|
In deze regels wordt verstaan onder:
het bestemmingsplan "Bavel, Tervoortseweg 6" met identificatienummer NL.IMRO.0758.BP2020224010-VG01 van de gemeente Breda;
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
de verbeelding (plankaart) van het bestemmingsplan "Bavel, Tervoortseweg 6" zoals vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0758.BP2020224010-VG01 met bijbehorende regels (en eventuele bijlagen);
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de planregels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is;
een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;
een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbewerking.
een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet agrarische bedrijven of waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van andere land-, tuin-, bos- of natuurbouwkundige methoden met uitzondering van mestbewerking en vergisting;
Voorbeelden zijn: dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, paardenhouderijen niet zijnde fokkerijen, instelling voor agrarisch praktijkonderwijs, proefbedrijven.
een activiteit waarbij de werkzaamheden geheel of nagenoeg geheel met de hand worden uitgevoerd;
waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en die als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen;
een in de planregels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;
een voorziening gevestigd in een (bedrijfs)woning of een bijgebouw en gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een recreatief en veelal kortdurend nachtverblijf met het serveren van ontbijt, waarbij de bedrijfsvoering wordt gerund door de bewoners van de desbetreffende woning en/of eigenaren van het bijgebouw.
de in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten. ontleend aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering VNG) genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor een persoon of gezin, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
legaal tot stand gekomen bebouwing en gebruik, zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip verleende vergunning;
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw dat in bouwkundig opzicht en qua gebruik ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en zolder;
een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
een recreatieve activiteit op een aaneengesloten terrein ten behoeve van de bedrijfsmatige uitoefening van diensten op het gebied van recreatie, sport, educatie of cultuur welke geheel of in overwegende mate in de open lucht wordt aangeboden met de daarbij behorende voorzieningen;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
recreatief medegebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen en daarmee gelijk te stellen activiteiten (met uitzondering van rust- en picknickplaatsen met bijbehorend meubilair), dat geen specifiek beslag legt op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden en die in hoofdzaak gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving;
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
een agrarische activiteit waarbij de productie geheel of overwegend plaatsvindt in kassen;
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmeting, dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;
een bedrijfsvestiging, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;
een bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die is gericht op het houden van dieren, zoals rundveemesterij (exclusief vetweiderij), varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, schapen-, geiten-, of pelsdierhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen;
terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf;
het naast het exploiteren van een agrarisch bedrijf tevens hebben van een beperkt kampeerterrein als ondergeschikte nevenactiviteit op of in de onmiddellijke nabijheid van het ten behoeve van het agrarisch bedrijf toegekende bouwvlak;
een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas og een permanente tunnel of boogkas hoger dan 1,50 meter;
een bedrijfsmatige activiteit op kleine schaal. ondergeschikt aan de hoofdactiviteit, waarbij de werkzaamheden geheel of nagenoeg geheel met de hand worden uitgevoerd;
de in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling uit te voeren aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in hoofdlijnen heeft beschreven en zoals vastgelegd in Landschapsinvesteringsregeling Breda;
landschappelijk, cultuurhistorische en natuurlijk waardevolle elementen in het landschap zoals onder andere houtopstanden, houtwallen en singels of andere natuurlijke elementen anders dan opgaande beplanting zoals moerasjes, poelen en steilranden welke geen agrarische productiefunctie hebben;
bebouwing dat op grond van een onherroepelijke bouw- of omgevingsvergunning is gebouwd of gebouwd kan worden dan wel bebouwing dat vanwege een gerechtelijke uitspraak niet langer kan worden gewraakt;
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van de zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
een (deel) van een gebouw waarin slaapgelegenheid wordt geboden en waarbij sprake is van gemeenschappelijke voorzieningen ten behoeve van sanitair, kookgelegenheid en dergelijke;
het ontplooien van activiteiten op een agrarisch bouwvlak, die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen zoals kleinschalige recreatieve functies, agrarisch verwante functies, agrarisch technische hulpfuncties en statische opslag;
een niet zelfstandige horecafunctie welke onderdeel uitmaakt van een recreatieve of andersoortige voorziening en uitsluitend is bedoeld voor gebruikers of bezoekers van de betreffende voorziening;
teeltondersteunende voorzieningen niet zijnde permanente en / of tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, bedoeld ter ondersteuning of bescherming van teelten die rechtstreeks in de open grond plaatsvinden, zoals een hekwerk ten behoeve van boomteelt, teeltgeleidende en / of ondersteunende palen en dergelijke;
een vorm van agrarische bedrijvigheid, waar hoofdzakelijk wordt gewerkt met paarden en waarbij de bedrijfsvoering in hoofdzaak is gericht op het voortbrengen van producten/dieren door middel van het houden van dieren;
allerlei vormen van niet-agrarische en/of agrarisch verwante bedrijvigheid, niet zijnde maneges en/of paardenfokkerijen, waar hoofdzakelijk met paarden wordt gewerkt zoals africhtingsstallen, handelsstallen en paardenpensions;
het anders dan voor recreatieve bewoning aanwenden van een kampeermiddel of recreatiewoning voor bewoning;
voorzieningen ter ondersteuning van de diverse teelten op de bedrijven die voor onbepaalde tijd worden gebruikt;
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;
kwaliteit van een gebied dat bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde;
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
een caravan, die, als een gebouw valt aan te merken en als zodanig bedoeld is om permanent te worden geplaatst;
opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd voor handel;
neerslag van stikstofverbindingen uit de lucht op een oppervlakte, uitgedrukt in mol per hectare per jaar;
het oprichten of uitbreiden van bedrijfsgebouwen of het uitbreiden van het aantal dieren op een bedrijf zonder dat er extra depositie van stikstof op een nabijgelegen Natura 2000 gebied ontstaat;
voorzieningen, zoals kassen, tunnels, afdekfolies, containervelden en dergelijke die dienen ter ondersteuning van een agrarisch bedrijf;
het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten, voor zover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering tot een maximum van 6 maanden;
voorzieningen die dienen ter ondersteuning van de diverse teelten in de grond en gedurende maximaal 6 maanden van het jaar noodzakelijk zijn en worden opgericht, zoals folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten;
agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en/of pelsdieren;
vormen van recreatie waarbij ook nachtverblijf wordt geboden zoals campings, hotels en pensions;
het ontplooien van activiteiten op een agrarisch bouwvlak, die ruimtelijk inpasbaar zijn en verbonden zijn aan de bestaande en te behouden agrarische bedrijfsvoering zoals bijvoorbeeld minicampings en maisdoolhoven, agrarisch natuurbeheer, bewerking en waardevermeerdering van ter plaatse geproduceerde producten. de verkoop van streekeigen producten en zorgboerderijen;
mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het bouwvlak van een bestaand bouwperceel die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten;
wijziging van de begrenzing van een bouw- en bestemmingsvlak zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte;
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;
Bij toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
tussen de onderzijde van de begane grondvloer of het peil, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van hoogtes c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
Op of in de tot 'Agrarisch' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming met dien verstande dat:
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 en lid 3.2, mits wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda, zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd, voor:
Ten aanzien van het gebruik van gronden en opstallen zijn de regels als opgenomen
in artikel 7 van toepassing.
Ter plaatse van de in 3.1 bedoelde gronden mag niet worden gebouwd en mag geen verharding worden aangelegd,
behoudend wanneer ter plaatse in voldoende is onderzocht of de bodemgesteldheid geschikt
is voor de uit te voeren activiteiten middels een vooraf door Burgemeester en Wethouders
goedgekeurd verkennend bodemonderzoek en/of maatregelen worden getroffen om de bodemgesteldheid
geschikt te maken voor de gewenste activiteiten.
Het oprichten van bebouwing op de in 3.1 bedoelde gronden is uitsluitend toegestaan indien wordt voorzien in een waterbergingsvoorziening met voldoende capaciteit. De capaciteit van de waterbergingsvoorziening wordt als volgt berekend:
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 en in artikel 7, mits wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda, zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en indien wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd:
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen
(basisbestemming), bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden
ter plaatse.
Binnen de tot 'Waarde - Archeologie' bestemde gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van:
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels
indien op basis van een ingesteld archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat
ter plaatse waar gebouwd gaat worden geen archeologische waarden als zodanig aanwezig
zijn, dan wel dat er passende maatregelen zijn genomen om de aanwezige archeologische
waarde veilig te stellen, zoals het aanbrengen van een beschermingslaag, het opgraven
van de archeologische artefacten, het documenteren van de archeologische waarde of
anders met het bevoegd gezag overeengekomen maatregelen.
Ten aanzien van het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden is het bepaalde in lid 10.1 van toepassing met dien verstande dat aan een vergunning voorwaarden kunnen worden verbonden indien uit voorafgaand archeologisch onderzoek de aanwezigheid van archeologische waarden is vastgesteld en het om zwaarwichtige redenen niet mogelijk is de archeologische waarden geheel te behouden.
Geen omgevingsvergunning is vereist indien uit voorafgaand archeologisch onderzoek
is gebleken dat geen archeologische waarden aanwezig zijn en door het aanleggen of
het uitvoeren van de vergunningplichtige werken of werkzaamheden, dan wel de daaraan
direct of indirect te verwachten gevolgen, geen archeologische waarden worden aangetast.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan
uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van
latere bouwplannen buiten beschouwing.
Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, en gelet op het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, met een omgevingsvergunning afwijken van:
Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan
het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale
veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de bestemmingen
wijzigen in de bestemming Bedrijfs-Nutsvoorziening en toestaan dat bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, zoals zend-, ontvang- en/of sirenemasten, kunnen worden geplaatst
tot een maximale hoogte van 50 meter, mits wordt voldaan aan Landschapsinvesteringsregeling
Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders binnen de bestemde of nader aangeduide gebieden, onder verwijzing naar de tabel van omgevingsvergunningen en gebruiksverboden, de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:
Overzicht van werken en werkzaamheden:
Bodem:
Beplanting/grondgebruik:
Water:
Tabel van vergunningen en gebruiksverboden
| Bestemmingen/Aanduidingen | a | b | c | d | e | f | g | h | i | j | k |
| Waarde - Archeologie | A | A | A | + | A | A | A | A | A | A | A |
A = Vergunning vereist.
+ = Toegestaan.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.1.1 is slechts toelaatbaar, indien door die werken en/of werkzaamheden de natuur- en
landschappelijke waarden en de cultuurhistorische en archeologische waarden op deze
gronden niet worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking
en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate worden verkleind en indien
een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het verkeersbelang,
tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd
dan wel de in geval van de aanwezigheid van boven- of ondergrondse leidingen de betreffende
leidingbeheerder een positief advies heeft afgegeven.
Het bepaalde in in lid 10.1.1 is niet van toepassing op:
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" van gemeente Breda ten behoeve van het omschakelen van de intensieve veehouderij aan de Tervoortseweg 6 te Bavel naar een grondgebonden akkerbouwbedrijf en paardenfokkerij. Bij dit grondgebonden bedrijf zullen vervolgens, in het kader van verbrede landbouw, statische opslag en kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 2 als nevenactiviteit worden uitgevoerd.
In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De ontwikkelingen in de agrarische sector volgen elkaar in hoog tempo op. Met name in de (intensieve) veehouderij gelden steeds strengere eisen ten aanzien van dierwelzijn, volksgezondheid, duurzaamheid, ammoniak, stikstof, milieu en het woon- en leefklimaat, waardoor veehouders vaak forse investeringen moeten doen in het bedrijf om aan al deze strengere eisen vanuit de wet- en regelgeving te kunnen voldoen. Het is voor de initiatiefnemer hierdoor erg moeilijk om een volwaardig, duurzaam en rendabel intensief veehouderijbedrijf uit te kunnen blijven voeren.
Daarnaast is de locatie gelegen in een gebied waarin voornamelijk burgerwoningen zijn gelegen. Hierdoor wordt in de omgeving van het bedrijf hinder ondervonden van de intensieve veehouderij van de initiatiefnemer. Het is voor de initiatiefnemer daarom wenselijk ter plaatse te voorzien in een passende herbestemming om de hinder aan de omgeving sterk terug te dringen. Tevens biedt de locatie onvoldoende mogelijkheden om een intensieve veehouderij verder te ontwikkelen.
Om deze redenen is het voor de initiatiefnemer wenselijk te staken met de intensieve veehouderij. De Rijksoverheid heeft, met name om maatregelen te treffen om de huidige problematiek rondom stikstof in goede banen te leiden, de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) in het leven geroepen. Vanuit deze regeling kan, als aan de voorwaarden wordt voldaan, voor de beëindiging van een intensieve veehouderij een subsidie worden verkregen. In ruil daarvoor dient, door middel van het herbestemmen van de intensieve veehouderij, te worden geborgd dat ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij mogelijk kan worden gemaakt.
De initiatiefnemer is echter een echte agrariër en wenst daarom agrarische activiteiten te blijven uitvoeren. De initiatiefnemer heeft ongeveer 11 hectare aan landbouwgrond in beheer die de initiatiefnemer wenst te gebruiken voor akkerbouw en tuinbouw. Daarnaast wenst de initiatiefnemer ter plaatse te voorzien in een paardenfokkerij voor 15 tot 20 paarden. Een paardenfokkerij betreft geen (intensieve) veehouderij. Met de voorgenomen omschakeling wordt daarmee voorzien in een agrarisch bedrijf, niet zijnde een (intensieve) veehouderij. Bovendien is dit aantal zeer beperkt en vormt de fok van paarden niet de hoofdtak van de bedrijfsvoering.
Om ter plaatse te kunnen voorzien in voldoende (neven)inkomsten uit het bedrijf wenst de initiatiefnemer te voorzien in activiteiten voor verbrede landbouw. Daarbij is het wenselijk om ter plaatse te voorzien in (maximaal) 1.000 m² aan statische opslag en maximaal 400 m² aan ambachtelijke (en kleinschalige) niet-agrarische bedrijvigheid in maximaal milieucategorie 2. Hiermee kan de initiatiefnemer ter plaatse voorzien in voldoende inkomsten voor het noodzakelijke levensonderhoud en voor een gezonde en duurzame bedrijfsvoering ter plaatse.
De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan.
De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen
ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld
conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient
als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan
worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of
milieutechnisch vlak.
De planlocatie is gelegen aan Tervoortseweg 6 te Bavel en ligt aan de noordoost kant
van Bavel in het landelijk gebied van gemeente Breda. De locatie is kadastraal bekend
onder gemeente Nieuw-Ginniken, sectie M, nummers 443, 618 en 680. In de volgende figuur
is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
De locatie heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied Oost", zoals vastgesteld door
de gemeenteraad van de gemeente Breda op 13 juli 2017, de bestemming 'Agrarisch',
een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', een aanduiding 'bouwvlak', een functieaanduiding
'intensieve veehouderij' en een gebiedsaanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij'.

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
De gewenste omschakeling naar akkerbouw en een paardenfokkerij, wat beiden grondgebonden agrarische activiteiten betreffen, passen op basis van artikel 3.1 van het geldende bestemmingsplan rechtstreeks binnen de agrarische bestemming. Hierbij is wel de voorwaarde dat niet in hoofdzaak met paarden wordt gewerkt en de akkerbouwtak de hoofdactiviteit wordt en blijft. Bij de gewenste ontwikkeling en bedrijfsvoering zal de akkerbouwtak de hoofdactiviteit zijn en blijven.
Vanuit artikel 3.5 onder c kan statische opslag als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf onder voorwaarden mogelijk worden gemaakt met toepassing van een afwijkingsmogelijkheid uit het geldende bestemmingsplan tot een maximale oppervlakte van 1.000 m².
De gewenste niet-agrarische ambachtelijke bedrijvigheid kan op basis van artikel 3.5 onder b als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf mogelijk worden gemaakt met toepassing van een afwijkingsmogelijkheid uit het geldende bestemmingsplan tot een maximale oppervlakte van 400 m².
In het geldende bestemmingsplan is geen mogelijkheid opgenomen om de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' te verwijderen. Daarnaast is in het geldende bestemmingsplan geen mogelijkheid opgenomen om nieuwe bebouwing mogelijk te maken ten behoeve van een paardenfokkerij, welke als nevenactiviteit zal worden uitgevoerd bij het akkerbouwbedrijf. Bij het gewenste initiatief zal ongeveer 974 m² aan nieuwe bebouwing worden opgericht ter vervanging van de ongeveer 3.570 m² te slopen (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing. Omdat deze nieuwe bebouwing deels wordt gebruikt ten behoeve van de uit te voeren paardenfokkerij als nevenactiviteit is het vanuit het geldende bestemmingsplan niet rechtstreeks mogelijk deze nieuwe bebouwing op te richten.
De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet geheel binnen de bepalingen uit het
geldende bestemmingsplan. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan
gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan
genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen,
mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk
en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling
nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren
op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Breda.
De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgronden. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een relatief grote opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.
In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele burgerwoningen en enkele agrarische bedrijven gelegen.
Op de locatie is momenteel een intensieve veehouderij gevestigd. Ter plaatse mogen, volgens de geldende vergunning, de volgende dieren worden gehouden:
Deze dieren worden momenteel gehuisvest in de daarvoor bestemde stallen op het bedrijf. Naast de stallen voor het houden van dieren zijn ter plaatse een bedrijfswoning met de daarbij behorende bijgebouwen, voorzieningen voor mestopslag en een opslagloods/werktuigenberging.
In de huidige situatie is de volgende bebouwing aanwezig:
| Type bebouwing | Oppervlakte (in m²) (+/-) |
| Bedrijfswoning (inclusief aangebouwd bijgebouw) | 450 |
| Opslagloods en werktuigenberging | 552 |
| Stallen | 4087 |
| Mestopslag | 176 |
| Totaal | 5.265 |
Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,36 hectare
groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie. Het
bouwvlak is daarin rood omlijnd en uitgelicht weergegeven.

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de intensieve veehouderij te beëindigen en om te schakelen naar een grondgebonden bedrijf voor akkerbouw en tuinbouw en een paardenfokkerij. Daarnaast wenst de initiatiefnemer, in het kader van verbrede landbouw, ter plaatse te voorzien in statische opslag en kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid (in maximaal milieucategorie 2) als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf.
Omdat de initiatiefnemer deelneemt aan de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) dient geborgd te worden dat zich ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij meer kan vestigen. Bij de voorgenomen herbestemming zal de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' van de locatie worden verwijderd, waarmee vestiging van een nieuwe intensieve veehouderij niet langer mogelijk zal zijn.
De gewenste bedrijvigheid zal gaan bestaan uit een combinatie van een akkerbouw en tuinbouwbedrijf en een paardenfokkerij voor 15 tot 20 paarden. Omdat bij de paardenfokkerij ook sprake is van het fokken van paarden (het voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren) is dit aan te merken als een agrarische activiteit. Daarnaast zijn de akkerbouw en tuinbouw activiteiten eveneens agrarische activiteiten. Het houden van paarden wordt, vanuit het ruimtelijke beleid, niet gezien als het houden van vee. Onder een veehouderij wordt immers verstaan een bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren. Na de voorgenomen omschakeling is daarmee sprake van een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij.
Naast de voorgenomen agrarische bedrijfsvoering wenst de initiatiefnemer, om ter plaatse te kunnen voorzien in voldoende inkomsten, verbrede landbouw uit te voeren. Daarbij wenst de initiatiefnemer, als nevenactiviteit bij de agrarische bedrijfsvoering, statische opslag en kleinschalige ambachtelijke niet-agrarische bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 2 uit te voeren.
Zowel de statische opslag als de kleinschalige ambachtelijke niet-agrarische bedrijvigheid kan, onder voorwaarden, door middel van een omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
Het is voor de initiatiefnemer wenselijk te voorzien in maximaal 1.000 m² aan statische opslag en in maximaal 400 m² aan ruimte voor de kleinschalige ambachtelijke niet-agrarische bedrijvigheid. De kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid zal worden uitgevoerd in maximaal milieucategorie 2. Dit wordt in de planregels behorende bij dit plan geborgd.
De initiatiefnemer is voornemens een deel van de bestaande bebouwing te behouden en te gebruiken voor de nieuwe gewenste bedrijfsfuncties. Een deel van de bestaande bebouwing, met name de huidige varkensstallen, zullen worden gesloopt. In ruil daarvoor zal een nieuw bedrijfsgebouw en een nieuwe rijbak worden opgericht.
In totaal zal ongeveer 3.570 m² aan (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Het nieuw te bouwen bedrijfsgebouw, dat wordt gebouwd ter vervanging van een deel van de te slopen bedrijfsbebouwing, zal ongeveer 998 m² groot worden. De nieuwe rijbak zal een oppervlakte van ongeveer 1.200 m² krijgen.
In de gewenste situatie zal de volgende bebouwing met de volgende functies aanwezig zijn:
| Type bebouwing | Nummer op situatieschets | Oppervlakte (in m²) (+/-) |
| Bedrijfswoning met aangebouwd bijgebouw, voor agrarische doeleinden | 1 | 450 |
| Bedrijfsgebouw voor statische opslag | 2 | 375 |
| Bedrijfsgebouw voor agrarische doeleinden | 3 | 180 |
| Bedrijfsgebouw voor niet-agrarische bedrijvigheid (400 m²) en statische opslag (106 m²) | 4 | 510 |
| Bedrijfsgebouw voor statische opslag (499 m²) en agrarische doeleinden, waaronder stalling voor paarden (499 m²) | 5 | 1.000 |
| Rijbak | 6 | 1.200 |
| Totaal | 3.715 | |
In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven,
waarop de nummers uit de voorgaande tabel zijn opgenomen. Een volledige situatietekening
op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.

Situatietekening gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.
Het bouwvlak zal met de voorgenomen ontwikkeling niet worden gewijzigd.
Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties.
Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving. De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen.
De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal:
Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken.
Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen. Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet.
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten.
Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk
niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen
zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten. De nationale belangen zijn juridisch
verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro
is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende
toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen
dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in
de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen
vindt plaats aan het provinciaal beleid.
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht
is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.
Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en
is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:
"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren,
detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."
Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een
stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is
daarmee niet vereist.
Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat.
De ontwerp Omgevingsvisie gaat over twee vragen:
De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.
De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.
Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.
Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.
Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.
Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.
Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.
Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:
Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.
Ten aanzien van het omschakelen van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden
agrarisch bedrijf met paardenfokkerij en het uitvoeren van nevenactiviteiten bij het
agrarisch bedrijf zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen in de omgevingsvisie.
Wel geldt dat op duurzame wijze moet worden ontwikkeld. Ter plaatse worden voldoende
maatregelen getroffen voor het beperken van het energieverbruik. Tevens zullen mogelijkheden
worden onderzocht voor verdere verduurzaming van de locatie.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals
zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd.
Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als '(gemengd) landelijk gebied' en 'gebied beperkingen veehouderij'. Daarnaast is het gebied waarin de locatie is gelegen aangemerkt als 'verstedelijking afweegbaar'.
In het gebied 'verstedelijking afweegbaar' worden aanvullende mogelijkheden geboden voor stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied. Dit is op de voorgenomen ontwikkeling echter niet van toepassing, omdat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Echter geeft dit wel aan dat in dit gebied doorgaans ruimere mogelijkheden worden geboden voor ontwikkelingen dan in gebieden die niet voor verstedelijking afweegbaar zijn aangemerkt.
In het gebied beperkingen veehouderij gelden, vanuit artikel 3.51 van de omgevingsverordening, aanvullende (beperkende) bepalingen voor veehouderijbedrijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is niet langer sprake van een veehouderij, waarmee de aanvullende bepalingen ten aanzien van dit gebied niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
Voor wat betreft (de omschakeling naar) een grondgebonden akkerbouw en tuinbouwbedrijf in het (gemengd) landelijk gebied gelden, vanuit artikel 3.54 van de omgevingsverordening, de volgende regels:
"Artikel 3.54 grondgebonden teeltbedrijf in gemengd landelijk gebied
Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf als:
Ad. artikel 3.54, sub a:
De initiatiefnemer neemt deel aan de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv). Vanuit deze regeling dient de intensieve veehouderij te worden beëindigd en dient te worden geborgd dat er ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij kan worden gevestigd. Daarnaast is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'beperkingen veehouderij'. De mogelijkheden voor het verder ontwikkelen van een veehouderij zijn daarmee op de locatie zeer beperkt. Om te kunnen blijven bestaan als een volwaardig agrarisch bedrijf is het noodzakelijk ter plaatse te voorzien in grondgebonden agrarische activiteiten, niet zijnde veehouderij. Derhalve is een bedrijfsvoering met grondgebonden akkerbouw en tuinbouw noodzakelijk voor een volwaardige, doelmatige en duurzame bedrijfsvoering.
Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Ad. artikel 3.54, sub b:
Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten en/of uitbreiden van kassen. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de maximaal toelaatbare maximale oppervlakte aan kassen bij een grondgebonden agrarisch teeltbedrijf.
Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Zoals blijkt uit voorgaande wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de regels die gelden voor een grondgebonden teeltbedrijf in het (gemengd) landelijk gebied. Hiermee past de voorgenomen omschakeling naar een grondgebonden akkerbouw en tuinbouwbedrijf binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de omgevingsverordening.
In de omgevingsverordening zijn vier typen agrarische bedrijven opgenomen, namelijk een veehouderij, een grondgebonden teeltbedrijf, een glastuinbouwbedrijf en een overig agrarisch bedrijf. Een paardenfokkerij wordt, op basis van de begrippen uit de omgevingsverordening niet gezien als een veehouderij. Een veehouderij is, in artikel 1.1 van de omgevingsverordening, namelijk als volgt omschreven:
"veehouderij
agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen,
geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren;"
De gewenste paardenfokkerij is daarmee niet aan te merken als veehouderij, waarmee geen sprake is van een veehouderijbedrijf. Een paardenfokkerij is eveneens geen grondgebonden teeltbedrijf en/of glastuinbouwbedrijf, waarmee sprake is van een overig agrarisch bedrijf. Op basis van artikel 3.58 uit de omgevingsverordening gelden voor overige agrarische bedrijven in het (gemengd) landelijk gebied de volgende regels:
"Artikel 3.58 overig-agrarisch bedrijf in gemengd landelijk gebied
Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in uitbreiding
van, vestiging van of omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot een omvang van
ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel, als de toelichting een verantwoording bevat dat de ontwikkeling
noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering."
Ad. artikel 3.58:
Zoals reeds hiervoor aangegeven neemt de initiatiefnemer deel aan de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv). Vanuit deze regeling dient de intensieve veehouderij te worden beëindigd en dient te worden geborgd dat ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij kan worden gevestigd. Door de voorgenomen omschakeling en het verwijderen van de aanduiding 'intensieve veehouderij' van de locatie wordt dit geborgd. Het is daarmee niet mogelijk om het huidige intensieve veehouderijbedrijf voort te zetten. Daarnaast is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'beperkingen veehouderij'. Door de ligging in dit gebied zijn op de locatie de mogelijkheden voor het verder ontwikkelen van een veehouderij aanzienlijk beperkt. Het uitvoeren van een doelmatig en volwaardig veehouderijbedrijf behoort op de locatie dan ook niet tot de mogelijkheden.
De initiatiefnemer heeft onvoldoende landbouwgronden in beheer om ter plaatse te kunnen voorzien in een volwaardig bedrijf dat puur gericht is op de akkerbouw en de tuinbouw. Om ter plaatse te kunnen voorzien in voldoende inkomsten en arbeid is het voor de initiatiefnemer noodzakelijk om een gecombineerd bedrijf op te richten, waarbij de akkerbouw en tuinbouwactiviteiten worden gecombineerd met een paardenfokkerij. De paardenfokkerij is daarmee noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering.
Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,36 hectare groot en mag in het huidige bestemmingsplan volledig worden benut voor bebouwing. Het bouwvlak zal met de voorgenomen omschakeling niet worden gewijzigd. Er is daarmee geen sprake van een bouwvlak dat de maximaal toelaatbare omvang zal overschrijden.
Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Zoals blijkt uit voorgaande kan met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan aan de voorwaarden voor het uitvoeren van een overig agrarisch bedrijf in het (gemengd) landelijk gebied. De voorgenomen paardenfokkerij past daarmee eveneens binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de omgevingsverordening.
Naast de agrarische activiteiten wenst de initiatiefnemer, om ter plaatse te kunnen
voorzien in voldoende inkomsten bij het bedrijf, niet-agrarische nevenactiviteiten
bij de agrarische bedrijfsvoering uit te voeren. Het betreft statische opslag (maximaal
1.000 m²) en kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie
2 (maximaal 400 m²). Voor wat betreft het uitvoeren van (niet-agrarische) nevenactiviteiten
bij het agrarisch bedrijf zijn in de omgevingsverordening geen specifieke bepalingen
opgenomen.
Gezien het voorgaande wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de regels uit de omgevingsverordening voor het uitvoeren van de gewenste bedrijfsvoering en nevenactiviteiten.
Naast specifieke regels voor het uitvoeren van activiteiten in het landelijk gebied gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied, vanuit artikel 3.5 van de omgevingsverordening, algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen:
"Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Lid 1
Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.
Lid 2
Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen:
"Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:
Lid 2
Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk
Gebied of een bestaand bouwperceel."
Ad. 3.6, lid 1, sub a:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwvestiging, want het geldende bestemmingsplan laat reeds bebouwing of een bedrijfsfunctie toe, maar van omschakeling. Vanuit het tweede lid wordt gesteld dat onder bestaand ruimtebeslag wordt verstaan "het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel". De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een reeds bestaand bouwperceel. Het bouwperceel zal met de voorgenomen ontwikkeling niet worden gewijzigd en/of worden vergroot. Daarmee vindt de voorgenomen ontwikkeling plaats binnen het bestaand ruimtebeslag.
Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Ad. 3.6, lid 1, sub b:
Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3).
Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Ad. 3.6, lid 1, sub c:
Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel.
Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Ad. 3.6, lid 2:
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een reeds bestaand bouwperceel. Het bouwperceel zal met de voorgenomen ontwikkeling niet worden gewijzigd en/of worden vergroot. Daarmee vindt de voorgenomen ontwikkeling plaats binnen het bestaand ruimtebeslag.
Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.
Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen:
"Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering
Lid 1
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.
Lid 2
De lagenbenadering omvat de effecten op:
Lid 3
Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde,
vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet
op duurzaamheid en toekomstbestendigheid."
Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.
Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen:
"Artikel 3.8 meerwaardecreatie
Lid 1
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:
Lid 2
De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering
landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie."
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een intensieve veehouderij worden beëindigd en worden omgeschakeld naar een grondgebonden teeltbedrijf en een paardenfokkerij. Een intensieve veehouderij heeft een aanzienlijk grotere uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, broeikasgassen en ammoniak dan een grondgebonden teeltbedrijf en een paardenfokkerij. Bij de voorgenomen omschakeling zal de uitstoot van het bedrijf dan ook aanzienlijk afnemen. Dit heeft een aanzienlijke meerwaarde op het gebied van milieu en natuur. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee worden verbeterd.
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschapsinvesteringsregeling Breda" (paragraaf 3.3.2) betreft de voorgenomen ontwikkeling een ontwikkeling met (nagenoeg) geen impact op het landschap en is geen aanvullende kwaliteitsverbetering vereist. Echter zal de initiatiefnemer, als aanvullende bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit, een deel van de aanwezige bedrijfsbebouwing slopen. Hoewel er in ruil voor de sloop ook nieuwbouw zal plaatsvinden is deze nieuwbouw kleiner (ongeveer 1.396 m²) dan de te slopen bebouwing. Daarmee zal het bebouwd oppervlak ter plaatse afnemen, waarmee sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Omdat de te slopen m² en de afname van het aantal m² bebouwing niet in de planregels behorende bij dit plan wordt vastgelegd is deze afname van bebouwing echter niet meegenomen in dit plan als zijnde een concrete maatregel voor meerwaardecreatie, maar uitsluitend als aanvullende bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit.
Zoals reeds aangegeven bevat artikel 3.9 aanvullende regels voor wat betreft de kwaliteitsverbetering van het landschap (meerwaardecreatie). Het gestelde in artikel 3.9 luidt daarbij als volgt:
"Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap
Lid 1
Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied
bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke
kwaliteit van het gebied of de omgeving.
Lid 2
Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat:
Lid 3
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten:
Lid 4
Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende
financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek
verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken."
De gemeente Breda heeft met de provincie afspraken gemaakt voor een invulling van
de gestelde kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze zijn opgenomen en vastgelegd
in de Landschapsinvesteringsregeling Breda. Zoals nader aangetoond in de paragraaf
"Landschapsinvesteringsregeling Breda" (paragraaf 3.3.2) past de voorgenomen ontwikkeling binnen de gemaakte afspraken die tussen de gemeente
en de provincie zijn gemaakt.
Hiermee wordt met de voorgenomen ontwikkeling in voldoende mate voldaan aan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit, zoals geldt vanuit artikel 3.9 van de verordening.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie.
Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen
sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende
lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen
ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.
De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het beleid zoals is opgenomen in de
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
De provincie is, in het kader van de op handen zijnde Omgevingswet en door gewijzigde inzichten, bezig met het opstellen van een nieuwe omgevingsverordening voor het grondgebied van de provincie. Daarin beoogt de provincie de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie juridisch te borgen in concrete regels. Van de nieuwe omgevingsverordening heeft het ontwerp reeds ter inzage gelegen. Daarmee is de nieuwe omgevingsverordening nog niet in werking getreden. Echter heeft een ontwerp van een verordening al wel een juridische status en dient een ontwikkeling, om strijdigheden met het op handen zijnde toekomstige beleid te voorkomen, zowel aan de huidig geldende verordening als aan het ontwerp van de nieuwe verordening te worden getoetst.
Ten aanzien van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is het beleid in de (Ontwerp) Omgevingsverordening Noord-Brabant slechts op enkele punten gewijzigd. Gezien de toetsing aan het beleid in de Interim Omgevingsverordening al heeft plaatsgevonden in de paragraaf "Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant" (paragraaf 3.2.2) vindt in deze paragraaf geen puntsgewijze toetsing plaats per artikel, maar is ingegaan op de aanvullingen en/of wijzigingen ten aanzien van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling, tenzij sprake is van gewijzigd beleid. In dat geval is puntsgewijs getoetst aan het nieuwe beleid.
De regels met betrekking tot gebieden beperkingen veehouderij en gebieden verstedelijking afweegbaar zijn in de ontwerp verordening niet ingrijpend gewijzigd ten aanzien van de interim verordening. Gezien voor deze gebieden aan de voorwaarden uit de interim verordening wordt voldaan en/of deze op de voorgenomen ontwikkeling niet van toepassing zijn wordt eveneens voldaan aan de voorwaarden uit de ontwerp verordening en/of zijn deze eveneens niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
Ook de regels met betrekking tot de zorgplicht voor de omgevingskwaliteit en de meerwaardecreatie zijn in de ontwerp verordening niet ingrijpend gewijzigd ten aanzien van de interim verordening. Gezien aan de regels met betrekking tot de zorgplicht voor de omgevingskwaliteit uit de interim verordening wordt voldaan wordt eveneens voldaan aan de regels hierover uit de ontwerp verordening.
De regels met betrekking tot grondgebonden teeltbedrijven en overige agrarische bedrijven in het landelijk gebied zijn in de ontwerp verordening eveneens niet ingrijpend veranderd. Gezien aan de regels ten aanzien van grondgebonnden teeltbedrijven en overige agrarische bedrijven in het landelijk gebied uit de interim verordening wordt voldaan wordt eveneens aan de regels hiervoor uit de ontwerp verordening voldaan.
Als aanvulling op de regels in de interim verordening en de in het voorgaande behandelde regels is in artikel 4.12 van de ontwerp verordening een nieuwe bouw-sloop regeling opgenomen. Hierbij geldt dat wanneer nieuwe bebouwing wordt opgericht buiten het bestaande ruimtebeslag er elders een vergelijkbare oppervlakte aan vergelijkbare bebouwing moet worden gesloopt.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwe bebouwing buiten het bestaande
ruimtebeslag. De aanvullende regels met betrekking tot het slopen van bebouwing uit
artikel 4.12 zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn
opgenomen in de (Ontwerp) Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
De gemeente Breda heeft op 21 oktober 2021 de Omgevingsvisie Breda 2040 vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar 2040. De omgevingsvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen en/of omgevingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd.
Met de omgevingsvisie wil de gemeente samen met de stad, de dorpen en de regio aan de grote opgaven werken voor de fysieke leefomgeving. Op die manier wil de gemeente komen tot een sterker en veerkrachtigere gemeente.
In de omgevingsvisie wordt de ambitie van de gemeente centraal gesteld. De gemeente wil een grenzeloze, gastvrije en groene gemeenschap zijn, wil toekomstgericht zijn en wil de kwaliteit van leven voorop stellen. Om deze ambitie te realiseren zijn in de omgevingsvisie negen doelen opgenomen, welke de gemeente wil bereiken aan de hand van de twee hoofdopgaven, zijnde een sterker en veerkrachtigere gemeente worden. Beide hoofdopgaven zijn nader uitgewerkt in drie opgaven op basis van de kernwaarden van de gemeente, grenzeloos, gastvrij en groen.
Voor wat betreft de ambities zijn de volgende doelen opgesteld:
De meeste van de opgenomen doelen hebben betrekking op het stedelijk gebied en niet op het landelijk gebied. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling hebben feitelijk uitsluitend de doelen "het bevorderen van de gezondheid van inwoners" en "een toekomstbestendig Breda" raakvlakken.
Voor wat betreft het bevorderen van de gezondheid van inwoners wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd en omgeschakeld naar een akkerbouw en tuinbouwbedrijf in combinatie met een paardenfokkerij. Tevens zullen als nevenactiviteit statische opslag en kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid worden uitgevoerd. Daarbij zullen de emissies van geur, ammoniak, fijnstof, stikstofoxiden en mogelijke ziektekiemen en/of zoönosen aanzienlijk verminderen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee een positief effect hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving en daarmee bijdragen aan een bevordering van de gezondheid van inwoners.
Voor wat betreft een toekomstbestendig Breda wordt met de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een toekomstbestendige ontwikkeling, waarbij verouderde bebouwing wordt gesloopt en wordt vervangen door nieuwe, duurzame bebouwing die voldoet aan de huidige duurzaamheidseisen. Daarnaast zal bij de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een afname van de energiebehoefte van het bedrijf. Verder zal met de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening worden gehouden met waterberging om ook in extreme gevallen van neerslag te voorzien in voldoende capaciteit. Ten slotte wordt voorzien in voldoende schaduw om hittestress zoveel mogelijk tegen te gaan. Daarmee wordt bijgedragen aan een verbeterde duurzaamheid en daarmee aan een toekomstbestendig Breda.
Verder worden in de omgevingsvisie bij de twee hoofdopgaven van de gemeente (sterk Breda en Veerkrachtig Breda) bij elk van de hoofdopgaven drie opgaven geformuleerd om deze te bereiken.
Bij de hoofdopgave "sterk Breda" wordt onderscheid gemaakt in de volgende drie opgaven:
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen raakvlakken met en/of invloed op de doelstellingen van de gemeente om het internationaal knooppunt te versterken. De voorgenomen ontwikkeling zal de doelstellingen voor deze opgave daarmee niet in de weg staan.
De opgave ongedeeld Breda heeft met name betrekkingen op de wijken en kernen van de gemeente en niet op het buitengebied. De bevordering van de gezondheid van inwoners speelt daarbij wel een rol. Zoals in het voorgaande reeds omschreven zal de voorgenomen ontwikkeling een positieve bijdrage leveren aan de bevordering van de gezondheid van inwoners. De voorgenomen ontwikkeling heeft voor het overige geen raakvlakken met en/of invloed op de doelstellingen van deze opgave. De voorgenomen ontwikkeling zal de doelstellingen voor deze opgave daarmee niet in de weg staan.
Voor wat betreft de verbinding met groen wil de gemeente, onder andere, inzetten op een groen, aantrekkelijk en vitaal buitengebied. Daarbij zet de gemeente in op de bescherming van Natura 2000 gebieden, de bossen (met daarbij ook de zoekgebieden en nieuwe bossen), de versterking van het kleinschalig cultuurlandschap, de versterking van het historisch landgoederenlandschap, het herstel van het beekdalenlandschap, natuurontwikkeling in het polder- en beemdenlandschap, een groene dooradering van het landbouwlandschap en op het realiseren van een brede beekdalpassage.
Zoals reeds omschreven in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een aantasting van natuurgebieden, waaronder Natura 2000 gebieden. De voorgenomen ontwikkeling zal de bescherming van Natura 2000 gebieden daarmee niet in de weg staan. De locatie is niet nabij bosgebieden (en/of zoekgebieden of gebieden voor nieuw bos) gelegen. De locatie is niet in het kleinschalig cultuurlandschap gelegen, het beekdallandschap en/of het polder- en beemdenlandschap gelegen. De voorgenomen ontwikkeling zal de doelstellingen voor deze gebieden dan ook niet in de weg staan. De locatie is wel in het historisch landgoederenlandschap gelegen.
Het historische landgoederenlandschap wordt, waar mogelijk, versterkt met de aanplant van nieuwe landschapselementen, zoals lanen, houtwallen en bosschages. Waar mogelijk worden ook de verdwenen zichtlijnen hersteld. Voor wat betreft het gebruik in deze gebieden komt het accent geleidelijk op natuurontwikkeling, extensieve recreatie en natuurinclusieve landbouw te liggen.
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een bestaand erf en is relatief kleinschalig van aard. Er is geen sprake van een toename van het ruimtebeslag, waarmee de impact van de ontwikkeling op het landschap zeer beperkt blijft. De voorgenomen ontwikkeling zal de doelstellingen voor het historisch landgoederenlandschap niet in de weg staan. Daarnaast zal bij de voorgenomen ontwikkeling worden voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarbij worden nieuwe landschapselementen aangelegd. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de versterking van het landschap en past daarmee goed binnen het gebied waarin de locatie is gelegen.
Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling de doelstellingen voor de hoofdopgave
sterk Breda niet in de weg staan.
Voor wat betreft de hoofdopgave veerkrachtig Breda wordt onderscheid gemaakt in de volgende drie opgaven:
De opgave "aantrekkelijke vestigingsplek" heeft met name betrekking op nieuwe woningen, de mogelijkheden voor de vestiging van bedrijven op een bedrijventerrein en voorzieningen in de kernen en heeft derhalve geen directe raakvlakken met de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee dan ook niet van invloed zijn op de doelstellingen van deze opgave en deze daarmee niet in de weg staan.
De opgave "vitale gemeenschap" heeft met name betrekking op het stimuleren van een gezonde leefstijl, mentaal en fysiek, ook door bij het inrichten van de openbare ruimte daar al rekening mee te houden. De daarbij horende gezondheidsbeschermende maatregelen zijn nader opgenomen in de opgave "duurzame omgeving" en komen daarmee later aan bod. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen raakvlakken met en/of invloeden op de stimulering van een gezonde leefstijl. Tevens is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een inrichting van de openbare ruimte. De voorgenomen ontwikkeling zal de doelstellingen voor een vitale gemeenschap dan ook niet in de weg staan.
Voor wat betreft een duurzame omgeving komen met name de milieuaspecten aan bod. Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot onevenredige belemmeringen op het gebied van milieu en niet leiden tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat. De voorgenomen ontwikkeling zal met de beëindiging van de intensieve veehouderij juist een positief effect hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving. Daarnaast worden de mogelijke risico's voor de volksgezondheid aanzienlijk verminderd, waarmee het voorgenomen initiatief bijdraagt aan een duurzame omgeving.
Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling de doelstellingen voor de hoofdopgave
"veerkrachtig Breda" niet in de weg staan.
Met de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een ontwikkeling die past binnen de ambitie, de doelen, de hoofdopgaven en de opgaven zoals zijn opgenomen in de omgevingsvisie. Daarnaast zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot mogelijke belemmeringen in het realiseren van deze ambitie, doelen, hoofdopgaven en opgaven uit de omgevingsvisie.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen en
beleidsuitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Breda 2040 van de
gemeente Breda.
Voor ontwikkelingen in het buitengebied geldt vanuit provinciaal en gemeentelijk beleid een verplichting tot het investeren in de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij staat centraal dat een ontwikkeling moet bijdragen aan de kwaliteit van het buitengebied. In samenwerking met de provincie heeft de gemeente Breda derhalve de Landschapsinvesteringsregeling Breda vastgesteld, waarin is opgenomen in welke mate bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied moet worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit.
In de Landschapsinvesteringsregeling wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieën voor ontwikkelingen:
Voor ontwikkelingen in categorie 1 en 2 is in de Landschapsinvesteringsregeling een lijst opgenomen. Komt een ontwikkeling niet voor in de lijst voor categorie 1 of 2 dan is sprake van een ontwikkeling in categorie 3.
De voorgenomen omschakeling naar een akkerbouw en tuinbouwbedrijf en een paardenfokkerij past rechtstreeks binnen de bestemmingsregels van de agrarische bestemming. Er is voor de omschakeling daarmee formeel geen procedure nodig.
Het uitvoeren van de nevenactiviteiten kan mogelijk worden gemaakt door middel van een omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van het bestemmingsplan op basis van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 1° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de landschapsinvesteringsregeling is het volgende opgenomen onder ontwikkelingen in categorie 1:
"Ontwikkelingen die vergund worden op basis van artikel 2.12 lid 1 onder a onder 1
Wabo (vergunningen met binnenplanse afwijking), voor zover die afwijking geen wezenlijke
ruimtelijke impact heeft;"
De voorgenomen ontwikkeling is daarmee aan te merken als een ontwikkeling die valt onder categorie 1, waarmee geen aanvullende kwaliteitsverbetering noodzakelijk is.
De ruimtelijke procedure die wordt gevolgd is in feite alleen noodzakelijk om de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' van de locatie te verwijderen om te borgen dat er ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij kan worden gevestigd en om binnen de agrarische bestemming ook bouwmogelijkheden voor een paardenfokkerij mogelijk te maken. De bouwmogelijkheden hadden volgens de gemeente echter in het geldende bestemmingsplan al opgenomen moeten zijn, maar dit is per abuis niet gebeurd. De gemeente gaat dit rechtzetten in een nieuwe herziening van het geldende bestemmingsplan. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarmee niet tot een wezenlijke ruimtelijke impact en is daarmee aan te merken als een ontwikkeling die valt in categorie 1. Er is daarmee geen aanvullende kwaliteitsverbetering nodig.
De initiatiefnemer zal echter verouderde agrarische bedrijfsbebouwing slopen. In ruil
daarvoor wordt één nieuw bedrijfsgebouw van een hoogwaardige kwaliteit worden teruggebouwd
alsmede een rijbak worden aangelegd. Echter is de totale oppervlakte aan nieuwe bebouwing
en rijbak ongeveer 1.396 m² kleiner dan de te slopen oppervlakte aan bedrijfsbebouwing.
Hiermee zal door de initiatiefnemer een aanvullende bijdrage worden geleverd aan de
ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen
de uitgangspunten zoals zijn verwoord in de Landschapsinvesteringsregeling Breda van
de gemeente Breda.
Op 29 april 2021 heeft de gemeente Breda de Nota Parkeernormen Breda 2021 vastgesteld. In de nota zijn de beleidslijnen ten aanzien van parkeren opgenomen. Hierbij zijn tevens parkeernormen van toepassing. Voor wat betreft de parkeernormen wordt aangesloten bij de parkeerkencijfers van het Kennisplatform CROW.
In de nota wordt onderscheid gemaakt in verschillende gebieden. De locatie is gelegen in een gebied dat vanuit de nota is aan te merken als 'overig grondgebied Breda'.
Voor agrarische bedrijven zijn geen specifieke parkeernormen opgenomen. Formeel gezien dient voor een agrarisch bedrijf te worden aangesloten bij de normen voor arbeidsextensieve en bezoekersextensieve bedrijven in het overig grondgebied Breda. Deze normen zijn echter toegespitst op bedrijven op een industrieterrein en zijn derhalve niet toepasbaar op een agrarisch bedrijf.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een akkerbouw en tuinbouwbedrijf dat door de initiatiefnemer zelf, zonder aanvullend personeel wordt uitgevoerd. Tevens is geen sprake van bezoekers ten behoeve van deze bedrijfstak. Derhalve is voor deze tak binnen het bedrijf geen parkeerbehoefte, anders dan die voor de initiatiefnemer zelf. Deze parkeerbehoefte is echter al aanwezig vanuit de huidige bedrijfswoning. De bedrijfswoning is een vrijstaande woning in het overig gebied, waarbij een norm geldt van 1,9 parkeerplaatsen per woning. Bij de huidige bedrijfswoning is meer dan voldoende ruimte beschikbaar voor 2 parkeerplaatsen, waarmee aan de parkeerbehoefte voor de woning, en daarmee het akkerbouw en tuinbouwbedrijf, wordt voldaan. Wel dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig te zijn voor de laad- en losactiviteiten ten behoeve van de akkerbouw en tuinbouw. Dit zal met name trekkers met kar betreffen. Op het terrein is ruim voldoende gelegenheid aanwezig voor trekkers en eventueel vrachtwagens om te kunnen parkeren tijdens de laad- en losactiviteiten. Er is daarmee ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor de laad- en losactiviteiten. Voor wat betreft deze bedrijfstak wordt ruimschoots aan de gestelde parkeernormen voldaan.
Voor wat betreft de paardenfokkerij is eveneens sprake van een bedrijfsvoering die door de initiatiefnemer en diens huishouden zelf zal worden uitgevoerd. Echter trekt deze tak wel de incidentele bezoekers, waaronder bijvoorbeeld van de dierenarts voor een periodieke controle. In de worst-case situatie zullen ten behoeve van de paardenfokkerij drie verschillende bezoeken gelijktijdig plaatsvinden. Dit zal in de praktijk echter nagenoeg niet voor komen. De bezoeken vinden plaats met auto's met een paardentrailer. Op het bedrijf is ruim voldoende verharding en parkeergelegenheid aanwezig voor drie auto's met een trailer. Daarmee wordt aan de parkeerbehoefte voor de paardenfokkerij voldaan.
De statische opslag als nevenactiviteit zal leiden tot bezoekers die gestalde objecten komen brengen en/of halen. Er is daarbij echter geen sprake van een langdurig verblijf. Met iedere klant wordt afzonderlijk een afspraak gemaakt voor het halen en brengen van het gestalde object. Daarmee is sprake van gecontroleerde bezoeken. Voor de gewenste situatie en omvang zal in de worst case situatie sprake zijn van (over het hele jaar genomen) gemiddeld ongeveer 4 bezoeken per week. Gemiddeld zal daarmee sprake zijn van gemiddeld 1 bezoek per dag.
In het voor- en najaar zal er een piek zijn in het aantal haal- en brengmomenten. In de maanden mei, juni en september en oktober zal er daarom sprake zijn van gemiddeld meer bezoeken per week. In deze maanden zal het aantal bezoeken per week in de worst-case situatie op ongeveer 20 liggen. Gemiddeld betreft dit echter slechts 3 bezoeken per dag, waarmee het aantal bezoekers beperkt blijft.
Als wordt uitgegaan van de worst-case situatie dan kunnen drie bezoekers gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn ten behoeve van de statische opslag. Gezien sprake is van gecontroleerde bezoeken door het maken van afspraken over de haal- en brengmomenten zal dit in de praktijk echter niet voor komen. Er is echter ruim voldoende verharding en parkeergelegenheid aanwezig voor drie auto's om tegelijkertijd op het eigen terrein te kunnen parkeren tijdens de haal- en brengmomenten. Daarmee wordt aan de parkeerbehoefte voor de statische opslag voldaan.
Voor wat betreft de kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid in maximaal milieucategorie 2 geldt dat deze ter plaatse worden uitgevoerd. Het zal daarbij gaan om kleinschalige bedrijven die door één of twee personen wordt uitgevoerd. In de worst-case situatie zal sprake zijn van twee (bestel)auto's of busjes ten behoeve van deze bedrijvigheid. Op het eigen terrein is ruim voldoende verharding en gelegenheid aanwezig voor twee (bestel)auto's of busjes om te kunnen parkeren.
Wanneer wordt uitgegaan van de worst-case situatie waarbij voor elk van de afzonderlijke bedrijfsactiviteiten het maximale aantal werknemers en bezoekers gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn dan moet voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn voor:
In de worst-case situatie zal dan sprake moeten zijn van minimaal 13 parkeerplaatsen op eigen terrein met voldoende ruimte voor trailers, karren en/of een vrachtwagen.
Als wordt uitgegaan van 13 parkeerplaatsen, waarvan minimaal 6 met voldoende ruimte
voor een auto met trailer, trekker met kar en/of een vrachtwagen, dan is gemiddeld
ongeveer 500 m² aan parkeerruimte nodig. In de praktijk zal dit echter (aanzienlijk)
minder zijn. Op het eigen terrein is reeds meer dan 1.000 m² aan verharding aanwezig
die kan worden aangewend voor parkeergelegenheid. Er is daarmee meer dan voldoende
parkeergelegenheid aanwezig op het bedrijf om in voldoende mate te kunnen parkeren.
Hiermee wordt voldaan aan de eis uit de nota om op eigen terrein te voorzien in voldoende
parkeergelegenheid.
Gezien het voorgaande wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan hetgeen is
opgenomen in de Nota Parkeernormen Breda 2021 van de gemeente Breda.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:
In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van de ter plaatse gevestigde intensieve veehouderij naar een grondgebonden akkerbouw en tuinbouwbedrijf met een paardenfokkerij. Daarbij worden eveneens statische opslag en kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid als nevenactiviteit uitgevoerd. Concreet is daarmee sprake van vier verschillende activiteiten:
Voor akkerbouw en tuinbouw zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:
Voor het houden en fokken van paarden zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:
Voor statische opslag zijn geen richtafstanden opgenomen. Derhalve dient te worden aangesloten bij de meest vergelijkbare activiteit in de lijst. Dit betreft de verhuur van opslagruimte voor transport (SBI 52109). Voor een dergelijke inrichting zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:
De kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid zal worden uitgevoerd in maximaal milieucategorie
2. Dit is in de planregels behorende bij dit plan ook nader geborgd. Omdat nog niet
geheel duidelijk is welke soort bedrijvigheid er zal worden uitgevoerd is nog geen
inschatting te maken van de activiteit die het meest overeenkomt om de concrete richtafstanden
te bepalen. Echter geldt voor activiteiten in milieucategorie 2 een maximale richtafstand
van 30 meter. Is er op één van de aspecten sprake van een grotere richtafstand dan
is sprake van een hogere milieucategorie en dat is niet toegestaan. Derhalve geldt
voor de kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid een richtafstand van maximaal 30
meter.
In de huidige situatie is sprake van een intensieve veehouderij, waarop varkens worden gehouden. Voor de huidige activiteiten zijn in de handreiking van de VNG de volgende richtafstanden opgenomen:
Met name op geur en geluid zijn de richtafstanden van de gewenste activiteiten aanzienlijk kleiner dan in de huidige situatie. De milieubelasting van de gewenste situatie zal daarmee dan ook (aanzienlijk) lager zijn dan die van de huidige situatie. Echter is voor de gewenste activiteiten elk afzonderlijk een afweging gemaakt op het gebied van milieuzonering om de mogelijke hinder goed in beeld te brengen.
In de gewenste situatie zal de volgende bebouwing met de volgende functies aanwezig zijn:
| Type bebouwing | Nummer op situatieschets | Oppervlakte (in m²) (+/-) |
| Bedrijfswoning met aangebouwd bijgebouw, voor agrarische doeleinden | 1 | 450 |
| Bedrijfsgebouw voor statische opslag | 2 | 375 |
| Bedrijfsgebouw voor agrarische doeleinden | 3 | 177 |
| Bedrijfsgebouw voor niet-agrarische bedrijvigheid (400 m²) en statische opslag (106 m²) | 4 | 506 |
| Bedrijfsgebouw voor statische opslag (499 m²) en agrarische doeleinden, waaronder stalling voor paarden (499 m²) | 5 | 998 |
| Rijbak | 6 | 1.200 |
| Totaal | 3.706 | |
In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven,
waarop de nummers uit de voorgaande tabel zijn opgenomen.

Situatietekening gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.
Akkerbouw en tuinbouw activiteiten:
Voor de akkerbouw en tuinbouw activiteiten geldt als grootste richtafstand een afstand van 30 meter voor het aspect geluid. De overige richtafstanden bedragen 10 meter. Het dichtstbijzijnde gevoelige object, betreffende de burgerwoning aan de Tervoortseweg 4a, is gelegen op een afstand van ongeveer 10 meter van de bedrijfsgebouwen waarin de activiteiten ten behoeve van de akkerbouw en tuinbouw plaatsvinden. Hiermee wordt aan de richtafstanden, met uitzondering aan die voor geluid, voldaan.
Voor wat betreft geluid is, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4), middels een akoestisch onderzoek aangetoond dat de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijvigheid en het verkeer van de initiatiefnemer de voorkeursgrenswaarde niet zal overschrijden, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de geluidsbelasting op de betreffende woning. Voor wat betreft de overige gevoelige objecten in de omgeving wordt aan de richtafstanden voldaan, waarmee geen sprake zal zijn van onevenredige hinder als gevolg van de akkerbouw en tuinbouw activiteiten aan omliggende gevoelige objecten.
Formeel moet, omdat binnen het gehele bouwvlak bebouwing is toegelaten, echter worden gemeten vanuit de grens van het bouwvlak. Het bouwvlak van de betreffende woning is gelegen op een afstand van ongeveer 5 meter van het bouwvlak van het bedrijf van de initiatiefnemer. Daarmee wordt niet aan de richtafstanden voldaan. Echter zijn de akkerbouwactiviteiten reeds toegestaan vanuit het huidig geldend bestemmingsplan en mogen deze ter plaatse reeds worden uitgevoerd. Er is daarmee geen sprake van een verruiming van de huidige mogelijkheden. In vergelijking met de huidige planologische mogelijkheden treedt er voor wat betreft de woning aan de Tervoortseweg 4a daarmee geen verslechtering op met betrekking tot de akkerbouwactiviteiten.
Het bouwvlak van de daarna dichtstbijzijnde gevoelige functie, de burgerwoning aan de Tervoortseweg 4, is gelegen op een afstand van ongeveer 31 meter van het bouwvlak van het bedrijf van de initiatiefnemer. Ten aanzien van de overige gevoelige objecten in de omgeving wordt daarmee voldaan aan de richtafstanden, waarmee het niet aannemelijk is dat de voorgenomen akkerbouwactiviteiten zullen leiden tot een onevenredige milieuhinder aan de overige gevoelige objecten in de omgeving.
Paardenfokkerij:
Voor de paardenfokkerij activiteiten geldt als grootste richtafstand een afstand van 50 meter voor het aspect geur. Daarnaast geldt voor zowel stof als geluid een richtafstand van 30 meter. Voor gevaar is geen richtafstand vastgelegd. Het dichtstbijzijnde gevoelige object, zijnde de burgerwoning aan de Tervoortseweg 4a, is gelegen op een afstand van ongeveer 70 meter. Hiermee wordt aan de richtafstanden voldaan en is geen sprake van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
Statische opslag:
Voor de statische opslag geldt als grootste richtafstand een afstand van 30 meter voor het aspect geluid. Voor gevaar is een richtafstand van 10 meter opgenomen. Voor geur en stof zijn geen richtafstanden vastgelegd. Het dichtstbijzijnde gevoelige object, betreffende de burgerwoning aan de Tervoortseweg 4a, is gelegen op een afstand van ongeveer 10 meter van de bedrijfsgebouwen waarin de statische opslag plaatsvindt. Hiermee wordt aan de richtafstanden, met uitzondering aan die voor geluid, voldaan.
Formeel moet, omdat binnen het gehele bouwvlak bebouwing is toegelaten, echter worden gemeten vanuit de grens van het bouwvlak. Het bouwvlak van de betreffende woning is gelegen op een afstand van ongeveer 5 meter van het bouwvlak van het bedrijf van de initiatiefnemer. Daarmee wordt niet aan de richtafstanden voldaan en is een nadere afweging noodzakelijk.
Voor zowel het aspect geur als voor het aspect fijnstof bedraagt de richtafstand van statische opslag 0 meter. Aan deze richtafstanden wordt daarmee voldaan, waarmee alleen de aspecten geluid en gevaar een nadere afweging behoeven.
Voor wat betreft geluid is, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4), middels een akoestisch onderzoek aangetoond dat de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijvigheid en het verkeer van de initiatiefnemer de voorkeursgrenswaarde niet zal overschrijden, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de geluidsbelasting op de betreffende woning.
Voor wat betreft het aspect gevaar is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Externe veiligheid" (paragraaf 4.1.5), geen sprake van een risicovolle inrichting bij de voorgenomen ontwikkeling. Er vindt daarnaast geen opslag plaats van gevaarlijke stoffen en/of middelen. Er is daarmee geen sprake van een mogelijk risico voor gevoelige objecten in de omgeving. Hiermee is het risico afweegbaar en is gemotiveerd van de richtafstanden af te wijken.
Het bouwvlak van de daarna dichtstbijzijnde gevoelige functie, de burgerwoning aan de Tervoortseweg 4, is gelegen op een afstand van ongeveer 31 meter van het bouwvlak van het bedrijf van de initiatiefnemer. Ten aanzien van de overige gevoelige objecten in de omgeving wordt daarmee voldaan aan de richtafstanden, waarmee het niet aannemelijk is dat de voorgenomen statische opslag zal leiden tot een onevenredige milieuhinder aan de overige gevoelige objecten in de omgeving.
Kleinschalige ambachtelijke bedrijfsmatige activiteiten:
Voor de kleinschalige ambachtelijke bedrijfsmatige activiteiten geldt een maximale richtafstand van 30 meter. Het dichtstbijzijnde gevoelige object, zijnde de burgerwoning aan de Tervoortseweg 4a, is gelegen op een afstand van ongeveer 45 meter van het bedrijfsgebouw waarin de kleinschalige ambachtelijke bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. Hiermee wordt aan de richtafstanden voldaan en is geen sprake van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
Middels een aanduiding op de bij dit plan behorende verbeelding is geborgd dat de
kleinschalige ambachtelijke bedrijfsmatige activiteiten uitsluitend mogen worden uitgevoerd
in het betreffende gebouw waarin deze zullen gaan plaatsvinden. Daarmee is geborgd
dat deze activiteiten niet op andere plekken binnen het bedrijf en het bouwvlak worden
uitgevoerd. De minimale afstand tot aan gevoelige objecten in de omgeving is daarmee
in voldoende mate geborgd.
Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen kleinschalige ambachtelijke bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd. Omdat nog niet bekend is welke activiteiten dit precies zullen zijn kan sprake zijn van een gevoelig object (verblijfsruimte). Derhalve dient te worden bekeken of deze functie de omliggende bedrijven en functies mogelijk belemmert.
Nabij de locatie zijn enkele bestaande burgerwoningen gelegen. Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige hinder aan de omgeving en worden daarom niet beperkt door de komst van nieuwe gevoelige objecten. Er is daarmee geen sprake van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de nabijgelegen burgerwoningen.
Verder zijn nabij de locatie (binnen 250 meter) de volgende inrichtingen gelegen:
Tervoortseweg 1:
Het bedrijf aan de Tervoortseweg 1 betreft een glastuinbouwbedrijf. Voor een dergelijke inrichting zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:
De grootste richtafstand is 30 meter. Het betreffende glastuinbouwbedrijf is gelegen op een afstand van ongeveer 70 meter van de gewenste ruimte waarin de kleinschalige ambachtelijke bedrijfsactiviteiten zullen worden uitgevoerd.
Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee geen sprake zal zijn
van een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende glastuinbouwbedrijf.
Tervoortseweg 2:
Het bedrijf aan de Tervoortseweg 2 betreft een melkrundveehouderij. Voor een dergelijke inrichting zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:
De grootste richtafstand betreft de afstand voor geur en is 100 meter. De betreffende melkrundveehouderij is gelegen op een afstand van ongeveer 150 meter van de gewenste ruimte waarin de kleinschalige ambachtelijke bedrijfsactiviteiten zullen worden uitgevoerd.
Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee geen sprake zal zijn
van een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van de betreffende melkrundveehouderij.
Tervoortseweg 8:
Het bedrijf aan de Tervoortseweg 8 betreft een grondgebonden teeltbedrijf. Voor een dergelijke inrichting zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:
De grootste richtafstand is 30 meter. Het betreffende grondgebonden teeltbedrijf is gelegen op een afstand van ongeveer 60 meter van de gewenste ruimte waarin de kleinschalige ambachtelijke bedrijfsactiviteiten zullen worden uitgevoerd.
Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee geen sprake zal zijn
van een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende grondgebonden
teeltbedrijf.
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de omliggende
functies en bedrijven in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.
De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.
Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een intensieve veehouderij naar een akkerbouw en tuinbouwbedrijf in combinatie met een paardenfokkerij. Tevens zullen als nevenactiviteit statische opslag en kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid worden uitgevoerd. Van deze activiteiten zal alleen het houden van paarden mogelijk kunnen leiden tot geuroverlast aan de omgeving.
Voor paarden zijn echter geen geuremissiefactoren vastgelegd. Dit betekent dat voor de gewenste ontwikkeling de vaste afstanden aangehouden dienen te worden. Het dichtstbijzijnd geurgevoelig object (Tervoortseweg 4a) is gelegen op een afstand van ongeveer 70 meter (gemeten van gevel van de betreffende woning tot de gevel van het bedrijfsgebouw ten behoeve van de paardenfokkerij). Hiermee wordt aan de vaste afstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
Tevens zal de geuremissie met de voorgenomen omschakeling aanzienlijk afnemen. Een intensieve varkenshouderij heeft immers een aanzienlijk grotere geuremissie dan een paardenfokkerij. De geurhinder aan de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee alleen maar afnemen, wat zal leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving.
Naast het feit dat met een ruimtelijke ontwikkeling geen sprake mag zijn van het veroorzaken van geurhinder aan de omgeving dient, wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe geurgevoelige objecten te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een ruimte voor het uitvoeren van kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid. Omdat vooraf nog niet bekend is welke activiteiten kan daarbij sprake zijn van een geurgevoelig object.
In de directe omgeving van de locatie zijn een veehouderij (Tervoortseweg 2) en een glastuinbouwbedrijf (Tervoortseweg 1) gelegen.
Voor het glastuinbouwbedrijf geldt dat hiervoor geen geuremissie is vastgesteld. Er wordt ter plaatse geen vee gehouden, waarmee de mate van geurhinder wordt bepaald aan de hand van de richtafstanden uit de VNG-handreiking. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) wordt ten aanzien van het glastuinbouwbedrijf aan de richtafstanden, ook die voor geur, voldaan, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige geuroverlast ter plaatse als gevolg van het glastuinbouwbedrijf.
De betreffende veehouderij aan de Tervoortseweg 2 betreft een melkrundveehouderij. Voor melkrundveehouderijen zijn eveneens geen geuremissiefactoren vastgelegd en dient te worden uitgegaan van de wettelijk geldende vaste afstanden. De betreffende veehouderij is, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, gelegen op een afstand van ongeveer 105 meter van de locatie. Hiermee wordt ruimschoots aan de vaste afstanden voldaan, waarmee ter plaatse geen sprake zal zijn van een onevenredige geurhinder als gevolg van de veehouderij.
Verder zijn er in de omgeving geen inrichtingen gelegen die mogelijk leiden tot een
onevenredige geurhinder op de locatie. Derhalve kan worden geborgd dat ter plaatse
sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur.
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.
Voor de akkerbouw en tuinbouwactiviteiten geldt dat deze, vanuit de ministeriële regeling wordt de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) NIBM, dat deze per definitie als NIBM worden beschouwd. Deze tak van het bedrijf is daarmee als NIBM aan te merken en zal daarmee niet leiden tot een onevenredig grote bijdrage aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden.
Voor de paardenfokkerij geldt dat voor paarden geen emissiefactoren zijn vastgesteld. Dat betekent dat paarden geen onevenredige bijdrage hebben aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden en daarmee als NIBM zijn aan te merken. Ook het houden van paarden zal daarmee niet leiden tot een onevenredig grote bijdrage aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden, helemaal nu het fokken van paarden zo kleinschalig wordt uitgevoerd.
Zowel de statische opslag als de kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid als nevenactiviteit betreffen geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot zal door deze activiteiten dan ook niet in onevenredige mate toenemen, waarmee ook deze activiteiten gezien worden als een NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen activiteiten geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
Naast de ter plaatse uitgevoerde activiteiten dient ook de eventuele uitstoot van het verkeer van en naar de locatie te worden beschouwd. Wanneer wordt uitgegaan van de worst-case situatie van elk van de afzonderlijke bedrijfsactiviteiten dan zijn, zoals nader uitgewerkt in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), gemiddeld de volgende verkeersbewegingen te verwachten:
Totaal: gemiddeld 70 verkeersbewegingen per week, waarvan slechts 2 met vrachtverkeer. Dit resulteert in een weekdaggemiddelde van 10 verkeersbewegingen per dag.
Om te bepalen of deze verkeersbewegingen leiden tot een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³.
Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen
ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van
de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.

Resultaten berekening NIBM-tool.
Bron: InfoMil.
Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
De uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden zal met de voorgenomen ontwikkeling eerder afnemen door de beëindiging van de intensieve veehouderij. Daarmee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving alleen maar verbeteren als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden dient, wanneer nieuwe gevoelige objecten worden opgericht te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden kleinschalige ambachtelijke bedrijfsactiviteiten uitgevoerd. Omdat nog niet vooraf bekend is welke activiteiten worden uitgevoerd kan sprake zijn van een gevoelig object. Derhalve dient te worden aangetoond of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.
Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 40 µg/m³ bedraagt. De provincie Noord-Brabant heeft deze norm echter aangescherpt in het ruimtelijke beleid. Binnen de provincie Noord-Brabant geldt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 31,2 µg/m³ bedraagt.
Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid
en Milieu (RIVM), waarin eveneens de resultaten uit de NSL Monitoringstool zijn opgenomen,
bedraagt de achtergrondconcentratie fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse, zoals
is weergegeven in de volgende figuren, ongeveer 18,7 µg/m³ (fijnstof) en 17,3 µg/m³
(stikstofoxiden). Dit is (ruimschoots) onder de norm van 31,2 µg/m³, waarmee ter plaatse
een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof.
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden.
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:
Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.
Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.
Het bepaalde in de Wgh is niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. De bedrijfsmatige geluidsuitstraling van het gewenste bedrijf van de initiatiefnemer valt onder het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Daarin zijn de maximale normen voor geluid opgenomen waaraan het bedrijf moet voldoen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van statische opslag en kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid welke mogelijk leidt tot een toename van de geluidsbelasting op burgerwoningen aan de omgeving. Om te onderzoeken of ter plaatse van omliggende gevoelige objecten de geldende normen worden overschreden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat aan de normen wordt voldaan. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2 van deze onderbouwing.
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn
van een onevenredige toename van de geluidsbelasting aan gevoelige objecten in de
omgeving.
Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.
Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers.
In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de
wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden
die verantwoording wel of niet verplicht stellen.
Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen
voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit
genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven
welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop
mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

Uitsnede Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).
Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water en door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.
Op een afstand van ongeveer 480 meter van de locatie is een buisleiding voor het transport van gas gelegen. Gezien de grote afstand tot deze leiding en het feit dat geen sprake is van een leiding met een hoge druk is echter geen sprake van de ligging van de locatie binnen het invloedsgebied van deze buisleiding.
Op een afstand van ongeveer 1,1 kilometer van de locatie is de autosnelweg A27 gelegen. Daarnaast is op een afstand van ongeveer 2 kilometer van de locatie de autosnelweg A59 gelegen. Over deze wegen vindt mogelijk transport van gevaarlijke stoffen plaats. De stof met het grootste invloedsgebied heeft echter een invloedsgebied van ongeveer 900 meter, waarmee de locatie buiten het invloedsgebied van beide autosnelwegen is gelegen.
De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg,
water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van
een (buis)leiding gelegen.
Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.
De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute
gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.
Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5740 (verkennend onderzoek) nodig. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn geconstateedr i.v.m. de sanering van de veehouderij op de locatie, uit oogpund van de chemische bodemgesteldheid. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 10.
Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie-
en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.
Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.
In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-aanmeldingsnotitie opgesteld, waarin de verschillende milieueffecten zijn afgewogen. Deze vormvrije aanmeldingsnotitie is ingediend bij de gemeente en door de gemeente en omgevingsdienst beoordeeld. Uit de vormvrije m.e.r.-aanmeldingsnotitie kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot nadelige milieueffecten. Voor de vormvrije m.e.r.-aanmeldingsnotitie wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting.
Op basis van het voorgaande heeft de gemeente een besluit genomen dat voor de voorgenomen
ontwikkeling geen PlanMER opgesteld hoeft te worden. Het besluit is gelijktijdig met
publicatie van het ontwerp van het voorliggende plan genomen en gepubliceerd.
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.
De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.
Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade
aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk
gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.
Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000.
Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Ulvenhoutse Bos) is gelegen op een afstand
van ongeveer 2,6 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk
dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator.
Momenteel is ter plaatse een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij aanwezig. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal deze intensieve veehouderij worden omgeschakeld naar een akkerbouw en tuinbouwbedrijf in combinatie met een paardenfokkerij voor maximaal 20 paarden. Bij het gecombineerde bedrijf zullen daarnaast nog statische opslag en kleinschalige ambachtelijke niet-agrarische werkzaamheden als nevenactiviteit worden uitgevoerd. De intensieve veehouderij heeft in de huidige situatie een aanzienlijk hogere uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden dan de voorgenomen bedrijfsvoering. De uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee afnemen.
Om te bepalen of de voorgenomen bedrijfsvoering mogelijke effecten heeft op de Natura 2000 gebieden is met het rekenprogramma Aerius Calculator een berekening gemaakt. Uit deze berekening blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect is niet hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar). Voor de resultaten van de uitgevoerde berekening wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting.
Er zal daarmee geen sprake zijn van een toenemende depositie van stikstof in de betreffende gebieden.
Naast de mogelijke effecten van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden kunnen aspecten als geluid, licht en trillingen leiden tot nadelige effecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden echter geen werkzaamheden plaats die leiden tot een constante uitstraling van geluid, licht en/of trillingen. De locatie is daarnaast ver genoeg van de betreffende gebieden gelegen, waardoor eventuele effecten van deze aspecten wanneer zij incidenteel plaatsvinden niet merkbaar zullen zijn in de betreffende gebieden.
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000
gebieden onevenredig worden geschaad.
Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.
Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of
bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen
omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet
van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.
Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.
Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende:
"Tijdens het veldbezoek zijn geen vleermuizen of sporen van vleermuizen aangetroffen. In de bewoonde stallen zijn de omstandigheden ongunstig voor vleermuizen vanwege de hoge temperatuur, de ammoniakuitstoot en de constante onrust van bewegende en geluid producerende varkens. Ook in de lege en nagenoeg lege stallen en de gangen zijn vleermuizen of sporen ervan niet aangetroffen.
Jaarrond beschermde nesten van huismussen kunnen in principe onder elke dakrand aanwezig zijn. Hier is al naar gekeken tijdens het veldbezoek, waarbij geen nesten of andere sporen zoals uitwerpselen zijn aangetroffen en er ook geen huismussen zijn gezien. De kans op nesten is daarom niet waarschijnlijk.
Beschermde vaatplanten zijn niet aanwezig. Nader onderzoek en aanvraag van ontheffing
zijn daardoor niet nodig."
Wel wordt vanuit het onderzoek nog tweemaal een nadere inspectie aanbevolen op mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen. Daarbij zal dan ook nogmaals worden gekeken naar eventuele nesten van vogels. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting.
Op basis van het voorgaande is door een ecologisch onderzoeksbureau een nader onderzoek
naar mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen en/of mogelijke nesten van vogels
uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat op dit moment geen verblijvende vleermuizen
en/of vogels (of andere beschermde soorten) aanwezig zijn. De kans hierop wordt ook
iedere dag kleiner omdat vestiging nu actief wordt ontmoedigd door verwijderen van
isolatiemateriaal, meubilair en opgeslagen materialen. Er wordt gezorgd voor tocht
en de daken worden verwijderd, gevolgd door de daadwerkelijke sloop. Omdat, voordat
vleermuizen of vogels zich kunnen vestigen, de mogelijkheden daartoe worden weggenomen,
is vervolgonderzoek of aanvragen van een ontheffing niet nodig. Voor het gehele onderzoeksrapport
wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting.
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen (leefgebieden van)
mogelijk voorkomende beschermde soorten worden aangetast.
Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.
Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.
Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.
Beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. Zij stellen in het ruimtelijk beleid regels vast ter bescherming van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB), waarvoor zij regels hebben opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het
dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 170 meter.

Uitsnede kaart NNN/NNB.
Bron: Provincie Noord-Brabant.
Het NNN/NNB heeft geen externe uitwerking, waarmee geen aanvullende regels gelden voor ontwikkelingen die buiten het NNN/NNB plaatsvinden. Echter is binnen een afstand van 250 meter van een NNN/NNB gebied mogelijk sprake van effecten van een ontwikkeling op deze gebieden. Het gaat dan met name om mogelijke gevolgen van de uitstoot van stikstof, fijnstof, licht, trillingen en/of geluid.
Zoals nader omschreven in de paragrafen "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1), "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) en "Geluid" (paragraaf 4.1.4) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toenemende uitstoot van stikstof, fijnstof en/of geluid. Daarnaast vinden geen werkzaamheden plaats die structureel trillingen en/of lichthinder veroorzaken, waarmee geen sprake is van een onevenredige aantasting van de betreffende gebieden.
Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een
aantasting van de NNN/NNB-gebieden.
Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.
De locatie is niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Bij
de voorgenomen ontwikkeling is daarnaast geen sprake van een toename van de uitstoot
van ammoniak. Omdat de uitstoot van ammoniak niet zal toenemen zal ook geen sprake
zijn van een verhoogde ammoniakdepositie op de betreffende gebieden. Hiermee zal geen
sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving.
In Grondstof voor de toekomst, programma erfgoed 2019-2025 is vastgesteld dat erfgoed
wordt benut als onderlegger voor de (her)ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
De erfgoedkaarten vormen nu letterlijk de onderlegger voor het handelen van de gemeente.
Archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed vormen hierbij een belangrijk
uitganspunt voor ontwikkelingen. Archeologie is vastgelegd in de Beleidsadvieskaart
Breda's Erfgoed, deel 1 Archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed zijn
vastgelegd in de Beleidsadvieskaart Breda's Erfgoed, deel 2 Historische geografie
en gebouwd erfgoed. De kaarten dienen, zoals vastgelegd in het Besluit ruimtelijke
ordening, als leidraad voor de erfgoedadvisering bij het opstellen of afwijken van
bestemmingsplannen.
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Breda voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart
gelegen in een gebied dat is aangemerkt als gebied met een hoge verwachtingswaarde.

Uitsnede archeologische verwachtingskaart.
Bron: Gemeente Breda.
Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld, waarmee nader onderzoek naar archeologische resten noodzakelijk is. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in het plangebied slechts één spoor is aangetroffen en geen vondsten zijn gedaan. Het plangebied is daarnaast al deels verstoord tot in de top van de C-horizont. Op basis van het voorgaande wordt geadviseerd een deel van het plangebied, het deel waarop de nieuwe paardenstal zal worden gebouwd, vrij te geven van archeologische (verwachtings)waarden voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is aan de gemeente om daarover een besluit te nemen.
Om de archeologische waarden in het gebied te beschermen conform het vastgestelde beleid, is de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' opgenomen voor de gebieden die conform de Beleidsadvieskaart Breda's Erfgoed, deel 1, Archeologie zijn gekenmerkt als gebieden met een archeologische verwachting anders dan laag. Hetzelfde geldt voor de gebieden van archeologische waarden en gemeentelijke archeologische monumenten. Ter plaatse van gronden met een dubbelbestemming dient voorafgaand aan ontwikkelingen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De resultaten van het archeologisch onderzoek worden door het bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld.
De gemeente heeft op basis van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek, waaruit is gebleken dat er geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats in het onderzoeksgebied, een erfgoedbesluit genomen waarin zij hebben besloten een deel van het plangebied, ter plaatse van de nieuw te bouwen paardenstal, vrij te geven van archeologische (verwachtings)waarden ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Voor het overige blijft de dubbelbestemming van kracht. Vooralsnog vinden daar echter geen bodemingrepen plaats van meer dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld. Wanneer dat op termijn wel zal gebeuren dan borgt de te behouden dubbelbestemming dat in dat geval in voldoende mate wordt onderzocht of er sprake is van een mogelijke aantasting van archeologische resten. Voor het rapport van het proefsleuvenonderzoek en het bijbehorende erfgoedbesluit van de gemeente wordt verwezen naar bijlage 7 en 8 van deze toelichting.
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende
archeologische resten zullen worden geschaad.
Volgens de Beleidsadvieskaart Breda's Erfgoed, deel 2 Historische geografie en gebouwd
erfgoed van de gemeente Breda is de locatie, zoals is te zien in de volgende figuur,
in een gebied gelegen met een lage historisch geografische waarde.

Uitsnede Beleidsadvieskaart Breda's Erfgoed, deel 2 Historische geografie en gebouwd
erfgoed.
Bron: Gemeente Breda.
Op de locatie zijn geen historisch geografisch waardevolle elementen aanwezig. De
voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredife aantasting van
historisch geografisch waardevolle elementen.
Volgens de Beleidsadvieskaart Breda's Erfgoed, deel 2 Historische geografie en gebouwd
erfgoed van de gemeente Breda is, zoals is te zien in de volgende figuur, ten zuidoosten
van de locatie, aan de Tervoortseweg 8, bebouwing met een middelhoge historische waarde
gelegen. Het betreft een historisch waardevol pand met de bijbehorende historische
bijgebouwen.

Uitsnede Beleidsadvieskaart Breda's Erfgoed, deel 2 Historische geografie en gebouwd
erfgoed.
Bron: Gemeente Breda.
Bij historisch waardevolle bebouwing met een middelhoge waarde dient bij een wijziging van de bebouwing en/of bij sloop van de bebouwing rekening te worden gehouden met de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende ruimtelijke structuur en de architectonische, stedenbouwkundige en/of landschappelijke kwaliteit. De cultuurhistorische waarde is hierbij sturend. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal geen sprake zijn van wijzigingen aan en/of sloop van de betreffende bebouwing. Daarmee zal de betreffende waardevolle bebouwing niet worden aangetast.
Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een aantasting
van het gebouwd erfgoed.
Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Tervoortseweg. De locatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.
Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.
In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen
ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel
op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein
voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren.
Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Nota Parkeernormen Breda 2021" (paragraaf 3.3.3) zal met de voorgenomen ontwikkeling ook worden voldaan aan het parkeerbeleid van
de gemeente Breda.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omschakelen van het intensieve veehouderijbedrijf ter plaatse naar een akkerbouw en tuinbouwbedrijf in combinatie met een paardenfokkerij. Daarnaast zullen als nevenactiviteit bij de gewenste bedrijfsvoering statische opslag en kleinschalige ambachtelijke bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd.
Ten aanzien van de bedrijfswoning zal geen sprake zijn van een toename of wijziging van het aantal verkeersbewegingen. Het huidige gebruik is het gebruik als bedrifjswoning en dit zal na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer nog steeds het geval zijn. Het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de bedrijfswoning zal daarom bij de gewenste omschakeling niet veranderen.
In de huidige situatie is sprake van een volwaardig intensief veehouderijbedrijf, zijnde een varkenshouderij. Ten behoeve van het bedrijf vinden in de huidige situatie gemiddeld de volgende verkeersbewegingen plaats:
Totaal: gemiddeld 18 verkeersbewegingen per week, waarvan 12 met vrachtverkeer.
Ten behoeve van de gewenste activiteiten zijn gemiddeld de volgende verkeersbewegingen te verwachten:
Totaal: gemiddeld 70 verkeersbewegingen per week, waarvan slechts 2 met vrachtverkeer.
Hoewel het aantal verkeersbewegingen toeneemt zal het aandeel vrachtverkeer sterk
afnemen. Daarnaast is de toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de
locatie beperkt. Het gemiddelde van 70 verkeersbewegingen per week zal de worst-case
situatie betreffen. In de praktijk zullen aanzienlijk minder verkeersbewegingen plaatsvinden.
Daarnaast betekent een gemiddelde van 70 verkeersbewegingen per week een gemiddelde
van 10 verkeersbewegingen per dag. Gezien de werkzaamheden in de dagperiode plaatsvinden,
een periode van ongeveer 11 uur, betreft dit gemiddeld minder dan 1 verkeersbeweging
per uur. Dit betreft geen onevenredig grote toename van het aantal verkeersbewegingen.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
In dit besluit wordt het begrip "waterhuishouding" breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.
De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Brabantse Delta (hierna: het waterschap).
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen.
Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen.
Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.
De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken.
Voor een optimale inpassing van plannen met een uitbreiding van het verhard oppervlak is het noodzakelijk het waterschap in een vroeg stadium te betrekken. Dit geldt zowel voor kleine als grote plannen. Alleen op deze wijze kunnen waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk zorgen voor het behoud van de robuustheid van het watersysteem en kan wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk worden beperkt.
Tevens schenkt het waterschap aandacht aan informeren over het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
Naast het beleid van het waterschap heeft de gemeente Breda een eigen beleid over
hoe om te gaan met (hemel)water. Dit beleid heeft de gemeente opgenomen in het Stedelijk
Waterplan Breda 2019-2023.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een intensieve veehouderij naar een bedrijf voor akkerbouw en tuinbouw in combinatie met een paardenfokkerij en het uitvoeren van statische opslag en kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid als nevenactiviteit.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal ongeveer 3.570 m² aan (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Het nieuw te bouwen bedrijfsgebouw zal ongeveer 974 m² groot worden. De nieuwe rijbak zal een oppervlakte van ongeveer 1.200 m² krijgen. Concreet is er daarmee sprake van een afname van het verhard oppervlak met ongeveer 1.396 m².
Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen:
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen, maar afnemen. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
De gemeente Breda heeft in het beleid zoals is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Breda 2019-2023 echter afwijkende normen voor de afvoer en compensatie van hemelwater. Vanuit het gemeentelijk beleid is voor elke toename van het verhard oppervlak een compensatie nodig. Daarmaast geldt dat wanneer sprake is van nieuw op te richten bebouwing deze volledig gecompenseerd dient te worden, ook wanneer er bebouwing wordt gesloopt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een afname van het verhard oppervlak. Echter omdat nieuwe bebouwing wordt gebouwd is vanuit het gemeentelijk beleid alsnog compenserende waterberging nodig. De gemeente hanteert hiervoor de norm dat voor elke m² aan nieuwe bebouwing en/of verharding een buffer van minimaal 7 millimeter nodig is. De compenserende waterberging dient dan als volgt te worden berekend:
Toename verhard oppervlak (in m²) x 0,07 = compenserende waterberging (in m³).
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt, in ruil voor de sloop van een groot deel van de bedrijfsbebouwing, een nieuw bedrijfsgebouw van ongeveer 974 m² teruggebouwd. Daarnaast wordt een nieuwe rijbak van ongeveer 1.200 m² opgericht. De totale toename van het verhard oppervlak bedraagt daarmee ongeveer 2.174 m². Echter zal de rijbak een onverharde ondergrond hebben, waarmee het hemelwater in de rijbak rechtstreeks in de bodem kan infiltreren. De rijbak is daarmee niet als nieuw verhard oppervlak aan te merken. De toename van het verharde oppervlak zal daarmee ongeveer 974 m² bedragen.
Op basis van de norm van het gemeentelijke beleid ten aanzien van (hemel)water dient
daarmee minimaal 69 m³ (974 x 0,07) te bedragen. Op welke wijze wordt gecompenseerd
is nader uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.2).
Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:
De locatie is voorzien van een vuilwateraansluiting op het drukriool, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Hemelwater mag hier niet op worden afgekoppeld.
Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater op het drukriool en/of naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling minimaal 69 m³ aan compenserende waterberging nodig.
Ten behoeve van de noodzakelijke compenserende waterberging zal de initiatiefnemer
een vijver of wadi aanleggen met een overloop op de sloot aan de zuid-zuidoost zijde
van het bedrijf. Daarbij zal voldoende capaciteit worden gerealiseerd om de aan de
gestelde eis van minimaal 69 m³ te kunnen voldoen. Tevens zal de effectieve berging
worden berekend boven de ter plaatse bekende gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG).
Volgens gegevens van Alterra Wageningen UR bedraagt de GHG ter plaatse gemiddeld 80
centimeter onder maaiveld. De vijver of wadi zal boven de GHG voldoende groot worden
aangelegd om de gestelde capaciteit van 69 m³ te kunnen bergen. In de volgende figuur
is de plaats van de aan te leggen voorziening indicatief weergegeven.

Situatieschets met indicatieve locatie voorziening voor waterberging.
Bron: DLV Advies.
De gewenste voorziening zal worden voorzien van een overloop naar de omliggende B-watergangen,
zodat wanneer sprake is van een overschot aan water dat niet kan worden geborgen in
de bergingsvoorziening(en) er geen sprake is van wateroverlast. Aansluitend aan de
locatie zijn, zoals te zien in de volgende figuur, voldoende B-watergangen gelegen
om de gewenste overloop te kunnen realiseren.

Uitsnede legger gemeentelijk waterbeleid met B-watergangen aangegeven.
Bron: Gemeente Breda.
De overloop vanuit de vijver of wadi ten behoeve van de compenserende waterberging
betreft een aansluiting op een B-watergang. Hiervoor is mogelijk een Waterwetvergunning
nodig. Deze wordt, indien nodig, te zijner tijd, voordat de graafwerkzaamheden worden
gestart, aangevraagd.
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.
Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:
"Artikel 6.2.1
Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub b en/of c van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. De door de gemeente gemaakte kosten worden daarbij aan de hand van deze overeenkomst op de initiatiefnemer verhaald. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld.
Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen
gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld.
Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.
De voorgenomen ontwikkeling is middels een zorgvuldige dialoog met de omgeving besproken met omwonenden en belanghebbenden. Hierbij zijn de omwonenden en belanghebbenden op de hoogte gebracht van de plannen van de initiatiefnemer en zijn zij in de gelegenheid gesteld om eventuele aandachtspunten en/of verbeterpunten kenbaar te maken.
Geen van de omwonenden en belanghebbenden hebben aandachtspunten en/of verbeteringspunten aangedragen. De dialoog met de omgeving heeft dan ook niet geleid tot aanpassingen in de plannen van de initiatiefnemer.
Van de dialoog met de omgeving is een verslag gemaakt. Hiervoor wordt verwezen naar
bijlage 9 van deze toelichting. Vanwege privacy-overwegingen zijn de persoonsgegevens in het
verslag onherkenbaar gemaakt.
In het kader van vooroverleg is het voorliggende plan ter beoordeling aangeboden aan
verschillende partijen. Vanuit het vooroverleg hebben de provincie Noord-Brabant,
Brandweer Midden- en West-Brabant en het waterschap Brabantse Delta een vooroverlegreactie
geplaatst. Deze reacties zijn in de volgende paragrafen kort samengevat en beantwoord.
Onderstaand volgt het inhoudelijk standpunt van de provincie Noord-Brabant.
Het (voormalige) agrarisch bedrijf op deze locatie heeft meegedaan aan de Srv- regeling (warme sanering veehouderij). Vanuit deelname aan die regeling volgt de verplichting om de bebouwing die tot het IV-bedrijf behoort te slopen. In dit geval blijft echter een deel van de bedrijfsbebouwing behouden. In de toelichting ontbreekt een verantwoording over deze sloopverplichting.
Ter plaatse wordt een nieuwe intensieve veehouderij uitgesloten en gaat het bedrijf
verder als agrarisch bedrijf in de akkerbouw, met paardenfokkerij en 1400 m2 aan nevenactiviteiten:
400 m2 als kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid in milieucategorie 2 en 1000
m2 aan statische opslag. Deze mogelijkheden zouden voortkomen uit het bestemmingsplan
buitengebied. Daarbij hebben we de vraag hoe die nevenactiviteiten tot elkaar gezien
moeten worden in dat bestemmingsplan. Er wordt voor nevenactiviteiten in het bestemmingsplan
maximaal 400 m2 toegestaan (art. 3.5 onder b.4 van de planregels). Voor statische
opslag wordt maximaal 1000 m2 toegestaan (art. 3.5 onder c) Moeten die mogelijkheden
inderdaad cumulatief worden gezien of is de ruimere maat voor statische opslag een
uitzondering op het maximum aan 400 m2 aan nevenactiviteiten? En is er al een bedrijfsmatige
activiteit voor die opslag beoogd? Of wordt voor de ruimste mogelijkheden gekozen?
Het is lastig om de inrichtingsschets met de analoge verbeelding te vergelijken, met
name hoe sommige aanduidingen daarin zijn opgenomen. Is het bijvoorbeeld de bedoeling
dat statische opslag in elk gebouw mogelijk is en in totaal maar 1000 m2 mag beslaan?
Het huidige bouwvlak blijft behouden, terwijl de hoeveelheid bebouwing afneemt en
ook deels anders gepositioneerd wordt. Er ontstaat nu een zekere overmaat in het bouwvlak.
Vanuit het beginsel van zorgvuldig ruimtegebruik verdient het aanbeveling op het bouwvlak
te verkleinen.
Kwaliteitsverbetering landschap
Het is positief dat een intensieve veehouderij dicht bij de kern en in een omgeving met veel wonen, gesaneerd wordt. Maar aan de andere kant komt hier toch ook wel weer aardig wat bebouwing terug, inclusief ook nieuwbouw voor statische opslag en komt er een mix van 4 verschillende bedrijfsvormen op één erf. We verzoeken de gemeente nog eens goed te kijken of deze ontwikkeling wel valt binnen categorie 1.
Deze reactie is verwerkt in de toelichting.
De sloop van de bedrijfsbebouwing is geen voorwaarde voor het al dan niet kunnen deelnemen aan de Srv-regeling. De hoeveelheid sloop heeft echter wel invloed op het subsidiebedrag. Vanuit de Srv-regeling is het verplicht om intensieve veehouderij op de locatie na de wijziging niet meer mogelijk is en de varkensrechten op de locatie voor minimaal 80% worden ingetrokken. De sanering van de intensieve veehouderij wordt gezien als maatschappelijke meerwaarde. Daarom is overeengekomen dat de bebouwing voor een deel mag worden herbouwd. De maatschappelijke meerwaarde van het saneren van de intensieve veehouderij en de daarmee samenhangende milieuwinst weegt hierbij zwaarder dan de reductie van de oppervlakte aan bebouwing, welke nu voor andere doeleinden wordt ingezet. Er wordt tevens meer bebouwing gesloopt dan er terug komt waarmee het ruimtebeslag afneemt. In het bestemmingsplan is geen cumulatie regel opgenomen, er is maximaal 400m² aan nevenactiviteiten toegestaan en voor statische opslag is een aparte regeling opgenomen die naast de nevenactiviteiten nog 1.000m² statische opslag toe staat. De statische opslag tot 1000 m² is op het gehele bouwvlak toegestaan op de locatie. Om de gebruiksmogelijkheden niet te beperken is is er geen inperking op het type opslag dat mag plaatsvinden. Ruimtelijk gezien is dit ook niet relevant, aangezien de impact en uitstraling gelijk zijn. De paardenfokkerij en de ambachtelijke bedrijvigheid zijn i.v.m. milieuzonering wel beperkt middels een specifieke aanduiding om de impact voor de omwonenden te beperken.
Er is gekozen om het bouwvlak te behouden en in plaats daarvan een maximaal bebouwd oppervlakte op te nemen voor de oppervlakte aan gebouwen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, als een rijbak dient wel binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden, maar maakt geen onderdeel uit van het bebouwingspercentage. Hiermee is verzekerd dat het bouwvlak niet in zijn geheel bebouwd wordt met gebouwen. Dit gezien een rijbak in beginsel ook binnen een bouwvlak moet worden gesitueerd maar geen gebouw is.
Voor wat betreft de landschappelijke inpassing is er nogmaals geoordeeld over de categorie indeling. In overeenstemming met de gemeente is besloten dat de ontwikkeling in categorie 1 valt. Aangezien er meer bebouwing gesloopt dan dat er teruggebouwd wordt op de locatie, de milieuwinst mbt het beëindigen van de intensieve veehouderij groter is in verhouding met de activiteiten die er terugkomen op het perceel, is het oordeel dat de impact van deze ontwikkeling op het landschap niet wordt vergroot en de ontwikkeling dus in categorie 1 valt.
De brandweer geeft aan op basis van een theoretische berekening te hebben bepaald dat de brandweer vanuit de dichtsbijzijnde brandweerkazeren in Dorst niet binnen de geldende opkomsttijd ter plaatse kan zijn. Dit is alleen van toepassing op de woonfunctie gezien deze van voor 2003 is geldt hier vanuit de geldende regelgeing een opkomsttijd van 8 minuten. Voor de overige gebouwen geldt een opkomsttijd van 12 minuten. deze opkomsttijd blijkt op basis van een theoretische berekening haalbaar. Zij adviseren de gebruiker na te laten denken over het treffen van aanvullende voorzieningen en/of het nemen van aanvullende maatregelend, die de mate van brandveiligheid vergroten. Een voorbeeld hiervan kan zijn het voorzien van de verblijfsruimtes van rookmelders conform NEN 2555, die er toe kunnen bijdragen dat de bewoner in een eerder stadium van een beginnende brand worden geallameerd.
Deze reactie is doorgezet naar de initiatiefnemer. Welke op eigen initiatief aanvullende
maatregelen kan treffen.
De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.
Wij verzoeken u in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke
bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
Tot slot wijzen u erop dat er voor het uitvoeren van werkzaamheden in of rondom oppervlaktewaterlichamen of waterkeringen en voor het onttrekken/infiltreren van grondwater, gebods- of verbodsbepalingen kunnen gelden op basis van de Keur. Veelal is voor werkzaamheden die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer een vergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen kan een werkzaamheid onder een Algemene regel vallen, waardoor er onder voorwaarden sprake kan zijn van een vrijstelling van de vergunningplicht. De Keur en de Algemene regels zijn onder andere te raadplegen op de website van het waterschap (www.brabantsedelta.nl). Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het bestemmingsplan geven wij een positief wateradvies.
Deze reactie is verwerkt in de toelichting. Er was al kort opgenomen dat er de voorkeur was voor niet uitlogende bouwmaterialen. Dit is nu wat verder uitgewerkt. Indien sprake is van vergunningsplicht zal deze ter zijner tijd worden aangevraagd.
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" van gemeente Breda en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid
gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt
gepubliceerd op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt
het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:
Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.
Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid,
maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld
de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet
Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn
ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten
kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat
niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het
zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter
van een bestemmingsplan aan te scherpen.
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels
en de verbeelding (plankaart).
De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).
Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.
Bijlagen bij de toelichting:
Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.
Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als
bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale
beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk
relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en
dat beleidsdocument.
De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Bijlagen bij de planregels:
Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk
onderdeel uit van de regels.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.
De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk
te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal
bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide
van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge)
verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding
geeft het digitale bestand de juridische doorslag.
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.
Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming:
Daarnaast kent het voorliggend plan de volgende dubbelbestemming:
Dit plan kent verder de volgende noemenswaardige bijzonderheden:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).