De voor ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ aangewezen gronden zijn naast de overige daaraan gegeven bestemmingen primair bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van de bovengrondse 150 kV hoogspanningsleidingen.
In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, mogen op of in deze bestemming begrepen grond uitsluitend worden gebouwd:
a bouwwerken tot een maximale bouwhoogte van 3 m voor:
de aanleg en instandhouding van de ondergrondse hoogspanningsleidingen;
b hoogspanningsmasten tot een maximale bouwhoogte van 35 m.
Op deze gronden mag ten behoeve van andere daarmee samenhangende bestemmingen slechts worden gebouwd, indien en voorzover met de belangen van de leiding rekening wordt gehouden. Alvorens op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen te beslissen, stelt het bevoegd gezag de leidingbeheerder in de gelegenheid om schriftelijk advies uit te brengen.
Het is verboden op de gronden met de bestemming ‘Leiding - Hoogspanning’ zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
a het aanleggen van wegen of paden en/of andere oppervlakteverhardingen;
b het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
c het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem;
d het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
e het aanbrengen van hoogopgaande bomen en beplanting;
f het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte;
g het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 2.5 m;
h het opslaan van materialen of stoffen die onder bepaalde omstandighedengevaar van brand of explosie kunnen opleveren.
Het in lid 19.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
a het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;
b reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit bestemmingsplan.
a De in lid 19.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de hoogspanningsleiding is gewaarborgd.
b. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in lid 19.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij de betreffende leidingbeheerder.
Het bevoegd gezag kan met een
omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 19.2 voor het bouwen ten behoeve
van de overige bestemmingen van deze gronden, met dien verstande dat:
a het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de hoogspanningsleiding dient te zijn gewaarborgd;
b het bevoegd gezag schriftelijk advies dient te hebben ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.