De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, erven en verhardingen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:
a De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m. Bij hoekwoningen mag de hoogte van erfafscheidingen op de zijdelingse perceelsgrens maximaal 2 m bedragen, uitsluitend indien de voorgevelrooilijn van de om de hoek gelegen woningen niet wordt overschreden.
b De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m.
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.2.1 voor het bouwen van uitbreidingen (zoals erkers) ten behoeve van op de aangrenzende bestemming toegestane hoofdgebouwen voor de voorgevellijn, met dien verstande dat:
a De diepte van de uitbreiding maximaal 1/3 mag bedragen van de breedte van de uitbreiding;
b De diepte van de uitbreiding ten hoogste 1,5 m mag bedragen;
c De uitbreiding slechts mag bestaan uit één bouwlaag;
d De breedte van de uitbreiding ten hoogste de helft van de voorgevelbreedte van de woning mag bedragen;
e De afstand van de voorkant van de uitbreiding tot het openbaar gebied minimaal 2 m dient te bedragen;
f De goothoogte van de uitbreiding maximaal 3 m mag bedragen.