegengaan van activiteiten die ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van het gebied. In artikel 3.35 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn de minimale eisen verwoord die in het bestemmingsplan moeten zijn opgenomen. Uiteraard kan een gemeente ervoor kiezen om meer regels op te nemen (die strekken tot behoud van het waterbergend vermogen van het gebied en het tegengaan van ingrepen die een negatief effect kunnen hebben op het waterbergend vermogen).

In de aanduiding regionale waterberging gelden meer beperkingen dan op gronden met de aanduiding reserveringsgebied waterberging (zie verder), omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. De beperkingen hebben betrekking op bouwen en voorzien in een vergunningstelsel voor het ophogen van gronden en het aanbrengen of wijzigen van kaden. Bebouwing ten dienste van waterberging is toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 meter. Overige bebouwing en uitbreiding is toegestaan mits blijkt dat dit niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen van het gebied.

In het kader van de ontwikkeling van de Zuidrand Goirle is een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de toekomstige hydrologie in de groenblauwe zone. Bijlage 3 doet verslag van dat onderzoek. In het rapport zijn alle uitgangspunten, wensen en eisen van de verschillende belanghebbenden (waaronderWaterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant) opgenomen en vertaald naar de toekomstige inrichting van de groenblauwe zone. Hierbij is ook rekening gehouden met de ligging binnen de regionale waterberging en het reserveringsgebied voor een waterberging. Met de toekomstige inrichting van de groenblauwe zone en de ophoging van de te ontwikkelen gronden wordt voldaan aan de bergingsopgave in plangebied. De wijze waarop de waterberging in het plangebied uitgewerkt wordt, is beschreven in bijlage 38 bij deze toelichting. Een voorwaardelijke verplichting in de planregels van dit bestemmingsplan (zie artikel 13.2) borgt dat deze waterberging ook op die manier gerealiseerd wordt.

In gebieden die zijn aangeduid als 'Reservering waterberging' (artikel 3.36 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) is het beleid gericht op het tegengaan van activiteiten die ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van het gebied. Bij ontwikkeling in reserveringsgebieden voor een waterberging moet dan ook een verantwoording te worden gegeven over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft.

Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van de aanduiding 'Reservering waterberging' wijzigen voor zover dit tot een beter resultaat leidt ter bereiking van het beoogde doel waarvoor de 'Reservering waterberging' is aangewezen. Alvorens Gedeputeerde Staten overgaan tot een wijziging van de begrenzing, raadplegen zij het betrokken waterschapsbestuur. Het college van burgemeester en wethouders kan Gedeputeerde Staten verzoeken om de begrenzing van de aanduiding 'Reservering waterberging' te wijzigen mits uit het verzoek blijkt dat de waterbeheerder hiermee instemt.

Aan de hand van bovenstaande afstemming is op de verbeelding de aanduiding 'Overige zone - in Interim omgevingsverordening te verwijderen Reservering waterberging' opgenomen. Hiermee bestaan er - na wijziging van de begrenzing door Gedeputeerde Staten - geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

Aanduiding normvrij gebied

Krachtens artikel 4.6 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant gelden op gronden met deze aanduiding geen normen voor de overstromingskans van gebieden. Deze aanduiding is van toepassing op een groot deel van de groenblauwe zone en in deze zone heeft het waterschap dan ook geen verplichting om een genormeerd beschermingsniveau te bieden. Deze aanduiding vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Aanduiding norm wateroverlast stedelijk gebied

In de regels die bij deze aanduiding horen (artikel 4.2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) zijn normen gesteld voor de overstromingskans van gebieden. Deze normen zijn als volgt:

  • a. 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen;
  • b. 1/10 per jaar voor overige gebieden.

Deze aanduiding is uitsluitend van toepassing op het bestaand stedelijk gebied. Dat betekent dat dit gebied op basis van de normen uit de verordening een maal per honderd jaar mag overstromen. De normen (en het behalen daarvan) zijn inspanningsverplichtingen. Deze normen worden in acht genomen bij het maken van plannen voor nieuwe bebouwing. Deze aanduiding en regels vormen daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Aanduiding norm wateroverlast buiten stedelijk gebied

In de regels die bij deze aanduiding horen (artikel 4.4 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) zijn normen gesteld voor de overstromingskans van gebieden. Deze normen zijn als volgt:

  • a. 1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen;
  • b. 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;
  • c. 1/25 per jaar voor akkerbouw;
  • d. 1/10 per jaar voor grasland.

Deze aanduiding is uitsluitend van toepassing op de groenblauwe zone. De gronden in de toekomstige situatie uit natuur. Voor deze gronden geldt op basis van artikel 4.4, lid 2 de norm van het omringend landgebruik. Dat landgebruik bestaat akkerbouw en veeteelt (grasland). Deze gronden mogen ten hoogste 1 maal per 25 jaar overstromen. De normen (en het behalen daarvan) zijn inspanningsverplichtingen. Deze normen worden in acht genomen bij het maken van plannen voor nieuwe bebouwing. Deze aanduiding en regels vormen daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Aanduiding stalderingsgebied

Op gronden met de aanduiding 'stalderingsgebied' gelden op basis van artikel 3.52 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant extra randvoorwaarden voor de ontwikkeling van veehouderijen. De aanduiding geldt voor geheel Oost- en Midden-Brabant en daarmee dus voor het gehele plangebied. Dit bestemmingsplan maakt geen veehouderijen mogelijk. Uit deze aanduiding vloeien daarom geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan voort.

Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling, grotendeels binnen het bestaand stedelijk gebied. Een deel van die verstedelijkingsopgave is echter voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied en op gronden waar de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in de huidige vorm geen verstedelijking toestaat (Natuurnetwerk Brabant, attentiezone waterhuishouding, groenblauwe mantel, reserveringsgebied waterberging). Om de ontwikkeling van het plangebied als geheel mogelijk te maken, dienen de structuren uit de verordening gewijzigd te worden (herbegrenzing) anders is de voorgenomen ontwikkeling strijdig met de verordening. Hiertoe wordt een verzoek ingediend bij Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant.

Aan de hand van de in deze paragraaf en in bijlage 4 opgenomen onderbouwing zal het college van burgemeester en wethouders een op basis van artikel 6.2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een verzoek tot herbegrenzing van de opgenomen aanduidingen en structuren doen aan Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Daarnaast wordt verzocht om ter plaatse van de huidige aanduiding 'Groenblauwe mantel' en 'Natuur Netwerk Brabant' de structuur 'Bestaand stedelijk gebied' op te nemen. De onderbouwing hiervoor is aanwezig; aan de hand van uitgebreid en integraal onderzoek kan worden geconcludeerd dat door de integrale aanpak van het project Zuidrand Goirle en de (ecologische) mogelijkheden die hierdoor ontstaan, de NNB een impuls krijgt (onder meer door een kwalitatief betere inrichting, betere samenhang met de omgeving en een vergroting van de omvang).

Conform artikel 6.2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn de voorgestelde wijzigingen van de begrenzing van de structuren uit de verordening opgenomen in dit bestemmingsplan. Tegen het voornemen tot wijziging van de begrenzing van de structuren kunnen zienswijzen worden ingediend. Deze zienswijzen worden tezamen met het verzoek (samen met eventuele bijbehorende stukken) en het gemeentelijk standpunt ten aanzien van de zienswijzen aan gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant verzonden. Het bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld nadat Gedeputeerde Staten hebben besloten tot wijziging van de begrenzing. Wanneer het college van Gedeputeerde Staten instemt met de het verzoek tot wijziging is er geen sprake meer van strijdigheid met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3 Gemeente

Structuurvisie Goirle

De Structuurvisie Goirle, vastgesteld door de gemeenteraad op 20 juli 2010, biedt het kader voor het te voeren ruimtelijk beleid tot 2020. Het omvat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid.

Op de structuurvisiekaart ligt het plangebied op de rand van het stedelijk gebied van Goirle en het kleinschalige landschap van het oostelijke buitengebied van de gemeente. Daarnaast ligt het plangebied in een zone waar het behouden/versterken van waterlopen/beekdalen voorzien is. De ligging van het plangebied op de structuurvisiekaart is weergegeven op afbeelding 3.1.

Opgaven in het stedelijke gebied van Goirle zijn om de woonfunctie uit te breiden binnen de begrenzingen van het bestaand stedelijk gebied en om ruimte in het bestaand stedelijk gebied nog beter te benutten door ruimte te bieden aan inbreidings- en herstructureringsopgaven. Voorwaarde bij inbreidings- en herstructurerings- opgaven is dat zij passen bij het karakter van Goirle.

Het oostelijke buitengebied heeft veel potentie als het landschaps- en natuurontwikkeling, maar ook het recreatief potentieel van dit deelgebied is groot. De structuurvisie zet in op het benutten van deze potenties. Op het gebied van bodem en water geldt dat in het oostelijk buitengebied een beter evenwicht gevonden moet worden tussen hydrologie en ecologie, natuur, landschap en de landbouw. Door middel van beekherstel moeten de waterlopen (waaronder de Nieuwe Leij) in dit deelgebied uitgroeien tot dragers van het landschap. Het relatief kleinschalige landschap van het oostelijk buitengebied moet gehandhaafd en waar mogelijk versterkt worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0011.png"

Afbeelding 3.1: Structuurvisiekaart met globale ligging plangebied (gele cirkel)

Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past in de beleidskaders uit de structuurvisie. Er wordt immers voorzien in intensivering van het stedelijk gebied van Goirle. Parallel daaraan wordt wordt met de ontwikkeling een bijdrage geleverd aan de versterking van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteit van het oostelijk buitengebied. Een belangrijke drager van die ontwikkeling is het beekherstel van de Nieuwe Leij.

Visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....'

Op 15 december 2015 heeft de gemeenteraad van Goirle de visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....' vastgesteld. De visie bevat het ontwikkelingsperspectief op de ontwikkeling van het gedeelte van de zuidrand van Goirle tussen de Kerkstraat-Bergstraat en de Nieuwe Leij.

De visie beschrijft de kaders waarin de zuidrand Goirle een kwaliteitsimpuls gaat krijgen. Bestaande waarden worden daarbij behouden en verrijkt met nieuw toe te voegen waarden. In de toekomst is er in de zuidrand ruimte voor wonen, werken, recreëren en natuur. De monumentale delen van de fabrieken van Van Puijenbroek en Van Besouw blijven daarbij behouden en gaan ruimte bieden voor woonfuncties. De Nieuwe Leij vormt een groenblauwe ader in het plangebied.

Een belangrijk onderdeel van de visie is dat de landschappelijke kwaliteiten en de ligging van de zuidrand als een belangrijke bouwsteen verwerkt moeten worden in het stedenbouwkundig plan en het bestemmingsplan.

De visie op de toekomst van de zuidrand van Goirle is op verzoek van de gemeente tot stand gekomen in een samenwerking tussen de grondeigenaren in het gebied, de gemeente Goirle, Waterschap de Dommel, de provincie Noord-Brabant, Brabants Landschap, de gemeentelijke monumentencommissie, het Biodiversiteitsteam Goirle en de Stichting Steengoed.

Conclusie

De visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....' werkt via het stedenbouwkundig plan voor de locatie van Van Puijenbroek door in dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan sluit daarmee aan op de visie. De visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....' is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.

Bestemmingsplannen

Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, zijn op het plangebied de volgende bestemmingsplannen van toepassing:

  • "Wildackers Abcoven";
  • "Buitengebied Goirle";
  • "Buitengebied Goirle, herziening 2014";
  • "Parapluplan Goirle".

Bestemmingsplan "Wildackers-Abcoven'

Het gedeelte van het plangebied waar in de huidige situatie het fabriekscomplex staat valt in het plangebied van het bestemmingsplan "Wildackers-Abcoven". Dat bestemmingsplan kent aan deze gronden de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden' met de aanduiding 'textiel'toe. De Watermolenstraat maakt ook onderdeel uit van het bestemmingsplan "Wildackers-Abcoven" en heeft de bestemming 'Verkeersdoeleinden'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0012.png"

Afbeelding 3.2: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Wildackers-Abcoven'

Bestemmingsplan "Buitengebied Goirle"

In gevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Goirle" heeft het plangebied hoofdzakelijk de bestemming 'Agrarisch Landschapswaarden'. De Nieuwe Leij heeft de bestemming 'Rioolwaterzuiveringsinstallatie ' en de Molendijk de bestemming 'Verkeer'. Tevens gelden de aanduidingen 'Archeologische verwachtingswaarde', 'Cultuurhistorisch waardevol gebied' en 'Hydrologisch waardevolle kern'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0013.png"

Afbeelding 3.3: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Goirle'

Bestemmingsplan "Parapluplan gemeente Goirle"

Met het "Parapluplan gemeente Goirle" is een aantal bestemmingsplannen op één of meerdere onderdelen herzien. Het parapluplan heeft betrekking op de volgende onderwerpen:

  • terrassen;
  • standplaatsen;
  • evenementen;
  • parkeren;
  • zendmasten;
  • ruimte tussen bouwwerken.

Voor het plangebied van dit bestemmingsplan zijn de bepalingen ten aanzien van parkeren en ruimte tussen bouwwerken relevant. Het parapluplan bevat namelijk eisen die bepalen hoeveel parkeergelegenheid en hoeveel mogelijkheden voor laden en lossen gerealiseerd moeten worden als er nieuwe gebouwen opgericht worden. Met de bepalingen over de ruimte tussen bouwwerken bepaalt het bestemmingsplan welke eisen gelden voor tussenruimten tussen gebouwen. Zo mogen tussen gebouwen op twee percelen geen ruimten ontstaan die:

  • a. vanaf de hoogte van het bouwperceel tot 2,20 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;
  • b. niet toegankelijk zijn.

Conclusie bestemmingsplannen

De geldende bestemmingsplannen bieden geen mogelijkheden om de gewenste stedenbouwkundige ontwikkeling te realiseren. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in deze wens.

Landschapsbeleidsplan

Op 8 november 2016 is het Landschapsbeleidsplan (bestaande uit een deel A met de visie en een deel B met de uitvoeringsstrategie) vastgesteld door de gemeenteraad. Het landschapsbeleidsplan heeft betrekking op het buitengebied van Goirle (en daarmee op het deel van het plangebied dat in de huidige situatie niet bebouwd is). Het landschapsbeleidsplan dient als sturingskader bij ingrepen in het landschap en bevat ambities voor de toekomstige ontwikkeling van het landschap.

Het plangebied ligt in het deelgebied 'oost' uit het landschapsbeleidsplan. In dit gebied is de opgave om de randen van het beekdal aan de bebouwde zijde te verdichten met afwisselende beplanting in de vorm van houtwallen en bos. Tevens moet een netwerk van ommetjes (wandelroutes) gerealiseerd worden. Ten aanzien van de Nieuwe Leij zijn de ambities om het watersysteem en de bijbehorende biotopen te behouden en te versterken. Als (delen van) het beekdal opnieuw ingericht wordt, dan moet die inrichting gekoppeld worden aan de specifieke ruimtelijke karakteristiek van het her in te richten gebied. Parallel aan de Oude Leij en de Nieuwe Leij moet ook een drogevoetenroute met uitzicht op het natuurgebied gerealiseerd worden.

Conclusie

In het ontwerp voor de nieuwe situatie komen de wensen en uitgangspunten uit het Landschapsbeleidsplan terug. Zo wordt het beekdal van de Nieuwe Leij, voor zover gelegen in het plangebied, heringericht en krijgt de beek een meanderende loop. De beek krijgt natuurvriendelijke oevers met afwisselend ruigten, bosschages en graslanden (al dan niet met poelen). Daarmee wordt de landschappelijke en ecologische waarde van dit deel van het oostelijk buitengebied vergroot.

Toekomstvisie gemeente Goirle 2020

In 2013 is door de gemeenteraad de “Toekomstvisie gemeente Goirle 2020” vastgesteld onder de titel “Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend”. Kortweg werd aan dit document de subtitel “Toekomstvisie 2020” gegeven. Deze visie - gebaseerd op de drie kernbegrippen 'groen, sociaal en ondernemend' – dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: Onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente.

Goirle is Groen
De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is een prettige en groene woonomgeving, gelegen in het prachtige groen (bossen, beken, Regte Heide) en nabij de grote stad.

Goirle is Sociaal
De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente. De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar verantwoordelijkheid. Problemen worden door onze inwoners zoveel als mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen. We denken en handelen vanuit de ´menselijke maat´. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun directe naaste omgeving maar zijn ook betrokken bij hun buurten en wijken. We zijn er voor elkaar en zorgen voor elkaar als dat nodig is. Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers. We zijn trots op ons eigen karakter en onze eigen identiteit en houden deze graag in stand.

Goirle is Ondernemend
Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In onze afwegingen maken we een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. Daarbij wegen we economische en ecologische argumenten in samenhang en zorgen we voor balans. We staan open voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initiëren we deze initiatieven zelf als we kansen zien of iets willen bereiken. Als gemeente kiezen we hierbij bij voorkeur een regierol.

Conclusie
Concreet voorziet het plan in de bouw van een woongebied met maximaal 135 woningen, daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de versterking van natuur- en landschapswaarden om de Nieuwe Leij. Bij het uitwerken van het stedenbouwkundig plan is de groen-blauwe ontwikkeling nadrukkelijk geïntegreerd met de rode ontwikkeling (woningbouw). Door de voorgenomen ontwikkeling te faciliteren, geeft de gemeente Goirle uiting aan de regierol zoals de toekomstvisie die omschrijft.

Hoofdstuk 4 THEMATISCHE BELEIDSKADERS

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema's. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. De relevante milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken.

4.1 Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand

Stedenbouwkundige uitgangspunten

Cultuurhistorie

Ten behoeve van de herontwikkeling van de zuidrand zijn een bouwhistorisch onderzoek en een transformatiekader opgesteld om te bepalen welke cultuurhistorische elementen in de zuidrand behouden moeten worden. Deze onderzoeken hebben weer ten grondslag gelegen aan het stedenbouwkundig plan.

De landschappelijke en industriële cultuurhistorie zijn belangrijke uitgangspunten van het stedenbouwkundig plan. Zo krijgen behoudenswaardige architectonische/technische relicten zoals kolommen, spanten en rails waar mogelijke een nieuwe functie. Verder zijn de fabrieksschoorsteen, het ketelhuis met machinekamer en het historisch kantoor voor de ververij rijksmonumenten. Deze monumenten worden beschermd door dit bestemmingsplan.

Bijzondere cultuurhistorische waarden zijn op de verbeelding aangeduid. In de regels van dit bestemmingsplan zijn bepalingen opgenomen om deze waarden te beschermen.

Landschap

Het plangebied vormt de overgang van de bebouwde kom van Goirle naar de Nieuwe Leij. Het stedenbouwkundig plan gebruikt deze ligging als raamwerk voor de inrichting van het plangebied. Gebaseerd op de landschappelijke context en/of de historie zijn in dit raamwerk 4 deelgebieden te onderscheiden:

  • 1. De Fabriek: Onderdeel van het dorpslint van de Bergstraat. De stijl van de bebouwing refereert aan de oude textielfabriek.
  • 2. Het Dorpse Buurtje: Onderdeel van het dorpslint van de Bergstraat. De stijl van de bebouwing refereert aan de dorpse bebouwing aan de Bergstraat. Het gedeelte 'Aan de Vloed' maakt ook onderdeel uit van dit deelgebied. Dit gebied betreft de overgang naar het beekdal van de Nieuwe Leij, het deel van de landschapszone waar nog wel gebouwd mag worden. Deze nieuwe bebouwing wordt gesitueerd op grote kavels met een robuuste groenstructuur.
  • 3. De Tuin: De bebouwing achter de tuin van Huize Anna. Onderdeel van de landschappelijke zone rondom de Nieuwe Leij waar nog wel gebouwd mag worden. De nieuwe bebouwing wordt ook gesitueerd op grote kavels met robuuste groenstructuur om vorm te geven aan de overgang van de bebouwde kom van Goirle naar de Nieuwe Leij.
  • 4. Appartementen aan de Nieuwe Leij: Net als de Tuin is het appartementencomplex onderdeel van de landsschappelijke zone rondom de Nieuwe Leij.

De omschrijving van de deelgebieden is reeds opgenomen in paragraaf 2.4. Figuur 2.5 toont deze deelgebieden. Een ander belangrijk deelgebied is de zone direct om de Nieuwe Leij. In deze zone is geen woningbouw voorzien of toegestaan, maar wordt ingezet op de verdere ontwikkeling en kwaliteitsversterking van het landschap.

Het plangebied wordt doorsneden wordt door twee grote groenstructuren:

  • 1. De 'groene loper' tussen De Fabriek en het Dorps Buurtje. Deze loper sluit aan op de bestaande groenstructuur van de Doctor Ariënstraat en verbindt op die manier de kern van Goirle met het beekdal van de Nieuwe Leij.
  • 2. De groenstructuur van de Watermolenstraat. Deze groenstructuur fungeert in de huidige situatie al als groene verbinding tussen de kern van Goirle en het beekdal van de Nieuwe Leij. Met de voorgenomen ontwikkelingen wordt die werking verder versterkt.

De ambities voor het landschap richten zich overwegend op het herstellen en verbeteren van het watersysteem van de Nieuwe Leij. In een gezamenlijk proces met de gemeente, het waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant, het Brabants Landschap en het Biodiversiteitsteam is een gedetailleerd plan uitgewerkt om de Nieuwe Leij te herprofileren en te verleggen, een micromeandering te geven en de oevers natuurlijk in te richten.

Als onderdeel van de voorgenomen ontwikkeling wordt het Natuurnetwerk Nederland versterkt, uitgebreid en enigszins verplaatst door gronden die nu een agrarisch gebruik hebben te transformeren tot gronden met een natuurbestemming. Door die ingreep ontstaat ook meer ruimte voor waterberging en piekretentie langs de Nieuwe Leij. Bij de voorgenomen ontwikkelingen wordt rekening gehouden met flora en fauna. Zo is de vleermuisvliegroute langs de bestaande bomenstructuren en de randen van de tuin van Huize Anna gehandhaafd.

Voor de zeldzame Bosbeekjuffer, die nu langs een beschaduwd stukje van de beek leeft (ten zuiden van de bestaande tuin van Huize Anna) wordt een nieuwe schaduwrijke plek direct in de omgeving aangelegd.

De Vloed wordt als natte ruigte ontwikkeld met struweel, poelen en natuurvriendelijke oevers geschikt voor vogels, libellen, amfibieën (Vinpootsalamander), kikkers en kleine zoogdieren als de waterspitsmuis.

Ten zuiden van de tuin van Huize Anna wordt juist ingezet op een kruiden- en faunarijk grasland met houtwallen, als biotoop voor insecten, vogels, vlinders en zoogdieren zoals de bunzing.

De bestaande tuin van Huize Anna wordt zoveel mogelijk gehandhaafd als een parkbos en waar nodig enigszins heringericht. De bestaande verhoogde routes (dijken) door het landschap worden bloemrijk ingericht (Flowerpowerdijken) en versterken de biodiversiteit (insecten en vlinders) en beleving voor de wandelaars en fietsers. Aansluitend op het bestaande bos wordt compensatiebos aangelegd op wat hogere plekken.

De kavels ten zuiden van de bestaande tuin van Huize Anna krijgen ook een natuurlijke overgang naar het beeklandschap. Via de groene loper dringt de natuur ook de woonwijk binnen. De groene loper heeft naast een waterbergingsfunctie ook een ruimtelijke functie als overgang van natuur naar cultuur. Hier ontstaat ruimte voor biodiversiteit op microniveau en tegelijkertijd ruimte om te spelen.

Water

Afbeelding 4.2 toont het watersysteem zoals dat in het plangebied voorzien is. Het nieuwe woongebied en het beekdal krijgen ieder een eigen watersysteem.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0014.png"

Afbeelding 4.2: Watersysteem in het plangebied (KuiperCompagnons, PS Vastgoed en Antea Group maart 2019)

In het woongebied is het vertrekpunt om regenwater los te koppelen van het vuilwatersysteem en zo lang mogelijk in het gebied vast te houden, te hergebruiken en te laten infiltreren. De groene loper en de groene ruimte rond de appartementen spelen daarin een belangrijke rol als wadi. Via een aantal 'treden' wordt het water zo lang mogelijk vastgehouden en wordt ingezet op zoveel mogelijke infiltratie. Op piekmomenten is het wel mogelijk om tijdelijk het overtollig water af te voeren naar het oppervlaktewater. Hiermee wordt een klimaat adaptieve ontwikkeling gerealiseerd.

In de woonbuurtjes zelf wordt het regenwater zoveel mogelijk zichtbaar naar de wadi en naar de "waterplein" afgevoerd. Een systeem van watergoten zorgt ervoor dat het water vanuit de woonstraten in de wadi terecht komt, of op het te vergroenen fabrieksplein voor de schoorsteen. Dit groene fabrieksplein houdt het water ook langer vast en infiltreert het al een beetje. Bij extreme buien kan het water via het fabrieksplein doorstromen naar de wadi.

De kavels ten zuiden van de bestaande tuin van Huize Anna en de kavels aan in Aan de Vloed vangen hun eigen water op en laten dit infiltreren (eventueel met overloop naar de groenblauwe zone). De toegangswegen van deze buurten hebben voor het opvangen van regenwater beide een eigen wadi. De wadi ten zuiden van de tuin van Huize Anna zorgt er tevens voor dat er in de tuin van Huize Anna geen grote fluctuaties in de grondwaterstanden ontstaan, waar bestaande, waardevolle bomen last van hebben.

In het buitengebied wordt het beekprofiel van de Nieuwe Leij vergraven zodat deze beter geschikt is om de te verwachten grotere verschillen in droge en natte perioden op te vangen. Zo is dit deel van het beekdal goed voorbereid op de te verwachten klimaatverandering, waardoor het naar verwachting heftiger gaat regenen en er langere perioden van droogte zullen zijn. Daarbij wordt zoals gezegd gelijktijdig meer ruimte gemaakt voor ecologie.

Rondom de nieuwe loop van de Nieuwe Leij komt ook meer ruimte voor piekretentie. Bij extreme regenval kan de beek gecontroleerd overstromen in het beekdal. Deze piekretentie is al te vinden in De Vloed (en wordt daar verder geoptimaliseerd) en zal aanvullend ook worden gecreëerd in het gebied ten zuiden van de tuin van Huize Anna en de kavels hierlangs. Een strook direct ten zuiden van de tuin van Huize Anna wordt opgehoogd en met de woonkavels ruimtelijk bij de tuin getrokken. De nieuwe beek loopt daaromheen.

Het gebied direct ten zuiden van de nieuwe loop van de Nieuwe Leij wordt vervolgens afgegraven om de ophoging te compenserenen de noodzakelijke extra ruimte te creëren voor de piekretentie

Welstand

Bouwplannen moeten onder meer worden getoetst aan 'redelijke eisen van welstand', aldus de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de bouwplannen die in de gemeente worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de gemeenteraad moet worden vastgesteld. In Goirle is dat gebeurd op 11 maart 2014. De welstandsnota heeft een duidelijke relatie met bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan beschrijft naast de toegelaten functies in stedenbouwkundige termen de toegestane bouwmassa's in een gebied en de plaats waar deze mogen worden gebouwd. Het is de taak van welstandsbeleid te borgen dat bij veranderingen de verschijning van de bouwmassa's passend is en blijft in de omgeving. De Welstandsnota verdeelt de gemeente hiertoe in verschillende soorten gebieden, ieder met hun eigen gebiedsgerichte criteria. Voor de gedetailleerde regeling wordt verwezen naar de welstandsnota.

4.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

4.2.1 Archeologie

Algemeen

Omdat in groeiende mate het Europese archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologische belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen plaats te laten vinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald.

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:

  • de introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
  • de verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.

In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld. Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserende veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historisch, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijk onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventueel aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan.

Onderzoek

In het kader van de ontwikkeling heeft Antea Group een archeologisch inventariserend veldonderzoek (zie bijlage 5 bij deze toelichting), in de vorm van verkennende boringen uitgevoerd voor het plangebied Van Puijenbroek. Dit plangebied betreft het terrein van Van Puijenbroek (bedrijfsterrein HaVeP en de aan de zuidkant daarop aansluitende groene zones).

In een eerder stadium zijn reeds twee archeologische bureauonderzoeken (zie bijlage 6 en 7 bij deze toelichting) uitgevoerd voor het plangebied, waarin een brede verwachting is uitgesproken, voor zowel het dekzandgedeelte als het beekdalgedeelte van het plangebied. In het tweede bureauonderzoek is destijds het resterende deel van onderhavig plangebied in beeld gebracht en is het eerste onderzoek geactualiseerd.

Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen

Op grond van het uitgevoerde booronderzoek wordt de kans op het aantreffen van archeologische resten in het totale plangebied voor alle perioden laag ingeschat. De beekdalgronden zijn in de loop van de tijd al op de schop geweest en op het fabrieksterrein kent een belangrijk deel van de boringen met een AC-profiel een dermate dikke A-horizont, dat de top van het moedermateriaal daarin opgenomen moet zijn en daarmee het archeologisch sporenniveau verstoord is.

In het beekdal is het niet volledig uit te sluiten dat nog op puntlocaties archeologische fenomenen aanwezig zijn, maar deze kunnen door archeologisch vooronderzoek bijna niet systematisch worden opgespoord. De gemeente Goirle heeft dan ook besloten dat voor het beekdal nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Indien hier voor het verleggen van de beekloop grondverzet zal plaatsvinden, dienen deze werkzaamheden archeologisch begeleid te worden. Voorafgaand aan deze werkzaamheden dient dan een Programma van Eisen opgesteld te worden, dat moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Voor werkzaamheden binnen de overige delen van het plangebied gaat de gemeente akkoord met het voorstel om geen nader archeologisch onderzoek uit te voeren. Deze delen worden vrijgegeven voor wat betreft het aspect archeologie. Het nader archeologisch onderzoek (inventariserend onderzoek door middel van boringen) is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd.

Programma van Eisen

Antea Group heeft een Programma van Eisen (PvE) opgesteld met betrekking tot een opgraving (zie bijlage 8 bij deze toelichting).

Bevoegd gezag heeft besloten dat voor het beekdal nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Indien hier voor het verleggen van de beekloop grondverzet zal plaatsvinden, dienen deze werkzaamheden archeologisch begeleid te worden, waartoe in opdracht van de opdrachtgever het PvE is opgesteld.

Dit Programma van Eisen heeft betrekking op een opgraving – variant archeologische begeleiding (BRL 4000, protocol 4004, KNA 4.1). Dit PvE is goedgekeurd door bevoegd gezag.

Plan van Aanpak

Vervolgens is door Antea Group een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld (zie bijlage 9 bij deze toelichting), die door bevoegd gezag is goedgekeurd (zie bijlage 10 bij deze toelichting). Voor het beekdal is nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. Indien hier voor het verleggen van de beekloop grondverzet zal plaatsvinden, dienen deze werkzaamheden archeologisch begeleid te worden, waartoe het PvA is opgesteld.

Woningbouwlocatie

Direct ten noorden van de geplande beekloop vindt woningbouw plaats. Hier zullen voorlopig geen bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden. Op basis van de resultaten van de begeleiding van de beekloop is het doel om ook de woningbouwlocatie vrij te geven voor wat betreft het aspect archeologie, door middel van extrapolatie. Mochten er uit de begeleiding wel resultaten komen, wordt nader gekeken naar de woningbouwlocatie.

Afwijking plangebied + aanvullende boringen

Omdat in de uitwerking van het Plan van Aanpak is gebleken dat er een discrepantie zit tussen het plangebied zoals destijds gehanteerd en de bestemmingsplangrens. Voorstel is om – gedurende de archeologische begeleiding van het ontgraven van de beekloop – in de betreffende hoek een aantal aanvullende boringen te zetten (zeven boringen tot 2 m – mv) om te bekijken of het beekdal ook in deze richting doorloopt. Er worden in deze zone geen grote bodemingrepen voorzien, waardoor een archeologische begeleiding in deze hoek nu niet noodzakelijk zal zijn. De resultaten van deze boringen zullen worden meegenomen in de rapportage van de archeologische begeleiding.

Conclusie  
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Ter bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden in het beekdal is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Op een later moment in het planproces wordt het evaluatierapport van de archeologische begeleiding (incl. aanvullende boringen) opgesteld om te allen tijde de bescherming van de archeologische waarden te waarborgen.

4.2.2 Cultuurhistorie en monumenten

Algemeen

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet 1988, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.

Onderzoek

In het plangebied komt cultuurhistorisch waardevolle bebouwing voor. Het betreft hier de volgende waardevolle en monumentale onderdelen:

  • Fabrieksschoorsteen (rijksmonument).
  • Ketelhuis met machinekamer (rijksmonument).
  • Historisch kantoor voor ververij (rijksmonument).
  • Kantoor Bergstraat.

Voor de monumentale panden zijn de uitgangspunten handhaven, renoveren en eventueel een nieuwe functie geven. Daarnaast zal worden onderzocht of interessante bouwkundige elementen uit de bestaande fabrieksbebouwing en buitenruimte, zoals kolommen, spanten, technische elementen, sluitwerk, rails, etc., waar mogelijk, een nieuwe betekenis kunnen krijgen in de toekomstige woonbuurt.

In het plan zijn de te handhaven monumenten zorgvuldig ingepast en er zal worden gezocht naar een nieuwe duurzame functie: appartementen, horecafunctie/brouwerij en binnentuin in het voormalig kantoorcomplex aan de Bergstraat (inclusief de sheddaken en het magazijntje erachter) en een woonhuis in het oude kantoor voor de ververij. De oude machinekamer met stoommachine blijft behouden en er zal worden geprobeerd het als bijzondere vergaderruimte (vergaderen in een ruimte met een historische/industriële sfeer) te verhuren. Hier komt ook een expositieruimte waar het verhaal van de textielindustrie en haar mensen kan worden verteld. Het ketelhuis met biomassa-installatie behoudt ook zijn functie en voorziet de bestaande woningen van Thebe in zorgcentrum Elisabeth en toekomstige woningen van warmte.

Op basis van het Transformatiekader (zie bijlage 11 bij deze toelichting) is daaromheen het fabriekscluster ontworpen als een herkenbaar en compact buurtje, waar te renoveren gebouwen en de nieuwe bebouwing samen het verhaal van de textielindustrie op deze plek gaan vertellen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0015.png"

Afbeelding 4.3: Cultuurhistorische relicten (KuiperCompagnons, PS Vastgoed en Antea Group), Huize Anna met tuin maakt geen onderdeel uit van het plangebied

De cultuurhistorische elementen van de in afbeelding 4.3 genoemde relicten worden behouden. Ter bescherming van deze relicten is in de planregels een beschermingsregime opgenomen. Het beschermingsregime regelt dat niet zonder meer werken en/of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd ter plaatse van de cultuurhistorische elementen. Hiermee zijn de cultuurhistorische elementen in het plangebied gewaarborgd. Opgemerkt wordt dat sloop-herbouw van (delen van) deze bebouwing (met uitzondering van rijksmonumenten) is toegestaan, mits de waardevolle elementen in ere worden hersteld.

Conclusie

Door het opnemen van een beschermingsregime voor de aanwezige cultuurhistorische waarden/gebouwen staat het aspect cultuurhistorie de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.3 Volkshuisvesting

Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022

Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie. Op 2 juli 2019 is de Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie zijn de volgende ambities benoemd:

  • 1. Doelgroepen: De gemeente luistert goed naar woningzoekenden in de gemeente Goirle.
  • 2. Duurzaamheid: De gemeente wil zorgvuldig omgaan met energie, water en grondstoffen zoals beschreven in het Milieubeleidsplan Duurzaam Goirle 2017-2022. Nieuwe woningen moeten weinig tot geen energie verbruiken en zo min mogelijk CO2 uitstoten.
  • 3. Woonomgeving: De gemeente wil aantrekkelijk zijn voor jong en oud en een prettige alsmede groene omgeving bieden. Dit geldt zowel voor de woning zelf, maar ook voor de locatie, diens omgeving en de voorzieningen.
  • 4. Nieuwbouw: De gemeente wil voldoende en de juiste woningen bouwen en de gewenste woonmilieus toevoegen. De gemeente neemt de woningbehoefte van Goirlenaren als uitgangspunt bij het bouwen en realiseren van nieuwe woningen. Bij de woningprogrammering houdt de gemeente rekening met de woningen en woonmilieus die door verhuizing beschikbaar komen.

De woonvisie is tot stand gekomen op basis van een kwalitatief woonbehoefteonderzoek uit 2018 en twee bijeenkomsten (1 in Goirle en 1 in Riel) waar inwoners aan konden geven wat zijn belangrijk vinden in hun woonplaats.

Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat de gemeente Goirle in de jaren 2018-2028 gemiddeld 100 woningen per jaar wil realiseren. 80-90% van dit aantal wordt gerealiseerd in Goirle en 10-20% van dit aantal wordt gerealiseerd in Riel. De woningen die op de locatie Bakertand gerealiseerd mogen worden vallen buiten deze ambities. De gemeentelijke bouwopgave wordt jaarlijks in regioverband berekend.

Bij voorkeur voegt de gemeente Goirle woonmilieus toe waar op lange termijn een tekort aan ontstaat en waarvan er onvoldoende vrijkomen door doorstroming. Aanvullend voegt de gemeente woonmilieus toe die al in relatief ruimte mate beschikbaar zijn. Concreet zet de gemeente de komende jaren in op de toevoeging van koopwoningen in middeldure en dure categorieën om een verhuisstroom op gang te brengen. De afspraken over de woningbouw in de Zuidrand zijn getoetst aan de bepalingen uit de woonvisie over de woningen die in specifieke categorieën gerealiseerd moeten worden en voldoen aan die afspraken en de woonbehoefte.

Conclusie

Onderhavig plan bevat een gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit op de vraag naar woningen binnen de gemeente. Het te realiseren programma voldoet aan de afspraken uit de woonvisie. De nieuw te bouwen woningen worden zo energiezuinig mogelijk uitgevoerd. Daarnaast is de woningbouwlocatie na ontwikkeling te kenmerken als een prettige en groene omgeving. Met deze ontwikkeling wordt aangesloten bij de ambities van de gemeente Goirle.

Notitie prioritering woningbouwlocaties 2016-2021

De notitie prioritering woningbouwlocaties is de gemeentelijke uitwerking / invulling van de regionale woningbouw afspraken (aantal). Van deze notitie wordt jaarlijks een 'stand van zaken' gemaakt. Hierin worden de nieuwe afspraken genoemd, wordt gekeken of er wat veranderd is en gekeken of er aanpassing nodig is.

Om de afweging te maken welke potentiële woningbouwlocaties prioriteit moeten krijgen, zijn 3 stappen gezet.

Stap 1: Kan op de potentiële bouwlocatie worden voorzien in de woonbehoefte?

Stap 2: Past een ontwikkeling binnen de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame Stedenbouw?

Stap 3: Zijn er andere beleidsdoelen waardoor de ontwikkeling van de locatie voor de gemeente van belang is?

Het doorlopen van deze stappen leidt tot de prioritering. Voorgesteld wordt om de komende tien jaar de volgende nieuwe locaties prioriteit te geven bij ontwikkeling:

  • Hoek Tilburgseweg-Kalverstraat;
  • Boschkens fase 4 (gedeeltelijk);
  • Zuidrand (gedeeltelijk);
  • De Wildert Goirle;
  • Zorgcentrum Goirle;
  • Rabobank;
  • Vijf Bogen;
  • Kleine initiatieven kern Goirle en Riel.

Woningbouwprogramma en prioritering woningbouwlocaties 2020-2021

Het woningbouwprogramma en prioritering woningbouwlocaties 2020-2021 (concept) is door gemeenteraad akkoord bevonden d.d. 3 november 2020.

Geconstateerd is dat prioritering niet meer benodigd is. Het aantal woningen dat op dit moment in harde en gebonden capaciteit is, betekent dat in de komende jaren een in totaal 1230 woningen worden gebouwd. Om te voorzien in de woonbehoefte zullen nog 135 tot 345 woningen in ontwikkeling genomen moeten worden in de komende tien jaren. Om tal van redenen is er vertraging in woningbouwprojecten. De ervaring is daarom dat om 100 % van de bouwopgave te realiseren voor tenminste 130% procent van het aantal woningen, plannen in ontwikkeling moeten worden genomen. Concreet betekent dit voor de gemeente Goirle dat er nog 175 tot 449 woningen in ontwikkeling genomen moeten worden. In de In de afgelopen perioden heeft gemeente Goirle ervoor gekozen om deze bouwruimte als absoluut maximum te zien. Dit omdat bij elke ontwikkeling, op basis van de ladder van duurzame stedenbouw, de (kwantitatieve) behoefte aan woningen moet worden aangetoond.

Conclusie

Locatie Van Puijenbroek maakt deel uit van de gebonden capaciteit.Er is sprake van gebonden capaciteit wanneer het college heeft besloten tot:

  • Het starten van de benodigde ruimtelijke procedure om woningbouw op deze locatie mogelijk te maken en/of,
  • het aangaan van een intentieovereenkomst of anterieure overeenkomst voor ontwikkeling van de locatie,

Voor locatie Van Puijenbroek is een gebonden capaciteit van 156 woningen opgenomen. In voorliggend plan is voorzien in een totaal aantal te realiseren van 186 woningen, waarvan 79 gestapelde woningen (waarvan 42 sociaal), 58 rijwoningen, 26 twee-onder-één kappers en 22 vrijstaande woningen.

De 30 woningen (verschil tussen bouwprogramma op basis van voorliggend bestemmingsplan: 186 en 156: opgenomen gebonden capaciteit) die niet zijn voorzien in gebonden capaciteit maken deel uit van de 135-175 tot 345-449 woningen die benodigd zijn om te voorzien in de woningbehoefte voor de komende tien jaar.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Bij de afweging tussen de verschillende locaties moet in de eerste plaats worden gekeken naar de ladder voor duurzame verstedelijking. Dit is een vereiste uit het Besluit ruimtelijke ordening.

Per 1 juli 2017 is de meest recente versie van de ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. Deze is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 en luidt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Eén van de voorwaarden die de gemeente heeft gesteld bij het vaststellen van de visie voor de Zuidrand Goirle is dat er gebouwd wordt naar behoefte, zowel kwantitatief en kwalitatief.

Kwantitatieve behoefte

Voor de locatie Van Puijenbroek is in de visie Zuidrand Goirle een potentieel woningbouwprogramma van maximaal 165 woningen opgenomen. In het stedenbouwkundig plan (2020) zijn 186 te realiseren woningen geprojecteerd. Momenteel is een gebonden capaciteit opgenomen van 156 woningen. De 30 woningen (verschil tussen bouwprogramma op basis van voorliggend bestemmingsplan: 186 en 156: opgenomen gebonden capaciteit) die niet zijn voorzien in gebonden capaciteit maken deel uit van de 135-175 tot 345-449 woningen die benodigd zijn om te voorzien in de woningbehoefte voor de komende tien jaar. Voorliggend bestemmingsplan voldoet daarmee aan de kwantitatieve behoefte.

Kwalitatieve behoefte

Het woonprogramma bestaat uit een mix van betaalbare, middel-dure en dure woningen en er is een locatie gereserveerd voor een eventueel CPO-project. De betaalbare woningen staan aan de Bergstraat in de vorm van appartementen (sociale huur) en beneden-bovenwoningen (koop). In de Fabriek zijn middendure grondgebonden woningen en appartementen (in het bestaande kantoorgebouw, eventueel CPO) en enkele dure grondgebonden woningen. Het programma in het dorpse buurtje bestaat uit dure woningen (twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen).

De vrijesectorwoningen en de appartementen aan de Leij vormen een exclusieve doelgroep in het topsegment.

Bijna alle woningen zijn levensloopbestendig te maken. Een uitzondering hierop is een aantal woningen in het deelgebied 'De Fabriek'. Om het karakteristieke ensemble van fabrieksgebouwen te behouden kunnen deze niet levensloopbestendig worden gemaakt. Het betreft hier woningen in de Weverijhal.

Sociale eenheden maken ook onderdeel uit van de kwalitatieve behoefte. Woningstichting Leystromen heeft voor haar gehele bezit een portefeuillestrategie opgesteld. Hierin is bepaald wat de toekomstige behoefte is aan sociale eenheden. Op basis hiervan is gekeken naar het gewenste aantal sociale eenheden voor de gehele Zuidrand Goirle. In de notitie "sociaal woonprogramma Zuidrand Goirle" is dit aantal gemotiveerd en toegedeeld aan de deellocaties Van Besouw en HaVeP. Binnen de portefeuillestrategie past een toevoeging van circa 50 DAEB-huurwoningen (Diensten van Algemeen Economisch Belang) in de totale Zuidrand. Voor de verdeling van de 50 woningen zijn er 22 sociale woningen (DAEB appartementen met lift (vnl. < € 592,55) ) toegedeeld aan Van Puijenbroek. In dit bestemmingsplan wordt voorzien in 25 sociale huurappartementen. Dit minimum is in de planregels vastgelegd.

Bestaand stedelijk gebied

In hoofdzaak bestaat het plangebied uit twee gebiedtypen: het deel grenzend aan de kern van Goirle waar woningbouw voorzien is en het deel rondom de Nieuwe Leij waar in hoofdzaak natuurontwikkeling voorzien is. Volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn de gronden rondom de Nieuwe Leij geen onderdeel van het stedelijk gebied. Op een deel van deze gronden is echter woningbouw voorzien. Het gaat om de woningen aan de zuidzijde van het deelgebied 'Dorpse buurtje' en woningen in deelgebied 'de Tuin'. Dit betekent dat een deel van de woningbouw buiten het in de verordening aangeduide bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Ruimtelijk-functioneel gezien kunnen deze gronden wel als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied aangemerkt worden. Het plangebied en omgeving zijn ontstaan als een bedrijfscomplex waar in het verleden textielproductie plaatsvond. Rondom dit terrein liggen woningen, bedrijven, een zorgcentrum en agrarische gronden. Het plangebied zelf biedt ruimte aan opslag- en kantoorfuncties. Het plangebied biedt daarmee al ruimte aan stedelijke functies. Wegen (zoals de Kerkstraat en de Watermolenstraat) verbinden al deze functies met elkaar. Deze wegen vormen samen met de groen- en waterstructuren het raamwerk voor en ensemble aan woon- en werkfuncties dat in het plangebied voorzien is. Het voorgaande betekent ook dat er sprake is van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing dat gericht is op wonen, werken en horeca. Om die reden kan het plangebied gezien worden als een onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.

In de Visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....' is de basis gelegd voor de uitwerking van het plangebied, waarbij is gekozen om de (verlegde) Nieuwe Leij als harde begrenzing te blijven behouden als grens tussen dorp en land. Het uitgewerkte plan - vertaald in een stedenbouwkundig plan en vervolgens in dit bestemmingsplan - voorziet, naast woningbouw ook in de ontwikkeling van natuur en landschap aan de zuidkant van het plangebied (rondom de Nieuwe Leij). Op hoofdlijnen richt de ontwikkeling van natuur en landschap zich op het herstellen en verbeteren van het watersysteem van de Nieuwe Leij. Daarbij is ruimte gecreëerd voor meandering en een retentiegebied. Om een kwalitatieve afronding te creëren in de overgang van het dorp naar het landschap is gekozen voor deze uitwerking. Tevens worden ter plaatse woonmilieus gerealiseerd die niet binnen het bestaande stedelijk gebied kunnen worden ingepast. Het gaat namelijk om vrijstaande woningen op ruime kavels in een rustige woonomgeving (met uitzicht over het buitengebied van Goirle). Omdat de gemeente Goirle in de Notitie prioritering woningbouwlocaties 2016-2021 primair inzet op de ontwikkeling van binnenstedelijke locaties is er voor dergelijke vrijstaande woningen geen andere plek te vinden in het bestaand stedelijk gebied. In dit geval gaat het om de toevoeging van circa 15 woningen buiten het bestaand stedelijk gebied. Deze woningen komen allemaal binnen de grens van de verlegde Nieuwe Leij te liggen (zie figuur 4.2). Hiermee ontstaat een logische afronding van de kern van Goirle en wordt verrommeling voorkomen.

Conclusie

Het planvoornemen voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.4 Groen

De gemeenteraad heeft op 11 maart 2014 het Groenstructuurplan vastgesteld. Dit plan bevat de langetermijnvisie op het gemeentelijk groen binnen de bebouwde kom.

Het openbaar groen van de gemeente Goirle fungeert als visitekaartje van de gemeente en is bepalend voor de sfeer en beleving van de openbare ruimte.

De wijken in de kernen in de gemeente Goirle hebben allemaal hun eigen karakteristieken. Het plangebied ligt volgens het groenstructuurplan in de wijk 'Abcoven'.

Het groenstructuurplan beschrijft dat onder andere de Kerkstraat en de Beeksedijk een mooie groenstructuur met grote bomen hebben. Deze kwaliteit heeft een relatie met het plangebied. Een andere kwaliteit van de groenstructuur die een relatie met het plangebied heeft is de groene dorpsrand die gevormd wordt door het beekdal van de Nieuwe Leij.

Abcoven wordt gekenmerkt door:

  • Deels jaren ’50 (rondom Oranjeplein) en deels jaren ’70 wijk, oostelijk daarvan.
  • Prinsessenstraten rondom Oranjeplein hebben rechthoekige verkaveling met weinig openbaar groen.
  • Jaren ’70 wijk is ruim opgezet met blokverkaveling en veel openbaar groen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0016.png"

Afbeelding 4.4: Uitsnede uit de groenstructurenkaart van Wildackers in Goirle

De groenstructurenkaart van Goirle (afbeelding 4.4) laat verder zien dat op het fabriekscomplex geen waardevolle groenstructuren aanwezig zijn. De Bergstraat is aangemerkt als groene gebiedsontsluitingsweg. Daarnaast wordt de Tuin Huize Anna aangemerkt als particulier waardevol groen. De tuin van Huize Anna wordt zoveel mogelijk gehandhaafd als een parkbos en waar nodig enigszins heringericht. Daarnaast worden in het plangebied enkele bomen gekapt, maar het aantal gekapte bomen wordt ruimschoots gecompenseerd door de aanplant van nieuwe bomen (zie afbeelding 4.5).

Het NNB dat in het plangebied aanwezig is wordt verplaatst, uitgebreid en versterkt door de bestaande landbouw te transformeren naar de gewenste natuurdoeltypen. Er komt ook meer ruimte voor waterberging langs de beek en piekretentie in de gebieden daaromheen.

Ten behoeve van het opstellen van het stedenbouwkundig plan is een zogenoemde boomeffectanalyses (BEA) uitgevoerd. Op basis van deze BEA is bepaald welke bomen in het plangebied behoudenswaardig zijn en in het verlengde daarvan, welke komen gekapt of gehandhaafd (al dan niet na verplanting) kunnen worden. Afbeelding 4.5 toont de te handhaven en de te kappen bomen. De uitgevoerde BEA is als bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd.

Conclusie

In het ontwerp is het bestaande groen zoveel als mogelijk geïntegreerd. Een deel van het groen zal verdwijnen, maar hiervoor in de plaats wordt er nieuw groen gerealiseerd. Daarnaast wordt het deel NNB dat verdwijnt gecompenseerd volgens de provinciale regels. Het aspect groen is hiermee voldoende onderzocht en geïntegreerd in het plangebied.

4.5 Verkeer en parkeren

Verkeer

Door Antea Group is een verkeersonderzoek uitgevoerd. In het verkeersonderzoek is onderzocht wat de verkeerseffecten zijn als het plan Zuidrand Goirle volledig is ontwikkeld. Hierbij is uitgegaan van het jaar 2030 als jaar waarin de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd is. Het complete onderzoek is als bijlage 13 bijgevoegd. Onderstaand is de conclusie van het onderzoek weergegeven.

In het verkeersonderzoek voor Van Puijenbroek is in totaal gerekend met 186 woningen. Om te bepalen hoeveel verkeer per gemiddelde werkdag van en naar Van Puijenbroek gaat, is gebruikgemaakt van de CROW-publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (2018). Voor diverse functies zijn kencijfers bekend van het aantal verkeersbewegingen per gemiddelde weekdag. Een verkeersmodel rekent met een gemiddelde werkdag, daarom is het berekende kencijfer omgerekend van weekdag naar werkdag. Voor Van Puijenbroek in totaal worden 1.412 verkeersbewegingen per gemiddelde werkdag berekend.

In de volgende tabel is de berekening voor de volledige ontwikkeling van Van Puijenbroek uitgewerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0017.png"  

Verkeersafwikkeling wegen

Alleen op de wegen dichtbij het plangebied is er een significante toename van het verkeer berekend (Bergstraat, Tijvoortsebaan). Deze toename zorgt niet voor doorstromingsproblemen, er worden namelijk geen nieuwe knelpunten berekend. Daarnaast blijven de intensiteiten op de wegvakken binnen de gestelde grenswaarde.

Verkeersafwikkeling kruispunten

Binnen de bebouwde kom is een goede verkeersafwikkeling op kruispunten vaak van groter belang dan de verkeersafwikkeling op wegvakken. Daarom zijn naast de wegvakken ook een aantal kruispunten getoetst op de verkeersafwikkeling.

Op basis van de resultaten van het verkeersmodel en ervaringen van de gemeente Goirle (GVVP 2013) zijn een viertal kruispunten geselecteerd waarom nader is onderzocht of deze de toekomstige verkeersstromen kunnen afwikkelen. Deze kruispunten zijn nader onderzocht omdat de verwachting is dat deze tegen de capaciteitsgrenzen aanlopen of dat hier de verkeerstoename door Van Puijenbroek het grootst is.

Het gaat om de volgende kruispunten:

  • Van Puijenbroek – Bergstraat (voorrangskruispunt);
  • Rillaersebaan – Turnhoutsebaan (verkeerslichten);
  • Turnhoutsebaan – Tijvoortsebaan (rotonde);
  • Rillaersebaan – Tilburgseweg (rotonde).

Conclusie

Door de ontwikkelingen van Van Puijenbroek krijgt het verkeersnetwerk van Goirle meer verkeer te verwerken. Dit extra verkeer zorgt niet voor nieuwe doorstromingsknelpunten in Goirle ten opzichte van de autonome situatie. Een viertal kruispunten zijn nader onderzocht, omdat deze maatgevend zijn voor de afwikkeling van het verkeer in Goirle of voor Van Puijenbroek. Uit deze kruispuntberekeningen komt naar voren dat deze geen knelpunt zijn, zowel in de autonome verkeerssituatie als in de plansituatie. Hierdoor worden er geen problemen verwacht met de doorstroming op deze beschouwde kruispunten in Goirle, voor zowel de ochtend- als de avondspits. Daarnaast zijn er ook wegvakken geen doorstromingsknelpunten berekend.

Ook de toekomstige aansluitingen van het plangebied met de Bergstraat kan al het verkeer van en naar de ontwikkeling voldoende afwikkelen. Hier zijn geen doorstromingsproblemen te verwachten.

Parkeren

Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Dit vastgelegd in de planregels (artikel 12.3). Deze planregels hanteren de CROW-normen als toetsingskader.

De parkeerbalans voor het uitgewerkte stedenbouwkundig plan (zie afbeelding 4.6) is bepaald volgens de CROW-norm (gemiddelde waarde per categorie en type).

Het doel is om in de Fabriek charmante en autoluwe leefstraatjes te maken, waar de openbare ruimte een soort verlengstuk van de woning kan worden, bewoners potten, planten en bankjes voor de deur kunnen zetten en de kinderen veilig op straat kunnen spelen. De straat ‘in de fabriek’ als ontmoetingsplek voor de bewoners.

De autoluwe straten in de Fabriek zijn natuurlijk voor hulpdiensten (brandweer, ambulance, etc.) goed toegankelijk, evenals voor verhuisauto’s e.d. De straten zijn gedimensioneerd op deze sporadische gebruikers, maar ook zo gedimensioneerd en ingericht, dat ze niet uitnodigen om lang te parkeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0018.png"  

Afbeelding 4.6: Parkeerbalans (KuiperCompagnons, PS Vastgoed, Wilma, CRA Vastgoed en Antea Group januari 2021

Conclusie

Bij uitwerking van het aspect parkeren in het stedenbouwkundig plan hebben de CROW-normen zoals zij ook opgenomen zijn in de planregels als uitgangspunt gediend. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee aan op de normen die de gemeente gebruikt.

Openbaar vervoer

Het woongebied is gelegen op een gemiddelde loopafstand van tien minuten van de meest nabijgelegen bushaltes naar Riel en Hilvarenbeek.

Conclusie

Het plangebied is met het openbaar vervoer, gelet op de Goirlese context, goed te bereiken met het openbaar vervoer.

Hoofdstuk 5 MILIEUASPECTEN

Dit hoofdstuk gaat in op de relevante milieuaspecten die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

5.1 Milieuhinder en bedrijven

Algemeen
Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving.

De VNG-handreiking hanteert richtafstanden die in acht moeten worden genomen tussen gevoelige bestemmingen en milieubelastende functies. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypen 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Voor onderhavig plangebied wordt - gezien de toekomstige functies in de Zuidrand en de omgeving - uitgegaan van een rustige woonwijk in het plangebied zelf. De omgeving van het plangebied kan door een menging van woonfuncties, met kantoorfuncties, maatschappelijke functies en (kleinschalige) bedrijvigheid getypeerd worden als een gemengd gebied. De te hanteren richtafstanden zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Tabel 5.1: Richtafstanden uit de VNG-handreiking (VNG, 2009)

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0019.png"

Onderzoek

Invloed van de omgeving op het voornemen

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele functies waarvan de milieuzonering van invloed kan zijn op de plannen voor het plangebied. Op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn enkel de volgende functies in de nabijheid gelegen:

  • Bergstraat 6, Woonzorgcentrum Thebe Elisabeth, milieucategorie 2, grootste afstand 30 meter. Aangrenzend aan het plangebied.
  • Bergstraat ongenummerd (achter Bergstraat 6), bedrijfsbestemming, milieucategorie 2, grootste afstand 30 meter.
  • Bergstraat 35: Kantoor met 2 mogelijkheden tot de bouw en het gebruik van 2 woningen.
  • Bedrijventerrein Tijvoort, inwaartse zonering toegepast in verband met aangrenzende woningen. Deze aangrenzende woningen liggen op kortere afstand van het bedrijventerrein dan het plangebied. De bedrijfsvoering wordt dus al beperkt door deze nabijgelegen woningen en de bedrijfsvoering is op deze woningen afgestemd;
  • Bergstraat 98-100, o.a. aannemersbedrijf, milieucategorie 2, grootste afstand 30 meter.
  • Fabriekstraat 2, kantoor, milieucategorie 1, grootste afstand 10 meter;
  • Kerklaantje 11-39, woonzorgcomplex, milieucategorie 2, grootste afstand 30 meter;

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0020.png"

Afbeelding 5.1: Functies rondom het plangebied

Onderstaand wordt ingegaan op de invloed van de omliggende functies op het plangebied.

De locaties/bestemmingen Bergstraat 98-100 en Bergstraat 6 grenzen direct aan het plangebied. De afstand tussen de Fabrieksstraat 2 en het plangebied is circa 20 meter. De afstand tussen Bergstraat 35 en het plangebied is circa 15 meter. De afstand tussen het plangebied en het Kerklaantje 11-39 is circa 80 meter. Deze laatste locaties vormen door de grote afstand geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, andersom geldt dat ook. Bergstraat ongenummerd maakt onderdeel uit van het plangebied van dit bestemmingsplan.

Een nadere beschouwing van het bedrijf aan de Bergstraat 98-100 (opgenomen in bijlage 19 bij deze toelichting) wijst uit dat een aantal woningen in het plangebied binnen de richtafstand van dit bedrijf voorzien is. Om die reden is in bijlage 19 bij deze toelichting onderzocht of er als gevolg van geluidhinder uit deze inrichting sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woningen.

Aannemersbedrijf

Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting bij het grootste gedeelte van de woningen voldoet aan de richtlijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit stap 2 van het VNG-stappenplan.

Het geluid dat wordt geproduceerd door de activiteiten van het bedrijf, staan beschreven in het meldingsformulier. Daarnaast heeft er in het kader van het onderzoek overleg plaatsgevonden het bedrijf. In dit gesprek is bevestigd dat de situatie die staat omschreven in de melding nog actueel is.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van de activiteiten van het Aannemersbedrijf Vekemans B.V. van één geprojecteerde woning, die wordt gekenmerkt als de maatgevende woning, is boven de richtlijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit stap 3 van het VNG-stappenplan voor een rustig woonwijk (50 dB(A)). Als er op de rand van de inrichting van het Aannemersbedrijf Vekemans B.V. een scherm wordt geplaatst met een hoogte van 1,8 m wordt er voldaan aan het beoordelingskader uit stap 3 van het VNG-stappenplan. Conform stap 3 van het VNG-stappenplan moet er aanvullend worden gekeken naar de geluidbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking en de cumulatieve geluidbelasting.
Op verzoek van het bevoegd gezag is de geluidbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking voor alle betrokken woningen bepaald. Hieruit is gebleken dat de richtlijn van Letmaal = 50 dB(A) uit het VNG-stappenplan niet wordt overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking op de gevel van de maatgevende woning bedraagt maximaal Letmaal = 8 dB(A).

De cumulatieve geluidbelasting voor de maatgevende woning is bepaald. Deze geluidbelasting valt binnen het beoordelingskader voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit stap 3 van het VNG-stappenplan.

Na het plaatsen van een scherm met een hoogte van 1,8 meter wordt er tevens voldaan aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiermee kan worden gesteld dat het bedrijf niet wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. De uitvoering van het geluidscherm en de instandhouding daarvan is vastgelegd in een voorwaardelijke verplichting.

Hobbysoos 

De geluidbelastingen (langtijd gemiddeld beoordelingsniveau, maximaal geluidniveau en verkeersaantrekkende werking) ten gevolge van de activiteiten die plaatsvinden op de inrichting van Creatief Centrum Hobbysoos Goirle vallen binnen stap 2 van het VNG-stappenplan. Hierdoor is op basis van het VNG-stappenplan inpassing mogelijk.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau ten gevolge van de inrichting voldoet aan de grenswaarde die zijn verbonden aan de geldende vergunning. Hiermee wordt de inrichting van het Creatief Centrum Hobbysoos Goirle niet beperkt in zijn bedrijfsvoering.

Op basis van het akoestisch onderzoek is bepaald dat, ten aanzien van het Aannemingsbedrijf Vekemans B.V. en Creatief Centrum Hobbysoos Goirle, ter plaatse van de omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de inrichtingen niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Het plan is hierdoor inpasbaar op de gegeven planlocatie.

Ten aanzien van de locatie Bergstraat 6 geldt dat er in de huidige situatie al bestaande woningen grenzen aan locatie. Deze woningen liggen op kleinere afstand dan het plangebied en zijn daarmee eerder dan de woningbouw in het plangebied een eventuele beperking. De realisatie van nieuwe woningen in het plangebied leidt voor deze locatie niet tot belemmeringen in hun bedrijfsvoering en de bedrijfsvoering op deze locatie leidt ook niet tot milieuhinder in het plangebied. Er is immers sprake van dichter bij gelegen woningen waar eerder rekening mee gehouden moet worden.

De locatie Bergstraat ongenummerd maakt onderdeel uit van het plangebied. De wijze waarop dit bestemmingsplan omgaat met deze locatie is toegelicht in de subparagraaf over het invloed van het voornemen op de omgeving.

Invloed van het voornemen op de omgeving

Binnen het plangebied geldt momenteel op grond van het bestemmingsplan 'Wildackers-Abcoven' een bedrijfsbestemming tot en met milieucategorie 2. Daarnaast heeft het plangebied de aanduiding 'textiel', waarmee een zwaardere milieucategorie is toegestaan. Gezien de ontwikkeling van de eerste fasen van de woningbouw en het handhaven van de bedrijfsbestemming voor de meest oostelijk gelegen gronden is het noodzakelijk dat de bedrijfsbestemming wordt aangepast. Immers, indien de mogelijkheid blijft bestaan om textielproducten te blijven vervaardigen, kan hinder ontstaan voor de toekomstige woningen die op korte afstand van de te handhaven bedrijfsbestemming kunnen worden gerealiseerd. Derhalve wordt in de planregels van dit bestemmingsplan vastgelegd dat maximaal bedrijven uit milieucategorie 1 (Bijlage 1 bij de regels) is toegestaan zonder nadere aanduiding 'textiel' (die opgenomen is in het vigerend bestemmingsplan en ruimte geeft voor bedrijven uit maximaal milieucategorie 3.2). Om te zorgen dat er voldoende afstand zit tussen de eventuele toekomstige bedrijfsbebouwing en de nieuwe woningen, is tussen de bestemmingsgrens van bedrijven en het bouwvlak van woningen een afstand van 10 meter aangehouden (vergelijkbaar met de richtafstand voor milieucategorie 1 in een rustige woonwijk). Daarmee kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd en zijn er geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

Voor de bedrijfsbestemming die grofweg achter Bergstraat ligt 6 en bedrijvigheid in milieucategorie 2 toestaat geldt dat deze met dit bestemmingsplan wegbestemd wordt. De bedrijfsbestemming wordt vervangen door de bestemming 'Maatschappelijk' om in de toekomst de bouw van enkele zorgwoningen mogelijk te maken. Met het verdwijnen van de bedrijfsbestemming is er hiermee ook geen sprake meer van hinder ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen.

In de huidige situatie is in het plangebied een biomassa-installatie aanwezig. Deze installatie staat in het ketelhuis nabij de monumentale schoorsteen. De installatie produceert warmte voor de bestaande bedrijfsbebouwing en het zorgcentrum Thebe Elisabeth. In de toekomstige situatie blijft de biomassainstallatie functioneren als warmteproducent voor de nieuwe woningen en het zorgcentrum Thebe Elisabeth (waar in de huidige situatie ook al warmte aan geleverd wordt). Voor deze biomassacentrale is op 24 juli 2017 door de gemeente Goirle een vergunning afgegeven (zie bijlage 14 bij deze toelichting). Aan deze vergunning lag een advies van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant ten grondslag, dit advies is als bijlage 15 bij deze plantoelichting gevoegd. In het kader van de vergunningaanvraag zijn ook een geur-, geluid- en luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het advies van de omgevingsdienst is betrokken in deze onderzoeken. De onderzoeken zijn als bijlagen 16 tot en met 18 bij deze toelichting gevoegd. Uit deze onderzoeken en de verleende omgevingsvergunning blijkt dat de biomassa-installatie inpasbaar is in de omgeving en geen onevenredige hinder veroorzaakt als gevolg van de aanvoer van biomassa en de productie van warmte. Daarmee is in de omgeving van de installatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Ter voorkoming van hinder van de biomassainstallatie is in de planregels bepaald dat nieuwe woningen op een afstand van minimaal 10 meter van de installatie gebouwd moeten worden. Een uitzondering hierop vormt de bedrijfswoning van de installatie (het oude kantoor van de weverij), deze grenst aan de installatie en maakt deel uit van het monumentale complex waar ook de installatie in gevestigd is. Deze woning is bedoeld voor de beheerder van de installatie. Tussen de woning en de installatie wordt een expositie/vergaderruimte (oude machinekamer met stoommachine) ingericht.

Naast woningen en de bovengenoemde bedrijvigheid worden in het plangebied ook bedrijfsruimten in milieucategorie 1 voorzien. Het gaat hier om een brouwerij/horecafunctie en een ontmoetings/expositieruimte. De richtafstanden van deze voorzieningen tot woningen in een rustige woonwijk worden in acht genomen. Ruimtelijk zijn deze functies daarmee inpasbaar.

Conclusie

Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

5.2 Externe veiligheid

Inleiding

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het beleid voor plaatsgebonden risico's bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en een (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het Rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar).

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.

De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar.

Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

Groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:

  • de kans op een ongeval;
  • het effect van het ongeval;
  • het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft;
  • de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk.

Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

Inrichtingen

In dit bestemmingsplan liggen geen risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour, die van invloed is op het onderhavige plangebied. Daarmee vormt dit onderdeel van externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Transport

Het niet-leidinggebonden transport van gevaarlijke stoffen in de gemeente Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. Nabij/door het plangebied lopen geen routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Daarmee vormt dit onderdeel van externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Buisleidingen

In en rond het plangebied bevinden zich twee hogedrukaardgastransportleidingen van Gasunie (afbeelding 5.2) waarvan het invloedsgebied reikt tot het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0021.png"

Afbeelding 5.2: Uitsnede risicokaart met de ligging van het deel van het plangebied waar woningbouw plaatsvindt (rood) ten opzichte van de gasleidingen (blauw)

In het kader van de externe veiligheid zijn de twee aanwezige hogedrukaardgastransportleidingen beschouwd. De belangrijkste kenmerken van de leidingen zijn samengevat in tabel 5.2.

Tabel 5.2 Leidinggegevens

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0022.png"

Het complete onderzoek naar externe veiligheid is als bijlage 21 bij deze plantoelichting gevoegd. Onderstaand zijn de conclusies van het onderzoek weergegeven:

  • Er dient een belemmeringenstrook van vijf meter aan weerszijden van de hogedrukaardgastransportleidingen conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen aangehouden te worden waarbinnen geen bebouwing mag worden geprojecteerd. Deze belemmeringenstroken vallen ruim buiten het gebied waar woningen gebouwd worden en vormen daarmee geen belemmering.
  • De leiding A-657-1 heeft ter hoogte van de plangebied een 10-6 plaatsgebonden risicocontour, deze 10-6-contour reikt tot in het plangebied maar overlapt geen (beperkt) kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op.
  • De hoogte van het groepsrisico van de hogedrukaardgastransportleidingen bevindt zich in de huidige situatie onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de leidingen blijft gelijk in de toekomstige situatie.
  • De ontwikkeling van de locatie Van Puijenbroek levert geen beperkingen op van de gebruiksmogelijkheden van de reserveringsstrook voor toekomstige leidingen. Daarnaast zijn er als gevolg van eventuele toekomstige leidingen geen beperkingen voor de geplande woningbouw binnen deze locatie vanuit het aspect externe veiligheid.
  • In het kader van de ruimtelijke procedure is beperkte verantwoording van het groepsrisico conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen verplicht. Uit deze beschouwing (zie verder) blijkt dat de zelfredzaamheid voldoende is. Daarnaast zijn protocollen beschikbaar voor de bestrijding van incidenten bij buisleidingen.

Groepsrisicoverantwoording

Bij het vaststellen van het bestemmingsplan dient het groepsrisico, conform artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) verantwoord te worden. Dat houdt in, dat de hoogte van het groepsrisico bekend moet zijn net als de bijdrage van het ruimtelijk plan aan het groepsrisico (verhoging/verlaging). Er moet inzicht gegeven worden in de te verwachten dichtheid van personen in de invloedsgebieden van risicobronnen binnen èn buiten het plangebied. Tevens dienen de maatregelen ter beperking van het groepsrisico te worden meegenomen. Het groepsrisico wordt in de navolgende alinea verantwoord. Over deze verantwoording wordt tijdens de bestemmingsplanprocedure advies ingewonnen bij de veiligheidsregio.

Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico geldt dat de hogedrukaardgastransportleidingen op 160 meter afstand van het plangebied liggen. De nieuwe woningen worden in de toekomstige situatie overwegend bewoond door personen die voldoende zelfredzaam zijn. Er zijn geen bestemmingen voor de huisvesting van kwetsbare groepen (personen die verminderd zelfredzaam zijn). De zelfredzaamheid in relatie tot de afstand tot de buisleiding wordt hiermee voldoende geacht. De brandweer en Gasunie hebben protocollen opgesteld voor de bestrijding bij incidenten bij buisleidingen, om deze reden wordt ook de bestrijdbaarheid afdoende geacht. Het groepsrisico is tevens verantwoord in het standaardadvies van de Brandweer Midden- en West-Brabant dat als bijlage 22 bij deze plantoelichting opgenomen is.

Reserveringszone Structuurvisie Buisledingen 2012-2035

Uit afbeelding 5.3 blijkt verder dat de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 ten zuiden van het plangebied een buisleidingtracé voorziet. Dit nieuwe tracé ligt in de zone waar ook de bovengenoemde twee hogedrukaardgastransportleidingen in liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0023.png"

Afbeelding 5.3: Buisleidingtracé uit de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 (rood), de blauwe lijn geeft de indicatieve begrenzing van het plangebied weer

Voor de beoordeling van de mogelijke nadelige gevolgen van nieuwe leidingen in deze strook is het belangrijk om te weten welke stoffen door welk soort leidingen vervoerd gaan worden. Dit is echter nog onbekend, het betreft immers een reservering voor de toekomst.

In het ‘Handboek buisleiding in het bestemmingsplan’ (2016) wordt voor deze situaties aangegeven om de nadelige gevolgen te benaderen via één of meer fictieve leidingen. Voor de onderhavige situatie is hiervoor het risico en effect van de bestaande buisleidingen genomen. Het betreft hier grote hogedrukaardgastransportleidingen, met een verhoudingsgewijs groot invloedsgebied. In de leidingstrook is ruimte voor meerdere leidingen van dit kaliber. In de omgeving is voldoende ruimte voor de bijbehorende risicocontouren. De herontwikkeling van de locatie Van Puijenbroek heeft daarnaast geen negatieve invloed op de gebruiksmogelijkheden van deze zone.

Samenvattend geldt dat de voorgenomen geen beperkingen oplevert van de gebruiksmogelijkheden van de reserveringsstrook voor toekomstige leidingen. Daarnaast zijn er als gevolg van eventuele toekomstige leidingen geen beperkingen voor de geplande woningbouw binnen deze locatie vanuit het aspect externe veiligheid.

Vuurwerk

Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten.

Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts).

In het plangebied en de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen. Dit onderdeel van externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie
Ten aanzien van externe veiligheid en voorziene buisleidingtracés zijn er geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling en de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.3 Kabels, leidingen en straalpad

In of nabij het plangebied liggen behoudens de in paragraaf 5.2 beschouwde buisleidingen geen andere planologisch relevante buisleidingen. Daarnaast liggen in of nabij het plangebied geen planologische relevante kabels of straalpaden. Op dit vlak is er daarmee geen sprake van belemmeringen in de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.4 Geluid

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarbij met behulp van een geluidrekenmodel per zone (weg) geluidcontouren zijn berekend in het plangebied. De geluidcontouren zijn weergegeven vanaf 48 dB (voorkeursgrenswaarde) in stappen van 5 dB. De maximaal toelaatbare hogere waarde bedraagt 63 dB.

Voor geluidgevoelige bestemmingen die worden geprojecteerd in het gebied waar de geluidbelasting ten hoogste 48 dB bedraagt, gelden vanuit de Wet geluidhinder geen voorwaarden. Indien geluidgevoelige bestemmingen in het gebied met een geluidbelasting tussen 49 en 63 dB worden gerealiseerd, dienen hiervoor hogere waarden te worden vastgesteld. Indien de geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd in een gebied met een geluidbelasting hoger dan 63 dB, is het vaststellen van een hogere waarde niet mogelijk. Deze situatie is alleen mogelijk als de geluidgevoelige bestemmingen worden uitgevoerd met een bouwkundige voorziening, zoals een dove gevel of vliesgevel. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld of een dove gevel wordt toegepast, dient bovendien met deze hoge geluidbelasting rekening te worden gehouden in het bouwkundig ontwerp, door het realiseren van een geluidluwe buitenruimte, verblijfsruimtes aan de geluidluwe gevel, etc.

Het complete akoestisch onderzoek is als bijlage 20 bijgevoegd. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies. Dit onderzoek is genuanceerd op basis van de werkelijke situatie in het plangebied en omgeving.

Onderzoek

Wegverkeer

Op basis van het meest recente stedenbouwkundig plan wordt de geluidsituatie in het plangebied bepaald in een akoestisch onderzoek. Dat onderzoek wordt verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

De locatie Van Puijenbroek is gelegen binnen de geluidzone van de Bergstraat en de Parallelweg. Ten noorden van de planlocatie ligt de 30 km/uur weg Dr. Ariënsstraat. De Watermolenstraat en de Weth. Vekemansstraat zijn 30 km/uur wegen met een geringe verkeersintensiteit en hebben daardoor geen relevante geluidbelasting. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn deze wegen wel meegenomen in het geluidonderzoek.

Uitgangspunt is dat de bestaande bedrijfsgebouwen op het terrein worden gesloopt, met uitzondering van de monumentale schoorsteen, de villa, de winkel en het stookhuis.

Uit het geluidonderzoek (bijlage 20 bij deze toelichting) blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de Bergstraat boven de voorkeursgrenswaarde ligt. Uit de rekenresultaten blijkt dat op de gevels van de nieuw te bouwen woningen de geluidbelasting ten gevolge van de Bergstraat ten hoogste 60 dB bedraagt (inclusief aftrek ex art. 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee overschreden. De geluidbelasting komt niet boven de maximaal ontheffingswaarde van 63 dB.

Het toepassen van een bronmaartrelen (stil asfalt) zorgt ervoor dat de geluidbelasting van slechts een beperkt aantal woningen wordt verlaagd tot onder de voorkeursgrenswaarde. Daarnaast is het toepassen van een scherm vanuit stedenbouwkundig opzicht niet doelmatig. De toepasbare maatregelen zijn, gelet op de te verwachten kosten en het aantal woningen dat hier voordeel aan ondervindt, niet doelmatig toe te passen. De woningen met een verhoogde geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Bergstraat hebben daarnaast een afschermende werking voor de achterliggende woningen. De Be-Bo woningen met een verhoogde geluidbelasting op de gevel hebben de beschikking over een geluidluwe achtergevel waaraan een buitenruimte is gesitueerd.

Omdat de maatregelen als niet doelmatig zijn bestempeld worden burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle verzocht om de in de volgende tabel gepresenteerde hogere waarden te verlenen.

Tabel 5.3: resultaten geluidbelasting Bergstraat (inclusief aftrek ex art. 110g Wgh)

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0024.png"  

De geluidbelasting vanwege niet-gezoneerde wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur bedraagt ten hoogste 46 dB (exclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder). Hoewel formeel niet van toepassing bij wegen waarop een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt, wordt daarmee de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening kan de geluidbelasting daarmee als aanvaardbaar worden beschouwd en is een goed woon- en leefklimaat voldoende geborgd.

Cumulatieve geluidbelasting

Aangezien er sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk gemaakt.

De cumulatieve geluidbelasting op de woningen bedraagt ten hoogste 60 dB incl. aftrek ex artikel 110g Wgh. Met een karakteristieke gevelgeluidwering die is afgestemd op de belasting op de gevel wordt een binnen-niveau van de karakteristieke ruimte van 33 dB gehaald. Hiermee kan worden gesteld dat er een aanvaardbaar akoestisch klimaat heerst bij alle geluidgevoelige bestemmingen.

Verkeersaantrekkende werking

De toename in de geluidbelasting tussen basisjaar 2021 en maatgevend jaar 2031 is beschouwd. Voor alle wegen is een inschatting gemaakt op basis van de toename in de etmaalintensiteit. Daarnaast is de toename in de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Bergstraat bepaald op basis van de resultaten van twee akoestisch rekenmodel. De modellen hebben representatief betrekking op de bestaande situatie en de beoogde situatie.

Uit deze beide analyses is gebleken dat de geluidbelasting met minder dan 2 dB (on-afgerond 1,5 dB) zal toenemen. Hierdoor is de toename ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking als aanvaardbaar beschouwd.

Conclusie

Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Het ontwerp van het hogerewaardenbesluit wordt tegelijk met het ontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegd.

5.5 Lucht

Algemeen
De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in 'Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan:

  • Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden.
  • Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
  • Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10).
  • Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd).

Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit Gevoelige bestemmingen.

Grenswaarden

De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. In onderstaande tabel zijn de desbetreffende grenswaarden weergegeven.

Tabel 5.4: Vastgestelde grenswaarden (concentraties in µg/m3)

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0025.png"

Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2 5) in Nederland over het algemeen het meest kritisch. Voor deze stoffen is de kans het grootste dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Hierbij moet opgemerkt worden dat de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m3) in Nederland nergens meer dan 18 keer per jaar wordt overschreden. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor en uit metingen over de afgelopen 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is.

Overige luchtverontreinigende stoffen

Voor de overige luchtverontreinigende stoffen, waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide en benzeen), geldt dat deze grenswaarden niet worden overschreden en de concentraties vertonen eveneens een dalende trend. Het is dan ook aannemelijk dat een overschrijding van de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden, als gevolg van een besluit, redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

Onderzoek
Door Antea Group is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het complete onderzoek is opgenomen als bijlage 23. Het doel is te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling past binnen de wet- en regelgeving met betrekking tot het milieuaspect luchtkwaliteit. In de uitgevoerde berekeningen voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2.5) is rekening gehouden met onderstaande, voor lucht relevante, activiteiten:

  • Het rijden van motorvoertuigen van en naar de woningen in het plangebied;
  • Het lossen, rijden en manoeuvreren van de trekker binnen/buiten het plangebied;
  • Het in werking zijn van één of beide houtketels van de biomassa-installatie in het plangebied.

De bijdrage van de onderzochte emissiebronnen aan de concentraties NO2, PM10 en PM2.5 is beperkt en de berekende jaargemiddelde concentraties liggen (ruim) onder de vastgestelde grenswaarden.

Conclusie
Op basis van luchtkwaliteitonderzoek kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen belemmering vormt voor verdere besluitvorming.

5.6 Bodem

Algemeen
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet -ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt dient te zijn voor de beoogde functie.

Onderzoek
In de afgelopen jaren zijn verscheidene onderzoeken uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn samengevat in bijlage 24.

Op basis van de voorgenomen ontwikkeling is in 2014 een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (‘Historisch onderzoek Bergstraat 50 ong. te Goirle’ kenmerk 236126, Antea Group, december 2014).

Uitgezonderd het terrein van HaVeP (de voormalige textielfabriek op de locatie Van Puijenbroek) en de locatie Bergstraat 26 (voormalige bleekloods) geeft het historisch onderzoek geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van (voormalige) bodembedreigende activiteiten op het onderzoeksterrein. De historische activiteiten en beëindigde bedrijfsactiviteiten op het terrein van de HaVeP en Bergstraat 26 zijn voldoende onderzocht. Op het terrein van de HaVeP is hierbij een aantal bodemverontreinigingen in de grond en het grondwater aangetoond met diverse zware metalen waarvan de omvang bekend is.

Aanvullend zijn in 2019-2020 een tweetal bodemonderzoeken uitgevoerd om een actueel beeld te verkrijgen van de bodemkwaliteit binnen de ontwikkellocatie:

  • 1. Verkennend en (actualiserend) nader bodemonderzoek, inclusief verkennend asbestonderzoek Bergstraat 50 e.o. te Goirle (Antea Group, d.d. 2 april 2020, kenmerk 0420418.105 rev02). Dit rapport is opgenomen in bijlage 25 bij deze plantoelichting.
  • 2. Verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek groenblauwe zone Zuidrand Goirle (Antea Group, d.d. 27 januari 2020, 0420418.105 rev01). Dit rapport is opgenomen in bijlage 26 bij deze plantoelichting.

Functie wonen

Op basis van de beschikbare bodemgegevens voor de ontwikkellocatie Van Puijenbroek (functie wonen) kan worden geconcludeerd dat er plaatselijk bodemverontreiniging aanwezig is waarvoor saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn om het terrein geschikt te maken voor de toekomstige functie wonen. De gehele locatie is voldoende onderzocht. Het overige terrein is geschikt voor de toekomstige functie wonen. Om te kunnen voldoen aan de beoogde functie wonen moeten voor de bekende bodemverontreinigingen vervolgstappen worden genomen (opstellen plan van aanpak, BUS-melding, saneringsplan, uitvoeren sanering etc.). Wanneer de goedkeuring niet gereed is bij de behandeling van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen dan kunnen hieraan voorwaarden worden gesteld in de vergunning. De kosten voor de bodemsanering zijn meegenomen in de exploitatie van de ontwikkeling.

Functie maatschappelijk

Op basis van de beschikbare bodemgegevens voor dit deel binnen de planbegrenzing (functie maatschappelijk) kan worden geconcludeerd dat er plaatselijk bodemverontreiniging aanwezig is waarvoor saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de toekomstige functie maatschappelijk. De gehele deellocatie is voldoende onderzocht. Het overige terrein is geschikt voor de toekomstige functie. Om te kunnen voldoen aan de beoogde functie moeten voor de bekende bodemverontreiniging vervolgstappen worden genomen (bv opstellen plan van aanpak, BUS-melding, saneringsplan, uitvoeren sanering etc.) en goedkeuring worden verkregen van het bevoegd gezag. Wanneer de goedkeuring niet gereed is bij de behandeling van de omgevingsvergunning voor het bouwen dan kunnen hieraan voorwaarden worden gesteld in de vergunning. De kosten voor de bodemsanering zijn geen belemmering voor de ontwikkeling.

Functie natuur

Op basis van de beschikbare bodemgegevens voor de ontwikkellocatie Van Puijenbroek (functie natuur) kan worden geconcludeerd dat er geen bodemverontreiniging aanwezig is waarvoor saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn. De locatie is voldoende onderzocht en er zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Het gebied is geschikt voor de toekomstige functie natuur.

Conclusie

Op basis van historisch bodemonderzoek, verkennend bodemonderzoek en de aanvullende onderzoeken kan worden geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn voor bodembedreigende activiteiten en/of de aanwezigheid van bodemverontreiniging ter plaatse. Hieruit volgt dat bodemsanering in delen van het plangebied noodzakelijk is. Deze bodemsanering vindt plaats in combinatie met de sloop- en graafwerkzaamheden. Op basis van de huidige resultaten worden geen belemmeringen verwacht vanuit het aspect bodemkwaliteit voor de herontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

5.7 Natuur

De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt sinds 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1988. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn door het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van de Wnb is drieledig:

  • 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
  • 2. decentralisdaite van verantwoordelijkheden;
  • 3. vereenvoudiging van regels.

In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wnb.

Gebiedsbescherming

In het kader van de Wnb en NNN (voorheen de Ecologische hoofdstructuur, EHS) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventuele buiten het NNN geleden bijzondere provinciale natuurgebieden.

In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina, Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels Laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

Natuurnetwerk Brabant (NNB)

Op de locatie waar nieuwbouw voorzien is binnen NNB (globaal rood omkaderd in Figuur 4.2) is nog niet gerealiseerde NNB-gebied aanwezig (‘N00.01 Zoekgebied 1 Algemeen geen CHW aanwezig’). Daarnaast wordt als gevolg van de herinrichting van het beekdal (de verlegging van de Nieuwe Leij) een deel van het bestaande NNB-gebied (N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos) in functie en inrichting veranderd (globaal geel omkaderd in Figuur 4.2). De Nieuwe en Oude Leij zijn aangewezen als het natuurbeheertype N03.01 Beek en Bron. (Dit natuurbeheertype blijft aanwezig na de verlegging van de beek.)

Het NNB-gebied is weergegeven in afbeelding 5.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0026.png"  

Afbeelding 5.5: Ligging Natuurnetwerk Brabant en bijbehorende natuurbeheertypen rondom Zuidrand Goirle. Rood omkaderd het deel waar woningbouw gepland is en waar compensatie voor gezocht moet worden. De gele omlijning geeft het NNB-gebied aan waar de nieuwe beekloop voorzien is en waar de NNB een andere invulling krijgt. Bron: Natuurbeheerplan Noord-Brabant, 2016.

Natura 2000

Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied ligt ongeveer één kilometer ten westen van het onderzoeksgebied. Het betreft hier het gebied Regte Heide & Riels Laag. In afbeelding 5.6 is de ligging van dit gebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0027.png"

Afbeelding 5.6: Ligging plangebied (rood omrand) t.o.v. Natura 2000-gebied. Blauw gestreept = Habitatrichtlijngebied. Bron: Natura 2000 viewer, EEA.

Soortenbescherming

De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

  • 1. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven:
    Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).
  • 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. IN de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
  • 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht ten nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, vernielen of te verstoren.

Onderzoek
In het kader van de ontwikkeling zijn natuurtoetsen uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van aantasting van beschermde soorten en/of gebieden. De complete natuurtoetsen zijn als bijlagen 27 en 28 bij deze plantoelichting gevoegd. Onderstaand zijn de bevindingen van de natuurtoets weergegeven. De gebiedsbescherming is in beide gevallen gelijk en wordt als eerste door de navolgende alinea's behandeld.

Gebiedsbescherming

In het kader van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Brabant dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden.

Natuurnetwerk Brabant (NNB)
Het plangebied ligt voor een deel in het NNB. Door de toekomstige ontwikkeling verdwijnt een deel van het oppervlak van het NNB, maar op andere plaatsen komt hier NNB voor terug. In het door Antea Group opgestelde rapport "Herbegrenzing NNB" (zie bijlage 4) is de beoordeling van de ontwikkeling in deze NNB uiteengezet, is weergegeven welke mitigatie/compensatie nodig is als gevolg van de effecten die optreden en hoe dit geïntegreerd wordt in de herontwikkeling van het project Zuidrand Goirle. Geconcludeerd kan worden dat door de integrale aanpak van het project Zuidrand Goirle en de mogelijkheden die hierdoor ontstaan, de NNB een impuls krijgt (o.a. door een kwalitatief betere inrichting, betere samenhang met de omgeving en een vergroting van de omvang).

Natura 2000
Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa één kilometer vanaf het Natura 2000- gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’. Op basis van de relatief geringe omvang in combinatie met de stedelijke afscherming van het onderzoeksgebied en de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, zijn effecten als gevolg van vrijwel alle verstoringsfactoren op voorhand uitgesloten.

Wel worden in het kader van het gehele plan, dus voor alle betrokken ‘rode’ ontwikkelingen (alle plangebieden zuidrand Goirle), stikstofberekeningen uitgevoerd. Dergelijke rode ontwikkelingen en werkzaamheden ten behoeve van - kunnen, onder andere door een toename in verkeersstromen, bijdragen aan de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitattypen in de omgeving. Ook de biomassa-installatie die in dit bestemmingsplan opgenomen is, kan leiden tot de uitstoot van stikstofdepositie. Het Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’ herbergt voor stikstof gevoelige habitattypen. Een toename van stikstofdepositie kan een negatieve invloed hebben op dergelijke habitattype. Op dit moment worden onderzoeken uitgevoerd naar de omvang van de stikstofdepositie. Deze onderzoeken worden bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegd. Indien nodig worden voor het bestemmingsplan in procedure gebracht wordt de benodigde vergunningaanvragen gedaan.

Soortbescherming

Natuurtoets t.b.v. woningbouwontwikkeling

Uit de natuurtoets die als bijlage 27 bij deze toelichting gevoegd is blijkt dat in het plangebied beschermde soorten verwacht worden die de voorgenomen ontwikkeling kunnen beïnvloeden. Het betreft het potentieel voorkomen van beschermd leefgebied en verblijfplaatsen van vogels met een jaarrond beschermd nest, vleermuizen, marterachtigen, amfibieën, libellen, eekhoorn en marterachtigen. Gezien deze verwachting is in 2014, 2016 en 2017 volgens de geldende protocollen onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen en het gebruik van de deellocatie door de bosbeekjuffer, eekhoorn, kleine marterachtigen (wezel) en de steenmarter, vinpootsalamander, vogels met een jaarrond beschermd nest en vleermuizen.

Bij het uitvoeren van de natuurtoets is gebleken dat de deellocatie waar werkzaamheden gaan plaatsvinden ten behoeve van de herinrichting.

Natuurtoets t.b.v. de natuurontwikkeling

Uit de natuurtoets die als bijlage 28 bij deze toelichting gevoegd is blijkt dat de aanwezigheid van de volgende beschermde soorten verwacht werd: vleermuizen, kleine marterachtigen en de vinpootsalamander. Tevens werd verwacht dat leefgebied van de steenuil en de kerkuil aanwezig was. Naar aanleiding van die verwachting is nader onderzoek uitgevoerd (zie onder).

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de conclusies uit de natuurtoetsen is nader onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied uitgevoerd. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in 2017. Het nader onderzoek wijst uit dat in het plangebied waar de woningbouw voorzien is essentieel (en in de Wet natuurbescherming beschermd) leefgebied voor de bosbeekjuffer, eekhoorn, kleine marterachtigen en de steenmarter, kerkuil en vleermuizen aanwezig is. Op de gronden waar de natuurontwikkeling voorzien is, zijn geen vleermuizen, kleine marterachtigen of de vinpootsalamander aangetroffen. Tevens is in dat deel van het plangebied geen leefgebied van de steenuill en de kerkuil aangetroffen. Het nader onderzoek is als bijlage 29 bij deze toelichting gevoegd.

Op basis van het nader onderzoek heeft vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen in het gedeelte van het plangebied waar woningbouw voorzien is plaatsgevonden. Dit onderzoek is uitgevoerd in 2018 en als bijlage 30 bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat in de bestaande bebouwing in het plangebied een aantal verblijfsplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig is. Deze verblijfsplaatsen worden beschermd door de Wet natuurbescherming. Daarnaast zijn in het plangebied foeragerende vleermuizen waargenomen. De voorgenomen woningbouwontwikkeling kan leiden tot een beperkte aantasting van het foerageergebied van vleermuizen. Door de ontwikkeling gaan echter geen vaste verblijfsplaatsen verloren. Dit omdat er in de omgeving van het plangebied voldoende alternatief en bereikbaar foerageergebied aanwezig is en blijft. De aantallen foeragerende vleermuizen zijn relatief laag. In relatie tot het foerageergebied van vleermuizen worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden.

Als uitwerking van het nader onderzoek heeft in 2018 ook aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in het plangebied plaatsgevonden. Dit onderzoek is als bijlage 31 bij deze toelichting gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Verstoring van jaarrond beschermde nesten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling kan daarmee uitgesloten worden. Vervolgstappen zoals een ontheffingsaanvraag zijn voor jaarrond beschermde nesten niet aan de orde. De voorgenomen ontwikkelingen zijn daarmee voor wat betreft vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest uitvoerbaar.

In aanvulling op het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten is nader onderzoek naar de aanwezig van nesten van de gierzwaluw uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als bijlage 32 bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er één nest van de gierzwaluw aanwezig is aan de rand van het plangebied. Het betreft een nest in het kantoorpand aan de Bergstraat. Om verstoring en functieverlies van het nest te voorkomen, dient uit voorzorg een ontheffing aangevraagd te worden.

Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Als gevolg van de aanwezigheid van deze soorten kunnen werkzaamheden in het plangebied pas uitgevoerd worden nadat een ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend is. Deze ontheffing is nodig voor werkzaamheden die invloed hebben op de gierzwaluw, bosbeekjuffer, kerkuil en de gewone dwergvleermuis. Voor de eekhoorn en de steenmarter geldt dat indien gewerkt wordt middels een goedgekeurde gedragscode, geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is.

Naast het voorkomen van vleermuizen moet in de toekomst tijdens de werkzaamheden rekening gehouden worden met algemene broedvogels (artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming).

Een ontheffingsaanvraag voor de voorgenomen ontwikkeling is medio mei 2019 ingediend. Deze ontheffingsaanvraag is als bijlage 33 bij deze toelichting gevoegd. In het kader van de ontheffingsaanvraag is een activiteitenplan opgesteld. Het activiteitenplan is als bijlage 34 bij deze toelichting gevoegd. Aan de hand van het nader onderzoek naar de gierzwaluw, is in het kader van de onheffingsaanvraag voor de gierzwaluw een aanvulling op het activiteitenplan opgesteld. Deze aanvulling is al bijlage 35 bij deze toelichting gevoegd.

Ten behoeve van de ‘Visie Zuidrand Goirle’ hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar de natuurwaarden ter plaatse. Deze onderzoeken zijn ook diverse malen geactualiseerd, onder andere naar aanleiding van de invoering van de Wet natuurbescherming (Wnb) in 2017. In bijlage 36 is een memo opgenomen met een actualisatie van de bestaande gegevens (soortenbescherming en gebiedsbescherming).

Conclusie

Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan onder de voorwaarden zoals genoemd in deze paragraaf. Voorwaarde daarbij is wel dat een ontheffing voor het uitvoeren van handelingen met effecten op beschermde soorten verleend wordt.

Vanuit het Natuur Netwerk Brabant kan worden gesteld dat door de integrale aanpak van het project Zuidrand Goirle en de mogelijkheden die hierdoor ontstaan, het Natuurnetwerk Brabant een kwaliteitsimpuls krijgt.

5.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een plan (bijvoorbeeld bestemmingsplan) of besluit (bijvoorbeeld de omgevingsvergunning) planmer-plichtig, projectmer-plichtig of vormvrij of niet vormvrij mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Het bevoegd gezag dient bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die zouden moeten noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Hierbij dient bevoegd gezag rekening te houden met de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Wetswijziging per 16 mei 2017

Op 16 mei 2017 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat (ook) voor een vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig plan een apart m.e.r.-beoordelingsbesluit door bevoegd gezag noodzakelijk is en dat de informatie hiervoor in een zogenaamde aanmeldingsnotitie gegeven moet worden (voor 16 mei 2017 was dit nog vormvrij en kon de informatie en het besluit onderdeel uitmaken van het moederbesluit). Het uitgangspunt (”geest van de wet”) van een m.e.r.-beoordeling is dat er in beginsel geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij er sprake is van wezenlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r. onder (in ieder geval) categorie D11.2. De omschrijving van de drempelwaarden behorend bij deze categorieën zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Tabel 5.5: M.e.r-(beoordelingsplichtige) activiteiten voor dit bestemmingsplan

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0028.png"

Voor alle categorieën uit het Besluit m.e.r. die op dit bestemmingsplan van toepassing zijn geldt dat zijn onder de ondergenzen uit dat besluit vallen. De totale oppervlakte van de gronden die geheel of gedeeltelijk heringericht wordt is circa 30 hectare. Er worden in totaal 187 woningen (186 nieuwe woningen en 1 bestaande woning) gerealiseerd. De ontgronding heeft een oppervlakte van 5,85 hectare. Omdat er geen drempelwaarden overschreden worden, moet voor de onderhavige bestemmingsplannen een aanmeldnotitie opgesteld worden. Deze aanmeldnotitie is als bijlage 37 bij deze plantoelichting gevoegd.

De aanmeldnotitie is gebaseerd op de onderzoeken en toetsen die ten grondslag liggen aan dit bestemmingsplan. Aanvullende informatie over een bepaald onderdeel van de aanmeldnotitie kan worden gevonden in de paragraaf waar het desbetreffende onderdeel uitgebreider beschreven is.

Uit de aanmeldnotitie blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De milieugevolgen zijn beoordeeld op:

  • hinder voor de omgeving;
  • bodem, water en ecologie,
  • archeologie en cultuurhistorie;
  • gezondheid;
  • cumulatie met overige projecten/ontwikkelingen.

Conclusie

De in het plangebied voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure.

Hoofdstuk 6 WATER

De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

6.1 Beleid

Rijk en provincie

Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021.

Nationaal Waterplan

Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water.

Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021

Dit plan, vastgesteld op 18 december 2015, geeft de hoofdlijnen van het milieu- en waterbeleid in de provincie. Hoofddoelen van dit plan zijn:

  • voldoende water voor mens, plant en dier;
  • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water, lucht);
  • bescherming van Brabant tegen overstromingen en extra risico's;
  • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

Structuurvisie

De provincie gaat ervan uit dat de wateroverlast in de regionale watersystemen in 2015 aangepakt is waarbij de trits "vasthouden, bergen, afvoeren" als uitgangspunt geldt. Het vasthouden van het water vindt zoveel als mogelijk bovenstrooms op de hoger gelegen gebieden plaats in de zogenaamde brongebieden. Hier liggen kansen voor de koppeling met natuurontwikkeling en droogtebestrijding. Ook in de nabijheid van de grote steden liggen kansen voor het bovenstrooms vasthouden en bergen van het water. Hier liggen mogelijkheden voor de koppeling met bijzondere woon- en werkmilieus, de vergroting van het recreatief uitloopgebied en bestrijding van de verdroging in het omliggende landelijk gebied.

Waterschap De Dommel

Waterschap De Dommel is waterbeheerder in het plangebied en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt hierna kort besproken:

  • Waterbeheerplan 2016 - 2021 'Waardevol Water';
  • Handreiking Watertoets;
  • Keur 2015.

Waterbeheerplan 2016 - 2021 'Waardevol Water'

Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016 - 2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's:

  • droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);
  • voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlakte water;
  • natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren;
  • schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;
  • mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.

De belangrijkste uitdagingen zijn:

  • voldoende water voor landbouw en natuur;
  • wateroverlast en hittestress;
  • kringloopdenken;
  • steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen;
  • vergroten waterbewustzijn.

Het waterbeheerplan is te vinden op de website van het waterschap: www.dommel.nl

Handreiking watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De initiatiefnemer verwoordt in een waterparagraaf zijn afweging van de waterhuishoudkundige aspecten. Het waterschap geeft hierover een wateradvies. De Handreiking watertoets, die door het waterschap De Dommel is opgesteld, is een middel om te komen tot een evenwichtige watertoets.

De handreiking is te vinden op de website van het waterschap www.dommel.nl

Keur

Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen, die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd.

Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan, is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is, zijn:

  • het dempen of wijzigen van een watergang;
  • het aanleggen van kabels of leidingen;
  • het planten van bomen en struiken;
  • het brengen van water in een watergang.

Gemeente 

Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019

Als antwoord op de zorgplicht voortkomend uit de Wet milieubeheer, is door de gemeenteraad het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 (VGRP) vastgesteld. Doelstellingen van het VGRP zijn:

  • beschermen volksgezondheid;
  • voorkomen wateroverlast;
  • voorkomen grondwateroverlast;
  • voorkomen milieuoverlast;
  • voorkomen instortingsgevaar (riolering);
  • voorkomen langdurige lozingsbeperking (riolering).

De gemeente Goirle en waterpartners streven naar een integrale en duurzame benadering van het watersysteem en de afvalwaterketen. Hierbij wordt nadrukkelijk samenwerking tussen de ketenpartners gezocht. Integraliteit en samenwerking zijn hierbij geen doelen op zich, maar essentiële randvoorwaarden om kosten en kwetsbaarheid te verminderen en de kwaliteit en kennisuitwisseling te verbeteren.

Door klimaatverandering wordt het bestaande rioolstelsel steeds zwaarder op de proef gesteld. Buien worden heviger en duren langer. Hierdoor neemt het risico op (grond)wateroverlast toe. Het blijven verruimen van de ondergrondse riolering is geen optie, de afvoercapaciteit zal tijdens extreme neerslagomstandigheden niet toereikend zijn en het is bovendien te kostbaar. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden niet afgewenteld op het bestaande watersysteem en rioolstelsel.

Om droge voeten te houden en schade te voorkomen wordt ruimte gecreëerd in het groen, oppervlaktewater en/of de openbare ruimte. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In openbaar gebied komt dit tot uiting door hemelwatervoorzieningen in groenstroken die geschikt zijn gemaakt voor de opvang van overtollig hemelwater, aanpassing van waterpartijen en/of bovengrondse waterregulerende constructies (bovengrondse waterslimme oplossingen). Indien doelmatig draagt de perceelseigenaar een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De gemeente ziet hierbij toe op een doelmatige invulling van de hemelwateropgave. Afkoppelen is hierbij een van de middelen.

Nieuwe ontwikkelingen en reconstructies worden hydrologisch neutraal ingepast. Gestreefd wordt om de menselijke activiteiten zo veel mogelijk af te stemmen op de natuurlijke (grond)waterfluctuaties.

6.2 Huidige en toekomstige situatie

Op basis van het stedenbouwkundig plan dat ten grondslag ligt aan de voorgenomen ontwikkeling, is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Dit waterhuishoudkundig plan beschrijft de waterhuishouding (afvoer van vuilwater alsmede de retentie en afvoer van hemelwater) in de toekomstige situatie en is als bijlage 38 bij deze toelichting gevoegd. Zie ook bijlage 39 bij deze toelichting.

Naar aanleiding van enkele wijzigingen in het stedenbouwkundig plan is een Notitie opgesteld. Deze notitie is als bijlage 41 bij deze toelichting gevoegd. Deze aanpassingen betekenen geen aantasting voor de gehanteerde klimaatrobuuste waterhuishoudkundige principes. Het doel van de notitie is de impact van de stedenbouwkundige wijzigingen te kwantificeren door het ontwerp te toetsen aan de kaders en randvoorwaarden afkomstig uit hoofdstuk 3 van het waterhuishoudingsplan en eventuele optimalisaties voor te stellen.

Huidige situatie

Verhard oppervlak

Voor het uitgewerkte stedenbouwkundige plan is een verkenning gedaan betreffende het verharde oppervlak, op basis van recente tekenbestanden. Hieruit blijkt dat het totaal verhard oppervlak afgerond 5,0 ha bedraagt.

Hoogteligging

De huidige maaiveldhoogte in het plangebied loopt af richting het zuiden. De Bergstraat loopt af van circa 15,26 meter boven NAP (noordwestzijde van het plangebied) tot 15,15 meter boven NAP (noordoostzijde van het plangebied). De Watermolenstraat heeft aan de oostzijde van het plangebied een hoogte van circa 15,50 meter boven NAP. In het plangebied varieert de maaiveldhoogte. Afbeelding 6.1 toont de ingemeten weghoogtes en het verloop van het terrein.

De grondwal aan de westzijde van het plangebied heeft een hoogte van circa 17,2 meter en wordt ten behoeve van de ontwikkeling van het woongebied Van Puijenbroek afgegraven. Het zuidelijk deel van het plangebied, het huidige beekdal van de Nieuwe Leij, is laaggelegen (maaiveldhoogte van tussen de 13 en 14 meter boven NAP).

De huidige terreinverhardingen van de fabriek liggen op een gemiddelde hoogte van circa 14,5 meter boven NAP.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0029.png"

Afbeelding 6.1: Hoogteligging plangebied (rood omkaderd) (Antea Group)

Bodem

De bodem in het plangebied bestaat tot een diepte van 1,2 meter onder maaiveld overwegend uit zeer fijn zijn. Onder die laag bevindt zich tot een diepte van 3 meter onder maaiveld matig fijn zand. De bodem in het plangebied is zeer goed doorlatend.

Waterlichamen

In het plangebied zijn twee A-watergangen aanwezig: De Nieuwe Leij en de Oude Leij.

Nieuwe Leij

Via de Nieuwe Leij watert het gehele (landelijke) gebied gelegen ten zuidwesten van Goirle af. Bij extreem hoge afvoeren treedt de Nieuwe Leij buiten haar oevers, waardoor de lager gelegen delen langs de beek overstromen. Om de overlast tegen te gaan zijn reeds diverse maatregelen, waaronder de realisatie van extra waterberging, genomen. Aan de zuidwestzijde van het plangebied is in de Nieuwe Leij een stuw aanwezig waarmee het peil in de Nieuwe Leij en de bovenstrooms gelegen gestuurde waterberging (Vloeder-zuid) gereguleerd kan worden. Deze stuw is voorzien van een vispassage.

Oude Leij

De Oude Leij verzorgt de afwatering van het landelijk gebied, gelegen ten zuidenoosten van Goirle. Diverse B-wateren en een A-watergang wateren af op de Oude Leij. Ter hoogte van het plangebied is de Oude Leij een smal stroompje door de weilanden heen. Bij de kruising met de Goirlesedijk is in de Oude Leij een stuw aanwezig waarmee het peil van de bovenstrooms gelegen gestuurde waterberging (Beekse dijk/Vosreyt) gereguleerd kan worden.

Waterberging

Het zuidelijke deel van het plangebied is gelegen in een natuurlijk overstromingsgebied, zie afbeelding 6.2. Dit gebied dient als regionale waterberging om wateroverlast tegen te gaan. Het zuidoostelijke deel van het plangebied is aangewezen als reserveringsgebied voor waterberging

In het kader van de planvorming voor de voorgenomen ontwikkeling is in samenspraak met Waterschap De Dommel de waterhuishoudkundige opgave en compensatie ten aanzien van de regionale waterberging in beeld gebracht met modellen (SOBEK) en uitgewerkt. Uitgangspunt is dat ruimtelijke plannen niet mogen leiden in een afname van regionale waterberging. Dit geldt ook voor het reserveringsgebied voor waterberging.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0030.png"

Afbeelding 6.2: Waterbergingsgebieden (Interimverordening Noord-Brabant)

Riolering

De daken in het plangebied alsmede de bestaande terreinverharding in het plangebied zijn aangesloten op het gemengd rioolstelsel onder de Bergstraat. Het rioolstelsel transporteert het afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie in Biest-Houtakker. In het rioolstelsel zijn overstorten (noodoverlopen) aanwezig die uitkomen op de Nieuwe Leij. In het plangebied liggen een dergelijke overstort en twee hemelwateruitlaten (ter plaatse van de Vloeidijk en de Watermolenstraat). De locaties van deze voorzieningen worden getoond door afbeelding 6.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0031.png"

Afbeelding 6.3: Huidig rioolstelsel met overstort en hemelwateruitlaten (Antea Group, 2019)

Ten zuiden van het plangebied liggen twee leidingen van het gemengde stelsel welke onder de Nieuwe Leij doorlopen. Op één van de twee aftakkingen loost het vuil- en hemelwater vanaf Huize Anna. Op de andere aftakking was eerder de fabriekslocatie (HaVeP) aangesloten, het vuilwater is reeds vervallen. Via dit stelsel wordt in de huidige situatie alleen nog hemelwater afgevoerd.

Wateropgave

Gelegen op de overgang van dorp naar beekdal is de locatie Van Puijenbroek een belangrijke schakel in het watersysteem van de Zuidrand en Goirle. Naar verwachting veroorzaakt de klimaatverandering in de toekomst zwaardere regenbuien afgewisseld met periodes van grotere droogte. De dynamiek leidt tot meer piekafvoer en meer periodes met zeer weinig water. Om met deze dynamiek om te kunnen gaan moet de voorgenomen ontwikkeling hydrologisch neutraal plaatsvinden.

Om een robuust watersysteem te creëren bestaat er ook een opgave om de afwatering van de verharde delen van het plangebied los te koppelen van het riool en de infiltratie en berging van water op te lossen binnen het plangebied.

Water in het plangebied moet trapsgewijs hergebruikt, vastgehouden, geïnfiltreerd, geborgen en afgevoerd worden. Zo wordt het water zichtbaar van de woning naar wadi’s gebracht.

In wadi's moet het het water infiltreren en mogelijk bij piekbuien overlopen naar het beekdal van de Nieuwe Leij. Door het watersysteem zichtbaar te integreren in de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte wordt klimaatbewustwording van de bewoners gestimuleerd. Bovendien creëert de verbinding van water aan groen een aangenaam en bijzonder woonmilieu. Het zichtbaar maken van water is reeds uitgewerkt in het stedenbouwkundig plan.

Compensatieopgave

Voor het bepalen van de waterbergingsopgave gelden de volgende uitgangspunten:

  • bij toename verhard oppervlak 60 millimeter water per vierkante meter toename compenseren;

Compensatie verhard oppervlak

Overzicht totaal verhard oppervlak in huidige en nieuwe situatie:

  • Huidig verhard oppervlak 47.500 m² (dit verhard oppervlak telt mee in de compensatieopgave).
  • Toekomstige verhard oppervlak 50.000 m².

In de nieuwe situatie is er sprake van een groter verhard oppervlak in het plangebied dan in de huidige situatie het geval is. Als gevolg van die toename in verhard oppervlak moet voorzien worden in extra waterberging in het plangebied. De ambitie voor de waterberging is hiermee 2.992 m3.

Compensatiemaatregelen

Om de toename aan verhard oppervlak te compenseren wordt in de toekomstige situatie 2.992 m3 aan nieuwe waterberging gerealiseerd. Dat is nog exclusief de extra capaciteit voor waterinfiltratie in de landschappelijke achtertuinen van de woningen in de deelgebieden 'Aan de Vloed' en 'De Tuin'. Daarmee wordt voldaan aan de ambitie om het in gehele plangebied een bergingscapaciteit van 60 millimeter water per vierkante meter te realiseren.

De totale capaciteit aan waterberging is als volgt verdeeld over verschillende bergingslocaties in het plangebied:

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2019003Puijenbro-vo01_0032.png"  

Riolering

In het plangebied wordt een vuilwateriool (diameter 250 millimeter) aangelegd voor het afvoer van het huishoudelijk afvalwater. Het vuilwaterriool stroomt onder vrij verval naar het nieuw te realiseren gemaal nabij Kerklaantje.

In de toekomstige situatie wordt het hemelwater niet langer via het riool afgevoerd, dit water wordt opgevangen in de wadi's in het plangebied. In die wadi's kan het water infiltreren in de bodem en/of getrapt worden afgevoerd naar de Nieuwe Leij.

Conclusie

Het plangebied kent in de toekomstige situatie een robuust watersysteem met voldoende bergingscapaciteit om neerslag in het plangebied op te vangen en te verwerken. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

Het Waterschap De Dommel heeft op 29 mei 2019 een positief wateradvies over de voorgenomen ontwikkeling gegeven. Dit advies is als bijlage 40 bij deze toelichting gevoegd. De detailopmerkingen die het waterschap in dat advies noemt zijn verwerkt in diverse onderzoeken of in privaatrechtelijke afspraken. De opmerking van het waterschap over de omgevingsvergunning voor het realiseren van de groenblauwe zone rond de Nieuwe Leij wordt in dit bestemmingsplan verwerkt als deze omgevingsvergunning voor vaststelling van dit bestemmingsplan verleend is. Zo niet, dan wordt deze opmerking verwerkt bij de eerstvolgende actualisatie van het planologisch regime voor de groenblauwe zone.

Hoofdstuk 7 OPZET PLANREGELS

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen.

7.1 Plansystematiek

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten.

Artikel 1 Begrippen
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomen dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven.

Artikel 2 Wijze van meten
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

De standaardopbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP bestaat uit:

  • bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming;
  • bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken;
  • nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken;
  • afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming;
  • afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen:

Artikel 3 Groen

De structuurdragende groenvoorzieningen in het plangebied hebben de bestemming 'Groen' gekregen. Naast groen zijn hier ook in-, uitritten, voet- en rijwielpaden, nutsvoorzieningen, bermen en bermsloten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, vijvers en watergangen, hondenuitlaatplaatsen en hondentoiletten, speelvoorzieningen, voorwerpen van beeldende kunst en straatmeubilair toegestaan. Binnen de bestemming mogen bouwwerken worden gebouwd. Het bouwen van gebouwen in deze bestemming is niet toegestaan.

Artikel 4 Maatschappelijk

Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van de toekomstige bouw van enkele zorgwoningen aan het Kerklaantje. Deze bestemming vervangt de bestaande bedrijfsbestemming op deze locatie, daarmee wordt milieuhinder als gevolg van die bestemming voorkomen. De bestemming kent nog geen bouwvlak, waardoor er nog geen bouwmogelijkheid geldt voor de bouw van zorgwoningen. Dit wordt in een seperaat plan uitgewerkt.

Artikel 5 Natuur

Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van het beekdal van de Nieuwe Leij. In deze bestemming vindt de kwaliteitsverbetering van het Natuurnetwerk Brabant plaats. Woningbouw op deze gronden is uitgesloten. Ter plaatse van de aanduiding 'natuur en landschap' biedt deze bestemming een mogelijkheid om ten behoeve van de woningen in het plangebied die aan deze aanduiding grenzen een kleinschalige zitgelegenheid aan de Nieuwe Leij in te richten. Deze mogelijkheid bestaat uitsluitend voor de woningen in het deelgebied 'Aan de Vloed'. De zitgelegenheid bestaat uit vaste, natuurlijke ingepaste zitelementen die bestand moeten zijn tegen eventuele overstromingen van door de Nieuwe Leij.

Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied

Wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie en waar een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt, zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De gronden met deze bestemming hebben tevens een verblijfsfunctie. Op deze gronden is, naast de ontsluitingsfunctie, ruimte voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, parkeerplaatsen, rijwielstalvoorzieningen en beeldende kunst. In deze bestemming deze bestemming zijn evenementen ook toegestaan.

Artikel 7 Water

Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van de Nieuwe Leij in het plangebied. Deze A-watergang, conform de voorschriften van het waterschap bestemd als 'Water'.

Artikel 8 Woongebied

Voor het grootste gedeelte van het plangebied is de bestemming 'Woongebied' opgenomen. Binnen deze gronden zijn maximaal 187 woningen en openbaar gebied beoogd, maar hiervan zijn de exacte bouwplannen op hoofdlijnen duidelijk. Het betreft daarom een flexibele bestemming waarbinnen, naast de functie wonen, onder meer verkeersvoorzieningen, speel-, groen- en nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding mogelijk zijn. Daarnaast zijn in de woning en in bijgebouwen onder voorwaarden aan huis verbonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan.

Om te borgen dat de compenserende waterberging wordt gerealiseerd en de bodemkwaliteit voldoet aan de eisen die bij een woonfunctie horen, zijn in de algemene gebruiksregels voorwaardelijke verplichtingen opgenomen (zie artikel 13). Deze voorwaardelijke verplichtingen stellen dat het gebruik van de gronden conform de bestemmingsomschrijving van de bestemming 'Woongebied' strijdig is indien niet voorzien is in de noodzakelijke waterberging zoals bepaald in het waterhuishoudkundig plan (zie bijlage 38 bij deze toelichting), dan wel als niet voldaan wordt aan de relevante bodemkwaliteitseisen.

Binnen de bestemming Woongebied zijn de cultuurhistorische gronden en bebouwing aangeduid als 'cultuurhistorische waarden'. Hiermee is het niet zonder meer mogelijk om deze gronden en bouwwerken te bewerken. Voor deze gronden is een omgevingsvergunning vereist voor werken, geen bouwwerk zijnde, of (sloop)werkzaamheden. Een nadere toelichting op het aspect cultuurhistorie is opgenomen in paragraaf 4.2.2.

Artikel 9 Leiding - Leidingstrook

Gronden met deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor de aanleg en de instandhouding van ondergrondse leidingen ten behoeve van het gastransport en daarmee samenhangende doeleinden. De bouwmogelijkheden op deze gronden zijn in beginsel beperkt. Ter bescherming van het leidingbelang is daarnaast een aanlegvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden op deze gronden opgenomen.

Artikel 10 Waarde - Archeologie

Ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de grond is over de enkelbestemming 'Natuur' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Voor het bouwen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport van een archeologisch onderzoek over te leggen, waaruit moet blijken dat de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate veilig worden gesteld.

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, aanduidings-, procedure-, afwijkings- en wijzigingsregels.

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan.

Artikel 12 Algemene bouwregels

Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Tenslotte is in de algemene bouwregels de parkeernorm en de bepaling over de laad- en losmogelijkheid bij gebouwen opgenomen.

Artikel 13 Algemene gebruiksregels

Deze regels bevatten de voor het plan geldende algemene gebruiksbepalingen voor wat betreft strijdig gebruik en parkeerregels.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

Vanwege de ligging nabij de Leij en het buitengebied van Goirle gelden er binnen het plangebied enkele aanduidingen op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant. Gezien de stedelijke ontwikkeling die met onderhavig plan wordt mogelijk gemaakt, betekent dat enkele aanduidingen moeten worden toegevoegd, verwijderd of aangepast. De onderbouwing hiervoor is beschreven in paragraaf 3.2. Het betreft de volgende aanduidingen:

De aanduidingen zoals genoemd in sub b t/m i zullen alleen in de ontwerpfase aanwezig zijn. Tegelijkertijd met het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan wordt een verzoek naar de provincie gestuurd om deze begrenzingen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant aan te passen. De provincie neemt hierover een besluit voor vaststelling van het bestemmingsplan, waardoor deze aanduidingen in het vastgestelde bestemmingsplan conform het besluit van de provincie worden verwerkt.

Artikel 16 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen.

Artikel 17 Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten aanzien van de wettelijke regels.

Artikel 18 Overige regels

Dit artikel bevat de nadere eisen die burgemeester en wethouders kunnen stellen aan de plaats en afmetingen van bouwwerken.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel

Artikel 19 Overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht (artikel 3.2.1) tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken (artikel 3.2.1) en gebruik (artikel 3.2.2).

Artikel 20 Slotregel

Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 8 UITVOERBAARHEID

8.1 Economische uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom de grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling.

In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen.

Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet een expliciet besluit worden genomen dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen. Met de ontwikkelaar wordt een privaatrechtelijke overeenkomst en een planschadeverhaalovereenkomst gesloten.

Naar aanleiding van bovenstaande is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het plan is onderworpen aan inspraak en is ter inzage gelegd voor ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden. Tijdens deze periode konden zij schriftelijk een zienswijze indienen bij het college van burgemeester en wethouders van Goirle. Van de gevoegde inspraakprocedure wordt een eindverslag opgesteld dat als bijlage in deze toelichting is opgenomen. Van het gevoerde overleg op grond van artikel 3.1.1 van het besluit ruimtelijke ordening is een verslag gemaakt dat eveneens in de bijlage is opgenomen.